ISSN 1725-2474

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 223

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

51e jaargang
30 augustus 2008


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

IV   Informatie

 

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN EN ORGANEN VAN DE EUROPESE UNIE

 

Hof van Justitie

2008/C 223/01

Laatste publicatie van het Hof van Justitie in het Publicatieblad van de Europese Unie
PB C 209 van 15.8.2008

1

 

V   Bekendmakingen

 

GERECHTELIJKE PROCEDURES

 

Hof van Justitie

2008/C 223/02

Zaak C-51/05 P: Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 17 juli 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Cantina sociale di Dolianova Soc. coop. arl, Cantina Trexenta Soc. coop. arl, Cantina sociale Marmilla — Unione viticoltori associati Soc. coop. arl, Cantina sociale S. Maria La Palma Soc. coop. arl, Cantina sociale del Vermentino Soc. coop. arl Monti-Sassari (Hogere voorziening — Gemeenschappelijke ordening van wijnmarkt — Distillatiesteun — Beroep tot schadevergoeding — Niet-contractuele aansprakelijkheid van Gemeenschap — Verjaringstermijn — Aanvang)

2

2008/C 223/03

Zaak C-371/05: Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 17 juli 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Italiaanse Republiek (Niet-nakoming — Richtlijn 92/50/EEG — Artikelen 11 en 15, lid 2 — Overheidsopdrachten voor dienstverlening — Gunning van informaticadiensten van gemeente Mantua (Italië) — Rechtstreekse gunning zonder voorafgaande bekendmaking van aankondiging van opdracht)

3

2008/C 223/04

Zaak C-389/05: Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 17 juli 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Franse Republiek (Niet-nakoming — Artikelen 43 EG en 49 EG — Vrijheid van vestiging en vrijheid van dienstverrichting — Veterinairrechtelijke voorschriften — Centrum voor kunstmatige inseminatie van runderen — Nationale regeling op grond waarvan aan erkende centra uitsluitend recht wordt verleend om in bepaald rayon dienst van kunstmatige inseminatie van runderen te verrichten en waarbij afgifte van erkenning als inseminator afhankelijk wordt gesteld van sluiting van overeenkomst met een van deze centra)

3

2008/C 223/05

Zaak C-132/06: Arrest van het Hof (Grote kamer) van 17 juli 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Italiaanse Republiek (Niet-nakoming — Artikel 10 EG — Zesde btw-richtlijn — Verplichtingen in binnenlands verkeer — Controle van belastbare handelingen — Kwijtschelding)

4

2008/C 223/06

Zaak C-206/06: Arrest van het Hof (Derde kamer) van 17 juli 2008 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Rechtbank Groningen — Nederland) — Essent Netwerk Noord BV, Nederlands Elektriciteit Administratiekantoor BV, Aluminium Delfzijl BV/Aluminium Delfzijl BV, Staat der Nederlanden, Nederlands Elektriciteit Administratiekantoor BV, Saranne BV (Interne markt voor elektriciteit — Nationale regeling volgens welke op tarief ter zake van transport van elektriciteit toeslag mag worden geheven ten behoeve van bij wet aangewezen vennootschap die gehouden is tot betaling van gestrande kosten — Heffingen van gelijke werking als douanerechten — Discriminerende binnenlandse belastingen — Steunmaatregelen van lidstaten)

4

2008/C 223/07

Zaak C-207/06: Arrest van het Hof (Derde kamer) van 17 juli 2008 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Unabhängige Finanzsenat Salzburg-Aigen — Oostenrijk) — Schwaninger Martin Viehhandel — Viehexport/Zollamt Salzburg, Erstattungen (Verordening (EG) nr. 615/98 — Restituties bij uitvoer — Welzijn van levende runderen tijdens vervoer ervan — Richtlijn 91/628/EEG — Toepasbaarheid van voorschriften inzake bescherming van dieren tijdens vervoer — Voorschriften betreffende reis- en rusttijden alsmede betreffende zeevervoer van runderen naar plaats buiten Gemeenschap — Voederen en drenken van dieren tijdens vervoer)

5

2008/C 223/08

Zaak C-303/06: Arrest van het Hof (Grote kamer) van 17 juli 2008 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Employment Tribunal, London South — Verenigd Koninkrijk) — S. Coleman/Attridge Law, Steve Law (Sociaal beleid — Richtlijn 2000/78/EG — Gelijke behandeling in arbeid en beroep — Artikelen 1, 2, leden 1, 2, sub a, en 3, en 3, lid 1, sub c — Rechtstreekse discriminatie op grond van handicap — Intimidatie in verband met handicap — Ontslag van werknemer die zelf geen handicap heeft maar wiens kind gehandicapt is — Daaronder begrepen — Bewijslast)

6

2008/C 223/09

Zaak C-347/06: Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 17 juli 2008 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunale Amministrativo Regionale per la Lombardia — Italië) — ASM Brescia SpA/Comune di Rodengo Saiano (Artikelen 43 EG, 49 EG en 86 EG — Openbaredienstconcessies voor gasdistributie — Richtlijn 2003/55 — Vervroegde beëindiging bij de afloop van overgangsperiode — Vertrouwensbeginsel en rechtszekerheidsbeginsel)

7

2008/C 223/10

Zaak C-413/06 P: Arrest van het Hof (Grote kamer) van 10 juli 2008 — Bertelsmann AG, Sony Corporation of America/Commissie van de Europese Gemeenschappen, Independent Music Publishers and Labels Association (Impala, internationale vereniging), Sony BMG Music Entertainment BV (Hogere voorziening — Mededinging — Controle op concentraties van ondernemingen — Gemeenschappelijke onderneming Sony BMG — Beroep tegen nietigverklaring van beschikking van de Commissie waarbij concentratie verenigbaar met gemeenschappelijke markt wordt verklaard — Rechterlijke toetsing — Omvang — Bewijsvereisten — Rol van mededeling van de punten van bezwaar — Versterking of ontstaan van collectieve machtspositie — Motivering van beschikkingen tot goedkeuring van concentratie — Gebruik van vertrouwelijke informatie)

7

2008/C 223/11

Zaak C-448/06: Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 17 juli 2008 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Verwaltungsgericht Köln — Duitsland) — cp-Pharma Handels GmbH/Bondsrepubliek Duitsland (Prejudiciële verwijzing — Geldigheid van verordening (EG) nr. 1873/2003 — Geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik — Verordening (EEG) nr. 2377/90 — Maximumwaarden voor residuen van geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik in levensmiddelen van dierlijke oorsprong — Progesteron — Beperking van gebruik — Richtlijn 96/22/EG)

8

2008/C 223/12

Zaak C-484/06: Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 10 juli 2008 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden) — Fiscale eenheid Koninklijke Ahold NV/Staatssecretaris van Financiën (Verzoek om prejudiciële beslissing — Eerste en Zesde btw-richtlijn — Beginsel van fiscale neutraliteit en evenredigheidsbeginsel — Regels inzake afronding van btw-bedragen — Afronding per artikel naar beneden)

9

2008/C 223/13

Zaak C-488/06 P: Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 17 juli 2008 — L & D SA/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen), Julius Sämann Ltd (Hogere voorziening — Gemeenschapsmerk — Verordening (EG) nr. 40/94 — Artikelen 8, lid 1, sub b, en 73 — Beeldmerk Aire Limpio — Communautaire, nationale en internationale beeldmerken die dennenboom voorstellen en met verschillende opschriften — Oppositie door houder — Gedeeltelijke weigering tot inschrijving — Bijzonder onderscheidend vermogen van ouder merk afgeleid uit bewijsmateriaal inzake ander merk)

9

2008/C 223/14

Zaak C-500/06: Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 17 juli 2008 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Giudice di pace di Genova — Italië) — Corporación Dermoestética SA/To Me Group Advertising Media (Artikelen 3, lid 1, sub g, EG, 4 EG, 10 EG, 43 EG, 49 EG, 81 EG, 86 EG en 98 EG — Nationale wettelijke regeling die reclame voor medisch-chirurgische esthetische behandelingen verbiedt)

10

2008/C 223/15

Zaak C-521/06 P: Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 17 juli 2008 — Athinaïki Techniki AE/Commissie van de Europese Gemeenschappen, Athens Resort Casino AE Symmetochon (Hogere voorziening — Staatssteun — Door Helleense Republiek aan consortium Hyatt Regency toegekende steun — Klacht — Besluit om klacht niet verder te behandelen — Verordening (EG) nr. 659/1999 — Artikelen 4, 13 en 20 — Begrip handeling waartegen kan worden opgekomen in zin van artikel 230 EG)

10

2008/C 223/16

Zaak C-33/07: Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 10 juli 2008 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door Tribunalul Dâmbovița — Roemenië) — Ministerul Administrației și Internelor — Direcția Generală de Pașapoarte București/Gheorghe Jipa (Burgerschap van Unie — Artikel 18 EG — Richtlijn 2004/38/EG — Recht van burgers van Unie en hun familieleden om vrij te reizen en te verblijven op grondgebied van lidstaten)

11

2008/C 223/17

Zaak C-54/07: Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 10 juli 2008 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Arbeidshof te Brussel — België) — Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding/Firma Feryn NV (Richtlijn 2000/43/EG — Discriminerende selectiecriteria voor personeel — Bewijslast — Sancties)

11

2008/C 223/18

Zaak C-71/07 P: Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 17 juli 2008 — Franco Campoli/Commissie van de Europese Gemeenschappen, Raad van de Europese Unie (Hogere voorziening — Ambtenaren — Bezoldiging — Pensioen — Toepassing van aanpassingscoëfficiënt berekend op basis van gemiddelde kosten van levensonderhoud in woonland — Overgangsregeling vastgesteld bij verordening tot wijziging van Ambtenarenstatuut — Exceptie van onwettigheid)

12

2008/C 223/19

Zaak C-94/07: Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 17 juli 2008 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Arbeitsgericht Bonn — Duitsland) — Andrea Raccanelli/Max-Planck-Gesellschaft zur Förderung der Wissenschaften eV (Artikel 39 EG — Begrip werknemer — Privaatrechtelijke organisatie van algemeen nut — Beurs voor promovendus — Arbeidsovereenkomst — Voorwaarden)

12

2008/C 223/20

Gevoegde zaken C-152/07 — C-154/07: Arrest van het Hof (Grote kamer) van 17 juli 2008 (verzoeken om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesverwaltungsgericht — Duitsland) — Arcor AG & Co. KG (C-152/07), Communication Services TELE2 GmbH (C-153/07), Firma 01051 Telekom GmbH (C-154/07)/Bundesrepublik Deutschland (Telecommunicatiesector — Netwerken en diensten — In evenwicht brengen van tarieven — Artikel 4 quater van richtlijn 90/388/EEG — Artikel 7, lid 2, van richtlijn 97/33/EG — Artikel 12, lid 7, van richtlijn 98/61/EG — Regelgevende instantie — Rechtstreekse werking van richtlijnen — Driehoekssituatie)

13

2008/C 223/21

Zaak C-173/07: Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 10 juli 2008 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberlandesgericht Frankfurt am Main — Duitsland) — Emirates Airlines — Direktion für Deutschland/Diether Schenkel (Luchtvervoer — Verordening (EG) nr. 261/2004 — Compensatie aan luchtreizigers bij annulering van vluchten — Werkingssfeer — Artikel 3, lid 1, sub a — Begrip vlucht)

14

2008/C 223/22

Zaak C-207/07: Arrest van het Hof (Derde kamer) van 17 juli 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Koninkrijk Spanje (Niet-nakoming — Artikelen 43 EG en 56 EG — Nationale wettelijke regeling die verwerving van deelnemingen in ondernemingen die gereglementeerde activiteiten in energiesector uitoefenen, en van activa die nodig zijn voor uitoefening van die activiteiten, afhankelijk stelt van voorafgaande toestemming)

14

2008/C 223/23

Zaak C-226/07: Arrest van het Hof (Derde kamer) van 17 juli 2008 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Finanzgericht Düsseldorf — Duitsland) — Flughafen Köln/Bonn GmbH/Hauptzollamt Köln (Richtlijn 2003/96/EG — Communautaire regeling voor belasting van energieproducten en elektriciteit — Artikel 14, lid 1, sub a — Vrijstelling voor energieproducten gebruikt voor opwekking van elektriciteit — Mogelijkheid om uit milieubeleidsoverwegingen belasting te heffen — Rechtstreekse werking van vrijstelling)

15

2008/C 223/24

Zaak C-307/07: Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 10 juli 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Portugese Republiek (Niet-nakoming — Richtlijn 89/48/EEG — Erkenning van hoger-onderwijsdiploma's waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten — Niet-erkenning van diploma's die toegang geven tot beroep van apotheker in medische biologie — Niet-uitvoering)

15

2008/C 223/25

Zaak C-311/07: Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 17 juli 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Republiek Oostenrijk (Niet-nakoming — Richtlijn 89/105/EEG — Opneming van geneesmiddelen voor menselijk gebruik in nationale stelsels van gezondheidszorg — Artikel 6, punt 1 — Lijst van onder nationaal stelsel van gezondheidszorg vallende geneesmiddelen, met drie categorieën die verschillen naargelang van voorwaarden voor vergoeding — Termijn voor vaststelling van besluit over verzoek om opneming van geneesmiddel in categorieën van die lijst die gunstigste voorwaarden voor vergoeding bieden)

16

2008/C 223/26

Zaak C-426/07: Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 17 juli 2008 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Wojewódzki Sąd Administracyjny w Białymstoku — Republiek Polen) — Dariusz Krawczyński/Dyrektor Izby Celnej w Białymstoku (Binnenlandse belastingen — Belastingen over personenwagens — Accijns — Tweedehandsvoertuigen — Invoer)

16

2008/C 223/27

Zaak C-510/07: Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 17 juli 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Koninkrijk België (Niet-nakoming — Richtlijn 68/414/EEG — Artikel 1, lid 1 — Verplichting om minimumvoorraden aardolieproducten permanent in opslag te houden — Schending)

17

2008/C 223/28

Zaak C-543/07: Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 17 juli 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Koninkrijk België (Niet-nakoming — Richtlijn 2002/73/EG — Gelijke behandeling van mannen en vrouwen — Toegang tot arbeidsproces — Beroepsopleiding en promotiekansen — Arbeidsvoorwaarden — Niet-uitvoering binnen gestelde termijn)

18

2008/C 223/29

Zaak C-66/08: Arrest van het Hof (Grote kamer) van 17 juli 2008 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberlandesgericht Stuttgart — Duitsland) — In de procedure betreffende de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd/Szymon Kozłowski (Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken — Kaderbesluit 2002/584/JBZ — Europees aanhoudingsbevel en procedures van overlevering tussen lidstaten — Artikel 4, punt 6 — Grond tot facultatieve weigering van tenuitvoerlegging — Uitlegging van begrippen ingezetene van en verblijven in uitvoerende lidstaat)

18

2008/C 223/30

Zaak C-195/08 PPU: Arrest van het Hof (Derde kamer) van 11 juli 2008 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Lietuvos Aukščiausiasis Teismas — Republiek Litouwen) — Procedure ingeleid door Inga Rinau (Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken — Rechterlijke bevoegdheid en tenuitvoerlegging van beslissingen — Tenuitvoerlegging in huwelijkszaken en inzake ouderlijke verantwoordelijkheid — Verordening (EG) nr. 2201/2003 — Verzoek om niet-erkenning van beslissing inhoudende terugkeer van kind dat ongeoorloofd wordt vastgehouden in andere lidstaat — Prejudiciële spoedprocedure)

19

2008/C 223/31

Zaak C-214/08 P: Hogere voorziening ingesteld op 22 mei 2008 door Philippe Guigard tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Derde kamer) van 11 maart 2008 in zaak T-301/05, Guigard/Commissie

19

2008/C 223/32

Zaak C-227/08: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Audiencia Provincial de Salamanca (Spanje) op 26 mei 2008 — Eva Martín Martín/EDP Editores, S.L. en Juan Caballo Bueno

20

2008/C 223/33

Zaak C-229/08: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Verwaltungsgericht Frankfurt am Main (Duitsland) op 28 mei 2008 — Colin Wolf/Stadt Frankfurt am Main

21

2008/C 223/34

Zaak C-231/08 P: Hogere voorziening ingesteld op 29 mei 2008 door Massimo Giannini tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Derde kamer) van 12 maart 2008 in zaak T-100/04 (Massimo Giannini/Commissie)

22

2008/C 223/35

Zaak C-235/08: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Landesgericht Ried im Innkreis (Oostenrijk) op 2 juni 2008 — Strafzaak tegen Roland Langer

23

2008/C 223/36

Zaak C-242/08: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesfinanzhof (Duitsland) op 4 juni 2008 — Swiss Re Germany Holding GmbH/Finanzamt München für Körperschaften

23

2008/C 223/37

Zaak C-247/08: Verzoek om een prejudiciële beslissing van het Finanzgericht Köln (Duitsland) van 9 juni 2008 — Gaz de France — Berliner Investissement SA/Bundeszentralamt für Steuern

24

2008/C 223/38

Zaak C-250/08: Beroep ingesteld op 10 juni 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Koninkrijk België

25

2008/C 223/39

Zaak C-253/08: Beroep ingesteld op 13 juni 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Portugese Republiek

25

2008/C 223/40

Zaak C-255/08: Beroep ingesteld op 13 juni 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Koninkrijk der Nederlanden

26

2008/C 223/41

Zaak C-258/08: Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden op 18 juni 2008 — Ladbrokes Betting & Gaming Ltd. en Ladbrokes International Ltd. tegen Stichting de Nationale Sporttotalisator

26

2008/C 223/42

Zaak C-268/08 P: Hogere voorziening ingesteld op 24 juni 2008 door Christos Michail tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Eerste kamer) van 16 april 2008 in zaak T-486/04, Michail/Commissie

27

2008/C 223/43

Zaak C-271/08: Beroep ingesteld op 24 juni 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Bondsrepubliek Duitsland

27

2008/C 223/44

Zaak C-275/08: Beroep ingesteld op 24 juni 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Bondsrepubliek Duitsland

28

2008/C 223/45

Zaak C-277/08: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Juzgado de lo Social no 23 de Madrid (Spanje) op 26 juni 2008 — Francisco Vicente Pereda/Madrid Movilidad, S.A.

29

2008/C 223/46

Zaak C-278/08: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberste Gerichtshof (Oostenrijk) op 26 juni 2008 — Die Bergspechte Outdoor Reisen und Alpinschule Edi Koblmüller GmbH/Günter Guni en trekking.at Reisen GmbH

30

2008/C 223/47

Zaak C-279/08 P: Hogere voorziening ingesteld op 25 juni 2008 door de Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Vijfde kamer — Uitgebreid) van 10 april 2008 in zaak T-233/04, Koninkrijk der Nederlanden, ondersteund door Bondsrepubliek Duitsland tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen

30

2008/C 223/48

Zaak C-280/08 P: Hogere voorziening ingesteld op 26 juni 2008 door Deutsche Telekom AG tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Vijfde kamer — Uitgebreid) van 10 april 2008 in zaak T-271/03, Deutsche Telekom/Commissie

31

2008/C 223/49

Zaak C-283/08: Beroep ingesteld op 27 juni 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Koninkrijk der Nederlanden

32

2008/C 223/50

Zaak C-284/08: Beroep ingesteld op 27 juni 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland

32

2008/C 223/51

Zaak C-286/08: Beroep ingesteld op 30 juni 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Helleense Republiek

33

2008/C 223/52

Zaak C-289/08: Beroep ingesteld op 1 juli 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Groothertogdom Luxemburg

33

2008/C 223/53

Zaak C-293/08: Beroep ingesteld op 2 juli 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Republiek Finland

34

2008/C 223/54

Zaak C-296/08: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Cour d'appel de Montpellier (Frankrijk) op 3 juli 2008 — Ministère public/Ignacio Pédro Santesteban Goicoechea

34

2008/C 223/55

Zaak C-297/08: Beroep ingesteld op 3 juli 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Italiaanse Republiek

35

2008/C 223/56

Zaak C-298/08: Beroep ingesteld op 3 juli 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Helleense Republiek

35

2008/C 223/57

Zaak C-300/08 P: Hogere voorziening ingesteld op 7 juli 2008 door Leche Celta, SL tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Derde kamer) van 23 april 2008 in zaak T-35/07, Leche Celta/BHIM

36

2008/C 223/58

Zaak C-306/08: Beroep ingesteld op 9 juli 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Koninkrijk Spanje

36

2008/C 223/59

Zaak C-308/08: Beroep ingesteld op 10 juli 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Koninkrijk Spanje

37

2008/C 223/60

Zaak C-312/08: Beroep ingesteld op 14 juli 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland

37

2008/C 223/61

Zaak C-313/08: Beroep ingesteld op 14 juli 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Italiaanse Republiek

37

2008/C 223/62

Zaak C-321/08: Beroep ingesteld op 15 juli 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Koninkrijk Spanje

38

2008/C 223/63

Zaak C-322/08: Beroep ingesteld op 15 juli 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Koninkrijk Zweden

38

2008/C 223/64

Zaak C-326/08: Beroep ingesteld op 16 juli 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Bondsrepubliek Duitsland

38

2008/C 223/65

Zaak C-334/08: Beroep ingesteld op 18 juli 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Italiaanse Republiek

39

2008/C 223/66

Zaak C-332/07: Beschikking van de president van het Hof van 30 april 2008 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Verwaltungsgerichtshof — Oostenrijk) — Josef Holzinger/Bundesministerin für Bildung, Wissenschaft und Kultur

39

 

Gerecht van eerste aanleg

2008/C 223/67

Gevoegde zaken T-433/03, T-434/03, T-367/04 en T-244/05: Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 26 juni 2008 — Gibtelecom/Commissie (Mededinging — Telecommunicatie — Besluiten waarbij op artikel 86 EG gebaseerde klachten ad acta worden gelegd — Ontbreken van standpuntbepaling van Commissie over op artikel 86 EG gebaseerde klachten — Beroep tot nietigverklaring — Beroep wegens nalaten — Geding tijdens procedure zonder voorwerp geraakt — Afdoening zonder beslissing)

40

2008/C 223/68

Zaak T-322/06: Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 14 juli 2008 — Espinosa Labella e.a./Commissie (Beroep tot nietigverklaring — Richtlijn 92/43/EEG — Instandhouding van natuurlijke habitats en van wilde flora en fauna — Beschikking 2006/613/EG — Lijst van gebieden van communautair belang voor mediterrane biogeografische regio — Handeling waartegen kan worden opgekomen — Niet rechtstreeks geraakt — Niet-ontvankelijkheid)

40

2008/C 223/69

Zaak T-323/06: Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 14 juli 2008 — Fresyga/Commissie (Beroep tot nietigverklaring — Richtlijn 92/43/EEG — Instandhouding van natuurlijke habitats en van wilde flora en fauna — Beschikking 2006/613/EG — Lijst van gebieden van communautair belang voor mediterrane biogeografische regio — Handeling waartegen kan worden opgekomen — Niet rechtstreeks geraakt — Niet-ontvankelijkheid)

41

2008/C 223/70

Zaak T-345/06: Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 14 juli 2008 — Complejo Agrícola/Commissie (Beroep tot nietigverklaring — Richtlijn 92/43/EEG — Instandhouding van natuurlijke habitats en wilde flora en fauna — Beschikking 2006/613/EG — Lijst van gebieden van communautair belang voor mediterrane biogeografische regio — Handeling die vatbaar is voor beroep — Niet rechtstreeks geraakt — Niet-ontvankelijkheid)

41

2008/C 223/71

Zaak T-358/06: Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 4 juli 2008 — Wegenbouwmaatschappij J. Heijmans/Commissie (Beroep tot nietigverklaring — Beschikking tot vaststelling van inbreuk op artikel 81 EG — Beroep ingesteld door onderneming die wordt vermeld in motivering van beschikking die niet tot haar is gericht — Geen procesbelang — Niet-ontvankelijkheid)

42

2008/C 223/72

Zaak T-366/06: Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 14 juli 2008 — Calebus/Commissie (Beroep tot nietigverklaring — Richtlijn 92/43/EEG — Instandhouding van natuurlijke habitats en wilde flora en fauna — Beschikking 2006/613/EG — Lijst van gebieden van communautair belang voor mediterrane biogeografische regio — Handeling die vatbaar is voor beroep — Niet rechtstreeks geraakt — Niet-ontvankelijkheid)

42

2008/C 223/73

Zaak T-12/07: Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 2 juli 2008 — Polimeri Europa/Commissie (Afdoening zonder beslissing)

43

2008/C 223/74

Zaak T-30/07: Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 27 juni 2008 — Denka International/Commissie (Beroep tot nietigverklaring — Richtlijn 2006/92/EG — Maximumgehalten aan residuen van dichloorvos — Niet individueel geraakt — Niet-ontvankelijkheid)

43

2008/C 223/75

Gevoegde zaken T-354/07 — T-356/07: Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 26 juni 2008 — Pfizer/BHIM — Isdin (FOTOPROTECTOR ISDIN) (Gemeenschapsmerk — Vordering tot nietigverklaring — Verval — Afdoening zonder beslissing)

43

2008/C 223/76

Zaak T-451/07: Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 11 juli 2008 — WellBiz/BHIM — Wild (WELLBIZ) (Gemeenschapsmerk — Oppositie — Intrekking van oppositie — Afdoening zonder beslissing)

44

2008/C 223/77

Zaak T-9/08: Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 25 juni 2008 — Volkswagen/BHIM (Silhouet van wagen met koplampen) (Gemeenschapsmerk — Afstand van nationale inschrijving — Afdoening zonder beslissing)

44

2008/C 223/78

Zaak T-208/08: Beroep ingesteld op 4 juni 2008 — Gosselin Word Wide Moving/Commissie

45

2008/C 223/79

Zaak T-221/08: Beroep ingesteld op 6 juni 2008 — Strack/Commissie

45

2008/C 223/80

Zaak T-222/08: Beroep ingesteld op 9 juni 2008 — Sanatur/BHIM — Sektkellerei Schloss Wachenheim (life light)

46

2008/C 223/81

Zaak T-223/08: Beroep ingesteld op 12 juni 2008 — Iranian Tobacco/BHIM — AD Bulgartabac (Bahman)

46

2008/C 223/82

Zaak T-225/08: Beroep ingesteld op 13 juni 2008 — Mineralbrunnen Rhön-Sprudel Egon Schindel/BHIM — Schwarzbräu (ALASKA)

47

2008/C 223/83

Zaak T-226/08: Beroep ingesteld op 13 juni 2008 — Mineralbrunnen Rhön-Sprudel Egon Schindel/BHIM — Schwarzbräu (Alaska)

47

2008/C 223/84

Zaak T-230/08: Beroep ingesteld op 17 juni 2008 — Asenbaum Fine Arts/BHIM (WIENER WERKSTÄTTE)

48

2008/C 223/85

Zaak T-231/08: Beroep ingesteld op 17 juni 2008 — Asenbaum Fine Arts/BHIM (WIENER WERKSTÄTTE)

49

2008/C 223/86

Zaak T-233/08: Beroep ingesteld op 16 juni 2008 — MPDV Mikrolab/BHIM (ROI ANALYZER)

49

2008/C 223/87

Zaak T-236/08: Beroep ingesteld op 16 juni 2008 — HPA/Commissie

49

2008/C 223/88

Zaak T-238/08: Beroep ingesteld op 19 juni 2008 — Commissie/Commune de Valbonne

50

2008/C 223/89

Zaak T-244/08: Beroep ingesteld op 23 juni 2008 — Konsum Nord/Commissie

51

2008/C 223/90

Zaak T-245/08: Beroep ingesteld op 20 juni 2008 — Iranian Tobacco/BHIM — AD Bulgartabac (TIR 20 FILTER CIGARETTES)

51

2008/C 223/91

Zaak T-248/08 P: Hogere voorziening ingesteld op 23 juni 2008 door Frantisek Doktor tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 16 april 2008 in zaak F-73/07, Doktor/Raad

52

2008/C 223/92

Zaak T-251/08: Beroep ingesteld op 26 juni 2008 — Vion/BHIM (PASSION FOR BETTER FOOD)

52

2008/C 223/93

Zaak T-254/08: Beroep ingesteld op 26 juni 2008 — Associazione Giullemanidallajuve/Commissie

53

2008/C 223/94

Zaak T-257/08: Beroep ingesteld op 30 juni 2008 — Biotronik/BHIM (BioMonitor)

53

2008/C 223/95

Zaak T-258/08: Beroep ingesteld op 30 juni 2008 — Rath/BHIM — Portela & Ca. (DIACOR)

54

2008/C 223/96

Zaak T-260/08: Beroep ingesteld op 3 juli 2008 — Indo Internacional/BHIM — Visual (VISUAL MAP)

54

2008/C 223/97

Zaak T-262/08: Beroep ingesteld op 8 juli 2008 — Canon Communications/BHIM — Messe Düsseldorf (MEDTEC)

55

2008/C 223/98

Zaak T-263/08: Beroep ingesteld op 7 juli 2008 — Becker Flugfunkwerk/BHIM — Harman Becker Automotive Systems (BECKER AVIONIC SYSTEMS)

55

2008/C 223/99

Zaak T-265/08: Beroep ingesteld op 4 juli 2008 — Duitsland/Commissie

56

2008/C 223/00

Zaak T-274/08: Beroep ingesteld op 11 juli 2008 — Italiaanse Republiek/Commissie

57

2008/C 223/01

Zaak T-275/08: Beroep ingesteld op 11 juli 2008 — Italiaanse Republiek/Commissie

57

2008/C 223/02

Zaak T-492/04: Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 10 juli 2008 — Jungbunzlauer e.a./Commissie

58

2008/C 223/03

Zaak T-67/06: Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 10 juli 2008 — Elini/BHIM — Rolex (Elini)

58

2008/C 223/04

Zaak T-237/07: Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 9 juli 2008 — CityLine Hungary/ Commissie

58

2008/C 223/05

Zaak T-87/08: Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 16 juni 2008 — Cyprus/Commissie

58

2008/C 223/06

Zaak T-88/08: Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 16 juni 2008 — Cyprus/Commissie

58

2008/C 223/07

Zaak T-91/08: Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 16 juni 2008 — Cyprus/Commissie

58

2008/C 223/08

Zaak T-92/08: Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 16 juni 2008 — Cyprus/Commissie

59

2008/C 223/09

Zaak T-93/08: Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 16 juni 2008 — Cyprus/Commissie

59

2008/C 223/10

Zaak T-119/08: Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 16 juni 2008 — Cyprus/Commissie

59

2008/C 223/11

Zaak T-122/08: Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 16 juni 2008 — Cyprus/Commissie

59

 

Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie

2008/C 223/12

Zaak F-60/05: Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Tweede kamer) van 21 februari 2008 — Vande Velde/Commissie (Openbare dienst — Arbeidscontractant — Te late indiening van klacht — Beroep kennelijk niet-ontvankelijk)

60

2008/C 223/13

Zaak F-63/05: Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Tweede kamer) van 21 februari 2008 — Arana de la Cal/Commissie (Openbare dienst — Arbeidscontractant — Te late indiening van klacht — Beroep kennelijk niet-ontvankelijk)

60

2008/C 223/14

Zaak F-123/06: Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Tweede kamer) van 5 juni 2008 — Timmer/Rekenkamer (Openbare dienst — Ambtenaren — Beoordeling — Klachttermijn — Nieuw feit — Niet-ontvankelijkheid)

