ISSN 1725-2474

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 183

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

51e jaargang
19 juli 2008


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

IV   Informatie

 

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN EN ORGANEN VAN DE EUROPESE UNIE

 

Hof van Justitie

2008/C 183/01

Laatste publicatie van het Hof van Justitie in het Publicatieblad van de Europese Unie
PB C 171 van 5.7.2008

1

 

V   Bekendmakingen

 

GERECHTELIJKE PROCEDURES

 

Hof van Justitie

2008/C 183/02

Zaak C-226/06: Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 5 juni 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Franse Republiek (Niet-nakoming — Richtlijn 89/391/EEG — Maatregelen ter bevordering van verbetering van veiligheid en gezondheid van werknemers op werk — Artikelen 2, 10, lid 1, en 12, leden 3 en 4 — Niet-conforme omzetting)

2

2008/C 183/03

Zaak C-308/06: Arrest van het Hof (Grote kamer) van 3 juni 2008 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de High Court of Justice (England & Wales), Queen's Bench Division (Administrative Court) — Verenigd Koninkrijk) — The Queen, The International Association of Independent Tanker Owners (Intertanko), The International Association of Dry Cargo Shipowners (Intercargo), The Greek Shipping Co-operation Committee, Lloyd's Register, The International Salvage Union/Secretary of State for Transport (Zeevervoer — Verontreiniging vanaf schepen — Richtlijn 2005/35/EG — Geldigheid — Zeerechtverdrag — Marpol 73/78 — Rechtsgevolgen — Inroepbaarheid — Ernstige nalatigheid — Rechtszekerheidsbeginsel)

2

2008/C 183/04

Zaak C-534/06: Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 5 juni 2008 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Corte suprema di cassazione — Italië) — Industria Lavorazione Carni Ovine Srl/Regione Lazio (Gemeenschappelijk landbouwbeleid — EOGFL — Artikel 13 van Verordening (EEG) nr. 866/90 — Uitsluiting van investeringen voor verwerking van producten uit derde landen — Evenredigheidsbeginsel)

3

2008/C 183/05

Zaak C-164/07: Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 5 juni 2008 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Commission d'indemnisation des victimes d'infractions du Tribunal de grande instance de Nantes — Frankrijk) — James Wood/Fonds de garantie des victimes des actes de terrorisme et d'autres infractions (Artikel 12 EG — Discriminatie op grond van nationaliteit — Schadevergoeding door Fonds de garantie des victimes d'actes de terrorisme et d'autres infractions — Daarvan uitgesloten)

3

2008/C 183/06

Zaak C-170/07: Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 5 juni 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Republiek Polen (Niet-nakoming — Binnenlandse belastingen — Verplichting van technische controle van ingevoerde gebruikte voertuigen — Artikelen 28 EG en 30 EG — Richtlijn 96/96/EG — Erkenning van in andere lidstaten uitgevoerde technische controles)

4

2008/C 183/07

Zaak C-312/07: Arrest van het Hof (Zevende kamer) van 5 juni 2008 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunal d'instance de Paris — Frankrijk) — JVC France SAS/Administration des douanes (Direction Nationale du Renseignement et des Enquêtes douanières) (Gemeenschappelijk douanetarief — Tariefindeling — Gecombineerde nomenclatuur — Camcorders — Toelichtingen — Juridische status)

4

2008/C 183/08

Zaak C-395/07: Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 5 juni 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Bondsrepubliek Duitsland (Niet-nakoming — Richtlijn 2004/48/EG — Handhaving van intellectuele-eigendomsrechten — Niet-uitvoering binnen gestelde termijn)

5

2008/C 183/09

Zaak C-507/07: Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 3 juni 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Franse Republiek (Niet-nakoming — Verordening (EG) nr. 6/2002 — Industriële en commerciële eigendom — Gemeenschapsmodellen — Artikel 80, lid 2 — Niet-mededeling van lijst van rechtbanken)

6

2008/C 183/10

Advies 1/08: Verzoek om advies, door de Commissie van de Europese Gemeenschappen ingediend krachtens artikel 300, lid 6, EG

6

2008/C 183/11

Gevoegde zaken C-231/07 en C-232/07: Beschikking van het Hof (Achtste kamer) van 14 mei 2008 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Hof van Beroep te Brussel — België) — Tiercé Ladbroke SA (C-231/07), Derby SA (C-232/07)/Belgische Staat (Reglement voor de procesvoering — Artikel 104, lid 3, eerste alinea — Zesde richtlijn btw — Artikel 13, B, sub d, punt 3 — Vrijstellingen — Begrippen deposito's en betalingen — Weigering van vrijstelling)

6

2008/C 183/12

Zaak C-454/07: Beroep ingesteld op 10 augustus 2007 — Hervé Raulin/Franse Republiek

7

2008/C 183/13

Zaak C-49/08: Beroep ingesteld op 7 februari 2008 — Sandra Raulin/Franse Republiek

7

2008/C 183/14

Zaak C-132/08: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Fővárosi Bíróság (Republiek Hongarije) op 2 april 2008 — LIDL Magyarország Kereskedelmi Bt./Nemzeti Hírközlési Hatóság Tanácsa

7

2008/C 183/15

Zaak C-137/08: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Budapesti II. és III. Kerületi Bíróság (Republiek Hongarije) op 7 april 2008 — VB Pénzügyi Lízing Zrt./Ferenc Schneider

8

2008/C 183/16

Zaak C-138/08: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Fővárosi Ítélőtábla (Hongarije) op 7 april 2008 — Hochtief AG, Linde-Kca-Dresden GmbH/Közbeszerzések Tanácsa Közbeszerzési Döntőbizottság

9

2008/C 183/17

Zaak C-139/08: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberlandesgericht Karlsruhe (Duitsland) op 7 april 2008 — Strafzaak tegen Rafet Kqiku

9

2008/C 183/18

Zaak C-156/08: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Niedersächsische Finanzgericht (Duitsland) op 16 april 2008 — Monika Vollkommer/Finanzamt Hannover — Land I

10

2008/C 183/19

Zaak C-161/08: Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Hof van beroep te Antwerpen (België) op 18 april 2008 — Internationaal Verhuis- en Transportbedrijf Jan de Lely tegen Belgische Staat

10

2008/C 183/20

Zaak C-165/08: Beroep ingesteld op 17 april 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Republiek Polen

11

2008/C 183/21

Zaak C-166/08: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Büdingen (Duitsland) op 18 april 2008 — Strafzaak tegen Guido Weber

11

2008/C 183/22

Zaak C-167/08: Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Hof van Cassatie van België op 21 april 2008 — Draka NK Cables Ltd, AB Sandvik international, VO Sembodja BV en Parc Healthcare International Limited tegen Omnipol Ltd

12

2008/C 183/23

Zaak C-172/08: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Commissione Tributaria Provinciale di Roma (Italië) op 25 april 2008 — Pontina Ambiente s.r.l./Regio Lazio

12

2008/C 183/24

Zaak C-173/08: Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Gerechtshof te Amsterdam (Nederland) op 25 april 2008 — Kloosterboer Services BV tegen Inspecteur van de Belastingdienst/Douane Rotterdam, kantoor Laan op Zuid

12

2008/C 183/25

Zaak C-189/08: Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden op 8 mei 2008 — Zuid-Chemie BV tegen Philippo's Mineralenfabriek NV/SA, thans PMF Productions

13

2008/C 183/26

Zaak C-193/08: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesgerichtshof (Duitsland) op 14 januari 2008 — Pachtovereenkomst met als partijen: Hermann Fischer, Rolf Schlatter en het Regierungspräsidium Freiburg

13

2008/C 183/27

Zaak C-197/08: Beroep ingesteld op 14 mei 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Franse Republiek

14

2008/C 183/28

Zaak C-201/08: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Hessische Finanzgericht, Kassel (Duitsland) op 16 mei 2008 — Plantanol GmbH & Co. KG/Hauptzollamt Darmstadt

14

2008/C 183/29

Zaak C-210/08 P: Hogere voorziening ingesteld op 21 mei 2008 door Sebirán, S.L. tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Vierde kamer) van 12 maart 2008 in zaak T-332/04, Sebirán S.L./BHIM en El Coto de Rioja, S.A.

15

2008/C 183/30

Zaak C-219/08: Beroep ingesteld op 22 mei 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Koninkrijk België

15

2008/C 183/31

Zaak C-220/08: Beroep ingesteld op 22 mei 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Helleense Republiek

16

2008/C 183/32

Zaak C-234/08: Beroep ingesteld op 30 mei 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Ierland

16

2008/C 183/33

Zaak C-239/08: Beroep ingesteld op 2 juni 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Koninkrijk België

16

2008/C 183/34

Zaak C-240/08: Beroep ingesteld op 2 juni 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Groothertogdom Luxemburg

17

2008/C 183/35

Zaak C-245/08: Beroep ingesteld op 4 juni 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Portugese Republiek

17

 

Gerecht van eerste aanleg

2008/C 183/36

Zaak T-282/03: Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 10 juni 2008 — Ceuninck/Commissie (Openbare dienst — Ambtenaren — Aanstelling — Ambt van adviseur bij het OLAF — Afwijzing van sollicitatie — Bevoegdheid van directeur-generaal van het OLAF — Wettigheid van kennisgeving van vacature — Schending van regels voor aanstelling van ambtenaren van de rangen A4 en A5 — Misbruik van bevoegdheid — Kennelijk onjuiste beoordeling)

18

2008/C 183/37

Zaak T-18/04: Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 10 juni 2008 — Marcuccio/Commissie (Sociale zekerheid — Verzoek om vergoeding van ziektekosten — Stilzwijgende afwijzing van verzoek)

18

2008/C 183/38

Zaak T-141/05: Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 5 juni 2008 — Internationaler Hilfsfonds/Commissie (Beroep tot nietigverklaring — Toegang tot documenten — Verordening (EG) nr. 1049/2001 — Gedeeltelijke weigering — Handeling waartegen geen beroep kan worden ingesteld — Louter confirmatieve handeling — Niet-ontvankelijkheid)

19

2008/C 183/39

Zaak T-330/06: Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 10 juni 2008 — Novartis/BHIM (BLUE SOFT) (Gemeenschapsmerk — Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk BLUE SOFT — Absolute weigeringsgronden — Beschrijvend karakter — Ontbreken van onderscheidend vermogen — Artikel 7, lid 1, sub b) en c), van Verordening (EG) nr. 40/94)

19

2008/C 183/40

Zaak T-85/07: Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 10 juni 2008 — Gabel Industria Tessile/BHIM — Creaciones Garel (GABEL) (Gemeenschapsmerk — Oppositieprocedure — Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk GABEL — Ouder gemeenschapsbeeldmerk GAREL — Gedeeltelijke weigering van inschrijving — Omvang van door kamer van beroep te verrichten onderzoek — Verplichting om op volledig beroep te beslissen — Artikel 62, lid 1, van Verordening (EG) nr. 40/94)

19

2008/C 183/41

Zaak T-91/07: Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 2 juni 2008 — WWF-UK/Raad (Beroep tot nietigverklaring — Verordening (EG) nr. 41/2007 — Herstel van kabeljauwbestanden — Vaststelling van TAC's voor 2007 — Handeling van algemene strekking — Geen individuele geraaktheid — Niet-ontvankelijkheid)

20

2008/C 183/42

Zaak T-172/07: Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 2 juni 2008 — Atlantic Dawn e.a./Commissie (Beroep tot nietigverklaring — Vangstquota — Verordening (EG) nr. 2371/2002 — Geen directe aantasting — Niet-ontvankelijkheid)

20

2008/C 183/43

Zaak T-220/07: Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 19 mei 2008 — Transports Schiocchet — Excursions/Commissie (Beroep tot schadevergoeding — Verjaringstermijn — Artikel 46 van het Statuut van het Hof — Niet-ontvankelijkheid)

