ISSN 1725-2474

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 27

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

52e jaargang
3 februari 2009


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

III   Voorbereidende handelingen

 

EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ

 

446e plenaire zitting op 9 en 10 juli 2008

2009/C 027/01

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen op waterstof en tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG COM(2007) 593 final — 2007/0214 (COD)

1

2009/C 027/02

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over De verschillende beleidsmaatregelen (inclusief een passende financiering) die aan de groei en de ontwikkeling van kleine en middelgrote bedrijven kunnen bijdragen

7

2009/C 027/03

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Mededeling van de Commissie — Een agenda voor een duurzaam en concurrerend Europees toerisme COM(2007) 621 final

12

2009/C 027/04

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Witboek over de integratie van de EU-markt voor hypothecair krediet COM(2007) 807 final

18

2009/C 027/05

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Ontwikkelingen in de Europese bouwsector

22

2009/C 027/06

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het onderwerp Ontwikkeling van de zakelijke dienstverlening in Europa

26

2009/C 027/07

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende cosmetische producten (herschikking) COM(2008) 49 final — 2008/0035 (COD)

34

2009/C 027/08

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2001/82/EG en Richtlijn 2001/83/EG, wat wijzigingen in de voorwaarden van vergunningen voor het in de handel brengen van geneesmiddelen betreft COM(2008) 123 final — 2008/0045 (COD)

39

2009/C 027/09

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake drukvaten van eenvoudige vorm (gecodificeerde versie) COM(2008) 202 final — 2008/0076 (COD)

41

2009/C 027/10

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het onderwerp Naar een spoorwegnet met voorrang voor goederenverkeerCOM(2007) 608 final

41

2009/C 027/11

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Mededeling van de Commissie inzake een Europees havenbeleid COM(2007) 616 final

45

2009/C 027/12

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Wegvervoer — werktijden van zelfstandige bestuurders

49

2009/C 027/13

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's Een Europees strategisch plan voor energietechnologie (SET-plan) Naar een koolstofarme toekomstCOM(2007) 723 final

53

2009/C 027/14

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Het verband tussen klimaatverandering en landbouw in Europa

59

2009/C 027/15

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG teneinde de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten van de Gemeenschap te verbeteren en uit te breiden COM(2008) 16 final — 2008/0013 COD

66

2009/C 027/16

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een beschikking van het Europees Parlement en de Raad inzake de inspanningen van de lidstaten om hun broeikasgasemissies terug te dringen om aan de verbintenissen van de Gemeenschap op het gebied van het terugdringen van broeikasgassen tot 2020 te voldoen COM(2008) 17 final — 2008/0014 (COD)

71

2009/C 027/17

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de geologische opslag van kooldioxide en tot wijziging van de Richtlijnen 85/337/EEG en 96/61/EG van de Raad, de Richtlijnen 2000/60/EG, 2001/80/EG, 2004/35/EG en 2006/12/EG en Verordening (EG) nr. 1013/2006COM(2008) 18 final — 2008/0015 (COD)

75

2009/C 027/18

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/66/EG van het Europees Parlement en de Raad inzake batterijen en accu's, alsook afgedankte batterijen en accu's, en met name van artikel 6, lid 2, inzake het op de markt brengen van batterijen en accu's COM(2008) 211 final — 2008/0081 (COD)

81

2009/C 027/19

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over De niet-energetische mijnbouw in Europa

82

2009/C 027/20

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Integratie van minderheden — Roma

88

2009/C 027/21

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Elementen voor de opzet, organisatie en werking van een platform om het maatschappelijk middenveld nauwer te betrekken bij communautaire maatregelen ter versterking van het beleid inzake integratie van burgers uit derde landen

95

2009/C 027/22

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Een nieuw Europees sociaal actieprogramma

99

2009/C 027/23

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een Richtlijn van de Raad betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan COM(2007) 637 final — 2007/0228 (CNS)

108

2009/C 027/24

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een Richtlijn van de Raad betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om op het grondgebied van een lidstaat te verblijven en te werken en betreffende een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijvenCOM(2007) 638 final — 2007/0229 (CNS)

114

2009/C 027/25

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een beschikking van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Jaar van de creativiteit en innovatie (2009) COM(2008) 159 final — 2008/0064 (COD)

119

2009/C 027/26

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Betere integratie in de interne markt als succesfactor voor meer cohesie en groei in eilandgebieden

123

2009/C 027/27

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over De redenen voor het verschil tussen de gevoels- en de werkelijke inflatie

129

2009/C 027/28

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Albanië — de rol van het maatschappelijk middenveld in de pretoetredingssteunprogramma's

140

2009/C 027/29

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Het opzetten van netwerken van maatschappelijke organisaties in de Zwarte Zeeregio

144

2009/C 027/30

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het onderwerp Communiceren over Europa: de nationale en Europese dimensie met elkaar verzoenen

152

NL

 


III Voorbereidende handelingen

EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ

446e plenaire zitting op 9 en 10 juli 2008

3.2.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 27/1


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen op waterstof en tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG

COM(2007) 593 final — 2007/0214 (COD)

(2009/C 27/01)

De Raad heeft op 14 november 2007 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 95 van het EG-Verdrag te raadplegen over het

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen op waterstof en tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG.

De gespecialiseerde afdeling Interne markt, productie en consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 11 juni 2008 goedgekeurd. Rapporteur was de heer IOZIA.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 9 en 10 juli 2008 gehouden 446e zitting (vergadering van 9 juli 2008) het volgende advies uitgebracht, dat met 117 stemmen vóór en zonder stemmen tegen, bij 5 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Het EESC onderschrijft de inhoud van het onderhavige voorstel voor een verordening COM(2007) 593 final en stemt in met de uitvaardiging van geharmoniseerde normen op communautair niveau voor de typegoedkeuring van motorvoertuigen op waterstof. Het staat achter de keuze voor één, in alle EU-lidstaten geldige procedure, die immers eenvoudiger en goedkoper is dan 27 verschillende typegoedkeuringen, die bovendien duidelijk tot concurrentieverstoring en een versnippering van de interne markt kunnen leiden.

1.2

Het belang van deze maatregel is vanzelfsprekend: de verwachting is dat er steeds meer motorvoertuigen op waterstof verkocht zullen worden, maar op nationaal noch op Europees niveau bestaat er een standaard typegoedkeuring voor dit type voertuigen. De voorlopige regelingen die in de lidstaten zijn getroffen, lopen onderling sterk uiteen.

1.3

Volgens het EESC dient de verordening snel te worden goedgekeurd, die een betrouwbaar referentiekader lijkt te bieden voor de ondernemingen in de sector, en dus een steuntje in de rug is voor de vereiste forse investeringen voor de ontwikkeling van de technologie. Over de strategische keuze voor het gebruik ervan heeft het EESC zich in recente adviezen uitgesproken, onder andere door te stellen dat „waterstof (…) — hoewel dat gebruik momenteel zijn beperkingen kent — (…) een uitdaging voor de toekomst (vormt)”.

1.4

Het uitwerken van deze geharmoniseerde communautaire normen is voorts een belangrijk onderdeel voor het waarborgen van de veiligheid van de gebruikers. Versterking van het consumentenvertrouwen is essentieel voor de waarschijnlijke ontwikkeling van deze voertuigen. De Commissie verwacht dat de doelstelling van 1 miljoen voertuigen op waterstof tegen 2020 een feit is.

1.5

Een sprekend voorbeeld dat overtuigend en concreet aantoont dat de doelstelling haalbaar is, is de gestage stijging van hybride taxi's in New York, waar dankzij een positief stadsbeleid respect voor en behoud van het milieu hand in hand kunnen gaan met de marktregels; achter de pogingen tot het opwerpen van kunstmatige belemmeringen voor de ontwikkeling van deze technologie gaan immers vaak slechts gevestigde belangen schuil.

1.6

Deze mijlpaal verwezenlijken lijkt nodig aangezien slechts door doelgerichte vervanging van fossiele brandstoffen een doelstelling kan worden gehaald die aansluit bij het EU-beleid voor duurzame ontwikkeling en de bestrijding van klimaatverandering. Het doel kan worden bereikt door geleidelijk meer waterstof, alsook agrobrandstoffen van de tweede generatie en andere hernieuwbare brandstoffen te gebruiken.

1.7

Steun voor deze langetermijnstrategie verloopt via toegespitst technologisch onderzoek. Het EESC verzoekt derhalve om de uitvoering van specieke onderzoeksprogramma's na een snelle goedkeuring van verordeningsvoorstel COM(2007) 571 final, waarin sprake is van het opzetten van een „gemeenschappelijk technologisch initiatief (JTI) door de oprichting van een gemeenschappelijke onderneming Brandstofcellen en waterstof” (1). Het EESC steunt dit en hoopt dat er onderzoeksprogramma's komen die nieuwe wegen inslaan voor de productie en toepassing van waterstof en schaart zich achter verzoeken van in deze sector actieve bedrijven en onderzoeksinstellingen in verband met de toepassing van waterstof met het oog op een snelle goedkeuring van de nodige voorstellen door de Raad en het Parlement.

1.8

Het EESC roept de Commissie op nu al het bereik van het distributienetwerk onder de loep te nemen: de beschikbaarheid van veilige en efficiënte technologie voor de opslag en toereikende distributie zijn immers onontbeerlijk voor de verspreiding van voertuigen die op gasmengsels rijden.

1.9

In de eerste fase dienen maatregelen in de gehele EU de verspreiding te stimuleren van LPG en methaan, die de meest directe en realistische mogelijkheden bieden in het streven om gedeeltelijk af te stappen van het gebruik van koolstofhoudende brandstoffen. In tal van EU-lidstaten zijn LPG en methaan nu slechts mondjesmaat of helemaal niet aanwezig. Deze eerste fase, waarin onderzoek wordt gedaan naar nieuwe, steeds veiligere en efficiëntere technologieën voor opslag en distributie, moet in de nabije toekomst overgaan in een tussenfase met distributie van mengsel van gas en waterstof, die vervolgens uitmondt in een fase waarin waterstof verspreid wordt.

1.10

Essentieel zijn volgens het EESC concrete maatregelen om het vertrouwen te winnen van de toekomstige gebruikers en om nu nog bestaande twijfels over de toepassing van waterstof weg te nemen. Er dienen dus breed opgezette informatiecampagnes te komen met een duidelijke en overtuigende boodschap die aantoont dat het huidige veiligheidsniveau van de traditionele voertuigen met deze technologie nu al bereikt is.

1.11

Het EESC staat achter de keuze voor een verordening als wettelijk instrument. Doordat de hierin vervatte voorschriften gelijktijdig in alle lidstaten van toepassing zijn, zijn gelijke voorwaarden voor de fabrikanten in de sector immers gewaarborgd.

1.12

Verder staat het Comité achter de uitwerking en invoering van fundamentele voorschriften via de „comitéprocedure” en onderschrijft het de instelling van een overgangsperiode als de voorschriften worden toegepast; aan de invoering zullen voor de betrokken ondernemingen immers enige haken en ogen kleven.

1.13

Het EESC steunt en acht de aanwezigheid van Europa in de GCG (Global Coordination Group) van belang voor het zoeken naar voorschriften voor typegoedkeuring op mondiaal niveau (GTR, Global Technological Regulation), maar het onderstreept ook dat een dergelijke overeenkomst de voortgang van de wettelijke procedure niet mag belemmeren. Beschikt Europa over een eigen wettelijk instrument en over ervaring met de toepassing van desbetreffende communautaire voorschriften, dan kan haar positie in alle mondiale instanties worden versterkt, ook om te voorkomen dat er voor op waterstof rijdende voertuigen wereldwijd afspraken worden gemaakt op grond van ervaringen die in slechts één land (Japan) zijn opgedaan.

1.14

Beschikking over ervaring die is gebaseerd op een communautaire wettelijke regeling en de belangrijke resultaten die een voortvarende en permanente inzet op technologisch gebied kunnen opleveren, zijn wellicht van doorslaggevend belang voor het concurrentievermogen van de bedrijven die nu al in de automobielsector actief zijn, overwegende dat er in de toekomst grote marktaandelen gemoeid zijn met deze nieuwe technologie en nieuwe brandstoffen.

1.15

De materie vergt volgens het EESC moedige en tijdige beslissingen die gepaard gaan met een strategische langetermijnvisie die deel uitmaakt van een toekomstscenario waarin waterstof, als de tijd rijp is, bestemd is om een belangrijke en doorslaggevende plaats in te nemen.

1.16

De Commissie wordt verzocht het voorstel om waterstofauto's te „labelen” te heroverwegen: het kan de indruk wekken alsof deze voertuigen gecriminaliseerd worden, en alsof ze „gevaarlijk” zouden zijn, terwijl de resultaten van veiligheidstests niet onderdoen voor die van auto's die op andere brandstoffen rijden. In plaats van zo'n etiket ligt volgens het EESC een duidelijke brandstofidentificatie voor alle auto's meer voor de hand.

1.17

Zolang er nog geen distributienet is voor auto's op waterstof beveelt het EESC de Commissie aan om ook een typegoedkeuring in te voeren voor de kleine reformers voor de zelfstandige productie van waterstof op basis van aardgas (bijv. home energy stations of dergelijke). Dit is een eerste concrete stap om voorlopig tegemoet te komen aan de nieuwe vraag naar waterstof; anderzijds moet er blijvend gestreefd worden naar de productie van waterstof uit duurzame bronnen, zoals biogas, fotolyse en elektrolyse waarbij elektriciteit uit hernieuwbare bronnen gebruikt wordt.

2.   Inleiding

2.1

Het uitgangspunt van het verordeningsvoorstel in kwestie (COM(2007) 593 final) is dat er nergens in Europa voorschriften zijn voor de standaard typegoedkeuring voor voertuigen die met waterstof worden aangedreven, ook al is de verwachting dat de verkoop van dergelijke voertuigen zal toenemen.

2.2

Ook op lidstaatniveau ontbreken momenteel bepalingen die het onderhavige gebied regelen.

In de vigerende wetgeving die de typegoedkeuring van motorvoerutigen betreft, zijn geen algemene voorschriften opgenomen voor voertuigen die op waterstof rijden, noch voor de kenmerken waardoor ze afwijken van de voertuigen die door conventionele brandstoffen worden aangedreven.

2.3

De voorlopige regelingen die in sommige lidstaten zijn getroffen, lopen onderling sterk uiteen. Als deze situatie voortduurt, zal dat tot verschillende procedures voor typegoedkeuring in de lidstaten leiden met onvermijdelijk versnippering van de interne markt en verstoring van de concurrentie tot gevolg. Ook de concrete en doorslaggevende bijdrage van deze technologie aan een beter milieu verdwijnt zo uit het zicht.

2.4

Onderhavig voorstel beoogt dus het garanderen van een correcte werking van de interne markt, terwijl tegelijk wordt voorkomen dat er in de lidstaten voertuigen circuleren op grond van verschillende voorschriften voor typegoedkeuring, wat leidt tot scheve verhoudingen tussen fabrikanten en wellicht tot kunstmatige belemmeringen voor de handel in Europa.

2.5

Een dergelijk vooruitzicht zou de ontwikkeling van de waterstoftechnologie in Europa tegenwerken, terwijl er juist haast moet worden gezet achter concrete initiatieven en maatregelen voor deze technologie, die één van de belangrijkste alternatieven is voor fossiele brandstoffen. Deze dekken nog steeds 98 % van de behoefte van het openbaar en privévervoer en maken 50 % van de primaire energiebronnen uit. Zonder overtuigde keuzes voor diversificatie zal dit percentage stijgen tot 73 %.

2.6

Samen met de in het 7e KP opgenomen onderzoekprogramma's voor de sector is deze verordening een belangrijke stap om de toepassing van waterstof vanuit veiligheidsoogpunt op een vergelijkbaar niveau als traditionele technologieën te brengen; voorts kan de verordening bijdragen aan de opbouw van een draagvlak onder potentiële consumenten.

2.7

De uitwerking van geharmoniseerde voorschriften op communautair niveau voor de typegoedkeuring van voertuigen op waterstof is ongetwijfeld cruciaal voor de vereiste overeenstemming onder gebruikers. Meer vertrouwen van de kant van de consument in de toepassing van waterstof is een conditio sine qua non voor het versneld op de markt brengen van voertuigen die op alternatieve brandstoffen werken, met een minimale uitstoot van broeikasgassen. Dit is van essentieel belang om het milieu daadwerkelijk en concreet te beschermen.

3.   Het voorstel van de Commissie

3.1

Met onderhavig voorstel inzake motorvoertuigen op waterstof wordt beoogd om in de gehele EU geldende voorschriften vast te stellen voor de typegoedkeuring van auto's die door deze brandstof worden aangedreven.

3.2

Het is de bedoeling om Richtlijn 2007/46/EG te wijzigen door op waterstof rijdende voertuigen van de categorieën M1, M2 en M3 en N1, N2 en N3 (2) op te nemen in de standaardprocedure voor typegoedkeuring van voertuigen en om deze voertuigen te integreren in alle richtlijnen en verordeningen die de typegoedkeuring betreffen.

3.3

De rechtsgrondslag van het voorstel is art. 95 van het Verdrag.

Het voorstel is geheel in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel aangezien de communautaire beleidsdoelstellingen niet te verwezenlijken zijn op het niveau van de lidstaten. Op deze manier worden ook belemmeringen op de interne markt voorkomen.

Ook het evenredigheidsbeginsel wordt in acht genomen: de doelstelling is immers uitsluitend de goede werking van de interne markt, samen met een hoog niveau van openbare veiligheid en milieubescherming.

3.4

De Commissie kiest voor een verordening om ervoor te zorgen dat de bepalingen uit het onderhavige voorstel overal tegelijk in acht worden genomen en om niet te hoeven wachten op omzetting in de nationale wetgeving van de lidstaten. Anders zou het kunnen gebeuren dat de voorschriften voor typegoedkeuring op verschillende tijdstippen worden aangepast en dat de bepalingen in de omzettingsfase aanzienlijk worden gewijzigd.

3.5

Het voorstel is uitgebreid bestudeerd en alle betrokken partijen zijn daarbij geraadpleegd. De werkgroep Waterstof heeft voor het onderzoek zijn licht opgestoken bij de nationale overheden, de automobielfabrikanten, toeleveranciers en brancheorganisaties.

3.6

Er is gekeken naar de volgende vier opties:

„status quo”, handhaving van de bestaande situatie,

nieuwe wetgeving door de lidstaten,

nieuwe wetgeving door de EU,

niet-normatieve benadering: zelfregulering.

3.7

Vervolgens is een consultant aangesteld die de reacties ten aanzien van veiligheid, technologie en de bijbehorende kosten van de diverse opties in kaart heeft gebracht. De resultaten zijn ter beoordeling voorgelegd aan de belangrijkste ondernemingen in de automobielsector die bij de waterstoftechnologie betrokken zijn.

3.8

Uit deze brede raadpleging is duidelijk naar voren gekomen dat wetgeving op EU-niveau de aangewezen weg is om tot een standaard typegoedkeuring te komen voor alle voertuigen die op waterstof rijden.

3.9

Ter staving van de keuze heeft de Commissie een studie (3) gepresenteerd waaruit blijkt dat de invoering van een Europese typegoedkeuring een weliswaar rigoureus middel vormt, maar tevens de eenvoudigste en goedkoopste manier is in vergelijking met de theoretische kosten van 27 nationale, verschillende typegoedkeuringen.

3.10

Het standpunt van de consultant is daarna voorgelegd aan de Commissie, die op basis van raadpleging vooraf het onderhavige voorstel heeft geformuleerd, dat nu aan zijn institutionele traject is begonnen.

3.11

Volgens de Commissie bieden de in deze verordening bepaalde normen de gebruikers van voertuigen op waterstof de vereiste veiligheidsgaranties; ook het milieu wordt zonder meer ontzien.

3.12

Tot slot wordt bepaald dat 36 maanden na de inwerkingtreding van de verordening de installaties, alle waterstofsystemen en de gebruikte materialen geheel aan de voorschriften van de verordening moeten voldoen.

4.   De hoorzitting

4.1

Aan de hoorzitting werd deelgenomen door de Commissie, vertegenwoordigers van universiteiten, automobielfabrikanten die zich bezighouden met de ontwikkeling van waterstofauto's, Europese branche- en consumentenverenigingen en brandstofcelproducenten. Er zijn belangrijke opmerkingen gemaakt voor verdere reflectie en over de laatste technische ontwikkelingen.

4.2

Het is van groot belang informatie te verspreiden onder het grote publiek en bekendheid te geven aan initiatieven als H2 Rome, dat enkele jaren geleden in Rome is gestart. Dergelijke initiatieven dragen ertoe bij dat fabrikanten en burgers met elkaar in contact komen, waarbij technologische ontwikkelingen onder de aandacht worden gebracht en mensen vertrouwd worden gemaakt met een technologie die de meesten nog als gevaarlijk beschouwen. Van groot belang achtten de aanwezigen de rol van het EESC, dat hier als cultureel doorgeefluik zou kunnen fungeren.

4.3

Zowel fabrikanten als consumenten hebben benadrukt dat zij moeten kunnen rekenen op de veiligheid van de voertuigen en de infrastructuur voor opslag en distributie, alsook op de beschikbaarheid van waterstof. Het onderzoek moet worden voortgezet en verdient meer steun. Waardering is er ook voor recente Europese initiatieven inzake brandstofcellen, met het besluit om een Gemeenschappelijk Technologisch Initiatief te financieren.

4.4

Tests voor de actieradius van waterstofvoertuigen tonen aan dat ze vandaag de dag al tot 600 km kunnen rijden. Verdere proeven staan op stapel.

4.5

De waterstofauto is technologisch gezien inmiddels realiteit, zoals tijdens de hoorzitting bleek. In economisch en sociaal opzicht is de tijd evenwel nog niet rijp voor commerciële introductie. Een eerste barrière wordt geslecht met de verordening voor de typegoedkeuring.

5.   Algemene opmerkingen

5.1

Het EESC onderschrijft de inhoud van het voorstel, alsook de uitwerking van geharmoniseerde normen voor de typegoedkeuring van met waterstof aangedreven voertuigen omdat het een verberering is ten opzichte van de huidige situatie die, bij ontstentenis van wetgeving ter zake, duidelijk zal uitmonden in verstoring van de concurrentieverhoudingen en versnippering van de interne markt. Het is zaak dat de verordening snel wordt goedgekeurd, vanzelfsprekend ook met het oog op veiligheid en milieubescherming.

5.2

Het EESC meent dat het ontbreken van een duidelijk referentiekader er onvermijdelijk toe leidt dat de forse investeringen worden ontmoedigd die nodig zijn voor de ontwikkeling van de technologie voor de toepassing van waterstof als energiedrager voor de auto van de toekomst.

5.3

De onderhavige verordening lijkt te stroken met de maatregelen van de Unie voor duurzame ontwikkeling en bestrijding van klimaatverandering, die ten grondslag liggen aan de communautaire initiatieven en die ontegenzeggelijk bijdragen aan de algemene doelstellingen van de Lissabonstrategie.

5.4

Het EESC is er heilig van overtuigd dat zonder een snelle en voortvarende ontwikkeling van waterstofvoertuigen en zonder geleidelijke vervanging van de fossiele brandstoffen de milieuvoordelen tamelijk beperkt zijn en kwantitatief dus niet noemenswaardig. Het spreekt daarom opnieuw de eis uit om milieuduurzaamheid en de onverdroten bestrijding van de klimaatverandering op te voeren; beide zijn mede te verwezenlijken door de toepassing van waterstof, agrobrandstoffen van de tweede generatie en andere hernieuwbare brandstoffen.

5.5

Voor de huidige tendens, waarbij in de behoefte aan energie hoofdzakelijk wordt voorzien met fossiele bronnen, die momenteel 85-90 % van het wereldwijde energieaanbod uitmaken, is een boeiend alternatief, dat verloopt via gebruik van waterstof en het onderzoek op het gebied van brandstof- en waterstofcellen. Bij een evaluatie van de vooruitzichten moet er, wat de fossiele brandstoffen betreft, rekening mee worden gehouden dat er in de toekomst schaarste ontstaat en dat de prijzen gestaag zullen stijgen.

5.6

In een eerder uitgebracht advies (4) schaart het EESC zich geheel achter document COM(2007) 571 final, waarin de Commissie aangeeft met circa 470 miljoen euro een gezamenlijk technologie-initiatief (JTI) te steunen door de „oprichting van een gemeenschappelijke onderneming Brandstofcellen en waterstof”, die de Commisie, de lidstaten en het bedrijfsleven de mogelijkheid biedt om via een initiatief voor grootschalig onderzoek, middelen bijeen te brengen voor programma's die gericht zijn op strategische sectoren voor de diversificatie en de toekomstige beschikbaarheid van energie.

5.7

In een hieropvolgend advies over de „energiemix in het vervoer” (5) meent het EESC dat er „absoluut aanzienlijk meer geld besteed (moet) gaan worden aan onderzoek naar de productie en het gebruik van waterstof” en „schaart het zich achter het tot de Raad en het Europees Parlement gerichte verzoek van de bedrijven en onderzoekers die zich met de ontwikkeling van het gebruik van waterstof bezighouden, om dit initiatief snel goed te keuren”.

5.8

Met brandstofcellen als energieomzetters kan de productie van broeikasgassen en verontreinigende stoffen flink worden teruggedrongen. Voor de behandeling van biomassa kijkt het EESC in het in de voorgaande paragraaf genoemde advies, met belangstelling naar de recente vooruitgang op het gebied van nieuwe katalysatoren voor brandstofcellen, die veelbelovend zijn voor het leveren van schone energie voor auto's.

5.9

Door opnieuw te stellen dat het gebruik van waterstof in de geleidelijke vervanging van fossiele brandstoffen een gewenst en onvermijdelijk tussenstation is, benadrukt het EESC dat de nagestreefde introductie van voertuigen op waterstof slechts te bewerkstelligen valt door flinke investeringen op alle hieraan gerelateerde onderzoeksterreinen. Daarom breekt het een lans voor onderzoeksprogramma's die deze strategie handen en voeten geven.

5.10

De aanzienlijke kosten in dit verband mogen de ontwikkeling van deze technologie evenwel niet afremmen. Het EESC kijkt dan ook gespannen uit naar onderzoeksprograma's die nieuwe wegen inslaan voor de milieuvriendelijke productie van waterstof, overwegende dat voor de productie van waterstof momenteel meer dan 90 % methaan nodig is, dat wel een belangrijke maar „eindige” energiebron is.

5.11

Bij de beoordeling van de kosten in verband met elke technologische vooruitgang moeten de omvangrijke vereiste middelen niet alleen afgezet worden tegen het particuliere autobezit, hoewel dat aanzienlijk is, maar dient tevens te worden uitgegaan van een strategische visie en een verwachting waarin rekening wordt gehouden met toekomstige voordelen die kunnen voortvloeien uit een ruimere toepassing van waterstof. Te denken valt aan het openbaar en particulier vervoer, het goederenvervoer, de aandrijving van treinen en schepen, tot aan het gebruik van waterstof in elektriciteitscentrales, ook al is dit toekomstmuziek.

5.12

Voor het EESC staat het vast dat er, mits de relevante onderzoeksprogramma's naar wens verlopen en zij de vereiste politieke en economische steun van alle betrokkenen krijgen, binnen afzienbare tijd deels of geheel met waterstof aangedreven voertuigen kunnen rijden.

5.13

Een sprekend voorbeeld van deze positieve ontwikkeling is de gestage stijging van hybride taxi's in New York, waar dankzij een positief stadsbeleid respect voor en behoud van het milieu hand in hand kunnen gaan met de marktregels; achter de pogingen om belemmeringen op te werpen voor de ontwikkeling van deze technologie gaan immers vaak slechts gevestigde belangen schuil.

5.14

In alle desbetreffende adviezen heeft het EESC zich uitgesproken voor waterstof dat, ondanks de momenteel bekende beperkingen, de uitdaging voor de toekomst is. Het volgt aandachtig de recente initiatieven die, met verschillende productie- en distributietechnologieën, de weg banen voor de toekomstige toepassing van waterstof voor de aandrijving van voertuigen.

5.15

Vanuit deze optiek roept het EESC de Commisie nogmaals op om te kijken naar de dichtheid in de EU van het distributienet voor alternatieve brandstoffen, om te beginnen bij uitbreiding van het netwerk voor LPG (vloeibaar aardgas), dat in sommige lidstaten maar mondjesmaat aanwezig is en in andere zelfs ontbreekt, enkele positieve uitzonderingen zoals Polen daargelaten.

5.16

Een concreet voorbeeld van een onderzoeksrichting in de sector zijn de opslag en de distributie. De beschikking over innovatieve technologie voor de distributie van gas is van fundamenteel en doorslaggevend belang voor de verspreiding van nieuwe voertuigen, zowel in de overgangsfase met mogelijk verschillende gasmengsels als in de eindfase, waarin de voertuigen op waterstof moeten rijden.

5.17

Op dit gebied moeten er bijtijds maatregelen genomen worden om te beschikken over efficiëntere en veiligere distributiesystemen, uitgaande van de ervaringen die zijn opgedaan in de twee momenteel in Europa werkende installaties, te weten in Mantua (Italië) en München (Duitsland) en door het onderzoek te richten op technologisch steeds geavanceerdere systemen waarin de naleving van hoge veiligheids- en milieunormen centraal staat.

5.18

Daarom meent het EESC dat de naleving van hoge veiligheids- en efficiëntienormen voor de opslag en distributie van gashoudende brandstoffen cruciaal is in de huidige fase, die vraagt om een fors programma voor de verspreiding in de gehele EU van LPG-en methaaninstallaties. Dit kan worden beschouwd als een eerste, realistische doelstelling voor een ten minste gedeeltelijke decarbonisatie van de brandstoffen, als overgang naar de eindfase met distributie van waterstof. De technologieën voor de opslag en distributie van gas en waterstof zijn vrijwel gelijk, dus de ontwikkeling van die voor gas kan de ontwikkeling van die voor waterstof alleen maar ten goede komen.

5.19

Het EESC beseft dat er aan het gebruik van waterstof ontegenzeggelijk kosten- en veiligheidsproblemen kleven vanwege beperkingen in het verleden die thans op basis van grondige tests in diverse landen geheel opgelost moeten zijn en waardoor het gebruik van waterstof naar het veiligheidsniveau van de traditionele technologie is getild. Door het bereiken van deze mijlpaal kan, met behulp van uitgebreide en specifieke voorlichtingsprogramma's, het vertrouwen van toekomstige gebruikers worden gewonnen, een absolute voorwaarde voor de definitieve introductie van deze technologie.

5.20

Volgens het EESC is het daarom nodig dat er aan deze strategie voor waterstof een omvangrijk voorlichtingsprogramma wordt gekoppeld om het huidige wantrouwen van de consument aan te pakken en weg te werken. Waterstof wordt door consumenten nu nog als een heel riskant product gezien.

5.21

Zo'n breed opgezette informatiecampagne moet met een duidelijke boodschap komen: het huidige veiligheidsniveau van de traditionele voertuigen is met deze technologie nu al bereikt, ook in het geval van eventuele ongelukken. Dit is een belangrijke reden om geloofwaardigheid te hechten aan de verwachting van de Commissie, dat er in de EU tegen 2020 ten minste 1 miljoen voertuigen op waterstof zullen rijden (blz. 34 van de Effectbeoordeling).

5.22

Deze verordening voor de uitwerking van geharmoniseerde voorschriften op communautair niveau voor de typegoedkeuring van voertuigen op waterstof is een eerste stap op weg naar de vorming en de handhaving van een consensus die alle steun verdient. Het gebruik ervan draagt immers cruciaal bij aan het milieubehoud, aangezien deze vorm van aandrijving geen broeikasgassen uitstoot, noch vervuilende stoffen op basis van koolstof.

5.23

Het EESC staat achter de keuze voor een verordening als wettelijk instrument. Doordat de hierin vervatte voorschriften onmiddellijk in alle lidstaten van toepassing zijn, zijn gelijke voorwaarden voor de fabrikanten in de sector immers gewaarborgd.

5.24

Verder staat het Comité achter de uitwerking en invoering van deze essentiële voorschriften via de „comitéprocedure” en onderschrijft het de instelling van een overgangsperiode, die noodzakelijk lijkt voor de fabrikanten. Deze keuze lijkt gerechtvaardigd gezien de complexiteit van de technologie, die lange aanloopperioden vergt.

5.25

Het EESC steunt en acht de aanwezigheid van Europa in de GCG, samen met Japan en de VS, belangrijk. Dit orgaan werkt aan een wereldwijde procedure voor de typegoedkeuring van waterstofvoertuigen.

5.26

Toch mag het streven naar een overeenkomst van deze omvang geen belemmering zijn voor het streven naar een communautaire wettelijke regeling, aangezien voor het bereiken van een wereldwijd akkoord meer tijd vereist is dan voor de onderhavige verordening. Anderzijds staat Europa sterker in zo'n instantie als het beschikt over een specifiek wettelijk instrument en kan bogen op eigen ervaring; voorts kan Europa voorkomen dat de verordening uitsluitend gebaseerd wordt op de enige ervaring die thans beschikbaar is, te weten die van Japan.

5.27

Een overtuigende aanwezigheid van Europa in de wereldwijde besluitvormingsorganen is ook van essentieel belang voor het behoud van het concurrentievermogen van de toonaangevende Europese automobielfabrikanten, die de aansluiting niet mogen missen met de ontwikkelingen op de markt, waar het voor het verwerven van een groot aandeel van de toekomstige markt cruciaal is dat Europa nadrukkelijk aanwezig is, tijdig reageert en over geavanceerde technologie beschikt.

5.28

Ook al is de typegoedkeuring maar één aspect van het gehele proces, het is een belangrijke stap op weg naar de beschikking over alternatieve brandstoffen die Europa minder afhankelijk maken van fossiele brandstoffen, grote milieuvoordelen opleveren en ons voorbereiden op het niet te vermijden moment van geleidelijke uitputting van deze hulpbron, ook al is dit tijdstip niet duidelijk te bepalen.

5.29

De materie vergt moedige beslissingen en een strategische langetermijnvisie die deel uitmaakt van een toekomstscenario waarin waterstof bestemd lijkt om een fundamentele plaats in te nemen.

Brussel, 9 juli 2008

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

D. DIMITRIADIS


(1)  PB C 204 van 9.8.2008, blz. 19.

(2)  

M1 voertuigen voor het vervoer van personen, met ten hoogste 8 zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend;

M2 voertuigen voor het vervoer van personen, met meer dan 8 zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, en met een maximummassa van ten hoogste 5 t;

M3 voertuigen voor het vervoer van personen, met meer dan 8 zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, en met een maximummassa van meer dan 5 t;

N1 voertuigen voor het vervoer van goederen, met een maximummassa van ten hoogste 3,5 t;

N2 voertuigen voor het vervoer van goederen, met een maximummassa van meer dan 3,5 t, maar ten hoogste 12 t;

N3 voertuigen voor het vervoer van goederen, met een maximummassa van meer dan 12 t.

(3)  TRL Ltd, de technisch-wetenschappelijk adviseur van de Commissie.

(4)  PB C 204 van 9.8.2008, blz. 19.

(5)  CESE 1104/2007 (TEN/297), par. 1.4. Nog niet gepubliceerd in het Publicatieblad.


3.2.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 27/7


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „De verschillende beleidsmaatregelen (inclusief een passende financiering) die aan de groei en de ontwikkeling van kleine en middelgrote bedrijven kunnen bijdragen”

(2009/C 27/02)

Op 20 september 2007 heeft de heer Andrej VIZJAK, minister van Economische Zaken, namens het toekomstige Sloveense voorzitterschap van de Raad het Europees Economisch en Sociaal Comité verzocht een verkennend advies op te stellen over

De verschillende beleidsmaatregelen (inclusief een passende financiering) die aan de groei en de ontwikkeling van kleine en middelgrote bedrijven kunnen bijdragen.

De gespecialiseerde afdeling Interne markt, productie en consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 11 juni 2008 goedgekeurd. Rapporteur was de heer CAPPELLINI.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 9 en 10 juli 2008 gehouden 446e zitting (vergadering van 9 juli) het volgende advies uitgebracht, dat met 122 stemmen vóór en zonder stemmen tegen, bij 5 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

De Small Business Act for Europe (SBAE), waar het EESC zelf herhaaldelijk om heeft verzocht, moet het volgens het Comité mogelijk maken om het Europees Handvest voor kleine bedrijven nieuw leven in te blazen; tevens is het de kans bij uitstek voor de ontwikkeling van het potentieel van deze bedrijven, maar ook een test voor de daadwerkelijke bereidheid van de instellingen en de lidstaten om het MKB en micro-bedrijven met duurzaam beleid te steunen.

1.2

Dit beleid moet niet alleen gevoerd worden in economisch zware tijden, als politici opnieuw de charme van het MKB en microbedrijven ontdekken om het tekort aan banen weg te werken en de werkloosheidsstatistieken op te krikken; het zou een solide beleid moeten worden voor de langetermijnondersteuning van het concurrentievermogen van het MKB.

1.3

Om de ontwikkeling van het MKB te steunen en te stimuleren door het creëren van een daadwerkelijk gunstig klimaat en om tot een Small Business Act voor een doeltreffend Europa te komen die iets anders is dan de zoveelste beleidsverklaring, beveelt het EESC 10 fundamentele maatregelen aan:

verwerving van goede kennis van de verschillende categorieën ondernemingen in het Europese MKB hun ontwikkeling en hun behoeften op horizontaal en sectoraal niveau, gelet op de interne markt in zijn interne, externe en grensoverschrijdende dimensie, met name ten aanzien van de publicatie van jaarverslagen;

integratie van de MKB-dimensie in het EU-beleid op alle terreinen en in het wetgevingsproces;

voortzetting van administratieve vereenvoudiging op alle niveaus en invoering van een nieuwe methode om de verschillende categorieën middelgrote en kleine ondernemingen en hun vertegenwoordigende organen te raadplegen;

ervoor zorgen dat de wetgeving op elk niveau rekening houdt met de omstandigheden en behoeften van de verschillende categorieën in het MKB en dat het beginsel „Think small first” wordt toegepast;

ervoor zorgen dat in wetgeving vier kernuitgangspunten worden gehanteerd: 1) doeltreffende effectrapportages; 2) evenredigheid, 3) „only once”, 4) handhaving en uitbreiding van de bevoegdheden van de SME Envoy (d.w.z. de MKB-vertegenwoordiger) en instelling van een ombudsman voor het MKB voor de interne markt;

ondersteuning van de begeleidende en adviserende activiteiten van organisaties die het MKB vertegenwoordigen;

herstart van programma's voor samenwerking tussen ondernemingen, voor uitwisseling tussen hun organisaties, alsook netwerkvorming van hun ondersteunende diensten;

een ruimer opgezet en permanent beleid voor innovatie, gericht op micro-ondernemingen;

vereenvoudiging en bevordering van de toegang voor het MKB tot EU-programma's;

een beleid voeren ten gunste van overdracht en overname van ondernemingen.

1.4

Het EESC zou willen dat de SBAE op alle niveaus wordt ingevoerd in de vorm van een wettelijk bindend instrument.

1.5

Het zou verder graag zien dat de SBAE aanzet tot een sociale dialoog tussen de sociale partners in het MKB om te komen tot een optimaal arbeidsklimaat ten gunste van de creativiteit en innovatie, ook in de arbeidsomstandigheden. Met name dient er te worden toegezien op verbetering van de veiligheid en van de risico-analyse op de werkplek.

2.   Achtergrond van het verkennend advies

2.1

Alom wordt erkend dat het midden- en kleinbedrijf (MKB) van groot belang is voor de economie van de Europese Unie; het vormt de sleutel tot groei en werkgelegenheid in de EU en tot de oplossing voor nieuwe problemen in verband met de globalisering. Een evaluatie van de resultaten van het MKB-beleid in de periode 2005-2007 heeft aangetoond dat er belangrijke vooruitgang is geboekt, zowel op communautair als nationaal niveau, dankzij toepassing van het principe „Think small first”.

2.2

De Commissie heeft benadrukt dat het potentieel van het MKB om bij te dragen tot groei, werkgelegenheid en innovatie ten volle moet worden benut. Deze gedachte sprak ook al uit het verslag over de op 11 december 2007 goedgekeurde hernieuwde Lissabonstrategie voor groei en werkgelegenheid. In deze context is de Small Business Act voor Europa (SBAE) gelanceerd, die in de eerste plaats een aantal principes en concrete maatregelen bevat ter verbetering van het klimaat voor het Europese MKB door ten volle rekening te houden met hun diversiteit. De Europese Raad van december 2007 heeft dit initiatief verwelkomd; de Commissie streeft ernaar om in juni 2008 een voorstel voor te leggen.

2.3

Overigens heeft het EESC diverse andere adviezen die het MKB-beleid betreffen, uitgebracht en bereidt het momenteel enkele desbetreffende adviezen voor, te weten:

„De ontwikkeling van de zakelijke dienstverlening in Europa” (INT/412 — rapporteur: CALLEJA) (in voorbereiding)

„O&O voor het MKB” (INT/379 — rapporteur: CAPPELLINI)

„Tussentijdse evaluatie van het MKB-beleid” (INT/392 — rapporteur: BURNS) (in voorbereiding)

„Internationale aanbestedingen” (INT/394 — rapporteur: MALOSSE)

„Microkrediet” (INT/423 — rapporteur: PEZZINI) (in voorbereiding).

2.4

Het Sloveense voorzitterschap van de Raad wil dat het EESC met beleidsvoorstellen komt om de groei van het MKB te stimuleren. Het is dus niet zozeer de bedoeling dat het EESC een nieuwe lijst met technische maatregelen formuleert voor de individuele groei van middelgrote en kleine bedrijven, maar dat het een meer gestructureerd beleidskader voorstelt en het MKB vernieuwt.

2.5

De volgende twee prioriteiten zijn voor het Sloveense voorzitterschap van bijzonder belang:

a)

alle middelgrote en kleine bedrijven moeten, rekening houdend met hun verschillen in omvang, activiteit, sector en productiewijze, in staat worden gesteld om in te spelen op de uitdagingen waarmee het geconfronteerd wordt: wijzigingen in het bedrijfsleven, klimaatverandering, demografische verschuivingen, sociale uitdagingen, de herstructurering van markten onder invloed van de globalisering en wijzigingen in de distributie, standaardisering en certificering van producten en diensten;

b)

alle middelgrote en kleine bedrijven moeten nauw betrokken worden bij de beleidskeuzen, operationele prioriteiten en wetgevingsbesluiten op alle niveaus die van invloed zijn op hun activiteiten.

2.6

Verder wil het Sloveense voorzitterschap het standpunt van het EESC vernemen ten aanzien van de voorbereiding van een Small Business Act op Europese schaal.

3.   Algemene opmerkingen

3.1

Het EESC heeft in eerdere adviezen vastgesteld dat er aanzienlijke vooruitgang is geboekt voor het MKB, met name waar het gaat om financieringsmogelijkheden en administratieve vereenvoudiging. Het is een goede zaak dat de standpunten van de Europese instellingen ten aanzien van kleine ondernemingen flink zijn geëvolueerd; hopelijk is dit niet slechts ingegeven door de huidige economisch en sociaal moeilijke omstandigheden. Ondanks de onbetwistbare vooruitgang wordt het beleid van de laatste jaren evenwel nog gekenmerkt door tal van tekortkomingen.

3.2

Met name het Europese Handvest voor kleine ondernemingen heeft zijn strategische doelstellingen niet verwezenlijkt omdat het wettelijk geen kracht heeft; vaak is het Handvest niet meer dan een beleidsverklaring gebleven. De toepassing ervan in de lidstaten en regio's dient te worden uitgebreid; ook moet de jaarlijkse evaluaties en aanbevelingen in de lidstaten nieuw leven worden ingeblazen.

3.3

Verder is vaak vermeld dat de afstemming met de verschillende categorieën in het MKB nog veel te wensen overlaat; volgens het EESC moet er op Europees, nationaal en regionaal niveau gewerkt worden aan een nieuwe dialoogcultuur, zodat het overleg tussen de instellingen en de representatieve organisaties van de verschillende sectoren in het MKB geïntensiveerd en geïnstitutionaliseerd kan worden.

4.   Bijzondere opmerkingen

4.1   Scheppen van een nieuw klimaat ten gunste van de ontwikkeling van het gehele MKB

Gezien de omstandigheden, de grote problemen waarmee het MKB geconfronteerd zal worden, maar ook om gewicht te geven aan de tijdens de Voorjaarstop goedgekeurde hernieuwde Lissabonstrategie en om de initiatieven van de Commissie ter verbetering van het concurrentievermogen van het MKB te ondersteunen, schaart het EESC zich geheel achter het initiatief van het voorzitterschap om vernieuwend beleid te voeren voor het MKB, waarvan de SBAE het fundament zou zijn.

4.2   Een Europees project voor het MKB en micro-ondernemingen

Het EESC beveelt de communautaire instanties aan om zich niet langer uitsluitend op sterkgroeiende ondernemingen, de internationale positie en diverse principes voor excellentie te richten, omdat dit ertoe leidt dat miljoenen kleine ondernemingen die voor toegevoegde waarde, innovatie, banen en stabiliteit in de regio's zorgen niet langer van EU-maatregelen kunnen profiteren. Instellingen en overheden op alle niveaus wordt verzocht om hun beleid ten gunste van het MKB te vernieuwen door een heus Europees project in te voeren dat alle economische krachten van middelgrote, kleine en micro-ondernemingen bundelt teneinde de extra groei en werkgelegenheid te bewerkstelligen waar de EU behoefte aan heeft. Met dit Europese project moet het tevens mogelijk worden om met de economische en sociale partners en de vertegenwoordigende organisaties van de verschillende sectoren van het MKB meer te overleggen over de grote communautaire vraagstukken (klimaatverandering, demografische verschuivingen en immigratie, milieu, energie …) waarmee het MKB geconfronteerd wordt. De EU moet met dit project, dat gebaseerd is op sterk groeiende ondernemingen, maar ook en vooral op het lokale bedrijfsleven en de zogenaamde „traditionele” bedrijvigheid, een beleid kunnen voeren waarin de onderneming op menselijke maat centraal staat. Om in de lidstaten voor groei te zorgen moet worden uitgegaan van de lokaal ingeplante bedrijven. In dit verband dient de EU voorrang te geven aan de vijf onderstaande prioritaire maatregelen.

4.2.1

De omstandigheden van de verschillende categorieën in het MKB kennen en deze bekendmaken. Elk communautair beleid moet gebaseerd zijn op duidelijke gegevens die inzicht geven in de omstandigheden. Het begrip MKB omvat zeer uiteenlopende bedrijven en ondernemingsvormen (afzonderlijke of verenigde ondernemingen, zonder personeel of met wel 250 werknemers, ambachtelijke bedrijven, handelszaken, sociale economie en vrije beroepen), die werkzaam zijn in heel verschillende sectoren met zeer specifieke behoeften. Gegevens over de verschillende categorieën in het MKB zijn vaak onvolledig of ontbreken. De analyses die de Europese waarnemingspost voor het MKB in het verleden heeft gemaakt, hebben vaak essentiële gegevens opgeleverd. Het EESC is ingenomen met de nieuwe start van de Waarnemingspost door DG Ondernemingen en vraagt om het volgende:

totstandbrenging van een uitgebreid programma van economische studies, inclusief sectorstudies, inzake de situatie en behoeften van de verschillende sectoren van het MKB, ook op nationaal en regionaal niveau, alsook van statistische analyses, in samenspraak met de betrokken representatieve organisaties,

stimulering en ontwikkeling van onderzoeks- en studieactiviteiten die organisaties van ondernemingen zelf ontplooien, op Europees, nationaal en regionaal niveau, in samenwerking met onderzoekscentra, universiteiten en de lidstaten.

4.2.2

Integratie van de MKB-dimensie in het EU-beleid op alle terreinen: het EESC heeft vastgesteld dat, afgezien van politieke verklaringen voor kleine ondernemingen, wetgevers op elk niveau, door gebrek aan kennis of uit gemakzucht nog zeer vaak geneigd zijn om standaard uit te gaan van het model voor grote ondernemingen en om het bonzaiprincipe toe te passen, d.w.z.: wat goed is voor een grote onderneming is ook goed voor een kleine. Deze theoretische benadering van één economisch model staat haaks op de verscheidenheid van ondernemingsvormen en -culturen, en leidt er in de praktijk toe dat ruim 90 % van de Europese ondernemingen zich onbegrepen en door het Europees beleid in de steek gelaten voelt. Het EESC wil de communautaire instellingen en de lidstaten met name erop wijzen dat kleine en micro-ondernemingen essentieel zijn voor de economie en de werkgelegenheid in de Unie, maar dat zij het risico lopen er de zwakke schakel van te worden, niet vanwege eigen fouten, maar doordat de overheden op alle niveaus hun te weinig aandacht schenken. Het EESC hoopt dat de SBAE aangegrepen wordt om tot praktische maatregelen over te gaan en dat met de specifieke behoeften van de verschillende sectoren van het MKB verplicht rekening wordt gehouden in alle beleidsvormen, programma's en onderhandelingen, ook in het kader van de sociale dialoog en internationale betrekkingen, zowel op communautair als nationaal en regionaal niveau.

4.2.3

Voortzetting van het beleid van administratieve vereenvoudiging: het EESC moedigt de Commissie van harte aan om de vereenvoudiging van communautaire wetgeving te versnellen; het verzoekt de communautaire instellingen en de lidstaten echter vooral om een doeltreffender beleid voor vereenvoudiging te voeren, volgens deze vijf punten:

invoering van een daadwerkelijk beleid „Think small first”;

vereenvoudiging zonder opheffing van verantwoordelijkheid: het EESC betwijfelt de gegrondheid en doeltreffendheid van stelselmatige vrijstellingen voor kleine ondernemingen en pleit voor evenredigheid in de uitvoering, alsmede voor rechtstreeks overleg met de betrokken MKB-organisaties;

betrekking van de representatieve organisaties van de verschillende sectoren van het MKB bij het communautaire, nationale en regionale wetgevingsproces en bij de sociale dialoog op de verschillende niveaus, en meer samenwerking met het EESC en het Comité van de Regio's;

stelselmatige toepassing van het principe „Only once” op elk niveau;

samenstelling van handleidingen en toelichtingen bij goedgekeurde wetgeving om deze begrijpelijker en gemakkelijker omzetbaar te maken.

4.2.4

Ondersteuning van de begeleidende en adviserende activiteiten van vertegenwoordigende organisaties: door technische bijstand te verlenen aan middelgrote en kleine ondernemingen die om bijzondere deskundigheid vragen, die niet door het nieuwe netwerk EEN (Enterprise Europe Network) geleverd kan worden, zijn de organisaties die de verschillende sectoren uit het MKB vertegenwoordigen van cruciaal belang voor het welslagen van het communautarie beleid. Zij vervullen een onschatbare rol bij de informatieoverdracht en hulp aan ondernemingen, met name doordat zij de wetgeving kunnen aanpassen aan de situatie van de afzonderlijke onderneming en de wetgeving vertalen naar micro-economisch en lokaal niveau, en zo dicht mogelijk bij de kleinste onderneming. Enerzijds vindt het EESC het zeer belangrijk dat overheden op elk niveau deze activiteiten krachtdadig ondersteunen en dat de communautaire programma's voor het MKB uitdrukkelijk voorzien in steunmaatregelen voor deze organisaties. Anderzijds verzoekt het de Commissie, de lidstaten en de regio's de desbetreffende conclusies van de in Stuttgart gehouden vierde Europese conferentie van ambachtelijke en kleine ondernemingen in de praktijk te brengen.

4.2.5

Herstart van programma's voor samenwerking tussen ondernemingen en voor uitwisseling tussen organisaties: het EESC verzoekt de Commissie opnieuw programma's te lanceren voor interregionale samenwerking tussen ondernemingen, die hun nut bewezen hebben; voorts dienen de acties van vertegenwoordigende organisaties ondersteund te worden of dienen er organen te komen die deze samenwerking bevorderen.

4.3   Goedkeuring van een echt doeltreffende Europese Small Business Act

4.3.1

In dit verband is het EESC ingenomen met de standpunten van Raad en Commissie over de uitwerking van een Europese Small Business Act, temeer daar het EESC zelf herhaaldelijk om deze SBAE heeft verzocht (1). Om doeltreffend te zijn, dient de SBA aan diverse voorwaarden te voldoen:

4.3.1.1

de SBAE moet gericht zijn op het scheppen van een optimaal klimaat voor het MKB en micro-ondernemingen op elk niveau en een concreet antwoord bieden op de diverse uitdagingen voor het MKB tijdens hun levenscyclus, met name wat betreft de overdracht en overname; in dit verband mag de SBAE niet uitmonden in een verzwakking van de arbeidsomstandigheden van werknemers in het MKB, integendeel: de initiatieven moeten ertoe leiden dat met hun situatie meer rekening wordt gehouden;

4.3.1.2

de SBAE moet een heuse meerwaarde bevatten en mag zich niet beperken tot simpelweg een lijst van samengevoegde bestaande programma's, noch tot het louter coördineren van verschillende lopende maatregelen;

4.3.1.3

de SBAE mag niet slechts een intentieverklaring zijn, zoals helaas het geval was met het Europees Handvest voor kleine ondernemingen; hij mag zich evenmin beperken tot louter een politieke verbintenis van de communautaire instellingen en de lidstaten; het Europese MKB en de micro-ondernemingen verdienen beter. Volgens het EESC is een wettelijke basis van de SBAE de bekrachtiging en het bewijs van de wil van de EU om meer te doen voor het MKB en de micro-ondernemingen;

4.3.1.4

hij moet integraal bindend zijn en ingevoerd worden op elk Europees, nationaal en regionaal besluitvormingsniveau en zich richten tot de overheden op elk niveau, waarbij de zorg voor de uitvoering aan de lidstaten wordt overgelaten (2);

4.3.1.5

hij moet van toepassing zijn op alle communautaire beleidstererreinen door het MKB te integreren in al deze terreinen en door een totaalaanpak te ontwikkelen waarbij alle beleidsaspecten en de gevolgen van de nieuwe regels voor de verschillende categorieën in het MKB naar behoren in aanmerking worden genomen.