61

2008/C 223/15

Zaak F-78/07: Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Tweede kamer) van 21 april 2008 — Boudova e.a./Commissie (Openbare dienst — Ambtenaren — Aanstelling — Indeling in rang — Hulpfunctionarissen die als ambtenaar worden aangesteld — Vergelijkende onderzoeken bekendgemaakt voor inwerkingtreding van nieuwe Statuut — Bezwarend besluit — Ontvankelijkheid van beroep)

61

2008/C 223/16

Zaak F-108/07: Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Tweede kamer) van 26 juni 2008 — Nijs/Rekenkamer (Openbare dienst — Ambtenaren — Artikel 44, lid 1, sub c), van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van eerste aanleg — Summiere uiteenzetting van middelen in verzoekschrift — Ontbreken van voorafgaande klacht — Kennelijke niet-ontvankelijkheid)

61

2008/C 223/17

Zaak F-136/07: Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Tweede kamer) van 26 juni 2008 — Nijs/Rekenkamer (Openbare dienst — Ambtenaren — Voorafgaande klacht — Geen — Klachttermijn — Te late indiening — Kennelijke niet-ontvankelijkheid)

62

2008/C 223/18

Zaak F-54/08: Beroep ingesteld op 29 mei 2008 — Bernard/Europol

62

2008/C 223/19

Zaak F-59/08: Beroep ingesteld op 30 juni 2008 — Klug/Europees Geneesmiddelenbureau

62

2008/C 223/20

Zaak F-60/08: Beroep ingesteld op 25 juni 2008 — Z/Commissie

63

2008/C 223/21

Zaak F-62/05: Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Tweede kamer) van 13 februari 2008 — Ghem/Commissie

63

2008/C 223/22

Zaak F-64/07: Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Tweede kamer) van 2 april 2008 — S/Parlement

63

2008/C 223/23

Zaak F-68/07: Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Tweede kamer) van 6 maart 2008 — Gering/Europol

63

NL

 


IV Informatie

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN EN ORGANEN VAN DE EUROPESE UNIE

Hof van Justitie

30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/1


(2008/C 223/01)

Laatste publicatie van het Hof van Justitie in het Publicatieblad van de Europese Unie

PB C 209 van 15.8.2008

Historisch overzicht van de vroegere publicaties

PB C 197 van 2.8.2008

PB C 183 van 19.7.2008

PB C 171 van 5.7.2008

PB C 158 van 21.6.2008

PB C 142 van 7.6.2008

PB C 128 van 24.5.2008

Deze teksten zijn beschikbaar in:

 

EUR-Lex: http://eur-lex.europa.eu


V Bekendmakingen

GERECHTELIJKE PROCEDURES

Hof van Justitie

30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/2


Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 17 juli 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Cantina sociale di Dolianova Soc. coop. arl, Cantina Trexenta Soc. coop. arl, Cantina sociale Marmilla — Unione viticoltori associati Soc. coop. arl, Cantina sociale S. Maria La Palma Soc. coop. arl, Cantina sociale del Vermentino Soc. coop. arl Monti-Sassari

(Zaak C-51/05 P) (1)

(Hogere voorziening - Gemeenschappelijke ordening van wijnmarkt - Distillatiesteun - Beroep tot schadevergoeding - Niet-contractuele aansprakelijkheid van Gemeenschap - Verjaringstermijn - Aanvang)

(2008/C 223/02)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Rekwirante: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: C. Cattabriga en L. Visaggio, gemachtigden)

Andere partijen in de procedure: Cantina sociale di Dolianova Soc. coop. arl, Cantina Trexenta Soc. coop. arl, Cantina sociale Marmilla — Unione viticoltori associati Soc. coop. arl, Cantina sociale S. Maria La Palma Soc. coop. arl, Cantina sociale del Vermentino Soc. coop. arl Monti-Sassari (vertegenwoordigers: C. Dore en G. Dore, avvocati)

Voorwerp

Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Tweede kamer) van 23 november 2004, Cantina sociale di Dolianova e.a./Commissie (T-166/98), waarbij het Gerecht de Commissie heeft veroordeeld tot vergoeding van de schade die rekwiranten hadden geleden ten gevolge van besluit nr. VI B-I-3 M 4/97PVP van 31 juli 1998 houdende afwijzing van hun verzoek betreffende de betaling van steun voor de distillatie voor het wijnoogstjaar 1982/1983

Dictum

1)

Het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 23 november 2004, Cantina sociale di Dolianova e.a./Commissie (T-166/98), wordt vernietigd voor zover daarbij de vordering inzake niet-contractuele aansprakelijkheid die is ingesteld door Cantina sociale di Dolianova Soc. coop. arl, Cantina Trexenta Soc. coop. arl, Cantina sociale Marmilla — Unione viticoltori associati Soc. coop. arl, Cantina sociale S. Maria La Palma Soc. coop. arl en Cantina sociale del Vermentino Soc. coop. arl Monti-Sassari, ontvankelijk is verklaard en de Commissie van de Europese Gemeenschappen is veroordeeld tot vergoeding van de schade die deze na het faillissement van Distilleria Agricola Industriale de Terralba hebben geleden als gevolg van het ontbreken van een mechanisme dat onder het stelsel van artikel 9 van verordening (EEG) nr. 2499/82 van de Commissie van 15 september 1982 tot vaststelling van de bepalingen inzake de preventieve distillatie voor het wijnoogstjaar 1982/1983, kan garanderen dat de bij deze verordening ingestelde communautaire steun wordt uitgekeerd aan de betrokken producenten.

2)

Het beroep in zaak T-166/98 wordt verworpen.

3)

Cantina sociale di Dolianova Soc. coop. arl, Cantina Trexenta Soc. coop. arl, Cantina sociale Marmilla — Unione viticoltori associati Soc. coop. arl, Cantina sociale S. Maria La Palma Soc. coop. arl en Cantina sociale del Vermentino Soc. coop. arl Monti-Sassari worden verwezen in de kosten van de onderhavige procedure en in die van de procedure voor het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen.


(1)  PB C 82 van 2.4.2005.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/3


Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 17 juli 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Italiaanse Republiek

(Zaak C-371/05) (1)

(Niet-nakoming - Richtlijn 92/50/EEG - Artikelen 11 en 15, lid 2 - Overheidsopdrachten voor dienstverlening - Gunning van informaticadiensten van gemeente Mantua (Italië) - Rechtstreekse gunning zonder voorafgaande bekendmaking van aankondiging van opdracht)

(2008/C 223/03)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: X. Lewis, C. Zadra, L. Visaggio en C. Cattabriga, gemachtigden)

Verwerende partij: Italiaanse Republiek (vertegenwoordigers: I. M. Braguglia, gemachtigde, en G. Fiengo, avvocato dello Stato)

Voorwerp

Niet-nakoming — Schending van artikelen 11 en 15, lid 2, van richtlijn 92/50/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening (PB L 209, blz. 1) — Gunning van informaticadiensten van gemeente Mantua — Rechtstreekse gunning zonder voorafgaande bekendmaking van aankondiging van opdracht

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

De Commissie van de Europese Gemeenschappen wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 10 van 14.1.2006.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/3


Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 17 juli 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Franse Republiek

(Zaak C-389/05) (1)

(Niet-nakoming - Artikelen 43 EG en 49 EG - Vrijheid van vestiging en vrijheid van dienstverrichting - Veterinairrechtelijke voorschriften - Centrum voor kunstmatige inseminatie van runderen - Nationale regeling op grond waarvan aan erkende centra uitsluitend recht wordt verleend om in bepaald rayon dienst van kunstmatige inseminatie van runderen te verrichten en waarbij afgifte van erkenning als inseminator afhankelijk wordt gesteld van sluiting van overeenkomst met een van deze centra)

(2008/C 223/04)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: A. Bordes en E. Traversa, gemachtigden)

Verwerende partij: Franse Republiek (vertegenwoordigers: G. de Bergues, A. Colomb en G. Le Bras, gemachtigden)

Voorwerp

Niet-nakoming — Schending van artikelen 43 EG en 49 EG — Uitoefening van activiteiten in verband met kunstmatige inseminatie van runderen enkel voorbehouden aan in Frankrijk erkende „inseminatiestations”

Dictum

1)

De Franse Republiek is de krachtens de artikelen 43 EG en 49 EG op haar rustende verplichtingen niet nagekomen door het recht om de dienst van kunstmatige inseminatie van runderen te verrichten, voor te behouden aan erkende centra voor kunstmatige inseminatie, die over het alleenrecht voor een bepaald geografisch gebied beschikken, en aan personen met een erkenning als inseminator die alleen wordt afgegeven wanneer een overeenkomst met een van deze centra is gesloten.

2)

De Franse Republiek wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 10 van 14.1.2006.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/4


Arrest van het Hof (Grote kamer) van 17 juli 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Italiaanse Republiek

(Zaak C-132/06) (1)

(Niet-nakoming - Artikel 10 EG - Zesde btw-richtlijn - Verplichtingen in binnenlands verkeer - Controle van belastbare handelingen - Kwijtschelding)

(2008/C 223/05)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: E. Traversa en M. Afonso, gemachtigden)

Verwerende partij: Italiaanse Republiek (vertegenwoordigers: I. Braguglia, gemachtigde, en G. De Bellis, avvocato dello Stato)

Voorwerp

Niet-nakoming — Schending van de artikelen 2 en 22 van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1) — Verplichtingen in binnenlands verkeer — Nationale wet waarbij wordt afgezien van de controle van tijdens een reeks belastbare tijdvakken verrichte belastbare handelingen

Dictum

1)

Door in de artikelen 8 en 9 van wet nr. 289 houdende bepalingen tot opstelling van de jaar- en meerjarenbegroting van de Staat (begrotingswet voor 2003) [legge n. 289, disposizioni per la formazione del bilancio annuale e pluriennale dello State (legge finanziara 2003)] van 27 december 2002 algemeen en zonder onderscheid af te zien van de controle van belastbare handelingen die zijn verricht in een aantal belastbare tijdvakken, is de Italiaanse Republiek de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 2 en 22 van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, alsmede krachtens artikel 10 EG.

2)

De Italiaanse Republiek wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 108 van 6.5.2006.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/4


Arrest van het Hof (Derde kamer) van 17 juli 2008 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Rechtbank Groningen — Nederland) — Essent Netwerk Noord BV, Nederlands Elektriciteit Administratiekantoor BV, Aluminium Delfzijl BV/Aluminium Delfzijl BV, Staat der Nederlanden, Nederlands Elektriciteit Administratiekantoor BV, Saranne BV

(Zaak C-206/06) (1)

(Interne markt voor elektriciteit - Nationale regeling volgens welke op tarief ter zake van transport van elektriciteit toeslag mag worden geheven ten behoeve van bij wet aangewezen vennootschap die gehouden is tot betaling van gestrande kosten - Heffingen van gelijke werking als douanerechten - Discriminerende binnenlandse belastingen - Steunmaatregelen van lidstaten)

(2008/C 223/06)

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Rechtbank Groningen

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Essent Netwerk Noord BV, Nederlands Elektriciteit Administratiekantoor BV, Aluminium Delfzijl BV

Verwerende partijen: Aluminium Delfzijl BV, Staat der Nederlanden, Nederlands Elektriciteit Administratiekantoor BV, Saranne BV

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Rechtbank Groningen — Uitlegging van de artikelen 25 EG, 87, lid 1, EG en 90 EG — Nationale wetgeving die een verhoging van het elektriciteitstarief vastlegt die in Nederland gevestigde afnemers gedurende een overgangsperiode zijn verschuldigd aan de netbeheerder — Verplichting voor laatstgenoemde om het bedrag van de verhoging af te dragen aan een bij wet aangewezen vennootschap van nationale elektriciteitsproducenten ter compensatie van een bepaalde som die het bedrag vertegenwoordigt van door die vennootschap voor de liberalisering van de elektriciteitsmarkt aangegane verplichtingen of gedane investeringen — Afdracht van het surplus, door die vennootschap, aan het bevoegde ministerie

Dictum

1)

Artikel 25 EG moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een wettelijke maatregel op grond waarvan binnenlandse afnemers van elektriciteit aan hun netbeheerder een tariefopslag verschuldigd zijn over de in de lidstaat geproduceerde en de ingevoerde hoeveelheden elektriciteit die te hunnen behoeve zijn getransporteerd, wanneer deze opslag door de netbeheerder moet worden afgedragen aan een daartoe door de wetgever aangewezen vennootschap en deze laatste een gezamenlijke dochteronderneming is van de vier binnenlandse elektriciteitsproductiebedrijven en voordien instond voor het beheer van de kosten van alle geproduceerde en ingevoerde elektriciteit, en deze opslag volledig dient te worden gebruikt ter bestrijding van niet-marktconforme kosten die deze vennootschap persoonlijk dient te dragen, met als gevolg dat de door deze vennootschap geheven bedragen de op de vervoerde nationale elektriciteit drukkende last volledig compenseren.

Hetzelfde geldt wanneer de nationale elektriciteitsproductiebedrijven deze kosten moeten dragen en de aangewezen vennootschap op grond van bestaande overeenkomsten, door de betaling van een aankoopprijs voor de in de lidstaat geproduceerde elektriciteit, door de betaling van dividenden aan de verschillende nationale elektriciteitsproductiebedrijven waarvan zij de dochteronderneming is of op enige andere wijze het uit de prijsopslag voortvloeiende voordeel volledig ten goede heeft kunnen laten komen aan de nationale elektriciteitsproductiebedrijven.

Artikel 90 EG dient aldus te worden uitgelegd dat het zich tegen een dergelijke wettelijke maatregel verzet wanneer de opbrengst van de op de vervoerde elektriciteit geheven belasting slechts gedeeltelijk voor de betaling van niet-marktconforme kosten wordt gebruikt, dat wil zeggen wanneer het door de aangewezen vennootschap ontvangen bedrag slechts een deel van de op de vervoerde nationale elektriciteit drukkende last compenseert.

2)

Artikel 87 EG moet aldus worden uitgelegd dat de krachtens artikel 9 van de Overgangswet Elektriciteitsproductiesector van 21 december 2000 aan de aangewezen vennootschap betaalde bedragen staatssteun vormen in de zin van deze bepaling van het EG-Verdrag, voor zover zij een economisch voordeel inhouden en geen vergoeding zijn voor de prestaties die de aangewezen vennootschap heeft verricht om openbaredienstverplichtingen uit te voeren.


(1)  PB C 178 van 29.7.2006.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/5


Arrest van het Hof (Derde kamer) van 17 juli 2008 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Unabhängige Finanzsenat Salzburg-Aigen — Oostenrijk) — Schwaninger Martin Viehhandel — Viehexport/Zollamt Salzburg, Erstattungen

(Zaak C-207/06) (1)

(Verordening (EG) nr. 615/98 - Restituties bij uitvoer - Welzijn van levende runderen tijdens vervoer ervan - Richtlijn 91/628/EEG - Toepasbaarheid van voorschriften inzake bescherming van dieren tijdens vervoer - Voorschriften betreffende reis- en rusttijden alsmede betreffende zeevervoer van runderen naar plaats buiten Gemeenschap - Voederen en drenken van dieren tijdens vervoer)

(2008/C 223/07)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Unabhängiger Finanzsenat Salzburg-Aigen

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Schwaninger Martin Viehhandel — Viehexport

Verwerende partij: Zollamt Salzburg, Erstattungen

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Unabhängiger Finanzsenat Salzburg-Aigen (Oostenrijk) — Uitlegging van artikel 1 van verordening (EG) nr. 615/98 van de Commissie van 18 maart 1998 houdende bijzondere uitvoeringsbepalingen voor het stelsel van uitvoerrestituties met betrekking tot het welzijn van levende runderen tijdens het vervoer ervan (PB L 82, blz. 19) en van hoofdstuk VII-48, punt 7, sub a en b, van de bijlage bij richtlijn 91/628/EEG van de Raad van 19 november 1991 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en tot wijziging van de richtlijnen 90/425/EEG en 91/496/EEG (PB L 340, blz. 17), alsook van artikel 5, punt A-2, sub d-ii, tweede streepje, van deze richtlijn — Toepasbaarheid van de dierenbeschermingsvoorschriften betreffende reis- en rusttijden op het zeevervoer van runderen naar een plaats buiten de Gemeenschap door middel van een voertuig dat op een boot wordt geladen zonder dat de dieren worden gelost — Ontbreken van vermelding in het reisschema van de tijdstippen waarop de vervoerde dieren tijdens de reis daadwerkelijk zijn gevoederd en gedrenkt

Dictum

1)

Artikel 1 van verordening (EG) nr. 615/98 van de Commissie van 18 maart 1998 houdende bijzondere uitvoeringsbepalingen voor het stelsel van uitvoerrestituties met betrekking tot het welzijn van levende runderen tijdens het vervoer ervan, mag niet in die zin mag worden uitgelegd dat punt 48, punt 7, sub b, van de bijlage bij richtlijn 91/628/EEG van de Raad van 19 november 1991 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en tot wijziging van de richtlijnen 90/425/EEG en 91/496/EEG, zoals gewijzigd bij richtlijn 95/29/EG van de Raad van 29 juni 1995, moet worden toegepast op het geval van zeevervoer waarbij een verbinding wordt verzorgd tussen een plaats in de Europese Gemeenschap en een plaats in een derde land, middels voertuigen die worden ingescheept zonder dat de dieren worden gelost.

2)

Punt 48, punt 7, sub a, van de bijlage bij richtlijn 91/628, zoals gewijzigd bij richtlijn 95/29, moet aldus worden uitgelegd dat in het geval van zeevervoer waarbij een verbinding wordt verzorgd tussen een plaats in de Europese Gemeenschap en plaats in een derde land, middels voertuigen die worden ingescheept zonder dat de dieren worden gelost, de duur van het voervoer niet in aanmerking hoeft te worden genomen indien de dieren worden vervoerd overeenkomstig de voorwaarden van de punten 3 en 4 van dat punt 48, met uitzondering van de reistijden en rusttijden. Indien dat het geval is, kan een nieuw tijdvak van vervoer over de weg onmiddellijk na de ontscheping van het voertuig in de haven van het derde land van bestemming ingaan, overeenkomstig punt 4, sub d, van dat punt 48.

3)

Een reisschema dat een met een schrijfmachine vooraf aangebrachte vermelding bevat dat de dieren tijdens het zeevervoer „'s avonds, 's ochtends, 's middags, 's avonds, 's ochtends” worden gevoederd en gedrenkt, kan aan de vereisten van richtlijn 91/628, zoals gewijzigd bij richtlijn 95/29, voldoen, mits wordt bewezen dat deze handelingen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Indien de bevoegde autoriteit, gelet op alle door de exporteur ingediende documenten, meent dat de vereisten van deze richtlijn niet zijn nageleefd, staat het aan haar om te beoordelen of deze niet-naleving gevolgen heeft gehad voor het welzijn van de dieren, of een dergelijke inbreuk eventueel kan worden verholpen, en of dit moet leiden tot het verlies, de verlaging of het behoud van de uitvoerrestitutie.


(1)  PB C 190 van 12.8.2006.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/6


Arrest van het Hof (Grote kamer) van 17 juli 2008 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Employment Tribunal, London South — Verenigd Koninkrijk) — S. Coleman/Attridge Law, Steve Law

(Zaak C-303/06) (1)

(Sociaal beleid - Richtlijn 2000/78/EG - Gelijke behandeling in arbeid en beroep - Artikelen 1, 2, leden 1, 2, sub a, en 3, en 3, lid 1, sub c - Rechtstreekse discriminatie op grond van handicap - Intimidatie in verband met handicap - Ontslag van werknemer die zelf geen handicap heeft maar wiens kind gehandicapt is - Daaronder begrepen - Bewijslast)

(2008/C 223/08)

Procestaal: Engels

Verwijzende rechter

Employment Tribunal

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: S. Coleman

Verwerende partijen: Attridge Law, Steve Law

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Employment Tribunal — Uitlegging van de artikelen 1 en 2, lid 2, sub a, en lid 3, van richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep — Draagwijdte van begrip handicap — Mogelijkheid tot uitbreiding tot een persoon die een nauwe band heeft met een gehandicapte en op grond van deze band wordt gediscrimineerd — Werknemer die een gehandicapt kind alleen opvoedt

Dictum

1)

Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep en inzonderheid de artikelen 1 en 2, leden 1 en 2, sub a, ervan moeten aldus worden uitgelegd dat het daarin neergelegde verbod van directe discriminatie niet alleen geldt ten aanzien van personen die zelf gehandicapt zijn. Wanneer een werkgever een werknemer die niet zelf een handicap heeft, minder gunstig behandelt dan een andere werknemer in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld, en wanneer is aangetoond dat de ongunstige behandeling waarvan deze werknemer het slachtoffer is, is gebaseerd op de handicap van zijn kind, waarvan hij de hoofdverzorger is, is een dergelijke behandeling in strijd met het in voornoemd artikel 2, lid 2, sub a, neergelegde verbod van directe discriminatie.

2)

Richtlijn 2000/78 en inzonderheid de artikelen 1 en 2, leden 1 en 3, ervan moeten aldus worden uitgelegd dat het daarin neergelegde verbod van intimidatie niet alleen geldt ten aanzien van personen die zelf gehandicapt zijn. Wanneer wordt aangetoond dat de uit het ongewenste gedrag voortvloeiende intimidatie van een werknemer die niet zelf gehandicapt is, verband houdt met de handicap van zijn kind, waarvan hij de hoofdverzorger is, is dat gedrag in strijd met het in voornoemd artikel 2, lid 3, neergelegde verbod van intimidatie.


(1)  PB C 237 van 30.9.2006.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/7


Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 17 juli 2008 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunale Amministrativo Regionale per la Lombardia — Italië) — ASM Brescia SpA/Comune di Rodengo Saiano

(Zaak C-347/06) (1)

(Artikelen 43 EG, 49 EG en 86 EG - Openbaredienstconcessies voor gasdistributie - Richtlijn 2003/55 - Vervroegde beëindiging bij de afloop van overgangsperiode - Vertrouwensbeginsel en rechtszekerheidsbeginsel)

(2008/C 223/09)

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Tribunale Amministrativo Regionale per la Lombardia

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: ASM Brescia SpA

Verwerende partij: Comune di Rodengo Saiano

In tegenwoordigheid van: Anigas — Associazione Nazionale Industriali del Gas

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Tribunale Amministrativo Regionale per la Lombardia — Uitlegging van de artikelen 43, 49 en 86, lid 1, EG en van artikel 23, lid 1, van richtlijn 2003/55/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en houdende intrekking van richtlijn 98/30/EG (PB L 176, blz. 57) — Automatische verlenging van openbaredienstconcessies voor de aardgasdistributie

Dictum

1)

Richtlijn 2003/55/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en houdende intrekking van richtlijn 98/30/EG, verzet zich er niet tegen dat een regeling van een lidstaat als aan de orde in het hoofdgeding, onder de daarin bepaalde voorwaarden voorziet in verlenging van de overgangsperiode bij de afloop waarvan een concessie voor aardgasdistributie als die in het hoofdgeding vervroegd zal vervallen. In deze omstandigheden verzetten artikel 10 EG en het evenredigheidsbeginsel zich evenmin tegen een dergelijke regeling.

2)

De artikelen 43 EG, 49 EG en 86, lid 1, EG verzetten er zich niet tegen dat een regeling van een lidstaat als aan de orde in het hoofdgeding, onder de daarin bepaalde voorwaarden voorziet in verlenging van de overgangsperiode bij de afloop waarvan een concessie voor aardgasdistributie als die in het hoofdgeding vervroegd zal vervallen, voor zover een dergelijke verlenging noodzakelijk kan worden geacht om de medecontractanten in staat te stellen hun contractuele betrekkingen in aanvaardbare omstandigheden af te wikkelen, zowel vanuit het oogpunt van de eisen van de openbare dienst, als in economisch opzicht.


(1)  PB C 281 van 18.11.2006.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/7


Arrest van het Hof (Grote kamer) van 10 juli 2008 — Bertelsmann AG, Sony Corporation of America/Commissie van de Europese Gemeenschappen, Independent Music Publishers and Labels Association (Impala, internationale vereniging), Sony BMG Music Entertainment BV

(Zaak C-413/06 P) (1)

(Hogere voorziening - Mededinging - Controle op concentraties van ondernemingen - Gemeenschappelijke onderneming Sony BMG - Beroep tegen nietigverklaring van beschikking van de Commissie waarbij concentratie verenigbaar met gemeenschappelijke markt wordt verklaard - Rechterlijke toetsing - Omvang - Bewijsvereisten - Rol van mededeling van de punten van bezwaar - Versterking of ontstaan van collectieve machtspositie - Motivering van beschikkingen tot goedkeuring van concentratie - Gebruik van vertrouwelijke informatie)

(2008/C 223/10)

Procestaal: Engels

Partijen

Rekwiranten: Bertelsmann AG (vertegenwoordigers: P. Chappatte en J. Boyce, Solicitors), Sony Corporation of America (vertegenwoordigers: N. Levy, Barrister, R. Snelders, avocat, T. Graf, Rechtsanwalt)

Andere partijen in de procedure: Independent Music Publishers and Labels Association (Impala) (vertegenwoordigers: S. Crosby en J. Golding, Solicitors, I. Wekstein-Steg, advocate), Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: A. Whelan en K. Mojzesowicz, gemachtigden), Sony BMG Music Entertainment BV (vertegenwoordigers: N. Levy, Barrister, R. Snelders, avocat, T. Graf, Rechtsanwalt)

Voorwerp

Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Derde kamer) van 13 juli 2006 in zaak T-464/04, Independent Music Publishers and Labels Association (Impala, internationale vereniging)/Commissie van de Europese Gemeenschappen, houdende nietigverklaring van een beschikking van de Commissie van 19 juli 2004, waarbij de concentratie tot oprichting van een gemeenschappelijke onderneming waarin de activiteiten van Sony en Bertelsmann op het gebied van muziekopnames worden ondergebracht, verenigbaar wordt verklaard met de gemeenschappelijke markt en de werking van de EER-overeenkomst (zaak COMP/M.3333 — Sony/BMG)

Dictum

1)

Het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 13 juli 2006, Impala/Commissie (T-464/04), wordt vernietigd.

2)

De zaak wordt verwezen naar het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen.

3)

De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.


(1)  PB C 326 van 30.12.2006.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/8


Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 17 juli 2008 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Verwaltungsgericht Köln — Duitsland) — cp-Pharma Handels GmbH/Bondsrepubliek Duitsland

(Zaak C-448/06) (1)

(Prejudiciële verwijzing - Geldigheid van verordening (EG) nr. 1873/2003 - Geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik - Verordening (EEG) nr. 2377/90 - Maximumwaarden voor residuen van geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik in levensmiddelen van dierlijke oorsprong - Progesteron - Beperking van gebruik - Richtlijn 96/22/EG)

(2008/C 223/11)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Verwaltungsgericht Köln

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: cp-Pharma Handels GmbH

Verwerende partij: Bondsrepubliek Duitsland

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Verwaltungsgericht Köln — Geldigheid van verordening (EG) nr. 1873/2003 van de Commissie van 24 oktober 2003 tot wijziging van bijlage II bij verordening (EEG) nr. 2377/90 van de Raad houdende een communautaire procedure tot vaststelling van maximumwaarden voor residuen van geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik in levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PB L 275, blz. 9), voor zover hierin wordt bepaald dat progesteron als werkzame stof van diergeneeskundige geneesmiddelen enkel intravaginaal mag worden toegediend, waardoor de mogelijkheid van toediening van deze stof door middel van intramusculaire injectie wordt uitgesloten — Bevoegdheid van de Commissie om deze beperking te stellen, gelet op de artikelen 1, sub a, en 3 van verordening (EEG) nr. 2377/90 van de Raad van 26 juni 1990 houdende een communautaire procedure tot vaststelling van maximumwaarden voor residuen van geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik in levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PB L 224, blz. 1), gelezen in samenhang met artikel 4, punt 1, van richtlijn 96/22/EG van de Raad van 29 april 1996 betreffende het verbod op het gebruik, in de veehouderij, van bepaalde stoffen met hormonale werking en van bepaalde stoffen met thyreostatische werking, alsmede van ß-agonisten en tot intrekking van de richtlijnen 81/602/EEG, 88/146/EEG en 88/299/EEG (PB L 125, blz. 3)

Dictum

Bij onderzoek van de prejudiciële vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid kunnen aantasten van verordening (EG) nr. 1873/2003 van de Commissie van 24 oktober 2003 tot wijziging van bijlage II bij verordening (EEG) nr. 2377/90 van de Raad houdende een communautaire procedure tot vaststelling van maximumwaarden voor residuen van geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik in levensmiddelen van dierlijke oorsprong.


(1)  PB C 326 van 30.12.2006.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/9


Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 10 juli 2008 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden) — Fiscale eenheid Koninklijke Ahold NV/Staatssecretaris van Financiën

(Zaak C-484/06) (1)

(Verzoek om prejudiciële beslissing - Eerste en Zesde btw-richtlijn - Beginsel van fiscale neutraliteit en evenredigheidsbeginsel - Regels inzake afronding van btw-bedragen - Afronding per artikel naar beneden)

(2008/C 223/12)

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Hoge Raad der Nederlanden

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Fiscale eenheid Koninklijke Ahold NV

Verwerende partij: Staatssecretaris van Financiën

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Hoge Raad der Nederlanden — Uitlegging van artikelen 11, A, lid 1, sub a, en 22, leden 3, sub b, eerste volzin, en 5 van de Zesde richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1) en van artikel 2, eerste en tweede alinea, van de Eerste richtlijn 67/227/EEG van de Raad van 11 april 1967 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting (PB 71, blz. 1301) — Regels inzake afronding van bedragen van belasting over toegevoegde waarde

Dictum

1)

Bij gebreke van een specifieke communautaire regeling staat het aan de lidstaten om de regels en methoden vast te stellen voor de afronding van de bedragen van de belasting over de toegevoegde waarde. De lidstaten zijn daarbij gehouden om de beginselen waarop het gemeenschappelijke stelsel van deze belasting is gebaseerd, met name het beginsel van fiscale neutraliteit en het evenredigheidsbeginsel, te eerbiedigen.

2)

Het gemeenschapsrecht bevat, bij de huidige stand ervan, geen enkele specifieke verplichting op grond waarvan de lidstaten gehouden zijn om toe te staan dat belastingplichtigen het bedrag van de belasting over de toegevoegde waarde per artikel naar beneden afronden.


(1)  PB C 20 van 27.1.2007.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/9


Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 17 juli 2008 — L & D SA/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen), Julius Sämann Ltd

(Zaak C-488/06 P) (1)

(Hogere voorziening - Gemeenschapsmerk - Verordening (EG) nr. 40/94 - Artikelen 8, lid 1, sub b, en 73 - Beeldmerk „Aire Limpio’ - Communautaire, nationale en internationale beeldmerken die dennenboom voorstellen en met verschillende opschriften - Oppositie door houder - Gedeeltelijke weigering tot inschrijving - Bijzonder onderscheidend vermogen van ouder merk afgeleid uit bewijsmateriaal inzake ander merk)

(2008/C 223/13)

Procestaal: Spaans

Partijen

Rekwirante: L & D SA (vertegenwoordiger: S. Miralles Miravet, abogado)

Andere partijen in de procedure: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: J. García Murillo, gemachtigde), Julius Sämann Ltd (vertegenwoordiger: E. Armijo Chávarri, abogado)

Voorwerp

Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Vierde kamer) van 7 september 2006, L & D/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen), Julius Sämann Ltd (T-168/04), waarbij het Gerecht heeft verworpen een beroep strekkende tot gedeeltelijke vernietiging van de beslissing van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 15 maart 2004 (zaak R 326/2003-2) inzake een oppositieprocedure tussen Julius Sämann Ltd en L & D SA

Dictum

1)

De hogere voorziening wordt afgewezen.