21

2008/C 183/44

Zaak T-4/08: Beroep ingesteld op 3 januari 2008 — EMSA/Portugal

21

2008/C 183/45

Zaak T-160/08 P: Hogere voorziening ingesteld op 5 mei 2008 door de Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 21 februari 2008 in zaak F-31/07, Putterie-De-Beukelaer/Commissie

23

2008/C 183/46

Zaak T-166/08: Beroep ingesteld op 6 mei 2008 — Ivanov/Commissie

23

2008/C 183/47

Zaak T-169/08: Beroep ingesteld op 13 mei 2008 — DEI/Commissie

24

2008/C 183/48

Zaak T-174/08: Beroep ingesteld op 15 mei 2008 — Commissie/Cooperação e Desenvolvimento Regional, SA

25

2008/C 183/49

Zaak T-186/08: Beroep ingesteld op 9 mei 2008 — Liga para a Protecção da Natureza/Commissie van de Europese Gemeenschappen

25

2008/C 183/50

Zaak T-189/08: Beroep ingesteld op 22 mei 2008 — Forum 187/Commissie

26

2008/C 183/51

Zaak T-191/08: Beroep ingesteld op 22 mei 2008 — JOOP!/BHIM (Weergave van een uitroepteken)

27

2008/C 183/52

Zaak T-195/08: Beroep ingesteld op 30 mei 2008 — Antwerpse Bouwwerken/Commissie

28

2008/C 183/53

Zaak T-199/08: Beroep ingesteld op 3 juni 2008 — Ziegler/Commissie

28

2008/C 183/54

Zaak T-200/08: Beroep ingesteld op 22 mei 2008 — Interflon/BHIM — Illinois Tool Works (FOODLUBE)

29

2008/C 183/55

Zaak T-202/08: Beroep ingesteld op 5 juni 2008 — CLL Centres de langues/Commissie

29

2008/C 183/56

Zaak T-273/04: Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 23 mei 2008 — FagorBrandt/Commissie

30

2008/C 183/57

Zaak T-368/06: Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 5 mei 2008 — Rath/BHIM — Sanorell Pharma (Immunocel)

30

2008/C 183/58

Zaak T-171/07: Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 2 juni 2008 — Avaya/BHIM — ZyXEL Communications (VANTAGE CNM)

30

2008/C 183/59

Zaak T-228/07: Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 9 juni 2008 — Malheiro/Commissie

30

 

Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie

2008/C 183/60

Zaak F-79/07: Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 26 mei 2008 — Braun-Neumann/Parlement (Openbare dienst — Ambtenaren — Pensioenen — Weduwnaarspensioen — Betaling van 50 % wegens het bestaan van tweede overlevende echtgenoot — Niet-ontvankelijkheid — Te laat ingediende klacht — Middel van niet-ontvankelijkheid van openbare orde — Toetsing ambtshalve — Toepassing in de tijd van reglement voor de procesvoering van het Gerecht)

31

2008/C 183/61

Zaak F-101/07: Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 22 mei 2008 — Cova/Commissie (Procesincidenten — Exceptie van niet-ontvankelijkheid)

31

2008/C 183/62

Zaak F-107/07: Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 22 mei 2008 — Daskalakis/Commissie (Openbare dienst — Ambtenaren — Bezoldiging — Artikel 7, lid 2, van Statuut — Ad-interimtoelage — Niet-ontvankelijkheid)

31

2008/C 183/63

Zaak F-119/07: Beroep ingesteld op 22 oktober 2007 — Strack/Commissie

32

2008/C 183/64

Zaak F-131/07: Beroep ingesteld op 31 oktober 2007 — Baniel-Kubinova e.a./Parlement

32

2008/C 183/65

Zaak F-40/08: Beroep ingesteld op 18 maart 2008 — Carvalhal Garcia/Raad

33

2008/C 183/66

Zaak F-43/08: Beroep ingesteld op 16 april 2008 — Spee/Europol

33

2008/C 183/67

Zaak F-49/08: Beroep ingesteld op 19 mei 2008 — Giannini/Commissie

33

2008/C 183/68

Zaak F-51/08: Beroep ingesteld op 21 mei 2008 — Stols/Raad

34

2008/C 183/69

Zaak F-52/08: Beroep ingesteld op 4 juni 2008 — Plasa/Commissie

35

2008/C 183/70

Zaak F-53/08: Beroep ingesteld op 28 mei 2008 — Bouillez e.a./Raad

35

NL

 


IV Informatie

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN EN ORGANEN VAN DE EUROPESE UNIE

Hof van Justitie

19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/1


(2008/C 183/01)

Laatste publicatie van het Hof van Justitie in het Publicatieblad van de Europese Unie

PB C 171 van 5.7.2008

Historisch overzicht van de vroegere publicaties

PB C 158 van 21.6.2008

PB C 142 van 7.6.2008

PB C 128 van 24.5.2008

PB C 116 van 9.5.2008

PB C 107 van 26.4.2008

PB C 92 van 12.4.2008

Deze teksten zijn beschikbaar in:

 

EUR-Lex: http://eur-lex.europa.eu


V Bekendmakingen

GERECHTELIJKE PROCEDURES

Hof van Justitie

19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/2


Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 5 juni 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Franse Republiek

(Zaak C-226/06) (1)

(Niet-nakoming - Richtlijn 89/391/EEG - Maatregelen ter bevordering van verbetering van veiligheid en gezondheid van werknemers op werk - Artikelen 2, 10, lid 1, en 12, leden 3 en 4 - Niet-conforme omzetting)

(2008/C 183/02)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: G. Rozet en I. Kaufmann-Bühler, gemachtigden)

Verwerende partij: Franse Republiek (vertegenwoordigers: G. de Bergues en C. Bergeot-Nunes, gemachtigden)

Voorwerp

Niet-nakoming — Niet-vaststelling, binnen gestelde termijn, van alle bepalingen die nodig zijn om te voldoen aan de artikelen 2, 10, lid 1, en 12, leden 3 en 4, van richtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk (PB L 183, blz. 1)

Dictum

1)

Door niet binnen de gestelde termijn alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan de artikelen 2, 10, lid 1, en 12, leden 3 en 4, van richtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk, is de Franse Republiek de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.

2)

De Franse Republiek wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 165 van 15.7.2006.


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/2


Arrest van het Hof (Grote kamer) van 3 juni 2008 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de High Court of Justice (England & Wales), Queen's Bench Division (Administrative Court) — Verenigd Koninkrijk) — The Queen, The International Association of Independent Tanker Owners (Intertanko), The International Association of Dry Cargo Shipowners (Intercargo), The Greek Shipping Co-operation Committee, Lloyd's Register, The International Salvage Union/Secretary of State for Transport

(Zaak C-308/06) (1)

(Zeevervoer - Verontreiniging vanaf schepen - Richtlijn 2005/35/EG - Geldigheid - Zeerechtverdrag - Marpol 73/78 - Rechtsgevolgen - Inroepbaarheid - Ernstige nalatigheid - Rechtszekerheidsbeginsel)

(2008/C 183/03)

Procestaal: Engels

Verwijzende rechter

High Court of Justice (England & Wales), Queen's Bench Division (Administrative Court)

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: The Queen, The International Association of Independent Tanker Owners (Intertanko), The International Association of Dry Cargo Shipowners (Intercargo), The Greek Shipping Co-operation Committee, Lloyd's Register, The International Salvage Union

Verwerende partij: Secretary of State for Transport

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — High Court of Justice (England & Wales), Queen's Bench Division (Administrative Court) — Geldigheid van de artikelen 4 en 5, leden 1 en 2, van richtlijn 2005/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 inzake verontreiniging vanaf schepen en invoering van sancties voor inbreuken (PB L 255, blz. 11) — Gemeenschapsbepalingen waardoor bepaalde uitzonderingen in een internationaal verdrag (Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, MARPOL) worden beperkt — Bepalingen die voorzien in strafsancties in situaties waarin een internationaal verdrag (Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee [UNCLOS]) deze sancties niet oplegt

Dictum

1)

De geldigheid van richtlijn 2005/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 inzake verontreiniging vanaf schepen en invoering van sancties voor inbreuken, kan niet worden getoetst:

aan het Internationaal verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, ondertekend te Londen op 2 november 1973, zoals aangevuld door het protocol van 17 februari 1978,

en evenmin aan het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, ondertekend te Montego Bay op 10 december 1982.

2)

Bij onderzoek van de vierde vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van artikel 4 van richtlijn 2005/35 aantasten uit het oogpunt van het algemene rechtszekerheidsbeginsel.


(1)  PB C 261 van 28.10.2006.


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/3


Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 5 juni 2008 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Corte suprema di cassazione — Italië) — Industria Lavorazione Carni Ovine Srl/Regione Lazio

(Zaak C-534/06) (1)

(Gemeenschappelijk landbouwbeleid - EOGFL - Artikel 13 van Verordening (EEG) nr. 866/90 - Uitsluiting van investeringen voor verwerking van producten uit derde landen - Evenredigheidsbeginsel)

(2008/C 183/04)

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Corte suprema di cassazione

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Industria Lavorazione Carni Ovine Srl

Verwerende partij: Regione Lazio

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Corte suprema di cassazione — Uitlegging van artikel 13 van verordening (EEG) nr. 866/90 van de Raad van 29 maart 1990 inzake de verbetering van de verwerking en de afzet van landbouwproducten (PB L 91, blz. 1) — Uitsluiting van investeringen voor afzet en/of verwerking van producten uit derde landen — Uitsluiting in geval van investeringen die tevens producten uit lidstaten betreffen en die worden verricht met inachtneming van het specifieke programma waarvoor de financiering is verkregen

Dictum

Artikel 13 van verordening (EEG) nr. 866/90 van de Raad van 29 maart 1990 inzake de verbetering van de verwerking en de afzet van landbouwproducten, moet aldus worden uitgelegd dat deze bepaling in omstandigheden als die van het hoofdgeding niet uitsluit dat financiële bijstand wordt verstrekt wanneer er ook producten worden afgezet of verwerkt die niet afkomstig zijn uit de Gemeenschap, maar het specifieke programma waarvoor de financiering is verkregen in zoverre is uitgevoerd dat uit de Gemeenschap afkomstige producten in de geplande hoeveelheden zijn afgezet en/of verwerkt.


(1)  PB C 42 van 24.2.2007.


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/3


Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 5 juni 2008 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Commission d'indemnisation des victimes d'infractions du Tribunal de grande instance de Nantes — Frankrijk) — James Wood/Fonds de garantie des victimes des actes de terrorisme et d'autres infractions

(Zaak C-164/07) (1)

(Artikel 12 EG - Discriminatie op grond van nationaliteit - Schadevergoeding door Fonds de garantie des victimes d'actes de terrorisme et d'autres infractions - Daarvan uitgesloten)

(2008/C 183/05)

Procestaal: Frans

Verwijzende rechter

Tribunal de grande instance — Commission d'indemnisation des victimes d'infractions

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: James Wood

Verwerende partij: Fonds de garantie des victimes des actes de terrorisme et d'autres infractions

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Tribunal de grande instance — Commission d'indemnisation des victimes d'infractions — Uitlegging van artikel 12 EG-Verdrag — Verenigbaarheid, in het licht van het algemene beginsel van non-discriminatie, van een regel van nationaal recht die een onderdaan van een andere lidstaat die rechtmatig in Frankrijk verblijft en vader is van een kind met de Franse nationaliteit dat buiten het nationale grondgebied is omgekomen, enkel op grond van zijn nationaliteit uitsluit van een schadevergoeding door een garantiefonds

Dictum

Het gemeenschapsrecht verzet zich tegen een wettelijke regeling van een lidstaat waarbij staatsburgers van andere lidstaten die op zijn grondgebied wonen en werken, enkel op grond van hun nationaliteit worden uitgesloten van het recht op een schadeloosstelling ter vergoeding van de schade als gevolg van aantastingen in de persoon door een misdrijf dat niet op het grondgebied van die staat is gepleegd.