4.3.2

Het EESC zou graag zien dat de SBAE vijf belangrijke beleidsmaatregelen bevat om te garanderen dat de wetgeving de ontwikkeling en het concurrentievermogen van de verschillende categorieën in het MKB niet in de weg staat.

4.3.2.1

Garanderen dat in de wetgeving op elk niveau rekening wordt gehouden met de specifieke omstandigheden en behoeften van de verschillende categorieën in het MKB. Hiertoe moet op elk besluitvormingsniveau een basisregel gelden, te weten: de uit te werken wetsvoorstellen moeten uitgaan van de behoeften en verwachtingen van het MKB, met name van de kleinste ondernemingen, en door invoering van het beginsel „Think small first”, met bijzondere aandacht voor zelfstandigen, die ruim de helft van de Europese ondernemingen uitmaken. Dit veronderstelt systematische raadpleging van de vertegenwoordigende organisaties van het MKB, alsook deelname op het juiste niveau van deskundigen van deze organisaties aan alle adviescomités op regionaal, nationaal of Europees niveau die kwesties behandelen die gevolgen kunnen hebben voor het MKB, waar met name de Raad Concurrentievermogen van 13 maart 2006 om heeft verzocht.

In dit verband verzoekt het EESC dat in elk DG van de Commissie een contactpersoon voor het MKB wordt benoemd die erop toeziet dat in de wettelijke maatregelen, alsook in de door dat DG beheerde programma's, de prioriteiten en verwachtingen van het MKB en de micro-ondernemingen goed geïntegreerd worden.

4.3.2.2

Garanderen dat in de wetgeving bepaalde grondbeginselen in acht worden genomen. Voor het EESC wordt de doeltreffendheid van wetgeving op elk niveau, alsook die van collectieve of individuele programma's of maatregelen voor het MKB, bepaald door vier beginselen, die het EESC graag opgenomen zou zien in de SBAE en toegepast op Europees, nationaal en regionaal niveau:

systematische beoordeling van de effecten voor het MKB : geen enkele wetstekst zou goedgekeurd mogen worden als er niet eerst een systematische beoordeling is gemaakt van de effecten voor de verschillende categorieën ondernemingen in de betrokken activiteitensector, waarbij gekeken wordt naar de directe en indirecte economische en sociale gevolgen, zoals de administratieve lasten en de informatie- en investeringskosten, alsook de voordelen voor de ondernemingen;

het evenredigheidsbeginsel : de wetgeving mag geen overbodige maatregelen opleggen; ze moet zich beperken tot het strikt noodzakelijke; de toepassingsvoorwaarden van de wetgeving moeten afgestemd zijn op de omstandigheden en verschillende situaties van de betrokken ondernemingen en hun capaciteit om een en ander uit te voeren;

het beginsel only once ”: het MKB heeft tot taak te produceren, het is geen administratieve dienst. Voor een en hetzelfde onderwerp moeten ondernemingen niet meer dan één keer te maken krijgen met administratieve verklaringen en procedures; de betrokken overheden moeten deze gegevens onderling uitwisselen; dit „only once”-beginsel zou gestalte gegeven kunnen worden door onestopshops die het beginsel „één ondernemer, één gesprekspartner” hanteren, gebruikmakend van de representatieve organisaties die deze rol al op nationaal niveau vervullen;

het handhavingsbeginsel : wetgeving mag niet goedgekeurd worden als zij strijdig is met de ontwikkeling van het MKB en als zij hun concurrentievermogen kan belemmeren. Elk nieuw wetgevingsvoorstel waarvoor geen volledige impactanalyse is gemaakt of waarbij gebleken is dat de voorgestelde maatregelen indruisen tegen de sociaaleconomische ontwikkeling van het MKB zou geblokkeerd moeten kunnen worden.

Het EESC benadrukt bovendien de noodzaak om totale transparantie van de administratieve procedures in te voeren en te garanderen, zodat het MKB toegang heeft tot alle administratieve gegevens over de onderneming en deze indien nodig kan corrigeren.

4.3.2.3

Invoering van een ruimer opgezet en samenhangend beleid voor innovatie. Het EESC verzoekt de Commissie, de lidstaten en de regionale overheden om de steunverlening niet te beperken tot innovatie voor geavanceerde technologie. Zij zouden een krachtdadiger beleid moeten voeren door in hun programma's uitdrukkelijk maatregelen op te nemen ter ondersteuning van innovatie van basistech- en mediumtech-sectoren en niet-technologische innovatie in het MKB, met name in de kleinste ondernemingen.

Het nieuwe adviesnetwerk EEN zal zelfstandig nooit doeltreffend de ondernemingen met innovatiepotentieel kunnen bijstaan. Daarom wil het EESC dat in de SBAE de volgende prioriteiten worden opgenomen:

de sociale partners in het MKB aanzetten tot een dialoog met als doel om een klimaat te scheppen dat creativiteit en innovatie bevordert;

steun voor de aanstelling van adviseurs bij organisaties die het MKB, kleine en micro-ondernemingen vertegenwoordigen, zo dicht mogelijk bij de onderneming, alsook voor opleiding op maat voor ondernemers en werknemers, ten behoeve van meer innovatie, door gebruik te maken van de nieuwe kansen van veranderende markten;

scheppen van financiële instrumenten die zijn aangepast aan de omstandigheden in de kleinste ondernemingen, waarbij er op wordt toegezien dat zij ook maatregelen voor de werknemers steunen;

de lidstaten en de regio's aansporen om samen met MKB-organisaties een campagne op te zetten om mogelijkheden voor technologische en niet-technologische innovatie in het MKB en vooral in micro-ondernemingen in kaart te brengen.

4.3.2.4

Ruimere toegang tot EU-programma's. Volgens het EESC bemoeilijken de administratieve complexiteit en de diverse eisen steeds meer de deelname van kleine ondernemingen aan EU-programma's of maken ze die zelfs onmogelijk. Dit leidt tot de paradoxale situatie dat de vertegenwoordigende organisaties steeds minder interesse tonen voor de programma's. Het juridische keurslijf belemmert vandaag de dag vernieuwende acties of steun aan proefprojecten, waardoor de EU tal van innoverende voorstellen misloopt. De uitgangspunten en instrumenten zouden dan ook herzien moeten worden: gezien het belang van de zaak valt het buiten het bestek van dit advies om de vereiste wijzigingen in kaart te brengen, maar het EESC verzoekt de Commissie om in het kader van de SBAE daadwerkelijk overleg te voeren met de representatieve organisaties van het MKB om de nieuwe voorwaarden vast te stellen voor de uitwerking en deelname aan de programma's op de diverse regionale niveaus.

In dit verband moeten de structuurfondsen het mogelijk maken dat het MKB gemakkelijker kan deelnemen aan aanbestedingen, met name in achtergebleven regio's (3).

4.3.2.5

De overdracht/overname van bedrijven mogelijk maken en stimuleren. Het EESC benadrukt het belang van de overdracht en overname van ondernemingen, vooral van kleine producerende en dienstverlenende ondernemingen in steden en op het platteland: hun aangekondigde, maar niet onvermijdelijke verdwijnen zal aanzienlijke negatieve gevolgen hebben voor de lokale bedrijvigheid en werkgelegenheid. Enerzijds moet er meer werk worden gemaakt van systemen om kopers en verkopers van bedrijven bij elkaar te brengen, alsook van financiële of fiscale prikkels; anderzijds moeten ondernemers aangezet worden tot betere kapitalisatie om de waarde van hun activa op peil te houden.

Bijzondere omstandigheden waarin ondernemers verkeren, zoals op het platteland, vergen de ontwikkeling van vernieuwende formules, bijv. publiek-private partnerschappen.

4.4   De kern van de SBAE moet een juridisch bindend instrument zijn

4.4.1

Voor een werkelijk doeltreffende SBAE verzoekt het EESC om goedkeuring van deze maatregelen door de Raad en het Parlement in de vorm van een wettelijk bindend document dat geldt voor het Europese, nationale en regionale besluitvormingsniveau.

4.4.2

In dit kader zou het EESC graag zien dat de tenuitvoerlegging van de SBAE jaarlijks wordt geëvalueerd, evenals het gehele MKB-beleid op communautair en lidstaatniveau en dat jaarlijks verslag wordt gedaan van de geboekte vooruitgang; dit jaarverslag zou een apart hoofdstuk moeten vormen in het kader van de uitvoering van de Lissabonstrategie.

4.4.3

Op grond van deze verslagen moet de Commissie aanbevelingen kunnen uitvaardigen voor de uitvoering, zowel voor de lidstaten als voor de regio's, waarover het EESC dan advies over wil kunnen uitbrengen.

4.4.4

Het EESC verzoekt dat deze jaarlijkse evaluaties ertoe leiden dat, indien nodig, de SBAE of het MKB-beleid kunnen worden aangepast of herzien.

4.4.5

Het EESC beveelt de Commissie en de Raad ten zeerste aan om bij de opzet en tenuitvoerlegging van de SBAE nauw samen te werken met de representatieve organisaties van de verschillende categorieën in het MKB.

Brussel, 9 juli 2008

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

D. DIMITRIADIS


(1)  Zie het EESC-advies over het „Potentieel van ondernemingen, met name het MKB (Lissabonstrategie)” (PB C 256 van 27.10.2007, blz. 8).

(2)  Zie het EESC-advies over „Internationale aanbestedingen” (PB C 224 van 30.8.2008, blz. 32), waarin het EESC het er niet mee eens is „dat er in de Unie een quotasysteem wordt ingevoerd naar het model van de Small Business Act van de VS …”.

(3)  Zie advies CESE 979/2008 over „Internationale aanbestedingen” (nog niet gepubliceerd in het Publicatieblad).


3.2.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 27/12


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Mededeling van de Commissie — Een agenda voor een duurzaam en concurrerend Europees toerisme

COM(2007) 621 final

(2009/C 27/03)

De Commissie heeft op 19 oktober 2007 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 262 van het EG-Verdrag te raadplegen over de

Mededeling van de Commissie — Een agenda voor een duurzaam en concurrerend Europees toerisme.

De afdeling Interne markt, productie en consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 13 juni 2008 goedgekeurd. Rapporteur was de heer Mendoza Castro.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 9 en 10 juli 2008 gehouden 446e zitting (vergadering van 10 juli 2008) onderstaand advies uitgebracht, dat met 108 stemmen vóór en 5 stemmen tegen, bij 5 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Het Europees Economisch en Sociaal Comité is ingenomen met de Mededeling van de Commissie betreffende „Een agenda voor een duurzaam en concurrerend Europees toerisme”. Het steunt het voornemen van de Commissie om haar beleid en strategie inzake toerisme de komende jaren aanzienlijk te verbeteren aan de hand van deze agenda, die de leidraad moet vormen voor de concrete toepassing ervan in de dagelijkse praktijk. Al eerder zette de Commissie haar nieuwe beleid terzake uiteen in de Mededeling „Een nieuw EU-toerismebeleid: naar een sterker partnerschap voor het Europees toerisme”.

1.2

De Commissie verdient lof voor de wijze waarop ze de talrijke en belangrijke documenten, standpunten en debatten kort heeft weten samen te vatten. Hiermee komt ze haar belofte na om de samenleving een duidelijk beeld te schetsen van de resultaten van de werkgroep duurzaam toerisme, van het door de deskundigen opgestelde rapport en van de al eerder uitgevoerde openbare raadpleging.

1.3

Het nieuwe beleid is gebaseerd op de hernieuwde Lissabonstrategie en heeft als algemene doelstellingen het verbeteren van de concurrentie en de duurzame ontwikkeling, de versterking van de economische welvaart, sociale rechtvaardigheid en cohesie en de bescherming van het milieu en de cultuur. Het Comité kan zich vinden in elk van deze uitgangspunten.

1.4

Ook stemt het Comité in met de analyse die de Commissie heeft gemaakt van de uitdagingen op dit gebied en met de wijze waarop ze deze het hoofd wil bieden. Ze staat een participatieve aanpak met verschillende vormen van competitieve samenwerking met alle betrokken partijen voor, en maakt deze aanpak tot de rode draad van het nieuwe toerismebeleid en van de uitvoeringsagenda. De Commissie heeft uitdagingen van formaat in kaart gebracht en in de toekomst dient in deze agenda voortdurend centraal te staan wat de gevolgen van broeikasgassen zijn voor duurzame ontwikkeling.

1.5

Het is een goede zaak dat de Commissie zich voor de uitvoering van dit beleid wil laten leiden door dialoog en samenwerking, en steunmaatregelen en coördinatie tussen de betrokken partijen bepleit. Met de „Agenda voor een duurzaam en concurrerend Europees toerisme” is een concrete methodologie uitgewerkt en worden er aan elk van de bij het Europees toerisme betrokken actoren specifieke instrumenten aangereikt. Het spreekt voor zich dat de Commissie via haar DG Ondernemingen een actievere rol kan en moet spelen en moet toezien op het lanceren van allerlei initiatieven op Europees niveau, zoals bijv. het sociaal toerisme, toerisme voor allen en opleidingen op het gebied van toerisme. De Commissie, evenals de andere instellingen zouden zich vooral sterk moeten maken om het MKB en de micro-ondernemingen meer te betrekken bij het streven naar een duurzaam toerisme en bij de uitwerking van de Agenda om dit tot een realiteit te maken. Het idee van de Europese Commissie om Europese topbestemmingen te promoten als voorbeelden van goede praktijken verdient bijval.

1.6

Het Comité wil nogmaals een lans breken voor de oprichting van een Europees Toerismeforum en pleit voor verder onderzoek naar de mogelijkheden om een Europese toerisme-adviesraad en een Europees Agentschap voor Toerisme in het leven te roepen. Deze beide instanties zouden misschien ruimte kunnen bieden voor overleg tussen beleidsmakers en actoren uit de toeristische sector, zodat de informatie over duurzaam en concurrerend toerisme beter verspreid kan worden, er meer toezicht komt op de tenuitvoerlegging van het Europees toerismebeleid en de agenda terzake, en zodat met name de tendensen die zich in de sector voordoen beter in kaart kunnen worden gebracht en de benodigde acties kunnen worden voorgesteld. De instanties zouden zich met name kunnen buigen over de klimaatverandering, de gevolgen ervan voor het toerisme en de te nemen maatregelen.

1.7

Het is verheugend om te constateren dat de Commissie beter gebruik wil maken van de beschikbare financiële middelen. Op het vlak van sociaal toerisme is er al voldoende basis om een proefproject met grensoverschrijdend karakter te starten. Sociaal toerisme en toerisme voor allen, de opleiding van personeel, de ontwikkeling van het toeristische product en marktpenetratie zijn terreinen die zich zeker lenen voor dit soort initiatieven. Daar bestaat immers al voldoende ruimte om enkele grensoverschrijdende ervaringen in proefprojecten samen te brengen.

1.8

Het Comité is ingenomen met de resultaten van de inspanningen op het vlak van agenda 21 voor toerisme zoals neergelegd in de Mededeling van de Commissie inzake „Een Agenda voor een duurzaam en concurrerend Europees toerisme” en die ongetwijfeld een aanvulling op en concretisering zijn van het algemene beleid inzake duurzaamheid en Europees toerisme. Het technische document van de in dit verband opgerichte commissie ligt aan de basis van de Commissiemededeling, dus beide documenten dienen in hun onderlinge samenhang te worden gezien.

1.9

Verder is het Comité ingenomen met de door de Commissie georganiseerde oproep tot het indienen van voorstellen inzake de oprichting van een netwerk van Waarnemingsposten voor Toerisme, iets waar het Comité al vaak op aangedrongen heeft. Deze Waarnemingsposten zouden niet alleen meer gegevens ter beschikking kunnen stellen, maar ook een strategische en toekomstverkennende visie kunnen uitwerken, zodat kan worden aangegeven welke stappen nodig zijn in de toekomst.

1.10

Het Comité zal zich blijven inzetten voor het beleidsterrein van toerisme, in lijn met de richtsnoeren die zijn uitgezet in de Mededeling van de Commissie over de Agenda, en roept de overige Europese instellingen, de lidstaten, de gemeentes en regio's en al diegenen die werkzaam zijn in de sector — ondernemers en vakbonden — evenals de burgers ertoe op, bij te dragen tot vergroting van de kennis rond en de steun voor toerisme, dat een recht is voor iedereen en dat een strategische bedrijfstak vormt voor de toekomst van Europa. Ook is het de taak van allen — actoren en consumenten — om toerisme tot een meer duurzame en concurrerende activiteit te maken.

1.11

Hoewel de Commissie in haar visie op toerisme ook sociale criteria en elementen in aanmerking neemt, ontbreekt er voor het Comité toch iets dat juist wezenlijk is voor de Europese burgers. Toerisme is immers ook een activiteit die culturen en maatschappelijke realiteiten dichter tot elkaar kan brengen en zo het Europese burgerschap kan helpen vormgeven waaraan eenieder geroepen wordt bij te dragen. De variëteit en diversiteit van culturen, talen en natuurlijk en cultureel erfgoed in de verschillende Europese lidstaten vormen een grote rijkdom, die moet en kan worden benut als een middel om elkaar beter te leren kennen en om ons bewust te worden van onze rechten als Europese burgers. Verder zou er ook meer aandacht moeten komen voor de culturele dimensie van toerisme in de debatten en documenten over Europees toerisme, gezien de synergieën die tussen toerisme en cultuur kunnen ontstaan, zoals het Comité al heeft uiteengezet in een voorgaand advies.

1.12

Wat de verbetering van het concurrentievermogen en de duurzaamheid binnen de branche betreft, dient er gekeken te worden naar de specifieke kenmerken van elk van de bestemmingen. Er dient rekening te worden gehouden met het unieke karakter van lidstaten die grotendeels afhankelijk zijn van toerisme. Bij het opstellen van beleidsvoorstellen inzake toerisme dienen de speciale vereisten in de verschillende regio's voldoende in beschouwing te worden genomen. Het zou een goede zaak zijn als de Commissie bij haar effectbeoordelingen de soms buitensporige potentiële impact op de verschillende regio's en sectoren in aanmerking zou nemen, bijvoorbeeld als het gaat om bestemmingen die voornamelijk via de lucht bereikbaar zijn en die niet over andere vervoersmogelijkheden beschikken of bijna uitsluitend van luchtvervoer afhankelijk zijn, zoals bij eilanden het geval is.

1.13

De uitgangspunten en waarden die ten grondslag liggen aan de Mededeling van de Commissie — duurzaamheid, sociaal welzijn, concurrentievermogen, samenwerking, partnerschap, rendement, veiligheid, kwaliteit van het werk, enz. — leiden volgens het Comité in de praktijk tot een Europees Model voor Toerisme, niet in de zin van een geheel van normen, als wel wanneer wordt gekeken naar het resultaat van een algemene toepassing van deze uitgangspunten en waarden in alle streken van de Europese Unie.

1.14

Het Comité spoort de Commissie aan om tegelijkertijd haar inspanningen voor de certifiëring op Europees niveau van kennis en vaardigheden op het vlak van toerisme voort te zetten, met het oog op het creëren van werkgelegenheid in deze branche en de verbetering van de kwaliteit ervan. Verder dient de Europass gepromoot te worden, aangezien dit voor mensen die werk willen vinden en zich professioneel binnen Europa willen verplaatsen, een eenvoudig en in heel Europa (EU, EVA/EEE en kandidaat-lidstaten) goed te begrijpen middel is om persoonlijke vaardigheden en kwalificaties kenbaar te maken.

2.   De Mededeling van de Commissie

Voor alle duidelijkheid wil het Comité hieronder voor alle betrokkenen kort uiteenzetten wat de hoofdpunten zijn uit de Mededeling van de Commissie.

2.1   Inleiding

2.1.1

De uitdaging van het evenwicht tussen duurzame ontwikkeling en concurrentievermogen. In de eerste paragraaf van haar inleiding geeft de Commissie in de eerste plaats aan dat toerisme van cruciaal en strategisch belang is voor de economie van de EU, hetgeen niet alleen uit de cijfers blijkt, maar ook uit de mogelijkheden die de sector biedt voor werkgelegenheid en waardoor het kan bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de hernieuwde Lissabonstrategie. Zo wordt er een groeipercentage van meer dan 3 % verwacht, hetgeen ongetwijfeld een goede impuls voor de werkgelegenheid betekent, maar waarbij de duurzaamheid op de lange termijn in bepaalde gevallen wel in het gedrang kan komen.

2.1.2

Concurrentievermogen en duurzame ontwikkeling: twee verenigbare voorwaarden. De Commissie geeft duidelijk weer dat concurrentievermogen afhankelijk is van een duurzame ontwikkeling, van de kwaliteit van de ervaringen van de toerist en ze wijst op de vereisten die de klimaatverandering met zich meebrengt voor de branche. Indien ondernemingen hun maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen, kunnen ze een belangrijke bijdrage leveren aan de inspanningen rond klimaatverandering en tegelijkertijd meewerken aan innoverende en waardevolle toeristische producten in een wereld met grote globale uitdagingen.

2.2

Inhoud van de agenda. De Commissie streeft naar een nieuw evenwicht tussen het welzijn van de toeristen, de omgeving en het concurrentievermogen van ondernemingen en bestemmingen en roept iedereen op hieraan bij te dragen.

2.2.1

De doelstellingen en de uitdagingen. De Commissie stelt de betrokken actoren voor zich te laten leiden door drie fundamentele doelstellingen voor de agenda: economische welvaart, sociale rechtvaardigheid en samenhang en bescherming van het milieu.

Om die doelstellingen te verwezenlijken, moet het hoofd worden geboden aan een reeks belangrijke uitdagingen:

Duurzaam beheer van natuurlijke en culturele hulpbronnen

Beperking van de vervuiling en van het verbruik van grondstoffen

Aansturing van veranderingen in het belang van de gemeenschap

Vermindering van het seizoensgebonden karakter van de vraag

Bestrijding van de milieueffecten van het toeristenverkeer

Deelname aan toeristische ervaringen voor iedereen

Kwaliteit van de werkgelegenheid binnen de toeristische sector

De veiligheid garanderen van de toeristen en van de plaatselijke gemeenschappen.

Deze uitdagingen liggen niet vast in tijd en ruimte en de betrokken partijen uit de sector worden geacht deze voortdurend te blijven volgen, nieuwe prioriteiten te stellen en hiermee in een geest van samenwerking te blijven omgaan.

2.2.2

Een actiekader. Om de doelstellingen te kunnen verwezenlijken en de uitdagingen het hoofd te kunnen bieden is volgens de Commissie een coherent optreden nodig, gebaseerd op samenwerking en een verantwoordelijk beheer van de bestemmingen, de ondernemingen en de toeristen. Ze geeft aan onder welke voorwaarden deze coherentie bereikt kan worden.

2.2.3

De uitgangspunten. De Commissie komt met een reeks van negen uitgangspunten die een duurzaam en concurrerend toerisme moeten garanderen. Drie van deze principes wil het Comité eruit lichten:

vaststelling en naleving van grenzen aan de capaciteit van bestemmingen, aan de infrastructuur of aan de omvang van de toeristenstromen;

het tempo van de ontwikkeling moet recht doen aan de beschikbare natuurlijke, culturele en sociale hulpbronnen op elk moment en de behoeften van de ontvangende gemeenschappen en bestemmingen;

langetermijnplanning als absolute voorwaarde voor het evenwicht tussen duurzame ontwikkeling en concurrentievermogen.

2.3

Samen de toekomst tegemoet. De Commissie benadrukt de noodzaak van het bundelen van de krachten en geeft aan een dergelijk vrijwillig en doorlopend proces van alle betrokken partijen te willen ondersteunen. Vanuit respect voor het subsidiariteitsbeginsel, zal het accent derhalve worden gelegd op maatregelen op het niveau van de bestemming, zij het in de context van nationale en Europese steun. In overeenstemming met het Verdrag worden in de Mededeling dus zowel de rol van de betrokken partijen als die van de Europese Commissie vermeld.

2.3.1

De rol van de actoren. In navolging van de conclusies van de Werkgroep duurzaam toerisme, meent de Commissie dat er brede verantwoordelijkheden en specifieke taken moeten worden toegewezen op de volgende drie terreinen: bestemmingen, bedrijven en toeristen. Er wordt vooral op aangedrongen dat de oproep tot het vinden van een evenwicht tussen duurzame ontwikkeling en concurrentievermogen onder de aandacht van microbedrijfjes wordt gebracht.

2.3.2

De rol van de Europese Commissie. De Commissie is zich bewust van haar verantwoordelijkheid om op te treden met inachtneming van de Verdragsbepalingen en zal initiatieven op Europees niveau ontplooien, met de agenda als leidraad. In dit verband verdienen vier groepen maatregelen speciale aandacht:

De actoren aanzetten tot de opbouw en uitwisseling van kennis, met het oog op het evenwicht tussen duurzame ontwikkeling en concurrentievermogen. Het Europees Forum voor Toerisme is een goed voorbeeld van de uitwisseling van ideeën en ervaringen.

Het promoten en ondersteunen van topbestemmingen als voorbeelden van goede praktijken en het bevorderen van netwerken tussen deze bestemmingen waar duurzaamheid en concurrentievermogen hand in hand gaan.

Het aanboren van heel uiteenlopende financiële instrumenten van de EU, waarbij de Commissie zich zal inzetten voor een grotere verspreiding van de informatie met het oog op een optimale benutting van deze middelen voor de branche.

De integratie van duurzame ontwikkeling en concurrentievermogen in het communautaire beleid en de toepassing ervan op een diversiteit van landschappen met heel uiteenlopende kenmerken en vereisten: kuststreken, berggebieden, plattelandsgebieden en stedelijke bestemmingen.

2.4   Conclusie

De Commissie besluit met de constatering dat het zaak is dat alle publieke en particuliere belanghebbenden aan de planning en uitvoering van het Europees beleid en Europese maatregelen op dit gebied meewerken. Samenwerking op alle niveaus is een voorwaarde voor de verbetering van het concurrentievermogen dat kan leiden tot een voor de lange termijn duurzaam Europees toerisme. In 2011 wil de Commissie het in de agenda geformuleerde actieplan beoordelen. De reden waarom de Commissie met deze Mededeling is gekomen, is helder.

3.   Algemene opmerkingen

3.1

Alle Europese instellingen hebben het belang van toerisme en zijn strategische bijdrage aan de Europese economie — langs formele of niet-formele weg — al eens benadrukt. Daardoor heeft deze boodschap alle betrokken partijen kunnen bereiken en heeft de branche een belangrijke steun in de rug gekregen. Het gaat hierbij niet alleen om de economische welvaart die toerisme genereert, maar ook om de maatschappelijke relevantie bij de opbouw van het Europa van de burgers. Dus hoewel er sprake is van een duidelijke impuls, heeft de sector waarschijnlijk nog enige weg af te leggen alvorens hij, nu en in de toekomst, de beoogde centrale rol in het Europese beleid kan spelen.

3.2

In het nieuwe Verdrag van Lissabon wordt het belang van toerisme voor de EU heel specifiek onderkend en worden de EU meer bevoegdheden toegekend om een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling ervan. Het Verdrag verleent de EU de bevoegdheid en de taak om de acties van de lidstaten in deze te ondersteunen, te coördineren en aan te vullen en zet de Unie ertoe aan om een gunstig ondernemingsklimaat te scheppen en de uitwisseling van goede praktijken te bevorderen.

3.3

Toerisme staat op de agenda van verschillende Europese instellingen:

Het Europees Parlement heeft al verschillende, zeer uiteenlopende resoluties goedgekeurd, over toerisme en de invloed ervan op de werkgelegenheid en de economie. Zo zijn er bijvoorbeeld de resoluties over „Toerisme en ontwikkeling” en over „Nieuwe perspectieven en uitdagingen voor een duurzaam toerisme”.

De Raad van de Europese Unie heeft zich bij verschillende gelegenheden over het vraagstuk gebogen en conclusies en actieplannen aangenomen, hoofdzakelijk ter versterking van de duurzaamheid, het concurrentievermogen en de rol van toerisme als motor voor werkgelegenheid. Er zij met name gewezen op de door de Raad van 7 juli 2006 goedgekeurde aanbevelingen betreffende de Mededeling van de Commissie over het nieuwe toerismebeleid in de EU, waarin steun voor dit beleid wordt uitgesproken en de Commissie wordt opgeroepen een actieve rol te vervullen bij de coördinatie van de verschillende beleidsterreinen.

De Europese Commissie heeft verschillende Mededelingen over het onderwerp opgesteld, de aanzet gegeven tot de oprichting, versterking en voortzetting van de Europese Fora voor Toerisme en heeft, naast nog vele andere activiteiten, conferenties georganiseerd over thema's als het sociaal toerisme en Agenda 21 voor het toerisme.

Het Comité van de Regio's heeft onder meer adviezen uitgebracht over de volgende Mededelingen van de Commissie: „Een gezamenlijke aanpak voor de toekomst van het Europese toerisme” en „Basisrichtsnoeren voor een duurzaam Europees toerisme”.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft toerisme altijd hoog op de agenda staan, zoals moge blijken uit de meer dan 11 adviezen die sinds 1999 zijn uitgebracht, uit de actieve deelname aan de verschillende door de Europese Commissie georganiseerde Europese Fora voor Toerisme, de deelname aan en bevordering van Dagen over uiteenlopende aspecten van het toerisme, zoals de viering van de Mondiale Dag van het Toerisme in Brussel in 2005 en in de Spaanse stad León in 2006. Ook geeft het Comité achter de schermen veel steun wanneer andere instellingen activiteiten organiseren op het vlak van toerisme.

3.4

Met het onderhavige advies wil het Comité zich uitspreken over de bijdrage die de Commissie met deze Mededeling levert aan het beleid evenals aan de wijze waarop ze voorstelt een en ander in goede banen te leiden. Het wil echter ook elementen aandragen voor voorstellen die de tekst eventueel zouden kunnen verrijken, of in ieder geval het debat erover kunnen stimuleren.

3.5

Grotendeels in lijn met wat het Comité in zijn advies CESE INT/317 inzake de Mededeling over het nieuw EU-toerismebeleid heeft geformuleerd, wil het wederom de volgende standpunten naar voren brengen:

Toerisme is een recht voor alle burgers, zoals in de mondiale ethische code voor toerisme staat vermeld, dat verantwoordelijkheden rond goede praktijken met zich meebrengt.

Dit recht levert bovendien directe en indirecte rijkdom op, met name voor het MKB, en vormt dus een strategische en aantoonbaar stabiele bedrijfstak in Europa.

De kwaliteit van de dienstverlening in de sector en het verantwoordelijkheidsgevoel van de toeristen jegens de plaatselijke bevolking zijn waarden die behouden moeten blijven als basis voor de voortzetting van deze sector.

Toerisme heeft — idealiter — een positieve uitwerking op lokaal en regionaal niveau op economisch, maatschappelijk en milieuvlak, alsook voor het stedelijk milieu, en is in dat opzicht een middel om andere culturen en levenswijzen te leren kennen en een stimulans tot interregionale samenwerking.

Toerisme is een dynamische sector die nu al veel werkgelegenheid oplevert, een tendens die zich in de toekomst zal voortzetten, en waarin bovendien betere en stabielere banen kunnen worden gecreëerd, met daaraan verbonden rechten.

Toerisme is een sector die ook te maken heeft met problemen als de toename van het massatoerisme en de seizoensarbeid, die leiden tot verlies van concurrentievermogen.

Agenda 21 is van groot belang voor het Europees toerisme, uitgaand van een duidelijke visie en met ambitieuze doelstellingen.

Een Europees toerismemodel is een interne noodzaak en zou kunnen uitgroeien tot een wereldwijd voorbeeld, niet zozeer door meer regels op te leggen, als wel door het te baseren op door de toeristische bestemmingen en betrokken partijen vrijwillig te aanvaarden waarden als o.m. kwaliteit, duurzaamheid en toegankelijkheid.

Het Europese toerismemodel dient gekenmerkt en verrijkt te worden door de verscheidenheid in bestemmingen, zienswijzen en uitingsvormen.

Het Europese toerismemodel dat het Comité voorstaat is een goed middel om de vrede en het begrip tussen de volkeren te vergroten.

4.   Bijzondere opmerkingen

4.1

De Commissie zet in haar Mededeling duidelijk uiteen wat ze verstaat onder het noodzakelijke evenwicht tussen duurzame ontwikkeling en concurrentievermogen en de wijze waarop ze een en ander in de praktijk wil brengen. Het was ongetwijfeld geen sinecure om in de relatief beknopte Mededeling een samenvatting en analyse te geven van de talrijke documenten, standpunten en debatten. Er moet gezegd worden dat de Commissie erin is geslaagd haar uitgangspunten over te brengen en uit te leggen welke maatregelen haar voor ogen staan in deze complexe bedrijfstak.

4.2

Het lijkt het Comité logisch dat de Commissie haar nieuwe toerismebeleid zoals geformuleerd in de Agenda enerzijds baseert op de economische impact van toerisme en de banen die deze branche kan opleveren voor jongeren en anderzijds de noodzakelijke balans tussen duurzame ontwikkeling en concurrentievermogen, aangezien deze twee doelstellingen op de lange termijn hand in hand gaan. Effectstudies zoals de ecologische voetafdruk van de verschillende activiteiten en streken of zoals de grenzen aan vervoers- of opvangcapaciteit zijn essentieel voor het bereiken van het evenwicht tussen deze variabelen en het constant houden ervan. De algemene aanname dat de toeristische bedrijvigheid haar beperkingen kent en zich moet houden aan een bepaald tempo komt voort uit dit noodzakelijke evenwicht tussen duurzame ontwikkeling en concurrentievermogen.

4.3

Wellicht had de Commissie bij het opstellen van haar Mededeling iets meer aandacht kunnen besteden aan het nieuwe Verdrag van Lissabon, om na te gaan of dit Verdrag ook nieuwe mogelijkheden biedt voor de tenuitvoerlegging van het nieuwe toerismebeleid. Er mag niet uit het oog worden verloren dat de lidstaten en regio's meermalen hebben aangegeven dat ze de bevoegdheden inzake toerisme niet uit handen willen geven, maar dat ze wel voorstander zijn van een aansturende werking van en coördinatie door de Europese Unie ten aanzien van een aantal gemeenschappelijke aspecten, ter verbetering van het concurrentievermogen van de sector. Zo is er overeenstemming over het creëren en bijhouden van een Europees internetportaal ter bevordering van het toerisme in Europa, een initiatief dat momenteel wordt uitgevoerd en al zijn vruchten afwerpt en dat ideaal is om de toerist een overzicht te geven van het kleurrijke en aantrekkelijke palet aan landen dat de Europese Unie rijk is.

4.4

De Commissie heeft de belangrijkste uitdagingen en doelstellingen voor de komende decennia op een rijtje gezet. Het hoofdstreven van duurzame ontwikkeling en de verbetering van het concurrentievermogen is zo breed, dat andere belangrijke uitdagingen — die ook in de agenda worden geformuleerd- zoals de verbetering van de kwaliteit, het vinden van een oplossing voor de seizoensarbeid of de professionalisering van de werknemers in deze sector, daar makkelijk onder kunnen vallen.

4.5

In heel de Mededeling weerklinkt de oproep tot samenwerking aangezien de Commissie een intensievere samenwerking tot de hoeksteen en het kenmerk van het nieuwe toerismebeleid wil maken. Het is zaak dat met name de vakbonden en ondernemersorganisaties worden uitgenodigd voor deelname aan debatten en fora en aan de tenuitvoerlegging van algemene maatregelen ter verbetering van het toerisme. Ook zouden er stabiele netwerken van steden en toeristische bestemmingen kunnen worden opgezet, dit alles met het oog op de versterking van het concurrentievermogen. Het idee om Europese topbestemmingen te promoten verdient bijval. In de beoordeling dient echter wel de kwaliteit van de maatschappelijke en arbeidsverhoudingen te worden meegewogen en de vakbonden en ondernemersorganisaties dienen een stem in het kapittel te hebben ten aanzien van de keuze van de bestemming teneinde de duurzaamheid en het mededingingsvermogen van de toeristische bestemmingen te bevorderen.

Ook de consumentenorganisaties kunnen, binnen hun bevoegdheden, een belangrijke rol spelen.

4.6

De Commissie is voornemens dit nieuwe beleid ten uitvoer te leggen door middel van samenwerking, specifieke steunmaatregelen en coördinatie van de betrokken partijen, die — wil deze agenda tot stand komen — een grotere verantwoordelijkheid aan de dag moeten leggen. Het DG ondernemingen heeft volgens het Comité een belangrijke rol te vervullen op het vlak van coördinatie van alle Europese beleid dat direct of indirect met toerisme te maken heeft en dat gevolgen heeft voor de verschillende bestemmingen die ook allemaal hun eigen kenmerken hebben.

4.7

De Commissie zou dan ook proactiever moeten zijn en initiatieven op Europese schaal moeten lanceren, zoals bijvoorbeeld grensoverschrijdend sociaal toerisme in Europa. Het Comité wil nogmaals een lans breken voor de oprichting van een Europees Toerismeforum en pleit voor verder onderzoek naar de mogelijkheden om een Europese toerisme-adviesraad en een Europees Agentschap voor Toerisme in het leven te roepen, waar informatie kan worden uitgewisseld en het beleid en de maatregelen op het gebied van Europees toerisme op de voet gevolgd kunnen worden. Ook zou het een goede zaak zijn indien de Commissie zou bekijken of er technologische platforms voor de toeristische sector kunnen worden opgericht, waardoor de toeristische activiteiten beter in de markt kunnen worden gezet, vooral met het oog op de stimulering van het toerisme binnen Europa en in de gebieden waar mogelijk toeristen vandaan komen (China, India, Rusland, …).

4.8

De Commissie heeft niet voldoende aandacht voor de rol die Informatie- en Communicatietechnologie (ITC) in toerisme nieuwe stijl speelt, zowel vanuit het oogpunt van de toeristen als van de ondernemers uit de sector. De Commissie zou het de komende jaren tot een prioriteit moeten maken om de mogelijkheden van deze technologie beter te onderzoeken en te benutten. Dit zou ongetwijfeld een verbetering in het beheer van de bestemmingen, de bedrijven en de toeristen bevorderen en leiden tot het gewenste evenwicht.

4.9

Het Comité juicht het toe dat de Commissie zich bereid toont concrete maatregelen door te voeren en de beschikbare financiële middelen beter te benutten, maar mist de uitwerking van een concreet voorstel voor een programma aan de hand waarvan de niet geringe uitdagingen in deze sector, die de Commissie zo helder heeft omschreven, het hoofd kunnen worden geboden. Het beklemtoont dat moet worden gestreefd naar een doeltreffende en efficiënte inzet van de directe of indirecte middelen voor toerisme.

4.10

In de Mededeling van de Commissie weerklinkt duidelijk de stem van de Werkgroep duurzaam toerisme, die belangrijke criteria heeft aangedragen voor het opstellen van de agenda, met name wat de rolverdeling onder de betrokken partijen in de sector betreft. De maandenlange inspanningen van vooraanstaande deskundigen hebben zonder meer vruchten afgeworpen en gezorgd voor aanvullende concrete zienswijzen op tal van punten inzake duurzaamheid en concurrentievermogen.

4.11

De Commissie geeft echter niet duidelijk aan hoe ze de statistieken denkt te gebruiken. Deze zouden moeten worden benut als instrument voor de follow-up van de tenuitvoerlegging van de agenda, waarbij de nadruk vooral moet worden gelegd op gegevens inzake duurzaamheid, concurrentievermogen en werkgelegenheid.

4.12

Uit de Mededeling spreekt duidelijk de intentie van de Commissie om het toerismebeleid voor duurzame ontwikkeling en concurrentievermogen te integreren in het overige beleid van de Commissie en van heel de EU, om zo de verwezenlijking van de in de agenda vastgelegde doelstellingen mogelijk te maken.

4.13

Zoals het Comité al benadrukte in zijn advies over de verklaring van Katowice, evenals in zijn advies over „Toerisme en cultuur: twee motoren voor groei” en het advies over „Een nieuw EU-toerismebeleid” en in andere EESC-documenten, is het ook van belang dat er voorlichtingscampagnes op poten worden gezet met het doel de Europese bevolking, en met name jongeren, bewust te maken en te motiveren.

4.14

Het Comité acht het van groot belang dat zowel het reguliere als het beroepsonderwijs op de behoeften van de bedrijven is afgestemd en meer mensen aan werk helpt. Certifiëring en erkenning op Europees niveau van kennis en vaardigheden dienen te worden ingezet als middel om meer en betere arbeidsvoorwaarden in de toeristische sector te creëren.

4.15

Om de duurzaamheid en het concurrentievermogen van het toerisme te verbeteren, dienen de specifieke kenmerken van elk van de bestemmingen in aanmerking te worden genomen. Het Comité pleit ervoor om bij de uitwerking van beleidsvoorstellen en maatregelen rekening te houden met de specifieke kenmerken van de lidstaten die in grote mate afhankelijk zijn van het toerisme en om de nodige aandacht te schenken aan de vereisten van de verschillende soorten bestemmingen. Tegelijkertijd zij erop gewezen dat toerisme naar verre bestemmingen een zware wissel trekken op klimaatverandering vanwege de impact en de uitstoot die lange-afstandsreizen veroorzaken. In de toekomst zou er meer nadruk kunnen worden gelegd op de voordelen van het zoeken van bestemmingen dichter bij huis, die bereikt kunnen worden met minder CO2-uitstoot.

Brussel, 10 juli 2008

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

D. DIMITRIADIS


BIJLAGE

bij het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité

De volgende passage uit het afdelingsadvies is gewijzigd als gevolg van een door de voltallige vergadering goedgekeurd wijzigingsvoorstel, hoewel meer dan een kwart van de leden hiertegen was:

4.15

Om de duurzaamheid en het concurrentievermogen van het toerisme te verbeteren, dienen de specifieke kenmerken van elk van de bestemmingen in aanmerking te worden genomen. Het Comité pleit ervoor om bij de uitwerking van beleidsvoorstellen en maatregelen rekening te houden met de specifieke kenmerken van de lidstaten die in grote mate afhankelijk zijn van het toerisme en om de nodige aandacht te schenken aan de vereisten van de verschillende soorten bestemmingen.”

Uitslag van de stemming

Vóór: 48 Tegen: 43 Onthoudingen: 16


3.2.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 27/18


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Witboek over de integratie van de EU-markt voor hypothecair krediet

COM(2007) 807 final

(2009/C 27/04)

De Commissie heeft op 18 december 2007 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 262 van het EG-Verdrag te raadplegen over het

Witboek over de integratie van de EU-markt voor hypothecair krediet.

De gespecialiseerde afdeling Interne markt, productie en consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 11 juni 2008 goedgekeurd. Rapporteur was de heer GRASSO.

Het EESC heeft tijdens zijn op 9 en 10 juli 2008 gehouden 446e zitting (vergadering van 9 juli 2008) onderstaand advies uitgebracht, dat met 123 stemmen vóór en 1 stem tegen, bij 5 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Kanttekeningen en aanbevelingen

1.1

Opnieuw verzoekt de Commissie het EESC om een advies over de integratie van de markt voor hypothecair krediet voor de aanschaf van onroerend goed dat al dan niet voor bewoning is bestemd. Het betreft het Witboek over de integratie van de EU-markt voor hypothecair krediet.

1.2

Doorgaans is een Witboek het resultaat van een bijna definitief en gestructureerd politiek oordeel over de te bewandelen weg. Deze keer ligt de zaak anders. De Commissie moet immers veel aspecten onder de loep nemen waarover nog niets vastligt, zoals de gemeenschappelijke investeringsfondsen, verstrekkers van financiering en tying (koppelverkoop). In totaal komen er 14 kwesties aan bod.

1.3

Het Witboek is dus geen weergave van een afgesloten traject. Integendeel, het is nog niet af vanwege de klaarblijkelijke complexiteit van het behandelde vraagstuk. Vanwaar dan dit verzoek om nog een advies, aangezien het Witboek niets toevoegt aan het Groenboek waarover het EESC al een advies heeft uitgebracht?

1.4

Het is een probleem dat al jarenlang onderwerp van gesprek is, zonder dat de Commissie een uitweg vindt en zonder dat ze ooit een echt besluit neemt dat de culturele, juridische, administratieve en overige belemmeringen opheft die volgens het EESC de doelstellingen van de Commissie concreet in de weg staan.

1.5

Het door het EESC over het Groenboek tijdens de zitting van december 2005 goedgekeurde advies (bij één onthouding) (1) geldt nog steeds onverkort.

1.6

Het Witboek is ook nu nog een momentopname van de grote versnippering in de sector ten gevolge van de specifieke culturele, juridische, wettelijke en ethisch-sociale kenmerken in de diverse lidstaten die gerelateerd zijn aan de aanschaf van onroerend goed, met name woningen.

1.7

Het EESC acht het in beginsel zinvol dat de Commissie „regels” probeert vast te leggen, of het nu voorstellen voor gedragsregels betreft (best practices) of voorstellen voor regels met een bindend karakter, hoewel het zeer twijfelt aan de concrete mogelijkheden om de hypotheekmarkt te integreren en te stroomlijnen in een Unie met zeer uiteenlopende specifieke kenmerken (zie het BURANI-advies van 15 december 2005 (2)).

1.8

Deze poging kan echter overbodig worden gevonden als het doel daarvan is de evenzovele positieve mogelijkheden ter discussie te stellen die nu al worden geboden door automatische regulerende mechanismen voor de hypotheekmarkt.

1.9

Het EESC stelt voor dat de Commissie ondertussen die aspecten onder de loep neemt (kredietregisters, executie van onroerend goed, verspreiding van financiële geletterdheid, enz.) waaraan niet al te veel haken en ogen zitten, en als dit tenminste de moeite waard is.

1.10

Volgens het EESC is er in de voorstellen van de Commissie te veel aandacht voor de eventuele kortetermijnvoordelen van mogelijk nieuw in te voeren regels die gebaseerd zijn op enigszins vooringenomen interpretaties van de hypotheekmarkt. In een op kortetermijnresultaten gerichte optiek wordt gestreefd naar terugdringing van de kosten van hypotheekfinanciering, zonder echter te kijken naar de daadwerkelijke voordelen die EU-burgers zouden kunnen putten uit het huidige aanbod van financieringsproducten en hieraan gerelateerde innovaties.

1.11

Het EESC vindt dat het voorstel van de Commissie (zoals ook in BURANI-advies is gesteld) weinig aansluit op de voortdurende ontwikkeling van de markt; het is dan ook bezorgd over de gevolgen op de lange termijn voor de zwakste consument, degene die het meest bescherming nodig heeft.

1.12

Het is een goede zaak dat de huidige regels voor hypothecair krediet worden gerelateerd aan de noodzaak om de consument te beschermen; dit verdient waardering en aanmoediging, indien het streven is om de financiële geletterdheid omtrent hypotheken meer ingang te doen vinden. De inspanningen van de Commissie om de regels voor transparantie te gaan uitbreiden om de consument optimaal te beschermen, verdienen dus instemming.

1.13

Tegelijkertijd lijkt het moeizaam en willekeurig om tot elke prijs algemene regels op te leggen voor de beoordeling van het risico dat degene die een krediet aanvraagt, vertegenwoordigt.

1.14

Het EESC is van oordeel dat de consument bescherming verdient tijdens de onderhandelingen over de lening; tegelijk dient de consument te blijven beseffen wat zijn of haar verantwoordelijkheid is jegens de instantie die de lening verstrekt.

2.   Samenvatting van het Witboek

2.1

Op 18 december 2007 is een „effectbeoordeling” {SEC(2007) 1683} uitgebracht, die bij het Witboek hoort over de integratie van de EU-markt voor hypothecair krediet. Bij dit document zijn drie bijlagen gevoegd, over achtereenvolgens: i) de kenmerken van de markt voor hypothecair krediet; ii) de procedures of processen; iii) de effectbeoordelingen van specifieke aspecten.

2.2

Ofschoon er een uitstekende samenvatting van de documenten valt te halen uit document {SEC(2007) 1684}, is het de moeite waard om in het kort enkele belangrijke punten te vermelden uit het document waarover het EESC opnieuw advies moet uitbrengen:

er is sprake van een momentopname van de zeer versnipperde situatie ten gevolge van de specifieke culturele, wettelijke en vooral ethisch-sociale kenmerken in de diverse lidstaten die gerelateerd zijn aan de aanschaf van een woning,

de gevoelige aspecten van de problematiek worden opnieuw vermeld, ook vanuit economisch-financieel oogpunt, gezien het belang van de onroerendgoedmarkt in de diverse economieën in de lidstaten, alsook de mate waarin hypotheekleningen bijdragen aan de rentabiliteit van de banksector,

benadrukt wordt dat in de huidige versnipperde situatie ook kan worden overgegaan tot „een nieuw wetsvoorstel” om de integratie van de markt te bevorderen.

2.3

De Commissie gaat in dit Witboek dus opnieuw in op de punten die in het voorgaande Groenboek over hypothecair krediet al aan de orde kwamen. Het had ook niet anders kunnen zijn, daar het nieuwe document de integratie van de markten voor hypothecair krediet aansnijdt, alsook de reeds aangehaalde desbetreffende effectbeoordelingen.

2.4

Het EESC heeft over het Groenboek echter al op 15 december 2005 een advies uitgebracht (INT/278; rapporteur: Burani). Het EESC staat nog steeds achter de daarin vervatte standpunten. Het huidige advies richt de aandacht op twee nieuwe punten van de Commissie:

het EESC spreekt zich uit over de maatregelen die de Commissie voorstelt, in het licht van de effectbeoordelingen die uit het Witboek naar voren komen (3);

op verzoek van de Commissie formuleert het EESC voorstellen naar aanleiding van de conclusie van de Commissie dat „een omvangrijk programma voor toezicht en beoordeling kan worden uitgewerkt nadat gedetailleerde voorstellen zijn gedaan” (4).

3.   Opmerkingen van het EESC over het Witboek

3.1

Het Witboek somt tal van problemen op die een oplossing vergen en waarover het EESC advies dient uit te brengen. Het gaat om elf thema's:

1)

de keuze van het benodigde product;

2)

vervroegde aflossing;

3)

combinatie van producten;

4)

kredietregisters;

5)

taxatie van onroerend goed;

6)

executieprocedures voor onroerend goed;

7)

nationale registers;

8)

vigerende wetgeving;

9)

regels inzake verschillen tussen belastingen en zgn. woekerbelastingen;

10)

financiering van hypotheekkrediet;

11)

niet-bancaire en dienstverlenende instellingen.

3.2   Opmerkingen over de afzonderlijke punten van de effectbeoordeling

3.2.1

Precontractuele informatie . Om iets te doen aan de grote verschillen in precontractuele informatie acht het EESC het belangrijk dat er informatie en specifieke kennis wordt verspreid over hypotheken. Dit moet de burger niets extra kosten.

3.2.1.1

Meer informatie en de verspreiding van financiële geletterdheid zijn voorwaarden om de kostenbatenverhouding in risicosituaties doeltreffend te beoordelen. Het beste instrument om eventuele buitensporige risico's te voorkomen, is immers de contractsluitende partijen erop wijzen dat ze aan die risico's blootstaan.

3.2.1.2

Het is volgens het EESC enerzijds van belang dat de regels en voorschriften betrekking hebben op de wijze van verspreiding van de informatie en op eventuele sancties indien deze niet worden nageleefd. Anderzijds is het EESC van oordeel dat het opleggen van een verplichting sic et simpliciter ten laste van één contractant er slechts toe zou leiden dat deze zal proberen de verplichting op de andere partij af te wentelen.

3.2.2

Gedragscodes . Er dienen positieve prikkels te komen voor toetreding tot vrijwillige gedragscodes.

3.2.2.1

Dit zou de kredietnemer de mogelijkheid bieden om beter te beseffen welke risico's hij/zij eventueel loopt en om voordeliger financieringsvoorwaarden te krijgen.

3.2.2.2

Een optie is de kredietnemer te verzoeken om een lijst met standaardvragen in te vullen om na te gaan of hij/zij op middellange en lange termijn de financiële verplichting aan kan.

3.2.3

Kosten . Het EESC acht het een goede zaak dat financiële instellingen de totale kosten moeten vermelden van de operatie, door deze op te splitsen in de diverse onderdelen, waaronder de fiscale variabile.

3.2.4

Advisering . Adviesverlening die strikt gerelateerd is aan transacties voor hypotheekfinanciering moet volgens het EESC worden uitgebreid met onafhankelijke prijsmechanismen die worden toegelicht in de kostenberekening van de transactie.

3.2.5   Vervroegde aflossing

3.2.5.1

Toepasbaarheid. Bij vervroegde aflossing dient er onderscheid te worden gemaakt tussen i): gedeeltelijke of volledige aflossing van de hypotheekschuld; ii) aflossing die het gevolg is van onderhandelingen over voordeliger voorwaarden bij andere financiële instellingen.

In het eerste geval acht EESC het belangrijk dat (ook gedeeltelijke) vervroegde aflossing wordt toegestaan.

In het tweede geval dient vervroegde aflossing gepaard te gaan met de overdracht van het financieringscontract aan een andere financiële instelling.

3.2.5.2

Kosten. De berekening van de kosten voor vervroegde aflossing moet worden gebaseerd op een berekeningsmethode die verplicht wordt toegelicht in de contractbepalingen. De cliënt mogen slechts kosten in rekening worden gebracht als er sprake is van vrijwillige afbetaling. In geval van cessie van het contract dienen de kosten voor rekening van de overnemende financiële instelling te zijn.

3.2.6

Koppelverkoop . Om rechtsgeldig te zijn, zou koppelverkoop vooral moeten zijn gebaseerd op aantoonbaar nuttig effect van de gecombineerde producten. Volgens het EESC is dit mogelijk als de dienstverlener verplicht wordt om een kosten-batenberekening te verstrekken en als de kredietnemer voldoende tijd krijgt om te beoordelen of het voorstel aanvaardbaar is, eventueel ook na afsluiting van het financieringscontract.