2)

L & D SA wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 20 van 27.1.2007.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/10


Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 17 juli 2008 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Giudice di pace di Genova — Italië) — Corporación Dermoestética SA/To Me Group Advertising Media

(Zaak C-500/06) (1)

(Artikelen 3, lid 1, sub g, EG, 4 EG, 10 EG, 43 EG, 49 EG, 81 EG, 86 EG en 98 EG - Nationale wettelijke regeling die reclame voor medisch-chirurgische esthetische behandelingen verbiedt)

(2008/C 223/14)

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Giudice di pace di Genova

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Corporación Dermoestética SA

Verwerende partij: To Me Group Advertising Media

In tegenwoordigheid van: Cliniche Futura Srl

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Giudice di pace di Genova — Uitlegging van de artikelen 43, 49, 81, 86 en 98 EG — Verenigbaarheid van een nationale regeling die reclame op de nationale televisie voor medisch-chirugische behandelingen in erkende privéklinieken verbiedt en een uitgavenplafond van 5 % van de voor het voorafgaande jaar opgegeven inkomsten oplegt

Dictum

De artikelen 43 EG en 49 EG, junctis de artikelen 48 EG en 55 EG, moeten aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een wettelijke regeling als die in het hoofdgeding, die verbiedt om op de nationale televisiezenders reclame te maken voor medisch-chirurgische behandelingen in particuliere instellingen voor gezondheidszorg, maar onder bepaalde voorwaarden de uitzending van dergelijke reclame op de lokale televisiezenders toestaat.


(1)  PB C 42 van 24.2.2007.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/10


Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 17 juli 2008 — Athinaïki Techniki AE/Commissie van de Europese Gemeenschappen, Athens Resort Casino AE Symmetochon

(Zaak C-521/06 P) (1)

(Hogere voorziening - Staatssteun - Door Helleense Republiek aan consortium Hyatt Regency toegekende steun - Klacht - Besluit om klacht niet verder te behandelen - Verordening (EG) nr. 659/1999 - Artikelen 4, 13 en 20 - Begrip „handeling waartegen kan worden opgekomen’ in zin van artikel 230 EG)

(2008/C 223/15)

Procestaal: Frans

Partijen

Rekwirante: Athinaïki Techniki AE (vertegenwoordiger: S. A. Pappas, dikigoros)

Andere partijen in de procedure: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordiger: D. Triantafyllou, gemachtigde) Athens Resort Casino AE Symmetochon (vertegenwoordigers: F. Carlin, Barrister, N. Korogiannakis, dikigoros)

Voorwerp

Hogere voorziening ingesteld tegen de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg (Tweede kamer) van 26 september 2006 in zaak T-94/05, waarbij het Gerecht niet-ontvankelijk heeft verklaard het beroep tot nietigverklaring van de brief van de Commissie van 2 december 2004, welke verzoekster informeerde over het ad acta leggen van haar klacht betreffende beweerdelijk door de Helleense Republiek in het kader van een procedure voor het plaatsen van overheidsopdrachten verleende staatsteun — Begrip voor beroep vatbare handeling in de zin van artikel 230 EG

Dictum

1)

De beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 26 september 2006, Athinaïki Techniki/Commissie (T-94/05), wordt vernietigd.

2)

De door de Commissie van de Europese Gemeenschappen voor het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid wordt verworpen.

3)

De zaak wordt verwezen naar het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen voor een uitspraak over de vordering van Athinaïki Techniki AE tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 2 juni 2004 om haar klacht tegen de staatssteun die de Helleense Republiek in het kader van de overheidsopdracht betreffende de overdracht van 49 % van het kapitaal van het casino Mont Parnès zou hebben verleend aan het consortium Hyatt Regency, niet verder te behandelen.

4)

De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.


(1)  PB C 42 van 24.2.2007.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/11


Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 10 juli 2008 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door Tribunalul Dâmbovița — Roemenië) — Ministerul Administrației și Internelor — Direcția Generală de Pașapoarte București/Gheorghe Jipa

(Zaak C-33/07) (1)

(Burgerschap van Unie - Artikel 18 EG - Richtlijn 2004/38/EG - Recht van burgers van Unie en hun familieleden om vrij te reizen en te verblijven op grondgebied van lidstaten)

(2008/C 223/16)

Procestaal: Roemeens

Verwijzende rechter

Tribunalul Dâmbovița

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Ministerul Administrației și Internelor — Direcția Generală de Pașapoarte București

Verwerende partij: Gheorghe Jipa

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Tribunalul Dâmbovița — Uitlegging van artikel 18 EG en artikel 27 van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB L 158, blz. 77)

Dictum

Artikel 18 EG en artikel 27 van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG, staan niet in de weg aan een nationale wettelijke regeling die het mogelijk maakt, het recht van een burger van een lidstaat om naar een andere lidstaat te reizen, te beperken, met name op grond dat hij daaruit eerder is uitgezet wegens „illegaal verblijf”, mits in de eerste plaats het persoonlijk gedrag van die burger een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt, die een fundamenteel belang van de samenleving aantast, en in de tweede plaats de voorgenomen beperkende maatregel geschikt is om het ermee beoogde doel te verwezenlijken en niet verder gaat dan nodig is voor het bereiken van dat doel. Het is aan de verwijzende rechter om na te gaan of dit in de bij hem aanhangige zaak het geval is.


(1)  PB C 140 van 23.6.2006.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/11


Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 10 juli 2008 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Arbeidshof te Brussel — België) — Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding/Firma Feryn NV

(Zaak C-54/07) (1)

(Richtlijn 2000/43/EG - Discriminerende selectiecriteria voor personeel - Bewijslast - Sancties)

(2008/C 223/17)

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Arbeidshof te Brussel

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding

Verwerende partij: Firma Feryn NV

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Arbeidshof te Brussel — Uitlegging van de artikelen 2, lid 2, sub a, 8, lid 1, en 15 van richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming (PB L 180, blz. 22) — Selectiecriteria voor personeel die direct discrimineren op basis van ras of etnische afstamming — Bewijslast — Beoordeling en vaststelling door de nationale rechter — Verplichting of niet voor de nationale rechter om de beëindiging van de discriminatie te gelasten

Dictum

1)

De omstandigheid dat een werkgever publiekelijk verklaart dat hij geen werknemers van een bepaalde etnische afstamming of van een bepaald ras zal aanwerven, vormt directe discriminatie bij aanwerving in de zin van artikel 2, lid 2, sub a, van richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming, aangezien dergelijke verklaringen voor bepaalde kandidaten een ernstige reden kunnen zijn om niet te solliciteren en dus een beletsel vormen voor hun toegang tot de arbeidsmarkt.

2)

Publieke verklaringen waarmee een werkgever te kennen geeft dat hij in het kader van zijn aanwervingsbeleid geen werknemers van een bepaalde etnische afstamming of van een bepaald ras zal aanwerven, volstaan om het bestaan van een rechtstreeks discriminerend aanwervingsbeleid te vermoeden in de zin van artikel 8, lid 1, van richtlijn 2000/43. Die werkgever dient dan te bewijzen dat het beginsel van gelijke behandeling niet is geschonden. Hij kan dit doen door aan te tonen dat de praktijk die de onderneming bij aanwerving in feite toepast, niet overeenstemt met die verklaringen. Het staat aan de verwijzende rechter, na te gaan of de verweten feiten vaststaan en te beoordelen of de elementen die de werkgever aanvoert ten betoge dat hij het beginsel van gelijke behandeling niet heeft geschonden, toereikend zijn.

3)

Artikel 15 van richtlijn 2000/43 vereist dat, ook wanneer er geen identificeerbaar slachtoffer is, de op overtreding van de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen gestelde sancties doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.


(1)  PB C 82 van 14.4.2007.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/12


Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 17 juli 2008 — Franco Campoli/Commissie van de Europese Gemeenschappen, Raad van de Europese Unie

(Zaak C-71/07 P) (1)

(Hogere voorziening - Ambtenaren - Bezoldiging - Pensioen - Toepassing van aanpassingscoëfficiënt berekend op basis van gemiddelde kosten van levensonderhoud in woonland - Overgangsregeling vastgesteld bij verordening tot wijziging van Ambtenarenstatuut - Exceptie van onwettigheid)

(2008/C 223/18)

Procestaal: Frans

Partijen

Rekwirant: Franco Campoli (vertegenwoordigers: G. Vandersanden, L. Levi en S. Rodrigues, advocaten)

Andere partijen in de procedure: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: V. Joris en D. Martin, gemachtigden), Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: M. Arpio Santacruz en I. Šulce, gemachtigden)

Voorwerp

Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Tweede kamer — uitgebreid) van 29 november 2006, Campoli/Commissie (T-135/05), waarbij het Gerecht het beroep strekkende tot nietigverklaring van rekwirants pensioenafrekeningen over de maanden mei tot en met juli 2004, voor zover daarbij voor het eerst een aanpassingscoëfficiënt wordt toegepast die ten onrechte is berekend op basis van de gemiddelde kosten van levensonderhoud van zijn woonland, en niet langer in verhouding tot de kosten van levensonderhoud in de hoofdstad van dat land, ten dele niet-ontvankelijk en ten dele ongegrond heeft verklaard — Gevolg van inwerkingtreding van nieuwe Ambtenarenstatuut voor regeling van aanpassingscoëfficiënten — Overgangsregeling voor ambtenaren die voor 1 mei 2004 zijn gepensioneerd — Berekeningsmethode van aanpassingscoëfficiënten en eerbiediging van beginsel van gelijke behandeling — Motiveringsplicht

Dictum

1)

De principale en de incidentele hogere voorziening worden afgewezen.

2)

Campoli, de Commissie van de Europese Gemeenschappen en de Raad van de Europese Unie zullen hun eigen kosten dragen.


(1)  PB C 117 van 26.5.2007.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/12


Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 17 juli 2008 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Arbeitsgericht Bonn — Duitsland) — Andrea Raccanelli/Max-Planck-Gesellschaft zur Förderung der Wissenschaften eV

(Zaak C-94/07) (1)

(Artikel 39 EG - Begrip „werknemer’ - Privaatrechtelijke organisatie van algemeen nut - Beurs voor promovendus - Arbeidsovereenkomst - Voorwaarden)

(2008/C 223/19)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Arbeitsgericht Bonn

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Andrea Raccanelli

Verwerende partij: Max-Planck-Gesellschaft zur Förderung der Wissenschaften eV

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Arbeitsgericht Bonn — Uitlegging van artikel 7 van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB L 257, blz. 2) — Hoedanigheid van werknemer van een promovendus die als beursstudent is tewerkgesteld door een in een andere lidstaat gevestigde privaatrechtelijke organisatie van algemeen nut die het merendeel van de nationale promovendi de mogelijkheid van een arbeidsovereenkomst biedt — Noodzaak om promovendi die staatsburger zijn van andere lidstaat de keuze tussen een beurs en een arbeidsovereenkomst te bieden — Begrip „werknemer”

Dictum

1)

Een onderzoeker in een situatie als die van verzoeker in het hoofdgeding, die bezig is met de voorbereiding van een proefschrift op basis van een met de Max-Planck-Gesellschaft zur Förderung der Wissenschaften eV gesloten beursovereenkomst, dient alleen te worden beschouwd als werknemer in de zin van artikel 39 EG indien zijn werkzaamheid gedurende bepaalde tijd wordt uitgevoerd onder het gezag van een instituut dat onder deze vereniging valt en hij voor die werkzaamheid een beloning ontvangt. Het staat aan de verwijzende rechter om de noodzakelijke feitelijke vaststellingen te doen om uit te maken of dat in de bij hem aanhangige zaak het geval is.

2)

Een privaatrechtelijke vereniging zoals de Max-Planck-Gesellschaft zur Förderung der Wissenschaften eV moet jegens werknemers in de zin van artikel 39 EG het non-discriminatiebeginsel eerbiedigen. Het staat aan de verwijzende rechter om vast te stellen of er onder omstandigheden als die van het hoofdgeding sprake is van ongelijke behandeling van nationale en buitenlandse promovendi.

3)

Indien verzoeker in het hoofdgeding zich terecht heeft beroepen op een nadeel dat is veroorzaakt door tegen hem gerichte discriminatie, staat het aan de verwijzende rechter om in het licht van de nationale wetgeving op het gebied van niet-contractuele aansprakelijkheid te beslissen over de aard van de vergoeding waarop verzoeker in het hoofdgeding aanspraak kan maken.


(1)  PB C 117 van 26.5.2007.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/13


Arrest van het Hof (Grote kamer) van 17 juli 2008 (verzoeken om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesverwaltungsgericht — Duitsland) — Arcor AG & Co. KG (C-152/07), Communication Services TELE2 GmbH (C-153/07), Firma 01051 Telekom GmbH (C-154/07)/Bundesrepublik Deutschland

(Gevoegde zaken C-152/07 — C-154/07) (1)

(Telecommunicatiesector - Netwerken en diensten - In evenwicht brengen van tarieven - Artikel 4 quater van richtlijn 90/388/EEG - Artikel 7, lid 2, van richtlijn 97/33/EG - Artikel 12, lid 7, van richtlijn 98/61/EG - Regelgevende instantie - Rechtstreekse werking van richtlijnen - Driehoekssituatie)

(2008/C 223/20)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Bundesverwaltungsgericht

Partijen in de hoofdgedingen

Verzoekende partijen: Arcor AG & Co. KG (C-152/07), Communication Services TELE2 GmbH (C-153/07), Firma 01051 Telekom GmbH (C-154/07)

Verwerende partij: Bundesrepublik Deutschland

In tegenwoordigheid van: Deutsche Telekom AG

Voorwerp

Verzoeken om een prejudiciële beslissing — Bundesverwaltungsgericht — Uitlegging van richtlijn 90/388/EEG van de Commissie van 28 juni 1990 betreffende de mededinging op de markten voor telecommunicatiediensten (PB L 192, blz. 10) en richtlijn 97/33/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 1997 inzake interconnectie op telecommunicatiegebied, wat betreft de waarborging van de universele dienst en van de interoperabiliteit door toepassing van de beginselen van Open Network Provision (ONP) (PB L 199, blz. 32) — Nationale regeling die naast een interconnectievergoeding berekend op basis van de kostprijs van de aansluiting, een financiële bijdrage van de andere exploitanten verlangt ter compensatie van het „toegangsdeficit” dat voor de gevestigde exploitant ontstaat door de beschikbaarstelling van de aansluitlijn — Verplichting van de lidstaten om de belemmeringen weg te nemen voor het in evenwicht brengen van de tarieven door de vanouds bestaande telecommunicatieorganisaties na de interconnectie van de netwerken — Mogelijkheid voor een particulier zich voor een nationale rechter te beroepen op de rechtstreekse werking van een richtlijn met het oog op de nietigverklaring van een administratief besluit dat een financiële verplichting in het voordeel van een andere particulier oplegt

Dictum

1)

Artikel 12, lid 7, van richtlijn 97/33/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 1997 inzake interconnectie op telecommunicatiegebied, wat betreft de waarborging van de universele dienst en van de interoperabiliteit door toepassing van de beginselen van Open Network Provision (ONP), zoals gewijzigd bij richtlijn 98/61/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 1998, en artikel 4 quater van richtlijn 90/388/EEG van de Commissie van 28 juni 1990 betreffende de mededinging op de markten voor telecommunicatiediensten, zoals gewijzigd bij richtlijn 96/19/EG van de Commissie van 13 maart 1996, laatstgenoemd artikel gelezen in samenhang met de punten 5 en 20 van de considerans van richtlijn 96/19, moeten aldus worden uitgelegd dat een nationale regelgevende instantie een exploitant van een met een openbaar netwerk geïnterconnecteerd verbindingsnetwerk niet kan verplichten om voor 2003 aan de op de markt dominante exploitant van het gebruikersnetwerk een aansluitvergoeding bovenop een interconnectievergoeding te betalen, ter compensatie van het deficit dat voor die dominante exploitant ontstaat door de beschikbaarstelling van de aansluiting voor de gebruikers.

2)

Artikel 4 quater van richtlijn 90/388, zoals gewijzigd bij richtlijn 96/19, en artikel 12, lid 7, van richtlijn 97/33, zoals gewijzigd bij richtlijn 98/61, hebben rechtstreekse werking en particulieren kunnen zich voor een nationale rechter rechtstreeks daarop beroepen om op te komen tegen een besluit van de nationale regelgevende instantie.


(1)  PB C 140 van 23.6.2007.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/14


Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 10 juli 2008 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberlandesgericht Frankfurt am Main — Duitsland) — Emirates Airlines — Direktion für Deutschland/Diether Schenkel

(Zaak C-173/07) (1)

(Luchtvervoer - Verordening (EG) nr. 261/2004 - Compensatie aan luchtreizigers bij annulering van vluchten - Werkingssfeer - Artikel 3, lid 1, sub a - Begrip „vlucht’)

(2008/C 223/21)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Oberlandesgericht Frankfurt am Main

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Emirates Airlines — Direktion für Deutschland

Verwerende partij: Diether Schenkel

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Oberlandesgericht Frankfurt am Main — Uitlegging van artikel 3, lid 1, sub a, van verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (PB L 46, blz. 1) — Begrip „vertrek” — Retourticket voor een vlucht van een lidstaat naar een derde staat — Annulering van de terugtocht

Dictum

Artikel 3, lid 1, sub a, van verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91, moet aldus worden uitgelegd, dat het niet van toepassing is op de situatie van een reis heen en retour waarbij de passagiers die eerst zijn vertrokken vanaf een luchthaven op het grondgebied van een lidstaat waarop het EG-Verdrag van toepassing is, naar deze luchthaven terugkeren met een vlucht vanaf een luchthaven in een derde land. Dat de heen- en de retourvlucht het voorwerp uitmaken van een enkele boeking, is niet van belang voor de uitlegging van deze bepaling.


(1)  PB C 155 van 7.7.2007.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/14


Arrest van het Hof (Derde kamer) van 17 juli 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Koninkrijk Spanje

(Zaak C-207/07) (1)

(Niet-nakoming - Artikelen 43 EG en 56 EG - Nationale wettelijke regeling die verwerving van deelnemingen in ondernemingen die gereglementeerde activiteiten in energiesector uitoefenen, en van activa die nodig zijn voor uitoefening van die activiteiten, afhankelijk stelt van voorafgaande toestemming)

(2008/C 223/22)

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: H. Støvlbæk en R. Vidal Puig, gemachtigden)

Verwerende partij: Koninkrijk Spanje (vertegenwoordiger: N. Díaz Abad, gemachtigde)

Voorwerp

Niet-nakoming — Schending van de artikelen 43 EG en 56 EG — Nationale wettelijke regeling die de verwerving van bepaalde deelnemingen in ondernemingen die gereglementeerde activiteiten in de energiesector uitoefenen, afhankelijk stelt van de voorafgaande toestemming van een speciale commissie

Dictum

1)

Door de vaststelling van lid 1, tweede alinea, van de Veertiende Functie van de Nationale Commissie voor Energie bedoeld in de elfde aanvullende bepaling, derde deel, punt 1, van wet 34/1998 van 7 oktober 1998 betreffende de sector koolwaterstoffen (Ley 34/1998 del Sector de Hidrocarburos), zoals gewijzigd bij koninklijk wetsdecreet 4/2006 (Real Decreto-Ley 4/2006) van 24 februari 2006, teneinde de verwerving van sommige deelnemingen in ondernemingen die zich bezighouden met bepaalde gereglementeerde activiteiten in de energiesector, evenals de verwerving van de activa die nodig zijn voor de uitoefening van dergelijke activiteiten, afhankelijk te stellen van de voorafgaande toestemming van de Nationale Commissie voor Energie, is het Koninkrijk Spanje de krachtens de artikelen 43 EG en 56 EG op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.

2)

Het Koninkrijk Spanje wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 140 van 23.6.2007.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/15


Arrest van het Hof (Derde kamer) van 17 juli 2008 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Finanzgericht Düsseldorf — Duitsland) — Flughafen Köln/Bonn GmbH/Hauptzollamt Köln

(Zaak C-226/07) (1)

(Richtlijn 2003/96/EG - Communautaire regeling voor belasting van energieproducten en elektriciteit - Artikel 14, lid 1, sub a - Vrijstelling voor energieproducten gebruikt voor opwekking van elektriciteit - Mogelijkheid om uit milieubeleidsoverwegingen belasting te heffen - Rechtstreekse werking van vrijstelling)

(2008/C 223/23)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Finanzgericht Düsseldorf

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Flughafen Köln/Bonn GmbH

Verwerende partij: Hauptzollamt Köln

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Finanzgericht Düsseldorf — Uitlegging van artikel 14, lid 1, sub a, van richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (PB L 283, blz. 51) — Rechtstreekse werking — Nationale regeling die voor de opwekking van stroom gebruikte gasolie niet vrijstelt van de belasting op minerale oliën

Dictum

Artikel 14, lid 1, sub a, van richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit, heeft, voor zover het voor de opwekking van elektriciteit gebruikte energieproducten vrijstelt van de belasting waarin deze richtlijn voorziet, rechtstreekse werking in die zin dat een particulier zich er voor de nationale rechter in het kader van een geding, zoals het hoofdgeding, rechtstreeks op kan beroepen tegenover de douaneautoriteiten van de betrokken lidstaat met betrekking tot een tijdvak waarin deze staat had nagelaten deze richtlijn binnen de gestelde termijn in zijn nationale rechtsorde om te zetten, teneinde zich te verzetten tegen de toepassing van een nationale regeling die onverenigbaar zou zijn met deze bepaling en, derhalve, de met genoemde bepaling strijdige belasting terug te krijgen.


(1)  PB C 155 van 7.7.2007.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/15


Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 10 juli 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Portugese Republiek

(Zaak C-307/07) (1)

(Niet-nakoming - Richtlijn 89/48/EEG - Erkenning van hoger-onderwijsdiploma's waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten - Niet-erkenning van diploma's die toegang geven tot beroep van apotheker in medische biologie - Niet-uitvoering)

(2008/C 223/24)

Procestaal: Portugees

Partijen

Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: H. Støvlbæk en P. Andrade, gemachtigden)

Verwerende partij: Portugese Republiek (vertegenwoordiger: L. Fernandes, gemachtigde)

Voorwerp

Niet-nakoming — Niet-uitvoering, wat het beroep van in klinische analyse gespecialiseerd apotheker betreft, van richtlijn 89/48/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hoger-onderwijsdiploma's waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten (PB 1989, L 19, blz. 16)

Dictum

1)

Door, wat het beroep van in de medische biologie gespecialiseerd apotheker betreft, niet de maatregelen vast te stellen die nodig zijn voor de uitvoering van richtlijn 89/48/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hoger-onderwijsdiploma's waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten, zoals gewijzigd bij richtlijn 2001/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2001, is de Portugese Republiek de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.

2)

De Portugese Republiek wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 199 van 25.8.2007.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/16


Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 17 juli 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Republiek Oostenrijk

(Zaak C-311/07) (1)

(Niet-nakoming - Richtlijn 89/105/EEG - Opneming van geneesmiddelen voor menselijk gebruik in nationale stelsels van gezondheidszorg - Artikel 6, punt 1 - Lijst van onder nationaal stelsel van gezondheidszorg vallende geneesmiddelen, met drie categorieën die verschillen naargelang van voorwaarden voor vergoeding - Termijn voor vaststelling van besluit over verzoek om opneming van geneesmiddel in categorieën van die lijst die gunstigste voorwaarden voor vergoeding bieden)

(2008/C 223/25)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: B. Stromsky en B. Schima, gemachtigden)

Verwerende partij: Republiek Oostenrijk (vertegenwoordiger: C. Pesendorfer, gemachtigde)

Voorwerp

Niet-nakoming — Schending van artikel 6, punt 1, van richtlijn 89/105/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de doorzichtigheid van maatregelen ter regeling van de prijsstelling van geneesmiddelen voor menselijk gebruik en de opneming daarvan in de nationale stelsels van gezondheidszorg (PB 1989, L 40, blz. 8) — Nationale regeling inzake sociale zekerheid die lijst van onder stelsel van gezondheidszorg vallende geneesmiddelen vaststelt, met drie categorieën geneesmiddelen waarvan vergoedingsvoorwaarden verschillen — Geen termijn vastgesteld als bepaald in artikel 6, punt 1, van richtlijn 89/105/EEG voor besluiten betreffende opneming van geneesmiddelen in gunstigste categorieën

Dictum

1)

Door niet overeenkomstig artikel 6, punt 1, van richtlijn 89/105/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de doorzichtigheid van maatregelen ter regeling van de prijsstelling van geneesmiddelen voor menselijk gebruik en de opneming daarvan in de nationale stelsels van gezondheidszorg, een termijn te bepalen voor de vaststelling van besluiten over verzoeken om opneming van geneesmiddelen op de gele of groene lijst van de vergoedingscodex voor geneesmiddelen die is voorzien in het Allgemeine Sozialversicherungsgesetz (algemene socialeverzekeringswet), zoals gewijzigd bij het Sozialversicherungs-Änderungsgesetz 2003 (wet van 2003 houdende wijziging van de sociale verzekering), is de Republiek Oostenrijk de krachtens deze bepaling op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.

2)

De Republiek Oostenrijk wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 211 van 8.9.2007.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/16


Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 17 juli 2008 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Wojewódzki Sąd Administracyjny w Białymstoku — Republiek Polen) — Dariusz Krawczyński/Dyrektor Izby Celnej w Białymstoku

(Zaak C-426/07) (1)

(Binnenlandse belastingen - Belastingen over personenwagens - Accijns - Tweedehandsvoertuigen - Invoer)

(2008/C 223/26)

Procestaal: Pools

Verwijzende rechter

Wojewódzki Sąd Administracyjny w Białymstoku

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Dariusz Krawczyński

Verwerende partij: Dyrektor Izby Celnej w Białymstoku

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Wojewódzki Sąd Administracyjny w Białymstoku — Uitlegging van artikel 90 EG en van artikel 33, lid 1, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1) — Nationale regeling houdende invoering van een accijns op elke verkoop van een personenwagen voor de eerste inschrijving ervan op het nationale grondgebied

Dictum

1)

Artikel 33, lid 1, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, zoals gewijzigd bij richtlijn 91/680/EEG van de Raad van 16 december 1991, dient aldus te worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een accijns als die waarin in Polen is voorzien in de accijnswet (ustawa o podatku akcyzowym) van 23 januari 2004, waaraan elke verkoop van personenwagens voor de eerste inschrijving ervan op het nationale grondgebied is onderworpen.

2)

Artikel 90, eerste alinea, EG dient aldus te worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een accijns als die in het hoofdgeding, voor zover het bedrag van de heffing op de verkoop van uit een andere lidstaat ingevoerde tweedehandsvoertuigen voor de eerste inschrijving ervan groter is dan het residuele bedrag van deze heffing dat besloten ligt in de handelswaarde van gelijksoortige voertuigen die in de lidstaat die de heffing heeft ingevoerd, voordien reeds waren ingeschreven. Het staat aan de nationale rechter om na te gaan of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling en met name de toepassing van § 7 van het besluit van de minister van Financiën inzake de verlaging van de accijnstarieven (rozporządzenie Ministra Finansów w sprawie obniżenia stawek podatku akcyzowego) van 22 april 2004 een dergelijk gevolg hebben.


(1)  PB C 283 van 24.11.2007.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/17


Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 17 juli 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Koninkrijk België

(Zaak C-510/07) (1)

(Niet-nakoming - Richtlijn 68/414/EEG - Artikel 1, lid 1 - Verplichting om minimumvoorraden aardolieproducten permanent in opslag te houden - Schending)

(2008/C 223/27)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: G. Rozet en B. Schima, gemachtigden)

Verwerende partij: Koninkrijk België (vertegenwoordiger: C. Pochet, gemachtigde)

Voorwerp

Niet-nakoming — Niet-nakoming van de voorraadverplichting voor aardolieproducten van artikel 1, lid 1, van richtlijn 68/414/EEG van de Raad van 20 december 1968 houdende verplichting voor de lidstaten van de EEG om minimumvoorraden ruwe aardolie en/of aardolieproducten in opslag te houden (PB L 308, blz. 14), zoals gewijzigd, vervolgens gecodificeerd bij richtlijn 2006/67/EG van de Raad van 24 juli 2006 (PB L 217, blz. 8) — Aard en draagwijdte van voorraadverplichting — Wanverhouding tussen de door betrokken lidstaat verstrekte cijfers en gegevens van Eurostat — Wijze van berekening van voorraden van aardolieproducten en van niveau van interne consumptie van deze producten

Dictum

1)

Door niet alle geschikte wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om op het grondgebied van de Gemeenschap permanent de voorraden van de tweede categorie van de in artikel 2 van richtlijn 68/414/EEG van de Raad van 20 december 1968 houdende verplichting voor de lidstaten van de EEG om minimumvoorraden ruwe aardolie en/of aardolieproducten in opslag te houden, zoals gewijzigd bij richtlijn 98/93/EG van de Raad van 14 december 1998, genoemde aardolieproducten, te handhaven, is het Koninkrijk België de krachtens artikel 1, lid 1, van deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.

2)

Het Koninkrijk België wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 22 van 26.1.2008.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/18


Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 17 juli 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Koninkrijk België

(Zaak C-543/07) (1)

(Niet-nakoming - Richtlijn 2002/73/EG - Gelijke behandeling van mannen en vrouwen - Toegang tot arbeidsproces - Beroepsopleiding en promotiekansen - Arbeidsvoorwaarden - Niet-uitvoering binnen gestelde termijn)

(2008/C 223/28)

Procestaal: Nederlands

Partijen

Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordiger: M. van Beek, gemachtigde)

Verwerende partij: Koninkrijk België (vertegenwoordiger: D. Haven, gemachtigde)

Voorwerp

Niet-nakoming — Verzuim om binnen de gestelde termijn de bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 2002/73/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002 tot wijziging van richtlijn 76/207/EEG van de Raad betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen, en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB L 296, blz. 15)

Dictum

1)

Door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 2002/73/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002 tot wijziging van richtlijn 76/207/EEG van de Raad betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen, en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, is het Koninkrijk België de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.