(1)  PB C 129 van 9.6.2007.


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/4


Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 5 juni 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Republiek Polen

(Zaak C-170/07) (1)

(Niet-nakoming - Binnenlandse belastingen - Verplichting van technische controle van ingevoerde gebruikte voertuigen - Artikelen 28 EG en 30 EG - Richtlijn 96/96/EG - Erkenning van in andere lidstaten uitgevoerde technische controles)

(2008/C 183/06)

Procestaal: Pools

Partijen

Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: J. Hottiaux en K. Herrmann, gemachtigden)

Verwerende partij: Republiek Polen (vertegenwoordiger: E. Ośniecka-Tamecka, gemachtigde)

Voorwerp

Niet-nakoming — Schending van artikel 28 EG — Nationale regeling krachtens welke ingevoerde gebruikte voertuigen voor de registratie ervan aan een technische controle moeten worden onderworpen, terwijl een dergelijke verplichting niet bestaat voor nationale voertuigen met dezelfde kenmerken

Dictum

1)

Door ingevoerde gebruikte voertuigen, die eerder in andere lidstaten zijn ingeschreven, voor de registratie ervan in Polen aan een technische controle te onderwerpen, is de Republiek Polen de krachtens artikel 28 EG op haar rustende verplichtingen niet nagekomen

2)

De Republiek Polen wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 183 van 4.8.2007.


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/4


Arrest van het Hof (Zevende kamer) van 5 juni 2008 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunal d'instance de Paris — Frankrijk) — JVC France SAS/Administration des douanes (Direction Nationale du Renseignement et des Enquêtes douanières)

(Zaak C-312/07) (1)

(Gemeenschappelijk douanetarief - Tariefindeling - Gecombineerde nomenclatuur - Camcorders - Toelichtingen - Juridische status)

(2008/C 183/07)

Procestaal: Frans

Verwijzende rechter

Tribunal d'instance de Paris

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: JVC France SAS

Verwerende partij: Administration des douanes (Direction Nationale du Renseignement et des Enquêtes douanières)

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Tribunal d'instance de Paris (Frankrijk) — Uitlegging van bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256, blz. 1), in de versie die geldt voor de feiten van het hoofdgeding — Postonderverdelingen 8525 40 91 (camcorders die enkel zijn voorzien van een opnamemogelijkheid voor het door de televisiecamera geregistreerde beeld en geluid) en 8525 40 99 (andere) — Indeling van camcorders waarmee op het tijdstip van invoer geen van buiten inkomende videosignalen kunnen worden opgenomen (dv-out), maar waarvan de videoaansluiting achteraf kan worden geactiveerd met behulp van een programma of een „dv-in-enabler” (dv-in/out), zonder dat de producent of de verkoper op deze mogelijkheid heeft gewezen of deze aanbeveelt — Mogelijkheid om de communautaire praktijk inzake de tariefindeling te wijzigen door middel van achtereenvolgende wijzigingen met terugwerkende kracht van de toelichtingen bij de gecombineerde nomenclatuur in plaats van door de vaststelling van een tariefindelingsverordening die uitsluitend voor de toekomst geldt

Dictum

1)

Een camcorder kan slechts worden ingedeeld onder postonderverdeling 8525 40 99 van de gecombineerde nomenclatuur, die is opgenomen in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, zoals gewijzigd bij de verordeningen (EG) nr. 2261/98 van de Commissie van 26 oktober 1998, (EG) nr. 2204/1999 van de Commissie van 12 oktober 1999, (EG) nr. 2388/2000 van de Commissie van 13 oktober 2000 en (EG) nr. 2031/2001 van de Commissie van 6 augustus 2001, indien de functie om beelden en geluiden op te nemen die van andere bronnen dan de geïntegreerde camera of microfoon afkomstig zijn, op het tijdstip van de inklaring actief is of indien deze functie, ook al heeft de producent dit kenmerk niet op de voorgrond willen stellen, op een later tijdstip door een gebruiker die niet over bijzondere bekwaamheden beschikt door een eenvoudige manipulatie kan worden geactiveerd zonder dat de camcorder daarbij materiële wijzigingen ondergaat. Ingeval deze functie achteraf wordt geactiveerd, is tevens vereist dat, enerzijds, de camcorder na de activering van de functie op analoge wijze functioneert als een andere camcorder, waarvan de functie om beelden en geluiden op te nemen die van andere bronnen dan de geïntegreerde camera of microfoon afkomstig zijn, op het tijdstip van de inklaring actief is, en, anderzijds, dat hij op autonome wijze functioneert. Of aan deze voorwaarden is voldaan, moet op het tijdstip van de inklaring kunnen worden geverifieerd. Het staat aan de nationale rechter om te beoordelen of deze voorwaarden zijn vervuld. Indien deze voorwaarden niet zijn vervuld, moet de betrokken camcorder onder postonderverdeling 8525 40 91 van de gecombineerde nomenclatuur worden ingedeeld.

2)

De op 6 juli 2001 en 23 oktober 2002 bekendgemaakte toelichtingen op deze gecombineerde nomenclatuur met betrekking tot postonderverdeling 8525 40 99 zijn uitleggingen en zijn rechtens niet bindend. Zij zijn in overeenstemming met de tekst van de gecombineerde nomenclatuur en wijzigen de strekking daarvan niet. Hieruit volgt dat de vaststelling van een nieuwe indelingsverordening niet noodzakelijk was.


(1)  PB C 211 van 8.9.2007.


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/5


Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 5 juni 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Bondsrepubliek Duitsland

(Zaak C-395/07) (1)

(Niet-nakoming - Richtlijn 2004/48/EG - Handhaving van intellectuele-eigendomsrechten - Niet-uitvoering binnen gestelde termijn)

(2008/C 183/08)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: W. Wils en H. Krämer, gemachtigden)

Verwerende partij: Bondsrepubliek Duitsland (vertegenwoordiger: M. Lumma, gemachtigde)

Voorwerp

Niet-nakoming — Verzuim om binnen de gestelde termijn alle bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten (PB L 157, blz. 45, met een rectificatie in L 195, blz. 16)

Dictum

1)

Door niet binnen de gestelde termijn alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten, is de Bondsrepubliek Duitsland de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.

2)

De Bondsrepubliek Duitsland wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 247 van 20.10.2007.


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/6


Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 3 juni 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Franse Republiek

(Zaak C-507/07) (1)

(Niet-nakoming - Verordening (EG) nr. 6/2002 - Industriële en commerciële eigendom - Gemeenschapsmodellen - Artikel 80, lid 2 - Niet-mededeling van lijst van rechtbanken)

(2008/C 183/09)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordiger: H. Krämer, gemachtigde)

Verwerende partij: Franse Republiek (vertegenwoordigers: G. de Bergues en A. Hare, gemachtigden)

Voorwerp

Niet-nakoming — Verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende gemeenschapsmodellen (PB 2002, L 3, blz. 1) — Niet-mededeling van in artikel 80, lid 2, van bovengenoemde verordening bedoelde lijst van rechtbanken voor het gemeenschapsmodel met hun naam en territoriale bevoegdheid

Dictum

1)

Door aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen geen lijst van rechtbanken voor het gemeenschapsmodel mee te delen, is de Franse Republiek de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 80, lid 2, van verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende gemeenschapsmodellen.

2)

De Franse Republiek wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 8 van 12.1.2008.


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/6


Verzoek om advies, door de Commissie van de Europese Gemeenschappen ingediend krachtens artikel 300, lid 6, EG

(Advies 1/08)

(2008/C 183/10)

Procestaal: alle officiële talen

Verzoekende partij:

Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: E. White, M. Huttunen en L. Prete, gemachtigden)

Aan het Hof voorgelegde vragen:

1)

Valt de sluiting van akkoorden met getroffen WTO[Wereldhandelsorganisatie]-leden op grond van artikel XXI van de GATS [Algemene Overeenkomst betreffende de handel in diensten], zoals beschreven in dit verzoek om een advies, onder de exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap of valt zij onder een gedeelde bevoegdheid van de Gemeenschap en de lidstaten?

2)

Vormt artikel 133, leden 1 en 5, juncto artikel 300, lid 2, van het EG-Verdrag de juiste rechtsgrondslag voor het besluit tot sluiting namens de Europese Gemeenschap of namens de Gemeenschap en haar lidstaten van dergelijke akkoorden?


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/6


Beschikking van het Hof (Achtste kamer) van 14 mei 2008 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Hof van Beroep te Brussel — België) — Tiercé Ladbroke SA (C-231/07), Derby SA (C-232/07)/Belgische Staat

(Gevoegde zaken C-231/07 en C-232/07) (1)

(Reglement voor de procesvoering - Artikel 104, lid 3, eerste alinea - Zesde richtlijn btw - Artikel 13, B, sub d, punt 3 - Vrijstellingen - Begrippen „deposito's’ en „betalingen’ - Weigering van vrijstelling)

(2008/C 183/11)

Procestaal: Frans

Verwijzende rechter

Hof van Beroep te Brussel

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Tiercé Ladbroke SA (C-231/07), Derby SA (C-232/07)

Verwerende partij: Belgische Staat

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Hof van Beroep te Brussel (België) — Uitlegging van artikel 13, B, sub d, punt 3, van de Zesde richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1) — Vrijstellingen voor handelingen, bemiddeling daaronder begrepen, betreffende deposito's en betalingen — Weddenschappen, loterijen en andere kans- en geldspelen — Prestaties van sigarettenwinkels („buralistes”) die voor rekening van een opdrachtgever de weddenschappen afsluiten en het eventuele gewin aan de wedders uitbetalen — Mogelijkheid om in aanmerking te komen voor de vrijstelling van artikel 13, B, sub d, punt 3?

Dictum

De bewoordingen „handelingen, bemiddeling daaronder begrepen, betreffende deposito's [en] betalingen” in artikel 13, B, sub d, punt 3, van de Zesde richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, moeten aldus worden uitgelegd dat zij niet zien op de dienstverlening door een opdrachtnemer die handelt voor rekening van een opdrachtgever die een activiteit bestaande in het aangaan van weddenschappen op paardenrennen en andere sportieve evenementen uitoefent, welke dienstverlening erin bestaat dat die opdrachtnemer de weddenschappen namens de opdrachtgever aanvaardt, de weddenschappen registreert, de klant door de afgifte van een bewijs bevestigt dat de weddenschap is afgesloten, het ingezette geld inzamelt en het gewin uitbetaalt en jegens de opdrachtgever volledig aansprakelijk is voor het beheer van de ingezette bedragen en voor diefstal en/of verlies daarvan, waarvoor hij van zijn opdrachtgever een vergoeding in de vorm van provisie ontvangt.


(1)  PB C 170 van 21.7.2007.


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/7


Beroep ingesteld op 10 augustus 2007 — Hervé Raulin/Franse Republiek

(Zaak C-454/07)

(2008/C 183/12)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Hervé Raulin (vertegenwoordiger: C. Vaucois, avocat)

Verwerende partij: Franse Republiek

Bij beschikking van 16 mei 2008 heeft het Hof (Vijfde kamer) verklaard dat het kennelijk onbevoegd is op het beroep te beslissen en heeft het Raulin in zijn eigen kosten veroordeeld.


