|
ISSN 1725-2474 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 270 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Mededelingen en bekendmakingen |
51e jaargang |
|
Nummer |
Inhoud |
Bladzijde |
|
|
I Resoluties, aanbevelingen en adviezen |
|
|
|
ADVIEZEN |
|
|
|
De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming |
|
|
2008/C 270/01 |
||
|
|
II Mededelingen |
|
|
|
MEDEDELINGEN VAN DE INSTELLINGEN EN ORGANEN VAN DE EUROPESE UNIE |
|
|
|
Commissie |
|
|
2008/C 270/02 |
||
|
2008/C 270/03 |
Besluit om geen bezwaar aan te tekenen tegen een aangemelde concentratie (Zaak COMP/M.5154 — CASC JV) ( 1 ) |
|
|
2008/C 270/04 |
Besluit om geen bezwaar aan te tekenen tegen een aangemelde concentratie (Zaak COMP/M.5169 — Galp Energia España/Agip España) ( 1 ) |
|
|
2008/C 270/05 |
Besluit om geen bezwaar aan te tekenen tegen een aangemelde concentratie (Zaak COMP/M.5201 — Total Produce/Haluco/JV) ( 1 ) |
|
|
2008/C 270/06 |
Besluit om geen bezwaar aan te tekenen tegen een aangemelde concentratie (Zaak COMP/M.5321 — LAHC/Barclays Life) ( 1 ) |
|
|
|
V Bekendmakingen |
|
|
|
PROCEDURES IN VERBAND MET DE UITVOERING VAN DE GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK |
|
|
|
Commissie |
|
|
2008/C 270/12 |
||
|
|
PROCEDURES IN VERBAND MET DE UITVOERING VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK MEDEDINGINGSBELEID |
|
|
|
Commissie |
|
|
2008/C 270/13 |
Staatssteun — Roemenië — Steunmaatregel van de staten C 39/08 (ex N 148/08) — Opleidingssteun voor Ford Craiova — Uitnodiging overeenkomstig artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag opmerkingen te maken ( 1 ) |
|
|
|
||
|
2008/C 270/14 |
||
|
|
|
|
|
(1) Voor de EER relevante tekst |
|
NL |
|
I Resoluties, aanbevelingen en adviezen
ADVIEZEN
De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming
|
25.10.2008 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 270/1 |
Advies van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming over de Beschikking 2008/49/EG van de Commissie van 12 december 2007 inzake de bescherming van persoonsgegevens bij de invoering van het informatiesysteem interne markt (IMI)
(2008/C 270/01)
DE EUROPESE TOEZICHTHOUDER VOOR GEGEVENSBESCHERMING,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 286,
Gelet op het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name op artikel 8,
Gelet op Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens,
Gelet op Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 inzake de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en met name op artikel 41,
BRENGT HET VOLGENDE ADVIES UIT:
1. INLEIDING
Het informatiesysteem interne markt
|
1. |
Het informatiesysteem interne markt (IMI) is een informatietechnologisch instrument waarmee de bevoegde autoriteiten uit de lidstaten onderling informatie kunnen uitwisselen bij de toepassing van de wetgeving over de interne markt. Het IMI wordt bekostigd uit het programma voor interoperabele levering van pan-Europese e-overheidsdiensten aan overheidsdiensten, ondernemingen en burgers (IDABC) (1). |
|
2. |
Het IMI is bedoeld als een algemeen systeem voor informatie over diverse terreinen van de wetgeving over de interne markt, en zal in de toekomst nog meer wetgevingssectoren gaan omvatten. Aanvankelijk zal het worden gebruikt in verband met de bepalingen over wederzijdse bijstand uit Richtlijn 2005/36/EG (de richtlijn beroepskwalificaties) (2). Vanaf december 2009 vallen ook de bepalingen over administratieve samenwerking uit Richtlijn 2006/123/EG (de dienstenrichtlijn) binnen het toepassingsgebied (3). |
Het advies van de Groep gegevensbescherming (artikel 29) en de rol van de EDPS
|
3. |
In het voorjaar van 2007 verzocht de Europese Commissie de Groep gegevensbescherming van artikel 29 (WP 29) om een advies over de implicaties van het IMI op het gebied van gegevensbescherming. De WP 29 bracht haar advies op 20 september 2007 uit (4). Het advies gaf steun aan de plannen van de Commissie om de gegevensbeschermingsaspecten van het IMI bij beschikking te regelen en de gegevensuitwisseling binnen het IMI van een duidelijker rechtsgrond te voorzien. |
|
4. |
Het verheugt de EDPS dat de Commissie het advies inwon voordat de beschikking werd opgesteld. De EDPS heeft actief deelgenomen aan de werkzaamheden van de subgroep IMI en staat achter de conclusies uit het advies van de WP 29. Hij stelt het tevens op prijs dat de Commissie hem informeel heeft geraadpleegd alvorens de beschikking vast te stellen. De EDPS kon dus al voor de aanneming ideeën opperen, wat zonder meer nodig was, omdat hier sprake was van een handeling van de Commissie zelf, en niet van een Commissievoorstel dat, volgens een wetgevingsprocedure, ook door de Raad en het Europees Parlement wordt behandeld. |
Besschikking 2008/49/EG van de Commissie
|
5. |
Op 12 december 2007 heeft de Commissie Beschikking 2008/49/EG inzake de bescherming van persoonsgegevens bij de invoering van het informatiesysteem interne markt (de IMI-beschikking) aangenomen. In de beschikking is rekening gehouden met enkele aanbevelingen van de EDPS en van de WP 29. Voorts is de rechtsgrond specifieker geworden. |
Algemene standpunten van de EDPS over het IMI
|
6. |
De EDPS staat algemeen positief tegenover het IMI. De doelstellingen van de Commissie, invoering van een elektronisch systeem voor informatie-uitwisseling en regeling van de gegevensbeschermingsaspecten daarvan, worden door de EDPS onderschreven. Een aldus gestroomlijnde organisatie kan er niet alleen voor zorgen dat efficiënter wordt samengewerkt, maar er ook toe bijdragen dat de gegevensbeschermingswetgeving wordt toegepast. Dit is mogelijk door duidelijk af te bakenen welke informatie kan worden uitgewisseld, met wie en onder welke voorwaarden. |
|
7. |
Een centralistisch elektronisch systeem houdt echter tevens gevaren in. Vooral bestaat het risico dat meer gegevens worden uitgewisseld en dat dit op grotere schaal gebeurt dan strikt nodig is voor een efficiënte samenwerking, en dat gegevens, waaronder mogelijk ook achterhaalde en onnauwkeurige gegevens, langer in het systeem opgeslagen blijven dan is vereist. Ook de beveiliging van een in 27 lidstaten toegankelijke databank is een netelige kwestie, omdat het systeem niet veiliger is dan zijn zwakste schakel. |
|
8. |
Het is daarom zeer belangrijk dat de gegevensbescherming zo compleet en ondubbelzinnig als mogelijk wordt geregeld in een juridisch bindende handeling van de Gemeenschap. |
Duidelijke afbakening van het toepassingsgebied van het IMI
|
9. |
De EDPS verwelkomt het feit dat het werkterrein van het IMI duidelijk is bepaald en afgebakend, en dat de desbetreffende handelingen van de Gemeenschap op basis waarvan informatie kan worden uitgewisseld, in een bijlage worden opgesomd. Momenteel gaat het alleen om de richtlijn beroepskwalificaties en de dienstenrichtlijn; maar naar verwachting zal het werkterrein worden uitgebreid. Nieuwe wetgeving die voorziet in informatie-uitwisseling door middel van het IMI leidt meteen tot aanpassing van de bijlage. De EDPS staat positief tegenover deze methode, omdat i) het werkterrein van het IMI er duidelijk door wordt afgebakend, ii) transparantie wordt verzekerd, en iii) het systeem tegelijkertijd flexibel genoeg is voor het geval dat het later ook voor nieuwe informatie-uitwisseling mocht worden gebruikt. Bovendien zal geen informatie via het IMI kunnen worden uitgewisseld zonder dat i) dit toegestaan of voorgeschreven wordt op een adequate, specifieke rechtsgrondslag van de interne markt, en ii) die rechtsgrondslag in de bijlage bij de IMI-beschikking staat vermeld. |
Voornaamste bezwaren omtrent de IMI-beschikking
|
10. |
De EDPS neemt evenwel geen genoegen met i) de keuze van de rechtsgrondslag voor de IMI-beschikking, die thans onduidelijk gefundeerd is (deel 2 van dit advies), en ii) het feit dat in de beschikking een aantal noodzakelijke, gedetailleerde regels betreffende de gegevensbescherming bij het IMI ontbreken (deel 3 van het advies). |
|
11. |
Helaas houdt de door de Commissie gekozen oplossing in de praktijk in dat, in tegenstelling tot wat de EDPS en de WP 29 hadden verwacht, in de IMI-beschikking nu niet alle belangrijke gegevensbeschermingsaspecten volledig zijn geregeld. Dit betreft vooral de wijze waarop de verwerkingsverantwoordelijken er gezamenlijk mee zijn belast de betrokkene in kennis te stellen en hem een toegangsrecht toe te kennen, alsmede de specifieke, praktische facetten van de evenredigheid. Ook betreurt de EDPS het dat de Commissie niet specifiek wordt verplicht de stereotiepe vragen en datavelden op haar website te publiceren, hetgeen de transparantie en de rechtszekerheid ten goede zou komen. |
2. RECHTSGRONDSLAG VAN DE IMI-BESCHIKKING
Het IDABC-besluit
|
12. |
In de IMI-beschikking wordt als rechtsgrondslag aangehaald Besluit 2004/387/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende de interoperabele levering van pan-Europese e-overheidsdiensten aan overheidsdiensten, ondernemingen en burgers (het IDABC-besluit) (5), met name artikel 4 daarvan. |
|
13. |
Het IDABC-besluit zelf valt onder titel XV van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (het EG-Verdrag): trans-Europese netwerken. Artikel 154 van het EG-Verdrag bepaalt dat de Gemeenschap bijdraagt tot de totstandbrenging en ontwikkeling van trans-Europese netwerken op het gebied van vervoers-, telecommunicatie- en energie-infrastructuur. Zij moet helpen om de nationale netwerken onderling te koppelen, en ze interoperabeler en toegankelijker te maken. In artikel 155 staat welke maatregelen de Gemeenschap in dit verband kan vaststellen. Het gaat om i) richtsnoeren, ii) alle maatregelen die nodig kunnen blijken om de interoperabiliteit van de netwerken te verzekeren, met name op het gebied van de harmonisatie van de technische normen, en iii) projectsteun. Het IDABC-besluit is, wat de vaststellingsprocedure betreft, gebaseerd op artikel 156, lid 1. |
|
14. |
Artikel 4 van het IDABC-besluit bepaalt onder meer dat de Gemeenschap projecten van gemeenschappelijk belang uitvoert. Deze projecten moeten deel uitmaken van een werkprogramma en worden uitgevoerd volgens de beginselen van de artikelen 6 en 7, die voornamelijk inhouden dat tot ruime deelname wordt aangespoord, een degelijke, neutrale procedure wordt gevolgd en in technische harmonisatie wordt voorzien. Die beginselen moeten voorts de economische betrouwbaarheid en haalbaarheid van de projecten garanderen. |
De dienstenrichtlijn en de richtlijn beroepskwalificaties
|
15. |
Zoals gezegd zal het informatiesysteem interne markt vooreerst worden gebruikt om persoonsgegevens uit te wisselen in verband met twee richtlijnen:
|
|
16. |
Artikel 34, lid 1, van de dienstenrichtlijn vestigt een specifieke rechtsgrond voor een flankerende maatregel, namelijk de invoering van een elektronisch systeem voor informatie-uitwisseling tussen de lidstaten. Luidens die bepaling zet de Commissie, in samenwerking met de lidstaten en met inachtneming van de bestaande informatiesystemen, een elektronisch systeem voor de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten op. |
|
17. |
De richtlijn beroepskwalificaties voorziet niet in zo'n specifiek systeem, maar bepaalt hier en daar duidelijk dat informatie moet worden uitgewisseld. Zo onder meer in artikel 56, volgens hetwelk de bevoegde autoriteiten van de lidstaten nauw samenwerken en elkaar bijstand verlenen bij de toepassing van de richtlijn. Lid 2 van artikel 56 schrijft voor dat bepaalde gevoelige informatie conform de gegevensbeschermingswetgeving wordt verwerkt. Voorts bepaalt artikel 8 specifiek dat de bevoegde autoriteiten van de ontvangende lidstaat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van vestiging kunnen verzoeken om alle informatie over de rechtmatigheid van de vestiging en het goede gedrag van de dienstverrichter, en over de afwezigheid van tuchtrechtelijke of strafrechtelijke maatregelen ter zake van de beroepsuitoefening. Luidens artikel 50, lid 2, ten slotte kan de ontvangende lidstaat in geval van gegronde twijfel de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat vragen om bevestiging van de echtheid van de getuigschriften en opleidingstitels. |
Behoefte aan een juiste rechtsgrond voor de bepalingen over gegevensbescherming
|
18. |
De bescherming van persoonsgegevens wordt als een grondrecht erkend in artikel 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en in de jurisprudentie die op artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM) is gebaseerd. |
|
19. |
In de IMI-beschikking worden volgens artikel 1 daarvan de taken, rechten en plichten van de IMI-actoren en -gebruikers ten aanzien van de gegevensbeschermingsvereisten vastgelegd. Blijkens overweging 7 is de IMI-beschikking bedoeld als een uitwerking van het algemene communautaire gegevensbeschermingskader uit Richtlijn 95/46/EG en Verordening (EG) nr. 45/2001. In het bijzonder worden de verwerkingsverantwoordelijke, zijn taken, de bewaartermijnen en de rechten van de betrokkene omschreven. In de IMI-bechikking worden dus grondrechten afgebakend en nader bepaald en worden subjectieve rechten van de burger nauwkeurig omschreven. |
|
20. |
De regels waarbij grondrechten worden beperkt, berusten op de rechtspraak over het EVRM en moeten dus een ondubbelzinnig wettelijke status hebben. Zij moeten worden vervat in een wettelijk instrument, dat op het EG-Verdrag is gebaseerd en voor de rechter kan worden ingeroepen. Zou dat niet gebeuren, dan geniet de betrokkene geen rechtszekerheid, omdat hij er niet kan op rekenen zich in rechte op de regels te kunnen beroepen. |
|
21. |
Het rechtszekerheidsthema is des te belangrijker, daar in het bestel van het EG-Verdrag het vooral de nationale rechters zullen zijn die kunnen beslissen welke waarde zij aan de IMI-beschikking hechten. Hierdoor kan het resultaat per lidstaat en zelfs binnen een gegeven lidstaat verschillen, wat een onaanvaardbare vorm van rechtsonzekerheid is. |
|
22. |
Het ontbreken van (zekerheid omtrent) een rechtsmiddel zou in ieder geval strijdig zijn met het in artikel 6 van het EVRM vastgelegde recht op een eerlijk proces, en met de desbetreffende jurisprudentie. De Gemeenschap zou aldus tekortschieten in haar verplichtingen ex artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), volgens hetwelk de Unie de door het EVRM gewaarborgde grondrechten moet eerbiedigen. |
Een ondeugdelijke rechtsgrondslag
|
23. |
De EDPS koestert ernstige vrees dat de Commissie, met de keuze van artikel 4 van het IDABC-besluit als rechtsgrond voor haar beschikking, de hierboven genoemde rechtszekerheidstoets niet kan doorstaan. Dat aan de juistheid van die keuze valt te twijfelen blijkt uit de volgende elementen:
|
Mogelijke oplossingen voor de ondeugdelijkheid van de rechtsgrondslag
|
24. |
De IMI-beschikking moet derhalve een degelijke rechtsgrondslag krijgen. Of de huidige rechtsgrond aan het rechtszekerheidsvereiste voldoet, kan sterk worden betwijfeld. De EDPS pleit ervoor dat de Commissie zich hierover beraadt en nagaat hoe de ondeugdelijkheid van de rechtsgrondslag kan worden verholpen; eventueel zal de beschikking vervangen moeten worden door regelgeving die de rechtszekerheidstoets wel kan doorstaan. |
|
25. |
De meest adequate oplossing zou erin kunnen bestaan dat het IMI bij afzonderlijke regelgeving wordt ingesteld door de Raad en het Europees Parlement, naar het voorbeeld van het Schengeninformatiesysteem, het Visuminformatiesysteem en andere grootschalige IT-databanken. |
|
26. |
De EDPS stelt voor dat deze mogelijkheid wordt onderzocht. In de afzonderlijke rechtshandeling zouden dan de taken, rechten en verplichtingen van de IMI-actoren en -gebruikers met betrekking tot de gegevensbeschermingsvereisten (het onderwerp van de IMI-beschikking), alsook andere voorschriften betreffende de oprichting en de werking van het systeem worden vervat. |
|
27. |
Een tweede mogelijkheid is dat een rechtsgrond wordt gezocht in de verschillende wetteksten over de interne markt. Voor zover de IMI-beschikking van toepassing is op de uitwisseling van persoonsgegevens in verband met de dienstenrichtlijn, zou nader onderzocht moeten worden of de richtlijn zelf, met name artikel 34, de rechtsgrondslag kan leveren. Voor zover de IMI-beschikking van toepassing is op de uitwisseling van persoonsgegevens in verband met de richtlijn beroepskwalificaties, zou een analoge methode kunnen worden gevolgd: in de richtlijn zou een specifieke, duidelijke rechtsgrondslag kunnen worden opgenomen. |
|
28. |
In toekomstige wetgeving over de interne markt, op grond waarvan bevoegde nationale autoriteiten informatie zullen moeten uitwisselen, zou telkens een specifieke rechtsgrondslag kunnen komen te staan. |
3. INHOUDELIJKE OPMERKINGEN OVER DE IMI-BESCHIKKING
|
29. |
Wij zullen nu ingaan op de bepalingen uit de beschikking die de gegevensbeschermingsaspecten van het IMI regelen. De suggesties van de EDPS zouden kunnen worden verwerkt in een nieuwe wettekst die, zoals hierboven voorgesteld, de beschikking vervangt. Komt er geen nieuwe wettekst, dan zouden de suggesties ook in de IMA-beschikking zelf kunnen worden verwerkt. |
|
30. |
Sommige suggesties kunnen door de IMI-actoren zelfs al meteen worden toegepast, zonder dat de beschikking behoeft te worden gewijzigd. De EDPS verwacht van de Commissie dat zij de aanbevelingen uit dit advies — voor zover deze verband houden met het werk dat de Commissie zelf als IMI-actor verricht, hetgeen aan het toezicht van de EDPS is onderworpen — ten minste op het operationele niveau in aanmerking neemt. |