3.2.7

Kredietregisters . Het EESC staat achter het streven naar een Europees register waarvoor de toegang is vastgelegd in specifieke privacywetgeving. De oprichting van een Europees kredietregister is bovendien nuttig voor het stimuleren van de concurrentie in Europa tussen verschillende kredietverstrekkers. In ieder geval moet ervoor worden gezorgd dat de toegang tot het register van een andere lidstaat wordt vergemakkelijkt door de informatie-procedures te vereenvoudigen.

3.2.8

Taxatie van onroerend goed . Uitgangspunt is dat taxatie van onroerend goed een complexere aangelegenheid is dan een algemene financiële evaluatie. De specifieke aard van het goed (met name het onroerende karakter ervan) bepaalt het nut ervan; bovendien zijn op de taxatie externe, territoriale factoren van invloed, zoals:

de morfologie van het grondgebied,

het openbaar vervoer,

de bevolkingsdichtheid.

Het is bijgevolg onmogelijk om alle waardefactoren te vangen in één enkele speciale taxatieformule voor onroerend goed.

3.2.8.1

Criteria voor de taxatie van onroerend goed . Gezien de enorme complexiteit van de taxatie van onroerend goed (zie de aangehaalde motieven) wordt het niet zinvol geacht om een specifieke algemeen geldige formule te gebruiken. In plaats daarvan wordt voorgesteld om te werken aan zgn. best practices op lokaal niveau en om het zwaartepunt meer te leggen bij de verplichting om de taxatie te laten uitvoeren door aantoonbaar professionele personen, die gecertificeerd zijn door een beroepsvereniging en die ook verantwoordelijk zijn voor de fairness van hun voorstel.

3.2.8.2

Taxatie van onroerendgoedrisico's . Het EESC is tevens van mening dat naast de taxatie ook de verwachte schommelingen in de waarde van het goed in kaart zouden moeten worden gebracht om een beter inzicht te krijgen in de geboden waarborg van het onroerend goed. Hiertoe valt te denken aan instrumenten die bij operatoren op de financiële markt al in gebruik zijn en die in wezen al erkend zijn in andere communautaire voorschriften, bijv. de value at risk  (5).

3.2.9

Gedwongen verkoop van onroerend goed . Als hypothecair krediet wordt opgesplitst in een krediet voor het onroerend goed en een lening voor de hypotheeknemer, moet er ook een onderscheid worden gemaakt tussen de economisch begunstigde van het onroerend goed en degene die de officiële waarborg biedt.

3.2.10

Geldende wetgeving . Het EESC is van mening dat de opportuniteit van nuttige arbitrage tussen de diverse mogelijkheden die de civiele en fiscale regelgeving van de lidstaten biedt, een drijvende kracht is achter de integratie van de markt, hetgeen anders onmogelijk zou zijn.

3.2.10.1

Bijgevolg staat het EESC in beginsel achter het behoud van de diverse vigerende wetten in de lidstaten die de kredietnemer de mogelijkheid bieden om te kiezen voor de vorm die de totale kosten van de financieringtransactie beteugelt, zoals al in het verdrag van Rome (6) is vermeld.

3.2.11

Woekerrentes . Het EESC heeft zijn eerdere standpunt hierover niet gewijzigd, nl. dat het met name heel erg moeilijk is om te bepalen wat een woekertarief is als wordt uitgegaan van aanvaarde voorschriften voor het zogeheten consumentenkrediet. Toch blijft informatie de beste verdediging tegen woeker. Het EESC pleit daarom voor communicatie op grote schaal over de bandbreedte van risicovolle premies die gelden voor de diverse groepen van risicovolle kredietnemers.

3.2.12

Herfinanciering van hypotheken . Het voorstel in het Witboek om de regels voor herfinanciering te differentiëren op grond van het karakter van de tussenpersoon (door onderscheid te maken tussen banken en anderen), is volgens het EESC al te gemakkelijk te omzeilen.

3.2.12.1

Niet-bancaire en dienstverlenende instellingen . Hypotheken moeten altijd worden verstrekt door een gereglementeerde en gecontroleerde financiële instelling. Reclame en assistentie door tussenpersonen (bijv. adviseurs) is toegestaan, mits het gekwalificeerde organen betreft, die niet per se financiële instellingen hoeven te zijn.

4.   Nader uit te werken suggesties van het EESC

4.1

De recente Amerikaanse crisis met de zogeheten subprime hypotheken heeft aangetoond dat de volatiliteit van de prijzen van onroerend goed, samen met de oppervlakkige beoordeling van het cliëntenrisico (niet-betaling van veel te hoge aflossingen ten opzichte van de waarde van het in onderpand gegeven goed) een financiële crisis kan veroorzaken die het gehele systeem aan het wankelen brengt. Elke communautaire maatregel dient uit deze ervaring lering te trekken, alsook van de in het vorige hoofdstuk vermelde aspecten.

4.2

De in het Witboek aanbevolen invoering van een eventuele 28e-regeling voor hypotheekkredieten, naast de in de lidstaten reeds bestaande maatregelen, is welkom, omdat daarmee een sterkere integratie van de EU-markt voor hypotheken kan worden bewerkstelligd doordat de contractpartijen meer keuzevrijheid krijgen, zonder dat evenwel de voorwaarden worden geschapen voor instabiliteit van het financiële systeem, zoals deze in de subprime-hypotheekcrisis aan het licht is getreden.

4.3

Het komt voor dat een besluit tot aanschaf van onroerend goed, vooral van een woning, deels wordt beïnvloed door emotionele (subjectieve) factoren die losstaan van een correcte en weloverwogen (objectieve) beoordeling van het goed. Maatregelen van de Commissie om het hypothecair krediet te regelen, zouden dus, om doeltreffend te zijn, nooit mogen voorbijgaan aan het hele (objectieve of subjectieve) referentiekader.

4.4

Het zou de moeite waard zijn om een voorstel te formuleren (dat het EESC verder zou kunnen uitwerken) voor een interpretatie van hypothecair krediet waarbij financieringstransacties altijd worden onderverdeeld in een portefeuille met twee passieve componenten:

de eerste is financiering van een goed (financiering met onderpand), waarvan de waarde wordt bepaald door de marktprijs en door de mogelijkerwijs schommelende waarde van het onroerend goed,

de tweede is financiering met doel (persoonsgebonden financiering), waarvan de waarde wordt bepaald door de draagkracht en de financieel-economische vooruitzichten van de contractant.

4.5

Goedkeuring van een plan met twee componenten (twin mortgage) zou o.a. de volgende voordelen kunnen opleveren, die nader onderzoek verdienen:

vereenvoudiging van de beoordeling van de risico's die samenhangen met het meest rationele deel van de transactie (financiering met onderpand) tegenover die van de risico's in verband met de solvabiliteit van de hypotheeknemer (persoonsgebonden financiering);

mogelijkheid om transparante prijzen te hanteren ten opzichte van risicovolle situaties die de twee componenten van een financieringstransactie kenmerken (objectieve financiering van het onroerend goed en subjectieve, persoonsgebonden financiering);

beperking van de negatieve gevolgen voor het financiële systeem in geval van niet-betaling door een zeer groot aantal personen die financiering hebben ontvangen, in tegenstelling tot de klappen die de financiële markt recent te verwerken heeft gekregen (de sub prime hypotheekcrisis).

4.6

Het EESC hoopt dat de Commissie dit traject zo snel mogelijk afsluit, en dat zij meer vastberadenheid gaan tonen en de juiste voorwaarden schept om van de scheiding van de institutionele aspecten het uitgangspunt te maken voor een eventuele 28e-regeling.

Brussel, 9 juli 2008

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

D. DIMITRIADIS


(1)  PB C 65 van 17.3.2006, blz. 113; rapporteur: de heer BURANI.

(2)  Zie voetnoot 1.

(3)  Zie Bijlage 2 bij het Witboek, de disclaimer en blz. 5 (Engelse versie).

(4)  Zie Bijlage 2 bij het Witboek, punt 8.

(5)  Vgl. de richtlijn over beleggingsdiensten, bekend als de MIFID-richtlijn, de richtlijn voor markten voor financiële instrumenten, Richtlijn 2004/39/E, goedgekeurd op 21 april 2004, gepubliceerd in PB L 39 van 30 april 2004 en op die datum in werking getreden.

(6)  Zie COM(2005) 650 final van 15 december 2005.


3.2.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 27/22


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „Ontwikkelingen in de Europese bouwsector”

(2009/C 27/05)

Mevrouw Wallström, vicevoorzitter van de Europese Commissie en verantwoordelijk voor interinstitutionele betrekkingen en de communicatiestrategie van de EU, en de heer Verheugen, vice-voorzitter van de Europese Commissie en verantwoordelijk voor ondernemingen en industrie, hebben het Europees Economisch en Sociaal Comité bij brief van 6 december 2007 verzocht een verkennend advies uit te brengen over het thema

„Ontwikkelingen in de Europese bouwsector”.

De gespecialiseerde afdeling Interne markt, productie en consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 13 juni 2008 goedgekeurd. Rapporteur was de heer Huvelin.

Het Comité heeft tijdens zijn op 9 en 10 juli 2008 gehouden 446e zitting (vergadering van 10 juli 2008) het volgende advies uitgebracht, dat met 57 stemmen vóór, bij 2 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusie

1.1

In tegenstelling tot wat soms wordt gedacht hangt de toekomst van de bouwnijverheid niet zozeer af van de overheidsmiddelen die voor deze sector worden uitgetrokken (al zou een grotere continuïteit in de programmering zeker nuttig zijn) als wel van de mate waarin de bevoegde autoriteiten in staat zijn een voor iedereen geldend regelgevingskader uit te werken waarmee de mededinging transparanter wordt en de mogelijkheden en knowhow van ondernemingen — ongeacht hun grootte — optimaal benut worden.

1.2

Daartoe worden in dit advies de volgende aanbevelingen gedaan:

door middel van verordeningen moeten zo spoedig mogelijk uniforme aanbestedingsprocedures worden ingevoerd, waarbij met name openbare aanbestedende diensten een zo ruim en helder mogelijk scala aan aanbestedingsinstrumenten wordt geboden waaruit zij naar behoeven kunnen kiezen;

de bouw moet door middel van regelgeving in staat worden gesteld een grotere bijdrage te leveren aan duurzame ontwikkeling: op basis van inachtneming van de totale kosten in combinatie met groot- of kleinschalige vormen van publiek-private samenwerking en financiering op basis van de verwachte prestaties zijn grote en kleine ondernemingen thans klaar om — met succes — de uitdaging aan te gaan;

er moet worden gewerkt aan een beter imago om zo de bouw aantrekkelijker te maken voor schoolgaande jongeren en het gebrek aan arbeidskrachten terug te dringen;

er valt het nodige te verbeteren op het gebied van de opleiding in deze sector, die een grote hoeveelheid niet-verplaatsbare banen in Europa oplevert;

er moet worden gestreefd naar een duurzamere manier van bouwen;

er moet worden gezorgd voor een gezond economisch klimaat en de arbeidsvoorwaarden moeten beantwoorden aan de behoeften van de inwoners van de landen waarin de bouwactiviteiten plaatshebben;

er moet naar worden gestreefd het Europese concurrentievermogen te versterken.

1.3

Alleen als aan deze voorwaarden wordt voldaan kan de Europese bouwnijverheid zich voorbereiden op de komst van concurrenten uit derde landen, die waarschijnlijk in de nabije toekomst op de Europese markt zullen verschijnen.

2.   Inleiding (context)

2.1

Bij brief van 6 december 2007 hebben de Eurocommissarissen Wallström en Verheugen het EESC verzocht in het kader van de tenuitvoerlegging van de Lissabonagenda een verkennend advies op te stellen en daarin na te gaan „of de verschillende wetgevingsteksten die van toepassing zijn op de bouwsector en op de dienstverlening aan bedrijven een coherent geheel vormen en aansluiten bij de huidige en verwachte veranderingen, en in hoeverre het nodig is over te gaan tot vereenvoudiging, stroomlijning en modernisering van de desbetreffende wetgeving. Het gaat hierbij niet alleen om de regels die speciaal voor de bouwsector gelden, maar ook om alle andere wetgeving die van invloed is op de ontwikkeling van de bouwsector (gezondheid en veiligheid op het werk, milieubescherming, enz.). Daarnaast moet in de analyse ook aandacht worden geschonken aan de legitieme belangen van de sector”.

2.2

Alle punten van de adviesaanvraag moeten grondig en systematisch worden bestudeerd, aangezien het hier om een zeer breed onderzoeksterrein gaat, waarover in het verleden in opdracht van de Commissie door externe consultants al verschillende studies zijn opgesteld.

2.3

In het onderhavige advies zal echter alleen aandacht worden geschonken aan die aspecten waar het de Eurocommissarissen om gaat, d.w.z. op welke punten de EU de wet- en regelgeving voor de bouw zou moeten wijzigen of vereenvoudigen — uitgaande van een strategische en objectieve visie op de sector — om het ondernemingsklimaat en de ontwikkelingsmogelijkheden in deze bedrijfstak te verbeteren.

2.4

Daartoe worden in dit advies enkele nuttige feiten over de bouwnijverheid gegeven om de activiteiten en beperkingen van deze sector in de juiste context te plaatsen.

3.   Positie van de bouw binnen de Europese economie

3.1

Voor 2006 laat de positie van de bouwsector, die 2,7 miljoen bedrijven telt, zich in de volgende cijfers uitdrukken (EU-27):

 

2006

Aandeel van de bruto toegevoegde waarde van de bouw in het BBP

10,5 %

Aandeel van de lonen in de bruto toegevoegde waarde van de sector

54,5 %

Aandeel van de bouw in de totale BIVA

50,5 %

Aandeel van de bouw in de totale werkgelegenheid (1)

7,2 %

3.2   Kenmerken

3.2.1

Aangezien de bouw een economische activiteit is die niet verplaatst kan worden, is zij van essentieel belang voor de toekomstige groei en de industriële structuur van Europa.

3.2.2

Gezien de specifieke productiestructuur van deze sector en de daarmee samenhangende geografische spreiding van de bedrijven, waardoor deze diep geworteld zijn in het plaatselijke leven, speelt de bouw een sociale en maatschappelijke rol waar niet alleen rekening mee moet worden gehouden, maar die ook bevorderd moet worden.

3.2.3

De bouwsector kan en moet een belangrijke bijdrage leveren aan het streven naar duurzame ontwikkeling:

de desbetreffende investeringen verlopen noodzakelijkerwijs via de bouwsector (huisvesting, bouwwerkzaamheden in het algemeen, vervoer, energieproductie, enz.);

de bouwsector, waaronder de sector materialen, moet zijn werkmethodes aanpassen aan de behoeften en eisen op het vlak van duurzame ontwikkeling.

3.2.4

Een achtergrondschets van de bouwsector zou niet compleet zijn als niet wordt stilgestaan bij het imago van de bouw, dat nog altijd tot op zekere hoogte negatief is hoewel de sector hier al meer dan 30 jaar van alles aan probeert te doen. Dit aspect mag niet over het hoofd worden gezien omdat:

het wordt weerspiegeld in de geest van de voorschriften die sommige landen voor overheidsopdrachten en de behandeling van zwartwerk hanteren;

het daardoor moeilijk is jongeren te vinden die in de bouw aan de slag willen (aantrekkelijkheid van het werk zelf) en hen op te leiden (wantrouwen binnen het algemene onderwijsstelsel jegens de bouw).

3.2.5

Juist door de specifieke aard van de bouwnijverheid, en met name door de sterk uiteenlopende wensen van de klanten en de grote technische verscheidenheid in deze sector, is en blijft de bouwmarkt uitermate versnipperd en zullen altijd ambachtelijke en kleine, middelgrote en grote bedrijven naast elkaar bestaan.

Er bestaat nogal wat misverstand over het concept „grote onderneming”. Er wordt vaak gedacht dat grote ondernemingen alleen grote projecten uitvoeren, maar dit blijkt niet zo te zijn: bouwprojecten boven de 20 miljoen euro beslaan niet meer dan 2 tot 5 % van de totale Europese bouwmarkt.

3.2.6

De grote Europese concerns, die op mondiaal niveau vaak op de voorgrond treden, bestaan dan ook merendeels uit samenwerkingsverbanden van kleine en middelgrote bedrijven met een sterke lokale basis, die binnen hetzelfde marktsegment actief zijn als plaatselijke kleine en middelgrote bedrijven die geen deel uitmaken een dergelijk samenwerkingsverband.

3.2.7

De meeste grote Europese bouwondernemingen hebben zich niet volgens het „Amerikaanse” model ontwikkeld. Door het recht op een eigen creatieve inbreng — ook in de ontwerpfase — te eisen hebben zij zich de nodige kennis en kunde eigengemaakt en zichzelf in staat gesteld hun knowhow verder uit te breiden.

3.2.8

Dankzij deze benadering hebben de Europese bedrijven een vooraanstaande plaats op de wereldmarkten weten in te nemen. Dit model, waarbij ontwerp en uitvoering worden geïntegreerd, is niet alleen geschikt voor grote concerns, maar ook voor kleinere bedrijven.

4.   Basisbeginselen

4.1

Doel van dit verkennende advies, dat op verzoek van de Europese Commissie wordt opgesteld, is niet alleen een vereenvoudiging van de wetgeving voor te stellen, maar ook te pleiten voor een aanpak waarbij:

echte transparantie en gelijke kansen bij aanbestedingen worden gewaarborgd;

de huidige cultuur van wantrouwen — een erfenis uit een ver verleden — wordt omgebogen tot een cultuur van vertrouwen en partnerschap;

niet alleen naar de economisch meest voordelige aanbieding (beste bod) maar ook naar de totale kosten over de gehele levenscyclus van het project wordt gekeken;

intellectuele eigendom gewaarborgd wordt;

bij aanbestedingen minimumarbeidsvoorwaarden worden vastgelegd, gekoppeld aan controle en sancties;

de administratieve lasten worden verminderd door de regels en procedures zo veel mogelijk te versoepelen zonder afbreuk te doen aan de veiligheidsvoorschriften en de fundamentele rechten en verplichtingen van de aannemers.

4.2

Marktschommelingen daargelaten (die vallen buiten het bestek van dit advies) zou een aldus aangepaste regelgeving de bouwnijverheid in staat moeten stellen zich normaal te ontwikkelen. Bovendien zou een en ander de weg effenen voor een coherenter sociaal beleid in deze sector (werkgelegenheid, veiligheid, lonen) en de sector voor alle betrokken partijen (jongeren, ouders, leerkrachten, enz.) aantrekkelijker maken.

5.   Belangrijkste voorstellen

5.1

De bevoegde autoriteiten zouden hun aandacht vooral moeten richten op de volgende aspecten:

het gelijktrekken en vereenvoudigen van de aanbestedingsprocedures om transparantie te waarborgen en de mogelijkheden en competenties optimaal te benutten;

het bevorderen van innovatie, in de eerste plaats door de bescherming van ideeën en varianten goed te regelen (intellectuele eigendom);

opleiding en bijscholing;

het creëren van een imago van een sector die jongeren carrièrekansen biedt;

arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden, en met name de gezondheid en veiligheid op het werk (sociale normen);

duurzame ontwikkeling in ruime zin; op dit vlak kunnen bouwbedrijven een belangrijke rol vervullen en nieuwe verantwoordelijkheden op zich nemen.

5.2   Gelijktrekking en vereenvoudiging van de aanbestedingsprocedures:

5.2.1

Mogelijke maatregelen:

de huidige aanbestedingsrichtlijnen vervangen door verordeningen om de procedures op Europees niveau ook echt gelijk te trekken en uniforme concurrentievoorwaarden te waarborgen;

systematisch de voorkeur geven aan het beste bod in plaats van het laagste;

de concurrentiële dialoog stroomlijnen door striktere regels voor de aanbestedende partij in te voeren om ervoor te zorgen dat ideeën en intellectuele eigendom niet meer worden gestolen, maar optimaal worden gebruikt;

een integrale benadering (van ontwerp tot uitvoering) stimuleren, waarbij de knowhow van de bedrijven en het talent van ontwerpers al in de ontwerpfase benut kunnen worden;

meer gebruik maken van totaalcontracten (bouw-onderhoud of publiek-private samenwerking) om duurzamer te werk te kunnen gaan en de dumpingpogingen van sommige landen op de Europese markt af te slaan;

zorgen voor een echte harmonisatie van normen en technische voorschriften om technische belemmeringen op nationaal niveau weg te nemen en tot één Europese markt te komen;

rekening houden met de behoeften van het midden- en kleinbedrijf, zodat het voortbestaan van dat soort bedrijven niet in gevaar komt, ze hun werknemers kunnen behouden en de sector daardoor niet gebukt gaat onder een te grote tweedeling.

Eén ding moge echter duidelijk zijn: deze voorstellen voor aanpassingen van de regelgeving zijn er niet op gericht de sector kant-en-klare oplossingen op te leggen. Zij hebben alleen tot doel opdrachtgevers de beschikking te geven over een breed scala aan instrumenten waaruit zij naar behoefte kunnen putten.

5.2.2

Al deze wijzigingen of aanpassingen moeten zorgen voor meer transparantie en gelijke kansen voor bedrijfsleven, overheid en semi-overheid en moeten duidelijk maken dat iedere economische prestatie blootgesteld moet worden aan concurrentie en een formeel contract vergt.

5.3   Innovatie en intellectuele eigendom

5.3.1

Kenmerkend voor de bouwnijverheid is dat de projecten altijd prototypes zijn. Daarom zou gestreefd moeten worden naar Europese wetgeving inzake intellectuele eigendom waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke aard van de ideeën die beschermd moeten worden: het gaat meestal om ideeën die speciaal voor een bepaalde aanbesteding zijn uitgewerkt en mogelijk verder niet meer systematisch toegepast worden. Er zouden specifieke Europese voorschriften moeten komen om technische oplossingen tijdens aanbestedingsprocedures te beschermen en om de rechten van inschrijvers op aanbestedingen vast te leggen.

5.4   Opleiding

5.4.1

In de meeste lidstaten blijkt het landelijke onderwijsstelsel eigenlijk op geen enkel niveau te bieden wat de sector nodig heeft. Daarom moeten er maatregelen worden genomen om de aansluiting tussen onderwijs en praktijk te verbeteren. Daarbij is ook een rol weggelegd voor de EU, die zou kunnen zorgen voor:

Europese regelgeving voor de opleiding van arbeidskrachten in de sector bouw en publieke werken (wederzijdse erkenning en gelijkstelling van diploma's op alle niveaus);

een bijdrage aan een betere benutting van het menselijk kapitaal door het bevorderen van bij- en nascholing. De bouw, die, zoals bekend, moeilijke tijden meemaakt, kampt bij jongeren met een imagoprobleem en biedt onvoldoende carrièrekansen. Toch is er een grote behoefte aan vakbekwaam personeel, aangezien het werk in de bouw (zeer) hoge kwalificaties en een gedegen kennis vereist. Bouwbedrijven zouden daar rekening mee moeten houden door hun werknemers bij- en nascholing te bieden en hen op die manier in staat te stellen carrière te maken;

een Erasmus-regeling voor studenten en leerlingen in richtingen die voorbereiden op een baan in de sector bouw en publieke werken (met behulp van het ESF en in de schilder-, steenhouwer- en restauratiebranche), waarbij gebruik wordt gemaakt van de ervaring die reeds op zeer kleine schaal is opgedaan;

de oprichting van Europese universiteiten voor opleidingen in de sector bouw en publieke werken en de invoering van een Europese titel voor afgestudeerden daarvan;

opleidingsvoorzieningen voor opdrachtgevers, zodat de klanten van de ondernemingen (zowel overheden als particulieren) meer afweten van de contracten en de werkwijze van de ondernemingen.

Europese voorzieningen voor bijscholing op bedrijfstakniveau;

mogelijkheden voor het verwerven van Europese kwalificaties (bijv. talenkennis).

5.5   Sociale normen en gezondheid/veiligheid

5.5.1

De vigerende regels hebben een duidelijk merkbaar positief effect gehad op de manier van werken in de bouw. Dit neemt niet weg dat er nog meer gedaan zou moeten worden. Te denken valt aan het:

bevorderen van de uitwisseling van goede praktijken m.b.t. gezondheid en veiligheid;

bestrijden van zwartwerk met Europese instrumenten (raadpleging en interconnectie van databanken, badges en identificatiesystemen voor werknemers) en door middel van sancties en fiscale maatregelen (zoals een lager BTW-tarief);

vergemakkelijken van de implementatie van de REACH-verordening;

vergemakkelijken van het verkeer van werknemers zonder dat dit tot sociale dumping leidt (acceptatie van de door de lidstaten ingestelde formaliteiten rond detachering) en vergemakkelijking van de terugkeer van Europese werknemers naar hun land van herkomst;

mogelijk maken van het innen van geldboetes in alle EU-lidstaten;

invoeren van het beginsel dat mobiliteit automatisch inhoudt dat men de arbeidsvoorwaarden van het gastland aanvaardt.

5.6   Duurzame ontwikkeling

5.6.1

In het kader van de bestrijding van de klimaatverandering en de daarmee samenhangende mondiale uitdagingen komt de bouw — zoals gezegd — een belangrijke rol toe. De sector is bereid deze verantwoordelijkheid op zich te nemen, mits hij door middel van wetgeving en stimuleringsmaatregelen in staat wordt gesteld om zijn specifieke knowhow niet alleen aan de Europese markt maar ook aan andere delen van de wereld — waar zoals bekend enorme inspanningen noodzakelijk zijn wil het effect voor iedereen merkbaar zijn — ten goede te laten komen.

5.6.2

Met het oog daarop is het wenselijk:

in de Europese aanbestedingsregels uit te gaan van de totale kosten (gemeten over de gehele looptijd van een investering) en een concept voor „beste bod” vast te leggen (mogelijk onder verwijzing naar duurzame ontwikkeling) zodat de aanbestedende diensten dit aspect volledig kunnen laten meewegen bij hun selectie;

publiek-private samenwerking te stimuleren, omdat publiek-private samenwerking altijd ontwerp, uitvoering én onderhoud omvat en daarom mogelijk de beste manier is om het concept „totale kosten” optimaal toe te passen;

bepaalde vormen van financiële steun een andere bestemming te geven en te richten op de reusachtige inspanningen die de overschakeling op andere vormen van energie vergt (een koerswijziging die in álle lidstaten noodzakelijk is);

een impuls te geven aan grootschalige publieke renovatiewerkzaamheden;

de ontwikkeling van „groene” wijken te stimuleren (invoering van een EU-label, financiële steun, enz.).

5.6.3

Zowel in de bouw als op vervoersgebied kunnen bouwbedrijven, mits zij in staat worden gesteld om aan álle projectfasen deel te nemen (ontwerp, uitvoering en onderhoud), een substantiële bijdrage leveren, vooral wat de financiering van een en ander betreft, omdat zij invloed kunnen uitoefenen op de totale kosten doordat zij ervoor kunnen zorgen dat de investeringen door toekomstige energiebesparingen gedeeltelijk kunnen worden terugverdiend.

5.7   Kleine en middelgrote bouwbedrijven

5.7.1

Kleine en middelgrote bouwbedrijven ondervinden niet echt problemen met de toegang tot de ene of andere markt, zoals wel het geval kan zijn in andere sectoren (zie par. 2.2.5).

5.7.2

De vertegenwoordigers van de bouwnijverheid hebben er dan ook goed aan gedaan de invoering van quota's, die door sommigen werd bepleit maar door de Europese autoriteiten werd afgewezen, niet te steunen, temeer omdat de van verschillende zijden aangevoerde cijfers in de praktijk in alle Europese landen achterhaald zijn.

5.7.3

Om de problemen van het MKB op te lossen moet — behalve naar de bepalingen van de Small Business Act — eerder worden gekeken naar:

intelligente oplossingen voor de overdracht van ondernemingen;

manieren om het MKB door middel van steun, gezamenlijke dienstverlening of financiële middelen gelijke kansen te bieden, zonder daarbij de concurrentie te vervalsen, met name wat de toegang tot complexe activiteiten (publiek-private samenwerking en duurzame ontwikkeling) betreft;

regelingen die de toegang van het MKB tot standaardisering en normalisering vergemakkelijken.

Brussel, 10 juli 2008

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

D. DIMITRIADIS


(1)  De bouw neemt 30,4 % van de werkgelegenheid in de industrie voor haar rekenening. Bron: Eurostat en FIEC.


3.2.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 27/26


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het onderwerp Ontwikkeling van de zakelijke dienstverlening in Europa

(2009/C 27/06)

Mevrouw Wallström, vice-voorzitster van de Europese Commissie en verantwoordelijk voor interinstitutionele betrekkingen en de communicatiestrategie van de EU, en de heer Verheugen, vice-voorzitter van de Europese Commissie en verantwoordelijk voor ondernemingen en industrie, hebben het Europees Economisch en Sociaal Comité op 6 december 2007 verzocht een verkennend advies op te stellen over het onderwerp:

Ontwikkeling van de zakelijke dienstverlening in Europa.

De gespecialiseerde afdeling Interne markt, productie en consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 11 juni 2008 goedgekeurd. Rapporteur was de heer Calleja.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 9 en 10 juli 2008 gehouden 446e zitting (vergadering van 9 juli) onderstaand advies uitgebracht, dat met 135 stemmen vóór en 2 stemmen tegen, bij 12 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Inleiding

1.1

Mevrouw Wallström, vice-voorzitster van de Europese Commissie en verantwoordelijk voor interinstitutionele betrekkingen en de communicatiestrategie van de EU, en de heer Verheugen, vice-voorzitter van de Europese Commissie en verantwoordelijk voor ondernemingen en industrie, hebben het EESC gevraagd een verkennend advies over zakelijke dienstverlening op te stellen, als follow-up van een eerder advies over „Dienstverlening en industrie in Europa” (1).

1.1.1

Bij het opstellen van dit verkennend advies moet rekening worden gehouden met het feit dat de Europese Commissie groot belang hecht aan de doelstelling van de Lissabon-agenda om het concurrentievermogen van de Europese industrie in stand te houden en te vergroten, door veranderingen in goede banen te leiden op een manier die overeenstemt met de Europese strategie voor duurzame ontwikkeling, en door de representatieve sociale partners aan te moedigen onderhandelingen te voeren op het geëigende niveau.

1.1.2

De verwezenlijking van deze doelstelling moet hand in hand gaan met een vereenvoudiging van het regelgevingskader voor de industrie, één van de beleidsprioriteiten waarop het industriebeleid van de Commissie is gebaseerd.

1.1.3

Het industriebeleid van de Commissie kenmerkt zich overigens door een geïntegreerde aanpak, waarbij rekening wordt gehouden met de behoeften van de verschillende sectoren.

2.   Samenvatting van de conclusies en aanbevelingen

2.1   Erkenning van het belang van de dienstensector voor de economische en sociale ontwikkeling.

Het EESC is van mening dat er dringend behoefte is aan een echte ommekeer en een bredere focus op de dienstverlening aan de industrie, iets wat niet langer als bijzaak mag worden beschouwd. De samenleving ondergaat grote veranderingen, waarbij de dienstverlening centraal staat. De Europese Commissie moet deze ontwikkeling erkennen, en er een groter belang aan toekennen.

2.2   Prioritering van maatregelen.

Gezien de brede waaier aan mogelijke maatregelen als het gaat om zakelijke dienstverlening, dient een zekere rangorde van prioriteiten te worden opgesteld. Er moet dringend vooruitgang worden geboekt met de verwezenlijking van de tien kerndoelstellingen van het communautair Lissabonprogramma 2008-2010. Deze zijn rechtstreeks of onrechtstreeks van invloed op de ontwikkeling van de dienstverlening in de toekomst. Volgens het EESC zou de rangorde van prioriteiten als volgt moeten luiden:

Beleid voor zakelijke dienstverlening en groep op hoog niveau. Aanbevolen wordt dat een groep op hoog niveau voor zakelijke diensten wordt opgericht, om de sector aan een nadere analyse te onderwerpen, het bestaande beleid te screenen ten einde de meest doeltreffende en succesvolle beleidsmaatregelen m.b.t. zakelijke diensten aan te wijzen en te beoordelen, en concrete beleidsmaatregelen voor de belangrijkste lacunes en behoeftes uit te stippelen. Bijzondere aandacht dient uit te gaan naar de zeer uiteenlopende aard van de verschillende subsectoren in de zakelijke dienstverlening, om vast te stellen welke meer aandacht verdienen, en op welk beleidsniveau (regionaal, nationaal of EU) maatregelen gerechtvaardigd zijn.

Arbeidsmarktbeleid en zakelijke dienstverlening. Er moet een uitgebreid sociaal onderzoek worden gedaan naar de uitdagingen van de nieuwe soorten arbeid die ontstaan dankzij de interactie tussen zakelijke diensten en industrie. Deze analyse moet betrekking hebben op onderwijs, opleiding en levenslang leren, maar ook op de arbeidsvoorwaarden van werknemers, inclusief werknemers die aan outsourcingprocessen deelnemen. Om deze doelstelling te verwezenlijken zou de sociale dialoog op sectoraal niveau moeten worden aangemoedigd. In dat verband zou een agenda moeten worden opgesteld om te kijken naar specifieke veranderingen op het gebied van arbeidsvoorwaarden en mogelijkheden voor nieuwe banen die voortvloeien uit de structurele veranderingen in de sector van de zakelijke dienstverlening.

Zakelijke dienstverlening in het innovatiebeleid. Het O&O en de innovatieprogramma's en -acties op het gebied van diensteninnovatie moeten aanzienlijk worden bevorderd. Thema's als organisatorische innovatie, kennisintensieve zakelijke diensten en managementinnovatie verdienen meer aandacht.

Ontwikkeling van normen voor de zakelijke dienstverlening. Ondernemingen moeten worden aangemoedigd om normen op te stellen m.b.v. zelfregulering, na een uitgebreide raadpleging van gebruikers van zakelijke diensten. De steun van het Europees Comité voor Normalisatie (CEN) en diens partners (open platform) is belangrijk om voorbeelden van succesvolle innovatie te verspreiden, met name via een snelle en informele consensusvorming.

Bevordering van de „dienstenwetenschap” als een nieuwe studierichting in onderwijs en opleiding.

De interne markt en de regelgeving op het gebied van zakelijke dienstverlening. Het EESC heeft een reeks gebieden aangewezen waarop de regelgeving moet worden vereenvoudigd, verduidelijkt en gereduceerd, zonder afbreuk te doen aan de bestaande verplichtingen op het gebied van de hygiëne en gezondheid op het werk en de vertegenwoordiging van werknemers. Zo heeft het onder meer gesignaleerd dat er nog geen impactbeoordeling is uitgevoerd naar de dienstenrichtlijn voor zover het de zakelijke dienstverlening betreft, en dat dit een grote inspanning verdient, zeker na de omzetting van de richtlijn in nationaal recht. Er zouden tevens maatregelen moeten worden aangewezen t.b.v. een meer open handel en mededinging op de uitgebreide interne markt van de EU.

Verbetering van de statistieken m.b.t. zakelijke diensten. Aanbevolen wordt dat lidstaten meer gaan samenwerken om de statistieken over zakelijke diensten te verbeteren, en met name meer informatie te vergaren over de doelmatigheid ervan en de impact op de economieën van de lidstaten — een noodzakelijk instrument voor regeringen om de sector te helpen zijn potentieel te ontwikkelen. Recente wijzigingen van Hoofdstuk 74 van de NACE-nomenclatuur zullen nog niet de noodzakelijke details opleveren die nodig zijn om betekenisvolle gegevens over zakelijke dienstverlening te verzamelen.

3.   Algemene opmerkingen

3.1

Achtergrond. In het in september 2006 goedgekeurde initiatiefadvies CCMI/035 stelde het EESC voor om serieuzer aandacht te besteden aan zakelijke diensten, vanwege hun bijdrage tot de prestaties van de Europese industrie. Dit advies ging in op de interacties tussen diensten en industrie, en de sociaal-economische gevolgen daarvan voor de werkgelegenheid, productiviteit en concurrentiekracht. Dit werd als uitgangspunt genomen voor de follow-up en verdere analyse van de zakelijke dienstverlening. Het zou goed zijn om allereerst een definitie van zakelijke diensten te geven: dit zijn dienstenactiviteiten die — doordat zij worden gebruikt als intermediaire input — de kwaliteit en doeltreffendheid van de productieactiviteiten beïnvloeden, omdat zij bepaalde diensten die in het bedrijf zelf worden verricht aanvullen of vervangen (Rubalcaba en Kox, 2007). Deze definitie heeft enkele punten van overeenstemming met de NACE-nomenclatuur rev.1 (codes 72-72) en met de nieuwe versie van NACE (codes 69-74, 77-78, 80-82) en de indeling van verschillende categorieën diensten. De zakelijke diensten vallen uiteen in twee belangrijke categorieën:

kennisintensieve zakelijke diensten (bijv. computer- en IT-diensten, management consultancy, accountancy, fiscaal en juridisch advies, marketing en opiniepeilingen, technische diensten en engineering, personeelsdiensten, personeelstrainingen en aanwerving);

operationele zakelijke diensten (bijv. beveiliging, schoonmaken, administratie en boekhouding, tijdelijke arbeidskrachten, call centres, vertaling en vertolking).

Doel van dit advies is de sector te helpen meer erkenning te krijgen, een onbelemmerde ontwikkeling mogelijk te maken en de Europese economieën te helpen om hun concurrentiepositie op de wereldmarkt te verstevigen.

3.2

Belang van diensten en zakelijke diensten. Diensten worden steeds belangrijker voor burgers, professionals, ondernemingen, regio's en landen. Diensten domineren tot op grote hoogte de nieuwe vraag- en aanboddynamiek van de sociaal-economische systemen. Hoewel diensten aanwezig zijn in de meeste aspecten van het economische en sociale leven, ontbreken vaak statistieken hierover. De traditionele uitsplitsing naar productiesector — hoewel deze incompleet is en de sterke dwarsverbanden tussen de economische sectoren verhult — stelt ons in staat het gewicht van de belangrijkste economische activiteiten in te schatten. De dienstensector als economische sector is van toenemend belang in Europa: het aandeel in de totale werkgelegenheid (70 %) is er kleiner dan in de VS (80 %) en groter dan in Japan (67 %). In alle drie gebieden is de subsector van de zakelijke dienstverlening in zeer snel tempo gegroeid, wat tot vergelijkbare toenames in de het aandeel van de totale werkgelegenheid heeft geleid. Ondernemingen die het verlenen van zakelijke diensten als hoofdactiviteit hebben vertegenwoordigen 10-12 % van de totale werkgelegenheid en de toegevoegde waarde. Kijken we naar de zakelijke diensten als secundaire activiteit, dan is het aandeel in de werkgelegenheid nog veel hoger. In 2004 staan de landen van de Benelux, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Duitsland voorop in de zakelijke-dienstverleningseconomie van Europa. In de periode 1995-2004 is de sector zakelijke dienstverlening aanzienlijk gegroeid in landen als Hongarije, Polen, Oostenrijk, Letland en Malta. Dit wijst erop dat er een convergentieproces aan de gang is tussen sommige EU-lidstaten. Het gaat hierbij uitsluitend om werkgelegenheid in ondernemingen die als hoofdactiviteit zakelijke diensten verrichten. Dit zijn meestal kleine en middelgrote ondernemingen.

3.3

Beoordeling van de ontwikkelingen. In het onderhavige advies neemt het EESC de situatie opnieuw onder de loep in het licht van de ontwikkelingen sinds zijn vorige advies van september 2006 (CCMI/035), en stelt het met tevredenheid vast dat de zakelijke dienstverlening aan de industrie aan belang heeft gewonnen in de beleidsdocumenten van de Commissie:

In de Mededeling „Tussentijdse evaluatie van het industriebeleid. Een bijdrage tot de EU strategie voor groei en werkgelegenheid” (2), die is uitgebracht na bovengenoemd EESC-advies, wordt een screening aangekondigd en een concurrentievermogensanalyse van de dienstensectoren en hun impact op het concurrentievermogen van de industrie. Zo nodig zullen de ontwikkelingen per sector verder worden gevolgd. Op die wijze worden niet alleen alle belemmeringen voor een verbetering van het concurrentievermogen in kaart gebracht, maar ook mogelijke gevallen van marktfalen, die acties voor het oplossen van specifieke problemen in individuele industrie- en/of dienstensectoren kunnen rechtvaardigen. Deze grondige analyse door de Europese Commissie wordt dit jaar uitgevoerd, en tegen het einde van het jaar zouden de resultaten bekend moeten zijn.

De publicatie in juli 2007 van een werkdocument van de diensten van de Commissie „Naar een Europese strategie voor innovatie in de dienstensector — Uitdagingen en aandachtspunten voor toekomstige maatregelen” (3), de lancering van het Europees platform voor bedrijfsgerelateerde diensten in februari 2008 en de komende Mededeling over diensteninnovatie (verwacht tegen het einde van 2008). Hiermee wordt een belangrijke stap gezet in de richting van een echte integratie van de dienstensector in het EU-innovatiebeleid.

De goedkeuring van de Richtlijn betreffende diensten op de interne markt (4), die uiterlijk op 28 december 2009 ten uitvoer moet worden gelegd, zal een belangrijke mijlpaal in de totstandkoming van de interne markt voor diensten zijn, mits de bepalingen van de richtlijn worden omgezet in nationaal recht. Daarbij moet ervoor worden gezorgd dat het arbeidsrecht en de collectieve arbeidsovereenkomsten van het land waar de dienst wordt verleend, toepasbaar zijn. Zowel ondernemingen als consumenten zullen ten volle kunnen profiteren van de geboden mogelijkheden. De richtlijn zou de werking van de markt voor zakelijke diensten ten goede moeten komen, door de handel en investeringen tussen EU-landen te bevorderen en nieuwe mogelijkheden te creëren voor industriële ondernemingen om meer, betere of goedkopere diensten te kiezen. De nieuwe concurrentievoordelen bij het gebruik van zakelijke diensten zouden moeten leiden tot meer werkgelegenheid, een hogere productiviteit en betere economische prestaties.

3.4

Ondersteunende maatregelen ten behoeve van zakelijke diensten. Bovenop de reeds lopende EU-maatregelen ter bevordering van zakelijke diensten in het industrie- en innovatiebeleid en de mogelijke positieve bijwerkingen van de internemarktrichtlijn, zijn er nog andere acties van de Commissie die de rol van zakelijke diensten in de industriesector indirect steunen:

Eurostat heeft een herziening van de NACE-nomenclatuur doorgevoerd om méér gegevens over dienstverlening te verzamelen;

Er is een Enterprise Europe Network opgericht, dat het ondernemerschap en de groei van ondernemingen in de EU moet stimuleren, door de netwerken van de Euro Info Centra en de Innovation Relay Centra te integreren, waardoor ondernemers de beschikking krijgen over meer dan 500 contactpunten (5). Dit zal van groot nut zijn voor het MKB en dus voor de grote meerderheid van de zakelijke-dienstverleners;

Sinds 2005 heeft de Commissie maatregelen voorgesteld voor de vereenvoudiging en terugdringing van de administratieve rompslomp. De laatste voorstellen van 2008 hebben betrekking op een snelle vermindering van die rompslomp (6). Dit is goed nieuws voor kleine en middelgrote bedrijven die vanwege hun kleine omvang extra last hebben van de zware administratieve verplichtingen;

Er is gediscussieerd over het Commissiedocument „Naar gemeenschappelijke beginselen inzake flexizekerheid: meer en betere banen door flexibiliteit en zekerheid” (7), en er werd vooruitgang geboekt met de sociale dialoog tussen de sociale partners. Dit zou de weg moeten vrijmaken voor de toepassing van dit concept in heel Europa, aangepast aan de specifieke situatie van iedere lidstaat. Bij dynamische zakelijke diensten kan door de sociale partners onderhandelde flexicurity nuttig zijn om tegelijkertijd meer en kwalitatief betere banen te creëren. De sociale partners moeten hierbij worden betrokken als de EU een succesvol antwoord wil geven op de druk van de mondialisering;

De publicatie van het Commissiedocument „Naar een grotere bijdrage van normalisatie aan innovatie in Europa” (8), dat onder meer een intensivering van de samenwerking tussen de industrie en andere stakeholders promoot voor de ontwikkeling, implementatie en het gebruik van normen ter ondersteuning van de innovatie en een duurzaam industriebeleid.

3.5

De grootste behoeften van de sector zakelijke dienstverlening. Hoewel er dus steeds meer maatregelen ter ondersteuning van de zakelijke dienstverlening worden genomen, zijn er op dit gebied nog grote lacunes en behoeften. Het bestaande Europese beleidskader is sterk gericht op ondernemingen in de productiesector, hoewel de dienstverlening veruit het grootste segment van de economie is en bijdraagt tot de groei van alle onderdelen van het bedrijfs- en maatschappelijk leven.

3.5.1

De meeste horizontale en sectorale initiatieven in het kader van het EU-industriebeleid — op zowel nationaal als EU-niveau — zijn gericht op ondernemingen in de productiesector, ongeacht de intrinsieke ondersteunende rol van de zakelijke dienstverlening. Er is dan ook dringend behoefte aan een evenwichtig EU-beleid, dat voldoende rekening houdt met het belang van zakelijke diensten voor het mondiale concurrentievermogen van de Europese industrie zelf en voor de economie als geheel. Horizontale beleidsmaatregelen, voor welke sector dan ook, moeten echt horizontaal van aard zijn en goed aansluiten op de behoeften van ondernemingen en werknemers in de nieuwe diensteneconomie, waarin de industrie- en dienstensector onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, zodat nieuwe kansen worden gecreëerd voor de Europese economie op de wereldmarkt, als rechtstreeks gevolg van de opgewekte synergie. Veel EU-beleidsinitiatieven die onderdeel zijn van het industriebeleid moeten worden aangepast aan en toegepast op de dienstverlening, rekening houdend met de specifieke behoeften van de dienstensector. Het gaat hierbij onder meer om een volledig werkende interne markt voor diensten, internationale handel, staatssteunregels, arbeidsmarkt, sociale maatregelen, opleiding en regionaal beleid, O&O, innovatie, normalisatie, ondernemerschap en betere statistieken en informatie. Dit zou niet mogen betekenen dat alle beleidsmaatregelen voor diensten verticaal-specifiek moeten zijn. Wel zou het moeten betekenen dat de gevolgen van deze maatregelen moeten worden gescreend en dat waar nodig actie moet worden ondernomen.

3.5.2

De volgende gebieden verdienen dringend aandacht:

Zakelijke diensten in het industriebeleid. Nu zakelijke diensten recentelijk onderwerp zijn geworden van de lopende screening, zou meer aandacht moeten worden besteed aan de specifieke voorwaarden waaronder het gebruik van diensten de industriële prestaties ten goede komt, oftewel de rol van diensten voor het concurrentievermogen en de productiviteit, gezien vanuit een economisch perspectief. Om de mondiale concurrentie het hoofd te kunnen bieden moet Europa investeren in innovatie, kennis, design, logistiek, marketing en andere zakelijke diensten, oftewel de gehele mondiale waardeketen;

Zakelijke diensten in het beleid op het gebied van werkgelegenheid en opleiding. De meeste activiteiten vinden plaats in de dienstensector, en dat zal zo blijven. (Beleidsmakers mogen niet vergeten dat 20 % van de intermediaire inputs van de verwerkende industrie afkomstig is van diensten). De potentiële impact van de wereldwijde inkoop/offshoring van dienstenactiviteiten (volgens een OESO-studie uit 2006 tot meer dan 30 %) brengt de lidstaten ertoe de juiste vaardigheden en kwalificaties uit te bouwen, waarmee hun industrie is opgewassen tegen de mondiale concurrentie;

Zakelijke diensten ten behoeve van innovatie en productiviteit. De bevordering van diensteninnovatie is van essentieel belang om het industriële concurrentievermogen te versterken door zich te richten op kwaliteitsfactoren. Diensteninnovatie heeft een belangrijke en positieve impact op de kwaliteit, de werkgelegenheid en de interacties met klanten. Tegelijkertijd kunnen zakelijke diensten kwalitatief hoogwaardige banen opleveren onder goede arbeidsomstandigheden en in een omgeving waar een hoog kennisniveau aanwezig is; zo kunnen werknemers bijdragen om de diensteninnovatie mogelijk en succesvol te maken. Dit stelt ondernemingen in staat beter te concurreren, en werknemers om nieuwe arbeidskansen te ontwikkelen. De voordelen van diensteninnovatie zouden moeten worden gebruikt om de stagnerende productiviteitsgroei in de zakelijke dienstverlening te keren. De meeste landen kennen nog altijd een lage productiviteitsgroei; door problemen bij de statistische meting wordt de bijdrage van zakelijke diensten tot de productiviteitsgroei onderschat.

Zakelijke diensten en de interne markt. Het is de bedoeling een Europese markt voor diensten te creëren, die de EU in staat stelt een beslissende rol te spelen in het globalisatieproces, door rekening te houden met alle factoren die van invloed zijn op de markten en het concurrentievermogen. Er moet een speciale follow-up komen over de omzetting van de dienstenrichtlijn in de lidstaten, en de impact op zakelijke diensten.

Zakelijke diensten en de regio's. Er zijn veel regio's waar nauwelijks zakelijke diensten worden verricht, omdat deze diensten zich meestal concentreren in grootstedelijke en hoge-inkomensgebieden. Op regionaal niveau is het zaak om zowel de vraag naar als het aanbod van zakelijke diensten te bevorderen en te stimuleren, en om te profiteren van de bestaande netwerken waarmee de synergie tussen verschillende lokale actoren kan worden versterkt.

Zakelijke diensten en andere daarmee verband houdende beleidsterreinen. Er zijn twee soorten beleid voor zakelijke dienstverlening: overwegend regelgevend beleid (interne markt, mededinging, betere regelgeving, openbare aanbestedingen) en overwegend niet-regelgevend beleid (innovatie, vaardigheden, kwaliteit en werkgelegenheid, normen, ondernemingen en MKB, regionaal beleid, kennis en statistieken). Bijzondere aandacht dient uit te gaan naar de rol van normen, de nieuwe dienstenwetenschap en statistieken.

3.6

Interactie tussen zakelijke dienstenactiviteiten en doelgerichte beleidsmaatregelen. De praktijk laat zien hoe grootschalige experimentele acties met elkaar in interactie staan, en hoe zij de ontwikkeling van zakelijke diensten bevorderen, om het hoofd te kunnen bieden aan toekomstige uitdagingen. Er moet rekening worden gehouden met de synergie en interacties tussen verschillende typen beleid.

3.7

Er moet een economische grondgedachte worden gevolgd bij het uitstippelen van specifieke EU-beleidsmaatregelen die de werking van zakelijke diensten moeten bevorderen. Kox en Rubalcaba hebben dit onlangs nog aangetoond (Business services in European Economic Growth, 2007). Ter ondersteuning van hun argumentatie hebben zij vooral tekortkomingen van de markt en het systeem naar voren gebracht, zoals asymmetrische informatie en externe invloeden.

3.8

Agenda van Lissabon 2008-2010. De beleidsmaatregelen op het gebied van zakelijke diensten kunnen nuttig zijn in de context van de voorstellen voor het communautair Lissabonprogramma voor de periode 2008-2010 (COM(2007) 804 final). De meeste van de tien hoofddoelstellingen die vóór 2010 moeten worden verwezenlijkt hebben rechtstreeks of onrechtstreeks te maken met dienstverlening.

3.8.1

De Commissie zal halverwege 2008 een hernieuwde sociale agenda voorstellen, en zal helpen de vaardigheidskloof te dichten. Met name bij zeer arbeidsintensieve zakelijke diensten zijn er belangrijke tekortkomingen en behoeften. In zijn advies over „Arbeidskansen voor prioritaire categorieën (Lissabonstrategie)” (9) heeft het EESC opgemerkt dat de ambitieuze werkgelegenheidsdoelstellingen slechts voor een deel zijn gehaald en dat de groei van de werkgelegenheid van de laatste jaren (vooral onder vrouwen) in grote mate te verklaren is door een stijging van het aantal deeltijdarbeidsplaatsen. Er is een gebrek aan arbeidsplaatsen die geschikt zijn voor oudere werknemers, en er is met name onder jongeren sprake van een sterke toename van het aantal atypische (niet standaard) dienstverbanden, die soms onvoldoende sociaal-juridische zekerheid bieden. Het EESC benadrukte in zijn advies dat er in de context van flexicurity een hoge mate van sociale bescherming moet zijn, gekoppeld aan een actief arbeidsmarktbeleid, (bij)scholing en opleiding.

3.8.2

De Commissie heeft eerder dit jaar voorstellen gedaan voor een gemeenschappelijk immigratiebeleid. Dit kan gevolgen hebben voor de immigratie van hooggeschoolde werknemers op gebieden als kennisintensieve zakelijke diensten, en voor lagergeschoolde werknemers in de schoonmaak- of beveiligingsbranche.

3.8.3

De Gemeenschap zal een wet ten behoeve van kleine bedrijven (Small Business Act) opstellen om het groeipotentieel van kleine en middelgrote bedrijven tijdens hun hele levenscyclus te ontsluiten. Zakelijke diensten zijn de sector met het grootste aantal start-ups en bedrijfssluitingen, zodat bijzondere aandacht voor nieuwe kleine en middelgrote bedrijven op zijn plaats is. In zijn advies „Potentieel van ondernemingen, met name het MKB” (10) heeft het EESC wat betreft de geïntegreerde richtsnoeren voor groei en werkgelegenheid voor de periode 2008-2010 aangedrongen op meer doelgerichte en beter gestroomlijnde en geïntegreerde richtsnoeren voor het MKB. Het MKB zal tevens profiteren van een vermindering van de door de EU opgelegde administratieve lasten met 25 % tegen 2012.

3.8.4

De Gemeenschap zal de interne markt versterken en de concurrentie in de dienstensector opvoeren. In hetzelfde advies (INT/324) klaagde het EESC over de nog niet voltooide interne markt, de trage omzetting van richtlijnen door de lidstaten, de administratieve rompslomp en de gebrekkige arbeidsmobiliteit. Voor het MKB zijn dit bijna onoverkomelijke barrières.