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/7


Beroep ingesteld op 7 februari 2008 — Sandra Raulin/Franse Republiek

(Zaak C-49/08)

(2008/C 183/13)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Sandra Raulin (vertegenwoordiger: C. Vaucois, avocat)

Verwerende partij: Franse Republiek

Bij beschikking van 16 mei 2008 heeft het Hof (Vijfde kamer) verklaard dat het kennelijk onbevoegd is op het beroep te beslissen en heeft het Raulin in haar eigen kosten veroordeeld.


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/7


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Fővárosi Bíróság (Republiek Hongarije) op 2 april 2008 — LIDL Magyarország Kereskedelmi Bt./Nemzeti Hírközlési Hatóság Tanácsa

(Zaak C-132/08)

(2008/C 183/14)

Procestaal: Hongaars

Verwijzende rechter

Fővárosi Bíróság

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: LIDL Magyarország Kereskedelmi Bt.

Verwerende partij: Nemzeti Hírközlési Hatóság Tanácsa

Prejudiciële vragen

1)

Kan artikel 8 van richtlijn 1999/5/EG van het Europees Parlement en de Raad, dat betrekking heeft op het vrij verkeer van radioapparatuur en telecommunicatie-eindapparatuur (hierna: „apparatuur”) (1), aldus worden uitgelegd dat behalve de in die bepaling genoemde verplichtingen geen andere verdergaande verplichtingen kunnen worden voorgeschreven voor het op de markt brengen van apparatuur die onder de werkingssfeer van die richtlijn valt en door een in een andere lidstaat gevestigde fabrikant van een CE-merkteken is voorzien?

2)

Kan artikel 2, sub e en f, van richtlijn 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 december 2001 (2) vanuit het oogpunt van verkoopverplichtingen aldus worden uitgelegd, dat ook als producent kan worden beschouwd de entiteit die de apparatuur in een lidstaat in de handel brengt (zonder bij de fabricage ervan betrokken te zijn), en in een andere lidstaat is gevestigd dan die waar de producent zijn maatschappelijke zetel heeft?

3)

Kunnen de bepalingen van artikel 2, sub e-i, ii en iii, en f, van richtlijn 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad aldus worden uitgelegd, dat de distributeur (die niet de producent is) van in een andere lidstaat vervaardigde apparatuur wordt verplicht een overeenstemmingsverklaring af te geven die de technische gegevens van die apparatuur bevat?

4)

Kunnen de bepalingen van artikel 2, sub e-i, ii en iii, en f, van richtlijn 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad aldus worden uitgelegd, dat een entiteit die zich in een lidstaat op wiens grondgebied zij gevestigd is, enkel met de verkoop van de apparatuur bezighoudt, tevens als producent van die apparatuur kan worden aangemerkt wanneer de activiteit van distributeur geen invloed op de veiligheidskenmerken van de apparatuur heeft?

5)

Kan artikel 2, sub f, van richtlijn 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad aldus worden uitgelegd, dat van de in dat artikel omschreven distributeur kan worden verlangd dat hij voldoet aan dezelfde eisen als die welke volgens de richtlijn enkel voor de in artikel 2, sub e, omschreven producent gelden, zoals bijvoorbeeld de afgifte van een overeenstemmingsverklaring met betrekking tot de technische gegevens?

6)

Kunnen artikel 30 EG (ex artikel 36 EG-Verdrag) en de zogenoemde dwingende vereisten (mandatory requirements) grond opleveren voor een uitzondering op de toepassing van de Dassonville-formule, mede gelet op de beginselen van gelijkwaardigheid (principle of equivalence) en wederzijdse erkenning (mutual recognition)?

7)

Kan artikel 30 EG (ex artikel 36 EG-Verdrag) aldus worden uitgelegd, dat de handel in en de invoer van transitogoederen om geen andere dan de daarin genoemde redenen kunnen worden beperkt?

8)

Voldoet het CE-merkteken aan de beginselen van gelijkwaardigheid en wederzijdse erkenning, alsmede aan de voorwaarden van artikel 30 EG (ex artikel 36 EG-Verdrag)?

9)

Kan het CE-merkteken aldus worden uitgelegd, dat de lidstaten om geen enkele reden andere technische of kwaliteitsnormen op apparatuur met dat merkteken kunnen toepassen?

10)

Kunnen artikel 6, lid 1, en artikel 8, lid 2, tweede volzin, van richtlijn 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad aldus worden uitgelegd, dat de producent en de distributeur met betrekking tot de verhandeling van de waren kunnen worden geacht dezelfde verplichtingen te hebben, wanneer de producent de producten niet in de handel brengt?


(1)  Richtlijn 1999/5/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 1999 betreffende radioapparatuur en telecommunicatie-eindapparatuur en de wederzijdse erkenning van hun conformiteit.

(2)  Richtlijn 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 december 2001 inzake algemene productveiligheid.


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/8


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Budapesti II. és III. Kerületi Bíróság (Republiek Hongarije) op 7 april 2008 — VB Pénzügyi Lízing Zrt./Ferenc Schneider

(Zaak C-137/08)

(2008/C 183/15)

Procestaal: Hongaars

Verwijzende rechter

Budapesti II. és III. Kerületi Bíróság (Hongarije)

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: VB Pénzügyi Lízing Zrt.

Verwerende partij: Ferenc Schneider

Prejudiciële vragen

1)

Verlangt de bescherming van de consument, die wordt gewaarborgd in richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (1), van de nationale rechter dat hij ambtshalve, zelfs zonder een daartoe gericht verzoek, — ongeacht de aard van de procedure, al dan niet op tegenspraak — in het kader van het onderzoek van zijn eigen bevoegdheid beoordeelt of een aan hem voorgelegd contractueel beding oneerlijk is?

2)

Zo de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, welke criteria kan de nationale rechter bij dit onderzoek in aanmerking nemen, met name wanneer bij het contractuele beding niet de rechter van de plaats van vestiging van de dienstverlener als bevoegde rechter wordt aangewezen, maar een rechter van een ander ressort dat zich in de buurt van die plaats van vestiging bevindt?

3)

Sluit artikel 23, eerste alinea, van het protocol betreffende het statuut van het Hof van Justitie, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie, aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, de mogelijkheid uit dat de nationale rechter gelijktijdig met zijn verzoek om een prejudiciële beslissing ambtshalve de minister van Justitie van zijn eigen lidstaat over dat verzoek informeert?


(1)  PB L 95, blz. 29.


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/9


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Fővárosi Ítélőtábla (Hongarije) op 7 april 2008 — Hochtief AG, Linde-Kca-Dresden GmbH/Közbeszerzések Tanácsa Közbeszerzési Döntőbizottság

(Zaak C-138/08)

(2008/C 183/16)

Procestaal: Hongaars

Verwijzende rechter

Fővárosi Ítélőtábla

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Hochtief AG, Linde-Kca-Dresden GmbH

Verwerende partij: Közbeszerzések Tanácsa Közbeszerzési Döntőbizottság

Tussenkomende partij: Budapest Főváros Önkormányzata

Prejudiciële vragen

1)

Is artikel 44, lid 3, van richtlijn 2004/18/EG (1) van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten, dat in de plaats is gekomen van artikel 22 van richtlijn 93/37/EEG (2) van de Raad van 14 juni 1993 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken, van toepassing indien de openbareaanbestedingsprocedure is begonnen op een tijdstip waarop richtlijn 2004/18 weliswaar reeds in werking was getreden, maar de termijn waarover de lidstaten beschikten om deze om te zetten, nog niet was verstreken, zodat zij nog niet in het nationale recht was opgenomen?

2)

Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, moet, gelet op de bewoordingen van artikel 44, lid 3, van richtlijn 2004/18, volgens hetwelk „[h]et aantal uitgenodigde gegadigden […] in elk geval [moet] volstaan om daadwerkelijke mededinging te waarborgen”, de beperking van het aantal geschikte gegadigden aldus worden opgevat, dat er in een procedure van gunning door onderhandelingen met bekendmaking van een aankondiging van een opdracht, in de tweede fase, de gunning van de opdracht, steeds een minimumaantal gegadigden (drie) moet zijn?

3)

Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, moet het in artikel 22, lid 3, van richtlijn 93/37 gestelde vereiste van „voldoende geschikte gegadigden” aldus worden opgevat, dat indien het minimumaantal (drie) geschikte gegadigden die worden uitgenodigd om deel te nemen, niet wordt bereikt, de procedure niet kan worden voortgezet met de uitnodiging om in te schrijven?

4)

Indien de derde vraag ontkennend wordt beantwoord, is artikel 22, lid 2, tweede alinea, van richtlijn 93/97, dat deel uitmaakt van de bepalingen inzake niet-openbare procedures, volgens hetwelk „[h]et aantal gegadigden […] in ieder geval groot genoeg [moet] zijn om een werkelijke mededinging te garanderen”, van toepassing op de in artikel 22, lid 3, bedoelde procedure van gunning via onderhandelingen in twee fasen?


(1)  PB L 134, blz. 114.

(2)  PB L 199, blz. 54.


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/9


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberlandesgericht Karlsruhe (Duitsland) op 7 april 2008 — Strafzaak tegen Rafet Kqiku

(Zaak C-139/08)

(2008/C 183/17)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Oberlandesgericht Karlsruhe

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen:

1.

Generalstaatsanwaltschaft Karlsruhe

2.

Staatsanwaltschaft Konstanz

Verwerende partij: Rafet Kqiku

Prejudiciële vraag

Moet de in de artikelen 1 en 2 van beschikking nr. 896/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 tot instelling van een vereenvoudigde regeling voor de controle van personen aan de buitengrenzen, gebaseerd op de eenzijdige erkenning door de lidstaten, met het oog op doorreis over hun grondgebied, van bepaalde door Zwitserland en Liechtenstein afgegeven verblijfstitels neergelegde regeling aldus worden uitgelegd, dat de in de bijlage vermelde, door Zwitserland en Liechtenstein afgegeven verblijfstitels (1) gezien de eenzijdige erkenning door de lidstaten die het Schengenacquis volledig toepassen, van de gelijkwaardigheid ervan met hun eenvormige of nationale visa, onmiddellijk gelden als verblijfstitels die de doorreis over het gemeenschappelijke gebied mogelijk maken;

of

moet de in artikelen 1 en 2 van beschikking nr. 896/2006/EG neergelegde regeling aldus worden uitgelegd, dat onderdanen van derde landen die houder zijn van een door Zwitserland en Liechtenstein afgegeven, in de bijlage vermelde verblijfstitel die door de lidstaten die het Schengenacquis volledig toepassen, eenzijdig is erkend, voor de doorreis over het gemeenschappelijke gebied zijn vrijgesteld van de visumplicht krachtens artikel 1, lid 1, van verordening (EG) nr. 539/2001?


(1)  PB L 167, blz. 8.


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/10


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Niedersächsische Finanzgericht (Duitsland) op 16 april 2008 — Monika Vollkommer/Finanzamt Hannover — Land I

(Zaak C-156/08)

(2008/C 183/18)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Niedersächsische Finanzgericht

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Monika Vollkommer

Verwerende partij: Finanzamt Hannover — Land I

Prejudiciële vraag

Is de heffing van de Duitse belasting op de aankoop van grond over toekomstige bouwprestaties, doordat deze in de berekeningsgrondslag van de grondaankoopbelasting worden betrokken bij de verkrijging van een nog onbebouwd perceel (belasting van meerdere prestaties in één, te weten bouwprestaties en de verkrijging van de bouwgrond), in strijd met het Europese verbod op meervoudige heffing van omzetbelasting van artikel 401 van de btw-stelselrichtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 (1) [voorheen: artikel 33, lid 1, van richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 (2)], wanneer de met grondaankoopbelasting belaste bouwprestaties tegelijk als zelfstandige prestaties aan de Duitse omzetbelasting onderworpen zijn?