2)

Het Koninkrijk België wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 37 van 9.2.2008.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/18


Arrest van het Hof (Grote kamer) van 17 juli 2008 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberlandesgericht Stuttgart — Duitsland) — In de procedure betreffende de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd/Szymon Kozłowski

(Zaak C-66/08) (1)

(Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken - Kaderbesluit 2002/584/JBZ - Europees aanhoudingsbevel en procedures van overlevering tussen lidstaten - Artikel 4, punt 6 - Grond tot facultatieve weigering van tenuitvoerlegging - Uitlegging van begrippen „ingezetene’ van en „verblijven’ in uitvoerende lidstaat)

(2008/C 223/29)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Oberlandesgericht Stuttgart

Partij in het hoofdgeding

Szymon Kozłowski

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Oberlandesgericht Stuttgart — Uitlegging van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB L 190, blz. 1) — Mogelijkheid voor de uitvoerende rechterlijke autoriteit om de tenuitvoerlegging te weigeren van een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf tegen een persoon die verblijft in de uitvoerende lidstaat, waarvan hij ingezetene is — Begrippen „woonplaats” en „verblijf” — Uitlegging van artikel 6, lid 1, EU in samenhang met de artikelen 12 EG en 17 EG — Nationale wettelijke regeling die, wanneer de gezochte persoon zijn overlevering weigert, een onderscheiden behandeling van deze persoon door de uitvoerende rechterlijke autoriteit mogelijk maakt naargelang hij onderdaan is van de uitvoerende lidstaat of van een andere lidstaat

Dictum

Artikel 4, punt 6, van het kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, moet aldus worden uitgelegd dat:

een gezocht persoon „ingezetene” is van de uitvoerende lidstaat wanneer hij zijn werkelijke verblijfplaats aldaar heeft gevestigd, en er „verblijft” wanneer hij, op grond van een duurzaam verblijf in deze lidstaat gedurende een bepaalde periode, een band met deze staat heeft opgebouwd die vergelijkbaar is met die van een ingezetene;

de uitvoerende rechterlijke autoriteit, om te bepalen of tussen de gezochte persoon en de uitvoerende lidstaat een band bestaat op grond waarvan kan worden vastgesteld dat het begrip „verblijven” in de zin van voormeld artikel 4, punt 6, op deze persoon van toepassing is, een globale beoordeling moet verrichten van verschillende objectieve elementen die de situatie van deze persoon kenmerken, waaronder met name de duur, de aard en de voorwaarden van het verblijf van de gezochte persoon, alsook de familiale en economische bindingen die deze persoon met de uitvoerende lidstaat heeft.


(1)  PB C 107 van 26.4.2008.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/19


Arrest van het Hof (Derde kamer) van 11 juli 2008 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Lietuvos Aukščiausiasis Teismas — Republiek Litouwen) — Procedure ingeleid door Inga Rinau

(Zaak C-195/08 PPU) (1)

(Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken - Rechterlijke bevoegdheid en tenuitvoerlegging van beslissingen - Tenuitvoerlegging in huwelijkszaken en inzake ouderlijke verantwoordelijkheid - Verordening (EG) nr. 2201/2003 - Verzoek om niet-erkenning van beslissing inhoudende terugkeer van kind dat ongeoorloofd wordt vastgehouden in andere lidstaat - Prejudiciële spoedprocedure)

(2008/C 223/30)

Procestaal: Litouws

Verwijzende rechter

Lietuvos Aukščiausiasis Teismas

Partij in het hoofdgeding

Inga Rinau

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Lietuvos Aukščiausiasis Teismas (Hooggerechtshof van Litouwen) — Uitlegging van de artikelen 21, 23, 24, 31, lid 1, 40, lid 2, en 42 van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003, betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 (PB L 338, blz. 1) — Verzoek om niet-erkenning in lidstaat A van een beslissing van een gerecht van lidstaat B waarbij wordt gelast dat een kind dat door zijn moeder ongeoorloofd wordt vastgehouden in lidstaat A, terugkeert naar zijn vader, die in lidstaat B woont en het gezagsrecht over het kind heeft gekregen

Dictum

1)

Zodra een beslissing inhoudende de niet-terugkeer is gegeven en aan het gerecht van de lidstaat van herkomst ter kennis is gebracht, is het voor de afgifte van het certificaat voorzien in artikel 42 van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000, irrelevant of die beslissing is opgeschort, herzien, vernietigd of, hoe dan ook, geen kracht van gewijsde heeft gekregen of is vervangen door een beslissing waarbij terugkeer wordt gelast, zolang het kind niet daadwerkelijk is teruggekeerd. Nu geen twijfel is geuit over de echtheid van dat certificaat en dit overeenkomstig het formulier waarvan model in bijlage IV bij deze verordening is opgemaakt, is verzet tegen de beslissing waarbij de terugkeer wordt gelast ontoelaatbaar en kan het aangezochte gerecht enkel de uitvoerbaarheid vaststellen van de beslissing waarvoor een certificaat is afgegeven en de onmiddellijke terugkeer van het kind gelasten.

2)

Behalve in gevallen waarin de procedure betrekking heeft op een beslissing waarvoor overeenkomstig de artikelen 11, lid 8, en 40 tot en met 42 van verordening nr. 2201/2003 een certificaat is afgegeven, kan elke belanghebbende verzoeken om niet-erkenning van een gerechtelijke beslissing, ook indien niet voorafgaand een verzoek om erkenning van de beslissing is ingediend.

3)

Voor zover het bepaalt dat noch de persoon tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, noch het kind in deze stand van de procedure in de gelegenheid wordt gesteld te worden gehoord, is artikel 31, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 niet van toepassing op een procedure strekkende tot niet-erkenning van een gerechtelijke beslissing die wordt ingeleid zonder dat met betrekking tot diezelfde beslissing voorafgaand een verzoek tot erkenning is ingediend. In een dergelijke situatie moet de verwerende partij, die erkenning nastreeft, in staat worden gesteld te worden gehoord.


(1)  PB C 171 van 5.7.2008.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/19


Hogere voorziening ingesteld op 22 mei 2008 door Philippe Guigard tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Derde kamer) van 11 maart 2008 in zaak T-301/05, Guigard/Commissie

(Zaak C-214/08 P)

(2008/C 223/31)

Procestaal: Frans

Partijen

Rekwirant: Philippe Guigard (vertegenwoordigers: S. Rodrigues en C. Bernard-Glanz, advocaten)

Andere partij in de procedure: Commissie van de Europese Gemeenschappen

Conclusies

de hogere voorziening ontvankelijk te verklaren;

het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 11 maart 2008 in zaak T-301/05 te vernietigen;

de conclusies inzake nietigverklaring en schadevergoeding van verzoekster in eerste aanleg toe te wijzen;

de verwerende partij in eerste aanleg te verwijzen in het geheel van de kosten van het beroep tot nietigverklaring en de hogere voorziening.

Middelen en voornaamste argumenten

Rekwirant voert drie middelen aan ter ondersteuning van zijn hogere voorziening.

Met zijn eerste middel, dat uit twee onderdelen bestaat, betoogt rekwirant allereerst dat de Commissie de Vierde Overeenkomst van Lomé (1) verkeerd heeft uitgelegd.

De vergissing betreft in de eerste plaats het feit dat het Gerecht heeft geoordeeld dat het uit hoofde van artikel 313, lid 2, sub k, van de Overeenkomst van Lomé aan de nationale ordonnateur staat om over de aanwerving van consulenten en andere deskundigen voor technische bijstand te beslissen, zonder daarbij rekening te houden met de bevoegdheid tot begrotingstoezicht en het beheer van de middelen die bij deze Overeenkomst aan de Commissie zijn toegekend en de verplichting van deze laatste instelling om de nationale ordonnateur technische bijstand te verlenen bij de onderhandeling van de overeenkomsten.

De door het Gerecht begane vergissing bestaat er daarnaast uit dat het heeft geoordeeld dat het verzoek van de nationale ordonnateur aan de Commissie ter verkrijging van toestemming voor de hernieuwing van de arbeidsovereenkomst van rekwirant, een uitdrukkelijke verwijzing naar artikel 314 van de Overeenkomst van Lomé moest bevatten om de bij die bepaling voorziene termijn van dertig dagen te doen ingaan, terwijl een dergelijk vereiste geenszins uit dit artikel voortvloeit. Volgens rekwirant had het Gerecht dus, als het voornoemd artikel juist had uitgelegd, de niet-naleving van deze termijn door de Commissie moeten vaststellen.

Met zijn tweede middel betoogt rekwirant vervolgens dat het bestreden arrest een kennelijke tegenstrijdigheid in de motivering ervan bevat aangaande het middel inzake schending van artikel 317, sub a, van de Overeenkomst van Lomé, dat enerzijds te laat zou zijn opgeworpen en anderzijds inhoudelijk zou zijn verward met het middel inzake schending van artikel 313, lid 2, sub k, van diezelfde Overeenkomst. Volgens rekwirant kan eenzelfde middel niet tegelijk niet-ontvankelijk en ongegrond worden verklaard.

Met zijn derde middel betoogt rekwirant ten slotte dat het Gerecht voorbij is gegaan aan zijn rechten van verdediging doordat het in de eerste plaats geen rekening heeft gehouden met alle door hem ter terechtzitting ontwikkelde argumenten en daarnaast de strekking heeft verdraaid van zijn middel inzake schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, het beginsel van goed bestuur en de bescherming van gewettigd vertrouwen.


(1)  Vierde Overeenkomst gesloten tussen de staten van Afrika, het Caribische Gebied en de Stille Oceaan (ACS) en de Europese Economische Gemeenschap, ondertekend te Lomé op 15 december 1989 (goedgekeurd bij besluit 91/400/EGKS, EEG van de Raad en de Commissie van 25 februari 1991 betreffende de sluiting van de Vierde ACS-EEG-Overeenkomst, PB L 229, blz. 1), zoals gewijzigd bij de Overeenkomst ondertekend te Mauritius op 4 november 1995 (PB 1998, L 156, blz. 3).


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/20


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Audiencia Provincial de Salamanca (Spanje) op 26 mei 2008 — Eva Martín Martín/EDP Editores, S.L. en Juan Caballo Bueno

(Zaak C-227/08)

(2008/C 223/32)

Procestaal: Spaans

Verwijzende rechter

Audiencia Provincial de Salamanca

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Eva Martín Martín

Verwerende partij: EDP Editores, S.L. en Juan Caballo Bueno

Prejudiciële vraag

„Moet artikel 153 EG, gelezen in samenhang met de artikelen 3 EG en 95 EG en met artikel 38 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met richtlijn 85/577/EEG van de Raad van 20 december 1985 betreffende de bescherming van de consument bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten (1), met name met artikel 4 ervan, aldus worden uitgelegd dat de rechterlijke instantie waarbij hoger beroep tegen een vonnis in eerste aanleg wordt ingesteld, een onder deze richtlijn vallende overeenkomst ambtshalve nietig kan verklaren, ook al heeft de verwerende consument deze nietigheid nooit aangevoerd in het kader van zijn verzet tegen een bevel tot betaling, tijdens de mondelinge behandeling van de zaak of in het kader van het hoger beroep?”


(1)  PB L 372, blz. 31.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/21


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Verwaltungsgericht Frankfurt am Main (Duitsland) op 28 mei 2008 — Colin Wolf/Stadt Frankfurt am Main

(Zaak C-229/08)

(2008/C 223/33)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Verwaltungsgericht Frankfurt am Main

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Colin Wolf

Verwerende partij: Stadt Frankfurt am Main

Prejudiciële vragen

1)

Beschikt de nationale wetgever voor de benutting van de door artikel 6, lid 1, van richtlijn 2000/78/EG geboden marges steeds over een ruime beoordelings- en organisatievrijheid, of wordt deze vrijheid in elk geval beperkt tot het noodzakelijke wanneer het gaat om de vastlegging van een maximumleeftijd voor aanwerving met het oog op een minimaal aantal dienstjaren voorafgaand aan pensionering (1), overeenkomstig artikel 6, lid 1, tweede alinea, sub c, van richtlijn 2000/78/EG?

2)

Vormt de in artikel 6, lid 1, tweede alinea, sub c, van richtlijn 2000/78/EG genoemde noodzaak de concretisering van de redelijkheid van het in artikel 6, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2000/78/EG genoemde middel, en beperkt deze aldus de werking van deze algemeen geformuleerde regeling?

3)

a)

Is het een legitiem doel in het kader van artikel 6, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2000/78/EG, wanneer een publiekrechtelijke werkgever door middel van een maximumleeftijd voor aanwerving zijn belang bij een zo lang mogelijke actieve diensttijd van aan te werven ambtenaren tracht veilig te stellen?

b)

Is de verwezenlijking van een dergelijk doel reeds onredelijk wanneer dit tot gevolg heeft dat ambtenaren langer in dienst blijven dan voor verwerving van de wettelijk gegarandeerde minimumuitkering bij vervroegde uittreding na vijf dienstjaren nodig is?

c)

Is de verwezenlijking van een dergelijk doel pas onredelijk wanneer dit tot gevolg heeft dat ambtenaren langer in dienst blijven dan voor het opbouwen van de wettelijk gegarandeerde minimumuitkering bij vervroegde uittreding — thans 19,51 jaren — nodig is?

4)

a)

Is het een in de zin van artikel 6, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2000/78/EG legitiem doel, om door een zo laag mogelijke maximumleeftijd voor aanwerving het aantal in totaal aan te werven ambtenaren zo klein mogelijk te houden, teneinde het aantal individuele uitkeringen zoals uitkeringen bij ongeval of ziekte (ondersteuning, ook voor gezinsleden) zo gering mogelijk te houden?

b)

Welke betekenis kan in dit verband worden gehecht aan de omstandigheid dat bij toenemende leeftijd de uitkeringen bij ongeval of ziekte (ook voor gezinsleden) hoger uitvallen dan bij jongere ambtenaren, zodat bij aanwerving van ambtenaren van hogere leeftijd daarmee in totaal een hoger bedrag zou zijn gemoeid?

c)

Moeten er op dit punt geverifieerde prognoses of statistieken bestaan of zijn algemene aannamen op basis van waarschijnlijkheid voldoende?

5)

a)

Is het een in de zin van artikel 6, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2000/78/EG legitiem doel, wanneer een publiekrechtelijke werkgever een bepaalde maximumleeftijd voor aanwerving wil hanteren om een „evenwichtige leeftijdsstructuur per loopbaan” te garanderen?

b)

Welke eisen moeten [worden gesteld aan], respectievelijk welke overwegingen voor de opbouw van een dergelijke leeftijdsstructuur zijn voldoende, om de voorwaarden van een rechtvaardigingsgrond (passendheid en noodzakelijkheid, noodzaak) te vervullen?

6)

Is het een in de zin van artikel 6, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2000/78/EG legitieme overweging, wanneer de publiekrechtelijke werkgever een maximumleeftijd voor aanwerving motiveert met het argument dat het tot het bereiken van een dergelijke leeftijd zeer wel mogelijk is, te voldoen aan de materiële aanwervingsvoorwaarden voor een opleiding in het brandweermiddenkader in de vorm van een geschikte schoolopleiding en een vakopleiding?

7)

Volgens welke criteria moet worden beoordeeld of een minimumdiensttijd voorafgaand aan pensionering redelijk of noodzakelijk is?

a)

Kan het vereiste van een minimumdiensttijd enkel als equivalent voor de uitsluitend door de publiekrechtelijke werkgever gefinancierde verwerving van een kwalificatie bij die publiekrechtelijke werkgever (opleiding voor een loopbaan in het brandweermiddenkader) worden gerechtvaardigd, met dien verstande dat dit vereiste met het oog op een dergelijke kwalificatie een redelijke aansluitende diensttijd bij deze werkgever beoogt te garanderen, zodat de opleidingskosten door de ambtenaar op deze wijze geleidelijk door zijn arbeid worden goedgemaakt?

b)

Hoe lang mag de fase van de op de opleiding volgende dienstijd maximaal zijn? Mag zij langer zijn dan vijf jaar, en zo ja, onder welke voorwaarden?

c)

Kan de redelijkheid of de noodzaak van een minimumdiensttijd, onafhankelijk van punt 7, sub a, worden gerechtvaardigd met de overweging dat bij ambtenaren, wier pensioenvoorziening uitsluitend door de werkgever wordt gefinancierd, de te verwachten actieve diensttijd van de aanwerving tot aan de te verwachten pensionering lang genoeg moet zijn om een wettelijk gegarandeerde minimumuitkering op te bouwen door een diensttijd van thans 19,51 jaren?

d)

Is omgekeerd de weigering om iemand aan te werven, volgens artikel 6, lid 1, van richtlijn 2000/78/EG slechts gerechtvaardigd, wanneer de betrokkene zou worden aangeworven op een leeftijd waarmee hem op de te verwachten pensioneringsdatum de minimumuitkering moet worden betaald, hoewel deze nog niet is opgebouwd?

8)

a)

Moet voor de beoordeling van de pensioneringsdatum volgens artikel 6, lid 1, tweede alinea, sub c, van richtlijn 2000/78/EG worden uitgegaan van de wettelijk vastgelegde leeftijdsgrens voor pensionering met aansluitend recht op pensioen, of moet worden uitgegaan van de statistisch gemiddelde leeftijd waarop een bepaalde groep ambtenaren of beroepsgroep wordt gepensioneerd?

b)

In hoeverre moet er eventueel rekening mee worden gehouden dat voor individuele ambtenaren de normale pensioenleeftijd kan worden verhoogd met maximaal twee jaar? Betekent dit dat ook de maximumleeftijd voor aanwerving evenredig omhoog gaat?

9)

Mag bij de berekening van de minimumdiensttijd in het kader van artikel 6, lid 1, van richtlijn 2000/78/EG de bij aanvang van de aanstelling als ambtenaar te volgen opleiding worden meegeteld? Is daarbij van belang of de opleidingstijd bij de pensioenopbouw volledig als pensioengerechtigde diensttijd moet worden meegeteld, dan wel de opleidingstijd buiten beschouwing moet worden gelaten bij de berekening van de periode waarvoor een werkgever een minimumdiensttijd mag eisen volgens artikel 6, lid 1, tweede alinea, sub c, van richtlijn 2000/78/EG?

10)

Zijn de regelingen in § 15, lid 1, tweede alinea, en lid 3, van het Allgemeine Gleichbehandlungsgesetz (algemene wet inzake gelijke behandeling) verenigbaar met artikel 17 van richtlijn 2000/78/EG?


(1)  PB L 303 blz. 16.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/22


Hogere voorziening ingesteld op 29 mei 2008 door Massimo Giannini tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Derde kamer) van 12 maart 2008 in zaak T-100/04 (Massimo Giannini/Commissie)

(Zaak C-231/08 P)

(2008/C 223/34)

Procestaal: Frans

Partijen

Rekwirant: Massimo Giannini (vertegenwoordigers: L. Levi en C. Ronzi, advocaten)

Andere partij in de procedure: Commissie van de Europese Gemeenschappen

Conclusies

het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 12 maart 2008 in zaak T-100/04 te vernietigen;

dientengevolge, rekwirants vorderingen in eerste aanleg toe te wijzen en, derhalve,

nietig te verklaren het bij brief van 11 juni 2003 aan rekwirant meegedeelde besluit van de jury van vergelijkend onderzoek COM/A/9/01 om zijn naam niet op de reservelijst van dat vergelijkend onderzoek te plaatsen alsmede, voor zover nodig, nietig te verklaren het bij brief van 8 juli 2003 aan rekwirant meegedeelde besluit houdende afwijzing van zijn verzoek om heronderzoek, en nietig te verklaren het bij brief van 2 december 2003 aan rekwirant meegedeelde besluit tot afwijzing van zijn klacht;

een vergoeding toe te kennen voor de materiële schade, die wordt geraamd op, enerzijds, het verschil tussen de werkloosheidstoelage die na de beëindiging van de overeenkomst van tijdelijk functionaris is ontvangen en het salaris van een ambtenaar van de loopbaan A 7/4 en, anderzijds, na de periode van werkloosheid, het bedrag van de bezoldiging van een ambtenaar van de rang A 7/5, alsmede voor de immateriële schade, welke op 1 EUR wordt geraamd;

de verwerende partij te verwijzen in alle kosten van de eerste instantie en de hogere voorziening.

Middelen en voornaamste argumenten

Tot staving van zijn hogere voorziening voert rekwirant drie belangrijke middelen aan.

Met zijn eerste middel stelt hij dat het Gerecht het recht op een eerlijk proces heeft geschonden en, meer bepaald, het recht op een beslissing binnen een redelijke termijn. Tussen de datum van indiening van het verzoekschrift bij het Gerecht en de uitspraak van het bestreden arrest zijn vier jaar verstreken. Deze duur wordt in casu door geen enkele buitengewone omstandigheid gerechtvaardigd. Het dossier van de zaak was noch bijzonder omvangrijk noch juridisch ingewikkeld en de procedure vertegenwoordigde een reëel belang voor rekwirant.

Met zijn tweede middel betoogt hij dat het Gerecht de artikelen 4, 27 en 29 van het Ambtenarenstatuut heeft geschonden en zowel het begrip belang van de dienst heeft miskend alsook de zorgplicht die de gemeenschapsinstellingen jegens hun personeelsleden en ambtenaren dragen. Zijns inziens verwart het Gerecht in dat opzicht de aanstelling in de communautaire openbare dienst, door middel van een algemeen vergelijkend onderzoek met het oog op de vorming van een aanwervingreserve, en het vervolg van de loopbaan van personen die door de in het Statuut voorziene mechanismen van overplaatsing en bevordering reeds zijn aangeworven.

Met zijn derde middel stelt rekwirant ten slotte dat het Gerecht de verplichting om arresten te motiveren en de beginselen van non-discriminatie en eerbiediging van de rechten van de verdediging heeft geschonden. Ook heeft het Gerecht het aan zijn beoordeling voorgelegde bewijsmateriaal verkeerd opgevat. Dit laatste middel bestaat uit drie onderdelen.

Met het eerste onderdeel van het derde middel betoogt rekwirant dat het Gerecht zowel het non-discriminatiebeginsel alsook zijn motiveringsplicht en de regels voor de bewijsvoering heeft geschonden door te concluderen dat de kennis, door sommige kandidaten van het vergelijkend onderzoek, van het document waarop het schriftelijk examen berustte geen schending van het non-discriminatiebeginsel inhield en niet vereiste dat de verwerende partij concreet bewijs leverde dat die omstandigheid geen discriminatie inhield.

Met het tweede onderdeel van dit middel stelt rekwirant dat het non-discriminatiebeginsel is geschonden en het aan het oordeel van het Gerecht voorgelegde bewijsmateriaal verkeerd is opgevat, aangezien het Gerecht heeft geoordeeld dat de samenstelling van de jury stabiel genoeg was om de objectieve vergelijking en beoordeling van de kandidaten te verzekeren, terwijl uit de stukken van het dossier juist blijkt dat de samenstelling van die jury niet stabiel genoeg was en dat de verwerende partij bepaalde essentiële feitelijke informatie niet aan het Gerecht heeft overgelegd.

Ten slotte beroept rekwirant zich met het derde onderdeel van dit middel op een nieuwe schending van het non-discriminatiebeginsel en de regels voor de bewijsvoering alsmede op een inbreuk op de rechten van de verdediging, verband houdende met de conclusies van het Gerecht met betrekking tot de onpartijdigheid van de juryleden.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/23


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Landesgericht Ried im Innkreis (Oostenrijk) op 2 juni 2008 — Strafzaak tegen Roland Langer

(Zaak C-235/08)

(2008/C 223/35)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Landesgericht Ried im Innkreis

Partij in de strafzaak

Roland Langer

Prejudiciële vragen

1)

Dient artikel 43 EG (Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap in de versie van 2 oktober 1997, laatst gewijzigd naar aanleiding van de toetreding van de Republiek Bulgarije en van Roemenië tot de Europese Unie op 25 april 2005, PB 2005, L 157, blz. 11) aldus te worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een bepaling op grond waarvan kansspelen in casino's alleen mogen worden geëxploiteerd door vennootschappen op aandelen die gevestigd zijn op het grondgebied van de lidstaat waar het casino is gelegen, en die derhalve verplicht tot de oprichting of de overname van een in de genoemde lidstaat gevestigde kapitaalvennootschap?

2)

Dienen de artikelen 43 EG en 49 EG aldus te worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationaal monopolie op bepaalde kansspelen, bijvoorbeeld kansspelen in casino's, wanneer in de betrokken lidstaat helemaal geen sprake is van een samenhangend en stelselmatig beleid van beperking van kansspelen, aangezien organisatoren met een door de lidstaat verleende vergunning aanzetten tot deelname aan kansspelen — zoals door de overheid georganiseerde sportweddenschappen en loterijen — en hiervoor reclame maken (televisie, kranten, tijdschriften), waarbij de reclame zelfs zo ver gaat dat kort voor de lottotrekking een bon voor de terugbetaling van een lottoformulier wordt aangeboden („TOI TOI TOI — Glaub' ans Glück”)?

3)

Dienen de artikelen 43 EG en 49 EG aldus te worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een bepaling op grond waarvan alle door de nationale wettelijke regeling inzake kansspelen voorgeschreven vergunningen voor kansspelen en casino's voor een tijdvak van vijftien jaar worden toegekend, op basis van een regeling die concurrenten uit de Gemeenschap (die niet onder die lidstaat ressorteren) uitsluit van de aanbesteding?


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/23


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesfinanzhof (Duitsland) op 4 juni 2008 — Swiss Re Germany Holding GmbH/Finanzamt München für Körperschaften

(Zaak C-242/08)

(2008/C 223/36)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Bundesfinanzhof

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Swiss Re Germany Holding GmbH

Verwerende partij: Finanzamt München für Körperschaften

Prejudiciële vragen

1)

Dienen de artikelen 9, lid 2, sub e, vijfde streepje, en 13, B, sub a en d, punten 2 en 3, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting (1) aldus te worden uitgelegd dat de overname, tegen betaling van een prijs door de overnemer, van een levensherverzekeringscontract, waarbij de overnemer van het contract de door de vorige verzekeraar uitgeoefende belastingvrije herverzekeringsactiviteit met toestemming van de verzekeringnemer overneemt en voortaan in plaats van de vorige verzekeraar belastingvrije herverzekeringsdiensten jegens de verzekeringnemer verricht, moet worden beschouwd

a)

als een bank- of verzekeringsverrichting in de zin van artikel 9, lid 2, sub e, vijfde streepje, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG), of

b)

als een handeling ter zake van herverzekering in de zin van artikel 13, B, sub a, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG), of

c)

als een handeling die in wezen bestaat uit een belastingvrij aangaan van een verbintenis enerzijds en een belastingvrije handeling betreffende schuldvorderingen anderzijds, in de zin van artikel 13, B, sub d, punten 2 en 3, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG)?

2)

Dient de eerste vraag anders te worden beantwoord indien niet de overnemer, maar de vorige verzekeraar een tegenprestatie voor de overname betaalt?

3)

Indien de eerste vraag, sub a, b en c, ontkennend wordt beantwoord: dient artikel 13, B, sub c, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) aldus te worden uitgelegd dat

de overdracht onder bezwarende titel van levensherverzekeringscontracten een levering van goederen vormt en

bij de toepassing van artikel 13, B, sub c, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) geen onderscheid dient te worden gemaakt naargelang de plaats van de van belasting vrijgestelde activiteiten zich bevindt in de lidstaat van levering dan wel in een andere lidstaat?


(1)  PB L 145, blz. 1.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/24


Verzoek om een prejudiciële beslissing van het Finanzgericht Köln (Duitsland) van 9 juni 2008 — Gaz de France — Berliner Investissement SA/Bundeszentralamt für Steuern

(Zaak C-247/08)

(2008/C 223/37)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Finanzgericht Köln

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Gaz de France — Berliner Investissement SA

Verwerende partij: Bundeszentralamt für Steuern

Prejudiciële vragen

1)

Moet artikel 2, sub a, in samenhang met de bijlage, sub f, bij richtlijn 90/435/EEG van de Raad van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten (1) (PB L 225, blz. 6), aldus worden uitgelegd dat ook een Franse vennootschap met de rechtsvorm van een „société par actions simplifiée” reeds voor 2005 kon worden aangemerkt als „vennootschap van een lidstaat” in de zin van deze richtlijn, zodat zij voor een winstuitkering van haar Duitse dochtermaatschappij in 1999 krachtens artikel 5, lid 1, van richtlijn 90/435/EEG moet worden vrijgesteld van bronbelasting?

2)

Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord:

is artikel 2, sub a, in samenhang met de bijlage, sub f, bij richtlijn 90/435/EEG van de Raad van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten (PB L 225, blz. 6), in zoverre in strijd met de artikelen 43 EG en 48 EG dan wel de artikelen 56, lid 1, EG en 58, leden 1, sub a, en 3, EG dat het in samenhang met artikel 5, lid 1, van richtlijn 90/435/EEG weliswaar voor een Franse moedermaatschappij met de rechtsvorm van een société anonyme, société en commandite par actions of société à responsabilité limitée, doch niet voor een Franse moedermaatschappij met de rechtsvorm van een société par actions simplifiée bij winstuitkeringen van een Duitse dochtermaatschappij een vrijstelling van bronbelasting voorschrijft?


(1)  PB L 225, blz. 6.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/25


Beroep ingesteld op 10 juni 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Koninkrijk België

(Zaak C-250/08)

(2008/C 223/38)

Procestaal: Nederlands

Partijen

Verzoekster: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: R. Lyal en P. van Nuffel, gemachtigden)

Verweerder: Koninkrijk België

Conclusies

vast te stellen dat het Koninkrijk België niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen op grond van de artikelen 18, 43 en 56 van het EG-Verdrag en van de artikelen 31 en 40 van de EER-Overeenkomst doordat, in het Vlaams Gewest, voor de berekening van een belastingvoordeel bij de aankoop van een tot nieuwe hoofdverblijfplaats bestemd onroerend goed, het bedrag aan registratierechten betaald bij de aankoop van een vroegere hoofdverblijfplaats enkel in aanmerking wordt genomen wanneer deze in het Vlaams Gewest lag en niet wanneer deze in een andere lidstaat dan België of een EVA-staat lag;

het Koninkrijk België te veroordelen tot de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De Belgische wetgeving inzake registratierechten, zoals van kracht in het Vlaamse Gewest, voorziet in een vermindering van registratierechten bij de aankoop van een hoofdverblijfplaats in het Vlaams Gewest, voor een bedrag dat overeenkomt met het bedrag aan registratierechten betaald bij de aankoop van een vorige hoofdverblijfplaats in het Vlaamse Gewest, op voorwaarde dat in dezelfde periode de vorige hoofdverblijfplaats wordt verkocht. De Commissie is van mening dat deze wetgeving, onder overigens gelijke omstandigheden, aan personen die verhuizen binnen het Vlaams Gewest een belastingvoordeel geeft dat niet wordt toegestaan aan personen die vanuit een andere lidstaat dan België naar het Vlaams Gewest verhuizen. De Commissie is van mening dat deze wetgeving de burgers van de Unie die gebruik maken van het recht van vrij verkeer discrimineert, dat ze de burgers van de Unie die gebruik maken van het recht van vestiging discrimineert en dat ze een beperking inhoudt voor investeringen in onroerend goed in het Vlaams Gewest met kapitaal uit andere lidstaten dan België en, dus, dat deze wetgeving in principe in strijd is met, respectievelijk, art. 18 EG-Verdrag, art. 43 EG-Verdrag en art. 31 EER-Overeenkomst, en art. 56 EG-Verdrag en art. 40 EER-Overeenkomst. De Commissie is van mening dat er in deze zaak geen dwingende redenen van algemeen belang zijn die deze verdragsinbreuken zouden kunnen rechtvaardigen. Verweerder kan zich ook niet beroepen op de noodzaak om de samenhang van het belastingstelsel te verzekeren, vermits het in deze zaak gaat om twee van elkaar losstaande fiscale situaties die, ieder, enkel worden beheerst door de eigen regels van toepassing op de betrokken situatie.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/25


Beroep ingesteld op 13 juni 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Portugese Republiek

(Zaak C-253/08)

(2008/C 223/39)

Procestaal: Portugees

Partijen

Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: N. Yerrell en M. Telles Romão, gemachtigden)

Verwerende partij: Portugese Republiek

Conclusies

vast te stellen dat de Portugese Republiek, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 2006/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 inzake minimumvoorwaarden voor de uitvoering van de verordeningen (EEG) nr. 3820/85 en (EEG) nr. 3821/85 van de Raad betreffende voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer en tot intrekking van richtlijn 88/599/EEG van de Raad (1), althans door deze bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;

de Portugese Republiek te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De termijn voor omzetting van de richtlijn in nationaal recht is op 1 april 2007 verstreken.