3.8.5

De Gemeenschap zal werk maken van de „vijfde vrijheid” (de vrijheid van kennis), en een echte Europese onderzoeksruimte creëren. Kennisintensieve zakelijke diensten kunnen een rol spelen bij de verwezenlijking van deze Lissabonprioriteit.

3.8.6

De Gemeenschap zal de randvoorwaarden voor innovatie verbeteren. Het EESC heeft tevens een advies over „Investeren in kennis en innovatie” (11) uitgebracht. De hoofdgedachte van dit advies was dat Europa zijn voorsprong in onderzoek, technologische ontwikkeling en innovatie moet behouden en dat meer middelen van de EU-begroting, een verbetering van de onderwijsvoorzieningen en een algemene verhoging van de normen noodzakelijk zijn. Daarnaast is er behoefte aan een maatschappelijk klimaat dat openstaat voor vooruitgang en innovatie; de vereiste randvoorwaarden en besluiten waardoor het bedrijfsleven genoeg vertrouwen en optimisme opbouwt voor investeringen in nieuwe ondernemingen in Europa; een vergroting van het bewustzijn over de cruciale betekenis van fundamenteel onderzoek, en een innovatief ondernemerschap dat risico's durft te nemen; de aanvaarding van een bepaald risico op mislukken en verliezen. Het EESC heeft tevens gekeken naar de juridische en maatschappelijke randvoorwaarden voor innovatiegericht ondernemerschap en een innovatievriendelijke markt.

3.8.7

De Gemeenschap zal een industriebeleid voorstaan dat meer op duurzame productie en consumptie is gericht. De rol van milieudiensten in het industriebeleid zou onder deze prioriteit kunnen vallen.

3.8.8

De Gemeenschap zal bilaterale onderhandelingen voeren met de voornaamste handelspartners om nieuwe mogelijkheden te creëren voor internationale handel en investeringen, en een gemeenschappelijke ruimte van regelgeving en normen tot stand brengen.

4.   Prioritering van acties ten behoeve van zakelijke diensten

Er moet een rangorde van prioritaire acties worden opgesteld omdat er tal van beleidsgebieden zijn die met zakelijke diensten verband houden. Volgens het EESC zouden dit de prioriteiten moeten zijn:

4.1

Prioriteit 1: De Commissie zou een groep op hoog niveau over zakelijke diensten moeten oprichten in de context van het ondernemings- en industriebeleid, die ervoor moet zorgen dat bij de beleidsmaatregelen rekening wordt gehouden met de interactie tussen diensten en de industrie en de economie in het algemeen. Dit zouden de doelstellingen van de groep op hoog niveau kunnen zijn:

een grondige analyse maken van de behoeften op het gebied van zakelijke diensten, inclusief de behoeften van de verschillende en zeer gevarieerde subsectoren van de zakelijke dienstverlening;

het bestaande beleid m.b.t. zakelijke diensten screenen en concrete beleidsmaatregelen uitstippelen op het geschikte niveau (regionaal, nationaal of EU);

strategische doelstellingen aanbevelen in het kader van de WTO-onderhandelingen over de Algemene overeenkomst betreffende de handel in diensten (GATS), met een nadruk op maatregelen die het MKB in staat stellen diensten te exporteren;

aanwijzen en groeperen van de bij het beleid betrokken partijen op gebieden waar zij slechts op beperkte en gefragmenteerde wijze vertegenwoordigd zijn;

opzetten van een Europese waarnemingspost voor zakelijke diensten, die de resultaten van de maatregelen ter uitvoering van het EU-beleid zal monitoren, en publiceren van beste praktijken. Deze waarnemingspost zou tevens vertegenwoordigers van het EESC, vakbonden, bedrijfstakverenigingen en deskundigen op het gebied van zakelijke diensten tot zijn leden moeten tellen.

4.2

Prioriteit 2: Een specifieke sociale dialoog over zakelijke diensten, om aanbevelingen te formuleren over:

nieuwe mogelijkheden voor werkgelegenheid;

levenslang leren;

outsourcing en off shoring;

opsporen van ontoereikende vaardigheden;

deeltijdwerk en telewerken;

het belang van flexicurity bij zakelijke dienstverlening (het EESC heeft dit onderwerp reeds behandeld in een recent advies — SOC/283);

het gebrek aan personeel voor kennisintensieve zakelijke diensten (KIBS — Knowledge Intensive Business Services) en de rol van immigratie;

mobiliteit.

In de praktijk zal de uitvoerbaarheid en doeltreffendheid van zo'n sectorale sociale dialoog (incl. de erkenning van overeenkomsten en de organisatorische ondersteuning) afhangen van de erkenning van representatieve Europese werknemers- en werkgeversorganisaties.

4.3

Prioriteit 3: O&O en innovatie van dienstverlening:

analyse van de wijzen waarop zakelijke diensten kunnen worden geïnnoveerd en de impact van die innovatie op de productiviteit en de sociaal-economische groei;

de rol van kennisintensieve zakelijke diensten (KIBS — Knowledge Intensive Business Services) voor de diensteninnovatie;

de relatie tussen ICT-ontwikkelingen en diensteninnovatie;

screenen van O&O- en innovatieprogramma's om de positie van zakelijke diensten te bestuderen;

toepassing van het begrip „lean manufacturing” op diensten;

de rol van diensteninnovatie en andere mogelijke beleidsmaatregelen voor kennisintensieve diensten op regionaal niveau; het innovatiebeleid inzetten ter bevordering van de vraag naar en het aanbod van zakelijke diensten.

4.4

Prioriteit 4: Ontwikkeling van normen. De ontwikkeling van normen voor zakelijke diensten komt traag op gang. Deze worden meestal gestuurd door de vraag. De verleners van zakelijke diensten kampen met structurele problemen. Het zijn overwegend kleine ondernemingen, die noch in eigen land, noch op Europees niveau zijn aangesloten bij een vertegenwoordigende organisatie. De enige manier om de situatie te verbeteren is dus gebruikers te mobiliseren en hun stem te laten horen. De markt voor zakelijke diensten zou enorm gebaat zijn bij duidelijke normen op dit gebied. De ontwikkeling van normen kan nuttig zijn om:

regelgeving aan te vullen of zelfs te vervangen;

de kwaliteit te verbeteren en de mededinging te stimuleren;

asymmetrische informatie terug te dringen — op een weinig transparante markt zijn zowel de dienstverlener als de gebruiker daarbij gebaat;

de vergelijkbaarheid te garanderen wanneer de gebruiker moet kiezen uit verschillende offertes;

de resultaten van O&O- en innovatieprogramma's op grotere schaal te verspreiden, zodat de innovatie leidt tot een betere dienstenkwaliteit;

het aantal geschillen terug te brengen door de rechten en plichten van dienstverleners en gebruikers te verduidelijken;

sociale conflicten te vermijden door ervoor te zorgen dat dienstverleners en gebruikers het arbeidsrecht respecteren, en door zonodig collectieve onderhandelingen te voeren, op het geëigende niveau;

bepaalde schaalvoordelen mogelijk te maken voor kleine ondernemingen die vergelijkbare diensten aanbieden in verschillende EU-lidstaten, en zo de hindernissen voor de marktintegratie uit de weg te nemen;

een gezonde exportsector te ontwikkelen en te helpen bij de openbare aanbesteding en uitbesteding van diensten.

4.5

Prioriteit 5: Verbetering van de statistieken m.b.t. zakelijke diensten. Beleidsmaatregelen zijn afhankelijk van analyses van lopende trends, die alleen kunnen worden afgelezen uit duidelijke en zinvolle statistieken. De duidelijk achterblijvende productiviteitsstijging in vergelijking met de VS kan deels worden toegeschreven aan onbetrouwbare statistieken, die zijn gebaseerd op een methodologie die wordt gebruikt om de prestaties van de verwerkende industrie te meten. Beter uitgewerkte statistieken over zakelijke diensten vragen niet alleen om een besluit van Eurostat, maar ook om de medewerking van nationale regeringen, die hun methoden om statistisch materiaal te vergaren moeten aanpassen. Bijzondere aandacht dient uit te gaan naar de rol van zakelijke diensten in andere industriële en dienstensectoren.

4.6

Prioriteit 6: Ontwikkeling van de „dienstenwetenschap”.

Dienstenwetenschap (of „Service Science, Management and Engineering”, SSME) is een nieuwe technische studierichting waarin verschillende aspecten van dienstverlening aan bod komen: diensteneconomie, dienstenmanagement, dienstenmarketing, dienstentechniek, enz. Onderzoekers en ondernemingen zijn het erover eens dat al deze onderzoeksgebieden moeten worden bevorderd en beter op elkaar moeten aansluiten. Service engineering (dienstentechniek) is hiervan een goed voorbeeld. Dit is een technische discipline waarin wordt gewerkt aan systematische ontwikkeling en ontwerp van diensten met behulp van passende modellen, methodes en instrumenten. Weliswaar omvat service engineering ook aspecten van operationeel dienstenbeheer, maar de ontwikkeling van nieuwe diensten staat centraal. Daarnaast is service engineering gericht op het ontwerpen van ontwikkelingssystemen, m.a.w. dienstengerelateerde kwesties betreffende algemeen O&O- en innovatiemanagement. Geïntegreerde benaderingen voor het gelijktijdig voortbrengen van goederen, software en diensten zullen vaste praktijk worden.

Fundamenteel onderzoek naar nieuwe zakelijke modellen, methoden en instrumenten zal een forse stimulans voor de dienstenwetenschap opleveren. Ten slotte zullen specificatie en efficiënte ontwikkeling van nieuwe diensten door de toenemende harmonisatie van dienstennormen worden bevorderd (12).

Service engineering vormt een van de weinige gebieden in de dienstensector dat hoofdzakelijk door Europees onderzoek is ontgonnen. Nauwe integratie in internationale netwerken en de systematische ontwikkeling van een onafhankelijke service engineering-gemeenschap zijn cruciaal om op dit gebied een leidersrol te blijven vervullen (13).

4.7

Prioriteit 7: De interne markt en de regelgeving betreffende zakelijke diensten.

Vermindering en vereenvoudiging van de regelgeving. Er zijn verscheidene restrictieve factoren waar zakelijke dienstverleners tegenaan lopen en die hun inspanningen om hun productiviteit op te voeren en zaken te doen in andere lidstaten, teniet doen. Dit zijn onder meer problemen i.v.m. de arbeidsmobiliteit en de erkenning van diploma's. De omvang en complexiteit van de regelgeving is de afgelopen jaren alleen maar toegenomen, waarmee kleine dienstverleners het nog zwaarder te verduren hebben gekregen. De meest in het oog springende punten van aandacht zijn:

Opzetten en overdragen van ondernemingen. De tijd en middelen die nodig zijn om een nieuwe onderneming op te zetten of het eigendom van een bestaande onderneming over te dragen gaan de mogelijkheden van kleine en middelgrote bedrijven te buiten.

Belemmeringen voor de export van diensten. Kleine en middelgrote bedrijven die hun diensten willen exporteren moeten hoge kosten maken om de relevante regelgeving na te trekken en advies in te winnen. De internationale handelsbesprekingen moeten een follow-up krijgen om de onnodige belemmeringen voor Europese dienstverleners om zakelijke diensten te verlenen op buitenlandse markten, weg te nemen. De bestaande markttoegangsdatabank van de Europese Commissie zou moeten helpen dergelijke belemmeringen op te sporen.

Restricties op de multidisciplinaire samenwerking. De belemmeringen voor professionele dienstverleners kunnen worden weggenomen met de inwerkingtreding van de dienstenrichtlijn.

Gebrekkige omzetting van de EU-wetgeving en verschillen in nationale wetgeving. Zelfs als nationale wetgevingen niet direct strijdig zijn met de interne markt, zijn de grote verschillen tussen de lidstaten nadelig voor de marktintegratie.

Openbare aanbestedingen en de regelgeving inzake de mededinging tussen particuliere bedrijven en staatsbedrijven bij overheidsopdrachten.

Belemmeringen voor dienstverlening in andere lidstaten. Een in de statuten neergelegde defensieve houding van beroepsverenigingen ten opzichte van dienstverleners uit andere lidstaten.

Detachering van hooggeschoolde werknemers. Moeilijkheden om hooggeschoolde werknemers over te plaatsen naar andere lidstaten, zelfs wanneer het gaat om hooggekwalificeerde arbeidsplaatsen. In het EESC-advies over de detachering van werknemers (14) worden in dit verband nuttige maatregelen voorgesteld.

Erkenning van beroepskwalificaties. De uiterste termijn voor de omzetting van Richtlijn 2005/36/EG van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties, was 20 oktober 2007. Hiermee werden de vijftien bestaande richtlijnen op dit gebied vervangen. Dit zou moeten leiden tot een grondige modernisering van het communautaire systeem, waarmee de EU-markt voor zakelijke diensten wordt bevorderd door een meer flexibele en automatische erkenning van kwalificaties. Ondertussen biedt het initiatief van de Europese Commissie voor een informatiesysteem voor de interne markt (IMI) een praktische benadering voor overheden en werkgevers in de lidstaten, waarmee zij in één centrale database kunnen nagaan wie de bevoegde autoriteit is (op regionaal of nationaal niveau) om certificaten inzake de vaardigheden of kwalificaties af te geven, en om de authenticiteit van dergelijke certificaten te verifiëren.

Omzetting van de dienstenrichtlijn. Een sectorale analyse zou nuttig zijn voor zakelijke diensten, om de nieuwe regelgeving optimaal te benutten, met name om de belemmeringen die na de omzetting van de dienstenrichtlijn blijven voortbestaan, op te sporen. Dit zal het onderwerp zijn van een screening die in 2010 van start gaat, waarin de vooruitgang van de omzetting zal worden beoordeeld en de manier waarop dit gebeurt nauwlettend in het oog zal worden gehouden. Bijzondere aandacht moet worden besteed aan de effecten op de zakelijke-dienstverleningseconomie. Het informatiesysteem voor de interne markt (IMI) kan nuttige informatie bieden voor de follow-up en verdere vereenvoudiging van nationale verschillen in regelgeving.

Brussel, 9 juli 2008

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

D. DIMITRIADIS


(1)  PB C 318 van 23.12.2006, blz. 4 (CCMI/035).

(2)  COM(2007) 374 van 4.7.2007.

(3)  SEC(2007) 1059 van 27.7.2007.

(4)  Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12.12.2006.

(5)  Persbericht IP/08/192 van 7.2.2008.

(6)  Memo/08/12 van 10.3.2008.

(7)  COM(2007) 359 final.

(8)  COM(2008) 133 final van 11.3.2008.

(9)  PB C 256 van 27.10.2007, blz. 93 (SOC/251).

(10)  PB C 256 van 27.10.2007, blz. 8 (INT/324).

(11)  PB C 256 van 27.10.2007, blz. 17 (INT/325).

(12)  Service engineering — methodical development of new service products, Hans-Jorg Bullinger, Klaus-Peter Fahnrich, Thomas Meiren.

(13)  Thomas Meiren, Fraunhofer Institute for Industrial Engineering, Stuttgart, Duitsland.

(14)  Zie CESE 995/2008 van 29.5.2008 (SOC/282). PB C 224 van 30.8.2008, blz. 95.


BIJLAGE

bij het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité

De volgende passage uit het afdelingsadvies is gewijzigd als gevolg van een door de voltallige vergadering goedgekeurd wijzigingsvoorstel, hoewel meer dan een kwart van de leden hiertegen was:

Paragraaf 2.2 — tweede bolletje:

„—

Arbeidsmarktbeleid en zakelijke dienstverlening. Er moet een uitgebreid sociaal onderzoek worden gedaan naar de uitdagingen van de nieuwe soorten arbeid die ontstaan dankzij de interactie tussen zakelijke diensten en industrie. Deze analyse moet betrekking hebben op onderwijs, opleiding en levenslang leren, maar ook op de arbeidsvoorwaarden van werknemers, inclusief werknemers die aan outsourcingprocessen deelnemen. Om deze doelstelling te verwezenlijken zou de agenda voor de sociale dialoog moeten worden uitgebreid, om te kijken naar specifieke veranderingen op het gebied van arbeidsvoorwaarden en mogelijkheden voor nieuwe banen die voortvloeien uit de structurele veranderingen die aan de basis liggen van de nieuwe zakelijke dienstverlening.”

Stemuitslag:

87 leden stemden vóór het wijzigingsvoorstel, 35 leden stemden tegen. Er waren 13 onthoudingen.


3.2.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 27/34


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende cosmetische producten (herschikking)

COM(2008) 49 final — 2008/0035 (COD)

(2009/C 27/07)

De Raad heeft op 13 mei 2008 overeenkomstig artikel 95 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité te raadplegen over het

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende cosmetische producten (herschikking).

De gespecialiseerde afdeling Interne markt, productie en consumptie, die belast was met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden, heeft haar advies op 11 juni 2008 goedgekeurd. Rapporteur was de heer Krawczyk.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 446e zitting op 9 en 10 juli 2008 (vergadering van 9 juli) het volgende advies uitgebracht, dat met 126 stemmen vóór, bij 4 onthoudingen werd goedgekeurd

1.   Samenvatting en conclusies

1.1

Het Comité stemt in met de doelstellingen van de ontwerpverordening en met de herschikking van Richtlijn 76/768/EEG in de vorm van een verordening.

1.2

Het Comité vestigt er de aandacht op dat naar verwachting aanzienlijke kosten zullen moeten worden gemaakt, zeker door het MKB, om te voldoen aan de nieuwe vereisten op het stuk van productiepraktijken, veiligheidsbeoordeling en productinformatie, om nog maar te zwijgen van alle noodzakelijke tests.

1.3

Het Comité acht het raadzaam om de negatieve financiële impact voor het MKB zo klein mogelijk te houden, bijvoorbeeld door te specificeren dat het productinformatiedossier en de veiligheidsbeoordeling alleen worden vereist voor producten die voor de eerste keer op de markt worden gebracht.

1.3.1

Het Comité stemt ermee in dat de verordening 36 maanden na de bekendmaking ervan van toepassing wordt. Gelet op de tijd die nodig is om de productinformatiedossiers en de veiligheidsbeoordeling van cosmeticaproducten die reeds op de markt zijn, up-to-date te maken, beveelt het Comité echter een extra overgangsperiode van 24 maanden na de inwerkingtreding van de richtlijn aan.

1.4

Het Comité is ingenomen met de invoering van een gedifferentieerde regeling op basis van een risicobeoordeling van stoffen die als kankerverwekkend, mutageen of giftig voor de voortplanting (CMR) zijn ingedeeld. Het verbod op het gebruik van dergelijke stoffen moet in stand worden gehouden.

2.   Voorwoord

2.1

Met Richtlijn 76/768/EEG wordt in de eerste plaats beoogd de gezondheid van de consument te beschermen en de wettelijke bepalingen inzake cosmeticaproducten op de gemeenschappelijke markt te harmoniseren. Een beoordeling van de huidige marktsituatie laat zien dat de wijzigingen van Richtlijn 76/768/EEG en de inconsistente omzetting daarvan door de lidstaten tot veel juridische onzekerheden en discrepanties hebben geleid. Dit heeft zowel de bevoegde instanties als de industrie dan ook opgezadeld met administratieve rompslomp en onnodige kosten, zonder dat de veiligheid van cosmetische producten is vergroot.

2.2

De vereenvoudiging van Richtlijn 76/768/EEG van de Raad van 27 juli 1976 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake cosmetische producten (de Cosmeticarichtlijn) is aangekondigd in de mededeling van de Commissie „Uitvoering van het Lissabon-programma van de Gemeenschap — Een strategie voor de vereenvoudiging van de regelgeving”, in de jaarlijkse beleidsstrategie 2007 van de Commissie en in het Wetgevings- en Werkprogramma 2007 van de Commissie. De Commissie heeft voorgesteld de cosmeticarichtlijn te vereenvoudigen m.b.v. een herschikking, een wetgevingstechniek die het mogelijk maakt een wettekst en wijzigingen daarvan te codificeren, en substantiële verbeteringen in te voeren.

2.3

Op basis van de reacties, verkregen tijdens de openbare raadpleging van 2006, en op basis van verschillende eigen studies heeft de Commissie een uitgebreide effectbeoordeling uitgevoerd alvorens het voorstel voor een verordening (herschikking) op te stellen (1).

2.4

De cosmeticasector in de EU wordt gekenmerkt door kleine en middelgrote bedrijven. 97 % van alle Europese cosmeticabedrijven behoort tot het MKB, en 80 % heeft minder dan 19 werknemers. Het MKB is goed voor circa twee derde van alle mensen die rechtstreeks werkzaam zijn in de cosmeticasector in de EU.

2.5

Er zijn circa 150 000 mensen werkzaam in de Europese cosmetica-industrie. Sinds 1999 heeft deze sector gestaag nieuwe arbeidsplaatsen gecreëerd (een toename van 1,2 % per jaar).

2.6

Naast de rechtstreekse werkgelegenheid heeft de cosmeticasector tevens een sterke indirecte invloed op de werkgelegenheid in de detailhandel, de distributiesector en de transportsector. Geschat wordt dat de cosmetica-industrie circa 350 000 indirecte arbeidsplaatsen genereert.

2.7

Vandaar dat de belangen en standpunten van het MKB in de cosmeticasector van de EU in aanmerking moeten worden genomen bij de impactanalyse van het onderhavige voorstel.

2.8

De intracommunautaire uitvoer van cosmetica is sinds 1999 qua omvang gestegen met gemiddeld 5 % per jaar en qua waarde met 6 % per jaar.

2.9

De cosmetica-industrie is een internationale bedrijfstak, waarin Europa een belangrijke plaats inneemt. Het mondiale karakter van de sector is van groot belang voor de positie van de EU als netto-exporteur. In 2005 bedroeg de uitvoer van cosmetische producten naar landen buiten de EU 16 mld EUR, terwijl er voor 4,4 mld EUR aan cosmetische producten werd ingevoerd.

2.10

De situatie varieert van lidstaat tot lidstaat. Als voorbeeld kan Polen worden genomen: de Poolse cosmeticasector is nog voor een groot deel onafhankelijk, met meer dan 400 meest kleine en middelgrote bedrijven. De Poolse cosmeticamarkt, die in 2006 een groei van 8,2 % kende en in 2007 een groei van 7,2 % en die onveranderlijk een groot groeipotentieel heeft, is een goed voorbeeld van gestage groei, zoals die in de vijf meest ontwikkelde economieën van de EU (VK, Duitsland, Frankrijk, Italië en Spanje) niet meer wordt gehaald.

3.   Inleiding

De cosmeticarichtlijn is een zeer gedetailleerde en prescriptieve wettekst. De tekst is sinds 1976 maar liefst 56 keer gewijzigd, wat heeft geresulteerd in rechtsonzekerheid en inconsistenties en in een volledig ontbreken van definities.

3.1

De voorgestelde herschikking van Richtlijn 76/768/EEG van de Raad heeft de volgende hoofddoelstellingen:

wegnemen van de rechtsonzekerheid en inconsistenties die voortvloeien uit de vele wijzigingen;

vermijden van discrepanties in de nationale omzettingsmaatregelen die niet bijdragen tot productveiligheid maar juist voor extra administratieve rompslomp en kosten zorgen;

vereenvoudigen en harmoniseren van bepaalde administratieve procedures, op het gebied van kennisgeving, „cosmeticabewaking” en administratieve samenwerking bij het markttoezicht;

ervoor zorgen dat op de EU-markt geïntroduceerde cosmetische producten, vooral gezien het innovatieve karakter van deze sector, veilig zijn;

instandhouden van de regels inzake dierproeven, die in 2003 met het „zevende amendement” aan de cosmeticarichtlijn zijn toegevoegd;

invoeren van duidelijke minimumvoorschriften voor de veiligheidsbeoordeling van cosmetica;

de mogelijkheid om in uitzonderlijke gevallen CMR-stoffen van categorie 1 en 2 te reguleren op grond van hun werkelijke risico.

De belangrijkste punten van de ontwerpverordening luiden als volgt:

3.2

Het Commissievoorstel laat het toepassingsgebied van Richtlijn 76/768/EEG intact en de definitie van „cosmetisch product” blijft ongewijzigd. Tijdens de openbare raadpleging door de Europese Commissie waren de meeste partijen voorstander van een herschikking van Richtlijn 76/768/EEG in de vorm van een verordening.

3.3

Er wordt een reeks nieuwe definities voorgesteld voor begrippen als fabrikant, importeur, op de markt aanbieden, marktintroductie, geharmoniseerde norm, sporen, conserveermiddelen, kleurstoffen, uv-filters, ongewenste bijwerking, ernstige ongewenste bijwerking, uit de handel nemen en terugroepen. Daarentegen wordt er geen nieuwe definitie van „cosmetisch product” zelf gegeven.

3.4

Het begrip „in de Gemeenschap gevestigde verantwoordelijke persoon” wordt geïntroduceerd. Ook wordt de verantwoordelijkheid beschreven in geval van producten die van buiten de EU aan de consument worden geleverd, bijvoorbeeld via internet.

3.5

Er wordt een „nieuwe aanpak” geïntroduceerd: verwijzing maar geharmoniseerde normen in wetteksten, zoals op het gebied van goede productiepraktijken en bemonstering/analyse van cosmetische producten, en in het geval van beweringen over cosmetische producten.

3.6

Er zijn minimumvoorschriften vastgesteld voor de veiligheidsbeoordeling en het productinformatiedossier. In bijlage I van de ontwerpverordening wordt een productveiligheidsrapport voorgesteld. De veiligheidsbeoordeling van een cosmetisch product is gebaseerd op het toxicologische profiel van alle ingrediënten.

3.7

Er wordt een gedifferentieerde regeling voorgesteld op basis van het risico (in plaats van het gevaar) van stoffen die als kankerverwekkend, mutageen of giftig voor de voortplanting (CMR) zijn ingedeeld. In het algemeen wordt het verbod op CMR-stoffen van categorie 1 en 2 in stand gehouden. Onder de nieuwe aanpak is het echter mogelijk om het gebruik van CMR-stoffen van categorie 1 en 2 onder strikte voorwaarden toe te staan, indien zij veilig zijn bevonden voor gebruik in cosmetica.

3.8

De algemene strategie om het verrichten van dierproeven met cosmetische eindproducten te verbieden, vergezeld van een tijdschema met termijnen voor het verbod op de marktintroductie van cosmetische producten waarvan de ingrediënten of combinaties van ingrediënten zijn beproefd op dieren, wordt voortgezet.

3.9

Er komt een uniforme aanpak ten aanzien van het beheersen van ongewenste bijwerkingen en ernstige ongewenste bijwerkingen. De gegevens over ongewenste bijwerkingen en ernstige ongewenste bijwerkingen zullen in het productveiligheidsrapport worden opgenomen en aan het publiek worden medegedeeld. Daarnaast komt er een verplichting om actief aan de bevoegde instanties verslag te doen van ernstige ongewenste bijwerkingen.

3.10

Er is een vereenvoudigde, gecentraliseerde en elektronische „one-stop-shop”-kennisgeving voorgesteld. Tot nu toe moest vóór de marktintroductie van een cosmetisch product in iedere lidstaat een aparte kennisgeving worden gedaan. De reikwijdte van de informatie loopt van lidstaat tot lidstaat uiteen. Bovendien wordt in meerdere lidstaten een aparte kennisgeving aan gifcentra gevraagd.

3.11

De administratieve samenwerking tussen de bevoegde instanties en de toepassing van goede administratieve praktijken zijn versterkt.

4.   Algemene opmerkingen

4.1

Het Comité stemt in met de doelstellingen van de ontwerpverordening: de vereenvoudiging en harmonisering van bepaalde administratieve procedures, gepaard aan een hoog niveau van consumentenveiligheid. De transparantie van de voorgestelde verordening staat buiten kijf. De hierin geformuleerde wettelijke bepalingen verschaffen duidelijkheid in enkele juridische kwesties die in het verleden nog onduidelijk waren en tot uiteenlopende interpretaties en toepassingen hebben geleid.

4.2

De herschikking van Richtlijn 76/768/EEG in de vorm van een verordening zal zorgen voor een uniforme toepassing van de wettelijke voorschriften ter bevordering van het vrije verkeer van producten op de gemeenschappelijke markt en voor een vereenvoudiging van de administratieve procedures op de EU-markten.

4.3

Terwijl de vereenvoudiging van administratieve procedures bepaalde kosten kan terugdringen (zoals de kennisgeving van producten en de kennisgeving aan gifcentra), wordt verwacht dat het MKB aanzienlijke kosten zal moeten maken om te voldoen aan de nieuwe vereisten t.a.v. het productinformatiedossier en de overeenstemming met de geharmoniseerde norm EN ISO 22716 (GMP). Benadrukt moet worden dat de huidige wettelijke voorschriften minder gedetailleerde toxicologische gegevens vragen dan de voorgestelde verordening.

4.4

Verwacht wordt dat de hoogte van de bijkomende kosten om aan de voorschriften van de verordening te voldoen sterk zal afhangen van de grootte van het bedrijf. De kosten voor de voorbereiding van de productinformatiedossiers en de veiligheidsbeoordeling zullen in de eerste plaats worden gedragen door kleine en middelgrote bedrijven, die voorheen slechts elementaire gegevens verstrekten op basis van de bestaande wettelijke voorschriften.

In het geval van grote internationale ondernemingen valt geen grote kostenstijging te verwachten, zulks op grond van hun jarenlange ervaring, deskundigheid, personele middelen, technische achtergrond en het feit dat zij toegang hebben tot de know-how van derden. Voor grote ondernemingen die producten fabriceren welke in verschillende EU-landen op de markt worden gebracht, zal het gecentraliseerde Europese kennisgevingssysteem de oude administratieve procedures zeker vereenvoudigen, waardoor de kosten voor kennisgeving tot op zekere hoogte zullen dalen. Bovendien hebben internationale firma's nu al kennisgevingssystemen ingevoerd voor hun kaderformuleringen (formules).

4.5

In het geval van kleine en middelgrote bedrijven kunnen aanzienlijke kostenstijgingen worden verwacht als gevolg van de eisen op het gebied van goede productiepraktijken, veiligheidsbeoordeling en voorbereiding van productinformatiedossiers, om nog maar te zwijgen van alle noodzakelijke tests.

Alleen al voor onderzoek, dossiers en veiligheidsbeoordeling kunnen de kosten voor kleine en middelgrote bedrijven met 100 % stijgen voor iedere nieuwe formule die op de markt wordt gebracht. Dit zal de productiekosten voor het MKB aanzienlijk doen oplopen en gevolgen hebben voor de kleinhandelsprijs van de producten, wat vervolgens voor rekening zal komen van de consument.

Men mag niet vergeten dat in het geval van het MKB de productseries veel kleiner van omvang zijn dan de productseries van grote internationale concerns, die grote hoeveelheden producten afzetten. De kosten voor onderzoek en de beoordeling van dossiers en veiligheid per afzonderlijk product zijn dus veel hoger voor kleine en middelgrote bedrijven.

Op basis van het bovenstaande kan de effectbeoordeling van de Commissie inadequaat zijn in het geval van lidstaten waar veel kleine en middelgrote bedrijven zijn gevestigd, zoals Spanje, Italië, Polen en Bulgarije.

4.6

Het lijkt raadzaam om de negatieve financiële impact voor het MKB zo klein mogelijk te houden, bijvoorbeeld door te specificeren dat het productinformatiedossier en de veiligheidsbeoordeling alleen worden vereist voor producten die voor de eerste keer op de markt worden gebracht. Voor producten die reeds op de markt zijn, zou het nodig kunnen zijn dat de overgangsperiode voor het up-to-date maken van de productinformatiedossiers en de veiligheidsbeoordeling wordt verlengd.

4.6.1

Het Comité stemt ermee in dat de verordening 36 maanden na de bekendmaking ervan van toepassing wordt. Gelet op de tijd die nodig is om de productinformatiedossiers en de veiligheidsbeoordeling van cosmeticaproducten die reeds op de markt zijn, up-to-date te maken, beveelt het Comité echter een extra overgangsperiode van 24 maanden na de inwerkingtreding van de richtlijn aan

4.7

Het Comité is verheugd over de toevoeging van een reeks definities. Dit zal de interpretatie van de bepalingen van de verordening vergemakkelijken en helpen de rechtsonzekerheid en inconsistenties weg te nemen. Daarentegen wordt er geen nieuwe definitie van „cosmetisch product” gegeven. De cosmetische industrie is in hoge mate innovatief en elk jaar komen er nieuwe toepassingen en productcategorieën op de markt. Dit kan problemen opleveren voor het kwalificeren van producten (als cosmetisch, farmaceutisch enz.) en voor „grensgevallen”. Er zullen dan ook educatieve en voorlichtingscampagnes op touw moeten worden gezet en verder zal het markttoezicht moeten worden verbeterd.

4.8

Het Comité is tevreden over de invoering van het begrip „verantwoordelijke persoon”. De aanwijzing van een verantwoordelijke persoon — die iemand anders kan zijn dan de fabrikant — is zinvol en conform gangbare marktpraktijken als outsourcing en het voeren van een eigen merknaam. De bepalingen m.b.t. de verantwoordelijke persoon stellen diens verantwoordelijkheid vast in het geval van producten die van buiten de EU op de markt worden gebracht, bijvoorbeeld via Internet.

4.9

Zeker omdat het om een verordening gaat, zouden met het oog op de rechtszekerheid ook andere begrippen moeten worden gedefinieerd. Hierbij valt met name te denken aan de begrippen „parfum” en „actief bestanddeel”.

4.10

Het Comité juicht de invoering van de elektronische kennisgeving van cosmetica en kaderformuleringen aan gifcentra toe. Dit zal de administratieve procedures op de Europese markt zeker harmoniseren.

4.11

Het Comité is tevreden over de invoering van bepaalde nieuwe-aanpakprincipes in de regelgeving voor cosmetische producten. Al dan niet vrijwillige toepassing van geharmoniseerde normen door fabrikanten en de bevoegde instanties zorgt voor een onderlinge afstemming van methodologieën. Geharmoniseerde normen zijn een goed voorbeeld van zelfreguleringsinstrumenten die nuttig zijn en door de cosmetica-industrie worden gehanteerd. Het Comité plaatst echter kanttekeningen bij de klakkeloze toepassing van nieuwe-aanpakprincipes. Kwesties op het gebied van de gezondheid en veiligheid van de klant moeten worden geregeld op grond van de betreffende voorschriften.

4.12

Het Comité is ingenomen met de verwijzing naar geharmoniseerde normen m.b.t. beweringen over cosmetische producten. De geharmoniseerde normen zouden echter van toepassing moeten zijn op de methoden waarmee de juistheid van de beweringen effectief wordt getoetst, en niet op de beweringen zelf. Beweringen omtrent de werking kunnen worden gemeten door betrouwbare en reproduceerbare methoden. Daarenboven zou bij de geharmoniseerde normen rekening moeten worden gehouden met de wetenschappelijke en technologische vooruitgang en met de reikwijdte van het onderwerp.

4.13

Het Comité is ingenomen met de invoering van een gedifferentieerde regeling op basis van een risicobeoordeling van stoffen die als kankerverwekkend, mutageen of giftig voor de voortplanting (CMR) zijn ingedeeld (zie Richtlijn 67/548/EEG, art. 12, lid 2). Het verbod op het gebruik van dergelijke stoffen moet in stand worden gehouden. Het huidige systeem is echter gebaseerd op „gevaar” (d.w.z. op intrinsieke eigenschappen van de stof) en houdt geen rekening met de dosering en blootstellingsroute. Dit zou kunnen leiden tot een automatisch verbod op ethanol (d.w.z. alcohol) in het geval deze stof in CMR-categorie 1 of 2 wordt ingedeeld, hoewel het gebruik ervan in cosmetische producten veilig is. De ontwerpverordening schrijft voor dat stoffen in CMR-categorie 1 en 2 mogen worden gebruikt als verbinding in cosmetische producten mits tegelijk aan drie voorwaarden wordt voldaan (art. 12, lid 2). Een van deze voorwaarden is echter dat de stof wettelijk mag worden gebruikt in voedings- en levensmiddelen, terwijl het heel goed mogelijk is dat een stof die is ingedeeld in CMR-categorie 1 of 2, als veilig wordt beschouwd voor gebruik in cosmetica, maar niet is toegestaan voor voedsel (zoals formaldehyde, boorzuur, enz.). De ontwerpbepalingen sluiten iedere toepassing van dergelijke stoffen in de cosmetica-industrie uit.

4.14

Het Comité is zich bewust van de noodzaak van overgangsperioden om de productdossiers en veiligheidsbeoordelingen aan te passen als het gaat om producten die reeds op de markt zijn (art. 34). Er wordt echter niet gespecificeerd of de overgangsperiode alleen van toepassing is op producten die op de markt worden gebracht, of ook op producten die reeds in de handel zijn. Door eenzelfde overgangsperiode (36 maanden) vast te stellen voor alle producten — dus ook voor producten die reeds in de handel zijn — kan een situatie ontstaan waarin producten die legaal op de markt zijn gebracht, uit de handel moeten worden genomen, omdat de etikettering of productinformatiedossiers nog niet zijn bijgewerkt. Het Comité stemt ermee in dat de verordening 36 maanden na de bekendmaking ervan van toepassing wordt. Gelet op de tijd die nodig is om de productinformatiedossiers en de veiligheidsbeoordeling van cosmeticaproducten die reeds op de markt zijn, up-to-date te maken, beveelt het Comité evenwel een extra overgangsperiode van 24 maanden na de inwerkingtreding van de richtlijn aan.

In document SEC(2008) 117 (de effectbeoordeling) verklaart de Europese Commissie dat alle beschikbare statistieken erop lijken te wijzen dat het aantal bijwerkingen van cosmetische producten zeer gering is. Sinds de cosmeticarichtlijn in werking is getreden, heeft de cosmetica-industrie geen ernstige veiligheidscrises doorgemaakt, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de voedingsmiddelensector.

5.   Bijzondere opmerkingen

5.1

Het Comité realiseert zich dat sommige bepalingen in het voorstel van de Commissie wellicht moeilijk uitvoerbaar zijn. De belangrijkste hiervan hebben betrekking op het bereik van de gegevens die worden vereist voor de productinformatiedossiers en de veiligheidsbeoordeling (artikel 7 en Bijlage I).

5.2

In artikel 7 moet komen te staan dat de productveiligheidsbeoordeling voor cosmetische producten uitgevoerd dient te worden door een onafhankelijke derde partij.

5.3

In artikel 7, lid 3, is de formulering „niet-klinisch onderzoek naar de veiligheid” onduidelijk. Op grond van de beschikbare informatie wordt deze term door sommige lidstaten verschillend geïnterpreteerd. Volgens de interpretatie van de bevoegde instanties in Polen hebben klinische proeven betrekking op geneesmiddelen. Onderzoek met vrijwillige proefpersonen voor de beoordeling van cosmetica (dermatologische proeven, compatibiliteitstests, instrumentele proeven) kan daarom niet worden beschouwd als een klinische proef. Dit kan echter ook niet worden beschouwd als niet-klinisch onderzoek in de betekenis van artikel 7, lid 3, van de ontwerpverordening. Overeenkomstig Richtlijn 2004/10/EG zijn de bepalingen inzake goede laboratoriumpraktijken niet van toepassing op tests waaraan mensen deelnemen.

5.4

Bovendien betekent de eis dat alle toxicologische proeven en analyses ten behoeve van de veiligheidsbeoordeling moeten voldoen aan de beginselen van goede laboratoriumpraktijken, dat veel gegevens in toxicologische databanken en wetenschappelijke publicaties, die een waardevolle bron van informatie zijn, niet kunnen worden gebruikt. Zelfs in recente wetenschappelijke publicaties vinden we maar heel zelden een verklaring dat al dan niet aan het beginsel van goede laboratoriumpraktijken is voldaan.

5.5

Aan de bepalingen in de punten 1 en 2 van Bijlage I - inzake de zuiverheid en stabiliteit van het verpakkingsmateriaal, de interactie tussen de verbindingen, de invloed van de stabiliteit van het product op de veiligheid ervan en de vermelding van de houdbaarheid na opening - kan wellicht moeilijk worden voldaan omdat er geen algemeen erkende methodologie beschikbaar is, bijvoorbeeld in de vorm van internationale of Europese normen, of wetenschappelijke publicaties. Gegevens hierover zijn dan ook moeilijk te verkrijgen.

5.5.1

Het Comité is ingenomen met de in Bijlage I (Productveiligheidsrapport) opgenomen minimumvoorschriften met betrekking tot de gegevens en test(s) die nodig zijn ter voorbereiding van een productdossier. Dit zal de kwaliteit van het dossier verbeteren, het markttoezicht vergemakkelijken en aldus bijdragen aan de veiligheid van de consument.

5.6

De NOAEL-waarde (NOAEL = No Observed Adverse Effect Level, d.w.z. het niveau waarbij geen schadelijk effect meer wordt waargenomen), die noodzakelijk is om de veiligheidsmarge (MoS — Margin of Safety) te berekenen, is voor veel stoffen niet beschikbaar. De verplichting om de NOAEL-waarde vast te stellen zal resulteren in dierproeven, hetgeen strijdig is met het EU-beleid ter bevordering van alternatieve testmethoden. Het druist ook in tegen de bepalingen van artikel 14 (dierproeven).

5.6.1

Het zou dan ook goed zijn om in de nieuwe bepalingen duidelijk aan te geven op welke wijze de producent de stoffen die in cosmetische producten worden gebruikt, moet testen om na te gaan welke mogelijke gevaren er voor de consument aan verbonden zijn.

5.7

Het Comité is het er niet mee eens dat de ingrediënten alleen op de verpakking hoeven te worden vermeld (artikel 15, lid g). Deze dienen zo mogelijk op het product zelf te worden vermeld.

5.8

Cosmetische producten dienen de duidelijke en goed zichtbare waarschuwing te bevatten dat ze door de consument pas vanaf een bepaalde leeftijd mogen worden gebruikt en dat ze buiten het bereik van kinderen moeten worden gehouden.

5.9

In de verordening dient duidelijk te worden vermeld dat op afstand verkochte cosmetische producten op hun etiket en verpakking precies dezelfde duidelijke informatie moeten bevatten als het geval is bij cosmetische producten die in de winkel worden verkocht.

5.10

Het Comité is verheugd over de grotere nadruk op administratieve samenwerking tussen de bevoegde instanties en op de toepassing van goede administratieve praktijken.

5.11

Het Comité stemt in met het bijwerken van de oude bijlagen, waarin lijsten met verboden en t.a.v. het gebruik in cosmetische producten beperkt toegestane stoffen staan, door hieraan de CAS- en EINECS-nummers toe te voegen evenals de INCI-benamingen, en door een elektronische inventaris te maken van cosmetische ingrediënten.

5.12

Het laten vallen van de vroegere Bijlage I van Richtlijn 76/768/EEG lijkt gerechtvaardigd. De indeling in categorieën in de oude lijst was nogal arbitrair, en er waren veel overlappende productgroepen, zoals „poeder voor make-up” en „middelen voor het opbrengen en verwijderen van gelaats- en oogmake-up”. Bovendien is de oude lijst reeds verouderd: er zijn inmiddels nieuwe categorieën producten op de markt, zoals anti-cellulitis patches en reinigingsdoekjes met actieve bestanddelen voor het verwijderen van make-up.

Brussel, 9 juli 2008

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

D. DIMITRIADIS


(1)  COM(2008) 49 final — 2008/0025 (COD).


3.2.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 27/39


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2001/82/EG en Richtlijn 2001/83/EG, wat wijzigingen in de voorwaarden van vergunningen voor het in de handel brengen van geneesmiddelen betreft

COM(2008) 123 final — 2008/0045 (COD)

(2009/C 27/08)

De Raad heeft op 3 april 2008 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 95 van het EG-Verdrag te raadplegen over het

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van van Richtlijn 2001/82/EG en Richtlijn 2001/83/EG, wat wijzigingen in de voorwaarden van vergunningen voor het in de handel brengen van geneesmiddelen betreft.

De gespecialiseerde afdeling „Interne markt, productie en consumptie”, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 11 juni 2008 goedgekeurd. Rapporteur was de heer CEDRONE.

Het Comité heeft tijdens zijn op 9 juli 2008 gehouden 446e zitting het volgende advies uitgebracht, dat met 127 stemmen vóór, bij 7 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Het Comité kan zich vinden in het richtlijnvoorstel COM(2008) 123 final dat strekt tot wijziging van de Richtlijnen 2001/82/EG en 2001/83/EG. Middels die wijzigingen wordt namelijk gegarandeerd dat de op alle geneesmiddelen toepasselijke regels worden geharmoniseerd waarbij het er niet toe doet welke procedure is gevolgd voor het verstrekken van vergunningen om die op de markt te brengen.

1.2

Door op alle geneesmiddelen identieke criteria toe te passen wordt niet alleen gezorgd voor eenzelfde kwaliteit, veiligheid en efficiëntie maar ook voor een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid en een doelmatiger functionerende interne markt, en tevens wordt vermeden dat ondernemingen onnodig met zwaardere administratieve en financiële lasten worden opgezadeld.

1.3

Het Comité heeft de inspanningen van de Commissie om de veiligheid van medicijnen te verhogen altijd gesteund en zal dat blijven doen. Die veiligheid is fundamenteel voor de bescherming van de gezondheid van mens en dier.

1.4

Het is het er dus mee eens dat de Commissie wordt gemachtigd om het werkingsgebied van Verordening (EG) nr. 1084/2003 uit te breiden tot wijzigingen die zijn ingetreden nadat een vergunning, via welke procedure dan ook, is verleend. Op die manier kunnen eventuele obstakels voor het vrij verkeer van geneesmiddelen worden voorkomen. Wel wijst het op het belang van de maatregelen die de Commissie nog moet nemen.

1.5

Verder herhaalt het ook in dit verband met klem dat vaart achter de voltooiing van de interne markt moet worden gezet en zulks met name in sectoren waar dat nog niet of slechts gedeeltelijk het geval is.

2.   Achtergrond

2.1

In november 2001 presenteerde de Commissie een uitgebreide herziening van de regelgeving voor geneesmiddelen in de vorm van twee specifieke regelingen: Richtlijn 2001/82/EG tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik en Richtlijn 2001/83/EG tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (1).

2.2

Deze wetgeving lag in het verlengde van een in 1993 doorgevoerde diepgaande hervorming waarbij overeenkomstig Verordening 2309/93 het Europees geneesmiddelenbureau (EMEA) werd opgericht en de inwerkingtreding van nieuwe vergunningsprocedures voor het in de handel brengen van farmaceutische producten (2).

2.3

Overeenkomstig het beginsel van vrij verkeer van goederen bevatte deze verordening (met ingang van 1 januari 1995) twee vergunningsprocedures voor het in de handel brengen van alle geneesmiddelen:

a)

een „gecentraliseerde” procedure: de vergunning is geldig voor de gehele EG en wordt door het Europees Geneesmiddelenbureau afgegeven. Deze procedure is verplicht voor alle medicijnen van biotechnologische aard en facultatief voor geneesmiddelen die nieuwe actieve stoffen bevatten;

b)

het behoud van een nationale, zog. „gedecentraliseerde” procedure: de vergunning wordt door een nationale autoriteit verleend. Middels deze procedure kan verder worden gegrepen naar specifieke regels voor „wederzijdse erkenning” voor het eventueel in de handel brengen in andere lidstaten van geneesmiddelen die in de ene lidstaat zijn toegelaten.

2.4

Deze procedures strekten tot een juiste beoordeling van de risico/baten-verhouding, vaststelling van strikte criteria voor kwaliteit, veiligheid en efficiëntie met als specifieke doelstelling om over de gezondheid van de Europese burgers en dieren te waken.

2.5

De Richtlijnen 2001/82/EG en 2001/83/EG hadden tot doel deze niet onbelangrijke garanties op te verstevigen. Zij bevatten doelgerichte toezichtbepalingen om de volksgezondheid te beschermen door de controlefrequenties op te voeren en verder werd er doelgerichtere en uitgebreidere criteria ingevoerd voor de aanmelding van ongewenste bijwerkingen.

2.6

De Commissie heeft bij de periodieke verificatie van het functioneren van het vergunningsstelsel op problemen gewezen die kunnen optreden als gevolg van wijzigingen die zich eventueel voordoen na toekenning van een vergunning door de nationale autoriteiten. Die vergunningen zijn goed voor 80 % van het totaal aantal toelatingen.

2.7

Wijzigingen die intreden nadat een nationale autoriteit een vergunning heeft afgegeven worden bestreken door de Verordeningen 1084/2003/EG en 1085/2003/EG, die echter uitsluitend van toepassing zijn op onder meer het productieproces, de verpakking of de houder van de intellectuele-eigendomsrechten. Buiten de reikwijdte van deze verordeningen vallen evenwel fundamentele zaken als de invoering van nieuwe therapeutische indicaties of wijzigingen betreffende de administratieve behandeling.

2.8

Bijgevolg werken procedures na vergunningsverlening verschillen tussen de lidstaten in de hand, met als gevolg dat voor een en hetzelfde product uiteenlopende regels en classificaties gelden. Daarom kan er geen sprake zijn van een uniform niveau van gezondheidsbescherming. Therapeutische indelingen of gebruik van een geneesmiddel verschillen namelijk, en dat vormt weer een, soms kunstmatige, belemmering voor het beoogde vrij verkeer van geneesmiddelen binnen de Unie.

3.   Het Commissievoorstel

3.1

De Commissie wil voorkomen dat een geneesmiddel aan verschillende voorwaarden is onderworpen en daarom stelt zij voor de Richtlijnen 2001/82/EG en 2001/83/EG te wijzigen. Daarbij wil zij het werkingsgebied van Verordening 1084/2003/EG uitbreiden. De verordening heeft tot op heden slechts betrekking op medicijnen die de gecentraliseerde procedure doorlopen en zij wil die regeling nu voor alle geneesmiddelen, ongeacht de vergunningsprocedure, laten gelden.

3.2

Onderhavig voorstel maakt integraal deel uit van het Wetgevings- en werkprogramma van de Commissie voor 2008 (bijlage 2 — Vereenvoudigingsinitiatieven). Het betreft slechts een maatregel van wetgevende aard om bepaalde artikelen van de Richtlijnen 2001/82/EG en 2001/83/EG aan te passen aan Verordening 1084/2003/EG, die voortaan op alle geneesmiddelen van toepassing zou zijn.

3.3

Handhaving van de huidige gang van zaken zou slechts betekenen dat financiële en administratieve lasten blijven drukken op bedrijven die hun producten in meerdere lidstaten op de markt willen brengen. Zij zouden het hoofd moeten bieden aan onderling verschillende nationale regelingen en uiteenlopende administratieve praktijken moeten respecteren, hetgeen neerkomt op een artificieel obstakel voor de naleving van het vrije-verkeersbeginsel.

3.4

Het voorstel is van zuiver juridische aard en betreft wijziging van de rechtsgrondslag van Verordening 1084/2003/EG: bedoeling is dat de Commissie de bevoegdheid krijgt om het werkingsgebied van die verordening dusdanig uit te breiden dat er sprake is van echte harmonisatie van de vergunningsvoorschriften.

3.5

Zij benadrukt dat alle betrokkenen uitgebreid zijn geraadpleegd en dat een juridische wijziging het meest geschikt bleek voor de harmonisatie van de voorschriften die van toepassing zijn na het verlenen van een vergunning voor het in de handel brengen, en waarbij wordt gezorgd voor een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid en juridische samenhang.

3.6

Haar voorstel is gebaseerd op artikel 95 van het EG-Verdrag, waarbij wordt voorzien in het gebruik van de medebeslissingsprocedure, en het strookt met het subsidiariteits- en evenredigheidsbeginsel.

4.   Algemene opmerkingen

4.1

Het Comité is het eens met de voorgestelde wijzigingen van Richtlijnen 2001/82/EG en 2001/83/EG. Met die wijzigingen wordt gezorgd voor de harmonisatie van de regels aangaande vergunningen voor alle geneesmiddelen. Verder belichaamt het voorstel een hoog beschermingsniveau voor de volksgezondheid en een beter functioneren van de interne markt. Tevens wordt verhoging van onnodige administratieve en financiële lasten voor het bedrijfsleven vermeden.

4.2

Het betuigt voorts andermaal zijn steun aan eerdere Commissievoorstellen ter zake en moedigt haar zelfs aan om op de ingeslagen weg door te gaan om de veiligheid van geneesmiddelen, doorslaggevend voor de bescherming van mens en dier, te verhogen.

4.3

Het schaart zich dus achter de via een eenvoudige wetswijziging voorgestelde harmonisatie: de bepalingen gaan gelden voor alle geneesmiddelen, ongeacht de procedure via dewelke deze op de markt zijn gebracht, en verwijderen eventuele belemmeringen voor toekomstig vrij verkeer.

4.4

Het Comité geeft dus een positief advies over de wijziging van de rechtsgrondslag, maar wacht wel op het in voorbereiding zijnde inhoudelijke wetgevingsvoorstel, dat belangrijker is voor de toekomst van de geneesmiddelensector.

Brussel, 9 juli 2008

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

D. DIMITRIADIS


(1)  PB L 311 van 28.11.2001.

(2)  PB L 214 van 27.8.1993.


3.2.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 27/41


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake drukvaten van eenvoudige vorm (gecodificeerde versie)

COM(2008) 202 final — 2008/0076 (COD)

(2009/C 27/09)

De Raad heeft op 22 april 2008 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 95 van het EG-Verdrag te raadplegen over het

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake drukvaten van eenvoudige vorm (gecodificeerde versie).

Het Comité is van oordeel dat het bevredigende voorstel geen commentaar behoeft en heeft tijdens zijn 446e zitting van 9 en 10 juli 2008 (vergadering van 9 juli) met 142 stemmen vóór, bij 6 onthoudingen, dan ook positief advies uitgebracht.