(1)  PB L 347, blz. 1.

(2)  PB L 145, blz. 1.


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/10


Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Hof van beroep te Antwerpen (België) op 18 april 2008 — Internationaal Verhuis- en Transportbedrijf Jan de Lely tegen Belgische Staat

(Zaak C-161/08)

(2008/C 183/19)

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Hof van beroep te Antwerpen

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekster: Internationaal Verhuis- en Transportbedrijf Jan de Lely

Verweerder: Belgische Staat

Prejudiciële vragen

1)

Moet artikel 2, eerste lid, van de Verordening (EEG) nr. 1593/91 (1) van de Commissie van 12 juni 1991, samen gelezen met artikel 11, eerste lid, van de Overeenkomst van 14 november 1975 inzake het internationale vervoer van goederen onder dekking van carnets TIR (TIR-Overeenkomst), aldus worden uitgelegd dat de in artikel 11, eerste lid, van de TIT-Overeenkomst bepaalde vervaltermijn enkel geldt in het voordeel van de organisatie die zich garant heeft gesteld, doch niet van de houder van het carnet, resp. dat de overschrijding van de termijn van een jaar na de inschrijving van het carnet TIR ten aanzien van de houder van het carnet invloed heeft op de opeisbaarheid van de douaneschuld resp. de accijnzen en bijzondere accijnzen en op zijn aansprakelijkheid en dat de overschrijding van de termijn van één jaar het recht van de bevoegde douaneautoriteiten om tot invordering van die schuld over te gaan in het gedrang brengt?

2)

Moet artikel 2, tweede en derde lid, van de Verordening (EEG) nr. 1593/91 van de Commissie van 12 juni 1991, samen gelezen met artikel 11, eerste en tweede lid, van de Overeenkomst van 14 november 1975 inzake het internationale vervoer van goederen onder dekking van carnets TIR (TIR-Overeenkomst), aldus worden uitgelegd dat de hierin bepaalde termijn enkel geldt voor het leveren van het bewijs van de regelmatigheid van het vervoer, doch niet voor het leveren van het bewijs van de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid werd begaan?

3)

Moet artikel 2, tweede en derde lid, van de Verordening (EEG) nr. 1593/91 van de Commissie van 12 juni 1991, samen gelezen met artikel 11, eerste en tweede lid, van de Overeenkomst van 14 november 1975 inzake het internationale vervoer van goederen onder dekking van carnets TIR (TIR-Overeenkomst), aldus worden uitgelegd dat, voor zover de hierin bepaalde termijn ook geldt voor het leveren van het bewijs van de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid werd begaan, deze termijn geen vervaltermijn is en dat de houder van het carnet dit bewijs vooralsnog na het verstrijken van deze termijn mag leveren?


(1)  Verordening (EEG) nr. 1593/91 van de Commissie van 12 juni 1991 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van verordening (EEG) nr. 719/91 van de Raad betreffende de toepassing in de Gemeenschap van carnets TIR en van carnets ATA als doorvoerdocumenten (PB L 148, blz. 11).


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/11


Beroep ingesteld op 17 april 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Republiek Polen

(Zaak C-165/08)

(2008/C 183/20)

Procestaal: Pools

Partijen

Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: B. Doherty en A. Szmytkowska, gemachtigden)

Verwerende partij: Republiek Polen

Conclusies

vast te stellen dat de Republiek Polen de krachtens richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad (1), in haar geheel en in het bijzonder de artikelen 22 en 23 ervan, alsmede de krachtens richtlijn 2002/53/EG van de Raad (2), in het bijzonder artikel 4, lid 4, en artikel 16 ervan, op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, doordat zij een verbod van vrij verkeer van zaaizaad van genetisch gemodificeerde rassen heeft ingevoerd en de opneming van genetisch gemodificeerde rassen in de nationale rassenlijst verbiedt;

de Republiek Polen te verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

De nationale bepaling, volgens welke „zaaizaad van genetisch gemodificeerde rassen […] niet in de handel [mag] worden gebracht op het grondgebied van de Republiek Polen” is in strijd met richtlijn 2001/18/EG, die de beginselen van het in de handel brengen van genetisch gemodificeerde organismen vastlegt. Artikel 22 van deze richtlijn verbiedt de lidstaten om extra voorwaarden te stellen voor het in de handel brengen van organismen die op gemeenschapsniveau zijn toegelaten, terwijl artikel 23 van de richtlijn enkel voorziet in beperkingen of een verbod die in bijzondere omstandigheden kunnen worden toegepast op specifieke genetisch gemodificeerde organismen. Geen enkel voorschrift van de richtlijn staat een lidstaat toe, op algemene wijze en zonder rechtvaardigingsgrond het in de handel brengen van een volledige categorie van genetisch gemodificeerde organismen, in casu zaaizaad, te verbieden op zijn grondgebied. Bovengenoemde bepaling is tevens in strijd met richtlijn 2002/53/EG, in het bijzonder artikel 16 ervan, aangezien zij een handelsbeperking vormt ten aanzien van het zaad van rassen die in de gemeenschappelijke rassenlijst van landbouwgewassen zijn vermeld.

De nationale bepaling, volgens welke „genetisch gemodificeerde rassen […] niet in het nationale register [worden] opgenomen”, is in strijd met richtlijn 2002/53/EG. Artikel 4, lid 4, van deze richtlijn staat lidstaten niet toe om op algemene wijze de opneming van genetisch gemodificeerde rassen in het nationale register te verbieden, maar legt hen enkel de verplichting op, bij de opneming van dergelijke rassen in het nationale register zich ervan te vergewissen dat elk van deze rassen werd toegelaten in overeenstemming met het op genetisch gemodificeerde organismen toepasselijke gemeenschapsrecht.


(1)  PB L 106 van 17.4.2001, blz. 1-39; bijzondere uitgave in het Pools, hoofdstuk 15, deel 6, blz. 77-114.

(2)  PB L 193 van 20.7.2002, blz. 1-11; bijzondere uitgave in het Pools, hoofdstuk 3, deel 36, blz. 281-291.


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/11


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Büdingen (Duitsland) op 18 april 2008 — Strafzaak tegen Guido Weber

(Zaak C-166/08)

(2008/C 183/21)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Amtsgericht Büdingen

Partij in de strafzaak

Guido Weber

Prejudiciële vraag

Moet het begrip „betrokkenen” in artikel 7, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 89/397/EEG van de Raad van 14 juni 1989 inzake de officiële controle op levensmiddelen (1), aldus worden uitgelegd dat daarmee niet enkel de producent wordt bedoeld, maar ook een persoon die het levensmiddel in de handel brengt, voor zover deze voor de staat en de etikettering van het levensmiddel strafrechtelijk of door het opleggen van geldboetes door de bevoegde autoriteiten aansprakelijk dient te worden gesteld?


(1)  PB L 186, blz. 23.


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/12


Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Hof van Cassatie van België op 21 april 2008 — Draka NK Cables Ltd, AB Sandvik international, VO Sembodja BV en Parc Healthcare International Limited tegen Omnipol Ltd

(Zaak C-167/08)

(2008/C 183/22)

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Hof van Cassatie van België

Partijen in het hoofdgeding

Verzoeksters: Draka NK Cables Ltd, AB Sandvik International, VO Sembodja BV en Parc Healthcare International Limited

Verweerster: Omnipol Ltd

Prejudiciële vraag

Is de schuldeiser die in de naam en voor rekening van zijn schuldenaar een vordering uitoefent, een partij in de zin van artikel 43.1 van de EEX-Verordening (1), dit is een partij die een rechtsmiddel kan instellen tegen een beslissing op het verzoek om verklaring van uitvoerbaarheid, ook al is hij niet formeel als procespartij opgetreden in het geding waarin een andere schuldeiser van die schuldenaar om die verklaring vroeg?


(1)  Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1).


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/12


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Commissione Tributaria Provinciale di Roma (Italië) op 25 april 2008 — Pontina Ambiente s.r.l./Regio Lazio

(Zaak C-172/08)

(2008/C 183/23)

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Commissione Tributaria Provinciale di Roma

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Pontina Ambiente s.r.l.

Verwerende partij: Regio Lazio

Prejudiciële vraag

Is artikel 3, leden 26 en 31, van wet nr. 549/95 in strijd met de artikelen 12, 14, 43 en 46 EEG-Verdrag en met de richtlijnen 2000/35/EG (1) en 1999/31/EG (2), in het bijzonder met de in de consideransen van beide richtlijnen en in artikel 10 van richtlijn 1999/31 neergelegde beginselen volgens welke de lidstaten in het bijzonder situaties van ongelijkheid moeten vermijden met betrekking tot de gemeenschappelijke markt als geheel, door maatregelen ter bestrijding van betalingsachterstand te nemen die misbruik van de contractvrijheid ten koste van de schuldeiser verhinderen ingeval een overeenkomst hoofdzakelijk tot doel heeft de debiteur aanvullende liquide middelen te verschaffen ten koste van de crediteur, en voorzien in vergoeding van de schade van de crediteur als gevolg van de verlate betaling door de debiteur?


(1)  PB L 200, blz. 35.

(2)  PB L 200, blz. 35.


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/12


Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Gerechtshof te Amsterdam (Nederland) op 25 april 2008 — Kloosterboer Services BV tegen Inspecteur van de Belastingdienst/Douane Rotterdam, kantoor Laan op Zuid

(Zaak C-173/08)

(2008/C 183/24)

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Gerechtshof te Amsterdam

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekster: Kloosterboer Services BV

Verweerder: Inspecteur van de Belastingdienst/Douane Rotterdam, kantoor Laan op Zuid

Prejudiciële vragen

1)

Is Verordening (EG) nr. 384/2004 (1) van de Commissie van 1 maart 2004, tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur, geldig, voorzover volgens die verordening post 8414 59 30 van de gecombineerde nomenclatuur de onder punt 2.7 (2) omschreven goederen omvat?

2)

Indien de Verordening ongeldig is, kan het gemeenschappelijk douanetarief dan zo worden uitgelegd dat deze goederen moeten worden ingedeeld als „delen en toebehoren van de machines bedoeld bij post 8471” van postonderverdeling 8473 30 90 van de GN?


(1)  PB L 64, blz. 21.

(2)  De producten bestaan uit twee elementen: een zogenoemde heatsink (warmtewisselaar) en een ventilator, welke duurzaam aan elkaar bevestigd zijn en als zodanig een geheel vormen.


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/13


Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden op 8 mei 2008 — Zuid-Chemie BV tegen Philippo's Mineralenfabriek NV/SA, thans PMF Productions

(Zaak C-189/08)

(2008/C 183/25)

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Hoge Raad der Nederlanden

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekster: Zuid-Chemie BV

Verweerster: Philippo's Mineralenfabriek NV/SA

Prejudiciële vragen

a)

Welke schade moet bij een onrechtmatige gedraging als door Zuid-Chemie aan haar vordering ten grondslag gelegd, worden aangemerkt als de initiële schade ten gevolge van die gedraging: de schade die ontstaat door de aflevering van het ondeugdelijke product of de schade die ontstaat bij het normaal gebruik van het product voor het doel waarvoor het was bestemd?

b)

Indien dit laatste het geval is, kan dan de plaats waar deze schade is ingetreden slechts worden aangemerkt als „de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan” in de zin van art. 5, aanhef en onder 3, EEX-Verordening (1), indien de schade bestaat in fysieke schade aan personen of zaken, of is dit mede mogelijk indien (vooralsnog) slechts vermogensschade is geleden?


(1)  Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1).