(1)  PB L 102, blz. 35.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/26


Beroep ingesteld op 13 juni 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Koninkrijk der Nederlanden

(Zaak C-255/08)

(2008/C 223/40)

Procestaal: Nederlands

Partijen

Verzoekster: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: M. van Beek en J.-B. Laignelot, gemachtigden)

Verweerder: Koninkrijk der Nederlanden

Conclusies

vast te stellen dat het Koninkrijk der Nederlanden door niet de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te treffen om te voldoen aan artikel 4, leden 2 en 3, in samenhang met bijlagen II en III van Richtlijn 85/337/EEG (1) van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd bij de Richtlijnen 97/11/EG (2) en 2003/35/EG (3), de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.

het Koninkrijk der Nederlanden in de kosten te verwijzen.

Middelen en voornaamste argumenten

1.

Volgens artikel 249, derde alinea, EG is een richtlijn verbindend ten aanzien van het te bereiken resultaat voor elke lidstaat waarvoor zij bestemd is, doch wordt aan de nationale instanties de bevoegdheid gelaten vorm en middelen te kiezen.

2.

De lidstaten moeten dan ook de nodige maatregelen treffen om richtlijnen binnen de daarin voorgeschreven termijn in het nationale recht om te zetten en de Commissie onverwijld van deze maatregelen in kennis te stellen.

3.

In de onderhavige zaak bepaald artikel 3, lid 1, van Richtlijn 97/11/EG dat de lidstaten de nodige bepalingen in werking doen treden om uiterlijk op 14 maart 1999 aan deze richtlijn te voldoen en dat zij de Commissie daarvan onverwijld in kennis stellen. Nederland heeft hier evenwel niet aan voldaan.

4.

Op grond van het voorgaande moet de Commissie concluderen dat Nederland tot op heden heeft nagelaten de maatregelen te nemen die nodig zijn om artikel 4, leden 2 en 3, in samenhang met de bijlagen II en III van Richtlijn 85/337, zoals gewijzigd bij de Richtlijnen 97/11 en 2003/35, correct om te zetten door niet alle criteria van bijlage III van de richtlijn toe te passen op alle projecten van bijlage II van de richtlijn.


(1)  PB L 175, blz. 40.

(2)  PB L 73, blz. 5.

(3)  PB L 156, blz. 17.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/26


Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden op 18 juni 2008 — Ladbrokes Betting & Gaming Ltd. en Ladbrokes International Ltd. tegen Stichting de Nationale Sporttotalisator

(Zaak C-258/08)

(2008/C 223/41)

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Hoge Raad der Nederlanden

Partijen in het hoofdgeding

Verzoeksters: Ladbrokes Betting & Gaming Ltd. en Ladbrokes International Ltd.

Verweerster: Stichting de Nationale Sporttotalisator

Prejudiciële vragen

1.

Voldoet een op kanalisatie van de speellust gericht, restrictief nationaal kansspelbeleid dat daadwerkelijk eraan bijdraagt dat de met de betrokken nationale regeling nagestreefde doelstellingen, te weten de beteugeling van gokverslaving en het tegengaan van fraude, worden bereikt doordat dankzij het gereguleerde aanbod van kansspelen het gokken van (veel) beperkter omvang blijft dan zonder het nationale stelsel van regulering het geval zou zijn, aan de in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, in het bijzonder in het arrest van 6 november 2003, zaak C-243/01 (Gambelli), Jurispr. 2003, p. I-13031, geformuleerde voorwaarde dat het de activiteiten met betrekking tot weddenschappen op samenhangende en stelselmatige wijzen beperkt, óók als aan de vergunninghouder(s) is toegestaan zijn (hun) kansspelaanbod aantrekkelijk te maken door nieuwe kansspelen te introduceren, zijn (hun) kansspelaanbod door reclame onder de aandacht van een breed publiek te brengen en aldus (potentiële) spelers van het illegale aanbod van kansspelen af te houden (vergelijk HvJEG 6 maart 2007, gevoegde zaken C-338/04, C-359/04 en C-360/04 (Placanica), Jurispr. 2007, p. I-1891, punt 55, slot)?

2a.

Dient de nationale rechter, aangenomen dat een nationale regeling van het kansspelbeleid met art. 49 EG verenigbaar is, bij de toepassing daarvan in een concreet geval telkens te onderzoeken of de te treffen maatregel, zoals een gebod tot het door middel van daarvoor beschikbare software ontoegankelijk maken van een website voor deelname aan de daarop aangeboden kansspelen door ingezetenen van de betrokken lidstaat, in de concrete omstandigheden van het geval als zodanig en op zichzelf voldoet aan de voorwaarde dat hij daadwerkelijk aan de ter rechtvaardiging van de nationale regeling aangevoerde doelstellingen beantwoordt en of de uit die regeling en toepassing daarvan voortvloeiende beperking van het vrij verkeer van diensten, gelet op deze doelstellingen, niet onevenredig is?

2b.

Maakt het bij de beantwoording van vraag 2a verschil of de te treffen maatregel niet wordt gevorderd en opgelegd in het kader van de handhaving van de nationale regeling door de overheid, maar in het kader van een civiele procedure waarin een met de vereiste vergunning handelende organisator van kansspelen het treffen van de maatregel vordert op de grondslag van een naar burgerlijk recht jegens haar gepleegde onrechtmatige daad, hierin bestaande dat de wederpartij de betrokken nationale regeling overtreedt en zich aldus een oneerlijke voorsprong op de met de vereiste vergunning handelende partij verwerft?

3.

Dient art. 49 EG aldus te worden uitgelegd dat de toepassing van dit artikel tot gevolg heeft dat de bevoegde autoriteit van een lidstaat niet, op grond van het in die lidstaat geldende gesloten vergunningenstelsel voor het aanbieden van diensten inzake kansspelen, kan verbieden dat een dienstaanbieder aan wie reeds een vergunning is verleend in een andere lidstaat voor het verrichten van die diensten via internet, deze diensten via internet ook aanbiedt in eerstgenoemde lidstaat?


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/27


Hogere voorziening ingesteld op 24 juni 2008 door Christos Michail tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Eerste kamer) van 16 april 2008 in zaak T-486/04, Michail/Commissie

(Zaak C-268/08 P)

(2008/C 223/42)

Procestaal: Frans

Partijen

Rekwirant: Christos Michail (vertegenwoordiger C. Meïdanis, advocaat)

Andere partij in de procedure: Commissie van de Europese Gemeenschappen

Conclusies

de hogere voorziening ontvankelijk en gegrond te verklaren;

voor zover nodig, het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 16 april 2008 in zaak T-486/04 te vernietigen;

te beslissen over de kosten naar recht.

Middelen en voornaamste argumenten

Tot staving van zijn hogere voorziening voert rekwirant drie middelen aan.

Met zijn eerste middel stelt hij dat het Gerecht bij de uitlegging en de toepassing van het gemeenschapsrecht van een verkeerde rechtsopvatting is uitgegaan en niet heeft voldaan aan zijn verplichting om arresten te motiveren, aangezien het in het bestreden arrest heeft erkend dat de Commissie ertoe heeft bijgedragen dat rekwirant het gevoel heeft gekregen slachtoffer te zijn van psychisch geweld in de zin van artikel 12 bis van het Ambtenarenstatuut, maar zijn beroep niettemin ongegrond heeft verklaard.

Met zijn tweede middel verwijt hij het Gerecht dat het de aan zijn beoordeling voorgelegde feiten verkeerd heeft opgevat, met name door deze individueel en niet in de algehele context te onderzoeken en dat het een aantal fouten heeft gemaakt bij de juridische kwalificatie van die feiten.

Ten slotte levert hij met zijn derde middel kritiek op de beslissing van het Gerecht om de vele middelen die hij ter onderbouwing van zijn verzoekschrift had aangevoerd, onder meer ontleend aan schending van de artikelen 21 bis, 22 bis en 22 ter van het Statuut en de beginselen van gelijke behandeling en evenredigheid, wegens gebrek aan precisering niet-ontvankelijk te verklaren. Door zijn verzoekschrift in meerdere fragmenten te verdelen, heeft het Gerecht daaraan het belangrijkste deel van het voorwerp en de structuur ontnomen.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/27


Beroep ingesteld op 24 juni 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Bondsrepubliek Duitsland

(Zaak C-271/08)

(2008/C 223/43)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: G. Wilms en D. Kukovec, gemachtigden)

Verwerende partij: Bondsrepubliek Duitsland

Conclusies

vast te stellen dat de Bondsrepubliek Duitsland, doordat gemeentelijke overheden en bedrijven met meer dan 1 218 personeelsleden dienstenovereenkomsten inzake de bedrijfspensioenregeling zonder Europese aanbesteding rechtstreeks aan de in § 6 TV-EUmw/VKA genoemde organen en ondernemingen hebben gegund, tot en met 31 januari 2006 inbreuk heeft gemaakt op artikel 8, junctis de titels III tot en met VI, van richtlijn 92/50/EEG (1) en sinds 1 februari 2006 op artikel 20, junctis de artikelen 23 tot en met 55, van richtlijn 2004/18/EG (2);

de Bondsrepubliek Duitsland te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

In Duitsland kunnen werknemers van hun werkgevers verlangen dat een deel van hun toekomstige salaris, tot maximaal 4 % van de desbetreffende grondslag voor de premieheffing voor de algemene pensioenverzekering, in pensioenpremies wordt omgezet en aldus voor hun bedrijfspensioen wordt gebruikt. Volgens de collectieve arbeidsovereenkomst inzake de omzetting van salaris voor werknemers in gemeentelijke overheidsdienst (hierna: „CAO”) rust de verplichting tot de omzetting van salaris bij de gemeentelijke overheden c.q. bedrijven. De omzetting moet bij openbare organen voor aanvullend pensioen, respectievelijk door ondernemingen van de Sparkassen-Finanzgruppe of door gemeentelijke verzekeraars plaatsvinden. In de regel sluiten de gemeentelijke overheden c.q. bedrijven groepsverzekeringscontracten voor al hun werknemers af, waarmee met bovengenoemde organen een omzetting van het salaris in pensioenpremies wordt overeengekomen.

Volgens de gegevens waarover de Commissie beschikt, worden deze contracten inzake diensten op het gebied van bedrijfspensioenen door gemeentelijke overheden c.q. bedrijven zonder aanbesteding op Europese schaal rechtstreeks aan de in de CAO genoemde organen en ondernemingen gegund.

Diensten inzake bedrijfspensioenen vallen onder bijlage I A, categorie 6, bij richtlijn 92/50/EEG respectievelijk sinds 1 februari 2006 onder bijlage II, A, bij richtlijn 2004/18/EG. Het gaat daarbij om verzekeringsdiensten en diensten van pensioenfondsen, die niet tot de wettelijke sociale verzekeringen moeten worden gerekend. Derhalve zijn de betrokken opdrachten die worden gegund door gemeentelijke overheden — dus door aanbestedende diensten — overheidsopdrachten in de zin van de genoemde richtlijnen, te weten schriftelijke overeenkomsten onder bezwarende titel. Bovendien volgt uit de rechtspraak dat artikel 1, sub a, van richtlijn 92/50/EEG geen onderscheid maakt tussen opdrachten die door een aanbestedende dienst worden geplaatst ter vervulling van zijn taak om te voorzien in behoeften van algemeen belang, en die welke geen verband houden met deze taak. Het Hof heeft derhalve het concept van hoedanigheid van functionele aanbestedende dienst van de hand gewezen. De tegenwerping van Duitse zijde dat gemeentelijke overheden c.q. bedrijven bij de bedrijfspensioenregeling functioneel gezien geen overheidsopdrachten plaatsen in de zin van het aanbestedingsrecht, kan dus niet worden aanvaard.

Voorts is de Commissie van mening dat de betrokken opdrachten in aanzienlijke mate de relevante drempelwaarden overschrijden. Anders dan verweerster meent, moet bijvoorbeeld niet elk afzonderlijk contract aan deze berekening ten grondslag worden gelegd. Het gaat veeleer om de duur van de raamovereenkomst, aangezien de individuele afspraken tussen werknemer en werkgever niet het voorwerp zijn van de plaatsing van de opdracht in de zin van het communautaire aanbestedingsrecht. De in aanmerking te nemen waarde van een raamakkoord is dientengevolge gelijk aan de geraamde totale waarde zonder btw van alle opdrachten die zijn gepland voor de gehele looptijd van het raamakkoord. Volgens de berekeningen van de Commissie overschrijden ten minste 110 steden in de Bondsrepubliek Duitsland de drempelwaarde.

Gemeentelijke overheden en bedrijven hadden daarom dienstenovereenkomsten inzake de bedrijfspensioenregeling niet rechtstreeks aan de in de CAO genoemde organen en ondernemingen mogen gunnen, maar pas nadat een aanbesteding op Europese schaal had plaatsgevonden. Hieraan kan ook niet afdoen dat de doorbetaling van het salaris in de CAO wordt geregeld. In de eerste plaats volgt uit de rechtspraak van het Hof duidelijk dat er in het gemeenschapsrecht geen sprake is van een algemeen voorbehoud inzake de onderhandelingsautonomie, en in de tweede plaats kan de Commissie niet inzien dat het in het Duitse Grundgesetz verankerde beginsel van onderhandelingsautonomie op ontoelaatbare wijze wordt beperkt door de nakoming van voor aanbestedende diensten bestaande wettelijke verplichtingen bij het uitschrijven van opdrachten.


(1)  PB L 209, blz. 1.

(2)  PB L 134, blz. 114.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/28


Beroep ingesteld op 24 juni 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Bondsrepubliek Duitsland

(Zaak C-275/08)

(2008/C 223/44)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: G. Wilms en D. Kukovec, gemachtigden)

Verwerende partij: Bondsrepubliek Duitsland

Conclusies

vast te stellen dat de Bondsrepubliek Duitsland de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 6 juncto artikel 9 van richtlijn 93/36/EEG van de Raad van 14 juni 1993 (1), omdat het datacentrum Baden-Württemberg een overheidsopdracht voor de terbeschikkingstelling en het onderhoud van een software-applicatie heeft geplaatst zonder een aanbestedingsprocedure op Europees niveau te organiseren;

de Bondsrepubliek Duitsland te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Het voorwerp van het onderhavige beroep is de sluiting van een overeenkomst voor de terbeschikkingstelling van een voor de registratie van motorvoertuigen gebruikte software-applicatie tussen het datacentrum Baden-Württemberg en de Anstalt für Kommunale Datenverarbeitung in Bayern (AKDB). De betrokken gunningsbeslissing is genomen in het kader van een procedure van gunning via onderhandelingen zonder bekendmaking van een aankondiging van opdracht, waarbij uitsluitend met de AKDB is onderhandeld.

Volgens de Commissie is het feit dat de overeenkomst in Duitsland reeds het voorwerp van een beroepsprocedure in de zin van richtlijn 89/665/EEG vormde, irrelevant voor de vaststelling van een niet-nakoming, omdat er, gelet op zowel de doelstelling als de partijen en de afloop van de procedure, fundamentele verschillen bestaan tussen een beroepsprocedure voor de nationale rechter en een niet-nakomingsprocedure op grond van artikel 226 EG.

De betrokken overeenkomst betreft een overheidsopdracht voor leveringen in de zin van artikel 1, sub a, van richtlijn 93/36/EEG. De waarde van de opdracht bedraagt, voor zover de Commissie weet, ongeveer 1 miljoen EUR en overschrijdt derhalve in aanzienlijke mate de drempelwaarde van de richtlijn. Het datacentrum is een publiekrechtelijke rechtspersoon die is opgericht met de bijzondere, in het algemeen belang liggende doelstelling, de elektronische gegevensverwerking bij de overheid te coördineren en te ondersteunen. Zij staat bovendien overwegend onder de zeggenschap van de deelstaat Baden-Württemberg, die meer dan de helft van de leden van de raad van bestuur aanwijst. Zij is dus een aanbestedende dienst in de zin van artikel 1, sub b, van richtlijn 93/36/EEG die verplicht is tot inachtneming van de in de richtlijn vastgelegde procedures bij de plaatsing van overheidsopdrachten die binnen de werkingssfeer van deze richtlijn vallen. De omstandigheid dat het datacentrum en de AKDB beide publiekrechtelijke rechtspersonen zijn, is voor de toepasselijkheid van richtlijn 93/36/EEG zonder betekenis.

Voor zover de Commissie weet, is niet gebleken van feiten die een onderhandse gunning van de opdracht, bijvoorbeeld in de vorm van een procedure van gunning via onderhandelingen zonder voorafgaande bekendmaking van een aankondiging van opdracht, zouden rechtvaardigen. Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie is de procedure van gunning via onderhandelingen een uitzondering en mag deze alleen worden toegepast in „limitatief opgesomde” gevallen. De bewijslast met betrekking tot de buitengewone omstandigheden rust op de lidstaat die zich daarop wil beroepen. Aangezien verweerster deze bewijsplicht in het onderhavige geval evenwel niet is nagekomen, moet de Commissie concluderen dat de Bondsrepubliek Duitsland met de sluiting van de betrokken overeenkomst, zonder een aanbestedingsprocedure op Europees niveau te organiseren, in strijd met artikel 6 juncto artikel 9 van richtlijn 93/36/EEG betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen heeft gehandeld.


(1)  PB L 199, blz. 1.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/29


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Juzgado de lo Social no 23 de Madrid (Spanje) op 26 juni 2008 — Francisco Vicente Pereda/Madrid Movilidad, S.A.

(Zaak C-277/08)

(2008/C 223/45)

Procestaal: Spaans

Verwijzende rechter

Juzgado de lo Social no 23 de Madrid

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Francisco Vicente Pereda

Verwerende partij: Madrid Movilidad, S.A.

Prejudiciële vraag

„Dient artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88/EG (1) aldus te worden uitgelegd dat wanneer de in de planning van de onderneming vastgelegde vakantieperiode samenvalt met een tijdelijke arbeidsongeschiktheid als gevolg van een arbeidsongeval dat heeft plaatsgevonden vóór de geplande aanvangsdatum van die vakantieperiode, de getroffen werknemer na zijn ziekteverlof zijn vakantie kan nemen op andere data dan de eerst vastgestelde, ongeacht of het desbetreffende kalenderjaar al dan niet is verstreken?”


(1)  Richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (PB L 299, blz. 9).


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/30


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberste Gerichtshof (Oostenrijk) op 26 juni 2008 — Die Bergspechte Outdoor Reisen und Alpinschule Edi Koblmüller GmbH/Günter Guni en trekking.at Reisen GmbH

(Zaak C-278/08)

(2008/C 223/46)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Oberster Gerichtshof

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Die Bergspechte Outdoor Reisen und Alpinschule Edi Koblmüller GmbH

Verwerende partijen: Günter Guni en trekking.at Reisen GmbH

Prejudiciële vragen

1)

Moet artikel 5, lid 1, van de Eerste richtlijn (89/104/EEG) van de Raad van 21 december 1998 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (hierna: „richtlijn 89/104”) (1), aldus worden uitgelegd dat een merk op een aan de merkhouder voorbehouden wijze wordt gebruikt, wanneer het merk of een teken dat daarmee overeenkomt (bijvoorbeeld een woorddeel van een woord- en beeldmerk), bij een zoekmachine-aanbieder als keyword wordt geregistreerd, waardoor er reclame voor dezelfde of soortgelijke waren of diensten op het beeldscherm verschijnt wanneer het merk of een teken dat daarmee overeenkomt als zoekwoord in de zoekmachine wordt ingegeven?

2)

Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:

A)

Wordt er inbreuk gemaakt op het uitsluitende recht van de merkhouder wanneer bij het gebruik van een zoekwoord dat gelijk is aan het merk, reclame wordt gemaakt voor dezelfde waren of diensten, ongeacht of de opgeroepen reclame in de lijst van de zoekresultaten dan wel in een afgescheiden advertentieveld verschijnt, en of deze reclame als „gesponsorde koppelingen” is aangeduid?

B)

Kan bij het gebruik van een teken dat gelijk is aan het merk, voor soortgelijke waren of diensten, of bij het gebruik van een teken dat met het merk overeenkomt, voor dezelfde of soortgelijke waren of diensten het gevaar van verwarring reeds worden uitgesloten wanneer de reclame als „gesponsorde koppeling” is aangeduid en/of niet in de lijst van zoekresultaten, maar in een afgescheiden advertentieveld verschijnt?


(1)  PB 1989 L 40, blz. 1.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/30


Hogere voorziening ingesteld op 25 juni 2008 door de Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Vijfde kamer — Uitgebreid) van 10 april 2008 in zaak T-233/04, Koninkrijk der Nederlanden, ondersteund door Bondsrepubliek Duitsland tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen

(Zaak C-279/08 P)

(2008/C 223/47)

Procestaal: Nederlands

Partijen

Rekwirante: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: H. van Vliet, K. Gross en C. Urraca Gaviedes, gemachtigden)

Andere partijen in de procedure: Koninkrijk der Nederlanden, Bondsrepubliek Duitsland

Conclusies

De Commissie verzoekt het Hof van Justitie:

primair:

a)

het bestreden arrest te vernietigen

b)

het beroep tot nietigverklaring van de Beschikking niet-ontvankelijk te verklaren, en

c)

het Koninkrijk der Nederlanden te verwijzen in de kosten van de procedure voor het Gerecht en van de onderhavige hogere voorziening;

subsidiair:

a)

het bestreden arrest te vernietigen

b)

het beroep tot nietigverklaring van de Beschikking te verwerpen, en

c)

het Koninkrijk der Nederlanden te verwijzen in de kosten van de procedure voor het Gerecht en van de onderhavige hogere voorziening.

Middelen en voornaamste argumenten

In haar eerste middel stelt de Commissie dat het Gerecht het beroep van het Koninkrijk der Nederlanden ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard.

Naar de mening van de Commissie blijkt uit de rechtspraak van het Hof, en met name de beschikking van het Hof in zaak C-164/02, dat een lidstaat niet de vernietiging kan vragen van een beschikking van de Commissie waarin deze een door die lidstaat aangemelde steunmaatregel verenigbaar met de gemeenschappelijke markt verklaart.

In haar tweede middel (subsidiair) stelt de Commissie dat het Gerecht ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat de litigieuze maatregel niet selectief is, d.w.z. niet bepaalde ondernemingen begunstigt in de zin van Artikel 87 lid 1 EG. Verder betoogt de Commissie dat het Gerecht ten onrechte heeft geconcludeerd dat zelfs indien de maatregel selectief is, die toch geen staatssteun zou vormen vanwege het doel ervan, en omdat die maatregel gerechtvaardigd zou zijn door de aard en opzet van het stelsel.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/31


Hogere voorziening ingesteld op 26 juni 2008 door Deutsche Telekom AG tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Vijfde kamer — Uitgebreid) van 10 april 2008 in zaak T-271/03, Deutsche Telekom/Commissie

(Zaak C-280/08 P)

(2008/C 223/48)

Procestaal: Duits

Partijen

Rekwirante: Deutsche Telekom AG (vertegenwoordigers: U. Quack, Rechtsanwalt, S. Ohlhoff, Rechtsanwalt, en M. Hutschneider, Rechtsanwalt)

Andere partijen in de procedure: Commissie van de Europese Gemeenschappen, Arcor AG & Co. KG, Versatel NRW GmbH, voorheen Tropolys NRW GmbH, voorheen CityKom Münster GmbH Telekommunikationsservice, EWE TEL GmbH, HanseNet Telekommunikation GmbH, Versatel Nord-Deutschland GmbH, voorheen KomTel Gesellschaft für Kommunikations- und Informationsdienste mbH, NetCologne Gesellschaft für Telekommunikation mbH, Versatel Süd-Deutschland GmbH, voorheen tesion Telekommunikation GmbH, Versatel West-Deutschland GmbH & Co. KG, voorheen VersaTel Deutschland GmbH & Co. KG

Conclusies

het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 10 april 2008 in zaak T-271/03 te vernietigen;

beschikking 2003/707/EG (1) van de Commissie van 21 mei 2003, kennisgeving geschied onder nummer C(2003) 1536 def., nietig te verklaren;

subsidiair, de bij artikel 3 van de litigieuze beschikking van de Commissie aan Deutsche Telekom AG opgelegde geldboete naar eigen goeddunken te verlagen;

de Commissie te verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Rekwirante voert ter onderbouwing van haar hogere voorziening tegen voornoemd arrest de volgende middelen aan.

Het arrest maakt inbreuk op artikel 82 EG en is in strijd met het vertrouwensbeginsel, aangezien er in casu geen sprake is van een objectieve, toe te rekenen schending van die bepaling en evenmin van schuld van rekwirante. Het arrest houdt geen rekening met het herhaalde onderzoek naar de vermeende prijssqueeze dat de toentertijd voor de regulering van rekwirante bevoegde Duitse Regulierungsbehörde für Telekommunikation und Post (regelgevende instantie voor telecommunicatie en post; hierna: „RegTP”) op billijke wijze heeft verricht. De RegTP heeft herhaaldelijk onderzocht of er sprake was van een mededingingsverstorende prijssqueeze bij aansluitnetwerken en geconcludeerd dat dit niet het geval was. In een dergelijke situatie valt de bijzondere verantwoordelijkheid van de gereguleerde onderneming voor de marktstructuur gedeeltelijk samen met de verantwoordelijkheid van de bevoegde regelgevende instantie en wordt zij door deze beperkt. Rekwirante mocht, gelet op de regelgevende besluiten, ervan uitgaan dat haar handelwijze niet mededingingsverstorend was. De veronderstelling dat rekwirante de vermeende prijssqueeze had kunnen verminderen door haar ADSL-tarieven te verhogen, druist in tegen de eigen opvatting van het Gerecht dat een „kruissubsidiëring” tussen verschillende markten bij het onderzoek naar een prijssqueeze buiten beschouwing moest blijven. Bovendien heeft het Gerecht ten onrechte niet gekritiseerd dat de Commissie niet heeft onderzocht of een verhoging van de ADSL-tarieven de vermeende prijssqueeze eigenlijk wel had verminderd.

Het arrest maakt ook inbreuk op artikel 82 EG omdat het Gerecht de voorwaarden voor toepassing van dit voorschrift onjuist heeft onderzocht. Een analyse van de prijssqueeze zoals de onderhavige kan op voorhand niet strekken tot het bewijs van misbruik. Werd het bedrag voor intermediair verbruik door de bevoegde regelgevende instantie (zoals hier) op bindende wijze vastgesteld, dan zou deze analyse zelf tot mededingingsverstorende resultaten kunnen leiden.

Het Gerecht heeft in dit verband ook zijn motiveringsplicht geschonden.

Het bestreden arrest geeft ook in verband met het onderzoek naar de door de Commissie gehanteerde methode voor de berekening van de prijssqueeze op meerdere belangrijke punten blijk van een onjuiste rechtsopvatting. In de eerste plaats omdat de zogenoemde „As-Efficient-Competitor-test”, die het Gerecht als algemeen geldige vergelijkingsbasis heeft gebruikt, hoe dan ook ontoelaatbaar is wanneer de onderneming met een machtspositie op de markt en haar concurrenten (zoals hier) onder verschillende regelgevende en feitelijke mededingingsvoorwaarden werkzaam zijn. In de tweede plaats omdat de analyse van de prijssqueeze enkel rekening houdt met de tarieven voor aansluitingen, terwijl de tarieven voor andere, op dezelfde dienst op intermediair niveau gebaseerde telecommunicatiediensten (in het bijzonder gesprekken) buiten beschouwing blijven. Ook de vaststellingen in het arrest met betrekking tot de gevolgen van de vermeende prijssqueeze geven op meerdere punten blijk van onjuiste rechtsopvattingen en in het arrest is geen onderzoek gedaan naar het causale verband tussen de vermeende prijssqueeze en de vaststellingen van het Gerecht ten aanzien van de marktstructuur.

Het arrest gaat om te beginnen voorbij aan de vereisten die artikel 253 EG stelt aan de motivering van beschikkingen van de Commissie.

Ten slotte heeft het Gerecht ook artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 onjuist toegepast door de berekening van het bedrag van de geldboete door de Commissie niet te kritiseren, hoewel de Commissie ten onrechte is uitgegaan van een zware inbreuk, de sectorspecifieke regeling van de tarieven van rekwirante niet op adequate wijze in aanmerking heeft genomen en hooguit een symbolische boete had mogen opleggen. Daardoor heeft het Gerecht verzuimd op juridisch correcte wijze alle relevante factoren in aanmerking te nemen en op rechtens genoegzame wijze in te gaan op de argumenten van rekwirante voor opheffing of verlaging van de geldboete.


(1)  PB L 263, blz. 9.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/32


Beroep ingesteld op 27 juni 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Koninkrijk der Nederlanden

(Zaak C-283/08)

(2008/C 223/49)

Procestaal: Nederlands

Partijen

Verzoekster: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: W. Roels en W. Wils, gemachtigden)

Verweerder: Koninkrijk der Nederlanden

Conclusies

vast te stellen dat het Koninkrijk der Nederlanden, door niet de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te treffen om te voldoen aan Richtlijn 2005/29/EG (1) van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van Richtlijn 84/450/EEG van de Raad, Richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad („Richtlijn oneerlijke handelspraktijken”), of althans deze de Commissie niet mede te delen, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen;

het Koninkrijk der Nederlanden in de kosten te verwijzen.

Middelen en voornaamste argumenten

De termijn voor omzetting van de richtlijn in nationaal recht is op 12 juni 2007 verstreken.


(1)  PB L 149, blz. 22.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/32


Beroep ingesteld op 27 juni 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland

(Zaak C-284/08)

(2008/C 223/50)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: W. Roels en W. Wils, gemachtigden)

Verwerende partij: Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland

Conclusies

vast te stellen dat het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland in zijn gebied Gibraltar de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens richtlijn 2005/29/EG (1) van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad („richtlijn oneerlijke handelspraktijken”), door niet alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan deze richtlijn, althans door deze bepalingen niet aan de Commissie mee te delen;

het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De termijn voor omzetting van de richtlijn in nationaal recht is op 12 juni 2007 verstreken.