 

Brussel, 9 juli 2008

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

D. DIMITRIADIS


3.2.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 27/41


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het onderwerp „Naar een spoorwegnet met voorrang voor goederenverkeer”

COM(2007) 608 final

(2009/C 27/10)

De Commissie heeft op 18 oktober 2007 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 262 van het EG-Verdrag te raadplegen over het onderwerp

„Naar een spoorwegnet met voorrang voor goederenverkeer”.

De gespecialiseerde afdeling Vervoer, energie, infrastructuur, informatiemaatschappij, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 5 juni 2008 goedgekeurd. Rapporteur was de heer BUFFETAUT.

Het Comité heeft tijdens zijn op 9 en 10 juli 2008 gehouden 446e zitting (vergadering van 10 juli 2008) het volgende advies uitgebracht, dat met 111 stemmen vóór, bij 1 onthouding, is goedgekeurd.

1.   Conclusies

1.1

Het EESC deelt de kijk van de Commissie op het goederenvervoer in de EU. Haar voorstellen zijn een stap in de goede richting, al hadden ze gezien de uitdagingen best wat verder mogen gaan.

1.2

Om de situatie te verbeteren is het volgende nodig:

logistieke dienstverlening in plaats van louter en alleen vervoer;

lagere kosten, om met meer concurrerende tarieven te kunnen werken;

betrouwbaardere dienstverlening;

zo kort mogelijke vervoerstijden van deur tot deur;

een flexibel dienstenaanbod en snelle reacties in geval van storingen.

1.3   Logistieke dienstverlening

De basisgedachte is om de qualitate qua complexe aspecten van het vervoer per spoor toch gemakkelijk te maken voor de klant. Dit vereist een goede klantenservice, duidelijke en betrouwbare informatie, een ruimer aanbod van individueel te gebruiken wagons, en een van-deur-tot-deur-service, inclusief laden en lossen.

1.4   Lagere kosten

1.4.1

Om lagere kosten mogelijk te maken moet er verder worden gewerkt aan de interoperabiliteit en de technische harmonisatie in Europa. Elk netwerk heeft in het verleden zijn eigen regels en zijn eigen regulerings- en veiligheidsystemen ontwikkeld. Al deze systemen moeten samenvloeien in één uniform systeem en het European Rail Traffic Management System (ERTMS) moet zo snel mogelijk worden ingevoerd.

1.4.2

Door middel van de nodige, in de mate van het mogelijke te realiseren investeringen is het zaak om de railinfrastructuur — het laadprofiel en de lengte van de treinen, de laadperrons, de asbelasting — stap voor stap aan te passen aan datgene waar het vrachtvervoer behoefte aan heeft, zoals bijvoorbeeld in de VS is gebeurd.

1.4.3

Een grotere liberalisering van de sector zou de dienstverleners dwingen tot meer efficiëntie en een hogere productiviteit. Een en ander heeft ook consequenties voor de opleiding van het rijdend personeel. Nieuwe dienstverleners op de markt kunnen te kampen krijgen met een gebrek aan geschoolde arbeidskrachten. Om in de vraag te voorzien en nieuwe hooggekwalificeerde arbeidsplaatsen te kunnen creëren moet er daarom voor adequate opleidingen worden gezorgd.

1.4.4

De manier waarop infrastructuurbeheerders de kosten verdelen over de verschillende verladers, moet onder de loep worden genomen. Ook moeten omwille van een vrije en eerlijke concurrentie de externe kosten die concurrerende vervoerswijzen maken, beter aan hen worden doorberekend.

1.4.5

Initiatieven als de Betuwelijn, het New Opera-project of FERRMED moeten bestudeerd worden, zodat men zijn voordeel kan doen met de opgedane ervaringen en met methoden die in de praktijk hun waarde hebben bewezen.

1.5   Betrouwbaardere dienstverlening

1.5.1

Er moeten bindende contractuele regelingen komen om klanten schadeloos te stellen voor een slechte dienstverlening. Dergelijke regelingen zouden fungeren als een prikkel om de dienstverlening te verbeteren.

1.5.2

Er moet voor worden gezorgd dat de onderdelen die een adequate dienstverlening mogelijk maken — zoals het rollend materieel, het seinwezen en het spoor — goed en betrouwbaar zijn.

1.5.3

Een betrouwbaardere dienstverlening betekent ook dat aan het vrachtvervoer goede rijpaden moeten worden toegewezen en dat het voorrang krijgt in het geval van conflicterende vervoersbelangen op deze rijpaden, waarbij de belangen van alle gebruikers in aanmerking moeten worden genomen. Zo zou er onder meer met de rijtijden kunnen worden geschoven.

1.6   Zo kort mogelijke vervoerstijden van deur tot deur

1.6.1

Een van de punten van kritiek op het goederenvervoer is dat de vervoerstijden zo lang zijn. Daarom zouden vrachtcorridors weinig (of geen) tussenstops moeten bevatten en zo moeten worden aangelegd dat de kans op belangenconflicten met andere treinen zo gering mogelijk is. Mochten die conflicten zich toch voordoen, dan zouden goederentreinen zo vaak als mogelijk is voorrang moeten krijgen. Verder zouden er voor het goederenvervoer nachtelijke hogesnelheidstreinen moeten komen.

1.6.2

Er zijn ook investeringen nodig om de infrastructuur geschikt te maken voor hogere snelheden, al is het wel zo dat hogere snelheden noodzakelijkerwijs gepaard dienen te gaan met een geringere asbelasting. De lage snelheid van het huidige goederenvervoer moet weliswaar omhoog, maar een regelmatige snelheid is het belangrijkst. Een gematigde maar constante snelheid is beter dan voortdurend stoppende en weer optrekkende treinen; dat leidt alleen maar tot vertraging.

1.7   Flexibiliteit

1.7.1

Vanouds geven railbeheerders op van tevoren vastgelegde rijpaden automatisch voorrang aan reizigerstreinen. Dit heeft als onbedoeld gevolg dat goederentreinen die iets te laat (bijvoorbeeld een minuut of tien) vertrekken, bijna altijd met ernstige vertraging (uren of zelfs een hele dag) op de plaats van bestemming aankomen.

1.7.2

Op de middellange of lange termijn zal het dankzij de ontwikkeling van de techniek mogelijk zijn om het goederentreinverkeer vloeiender te laten verlopen; dan is men niet meer gebonden aan van te voren vastgelegde rijpaden. Door middel van „glijdende baanvakken”, die deel uitmaken van de laatste ERMTS-plannen, kunnen op dezelfde infrastructuur meer treinen rijden en kan bij storingen beter worden opgetreden. Dan moeten alle lidstaten echter wel investeren in ERMTS, dat zorgt voor de interoperabiliteit van de verschillende nationale spoorwegnetten.

1.7.3

Voor de interoperabiliteit van de vervoerssystemen zou bij knelpunten en laad- en losperrons in de infrastructuurcapaciteit moeten worden geïnvesteerd.

1.7.4

Overslagstations zijn belangrijk en onlosmakelijk verbonden met de secundaire netwerken die het achterland ontsluiten. Wil het goederenvervoer werkelijk kunnen concurreren met andere vervoerswijzen, dan moet het de goederen zo dicht mogelijk bij de klant afleveren.

1.8   Een speciaal goederennet

1.8.1

Hoewel het weinig realistisch is om nu al een lans te breken voor een speciaal trans-Europees goederenvervoernet, zou zo'n net het goederenvervoer over het spoor wel betrouwbaarder, punctueler, goedkoper en sneller maken en aldus de beste manier zijn om het een impuls te geven. Momenteel zijn op het vrachtvervoer gerichte corridors de realistische optie, maar vanwege het ontbreken van grote transcontinentale goederenvervoersnetten zou het, gezien bijvoorbeeld het succes van de tussen Rotterdam en Duitsland aangelegde Betuwelijn, een goed idee zijn om in deze corridors steeds meer speciale goederenspoorlijnen op te nemen die actieve economische centra met elkaar verbinden. Alle lidstaten dienen serieus werk te maken van beleidsmaatregelen en regelingen die het spoor concurrerender kunnen maken.

2.   Stand van zaken

2.1   Reden tot zorg

2.1.1

Tussen 1995 en 2005 is het goederenvervoer met 2,8 % per jaar gegroeid. Het marktaandeel van het goederenvervoer per spoor is daarentegen gestaag gedaald in vergelijking met de andere vervoerswijzen en blijft sinds 2005 stabiel op ongeveer 10 %, het laagste niveau sinds 1945.

2.1.2

Volgens de Commissie komt dit door de tegenvallende betrouwbaarheid, de ontoereikende capaciteit, het slechte informatiemanagement, de lage snelheid en het gebrek aan flexibiliteit. Desondanks dienen zich nieuwe kansen aan door de groei van de handel, de congestie van het wegverkeer, de sterk gestegen olieprijs en de toenemende bezorgdheid om het milieu.

2.1.3

De Europese Gemeenschap heeft al enige tijd geprobeerd om de spoorwegen een nieuwe impuls te geven, waarbij prioriteit is verleend aan drie punten:

de openstelling van de markt voor goederenvervoer per spoor, die gepaard ging met herstructureringen van de traditionele spoorwegbedrijven;

de totstandbrenging van technische interoperabiliteit en de opstelling van gemeenschappelijke veiligheidsregels;

de afbakening van een spoorwegnet in het kader van het trans-Europees vervoersnetwerk.

2.1.4

Vooral wat het transnationale vervoer betreft vallen de resultaten van deze maatregelen echter tegen.

2.2   Een zich ontwikkelend gemeenschappelijke vervoersbeleid

2.2.1

Geïnspireerd door het streven naar een modal shift van de weg naar het spoor, voorzag het witboek over het Europese vervoersbeleid tot het jaar 2010 in de oprichting van „multimodale corridors met voorrang voor goederenverkeer”. Bij de tussentijdse evaluatie van het witboek in 2006 zijn de modal shift-ambities enigszins bijgesteld en is de nadruk gelegd op de ontwikkeling van comodaliteit, al blijft de Commissie aandringen op een spoorwegnet met voorrang voor goederenverkeer.

2.2.2

Dit idee wordt door de Commissie in haar mededeling uitgewerkt, die zoals gezegd als doelstelling heeft om de snelheid, de betrouwbaarheid en de capaciteit te verbeteren van een netwerk dat de bestaande trans-Europese netwerken als basis heeft.

3.   De voorstellen van de Commissie

3.1

De Commissie noemt de initiatieven die al zijn genomen ten gunste van het goederenvervoer per spoor: ontwikkeling van de interoperabiliteit, real time informatie via Europtirails, aanleg van infrastructuur (Betuwelijn) en de oprichting van corridorstructuren. Deze blijken echter niet toereikend te zijn.

3.2

Er zijn drie opties: de status quo handhaven, nieuwe maatregelen om een op goederenvervoer gericht netwerk tot stand te brengen, en een Europees spoorwegnetwerk met voorrang voor het goederenverkeer aanleggen.

3.3

Het oude adagium „in medio stat virtus” indachtig verwerpt de Commissie de eerste en de derde optie. Volgens haar is de eerste te weinig ambitieus en de derde te weinig realistisch.

3.4   De voorgestelde maatregelen

3.4.1

De Commissie wil transnationale corridors ontwikkelen om een Europees spoorwegnetwerk met voorrang voor het goederenverkeer tot stand te brengen. Deze corridors bestaan uit een combinatie van een correct gedimensioneerde infrastructuur en maatregelen voor het beheer en de exploitatie van die corridors. Hiervoor zijn wel speciale maatregelen nodig, zowel door de infrastructuurbeheerders als door de lidstaten.

3.4.2

Zij is in dit verband voornemens om bepaalde wetgevende initiatieven op te nemen in haar voorstel tot herziening van het eerste spoorwegpakket, dat voor 2008 is gepland. Ook zal zij nagaan welke financieringsbronnen in het kader van de bestaande programma's beschikbaar zijn voor deze investeringen.

3.4.3

Zij zal een juridische definitie voorstellen van een structuur voor een goederencorridor, de lidstaten en de infrastructuurbeheerders aanmoedigen om transnationale corridors voor goederenverkeer uit te bouwen, en nagaan welke financieringsbronnen in het kader van de bestaande programma's beschikbaar zijn voor de activiteiten van de corridorstructuren.

3.4.4

Veelgehoorde klachten aan het adres van het goederenvervoer zijn de gebrekkige dienstverlening en de tekortschietende informatievoorziening aan klanten. De Commissie wil daarom de kwaliteit en de transparantie verbeteren en stelt regelgeving voor met betrekking tot de publicatie van kwaliteitsindicatoren. Ook zal zij een verslag publiceren over de maatregelen die de spoorwegexploitanten hebben genomen om de kwaliteit van de dienstverlening in het goederenvervoer per spoor te verbeteren.

3.4.5

Bepaalde baanvakken zijn op dit ogenblik verzadigd, vooral in centrale gebieden van de Unie, langs belangrijke assen voor goederenvervoer. Dit probleem zou bovendien de komende jaren nog ernstiger vormen kunnen gaan aannemen. Dit betekent dat geïnvesteerd moet worden in de infrastructuurcapaciteit, met name wat de lengte, het profiel, de belasting per as en de maximumsnelheid van de treinen betreft. Hieruit blijkt duidelijk dat gecoördineerde en gerichte investeringen noodzakelijk zijn. De Commissie zal de corridorstructuren vragen om een investeringsprogramma op te stellen, waarbij dus geldt dat de financieringsbronnen in het kader van de bestaande programma's beschikbaar moeten zijn.

3.4.6

De vlotheid en de efficiëntie van het goederenvervoer per spoor hangen samen met de toewijzing van rijpaden. Momenteel gebeurt dit door elke infrastructuurbeheerder afzonderlijk, volgens de regels van zijn lidstaat. Harmonisatie van deze regels zou dus een uitgelezen manier zijn om te zorgen voor betrouwbare en goed functionerende rijpaden.

3.4.7

De Commissie zal daarom aanvullende wetgevende bepalingen voorstellen met betrekking tot de internationale toewijzing van rijpaden en de voorrang die moet worden verleend aan het internationale goederenverkeer, met name in geval van storingen op het netwerk.

3.4.8

Maar voor goederentreinen zijn ook terminals en rangeerstations nodig. Door de hoge grondprijzen was de tendens in de afgelopen jaren echter om het aantal terminals en rangeerstations in stedelijke gebieden juist te verminderen.

3.5   Algemene opmerkingen

3.5.1

Het EESC heeft geen speciale opmerkingen over het beeld dat de Commissie van het goederenvervoer per spoor schetst, mede omdat het bevestigd ziet wat het al wist over de zwakke punten van de sector. Om verbetering in de situatie te brengen moeten alle publieke en particuliere partijen politieke wil en commerciële daadkracht tonen alsmede de nodige investeringen doen.

3.5.2

Daar precies wringt hem de schoen. De Commissie stelt wel een aantal wetgevende maatregelen voor, maar zwijgt in alle talen over de hiervoor uit te trekken nieuwe financiële middelen. Nieuwe regelgeving is zeker nuttig, maar niet voldoende. Het geld voor de uitvoering van het plan moet nu uit de bestaande programma's komen. Dat leidt tot lastige besluiten en is, door de communicerende vaten die ontstaan, moeilijk in goede banen te leiden.

3.5.3

Voor het welslagen van het plan is een grote inzet van de lidstaten en de infrastructuurbeheerders een absolute voorwaarde. Maar de lidstaten beschikken vaak niet over de benodigde middelen en hebben wat het spoor betreft mogelijk andere prioriteiten, en ook voor infrastructuurbeheerders is de financiële situatie niet altijd florissant, al hebben ze wel geprofiteerd van de scheiding van de infrastructuur, waarvan het onderhoud duur is, en de exploitatie.

3.6   Specifieke opmerkingen

3.6.1

Voor de ontwikkeling van het goederenvervoer is de totstandbrenging van speciale transnationale corridors uiteraard een conditio sine qua non, maar zoals bekend heeft het reizigersvervoer tot dusverre altijd voorrang gekregen. Er moet dus een soort culturele omslag komen, waarbij de lidstaten het over bindende doelstellingen eens moeten worden en specifieke middelen moeten worden vrijgemaakt. In de ogen van het publiek mag er echter niet gemorreld worden aan het aloude principe dat reizigerstreinen voorrang dienen te krijgen. Het gaat dus eerder om een optimaal beheer van de netten en de totstandbrenging van goederennetten, zonder dat de kwaliteit en de stiptheid van het reizigersvervoer daarvan te lijden heeft. Bij de aanleg van grensoverschrijdende corridors moet rekening worden gehouden met de spoorbreedte en het rollend materieel van de spoorwegmaatschappijen uit de nieuwe en oude EU-lidstaten, en met de goederenverkeerstromen uit de kandidaat-lidstaten, uit derde landen en uit de Russische enclave Kaliningrad

3.6.2

Informatie en transparantie zijn zonder twijfel belangrijk, maar de klant kijkt vooral naar de prijzen, de betrouwbaarheid, de snelheid, en de toegankelijkheid van de terminals en de laad- en losperrons. Het draait dus bovenal om de kwaliteit van de dienstverlening, en die is weer afhankelijk van enerzijds de organisatie van het vervoer per spoor en anderzijds grootscheepse invetseringen.

3.6.3

Wat het concurrentievermogen van het goederenvervoer per spoor betreft, is men het erover eens dat dit type vervoer alleen gebruikt wordt voor bepaalde producten, met name grote hoeveelheden zware goederen. Vooral met het gebruik van containers zou het klantenaanbod moeten worden uitgebreid. Tegen de achtergrond van de stijgende brandstofprijzen en het toenemende streven naar duurzame ontwikkeling kan de sector op die manier zijn marktaandeel uitbreiden en beter concurreren.

3.6.4

Wat de financiering van een en ander betreft, laat de mededeling van de Commissie te wensen over. Zij stelt geen enkele specifieke financiering voor en schuift een oplossing naar voren waarbij moet worden besloten uit welke bestaande programma's de middelen dienen te komen.

Brussel, 10 juli 2008

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

D. DIMITRIADIS


3.2.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 27/45


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Mededeling van de Commissie inzake een Europees havenbeleid

COM(2007) 616 final

(2009/C 27/11)

De Europese Commissie heeft op 18 oktober 2007 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 262 van het EG-Verdrag te raadplegen over de

Mededeling van de Commissie inzake een Europees havenbeleid.

De afdeling Vervoer, energie, infrastructuur, informatiemaatschappij, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 8 mei 2008 goedgekeurd. Rapporteur was de heer Simons.

Het Comité heeft tijdens zijn op 9 en 10 juli 2008 gehouden 446e zitting (vergadering van 9 juli) onderstaand advies uitgebracht, dat met 122 stemmen voor, bij 5 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies

1.1

Het EESC is ingenomen met de Commissiemededeling, waarin hoofdzakelijk maatregelen worden voorgesteld die als „soft law” kunnen worden bestempeld. Ook vindt het EESC het een goede zaak dat de Mededeling in het algemeen gericht is op de totstandbrenging van een stabiel investeringsklimaat, de duurzame ontwikkeling van havens, een goed sociaal klimaat in havens en consequente toepassing van de Verdragsbepalingen.

1.2

Waar het gaat om het aantal havens en de reikwijdte van de havenfuncties en -diensten wordt de Europese havenwereld steeds diverser. Met het havenbeleid van de EU moet dit door de markt gestuurde proces worden ondersteund en moet ervoor gezorgd worden dat alle Europese havens hun kansen optimaal en op duurzame wijze kunnen benutten.

1.3

Het EESC is ingenomen met het initiatief van de Commissie om een op het spoorvervoer gericht netwerk te ontwikkelen en dringt het er bij de lidstaten op aan prioriteit te verlenen aan de uitvoering van grote grensoverschrijdende infrastructuurprojecten die spoorwegen met havens verbinden. Dit mag echter niet ten koste gaan van het personenvervoer per spoor.

1.4

Het EESC kan zich vinden in het plan van de Commissie om richtsnoeren op te stellen waarmee een eind wordt gemaakt aan de onduidelijkheden die veroorzaakt worden doordat EU-milieuwetgeving wordt toegepast op de ontwikkeling van havens, en beveelt aan om deze richtsnoeren nog in 2008 te publiceren.

1.5

De Commissie zou meer werk moeten maken van administratieve vereenvoudiging in havens. Het EESC is in dit verband verheugd dat de Commissie in 2008 een Europese maritieme vervoersruimte zonder grenzen wil presenteren. De Commissie en met name de lidstaten zouden door moeten gaan met het moderniseren van het douanewezen en dit hoger op de politieke agenda moeten zetten.

1.6

Net als de Commissie vindt het EESC dat er voor meer gelijke kansen tussen havens kan worden gezorgd door richtsnoeren voor staatssteun op te stellen en de boekhouding transparanter te maken. Ook zijn de in de Mededeling vervatte richtsnoeren inzake het gebruik van concessies, technisch-nautische diensten en „pools” van arbeidskrachten over het algemeen nuttig en duidelijk. Voorts zou de Commissie verdere stappen moeten nemen om eerlijke mededinging tussen EU-havens en niet-EU-havens in de buurlanden te waarborgen.

1.7

Het EESC staat achter het voornemen van de Commissie om de samenwerking tussen steden en hun havens te stimuleren en te intensiveren. In het bijzonder zou het EESC graag zien dat de Commissie de sociaaleconomische impact van havens grondig laat onderzoeken.

1.8

Het EESC is ingenomen met het besluit van de Commissie om de Europese sociale partners aan te moedigen een Europees comité voor de sectorale sociale dialoog in havens op te richten.

2.   Inleiding

2.1

In de afgelopen tien jaar heeft het EESC zich actief gemengd in het debat over een gemeenschappelijk havenbeleid van de EU. De meerwaarde van zo'n gemeenschappelijk beleid is aanzienlijk, omdat zeehavens cruciaal zijn voor de sociaaleconomische ontwikkeling, de welvaart en de samenhang in de Unie.

2.2

Het EESC heeft advies uitgebracht over het Groenboek havens en maritieme infrastructuur (COM(1997) 678 final) (1) en over de twee wetgevingsvoorstellen van de Commissie inzake de toegang tot de markt voor havendiensten in Europese zeehavens (2). Voorts heeft het op 26 april 2007 een initiatiefadvies over een gemeenschappelijk EU-havenbeleid (3) goedgekeurd. In verband met het gespannen klimaat waarbinnen de discussie over de havendienstenrichtlijn plaatsvond, was laatstgenoemd advies gericht op die aspecten van een Europees zeehavenbeleid waarover de betrokkenen in de havensector het eens konden worden.

3.   De Commissiemededeling inzake een Europees havenbeleid

3.1

De Commissie heeft op 18 oktober 2007 een Mededeling inzake een Europees havenbeleid gepubliceerd. Hieraan is een jaar lang overleg met de belanghebbenden voorafgegaan, waarbij twee conferenties en zes themaworkshops zijn gehouden. De Mededeling valt onder de algemene strategie voor maritiem beleid van de Commissie en maakt deel uit van haar nieuwe beleidsagenda voor het vrachtvervoer.

3.2

Doel van het nieuwe Europese havenbeleid is het promoten van een goed presterend EU-havensysteem dat de toekomstige uitdagingen op het gebied van de vervoersbehoeften van de EU het hoofd kan bieden. Volgens de Commissie liggen deze uitdagingen op de volgende terreinen: de vraag naar internationaal vervoer; technologische wijzigingen; emissies en klimaatverandering; overleg tussen havens, steden en belanghebbenden; rekening houden met transparantie, mededinging en de EU-voorschriften in het algemeen.

3.3

De feitelijke beleidsvoorstellen uit de Mededeling bestaan grofweg uit een mix van interpretaties van Verdragsbepalingen en een actieplan met verdere maatregelen, die meestal in de vorm van „soft law” zijn gegoten.

3.4

Het gaat hierbij om:

prestaties van havens en verbindingen met het achterland

uitbreiding van de capaciteit zonder het milieu te schaden

modernisering

gelijke kansen — duidelijkheid voor investeerders, exploitanten en gebruikers

gestructureerde dialoog tussen havens en steden

werkzaamheden in havens.

4.   Algemene opmerkingen

4.1

Het EESC is ingenomen met de Commissiemededeling, omdat hierin wordt erkend dat zeehavens van strategisch belang zijn voor de externe en interne handel van Europa en dat zij een bijdrage leveren tot de economische ontwikkeling en de werkgelegenheid.

4.2

Het is er vooral over te spreken dat de Commissie geen interventionistische maatregelen voorstelt, maar binnen het raamwerk van de Verdragsbepalingen van de EU focust op de totstandbrenging van een stabiel investeringsklimaat, de duurzame ontwikkeling van havens en een goed sociaal klimaat in havens.

4.3

Verder is het EESC verheugd dat de Commissie „soft law” gebruikt als alternatief voor enerzijds wetgeving en anderzijds een benadering waarbij ieder geval apart wordt behandeld.

4.4

Dat neemt niet weg dat het EESC bij de verschillende hoofdstukken van de Commissiemededeling wel een aantal specifieke opmerkingen wil maken.

5.   Specifieke opmerkingen

5.1   De economische context en uitdagingen voor het Europees havensysteem

5.1.1

Het EESC neemt nota van de vaststelling van de Commissie dat het containervrachtvervoer thans geconcentreerd is in een handvol havens in het noordwesten van Europa. Er zou echter erkend moeten worden dat er op de Europese containermarkt zo langzamerhand steeds meer havens actief zijn. Het is dus niet zo dat het vervoer maar door een paar havens gaat. De sterkst groeiende containerhavens in 2006 waren vooral kleine en middelgrote havens in verschillende havengebieden in Europa. Er is derhalve sprake van toenemende concurrentie tussen havengebieden die op aanzienlijke afstand van elkaar liggen (4). Een EU-havenbeleid waarmee alle Europese havens hun kansen optimaal en op duurzame wijze kunnen benutten, kan dit proces ondersteunen.

5.1.2

Naast de uitdagingen die de Commissie opsomt, wil het EESC ook wijzen op die welke verband houden met het voor de Europese haven- en zeevervoersector kenmerkende verschijnsel van mondialisering en consolidering. Dit doet zich vooral voor op de containermarkt, maar is ook zichtbaar op andere markten, zoals die voor ro-ro-, algemeen en bulkvervoer. Europese zeehavens werken met internationale scheepvaartconcerns en er zijn grote concerns van terminalexploitanten ontstaan die nu in verscheidene Europese havens diensten leveren. De uitdaging voor havenautoriteiten schuilt erin om ervoor te zorgen dat deze mondiale exploitanten commitment tonen en de ontwikkelingsdoelstellingen van de havens in het kader van het Europese beleid voor ogen houden.

5.2   Prestaties van de havens en verbindingen met het achterland

5.2.1

Om te kunnen voldoen aan de stijgende vraag naar haven- en daarmee samenhangende capaciteit, vind het EESC net als de Commissie dat allereerst moet worden overwogen om het gebruik van de bestaande havenfaciliteiten en toegangsroutes te optimaliseren. Voorts onderschrijft het EESC dat er een volledige maatschappelijke kosten-batenanalyse moet worden gemaakt voordat gepland wordt om nieuwe infrastructuur te ontwikkelen. Economische, sociale en milieuoverwegingen, die de pijlers vormen van de Lissabonagenda van de EU, moeten hierbij in aanmerking worden genomen.

5.2.2

Zoals hierboven is opgemerkt, is er door marktwerking al een trend gaande naar een meer diverse Europese havensector. Er zou steun moeten komen voor het bottom-upbeginsel waarbij projectvoorstellen worden uitgewerkt door het beheersorgaan van een haven, eventueel in samenwerking met regionale of nationale autoriteiten. Dit neemt vanzelfsprekend niet weg dat de EU zal doorgaan met het formuleren van doelstellingen en het verstrekken van richtsnoeren.

5.2.3

Wel kan de Commissie de tussentijdse beoordeling van het trans-Europees vervoersnetwerk in 2010 te baat nemen om de knelpunten in de achterlandverbindingen van havens te helpen oplossen. Dit zou echter moeten gebeuren op basis van objectieve criteria.

5.2.4

Verder verzoekt het EESC de Commissie nogmaals om via haar algemene instrumenten voor het vervoersbeleid krachtiger te ijveren voor het wegwerken van de resterende knelpunten in de achterlandverbindingen, in het bijzonder wat de binnenvaart en het vrachtvervoer per spoor betreft. Knelpunten in met name het spoorvervoer verhinderen nog steeds dat havens optimaal kunnen presteren en geïntegreerd kunnen worden in de logistiekketens. In dit verband is het EESC ingenomen met het plan van de Commissie om een op het spoorvervoer gericht netwerk te ontwikkelen en dringt het er bij de lidstaten op aan om prioriteit te geven aan de uitvoering van grote grensoverschrijdende infrastructuurprojecten die spoorwegen met havens verbinden. Dit mag echter niet ten koste gaan van het personenvervoer per spoor.

5.3   De capaciteit uitbreiden zonder het milieu te schaden

5.3.1

Het EESC is zeer te spreken over het initiatief van de Commissie om richtsnoeren op te stellen voor de toepassing van EU-milieuwetgeving op de ontwikkeling van havens. Dit is een belangrijke stap om een eind te helpen maken aan onduidelijkheden die veroorzaakt worden door EU-wetgeving zoals de vogel- en habitatrichtlijnen en de kaderrichtlijn water. Daar de tijd dringt, beveelt het EESC aan om deze richtsnoeren nog in 2008 te publiceren.

5.3.2

Voorts verzoekt het EESC de Commissie na te gaan of er nog andere maatregelen mogelijk zijn om het rechtskader voor havenontwikkelingsprojecten te verbeteren en bestaande wetgeving te vereenvoudigen, zoals het in zijn initiatiefadvies meer in detail heeft toegelicht (5).

5.3.3

Het EESC stelt duidelijk dat verontreinigd sediment adequaat moet worden verwerkt en bepleit voorts om in hangende wetgevingsvoorstellen die van invloed zijn op het beheer van watermassa's en sediment, zoals de afvalstoffenrichtlijn en de „dochterrichtlijn” van de kaderrichtlijn water (6), te bepalen dat niet-verontreinigd sediment niet als afval mag worden beschouwd en niet behandeld hoeft te worden als verontreinigd sediment, omdat er bij het uitbaggeren van niet-verontreinigd sediment geen (extra) verontreinigende stoffen in een watermassa terechtkomen.

5.3.4

Tot slot stemt het EESC in met de voorstellen van de Commissie inzake havenontvangstvoorzieningen voor scheepsafval en verbetering van de luchtkwaliteit. Het gebruik van economische stimuleringsmaatregelen via havengelden kan volgens het EESC het best aan iedere individuele havenbeheerder worden overgelaten, omdat dergelijke maatregelen van invloed zouden zijn op de financiële structuur van havens, die in Europa grote verschillen vertoont.

5.4   Modernisering

5.4.1

Het EESC is verheugd over het plan om in 2008 een wetgevingsvoorstel in te dienen over de totstandbrenging van een Europese maritieme vervoersruimte zonder grenzen, en verwijst naar zijn specifieke opmerkingen ter zake uit diverse eerdere adviezen (7).

5.4.2

Voorts herhaalt het EESC zijn aanbeveling dat de EU door moet gaan met het moderniseren van het douanewezen en ervoor moet zorgen dat haar beleid op het vlak van douane, maritieme veiligheid, beveiliging, volksgezondheid en milieukwaliteit goed gecoördineerd en geharmoniseerd is en dat daarbij niet onterecht overheidstaken worden overgeheveld naar havens.

5.4.3

Het EESC staat achter het voorstel om één loket op te richten voor het indienen van gegevens en achter de ontwikkeling van het „e-maritime”-programma, het „e-freight”-initiatief en het „e-customs”-initiatief. Tegelijkertijd vindt het dat op ITC gebaseerde oplossingen kosteneffectief moeten zijn, ook voor kleinere en middelgrote havens.

5.4.4

Wat het verbeteren van de efficiency betreft, steunt het EESC het voorstel van de Commissie om tegen het eind van 2009 een reeks generieke Europese indicatoren op te stellen, mits deze rekening houden met commercieel gevoelige gegevens. Zulke indicatoren, gebaseerd op de indicatoren die reeds bestaan voor het lucht-, kortevaart- en gecombineerde railvervoer, moeten ook worden ontwikkeld voor aspecten die van belang zijn voor havens, zoals de werking van haveninstallaties, samenwerking tussen havens en bundeling van activiteiten in het achterland.

5.5   Gelijke kansen — Duidelijkheid voor investeerders, exploitanten en gebruikers

5.5.1

Het EESC kan zich vinden in de visie van de Commissie op de rol van havenautoriteiten en de diversiteit van havenbeheerssystemen in Europa. Met name onderschrijft het dat havenautoriteiten hun belangrijke taken beter kunnen vervullen als zij over voldoende autonomie en in het bijzonder over volledige financiële autonomie beschikken.

5.5.2

Ook is het EESC ingenomen met het voornemen van de Commissie om in 2008 richtsnoeren voor overheidssteun aan havens vast te stellen. In dit verband verwijst het naar de in zijn initiatiefadvies van 26 april 2007 uiteengezette basisbeginselen voor het gebruik van overheidsfinanciering in havens.

5.5.3

Het EESC is ook blij dat de Commissie zijn aanbeveling heeft overgenomen om de transparantiebepalingen van Richtlijn 2006/111/EG uit te breiden tot alle commerciële havens, ongeacht hun jaaromzet.

5.5.4

In zijn initiatiefadvies had het EESC gepleit voor begeleiding inzake het gebruik van selectieprocedures, zoals aanbestedingen of andere aanvaardbare instrumenten, voorwaarden voor concessies en pachtovereenkomsten, alsook inzake de wettelijke status van havendiensten die als openbare dienst beschouwd kunnen worden, zoals diensten die in het belang van de algemene veiligheid in havens zijn.

5.5.5

De Commissie heeft dit verzoek ingewilligd door in haar Mededeling over havenbeleid richtsnoeren op te nemen voor het gebruik van concessies en technisch-nautische diensten. Het EESC vindt dat de Commissie de Verdragsregels en de jurisprudentie over het algemeen dienstig en helder interpreteert. Het EESC wijst er evenwel op dat technisch-nautische diensten met elkaar gemeen hebben dat zij verband houden met de veiligheid van de scheepvaart. Daarom zou het terecht zijn als zij bestempeld werden als diensten van algemeen economisch belang.

5.5.6

Een oordeelkundig concessiebeleid moet garanderen dat er binnen de havens concurrentie bestaat en dat terminalexploitanten zo goed mogelijk presteren en een optimale inzet tonen. Het EESC zou de Commissie willen verzoeken haar richtsnoeren over concessies regelmatig tegen het licht te houden om ervoor te zorgen dat zij daadwerkelijk met de bovengenoemde doelstellingen stroken en genoeg gemeenschappelijke elementen bevatten om gelijke kansen tussen havenautoriteiten te waarborgen. Dit laatste is met name van belang tegen de achtergrond van het huidige consolideringsproces op de vrachtafhandelingsmarkt, zoals hierboven is uiteengezet.

5.5.7

Het voorstel van de Commissie om beste praktijken op het vlak van transparantie van havengelden te helpen verspreiden, kan op bijval van het EESC rekenen. Het vindt absoluut dat havengelden lokaal, op het niveau van de haven, vastgesteld moeten worden, zodat optimaal tegemoet kan worden gekomen aan de vereisten van de havengebruikers en het algemeen belang van de haven kan worden gediend.

5.5.8

Tot slot doet het het EESC deugd dat de Commissie gevolg heeft gegeven aan zijn aanbeveling om gevallen van oneerlijke concurrentie van niet-EU-havens aan te pakken. Tevens zou de Commissie zich in haar beleid op het vlak van de EU-uitbreiding en externe betrekkingen meer moeten inzetten voor het aanpakken van politiek geïnspireerde concurrentiedistorsies, zoals het Turkse embargo tegen schepen die onder Cypriotische vlag varen en schepen die uit Cypriotische havens komen, de Turks-Griekse problemen in de Egeïsche Zee en de problemen rond het oversteken van de grenzen tussen Rusland en de Baltische landen.

5.6   Totstandbrenging van een gestructureerde dialoog tussen havens en steden

5.6.1

Het EESC staat achter het voornemen van de Commissie om de samenwerking tussen steden en hun havens te stimuleren en te intensiveren. Voor een duurzame ontwikkeling van havens is het van cruciaal belang dat havens geïntegreerd worden in de steden en het stadsleven en dat de burgers zich sterk bewust zijn van, belangstelling hebben voor en zelfs trots zijn op het werk dat in havens wordt verricht. In dit verband ondersteunt het EESC in het bijzonder de wisselwerking met toerisme, recreatie, erfgoed en cultuur in het algemeen.

5.6.2

Ook wijst het EESC op het gebrek aan betrouwbare gegevens over directe en indirecte arbeidsplaatsen en de meerwaarde die Europese havens opleveren. Zo heeft het de indruk dat de feitelijke situatie in de Mededeling grotendeels wordt onderschat, gelet op de werkgelegenheidsgegevens die daarin worden gebruikt. Het EESC zou dan ook graag zien dat de Commissie de toestand grondig laat onderzoeken.

5.6.3

Tot slot schaart het EESC zich achter het plan van de Commissie om na te gaan in hoeverre beveiligingsmaatregelen de toegankelijkheid van havens beïnvloeden en hoe tegelijkertijd voor veiligheid en toegankelijkheid kan worden gezorgd.

5.7   Werkzaamheden in havens

5.7.1

Goede en veilige arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden en constructieve arbeidsverhoudingen in de havens moeten worden bevorderd, zo merkte het EESC al eerder op. Het stelt tevreden vast dat de Commissie in haar Mededeling over het havenbeleid de nodige aandacht aan dit onderwerp besteedt.

5.7.2

Het EESC herhaalt dat het efficiënt functioneren van havens afhangt van de betrouwbaarheid en de veiligheid, die ondanks de technologische vooruitgang grotendeels worden bepaald door de menselijke factor. Daarom moeten havens beschikken over goed opgeleide en vakbekwame werknemers, zowel aan land als aan boord. Ook heeft het EESC er al op gewezen dat de sociale partners bij het tot stand brengen en handhaven van deze omstandigheden een belangrijke rol dienen te spelen. Op Europees niveau dient de Commissie hun inbreng te ondersteunen door de sociale dialoog te faciliteren.

5.7.3

Het EESC vindt het daarom een goede zaak dat de Commissie besloten heeft om de Europese sociale partners aan te moedigen een Europees comité voor de sociale dialoog in havens op te richten, in de zin van Besluit 98/500/EG van de Commissie.

5.7.4

Het EESC steunt het voornemen van de Commissie om een wederzijds erkend kader voor de opleiding van havenarbeiders te creëren, maar stelt voor om eerst de verschillende systemen die er voor beroepskwalificaties van havenarbeiders bestaan, met elkaar te vergelijken. Dit zou heel goed kunnen gebeuren in de context van de Europese sociale dialoog.

5.7.5

Tot slot is het EESC het eens met de Commissie dat van nabij moet worden gevolgd of de EU- en IAO-voorschriften inzake veiligheid en gezondheid van werknemers in havens in acht worden genomen en dat de statistieken over ongevallen moeten worden verbeterd. Het EESC dringt er echter ook op aan dat er op alle niveaus binnen de gepaste gremia initiatieven worden ontplooid om de situatie op het gebied van veiligheid en gezondheid verder te verbeteren.

Brussel, 9 juli 2008

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

D. DIMITRIADIS


(1)  PB C 407 van 28.12.1998.

(2)  EESC-adviezen over het Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake toegang tot de markt voor havendiensten (COM(2001) 35 final), PB C 48 van 21.2.2002, blz. 122, en over het Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake toegang tot de markt voor havendiensten (COM(2004) 654 final), PB C 294 van 25.11.2005, blz. 25.

(3)  PB C 168 van 20.7.2007, blz. 57.

(4)  Wat de lange termijn betreft is het gemiddelde Europese aandeel in de havens in het gebied tussen Hamburg en Le Havre gedaald van 61 % in 1975 tot 48 % in 2003, terwijl het marktaandeel in het Middellandse Zeegebied verdubbeld is, nl. van 18 % in 1975 tot 36 % in 2003. Voorts is de havenconcentratie voor containervervoer in Europa (gemeten aan de hand van de Ginicoëfficient) sinds 1990 alsmaar afgenomen, wat erop duidt dat het aantal punten van toegang tot de Europese markt is gestegen. De sterkst groeiende containerhavens in 2006 (relatief gezien) waren vooral middelgrote en kleinere havens in verschillende Europese regio's (Amsterdam, Sines, Rauma, Constantza, Kotka, Tallinn, Bremerhaven, Zeebrugge en Gdynia) — Bron: Institute of Transport and Maritime Management Antwerp (ITMMA)/Universiteit van Antwerpen. Dit staat in scherp contrast tot de situatie in bijv. de VS, waar de havenconcentratie in dezelfde periode sterk is toegenomen. Bron: Th. Notteboom, Market report on the European seaport industry (2007), waarin gegevens van Eurostat en afzonderlijke havens worden gebruikt.

(5)  Zie paragraaf 4 van het advies over Een gemeenschappelijk EU-havenbeleid, PB C 168 van 20.7.2007, blz. 57.

(6)  Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende afvalstoffen (COM(2005) 667 final — 2005/0281 (COD)) en Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake milieukwaliteitsnormen op het gebied van het waterbeleid en tot wijziging van Richtlijn 2000/60/EG (COM(2006) 398 final).

(7)  PB C 168 van 20.7.2007, blz. 50, advies over de Commissiemededeling Naar een toekomstig maritiem beleid voor de Unie: Een Europese visie op de oceanen en zeeën (COM(2006) 275 final).

PB C 168 van 20.7.2007, blz. 57, advies over Een gemeenschappelijk EU-havenbeleid (initiatiefadvies).

PB C 151 van 17.6.2008, blz. 20, advies over Logistieke snelwegen op zee (verkennend advies).

PB C 168 van 20.7.2007, blz. 68, advies over de Commissiemededeling Tussentijdse evaluatie van het programma voor de bevordering van de korte vaart (COM(2003) 155 final) (COM(2006) 380 final).


3.2.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 27/49


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Wegvervoer — werktijden van zelfstandige bestuurders

(2009/C 27/12)

Het bureau van het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 20 november 2007 besloten om overeenkomstig art. 29 A van de uitvoeringsbepalingen voor zijn reglement van orde een vervolgadvies op te stellen over

Wegvervoer — werktijden van zelfstandige bestuurders.

De gespecialiseerde afdeling Vervoer, energie, infrastructuur, informatiemaatschappij, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 5 juni 2008 goedgekeurd. Rapporteur was de heer Chagas  (1), die werd vervangen door de heer Curtis.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 9 en 10 juli 2008 gehouden 446e zitting (vergadering van 9 juli 2008) onderstaand advies uitgebracht, dat met 121 stemmen vóór en 14 stemmen tegen, bij 6 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies

1.1

Zelfstandige bestuurders moeten met ingang van 23 maart 2009 onder het toepassingsgebied van Richtlijn 2002/15/EG gaan vallen, zoals in artikel 2 van die richtlijn is bepaald.

1.2

Een en ander betekent dat Richtlijn 2002/15/EG door de lidstaten naar behoren zal moeten worden omgezet, vooral als het gaat om de definitie van het begrip „zelfstandige bestuurder”.

1.3

Zelfstandige bestuurders moeten ook onder het toepassingsgebied van Richtlijn 2002/15/EG gaan vallen, omdat op die manier de verkeersveiligheid wordt vergroot, de concurrentievoorwaarden verder worden gelijkgetrokken en de arbeidsvoorwaarden voor mobiele en zelfstandige werknemers — en dan vooral m.b.t. hun lichamelijke en geestelijke gezondheid — worden verbeterd. Dit tegen de achtergrond van het feit dat de algemene administratieve taken zoals die in artikel 3 a-2) van de richtlijn zijn gedefinieerd, niet onder de definitie van het begrip „arbeidstijd” vallen.

1.4

Voorwaarde voor een Europese interne markt voor wegvervoer is dat de concurrentieverhoudingen eerlijk zijn, en dus dat de voor deze sector geldende sociale wetsvoorschriften effectief en efficiënt worden toegepast. Een onderscheid tussen mobiele werknemers en zelfstandige werknemers bij de toepassing van de wetgeving inzake de werktijden zou leiden tot oneerlijke mededinging. Daarom kan de mogelijkheid om alleen „schijn”-zelfstandigen onder het toepassingsgebied van de richtlijn te laten vallen, niet worden aanvaard.

1.5

Het is raadzaam dat de verschillende actoren in de vervoerketen medeverantwoordelijk worden gesteld, zoals ook voor de Verordening inzake rij- en rusttijden is gedaan, om moeilijkheden bij de toepassing van het besluit om zelfstandige werknemers onder het toepassingsgebied van de richtlijn te laten vallen, te voorkomen.

1.6

Conditio sine qua non voor de feitelijke toepassing van de richtlijn is dat de samenwerking tussen de diverse nationale administraties in EU-verband wordt gepromoot.

1.7

De toepassing van het besluit om zelfstandige werknemers onder het toepassingsgebied van de richtlijn te laten vallen, mag voor hen niet tot onnodige extra administratieve rompslomp leiden.

2.   Inleiding

2.1

Het Comité heeft al veel werk gemaakt van het Europees beleid voor verkeersveiligheid en heeft op dit gebied zeker zijn sporen verdiend. In zijn recente initiatiefadvies „Europees beleid voor verkeersveiligheid en beroepschauffeurs — Veilige en bewaakte stopplaatsen” (TEN/290 (2)) heeft het zich gebogen over het belangrijke thema „stopplaatsen voor beroepschauffeurs”, als onderdeel van het beleid voor wegeninfrastructuur. Een ander aspect, niet minder belangrijk, dat het genoemde advies aanvult, zijn de werktijden van zelfstandige chauffeurs in het wegvervoer. Op Europees niveau hebben de verschillende economische, sociale en veiligheidsaspecten nog niet de aandacht gekregen die ze verdienen. Onderhavig vervolgadvies wordt verder ingegeven door het verslag van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over de gevolgen van de uitsluiting van zelfstandige bestuurders van het toepassingsgebied van Richtlijn 2002/15/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 inzake de organisatie van de arbeidstijd van personen die een mobiele werkzaamheid in het wegvervoer uitoefenen (COM(2007) 266 final).

2.2

Bij Richtlijn 2002/15/EG zijn minimumnormen ingevoerd met betrekking tot de organisatie van de arbeidstijd teneinde de veiligheid en gezondheid van personen die mobiele werkzaamheden in het wegvervoer uitoefenen beter te beschermen, de verkeersveiligheid te vergroten en de concurrentievoorwaarden verder gelijk te trekken. De richtlijn is van kracht geworden op 23 maart 2002. De lidstaten beschikten over een termijn van drie jaar, tot 23 maart 2005, om de bepalingen inzake mobiele werknemers ten uitvoer te leggen. In artikel 2, lid 1, van de richtlijn is bepaald dat de richtlijn vanaf 23 maart 2009 van toepassing wordt op zelfstandige bestuurders, nadat de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement een verslag heeft voorgelegd alsmede een wetgevingsvoorstel op grond van dit verslag.

2.3

In het kader van het uiteindelijke bemiddelingsakkoord dat de Raad en het Europees Parlement over deze richtlijn hebben bereikt, is bepaald dat de Commissie uiterlijk twee jaar vóór deze datum, dus ten laatste op 23 maart 2007, een verslag ten behoeve van het Europees Parlement en de Raad diende op te stellen waarin wordt geanalyseerd welke gevolgen de uitsluiting van zelfstandige bestuurders van het toepassingsgebied van de richtlijn voor de verkeersveiligheid, de concurrentievoorwaarden, de beroepsstructuur alsmede op sociaal gebied heeft. In dat verslag moet rekening worden gehouden met de situatie in de verschillende lidstaten met betrekking tot de structuur van de vervoerssector en de werkomstandigheden in het wegvervoer.

2.4

Op grond van dit verslag diende de Commissie een voorstel te ontwikkelen teneinde a) de voorwaarden vast te stellen om zelfstandige bestuurders die uitsluitend binnenlands vervoer verrichten en zich aan specifieke voorwaarden moeten houden, in het toepassingsgebied van de richtlijn op te nemen, dan wel b) zelfstandige bestuurders niet in het toepassingsgebied van de richtlijn op te nemen.

2.5

Krachtens artikel 7, lid 2, van de richtlijn diende de Commissie tevens de gevolgen van de bepalingen van de richtlijn inzake nachtarbeid te onderzoeken en hierover vóór 23 maart 2007, in het kader van het tweejaarlijkse verslag betreffende de tenuitvoerlegging van de richtlijn, verslag uit te brengen.

3.   Het verslag van de Commissie

3.1

In het verslag wordt, aldus de Commissie, een overzicht gegeven van de huidige ontwikkelingen met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de richtlijn in de lidstaten; verder wordt een analyse gemaakt van de potentiële gevolgen van de uitsluiting van zelfstandige bestuurders van het toepassingsgebied van de richtlijn en worden de gevolgen van de bepalingen inzake nachtarbeid geëvalueerd.

3.2

De Commissie stelt ten eerste vast dat het merendeel van de lidstaten er niet in is geslaagd de richtlijn binnen de gestelde termijn van drie jaar om te zetten. Dit betekent dat de Commissie nog geen eerste verslag, dat in maart 2007 had moeten verschijnen en in beginsel om de twee jaar wordt opgesteld, kan voorleggen.

3.3

Met betrekking tot de gevolgen van de uitsluiting van zelfstandige bestuurders van het toepassingsgebied van de richtlijn legt de Commissie nogmaals uit waarom zij aanvankelijk had voorgesteld om deze categorie wel in de richtlijn op te nemen: ten eerste wordt in de verordening inzake rij- en rusttijden een dergelijk onderscheid tussen bestuurders niet gemaakt; ten tweede wilde zij voorkomen dat de sector versnipperd zou raken doordat bestuurders geneigd kunnen zijn om zich ten onrechte als zelfstandigen voor te doen en ten derde wilde zij dat de doelstellingen van de richtlijn (eerlijke concurrentie, meer verkeersveiligheid en betere arbeidsomstandigheden) voor de hele sector worden verwezenlijkt.

3.4

Zich baserend op de conclusies uit een rapport van externe consultants erkent de Commissie dat vermoeidheid en de gevolgen daarvan voor de verkeersveiligheid, een verschijnsel is waarmee elke bestuurder te maken kan krijgen, zowel zelfstandigen als mobiele werknemers. In het rapport van de consultants wordt bovendien bevestigd dat zelfstandige bestuurders in de sector van het wegvervoer langer werken dan mobiele werknemers en dat beide categorieën langer werken dan werknemers in andere sectoren.

3.5

Hoewel „een vermindering van de arbeidstijd ongetwijfeld [kan] helpen om de vermoeidheid te beperken” zou dit volgens hetzelfde externe rapport „ook tot meer stress kunnen leiden omdat zelfstandige bestuurders (om hun rendabiliteit niet in het gedrang te brengen) meer zullen trachten te doen in minder tijd, wat op zijn beurt tot meer vermoeidheid en ongevallen zou kunnen leiden”. De Commissie lijkt deze mening te delen.

3.6

Met betrekking tot de concurrentievoorwaarden volgt de Commissie de conclusies uit het rapport volgens welke uitsluiting van zelfstandigen de huidige versnipperingstrend bevordert zonder dat verwacht wordt dat dit significante effecten zal hebben op de mededinging in de sector. Het opnemen van zelfstandigen in het toepassingsgebied van de richtlijn zou daarentegen, aldus de consultants, voor zelfstandigen leiden tot een stijging van de kosten en een daling van de arbeidstijd, zodat het concurrentievoordeel voor zelfstandigen in het goederenvervoer aanmerkelijk zou verminderen. De Commissie lijkt de richtlijn daarom alleen te willen toepassen op „schijn”-zelfstandigen.

3.7

De Commissie wijst erop dat de uitsluiting van zelfstandige bestuurders vanuit een economisch perspectief weliswaar de voorkeur verdient, maar dat minder duidelijk is welke sociale gevolgen „uitsluiting” dan wel „opneming” zou kunnen hebben. Enerzijds lost uitsluiting van deze bestuurders de veiligheids- en gezondheidsproblemen niet op. Anderzijds kan opneming voor zelfstandige bestuurders tot meer stress en extra administratieve lasten leiden en tot een daling van hun inkomen.

3.8

Tot slot stelt de Commissie dat toepassing van de richtlijn op zelfstandige bestuurders de emotionele stress en financiële problemen bij deze groep zou kunnen vergroten en in de praktijk moeilijk te handhaven is en dus weinig effect zal hebben.

3.9

Met betrekking tot de gevolgen van de bepalingen van de richtlijn inzake nachtarbeid concludeert de Commissie dat aan het toezicht op de naleving ervan een grondig onderzoek moet worden gewijd.

4.   Algemene opmerkingen

4.1

Het Comité neemt kennis van het door de Commissie ingediende verslag betreffende de gevolgen van de uitsluiting van zelfstandige bestuurders voor de organisatie van de arbeidstijd van personen die mobiele werkzaamheden in het wegvervoer uitoefenen.

4.2

Meerdere sociale gesprekspartners vinden dat de uitsluiting van zelfstandige werknemers neerkomt op concurrentievervalsing in de sector wegvervoer. In zijn recente advies over de tussentijdse evaluatie van het Witboek vervoer (TEN 257, rapporteur: de heer Barbadillo Lopez (3)) formuleert het Comité dan ook de volgende eis:

„In de sociale regelgeving voor het vervoer over de weg moet de gelijke behandeling van werkenden — werknemers of zelfstandigen — gegarandeerd zijn. Richtlijn 2002/15/EG van 11 maart 2002 betreffende de organisatie van de arbeidstijd van personen die mobiele werkzaamheden in het wegvervoer uitoefenen, dient daarom onverwijld, dus zonder de voorziene overgangsperiode af te wachten, van kracht te worden voor zelfstandigen. Deze richtlijn is immers bedoeld om de verkeersveiligheid te vergroten, oneerlijke concurrentie te voorkomen en de arbeidsomstandigheden te verbeteren” (par. 4.3.1.2).