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/13


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesgerichtshof (Duitsland) op 14 januari 2008 — Pachtovereenkomst met als partijen: Hermann Fischer, Rolf Schlatter en het Regierungspräsidium Freiburg

(Zaak C-193/08)

(2008/C 183/26)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Bundesgerichtshof

Partijen in het hoofdgeding

Hermann Fischer, Rolf Schlatter en het Regierungspräsidium Freiburg

Prejudiciële vraag

Moet krachtens artikel 15, lid 1, van Bijlage I bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen (PB 2002, L 114, blz. 6), enkel aan zelfstandigen in de zin van artikel 12, lid 1, van Bijlage I bij de Overeenkomst in het ontvangende land ten aanzien van de toegang tot en de uitoefening van werkzaamheden als zelfstandige een behandeling worden toegekend die niet minder gunstig is dan de behandeling die de eigen onderdanen genieten, of geldt dit ook voor zelfstandige grensarbeiders in de zin van artikel 13, lid 1, van Bijlage I bij de Overeenkomst (1)?


(1)  PB L 114, blz. 6.


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/14


Beroep ingesteld op 14 mei 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Franse Republiek

(Zaak C-197/08)

(2008/C 183/27)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordiger: W. Mölls, gemachtigde)

Verwerende partij: Franse Republiek

Conclusies

vast te stellen dat de Franse Republiek, door de invoering en de handhaving van een regeling van minimumprijzen voor in Frankrijk tot verbruik uitgeslagen sigaretten alsmede van een verbod op de verkoop van tabaksproducten „tegen een met de doelstellingen van de volksgezondheid strijdige promotieprijs”, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 9, lid 1, van richtlijn 95/59/EG (1);

de Franse Republiek te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De verzoekende partij voert aan dat artikel 9, lid 1, van richtlijn 95/59/EG, zoals deze bepaling door het Hof is uitgelegd, de lidstaten duidelijk verbiedt om op discretionaire wijze minimumkleinhandelsverkoopprijzen voor tabaksfabrikaten vast te stellen. Voor zover zij fabrikanten en importeurs van fabrikaten uit derde landen verhinderen om voor elk van hun producten vrijelijk de maximumkleinhandelsverkoopprijs vast te stellen, belemmeren dergelijke minimumprijzen immers de prijsconcurrentie en hebben zij nadelige gevolgen voor de interne markt.

Wat voorts de door de verwerende partij aangevoerde noodzaak betreft, om met het oog op de bescherming van de volksgezondheid af te wijken van voormelde bepaling, betwist de Commissie niet dat het ter bereiking van deze doelstelling in bepaalde omstandigheden noodzakelijk kan zijn om af te wijken van de bepalingen van het EG-Verdrag inzake het vrije verkeer van goederen. In casu zou de doelstelling van bescherming van de volksgezondheid, zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, evenwel naar behoren kunnen worden bereikt door een hogere belasting op tabaksfabrikaten, waarbij het beginsel van de vrije vaststelling van de prijzen gevrijwaard blijft.


(1)  Richtlijn 95/59/EG van de Raad van 27 november 1995 betreffende de belasting, andere dan omzetbelasting, op het gebruik van tabaksfabrikaten (PB L 291, blz. 40).


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/14


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Hessische Finanzgericht, Kassel (Duitsland) op 16 mei 2008 — Plantanol GmbH & Co. KG/Hauptzollamt Darmstadt

(Zaak C-201/08)

(2008/C 183/28)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Hessisches Finanzgericht, Kassel

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Plantanol GmbH & Co. KG

Verwerende partij: Hauptzollamt Darmstadt

Prejudiciële vragen

1)

Staat artikel 3 van richtlijn 2003/30/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 mei 2003 ter bevordering van het gebruik van biobrandstoffen of andere hernieuwbare brandstoffen in het vervoer (biobrandstoffenrichtlijn) (1), met name gelet op hetgeen in de punten 10, 12, 14, 19, 22 en 27 van de considerans van deze richtlijn wordt overwogen, in de weg aan een nationale bepaling als § 50, lid 1, sub 1, van het Energiesteuergesetz, zoals gewijzigd bij het Biokraftstoffquotengesetz van 18 december 2006, die het aandeel biobrandstoffen op basis van plantaardige olie, die voldoen aan de pre-norm DIN V 51605 (stand: juli 2006), in brandstofmengsels uitsluit van fiscale begunstiging?

2)

Brengen het communautaire rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel mee, dat een lidstaat de regelingen die hij ter uitvoering van genoemde richtlijn heeft vastgesteld en die mede een meerjarige fiscale stimuleringsmaatregel omvatten, slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden gedurende de looptijd van die maatregel mag wijzigen in het nadeel van de tot dusver begunstigde ondernemingen?


(1)  PB L 123, blz. 42.


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/15


Hogere voorziening ingesteld op 21 mei 2008 door Sebirán, S.L. tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Vierde kamer) van 12 maart 2008 in zaak T-332/04, Sebirán S.L./BHIM en El Coto de Rioja, S.A.

(Zaak C-210/08 P)

(2008/C 183/29)

Procestaal: Spaans

Partijen

Rekwirante: Sebirán, SL (vertegenwoordigers: J. Calderón Chavero en T. Villate Consonni, advocaten)

Andere partijen in de procedure: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) en El Coto de Rioja, S.A.

Conclusies

het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Vierde kamer) van 12 maart 2008 in zaak T-332/04 te vernietigen, aangezien de merken EL COTO/COTO DE IMAZ duidelijk verenigbaar zijn met het merk COTO D'ARCIS;

te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Sebirán betwist de beoordeling van het Gerecht van eerste aanleg: het gemeenschapsmerk COTO D'ARCIS valt niet onder het verbod van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94 (1), aangezien in het geval van oppositie door de houder van een ouder merk, in casu de gemeenschapsmerken EL COTO en COTO DE IMAZ, het recentste merk niet dient te worden geweigerd wanneer het globaal gezien voldoende afwijkt van de oudere merken in de zin van deze verbodsbepaling, niettegenstaande het feit dat de door beide merken aangeduide waren of diensten dezelfde of soortgelijk zijn. Bovendien kan er geen verwarringsgevaar bestaan bij het publiek op het volledige grondgebied van de Europese Unie. Dit verwarringsgevaar omvat niet het gevaar voor associatie met het oudere merk.


(1)  Verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk (PB 1994, L 11, blz. 1).


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/15


Beroep ingesteld op 22 mei 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Koninkrijk België

(Zaak C-219/08)

(2008/C 183/30)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: E. Traversa en J.-P. Keppenne, gemachtigden)

Verwerende partij: Koninkrijk België

Conclusies

vast te stellen dat het Koninkrijk België, door voor de terbeschikkingstelling van werknemers-onderdanen van derde landen door gemeenschapsondernemingen met het oog op het verrichten van diensten

a)

een voorafgaande vergunning voor de uitoefening van de economische activiteit te eisen;

b)

te eisen dat de in het land van vestiging van de werkgever afgegeven verblijfsvergunning geldig is tot het einde van de dienstverrichting, vermeerderd met een periode van drie maanden;

c)

te eisen dat een werknemer sinds ten minste zes maanden in dienst is van dezelfde werkgever-dienstverrichter,

de krachtens artikel 49 EG op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.

het Koninkrijk België te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De Commissie stelt in wezen dat de door verweerder gestelde eisen voor de terbeschikkingstelling van werknemers-onderdanen van derde landen door in een andere lidstaat dan België gevestigde dienstverrichters het vrij verkeer van diensten beperken en deze dienstverrichters discrimineren ten opzichte van hun in België gevestigde concurrenten.

Volgens de eerste grief van de Commissie belemmert het stelsel van voorafgaande vergunning voor de uitoefening van een economische activiteit op onevenredige wijze het vrij verkeer van diensten. Deze belemmering kan bovendien niet worden gerechtvaardigd door een reden van algemeen belang of door verwijzing naar de regels van het Schengen-acquis.

Volgens verzoeksters tweede grief is de eis dat de in het land van vestiging van de werkgever afgegeven verblijfsvergunning geldig is tot het einde van de dienstverrichting, vermeerderd met een periode van drie maanden, onevenredig.

Volgens de derde grief van de Commissie is de voorwaarde dat een werknemer sinds ten minste zes maanden in dienst is van dezelfde werkgever-dienstverrichter, ondanks de door verweerder aangebrachte positieve wetswijzigingen een niet voor rechtvaardiging vatbare beperking van het vrij verkeer van diensten.


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/16


Beroep ingesteld op 22 mei 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Helleense Republiek

(Zaak C-220/08)

(2008/C 183/31)

Procestaal: Grieks

Partijen

Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordiger: M. Condou-Durande, gemachtigde)

Verwerende partij: Helleense Republiek

Conclusies

vast te stellen dat de Helleense Republiek, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (1), althans door deze bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens artikel 38 van deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;

de Helleense Republiek te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De termijn voor omzetting van richtlijn 2004/83 in nationaal recht is op 10 oktober 2006 verstreken.


(1)  PB L 304 van 30.9.2004, blz. 12.


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/16


Beroep ingesteld op 30 mei 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Ierland

(Zaak C-234/08)

(2008/C 183/32)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordiger: H. Støvlbæk, gemachtigde)

Verwerende partij: Ierland

Conclusies

vast te stellen dat Ierland, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 2006/100/EG van de Raad van 20 november 2006 tot aanpassing van een aantal richtlijnen op het gebied van het vrije verkeer van personen, in verband met de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië (1), althans door de Commissie niet van deze bepalingen in kennis te stellen, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen;

Ierland te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De termijn voor omzetting van deze richtlijn in nationaal recht is op 1 januari 2007 verstreken.


(1)  PB L 363, blz. 141.


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/16


Beroep ingesteld op 2 juni 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Koninkrijk België

(Zaak C-239/08)

(2008/C 183/33)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordiger: C. Huvelin, gemachtigde)

Verwerende partij: Koninkrijk België

Conclusies

vast te stellen dat het Koninkrijk België, door niet alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 2006/100/EG van de Raad van 20 november 2006 tot aanpassing van een aantal richtlijnen op het gebied van het vrije verkeer van personen, in verband met de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië (1), althans door deze niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens artikel 2 van deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen;

het Koninkrijk België te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De termijn voor omzetting van richtlijn 2006/100/EG in nationaal recht is verstreken op de datum van toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie, zijnde 1 januari 2007. Op de datum van instelling van het beroep had de verwerende partij nog niet alle noodzakelijke uitvoeringsmaatregelen genomen of aan de Commissie meegedeeld.


(1)  PB L 363, blz. 141.


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/17


Beroep ingesteld op 2 juni 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Groothertogdom Luxemburg

(Zaak C-240/08)

(2008/C 183/34)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordiger: N. Yerrell, gemachtigde)

Verwerende partij: Groothertogdom Luxemburg

Conclusies

vast te stellen dat het Groothertogdom Luxemburg, door niet alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 2006/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 inzake minimumvoorwaarden voor de uitvoering van de verordeningen (EEG) nr. 3820/85 en (EEG) nr. 3821/85 van de Raad betreffende voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer en tot intrekking van richtlijn 88/599/EEG van de Raad (1), en in ieder geval door deze bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen;

het Groothertogdom Luxemburg te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De termijn voor omzetting van richtlijn 2006/22/EG in nationaal recht is op 1 april 2007 verstreken. Op het ogenblik van instelling van het onderhavige beroep had verweerder nog steeds niet de nodige maatregelen vastgesteld voor de uitvoering van de richtlijn of, in ieder geval, had hij deze niet aan de Commissie meegedeeld.


(1)  PB L 102, blz. 35.