(1)  PB L 149, blz. 22.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/33


Beroep ingesteld op 30 juni 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Helleense Republiek

(Zaak C-286/08)

(2008/C 223/51)

Procestaal: Grieks

Partijen

Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: M. Patakia en J.-B. Laignelot)

Verwerende partij: Helleense Republiek

Conclusies

vast te stellen dat de Helleense Republiek, door niet binnen een redelijke termijn een plan voor het beheer van gevaarlijke afvalstoffen op te stellen en goed te keuren dat voldoet aan de vereisten van de relevante gemeenschapsregeling, en door geen geïntegreerd en toereikend net van verwijderingsinstallaties voor gevaarlijke afvalstoffen op te zetten dat de verwijdering daarvan met de meest geschikte methodes en een hoog niveau van bescherming van het milieu en de volksgezondheid mogelijk maakt, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 1, lid 2, en 6 van richtlijn 91/689/EEG (1) betreffende gevaarlijke afvalstoffen, in samenhang met de artikelen 5, leden 1 en 2, en 7, lid 1, van richtlijn 2006/12/EG (2) (voorheen richtlijn 75/442/EEG betreffende afvalstoffen, zoals gewijzigd bij richtlijn 91/156/EEG);

vast te stellen dat de Helleense Republiek, door niet alle nodige maatregelen te treffen om, wat het beheer van gevaarlijke afvalstoffen betreft, de inachtneming te verzekeren van de artikelen 4 en 8 van richtlijn 2006/12/EG (voorheen richtlijn 75/442/EEG, zoals gewijzigd bij richtlijn 91/156/EEG) alsook van de artikelen 3, lid 1, 6, 7, 8, 9, 13 en 14 van richtlijn 99/31/EG (3) betreffende het storten van afvalstoffen, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 1, lid 2, van richtlijn 91/689/EEG, betreffende gevaarlijke afvalstoffen, in samenhang met het bepaalde in de artikelen 4 en 8 van richtlijn 2006/12/EG (voorheen richtlijn 75/442/EEG betreffende afvalstoffen, zoals gewijzigd bij richtlijn 91/156/EEG), en evenmin de verplichtingen die op haar rusten krachtens de artikelen 3, lid 1, 6, 7, 8, 9, 13 en 14 van richtlijn 99/31/EG betreffende het storten van afvalstoffen;

de Helleense Republiek te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Na onderzoek van de door de Helleense Republiek meegedeelde wetgevende maatregelen inzake het beheer van gevaarlijke afvalstoffen en meer bepaald van het Nationale Beheersplan, heeft de Commissie vastgesteld dat die niet voldoen aan de vereisten van het gemeenschapsrecht inzake het beheer van gevaarlijke afvalstoffen.

Meer bepaald vertoont het Nationale Beheersplan lacunes, aangezien het zich beperkt tot richtsnoeren die nadere uitwerking behoeven en niet voldoen aan het vereiste van „voldoende nauwkeurigheid”, zulks in strijd met de artikelen 1, lid 2, en 6, lid 1, van richtlijn 91/689/EEG in samenhang met artikel 7, lid 1, van richtlijn 2006/12/EG (voorheen richtlijn 75/442/EEG).

Ook voorziet het Nationale Beheersplan niet in een geïntegreerd toereikend net van verwijderingsinstallaties, aangezien de geschikte infrastructuur ontbreekt, er geen ramingen betreffende het vereiste niveau van behandelingscapaciteit bestaan en er lacunes zijn in de inrichting en de geografische locatie van de geschikte terreinen, zulks in strijd met artikel 1, lid 2, van richtlijn 91/689/EEG in samenhang met artikel 5 van richtlijn 2006/12/EG (voorheen richtlijn 75/442/EEG).

Bovendien is vastgesteld dat het bij de verwijdering van gevaarlijke afvalstoffen in Griekenland in de praktijk meestal gaat om „tijdelijke opslag”, die echter, wegens de vernieuwing van de betrokken vergunningen zonder dat er geschikte stortplaatsen zijn, permanent is geworden. Bijgevolg zijn niet de passende maatregelen getroffen voor de veilige definitieve verwijdering van gevaarlijke afvalstoffen op een wijze die de gezondheid van de mens niet in gevaar brengt en het milieu niet schaadt, zulks in strijd met artikel 1, lid 2, van richtlijn 91/689/EEG, in samenhang met het bepaalde in de artikelen 4 en 8 van richtlijn 2006/12/EG (voorheen richtlijn 75/442/EEG), en met de artikelen 3, lid 1, 6, 7, 8, 9, 13 en 14 van richtlijn 99/31/EG betreffende het storten van afvalstoffen.


(1)  PB L 377 van 31.12.1991, blz. 20.

(2)  PB L 114 van 27.4.2006, blz. 9.

(3)  PB L 182 van 16.7.1999, blz. 1.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/33


Beroep ingesteld op 1 juli 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Groothertogdom Luxemburg

(Zaak C-289/08)

(2008/C 223/52)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: G. Rozet en A. Sipos, gemachtigden)

Verwerende partij: Groothertogdom Luxemburg

Conclusies

vast te stellen dat het Groothertogdom Luxemburg, door geen extern noodplan op te stellen voor de maatregelen die moeten worden genomen buiten de inrichtingen die vallen onder artikel 9 van richtlijn 96/82/EG van de Raad van 9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken (1), de krachtens artikel 11, lid 1, sub c, van deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen;

het Groothertogdom Luxemburg te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Verzoekster stelt dat het opstellen van externe noodplannen voor de maatregelen die moeten worden genomen buiten de inrichtingen die vallen onder artikel 9 van richtlijn 96/82/EG, een fundamenteel vereiste van deze richtlijn is. Het Groothertogdom Luxemburg is de krachtens de richtlijn op hem rustende verplichtingen niet nagekomen, aangezien het dergelijke plannen niet heeft opgesteld voor acht op zijn grondgebied gevestigde operationele inrichtingen.


(1)  PB 1997, L 10, blz. 13.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/34


Beroep ingesteld op 2 juli 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Republiek Finland

(Zaak C-293/08)

(2008/C 223/53)

Procestaal: Fins

Partijen

Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: M. Condou-Durande en I. Koskinen, gemachtigden)

Verwerende partij: Republiek Finland

Conclusies

vast te stellen dat de Republiek Finland, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (1), althans door deze bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;

de Republiek Finland te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De termijn voor omzetting van de richtlijn in nationaal recht is op 10 oktober 2006 verstreken.


(1)  PB L 304, blz. 12.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/34


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Cour d'appel de Montpellier (Frankrijk) op 3 juli 2008 — Ministère public/Ignacio Pédro Santesteban Goicoechea

(Zaak C-296/08)

(2008/C 223/54)

Procestaal: Frans

Verwijzende rechter

Cour d'appel de Montpellier

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Ministère public

Verwerende partij: Ignacio Pédro Santesteban Goicoechea

Prejudiciële vragen

1)

Heeft de omstandigheid dat een lidstaat, in casu Spanje, heeft nagelaten krachtens artikel 31, lid 2, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (1), kennis te geven van zijn bedoeling om bilaterale of multilaterale overeenkomsten te blijven toepassen, gelet op de in artikel 31 van dit kaderbesluit gebruikte uitdrukking „in de plaats komen” tot gevolg dat die lidstaat in zijn betrekkingen met een andere lidstaat, in casu Frankrijk, die een verklaring krachtens artikel 32 van het kaderbesluit heeft afgelegd, geen gebruik kan maken van andere procedures dan die van het Europese aanhoudingsbevel?

2)

Indien die vraag ontkennend wordt beantwoord: Kan de uitvoerende staat op basis van het voorbehoud dat hij heeft gemaakt, een overeenkomst toepassing laten vinden die dateert van 27 september 1996, dus van voor 1 januari 2004, maar die in die uitvoerende staat na deze — in artikel 32 van het kaderbesluit bedoelde — datum 1 januari 2004 in werking is getreden?


(1)  Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB L 190, blz. 1).


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/35


Beroep ingesteld op 3 juli 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Italiaanse Republiek

(Zaak C-297/08)

(2008/C 223/55)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: C. Zadra, D. Recchia en J.-B. Laignelot, gemachtigden)

Verwerende partij: Italiaanse Republiek

Conclusies

vaststellen dat de Italiaanse Republiek, door, wat de regio Campania betreft, niet alle maatregelen vast te stellen die noodzakelijk zijn om ervoor te zorgen dat de nuttige toepassing of de verwijdering van de afvalstoffen plaatsvindt zonder gevaar voor de gezondheid van de mens en zonder nadelige gevolgen voor het milieu, en inzonderheid door geen geïntegreerd en toereikend net van verwijderingsinstallaties op te zetten, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 4 en 5 van richtlijn 2006/12/EG (1) van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende afvalstoffen;

de Italiaanse Republiek verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Het onderhavige beroep van de Commissie strekt tot veroordeling van de Italiaanse Republiek, op grond dat deze in de regio Campania geen geïntegreerd en toereikend net van verwijderingsinstallaties heeft opgezet dat het mogelijk maakt zelfverzorgend te worden op het gebied van afvalverwijdering en is gebaseerd op het nabijheidscriterium. De aangevoerde inbreuk is, zoals de Italiaanse autoriteiten dit in de officiële mededelingen zelf hebben erkend, een bron van gevaar voor de gezondheid van de mens en voor het milieu, en maakt bijgevolg inbreuk op de artikelen 4 en 5 van richtlijn 2006/12/EG.


(1)  PB L 114, blz. 9.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/35


Beroep ingesteld op 3 juli 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Helleense Republiek

(Zaak C-298/08)

(2008/C 223/56)

Procestaal: Grieks

Partijen

Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: N. Yerrell en I. Chatzigiannis, gemachtigden)

Verwerende partij: Helleense Republiek

Conclusies

vast te stellen dat de Helleense Republiek, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 2006/22/EG (1) van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 inzake minimumvoorwaarden voor de uitvoering van de verordeningen (EEG) nr. 3820/85 en (EEG) nr. 3821/85 van de Raad betreffende voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer en tot intrekking van richtlijn 88/599/EEG van de Raad, althans door deze bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens die richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;

de Helleense Republiek te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De termijn voor omzetting van de richtlijn in nationaal recht is op 1 april 2007 verstreken.


(1)  PB L 102 van 11.4.2006, blz. 35.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/36


Hogere voorziening ingesteld op 7 juli 2008 door Leche Celta, SL tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Derde kamer) van 23 april 2008 in zaak T-35/07, Leche Celta/BHIM

(Zaak C-300/08 P)

(2008/C 223/57)

Procestaal: Frans

Partijen

Rekwirante: Leche Celta, SL (vertegenwoordigers: J. Calderón Chavero, abogado, T. Villate Consonni, abogada)

Andere partijen in de procedure: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen), Celia SA

Conclusies

vernietiging van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Derde kamer) van 23 april 2008 in zaak T-35/07 met het oog op een duidelijke vaststelling van de onverenigbaarheid van de merken CELIA/CELTA;

verwijzing in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Met haar hogere voorziening komt rekwirante in wezen op tegen het oordeel van het Gerecht betreffende de overeenstemming tussen de betrokken merken. Volgens het Gerecht stemmen deze twee merken zodanig met elkaar overeen dat het relevante publiek niet in staat is het verschil ertussen te zien, temeer daar de door deze merken aangeduide waren dezelfde zijn. Het Gerecht heeft dus verschillende beoordelingsfouten gemaakt door te oordelen dat de conflicterende tekens in geringe mate verbaal en begripsmatig overeenstemmen.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/36


Beroep ingesteld op 9 juli 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Koninkrijk Spanje

(Zaak C-306/08)

(2008/C 223/58)

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: A. Alcover San Pedro en D. Kukovec, gemachtigden)

Verwerende partij: Koninkrijk Spanje

Conclusies

vast te stellen dat het Koninkrijk Spanje:

bij de gunning van de geïntegreerde actieprogramma's overeenkomstig wet 6/1994 van 15 november 1994 tot regeling van de stedenbouwkundige activiteiten in de autonome regio Valencia, de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens richtlijn 93/37/EEG (1) van de Raad van 14 juni 1993 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken, met name de artikelen 1, 6, lid 6, 11, 12, en titel II van hoofdstuk IV (artikelen 24-29);

bij de gunning van de geïntegreerde actieprogramma's overeenkomstig wet 16/2005 van 12 mei 2005, stedenbouwkundige regeling van Valencia, die is uitgevoerd bij het regionale decreet van Valencia 67/2006 houdende vaststelling van de verordening inzake ruimtelijke en stedenbouwkundige ordening en beheer, de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens de artikelen 2, 6, 24, 30, 31, lid 4, sub a, 48, lid 2, en 53 van richtlijn 2004/18/EG (2) van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten.

het Koninkrijk Spanje te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De Commissie merkt op dat de gunning van de geïntegreerde actieprogramma's (Programas de Actuación Integrada; hierna: „PAI”), een maatregel voor stedenbouwkundige ontwikkeling vastgesteld bij wet 6/1994 van 15 november 1994 tot regeling van de stedenbouwkundige activiteiten in de autonome regio Valencia (LRAU), en de opvolger daarvan, wet 16/2005, stedenbouwkundige regeling van Valencia (LUV), betrekking hebben op openbare werken die volgens de bepalingen van de richtlijnen 93/37/EEG en 2004/18/EG moeten worden gegund. Met andere woorden, de Commissie stelt dat de PAI door plaatselijke lichamen gegunde overheidsopdrachten voor werken zijn, die de uitvoering omvatten van openbare infrastructuurwerken door stedenbouwkundigen die door de plaatselijke autoriteiten zijn uitgekozen.

De Commissie is van mening dat de LUV in verschillende opzichten inbreuk maakt op de communautaire richtlijnen inzake overheidsopdrachten, onder meer met betrekking tot de bevoorrechte positie van de eerste inschrijver, de ervaring van de inschrijvers met soortgelijke opdrachten, de indiening van alternatieven voor het voorstel van de eerste inschrijver in een open envelop, de regeling van de variabelen, de gunningcriteria van de PAI, de mogelijkheid om de opdracht na de gunning ervan te wijzigen (bijvoorbeeld de mogelijkheid om de stedenbouwkundige lasten te verhogen) en de regeling van de gevallen van onvolledige uitvoering van de opdracht door de inschrijver waaraan de opdracht is gegund. Sommige van die inbreuken betreffen de LRAU en de LUV, andere alleen de LUV.


(1)  PB L 199, blz. 54.

(2)  PB L 134, blz. 114.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/37


Beroep ingesteld op 10 juli 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Koninkrijk Spanje

(Zaak C-308/08)

(2008/C 223/59)

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: S. Pardo Quintillán en D. Recchia, gemachtigden)

Verwerende partij: Koninkrijk Spanje

Conclusies

vast te stellen dat het Koninkrijk Spanje in verband met het project voor de verbetering van de veldweg van Villamanrique de la Condesa (Sevilla) naar El Rocío (Huelva) niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op hem rusten krachtens richtlijn 92/43/EEG (1) van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie in de arresten van 13 januari 2005 in zaak C-117/03 en 14 september 2006 in zaak C-244/05, alsmede aan de verplichtingen ingevolge artikel 12, lid 4, van die richtlijn;

het Koninkrijk Spanje te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Volgens de Commissie heeft het Koninkrijk Spanje, door het project voor de verbetering van de veldweg van Villamanrique de la Condesa (Sevilla) naar El Rocío (Huelva) te realiseren zonder tegelijkertijd adequate beschermingsmaatregelen te treffen, niet voldaan aan de verplichtingen die op hem rusten krachtens richtlijn 92/43/EEG, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie in de arresten van 13 januari 2005 in zaak C-117/03 en 14 september 2006 in zaak C-244/05, alsmede aan de verplichtingen ingevolge artikel 12, lid 4, van die richtlijn.


(1)  PB L 206, blz. 7.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/37


Beroep ingesteld op 14 juli 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland

(Zaak C-312/08)

(2008/C 223/60)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordiger: H. Støvlbæk, gemachtigde)

Verwerende partij: Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland

Conclusies

vaststellen dat het Verenigd Koninkrijk, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 2006/100/EG van de Raad van 20 november 2006 tot aanpassing van een aantal richtlijnen op het gebied van het vrije verkeer van personen, in verband met de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië (1), althans door deze bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen;

het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De termijn voor omzetting van de richtlijn in nationaal recht is op 1 januari 2007 verstreken.


(1)  PB L 363, blz. 141.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/37


Beroep ingesteld op 14 juli 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Italiaanse Republiek

(Zaak C-313/08)

(2008/C 223/61)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: E. Vesco en P. Dejmek, gemachtigden)

Verwerende partij: Italiaanse Republiek

Conclusies

vaststellen dat de Italiaanse Republiek, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan artikel 1, leden 4, 5 en 6, van richtlijn 2003/58/EG (1) van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2003 tot wijziging van richtlijn 68/151/EEG van de Raad met betrekking tot de openbaarmakingsvereisten voor bepaalde soorten ondernemingen, althans door deze bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;

de Italiaanse Republiek verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De termijn voor omzetting van de richtlijn in nationaal recht is op 30 december 2006 verstreken.


(1)  PB L 221, blz. 13.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/38


Beroep ingesteld op 15 juli 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Koninkrijk Spanje

(Zaak C-321/08)

(2008/C 223/62)

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: W. Wils en E. Adsera Ribera, gemachtigden)

Verwerende partij: Koninkrijk Spanje

Conclusies

vast te stellen dat het Koninkrijk Spanje, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 2005/29/EG (1) van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad („richtlijn oneerlijke handelspraktijken”), althans door deze bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen;

het Koninkrijk Spanje te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De termijn voor omzetting van richtlijn 2005/29 in nationaal recht is op 12 juni 2007 verstreken.


(1)  PB L 149, blz. 22.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/38


Beroep ingesteld op 15 juli 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Koninkrijk Zweden

(Zaak C-322/08)

(2008/C 223/63)

Procestaal: Zweeds

Partijen

Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: M. Condou-Durande en J. Enegren, gemachtigden)

Verwerende partij: Koninkrijk Zweden

Conclusies

vast te stellen dat het Koninkrijk Zweden, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 2004/83/EG (1) van de Raad van 29 april 2004, althans door deze bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen;

het Koninkrijk Zweden te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De termijn voor omzetting van de richtlijn in nationaal recht is op 10 oktober 2006 verstreken.


(1)  Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming, PB L 304, blz. 12.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/38


Beroep ingesteld op 16 juli 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Bondsrepubliek Duitsland

(Zaak C-326/08)

(2008/C 223/64)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: W. Wils en B. Kotschy, gemachtigden)

Verwerende partij: Bondsrepubliek Duitsland

Conclusies

vaststellen dat de Bondsrepubliek Duitsland, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 2005/29/EG (1), althans door deze bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens artikel 19 van deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;

de Bondsrepubliek Duitsland verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De termijn voor omzetting van de richtlijn in nationaal recht is op 12 juni 2007 verstreken.


(1)  Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad („richtlijn oneerlijke handelspraktijken”); PB L 149, blz. 22.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/39


Beroep ingesteld op 18 juli 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Italiaanse Republiek

(Zaak C-334/08)

(2008/C 223/65)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: A. Aresu en A. Caeiros, gemachtigden)

Verwerende partij: Italiaanse Republiek

Conclusies

vaststellen dat de Italiaanse Republiek de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 10 EG, artikel 8 van besluit 2000/597/EG (1), Euratom van de Raad van 29 september 2000 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen en de artikelen 2, 6, 10, 11 en 17 van verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 (2) van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van besluit 94/728/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen, door te weigeren de eigen middelen in verband met de douaneschuld die voortvloeit uit de afgifte door de Direzione compartimentale delle dogane per le Regioni Puglia e Basilicata te Bari op 27 februari 1997 van onrechtmatige vergunningen voor het oprichten en beheren van douane-entrepots van type C te Taranto en daaraanvolgend van vergunningen voor verwerking onder douanetoezicht en actieve veredeling tot aan de intrekking daarvan op 4 december 2002, ter beschikking van de Commissie te stellen;

de Italiaanse Republiek verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Met het onderhavige beroep komt de Europese Commissie op tegen de weigering van de Italiaanse regering om eigen middelen ten belope van ongeveer 23 miljoen euro, die verband houden met een aantal onrechtmatige douanevergunningen die in de periode van februari 1997 tot december 2002 te Taranto zijn afgegeven, ter beschikking van de Europese Gemeenschappen te stellen.

Het geschil betreft in wezen de aansprakelijkheid voor de inkomsten die ten gevolge van de betrokken onrechtmatige verrichtingen niet zijn geïnd. De Italiaanse regering stelt dat zij niet aansprakelijk voor de inkomsten die ten gevolge van bovengenoemde onrechtmatige handelingen zijn misgelopen, omdat deze handelingen uitsluitend zijn toe te rekenen aan de ambtenaren die de schade hebben veroorzaakt, terwijl de Commissie van oordeel is dat volgens de geldende communautaire regeling de Italiaanse Staat instaat voor de financiële gevolgen van de handelingen — daaronder begrepen de onrechtmatige handelingen — van de ambtenaren die in haar naam en voor haar rekening handelen.


(1)  PB L 253, blz. 42.

(2)  PB L 130, blz. 1.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/39


Beschikking van de president van het Hof van 30 april 2008 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Verwaltungsgerichtshof — Oostenrijk) — Josef Holzinger/Bundesministerin für Bildung, Wissenschaft und Kultur

(Zaak C-332/07) (1)

(2008/C 223/66)

Procestaal: Duits

De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 269 van 10.11.2007.


Gerecht van eerste aanleg

30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/40


Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 26 juni 2008 — Gibtelecom/Commissie

(Gevoegde zaken T-433/03, T-434/03, T-367/04 en T-244/05) (1)

(„Mededinging - Telecommunicatie - Besluiten waarbij op artikel 86 EG gebaseerde klachten ad acta worden gelegd - Ontbreken van standpuntbepaling van Commissie over op artikel 86 EG gebaseerde klachten - Beroep tot nietigverklaring - Beroep wegens nalaten - Geding tijdens procedure zonder voorwerp geraakt - Afdoening zonder beslissing’)

(2008/C 223/67)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Gibtelecom Ltd. (Gibraltar) (vertegenwoordigers: M. Llamas, barrister, en B. O'Connor, solicitor)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: aanvankelijk F. Castillo de la Torre en A. Whelan, vervolgens F. Castillo de la Torre, gemachtigden)

Voorwerp

In de eerste plaats vordering tot nietigverklaring van de vermeende besluiten van de Commissie van 17 oktober 2003, 5 juli 2004 en 26 april 2005 om twee klachten ad acta te leggen waarbij de Commissie is verzocht om krachtens artikel 86, lid 3, EG op te treden om een einde te maken aan beweerdelijk door het Koninkrijk Spanje begane schendingen van het gemeenschapsrecht, en in de tweede plaats vordering tot vaststelling overeenkomstig artikel 232 EG dat de Commissie, door geen standpunt te bepalen over het gevolg dat zij voornemens was te geven aan bepaalde aspecten van een van bovengenoemde klachten, de krachtens het gemeenschapsrecht op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen

Dictum

1)

Op de beroepen behoeft niet te worden beslist.

2)

Op het door het Koninkrijk Spanje in zaak T-367/04 ingediende verzoek om tussenkomst behoeft niet te worden beslist.

3)

Gibtelecom Ltd en de Commissie zullen elk hun eigen kosten dragen.


(1)  PB C 59 van 6.3.2004.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/40


Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 14 juli 2008 — Espinosa Labella e.a./Commissie

(Zaak T-322/06) (1)

(Beroep tot nietigverklaring - Richtlijn 92/43/EEG - Instandhouding van natuurlijke habitats en van wilde flora en fauna - Beschikking 2006/613/EG - Lijst van gebieden van communautair belang voor mediterrane biogeografische regio - Handeling waartegen kan worden opgekomen - Niet rechtstreeks geraakt - Niet-ontvankelijkheid)

(2008/C 223/68)

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partijen: Manuel José Espinosa Labella (Almería, Spanje), Josefa Labella Dávalos (Almería), María Pilar Espinosa Labella (Almería), María José Espinosa Labella (Almería), Tomasa Peñuela Ortiz (Almería), Tomás Espinosa Peñuela (Almería), Francisco José Espinosa Peñuela (Mairena del Aljarafe, Spanje), Juan Manuel Espinosa Peñuela (Madrid, Spanje), María Lourdes Espinosa Peñuela (Almería), Adela Espinosa Peñuela (Almería), Jorge Jesús Espinosa Peñuela (Almería), erfgenamen van Rafael Espinosa Peñuela (Almería) (vertegenwoordiger: M. J. Rovira Daudí, advocaat)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: A. Alcover San Pedro en D. Recchia, gemachtigden)

Interveniënte aan de zijde van verwerende partij: Koninkrijk Spanje (vertegenwoordiger: F. Díez Moreno, abogado del Estado)

Voorwerp

Nietigverklaring van beschikking 2006/613/EG van de Commissie van 19 juli 2006 tot vaststelling, op grond van richtlijn 92/43/EEG van de Raad, van de lijst van gebieden van communautair belang voor de mediterrane biogeografische regio (PB L 259, blz. 1), voor zover deze het gebied genaamd „Artos de El Ejido”, waarin terreinen van verzoekers zijn gelegen, aanwijst als gebied van communautair belang voor de mediterrane biogeografische regio.

Dictum

1)

Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.

2)

Manuel José Espinosa Labella, Josefa Labella Dávalos, María Pilar Espinosa Labella, María José Espinosa Labella, Tomasa Peñuela Ortiz, Tomás Espinosa Peñuela, Francisco José Espinosa Peñuela, Juan Manuel Espinosa Peñuela, María Lourdes Espinosa Peñuela, Adela Espinosa Peñuela, Jorge Jesús Espinosa Peñuela en de erfgenamen van Rafael Espinosa Peñuela worden verwezen in hun eigen kosten en in de kosten van de Commissie.

3)

Het Koninkrijk Spanje zal zijn eigen kosten dragen.


(1)  PB C 326 van 30.12.2006.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/41


Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 14 juli 2008 — Fresyga/Commissie

(Zaak T-323/06) (1)

(Beroep tot nietigverklaring - Richtlijn 92/43/EEG - Instandhouding van natuurlijke habitats en van wilde flora en fauna - Beschikking 2006/613/EG - Lijst van gebieden van communautair belang voor mediterrane biogeografische regio - Handeling waartegen kan worden opgekomen - Niet rechtstreeks geraakt - Niet-ontvankelijkheid)

(2008/C 223/69)

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Fresyga, SA (Almería, Spanje) (vertegenwoordiger: M. J. Rovira Daudí, advocaat)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: A. Alcover San Pedro en D. Recchia, gemachtigden)

Voorwerp

Nietigverklaring van beschikking 2006/613/EG van de Commissie van 19 juli 2006 tot vaststelling, op grond van richtlijn 92/43/EEG van de Raad, van de lijst van gebieden van communautair belang voor de mediterrane biogeografische regio (PB L 259, blz. 1), voor zover deze het gebied genaamd „Ramblas de Gergal, Tabernas y Sur de Sierra Alhamilla”, waarin een terrein van verzoekster is gelegen, aanwijst als gebied van communautair belang voor de mediterrane biogeografische regio

Dictum

1)

Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.

2)

Fresyga, SA wordt verwezen in haar eigen kosten en in de kosten van de Commissie.


(1)  PB C 326 van 30.12.2006.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/41


Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 14 juli 2008 — Complejo Agrícola/Commissie

(Zaak T-345/06) (1)

(„Beroep tot nietigverklaring - Richtlijn 92/43/EEG - Instandhouding van natuurlijke habitats en wilde flora en fauna - Beschikking 2006/613/EG - Lijst van gebieden van communautair belang voor mediterrane biogeografische regio - Handeling die vatbaar is voor beroep - Niet rechtstreeks geraakt - Niet-ontvankelijkheid’)

(2008/C 223/70)

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Complejo Agrícola, SA (Madrid, Spanje) (vertegenwoordigers: A. Menéndez Menéndez en G. Yanguas Montero, advocaten)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: A. Alcover San Pedro en D. Recchia, gemachtigden)

Interveniënt aan de zijde van verwerende partij: Koninkrijk Spanje (vertegenwoordiger: F. Díez Moreno, abogado del Estado)

Voorwerp

Gedeeltelijke nietigverklaring van artikel 1 van en bijlage 1 bij beschikking 2006/613/EG van de Commissie van 19 juli 2006 tot vaststelling, op grond van richtlijn 92/43/EEG van de Raad, van de lijst van gebieden van communautair belang voor de mediterrane biogeografische regio (PB L 259, blz. 1), voor zover daarin het gebied „Acebuchales de la Campiña sur de Cádiz”, waar een landbouwbedrijf is gelegen waarvan verzoekster eigenares is, als gebied van communautair belang is aangewezen.

Dictum

1)

Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.

2)

Complejo Agrícola, SA wordt verwezen in haar eigen kosten en in die van de Commissie.

3)

Het Koninkrijk Spanje zal zijn eigen kosten dragen.


(1)  PB C 20 van 27.1.2007.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/42


Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 4 juli 2008 — Wegenbouwmaatschappij J. Heijmans/Commissie

(Zaak T-358/06) (1)

(„Beroep tot nietigverklaring - Beschikking tot vaststelling van inbreuk op artikel 81 EG - Beroep ingesteld door onderneming die wordt vermeld in motivering van beschikking die niet tot haar is gericht - Geen procesbelang - Niet-ontvankelijkheid’)

(2008/C 223/71)

Procestaal: Nederlands

Partijen

Verzoekende partij: Wegenbouwmaatschappij J. Heijmans BV (Rosmalen, Nederland) (vertegenwoordigers: M. Smeets en A. Van den Oord, advocaten)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: A. Bouquet en A. Nijenhuis, gemachtigden, bijgestaan door F. Wijckmans, F. Tuytschaever en L. Gyselen, advocaten)

Voorwerp

Beroep tot nietigverklaring van beschikking 2007/534/EG van de Commissie van 13 september 2006 inzake een procedure op grond van artikel 81 EG [zaak nr. COMP/38.456 — Bitumen (Nederland)], of, subsidiair, tot vermindering van de aan Heijmans NV en Heijmans Infrastructuur BV opgelegde geldboete

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Wegenbouwmaatschappij J. Heijmans BV zal haar eigen kosten en die van de Commissie dragen.


(1)  PB C 20 van 27.1.2007.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/42


Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 14 juli 2008 — Calebus/Commissie

(Zaak T-366/06) (1)

(„Beroep tot nietigverklaring - Richtlijn 92/43/EEG - Instandhouding van natuurlijke habitats en wilde flora en fauna - Beschikking 2006/613/EG - Lijst van gebieden van communautair belang voor mediterrane biogeografische regio - Handeling die vatbaar is voor beroep - Niet rechtstreeks geraakt - Niet-ontvankelijkheid’)

(2008/C 223/72)

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Calebus, SA (Almería, Spanje) (vertegenwoordiger: R. Bocanegra Sierra, advocaat)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: A. Alcover San Pedro en D. Recchia, gemachtigden)

Interveniënt aan de zijde van verwerende partij: Koninkrijk Spanje (vertegenwoordiger: F. Díez Moreno, abogado del Estado)

Voorwerp

Gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking 2006/613/EG van de Commissie van 19 juli 2006 tot vaststelling, op grond van richtlijn 92/43/EEG van de Raad, van de lijst van gebieden van communautair belang voor de mediterrane biogeografische regio (PB L 259, blz. 1), voor zover daarbij het gebied „Ramblas de Gergal, Tabernas y Sur de Sierra Alhamilla”, waar verzoekster eigenaar is van een perceel grond, als gebied van communautair belang is aangewezen.

Dictum

1)

Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.

2)

Calebus, SA wordt verwezen in haar eigen kosten en in die van de Commissie.

3)

Het Koninkrijk Spanje zal zijn eigen kosten dragen.