4.3

Het Comité heeft in dit verband aanzienlijke bedenkingen bij de in de studie geformuleerde conclusies ten aanzien van de verkeersveiligheid, de concurrentievoorwaarden en de sociale aspecten.

4.4

Om de verkeersveiligheid te bevorderen, voorwaarden voor eerlijke mededinging te creëren en de arbeidsvoorwaarden voor mobiele werknemers en zelfstandigen te verbeteren (met name t.a.v. van hun lichamelijk en geestelijk welzijn), moeten zelfstandige bestuurders volgens het Comité in het toepassingsgebied van richtlijn 2002/15/EG worden opgenomen.

4.5

Te lange arbeidstijden zijn een belangrijke bron van vermoeidheid, vergroten het risico dat bestuurders achter het stuur in slaap vallen en brengen dus de verkeersveiligheid in het gedrang. Van eerlijke mededinging is sprake als in de prijzen die de grote distributie- en vervoersbedrijven met hun onderaannemers afspreken, rekening wordt gehouden met de sociale wetgeving voor de sector, zoals die voor mobiele werknemers én voor zelfstandige bestuurders geldt.

4.6

Het is niet gezegd dat de uitsluiting van zelfstandigen van Richtlijn 2002/15/EG niet juist meer stress veroorzaakt. Zelfstandige bestuurders zullen door opdrachtgevers immers sterker onder druk worden gezet om hun prijzen te verlagen. Zij zullen langer moeten werken om hetzelfde inkomen te verdienen, wat ten koste gaat van de verkeersveiligheid, hun gezondheid en het toch al precaire evenwicht tussen hun werk en gezinsleven.

4.7

De opneming van zelfstandige bestuurders in het toepassingsgebied daarvan vooronderstelt dat Richtlijn 2002/15/EG door de lidstaten naar behoren wordt omgezet, vooral als het gaat om de definitie van het begrip „zelfstandige bestuurder”.

4.8

De Commissie moet er als hoedster van het Verdrag voor zorgen dat de definitie van „zelfstandige bestuurder” — zoals die in artikel 3e) van de Richtlijn 2002/15/EG is vastgelegd (4) — door de lidstaten naar behoren wordt omgezet. Die correcte omzetting is de eerste voorwaarde waaraan de lidstaten moeten voldoen, willen zij het probleem van de „schijn”-zelfstandigen kunnen aanpakken.

4.9

Opneming van zelfstandige bestuurders in het toepassingsgebied daarvan moet gepaard gaan met een wijziging van Richtlijn 2002/15/EG. Die wijziging betreft de gedeelde verantwoordelijkheid van de verschillende actoren in de vervoerketen. In de verordening voor rij- en rusttijden (5) is in artikel 10, lid 4, bepaald dat „Ondernemingen, expediteurs, bevrachters, touroperators, hoofd- en onderaannemers en uitleenbedrijven voor bestuurders ervoor [zorgen] dat contractueel overeengekomen tijdschema's voor het vervoer aan deze verordening voldoen”. Het begrip „gedeelde verantwoordelijkheid” moet worden uitgebreid tot de naleving van de wetgeving inzake arbeidstijden, om een gelijke behandeling van mobiele werknemers en zelfstandige bestuurders mogelijk te maken. Zelfstandige bestuurders zullen als onderaannemer immers onder druk worden gezet om hun prijzen te verlagen en lange uren te maken. Zo'n oneerlijke concurrentie ten koste van mobiele werknemers kan op die manier worden vermeden.

4.10

De conclusies van de studie m.b.t. de bijkomende stress die de opname van zelfstandige bestuurders in de richtlijn zou veroorzaken, houden volgens het Comité nauwelijks steek. Het is onduidelijk hoe „arbeidstijd” door de consultants gedefinieerd is. Als zelfstandige bestuurders in dezelfde arbeidstijd ook het administratieve werk en het beheer van alle taken in verband met de vervoersdiensten moeten doen, terwijl mobiele werknemers die dit niet hoeven te doen, brengt dat extra stress met zich mee. Als zij in dezelfde arbeidstijd hetzelfde werk moeten doen als mobiele werknemers, is niet duidelijk waarom een zelfstandige bestuurder meer stress zou hebben dan een mobiele werknemer. Dit tegen de achtergrond van het feit dat de algemene administratieve taken zoals die in artikel 3 a-2) van de richtlijn zijn gedefinieerd, niet onder de definitie van het begrip „arbeidstijd” vallen.

4.11

Bovendien geldt dat inkorting van de arbeidstijd dan wel helpt om de vermoeidheid te beperken, maar ook stress veroorzaakt, zodat zelfstandige bestuurders tussen twee kwaden moeten kiezen. Voor het Comité staat de verkeersveiligheid voorop. Vermoeidheid als gevolg van lange arbeidstijden, m.i.v. rijtijden, kan negatieve gevolgen hebben voor de verkeersveiligheid, ongeacht of er een mobiele werknemer of een zelfstandige bestuurder achter het stuur zit.

4.12

Overigens verzuimt de studie te signaleren — en de Commissie gaat hierin mee — dat uitsluiting van de richtlijn niet betekent dat zelfstandige bestuurders dus geen stress meer zouden ondervinden of niet méér stress zouden kunnen krijgen. Opdrachtgevers zullen de gelegenheid immers te baat nemen om hen te pushen om hun prijzen nog meer te verlagen.

4.13

De Commissie wijst erop dat de Raad er helemaal niet voor openstaat om een stelselmatige inspectie van de voorschriften inzake arbeidstijden, hoe minimaal ook, in te voeren. Het Comité betreurt dit net als de Commissie, maar vindt het geen argument om de wetgeving niet aan te passen ten behoeve van zelfstandige bestuurders. Het feit dat de arbeidstijden van zelfstandige bestuurders moeilijk te controleren zijn, betekent nog niet dat de regels niet op hen van toepassing zouden moeten zijn. Het Comité meent dat het concept van een gedeelde verantwoordelijkheid van de verschillende actoren in de vervoerketen bij de tenuitvoerlegging van de wetgeving daarom interessant zou kunnen zijn. Mocht blijken dat de contracten tussen de verschillende actoren in de vervoerketen van dien aard zijn dat de voorgeschreven gemiddelde duur van 48 uur niet kan worden aangehouden, dan kan men zich hierop beroepen om zelfstandige bestuurders tegen te lange rij- en arbeidstijden te beschermen.

4.14

Het Comité acht eerlijke mededinging op basis van een efficiënte en daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de sociale wetgeving voor de sector, een fundamentele voorwaarde voor een Europese interne vervoersmarkt. Door bij de tenuitvoerlegging van de wetgeving betreffende arbeidstijden een onderscheid te maken tussen mobiele werknemers en zelfstandige bestuurders draagt men ertoe bij een situatie van oneerlijke mededinging te creëren. Daarom wijst het Comité de mogelijkheid om alleen „schijn”-zelfstandigen onder het toepassingsgebied van de richtlijn te laten vallen, van de hand.

4.15

Overigens wil het Comité erop wijzen dat meerdere landen met uiteenlopende marktstructuren voor vervoersexploitanten, zoals Estland (weinig zelfstandigen) en Slowakije (70 % zelfstandigen) ervoor hebben gekozen om zelfstandige bestuurders mee te nemen in Richtlijn 2002/15/EG. Het Comité begrijpt dan ook niet waarom de Commissie zelfstandige bestuurders per se om economische redenen buiten het toepassingsgebied van de richtlijn wil houden.

4.16

De Commissie verstaat terecht onder de term „sociale aspecten” niet alleen de veiligheid, de gezondheid en de arbeidsomstandigheden van mobiele werknemers en zelfstandige bestuurders, maar ook hun beloning en het evenwicht tussen werk en privéleven.

4.17

Volgens de Commissie „biedt uitsluiting hun meer zeggenschap over hun werk en uitzicht op een hoger inkomen, maar vergt [het] een grotere investering in termen van tijd en energie om rendabel te worden”.

4.18

Het Comité wijst er nogmaals op dat de definitie van de arbeidstijd van zelfstandige bestuurders niet duidelijk is en/of dat ervan wordt uitgegaan dat algemene administratieve taken niet onder die arbeidstijd vallen. Het Comité begrijpt in dit geval niet waarom de hogere inkomsten van zelfstandige bestuurders toe te schrijven zouden zijn aan het feit dat zij zijn uitgesloten van de richtlijn inzake arbeidstijden.

4.19

Conditio sine qua non voor de feitelijke toepassing van de richtlijn is dat de samenwerking tussen de diverse nationale administraties in EU-verband wordt gepromoot.

4.20

De toepassing van het besluit om zelfstandige werknemers onder het toepassingsgebied van de richtlijn te laten vallen, mag voor hen niet tot onnodige extra administratieve rompslomp leiden.

4.21

De Commissie is van plan na deze studie nog een grondigere effectbeoordeling uit te voeren, voordat zij een wetgevingsvoorstel uitwerkt. In deze tweede effectbeoordeling zou rekening moeten worden gehouden met een aantal nieuwe factoren, zoals de nieuwe verordening voor rij- en rusttijden. Daarnaast wil zij in die analyse blijven uitgaan van de uitsluiting van zelfstandige bestuurders van de arbeidstijdregels in de sector. Het Comité ziet niet in welke meerwaarde zo'n nieuwe effectbeoordeling zou hebben.

Brussel, 9 juli 2008

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

D. DIMITRIADIS


(1)  De heer Chagas is afgetreden.

(2)  PB C 175 van 27.7.2007, blz. 88-90.

(3)  PB C 161 van 13.7.2007, blz. 89.

(4)  Artikel 3 e) „zelfstandige bestuurder”: eenieder wiens voornaamste beroepsactiviteit erin bestaat met een communautaire vergunning of een andere beroepsbevoegdheid om dit vervoer te verrichten, tegen vergoeding personen of goederen over te weg te vervoeren en die gerechtigd is om voor eigen rekening te werken en die niet aan een werkgever gebonden is door een arbeidsovereenkomst of enige andere arbeidsrechtelijke ondergeschiktheidsrelatie, die de bedoelde activiteiten vrij kan organiseren, wiens inkomsten rechtstreeks afhankelijk zijn van de gemaakte winst en die vrij is om individueel of in samenwerking met andere zelfstandige bestuurders handelsbetrekkingen met verscheidene klanten te onderhouden.

Ter fine van deze richtlijn gelden voor bestuurders die niet aan deze criteria voldoen, dezelfde plichten en rechten als die welke in deze richtlijn voor werknemers zijn vastgesteld.

(5)  Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad.


3.2.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 27/53


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's Een Europees strategisch plan voor energietechnologie (SET-plan) „Naar een koolstofarme toekomst”

COM(2007) 723 final

(2009/C 27/13)

De Europese Commissie heeft op 22 november 2007 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 262 van het EG-Verdrag te raadplegen over de

Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Een Europees strategisch plan voor energietechnologie (SET-plan) „Naar een koolstofarme toekomst”.

De gespecialiseerde afdeling Vervoer, energie, infrastructuur, informatiemaatschappij, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 5 juni 2008 goedgekeurd. Rapporteur was de heer Zbořil.

Het EESC heeft tijdens zijn op 9 en 10 juli 2008 gehouden 446e zitting (vergadering van 9 juli) onderstaand advies uitgebracht, dat met 127 stemmen vóór, bij 5 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Het EESC is ingenomen met de mededeling van de Commissie en de aanvullende werkdocumenten, en stemt in met de analyse en beschrijving van de toestand waarin de energietechnologie zich momenteel bevindt. Zonder weloverwogen strategie voor de ontwikkeling van energietechnologieën zijn alle ideeën over de beperking van de klimaatverandering gedoemd te mislukken. Het EESC steunt dan ook de goedkeuring van het SET-plan.

1.2

In de mededeling wordt veel nadruk gelegd op het kardinale punt van het energiebeleid, namelijk de veiligheid van de energievoorziening, zowel vanuit materieel oogpunt als vanuit het oogpunt van de sociale en milieuduurzaamheid. Voorzieningszekerheid betekent niet alleen dat voldoende middelen beschikbaar zijn, maar ook dat zij betaalbaar zijn.

1.3

De Commissie stelt de ontwikkeling van energietechnologieën terecht op de eerste plaats als het gaat om de inspanningen om de gevolgen van de klimaatverandering te beperken, een standpunt dat overeenstemt met de conclusies van de dertiende COP-conferentie op Bali in december 2007 (1).

1.4

In de mededeling van de Commissie wordt zeer terecht de nadruk gelegd op de factor tijd, die van doorslaggevend belang is voor de uitvoering van de voorgestelde strategie (het SET-plan), indien de EU haar voornemen uit maart 2007 om de uitstoot van broeikasgassen vóór 2020 terug te dringen, wenst waar te maken.

1.5

Om de ontwikkeling en praktische toepassing van de nieuwe energietechnologieën te versnellen dient de EU te beschikken over meer doelgerichte en doeltreffende mechanismen, om de mogelijkheden van overheidssteun voor industrie, universiteiten en onderzoek ten volle te benutten en de onderlinge synergie-effecten te versterken. Daarnaast is er op internationaal niveau behoefte aan een bredere samenwerking en maatregelen om versnippering van onderzoeksactiviteiten te voorkomen.

1.6

Het EESC is zeer te spreken over het standpunt dat de Commissie inneemt in haar mededeling, namelijk dat zowel financiële als personele middelen moeten worden gevonden, en wel op vier niveaus: op het niveau van de particuliere sector en op nationaal, Europees en mondiaal niveau. Het EESC benadrukt dat algemene steun voor het wetenschappelijk en technisch onderzoek een belangrijke voorwaarde is voor het vinden van de benodigde personele middelen.

1.7

Het strategisch plan zou niet alleen prioriteiten op EU-niveau moeten bevatten, maar ook specifieke doelstellingen op het niveau van de lidstaten, rekening houdend met hun capaciteiten en ervaringen, evenals voldoende financiële middelen in het kader van de begroting (Europees en nationaal), een optimaal gebruik van de onderzoek- en ontwikkelingscapaciteiten, de betrokkenheid van de particuliere sector die voldoende moet worden gestimuleerd door de tendensen op de energiemarkt, en andere wettelijke en fiscale instrumenten.

1.8

Het EESC denkt dat het schadelijk zou zijn indien het instrument dat ontegenzeggelijk het allerbelangrijkst is in de strijd tegen klimaatverandering — een strategie voor de ontwikkeling en toepassing van energietechnologieën — werd overschaduwd door andere thema's, die objectief gezien een ondersteunend en stimulerend kader moeten bieden voor de ontwikkeling van deze technologieën (het EU ETS-systeem, de steun voor hernieuwbare energiebronnen, het derde energiepakket, enz.). Alleen een echte technologische evolutie, in de zin van doeltreffendere technologieën, kan zich vertalen in een werkelijke afname van de uitstoot van broeikasgassen, zowel wat de productie betreft als wat het verbruik van alle soorten energie betreft.

1.9

De analyse van de huidige, zeer onbevredigende situatie, is opvallend beknopt en relevant, en legt terecht de nadruk op de organisatorische en administratieve problemen die de samenleving samen met de technische en wetenschappelijke uitdagingen moet aanpakken.

1.10

Op EU-niveau wordt aanbevolen aandacht te besteden aan technologieën die gebruik maken van hernieuwbare energiebronnen, schone technologieën voor het opwekken van warmte en de meest recente infrastructuur voor het vervoer en de opslag van energie, en deze op adequate wijze te steunen. Aan sommige hernieuwbare energiebronnen kleven echter zeer hoge kosten, die ook op lange termijn nog zullen doorwerken. Helaas blijven energiebesparende technologieën en schone technologieën die gebaseerd zijn op fossiele brandstoffen of atoomenergie met behulp van kernsplitsing of -fusie en de behandeling van kernafval nog onderbelicht. Het EESC beveelt aan, rekening te houden met het feit dat veel landen afhankelijk zijn van fossiele brandstoffen en kernenergie, en dat hierin op korte termijn geen verandering komt.

1.11

Het EESC is van mening dat de particuliere sector hier op grote schaal bij moet worden betrokken. De EU en de regeringen van de lidstaten moeten hiervoor de juiste de voorwaarden creëren, niet alleen door de beginselen, prioriteiten en doelstellingen van het energiebeleid vast te stellen, maar ook door de instrumenten in het leven te roepen die nodig zijn om deze ten uitvoer te leggen.

1.12

Het allerbelangrijkste is dat marktregels worden vastgesteld voor de energiesector, en dat de externe kosten — inclusief maatschappelijke kosten — in de prijzen van alle soorten energie worden doorberekend. Het spreekt voor zich dat de EU en de lidstaten het wettelijk en fiscaal mogelijk moeten maken dat de publieke en de particuliere financiële middelen voor O&O op energiegebied beter kunnen worden gecombineerd.

1.13

De reële natuurlijke omstandigheden en de fysieke toegang tot energiebronnen zouden het basiscriterium moeten zijn om te bepalen of het gebruik van hernieuwbare energiebronnen in een bepaalde lidstaat haalbaar is en of deze kan deelnemen aan de programma's ter ontwikkeling van energietechnologieën.

1.14

Duurzame ontwikkeling is gebaat bij de vooruitgang op het gebied van geavanceerde energietechnologieën. Een strategische coördinatie van de O&O-inspanningen op energiegebied, waarbij zowel de communautaire en nationale prioriteiten (m.b.t. inhoud en termijnen) als de daarvoor benodigde operationele mechanismen (d.w.z. beheer-, controle- en informatiesystemen) worden vastgesteld, kan aanzienlijk bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen.

1.15

Om de samenwerking op het gebied van O&O inzake nieuwe energietechnologieën uit te breiden tot buiten de Unie, is het zaak dat, alvorens nieuwe overeenkomsten worden gesloten, voorrang wordt geven aan een optimaal gebruik van met name die instellingen, verdragen en overeenkomsten die hun doeltreffendheid in het verleden al hebben bewezen.

1.16

Het SET-plan bevat fundamentele strategische richtsnoeren om de Europese economie te helpen bij de ontwikkeling en toepassing van technologieën om de klimaatverandering een halt toe te roepen met behulp van emissiereductiedoelstellingen voor resp. 2020 en 2050.

2.   Inleiding

2.1

De Commissie heeft op 22 november 2007 een mededeling over een Europees strategisch plan voor energietechnologie (SET-plan) gepubliceerd, getiteld „Naar een koolstofarme toekomst” (COM(2007) 723 final), dat vergezeld ging van de volgende werkdocumenten: „Full impact assessment” SEC(2007) 1508, „Samenvatting van de effectbeoordeling” SEC(2007) 1509, „Technology Map” SEC(2007) 1510 en „Capacities Map” SEC(2007) 1511. Deze documenten geven een overzicht van de oplossingen en de middelen die kunnen worden ingezet om de doelstellingen van het SET-plan te verwezenlijken. Hierin wordt een dringende oproep gedaan tot een nauwere en beter gecoördineerde samenwerking op het gebied van onderzoek en ontwikkeling, op alle niveaus (2).

2.2

Het betreft een strategisch plan op een van de belangrijkste gebieden of zelfs het belangrijkste gebied als het gaat om het beperken van de klimaatverandering door een terugdringing van de uitstoot van broeikasgassen. Voor Europa betekent dat concreet dat het zijn uitstoot van broeikasgassen tegen 2020 met 20 % moet hebben teruggedrongen, of zelfs met 30 % indien de internationale gemeenschap zich achter dit EU-initiatief schaart. Deze fundamentele doelstellingen voor de strijd tegen klimaatverandering en de politieke inhoud van het initiatief „Een energiebeleid voor Europa” zijn op 9 maart 2007 vastgesteld door de Europese Raad.

2.3

De energietechnologie moet zich met rasse schreden ontwikkelen om de CO2-concentratie in de atmosfeer op een aanvaardbaar peil te kunnen houden. Dat er technologische innovatie nodig is, staat buiten kijf. De vraag is echter in welke mate er rechtstreekse beleidsmaatregelen nodig zijn om deze innovatie te stimuleren (3). Zich tevreden stellen met de reeds beschikbare technologie is een uiterst gevaarlijke houding. Indien het SET-plan goed wordt uitgewerkt en uitgevoerd, is dit een essentiële en gepaste manier om de vereiste reductiedoelstellingen te bereiken.

3.   De documenten van de Commissie

3.1

Europa moet nu actie ondernemen en de krachten bundelen om de continuïteit van de voorziening veilig te stellen en te komen tot een duurzame en concurrerende energievoorziening. Het inschakelen van technische hulpmiddelen is essentieel om de doelstellingen van het energiebeleid voor Europa te verwezenlijken, die door de Europese Raad op 9 maart 2007 zijn vastgesteld. Daartoe moeten we de kostprijs van schone energie verlagen en ervoor zorgen dat de EU-industrie zich op het voorplan van de snel groeiende koolstofarme-technologiesector bevindt. Op langere termijn moeten nieuwe generaties technologieën worden ontwikkeld via baanbrekend onderzoek, willen we de ambitieuze doelstelling om onze broeikasgasuitstoot tegen 2050 met 60-80 % terug te dringen, verwezenlijken.

3.2

De huidige trends en de extrapolaties daarvan tonen aan dat we niet op de goede weg zijn om de EU-doelstellingen inzake energiebeleid te bereiken. De gemakkelijke beschikbaarheid van bronnen heeft er niet alleen voor gezorgd dat we afhankelijk zijn geworden van fossiele brandstoffen, maar heeft ook de belangstelling voor innovatie en investeringen in nieuwe energietechnologieën getemperd. De onderzoeksbudgetten voor openbaar en particulier energieonderzoek in de EU zijn sedert het hoogtepunt in de jaren 80 aanzienlijk gedaald. Dit heeft geleid tot meer en meer onderinvestering in capaciteit en infrastructuur. Als de Europese overheden nu in dezelfde mate als in 1980 zouden investeren, zouden de totale uitgaven voor de ontwikkeling van energietechnologieën vier keer hoger liggen dan het huidige investeringsniveau van circa 2,5 miljard euro per jaar.

3.3

De marktpenetratie van nieuwe energietechnologieën wordt ook gehinderd doordat energie een basisproduct is. Ten slotte zijn er dan ook nog wettelijke en administratieve hinderpalen voor innovatie. Overheidsinterventie ter ondersteuning van energie-innovatie is dus noodzakelijk én gerechtvaardigd.

3.4

De belangrijkste wereldspelers, de Verenigde Staten en Japan, maar ook opkomende economieën als China, India en Brazilië staan voor dezelfde uitdagingen en doen steeds meer inspanningen op het gebied van nieuwe energietechnologieën. De marktomvang en investerings- en onderzoekscapaciteit van deze landen overstijgt ruimschoots die van de meeste lidstaten. De versnippering en het bestaan van vele niet op elkaar afgestemde strategieën en subkritische capaciteiten zijn de belangrijkste kenmerken van het EU-onderzoek. Als we echter achterop raken in de wereldwijde race om de koolstofarme-technologiemarkten, dan zullen we misschien een beroep moeten doen op geïmporteerde technologie om onze doelstellingen te bereiken en lopen we enorme commerciële mogelijkheden voor de EU-handel mis.

3.5

De overgang naar een koolstofarme economie zal tientallen jaren duren en zich laten gevoelen in elke sector van de economie, maar het is nu tijd voor actie. De beslissingen die in de komende 10 tot 15 jaar worden genomen, zullen grote gevolgen hebben voor de continuïteit van de energievoorziening, voor de klimaatverandering, voor de groei en voor de werkgelegenheid in Europa.

3.6

Eerst en vooral moeten we een belangrijke stap zetten inzake de efficiëntie van energieomzetting, -levering en -eindgebruik. In de sectoren vervoer, bouw en industrie moeten de technologiemogelijkheden worden omgezet in kansen voor het bedrijfsleven. We moeten ten volle gebruik maken van het potentieel van informatie- en communicatietechnologieën en organisatorische innovatie, en zowel overheidsbeleid als marktconforme instrumenten (4) aanwenden om de vraag te beheersen en nieuwe markten aan te boren.

3.7

De Commissie wijst er in haar documenten op dat veel van de technologieën die zullen bijdragen tot het verwezenlijken van de doelstellingen voor 2020, nu al beschikbaar zijn of zich in de laatste ontwikkelingsfase bevinden. Zelfs in het meest gunstige geval blijft de factor tijd een belangrijke rol spelen bij de toepassing van de beschikbare technologieën, en is het zo dat koolstofarme technologieën over het algemeen duur blijven en te maken krijgen met obstakels die de marktpenetratie hinderen. Daarom is er een tweesporenaanpak nodig: enerzijds intensiever onderzoek om de kosten te doen dalen en de prestaties te verbeteren, en anderzijds proactieve ondersteuningsmaatregelen om kansen voor het bedrijfsleven te creëren, de marktontwikkeling te stimuleren en de niet-technologische barrières aan te pakken die innovatie en marktontwikkeling van efficiënte en koolstofarme technologieën in de weg staan.

Om de doelstelling voor 2050 te verwezenlijken, namelijk om koolstofvrije technologieën te gebruiken, moet via een reeks grote doorbraken op onderzoeksgebied een nieuwe generatie technologieën worden ontwikkeld. Hoewel sommige van deze technologieën tegen 2020 nog maar weinig impact zullen hebben, is het niettemin essentieel dat we nu al de inspanningen doen om ervoor te zorgen dat ze zo snel mogelijk in gebruik worden genomen.

3.8

Maatregelen die de afgelopen jaren zijn genomen, vormen een uitgangspunt voor verdere EU-actie: (i) de oprichting van Europese technologieplatforms, (ii) de ERA-NET-regeling van de Europese onderzoeksruimte, die de aanzet heeft gegeven tot gemeenschappelijke onderzoeksprogramma's tussen de lidstaten, (iii) de samenwerking tussen onderzoekscentra op bepaalde gebieden dankzij topnetwerken. Het SET-plan zal de algemene inspanningen in Europa versterken en coördineren om de innovatie van de Europese koolstofarme spitstechnologie te versnellen. Het SET-plan beoogt de volgende resultaten: (i) een nieuwe gemeenschappelijke strategische planning, (ii) doeltreffender tenuitvoerlegging, (iii) een toename van de middelen en (iv) een nieuwe, sterkere aanpak inzake internationale samenwerking.

3.9

Voor een nieuwe manier van werken op communautair niveau is het nodig dat dit proces op een algemene, dynamische en flexibele manier wordt geleid en dat er prioriteiten worden vastgesteld en acties voorgesteld — kortom, een collectieve benadering van de strategische planning. De actoren moeten op een meer gestructureerde en resultaatgerichte manier gaan communiceren en beslissen en in samenwerkingsverbanden met de gemeenschap acties uitwerken en ten uitvoer leggen. Om de tenuitvoerlegging van het SET-plan in goede banen te leiden en zo de coherentie tussen de nationale, Europese en internationale inspanningen te bevorderen, zal de Commissie in 2008 een Stuurgroep inzake strategische energietechnologieën oprichten. In de eerste helft van 2009 zal de Commissie een Europese energietechnologietop organiseren.

3.10

Voor een doeltreffende strategische planning in de stuurgroep zijn regelmatige en betrouwbare informatie en gegevens nodig. De Commissie zal een systeem van open informatie- en kennisbeheer invoeren. Dat omvat onder meer „technology mapping” en „capacities mapping”, ontwikkeld door het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek van de Commissie (5).

3.11

Om de ontwikkeling en de marktintroductie te bespoedigen, hebben we meer gerichte en krachtige mechanismen nodig die het potentieel van overheidsinterventie, de Europese industrie en de onderzoekers opkrikken. Deze mechanismen zullen de vorm hebben van: (i) Europese industriële initiatieven, (ii) een Europese Alliantie voor energieonderzoek en (iii) trans-Europese energienetwerken en andere systemen die in de toekomst nodig zullen zijn.

3.12

Door de aansturing en coördinatie van de diverse financieringssystemen en -bronnen te bevorderen worden de investeringen optimaal aangewend, wordt er capaciteit gecreëerd en wordt de continuïteit van de financiering voor technologieën in de verschillende ontwikkelingsfases verzekerd. Twee problemen moeten worden aangepakt: het vrijmaken van extra financiële middelen voor onderzoeks- en aanverwante infrastructuur, demonstraties op industriële schaal en markttoepassingsprojecten; en scholing en opleiding ter bevordering van de kwantiteit en kwaliteit van de personele middelen die nodig zijn om ten volle gebruik te maken van de technologiekansen die door het Europese energiebeleid worden geschapen.

3.13

De Commissie is voornemens om eind 2008 te komen met een mededeling over de financiering van koolstofarme technologieën . Afzonderlijke acties van de lidstaten om hun personele middelen uit te breiden moeten beter worden gecoördineerd om tot een maximale synergie te komen en de mobiliteit te vergroten.

3.14

De in het SET-plan voorgestelde maatregelen zouden moeten zorgen voor een intensievere internationale samenwerkingsstrategie. We moeten er ook voor zorgen dat de EU op internationale fora steeds meer met één stem spreekt om over te komen als een coherenter en sterker partnerschap.

3.15

Het innovatieproces inzake energietechnologie is momenteel gebaseerd op nationale programma's en stimulansen, gefinancierd via nationale middelen, om nationale doelstellingen te bereiken. Dit model paste in een nu afgelopen tijdperk van goedkope energie zonder koolstofbeperkingen. Om de voor de 21e eeuw vereiste ingrijpende veranderingen in het energielandschap te realiseren, is een nieuw beleid nodig.

4.   Algemene opmerkingen

4.1

Het EESC is ingenomen met de mededeling van de Commissie en de aanvullende werkdocumenten, en stemt in met de analyse en beschrijving van de toestand waarin de energietechnologie zich momenteel bevindt. Inspelen op de gevaren van de klimaatverandering voor onze planeet, en een antwoord vinden op het enorme energieverbruik van de geïndustrialiseerde landen en het snelgroeiende energieverbruik van de ontwikkelingslanden, dat zijn momenteel de belangrijkste uitdagingen voor de internationale gemeenschap. Zonder weloverwogen strategie voor de ontwikkeling en toepassing van zuinigere en doeltreffendere energietechnologieën zijn alle ideeën over de beperking van de klimaatverandering gedoemd te mislukken.

4.2

In de mededeling wordt veel nadruk gelegd op het kardinale punt van het energiebeleid, namelijk de veiligheid van de energievoorziening, zowel vanuit materieel oogpunt als vanuit het oogpunt van de sociale en milieuduurzaamheid. Voorzieningszekerheid betekent niet alleen dat voldoende middelen beschikbaar zijn, maar ook dat zij betaalbaar zijn.

4.3

De Commissie stelt de ontwikkeling van energietechnologieën terecht op de eerste plaats als het gaat om de inspanningen om de gevolgen van de klimaatverandering te beperken, een standpunt dat overeenstemt met de conclusies van de dertiende COP-conferentie op Bali in december 2007 (6). De huidige en toekomstige internationale samenwerking op dit gebied zou tevens een prioriteit voor de EU moeten zijn, gezien de mogelijkheden voor de verspreiding van de nodige technologieën binnen de Europese economie.

4.4

In de mededeling van de Commissie wordt zeer terecht de nadruk gelegd op de factor tijd, die van doorslaggevend belang is voor de uitvoering van de voorgestelde strategie (het SET-plan), indien de EU haar voornemen uit maart 2007 om de uitstoot van broeikasgassen vóór 2020 terug te dringen, wenst waar te maken. Indien de strategische basisrichtsnoeren met betrekking tot de ontwikkeling van energietechnologieën (naar het voorbeeld van de strategische basisrichtsnoeren voor onderzoek en ontwikkeling in de VS en Japan) niet sneller worden vastgesteld en geanalyseerd, zal het onmogelijk zijn voldoende middelen bijeen te krijgen om de eerste fase (tussen nu en 2020) tot een goed einde te brengen, laat staan de tweede fase (tot 2050).

4.5

Om de ontwikkeling en praktische toepassing van de nieuwe energietechnologieën te versnellen dient de EU te beschikken over meer doelgerichte en doeltreffende mechanismen, om de mogelijkheden van overheidssteun voor industrie en onderzoek ten volle te benutten en de onderlinge synergie-effecten te versterken. Europa beschikt over goede nationale onderzoeksinstellingen op het gebied van energie, evenals over uitstekende onderzoeksteams in universiteiten en gespecialiseerde centra. Hun werkzaamheden zijn helaas niet gecoördineerd, en de tot nu toe gebruikte instrumenten om samenwerking tot stand te brengen zijn ontoereikend gebleken. Een optimaal gebruik van het onderzoekspotentieel is de sleutel tot het succes van het voorgestelde plan. Bovendien moet meer worden samengewerkt op internationaal niveau.

4.6

Het EESC is zeer te spreken over het standpunt dat de Commissie inneemt in haar mededeling, namelijk dat zowel financiële als personele middelen moeten worden gevonden, en wel op vier niveaus: op het niveau van de particuliere sector en op nationaal, Europees en mondiaal niveau. Het vinden van financiële middelen werd tot op heden bemoeilijkt door problemen met het aanwijzen van prioriteiten en door de lange procedures. Het voorgestelde SET-plan moet een verandering van houding teweegbrengen en de besluitvormingsprocessen bespoedigen. Het vinden van personele middelen, wat altijd een langetermijnproces is, valt eveneens onder de Lissabonstrategie. Desondanks waren de inspanningen om de nodige middelen te vinden tot nu toe ontoereikend en te traag. Algemene steun voor het wetenschappelijk en technisch onderzoek is een eerste voorwaarde voor het vinden van de benodigde personele middelen.

4.7

Het EESC stelt vast dat niet alleen overeenstemming moet worden bereikt over de achterliggende gedachten, prioriteiten en doelstellingen van het energiebeleid, maar ook over een strategisch plan voor energietechnologieën.

4.8

Het EESC denkt dat het schadelijk zou zijn indien het instrument dat ontegenzeggelijk het allerbelangrijkst is in de strijd tegen klimaatverandering — een strategie voor de ontwikkeling en toepassing van energietechnologieën — werd overschaduwd door andere thema's en instrumenten, die objectief gezien een ondersteunend kader moeten bieden voor de ontwikkeling van deze technologieën (het EU ETS-systeem, de steun voor hernieuwbare energiebronnen, het derde energiepakket, enz.). Alleen een echte technologische evolutie, in de zin van doeltreffendere technologieën, kan zich vertalen in een werkelijke afname van de uitstoot van broeikasgassen, zowel wat de productie als wat het verbruik van energie betreft. Voor de financiering van de technologische ontwikkeling zou onder meer gebruik kunnen worden gemaakt van de opbrengst van de handel in emissiequota's via het EU ETS-systeem, op voorwaarde dat het desbetreffende voorstel wordt goedgekeurd. Dit mag in geen geval de enige financieringsbron blijven, vooral omdat deze pas vanaf 2013 daadwerkelijk beschikbaar zal zijn.

5.   Bijzondere opmerkingen

5.1

De analyse van de huidige, zeer onbevredigende situatie, is opvallend relevant en beknopt, en legt terecht de nadruk op de organisatorische en administratieve problemen die de samenleving, samen met de technische en wetenschappelijke uitdagingen, moet aanpakken.

5.2

De documenten van de EU gaan ervan uit dat er niet één of een beperkt aantal energietechnologieën is die de vooruitgang op energiegebied sterk kunnen beïnvloeden en bijdragen tot de verwezenlijking van de energiedoelstellingen. Het zijn er juist zoveel, dat alleen de juiste combinatie daarvan resultaten kan opleveren. Zonder diepgaande analyse is het onmogelijk om de ene of andere technologie uit te sluiten, zelfs als deze niet erg veelbelovend is. Desalniettemin zouden de minst gunstige opties zo vroeg mogelijk moeten worden geëlimineerd, om een onnodige verspilling van middelen te voorkomen. Iedere lidstaat en/of regio zou binnen een goedgekeurd strategisch kader zijn eigen prioriteiten moeten kunnen vaststellen, op grond van zijn specifieke deskundigheid, uitvoeringsbevoegdheden en ervaring.

5.3

Op EU-niveau wordt in de relevante documenten aanbevolen aandacht te besteden aan technologieën die gebruik maken van hernieuwbare energiebronnen, schone technologieën voor het opwekken van warmte (met inbegrip van warmte voor de elektriciteitsproductie) en de meest recente infrastructuur voor het vervoer en de opslag van energie. Het EESC steunt deze prioriteiten. De schone technologieën die gebaseerd zijn op fossiele brandstoffen, die zelfs op lange termijn de primaire bron van energie blijven, of atoomenergie die gebruik maakt van kernsplitsing of -fusie en de behandeling van kernafval, mogen echter niet onderbelicht blijven: deze moeten integraal onderdeel blijven vormen van de O&O-activiteiten van de EU.

5.4

Het EESC is het ermee eens dat de energiemarkt momenteel geen duidelijke informatie verschaft aan de besluitvormers van het energiebeleid, de regeringen en particuliere investeerders, over de urgentie waarmee nieuwe energietechnologieën moeten worden ontwikkeld. De prijzen van de verschillende energiebronnen en brandstoffen houden immers onvoldoende rekening met alle externe en maatschappelijke kosten. Ook daarom is er nog geen overeenstemming op EU-niveau over de O&O-prioriteiten op energiegebied, noch over de financiële middelen en andere instrumenten die daarvoor moeten worden ingezet.

5.5

Het EESC is van mening dat het strategisch plan niet alleen prioriteiten op EU-niveau zou moeten vaststellen, maar ook snel en op gecoördineerde wijze specifieke doelstellingen zou moeten vaststellen op het niveau van de lidstaten, voldoende financiële middelen in het kader van de begroting zou moeten toewijzen, een optimaal gebruik van de onderzoek- en ontwikkelingscapaciteiten zou moeten bevorderen, evenals de betrokkenheid van de particuliere sector, die voldoende moet worden gestimuleerd door de tendensen op de energiemarkt, zou moeten reguleren en nog andere wettelijke en fiscale instrumenten zou moeten bevatten. De particuliere sector dient hier op grote schaal bij te worden betrokken. De EU en de regeringen van de lidstaten moeten hiervoor de juiste de voorwaarden creëren, niet alleen door de beginselen, prioriteiten en doelstellingen van het energiebeleid vast te stellen, maar ook door de praktische instrumenten in het leven te roepen die nodig zijn om deze ten uitvoer te leggen.

5.6

Het allerbelangrijkste is dat marktregels worden vastgesteld voor de energiesector, en dat de externe kosten, met inbegrip van de maatschappelijke kosten, in de energieprijs worden doorberekend, zodat de markt in staat is op tijd signalen te sturen naar particuliere investeerders en actoren dat technologische veranderingen noodzakelijk zijn om een gedifferentieerd en zo doeltreffend mogelijk gebruik van de verschillende energiebronnen mogelijk te maken. Het spreekt voor zich dat de EU en de lidstaten het wettelijk en fiscaal mogelijk moeten maken dat de publieke en particuliere financiële middelen voor O&O op energiegebied beter kunnen worden gecombineerd, (ook door vrijwillige instrumenten) om tot een beter gebruik van de middelen te komen.

5.7

Landen met gunstige natuurlijke omstandigheden vestigen al hun hoop op de versnelling van de ontwikkeling en een toenemend gebruik van hernieuwbare energiebronnen. Er zijn echter ook landen die niet van dergelijke natuurlijke omstandigheden kunnen profiteren of waar dit economisch niet haalbaar is. De reële natuurlijke omstandigheden en de fysieke toegang tot energiebronnen zouden het basiscriterium moeten zijn om te bepalen of het gebruik van hernieuwbare energiebronnen in een bepaalde lidstaat haalbaar is en of deze kan deelnemen aan de programma's ter ontwikkeling van energietechnologieën.

5.8

Het EESC is van mening dat de in de mededeling beschreven prioriteiten enigszins beperkt zijn, vooral wat betreft de problematiek van de hernieuwbare energiebronnen. Deze zijn niet alleen van onmiskenbaar belang om de veiligheid van de energievoorziening te vergroten, maar ook om de lidstaten minder afhankelijk te maken van ingevoerde energie, en om duurzame ontwikkeling te bevorderen. Aan sommige hernieuwbare energiebronnen kleven echter nog zeer hoge kosten, die ook op lange termijn nog zullen doorwerken. De integratie van de energiemarkten is bovendien niet alleen een politieke en organisatorische aangelegenheid, maar vergt tevens het nodige onderzoek en ontwikkeling, bijvoorbeeld op het gebied van intelligente netwerken.

5.9

Het EESC beveelt aan, rekening te houden met het feit dat veel landen afhankelijk zijn van fossiele brandstoffen en kernenergie, en dat hier op korte termijn geen verandering in komt. Dit geldt tevens voor derde landen, zodat de EU haar inspanningen ter bevordering van het onderzoek naar en de ontwikkeling van energietechnologieën met deze landen moet coördineren. Het EESC is derhalve van mening dat de Europese prioriteiten niet overwegend op technologieën t.b.v. het gebruik van hernieuwbare energie moeten zijn gericht, maar dat evenveel belang moet worden gehecht aan energiebesparende technologieën en schone technologieën die gebaseerd zijn op fossiele brandstoffen (met inbegrip van CCS, oftewel het afvangen en opslaan van kooldioxide). Het O&O op het gebied van kernenergie heeft een eigen agenda en wijze van coördinatie. Wel moeten worden gehamerd op het belang van O&O op het gebied van kernenergie (nu nog met behulp van kernsplitsing, maar in de toekomst misschien met behulp van kernfusie) en de levensduur en veiligheid van nucleaire installaties, omdat deze cruciaal zijn om de veiligheid van de energievoorziening te waarborgen en de uitstoot van broeikasgassen in de EU terug te dringen.

5.10

Het spreekt voor zich dat duurzame ontwikkeling in sterke mate gebaat is bij inspanningen op het gebied van energiebesparing, zowel tijdens de omzetting van energie als tijdens het eindgebruik. Ook de vooruitgang op het gebied van geavanceerde energietechnologieën draagt hiertoe bij. Op EU-niveau kan de aanwending van de financiële en personele middelen op dit zeer brede gebied worden verbeterd dankzij een adequaat uitgevoerde strategische coördinatie van O&O op energiegebied, waarbij zowel de prioriteiten worden vastgesteld (qua inhoud en termijnen) op het niveau van de EU en van de lidstaten, als de noodzakelijke operationele mechanismen, zoals beheer-, controle- en informatiesystemen. Effectieve harmonisatie van de procedés en installaties is eveneens van essentieel belang.

5.11

Om de samenwerking op het gebied van O&O inzake nieuwe energietechnologieën uit te breiden tot buiten de Unie, is het zaak dat, alvorens nieuwe overeenkomsten te sluiten, voorrang wordt geven aan een optimaal gebruik van met name die instellingen, verdragen en overeenkomsten die hun doeltreffendheid in het verleden al hebben bewezen.

Brussel, 9 juli 2008

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

D. DIMITRIADIS


(1)  Besluit van de 13e Conferentie van de Partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering — actieplan.

(2)  Het EESC heeft hierover reeds verschillende belangrijk adviezen uitgebracht, zoals over Onderzoek en energie, en andere adviezen, die nog niets aan actualiteit hebben ingeboet. PB C 241 van 7.10.2002, blz. 13.

(3)  Pielke, R. Jr. e.a. Dangerous assumptions, Nature, Vol. 452/3 p. 531, 532, 3 april 2008.

(4)  COM(2007) 140 final van 28 maart 2007, Groenboek over marktconforme instrumenten voor milieu- en gerelateerde beleidsdoelstellingen.

(5)  Zie de werkdocumenten van de diensten van de Commissie SEC(2007) 1510 „Technology Map” en SEC(2007) 1511 „Capacities Map”.

(6)  Besluit van de 13e Conferentie van de Partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering — actieplan.


3.2.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 27/59


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Het verband tussen klimaatverandering en landbouw in Europa

(2009/C 27/14)

Het Franse voorzitterschap heeft bij brief d.d. 25 oktober 2007 het Europees Economisch en Sociaal Comité verzocht overeenkomstig artikel 262 van het EG-Verdrag een verkennend advies op te stellen over

Het verband tussen klimaatverandering en landbouw in Europa.

De gespecialiseerde afdeling Landbouw, plattelandsontwikkeling, milieu, die met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 4 juni 2008 goedgekeurd. Rapporteur was de heer RIBBE, corapporteur de heer WILMS.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 9 en 10 juli 2008 gehouden 446e zitting (vergadering van 9 juli) onderstaand advies uitgebracht, dat met 94 stemmen vóór en 30 tegen, bij 13 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Samenvatting van de conclusies en aanbevelingen van het Comité

1.1

Het Franse voorzitterschap heeft bij brief d.d. 25 oktober 2007 het EESC verzocht om een verkennend advies op te stellen over „Het verband tussen klimaatverandering en landbouw in Europa”. Daarbij is het EESC uitdrukkelijk gevraagd om tevens in te gaan op de problematiek van de biobrandstoffen.

1.2

Het EESC is zeer bezorgd over de negatieve effecten die de klimaatverandering zal hebben op de Europese landbouw en daarmee op de economische slagkracht van veel plattelandsgebieden. De effecten zullen waarschijnlijk het sterkst zijn in Zuid-Europa, met name vanwege de verwachte langere droogte en zelfs waterschaarste. Deze effecten kunnen leiden tot een volledige instorting van de landbouwactiviteiten. Maar ook in andere Europese regio's zullen landbouwers als gevolg van de klimaatverandering ernstige problemen krijgen, bijvoorbeeld in de vorm van sterk veranderde neerslagpatronen. Wellicht komen daar nog problemen met nieuwe of frequenter voorkomende plantenziekten of ongedierte bij.

1.3

Het is dan ook zaak dat de politiek voortvarend optreedt en het klimaatbeschermingsbeleid in alle andere beleidsterreinen integreert.

1.4

De landbouw is niet alleen slachtoffer van de klimaatverandering, maar draagt zelf ook bij aan de uitstoot van broeikasgassen; daarbij gaat het in de eerste plaats niet om emissies van CO2 maar van methaan en lachgas, die veroorzaakt worden door veranderingen in het grondgebruik en door de landbouwproductie zelf. Het EESC roept de Commissie op om nader te onderzoeken welke verschillen in klimaateffecten er bestaan tussen de diverse vormen van agrarisch grondgebruik, zodat op basis hiervan beleidsmaatregelen — bijv. in het kader van het steunbeleid — kunnen worden geformuleerd. In dit verband is het Comité ingenomen met de aankondiging van de Commissie dat zij de klimaatbescherming sterker in het gemeenschappelijk landbouwbeleid wil integreren.

1.5

De landbouw kan een belangrijke bijdrage leveren aan de klimaatbescherming door er onder meer voor te zorgen dat de in de bodem aanwezige koolstofreservoirs niet alleen behouden blijven, maar door middel van doelgerichte humusvorming nog worden vergroot door het energieverbruik te verminderen en met milieuvriendelijke methoden biomassa voor energiedoeleinden te produceren.

1.6

De toekomstige Europese strategie inzake biobrandstoffen, waarvan de contouren thans zichtbaar worden en die volgens de Commissie voor een groot deel gebaseerd is op de invoer van agrarische grondstoffen, is volgens het EESC een instrument dat ongeschikt is om op rendabele wijze klimaatdoelstellingen te realiseren, werkgelegenheid in de landbouw te scheppen en extra inkomsten te genereren. Deze strategie voor biobrandstoffen zou plaats moeten maken voor een weldoordachte nieuwe strategie voor biomassa die niet is gebaseerd op import, maar waarbij geprobeerd wordt om agrarische nevenproducten/agrarisch afval op veel grotere schaal om te zetten in bruikbare energie en om landbouwers een actieve rol te laten spelen in nieuwe, decentrale energiekringlopen.

2.   Hoofdpunten en achtergrond van het advies

2.1

De landbouw is de economische sector die het sterkst afhankelijk is van natuurlijke omstandigheden (en dus van het klimaat). De landbouw maakt gebruik van de klimatologische omstandigheden en beïnvloedt deze.

2.2

Ten grondslag aan de landbouw ligt een systematisch gebruik van zonne-energie via fotosynthese door planten om voor de mens bruikbare energie te produceren in de vorm van voedingsmiddelen en voeders. Ook wordt de door fotosynthese verkregen energie van oudsher gebruikt als warmtebron (bijv. biomassa in de vorm van hout).

2.3

Dat de landbouw zo uiteenlopend gestructureerd en zo divers is, is grotendeels terug te voeren op de klimatologische omstandigheden, die tot dusver gunstig zijn geweest voor de Europese landbouw. Dit houdt onder meer in dat een wijziging in de omstandigheden gevolgen moet hebben voor de landbouw en de hiermee samenhangende ecologische, economische en sociale structuren in de betreffende regio.

3.   Algemene opmerkingen

De negatieve invloed van de klimaatverandering op de landbouw

3.1

De klimaatverandering — met name de verwachte temperatuurstijging en de veranderde hoeveelheid neerslag — zal de landbouw in bepaalde Europese regio's zeer negatief beïnvloeden. Met name in Zuid-Europa zal de landbouwproductie wellicht worden lamgelegd door aanhoudende droogte (die zou kunnen leiden tot verwoestijning). Bovendien kunnen grote stukken landbouwareaal getroffen worden door branden (1). De economie van de betreffende regio's dreigt hierdoor volledig ontwricht te raken. Volgens alle wetenschappelijke studies zal de klimaatverandering leiden tot meer plagen en ziekten, waardoor de opbrengst van de belangrijkste voedselgewassen fors zal teruglopen. De wijziging in de levenscyclus van ziekteverwekkers zal aanleiding geven tot:

veranderingen in de geografische verspreiding van ziekteverwekkers;

veranderingen in de frequentie en ernst van ziekten;

een andere strategie om ziekten het hoofd te bieden.

3.2

In dit verband verwijst het EESC naar de diverse publicaties en initiatieven van de Commissie ter zake, zoals de Mededeling „De aanpak van waterschaarste en droogte in de Europese Unie” (2) en de daarin vervatte overwegingen en plannen, en naar het Groenboek „Aanpassing aan klimaatverandering”. Het EESC is van mening dat de Commissie de nadruk heeft gelegd op de noodzaak om zinvolle strategieën voor het grondgebruik te formuleren. Bovendien zijn er in diverse landen activiteiten in gang gezet.

3.3

Zowel de meeste burgers als de meeste politici zullen zich er waarschijnlijk moeilijk een voorstelling van kunnen maken wat het betekent wanneer in bijv. Zuid-Europa grote stukken landbouwareaal moeten worden opgegeven omdat er niet meer voldoende water beschikbaar is en omdat zich perioden met extreme temperaturen voordoen. Ook voor de werkgelegenheid in deze gebieden zal dit negatieve gevolgen hebben vanwege veranderingen in het grondgebruik.

3.4

In dit verband roept het EESC alle bestuurders ertoe op, alles in het werk te stellen om de negatieve effecten op de landbouw zoveel mogelijk te beperken door middel van een omvattend en ingrijpend programma ter bestrijding van de klimaatverandering. Bovendien moeten er maatregelen worden genomen om de landbouwactiviteiten aan te passen aan de klimaatverandering. De landbouwsector zal zich snel en efficiënt moeten aanpassen aan de veranderingen die het klimaat doormaakt, aangezien de continuïteit van de landbouw staat of valt met de genomen maatregelen.

3.4.1

Volgens het meest recente rapport van de OESO en de FAO zijn investeringen en innovatie sleutelfactoren in de strijd tegen klimaatverandering. Hierbij moet onder meer gedacht worden aan de bevordering van nieuwe plantensoorten en -variëteiten die beter zijn aangepast aan de klimaatverandering. Van bijzonder belang in dit verband zijn verbeteringen van plantaardig en dierlijk materiaal.

Het aandeel van de landbouw in de klimaatverandering

3.5

Het EESC acht het noodzakelijk dat er niet alleen wordt gediscussieerd over de negatieve effecten van de klimaatverandering op de landbouw, maar dat tevens aandacht wordt geschonken aan het aandeel van de landbouw in de klimaatverandering en maatregelen worden genomen om landbouwactiviteiten die schadelijk zijn voor het klimaat te beperken. Daarnaast moeten de uiteenlopende manieren waarop de landbouw een bijdrage kan leveren aan de strijd tegen de klimaatverandering in aanmerking worden genomen.

3.6

Het EESC is dan ook verheugd dat de Commissie in haar Mededeling over de „gezondheidscontrole” van de GLB-hervorming (3) het klimaatbeleid heeft aangemerkt als een van de vier nieuwe „uitdagingen” voor het GLB.

3.7

Volgens de IPCC-definitie is de landbouw rechtstreeks verantwoordelijk voor een uitstoot van 10-12 %. De totale bijdrage van de landbouw aan de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen wordt geschat op 8,5-16,5 miljard ton CO2e (4), wat overeenkomt met een aandeel van in totaal 17-32 % (5).

3.8

Het aandeel van de Europese landbouw in de uitstoot van broeikasgassen wordt veel lager geschat dan het aandeel van de landbouw in broeikasgasemissies wereldwijd. Op basis van een berekeningsmethode die door het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) wordt toegepast, noemt de Commissie het cijfer van 9 %. Sinds 1990 heeft de landbouw in de EU-27 haar uitstoot met 20 % teruggebracht, in de EU-15 was dat 11 % (6). De berekeningsmethode van het IPCC laat echter de door veranderingen in het grondgebruik ontstane emissies, het energieverbruik voor de vervaardiging van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen alsook de brandstof voor tractoren buiten beschouwing. Op grond hiervan becijfert bijv. de Commissie het aandeel van de landbouw in de emissies in Duitsland op 6 %, terwijl de Bondsregering op een cijfer van 11 tot 15 % komt doordat ze alle emissies meerekent die door de landbouw worden veroorzaakt.

De uiteenlopende effecten van broeikasgassen op de landbouw

3.9

De landbouw draagt slechts in geringe mate bij aan de netto-uitstoot van CO2. Dit komt voornamelijk doordat gewassen in eerste instantie CO2 opnemen en omzetten in organisch materiaal. Na gebruik van biomassa komt de tijdelijk opgenomen koolstof weer vrij in de vorm van CO2. Er is dus sprake van een grotendeels gesloten koolstofkringloop.