Artikel 2 — Stereotiepe gegevensvelden: transparantie en evenredigheid
|
31. |
De EDPS stelt het op prijs dat de Commissie de eerste reeks stereotiepe vragen en andere gegevensvelden op de website van het IMI heeft geplaatst. Het gaat om informatie-uitwisseling op grond van de richtlijn beroepskwalificaties. |
|
32. |
Om van deze goede praktijk een duidelijke verplichting voor de Commissie te maken, en dus transparantie te bewerkstelligen en verder te bevorderen, pleit de EDPS voor een IMI-wettekst op grond waarvan de Commissie de vragen en gegevensvelden op de website van het IMI bekend moet maken. |
|
33. |
Wat de proportionaliteit betreft, moet in die wettekst worden bepaald dat de bedoelde vragen en gegevensvelden toereikend, ter zake dienend en niet bovenmatig horen te zijn, en heeft de EDPS bovendien twee specifieke aanbevelingen:
|
Artikel 3 — Gemeenschappelijke verwerkingsverantwoordelijkheid en toewijzing van verantwoordelijkheden
|
34. |
De verantwoordelijkheden worden in artikel 3 van de beschikking duidelijk en ondubbelzinnig toegewezen. De EDPS ziet in dat het onmogelijk is in de beschikking elke verwerking afzonderlijk aan te duiden en de verantwoordelijkheid ervoor aan de Commissie of een bepaalde nationale autoriteit toe te wijzen. Toch zou de beschikking althans ten aanzien van de belangrijkste gegevensbeschermingsverplichtingen van de verwerkingsverantwoordelijke enkele instructies moeten hebben bevat. |
|
35. |
Met name pleit de EDPS ervoor dat in een wettekst over het IMI het volgende wordt bepaald:
|
Kennisgeving aan de betrokkene
|
36. |
In een IMI-wettekst zou een lid kunnen worden ingelast, krachtens hetwelk de instanties die gezamenlijk voor de verwerking verantwoordelijk zijn, de kennisgevingstaken volgens een „gelaagde” methode toegewezen krijgen. In de tekst zou met name het volgende moeten worden bepaald:
|
Rechten van toegang, van verzet en van rectificatie
|
37. |
De EDPS pleit voor het invoegen van een nieuw lid, waarin wordt bepaald:
|
|
38. |
Voorts zou moeten worden vastgelegd dat de Commissie enkel toegang kan verlenen tot gegevens waartoe zij zelf rechtmatig toegang heeft. Zij zal dus geen toegang behoeven te geven tot informatie die tussen de bevoegde autoriteiten wordt uitgewisseld. Een betrokkene die zich toch met een dergelijk verzoek tot de Commissie richt, wordt terstond doorgeleid naar de autoriteiten die wel toegang hebben tot de informatie, en hiervan in kennis gesteld. |
Artikel 4 — Bewaring van persoonsgegevens van betrokkenen over wie informatie wordt uitgewisseld
|
39. |
Artikel 4, eerste alinea, van de beschikking bepaalt dat de gegevens worden bewaard gedurende zes maanden na de „formele beëindiging” van de informatie-uitwisseling. |
|
40. |
De EDPS begrijpt dat de bevoegde autoriteiten over een zekere marge moeten kunnen beschikken om gegevens te bewaren, omdat zij na de eerste vraag-en-antwoordronde in een zaak elkaar misschien vervolgvragen zullen willen stellen. Bij de opstelling van het advies van de WP 29 heeft de Commissie verklaard dat de administratieve procedures in het kader waarvan informatie-uitwisseling noodzakelijk kan zijn, gewoonlijk binnen een paar maanden zijn voltooid en dat de bewaartermijn bedoeld is voor het geval dat er onverwacht vertraging ontstaat. |
|
41. |
Bijgevolg betwijfelt de EDPS, mede gezien de uitleg van de Commissie, of er een geldige reden is om de gegevens, nadat de uitwisseling formeel is beëindigd, nogmaals voor zes maanden bij het IMI te bewaren. Hij vindt daarom dat de zesmaandstermijn voor automatisch wissen zou moeten ingaan op de datum waarop de verzoekende autoriteit in een uitwisselingsdossier voor het eerst contact opneemt met haar pendant. Beter nog zou zijn dat de datum voor het automatisch wissen bepaald wordt door het soort van gegevensuitwisseling (en dat de termijn vanaf de aanvang van de uitwisseling wordt berekend). Terwijl bijvoorbeeld in het geval van de richtlijn beroepskwalificaties een bewaartermijn van zes maanden kan zijn aangewezen, geldt dit niet per se voor gegevensuitwisseling die in het kader van de internemarktwetgeving zal plaatsvinden. |
|
42. |
Mochten deze aanbevelingen terzijde worden geschoven, dan moet volgens de EDPS op zijn minst worden uitgelegd wat bedoeld wordt met „formele beëindiging” van een gegevensuitwisseling. In het bijzonder mogen gegevens niet langer in de databank kunnen blijven louter omdat een bevoegde autoriteit verzuimt het dossier af te sluiten. |
|
43. |
Voorts zou de EDPS de in de tweede alinea van artikel 4 vastgelegde volgorde „wissen-bewaren” gaarne omgekeerd zien. De Commissie zou aan een verzoek om gegevens te wissen in ieder geval binnen tien werkdagen gevolg moeten geven, ongeacht of een andere bevoegde autoriteit die bij de uitwisseling is betrokken ze al dan niet bij het IMI wil bewaren. Wel zou dit volgens een automatisch mechanisme aan de andere bevoegde autoriteit moeten kunnen worden meegedeeld, zodat de gegevens voor haar niet verloren gaan en zij ze desgewenst kan downloaden of afdrukken, en voor eigen doeleinden, conform haar eigen gegevensbeschermingsregels, buiten het IMI kan opslaan. Een kennisgevingstermijn van tien dagen lijkt redelijk, als minimum én als maximum. De Commissie moet de informatie vóór het verstrijken van die termijn kunnen wissen, als beide autoriteiten dat verlangen. |
Beveiligingsmaatregelen
|
44. |
De EDPS uit de wens dat beveiligingsmaatregelen, of ze nu door de Commissie dan wel de bevoegde autoriteiten worden genomen, overeenkomstig de beste praktijken in de lidstaten worden genomen. |
Gezamenlijk toezicht
|
45. |
Aangezien de informatie-uitwisseling in het kader van het IMI onder meerdere nationale beschermingswetgevingen en onder het toezicht van meerdere nationale beschermingsautoriteiten valt — afgezien nog van het feit dat bepaalde verwerkingsaspecten onder Verordening (EG) nr. 45/2001 en het toezicht van de EDPS vallen — pleit de EDPS ervoor dat een IMI-wettekst duidelijke regels bevat die een gezamenlijk toezicht op het IMI door de verschillende betrokken gegevensbeschermingsautoriteiten vergemakkelijken. Dat gezamenlijke toezicht zou naar het model uit de wetteksten betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem (SIS II) kunnen worden opgezet (8). |
4. CONCLUSIES
|
46. |
De doelstellingen van de Commissie, invoering van een elektronisch systeem voor gegevensuitwisseling en regeling van de gegevensbeschermingsaspecten daarvan, worden door de EDPS onderschreven. |
|
47. |
De IMI-beschikking moet om de hierboven uiteengezette redenen een degelijke rechtsgrondslag krijgen. De EDPS pleit ervoor dat de Commissie zich over de door haar gekozen grondslag beraadt en nagaat hoe de ondeugdelijkheid ervan kan worden verholpen; eventueel zal de IMI-beschikking vervangen moeten worden door regelgeving die de rechtszekerheidstoets kan doorstaan. |
|
48. |
Als meest adequate oplossing zou uiteindelijk de mogelijkheid kunnen worden onderzocht om het IMI bij afzonderlijke regelgeving op het niveau van de Raad en het Europees Parlement te laten instellen, naar het voorbeeld van het Schengeninformatiesysteem, het Visuminformatiesysteem en andere grootschalige IT-databanken. |
|
49. |
Het alternatief zou kunnen zijn dat artikel 34 van de dienstenrichtlijn en soortgelijke, nog vast te stellen bepalingen over andere internemarktwetgeving als rechtsgrond gaan fungeren. |
|
50. |
Voorts is in dit advies een aantal voorstellen betreffende de bepalingen over de gegevensbeschermingsaspecten van het IMI geopperd, welke zouden kunnen worden verwerkt in een nieuwe wetstekst, die, zoals hierboven voorgesteld, de beschikking vervangt; komt er geen nieuwe wetstekst, dan zouden de voorstellen ook in de beschikking zelf kunnen worden verwerkt. |
|
51. |
Sommige ervan kunnen zelfs al meteen door de IMI-actoren worden toegepast, zonder dat de beschikking behoeft te worden gewijzigd. De EDPS verwacht van de Commissie dat zij de aanbevelingen uit dit advies — voor zover deze verband houden met het werk dat de Commissie zelf als IMI-actor verricht, hetgeen aan het toezicht van de EDPS is onderworpen — ten minste op het operationele niveau in aanmerking neemt. |
|
52. |
De aanbevelingen handelen over transparantie en evenredigheid, de gemeenschappelijke verwerkingsverantwoordelijkheid en de verdeling van verantwoordelijkheden, de kennisgeving aan de betrokkene, de rechten van toegang, van verzet en van rectificatie, de bewaartermijn, de beveiligingsmaatregelen en het gezamenlijk toezicht. |
Gedaan te Brussel, 22 februari 2008.
Peter HUSTINX
Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming
(1) Zie punt 12 van dit advies.
(2) Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PB L 255 van 30.9.2005, blz. 22).
(3) Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PB L 376 van 27.12.2006, blz. 36).
(4) Advies nr. 7/2007 van WP 29 over de gegevensbeschermingsaspecten van het informatiesysteem voor de interne markt (IMI), WP 140.
(5) PB L 144 van 30.4.2004; gerectificeerd in PB L 181 van 18.5.2004, blz. 25.
(6) Witboek van de Commissie inzake groei, concurrentievermogen en werkgelegenheid, COM(93) 700 def.
(7) PB L 184 van 29.12.2006, blz. 23.
(8) Zoals beschreven in artikel 44-46 van Verordening (EG) nr. 1987/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) (PB L 381 van 28.12.2006, blz. 4), en de artikelen 60-62 van Besluit 2007/533/JBZ van de Raad van 12 juni 2007 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) (PB L 205 van 7.8.2007, blz. 63).
II Mededelingen
MEDEDELINGEN VAN DE INSTELLINGEN EN ORGANEN VAN DE EUROPESE UNIE
Commissie
|
25.10.2008 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 270/8 |
Mededeling van de Commissie — De toepassing van de staatssteunregels op maatregelen in het kader van de huidige wereldwijde financiële crisis genomen met betrekking tot financiële instellingen
(2008/C 270/02)
1. INLEIDING
|
1. |
De wereldwijde financiële crisis heeft diepe sporen getrokken en heeft nu ook zwaar toegeslagen in de banksector in de EU. Niet alleen zijn er de specifieke problemen die met name verband houden met de Amerikaanse hypotheekmarkt en door hypotheken gedekte activa of met verliezen door overdreven risicovolle strategieën van afzonderlijke banken, maar vooral blijkt de afgelopen weken het vertrouwen binnen de banksector te zijn weggespoeld. Door de aanhoudende onzekerheid over het kredietrisico van individuele financiële instellingen is de markt voor interbancaire leningen opgedroogd, waardoor het voor àlle financiële instellingen steeds moeilijker is om toegang tot liquiditeiten te krijgen. |
|
2. |
De huidige situatie bedreigt het voortbestaan van individuele financiële instellingen die in moeilijkheden verkeren door hun specifieke commerciële model of door zakelijke praktijken waarvan de zwakke punten door de crisis op de financiële markten aan het licht zijn gekomen en nog werden geaccentueerd. Om dergelijke instellingen op de lange termijn opnieuw levensvatbaar te maken in plaats van ze te liquideren, zullen hun activiteiten ingrijpend moeten worden geherstructureerd. In de huidige omstandigheden treft de crisis echter ook fundamenteel gezonde financiële instellingen, die in moeilijkheden zijn gekomen door de algemene marktsituatie die tot een forse verkrapping van de toegang tot liquiditeiten heeft geleid. Voor het herstel van de levensvatbaarheid van deze instellingen op de lange termijn is wellicht een minder ingrijpende herstructurering nodig. In ieder geval bestaat wel de mogelijkheid dat maatregelen die lidstaten nemen om (bepaalde) instellingen te steunen die op hun nationale financiële markt opereren, deze instellingen begunstigen, ten koste van andere instellingen die in diezelfde lidstaat of in nadere lidstaten opereren. |
|
3. |
Op 7 oktober 2008 heeft de Ecofin-Raad conclusies aangenomen, waarin wordt toegezegd dat alle nodige maatregelen zullen worden genomen om de soliditeit en de stabiliteit van het bankensysteem te versterken en zo het vertrouwen in en het goede functioneren van de financiële sector te herstellen. De herkapitalisatie van kwetsbare systeemrelevante financiële instellingen werd gezien als één van de middelen om de belangen van de depositohouders en de stabiliteit van het systeem te beschermen. Voorts was er overeenstemming dat besluiten tot overheidsinterventie op het nationale niveau moeten worden genomen, doch binnen een gecoördineerd kader en op basis van een aantal gemeenschappelijke EU-beginselen (1). Bij die gelegenheid bood de Commissie aan op korte termijn de nodige aanwijzingen te geven wat betreft het brede kader om herkapitalisatie- en garantieregelingen, en de toepassing daarvan in concrete zaken, snel op hun verenigbaarheid met de staatssteunregels te beoordelen. |
|
4. |
Gezien de omvang van de crisis die thans ook fundamenteel gezonde banken bedreigt, de sterke integratie en verwevenheid van de Europese financiële markten, en de dramatische gevolgen van het faillissement van een systeemrelevante financiële instelling, hetgeen de crisis nog verder zou verscherpen, erkent de Commissie dat de lidstaten het nodig kunnen achten, passende maatregelen te treffen ter vrijwaring van de stabiliteit van het financiële systeem. Door de bijzondere aard van de huidige problemen in de financiële sector moeten dergelijke maatregelen wellicht verder gaan dan het stabiliseren van individuele financiële instellingen en kan het ook om algemene regelingen gaan. |
|
5. |
Hoewel bij het toepassen van de staatssteunregels op maatregelen voor het aanpakken van de crisis op de financiële markten wel degelijk rekening moet worden gehouden met de uitzonderlijke omstandigheden die zich thans voordoen, dient de Commissie er toch op toe te zien dat dit soort maatregelen de mededinging tussen de financiële instellingen die op de markt opereren, niet onnodig verstoren of tot negatieve overloopeffecten op andere lidstaten leiden. Deze mededeling wil de nodige houvast bieden wat betreft de criteria die relevant zijn voor de verenigbaarheid met het Verdrag van algemene regelingen, maar ook van individuele gevallen waarin die regelingen worden toegepast en ad-hocgevallen van systeemrelevantie. De Commissie zal bij de toepassing van de hier beschreven criteria op de maatregelen van de lidstaten met de vereiste spoed handelen om rechtszekerheid te garanderen en het vertrouwen op de financiële markten te herstellen. |
2. ALGEMENE BEGINSELEN
|
6. |
Staatssteun van individuele ondernemingen in moeilijkheden wordt normaal beoordeeld op grond van artikel 87, lid 3, onder c), van het Verdrag en van de Communautaire richtsnoeren inzake reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (2) (hierna „de richtsnoeren reddings- en herstructureringssteun” genoemd), waarin de Commissie heeft uiteengezet hoe artikel 87, lid 3, onder c), van het Verdrag op dit soort steun moet worden toegepast. Deze richtsnoeren zijn algemeen van toepassing, al bevatten zij bepaalde specifieke criteria voor de financiële sector. |
|
7. |
Voorts kan de Commissie, op grond van artikel 87, lid 3, onder b), van het Verdrag, ook steunmaatregelen toestaan „om een ernstige verstoring in de economie van een lidstaat op te heffen”. |
|
8. |
De Commissie herhaalt hier dat, in overeenstemming met de rechtspraak en haar beschikkingspraktijk (3), artikel 87, lid 3, onder b), van het Verdrag restrictief moet worden uitgelegd ten aanzien van de vraag wat als een ernstige verstoring in de economie van een lidstaat kan worden beschouwd. |
|
9. |
Gezien de ernst van de huidige crisis op de financiële markten en de mogelijke gevolgen ervan voor de gehele economie van de lidstaten, is de Commissie van oordeel, dat artikel 87, lid 3, onder b), in de huidige omstandigheden als rechtsgrondslag kan dienen voor steunmaatregelen die worden genomen om deze systeemcrisis het hoofd te bieden. Dit geldt met name voor steun die wordt toegekend door een algemene regeling die voor meer of alle financiële instellingen in een lidstaat openstaat. Wanneer de autoriteiten van de lidstaten die voor de financiële stabiliteit verantwoordelijk zijn, tegenover de Commissie verklaren dat een dergelijke ernstige verstoring dreigt, dan is een dergelijke verklaring van bijzonder belang voor de beoordeling door de Commissie. |
|
10. |
Ad-hocmaatregelen van de lidstaten zijn niet uitgesloten in omstandigheden waarin aan de criteria van artikel 87, lid 3, onder b), wordt voldaan. Ten aanzien van zowel regelingen als ad-hocmaatregelen dient de beoordeling van de steun weliswaar de algemene beginselen te volgen van de richtsnoeren reddings- en herstructureringssteun die zijn vastgesteld op grond van artikel 87, lid 3, onder c), van het Verdrag, maar in de huidige omstandigheden kunnen uitzonderlijke maatregelen worden goedgekeurd zoals structurele noodmaatregelen, bescherming van rechten van derden, zoals crediteuren, en reddingsmaatregelen die langer dan zes maanden kunnen duren. |
|
11. |
Toch moet worden beklemtoond, dat bovenstaande overwegingen inhouden dat het gebruik van artikel 87, lid 3, onder b), in beginsel niet kan worden overwogen in crisissituaties in andere individuele sectoren waar geen vergelijkbaar risico bestaat dat die sectoren rechtstreekse gevolgen voor de economie van een lidstaat als geheel hebben. Wat de financiële sector betreft, kan op deze bepaling alleen een beroep worden gedaan in werkelijk uitzonderlijke omstandigheden waar het complete functioneren van de financiële markten in gevaar komt. |