(1)  PB C 20 van 27.1.2007.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/43


Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 2 juli 2008 — Polimeri Europa/Commissie

(Zaak T-12/07) (1)

(„Afdoening zonder beslissing’)

(2008/C 223/73)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Polimeri Europa SpA (Brindisi, Italië) (vertegenwoordigers: M. Siragusa, F. Moretti en L. Nascimbene, advocaten)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: V. Di Bucci, F. Amato en V. Bottka, gemachtigden)

Interveniënte aan de zijde van verwerende partij: Manufacture Française des Pneumatiques Michelin (vertegenwoordigers: S. Kon en L. Farell, advocaten)

Voorwerp

Vordering tot nietigverklaring van beschikking COMP/F/2/1095 van de Commissie van 6 november 2006, vastgesteld in het kader van een procedure op grond van artikel 81 EG (zaak COMP/F/38.638-BR/ESBR), waarbij aan de vennootschap Manufacture Française des Pneumatiques Michelin, die tot de administratieve procedure is toegelaten als belanghebbende derde, de niet-vertrouwelijke versie is gestuurd van de aan verzoekster gerichte mededeling van de punten van bezwaar van 6 april 2006

Dictum

1)

Op het onderhavige beroep behoeft niet te worden beslist.

2)

Polimeri Europa SpA wordt behalve in haar eigen kosten verwezen in die van de Commissie en Manufacture Française des Pneumatiques Michelin in het kader van de onderhavige procedure, alsmede in die van de Commissie in het kader van de kortgedingprocedure.


(1)  PB C 56 van 10.3.2007.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/43


Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 27 juni 2008 — Denka International/Commissie

(Zaak T-30/07) (1)

(Beroep tot nietigverklaring - Richtlijn 2006/92/EG - Maximumgehalten aan residuen van dichloorvos - Niet individueel geraakt - Niet-ontvankelijkheid)

(2008/C 223/74)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Denka International BV (Barneveld, Nederland) (vertegenwoordigers: K. Van Maldegem en C. Mereu, advocaten)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: L. Parpala en B. Doherty, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek tot gedeeltelijke nietigverklaring van richtlijn 2006/92/EG van de Commissie van 9 november 2006 tot wijziging van de bijlagen bij de richtlijnen 76/895/EEG, 86/362/EEG en 90/642/EEG van de Raad wat betreft maximumgehalten aan residuen van captan, dichloorvos, ethion en folpet (PB L 311, blz. 31)

Dictum

1)

Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.

2)

Denka International BV zal haar eigen kosten dragen alsmede die van de Commissie.


(1)  PB C 82 van 14.4.2007.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/43


Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 26 juni 2008 — Pfizer/BHIM — Isdin (FOTOPROTECTOR ISDIN)

(Gevoegde zaken T-354/07 — T-356/07) (1)

(Gemeenschapsmerk - Vordering tot nietigverklaring - Verval - Afdoening zonder beslissing)

(2008/C 223/75)

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Pfizer Ltd (Sandwich, Kent, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordigers: V. von Bomhard, A. Renck, T. Dolde, advocaten, en M. Hawkins, solicitor)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: Ó. Mondéjar Ortuño, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Isdin, SA (Barcelona, Spanje) (vertegenwoordiger: M. Esteve Sanz, advocaat)

Voorwerp

Drie beroepen tegen de beslissingen van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 28 juni 2007 (zaken R 567/2006-1, R 566/2006-1 en R 565/2006-1) inzake een nietigheidsprocedure tussen Pfizer Ltd en Isdin, SA

Dictum

1)

Op het beroep behoeft geen uitspraak meer te worden gedaan.

2)

Isdin, SA wordt verwezen in haar eigen kosten alsmede in die van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM). Pfizer Ltd zal haar eigen kosten dragen.


(1)  PB C 269 van 10.11.2007.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/44


Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 11 juli 2008 — WellBiz/BHIM — Wild (WELLBIZ)

(Zaak T-451/07) (1)

(Gemeenschapsmerk - Oppositie - Intrekking van oppositie - Afdoening zonder beslissing)

(2008/C 223/76)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: WellBiz Verein (Eschen, Liechtenstein) (vertegenwoordiger: M. Schnetzer, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: S. Schäffner, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM: Rudolf Wild GmbH & Co. KG (Eppelheim, Duitsland)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 2 oktober 2007 (zaak R 1575/2006-1) inzake een oppositieprocedure tussen WellBiz Verein en Rudolf Wild GmbH & Co. KG

Dictum

1)

Op het beroep behoeft geen uitspraak meer te worden gedaan.

2)

De verzoekende partij en de verwerende partij worden elk in hun eigen kosten verwezen.


(1)  PB C 37 van 9.2.2008.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/44


Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 25 juni 2008 — Volkswagen/BHIM (Silhouet van wagen met koplampen)

(Zaak T-9/08) (1)

(Gemeenschapsmerk - Afstand van nationale inschrijving - Afdoening zonder beslissing)

(2008/C 223/77)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Volkswagen AG (Wolfsburg, Duitsland) (vertegenwoordigers: H.-P. Schrammek, C. Drzymalla, S. Risthaus en R. Jepsen, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: G. Schneider, gemachtigde)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 6 november 2007 (zaak R 1306/2007-4) inzake een internationale inschrijving, krachtens het Protocol bij de Schikking van Madrid betreffende de internationale inschrijving van merken, ondertekend te Madrid op 27 juni 1989, van het beeldmerk bestaande in het silhouet van een wagen met koplampen

Dictum

1)

Op het beroep behoeft geen uitspraak meer te worden gedaan.

2)

Verzoekster wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 64 van 8.3.2008.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/45


Beroep ingesteld op 4 juni 2008 — Gosselin Word Wide Moving/Commissie

(Zaak T-208/08)

(2008/C 223/78)

Procestaal: Nederlands

Partijen

Verzoekende partij: Gosselin Word Wide Moving NV (Deurne, België) (vertegenwoordigers: F. Wijckmans, advocaat, S. De Keer, avocate)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen

Conclusies van verzoekende partij

Nietigverklaring van de Beschikking van de Commissie C(2008) 926 def. van 11 maart, aan verzoekster kennisgegeven op 25 maart 2008, met betrekking tot een procedure op grond van artikel 81 EG (zaak COMP/38.543 — International verhuisdiensten), voor zover deze tegen verzoekster is gericht;

subsidiair, nietigverklaring van artikel 1 van de Beschikking, voor zover deze tegen verzoekster is gericht, in de mate dat hierin een voortdurende inbreuk van 31 januari 1992 tot 18 september 2002 in hoofde van verzoekster wordt weerhouden en verlaging van de in artikel 2 opgelegde boete, voor zover tegen haar gericht, overeenkomstig de aldus aangepaste duur van de inbreuk;

subsidiair, nietigverklaring van artikel 2 e) van de Beschikking, voor zover deze tegen verzoekster is gericht, omwille van de motieven aangehaald in het tweede en/of het derde middel en overeenkomstige verlaging van de in artikel 2 opgelegde boete, voor zover tegen haar gericht;

veroordeling van de Commissie in de kosten van deze procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Her eerste middel ingeroepen door verzoekster stelt dat de Beschikking artikel 81 EG heeft geschonden. Het eerste onderdeel stelt dat de Commissie niet naar recht heeft bewezen dat de handeling die verzoekster kunnen worden tegengeworpen als een merkbare beperking van de mededinging in de zin van artikel 81 EG dienen gekwalificeerd te worden. Het tweede onderdeel stelt dat de Commissie niet naar recht heeft bewezen dat de overeenkomst waaraan verzoekster heeft geparticipeerd de handel tussen lidstaten merkbaar kan beïnvloeden.

Subsidiair stelt het tweede middel dat de Beschikking artikel 23 van Verordening 1/2003 (1), artikel 15, lid 2, van Verordening 17/62 (2) en de Richtsnoeren voor de berekening van geldboeten (3) heeft geschonden. Deze bepalingen zouden zijn geschonden bij het vaststellen van de ernst van de inbreuk, het vastleggen van de duurtijd van de inbreuk, het vaststellen van de waarde van de verkopen met het oog op de berekening van het basisbedrag van de geldboete en, tenslotte, de afwijzing van verzachtende omstandigheden in hoofde van verzoekster in het kader van de berekening van de boete.

Subsidiair stelt het derde middel dat het beginsel van gelijke behandeling werd geschonden, met name bij de bepaling van de ernst van de inbreuk en de waarde van de verkopen die in aanmerking worden genomen bij de berekening van de boete.


(1)  Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (Voor de EER relevante tekst) (PB L 1, blz. 1).

(2)  EEG Raad: Verordening Nr. 17: Eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag (PB 1962, 13, blz. 204).

(3)  Richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 23, lid 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 1/2003 worden opgelegd (Voor de EER relevante tekst) (PB 2006 C 210, blz. 2).


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/45


Beroep ingesteld op 6 juni 2008 — Strack/Commissie

(Zaak T-221/08)

(2008/C 223/79)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Guido Strack (Keulen, Duitsland) (vertegenwoordiger: Rechtsanwalt H. Tettenborn)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen

Conclusies

de in het kader van de behandeling van verzoekers verzoeken om toegang tot documenten van 18 en 19 januari 2008 en van zijn confirmatieve verzoeken van 22 februari 2008, 18 april 2008 en in het bijzonder 21 april 2008, feitelijk of op basis van de wettelijke weigeringsfictie van artikel 8, lid 3, van verordening (EG) nr. 1094/2001 vastgestelde besluiten van de Europese Commissie, met name die van 19 mei 2008, nietig te verklaren, voor zover deze verzoekers verzoeken volledig of gedeeltelijk afwijzen;

de Europese Commissie te veroordelen verzoeker een passende schadevergoeding te betalen voor de hem bij de behandeling van zijn verzoek berokkende immateriële en morele schade, althans ten minste een symbolische schadevergoeding van 1,00 EUR;

de Commissie van de Europese Gemeenschappen te verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Op 18 en 19 januari 2008 verzocht verzoeker de Commissie om toegang tot een groot aantal documenten. Hij stelt het onderhavige beroep in daar hem de toegang tot deze documenten, in ieder geval gedeeltelijk, niet binnen de daartoe gestelde termijn is verleend.

Ter onderbouwing van zijn beroep stelt verzoeker met name dat verweerster artikel 255 EG alsook verordening (EG) nr. 1049/2001 (1) heeft geschonden. Bovendien stelt verzoeker schending van het beginsel van goed bestuur, van de artikelen 41 en 42 van het Handvest van de grondrechten alsook van de beginselen inzake de noodzaak afwijzende beslissingen overeenkomstig artikel 253 EG te motiveren.


(1)  Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145, blz. 43).


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/46


Beroep ingesteld op 9 juni 2008 — Sanatur/BHIM — Sektkellerei Schloss Wachenheim (life light)

(Zaak T-222/08)

(2008/C 223/80)

Taal van het verzoekschrift: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Sanatur GmbH (Singen, Duitsland) (vertegenwoordiger: M. Wiume, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Sektkellerei Schloss Wachenheim AG (Trier, Duitsland)

Conclusies

de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 6 maart 2008 in zaak R 1257/2006-1 te vernietigen;

de bestreden beslissing aldus te herzien dat het beroep wordt verworpen;

de andere partij in de procedure te verwijzen in de kosten van de procedure, met inbegrip van de kosten van het beroep.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: verzoekster

Betrokken gemeenschapsmerk: woordmerk „life light” voor waren van klasse 32 (aanvraag nr. 3 192 481)

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: Sektkellerei Schloss Wachenheim AG

Oppositiemerk of -teken: Duits beeldmerk „LIGHT live” voor waren van klasse 32 (merk nr. 302 00 216)

Beslissing van de oppositieafdeling: afwijzing van de oppositie

Beslissing van de kamer van beroep: vernietiging van de beslissing van de oppositieafdeling

Aangevoerde middelen: schending van art. 8, lid 1, sub b), van verordening (EG) nr. 40/94 (1) doordat geen gevaar van verwarring van de conflicterende merken bestaat.


(1)  Verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk (PB 1994, L 11, blz. 1).


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/46


Beroep ingesteld op 12 juni 2008 — Iranian Tobacco/BHIM — AD Bulgartabac (Bahman)

(Zaak T-223/08)

(2008/C 223/81)

Taal van het verzoekschrift: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Iranian Tobacco Company (Teheran, Iran) (vertegenwoordiger: M. Beckensträter, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: AD Bulgartabac Holding (Sofia, Bulgarije)

Conclusies

de beslissing van de eerste kamer van beroep van 10 april 2008 — R 709/2007-1, betekend op 15 april 2008, te vernietigen;

de andere partij te verwijzen in de voor vergoeding in aanmerking komende kosten, met inbegrip van die van het hoofdgeding met inbegrip van die van de verwerende partij;

subsidiair, na vernietiging van de beslissing van 10 april 2008 en van die van 7 maart 2007 — 1415C — vast te stellen dat de vordering van de andere partij van 8 november 2005 niet-ontvankelijk was.

Middelen en voornaamste argumenten

Ingeschreven gemeenschapsmerk waarvan vervallenverklaring is gevorderd: beeldmerk „Bahman” voor waren van klasse 34 (gemeenschapsmerk nr. 427 336)

Houder van het gemeenschapsmerk: verzoekster

Partij die vervallenverklaring van het gemeenschapsmerk vordert: AD Bulgartabac Holding

Beslissing van de nietigheidsafdeling: vervallenverklaring van het betrokken gemeenschapsmerk

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep van verzoekster

Aangevoerde middelen: ambtshalve in aanmerking te nehmen ontvankelijkheidsoverwegingen betreffende de vordering van AD Bulgartabac Holding zijn in strijd met verordening (EG) nr. 40/94 (1) en andere beginselen van procesrecht buiten beschouwing gebleven.


(1)  Verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk (PB 1994, L 11, blz. 1).


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/47


Beroep ingesteld op 13 juni 2008 — Mineralbrunnen Rhön-Sprudel Egon Schindel/BHIM — Schwarzbräu (ALASKA)

(Zaak T-225/08)

(2008/C 223/82)

Taal van het verzoekschrift: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Mineralbrunnen Rhön-Sprudel Egon Schindel GmbH (Ebersburg, Duitsland) (vertegenwoordiger: P. Wadenbach, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Schwarzbräu GmbH (Zusmarshausen, Duitsland)

Conclusies

de beslissing van de vierde kamer van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 8 april 2008 (zaak R 877/2004-4) te vernietigen;

gemeenschapsmerk nr. 505 552 „ALASKA” op grond van bestaande absolute weigeringsgronden volledig door te halen;

verweerder te verwijzen in de kosten van de procedure;

subsidiair bij de tweede vordering wordt verzocht het gemeenschapsmerk nr. 505 552 „ALASKA” ten minste voor de volgende waren nietig te verklaren: „Minerale en gazeuse wateren en andere alcoholvrije dranken van klasse 32”.

Middelen en voornaamste argumenten

Ingeschreven gemeenschapsmerk waarvan nietigverklaring is gevorderd: beeldmerk „ALASKA” voor waren van klasse 32 (gemeenschapsmerk nr. 505 552)

Houder van het gemeenschapsmerk: Schwarzbräu GmbH

Partij die nietigverklaring van het gemeenschapsmerk vordert: verzoekster

Beslissing van de nietigheidsafdeling: afwijzing van de vordering tot nietigverklaring van het betrokken merk

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep van de verzoekende partij

Aangevoerde middelen: schending van artikel 7, lid 1, sub b, c en g, van verordening (EG) nr. 40/94 (1)


(1)  Verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk (PB 1994, L 11, blz. 1).


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/47


Beroep ingesteld op 13 juni 2008 — Mineralbrunnen Rhön-Sprudel Egon Schindel/BHIM — Schwarzbräu (Alaska)

(Zaak T-226/08)

(2008/C 223/83)

Taal van het verzoekschrift: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Mineralbrunnen Rhön-Sprudel Egon Schindel GmbH (Ebersburg, Duitsland) (vertegenwoordiger: P. Wadenbach, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Schwarzbräu GmbH (Zusmarshausen, Duitsland)

Conclusies

de beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 8 april 2008 (zaak R 1124/2004-4) te vernietigen;

het gemeenschapsmerk nr. 505 503 „Alaska” wegens het bestaan van absolute weigeringsgronden volledig te schrappen;

de verwerende partij te verwijzen in de kosten van de procedure;

subsidiair ten opzichte van de tweede vordering, het gemeenschapsmerk nr. 505 503 „Alaska” tenminste voor de volgende waren nietig te verklaren: „minerale en gazeuse wateren en andere alcoholvrije dranken behorend tot klasse 32”.

Middelen en voornaamste argumenten

Ingeschreven gemeenschapsmerk waarvan nietigverklaring is gevorderd: woordmerk „Alaska” voor waren van klasse 32 (gemeenschapsmerk nr. 505 503).

Houder van het gemeenschapsmerk: Schwarzbräu GmbH.

Partij die nietigverklaring van het gemeenschapsmerk vordert: verzoekster.

Beslissing van de nietigheidsafdeling: vordering tot vaststelling van nietigheid van het betrokken merk ten dele toegewezen.

Beslissing van de kamer van beroep: vernietiging van de bestreden beslissing en afwijzing van de vordering tot vaststelling van nietigheid van het betrokken merk.

Aangevoerde middelen: Schending van artikel 7, lid 1, sub b, c en g, van verordening (EG) nr. 40/94 (1).


(1)  Verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk (PB 1994, L 11, blz. 1).


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/48


Beroep ingesteld op 17 juni 2008 — Asenbaum Fine Arts/BHIM (WIENER WERKSTÄTTE)

(Zaak T-230/08)

(2008/C 223/84)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Asenbaum Fine Arts Ltd (Londen, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordiger: P. Vögel, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Conclusies

de beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt van 10 april 2008 (R 1573/2006-4) aldus te herzien dat het beroep van de verzoekende partij van 29 november 2006 volledig, althans voor de klassen 6, 11 [met uitzondering van lampen (elektrisch), schouwlampen, plafondlampen en staande lampen], 14 (met uitzondering van bonbonnières), 16, 20, 21 (met uitzondering van bonbonnières) en 34, gegrond wordt verklaard;

subsidiair, de bestreden beslissing te vernietigen en de zaal terug te wijzen naar het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt voor verdere afdoening;

het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt te verwijzen in de kosten van de procedure, met inbegrip van de kosten van de beroepsprocedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Betrokken gemeenschapsmerk: woordmerk „WIENER WERKSTÄTTE” voor waren van de klassen 6, 11, 14, 16, 20, 21 en 34 (aanvraag nr. 4 133 501)

Beslissing van de onderzoeker: afwijzing van de aanvraag

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen: schending van art. 7, lid 1, sub b en c, van verordening (EG) nr. 40/94 (1), doordat het aangevraagde merk noch beschrijvend is noch onvoldoende onderscheidend vermogen bezit


(1)  Verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk (PB 1994, L 11, blz. 1).


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/49


Beroep ingesteld op 17 juni 2008 — Asenbaum Fine Arts/BHIM (WIENER WERKSTÄTTE)

(Zaak T-231/08)

(2008/C 223/85)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Asenbaum Fine Arts Ltd (Londen, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordiger: P. Vögel, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Conclusies

de beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt van 10 april 2008 (R 1571/2006-4) aldus te herzien dat het beroep van de verzoekende partij van 29 november 2006 volledig gegrond wordt verklaard;

subsidiair, de bestreden beslissing te vernietigen en de zaak terug te wijzen naar het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt voor verdere afdoening;

het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt te verwijzen in de kosten van de procedure, met inbegrip van de kosten van de beroepsprocedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Betrokken gemeenschapsmerk: woordmerk „WIENER WERKSTÄTTE” voor waren van klasse 14 (aanvraag nr. 4 207 783)

Beslissing van de onderzoeker: afwijzing van de aanvraag

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen: schending van art. 7, lid 1, sub b en c, van verordening (EG) nr. 40/94 (1) doordat het aangevraagde merk noch beschrijvend is noch onvoldoende onderscheidend vermogen bezit


(1)  Verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk (PB 1994, L 11, blz. 1).


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/49


Beroep ingesteld op 16 juni 2008 — MPDV Mikrolab/BHIM (ROI ANALYZER)

(Zaak T-233/08)

(2008/C 223/86)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: MPDV Mikrolab GmbH, Mikroprozessordatenverarbeitung und Mikroprozessorlabor (Mosbach, Duitsland) (vertegenwoordiger: W. Göpfert, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Conclusies

de beslissing van de vierde kamer van beroep van 15 april 2008 in de beroepsprocedure R 1525/2006-4 te vernietigen;

verweerder te verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Betrokken gemeenschapsmerk: woordmerk „ROI ANALYZER” voor waren en diensten van de klassen 9, 35 en 42 (aanvraag nr. 4 866 042)

Beslissing van de onderzoeker: gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen: schending van art. 7, lid 1, sub b en c, van verordening (EG) nr. 40/94 (1) doordat het het aangevraagde merk niet aan onderscheidend vermogen ontbreekt en er voor dit merk geen vrijhoudingsbehoefte bestaat.


(1)  Verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk (PB 1994, L 11, blz. 1).


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/49


Beroep ingesteld op 16 juni 2008 — HPA/Commissie

(Zaak T-236/08)

(2008/C 223/87)

Procestaal: Nederlands

Partijen

Verzoekende partij: Hoofdproductschap Akkerbouw (Den Haag, Nederland) (vertegenwoordiger: mr. R. J. M. van den Tweel)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen

Conclusies van verzoekende partij

De Beschikking van de Commissie van 19 december 2006, kenmerk C(2006)7093/6, inzake de invordering van schuldverdering nr. 3240206544 die hoofdelijk ten laste komt van de leden van het Europese economische samenwerkingsverband (EESV) Euroterroirs, in het kader van project nr. 93.EU.06.002 inzake een inventariserende studie over het Europese erfgoed van typische en regionale landbouw- en voedingsproducten (producten van eigen bodem), voor zover daarbij althans het Hoofdproductschap Akkerbouw hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld voor het volledige bedrag van voornoemde schuldvordering, non-existent verklaren, althans vernietigen;

de Commissie veroordelen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Verzoekster richt zich tegen de invordering van een schuldvordering van Eurroterroirs, vastgesteld bij Beschikking van de Commissie van 14 augustus 2000. Volgens verzoekster moet de bestreden Beschikking, althans voor zover zij daarbij hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld voor het volledige bedrag van de schuldvordering, als non-existent en nietig worden aangemerkt aangezien aan deze beschikking bijzonder ernstige en in het oog springende gebreken kleven. Volgens verzoekster kan dan ook na afloop van de beroepstermijnen worden vastgesteld dat de Beschikking geen rechtsgevolgen teweeg heeft gebracht.

In haar eerste middel, voert verzoekster een schending aan van Verordening nr. 2137/85 (1) aangezien verzoekster nimmer lid is geweest van het Europese economische samenwerkingsverband (EESV) Euroterroirs en uit dien hoofde niet aansprakelijk kan zijn.

Ten tweede voert verzoekster een schending aan van het recht van verdediging. De Commissie zou verzoekster niet in de gelegenheid hebben gesteld om haar standpunt kenbaar te maken alvorens de bestreden Beschikking vast te stellen en zou pas door toezending van de bestreden Beschikking verzoekster op de hoogte hebben gesteld van de bij beschikking van 14 augustus 2000 vastgestelde schuldvordering.

Ten derde voert verzoekster een schending aan van het evenredigheidsbeginsel. De Commissie zou verzoekster zes jaar na de vaststelling van de schuldvordering hoofdelijk aansprakelijk stellen zonder eerst zelf adequate maatregelen te nemen tegen Euroterroirs zelf, tegen het oprichtende lid, tevens bestuurder van Euroterroirs, Conseil national des Arts Culinairs (CNAC) te Frankrijk, of tegen de lidstaat Frankrijk. Bovendien zou de Nederlandse deskundige voor enkele inventariserende werkzaamheden in 1994/1995 in het kader van het project van Euroterroirs een vergoeding van slechts 13 055 euro hebben ontvangen.

Tenslotte voert verzoekster aan dat de schuldvordering verjaard is aangezien de Commissie de betrokken debetnota op 28 september 2000 aan Euroterroirs heeft gezonden, zonder nadien verzoekster tijdig in kennis te stellen van handelingen die de verjaringstermijn zouden kunnen schorsen.


(1)  Verordening (EEG) nr. 2137/85 van de Raad van 25 juli 1985 tot instelling van Europese economische samenwerkingsverbanden (EESV) (PB L 199, blz. 1).


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/50


Beroep ingesteld op 19 juni 2008 — Commissie/Commune de Valbonne

(Zaak T-238/08)

(2008/C 223/88)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: L. Escobar Guerrero, gemachtigde, en E. Bouttier, advocaat)

Verwerende partij: gemeente Valbonne

Conclusies

de gemeente Valbonne, vertegenwoordigd door haar huidige burgemeester, veroordelen tot betaling aan verzoekster van een bedrag van 18 619,38 EUR, te weten 14 261,29 EUR in hoofdsom en 4 358,09 EUR aan moratoire interesten voor de periode tot en met 31 mei 2008;

de gemeente Valbonne veroordelen tot betaling van een bedrag van 5 000 EUR ter vergoeding van de kosten die verzoekster voor de inning van haar vordering zijn opgekomen;

de gemeente Valbonne verwijzen in de kosten van de onderhavige zaak.

Middelen en voornaamste argumenten

De Commissie heeft voor de jaren 1998 en 1999 met de gemeente Valbonne in Frankrijk, de gemeente Fermo in Italië en het Europees economisch samenwerkingsverband ARCHI-MED een overeenkomst inzake onderzoek en opleiding gesloten betreffende een project voor onderwijs waarbij leerlingen op gezette tijden de docentrol vervullen, tussen de stad Valbonne en de provincie Di Ascoli Piceno, genoemd „VALASPI MM 1027”.

De gemeenten en ARCHI-MED hebben zich er onder andere toe verbonden om de Commissie een eindverslag toe te sturen. Aangezien dit verslag na ingebrekestelling door de Commissie niet werd overgelegd, heeft laatstgenoemde geconcludeerd dat contractanten de krachtens de overeenkomst op hen rustende verplichtingen niet waren nagekomen, en heeft zij deze overeenkomst beëindigd met terugvordering van een deel van de door haar betaalde voorschotten, vermeerderd met interesten.

Gelet op de insolventie van ARCHI-MED vordert de Commissie veroordeling van verweerster tot betaling van de verschuldigde sommen, aangezien de contractanten hoofdelijk en gezamenlijk gehouden zijn tot uitvoering van de overeenkomst.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/51


Beroep ingesteld op 23 juni 2008 — Konsum Nord/Commissie

(Zaak T-244/08)

(2008/C 223/89)

Procestaal: Zweeds

Partijen

Verzoekende partij: Konsum Nord ekonomisk förening (Umeå, Zweden) (vertegenwoordiger: U. Öberg, advocaat)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen

Conclusies

volledig nietig te verklaren beschikking C(2008) 311 def. van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 30 januari 2008 betreffende de steunmaatregel die Zweden ten uitvoer heeft gelegd ten gunste van Konsum Jämtland ekonomisk förening;

de Commissie te verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Bij beschikking van 30 januari 2008 betreffende steunmaatregel C 35/06 (ex NN 37/06) die Zweden ten uitvoer heeft gelegd ten gunste van Konsum Jämtland, die in 2006 fuseerde met verzoekster, stelde de Commissie vast dat de verkoop door de gemeente Åre van delen van een onbebouwd terrein voor 2 miljoen SEK in plaats van de 6,6 miljoen SEK die waren geboden door Konsum Jämtland's concurrent, Lidl, met artikel 87 EG strijdige staatssteun vormde.

Verzoekster stelt ter ondersteuning van haar vordering een aantal beoordelingsfouten van de Commissie bij de kwalificering van de omstreden verkoop als staatssteun:

de Commissie is er ten onrechte van uitgegaan dat niet tegen de marktprijs is verkocht en Konsum Jämtland dus economisch werd bevoordeeld;

de Commissie heeft er geen rekening mee gehouden dat de verkoop een onderdeel van een aantal transacties betreffende terreinen tussen verschillende partijen in het kader van het ontwikkelingsplan van Åre was;

de Commissie is er ten onrechte van uitgegaan dat aan het bod van de concurrent Lidl geen voorwaarden waren verbonden en dat het bindend en geloofwaardig was;

de Commissie heeft het beginsel van een particuliere investeerder in een markteconomie verkeerd toegepast.

Verzoekster stelt voorts dat de Commissie haar eigen richtsnoeren in haar mededeling betreffende staatssteunelementen bij de verkoop van gronden en gebouwen door openbare instanties (1) niet heeft toegepast en in strijd met haar onderzoeksplicht niet alle feitelijke omstandigheden heeft onderzocht.

Ten slotte stelt verzoekster dat de gestelde staatssteun de mededinging niet vervalst en het handelsverkeer tussen lidstaten niet aantast.


(1)  PB 1997 C 209, blz. 3.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/51


Beroep ingesteld op 20 juni 2008 — Iranian Tobacco/BHIM — AD Bulgartabac (TIR 20 FILTER CIGARETTES)

(Zaak T-245/08)

(2008/C 223/90)

Taal van het verzoekschrift: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Iranian Tobacco Company (Teheran, Iran) (vertegenwoordiger: M. Beckensträter, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: AD Bulgartabac Holding (Sofia, Bulgarije)

Conclusies

de beslissing van de eerste kamer van beroep van 11 april 2008 — R 708/2007-1, betekend op 21 april 2008, te vernietigen;

de andere partij te verwijzen in de voor vergoeding in aanmerking komende kosten, met inbegrip van die van het hoofdgeding met inbegrip van die van de verwerende partij;

subsidiair, na vernietiging van de beslissing van 11 april 2008 en van die van 7 maart 2007 — 1414C — vast te stellen dat de vordering van de andere partij van 8 november 2005 niet-ontvankelijk was.

Middelen en voornaamste argumenten

Ingeschreven gemeenschapsmerk waarvan vervallenverklaring is gevorderd: beeldmerk „TIR 20 FILTER CIGARETTES” voor waren van klasse 34 (gemeenschapsmerk nr. 400 804)

Houder van het gemeenschapsmerk: verzoekster

Partij die vervallenverklaring van het gemeenschapsmerk vordert: AD Bulgartabac Holding

Beslissing van de nietigheidsafdeling: vervallenverklaring van het betrokken gemeenschapsmerk

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep van verzoekster

Aangevoerde middelen: ambtshalve in aanmerking te nemen ontvankelijkheidsoverwegingen betreffende de vordering van AD Bulgartabac Holding zijn in strijd met verordening (EG) nr. 40/94 (1) en andere beginselen van procesrecht buiten beschouwing gebleven.


(1)  Verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk (PB 1994, L 11, blz. 1).


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/52


Hogere voorziening ingesteld op 23 juni 2008 door Frantisek Doktor tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 16 april 2008 in zaak F-73/07, Doktor/Raad

(Zaak T-248/08 P)

(2008/C 223/91)

Procestaal: Frans

Partijen

Rekwirant: Frantisek Doktor (Bratislava, Slowakije) (vertegenwoordigers: S. Rodrigues en C. Bernard-Glanz, advocaten)

Andere partij in de procedure: Raad van de Europese Unie

Conclusies

vernietiging van het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie van 16 april 2008 in zaak F-73/07;

toewijzing van de vorderingen tot nietigverklaring en schadevergoeding die rekwirant in eerste aanleg heeft ingediend;

verwijzing van de verwerende partij in eerste aanleg in alle kosten van het beroep tot nietigverklaring en de hogere voorziening.