3.10

Volgens het Vierde evaluatieverslag van het IPCC (7) zijn het hoofdzakelijk de methaan- en lachgasemissies waarop het klimaatbeleid voor de landbouw zich moet toespitsen. De landbouw is verantwoordelijk voor ongeveer 40 % van de totale uitstoot van CH4 en N2O in Europa, en deze broeikasgassen hebben een zeer grote impact op het klimaat. Het global warming potential van lachgas is ca. 296 keer zo groot als dat van CO2, dat van methaan zo'n 23 keer zo groot.

3.11

Vier factoren zijn in klimatologisch opzicht van grote betekenis voor de landbouw, namelijk:

a)

de omvorming van bossen, veengrond, wetlands en grasland tot akkerland;

b)

broeikasgassen, die worden afgescheiden door landbouwgrond en boerderijdieren;

c)

de energie die op landbouwbedrijven en in toeleverende en afnemende sectoren wordt gebruikt, onder meer in de vorm van brandstoffen, mineraalhoudende meststoffen, pesticiden en andere vormen van procesenergie (8); en

d)

de productie van biomassa voor energie.

3.12

Algemeen gesproken is de omvorming van niet-landbouwgrond tot landbouwgrond van kapitaal belang, en nog veel belangrijker dan de bij de productie ontstane broeikasgassen en het energieverbruik in de landbouw. De ingebruikneming van grond als akkerland leidt per definitie tot het vrijkomen van broeikasgassen, aangezien de bodem van akkerland gemiddeld het laagste koolstofgehalte (9) bevat, woestijnen, halfwoestijnen en bebouwde gebieden buiten beschouwing gelaten.

3.13

De discussie over de kap van de regenwouden in het Amazonegebied en in Indonesië is dan ook van fundamenteel belang. Het EESC wijst erop dat er enig verband bestaat tussen de grootschalige houtkap in deze gebieden enerzijds en Europa en de Europese landbouw anderzijds (10).

Veranderingen in het grondgebruik/koolstofreservoirs

3.14

Het is een groot probleem dat in Europa dagelijks grote stukken grond worden bebouwd en daarmee voor de landbouwproductie en als koolstofreservoir verloren gaan. Het EESC betreurt dat de geplande richtlijn inzake bodembescherming, die in dit opzicht een belangrijke bijdrage zou kunnen leveren, nog steeds niet is goedgekeurd.

3.15

Er zijn zes grote koolstofreservoirs (11) die voor het klimaatbeleid van belang zijn. Hiervan zijn voornamelijk bovengrondse biomassa en bodems van betekenis voor de landbouw. Aangezien landbouw is gebaseerd op het jaarlijks oogsten van de geproduceerde biomassa, ontstaan boven de grond geen noemenswaardige nieuwe koolstofreservoirs in de vorm van biomassa.

3.16

De omvorming van bossen, veengrond en grasland tot akkerland leidt ertoe dat in de bodem opgeslagen koolstof vrijkomt. Voor de Europese landbouw is het dan ook zaak om grond waarin nog veel koolstof aanwezig is, te behouden. Door middel van passende steunmechanismen moet worden gezorgd voor stimulansen om de juiste landbouwmethoden toe te passen.

3.17

Op grond van de huidige inzichten moet alleen al uit het oogpunt van klimaatbescherming onverwijld een verbod worden uitgevaardigd op de omvorming van veengrond en bos.

3.18

De afgelopen decennia is in Europa op grote schaal grasland omgevormd tot akkerland, een proces waaraan ondanks diverse voorschriften (12) nog geen eind is gekomen en dat in sommige regio's juist is geïntensiveerd vanwege het toenemende gebruik van agro-energie.

3.19

De reden voor de intensievere omvorming van grasland tot akkerland is dat landbouwers met akkerland beduidend hogere winstmarges kunnen behalen. Beweiding is arbeidsintensiever, en met gewoon gras kunnen de runderen, van wie een hoge opbrengst wordt verwacht, niet meer de gewenste prestaties leveren. Ze hebben hiervoor „topvoer” nodig, dat echter alleen kan worden vervaardigd met een veel hogere energie-input.

3.20

Het EESC zal nauwlettend in de gaten houden hoe in het milieu- en landbouwbeleid — bijv. in de wetgevingsvoorstellen inzake de gezondheidscontrole van het GLB — met deze situatie wordt omgegaan. Het Comité roept op tot een diepgaande discussie over de wijze waarop een milieu- en klimaatvriendelijk grondgebruik weer rendabel kan worden gemaakt voor landbouwers.

Door landbouwproductie veroorzaakte broeikasgassen

3.20.1

Het gebruik van stikstofmeststoffen — of deze nu synthetisch of organisch zijn — is de voornaamste oorzaak van de uitstoot van lachgas. Bij gebruik van grote doseringen stikstof bestaat altijd het risico dat deze niet snel genoeg of niet volledig kunnen worden opgenomen door de gewassen, waardoor lachgas vrijkomt. Tot dusver was het milieubeleid hoofdzakelijk gericht op de vervuiling van het oppervlaktewater en het grondwater, maar met de huidige klimaatproblematiek is er een extra reden om voortaan kritischer naar de voedingsstoffenkringlopen te kijken.

3.20.2

De klimaatwetenschapper prof. Crutzen heeft de uitstoot van lachgas in de productieketen van koolzaad tot biodiesel onderzocht (13) en kwam tot de conclusie dat methylester van koolzaad vanwege hoge lachgasemissies uit mineraalhoudende meststoffen onder bepaalde omstandigheden nog schadelijker kan zijn voor het klimaat dan diesel van aardolie.

3.20.3

Een andere, hoewel kwantitatief minder belangrijke bron van lachgasemissies is de ontbinding van organische stoffen in de bodem, met name in de akkerbouw.

3.20.4

Methaanemissies in de Europese landbouw zijn voornamelijk afkomstig van herkauwers, met name runderen. Het EESC is zich ervan bewust dat de methaanuitstoot door herkauwers wereldwijd toeneemt (14) en dat dit probleem ernstiger zal worden naarmate de rundveestapel mondiaal groeit. In Europa is de rundveestapel de afgelopen jaren weliswaar geslonken (15), maar toch is Europa op dit gebied een netto-importeur.

3.21

De vleesconsumptie heeft invloed op het klimaat. Er zijn ongeveer 10 plantaardige calorieën nodig om één dierlijke calorie te produceren. Naarmate de consumptie van vlees toeneemt, moet meer veevoer worden geteeld, wat een hoger energieverbruik met zich meebrengt en de druk om het rendement van de landbouwgrond te doen stijgen vergroot. Met zijn relatief hoge vleesconsumptie importeert Europa een groot deel van zijn veevoeders, waarvan de teelt (bijv. soja in het Amazonebekken) vaak tot zeer ernstige problemen leidt. Derhalve pleit het EESC tevens voor de vaststelling en tenuitvoerlegging van een Europese strategie inzake eiwitten.

3.22

Niet alleen de geproduceerde hoeveelheid vlees, maar ook de veehouderijmethoden zijn van belang. Zo kunnen vlees en melk worden geproduceerd door middel van energie-extensieve beweiding, waarbij de koeien in het groeiseizoen gebruikmaken van grasland, waarvan de betekenis voor de klimaatbescherming tot dusver wordt onderschat. Vlees en melk kunnen echter ook afkomstig zijn van bedrijven met een hoge energie-input die geen gebruikmaken van grasland en hun vee voornamelijk voeren met ingekuilde maïs en andere energierijke voedergewassen.

Het energieverbruik in de landbouw

3.23

De landbouw heeft het voordeel dat het zonne-energie rechtstreeks omzet in voor gewassen bruikbare energie, maar dit voordeel wordt minder naarmate méér energie uit fossiele energiebronnen in het productieproces wordt gebracht, of naarmate plantaardige producten minder door de mens worden geconsumeerd maar in plaats daarvan worden „opgewaardeerd” tot dierlijke producten.

3.24

Terwijl bijv. biologische landbouwbedrijven geen gebruikmaken van industrieel vervaardigde, mineraalhoudende meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen die oplosbaar zijn in water, worden het energieverbruik en de klimatologische gevolgen van de traditionele landbouw door de toepassing van deze middelen negatief beïnvloed.

3.24.1

Uit bepaalde vergelijkende onderzoeken naar het gebruik van stoffen en energie in de landbouw en naar de opslag van koolstof blijkt dat de biologische landbouw gemiddeld een lagere energie- en stikstoftoevoer nodig heeft dan de traditionele landbouw. Zelfs wanneer de hogere opbrengsten van de traditionele landbouw in aanmerking worden genomen, is het global warming potential van de biologische landbouw geringer (16). Daarom wordt de bevordering van de biologische landbouw door bijv. de Duitse regering beschouwd als een bijdrage aan de klimaatbescherming (17).

3.24.2

Andere studies komen deels tot andere resultaten.

3.25

Daar er nog maar weinig en bovendien tegenstrijdige gegevens beschikbaar zijn, roept het EESC de Commissie op om nader te onderzoeken welke verschillen in klimaateffecten er bestaan tussen de diverse vormen van agrarisch en niet-agrarisch grondgebruik, zodat op basis hiervan beleidsmaatregelen — bijv. in het kader van het steunbeleid — kunnen worden geformuleerd.

De bijdrage van de landbouw aan de oplossing van de klimaatproblematiek

3.26

De landbouw kan er dan ook op velerlei manieren toe bijdragen dat er minder broeikasgassen worden uitgestoten dan nu het geval is. Voorbeelden hiervan zijn: ervan afzien om bossen, veengronden, wetlands en grasland te transformeren tot akkerland, de uitstoot van lachgas en methaan reduceren door middel van een duurzaam bodemgebruik, een zo structureel mogelijke bodembedekking (tussenteelt), het afwisselend verbouwen van uiteenlopende gewassen (bijv. ter bestrijding van ongedierte), een oordeelkundig gebruik van meststoffen etc.

3.27

Het energieverbruik werd lange tijd nauwelijks als problematisch ervaren, temeer daar energie zeer goedkoop was. Het EESC acht het dringend noodzakelijk om in de toekomst meer aandacht te schenken aan zeer energie-efficiënte landbouwmethoden en deze sterker te bevorderen. De biologische landbouw en de zgn. low-input productie (zoals extensieve beweiding) kunnen daartoe een kleine bijdrage leveren.

3.28

Experimenten met gemengde teelt geven veelbelovende resultaten te zien. Hierbij worden bijv. verschillende graansoorten, peulvruchten en oliehoudende gewassen op één en dezelfde akker verbouwd. Dit leidt tot een sterk verminderd gebruik van meststoffen en pesticiden, en vergroot tegelijkertijd de biodiversiteit en de vorming van humus.

3.29

Het gebruik van humus is van cruciaal belang voor de klimaatbescherming. Er moet in de toekomst naar worden gestreefd om met name op akkers een zo stabiel en hoog mogelijk humusgehalte te realiseren, wat in veel gevallen wisselbouw vereist. Het EESC roept de Commissie op om samen met onderzoeksinstellingen in de lidstaten de beschikbare studies te evalueren en zo nodig verder onderzoek te laten verrichten om een optimale aanpak vast te stellen en te bevorderen.

3.30

Ook moet worden nagegaan welke betekenis aan het traditionele gebruik van vaste mest moet worden toegekend. Verder moet worden onderzocht of het gebruik van het gehele gewas — zoals in het kader van de tweede generatie biobrandstoffen is gepland — niet indruist tegen de doelstelling van humusvorming.

4.   De landbouw als leverancier van bio-energie en biobrandstof

4.1

Het Franse voorzitterschap heeft het EESC verzocht om in dit advies ook in te gaan op biobrandstoffen. Uiteraard voldoet het EESC graag aan dit verzoek, maar het verwijst tevens naar zijn adviezen (18) ter zake, waarin het zijn uiterst kritische houding ten aanzien van de huidige strategie inzake biobrandstoffen uitgebreid motiveert.

4.2

Vanwege de hoge CO2-uitstoot van kolen, olie en aardgas overweegt men terecht om intensiever gebruik te gaan maken van rechtstreeks uit gewassen verkregen energie. Het EESC heeft herhaaldelijk laten weten in principe positief te staan tegenover het gebruik van bio-energie, maar zou willen wijzen op uitgangspunten die het noodzakelijk acht.

4.2.1

Het EESC benadrukt dat het recht op gezond voedsel uitdrukkelijk erkend wordt als belangrijk element van de rechten van de mens in breder verband. De productie van elementaire voedingsmiddelen moet prioriteit hebben boven de productie van energie.

4.2.2

Verder is het zaak dat voor de teelt van energiegewassen geen grond wordt gebruikt die momenteel grote concentraties koolstof bevat of van cruciaal belang is voor de biodiversiteit. Het EESC is verheugd dat de Commissie heeft ingezien dat aan de teelt van energiegewassen duurzaamheidscriteria ten grondslag moeten liggen. In zijn advies over het voorstel voor een richtlijn over „hernieuwbare energiebronnen” zal het EESC nader ingaan op de vraag of de in deze richtlijn genoemde duurzaamheidscriteria toereikend zijn of niet. Het EESC pleit voor duurzaamheidscriteria voor alle brandstoffen (ongeacht hun herkomst) en diervoeders.

4.2.3

Agrarisch afval en van landschapsbeheer afkomstige biomassa leveren in Europa een hoog energetisch potentieel, dat momenteel slechts in beperkte mate wordt benut omdat een gespecialiseerde (energie-intensieve) teelt van energiegewassen rendabeler is. Wat dit betreft heeft het steunbeleid tot dusver de verkeerde signalen uitgezonden.

4.2.4

Bij het gebruik van bio-energie dient de grootst mogelijke efficiëntie te worden nagestreefd. Het is zinloos om bijv. met behulp van maïs uit energie-intensieve teelt biogas te produceren wanneer de bij de stroomopwekking vrijgekomen warmte niet kan worden verkocht. Zo gaat ongeveer twee derde van de opgewekte energie namelijk meteen weer verloren.

4.2.5

De productie van energiegewassen vergt tegenwoordig vaak een hoge energietoevoer, en de aldus verkregen gewassen of oliën ondergaan vervolgens een energieverslindende industriële behandeling. Dit leidt ertoe dat het netto-effect op de energie- en klimaatbalans van veel biobrandstoffen schamel of zelfs negatief uitvalt.

4.2.6

Het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (GCO) van de Commissie betwijfelt in zijn studie Biofuels in the European Context dan ook dat de doelstelling van de Commissie om door middel van toevoeging van 10 % biobrandstof de uitstoot van broeikasgassen te verminderen, wel wordt gehaald. Andere studies (19) komen tot soortgelijke conclusies.

4.2.7

De studie van het GCO bevat een belangrijke overweging die volgens het EESC tot uitgangspunt van het beleid moet worden gemaakt. Verkregen biomassa moet namelijk daar worden gebruikt waar het rendement het grootst is. Efficiëntie, zo luidt het devies (20). Waarom zouden de moleculaire structuren van energie-intensieve gewassen industrieel verder moeten worden gewijzigd wanneer ze ook rechtstreeks voor het opwekken van energie kunnen worden gebruikt? Het GCO wijst erop dat door Europese thermische en elektriciteitscentrales evenveel olie wordt verbruikt als door voertuigen die op diesel rijden. Wanneer hier energiegewassen zouden worden gebruikt, zou 1 megajoule aan biomassa ongeveer 0,95 megajoule aan fossiele olie kunnen vervangen. Wanneer 1 megajoule aan biomassa evenwel in de vervoerssector wordt gebruikt, dan vervangt het slechts zo'n 0,35 tot 0,45 megajoule aan ruwe olie.

4.2.8

De uitstoot van broeikasgassen door de vervoerssector kan echter worden teruggedrongen door in te zetten op elektrische voertuigen, die rijden op energie die door middel van verbranding van biomassa is opgewekt.

4.3

In zijn advies over de „Energiemix in de vervoerssector” (21) merkt het EESC op dat in de vervoerssector de verbrandingsmotor zal worden vervangen door elektrische aandrijving. Het is zinloos om met energie uit gewassen even inefficiënt om te gaan als nu met biobrandstoffen het geval is.

4.4

In een vergelijkend onderzoek van de Empa (22) is berekend dat, om een VW Golf 10 000 km op biodiesel te laten rijden, een oppervlakte van 2 062 m2 nodig is voor de teelt van koolzaad. Er zou echter een oppervlakte van slechts 37 m2 aan zonnepanelen nodig zijn om de auto dezelfde afstand te laten rijden, wat neerkomt op ongeveer één zestigste van de voor koolzaad benodigde oppervlakte.

4.5

Ook moeten vraagtekens worden geplaatst bij het nut van het industrieel raffineren van plantaardige olie wanneer deze voor verbrandingsmotoren wordt gebruikt. Waarom worden de motoren niet aangepast aan de moleculaire structuur van de gewassen? Er zijn inmiddels motoren voor bijvoorbeeld tractoren en vrachtwagens ontwikkeld die op zuiver plantaardige olie lopen en voldoen aan alle emissienormen die de EU heeft vastgesteld of binnenkort gaat vaststellen. Dit soort innovaties moet meer steun krijgen.

4.6

De voor deze motoren benodigde olie kan in gemengde teelt worden geproduceerd, regionaal worden verwerkt en decentraal worden gebruikt. Dit houdt in dat landbouwers door middel van milieu- en klimaatvriendelijke low-input processen niet alleen hun eigen brandstof kunnen vervaardigen, maar ook nieuwe energiekringlopen op regionaal niveau in gang kunnen zetten. Energie-intensieve industriële verwerkingsprocessen worden dan overbodig!

4.7

Het EESC is derhalve van mening dat Europa niet zozeer een biobrandstoffenstrategie maar een beter doordachte Europese strategie inzake biomassa nodig heeft; deze laatste kan veel klimaatvriendelijker zijn en meer werkgelegenheid scheppen dan de huidige nieuwe strategie voor biobrandstoffen, die sterk zou leunen op de import van energiegewassen.

5.   Nieuwe banen dankzij een klimaatvriendelijke landbouw en landbouwpolitiek

5.1

De klimaatverandering vormt weliswaar een bedreiging voor de landbouw in bepaalde delen van Europa, maar kan voor diezelfde landbouw en de Europese werknemers tegelijkertijd een kans betekenen wanneer de landbouw zijn rol bij de herijking en de bevordering van het klimaatbeleid serieus neemt.

5.2

De landbouw blijft een belangrijke werkgever in de EU. In een Mededeling is de Commissie uitvoerig ingegaan op de ontwikkeling van de werkgelegenheid op het platteland (23). Daarin wijst ze erop dat de landbouw qua werkgelegenheid weliswaar tamelijk weinig gewicht in de schaal legt, maar desondanks van groot belang is voor het platteland. Volgens de Commissie valt te verwachten dat 4 tot 6 miljoen van de huidige 10 miljoen arbeidsplaatsen (voltijdequivalent) tussen nu en 2014 zullen verdwijnen.

5.3

Volgens de voorspellingen zal in veel landen een gebrek aan gekwalificeerd personeel ontstaan, met name aan leidinggevenden en aan werknemers die overweg kunnen met technisch gecompliceerde landbouwwerktuigen. Het tekort aan vakmensen wordt nog eens vergroot doordat de beschikbare arbeidsplaatsen weinig aantrekkelijk zijn. Het EESC heeft reeds nadrukkelijk gewezen op deze ontwikkeling en duidelijk gemaakt dat er een discussie over de kwaliteit van arbeid moet worden gevoerd (24).

Het werkgelegenheidspotentieel van bio-energie

5.4

Het potentieel voor de milieuvriendelijke productie van biomassa voor energiedoeleinden in Europa is in 2006 onderzocht in een studie van het Europees milieuagentschap. Wanneer biomassa afkomstig uit afval (bijv. huishoudelijk afval) en uit de bosbouw wordt meegerekend, kan hiermee in 2030 worden voorzien in 15-16 % van de geschatte primaire energiebehoefte van de EU-25. Hierdoor zouden in plattelandsgebieden 500 000 tot 600 000 arbeidsplaatsen behouden kunnen blijven en misschien zelfs nieuwe banen geschapen kunnen worden.

5.5

Of en hoeveel nieuwe arbeidsplaatsen dankzij de opwekking van bio-energie kunnen worden gecreëerd, zal voornamelijk afhangen van de gekozen strategie. De wetenschappelijke adviescommissie van het Duitse Ministerie van landbouw verwacht de gunstigste effecten op klimaat en werkgelegenheid wanneer de „opwekking van bio-energie door middel van warmtekrachtkoppelingsinstallaties dan wel verwarmingsinstallaties op basis van zaagsel of op basis van biogas uit gier en afval” centraal komt te staan. Wanneer de bevordering van bio-energie echter leidt tot verdringing van de veeteelt of — overeenkomstig de huidige tendens — tot de import van biobrandstoffen, zullen de effecten op de werkgelegenheid in plattelandsgebieden negatief zijn.

5.6

Dat de opwekking van bepaalde vormen van bio-energie in economisch, ecologisch en sociaal opzicht ook lonend kan zijn voor de landbouw en de regionale arbeidsmarkt, blijkt uit praktijkvoorbeelden van een geslaagde overgang naar gesloten cycli van bio-energie (zo hebben de gemeenten Murek en Güssing (Oostenrijk) en Jühnde (Duitsland) met hernieuwbare energie een verzorgingsgraad bereikt van soms wel 170 %). Deze indrukwekkende milieuprestatie gaat gepaard met een positief effect op de lokale arbeidsmarkt (ambachten), waarbij de nieuwe werkgelegenheid voor landbouwers die de grondstoffen leveren nog niet eens is meegerekend. (25)

5.7

Aangezien de verschillen in inkomen en welvaart tussen steden en plattelandsgebieden naar verwachting groter zullen worden, dient in het werkgelegenheidsbeleid speciale aandacht te worden geschonken aan plattelandsgebieden. Dankzij de duurzame teelt van energiegewassen en de omzetting daarvan in energie, kan op het platteland werkgelegenheid worden behouden en geschapen indien deze meerwaarde voor de betreffende regio behouden blijft.

De kwaliteit van de werkgelegenheid in de landbouw waarborgen

5.8

Het klimaat kan alleen worden beschermd met behulp van gekwalificeerde werknemers. Met het oog hierop moet het bedrijfsleven de noodzakelijke randvoorwaarden scheppen voor de bijscholing van werknemers.

Sociale normen vaststellen en handhaven

5.9

Algemeen wordt aangenomen dat de vraag naar biomassa die uit ontwikkelingslanden of opkomende economieën wordt ingevoerd, verder zal toenemen. Eventuele kostenvoordelen mogen daarbij niet worden behaald ten koste van de ecologische en sociale levensvoorwaarden in de producerende landen. Bij de productie van bio-energie dienen derhalve de fundamentele arbeidsnormen en de voorschriften voor gezondheid en veiligheid op het werk van de IAO te worden nageleefd (26).

Participatie van werknemers en vakbonden

5.10

De structurele veranderingen in de landbouw zullen een grote impact hebben op de kwaliteit van de werkgelegenheid en op het inkomen. Werknemers en vakbonden moeten dan ook worden betrokken bij deze veranderingsprocessen. Aangezien de medezeggenschapsregelingen in Europa sterk uiteenlopen, moet in de bestaande Europese en nationale structuren meer rekening worden gehouden met de wensen van werknemers in de landbouw ten aanzien van medezeggenschap. Dit is met name van belang omdat dankzij deze vormen van voorlichting en gedachtewisseling arbeidsplaatsen kunnen worden gewaarborgd en behouden.

5.11

Het in 1999 opgerichte Europees Comité voor de sociale dialoog in de landbouw is een vertegenwoordigend orgaan van de sociale partners voor vraagstukken op het gebied van werkgelegenheid en de toekomstige invulling van de nieuwe taken van de landbouwsector, en is als zodanig een gekwalificeerd orgaan voor advies en expertise. Het EESC zou graag zien dat de Commissie de functie van dit orgaan versterkt, mede met het oog op het klimaatbeleid. Op nationaal niveau moeten de sociale partners als deskundigen op het gebied van klimaatgerelateerde landbouwvraagstukken sterker worden vertegenwoordigd in de toezichtcomités voor plattelandsontwikkeling.

Brussel, 9 juli 2008.

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

D. DIMITRIADIS


(1)  Bijv. de bosbranden in Griekenland in 2007, waardoor o.m. olijfboomplantages werden verwoest.

(2)  COM(2007) 414 final van 18 juli 2007, EESC-advies, goedgekeurd op 29 mei 2008 (PB C 224 van 30.8.2008, blz. 67).

(3)  COM(2007) 722 final.

(4)  CO2e = koolstofequivalent.

(5)  Cool Farming: Climate impacts of agriculture and mitigation potential, studie van Greenpeace, december 2007.

(6)  Bron: Europees Milieuagentschap, EEA Report 5/2007.

(7)  IPCC WG III Chapter 8 (2007), Agriculture.

(8)  Tot de voederproblematiek aan toe.

(9)  Na zeeën zijn bodems het grootste reservoir van koolstof. Om enkele cijfers te noemen (het EESC is zich ervan bewust dat er soms duidelijke afwijkingen zijn): de bodem van akkerland bevat zo'n 60 ton koolstof per hectare, grasland en bosgrond zelfs twee keer zoveel (in het geval van bossen moet ook de in de bomen opgeslagen koolstof worden meegerekend). Een hectare veengrond bevat tot 1 600 ton koolstof.

(10)  Trefwoord: de productie van soja als voedermiddel voor Europese boerderijdieren, de vervaardiging van palm- of purgeerolie voor energiedoeleinden (biobrandstof).

(11)  Olie-, kolen- en gasvoorraden, de bovengrondse biomassa, de in de bodem opgeslagen koolstof, en de oceanen.

(12)  Zie bijv. de „Cross Compliance-criteria”.

(13)  „N 2 O release from agro-biofuel production negates global warming reduction by replacing fossil fuels”, in: Atmos. Chem. Phys. Discuss., 7, 11191-11205, 2007

(14)  Zo'n 3,3 miljard ton CO2e per jaar.

(15)  De rundveestapel wereldwijd: 1 297 miljoen dieren in 1990 en 1 339 miljoen dieren in 2004; in de EU-25: 111,2 miljoen dieren in 1990 en 86,4 miljoen dieren in 2004; in China: 79,5 miljoen dieren in 1990 en 106,5 miljoen dieren in 2004.

(16)  Zie onder meer de thematische bijdrage „Klimaschutz und Öko-Landbau” (Klimaatbescherming en biologische landbouw) in: Ökologie & Landbau, nummer 1/2008.

(17)  Antwoord van de Bondsregering op een Kamervraag van de fractie BÜNDNIS 90/Die Grünen over „Landbouw en klimaatbescherming”, document 16/5346, paragraaf 13.

(18)  PB C 44 van 16.2.2008, blz. 34, en het lopende advies TEN/338 over het voorstel voor een richtlijn over „hernieuwbare energiebronnen”, COM(2008) 19 final.

(19)  Bijv. van de wetenschappelijke adviescommissie van het Duitse Ministerie van landbouw.

(20)  PB C 162, 25.6.2008, blz. 72.

(21)  PB C 162, 25.6.2008, blz. 52.

(22)  Empa is een onderzoeksinstituut voor materiaalwetenschappen en technologie, en maakt deel uit van de Eidgenössische Technische Hochschule Zürich (ETH).

(23)  COM(2006) 857 final „Werkgelegenheid in plattelandsgebieden: de banenkloof dichten”.

(24)  PB C 120 van 16.5.2008, blz. 25.

(25)  Meer hierover op www.seeg.at.

(26)  http://www.ilo.org/global/What_we_do/InternationalLabourStandards/lang--en/index.htm.


3.2.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 27/66


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG teneinde de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten van de Gemeenschap te verbeteren en uit te breiden

COM(2008) 16 final — 2008/0013 COD

(2009/C 27/15)

De Raad heeft op 13 februari 2008 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 175 van het EG-Verdrag te raadplegen over het:

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG teneinde de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten van de Gemeenschap te verbeteren en uit te breiden.

De gespecialiseerde afdeling Landbouw, plattelandsontwikkeling, milieu, die met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 4 juni 2008 goedgekeurd. Rapporteur was de heer Adams.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 446e zitting op 9 en 10 juli 2008 (vergadering van 9 juli) het volgende advies uitgebracht, dat met 124 stemmen vóór en 2 stemmen tegen, bij 8 onthoudingen werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Het belang van de regeling voor de handel in emissierechten (ETS) zal worden gemeten aan de impact ervan op de broeikasgasemissies in Europa. Een en ander hangt tevens af van de vraag of deze regeling een voorbeeldfunctie kan vervullen en in staat is wereldwijde actie op dit gebied op gang te brengen en/of tot een alomvattend wereldwijd systeem uit te groeien. In deze context zij het volgende opgemerkt:

Het EESC steunt het voorstel om meer emissierechten te veilen omdat dit strookt met het beginsel „de vervuiler betaalt”. Voorts wordt aldus een eind gemaakt aan winstbejag („windfall profits”), worden installaties en producten met een lage koolstofuitstoot aangemoedigd en gefinancierd en wordt innovatie bevorderd.

Bij gebrek aan een werkzame internationale overeenkomst inzake klimaatverandering die alle betreffende bedrijven wereldwijd emissiereductieverplichtingen oplegt, moeten, teneinde een weglekeffect (carbon leakage) te voorkomen, maatregelen worden overwogen om specifieke energie-intensieve sectoren en subsectoren te beschermen die aan internationale concurrentie onderhevig zijn. EU-ETS mag geen negatieve invloed hebben op het concurrentievermogen van de Europese industrie.

Regelgeving inzake veilingen moet zo spoedig mogelijk worden voorbereid en goedgekeurd om onnodige onzekerheid te vermijden.

De Commissie moet met voorstellen komen waarin wordt aangegeven hoe de verbintenis om de 20 %-emissiereductie tot 30 % op te trekken kan worden nagekomen ingeval een internationale overeenkomst wordt gesloten.

Alles moet in het werk worden gesteld om een gemeenschappelijke basis te creëren voor koppeling met nieuwe cap and trade-wetgeving in de VS en andere OESO-landen.

Maritiem vervoer moet worden opgenomen in de ETS-regeling als de Internationale Maritieme Organisatie niet spoedig met doeltreffende voorstellen komt.

1.2

ETS moet een koolstofluwe economie bevorderen en klimaatbescherming, alsook aanpassing aan en bestrijding van klimaatverandering aanmoedigen.

Emissierechten kunnen alleen gratis worden toegewezen in de context van strikte benchmarking en prestatiegebonden doeleinden.

Ten minste 50 % van de inkomsten van de veiling van emissierechten moet worden gebruikt om de maatregelen, zoals bedoeld in artikel 10.3.a-f, te ondersteunen.

Factoren die de bijdrage en ontwikkeling van warmtekrachtkoppeling en doeltreffende stadsverwarmingssystemen kunnen belemmeren, moeten worden weggewerkt.

Meer dan thans in het maatregelenpakket van de Commissie het geval is, moet aandacht worden geschonken aan maatregelen op het gebied van bosbouw (bossen als opslagplaatsen van koolstof), ontbossing en landgebruik.

1.3

In het kader van ETS moet worden gestreefd naar beperking van de bureaucratische obstakels en naar duidelijkheid en transparantie.

De maatregelen in het voorstel waarvan de ontwikkeling thans afhangt van de comitéprocedure, moeten dringend worden bekeken en verduidelijkt.

De Commissie moet overwegen om de grenswaarden voor uitsluiting van kleine installaties op te trekken van 10 000 tot 25 000 ton koolstofdioxide, op voorwaarde dat gelijkwaardige compenserende maatregelen worden getroffen.

1.4

ETS moet binnen de EU als een rechtvaardig systeem fungeren; tegelijkertijd moet de dringende behoefte van pas geïndustrialiseerde en minder ontwikkelde landen worden erkend om duurzame groei te creëren en armoede tegen te gaan.

Er moet worden gestreefd naar een evenwichtiger verdeling van de lasten tussen de sectoren die onder ETS vallen en die erbuiten.

De gevolgen van de beperking van het gebruik van credits van mechanismen als de Joint Implementation (JI — gemeenschappelijke uitvoering) en het Clean Development Mechanism (CDM — mechanisme voor schone ontwikkeling) bij gebrek aan een internationale overeenkomst moeten opnieuw worden bekeken.

Er moet een oplossing worden bedacht voor mogelijke problemen die kunnen ontstaan in Oost-Europese lidstaten waar het overgrote deel van de elektriciteit niet door de EU maar door Rusland wordt geleverd.

2.   Inleiding

2.1

De ETS-regeling is in oktober 2003 vastgesteld bij Richtlijn 2003/87/EG. Doel is factoren van klimaatverandering, met name antropogene broeikasgassen, onder controle te houden door te voorzien in economische stimuli om de emissies te beperken. Het gaat om een cap and trade-regeling, waarbij een plafond (cap) is vastgesteld voor de hoeveelheid vervuilende stof (vooral CO2) die mag worden uitgestoten. De ETS-regeling is het belangrijkste EU-mechanisme om broeikasgassen te beperken, en geniet de voorkeur boven rechtstreekse brandstofbelasting of rechtstreekse regelgeving.

3.   Algemene beginselen

3.1

De huidige ETS-regeling geldt voor ruim 10 000 installaties in de energie- en industriesector, die samen goed zijn voor 40 % van de broeikasgasemissies in de EU. Installaties krijgen ex ante emissievergunningen en dienen een hoeveelheid emissierechten (of credits) in te leveren die overeenkomen met het recht om een bepaalde hoeveelheid uit te stoten, gelijk aan hun werkelijke emissies. Het totale aantal rechten en credits mag niet hoger zijn dan het plafond, dat het niveau aangeeft waartoe het totale aantal emissies wordt beperkt. Bedrijven die meer broeikasgassen uitstoten dan zij over rechten beschikken, moeten credits kopen van anderen die minder vervuilen of bij veilingen van verdere emissierechten.

3.2

Het gaat hierbij om handel in emissierechten. Iedere installatie die onder de regeling valt en vervuilende stoffen uitstoot, betaalt immers voor die vervuiling, terwijl een installatie die minder uitstoot dan toegelaten is, beloond wordt. Bedrijven die emissies gemakkelijk en goedkoop kunnen beperken, zullen dat in theorie dan ook doen en de vervuiling aldus verminderen tegen de laagst mogelijke prijs voor de samenleving. In de ETS-regeling staat een „emissierecht” voor het recht om in een bepaalde periode 1 ton koolstofdioxide uit te stoten; andere broeikasgassen worden in CO2-equivalenten omgezet.

3.3

Lidstaten kunnen ook toestaan dat credits van emissiearme projecten in derde landen worden gebruikt op dezelfde wijze als met rechten gebeurt. Dergelijke projecten moeten erkend zijn in het kader van mechanismen als het Joint Implementation (JI — gemeenschappelijke uitvoering) en het Clean Development Mechanism (CDM — mechanisme voor schone ontwikkeling) in het kader van het protocol van Kyoto.

4.   ETS-handelsperioden

4.1   Eerste ETS-handelsperiode 1.1.2005-31.12.2007

4.1.1

Tijdens de eerste leerfase werd voorzien in de infrastructuur voor emissiehandel. De doeltreffendheid daarvan was erg beperkt daar de lidstaten te veel rechten toekenden (de lidstaten stelden voor de eerste en de tweede fase nationale toewijzingsplannen op waarin het totale emissieniveau werd aangegeven, alsook het aantal rechten dat iedere installatie kreeg). De prijs van de rechten liep tijdens deze periode sterk uiteen en de koolstofprijs stortte tegen het eind van de eerste handelsperiode zelfs in.

4.1.2

Er kwam een golf van kritiek op de ETS-regeling, vooral wat betrof de oorspronkelijke toewijzingsmethodes en het gebruik van de opbrengsten, het niveau van het plafond, problemen i.v.m. rechtvaardige toewijzing, complexiteit, monitoring en handhaving, het risico van overplaatsing van ondernemingen met een grote uitstoot naar andere landen die geen regeling ter zake hanteren, de waarde, geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van JI/CDM-credits en het opleggen van nadelige productiekosten in de toekomst. Het werd duidelijk dat met deze kwesties rekening moest worden gehouden bij een herziening van ETS zodat de regeling bij zowel industrie als NGO's aan geloofwaardigheid zou winnen.

4.2   Tweede ETS-handelsperiode 1.1.2008-31.12.2012

4.2.1

Deze fase geldt voor alle 27 lidstaten en valt samen met de eerste verbintenisperiode van het Kyoto-Protocol en de eis tot beperking van de broeikasgassen. Tot dusver vertoont de prijs van de rechten een vaste opwaartse tendens en ligt hij op een niveau dat reductiemaatregelen sterk aanmoedigt. De huidige prijs (mei 2008) bedraagt ca. 25 euro per ton. Voor deze periode heeft de Commissie een systematische evaluatie gemaakt van de plafonds die door de lidstaten op basis van geverifieerde emissies zijn voorgesteld; als resultaat daarvan is voor emissies van ETS-sectoren een plafond vastgesteld dat gemiddeld 6,5 % lager ligt dan het niveau van 2005. In de tweede handelsperiode zijn er weinig andere punten waarop het systeem moet worden gewijzigd of aangepast hoewel emittenten actief blijven reageren en zich aanpassen. Data worden geverifieerd en er wordt steeds meer ervaring met emissiehandel opgedaan. In beide gevallen wordt hiermee het concept dat aan de regeling ten grondslag ligt, grotendeels bevestigd.

4.3   Derde ETS-handelsperiode 2013-2020

4.3.1

De Commissie stelt nu ingrijpende veranderingen in de ETS-regeling voor die tijdens deze fase van kracht zullen worden. Dit is wat met de wijziging van Richtlijn 2003/87/EG wordt beoogd.

5.   Samenvatting van de voorgestelde wijziging van de Richtlijn

5.1

Hoewel EU-ETS 's werelds grootste koolstofmarkt heeft gecreëerd (1), was de oorspronkelijke buitensporige toekenning van gratis rechten via nationale actieplannen een stap achteruit, die zeker niet heeft bijgedragen tot een doeltreffende emissiereductie in ETS-sectoren in de EU. Gelet op de duidelijke verbintenissen inzake reductie van broeikasgasemissies is het van fundamenteel belang ETS te herzien teneinde een koolstofprijssignaal te geven voor de lange termijn, stimulansen te bieden voor investeringen met geringe CO2-uitstoot en de EU-economie om te vormen tot een koolstofarme economie.

5.2

De wijzigingen zijn gericht op:

invoering van een voor de hele EU geldend emissierechtenplafond i.p.v. 27 nationale plafonds (aan de nationale actieplannen komt een einde);

verhoging van het aantal rechten dat wordt geveild en harmonisering van de regels voor gratis toewijzing, teneinde koolstofarme technologieën te bevorderen;

vaststelling van een deel van de te veilen rechten op basis van het inkomen per hoofd van de bevolking;

stroomlijning van sleuteldefinities en verduidelijking op juridisch en technisch gebied;

integratie van nieuwe sectoren (petrochemische chemicaliën, ammoniak en aluminium) en nieuwe broeikasgassen (distikstofoxide en perfluorkoolstoffen), waarmee het toepassingsgebied van de richtlijn met 6 % wordt vergroot;

mogelijke uitsluiting van kleinere installaties van de ETS-regeling, onder voorbehoud van compenserende maatregelen;

vaststelling van regels voor het gebruik van credits die afkomstig zijn van projecten voor gezamenlijke uitvoering (JI) of schone ontwikkeling (CDM).

5.3

Vanaf 2013 zullen de rechten jaarlijks verminderen (2), wat in 2020 zal resulteren in een vermindering met 21 % van de broeikasgassen in de ETS-sectoren in de EU, vergeleken met 2005. Dit reductieproces zal in hetzelfde tempo in de vierde fase (2021-2028) worden voortgezet. Tegelijkertijd zal het aandeel rechten dat wordt geveild, worden vergroot en zal het in 2013 minstens 60 % bedragen. Voorgesteld wordt dat de sector van de elektriciteitsproductie geen gratis rechten krijgt toegewezen en dus vanaf 2013 alle rechten op veilingen of op de secundaire markt zal moeten kopen; voor de andere sectoren zullen de gratis rechten tegen 2020 geleidelijk worden afgeschaft. Een uitzondering zal worden gemaakt voor sectoren waarvan wordt geacht dat zij een aanzienlijk risico lopen op een weglekeffect, d.w.z. overplaatsing van activiteiten naar landen zonder vergelijkbare emissiebeperkingen, waardoor de wereldwijde broeikasgasemissies zouden kunnen toenemen. Dergelijke sectoren kunnen gratis tot 100 % van de rechten krijgen. Dit besluit zal in 2011 worden genomen. De lidstaten zullen de veilingen organiseren, en aangemoedigd — maar niet verplicht — worden om de opbrengsten in klimaatvriendelijke maatregelen te investeren.

5.4

De zekerheid wordt geboden dat JI/CDM-credits (van derde landen) die nu door bedrijven in de EU kunnen worden gekocht, gebruikt kunnen worden in de periode tot 2020. Het totale aantal in deze periode te gebruiken credits is gelijk aan de totale hoeveelheid die voor gebruik is toegestaan in de tweede handelsperiode, d.i. 1,4 miljard rechten, wat overeenkomt met een derde van de totale reductie-inspanning. Als de EU zijn reductie-inspanning in de context van een internationaal klimaatpact opvoert, kan 50 % van de extra inspanning via JI/CDM-credits worden verwezenlijkt.

5.5

Hoewel uit landgebruik gegenereerde credits (opslagplaatsen van koolstof, zoals bossen) niet zullen worden toegestaan, zou dit wel het geval kunnen zijn voor EU-credits uit emissiereducerende regelingen die buiten ETS vallen, op voorwaarde dat duidelijke regels worden opgesteld.

5.6

Er is voor gezorgd dat EU-ETS kan worden gekoppeld aan andere handelsregelingen teneinde de ontwikkeling van een wereldwijd systeem aan te moedigen.

5.7

Ingeval een internationale overeenkomst wordt gesloten zal het aantal ETS-rechten in overeenstemming met deze overeenkomst worden verminderd, terwijl er een groter beroep zal kunnen worden gedaan op CDM's.

5.8

Er wordt voorzien in 5 % toewijzingen voor nieuwe installaties die zich na 2013 bij de regeling aansluiten. Waarschijnlijk zullen vliegtuigemissies tegen het eind van de tweede handelsperiode onder ETS komen te vallen, maar deze kwestie wordt in een afzonderlijk voorstel behandeld (3).

5.9

Er is niet voorzien in het opnemen van maritiem vervoer in de ETS-regeling.

6.   Algemene opmerkingen

6.1

EU-ETS is geen academisch tijdverdrijf en evenmin een soort „groene” belasting. Het is een combinatie van enerzijds een marktgestuurde aanpak met anderzijds regelgeving en algemene richtsnoeren die via een politiek proces worden aangereikt en aangepast. Individuele bedrijven kunnen vrij kiezen of en hoe zij hun emissies willen terugdringen en dienen de meest kostenefficiënte manier te zoeken om de regelgeving na te leven. ETS is er daarom vooral op gericht stimuli aan te reiken die de kosten drukken om de reductiedoelstelling te verwezenlijken. Het Comité onderschrijft deze aanpak.

6.2

De kosten van de huidige reductiedoelstelling — om tegen 2050 de hoeveelheid broeikasgassen in de atmosfeer op 450-550 ppm te houden — worden geraamd op ca. 1 % van het globale BBP. Indien niet doeltreffend genoeg wordt opgetreden, kan het globale BBP met 20 % dalen (4). Uit het steeds toenemende bewijsmateriaal en onderzoek (5) blijkt evenwel dat de productie van broeikasgassen stijgt en de absorptiecapaciteit van de aarde afneemt; de vraag rijst dan ook of de reductiedoelstellingen wel adequaat zijn.

6.3

ETS streeft in feite naar een duidelijke voortrekkersrol bij hetgeen een wereldwijde inspanning moet worden. Een en ander gebeurt in een geglobaliseerde context daar de atmosfeer wereldwijd gemeengoed is. Evaluatie van het systeem gaat daarom noodzakelijkerwijs samen met interactie met en impact op wereldwijde vervuilers.

6.4

Opgemerkt zij dat ontwerpwetgeving in de VS, die onder de nieuwe regering in werking moet treden, gebaseerd is op een cap and trade-regeling met vergelijkbare kenmerken. Een gemeenschappelijke regeling voor de VS en de EU zou een bijzonder belangrijke stap voorwaarts zijn in het streven naar een wereldwijd systeem; koppelingen met andere voorgestelde regelingen in OESO-landen zijn eveneens belangrijk.

6.5

Het EESC schenkt daarom bijzondere aandacht aan de mate waarin ETS een billijke en duurzame impact kan uitoefenen op wereldwijde reductie van broeikasgassen. Kan het aantonen dat het Europese optreden geloofwaardig en doeltreffend is? In deze context zij opgemerkt dat de EU-doelstelling van 20 %-reductie van broeikasgassen tegen 2020 ten opzichte van de niveaus in 1990 (waarop ETS en de voorstellen voor lastenverdeling gebaseerd zijn) minder hoog mikt dan de reductie van 25 à 40 % voor geïndustrialiseerde landen waarvoor de EU op de klimaatveranderingsconferentie van Bali in december 2007 heeft gepleit. De Commissie hanteert de doelstellingen die door de Europese Raad in het voorjaar van 2007 zijn overeengekomen. Zij laat daarbij buiten beschouwing of dit reductieniveau werkelijk volstaat om de wereldwijde doelstellingen te verwezenlijken, dan wel alleen de wellicht maximaal aanvaardbare reductie aangeeft, rekening houdend met het evenwicht tussen de politieke en economische kortetermijnbelangen van de lidstaten. Het EESC concludeert dat het op basis van het toegenomen bewijsmateriaal betreffende de klimaatverandering zaak is de doelstellingen bij te stellen teneinde de broeikasgasemissies sterker terug te dringen.

6.6

Het Comité onderschrijft het voorstel om meer gebruik te maken van veiling van rechten. Veiling van rechten strookt met het beginsel „de vervuiler betaalt”, voorkomt winstbejag („windfall profits”), geeft prikkels en genereert middelen voor investering in installaties en producten met een lage koolstofuitstoot en bevordert aldus innovatie.

6.7

Tal van vragen die het Europese bedrijfsleven in het algemeen aanbelangen, zijn thans nog onopgelost. De belangrijkste problemen hangen samen met het feit dat een herzien ETS concurrentienadelen zal meebrengen voor bedrijven, met name ten opzichte van pas geïndustrialiseerde landen buiten de EU. Deze landen argumenteren, deels terecht, dat niet kan worden genegeerd dat broeikasgasemissies o.m. te wijten zijn aan twee eeuwen van westerse industrialisatie en dat ook rekening moet worden gehouden met hun streven om grote delen van hun bevolking uit de armoede te halen. Om tot een internationale overeenkomst en een oplossing van deze kwesties te komen, zal meer ondersteuning en begrip voor deze factoren nodig zijn van consumenten en bedrijfsleven in OESO-landen.

7.   Specifieke opmerkingen

7.1

Wil EU-ETS een wereldwijde norm voor de koolstofmarkt worden, dan moet de regeling zo solide en doeltreffend mogelijk zijn. Het EESC formuleert daarom de volgende aanbevelingen.

7.1.1

Alleen bij gebrek aan een werkzame internationale overeenkomst inzake klimaatverandering die alle betreffende bedrijven wereldwijd emissiereductieverplichtingen oplegt, mag worden overwogen bepaalde grote energie-intensieve sectoren en subsectoren die aan internationale concurrentie onderhevig zijn, gratis rechten toe te kennen. EU-ETS mag geen negatieve invloed hebben op het concurrentievermogen van de Europese industrie.

7.1.2

Zo mogelijk moet nog vroeger een besluit worden genomen betreffende sectoren die, wegens het risico op een weglekeffect, gratis rechten krijgen. Deze sectoren zullen tegen juni 2010 worden geïdentificeerd maar er moet vroeger een besluit worden genomen, in samenhang met de richtlijnen, teneinde onzekerheid in het investeringsklimaat te voorkomen en ervoor te zorgen dat de betrokken sectoren de nodige langetermijnplannen kunnen maken.

7.1.3

Hoewel veiling de belangrijkste methode van toewijzing van emissierechten moet worden, zijn er nauwelijks aanwijzingen hoe dergelijke veilingen moeten worden georganiseerd. Vermelden dat een verordening inzake veilingen pas tegen 31 december 2010 zal worden ingevoerd, zorgt voor extra onzekerheid voor alle deelnemers aan EU-ETS gelet op de enorme investeringen die binnenkort in de energiesector moeten worden gedaan.

7.1.4

Er moet worden gestreefd naar een evenwichtiger verdeling van de lasten tussen de sectoren die onder ETS vallen en die erbuiten. Het EESC vraagt zich af of de verdeling van de reductieverplichtingen tussen sectoren die onder ETS vallen (- 21 % ten opzichte van de emissieniveaus van 2005) en de overige sectoren (- 10 % ten opzichte van de 2005-niveaus) gerechtvaardigd is. Uit onderzoek (6) blijkt dat in sommige sectoren die niet onder ETS vallen, met name de twee grootste, nl. de bouwsector en het vervoer, mogelijkheden bestaan om emissies zonder kosten en zelfs tegen negatieve kosten te reduceren. Bovendien zijn er sectoren waar het risico op een weglekeffect relatief klein is of helemaal niet bestaat. De bouwsector heeft voorts een groot potentieel om nieuwe banen te scheppen in de EU.

7.1.5

Als de luchtvaartsector zich bij de regeling aansluit, moeten alle rechten voor die sector worden geveild (7).

7.1.6

Gelet op de toenemende broeikasgasemissies van de scheepvaart (wereldwijd 1,12 miljard ton — tweemaal zoveel als van de luchtvaart (8)) moet de Commissie met voorstellen komen om maritiem vervoer in ETS op te nemen indien de Internationale Maritieme Organisatie niet onverwijld met doeltreffende voorstellen komt.

7.1.7

De opbrengsten die via het veilen van rechten worden gegenereerd en die thans op 50 miljard euro per jaar voor de periode tot 2020 worden geraamd, zouden voor een veel groter deel moeten worden aangewend voor klimaatbescherming, bestrijdings- en aanpassingsmaatregelen — met bijzondere aandacht voor kwetsbare en minder ontwikkelde landen — alsook voor O&O. De in art. 10, lid 3, van het voorstel vermelde 20 % van de inkomsten is daarvoor onvoldoende; aldus wordt de kans gemist om de overgang naar een koolstofarme economie een krachtige impuls te geven. Het EESC beveelt aan dit aandeel op te trekken tot ten minste 50 % van de inkomsten. Er moet aandacht worden geschonken aan ondersteuning van de rol van bosbouw, bebossing en de preventie van ontbossing zowel in de EU als elders waar kan worden aangetoond dat bossen een doeltreffende opslagplaats voor koolstof zijn.

7.1.8

Er moet meer duidelijkheid en transparantie worden geschapen m.b.t. de in het voorstel vermelde maatregelen waarvan de ontwikkeling thans van de comitéprocedure afhangt.

7.1.9

De Commissie moet overwegen om de grenswaarden voor uitsluiting van kleine installaties op te trekken van 10 000 tot 25 000 ton koolstofdioxide, op voorwaarde dat gelijkwaardige compenserende maatregelen worden getroffen.

7.1.10

In het voorstel moet duidelijker worden aangegeven hoe de EU haar verbintenis zal nakomen om de CO2-reductie van 20 tot 30 % op te voeren wanneer een internationale overeenkomst is bereikt.

7.1.11

Om een averechts effect op de groei en de bijdrage van regelingen voor warmtekrachtkoppeling te voorkomen, wordt er bij de lidstaten op aangedrongen hun „feed-in”-tarieven opnieuw te bekijken.

7.1.12

Er moeten maatregelen worden genomen om te voorkomen dat doeltreffende voorbeelden van programma's voor stadsverwarming in een kwaad daglicht worden gesteld.

7.1.13

Er moet een oplossing worden bedacht voor mogelijke problemen die kunnen ontstaan in Oost-Europese lidstaten waar het overgrote deel van de elektriciteit niet door de EU maar door Rusland wordt geleverd.

7.7.14

Het huidige voorstel om het mogelijke gebruik van JI/CDM-credits in afwachting van een internationale overeenkomst te beperken moet opnieuw worden bekeken, met name in het licht van het averechtse effect op de internationale kapitaalmarkt die zich voor financiering van dergelijke programma's ontwikkelt.

Brussel, 9 juli 2008.

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

D. DIMITRIADIS


(1)  De Wereldbank, State and Trends of the Carbon Market, mei 2007.

(2)  Van 1 974 miljoen tot 1 720 miljoen equivalentton CO2.

(3)  Advies van het EESC: PB C 175 van 27.7.2007, blz. 47.

(4)  The Stern Review 2006.

(5)  Volgens de Mauna Loa-observatiepost in Hawaii ligt het CO2-niveau in de atmosfeer al op 387 ppm, wat het hoogste niveau is, althans in de laatste 650 000 jaar.

(6)  Vattenfall/McKinsey, The Climate Map:

http://www.vattenfall.com/www/ccc/ccc/Gemeinsame_Inhalte/DOCUMENT/567263vattenfall/P0271636.pdf

(7)  In overeenstemming met de vroegere aanbeveling van het Comité in PB C 175 van 27.7.2007, blz. 47.

(8)  IMO-verslag van februari 2008.


3.2.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 27/71


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een beschikking van het Europees Parlement en de Raad inzake de inspanningen van de lidstaten om hun broeikasgasemissies terug te dringen om aan de verbintenissen van de Gemeenschap op het gebied van het terugdringen van broeikasgassen tot 2020 te voldoen

COM(2008) 17 final — 2008/0014 (COD)

(2009/C 27/16)

De Raad heeft op 11 februari 2008 besloten, overeenkomstig art. 175 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, het Europees Economisch en Sociaal Comité te raadplegen over het

Voorstel voor een beschikking van het Europees Parlement en de Raad inzake de inspanningen van de lidstaten om hun broeikasgasemissies terug te dringen om aan de verbintenissen van de Gemeenschap op het gebied van het terugdringen van broeikasgassen tot 2020 te voldoen.