|
12. |
Wanneer zich, zoals hiervoor beschreven, een ernstige verstoring in de economie van een lidstaat voordoet, kan niet voor onbeperkte tijd een beroep worden gedaan op artikel 87, lid 3, onder b), doch alleen zolang de crisissituatie de toepassing van deze bepaling rechtvaardigt. |
|
13. |
Dit houdt in, dat alle algemene regelingen die op deze grondslag zijn opgezet, zoals in de vorm van een garantie- of herkapitalisatieregeling, op geregelde tijdstippen moeten worden doorgelicht en worden beëindigd, zodra de economische situatie van de betrokken lidstaat dit toelaat. De Commissie geeft zich er rekenschap van, dat thans niet te voorspellen valt hoelang de huidige, buitengewone problemen op de financiële markten zullen aanhouden en dat het voor het herstel van het vertrouwen wellicht van onmisbaar belang is om aan te geven dat een maatregel wordt verlengd zolang de crisis blijft voortduren, maar is toch van mening dat een noodzakelijk element voor de verenigbaarheid van algemene regelingen is, dat de lidstaten ten minste om de zes maanden een doorlichting uitvoeren en bij de Commissie over de uitkomst van deze doorlichtinging verslag uitbrengen. |
|
14. |
Voorts is de Commissie van oordeel, dat illiquide, maar overigens fundamenteel gezonde financiële instellingen die door de huidige buitengewone omstandigheden in moeilijkheden zijn gekomen, anders moeten worden behandeld dan financiële instellingen die met interne moeilijkheden te kampen hebben. In het eerste geval zijn de moeilijkheden inzake de levensvatbaarheid inherent extern en hebben zij te maken met de huidige noodsituatie op de financiële markt, in plaats van met inefficiëntie of het nemen van buitensporige risico's. Daardoor zal de mededingingverstoring veroorzaakt door regelingen ter ondersteuning van de levensvatbaarheid van dergelijke instellingen, normaal beperkter zijn en zullen zij minder ingrijpende herstructureringen vergen. Daarentegen vallen andere financiële instellingen waarvan te verwachten valt dat zij bijzonder zullen worden getroffen door verliezen veroorzaakt door bijvoorbeeld inefficiëntie, zwak management van de activa en de passiva of risicovolle strategieën, onder de normale regels inzake reddingssteun en moeten zij met name ingrijpend worden geherstructureerd, met flankerende compenserende maatregelen om de mededingingverstoringen te beperken (4). In alle gevallen echter kan, wanneer passende beschermingsmaatregelen ontbreken, de tenuitvoerlegging van garantie- of herkapitalisatieregelingen voor aanzienlijke mededingingverstoringen zorgen, omdat deze regelingen de begunstigden een buitensporig voordeel verlenen ten koste van hun concurrenten, of omdat de liquiditeitsproblemen voor de financiële instellingen in andere lidstaten daardoor worden aangescherpt. |
|
15. |
Bovendien geldt, overeenkomstig de algemene beginselen die aan de staatssteunregels van het Verdrag ten grondslag liggen, namelijk dat de steun niet meer mag bedragen dan wat strikt noodzakelijk is om de gerechtvaardigde doelstelling ervan te bereiken en dat mededingingverstoringen zoveel als mogelijk moeten worden vermeden of tot een minimum moeten blijven beperkt en rekening houdend met de huidige omstandigheden, dat alle algemene steunmaatregelen:
|
|
16. |
Deze criteria dienen, overeenkomstig de staatssteunregels en de fundamentele vrijheden die in het Verdrag zijn vastgelegd, daaronder begrepen het discriminatieverbod, in acht te worden genomen, om het soepele functioneren van de interne markt te vrijwaren. Bij haar beoordeling houdt de Commissie met de volgende criteria rekening wanneer zij zich moet uitspreken over de verenigbaarheid van de hierna besproken staatssteunmaatregelen. |
3. GARANTIES TER DEKKING VAN DE VERPLICHTINGEN VAN FINANCIËLE INSTELLINGEN
|
17. |
De hiervoor uiteengezette beginselen kunnen worden vertaald in de volgende overwegingen ten aanzien van garantieregelingen ter bescherming van verplichtingen die door middel van een verklaring, wetgeving of een contractuele regeling zijn vastgesteld met dien verstande dat het hier om overwegingen van algemene aard gaat, die aan de bijzondere omstandigheden van iedere individuele zaak moeten worden aangepast. |
Aanspraak op een garantieregeling
|
18. |
Er kan zich een aanzienlijke mededingingverstoring voordoen wanneer bepaalde marktdeelnemers van het genot van de garantie worden uitgesloten. De criteria om financiële instellingen voor een dergelijke garantie in aanmerking te laten komen, moeten objectief zijn, waarbij terdege rekening wordt gehouden met hun rol in het betrokken bankenstelsel en de economie als geheel, en niet-discriminerend, zodat buitensporige verstorende effecten op aangrenzende markten en op de interne markt als geheel worden vermeden. Overeenkomstig het beginsel dat niet op grond van nationaliteit mag worden gediscrimineerd, moeten alle instellingen met een statutaire zetel in de betrokken lidstaat, daaronder begrepen dochterondernemingen, en met activiteiten van betekenis in die lidstaat, door de regeling zijn gedekt. |
Materiële omvang van een garantie — Soorten gedekte verplichtingen
|
19. |
In de huidige uitzonderlijke omstandigheden kan het nodig zijn, de depositohouders bij financiële instellingen de verzekering te geven dat zij geen verliezen zullen lijden, om het risico van een stormloop op banken en van buitensporige negatieve overloopeffecten op gezonde banken te beperken. Daarom kunnen, in het kader van een systeemcrisis, algemene garanties ter bescherming van retaildeposito's (en schuldvorderingen gehouden door retailklanten) een legitieme component zijn van het beleidsantwoord van de overheid. |
|
20. |
Ten aanzien van de garanties die verder gaan dan retaildeposito's, moet de selectie van de gedekte soorten schulden en verplichtingen, voor zover praktisch mogelijk, zijn toegesneden op de specifieke oorzaak van de moeilijkheden en moet deze beperkt blijven tot wat als noodzakelijk kan worden beschouwd om de relevante aspecten van de huidige financiële crisis het hoofd te bieden. Anders zou zulks immers het vereiste aanpassingsproces kunnen vertragen en tot een schadelijk moreel risico kunnen leiden (5). |
|
21. |
Bij de toepassing van dit beginsel kan het opdrogen van interbancaire leningen als gevolg van de erosie van het vertrouwen tussen financiële instellingen rechtvaardigen dat ook garanties worden verstrekt voor bepaalde soorten wholesale-deposito's en zelfs korte en middellange schuldinstrumenten, voor zover die verplichtingen nog niet afdoende door bestaande beleggingsregelingen of andere instrumenten zijn beschermd (6). |
|
22. |
Wanneer de garantiedekking nog tot andere soorten schulden buiten dit betrekkelijk ruime toepassingsgebied wordt uitgebreid, dient de rechtvaardiging daarvan nader te worden onderzocht. |
|
23. |
In beginsel omvatten dergelijke garanties geen achtergestelde schulden (tier 2-kapitaal) of een dekking die zonder enig onderscheid voor alle verplichtingen geldt, omdat daarmee alleen de belangen van aandeelhouders en andere risicokapitaalinvesteerders zouden worden beschermd. Wanneer dergelijke schulden zijn gedekt om op die wijze een kapitaaluitbreiding en dus een uitbreiding van de leningactiviteiten mogelijk te maken, kunnen specifieke restricties noodzakelijk blijken. |
Looptijd van de garantieregeling
|
24. |
De looptijd en het toepassingsgebied van garantieregelingen die verder reiken dan depositogarantieregelingen, moet tot het noodzakelijke minimum beperkt blijven. Uitgaande van de hierboven uiteengezette algemene beginselen en het feit dat thans niet te voorspellen valt hoe lang de fundamentele tekortkomingen in het functioneren van financiële markten zullen aanhouden, is de Commissie van mening dat een van de noodzakelijk criteria voor de verenigbaarheid van algemene regelingen erin bestaat dat de lidstaat om de zes maanden de regeling doorlicht, waarbij wordt nagegaan of het gerechtvaardigd is dat de regeling wordt voortgezet en welke mogelijkheden er zijn voor aanpassingen om in te spelen op de ontwikkelingen in de situatie op de financiële markten. De uitkomsten van deze doorlichting worden bij de Commissie ingediend. Behoudens garanties voor een dergelijke regelmatige doorlichting, kan de goedkeuring van de regeling ook voor een periode van meer dan zes maanden gelden, in beginsel zelfs tot twee jaar. De regeling kan, na goedkeuring van de Commissie, nog verder worden verlengd, zolang de crisis op de financiële markten zulks vereist. Wanneer het in het kader van een garantieregeling is toegestaan dat de betrokken schulden gedekt blijven tot een vervaldatum die ligt na het verstrijken van de periode waarvoor deze garantie in het kader van de regeling is afgegeven, zouden verdere beschermingsmaatregelen nodig zijn om buitensporige mededingingverstoringen te voorkomen. Bij dergelijke beschermingsmaatregelen kan het gaan om een kortere looptijd dan in beginsel op grond van de onderhavige mededeling is toegestaan, afschrikkende prijsvoorwaarden en passende kwantitatieve beperkingen van de gedekte schuld. |
Steun tot het minimum beperkt — Bijdrage van de particuliere sector
|
25. |
Volgens het algemene staatssteunbeginsel dat het bedrag en de intensiteit van de steun tot het strikte minimum moet zijn beperkt, dienen de lidstaten passende maatregelen te nemen om te zorgen voor een significante bijdrage van de begunstigden en/of de sector in de kosten van de garantie en, waar nodig, de kosten van de staatsinterventie ingeval op de garantie een beroep wordt gedaan. |
|
26. |
De precieze berekening en samenstelling van deze bijdrage is afhankelijk van de specifieke omstandigheden. Volgens de Commissie is met een passende combinatie van sommige of alle van de navolgende elementen (7) aan het vereiste voldaan dat de steun tot het minimum beperkt blijft:
|
Voorkoming van buitensporige mededingingverstoring
|
27. |
Gezien de inherente risico's dat een garantieregeling negatief uitwerkt op banken die de regeling niet genieten, daaronder begrepen banken in andere lidstaten, moet de regeling passende mechanismen bevatten om dergelijke verstoringen tot een minimum te beperken en om mogelijk misbruik van de voordeelpositie waarin de begunstigde instellingen dankzij een staatsgarantie worden gebracht, te voorkomen. Bij dergelijke beschermingsmaatregelen, die ook belangrijk zijn om moreel risico te voorkomen, dient het onder meer te gaan om een passende combinatie van sommige of alle van de volgende elementen (9):
|
Follow-up door aanpassingsmaatregelen
|
28. |
De Commissie is van mening dat, om mededingingverstoringen zoveel mogelijk te voorkomen, een algemene garantieregeling moet worden gezien als een tijdelijke noodmaatregel die de acute symptomen van de huidige crisis op de financiële markten moet aanpakken. Dergelijke maatregelen kunnen per definitie geen omvattende oplossing bieden voor de fundamentele oorzaken van deze crisis die te maken hebben met structurele tekortkomingen in het functioneren van de organisatie van financiële markten of met specifieke problemen van financiële instellingen, dan wel een combinatie van beide. |
|
29. |
Daarom moet een garantieregeling, na verloop van tijd, vergezeld gaan van de nodige aanpassingsmaatregelen voor de sector als geheel en/of de herstructurering of liquidatie van individuele begunstigden, met name die waarvoor op de garantie een beroep werd gedaan. |
Toepassing van de regelingen op individuele zaken
|
30. |
Wanneer ten behoeve van individuele financiële instellingen op garantieregelingen een beroep wordt gedaan, is het van essentieel belang dat er na deze urgente reddingsmaatregel die is bedoeld om de insolvabele instelling drijvende te houden (en die resulteert in een verdere verstoring van de mededinging, bovenop de mededingingverstoring veroorzaakt door de algemene invoering van de regeling), zo snel als de toestand op de financiële markten het toestaat, passende stappen komen die leiden tot een herstructurering of liquidatie van de begunstigde instelling. Dit brengt dan weer mee; dat voor de ondernemingen die in het kader van de garantie betalingen ontvangen, een herstructurerings- of liquidatieplan moet worden aangemeld dat door de Commissie afzonderlijk op zijn verenigbaarheid met de staatssteunregels zal worden getoetst (12). |
|
31. |
Bij haar beoordeling van een herstructureringsplan laat de Commissie zich leiden door de volgende voorwaarden:
|
|
32. |
Bij deze beoordeling kan de Commissie voortbouwen op de ervaring die zij in het verleden heeft opgedaan bij de toepassing van staatssteunregels op financiële instellingen, waarbij zij rekening houdt met de specifieke kenmerken van een crisis die een dergelijke omvang heeft bereikt dat deze als een ernstige verstoring in de economie van lidstaten kan worden aangemerkt. |
|
33. |
Ook houdt de Commissie rekening met het onderscheid tussen steunmaatregelen die uitsluitend noodzakelijk zijn geworden omdat anders fundamenteel gezonde financiële instellingen geconfronteerd worden met de huidige bottleneck in de toegang tot liquiditeiten, en steun aan de begunstigde instellingen die bovendien te kampen hebben met structurele solvabiliteitsproblemen welke bijvoorbeeld verband houden met hun specifieke commerciële model of beleggingsstrategie. In beginsel dreigt steun aan de tweede categorie begunstigden meer bezwaren te doen rijzen. |
4. HERKAPITALISATIE VAN FINANCIËLE INSTELLINGEN
|
34. |
Een tweede systeemmaatregel om op de huidige financiële crisis te reageren, kan de vaststelling van een herkapitalisatieregeling zijn, die zou worden gebruikt om financiële instellingen te ondersteunen die fundamenteel gezond zijn, maar die eventueel in ademnood verkeren door de noodsituatie op de financiële markten. Het doel van deze regeling zou dan zijn, openbare middelen te verschaffen om de kapitaalbasis van de financiële instellingen rechtstreeks te versterken of om door andere middelen de injectie van particulier kapitaal te vergemakkelijken, en aldus negatieve systeemoverlopen te voorkomen. |
|
35. |
In beginsel geldt wat hierboven met betrekking tot de algemene garantieregelingen is overwogen, mutatis mutandis, ook voor de herkapitalisatieregelingen. Het betreft:
|
|
36. |
Het specifieke karakter van een herkapitalisatiemaatregel geeft aanleiding tot de volgende overwegingen. |
|
37. |
De ondernemingen moeten voor de regeling in aanmerking komen op grond van objectieve criteria, zoals de behoefte om een voldoende niveau van kapitalisatie ten opzichte van de solvabiliteitsvereisten te garanderen, zonder dat dit resulteert in een ongerechtvaardigde discriminerende behandeling. Wanneer de behoefte aan steun door de financiële toezichthouders moet worden beoordeeld, kan dat een positieve factor zijn. |
|
38. |
De kapitaalinjectie moet tot het noodzakelijke minimum beperkt blijven en mag de begunstigde instelling niet in staat stellen agressieve commerciële strategieën te ontwikkelen of haar activiteiten uit te breiden of andere doelstellingen na te streven die tot buitensporige mededingingverstoringen leiden. In verband daarmee wordt het aanhouden van versterkte minimum solvabiliteitsvereisten en/of de beperking van de totale balansomvang van de financiële instelling positief beoordeeld. De begunstigden moeten ook, zo veel als in het licht van de huidige crisis mogelijk is, een eigen bijdrage leveren, daaronder begrepen via particuliere deelnemingen (14). |
|
39. |
Kapitaalinterventies in financiële instellingen moeten gebeuren op voorwaarden die het steunbedrag tot een minimum beperken. Afhankelijk van het gekozen instrument (bijv. aandelen, warrants, achtergesteld kapitaal) dient de betrokken lidstaat in beginsel rechten te ontvangen waarvan de waarde overeenstemt met zijn bijdrage in de herkapitalisatie. De uitgifteprijs van nieuwe aandelen moet worden vastgesteld op de grondslag van een marktgerichte waardering. Om ervoor te zorgen dat de overheidssteun alleen wordt verleend in ruil voor een passende tegenprestatie, worden instrumenten zoals preferente aandelen met een passende vergoeding, als een positieve factor beschouwd. Anders moet de introductie van terugbetalingsmechanismen of terugkeer tot betere tijden-clausules worden overwogen. |
|
40. |
Soortgelijke overwegingen gelden voor andere maatregelen en regelingen om het probleem aan de activazijde van de financiële instellingen aan te pakken, die tot het versterken van de kapitaalvereisten van de instellingen zouden bijdragen. Met name wanneer een lidstaat activa verwerft of ruilt, moet deze transactie gebeuren tegen een waardering die de onderliggende risico's weergeeft, zonder dat de kopers onrechtmatig worden gediscrimineerd. |
|
41. |
Het feit dat de steunregeling wordt goedgekeurd, ontslaat de lidstaten niet van de verplichting om zesmaandelijks bij de Comissie een verslag in te dienen over het gebruik dat van de regeling wordt gemaakt, en om voor de begunstigde instellingen binnen zes maanden vanaf het tijdstip van de interventie individuele plannen in te dienen (15). |
|
42. |
Evenals bij de garantieregelingen, doch gelet op het inherent onomkeerbare karakter van herkapitalisatiemaatregelen, voert de Commissie, overeenkomstig de beginselen van de richtsnoeren reddings- en herstructureringssteun, haar beoordeling van die plannen op zodanige wijze uit, dat de algehele uitkomsten van dergelijke herkapitalisatie gelijklopen met de uitkomsten van een herkapitalisatiemaatregel die buiten dergelijke regelingen om wordt genomen. Zij neemt daarbij de specifieke kenmerken van een systeemcrisis op de financiële markten in aanmerking. |