Middelen en voornaamste argumenten

Met deze hogere voorziening verzoekt rekwirant om vernietiging van het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 16 april 2008 in zaak F-73/07, Doktor/Raad, houdende verwerping van het beroep strekkende tot, enerzijds, nietigverklaring van het besluit van de Raad om rekwirant aan het einde van zijn proeftijd te ontslaan en, anderzijds, vergoeding van de beroeps-, financiële en immateriële schade.

Tot staving van zijn hogere voorziening stelt rekwirant dat het Gerecht voor ambtenarenzaken i) bepaalde bewijsstukken verkeerd heeft opgevat, met name door een aantal van zijn vaststellingen te baseren op een inhoudelijk onjuiste beoordeling van de hem voorgelegde stukken; ii) rekwirants recht van verdediging heeft geschonden door geen rekening te houden met een aantal voor hem uiteengezette gegevens of argumenten dan wel door daar niet op te antwoorden; iii) tweemaal van een verkeerde rechtsopvatting is uitgegaan, namelijk voor wat betreft zijn uitlegging van het gemeenschapsrecht in verband met het recht van rekwirant om zijn proeftijd onder normale omstandigheden te vervullen en voor wat betreft de mogelijkheid voor de administratie om de motivering van een bezwarend besluit tijdens de schriftelijke behandeling voor de gemeenschapsrechters aan te vullen.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/52


Beroep ingesteld op 26 juni 2008 — Vion/BHIM (PASSION FOR BETTER FOOD)

(Zaak T-251/08)

(2008/C 223/92)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Vion NV (Best, Nederland) (vertegenwoordiger: A. Klinger, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Conclusies

de beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 25 april 2008 (zaak R 562/2007-4) te vernietigen;

verweerder te verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Betrokken gemeenschapsmerk: woordmerk „PASSION FOR BETTER FOOD” voor waren van de klassen 5, 29 en 30 (aanvraag nr. 5 039 946)

Beslissing van de onderzoeker: afwijzing van de aanvraag

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen: schending van artikel 7, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 40/94 (1) doordat het aangevraagde merk voldoende onderscheidend vermogen heeft.


(1)  Verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk (PB 1994, L 11, blz. 1).


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/53


Beroep ingesteld op 26 juni 2008 — Associazione Giullemanidallajuve/Commissie

(Zaak T-254/08)

(2008/C 223/93)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Associazione Giullemanidallajuve (Garibaldi, Italië) (vertegenwoordigers: L. Misson, G. Ernes en A. Kettels, advocaten)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen

Conclusies

het nalaten van de Europese Commissie vaststellen;

haar gelasten haar bevoegdheid uit te oefenen en te antwoorden op de door verzoekster in mei 2007 ingediende klacht;

de hiertoe vereiste preciseringen verstrekken.

Middelen en voornaamste argumenten

Verzoekster betoogt dat de Commissie haar verplichting om te handelen niet is nagekomen doordat zij, na hierom te zijn verzocht, heeft verzuimd haar standpunt te bepalen over de door verzoekster in mei 2007 bij de Commissie ingediende klacht betreffende schendingen door Federazione Italiana Giuoco Calcio (FIGC), Comitato Olimpico Nazionale Italiano (CONI), Union des associations européennes de football (UEFA) en Fédération Internationale de Football Association (FIFA) van de artikelen 81 EG en 82 EG.

Verzoekster stelt dat in de brief, die haar door de Commissie in maart 2008 is toegezonden nadat zij deze instelling had verzocht te handelen, en waarin zij op de hoogte is gebracht van de stand van zaken in haar dossier, niet het standpunt van de genoemde instelling wordt bepaald, aangezien in deze brief niet ten gronde wordt geantwoord op de door verzoekster geformuleerde vragen.

Verzoekster voert verder aan dat op het gebied van mededinging een klager recht heeft op een grondig onderzoek van zijn klacht door de Commissie, alsook op een met redenen omkleed standpunt van deze instelling.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/53


Beroep ingesteld op 30 juni 2008 — Biotronik/BHIM (BioMonitor)

(Zaak T-257/08)

(2008/C 223/94)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Biotronik Meß- und Therapiegeräte GmbH (Berlijn, Duitsland) (vertegenwoordigers: U. Sander en R. Böhm, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Conclusies

vernietiging van de beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 24 april 2008 in zaak R 466/2007-4;

verwijzing van verweerder in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Betrokken gemeenschapsmerk: woordmerk „BioMonitor” voor waren en diensten van de klassen 9, 10 en 38, waarbij de warenopgave naderhand werd beperkt tot waren van klasse 10 (aanvraag nr. 4 556 023)

Beslissing van de onderzoeker: afwijzing van de aanvraag

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen: schending van artikel 7, lid 1, sub b en c, van verordening (EG) nr. 40/94 (1) doordat het aangevraagde merk noch onvoldoende onderscheidend vermogen bezit noch beschrijvend is.


(1)  Verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk (PB 1994, L 11, blz. 1).


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/54


Beroep ingesteld op 30 juni 2008 — Rath/BHIM — Portela & Ca. (DIACOR)

(Zaak T-258/08)

(2008/C 223/95)

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Matthias Rath (Kaapstad, Zuid-Afrika) (vertegenwoordigers: U. Vogt, C. Kleiner en S. Ziegler, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Portela & Ca., SA (Mamede do Coronado, Portugal)

Conclusies

de beslissing van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 30 april 2008 in zaak R 1630/2006-2 te vernietigen; en

de verwerende partij en eventueel de andere partij in de procedure voor de kamer van beroep te verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: verzoeker

Betrokken gemeenschapsmerk: woordmerk „DIACOR” voor waren en diensten van de klassen 5, 16 en 41

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: de andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Oppositiemerk of -teken: Portugese merkinschrijving nr. 137 311 van het merk „DIACOL” voor waren van klasse 79, overeenkomstig de ten tijde van de inschrijving geldende nationale classificatie van waren

Beslissing van de oppositieafdeling: toewijzing van de oppositie voor alle litigieuze waren van klasse 5

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen: i) schending van regel 22, lid 6, van verordening nr. 2868/95 van de Commissie (1) doordat verschillende door de andere partij in de procedure voor de kamer van beroep overgelegde stukken niet in het Engels waren en aan verzoeker geen vertaling was verstrekt om de inhoud van het bewijs van gebruik te beoordelen; ii) schending van artikel 43, leden 2 en 3, van verordening nr. 40/94 van de Raad doordat de kamer van beroep ten onrechte heeft geoordeeld dat de andere partij in de procedure voor hem voldoende bewijs had aangedragen om gebruik van het oudere merk in Portugal voor alle waren waarvoor het was ingeschreven, aan te tonen; en iii) schending van artikel 8, lid 1, van verordening nr. 40/94 van de Raad doordat de conflicterende merken niet in die mate visueel, auditief of begripsmatig met elkaar overeenstemmen dat gevaar van verwarring ontstaat


(1)  Verordening (EG) nr. 2868/95 van de Commissie van 13 december 1995 tot uitvoering van verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad inzake het gemeenschapsmerk (PB 1995 L 303, blz. 1).


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/54


Beroep ingesteld op 3 juli 2008 — Indo Internacional/BHIM — Visual (VISUAL MAP)

(Zaak T-260/08)

(2008/C 223/96)

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Indo Internacional, SA (Sant Cugat del Vallės, Spanje) (vertegenwoordigers: X. Fàbrega Sabaté en M. Curell Aguilà, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Visual SA (Saint Apollinaire, Frankrijk)

Conclusies

de beslissing van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 15 april 2008 in zaak R 700/2007-1 te vernietigen;

de verwerende partij te verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: verzoekster

Betrokken gemeenschapsmerk: woordmerk „VISUAL MAP” voor diensten van klasse 44 — aanvraag nr. 393 2936

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: de andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Oppositiemerk of -teken: Frans merk met inschrijvingsnr. 043 303 854 van het woordmerk „VISUAL” voor diensten van klasse 44

Beslissing van de oppositieafdeling: afwijzing van de gemeenschapsmerkaanvraag in haar geheel

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen: schending van artikel 8, lid 1, van verordening nr. 40/94 van de Raad doordat er geen gevaar van verwarring van de conflicterende merken bestaat


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/55


Beroep ingesteld op 8 juli 2008 — Canon Communications/BHIM — Messe Düsseldorf (MEDTEC)

(Zaak T-262/08)

(2008/C 223/97)

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Canon Communications LLC (Los Angeles, Verenigde Staten) (vertegenwoordiger: M. Mak, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Messe Düsseldorf GmbH (Düsseldorf, Duitsland)

Conclusies

de beslissing van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 30 april 2008 in zaak R 817/2005-1 te vernietigen; en

de verwerende partij/de andere partij in de procedure voor de kamer van beroep te verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: verzoekster

Betrokken gemeenschapsmerk: woordmerk „MEDTEC” voor waren en diensten van de klassen 16, 35 en 41

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: de andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Oppositiemerk of -teken: Duits woordmerk „Metec” ingeschreven onder nr. 39 975 563 voor waren en diensten van de klassen 16, 35 en 41

Beslissing van de oppositieafdeling: toewijzing van de oppositie voor alle litigieuze waren en diensten

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen: de beslissing van de kamer van beroep moet worden vernietigd op grond dat er gerede kans bestaat dat de in de oppositieprocedure aangevoerde nationale merken nietig zijn; subsidiair, schending van artikel 8, lid 1, van verordening nr. 40/94 van de Raad (1) doordat de betrokken diensten niet soortgelijk zijn en er derhalve geen gevaar van verwarring van de conflicterende merken bestaat, althans dat de betrokken diensten niet voldoende soortgelijk zijn om te concluderen dat er gevaar van verwarring bestaat; subsidiair moet worden vastgesteld dat de kamer van beroep ten onrechte niet in aanmerking heeft genomen dat het relevante publiek in hoge mate gespecialiseerd is en derhalve de conflicterende merken niet zal verwarren; meer subsidiair ten slotte moet worden vastgesteld dat de kamer van beroep ten onrechte niet in aanmerking heeft genomen dat de andere partij bij de procedure voor de kamer van beroep het gebruik van het betrokken gemeenschapsmerk door verzoekster langer dan vijf jaar heeft toegestaan


(1)  Verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk (PB 1994, L 11, blz. 1).


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/55


Beroep ingesteld op 7 juli 2008 — Becker Flugfunkwerk/BHIM — Harman Becker Automotive Systems (BECKER AVIONIC SYSTEMS)

(Zaak T-263/08)

(2008/C 223/98)

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Becker Flugfunkwerk GmbH (Rheinmünster, Duitsland) (vertegenwoordiger: O. Griebenow, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Harman Becker Automotive Systems GmbH (Karlsbad, Duitsland)

Conclusies

de beslissing van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 10 april 2008 in zaak R 398/2007-1 te vernietigen; en

oppositie nr. B 484 503 tegen gemeenschapsmerkaanvraag nr. 1 829 563 af te wijzen.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: verzoekster

Betrokken gemeenschapsmerk: beeldmerk „BECKER AVIONIC SYSTEMS” voor waren van klasse 9, aanvraag nr. 1 829 563

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: de andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Oppositiemerk of -teken: woordmerk „BECKER” dat in het Verenigd Koninkrijk onder nr. 1 258 929 is ingeschreven voor waren van klasse 9; Duits beeldmerk „BECKER” ingeschreven onder nr. 1 039 843 voor waren van klasse 9; Duits beeldmerk „BECKER” ingeschreven onder nr. 1 016 927 voor waren van klasse 37; Fins woordmerk „BECKER” ingeschreven onder nr. 116 880 voor waren van klasse 9; Grieks woordmerk „BECKER” ingeschreven onder nr. 82339 voor waren van klasse 9; internationaal woordmerk „BECKER” ingeschreven onder nr. 473 178 voor waren van klasse 9

Beslissing van de oppositieafdeling: toewijzing van de oppositie voor alle litigieuze waren

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen: schending van artikel 8, lid 1, van verordening nr. 40/94 van de Raad (1) doordat er geen gevaar van verwarring van de conflicterende merken bestaat


(1)  Verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk (PB 1994, L 11, blz. 1).


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/56


Beroep ingesteld op 4 juli 2008 — Duitsland/Commissie

(Zaak T-265/08)

(2008/C 223/99)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Bondsrepubliek Duitsland (vertegenwoordigers: M. Lumma en Rechtsanwalt U. Karpenstein)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen

Conclusies

de beschikking C(2008) 1690 def. van de Commissie van 30 april 2008 inzake de vermindering van de bijdrage van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) voor een Operationeel Programma in de onder doelstelling 1 vallende regio Land Thüringen in de Bondsrepubliek Duitsland (1994-1999), nietig te verklaren,

de Commissie te verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Met de bestreden beschikking heeft de Commissie de financiële bijdrage van het EFRO aan het Operationeel Programma in de onder doelstelling 1 vallende regio Land Thüringen van de Bondsrepubliek Duitsland (1994-1999), verminderd.

Tot staving van haar beroep voert verzoekster vier middelen aan.

Zij betoogt in de eerste plaats dat de Commissie de feiten met betrekking tot prioriteit 2.1 van het betreffende Operationeel Programma (maatregelen ter ondersteuning van kleinere en middelgrote ondernemingen: ondersteuning van productieve investeringen) op een aantal belangrijke punten niet correct heeft vastgesteld.

Verzoekster stelt in de tweede plaats schending van artikel 24, lid 2, van verordening (EEG) nr. 4253/88 (1), aangezien er geen onregelmatigheden in de zin van deze bepaling zijn begaan. In dit verband stelt zij met name dat de Commissie aan deze bepaling niet het recht ontleent om over te gaan tot financiële correcties voor beheerfouten of voor vermeend ontoereikende beheer- en controlesystemen.

Verzoekster stelt bovendien dat de Commissie in het kader van verordening nr. 4253/88 geen financiële correcties op basis van extrapolatie mag vaststellen, daar artikel 24 van deze regeling uitgaat van concrete gevallen en cijfermatig vaststelbare bedragen en niet van de hypothese dat het ontdekken van een beheerfout erop wijst dat het beheer systematische gebreken vertoont.

Ten slotte betoogt verzoekster dat, zelfs indien de financiële correcties op basis van extrapolaties mogen worden vastgesteld, artikelen 23 en 24 van verordening nr. 4253/88 toch zijn geschonden, aangezien de extrapolaties verkeerd zijn. Daaromtrent wordt gesteld dat de Commissie geen extrapolaties mag maken op basis van een analyse van de gebreken door de Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen, dat de Commissie medeschuldig is aan haar eigen bezwaren en dat de in geding zijnde extrapolaties het evenredigheidsbeginsel schenden.


(1)  Verordening (EEG) nr. 4253/88 van de Raad van 19 december 1988 tot vaststelling van toepassingsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 2052/88 met betrekking tot de coördinatie van de bijstandsverlening uit de onderscheiden Structuurfondsen enerzijds en van die bijstandsverlening met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten anderzijds (PB L 374, blz. 1).


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/57


Beroep ingesteld op 11 juli 2008 — Italiaanse Republiek/Commissie

(Zaak T-274/08)

(2008/C 223/100)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Italiaanse Republiek (vertegenwoordiger: S. Fiorentino, avvocato dello Stato)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen

Conclusie

nietig verklaren beschikking C(2008) 1711 van de Commissie van 30 april 2008 inzake de goedkeuring van de rekeningen van de betaalorganen van de lidstaten betreffende de door het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) gefinancierde uitgaven over het begrotingsjaar 2007.

Middelen en voornaamste argumenten

Tegen de beschikking die in de onderhavige zaak aan de orde is, wordt opgekomen voor zover daarbij overeenkomstig artikel 32, lid 5, van verordening (EG) nr. 1290/2005 rente in rekening wordt gebracht over de bedragen die ten laste van de Italiaanse Staat zijn gebracht en inzonderheid voor zover daarbij vanaf de datum van betaling van het onverschuldigd betaalde bedrag rente in rekening wordt gebracht over de bedragen waarvan de invordering niet heeft plaatsgevonden binnen acht jaar na de datum van het eerste administratief of gerechtelijk proces-verbaal ingeval over de terugvordering een zaak is aangespannen bij nationale rechtbanken, welke rente voor 50 % door de betrokken lidstaat en voor 50 % door de gemeenschapsbegroting wordt gedragen.

Ter ondersteuning van haar vordering stelt de Italiaanse regering schending van artikel 32, lid 5, van verordening (EG) nr. 1290/2005. Die bepaling mag niet aldus worden uitgelegd dat rente in rekening moet worden gebracht wanneer in rechte is opgekomen tegen de terugvordering; dit wordt immers niet met zoveel woorden gezegd in lid 5 (anders dan in lid 1) en bovendien kan de datum vanaf dewelke de rente begint te lopen, pas kan worden vastgesteld na afloop van het rechtsgeding.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/57


Beroep ingesteld op 11 juli 2008 — Italiaanse Republiek/Commissie

(Zaak T-275/08)

(2008/C 223/101)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Italiaanse Republiek (vertegenwoordiger: S. Fiorentino, avvocato dello Stato)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen

Conclusie

nietig verklaren beschikking C(2008) 1709 def. van de Commissie van 30 april 2008 tot goedkeuring van de rekeningen van bepaalde betaalorganen in Duitsland, Italië en Slowakije inzake door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, gefinancierde uitgaven over het begrotingsjaar 2006 voor zover daarbij overeenkomstig artikel 32, lid 5, van verordening (EG) nr. 1290/2005 rente in rekening wordt gebracht over de bedragen die ten laste van de Italiaanse Staat zijn gebracht en inzonderheid voor zover vanaf de datum van betaling van het onverschuldigd betaalde bedrag rente in rekening wordt gebracht over de bedragen waarvan de invordering niet heeft plaatsgevonden binnen acht jaar na de datum van het eerste administratief of gerechtelijk proces-verbaal ingeval over de terugvordering een zaak is aangespannen bij nationale rechtbanken, welke rente voor 50 % door de betrokken lidstaat en voor 50 % door de gemeenschapsbegroting wordt gedragen.

Middelen en voornaamste argumenten

De middelen en voornaamste argumenten zijn dezelfde als die in zaak T-274/08 Italiaanse Republiek/Commissie.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/58


Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 10 juli 2008 — Jungbunzlauer e.a./Commissie

(Zaak T-492/04) (1)

(2008/C 223/102)

Procestaal: Duits

De president van de Derde kamer van het Gerecht van eerste aanleg heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 82 van 2.4.2005.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/58


Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 10 juli 2008 — Elini/BHIM — Rolex (Elini)

(Zaak T-67/06) (1)

(2008/C 223/103)

Procestaal: Frans

De president van de Vierde kamer van het Gerecht van eerste aanleg heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 96 van 22.4.2006.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/58


Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 9 juli 2008 — CityLine Hungary/ Commissie

(Zaak T-237/07) (1)

(2008/C 223/104)

Procestaal: Hongaars

De president van de Vijfde kamer van het Gerecht van eerste aanleg heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 211 van 8.9.2007.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/58


Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 16 juni 2008 — Cyprus/Commissie

(Zaak T-87/08) (1)

(2008/C 223/105)

Procestaal: Grieks

De president van de Eerste kamer van het Gerecht van eerste aanleg heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 142 van 7.6.2008.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/58


Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 16 juni 2008 — Cyprus/Commissie

(Zaak T-88/08) (1)

(2008/C 223/106)

Procestaal: Grieks

De president van de Eerste kamer van het Gerecht van eerste aanleg heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 142 van 7.6.2008.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/58


Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 16 juni 2008 — Cyprus/Commissie

(Zaak T-91/08) (1)

(2008/C 223/107)

Procestaal: Grieks

De president van de Eerste kamer van het Gerecht van eerste aanleg heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 142 van 7.6.2008.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/59


Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 16 juni 2008 — Cyprus/Commissie

(Zaak T-92/08) (1)

(2008/C 223/108)

Procestaal: Grieks

De president van de Eerste kamer van het Gerecht van eerste aanleg heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 142 van 7.6.2008.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/59


Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 16 juni 2008 — Cyprus/Commissie

(Zaak T-93/08) (1)

(2008/C 223/109)

Procestaal: Grieks

De president van de Eerste kamer van het Gerecht van eerste aanleg heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 142 van 7.6.2008.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/59


Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 16 juni 2008 — Cyprus/Commissie

(Zaak T-119/08) (1)

(2008/C 223/110)

Procestaal: Grieks

De president van de Eerste kamer van het Gerecht van eerste aanleg heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 142 van 7.6.2008.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/59


Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 16 juni 2008 — Cyprus/Commissie

(Zaak T-122/08) (1)

(2008/C 223/111)

Procestaal: Grieks

De president van de Eerste kamer van het Gerecht van eerste aanleg heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 142 van 7.6.2008.


Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie

30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/60


Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Tweede kamer) van 21 februari 2008 — Vande Velde/Commissie

(Zaak F-60/05) (1)

(Openbare dienst - Arbeidscontractant - Te late indiening van klacht - Beroep kennelijk niet-ontvankelijk)

(2008/C 223/112)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Patricke Vande Velde (Linkebeek, België) (vertegenwoordiger: L. Vogel, advocaat)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: J. Currall en G. Berscheid, gemachtigden)

Interveniënt aan de zijde van de verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: M. Arpio Santacruz en I. Sulce, gemachtigden)

Voorwerp

Openbare dienst — Enerzijds, vordering tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie houdende afwijzing van het verzoek dat verzoeker, een voormalig hulpfunctionaris, heeft ingediend tegen het besluit tot vaststelling van zijn indeling en bezoldiging als arbeidscontractant alsmede, anderzijds, vordering tot schadevergoeding (voorheen T-268/05)

Dictum

1)

Het beroep wordt kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

2)

Elke partij zal de eigen kosten dragen.


(1)  PB C 229 van 17.9.2005, blz. 30 (zaak aanvankelijk ingeschreven bij het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen onder nummer T-268/05 en bij beschikking van 15.12.2005 verwezen naar het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie).


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/60


Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Tweede kamer) van 21 februari 2008 — Arana de la Cal/Commissie

(Zaak F-63/05) (1)

(Openbare dienst - Arbeidscontractant - Te late indiening van klacht - Beroep kennelijk niet-ontvankelijk)

(2008/C 223/113)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Miriam Arana de la Cal (Brussel, België) (vertegenwoordiger: L. Vogel, advocaat)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: J. Currall en G. Berscheid, gemachtigden)

Interveniënt aan de zijde van de verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: M. Arpio Santacruz en I. Sulce, gemachtigden)

Voorwerp

Enerzijds, vordering tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie houdende afwijzing van het verzoek dat verzoekster, een voormalig hulpfunctionaris, heeft ingediend tegen het besluit tot vaststelling van haar indeling en bezoldiging als arbeidscontractant alsmede, anderzijds, vordering tot schadevergoeding (voorheen T-271/05)

Dictum

1)

Het beroep wordt kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

2)

Elke partij zal de eigen kosten dragen.


(1)  PB C 229 van 17.9.2005, blz. 31 (zaak aanvankelijk ingeschreven bij het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen onder nummer T-271/05 en bij beschikking van 15.12.2005 verwezen naar het Gerecht voor ambtenarenzaken).


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/61


Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Tweede kamer) van 5 juni 2008 — Timmer/Rekenkamer

(Zaak F-123/06) (1)

(Openbare dienst - Ambtenaren - Beoordeling - Klachttermijn - Nieuw feit - Niet-ontvankelijkheid)

(2008/C 223/114)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Marianne Timmer (Saint-Sauves-d'Auvergne, Frankrijk) (vertegenwoordiger: F. Rollinger, advocaat)

Verwerende partij: Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: T. Kennedy, J.-M. Stenier en G. Corstens, gemachtigden)

Voorwerp

Enerzijds, vordering tot nietigverklaring van alle beoordelingsrapporten van verzoekster die door L. zijn opgesteld alsmede van de daarmee verband houdende en/of daarop volgende besluiten, daaronder begrepen het besluit houdende aanstelling van L. en, anderzijds, vordering tot schadevergoeding

Dictum

1)

Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.

2)

Elke partij draagt de eigen kosten.


(1)  PB C 326 van 30.12.2006, blz. 84.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/61


Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Tweede kamer) van 21 april 2008 — Boudova e.a./Commissie

(Zaak F-78/07) (1)

(Openbare dienst - Ambtenaren - Aanstelling - Indeling in rang - Hulpfunctionarissen die als ambtenaar worden aangesteld - Vergelijkende onderzoeken bekendgemaakt voor inwerkingtreding van nieuwe Statuut - Bezwarend besluit - Ontvankelijkheid van beroep)

(2008/C 223/115)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partijen: Stanislava Boudova e.a. (Luxemburg, Luxemburg) (vertegenwoordiger: M.-A. Lucas, advocaat)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: J. Currall en G. Berscheid, gemachtigden)

Voorwerp

Nietigverklaring van het besluit houdende afwijzing van de verzoeken om herziening van de indeling in rang van verzoekers, voormalige hulpfunctionarissen die na succesvolle deelname aan algemene vergelijkende onderzoeken voor de rangen B5/B4 als ambtenaar zijn aangesteld — Vordering tot schadevergoeding

Dictum

1)

Het beroep wordt kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

2)

Elke partij zal de eigen kosten dragen.


(1)  PB C 247 van 20.10.2007, blz. 42.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/61


Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Tweede kamer) van 26 juni 2008 — Nijs/Rekenkamer

(Zaak F-108/07) (1)

(Openbare dienst - Ambtenaren - Artikel 44, lid 1, sub c), van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van eerste aanleg - Summiere uiteenzetting van middelen in verzoekschrift - Ontbreken van voorafgaande klacht - Kennelijke niet-ontvankelijkheid)

(2008/C 223/116)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Bart Nijs (Bereldange, Luxemburg) (vertegenwoordiger: F. Rollinger, advocaat)

Verwerende partij: Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: T. Kennedy, J.-M. Stenier en G. Corstens, gemachtigden)

Voorwerp

Nietigverklaring van het besluit van de Rekenkamer om het mandaat van haar secretaris-generaal met ingang van 1 juli 2007 voor een periode van zes jaar te verlengen en, subsidiair, van het besluit van het TABG om verzoeker in het kader van de bevorderingsronde 2004, na het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 3 oktober 2006, Nijs/Rekenkamer (T-171/05), niet tot de rang LA5 te bevorderen

Dictum

1)

Het beroep wordt kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

2)

Nijs wordt verwezen in alle kosten.


(1)  PB C 22 van 26.1.2008, blz. 56.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/62


Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Tweede kamer) van 26 juni 2008 — Nijs/Rekenkamer

(Zaak F-136/07) (1)

(Openbare dienst - Ambtenaren - Voorafgaande klacht - Geen - Klachttermijn - Te late indiening - Kennelijke niet-ontvankelijkheid)

(2008/C 223/117)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Bart Nijs (Bereldange, Luxemburg) (vertegenwoordigers: aanvankelijk F. Rollinger, vervolgens F. Rollinger en A. Hertzog, advocaten)

Verwerende partij: Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: T. Kennedy, J.-M. Stenier en G. Corstens, gemachtigden)

Voorwerp

Enerzijds, nietigverklaring van het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag (TABG) van 5 september 2007 om verzoeker na een tuchtprocedure terug te zetten in de rang AD 9, salaristrap 5, en, anderzijds, van de besluiten om hem te schorsen, een administratief onderzoek naar hem in te stellen en hem in 2007 niet tot de rang AD 11 te bevorderen — Vordering tot vergoeding van de materiële en immateriële schade

Dictum

1)

Het beroep wordt kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

2)

Nijs wordt verwezen in alle kosten.


(1)  PB C 79 van 29.3.2008, blz. 37.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/62


Beroep ingesteld op 29 mei 2008 — Bernard/Europol

(Zaak F-54/08)

(2008/C 223/118)

Procestaal: Nederlands

Partijen

Verzoekende partij: Marjorie Bernard ('s-Gravenhage, Nederland) (vertegenwoordiger: P. de Casparis, advocate)

Verwerende partij: Europese Politiedienst (Europol)

Voorwerp en beschrijving van het geding

Nietigverklaring van het besluit van Europol om verzoeksters overeenkomst slechts voor de minimumperiode van 9 maanden te verlengen

Conclusies

nietigverklaring van het besluit van 31 juli 2007 om verzoeksters overeenkomst slechts tot 1 juni 2008 te verlengen alsmede van het besluit op de klacht van 29 februari 2008;

verwijzing van Europol in de kosten van de procedure.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/62


Beroep ingesteld op 30 juni 2008 — Klug/Europees Geneesmiddelenbureau

(Zaak F-59/08)

(2008/C 223/119)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Bettina Klug (Wiesbaden, Duitsland) (vertegenwoordiger: S. Zickgraf, advocaat)

Verwerende partij: Europees Geneesmiddelenbureau

Voorwerp en beschrijving van het geding

Nietigverklaring van de door de verwerende partij opgestelde beoordeling van verzoekster over de periode van 31 december 2004 tot 31 december 2006 en veroordeling van de verwerende partij tot betaling van een vergoeding voor haar materiële en immateriële schade

Conclusies

vast te stellen dat de door de verwerende partij opgestelde beoordeling van verzoekster over de periode van 31 december 2004 tot 31 december 2006 nietig is;

vast te stellen dat de niet-verlenging van verzoeksters arbeidsovereenkomst nietig is;

de verwerende partij te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 200 000 EUR aan verzoekster;

de verwerende partij te veroordelen tot betaling van een vergoeding van 35 000 EUR voor verzoeksters immateriële schade;

het Europees Geneesmiddelenbureau te verwijzen in de kosten van de procedure.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/63


Beroep ingesteld op 25 juni 2008 — Z/Commissie

(Zaak F-60/08)

(2008/C 223/120)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Z (Brussel, België) (vertegenwoordigers: S. Orlandi, A. Coolen, J.-N. Louis, E. Marchal)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen

Voorwerp en beschrijving van het geding

Nietigverklaring van het besluit van de Commissie om na advies van de invaliditeitscommissie het in artikel 100 van de RAP voorziene voorbehoud op verzoekster toe te passen

Conclusies

nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 7 september 2007 tot vaststelling van verzoeksters arbeidsvoorwaarden als arbeidscontractant voor hulptaken, voor zover dit besluit voorziet in de toepassing van het voorbehoud van artikel 100 RAP;

verwijzing van de Commissie van de Europese Gemeenschappen in de kosten van de procedure.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/63


Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Tweede kamer) van 13 februari 2008 — Ghem/Commissie

(Zaak F-62/05) (1)

(2008/C 223/121)

Procestaal: Frans

De president van de Tweede kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 229 van 17.9.2008, blz. 31 (aanvankelijk ingeschreven bij het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen onder nummer T-270/05 en overgedragen aan het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie bij beschikking van 15.12.2005).


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/63


Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Tweede kamer) van 2 april 2008 — S/Parlement

(Zaak F-64/07) (1)

(2008/C 223/122)

Procestaal: Italiaans

De president van de Tweede kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 199 van 25.8.2007, blz. 53.


30.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/63


Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Tweede kamer) van 6 maart 2008 — Gering/Europol

(Zaak F-68/07) (1)

(2008/C 223/123)

Procestaal: Nederlands

De president van de Tweede kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 247 van 20.10.2008, blz. 42.