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/17


Beroep ingesteld op 4 juni 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Portugese Republiek

(Zaak C-245/08)

(2008/C 183/35)

Procestaal: Portugees

Partijen

Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: P. Andrade en H. Støvlbæk, gemachtigden)

Verwerende partij: Portugese Republiek

Conclusies

vast te stellen dat de Portugese Republiek, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 2006/100/EG van de Raad van 20 november 2006 tot aanpassing van een aantal richtlijnen op het gebied van het vrije verkeer van personen, in verband met de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië (1), althans door deze bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens artikel 2 van deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;

de Portugese Republiek te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De termijn voor omzetting van de richtlijn in nationaal recht is op 1 januari 2007 verstreken.


(1)  PB L 363, blz. 141.


Gerecht van eerste aanleg

19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/18


Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 10 juni 2008 — Ceuninck/Commissie

(Zaak T-282/03) (1)

(Openbare dienst - Ambtenaren - Aanstelling - Ambt van adviseur bij het OLAF - Afwijzing van sollicitatie - Bevoegdheid van directeur-generaal van het OLAF - Wettigheid van kennisgeving van vacature - Schending van regels voor aanstelling van ambtenaren van de rangen A4 en A5 - Misbruik van bevoegdheid - Kennelijk onjuiste beoordeling)

(2008/C 183/36)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Paul Ceuninck (Hertsberge, België) (vertegenwoordigers: aanvankelijk G. Vandersanden en A. Finchelstein, vervolgens G. Vandersanden en L. Levi, advocaten)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: V. Joris en C. Berardis-Kayser, gemachtigden)

Voorwerp

Enerzijds, vordering tot nietigverklaring van de kennisgeving van vacature van COM/051/02 en van de gehele selectieprocedure naar aanleiding van deze kennisgeving en, anderzijds, vordering tot nietigverklaring van het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag van 13 september 2002 houdende aanstelling van S. en van het stilzwijgend besluit tot afwijzing van verzoekers sollicitatie

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Ceuninck en de Commissie zullen elk hun eigen kosten dragen.


(1)  PB C 251 van 18.3.2003.


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/18


Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 10 juni 2008 — Marcuccio/Commissie

(Zaak T-18/04) (1)

(Sociale zekerheid - Verzoek om vergoeding van ziektekosten - Stilzwijgende afwijzing van verzoek)

(2008/C 183/37)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Luigi Marcuccio (Tricase, Italië) (vertegenwoordigers: aanvankelijk A. Distante, vervolgens G. Cipressa, advocaten)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: C. Berardis-Kayser en J. Curral, gemachtigden, bijgestaan door A. Dal Ferro, advocaat)

Voorwerp

In de eerste plaats, vordering tot nietigverklaring van het stilzwijgend besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag houdende afwijzing van verzoekers verzoek van 25 november 2002, ingediend teneinde 100 % vergoeding van ziektekosten te verkrijgen op grond van artikel 72 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen, in de tweede plaats, vordering tot nietigverklaring van het stilzwijgend besluit houdende afwijzing van verzoekers klacht tegen de afwijzing van het verzoek van 25 november 2002, in de derde plaats, vordering tot vaststelling dat verzoeker in de zin van artikel 72 van het Ambtenarenstatuut recht heeft op 100 % vergoeding van de ziektekosten die hij voor de behandeling van zijn ziekten heeft gemaakt en, in de vierde plaats, vordering tot veroordeling van de Commissie tot betaling van 100 % van die ziektekosten

Dictum

1)

Het stilzwijgend besluit tot afwijzing van het verzoek van 25 november 2002 wordt nietig verklaard.

2)

Het beroep wordt voor het overige verworpen.

3)

De Commissie wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 71 van 20.3.2004.


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/19


Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 5 juni 2008 — Internationaler Hilfsfonds/Commissie

(Zaak T-141/05) (1)

(„Beroep tot nietigverklaring - Toegang tot documenten - Verordening (EG) nr. 1049/2001 - Gedeeltelijke weigering - Handeling waartegen geen beroep kan worden ingesteld - Louter confirmatieve handeling - Niet-ontvankelijkheid’)

(2008/C 183/38)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Internationaler Hilfsfonds eV (Rosbach, Duitsland) (vertegenwoordiger: H. Kaltenecker, advocaat)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: P. Costa de Oliveira, S. Fries en C. Ladenburger, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek tot nietigverklaring van de beschikking die zou zijn vervat in de brief van de Commissie van 14 februari 2005 waarbij verzoekster toegang tot een aantal documenten van het dossier betreffende LIEN-overeenkomst 97-2011 wordt geweigerd

Dictum

1)

Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.

2)

Internationaler Hilfsfonds eV zal haar eigen kosten en die van de Commissie dragen.


(1)  PB C 143 van 11.6.2005.


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/19


Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 10 juni 2008 — Novartis/BHIM (BLUE SOFT)

(Zaak T-330/06) (1)

(„Gemeenschapsmerk - Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk BLUE SOFT - Absolute weigeringsgronden - Beschrijvend karakter - Ontbreken van onderscheidend vermogen - Artikel 7, lid 1, sub b) en c), van Verordening (EG) nr. 40/94’)

(2008/C 183/39)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Novartis AG (Bazel, Zwitserland) (vertegenwoordiger: N. Hebeis, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: G. Schneider, gemachtigde)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 14 september 2006 (zaak R 270/2006-1) inzake een aanvraag tot inschrijving van het woordmerk BLUE SOFT als gemeenschapsmerk

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Novartis AG wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 326 van 30.12.2006.


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/19


Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 10 juni 2008 — Gabel Industria Tessile/BHIM — Creaciones Garel (GABEL)

(Zaak T-85/07) (1)

(„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk GABEL - Ouder gemeenschapsbeeldmerk GAREL - Gedeeltelijke weigering van inschrijving - Omvang van door kamer van beroep te verrichten onderzoek - Verplichting om op volledig beroep te beslissen - Artikel 62, lid 1, van Verordening (EG) nr. 40/94’)

(2008/C 183/40)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Gabel Industria Tessile SpA (Rovellasca, Italië) (vertegenwoordiger: A. Petruzzelli, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordigers: O. Montalto en L. Rampini, gemachtigden)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM: Creaciones Garel, SA (Logroño, Spanje)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 25 januari 2007 (zaak R 960/2006-2) inzake een oppositieprocedure tussen Creaciones Garel, SA en Gabel Industria Tessile SpA

Dictum

1)

De beslissing van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) van 25 januari 2007 (zaak R 960/2006-2) wordt vernietigd.

2)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)

Gabel Industria Tessile SpA en het BHIM zullen elk hun eigen kosten dragen.


(1)  PB C 117 van 26.5.2007.


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/20


Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 2 juni 2008 — WWF-UK/Raad

(Zaak T-91/07) (1)

(„Beroep tot nietigverklaring - Verordening (EG) nr. 41/2007 - Herstel van kabeljauwbestanden - Vaststelling van TAC's voor 2007 - Handeling van algemene strekking - Geen individuele geraaktheid - Niet-ontvankelijkheid’)

(2008/C 183/41)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: WWF-UK Ltd (Godalming, Surrey, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordigers: R. Stein, solicitor, P. Sands en J. Simor, barristers)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: A. de Gregorio Merino en M. Moore, gemachtigden)

Interveniënte aan de zijde van verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: P. Oliver en M. van Heezik, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek om gedeeltelijke nietigverklaring van verordening (EG) nr. 41/2007 van de Raad van 21 december 2006 tot vaststelling, voor 2007, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Gemeenschap en, voor vaartuigen van de Gemeenschap, in andere wateren met vangstbeperkingen van toepassing zijn (PB 2007, L 15, blz. 1), voor zover hierbij zijn vastgesteld de „totaal toegestane vangsten” („TAC's”) voor 2007 voor de visserij op kabeljauw in de zones die vallen onder verordening (EG) nr. 423/2004 van de Raad van 26 februari 2004 tot vaststelling van herstelmaatregelen voor bepaalde kabeljauwbestanden (PB L 70, blz. 8)

Dictum

1)

Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.

2)

WWF-UK Ltd wordt verwezen in haar eigen kosten en in die van de Raad.

3)

De Commissie zal haar eigen kosten dragen.


(1)  PB C 117 van 26.5.2007.


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/20


Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 2 juni 2008 — Atlantic Dawn e.a./Commissie

(Zaak T-172/07) (1)

(„Beroep tot nietigverklaring - Vangstquota - Verordening (EG) nr. 2371/2002 - Geen directe aantasting - Niet-ontvankelijkheid’)

(2008/C 183/42)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partijen: Atlantic Dawn Ltd (Killybegs, Ierland), Antarctic Fishing Co. Ltd (Killybegs, Ierland), Atlantean Ltd (Killybegs, Ierland), Killybegs Fishing Enterprises Ltd (Killybegs, Ierland), Doyle Fishing Co. Ltd (Killybegs, Ierland), Western Seaboard Fishing Co. Ltd (Killybegs, Ierland), O'Shea Fishing Co. Ltd (Killybegs, Ierland), Aine Fishing Co. Ltd (Burtonport, Ierland), Brendelen Ltd (Lifford, Ierland), Cavankee Fishing Co. Ltd (Lifford, Ierland), Ocean Trawlers Ltd (Killybegs, Ierland), Eileen Oglesby (Burtonport, Ierland), Noel McGing (Killybegs, Ierland), Mullglen Ltd (Balbriggan, Ierland), Bradan Fishing Co. Ltd (Sligo, Ierland), Larry Murphy (Castletownbere, Ierland), Pauric Conneelly (Claregalway, Ierland), Thomas Flaherty (Kilronan, Ierland), Carmarose Trawling Co. Ltd (Killybegs, Ierland), Colmcille Fishing Ltd (Killybegs, Ierland) (vertegenwoordigers: G. Hogan, SC, N. Travers, T. O'Sullivan, BL, en D. Barry, Solicitor)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordiger: K. Banks, gemachtigde)

Interveniënt aan de zijde van de verzoekende partijen: Koninkrijk Spanje (vertegenwoordiger: N. Díaz Abad, abogado del Estado)

Voorwerp

Verzoek om nietigverklaring van verordening (EG) nr. 147/2007 van de Commissie van 15 februari 2007 tot aanpassing van bepaalde vangstquota voor de periode van 2007 tot en met 2012 overeenkomstig artikel 23, lid 4, van verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (PB L 46, blz. 10)

Dictum

1)

Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.

2)

Verzoekers, Atlantic Dawn Ltd e.a., dragen hun eigen kosten alsmede die van de Commissie.

3)

Het Koninkrijk Spanje draagt zijn eigen kosten.


(1)  PB C 170 van 21.7.2007.


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/21


Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 19 mei 2008 — Transports Schiocchet — Excursions/Commissie

(Zaak T-220/07) (1)

(„Beroep tot schadevergoeding - Verjaringstermijn - Artikel 46 van het Statuut van het Hof - Niet-ontvankelijkheid’)

(2008/C 183/43)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Transports Schiocchet — Excursions SARL (Beuvillers, Frankrijk) (vertegenwoordiger: D. Schönberger, advocaat)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: J.-F. Pasquier en N. Yerrell, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek tot vergoeding van de schade die verzoekster beweerdelijk heeft geleden als gevolg van verscheidene aan de communautaire instellingen verweten onrechtmatigheden

Dictum

1)

Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.

2)

Transports Schiocchet — Excursions SARL wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 199 van 25.8.2007.