5. GECONTROLEERDE LIQUIDATIE VAN FINANCIËLE INSTELLINGEN
|
43. |
In de huidige financiële crisis wenst een lidstaat mogelijk ook een gecontroleerde liquidatie van bepaalde financiële instellingen binnen zijn bevoegdheid door te voeren. Een dergelijke gecontroleerde liquidatie, die eventueel door een bijdrage uit openbare middelen wordt geflankeerd, kan in individuele gevallen worden toegepast, hetzij als een tweede stap nà reddingssteun voor een individuele financiële instelling wanneer het duidelijk wordt dat deze niet met succes kan worden geherstructureerd, of als een individuele maatregel. Een gecontroleerde liquidatie kan ook een onderdeel van een algemene garantieregeling zijn, wanneer een lidstaat bijvoorbeeld overgaat tot de liquidatie van de financiële instellingen waarvoor de garantie moet worden geactiveerd. |
|
44. |
Ook hier verloopt de beoordeling van een dergelijke regeling, en van individuele liquidatiemaatregelen die in het kader van een dergelijke regeling worden genomen, mutatis mutandis, langs dezelfde lijnen als reeds voor garantieregelingen werd beschreven. |
|
45. |
Het specifieke karakter van een liquidatiemaatregel geeft aanleiding tot de volgende overwegingen. |
|
46. |
In het kader van een liquidatie moet er bijzonder worden op toegezien dat t het morele risico tot een minimum beperkt blijft, met name door uit te sluiten dat de aandeelhouders en eventueel bepaalde soorten crediteuren in het kader van de procedure voor de gecontroleerde liquidatie steun ontvangen. |
|
47. |
Te vermijding van buitensporige mededingingverstoringen dient de liquidatiefase beperkt te blijven tot de periode die strikt noodzakelijk is voor een ordelijke liquidatie. Zolang de begunstigde financiële instelling blijft opereren, mag zij geen nieuwe activiteiten ontplooien, maar alleen haar bestaande activiteiten voortzetten. De bankvergunning dient zo snel mogelijk te worden ingetrokken. |
|
48. |
Wanneer ervoor wordt gezorgd, dat het steunbedrag beperkt blijft tot het minimum dat voor het bereiken van de nagestreefde doelstelling noodzakelijk is, dient ermee rekening te worden gehouden dat het beschermen van de financiële stabiliteit in de huidige financiële turbulentie kan inhouden, dat bepaalde crediteuren van de geliquideerde banken door middel van steunmaatregelen moeten worden terugbetaald. De keuze van de criteria om in dat verband de soorten verplichtingen voor deze doelstelling te selecteren, dient volgens dezelfde regels te verlopen als die welke gelden voor de verplichtingen die door een garantieregeling worden afgedekt. |
|
49. |
Om ervoor te zorgen dat geen steun wordt verleend aan de kopers van de financiële instelling, of gedeelten daarvan, of aan de verkochte entiteiten, is het van belang dat bij de verkoop bepaalde voorwaarden in acht worden genomen. De Commissie neemt de volgende criteria in aanmerking wanneer zij moet bepalen, of er mogelijk steun is:
|
|
50. |
Wanneer op grond van deze criteria blijkt dat er sprake is van steun ten gunste van de kopers of de verkochte entiteiten, wordt de verenigbaarheid van die steun afzonderlijk beoordeeld. |
6. VERSTREKKING VAN ANDERE VORMEN VAN LIQUIDITEITSSTEUN
|
51. |
Om acute liquiditeitsproblemen van bepaalde financiële instellingen het hoofd te bieden, wensen de lidstaten de garanties of herkapitalisatieregelingen wellicht te flankeren met aanvullende vormen van liquiditeitssteun, verstrekt uit openbare middelen (daaronder begrepen middelen van hun centrale bank). De Commissie heeft reeds duidelijk verklaard dat, wanneer een lidstaat of centrale bank niet met selectieve maatregelen ten gunste van individuele banken op de bankencrisis reageert, doch met algemene maatregelen die open staan voor alle vergelijkbare marktdeelnemers (bijv. leningen aan de gehele markt op gelijke voorwaarden), dergelijke algemene maatregelen dikwijls buiten het toepassingsbereik van de staatssteunregels vallen en niet bij de Commissie behoeven te worden aangemeld. Zo is de Commissie van mening, dat de activiteiten van de centrale banken die verband houden met het monetaire beleid, zoals open markttransacties en permanente faciliteiten, niet onder de staatssteunregels vallen. Ook steun die op een individuele financiële instelling is toegesneden, kan onder specifieke omstandigheden geen steun blijken te zijn. Volgens de Commissie (16) kan in een dergelijk geval de verschaffing van middelen door een centrale bank aan de financiële instelling geen steun blijken te zijn, wanneer aan een aantal voorwaarden is voldaan, zoals:
|
|
52. |
Wanneer in de huidige buitengewone omstandigheden een regeling voor liquiditeitssteun afkomstig uit openbare bronnen, met inbegrip van de centrale bank, steun vormt, kan deze regeling volgens de Commissie verenigbaar worden verklaard op basis van de beginselen van de richtsnoeren reddings- en herstructureringssteun. Mits verzekerd is dat dergelijke liquiditeitsregeling regelmatig, om de zes maanden wordt herbezien (17), kan de goedkeuring van de regeling gelden voor een periode van meer dan zes maanden, en in beginsel tot twee jaar. De regeling kan, na goedkeuring door de Commissie, nog verder worden verlengd, zolang de crisis op de financiële markten zulks vereist. |
7. SNELLE BEHANDELING VAN STAATSSTEUNONDERZOEKEN
|
53. |
Wanneer de Commissie de staatssteunregels op de in deze mededeling behandelde maatregelen op zodanige wijze toepast dat met de heersende omstandigheden op de financiële markt rekening wordt gehouden, dient zij er, in samenwerking met de lidstaten, voor te zorgen dat deze maatregelen hun doelstelling bereiken en dat de daarmee verband houdende mededingingverstoringen zowel binnen als tussen de lidstaten tot een minimum beperkt blijven. Om deze samenwerking te vergemakkelijken en om zowel de lidstaten als derden de nodige rechtszekerheid te bieden dat de genomen maatregelen met het Verdrag verenigbaar zijn, hetgeen een belangrijk aspect is voor het herstel van het vertrouwen in de markten, is het van wezenlijk belang dat de lidstaten de Commissie in kennis stellen van hun voornemens en dat zij de voornemens om dergelijke maatregelen in te voeren zo vroeg mogelijk aanmelden en daarbij zoveel mogelijk inlichtingen verschaffen, en ieder geval voor de maatregel ten uitvoer wordt gelegd. De Commissie heeft passende maatregelen genomen om ervoor te zorgen dat, zodra de aanmelding volledig is, snel besluiten kunnen worden genomen, zo nodig binnen 24 uur en tijdens het weekeinde. |
(1) In de conclusies van de Ecofin-Raad wordt de volgende lijst van beginselen gegeven:
|
— |
er moet tijdig worden ingegrepen en de steun moet in beginsel tijdelijk zijn; |
|
— |
de lidstaten zullen de belangen van de belastingbetalers niet uit het oog verliezen; |
|
— |
de gevolgen van het ingrijpen moeten naar behoren voor rekening van de bestaande aandeelhouders komen; |
|
— |
de lidstaten moeten desgewenst in het management van een financiële instelling veranderingen kunnen aanbrengen; |
|
— |
het management mag geen onbehoorlijke voordelen ontvangen — de overheid kan onder meer de bevoegdheid krijgen om ten aanzien van de beloningen in te grijpen; |
|
— |
de gerechtvaardigde belangen van concurrerende instellingen moeten worden beschermd, met name door middek van de regels inzake staatssteun; |
|
— |
het doorsijpelen van negatieve gevolgen moet worden vermeden. |
(2) PB C 244 van 1.10.2004, blz. 2.
(3) Zie voor dit beginsel, het arrest van 15 december 1999, gevoegde zaken T-132/96 en T-143/96, Freistaat Sachsen, Volkswagen AG en Volkswagen Sachsen GmbH/Commissie, Jurispr. 1999, blz. II-3663, punt 167. Bevestigd bij Beschikking 98/490/EG van de Commissie betreffende de door Frankrijk aan de groep Crédit Lyonnais verleende steun (PB L 221 van 8.8.1998, blz. 28), punt 10.1; Beschikking 2005/345/EG van de Commissie betreffende herstructureringssteun van Duitsland ten gunste van Bankgesellschaft Berlin AG (PB L 116 van 4.5.2005, blz. 1), de overwegingen 153 e.v., en Beschikking 2008/263/EG van de Commissie betreffende de door Oostenrijk aan BAWAG-PSK verleende staatssteun C 50/06 (PB L 83 van 26.3.2008, blz. 7), overweging 166. Zie ook het besluit van de Commissie betreffende steunmaatregel NN 70/07 — Northern Rock (PB C 43 van 16.2.2008, blz. 1); het besluit van de Commissie betreffende Steunmaatregel NN 25/08 — Reddingssteun voor WestLB (PB C 189 van 26.7.2008, blz. 3), en de beschikking van de Commissie van 4 juni 2008 betreffende steunmaatregel C 9/08 — Sachsen LB (nog niet bekendgemaakt).
(4) Waarbij het evident is dat de huidige turbulentie op de financiële markten een invloed kan hebben op precieze aard en tijdstip van de uit te voeren herstructurering.
(5) Het feit dat het bedrag van de beschikbare garantie wordt beperkt, eventueel in verhouding tot de omvang van de balans van de begunstigde onderneming, kan ook een element zijn om ervoor te zorgen dat de regeling op dit punt evenredig is.
(6) Zoals bijvoorbeeld gedekte obligaties en schulden of deposito's met overheidobligaties of gedekte obligaties als zekerheid.
(7) Dit is een niet-limitatieve lijst van instrumenten die bijdragen tot het bereiken van de doelstelling dat de steun tot het minimum beperkt blijft.
(8) Bijv. door middel van een vereniging van particuliere banken.
(9) Dit is een niet-limitatieve lijst van instrumenten die bijdragen tot het bereiken van de doelstelling buitensporige mededingingverstoringen te voorkomen.
(10) Het inhouden van winsten om een toereikende herkapitalisatie mogelijk te maken, kan ook een element zijn dat in deze context valt te overwegen.
(11) En tegelijk toch de beschikbaarheid van krediet voor de economie te vrijwaren, met name in het geval van een recessie.
(12) In beginsel is de Commissie van mening dat, wanneer betalingen aan de begunstigde financiële instelling hebben plaatsgevonden, deze betalingen binnen zes maanden moeten worden gevolgd door een herstructurerings- of liquidatieplan, al naargelang het geval. Om de lidstaten en de Commissie het werk te verlichten, is de Commissie bereid gegroepeerde aanmeldingen van vergelijkbare herstructurerings-/liquidatiezaken te onderzoeken. De Commissie kan mogelijk oordelen dat geen plan behoeft te worden ingediend, omdat het om de loutere liquidatie van en instelling gaat, of omdat de omvang van de instelling verwaarloosbaar is.
(13) In overeenstemming met de beginselen van de richtsnoeren reddings- en herstructureringssteun.
(14) Zo nodig moet de eis dat er bij de aanvang een bepaalde bijdrage wordt geleverd, worden aangevuld met bepalingen op grond waarvan in een later stadium verdere bijdragen kunnen worden geëist.
(15) Om de lidstaten en de Commissie het werk te verlichten, is de Commissie bereid gegroepeerde aanmeldingen van vergelijkbare herstructureringszaken te onderzoeken. De Commissie kan ook oordelen dat geen plan hoeft te worden ingediend, omdat het om de loutere liquidatie van de instelling gaat, of omdat de resterende economische activiteit in omvang verwaarloosbaar is.
(16) Zie bijv. het besluit in de zaak-Northern Rock (PB C 43 van 16.2.2008, blz. 1).
(17) De in punt 24 uiteengezette beginselen zouden voor deze doorlichting gelden.
|
25.10.2008 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 270/15 |
Besluit om geen bezwaar aan te tekenen tegen een aangemelde concentratie
(Zaak COMP/M.5154 — CASC JV)
(Voor de EER relevante tekst)
(2008/C 270/03)
Op 14 augustus 2008 heeft de Commissie besloten geen bezwaar aan te tekenen tegen bovenvermelde aangemelde concentratie en deze verenigbaar met de gemeenschappelijke markt te verklaren. Deze beschikking is gebaseerd op artikel 6, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad. De volledige tekst van de beschikking is slechts beschikbaar in het Engels en zal openbaar worden gemaakt na verwijdering van eventuele bedrijfsgeheimen. De tekst is beschikbaar:
|
— |
op de website „concurrentie” van de Europese Commissie (http://ec.europa.eu/comm/competition/mergers/cases/). Deze website biedt verschillende mogelijkheden om individuele concentratiebeschikkingen op te zoeken, onder meer op bedrijfsnaam, nummer van de zaak, datum en sector; |
|
— |
in elektronische vorm op de EUR-Lex website onder documentnummer 32008M5154. EUR-Lex is het geïnformatiseerde documentatiesysteem voor de communautaire wetgeving (http://eur-lex.europa.eu). |
|
25.10.2008 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 270/15 |
Besluit om geen bezwaar aan te tekenen tegen een aangemelde concentratie
(Zaak COMP/M.5169 — Galp Energia España/Agip España)
(Voor de EER relevante tekst)
(2008/C 270/04)
Op 9 september 2008 heeft de Commissie besloten geen bezwaar aan te tekenen tegen bovenvermelde aangemelde concentratie en deze verenigbaar met de gemeenschappelijke markt te verklaren. Deze beschikking is gebaseerd op artikel 6, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad. De volledige tekst van de beschikking is slechts beschikbaar in het Engels en zal openbaar worden gemaakt na verwijdering van eventuele bedrijfsgeheimen. De tekst is beschikbaar:
|
— |
op de website „concurrentie” van de Europese Commissie (http://ec.europa.eu/comm/competition/mergers/cases/). Deze website biedt verschillende mogelijkheden om individuele concentratiebeschikkingen op te zoeken, onder meer op bedrijfsnaam, nummer van de zaak, datum en sector; |
|
— |
in elektronische vorm op de EUR-Lex website onder documentnummer 32008M5169. EUR-Lex is het geïnformatiseerde documentatiesysteem voor de communautaire wetgeving (http://eur-lex.europa.eu). |
|
25.10.2008 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 270/16 |
Besluit om geen bezwaar aan te tekenen tegen een aangemelde concentratie
(Zaak COMP/M.5201 — Total Produce/Haluco/JV)
(Voor de EER relevante tekst)
(2008/C 270/05)
Op 11 augustus 2008 heeft de Commissie besloten geen bezwaar aan te tekenen tegen bovenvermelde aangemelde concentratie en deze verenigbaar met de gemeenschappelijke markt te verklaren. Deze beschikking is gebaseerd op artikel 6, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad. De volledige tekst van de beschikking is slechts beschikbaar in het Engels en zal openbaar worden gemaakt na verwijdering van eventuele bedrijfsgeheimen. De tekst is beschikbaar:
|
— |
op de website „concurrentie” van de Europese Commissie (http://ec.europa.eu/comm/competition/mergers/cases/). Deze website biedt verschillende mogelijkheden om individuele concentratiebeschikkingen op te zoeken, onder meer op bedrijfsnaam, nummer van de zaak, datum en sector; |
|
— |
in elektronische vorm op de EUR-Lex website onder documentnummer 32008M5201. EUR-Lex is het geïnformatiseerde documentatiesysteem voor de communautaire wetgeving (http://eur-lex.europa.eu). |
|
25.10.2008 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 270/16 |
Besluit om geen bezwaar aan te tekenen tegen een aangemelde concentratie
(Zaak COMP/M.5321 — LAHC/Barclays Life)
(Voor de EER relevante tekst)
(2008/C 270/06)
Op 15 oktober 2008 heeft de Commissie besloten geen bezwaar aan te tekenen tegen bovenvermelde aangemelde concentratie en deze verenigbaar met de gemeenschappelijke markt te verklaren. Deze beschikking is gebaseerd op artikel 6, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad. De volledige tekst van de beschikking is slechts beschikbaar in het Engels en zal openbaar worden gemaakt na verwijdering van eventuele bedrijfsgeheimen. De tekst is beschikbaar:
|
— |
op de website „concurrentie” van de Europese Commissie (http://ec.europa.eu/comm/competition/mergers/cases/). Deze website biedt verschillende mogelijkheden om individuele concentratiebeschikkingen op te zoeken, onder meer op bedrijfsnaam, nummer van de zaak, datum en sector; |
|
— |
in elektronische vorm op de EUR-Lex website onder documentnummer 32008M5321. EUR-Lex is het geïnformatiseerde documentatiesysteem voor de communautaire wetgeving (http://eur-lex.europa.eu). |
IV Informatie
INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN EN ORGANEN VAN DE EUROPESE UNIE
Commissie
|
25.10.2008 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 270/17 |
Wisselkoersen van de euro (1)
24 oktober 2008
(2008/C 270/07)
1 euro=
|
|
Munteenheid |
Koers |
|
USD |
US-dollar |
1,2596 |
|
JPY |
Japanse yen |
117,4 |
|
DKK |
Deense kroon |
7,4565 |
|
GBP |
Pond sterling |
0,8061 |
|
SEK |
Zweedse kroon |
9,9815 |
|
CHF |
Zwitserse frank |
1,4566 |
|
ISK |
IJslandse kroon |
305 |
|
NOK |
Noorse kroon |
8,8 |
|
BGN |
Bulgaarse lev |
1,9558 |
|
CZK |
Tsjechische koruna |
24,995 |
|
EEK |
Estlandse kroon |
15,6466 |
|
HUF |
Hongaarse forint |
277 |
|
LTL |
Litouwse litas |
3,4528 |
|
LVL |
Letlandse lat |
0,7097 |
|
PLN |
Poolse zloty |
3,8675 |
|
RON |
Roemeense leu |
3,675 |
|
SKK |
Slowaakse koruna |
30,505 |
|
TRY |
Turkse lira |
2,1434 |
|
AUD |
Australische dollar |
2,0506 |
|
CAD |
Canadese dollar |
1,5994 |
|
HKD |
Hongkongse dollar |
9,7632 |
|
NZD |
Nieuw-Zeelandse dollar |
2,2829 |
|
SGD |
Singaporese dollar |
1,9011 |
|
KRW |
Zuid-Koreaanse won |
1 833,98 |
|
ZAR |
Zuid-Afrikaanse rand |
14,01 |
|
CNY |
Chinese yuan renminbi |
8,6198 |
|
HRK |
Kroatische kuna |
7,2377 |
|
IDR |
Indonesische roepia |
12 864,29 |
|
MYR |
Maleisische ringgit |
4,5106 |
|
PHP |
Filipijnse peso |
61,49 |
|
RUB |
Russische roebel |
34,3035 |
|
THB |
Thaise baht |
43,702 |
|
BRL |
Braziliaanse real |
2,9916 |
|
MXN |
Mexicaanse peso |
17,4455 |
Bron: door de Europese Centrale Bank gepubliceerde referentiekoers.
INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE LIDSTATEN
|
25.10.2008 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 270/18 |
Beknopte informatie van de lidstaten betreffende overheidssteun die wordt verleend krachtens Verordening (EG) nr. 70/2001 van de Commissie betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen
(Voor de EER relevante tekst)
(2008/C 270/08)
|
Nummer van de steunmaatregel |
XS 198/08 |
|||
|
Lidstaat |
Duitsland |
|||
|
Regio |
— |
|||
|
Benaming van de steunregeling of naam van de onderneming die individuele steun ontvangt |
Unternehmerkapital — KfW Kapital für Arbeit und Investitionen (KMU-Fenster der Fremdkapitaltranche) |
|||
|
Rechtsgrondslag |
KfW-Gesetz, Merkblatt zum KfW-Unternehmerkapital- KfW Kapital für Arbeit und Investitionen (Anlage 1) |
|||
|
Type maatregel |
Steunregeling |
|||
|
Begrotingsmiddelen |
Voorziene jaarlijkse uitgaven: 162 mln EUR |
|||
|
Maximale steunintensiteit |
In overeenstemming met artikel 4, leden 2 tot en met 6, en artikel 5 van de verordening |
|||
|
Datum van tenuitvoerlegging |
1.7.2008 |
|||
|
Looptijd |
Onbeperkt |
|||
|
Doelstelling |
Kleine- en middelgrote ondernemingen |
|||
|
Economische sectoren |
Alle sectoren komen in aanmerking voor KMO-steun |
|||
|
Naam en adres van de steunverlenende autoriteit |
|
|
Nummer van de steunmaatregel |
XS 227/08 |
|||||
|
Lidstaat |
Spanje |
|||||
|
Regio |
La Rioja |
|||||
|
Benaming van de steunregeling of naam van de onderneming die individuele steun ontvangt |
Bases Reguladoras de la concesión de subvenciones destinadas a la bonificación de intereses de préstamos y contratos de arrendamiento financiero para financiar inversiones empresariales realizadas por pequeñas y medianas empresas |
|||||
|
Rechtsgrondslag |
Orden 13/2008, de 3 de junio de 2008 de la Consejería de Industria, Innovación y Empleo, por la que se aprueban las bases reguladoras de la concesión de subvenciones por la Agencia de Desarrollo Económico de La Rioja destinadas a la bonificación de intereses de préstamos y contratos de arrendamiento financiero para financiar inversiones empresariales realizadas por pequeñas y medianas empresas, en régimen de concurrencia competitiva. (B.O.R. no 75/2008, de 7 de junio) |
|||||
|
Type maatregel |
Steunregeling |
|||||
|
Begrotingsmiddelen |
Voorziene jaarlijkse uitgaven: 0,8 mln EUR |
|||||
|
Maximale steunintensiteit |
In overeenstemming met artikel 4, leden 2 tot en met 6, en artikel 5 van de verordening |
|||||
|
Datum van tenuitvoerlegging |
7.6.2008 |
|||||
|
Looptijd |
31.12.2013 |
|||||
|
Doelstelling |
Kleine- en middelgrote ondernemingen |
|||||
|
Economische sectoren |
Alle sectoren komen in aanmerking voor KMO-steun |
|||||
|
Naam en adres van de steunverlenende autoriteit |
|
|
25.10.2008 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 270/20 |
Beknopte informatie van de lidstaten betreffende overheidssteun die wordt verleend krachtens Verordening (EG) nr. 70/2001 van de Commissie betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen
(Voor de EER relevante tekst)
(2008/C 270/09)
|
Nummer van de steunmaatregel |
XS 111/08 |
|||
|
Lidstaat |
Oostenrijk |
|||
|
Regio |
— |
|||
|
Benaming van de steunregeling of naam van de onderneming die individuele steun ontvangt |
proVISION_Vorsorge für Natur und Gesellschaft: zweite Ausschreibung |
|||
|
Rechtsgrondslag |
Forschungsprogramm proVISION_Vorsorge für Natur und Gesellschaft: zweite Ausschreibung |
|||
|
Type maatregel |
Steunregeling |
|||
|
Begrotingsmiddelen |
Voorziene jaarlijkse uitgaven: 2,7 mln EUR |
|||
|
Maximale steunintensiteit |
In overeenstemming met artikel 4, leden 2 tot en met 6, en artikel 5 van de verordening |
|||
|
Datum van tenuitvoerlegging |
5.2008 |
|||
|
Looptijd |
30.6.2008 |
|||
|
Doelstelling |
Kleine- en middelgrote ondernemingen |
|||
|
Economische sectoren |
Andere diensten |
|||
|
Naam en adres van de steunverlenende autoriteit |
|
|
Nummer van de steunmaatregel |
XS 184/08 |
||||
|
Lidstaat |
Italië |
||||
|
Regio |
Lazio |
||||
|
Benaming van de steunregeling of naam van de onderneming die individuele steun ontvangt |
Aiuti alle piccole e medie imprese per la ricerca industriale e lo sviluppo precompetitivo nell'ambito del Distretto Tecnologico delle Bioscienze |
||||
|
Rechtsgrondslag |
Delibera CIPE 27.5.2005, n. 35
|
||||
|
Type maatregel |
Steunregeling |
||||
|
Begrotingsmiddelen |
Voorziene jaarlijkse uitgaven: 10 mln EUR |
||||
|
Maximale steunintensiteit |
In overeenstemming met artikel 4, leden 2 tot en met 6, en artikel 5 van de verordening |
||||
|
Datum van tenuitvoerlegging |
25.5.2008 |
||||
|
Looptijd |
31.12.2008 |
||||
|
Doelstelling |
Kleine- en middelgrote ondernemingen |
||||
|
Economische sectoren |
Speur- en ontwikkelingswerk op biotechnologisch gebied |
||||
|
Naam en adres van de steunverlenende autoriteit |
|
|
Nummer van de steunmaatregel |
XS 200/08 |
||||||||
|
Lidstaat |
Oostenrijk |
||||||||
|
Regio |
Vorarlberg |
||||||||
|
Benaming van de steunregeling of naam van de onderneming die individuele steun ontvangt |
Interreg IV Alpenrhein-Bodensee-Hochrhein
|
||||||||
|
Rechtsgrondslag |
Interreg IV Programm Alpenrhein-Bodensee-Hochrhein |
||||||||
|
Type maatregel |
Steunregeling |
||||||||
|
Begrotingsmiddelen |
Voorziene jaarlijkse uitgaven: 2 mln EUR |
||||||||
|
Maximale steunintensiteit |
In overeenstemming met artikel 4, leden 2 tot en met 6, en artikel 5 van de verordening |
||||||||
|
Datum van tenuitvoerlegging |
1.7.2008 |
||||||||
|
Looptijd |
31.12.2008 |
||||||||
|
Doelstelling |
Kleine- en middelgrote ondernemingen |
||||||||
|
Economische sectoren |
Alle sectoren komen in aanmerking voor KMO-steun |
||||||||
|
Naam en adres van de steunverlenende autoriteit |
|
|
25.10.2008 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 270/22 |
Beknopte informatie van de lidstaten betreffende overheidssteun die wordt verleend krachtens Verordening (EG) nr. 2204/2002 van de Commissie betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun voor werkgelegenheid
(Voor de EER relevante tekst)
(2008/C 270/10)
|
Nummer van de steunmaatregel |
XE 25/08 |
|||
|
Lidstaat |
Letland |
|||
|
Regio |
— |
|||
|
Benaming van de steunregeling |
Atbalstītās nodarbinātības pasākumi mērķgrupu bezdarbniekiem |
|||
|
Rechtsgrondslag |
Latvijas Republikas Ministru kabineta 2008. gada 8. aprīļa noteikumi Nr. 258 “Noteikumi par darbības programmas “Cilvēkresursi un nodarbinātība” papildinājuma apakšaktivitāti “Atbalstītās nodarbinātības pasākumi mērķgrupu bezdarbniekiem”” |
|||
|
Begrotingsmiddelen |
Voorziene jaarlijkse uitgaven: 0,54 mln LVL |
|||
|
Maximale steunintensiteit |
In overeenstemming met artikel 4, leden 2 tot en met 5, en de artikelen 5 en 6 van de verordening |
|||
|
Datum van tenuitvoerlegging |
1.8.2008 |
|||
|
Duur van de regeling |
30.12.2013 |
|||
|
Doelstelling |
Werkgelegenheid |
|||
|
Economische sectoren |
Alle sectoren van de Gemeenschap (1) komen in aanmerking voor werkgelegenheidssteun |
|||
|
Naam en adres van de steunverlenende autoriteit |
|
|
Nummer van de steunmaatregel |
XE 34/08 |
||||||||
|
Lidstaat |
Oostenrijk |
||||||||
|
Regio |
Vorarlberg |
||||||||
|
Benaming van de steunregeling |
Interreg IV Programm Alpenrhein-Bodensee-Hochrhein; Interreg IV Alpenrhein-Bodensee-Hochrhein
|
||||||||
|
Rechtsgrondslag |
Interreg IV Programm Alpenrhein-Bodensee-Hochrhein |
||||||||
|
Begrotingsmiddelen |
Voorziene jaarlijkse uitgaven: 2 mln EUR |
||||||||
|
Maximale steunintensiteit |
In overeenstemming met artikel 4, leden 2 tot en met 5, en de artikelen 5 en 6 van de verordening |
||||||||
|
Datum van tenuitvoerlegging |
1.7.2008 |
||||||||
|
Duur van de regeling |
31.12.2008 |
||||||||
|
Doelstelling |
Artikel 4: Schepping van werkgelegenheid; artikel 5: Indienstneming van benadeelde en gehandicapte werknemers |
||||||||
|
Economische sectoren |
Alle sectoren van de Gemeenschap (2) komen in aanmerking voor werkgelegenheidssteun |
||||||||
|
Naam en adres van de steunverlenende autoriteit |
|
(1) Met uitzondering van de scheepsbouwsector en andere sectoren waarvoor in verordeningen en richtlijnen bijzondere regels betreffende alle staatssteun in de sector zijn vastgesteld.
(2) Met uitzondering van de scheepsbouwsector en andere sectoren waarvoor in verordeningen en richtlijnen bijzondere regels betreffende alle staatssteun in de sector zijn vastgesteld.
|
25.10.2008 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 270/24 |
Door de lidstaten medegedeelde inlichtingen betreffende staatssteun die wordt toegekend op grond van Verordening (EG) nr. 1628/2006 van de Commissie betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op nationale regionale investeringssteun
(Voor de EER relevante tekst)
(2008/C 270/11)
|
Nummer van de steunmaatregel |
XR 78/08 |
|||||
|
Lidstaat |
Italië |
|||||
|
Regio |
Sardegna |
|||||
|
Benaming van de steunregeling of naam van de onderneming die aanvullende ad-hocsteun ontvangt |
Contratto di investimento per le PMI operanti nei settori dell'industria, dell'artigianato e dei servizi |
|||||
|
Rechtsgrondslag |
Legge regionale n. 7/2005 «Disposizioni per la formazione del bilancio annuale e pluriennale della Regione», articolo 11 e s.m.i.; Direttive di attuazione approvate con Deliberazione della Giunta Regionale n. 20/16 del 1.4.2008«Strumenti di incentivazione ai sensi dell'articolo 11 della L. R. n. 7/2005» e s.m.i., articoli 6-9 |
|||||
|
Type maatregel |
Steunregeling |
|||||
|
Voorziene jaarlijkse uitgaven |
17,5 mln EUR |
|||||
|
Maximale steunintensiteit |
25 % |
|||||
|
Overeenkomstig artikel 4 van de verordening |
||||||
|
Datum van tenuitvoerlegging |
1.4.2008 |
|||||
|
Looptijd |
31.12.2013 |
|||||
|
Economische sectoren |
Alle sectoren die voor regionale investeringssteun in aanmerking komen |
|||||
|
Naam en adres van de steunverlenende autoriteit |
|
|||||
|
Het internetadres waarop de steunregeling is gepubliceerd |
http://www.regione.sardegna.it http://www.regione.sardegna.it/j/v/66?v=9&c=27&c1=&n=10&s=1&mese=200804&p=10 |
|||||
|
Andere informatie |
— |
|
Nummer van de steunmaatregel |
XR 100/08 |
|||||||||||
|
Lidstaat |
Italië |
|||||||||||
|
Regio |
Campania |
|||||||||||
|
Benaming van de steunregeling of naam van de onderneming die aanvullende ad-hocsteun ontvangt |
Contratto di programma regionale |
|||||||||||
|
Rechtsgrondslag |
Legge regionale 12/07, regolamento n. 4/2007, Disciplinare articoli 11 e 12, Delibera Giunta Regionale n. 514 del 21 marzo 2008, Decreto dirigenziale n. 217 del 17 aprile 2008 |
|||||||||||
|
Type maatregel |
Steunregeling |
|||||||||||
|
Voorziene jaarlijkse uitgaven |
49,3 mln EUR |
|||||||||||
|
Maximale steunintensiteit |
30 % |
|||||||||||
|
Overeenkomstig artikel 4 van de verordening |
||||||||||||
|
Datum van tenuitvoerlegging |
19.6.2008 |
|||||||||||
|
Looptijd |
31.12.2013 |
|||||||||||
|
Economische sectoren |
Beperkt tot specifieke sectoren |
|||||||||||
|
NACE: D, G, H, I 63.3, K74 |
||||||||||||
|
Naam en adres van de steunverlenende autoriteit |
Regione Campania AGC 12 Sviluppo Economico
AGC 13 Turismo e Beni Culturali
|
|||||||||||
|
Het internetadres waarop de steunregeling is gepubliceerd |
http://www.economiacampania.net/index001.php?part=articolo&ida=345 |
|||||||||||
|
Andere informatie |
— |
V Bekendmakingen
PROCEDURES IN VERBAND MET DE UITVOERING VAN DE GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK
Commissie
|
25.10.2008 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 270/26 |
Bericht van opening van een nieuw onderzoek naar aanleiding van het vervallen van de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op ethanolamine van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika
(2008/C 270/12)
Na de bekendmaking van een bericht dat de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op ethanolamine van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika („het betrokken land”) op korte termijn zouden vervallen (1), heeft de Commissie op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (2) („de basisverordening”) een verzoek om een nieuw onderzoek ontvangen.
1. Verzoek om een nieuw onderzoek
Het verzoek werd op 25 juli 2008 ingediend door de communautaire producenten BASF SE/AG, INEOS Oxide Ltd, Sasol Germany GmbH en Akzo Nobel Functional Chemicals AB (de „indieners van het verzoek”) die samen goed zijn voor een groot deel, in dit geval meer dan 50 %, van de totale communautaire productie van ethanolamine.
2. Product
Het verzoek heeft betrekking op ethanolamine van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika („het betrokken product”). Dit product is momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 2922 11 00, ex 2922 12 00 en 2922 13 10. Deze GN-codes worden slechts ter informatie vermeld.
3. Bestaande maatregelen
Momenteel is een definitief antidumpingrecht van toepassing, dat is ingesteld bij Verordening (EG) nr. 1583/2006 van de Raad (3).
4. Motivering van het nieuwe onderzoek
Het verzoek is ingediend omdat het vervallen van de maatregelen waarschijnlijk zal leiden tot een voortzetting of herhaling van dumping en schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap.
De klacht dat het betrokken product nog steeds met dumping wordt ingevoerd, is gebaseerd op een vergelijking van de normale waarde die is vastgesteld aan de hand van de prijzen op de binnenlandse markt, met de prijzen bij uitvoer naar de Gemeenschap.
De aldus vastgestelde dumpingmarge is aanzienlijk.
Volgens de indieners van het verzoek zal waarschijnlijk weer schadeveroorzakende dumping plaatsvinden. In dit verband hebben zij bewijsmateriaal voorgelegd waaruit blijkt dat de invoer van het betrokken product bij het vervallen van de maatregelen waarschijnlijk in omvang zal toenemen, gezien recente investeringen in productiecapaciteit in het betrokken land.
Zij voeren ook aan dat de invoer van het betrokken product waarschijnlijk zal toenemen als gevolg van de geldende maatregelen op andere traditionele markten dan de EU (namelijk Azië en Zuid-Amerika). Dit alles kan ertoe leiden dat de uitvoer naar andere derde landen wordt verlegd naar de Gemeenschap.
Volgens de indieners van het verzoek is het bovendien vooral dankzij de maatregelen dat de situatie ten aanzien van de schade nu is verbeterd. Indien de maatregelen vervallen en het betrokken product weer in grote hoeveelheden tegen dumpingprijzen uit het betrokken land wordt ingevoerd, zal de bedrijfstak van de Gemeenschap waarschijnlijk opnieuw schade lijden.
5. Procedure
Daar de Commissie na overleg in het Raadgevend Comité tot de conclusie is gekomen dat er voldoende bewijsmateriaal is om een procedure voor een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen in te leiden, opent zij hierbij overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening een nieuw onderzoek.