De gespecialiseerde afdeling „Landbouw, plattelandsontwikkeling, milieu”, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 4 juni 2008 goedgekeurd. Rapporteur was de heer Morkis.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 446e zitting van 9 en 10 juli 2008 (vergadering van 9 juli) het volgende advies uitgebracht, dat met 116 stemmen vóór en 2 stemmen tegen, bij 8 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Samenvatting van de opmerkingen en aanbevelingen van het EESC

1.1

Het Europees Economisch en Sociaal Comité is ingenomen met het initiatief van de Europese Commissie om de lidstaten te verzoeken een bijdrage te leveren aan de verbintenis van de Gemeenschap voor de periode van 2013 tot en met 2020 om de broeikasgasemissies van niet onder Richtlijn 2003/87/EG vallende bronnen („bronnen buiten de EU-ETS om”) te reduceren

1.2

Het Comité erkent en steunt de voortrekkersrol van de EU bij de internationale onderhandelingen over verbintenissen inzake milieu- en klimaatbescherming. Door uit zichzelf verbintenissen aan te gaan geeft de EU het goede voorbeeld en kan ze andere landen ertoe aanzetten om gelijkaardige maatregelen te nemen.

1.3

Bij de implementatie van de beschikking en het nakomen van de verplichtingen die de betrokken landen zijn aangegaan, is een cruciale rol weggelegd voor het maatschappelijk middenveld. De lidstaten moeten maatschappelijke initiatieven voor het terugdringen van broeikasgasemissies beter promoten en formules ontwikkelen om dergelijke initiatieven te steunen.

Het maatschappelijk middenveld in het algemeen kan een sleutelrol vervullen bij de implementatie van deze beschikking. Daarom moet de informatie over de bepalingen van de beschikking en de implementatiewijze in elke lidstaat beter worden verspreid.

Er zou ook meer aandacht moeten worden besteed aan educatieve programma's om de burgers bewuster te maken van deze problematiek en te doen inzien dat de inspanningen om de broeikasgasemissies terug te dringen, nodig zijn.

Ook het opleiden van deskundigen en de bewustmaking van de bevolking inzake energiebesparing, milieubescherming en klimaatverandering zijn van fundamenteel belang.

1.4

De invoering van maatregelen met het oog op het terugdringen van broeikasgasemissies dient het Europese economische concurrentievermogen op lange termijn te beschermen en zelfs te vergroten. Wereldwijd zal er steeds meer vraag zijn naar de ontwikkeling van hernieuwbare energie, energiezuinige producten en productiewijzen, en Europa bevindt zich in een gunstige positie om de concurrentie de loef af te steken en om op tal van deze gebieden wereldwijd marktleider te worden. De EU en de lidstaten dienen zulk O&O te stimuleren.

1.5

Overeenkomstig art. 3, lid 3 van de voorgestelde beschikking mag elke lidstaat een hoeveelheid van 2 % van de broeikasgasemissieplafonds van die lidstaat van het volgende jaar eerder gebruiken. Als de uitstoot van een lidstaat lager is dan het in lid 2 bedoelde plafond, mag hij zijn overschot aan emissiereductie overdragen naar het volgende jaar. Deze bepaling is te rigoureus, aangezien men niet over de flexibiliteit beschikt die nodig is voor grootschalige projecten en goede resultaten als men termijnen van één jaar hanteert. Dit punt is vooral belangrijk voor kleine lidstaten die grootschalige projecten voor het terugdringen van broeikasgasemissies verwezenlijken.

Elke lidstaat zou een plan moeten voorbereiden om de nationale doelstellingen te verwezenlijken. De gemiddelde jaarlijkse uitstoot in de periode 2013-2020 mag echter niet hoger zijn dan de gemiddelde uitstoot tijdens de periode 2005-2020. Volgens het Comité moet op nationaal en Europees niveau op gezette tijden naar de uitvoering van deze plannen worden gekeken om direct na te gaan of er afwijkingen zijn en om de plannen bij te stellen.

1.6

Om aan de verbintenissen van de Gemeenschap in zijn geheel te voldoen op een manier die niet alleen economisch doeltreffend, maar ook zo kostenefficiënt mogelijk is, moet in de beschikking worden vermeld dat lidstaten op grond van intergouvernementele bilaterale overeenkomsten een deel van het hun toegekende broeikasgasemissieplafond aan een andere lidstaat mogen overdragen.

1.7

Aan de hand van flexibele instrumenten in projecten voor de gemeenschappelijke verwezenlijking van het Mechanisme voor schone ontwikkeling (CDM) moet naar een evenwicht worden gestreefd tussen acties in de EU met het oog op het terugdringen van de broeikasgasemissies, en solidariteit met de ontwikkelingslanden waar uitstootverminderende maatregelen worden geïntroduceerd. Flexibele maatregelen zijn echter enkel geschikt als zij ook echt de totale broeikasgasemissie terugdringen. Voorkomen moet worden dat zij de deur openen voor een verschuiving van emissies van lidstaten naar landen buiten de Unie.

1.8

Het Comité steunt de aangegane verbintenissen en verheugt zich over de eerlijke verdeling van de inspanningen tussen de lidstaten. De bevolking moet echter beter worden geïnformeerd over de principes die ten grondslag liggen aan deze verdeling van de inspanningen. Wanneer er een regeling wordt getroffen voor het verdelen van inspanningen moet er steeds een evaluatie worden gemaakt van de specifieke situatie van elk land, van de onkosten die het terugdringen van de emissies met zich meebrengt, alsook van de impact op het concurrentievermogen en de ontwikkeling van het betrokken land. De onkosten die voortvloeien uit het besluit tot gezamenlijke inspanningen voor het terugdringen van emissies moeten voor elk land in dezelfde verhouding staan tot zijn BBP.

1.9

De Commissie zou een vaste regeling moeten uitwerken voor de naleving van de bepalingen, waarbij bijv. lidstaten beboet worden als ze de vastgelegde emissienormen overschrijden.

2.   Inleiding: het Commissiedocument

2.1

Op 23 januari 2008 heeft de Europese Commissie een pakket voorstellen gepubliceerd ter bestrijding van de klimaatverandering en ter bevordering van hernieuwbare energie.

2.2

Doel van het Commissievoorstel is te komen tot een praktische uitvoering van de overeenkomst die tijdens de Europese Raad van 8 en 9 maart 2007 bereikt is om de algehele emissie van broeikasgassen door de Gemeenschap tegen 2020 met ten minste 20 % ten opzichte van 1990 te verlagen, alsook tegen 2020 20 % van het energieverbruik uit hernieuwbare energie te halen.

2.3

De totale inspanning voor de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen wordt verdeeld tussen de sectoren binnen en buiten de EU-ETS. De Commissie doet het volgende voorstel: 21 % emissievermindering tegen 2020 ten opzichte van 2005 voor de sectoren die binnen het toepassingsgebied van de EU-ETS vallen; en ongeveer 10 % emissievermindering ten opzichte van 2005 voor de sectoren die niet binnen het toepassingsgebied van de EU-ETS vallen. Deze verminderingen samen zullen leiden tot een algehele vermindering met 14 % ten opzichte van 2005, wat overeenstemt met een vermindering van 20 % ten opzichte van 1990.

2.4

De Raad heeft zelfs nog ambitieuzere doelstellingen, mits in het kader van een mondiale en brede overeenkomst voor de periode na 2012 de andere ontwikkelde landen zich vastleggen op een vergelijkbare emissiebeperking en de economisch meer gevorderde ontwikkelingslanden een bijdrage leveren die in verhouding staat tot hun verantwoordelijkheid en capaciteiten. Indien aan deze voorwaarden wordt voldaan, verbindt de Gemeenschap zich tot een vermindering met 30 % van de broeikasgasemissies tegen 2020.

2.5

In deze beschikking wordt de bijdrage vastgesteld die de lidstaten moeten leveren aan de verbintenis van de Gemeenschap voor de periode van 2013 tot en met 2020 om de broeikasgasemissies van niet onder Richtlijn 2003/87/EG vallende bronnen („bronnen buiten de EU-ETS om”) te reduceren.

2.6

In deze beschikking worden ook regels vastgesteld voor de bepaling van de bijdrage die de lidstaten moeten leveren aan de verbintenis van de Gemeenschap voor de periode van 2013 tot en met 2020 om broeikasgasemissiereducties te realiseren.

2.7

De Commissie is van oordeel dat de reductie-inspanningen van de lidstaten eerlijk moeten worden verdeeld tussen de lidstaten, rekening houdend met economische verschillen en het relatieve BBP per hoofd van de bevolking van de lidstaten. De lidstaten die op dit moment een relatief laag BBP per hoofd van de bevolking hebben en dus hoge groeiverwachtingen ten aanzien van hun BBP koesteren, mogen daarom in 2020 ten opzichte van 2005 meer broeikasgassen uitstoten.

2.8

Met het oog op de voorgestelde differentiatie stelt de Commissie voor om voor elk land apart emissieplafonds te bepalen, al mag van geen enkele lidstaat worden geëist om zijn broeikasgasemissie tegen 2020 terug te dringen met meer dan 20 % ten opzichte van 2005, en al mag de broeikasgasemissie van geen enkele lidstaat in 2020 meer dan 20 % hoger liggen dan in 2005.

2.9

De Commissie bepaalt dat iedere lidstaat tegen 2020 zijn broeikasgasemissies uit bronnen die niet onder Richtlijn 2003/87/EG vallen, moet beperken met het percentage dat voor die lidstaat in de bijlage bij de beschikking is vastgesteld ten opzichte van de emissies van die lidstaat in 2005.

2.10

De Commissie bepaalt dat de broeikasgasemissies elk jaar tussen 2013 en 2020 moeten verminderen. Toch is er enige vorm van flexibiliteit: elke lidstaat mag een hoeveelheid van 2 % van de maximale broeikasgasemissie van die lidstaat van het volgende jaar eerder gebruiken. Ook mag een lidstaat waarvan de emissies lager waren dan zijn emissieplafond, zijn extra tot stand gebrachte emissiereducties naar het volgende jaar overdragen.

2.11

Elke lidstaat moet broeikasgasemissies jaarlijks lineair beperken om ervoor te zorgen dat die emissies het plafond voor die lidstaat in 2020, zoals in de bijlage aangegeven, niet overschrijden.

2.12

Om de lidstaten de nodige flexibiliteit te bieden bij de uitvoering van hun verbintenissen, om de duurzame ontwikkeling in derde landen, met name ontwikkelingslanden, te bevorderen, en om investeerders zekerheid te bieden, moet de Gemeenschap de credits die zijn behaald uit broeikasgasemissiereductieprojecten in derde landen blijven erkennen, zodat er voor deze credits ook na 2012 nog een markt blijft bestaan.

2.13

Om ervoor te zorgen dat er een dergelijke markt blijft bestaan en er tegelijk voor te zorgen dat er meer emissiereducties in de EU zelf plaatsvinden, waardoor de uitvoering van de doelstellingen van de Gemeenschap op het gebied van hernieuwbare energie, energiezekerheid, innovatie en concurrentievermogen wordt gestimuleerd, wordt voorgesteld het jaarlijkse gebruik door de lidstaten van credits die voortkomen uit broeikasgasemissiereductieprojecten in derde landen tot 3 % van de emissies buiten ETS om van elke lidstaat in 2005 toe te staan, totdat er overeenstemming is bereikt over een toekomstige internationale overeenkomst inzake klimaatverandering. Dit maximum komt voor elke lidstaat neer op ongeveer een derde van de reductie-inspanning in 2020. Elke lidstaat moet worden toegestaan het ongebruikte deel van de toegestane hoeveelheid over te dragen aan andere lidstaten.

2.14

Zodra een internationale overeenkomst over klimaatverandering tot stand is gekomen, worden alleen CER's uit derde landen die deze overeenkomst hebben bekrachtigd, in de Gemeenschapsregeling geaccepteerd.

2.15

De Commissie vindt ook dat wanneer de Gemeenschap in de toekomst een internationale overeenkomst inzake klimaatverandering sluit, de emissieplafonds moeten worden aangepast op basis van de nieuwe verbintenis van de Gemeenschap op het gebied van broeikasgasemissiereductie die in die overeenkomst is vastgesteld.

2.16

De lidstaten moeten in hun jaarverslagen die op grond van art. 3 van Beschikking nr. 280/2004/EG worden ingediend, hun jaarlijkse emissies rapporteren die voortkomen uit de uitvoering van art. 3 en uit het gebruik van de credits overeenkomstig art. 4. De lidstaten moeten vóór 1 juli 2016 ook een herziene versie van hun verwachte vooruitgang indienen.

3.   Algemene opmerkingen

3.1

Het initiatief van de Europese Commissie om in het kader van de strijd tegen klimaatverandering de lidstaten te verzoeken om een bijdrage te leveren aan de verbintenis van de Gemeenschap voor de periode van 2013 tot en met 2020 om de broeikasgasemissies van niet onder Richtlijn 2003/87/EG vallende bronnen („bronnen buiten de EU-ETS om”) te reduceren, is een belangrijke schakel in de reeks besluiten met het oog op de strijd tegen klimaatverandering.

3.2

Het Comité is ervan overtuigd dat deze beschikking de Gemeenschap zal helpen om te voldoen aan haar verplichtingen inzake milieubescherming en klimaatverandering. Het communautaire beleid terzake moet een aanzienlijke vermindering van broeikasgasemissies bewerkstelligen door de lidstaten te verplichten bepaalde inspanningen te leveren en door te controleren of de lidstaten zich hieraan houden.

3.3

Tegelijkertijd wil het Comité de aandacht vestigen op het feit dat de doeltreffendheid van de beschikking van het Parlement en de Raad over de eerlijke verdeling van inspanningen om de broeikasgasemissies terug te dringen in belangrijke mate afhangt van de twee andere onderdelen van het pakket maatregelen inzake energie en klimaatverandering: de richtlijn inzake hernieuwbare energiebronnen en de EU-ETS-richtlijn. Dit betekent dat er een volledige synergie moet bestaan tussen deze drie, en dat elke wijziging in het ene instrument gevolgen zal hebben voor de andere instrumenten.

3.4

Als er een internationale overeenkomst wordt bereikt, moeten de verbintenissen van de Gemeenschap worden aangepast. De hoop is groot dat de onderhandelingen die in december 2007 in Bali (Indonesië) werden opgestart, zullen leiden tot resultaten die van cruciaal belang zullen blijken voor wereldwijde actie tot 2020. Het zou goed zijn om deze onderhandelingen tijdens de in 2009 te Kopenhagen geplande conferentie over klimaatverandering af te ronden en hun beslag te geven in een overeenkomst inzake klimaatbescherming. Ook tijdens een reeds eerder geplande topontmoeting over het klimaat, die zal plaatsvinden in Poznań (Polen), zal er op dit vlak waarschijnlijk vooruitgang worden geboekt.

3.5

Het is een goede zaak dat de EU het voortouw neemt bij deze onderhandelingen. Door uit zichzelf verplichtingen op te leggen geeft de EU het goede voorbeeld en kan ze andere landen ertoe aanzetten om gelijkaardige maatregelen te nemen. Hoewel opkomende economieën als China, India en Brazilië om begrijpelijke redenen niet van plan zijn hun emissies terug te dringen, kunnen zij wel de toename ervan ten gevolge van economische groei binnen de perken houden. Het EESC spoort de Commissie aan om met alle middelen te streven naar een internationale (post-Kyoto-)overeenkomst die de ontwikkelde landen verbindt tot een reductie met 30 % van broeikasgasemissies tegen 2020, ten opzichte van 1990; dit zou overeenstemmen met de schattingen in het vierde beoordelingsrapport van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC), volgens welke een emissiereductie van 25-40 % tegen 2020 in vergelijking met het niveau van 1990 nodig is om te voorkomen dat de mondiale temperatuurstijging niet meer dan 2° C boven de pre-industriële niveaus uitstijgt. Mocht een dergelijke internationale overeenkomst er komen, dan dient de Commissie haar voorstellenpakket inzake energie en klimaatverandering vanzelfsprekend te herzien en de doelstellingen te verscherpen. Alle betrokkenen moeten er dan ook in hun planning rekening mee houden dat de huidige streefdoelen voor 2020 maar een eerste stap zijn en dat in een volgend stadium, mogelijk al in 2020 maar zeker in de jaren daarna, een aanscherping zal volgen.

3.6

Het Comité vindt dat er bij de uitvoering van maatregelen met het oog op het terugdringen van broeikasgasemissies op moet worden toegezien dat zij het Europese economische concurrentievermogen op lange termijn in stand houden en zelfs versterken. Er zal wereldwijd steeds meer vraag zijn naar hernieuwbare energiebronnen en energie-efficiënte producten en productiemethoden. Voor Europa ligt hier een mooie kans om zijn concurrentiepositie te versterken door in deze sectoren een leidende positie in te nemen. Het is daarom belangrijk dat de EU en haar lidstaten steun verlenen aan onderzoek en ontwikkeling. Ook het opleiden van deskundigen en de bewustmaking van de bevolking inzake energiebesparing, milieubescherming en klimaatverandering zijn van fundamenteel belang.

3.7

Bij de implementatie van de beschikking en het nakomen van de verbintenissen die de betrokken landen zijn aangegaan, is er een cruciale rol weggelegd voor het maatschappelijk middenveld. De lidstaten moeten maatschappelijke initiatieven voor het terugdringen van broeikasgasemissies beter promoten en formules ontwikkelen om dergelijke initiatieven te steunen.

Het maatschappelijk middenveld in het algemeen kan een sleutelrol vervullen bij de implementatie van deze beschikking. Daarom moet de informatie over de bepalingen van de beschikking en de implementatiewijze in elke lidstaat beter worden verspreid.

Er zou ook meer aandacht moeten worden besteed aan educatieve programma's om de burgers bewuster te maken van deze problematiek en te doen inzien dat de inspanningen om de broeikasgasemissies terug te dringen, nodig zijn.

Ook het opleiden van deskundigen en de bewustmaking van de bevolking inzake energiebesparing, milieubescherming en klimaatverandering zijn van fundamenteel belang.

4.   Bijzondere opmerkingen

4.1

Aan de hand van flexibele instrumenten in projecten voor de gemeenschappelijke verwezenlijking van het Mechanisme voor schone ontwikkeling (CDM) moet naar een evenwicht worden gestreefd tussen acties in de EU met het oog op het terugdringen van de broeikasgasemissies, en solidariteit met de ontwikkelingslanden waar uitstootverminderende maatregelen worden geïntroduceerd. Voorkomen moet worden dat zij de deur openen voor een verschuiving van emissies van lidstaten naar landen buiten de Unie.

4.2

De Commissie stelt voor dat de lidstaten de CDM-credits kunnen blijven gebruiken, zodat er na 2012 een markt voor die credits blijft bestaan. Het Comité heeft echter vragen bij de kwaliteit van de gecertificeerde emissiereducties (CER), die voortkomen uit projecten in het kader van het mechanisme voor schone ontwikkeling (CDM) en stelt voor dat als de investerende landen (voor projecten die vóór 2013 zijn opgestart) de CDM-credits willen blijven gebruiken, de uitgangspunten van het project opnieuw moeten worden bekeken en gecontroleerd, om uit te maken of het project nog altijd een meerwaarde heeft. Nieuwe CDM-projecten die moeten dienen als bijdrage van een lidstaat aan de inspanningen om broeikasgasemissies terug te dringen, komen alleen in aanmerking als ze gebruik maken van de beste beschikbare technieken.

4.3

De Commissie vermeldt uitsluitend het algemene principe dat landen die een hoog BBP per hoofd van de bevolking hebben, verplicht zijn om hun emissies sterker terug te dringen, terwijl landen met een lager BBP per hoofd van de bevolking minder zware inspanningen moeten leveren. Toch kan het zijn dat verschillende landen die — relatief gezien — een gelijkaardig BBP per hoofd van de bevolking hebben, niet dezelfde inspanningen moeten leveren om te komen tot dezelfde emissiereductie. Wanneer er een regeling wordt getroffen voor het verdelen van inspanningen moet er steeds een evaluatie worden gemaakt van de specifieke situatie van elk land, van de onkosten die het terugdringen van de emissies met zich meebrengt, alsook van de impact op het concurrentievermogen en de ontwikkeling van het betrokken land. De onkosten die voortvloeien uit het besluit tot gezamenlijke inspanningen voor het terugdringen van emissies moeten voor elk land in dezelfde verhouding staan tot zijn BBP.

4.4

Het Comité wijst ook op een flagrante inconsistentie in de tekst van deze beschikking. De Commissie stelt 2005 voor als referentiejaar voor de evaluatie van de inspanningen die de lidstaten hebben geleverd om broeikasgasemissies terug te dringen, en 2020 als laatste jaar van de periode. Luidens de tweede paragraaf van lid 2 van art. 3 moet elke lidstaat de broeikasgasemissies jaarlijks lineair beperken. Tegelijkertijd moet elke lidstaat volgens de eerste paragraaf van hetzelfde lid van art. 3 ervoor zorgen dat zijn totale broeikasgasemissies in 2013 uit bronnen die niet onder Richtlijn 2003/87/EG vallen niet meer bedragen dan de gemiddelde jaarlijkse broeikasgasemissie van die lidstaat uit die bronnen gedurende de jaren 2008, 2009 en 2010, zoals gerapporteerd en gecontroleerd overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG en Beschikking nr. 280/2004/EG. Dit betekent dat de jaren 2008, 2009 en 2010 de referentiejaren zijn voor de evaluatie in 2013.

4.5

Overeenkomstig art. 3, lid 3 van de voorgestelde beschikking mag elke lidstaat een hoeveelheid van 2 % van de broeikasgasemissieplafonds van die lidstaat van het volgende jaar eerder gebruiken. Als de uitstoot van een lidstaat lager is dan het in lid 2 bedoelde plafond, mag hij zijn overschot aan emissiereductie overdragen naar het volgende jaar. Deze bepaling is te rigoureus, aangezien men niet over de flexibiliteit beschikt die nodig is voor grootschalige projecten en goede resultaten als men termijnen van één jaar hanteert. Dit punt is vooral belangrijk voor kleine lidstaten die grootschalige projecten voor het terugdringen van broeikasgasemissies verwezenlijken.

De Commissie stelt voor dat elke lidstaat een plan opstelt om zijn nationale doelstellingen te verwezenlijken. De gemiddelde jaarlijkse uitstoot in de periode 2013-2020 mag echter niet hoger zijn dan de gemiddelde uitstoot in de periode 2005-2020. Het Comité wijst erop dat zowel op nationaal als op Europees niveau regelmatig toezicht moet worden uitgeoefend op de tenuitvoerlegging van deze plannen, zodat zo snel mogelijk kan worden opgetreden als er afwijkingen worden vastgesteld.

4.6

Om aan de verbintenissen van de Gemeenschap in zijn geheel te voldoen op een manier die niet alleen economisch doeltreffend, maar ook zo kostenefficiënt mogelijk is, moet in de beschikking worden vermeld dat lidstaten op grond van intergouvernementele bilaterale overeenkomsten een deel van het hun toegekende broeikasgasemissieplafond aan een andere lidstaat mogen overdragen.

4.7

De Commissie zou een vaste regeling moeten uitwerken voor de naleving van de bepalingen, waarbij bijv. lidstaten beboet worden als ze de vastgelegde emissienormen overschrijden.

4.8

Met het oog op de eerlijke geografische distributie van projecten is art. 4, lid 1, punt c niet specifiek genoeg omtrent het beleid op het gebied van de aankoop van credits.

4.9

De Commissie moet de lidstaten aanwijzingen geven voor acties, instrumenten en andere maatregelen met het oog op de tenuitvoerlegging van deze beschikking. De publicatie van een handleiding met voorbeelden van succesvolle initiatieven in de EU zou een eerste stap in de goede richting zijn.

4.10

Teneinde de doelstelling van deze beschikking te verwezenlijken, stelt het Comité voor dat lidstaten gebruik maken van de structuurfondsen en het Cohesiefonds voor projecten die geen broeikasgassen uitstoten, of die de uitstoot van broeikasgassen zelfs terugdringen.

4.11

Aangezien voor de volgende toewijzingsperiode (2013-2020) een veiling van emissiehandelcertificaten voor projecten in de ETS wordt gepland, zullen er middelen worden gegenereerd die kunnen worden gebruikt voor emissiereductie in de sectoren buiten de EU-ETS. Een deel van het geld dat op deze manier wordt verworven, dient vervolgens te worden geïnvesteerd in economische sectoren die inspanningen leveren om de broeikasgasemissies terug te dringen. De rest van het geld kan naar een solidariteitsfonds voor ontwikkelingslanden gaan en worden gebruikt voor projecten in deze landen die inspelen op de klimaatverandering.

Brussel, 9 juli 2008

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

D. DIMITRIADIS


3.2.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 27/75


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het „Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de geologische opslag van kooldioxide en tot wijziging van de Richtlijnen 85/337/EEG en 96/61/EG van de Raad, de Richtlijnen 2000/60/EG, 2001/80/EG, 2004/35/EG en 2006/12/EG en Verordening (EG) nr. 1013/2006”

COM(2008) 18 final — 2008/0015 (COD)

(2009/C 27/17)

De Raad heeft op 8 februari 2008 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 175 van het EG-Verdrag te raadplegen over het

„Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de geologische opslag van kooldioxide en tot wijziging van de Richtlijnen 85/337/EEG en 96/61/EG van de Raad, de Richtlijnen 2000/60/EG, 2001/80/EG, 2004/35/EG en 2006/12/EG en Verordening (EG) nr. 1013/2006”.

De gespecialiseerde afdeling Landbouw, plattelandsontwikkeling, milieu, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 4 juni 2008 goedgekeurd. Rapporteur was de heer WOLF.

Het Comité heeft tijdens zijn op 9 en 10 juli 2008 gehouden 446e zitting (vergadering van 9 juli) het volgende advies uitgebracht, dat met 138 stemmen vóór en 1 stem tegen, bij 4 onthoudingen, is goedgekeurd.

Inhoud

1.

Conclusies en aanbevelingen

2.

Inleiding

3.

Voorstel van de Commissie

4.

Algemene opmerkingen

5.

Specifieke opmerkingen

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Het afvangen en opslaan van de bij het gebruik (de verbranding) van fossiele energiebronnen vrijkomende CO2 (carbon capture and storage of kortweg CCS genoemd) zou een grote bijdrage leveren aan de bescherming van het klimaat. Daarom moet gestreefd worden naar een snellere ontwikkeling en een zo vlug mogelijke toepassing van deze aanpak.

1.2

De door de Commissie voorgestelde richtlijn is volgens het EESC een noodzakelijke voorwaarde voor de ontwikkeling en de toepassing van CCS. Het kan zich er dan ook grotendeels in vinden.

1.3

De Commissie behandelt de belangrijkste aspecten en stelt bepalingen voor om deze te regelen. Het gaat hierbij met name om de veiligheid voor mens en milieu en de daarmee samenhangende verantwoordelijkheden. Op die manier zorgt de Commissie er ook voor dat er onder de burgers draagvlak voor de richtlijn ontstaat en houdt zij rekening met hun behoefte aan veiligheid.

1.4

De ontwikkeling van de hele CCS-waardeketen — met afvangen, transport en opslag van CO2 — bevindt zich nog in een vroege en ten dele verkennende fase. In de voorgestelde regelingen wordt hier niet steeds rekening mee gehouden, en zij moeten dan ook hier en daar worden aangepast.

1.5

Voor een soepele uitvoering van de eerste projecten zou de richtlijn op bepaalde punten gewijzigd moeten worden om beter hanteerbaar te zijn voor zowel de betrokken nationale instanties als bedrijven die eventueel willen investeren. Dan kunnen deze bedrijven ook met een gerust hart plannen maken en worden zij tot handelen aangezet. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om meer duidelijkheid over aansprakelijkheidskwesties en over de aard en omvang van regelingen inzake financiële zekerheid.

2.   Inleiding

2.1

De Commissie heeft in aparte documenten een hele serie maatregelen voorgesteld ter verwezenlijking van de doelstellingen in de besluiten inzake klimaatbescherming en energievoorziening die de Raad in 2007 heeft genomen. Deze maatregelen hebben voornamelijk betrekking op energie-efficiëntie, de verdere ontwikkeling van duurzame energie en de ontwikkeling en toepassing van de bijbehorende innovatieve technologieën. Aan al deze onderwerpen heeft het EESC aparte adviezen gewijd (1).

2.2

In dit verband zijn ook de methoden belangrijk waarmee de uitstoot van broeikasgassen bij het gebruik van fossiele energiebronnen duurzaam omlaag kan worden gebracht. Daarover gaat dit advies, dat betrekking heeft op het voorstel van de Commissie betreffende de geologische opslag van kooldioxide.

2.3

In aanvulling op dit advies werkt het EESC aan een advies over dezelfde technologie, dat betrekking heeft op de Commissiemededeling (2)„Supporting Early Demonstration of Sustainable Power Generation from Fossil Fuels”.

3.   Het voorstel van de Commissie

3.1

Aangezien (i) de wereldwijd stijgende vraag naar energie naar alle waarschijnlijkheid voor een groot deel met fossiele energiebronnen zal worden gedekt en (ii) de doelstelling is dat in 2050 wereldwijd 50 % minder en in de industrielanden 60 à 80 % minder CO2 wordt uitgestoten, moeten volgens de Commissie alle mogelijkheden om CO2-emissies te verminderen worden benut. Voor het afvangen en opslaan van CO2 — kortweg CCS (3) genoemd — is hierbij een belangrijke rol weggelegd.

3.2

Het voorstel van de Commissie is een reactie op de oproep van de Europese Raad van maart 2007 om het vereiste technische, economische en regelgevingskader uit te werken voor de ontwikkeling van een milieuveilige CCS. Het voorstel is vooral bedoeld om op basis van artikel 175, lid 1, van het EG-Verdrag een regelgevingskader tot stand te brengen dat voorziet in een vereenvoudiging van de wetgeving en van de administratieve procedures voor de overheidsinstanties (EU of nationaal).

3.3

Al bestaande wetgeving, zoals de richtlijnen 96/61/EG, 85/337/EEG, 2004/35/EG en 2003/87/EG, wordt daarbij in aanmerking genomen of aangepast.

3.4

Concrete inhoud van het Commissievoorstel

3.4.1

Hoofdstuk 1 heeft betrekking op onderwerp, toepassingsgebied en definities.

3.4.2

In hoofdstuk 2 wordt de selectie van opslaglocaties en exploratievergunningen behandeld en wordt verduidelijkt dat de lidstaten de zones vaststellen die beschikbaar komen voor opslag, alsmede de voorwaarden voor het gebruik van de locatie en bepalingen betreffende exploratie.

3.4.3

Hoofdstuk 3 heeft betrekking op (de voorwaarden voor) opslagvergunningen en de bevoegdheden die de Commissie in dit verband heeft. Belangrijk zijn de milieueffectbeoordeling, inclusief effectbeoordeling en raadpleging van het publiek.

3.4.4

In hoofdstuk 4 worden de exploitatie, de afsluiting en het beheer na afsluiting behandeld, inclusief CO2-aanvaardingscriteria, monitorings- en rapporteringsverplichtingen, inspecties, maatregelen bij onregelmatigheden en/of lekkage, verplichtingen bij afsluiting en in de periode na afsluiting en levering van een financiële zekerheid.

3.4.5

Hoofdstuk 5 bevat bepalingen betreffende de toegang tot transport en opslag.

3.4.6

Hoofdstuk 6 bevat algemene bepalingen betreffende de bevoegde autoriteit, grensoverschrijdende samenwerking, sancties, rapportering, amendering en de relevante comitologieprocedures.

3.4.7

In hoofdstuk 7 zijn de nodige wijzigingen opgenomen van andere wetgevingsbesluiten, met inbegrip van de vereiste aanpassingen aan de richtlijnen water en afvalstoffen. Het bevat ook aanvullende voorwaarden voor het verlenen van vergunningen aan nieuwe krachtcentrales.

3.4.8

In bijlage I worden de in artikel 4 bedoelde gedetailleerde criteria voor de locatiekarakterisering en risicobeoordeling gespecificeerd. In bijlage II worden de gedetailleerde criteria voor de monitoringseisen gespecificeerd. De Commissie mag de bijlagen wijzigen, waarbij het Europees Parlement ook een stem in het kapittel heeft.

4.   Algemene opmerkingen

4.1

Het EESC heeft er al diverse malen op gewezen dat betaalbare energie het levenselixer van de moderne economie en is een voorwaarde voor alle basiszorg (4). Zeer belangrijk in dit verband is de snellere ontwikkeling van nieuwe technologieën (5).

4.2

Het voorstel van de Commissie inzake CCS is wat dit betreft een stap in de goede richting, en het EESC is het er dan ook in grote lijnen mee eens.

4.3

Het EESC heeft er in dit verband op gewezen (6) dat de fossiele brandstoffen steenkool, olie en gas de ruggengraat (7) vormen van de Europese en wereldwijde energievoorziening en dat hierin de komende decennia misschien geen verandering zal komen.

4.4

Dit is niet in tegenspraak met de officiële doelstelling om het aandeel van duurzame energie sterk uit te breiden. Het streven in de EU (8) is weliswaar om ervoor te zorgen dat duurzame energie in 2020 20 % van de energiemix uitmaakt, maar om ook te kunnen voorzien in de overige 80 % (en in 2050 nogal altijd 50 %) zal er nog vele decennia lang behoefte blijven bestaan aan energie afkomstig uit andere bronnen.

4.5

Van de duurzame energiebronnen kan momenteel alleen uit waterkracht en biomassa (9) vraaggestuurd elektriciteit worden opgewekt. Bij wind- en zonne-energie is dit door de afhankelijkheid van de weersomstandigheden niet mogelijk. Niettemin moet er met grote inspanning verder worden gewerkt aan de ontwikkeling en het gebruik van deze energiebronnen en dienen hiervoor adequate en niet te dure bergingsmogelijkheden te worden ontwikkeld. Dit is echter een onderwerp voor aparte EESC-adviezen.

4.6

Een en ander betekent dat er voor een betrouwbare basiscapaciteit — in aanvulling op of in plaats van kernenergie (10) — nog altijd een grote hoeveelheid op fossiele brandstoffen werkende krachtcentrales nodig zijn. En om over genoeg — positieve of negatieve — reservecapaciteit te kunnen beschikken zijn er bovendien meer krachtcentrales nodig die in staat zijn om de schommelende productie van windkrachtcentrales snel op te vangen.

4.7

Voor de piekbelasting en de reservecapaciteit komen vooral aardgascentrales en pompaccumulatie-waterkrachtcentrales in aanmerking. Er kunnen echter maar weinig waterkrachtcentrales met pompaccumulatie worden bijgebouwd, omdat de daarvoor geschikte locaties al grotendeels gebruikt worden.

4.8

Voor de basisbelasting en middenbelasting worden naast kerncentrales vooral kolencentrales gebruikt. Voor lidstaten die van kernenergie afzien is het gebruik van steenkool voor de elektriciteitsproductie nog belangrijker.

4.9

Het streven moet daarom zijn om bij het gebruik van steenkool zo weinig mogelijk CO2 uit te stoten. In dit verband worden twee mogelijkheden onderzocht, die qua technische rijpheid en qua impact van elkaar verschillen: enerzijds nóg efficiëntere krachtcentrales en anderzijds krachtcentrales met CCS-technologie (11), waarbij het grootste gedeelte van de vrijkomende CO2 niet meer in de atmosfeer terechtkomt. Keerzijde is wel dat er voor de CCS-technologie zelf weer energie nodig is, wat onherroepelijk tot een merkbaar geringere efficiëntie leidt. Verder moeten er ook methoden komen om de bij industriële productieprocessen vrijkomende CO2 af te vangen.

4.10

De ontwikkeling van CCS — met afvangen, transport en opslag van CO2 — bevindt zich nog in een vroege en ten dele verkennende fase. En hoewel conventionele krachtcentrales wel steeds efficiënter worden, zitten deze wat dat betreft nu al dicht tegen de grens aan van wat natuurkundig mogelijk is. Aangezien de krachtcentralecapaciteit in het komende decennium dringend aan vervanging toe is, beveelt het EESC een pragmatische aanpak aan waarbij beide technologieën naast elkaar ontwikkeld worden. De ontwikkeling van efficiëntere centrales kan grotendeels aan de markt worden overgelaten, maar voor CCS-technologieën — centrales en infrastructuur — is in de demonstratie- en verkoopfase extra ondersteuning nodig.

4.11

De CCS-technologie wordt op diverse manieren ontwikkeld: als geïntegreerde krachtcentraletechnologie, waarbij — in het geval van kolenvergassing — de CO2 vóór de verbranding wordt afgevangen; de oxyfuelmethode, waarbij de CO2 eerst verrijkt en dan afgevangen wordt; of de „post-combustion”-technologie, waarbij de CO2 na de verbranding uit het rookgas wordt gewassen. De laatste methode zou met de nodige aanpassingen nu al in zeer efficiënte nieuwe krachtcentrales kunnen worden toegepast, mits deze „capture ready” worden ontworpen. Een gemeenschappelijk aspect van deze drie mogelijkheden is dat de afgevangen CO2 van de krachtcentrale naar een opslagplaats moet worden vervoerd.

4.12

CO2 kan alleen in geschikte — en dus veilige — geologische formaties worden opgeslagen. Hiervoor komen volgens het meest recente onderzoek alleen diepliggende zoute waterlagen en lege olie- en gasvelden in aanmerking, terwijl verlaten steenkoolmijnen in dit verband minder geschikt lijken. Om eventuele lekken te voorkomen is een zo intact mogelijke deklaag (zo weinig mogelijk verbindingen met de oppervlakte) van groot belang.

4.13

Worden de opslagplaatsen volgens de voorgestelde regels geselecteerd en op een professionele manier gebruikt, dan zijn de risico's zeer gering. Bij een goede ondergrondse berging is het bijvoorbeeld zo goed als onmogelijk dat er plotseling grote hoeveelheden CO2 ontsnappen (12). Ook het gevaar dat zich door de druk van de opgeslagen CO2 aardschokken voordoen kan gevoeglijk worden uitgesloten, aangezien het mogelijk is om de maximale druk zo te kiezen dat de bergingsformatie en de deklaag niet breken (13).

4.14

Om een maatschappelijk en politiek draagvlak te krijgen is een veilige en duurzame CO2-opslag van doorslaggevend belang.

4.15

Het is daarom belangrijk dat zowel de Commissie als met name ook de lidstaten en de potentiële exploitanten de burgers over alle aspecten van deze nieuwe techniek informeren en hen via een transparante dialoog bij de besluitvorming hierover betrekken. Te dien einde moeten adequate procedures worden ontwikkeld.

4.16

Ter afsluiting van dit hoofdstuk zou het EESC nog willen wijzen op een andere voorzorgsmaatregel, die betrekking heeft op de eventuele behoefte aan CO2 in de toekomst, hetzij om als belangrijke chemische substantie gebruikt te worden voor doeleinden die nu nog niet te voorzien zijn, hetzij om gebruikt te worden als middel om „natuurlijke” klimaatcycli te beïnvloeden (14). Omwille van de duurzaamheid zou daarom enerzijds CO2 veilig moeten worden opgeslagen, maar zou er anderzijds bij wijze van extra voorzorgsmaatregel voor moeten worden gezorgd dat buiten bedrijf gestelde centrales weer gericht CO2 kunnen gaan uitstoten of dat er documentatie voorhanden is over het eventueel laten ontsnappen van CO2 uit de bergingslocaties. De veiligheid van de opslaglocaties moet uiteraard voorop staan, wat mede betekent dat zich geen lekkages kunnen voordoen.

4.17

Het EESC stemt in grote lijnen in met het richtlijnvoorstel. Het volgende hoofdstuk bevat enkele kanttekeningen bij dit voorstel.

5.   Specifieke opmerkingen

5.1

Het richtlijnvoorstel bevat het noodzakelijke rechtskader voor exploitanten van CCS-installaties, al gaat dit kader hier en daar wel iets verder dan nodig is.

5.2

Om uitvoering van de voorgestelde richtlijn mogelijk te maken en rechtszekerheid te garanderen behoeven sommige punten wel nadere toelichting.

5.3

Volgens de Commissie zal afgevangen en opgeslagen CO2 niet worden geteld bij de CO2-emissies in het kader van de handel in emissierechten en zijn hiervoor dus geen CO2-emissiehandelsrechten nodig (zie overweging 23, waarin verwezen wordt naar Richtlijn 2003/87/EG). Dat is een nuttige, zij het in de demonstratiefase nog niet toereikende, marktconforme stimulans om in CCS-installaties te investeren.

5.3.1

Het EESC staat dan ook achter het voorstel om deze maatregelen in het emissiehandelssysteem op te nemen. Een marktconforme aanpak verdient namelijk de voorkeur boven een CCS-verplichting, temeer daar zo'n verplichting gezien het huidige ontwikkelingsstadium van de CCS-technologie duidelijk prematuur zou zijn.

5.3.2

Wel verdient de bepaling bijval dat nieuwe stookinstallaties over genoeg ruimte voor het afvangen en comprimeren van CO2 dienen te beschikken (artikel 32, invoeging van artikel 9 bis in Richtlijn 2001/80/EG). Maar ook deze maatregelen, die in principe tot hogere kosten leiden, zouden gecombineerd moeten worden met economische prikkels (15) (zoals voordelige CO2-certificaten of het gebruik van een deel van de opbrengst van geveilde emissierechten voor CCS).

5.4

Om de opslagmogelijkheden niet onnodig te beperken zou het in artikel 2, lid 3, van het Commissievoorstel geformuleerde verbod geen betrekking moeten hebben op de opslag in geologische formaties, maar op opslaglocaties. Het is namelijk zeer wel mogelijk dat geologische formaties zoals omschreven in artikel 3, lid 4, een groter gebied beslaan dan het gebied dat in artikel 2, lid 1, wordt gedefinieerd, terwijl de omvang van een opslaglocatie veel kleiner is. Om te voorzien in extra opslagmogelijkheden zou de Commissie er goed aan doen in de voorgestelde richtlijn een clausule op te nemen op basis waarvan betrouwbare contractuele afspraken met derde landen kunnen worden gemaakt.

5.5

De definitie van „opslaglocatie” in artikel 3, lid 3, zou alleen op dat „deel” van een „specifieke geologische formatie” betrekking moeten hebben dat „gebruikt wordt voor de geologische opslag van CO2”. (Een geologische formatie kan, van bovenaf gezien, miljoenen vierkante kilometers beslaan; slechts een gedeelte hiervan kan daarom als „opslaglocatie” worden aangemerkt.) Het is namelijk heel goed mogelijk, en zelfs waarschijnlijk, dat een geologische formatie meer dan één opslaglocatie bevat.

5.6

Krachtens artikel 4, lid 1, van het richtlijnvoorstel hebben de lidstaten het recht op hun grondgebied de zones te bepalen waarbinnen opslaglocaties kunnen worden geselecteerd. In dit verband zou er duidelijk op gewezen moeten worden dat de voor CO2-opslag in aanmerking komende gebieden ook daadwerkelijk door de lidstaten worden geselecteerd, tenzij hiertegen zwaarwegende bezwaren bestaan.

5.7

Het is een goede zaak dat in de voorgestelde regelgeving op maximale veiligheid wordt aangedrongen. Dit is van essentieel belang voor de bescherming van de mens, het milieu en het klimaat (16) alsook voor de integriteit van de emissiehandel.

5.7.1

Door middel van de technisch meest geavanceerde bewakingssystemen moet deze veiligheid gegarandeerd worden. Hiermee dient bij de afgifte van vergunningen door de lidstaten rekening te worden gehouden (17).

5.7.2

Bewakingssystemen vereisen en moeten er ook voor zorgen dat de processen in een opslaglocatie zo goed mogelijk begrepen en gemodelleerd worden. (Metingen aan of bij de oppervlakte leveren in dit verband niet genoeg informatie op.) Daarom zouden de te gebruiken modellen zo mogelijk met twee onafhankelijke simulatiesystemen vormgegeven en gecertificeerd moeten worden.

5.7.3

De definitie van „lekkage” zou moeten luiden: „het weglekken van CO2 uit het opslagcomplex, dat met de technisch meest geavanceerde bewakingssystemen aan te tonen is”. Absoluut hermetisch (dat wil zeggen 100 %) afsluitbare locaties zijn er namelijk niet, en bovendien zou een hermetische afsluiting sowieso nooit bewezen kunnen worden omdat er altijd enig „natuurlijk” CO2 uit de grond vrijkomt. Daar komt bij dat zo'n afsluiting noch uit veiligheidsoogpunt noch omwille van de klimaatbescherming noodzakelijk is (18). Deze definitie, waarbij de nadruk ligt op de telkens meest geavanceerde techniek, zou samen met de ontwikkeling van CCS met zich meebrengen dat de bewakingssystemen steeds verder verfijnd worden en aldus de veiligheid helpen vergroten.

5.7.4

Mocht het de bedoeling zijn om later voor in bedrijf genomen opslaglocaties grenswaarden voor lekkages vast te stellen, dan zou bijvoorbeeld een hoeveelheid van 0,1 %/100a kunnen worden gekozen, dat wil zeggen een lekkage zonder gevolgen voor de veiligheid of het klimaat en dus ook niet relevant voor emissiecertificaten.

5.8

De door de Commissie in artikel 5, lid 3, voorgestelde duur van exploratievergunningen is te kort. Uit ervaring blijkt dat er zelfs in het beste geval minstens vier jaar nodig is om een exploratie uit te voeren. Het mag beslist niet zo zijn dat een exploratie alleen maar wordt afgebroken omdat de voorgeschreven termijn, met inbegrip van de eventuele verlenging, is verstreken, zelfs als er nog slechts een aantal gegevens ontbreekt. Daarom is hiervoor een flexibele regeling nodig waarbij de specifieke situatie ter plekke in aanmerking wordt genomen, maar tegelijk van exploitanten wordt verwacht dat zij bij de exploratie efficiënt te werk gaan om te voorkomen dat potentiële opslaglocaties door vertragingen niet in gebruik kunnen worden genomen.

5.9

Voor de exploratie van potentiële opslaglocaties zijn knowhow, goed opgeleid personeel, tijd en geld nodig, zonder dat succes gegarandeerd is. Als explorerende bedrijven geen claim kunnen leggen op potentiële opslaglocaties, zou dat dan ook een belangrijke stimulans voor hen wegnemen. De regeling die de Commissie in artikel 5, lid 4, voorstelt zou daarom moeten worden aangevuld met een recht op eerste gebruik van te exploreren locaties. Bijvoorbeeld door middel van de volgende zin (die in de discussie overigens al de revue is gepasseerd): „Hierna wordt de exploratievergunning veranderd in een opslagvergunning of verliest zij haar geldigheid voor het hele betrokken gebied”.

5.10

Er moet inderdaad een plan met corrigerende maatregelen komen (artikel, lid 6, en artikel 16, lid 1), bij de opstelling waarvan echter wel rekening moet worden gehouden met de te wijzigen definitie van „lekkage” (artikel 3, lid 5).

5.11

Uit de artikelen 6 tot en met 9, die betrekking hebben op de aanvraag en inhoud van en voorwaarden voor opslagvergunningen, valt op te maken dat diverse exploitanten in één geologische formatie actief kunnen zijn.

5.11.1

Het EESC is het ermee eens dat in dit verband het beginsel van niet-discriminatie moet worden toegepast. Wat de aansprakelijkheid voor lekkages en de overdracht van verantwoordelijkheid aan de overheid betreft kunnen zich echter lastige problemen voordoen.

5.11.2

Als regel zou daarom moeten gelden dat slechts één exploitant een vergunning kan krijgen voor een bepaald opslagcomplex. Op die manier is duidelijk wie verantwoordelijk is. Een niet-discriminatoire toegang tot opslaglocaties zou ook op basis van artikel 20 gegarandeerd zijn.

5.12

Krachtens de voorgestelde richtlijn moeten nationale overheden de Commissie van ontwerpvergunningen in kennis stellen, waarna deze zes maanden de tijd heeft om hierover advies uit te brengen (artikel 10 en artikel 18). Dit advies dient dan in acht te worden genomen en een eventuele afwijking ervan moet met redenen worden omkleed.

5.12.1

Deze regeling zou tot vertragingen en meer administratieve rompslomp leiden, en druist bovendien in tegen het subsidiariteitsbeginsel.

5.12.2

De regeling zou daarom zodanig gewijzigd moeten worden dat enerzijds een voldoende uniforme aanpak door de verschillende lidstaten gegarandeerd is, maar dat er anderzijds geen onnodige vertragingen ontstaan en het subsidiariteitsbeginsel in voldoende mate in acht wordt genomen. Zo zou gestipuleerd kunnen worden dat de nationale overheden de Commissie alleen in kennis hoeven te stellen. Komen zij hun verplichtingen niet na, dan kan de Commissie altijd gebruik maken van artikel 226 van het EG-Verdrag. Artikel 10, lid 2, zou daarom kunnen luiden: „De bevoegde autoriteit stelt de Commissie ter controle in kennis van haar besluit betreffende een vergunningsaanvraag”.

5.13

De nationale overheden moeten gebruik kunnen maken van efficiënte instrumenten en regelmatig controles uitvoeren om de veiligheid van opslaglocaties steeds te kunnen garanderen. Het is echter de vraag of deze veiligheid wel wordt vergroot met het voorstel van de Commissie om bovendien de opslagvergunningen om de vijf jaar tegen het licht te houden. Dat zou alle betrokken partijen alleen maar met meer administratieve rompslomp opzadelen.

5.14

Artikel 18 van het Commissievoorstel stelt terecht hoge eisen aan de overdracht van de verantwoordelijkheid voor een opslaglocatie aan een lidstaat.

5.14.1

Krachtens artikel 18, lid 1, moet echter uit alle beschikbare gegevens blijken dat het opgeslagen CO2 voor onbeperkte tijd „volledig” ingesloten blijft. Hermetisch afgesloten locaties zijn evenwel niet mogelijk, en eisen in die richting moeten dan ook achterwege blijven (zie ook de paragrafen 5.7.3 en 5.7.4 van dit advies).

5.14.2

Om geen onoverkomelijk obstakel voor de overdracht te creëren zou de passage moeten luiden: „(…) dat lekkages gedurende een bepaalde periode niet te verwachten zijn” (19). (Hiermee wordt aangehaakt bij de definitie in paragraaf 5.7.3).

5.15

Krachtens de voorgestelde richtlijn (artikel 19) dienen ondernemingen bij het afsluiten van opslaglocaties en het starten van opslagactiviteiten een financiële zekerheid af te geven. Dit kan op bijval van het EESC rekenen, evenals het voorstel van de Commissie om de invulling van een en ander aan de lidstaten over te laten.

5.15.1

Het gaat echter te ver om van ondernemingen te eisen dat zij deze financiële zekerheid al vóór de aanvraag van een vergunning in volle omvang afgeven. Beter zou zijn om deze betalingen te laten afhangen van de mate van veiligheid die in de verschillende stadia van het project vereist is. Anders neemt de toch al te geringe animo van ondernemingen om in deze nieuwe technologie te investeren nog verder af.

5.15.2

In geval van lekkages die het klimaat kunnen aantasten dienen extra emissiecertificaten te worden gekocht. Zo'n lekkage is gezien het uitgebreide onderzoek dat aan de afgifte van vergunningen voorafgaat echter niet te verwachten. Daarom zou voor dergelijke gevallen het bewijs van een passende hoeveelheid, ook bij insolventie van de exploitant aan te spreken middelen als voldoende financiële zekerheid moeten gelden. Gezien de geringe kans op zulke lekkages zouden strengere eisen een te zware wissel trekken op de investeringsbereidheid van de betrokken ondernemingen.

5.16

Sommige van de in bijlage I genoemde activiteiten ter karakterisering en evaluatie van opslaglocaties verkeren nog in het O&O-stadium. Wil een en ander ook in de praktijk uitvoerbaar zijn, dan zou ook hier de „stand van de techniek” als referentie moeten gelden bij het opstellen van de aanvraagdocumenten.

5.17

In de passage van Bijlage 1 die betrekking heeft op de „risico-evaluatie” zou de term „biosfeer” nader moeten worden toegelicht. Met de biosfeer die niet aangetast mag worden zou namelijk niet alleen de biosfeer aan het aardoppervlak moeten worden bedoeld, maar ook de biosfeer daaronder (tot de drinkwaterhoudende grondlagen aan toe).

5.18

Bovendien is er meer duidelijkheid nodig over de samenstelling en werkmethoden van de groep deskundigen die de bijlage voortdurend dient te herzien.

Brussel, 9 juli 2008

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

D. DIMITRIADIS


(1)  CESE 1201/2008, CESE 1202/2008, CESE 1203/2008 van 9 juni 2008, nog niet gepubliceerd in het Publicatieblad.

(2)  COM(2008) 13 final.

(3)  Carbon Capture and Storage (met „carbon” wordt kooldioxide bedoeld). In TEN/340 — CESE 562/2008 wordt voorgesteld om in plaats hiervan de afkorting CCTS te gebruiken: Carbon Capture Transport and Storage, maar in dit advies wordt verder CCS gebruikt.

(4)  Zie PB C 162 van 25.6.2008, blz. 72.

(5)  Zie CESE 1199/2008 van 9 juni 2008, nog niet gepubliceerd in het Publicatieblad.

(6)  Zie bijvoorbeeld CESE 643/2005 en CESE 1246/2007, nog niet gepubliceerd in het Publicatieblad.

(7)  CCS zal voorlopig vooral bij de opwekking van elektriciteit uit fossiele energiebronnen worden toegepast. In de EU wordt momenteel 30 % van de elektriciteit door kerncentrales geleverd, die praktisch geen CO2 uitstoten.

(8)  Besluit van de Raad van maart 2007.