5.1. Procedure voor het vaststellen van de waarschijnlijkheid van dumping en schade
Bij het onderzoek zal worden vastgesteld of voortzetting of herhaling van dumping en schade bij het vervallen van de maatregelen waarschijnlijk is of niet.
a) Vragenlijsten
Om de informatie te verkrijgen die zij voor haar onderzoek nodig acht, zal de Commissie vragenlijsten toezenden aan de bedrijfstak van de Gemeenschap, aan alle verenigingen van producenten in de Gemeenschap, aan de producenten/exporteurs in de Verenigde Staten van Amerika, aan alle verenigingen van producenten/exporteurs, aan de importeurs, aan alle bekende verenigingen van importeurs en aan de autoriteiten van het betrokken land van uitvoer.
b) Schriftelijk en mondeling verstrekken van informatie
Alle belanghebbenden wordt verzocht hun standpunt schriftelijk uiteen te zetten en ook andere informatie dan de antwoorden op de vragenlijst, alsmede bewijsmateriaal te verstrekken. Deze informatie en het bewijsmateriaal moeten binnen de in punt 6, onder b), vermelde termijn door de Commissie zijn ontvangen.
Bovendien kan de Commissie belanghebbenden horen die hierom verzoeken en die kunnen aantonen dat er bijzondere redenen zijn om hen te horen. Dit verzoek moet binnen de in punt 6, onder c), vermelde termijn worden ingediend.
5.2. Procedure voor het beoordelen van het belang van de Gemeenschap
Indien wordt vastgesteld dat het waarschijnlijk is dat de invoer met dumping zal worden voortgezet of herhaald en dat hierdoor schade zal ontstaan, zal overeenkomstig artikel 21 van de basisverordening worden onderzocht of het niet tegen het belang van de Gemeenschap is de antidumpingmaatregelen te handhaven. Daarom kan de Commissie vragenlijsten sturen naar de haar bekende communautaire producenten en importeurs en hun representatieve verenigingen, representatieve gebruikers en representatieve consumentenorganisaties. Deze partijen, ook die welke bij de Commissie niet bekend zijn, kunnen, mits zij aantonen dat er een objectieve band is tussen hun activiteiten en het betrokken product, binnen de in punt 6, onder b), vermelde termijn contact met de Commissie opnemen en inlichtingen verstrekken. Deze partijen kunnen binnen de in punt 6, onder c), vermelde termijn ook een mondeling onderhoud aanvragen, onder opgave van de bijzondere redenen waarom zij gehoord wensen te worden. Met informatie die op grond van artikel 21 van de basisverordening wordt verstrekt, wordt alleen rekening gehouden indien daarbij, op het moment dat deze wordt verstrekt, het nodige bewijsmateriaal is gevoegd.
6. Termijnen
a) Aanvragen van een vragenlijst of van andere formulieren
Belanghebbenden die geen medewerking hebben verleend aan het onderzoek dat heeft geleid tot de maatregelen waarop het nieuwe onderzoek betrekking heeft, moeten zo spoedig mogelijk en uiterlijk 15 dagen na de bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie een vragenlijst of andere formulieren aanvragen.
b) Aanmelding en toezending van antwoorden op de vragenlijst en van andere informatie
Belanghebbenden die wensen dat bij het onderzoek met hun opmerkingen rekening wordt gehouden, moeten, tenzij anders vermeld, binnen 40 dagen na de bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie contact met de Commissie opnemen, hun standpunt uiteenzetten en hun antwoorden op de vragenlijst en andere informatie verstrekken. De aandacht wordt erop gevestigd dat de meeste in de basisverordening vermelde procedurele rechten slechts kunnen worden uitgeoefend indien de betrokkene zich binnen de bovengenoemde termijn bij de Commissie kenbaar maakt.
c) Mondeling onderhoud
Binnen dezelfde termijn van veertig dagen kunnen belanghebbenden ook vragen door de Commissie te worden gehoord.
7. Schriftelijke opmerkingen, antwoorden op de vragenlijst en correspondentie
Alle opmerkingen en verzoeken moeten schriftelijk (niet elektronisch, tenzij anders vermeld) worden toegezonden onder opgave van naam, adres, e-mailadres en telefoon- en faxnummer van de belanghebbende. Alle schriftelijke opmerkingen, met inbegrip van de in dit bericht gevraagde informatie, antwoorden op de vragenlijst en correspondentie die op vertrouwelijke basis worden verstrekt, moeten van het opschrift „Limited” (4) zijn voorzien en moeten overeenkomstig artikel 19, lid 2, van de basisverordening vergezeld gaan van een niet-vertrouwelijke versie met de vermelding „For inspection by interested parties”.
Correspondentieadres van de Commissie:
|
Europese Commissie |
|
Directoraat-generaal Handel |
|
Directoraat H |
|
Kamer: N 105 4/92 |
|
B-1049 Brussel |
|
Fax (32-2) 295 65 05 |
8. Niet-medewerking
Indien een belanghebbende binnen de vastgestelde termijnen toegang tot de nodige gegevens weigert, deze niet verstrekt of het onderzoek aanmerkelijk belemmert, kunnen overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening aan de hand van de beschikbare gegevens conclusies worden getrokken, zowel in positieve als in negatieve zin.
Wanneer blijkt dat een belanghebbende onjuiste of misleidende informatie heeft verstrekt, wordt deze informatie buiten beschouwing gelaten en kan overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening gebruik worden gemaakt van de beschikbare gegevens. Indien een belanghebbende geen of slechts gedeeltelijk medewerking verleent en gebruik wordt gemaakt van de beschikbare gegevens, kunnen de resultaten voor deze belanghebbende minder gunstig zijn dan wanneer hij wel medewerking had verleend.
9. Tijdschema voor het onderzoek
Het onderzoek zal overeenkomstig artikel 11, lid 5, van de basisverordening binnen 15 maanden na de bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie worden afgesloten.
10. Verzoek om een nieuw onderzoek op grond van artikel 11, lid 3, van de basisverordening
Dit nieuwe onderzoek bij het vervallen van een maatregel wordt geopend overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening. Overeenkomstig artikel 11, lid 6, van de basisverordening kunnen de bestaande maatregelen naar aanleiding van de bevindingen van het onderzoek worden ingetrokken of gehandhaafd, maar niet worden gewijzigd.
Belanghebbenden die van oordeel zijn dat het niveau van de maatregelen opnieuw moet worden onderzocht zodat het kan worden gewijzigd (verhoogd of verlaagd), kunnen een verzoek om een nieuw onderzoek op grond van artikel 11, lid 3, van de basisverordening indienen.
Zij moeten daartoe contact opnemen met de Commissie op het bovenstaande adres. Een dergelijk onderzoek zal onafhankelijk van het in dit bericht aangekondigde onderzoek worden uitgevoerd.
11. Verwerking van persoonsgegevens
Persoonsgegevens die in het kader van dit onderzoek worden verzameld, zullen worden behandeld in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (5).
12. Hoorder
Indien belanghebbenden van mening zijn dat zij bij de uitoefening van hun recht van verweer moeilijkheden ondervinden, kunnen zij vragen dat de hoorder van DG Handel wordt ingeschakeld. Hij fungeert als tussenpersoon tussen de belanghebbenden en de diensten van de Commissie en kan zo nodig aanbieden te bemiddelen in procedurele kwesties aangaande de bescherming van de belangen van de belanghebbenden tijdens de procedure, met name voor kwesties inzake toegang tot het dossier, vertrouwelijkheid, verlenging van termijnen en behandeling van schriftelijke en/of mondelinge opmerkingen. Belanghebbenden die contact willen opnemen, vinden de nodige gegevens en nadere informatie op de webpagina's van de hoorder op de website van DG Handel (http://ec.europa.eu/trade).
(1) PB C 71 van 18.3.2008, blz. 13.
(2) PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1.
(3) PB L 294 van 25.10.2006, blz. 2.
(4) Dit betekent dat het document uitsluitend voor intern gebruik bestemd is. Het document is beschermd krachtens artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43). Het document is vertrouwelijk in de zin van artikel 19 van de basisverordening en artikel 6 van de WTO-overeenkomst betreffende de toepassing van artikel VI van de GATT 1994 (antidumpingovereenkomst).
(5) PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1.
PROCEDURES IN VERBAND MET DE UITVOERING VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK MEDEDINGINGSBELEID
Commissie
|
25.10.2008 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 270/29 |
STAATSSTEUN — ROEMENIË
Steunmaatregel van de staten C 39/08 (ex N 148/08) — Opleidingssteun voor Ford Craiova
Uitnodiging overeenkomstig artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag opmerkingen te maken
(Voor de EER relevante tekst)
(2008/C 270/13)
De Commissie heeft Roemenië bij schrijven van 10 september 2008, dat na deze samenvatting in de authentieke taal is weergegeven, in kennis gesteld van haar besluit tot inleiding van de procedure van artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag ten aanzien van de bovengenoemde steunmaatregel.
Belanghebbenden kunnen hun opmerkingen over de betrokken opleidingssteun ten aanzien waarvan de Commissie de procedure inleidt, maken door deze binnen een maand vanaf de datum van deze bekendmaking te zenden aan:
|
Europese Commissie |
|
Directoraat-generaal Concurrentie |
|
Griffie staatssteun |
|
Wetstraat, 200 |
|
B-1049 Brussel |
|
Fax (32-2) 296 12 42 |
Deze opmerkingen zullen ter kennis van Roemenië worden gebracht. Een belanghebbende die opmerkingen maakt, kan, met opgave van redenen, schriftelijk verzoeken om vertrouwelijke behandeling van zijn identiteit.
TEKST VAN DE SAMENVATTING
PROCEDURE
De voorgenomen steun voor Ford in Craiova, Roemenië, werd bij de Commissie aangemeld op 1 april 2008.
BESCHRIJVING
De begunstigde van de steun zou de Roemeense autofabrikant Ford Craiova zijn, die de voormalige productie-installaties en activiteiten van SC Automobile Craiova SA en SC Daewoo Automobile SA Romania, heeft overgenomen.
De Roemeense autoriteiten willen opleidingssteun ten belope van 57 mln EUR verstrekken voor een opleidingsproject waarvan de in aanmerking komende kosten in totaal 141 mln EUR bedragen. Het opleidingsplan zou van 2008 tot 2012 worden uitgevoerd en open staan voor zowel de huidige als de toekomstige werknemers, naar schatting in totaal 9 000 personen. Het opleidingsplan kan opgesplitst worden in de volgende vier thema's: i) opleiding op het gebied van gezondheid en veiligheid; ii) basisvaardigheden (in het bijzonder alfabetisering, rekenkundige kennis, IT, Engels, communicatie, managementkwesties, enz.); iii) fundamentele bedrijfskennis (waarmee wordt beoogd het personeel in management- of leidinggevende posities op het niveau van het Europese en mondiale bedrijfsleven te brengen; hieronder vallen cursussen op het gebied van management, onderhandeling en kwaliteitscontrole); en iv) industriële vaardigheden (met name industriële en technische vaardigheden die relevant zijn voor de productie in de Craiova-fabriek).
Het opleidingsprogramma omvat voor het grootste deel algemene opleidingsmaatregelen en een aantal specifieke opleidingsmaatregelen.
Volgens de verstrekte informatie heeft het personeel van de Craiova-fabriek momenteel slechts een beperkte knowhow inzake de productie van voertuigen en machines en is de competentie dus onvoldoende om de door Ford gebouwde ultramoderne fabriek te exploiteren. In dat verband beweert Roemenië dat de arbeidskrachten (zowel de huidige werknemers als, gezien het tekort aan geschoolde arbeid in het gebied, ook de nieuw aan te werven arbeidskrachten) een grondige opleiding nodig zullen hebben.
Roemenië argumenteert voorts dat de steun noodzakelijk is omdat Ford, zonder de belofte van de overheid om opleidingssteun te verlenen, de autofabriek anders niet overgenomen zou hebben, maar haar investeringen op een andere plaats zou hebben verricht.
BEOORDELING
In dit stadium heeft de Commissie ernstige twijfels of de voorgenomen steun verenigbaar kan worden verklaard met de gemeenschappelijke markt overeenkomstig artikel 87, lid 3, onder c), van het EG-Verdrag.
De Commissie gaat ervan uit dat de begunstigde de opleiding ook zonder de verlening van steun had moeten verstrekken. In het licht van de investeringen die Ford in de autofabriek in Craiova, Roemenië, heeft verricht, moet de onderneming de bestaande arbeidskrachten opleiden om de fabriek te kunnen opstarten. Ook lijkt het veeleer moeilijk om reeds volledig opgeleide en competente arbeidskrachten voor de automobielfabricage te vinden op de lokale markt.
CONCLUSIE
In het licht van bovenvermelde twijfels heeft de Commissie besloten de procedure van artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag in de leiden.
TEKST VAN DE BRIEF
„Comisia dorește să informeze România că, în urma examinării informațiilor furnizate de autoritățile dumneavoastră privind măsura menționată anterior, a decis să inițieze procedura prevăzută la articolul 88 alineatul (2) din Tratatul CE.
1. PROCEDURA
|
1. |
Printr-o notificare trimisă la data de 1 aprilie 2008, România a notificat ajutorul în cauză. |
|
2. |
Printr-o scrisoare din 18 aprilie 2008, Comisia a solicitat informații complementare, care îi erau necesare pentru evaluarea ajutorului notificat. România a furnizat aceste informații printr-o scrisoare înregistrată de Comisie la data de 25 iunie 2008. La 18 iulie 2008, Comisia s-a întâlnit cu autoritățile române și cu reprezentanții beneficiarului. S-a convenit, de asemenea, că termenul de 2 luni în care Comisia are obligația să finalizeze evaluarea notificării și să adopte o decizie, conform dispozițiilor articolului 4 alineatul (5) din Regulamentul (CE) nr. 659/1999, va începe la 18 iulie 2008. |
2. DESCRIEREA PROIECTULUI
2.1. Beneficiarul
|
3. |
Beneficiarul ajutorului va fi societatea română producătoare de automobile Ford Craiova, care a preluat la 12 septembrie 2007 instalațiile de producție și activitatea economică gestionate anterior de SC Automobile Craiova SA (denumită în continuare ACSA) și SC Daewoo Automobile SA România (denumită în continuare DWAR), în urma privatizării acestora de către agenția română de privatizare AVAS. |
|
4. |
Prin decizia din 27 februarie 2008, Comisia a constatat că privatizarea ACSA și DWAR a condus la acordarea de ajutoare incompatibile ca urmare a condițiilor atașate vânzării (1). Comisia a dispus recuperarea a 27 milioane EUR. |
|
5. |
Uzina de automobile Ford Craiova are în prezent 3 900 de angajați. Până la sfârșitul anului 2012, societatea intenționează să angajeze peste 7 000 de oameni și posibil, pe termen lung, chiar 9 000. Instalațiile sale sunt potrivite atât pentru producerea de automobile, cât și pentru fabricarea de motoare și cutii de viteză. Cu toate acestea, producția de automobile a încetat în ianuarie 2008. Producția de motoare și cutii de viteze va continua în 2008 și va fi furnizată General Motors în baza unui contract de furnizare încheiat în trecut de DWAR, urmând să se diminueze progresiv până la încetarea completă a activității în cursul anului 2009. |
|
6. |
Prin decizia din 30 aprilie 2008, Comisia a aprobat un ajutor regional pentru investiții în valoare de 143 milioane EUR pentru un proiect de investiții de 675 milioane EUR la uzina Craiova (2). Ajutorul regional a atins intensitățile maxime permise. Conform acestui proiect regional pentru investiții, producția de automobile va începe în 2009, iar cea de motoare în 2011. Data prevăzută pentru finalizarea proiectului și atingerea capacității maxime de producție este 2012. |
|
7. |
Uzina de automobile este situată într-o regiune care poate beneficia de ajutor în temeiul articolului 87 alineatul (3) litera (a) din Tratatul CE. |
2.2. Proiectul de formare
|
8. |
Se intenționează ca proiectul de formare să fie realizat în perioada 2008-2012 și să îi vizeze atât pe angajații actuali, cât și pe cei viitori, în total 9 000 de oameni, conform estimărilor. |
|
9. |
Costurile eligibile pentru proiectul de formare în favoarea Ford Craiova reprezintă 141 milioane EUR, dintre care 139,7 milioane urmează să fie cheltuite pentru formare generală, iar 1,7 milioane pentru formare specifică. România aplică o intensitate a ajutorului de 50 % pentru măsurile de formare generală, respectiv un ajutor de 69,9 milioane EUR, și 25 % pentru măsurile de formare specifică, respectiv un ajutor de 0,4 milioane EUR. |
|
10. |
Cu toate că ajutorul pentru formare ar putea atinge o valoare de 70 milioane EUR pentru costurile eligibile totale ale proiectului, România intenționează să acorde și, prin urmare, să notifice un ajutor de 57 milioane EUR. Ajutorul va fi acordat progresiv, pe măsură ce se derulează cursurile, până la atingerea plafonului de 57 milioane EUR. |
|
11. |
Proiectul poate fi împărțit în următoarele patru «tematici»: |
(a) Formare privind sănătatea și securitatea
|
12. |
Această temă de formare cuprinde în total 79 de cursuri, menite să instruiască personalul privind comportamentele sigure la locul de muncă, și acoperă 15 domenii: cerințe legale, precum drepturi și obligații adresate tuturor angajaților; instrucțiuni în caz de urgență, de incendiu și privind evacuarea; prevenirea incendiilor și utilizarea stingătoarelor; asigurarea curățeniei — păstrarea unui spațiu de lucru curat; mediu — standarde în domeniul mediului, de ex. ISO 14001; manipularea materialelor/ergonomie; echipament individual de protecție; utilizarea în condiții de siguranță a echipamentelor; utilizarea în condiții de siguranță a uneltelor manuale și electrice; utilizarea scărilor/lucrul la înălțime; spații închise; protecția pielii; securitatea la birou; lucrul cu materiale periculoase și semnalizarea de securitate. |
|
13. |
Formarea va cuprinde, pentru toate cele 15 domenii, o introducere privind principiile de bază, respectiv reglementările și responsabilitățile legale ale angajaților și angajatorilor, operarea în condiții de siguranță, principii de mentenanță și reparare, sisteme de gestionare a securității, întocmirea de rapoarte, identificarea riscurilor, controlul și prevenirea accidentelor, însă și elemente de comportament, precum sensibilizarea cu privire la pericolele, riscurile și accidentele care pot surveni într-un mediu de lucru industrial, rolurile și responsabilitățile în cadrul gestionării aspectelor de securitate la locul de muncă și impactul comportamentului individual și de grup asupra gestionării securității la locul de muncă, dezvoltarea unei atitudini receptive față de aspectele de securitate și felul în care acest lucru poate îmbunătăți nivelul de garantare a securității. |
|
14. |
România susține că orice formare consacrată acestei tematici depășește ceea ce angajatorul are obligația să asigure în temeiul legii. De asemenea, România consideră că, deși normele și practicile de securitate de la uzina Craiova sunt considerabil inferioare celor din alte unități industriale din Europa, angajații existenți au un nivel suficient de cunoștințe în domeniul securității; cu toate acestea, formarea are în vedere ca aceștia să «se dezvețe» de comportamentele și practicile trecute. În opinia României, formarea de noi angajați la Craiova va presupune investirea unor eforturi semnificativ mai importante decât formarea de angajați în Europa de vest. |
|
15. |
Majoritatea cursurilor (respectiv 65) reprezintă, în opinia României, formare generală. Numai trei cursuri («lucrul cu produse biodestructive», «principii privind siguranța pietonilor» și «folosirea și amplasarea sistemelor suplimentare de reținere») sunt specifice (3). În ceea ce privește restul cursurilor, România susține că, din moment ce sunt fie obligatorii prin lege (de ex. «Evaluatorii de risc»), fie specifice întreprinderii Ford (de ex. «Formare privind intrarea în siguranță în stația de lucru — Stadiul 2 ECPL pentru mentenanță», «Sistemul mecanic antifurt (MATS) și gestionarea datelor privind materialele periculoase»), acestea vor fi asigurate în orice eventualitate, chiar și în absența ajutorului. Prin urmare, nu se solicită ajutor pentru aceste cursuri. |
|
16. |
Formarea în cadrul acestei tematici acoperă, în opinia României, costuri eligibile în valoare de 16,26 milioane EUR, pentru care se solicită un ajutor de formare de 7,79 milioane EUR. |
(b) Competențe fundamentale
|
17. |
Această formare cuprinde în total 58 de cursuri, care urmăresc atingerea unui nivel de cunoștințe comparabil cu cel înregistrat în alte state membre. Aceste cursuri de formare vor pune la dispoziția angajaților diferite competențe cu valoare generală la locul de muncă: capacitatea de a comunica în limba engleză, capacitatea de a utiliza o gamă largă de instrumente electronice, competențe lingvistice și numerice, comunicare, lucrul în echipă, capacitatea de a conduce, precum și capacitatea de a lucra într-un mediu axat pe atingerea obiectivelor și obținerea de rezultate. |
|
18. |
Toate cele 58 de cursuri reprezintă formare generală. Numai jumătate din durata de desfășurare a trei cursuri («Formare privind fișele de sarcini (Task cards)», «Noțiuni introductive privind tablourile de bord (Score cards)» și «Strategii, obiective și indicatori cheie ai performanței») este considerată ca fiind formare care ar fi acordată și în absența ajutorului. Prin urmare, nu se solicită niciun ajutor pentru această secțiune. |
|
19. |
Costurile eligibile totale pentru cursurile din cadrul acestei tematici sunt în valoare de 84,3 milioane EUR, dintre care 42,1 milioane sunt solicitate ca ajutor pentru formare. Dintre aceste costuri eligibile, 44,5 milioane EUR urmează să fie cheltuite pentru transmiterea de competențe lingvistice și numerice unui număr de aproximativ 5 000 de angajați […] (4). A doua sumă ca valoare din cadrul acestei tematici, reprezentând 14,2 milioane EUR, urmează să fie cheltuită pentru predarea limbii engleză unui număr de 3 000 de angajați […]. |
(c) Baze în afaceri
|
20. |
România explică faptul că nivelul de înțelegere a practicilor economice europene și internaționale la uzina Craiova este limitat. Multor angajați le lipsește cunoașterea și înțelegerea practicilor economice. Vor fi, prin urmare, necesare cursuri avansate de formare pentru a transmite acestor angajați un nivel de cunoștințe comparabil cu cel al omologilor lor vest-europeni. Cu toate acestea, România subliniază faptul că angajații dețin competențele de bază necesare pentru a asigura funcționarea societății. |
|
21. |
75 de cursuri din cadrul acestei tematici sunt menite să asigure alinierea forței de muncă respective la practicile economice europene și globale. Formarea îi va viza pe membrii personalului aflați în poziții de conducere sau pe șefii de echipă și va acoperi competențe precum înțelegerea mediului de control intern și de reglementare din cadrul UE și la nivel global, înțelegerea conexiunilor dintre funcțiile de exploatare, suport și cele centralizate în cadrul unei organizații globale, managementul de proiect, negociere etc. |
|
22. |
Formarea are un caracter general în cazul a 52 de cursuri și este specifică în cazul a patru dintre ele. 17 cursuri sunt clasificate ca neeligibile din cauza faptului că sunt considerate necesare pentru exploatarea uzinei și ar fi acordate chiar și în absența ajutorului. |
|
23. |
Costurile eligibile totale pentru cursurile din cadrul acestei tematici sunt în valoare de 7,5 milioane EUR, dintre care 3,7 milioane sunt solicitate ca ajutor pentru formare. |
(d) Competențe industriale
|
24. |
Această tematică va viza competențele industriale și tehnice relevante pentru linia de producție a uzinei Craiova. România explică faptul că, având în vedere nivelul investițiilor în această unitate de producție, inclusiv achiziționarea de noi echipamente, instalații și sisteme mai avansate din punct de vedere tehnologic, va exista o nevoie presantă de a dezvolta competențele industriale și tehnice ale angajaților. În plus, nivelul existent de informații privind cursurile de formare profesională disponibile, care acoperă competențele industriale în domenii precum mecanică, electronică, sudură, electricitate și hidraulică, ar putea indica faptul că nivelul competențelor în aceste domenii este cu mult în urma celui din alte state membre. Exploatarea, întreținerea și repararea acestor echipamente presupun deținerea unui set comun de competențe de bază, prealabile asigurării unei formări specifice privind noile echipamente. Cu toate acestea, competențele deținute în prezent permit funcționarea imediată a uzinei Craiova. Prin urmare, în opinia României, măsurile prevăzute depășesc ca domeniu de aplicare formarea necesară pentru exploatarea uzinei. |
|
25. |
Formarea din cadrul acestei tematici cuprinde 58 de cursuri, dintre care 55 sunt considerate a fi formare generală (de ex. Competențe electrice și electronice de bază, Hidraulică, Metrologie, Motoare electrice, Tehnologia și asamblarea motoarelor, Mașini electrice, Puncte de control programabile etc.). Un curs — MODAPTS (Studierea timpilor in operațiunile de mișcare — Motion Determine Operator Time Study) — constituie formare specifică. Două cursuri, respectiv Asamblarea motoarelor și formarea cu privire la simularea procesului de fabricație, sunt considerate a fi neeligibile din cauza faptului că acestea ar fi asigurate de Ford chiar în absența ajutorului. |
|
26. |
Măsurile de formare din cadrul acestei tematici au drept scop perfecționarea forței de lucru existente cu privire la principiile tehnice fundamentale de mecanică, de fabricare a instrumentelor de lucru, finisare a metalelor, vopsire prin pulverizare, electricitate, electronică, hidraulică, sudură, la pregătirea de bază ca vânzător, conducerea automobilului, întreținerea preventivă totală, competențe medicale, de ex. formarea privind acordarea primului ajutor, perfecționarea doctorilor și a asistentelor medicale care lucrează în cadrul uzinei, competențe privind securitatea și igiena alimentară și menajeră. |
|
27. |
Costurile eligibile totale pentru cursurile din cadrul acestei tematici sunt în valoare de 33,4 milioane EUR, dintre care 16,6 milioane sunt solicitate ca ajutor pentru formare. |
|
28. |
În concluzie, următoarele tabele prezintă costurile eligibile totale pentru fiecare tematică individuală de formare și cuantumul maxim al ajutorului pentru formare solicitat: Tabelul 1 Formare generală
Formare specifică
|
Efect stimulativ
|
29. |
România explică faptul că un factor hotărâtor care a stat la baza deciziei Ford de a achiziționa și a investi în uzina de automobile Craiova l-a constituit angajamentul ferm al guvernului de a acorda Ford ajutor regional pentru investiții și formare. Într-adevăr, Guvernul României a publicat la 7 septembrie 2007 o scrisoare conținând un angajament ferm de a acorda ajutoare pentru formare în valoare de 57 milioane EUR. În absența acestui angajament, Ford ar fi luat în considerare posibilitatea de a realiza proiectul de investiții în altă locație, chiar în afara Uniunii Europene. Conform Ford, în comparație cu investiția de la Craiova, o locație într-o zonă neconstruită ar fi oferit anumite avantaje din punctul de vedere al personalului: posibilitatea de a selecta angajați calificați și absența obligației de a angaja personal pentru o perioadă neproductivă lungă (5). |
|
30. |
În absența ajutorului, România susține că Ford ar asigura numai cursurile de formare specifice Ford, în valoare de 29,7 milioane EUR, formare necesară pentru ca uzina să poată să înceapă să funcționeze și pe care Ford ar trebui să o acorde oricum. Prin urmare, această formare nu poate beneficia de ajutor. |
3. EVALUAREA AJUTORULUI
Existența ajutorului
|
31. |
Comisia consideră că măsura constituie ajutor de stat în sensul articolului 87 alineatul (1) din Tratatul CE: acesta ia forma unei subvenții acordate din resurse de stat. Măsura este selectivă prin aceea că se limitează la Ford Craiova. Subvenția selectivă ar putea denatura concurența, oferind Ford un avantaj asupra societăților concurente care nu beneficiază de ajutor, ca urmare a faptului că scutește Ford de costuri care altfel ar fi fost în sarcina sa. În cele din urmă, piețele pentru producția de automobile și motoare sunt caracterizate de schimburi comerciale extinse între statele membre, iar Ford este unul dintre actorii importanți pe această piață. |
Temeiul juridic al evaluării
|
32. |
România a notificat ajutorul în baza Regulamentului (CE) nr. 68/2001 al Comisiei din 12 ianuarie 2001 privind aplicarea articolelor 87 și 88 din Tratatul CE la ajutoarele pentru formare (6), astfel cum a fost modificat prin Regulamentul (CE) nr. 363/2004 al Comisiei din 25 februarie 2004 (7) și prin Regulamentul (CE) nr. 1976/2006 al Comisiei din 20 decembrie 2006 (8). |
|
33. |
Conform articolului 5 din Regulamentul (CE) nr. 68/2001, atunci când valoarea ajutorului acordat unei întreprinderi pentru un singur proiect de formare depășește 1 milion EUR, ajutorul nu este exceptat de la obligația notificării prevăzută la articolul 88 alineatul (3) din Tratatul CE. Comisia observă că, în acest caz, ajutorul propus este de 57 milioane EUR, că această sumă trebuie plătită unei singure întreprinderi și că proiectul de formare constituie un singur proiect. Prin urmare, Comisia consideră că obligația notificării, prevăzută în Regulamentul (CE) nr. 68/2001, s-a aplicat ajutorului propus și că aceasta a fost respectată de România. |
|
34. |
Cu toate acestea, Regulamentul (CE) nr. 68/2001 a încetat să se aplice la 30 iunie 2008, respectiv după notificarea ajutorului, iar dispozițiile comunitare relevante privind ajutorul pentru formare pot fi găsite în prezent în Regulamentul (CE) nr. 800/2008 (9) («Regulamentul general de exceptare pe categorii de ajutoare»), care a intrat de curând în vigoare. Prin urmare, Comisia își va întemeia evaluarea compatibilității ajutorului cu piața comună pe dispozițiile Regulamentului general de exceptare pe categorii de ajutoare. În această privință, Comisia observă inițial că Regulamentul general de exceptare pe categorii de ajutoare prevede că anumite forme de ajutor de stat sunt compatibile cu piața comună în sensul articolul 87 alineatul (3) din tratat și sunt exceptate de la obligația notificării în baza articolului 88 alineatul (3) din tratat. Cu toate acestea, această exceptare este însoțită de unele condiții. În primul rând, Regulamentul general de exceptare pe categorii de ajutoare nu se aplică ajutorului ad hoc acordat întreprinderilor mari (10), cum este cazul ajutorului notificat de România. În al doilea rând și în orice condiții, conform articolului 6 din regulamentul general de exceptare pe categorii de ajutoare, atunci când cuantumul ajutorului acordat unei întreprinderi pentru un singur proiect de formare depășește 2 milioane EUR, ajutorul nu este exceptat de la obligația notificării prevăzută la articolul 88 alineatul (3) din Tratatul CE. Prin urmare, Comisia constată că ajutorul face în continuare obiectul obligației de notificare și în conformitate cu dispozițiile Regulamentului general de exceptare pe categorii de ajutoare și că România a respectat această obligație. |
|
35. |
Atunci când evaluează un ajutor individual pentru formare care nu îndeplinește condițiile pentru acordarea exceptării prevăzută în Regulamentul general de exceptare pe categorii de ajutoare, Comisia trebuie să realizeze o evaluare individuală în baza articolului 87 alineatul (3) litera (c) din Tratatul CE înainte de a autoriza punerea în aplicare a ajutorului. În ceea ce privește ajutoarele pentru formare, această evaluare se va face ținând cont în special de condițiile relevante stabilite în Regulamentul general de exceptare pe categorii (a se vedea considerentul 7 din regulamentul respectiv). Acest lucru este, de asemenea, consecvent cu practica Comisiei cu privire la cazurile de ajutor pentru formare în temeiul Regulamentului (CE) nr. 68/2001, care rămâne relevant în această privință (11). Acest lucru presupune în special o verificare a conformității cu criteriile specifice de exceptare referitoare la ajutoarele pentru formare prevăzute în secțiunea 8 din Regulamentul general de exceptare pe categorii de ajutoare, în plus față de examinarea măsurii în care ajutorul îndeplinește condiția generală de a avea un efect stimulativ, astfel cum se prevede la articolul 8 din Regulamentul general de exceptare pe categorii de ajutoare (12). |
Compatibilitatea cu piața comună
|
36. |
Comisia a evaluat prima facie conformitatea proiectului notificat cu criteriile formale de exceptare prevăzute în secțiunea 8 din Regulamentul general de exceptare pe categorii de ajutoare. |
|
37. |
În primul rând, intensitatea ajutorului pare să fie limitată la plafoanele indicate la articolul 39 alineatul (2) din regulamentul general de exceptare pe categorii de ajutoare: 25 % pentru formare specifică și 60 % pentru formare generală. Cu toate că ar fi putut în principiu să mărească plafoanele cu 10 puncte de bază, având în vedere faptul că proiectul este situat într-o zonă asistată în temeiul articolului 87 alineatul (3) litera (a) din Tratatul CE, România nu a făcut acest lucru. |
|
38. |
În al doilea rând, costurile eligibile ale măsurii notificate indicate în tabelul 1 sunt conforme la prima vedere cu dispozițiile articolului 39 alineatul (4) din regulamentul general de exceptare pe categorii de ajutoare. În special, costurile de personal legate de angajarea stagiarilor (respectiv compensațiile salariale) care sunt acoperite de ajutor sunt limitate la suma echivalentă cu totalul celorlalte costuri eligibile. |
Necesitatea ajutorului
|
39. |
Comisia observă că o măsură de ajutor pentru formare poate fi considerată compatibilă cu piața comună în temeiul articolului 87 alineatul (3) litera (c) din Tratatul CE numai atunci când aceasta nu este imediat necesară pentru desfășurarea activităților beneficiarului (13). Atunci când ajutorul nu determină derularea unor activități suplimentare față de cele care ar fi realizate ținând cont exclusiv de forțele pieței, ajutorul nu poate fi considerat ca având efecte pozitive în măsură să compenseze denaturarea comerțului și, prin urmare, nu poate fi autorizat. Astfel, nu se poate considera că ajutorul pentru formare «facilitează» dezvoltarea economică, în sensul articolului 87 alineatul (3) litera (c) din Tratatul CE, și corectează imperfecțiunea pieței care determină societățile în general să investească insuficient în formarea lucrătorilor lor, astfel cum se precizează la considerentul 62 din Regulamentul general de exceptare pe categorii de ajutoare, în cazul în care societatea ar fi realizat oricum activitățile care beneficiază de ajutor, chiar și în absența acestuia (14). În cazul unui ajutor ad hoc în favoarea unor întreprinderi mari, ajutor care nu cade sub incidența regulamentului general de exceptare pe categorii de ajutoare, Comisia va evalua efectul stimulativ în contextul notificării ajutorului pe baza instrumentelor comunitare aplicabile (considerentul 32 din Regulamentul general de exceptare pe categorii de ajutoare). |
|
40. |
În cazul de față, Comisia are motive să considere că beneficiarul ar trebui să asigure angajaților săi, cel puțin într-o anumită măsură, formarea care face obiectul evaluării, chiar și în absența ajutorului. Cu toate acestea, acest lucru nu exclude posibilitatea ca anumite măsuri de formare să depășească ceea ce este necesar pentru începerea activității și, în această măsură, pot fi eligibile pentru acordarea de ajutor pentru formare. |
|
41. |
Autoritățile române susțin că necesitatea ajutorului decurge din mai multe aspecte. În primul rând, Guvernul României s-a angajat, înainte ca Ford să cumpere uzina de automobile, să acorde ajutor pentru formare și ajutor regional Ford. Dacă nu ar fi existat acest angajament, Ford nu ar fi cumpărat societatea și, astfel, nu ar fi asigurat niciun curs de formare. În schimb, ar fi construit o nouă uzină de automobile într-o zonă neconstruită și ar fi angajat personal deja pregătit și calificat. |
|
42. |
În al doilea rând, autoritățile române afirmă că ajutorul pentru formare este necesar pentru a compensa nivelul mai scăzut de competențe al forței de muncă locale în comparație cu media din UE. România subliniază că forța de muncă de la Craiova are în prezent capacitatea de a produce automobile și motoare la nivelul mediu al economiei românești de dinainte de aderare, astfel încât pentru a schimba această situație, Ford trebuie să prevadă măsuri de formare aprofundată generală și specifică pentru educarea angajaților. Astfel, ajutorul va fi în beneficiul angajaților slab calificați și va genera efecte externe pozitive pentru întreaga regiune, care se confruntă cu un nivel ridicat al șomajului. |
|
43. |
În ultimul rând, autoritățile române argumentează că formarea prevăzută a fi acordată nu este necesară pentru funcționarea uzinei. Prin urmare, în absența ajutorului, Ford nu ar organiza în aceeași măsură cursurile de formare care fac obiectul evaluării, ci ar asigura doar o formare minimă specifică Ford, necesară pentru ca uzină să poată începe să funcționeze. Costurile pentru aceste cursuri de formare specifice Ford se ridică la 29,7 milioane EUR, reprezentând aproximativ 20 % în comparație cu costurile eligibile notificate. |
|
44. |
Comisia are îndoieli în acest stadiu cu privire la argumentele prezentate de România, din mai multe motive. |
|
45. |
În primul rând, necesitatea și efectul stimulativ al ajutorului pentru formare în cazul de față trebuie evaluate în contextul cumpărării recente de către Ford a uzinei Craiova, precum și al planurilor sale de a transforma uzina într-o unitate de producție modernă, la cel mai înalt nivel tehnologic. Ford înființează o unitate de producție cu totul nouă, care va avea în comun cu uzina inițială doar locația. Proiectul de investiții vizează extinderea, modernizarea și modificarea fundamentală a uzinei existente, inclusiv crearea de noi capacități, în vederea asigurării producției de noi automobile și noi motoare de înaltă tehnologie. |
|
46. |
Comisia observă faptul că (re)localizarea întreprinderilor reprezintă o practică obișnuită în Uniunea Europeană, prin care întreprinderile încearcă să reducă nivelul costurilor, să își mărească rentabilitatea și să rămână competitive pe piață. Întreprinderile care iau în considerare o posibilă relocalizare a producției lor compară deseori mai multe locații potențiale din diferite state membre. Decizia privind locația este influențată în cele din urmă nu numai de previziunile privind costurile de exploatare (inclusiv costurile de formare a angajaților ale căror competențe sunt sub nivelul mediu european) și alte avantaje sau dezavantaje economice (respectiv existența unor instalații de producție, existența de forță de muncă etc.), ci și, într-o anumită măsură, de o posibilă asistență din partea guvernului (ajutor regional). Comisia constată că beneficiarul a primit cuantumul maxim permis pentru ajutorul regional pentru investiții, respectiv 143 milioane EUR, pentru proiectul său de investiții la Craiova. |
|
47. |
Cu toate acestea, formarea în vederea desfășurării activităților într-o nouă locație — spre deosebire de ajutorul regional pentru investiții (15) — nu poate fi justificată prin considerații privind situarea regională, din moment ce obiectivul ajutorului pentru formare nu este să atragă investiții într-o anumită regiune, ci să corecteze nivelul insuficient al investițiilor în formare la nivelul Comunității (16). Ajutorul pentru formare urmărește să mărească numărul lucrătorilor calificați în Uniunea Europeană, ceea ce în cele din urmă va îmbunătăți competitivitatea economiei comunitare și va avea un efect pozitiv asupra strategiei de ocupare a forței de muncă și asupra societății în ansamblul său. |
|
48. |
În al doilea rând, Comisia nu este convinsă în acest stadiu de afirmațiile României conform cărora necesitatea ajutorului pentru formare decurge din necesitatea de a compensa nivelul mai scăzut de competențe în regiunile asistate prin intermediul ajutorului pentru formare. Aceste niveluri mai scăzute de competențe țin, în principiu, de handicapul regional care trebuie depășit prin ajutorul regional pentru investiții. Obiectivul ajutorului regional este nu numai de a mări numărul locurilor de muncă create în mod direct sau indirect, ci și de a avea un impact pozitiv asupra calității locurilor de muncă create și a nivelului de competențe cerut. |
|
49. |
În cazul de față, Comisia are motive să creadă că Ford a luat decizia de a investi în Craiova fiind pe deplin conștientă de situația tehnică a uzinei și de nivelul slab de calificare al forței de muncă. Pentru a depăși aceste handicapuri, Comisia a aprobat cuantumul maxim permis pentru ajutorul regional pentru investiții conform Orientărilor privind ajutorul regional. O asistență suplimentară din partea guvernului sub forma ajutorului pentru formare pentru a compensa aceste handicapuri regionale ar constitui de fapt o completare a ajutorului prin care s-ar evita aplicarea plafoanelor prevăzute pentru ajutorul regional. |
|
50. |
Într-adevăr, se pare că societatea are la dispoziție două opțiuni: fie să recruteze personal deja calificat în limita termenilor contractului de cumpărare a acțiunilor, fie să apeleze la forța de muncă existentă, care, în ciuda unui nivel mai scăzut de competențe decât în alte locații din Europa, are totuși experiență în ceea ce privește producția de automobile. Întrucât contractul de cumpărare a acțiunilor cere companiei Ford să mențină forța de muncă originară pentru o perioadă de patru ani, Ford poate avea stimulente solide de a folosi forța de muncă existentă, care ar cere companiei Ford să ofere cel puțin o parte din formarea planificată. De asemenea, în cadrul proiectului regional de investiții pentru care a primit ajutor regional pentru investiții, Ford s-a angajat să crească substanțial numărul personalului angajat direct până la peste 7 000 de oameni, eventual până la 9 000 pe termen lung. În acest stadiu, România nu a prezentat informații conform cărora Ford ar putea recruta de pe piața locală mai multe mii de angajați deja calificați pentru a-și respecta angajamentele. În plus, având în vedere nivelul general tehnic și de competențe mai scăzut al forței de muncă din România, Comisia se întreabă dacă Ford nu va trebui să prevadă oricum anumite măsuri de formare chiar și pentru angajații nou recrutați. |
|
51. |
În al treilea rând, conform informațiilor furnizate de România, Ford are intenția să creeze la Craiova o unitate de producție la cel mai înalt nivel tehnologic. În acest scop, societatea are în vedere construirea de noi linii de producție, inclusiv a unui sistem de producție modern și flexibil, specific Ford, o modernizare substanțială a unei părți funcționale a uzinei și dezvoltarea capacităților existente, în vederea integrării pe deplin a unității de producție Craiova în cadrul operațiilor sale de producție din Europa. Având în vedere nivelul scăzut de cunoștințe și competențe al forței de muncă de la Craiova, astfel cum rezultă din argumentele prezentate de România, este foarte puțin probabil ca Ford să poată să nu asigure cursurile de formare prevăzute fără a periclita investițiile tehnologice și funcționarea fără probleme a uzinei de automobile. În plus, Comisia are îndoieli cu privire la capacitatea Ford de a găsi angajați deja calificați pe piața locală și de a evita în acest fel să asigure cursurile de formare prevăzute. În orice caz, Comisia nu a primit informații mai precise în această privință. |
|
52. |
În al patrulea rând, Comisia se întreabă dacă o parte din formare nu este obligatorie conform legislației naționale și europene privind siguranța și securitatea la locul de muncă sau conform standardelor interne de calitate ale Ford. România susține faptul că uzina de automobile Craiova funcționează în conformitate cu normele legale în vigoare și că, prin urmare, formarea ar depăși ceea ce este cerut prin lege sau ceea ce Ford Craiova ar trebui oricum să întreprindă pentru a respecta standardele interne ale grupului. Cu toate acestea, România afirmă de asemenea că forța de muncă locală are un nivel de competențe și informare mai scăzut decât cel din alte unități de producție din Europa de Vest sau din alte uzine Ford. Comisia ar dori să aibă acces la mai multe informații detaliate cu privire la această situație pentru a putea fi în măsură să verifice dacă formarea depășește într-adevăr ceea ce Ford Craiova ar trebui să asigure oricum în virtutea obligațiilor legale sau pentru a-și putea desfășura operațiunile și dacă ajutorul notificat are un efect stimulativ. |
|
53. |
În cele din urmă, România a notificat un ajutor în valoare de 57 milioane EUR pentru un proiect de formare pentru care teoretic ar fi putut fi acordat un ajutor de 70 milioane EUR, susținând că ajutorul aprobat va fi acordat progresiv, pe măsură ce se derulează cursurile respective, până la atingerea plafonului de 57 milioane EUR. În plus, România a afirmat că, în cazul în care Comisia ar considera că anumite cursuri nu pot beneficia de ajutor pentru formare, reducerea cuantumului ajutorului s-ar face mai degrabă din suma totală «teoretică» de 70 milioane EUR decât din cea plafonată. Cu toate acestea, România nu a indicat nici ordinea în care ar trebui să fie asigurate cursurile, nici criteriile pe baza cărora beneficiarul va stabili prioritatea acestora. De asemenea, România nu a prezentat argumente dacă beneficiarul va asigura numai formarea pentru care va fi aprobat ajutorul sau dacă acesta va lua în considerare posibilitatea de a asigura de asemenea, în lipsa ajutorului de stat, cursurile care ar fi considerate de Comisie ca putând beneficia de ajutor pentru formare, dar pentru care nu se va asigura finanțare în cadrul subvenției de 57 milioane EUR, ceea ce va însemna că o parte din cursurile de formare, pentru care se afirmă că ar exista un efect stimulativ al ajutorului, ar fi de asemenea asigurate în absența ajutorului. În aceste condiții, Comisia are motive să se îndoiască de efectul stimulativ al ajutorului notificat. |
|
54. |
În consecință, Comisia se întreabă dacă o parte considerabilă din cursurile de formare sau chiar toate vor trebui să fie asigurate de Ford oricum, chiar și în absența ajutorului, pentru ca Ford să poată să înceapă exploatarea uzinei și dacă handicapul reprezentat de nivelul în general mai scăzut de competențe al forței de muncă nu trebuie considerat ca fiind deja compensat prin ajutorul regional pentru investiții. |
Principiul Deggendorf
|
55. |
De asemenea, Comisia ia notă de faptul că, prin decizia mai sus menționată din 27 februarie 2008 în cazul de Ajutor de Stat C 46/07, a declarat ajutorul acordat în cadrul procesului de privatizare a companiei Automobile Craiova ilegal și incompatibil și a solicitat recuperarea acestui ajutor. Comisia consideră că așa-numita jurisprudență Deggendorf (17) se aplică în cazul de fața. Conform principiilor relevate în această jurisprudență, un nou ajutor de stat nu poate fi plătit până când ajutorul incompatibil acordat anterior nu este recuperat în întregime. |
|
56. |
La acest stadiu, informațiile transmise de România nu au permis Comisiei să concluzioneze că obligația de recuperare prevăzută în decizia din 27 februarie 2008 a fost respectată. De asemenea, România nici nu a și-a asumat obligația de a nu plăti ajutorul pentru formare până când această recuperare nu are loc. În aceste circumstanțe, Comisia consideră că ajutorul notificat poate fi incompatibil cu așa-numitul principiu Deggendorf. |
4. DECIZIE
În lumina considerațiilor anterioare, Comisia a hotărât să inițieze procedura prevăzută la articolul 88 alineatul (2) din Tratatul CE și cere României să furnizeze, în termen de o lună de la primirea prezentei scrisori, toate documentele, informațiile și datele necesare pentru evaluarea compatibilității ajutorului, în special:
|
— |
informații detaliate privind măsurile de formare care sunt necesare pentru ca societatea să poată să înceapă să funcționeze conform standardelor Ford și care, prin urmare, ar trebui să fie asigurate de beneficiar oricum, chiar și în absența ajutorului, |
|
— |
informații privind ordinea în care se vor desfășura cursurile de formare, |
|
— |
informații privind costurile legate de atragerea angajaților deja calificați, |
|
— |
informații privind piața forței de muncă pentru producția de automobile la nivel național și european, în special privind disponibilitatea lucrătorilor calificați, |
|
— |
informații privind normele interne de siguranță și securitate la nivel național, european și în cadrul Ford. |
Se solicită României să transmită, fără întârziere, o copie a prezentei scrisori potențialului beneficiar al ajutorului.
Comisia dorește să reamintească României că articolul 88 alineatul (3) din Tratatul CE are efect de suspendare și vă atrage atenția asupra articolului 14 din Regulamentul (CE) nr. 659/1999 al Consiliului, care prevede că orice ajutor ilegal poate fi recuperat de la beneficiar.
Comisia avertizează România că va informa părțile interesate prin publicarea prezentei scrisori, precum și a unui rezumat relevant al ei în Jurnalul Oficial al Uniunii Europene. Comisia va informa, de asemenea, Autoritatea AELS de Supraveghere trimițându-i o copie a acestei scrisori. Toate părțile interesate vor fi invitate să-și prezinte observațiile în termen de o lună de la data acestei publicări.”
(1) Decizia Comisiei din 27 februarie 2008 prind Ajutorul de Stat C 46/07, Privatizarea societății Automobile Craiova, România, nepublicată încă.
(2) Decizia Comisiei din 30 aprilie 2008 prind Ajutorul de Stat N 767/07, Ajutor regional pentru investiții în favoarea Ford Craiova, nepublicată încă.
(3) Termenii «formare generală» și «formare specifică» sunt folosiți conform definiției de la articolul 38 din Regulamentul (CE) nr. 800/2008 al Comisiei din 6 august 2008 de declarare a anumitor categorii de ajutoare compatibile cu piața comună în aplicarea articolelor 87 și 88 din tratat (Regulamentul general de exceptare pe categorii de ajutoare) (JO L 214, 9.8.2008, p. 3).
(4) Informații confidențiale.
(5) În cadrul privatizării ACSA și DWAR, agenția română de privatizare AVAS a impus cumpărătorului obligația de a păstra forța de muncă de 3 900 de salariați pentru o perioada de patru ani după achiziționare. Această obligație a fost inclusă în contractul ulterior de cumpărare a acțiunilor, anexa 1 la notificare.
(6) JO L 10, 13.1.2001, p. 20.
(7) JO L 63, 28.2.2004, p. 20.
(8) JO L 368, 23.12.2006, p. 85.
(9) A se vedea nota de subsol 3.
(10) A se vedea articolele 1 alineatul (5) și 2 alineatul (3) din Regulamentul general de exceptare pe categorii de ajutoare.
(11) A se vedea Decizia Comisiei din 4 iulie 2006 privind Ajutorul de Stat C 40/05, Ford Genk (JO L 366, 21.12.2006, p. 32); Decizia Comisiei din 4 aprilie 2007 privind Ajutorul de Stat C 14/06, General Motors Belgium (JO L 243, 18.9.2007, p. 71); Decizia Comisiei din 12 septembrie 2007 privind Ajutorul de Stat C 35/07, Volvo Cars Gent (JO C 265, 7.11.2007, p. 21).
(12) Cerința privind existența unui efect stimulativ este explicată la considerentul 28 din regulamentul general de exceptare pe categorii de ajutoare:«Pentru a se asigura că ajutorul este necesar și are un efect stimulativ cu privire la dezvoltarea de noi activități sau proiecte, prezentul regulament nu ar trebui să se aplice ajutorului destinat unor activități pe care beneficiarul ar putea să le desfășoare deja și în condițiile pieței …».
(13) A se vedea Decizia Comisiei din 2 iulie 2008 privind Ajutorul de Stat C 18/07, DHL Leipzig-Halle, nepublicată încă; Deciziile Comisiei General Motors Belgium și Ford Genk.
(14) În contextul ajutoarelor pentru formare, considerentul 62 din Regulamentul general de exceptare pe categorii de ajutoare precizează că «Formarea are, de obicei, efecte externe pozitive pentru societate în ansamblul său, ca urmare a faptului că mărește rezerva de lucrători calificați din rândul cărora pot face recrutări alte societăți, îmbunătățește competitivitatea economiei comunitare și joacă un rol important în cadrul strategiei comunitare de ocupare a forței de muncă … Având în vedere faptul că întreprinderile din cadrul Comunității investesc în general insuficient în formarea lucrătorilor lor, în special atunci când formarea respectivă are un caracter general și nu prezintă avantaje imediate și concrete pentru întreprinderea în cauză, ajutorul de stat poate contribui la remedierea acestei disfuncționalități a pieței. Prin urmare, aceste ajutoare ar trebui exceptate, în anumite condiții, de la obligația notificării prealabile.».
(15) A se vedea considerentele 2 și 3 din Orientările privind ajutorul regional pentru perioada 2007-2013:
|
«2. |
Pentru că are în vedere depășirea handicapurilor regiunilor defavorizate, ajutoarele de stat regionale promovează coeziunea economică, socială și teritorială a statelor membre și a Uniunii Europene în ansamblul său. Această caracteristică geografică deosebește ajutoarele regionale de alte forme de ajutoare orizontale, cum ar fi ajutoarele pentru cercetare, dezvoltare și inovare, ocuparea forței de muncă, formare sau protecție a mediului, care urmăresc alte obiective de interes comun în conformitate cu articolul 87 alineatul (3) din tratat, chiar dacă uneori nivelurile acestora sunt mai mari în zonele defavorizate datorită dificultăților specifice cu care se confruntă. |
|
3. |
Ajutoarele de stat regionale pentru investiții sunt destinate susținerii dezvoltării celor mai defavorizate regiuni prin sprijinirea investițiilor și a creării de noi locuri de muncă. Acestea favorizează extinderea și diversificarea activităților economice ale întreprinderilor situate în regiunile cele mai puțin favorizate, în special prin încurajarea întreprinderilor să înființeze noi sedii secundare în aceste regiuni.». |
(16) A se vedea decizia Comisiei DHL Leipzig-Halle.
(17) Tribunalul de prima instanță, 13 septembrie 1995, TWD/Comisie, T-244/93 și T-486/93, REC., I-2265; Curtea de justiție, 15 mai 1997, TWD/Comisie, C-355/95, Rec. I-2549.
|
25.10.2008 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 270/s3 |
BERICHT AAN DE LEZER
De instellingen hebben besloten in hun teksten niet langer te verwijzen naar de laatste wijziging van de aangehaalde besluiten.
Tenzij anders vermeld, zijn de besluiten waarnaar in de hierin gepubliceerde teksten wordt verwezen, de besluiten zoals die momenteel van kracht zijn.