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/21


Beroep ingesteld op 3 januari 2008 — EMSA/Portugal

(Zaak T-4/08)

(2008/C 183/44)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (European Maritime Safety Agency) (EMSA) (vertegenwoordigers: E. Pache en J. Menze, gemachtigden)

Verwerende partij: Portugese Republiek

Conclusies

Het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid verzoekt het Gerecht van eerste aanleg om een uitspraak krachtens artikel 14, tweede volzin, van de Zetelovereenkomst, houdende vaststelling:

dat de Portugese regering gebonden is door de bepalingen van de Zetelovereenkomst, een instrument van volkenrecht binnen de toepassingssfeer van het gemeenschapsrecht dat door Portugal niet eenzijdig kan worden gewijzigd, ook niet via nationale wetgeving;

dat de Portugese regering er volgens de Zetelovereenkomst voor dient te zorgen dat de personeelsleden van het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid en hun familieleden het recht hebben om uit het land van hun laatste woonplaats of het land waarvan zij de nationaliteit bezitten, voertuigen die zij onder marktvoorwaarden in dat land hebben gekocht, vrij van belasting en zonder verboden of beperkingen in te voeren, binnen vijf jaar nadat zij in dienst van het Agentschap zijn getreden en bij wege van maximaal twee verschepingen, en dat de toepassing van deze bepaling van de Zetelovereenkomst door de bevoegde Portugese autoriteiten thans en in het verleden niet strookt met deze verplichting;

dat de Portugese regering inzonderheid gehouden is, op verzoek voertuigen die de personeelsleden van het Agentschap en hun familieleden in het land van hun laatste woonplaats of het land waarvan zij de nationaliteit bezitten, onder marktvoorwaarden hebben gekocht, als bijzondere categorie, vrij van belasting en zonder verboden of beperkingen, in te schrijven;

dat de Portugese regering er volgens de Zetelovereenkomst voor dient te zorgen dat de personeelsleden van het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid en hun familieleden dezelfde voorrechten en immuniteiten, vrijstellingen en faciliteiten genieten als die welke Portugal aan de leden van vergelijkbare categorieën diplomatiek personeel in de Portugese Republiek toekent, en dat de toepassing van deze bepaling van de Zetelovereenkomst door de bevoegde Portugese autoriteiten thans en in het verleden niet strookt met deze verplichting;

dat de Portugese regering inzonderheid gehouden is om de tot en met juli 2007 geldende regels en bepalingen betreffende de registratie en de belasting van voertuigen van diplomatiek personeel, toe te passen jegens de personeelsleden van het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid die voor die datum in dienst zijn getreden, alsook jegens hun familieleden;

dat de Portugese regering gehouden is om in alle andere gevallen de sinds juli 2007 geldende regels en bepalingen betreffende de registratie en de belasting van voertuigen van diplomatiek personeel toe te passen;

dat de Portugese regering ervoor dient te zorgen dat de personeelsleden van het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid en hun familieleden in wezen dezelfde voorrechten en immuniteiten, vrijstellingen en faciliteiten genieten als die welke Portugal aan de leden van vergelijkbare categorieën diplomatiek personeel in de Portugese Republiek toekent, en dat de vroegere en huidige praktijk van de bevoegde Portugese autoriteiten om verzoeken om registratie van voertuigen van personeelsleden van het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid en hun familieleden niet te behandelen, in strijd is met deze verplichting;

dat de bepalingen van de Zetelovereenkomst niet aldus kunnen worden uitgelegd en toegepast dat de personeelsleden van het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid en hun familieleden met betrekking tot de overbrenging van gebruikte voertuigen op het Portugese grondgebied niet minstens dezelfde rechten hebben als elke andere EU-onderdaan die in Portugal gaat wonen;

dat als een redelijke termijn voor de behandeling van verzoeken om registratie van voertuigen van de personeelsleden van het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid en hun familieleden overeenkomstig de Zetelovereenkomst kan worden aangemerkt, een termijn van niet langer dan twee maanden, en

dat de Portugese Republiek volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van eerste aanleg dient te worden verwezen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (hierna: „EMSA” of „Agentschap”) is opgericht bij verordening (EG) nr. 1406/2002 (1) en is gevestigd te Lissabon. Op 28 juli 2004 is tussen de regering van de Portugese Republiek en het EMSA een Protocol (2) ondertekend (hierna: „Zetelovereenkomst”). De Zetelovereenkomst regelt de betrekkingen tussen het EMSA en Portugal als zijn gastland en het is van toepassing op het Agentschap en zijn personeel.

Verzoeker voert aan dat de Portugese regering — zonder enig voorafgaand verzoek of voorstel van het EMSA — heeft voorgesteld om in deze Zetelovereenkomst voor het Agentschap en zijn personeelsleden een reeks voorrechten en immuniteiten, vrijstellingen en faciliteiten op te nemen, waarbij grotendeels de bepalingen waren overgenomen van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen (hierna: „Protocol”), maar waarin ook extra faciliteiten werden vastgelegd. Voorts stelt hij dat de tekst van de voorgestelde overeenkomst overeenstemde met die van de overeenkomst die op 26 juni 1996 is gesloten tussen Portugal en het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving (European Monitoring Centre for Drugs and Drug Addiction) (hierna: „EMCDDA”), inzonderheid wat de registratie van voertuigen betreft.

In september 2005 is tussen de Portugese regering enerzijds, en EMSA en EMCDDA anderzijds, een werkgroep opgericht teneinde de voor de uitvoering van deze twee Zetelovereenkomsten of Protocols noodzakelijke gedetailleerde administratieve bepalingen op te stellen.

Verzoeker betoogt dat de Portugese autoriteiten, door de door het personeel van het EMSA ingediende verzoeken om registratie van voertuigen niet in behandeling te nemen, hun verplichtingen niet zijn nagekomen die in de Zetelovereenkomst zijn vastgesteld ter verduidelijking van de uit het Protocol voortvloeiende verplichtingen, welk Protocol overeenkomstig artikel 7 van verordening (EG) nr. 1406/2002 van toepassing is op het EMSA. Voorts stelt verzoeker dat de Portugese autoriteiten jegens de personeelsleden van het EMSA en hun familieleden niet de relevante geldende Portugese wettelijke regeling hebben toegepast, terwijl zij deze wel hebben toegepast jegens EMCDDA en diplomatieke vertegenwoordigingen. Deze handelwijze heeft volgens verzoeker de werking van het EMSA aanzienlijk belemmerd, aangezien voertuigen die waren gekocht met het gewettigd vertrouwen dat de bestaande regels zouden worden toegepast, niet konden worden geregistreerd. Tevens dienden voertuigen die uit het land van de vroegere woonplaats of uit de staat waarvan de personeelsleden de nationaliteit bezitten zijn overgebracht, verder te worden gebruikt met kentekens van de lidstaat van de vroegere woonplaats, in weerwil van de regels van deze staat houdende de verplichting tot uitschrijving van die voertuigen. Kort gezegd stelt verzoeker dat de beslissing van de Portugese autoriteiten om verzoeken om registratie van voertuigen niet te behandelen, een aantal ernstige wettelijke en administratieve moeilijkheden heeft meegebracht voor zijn personeelsleden, die geen andere keuze hadden dan hun voertuig te gebruiken zonder te voldoen aan hun verplichtingen inzake registratie, verzekering en technische controle.

Wat de bevoegdheid van het Gerecht betreft, stelt hij vervolgens dat het Hof van Justitie overeenkomstig artikel 8, lid 2, van verordening (EG) nr. 1406/2002 rechtsmacht heeft om uitspraak te doen krachtens een arbitrageclausule in een door het Agentschap gesloten contract, en dat volgens artikel 14 van de Zetelovereenkomst geschillen met betrekking tot de toepassing van deze overeenkomst door een ad hoc groep van vier leden dienen te worden onderzocht. Geschillen die op die manier niet kunnen worden opgelost, moeten worden voorgelegd aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.

Volgens verzoeker is de procedure voor geschillenregeling van artikel 14 van de Zetelovereenkomst zonder resultaat gebleven en heeft het Hof van Justitie dan ook rechtsmacht om uitspraak te doen over het onderhavige geschil betreffende de uitlegging van de Zetelovereenkomst, aangezien artikel 238 EG bepaalt dat het Hof van Justitie bevoegd is uitspraak te doen krachtens een arbitragegeding vervat in een door of namens de Gemeenschap gesloten overeenkomst, terwijl volgens artikel 5, lid 1, van verordening (EG) nr. 1406/2002 het Agentschap een orgaan is van de Gemeenschap en artikel 225 EG bepaalt dat het Gerecht van eerste aanleg bevoegd is in eerste aanleg kennis te nemen van de in artikel 238 EG bedoelde beroepen.

Voorts verzoekt verzoeker het Gerecht, te verklaren dat de Zetelovereenkomst een instrument van volkenrecht binnen de toepassingssfeer van het gemeenschapsrecht is dat de Portugese autoriteiten bindt en niet eenzijdig kan worden gewijzigd. Bovendien verzoekt hij, te verklaren dat de behandeling van verzoeken om registratie van voertuigen van zijn personeelsleden in strijd is met de bepalingen van het Protocol en dat de Portugese autoriteiten gehouden zijn, de relevante bepalingen van het Protocol binnen een redelijke termijn toe te passen. Ten slotte stelt hij dat de Zetelovereenkomst niet aldus kan worden uitgelegd dat de personeelsleden van het EMSA met betrekking tot de registratie van voertuigen niet minstens dezelfde rechten hebben als elke andere EU-onderdaan die in Portugal gaat wonen.


(1)  Verordening (EG) nr. 1406/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2002 tot oprichting van een Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (PB 2002, L 208, blz. 1).

(2)  Bekendgemaakt in het Portugese publicatieblad nr. 224 van 22 september 2004, blz. 6073, te raadplegen op de website van het EMSA: http://www.emsa.europa.eu/Docs/legis/protocol%20pt%20government%20and%20emsa.pdf


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/23


Hogere voorziening ingesteld op 5 mei 2008 door de Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 21 februari 2008 in zaak F-31/07, Putterie-De-Beukelaer/Commissie

(Zaak T-160/08 P)

(2008/C 183/45)

Procestaal: Frans

Partijen

Rekwirante: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: C. Berardis-Kayser en K. Herrmann, gemachtigden)

Andere partij in de procedure: Françoise Putterie-De-Beukelaer (Brussel, België)

Conclusies

het bestreden arrest te vernietigen;

de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht voor ambtenarenzaken;

de beslissing omtrent de kosten aan te houden.

Middelen en voornaamste argumenten

In deze hogere voorziening vordert de Commissie vernietiging van het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 21 februari 2008 in de zaak Putterie-De-Beukelaer/Commissie, F-31/07, waarbij het Gerecht voor ambtenarenzaken het loopbaanontwikkelingrapport van Putterie-De-Beukelaer over de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005 nietig heeft verklaard, voor zover daarin niet werd erkend dat zij werkzaamheden van de categorie B kon vervullen.

Tot staving van de hogere voorziening voert de Commissie één middel aan, ontleend aan, enerzijds, schending door het Gerecht voor ambtenarenzaken van de beginselen betreffende de omvang van de controle die de gemeenschapsrechter ambtshalve uitoefent en, anderzijds, van het verbod om ultra petita te gaan.

De Commissie is van mening dat het Gerecht voor ambtenarenzaken niet gerechtigd was om ambtshalve een middel aan te voeren betreffende de materiële wettigheid van het litigieuze besluit, ontleend aan de miskenning van de respectieve werkingssfeer van artikel 43 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en artikel 10, lid 3, van bijlage XIII bij dat Statuut, aangezien de ten gronde aangevoerde middelen geen middelen van niet-ontvankelijkheid van openbare orde zijn.

Subsidiair stelt de Commissie dat, aangezien de punten 75 en 76 van het bestreden arrest los kunnen worden gezien van het middel ontleend aan de materiële wettigheid van het litigieuze besluit en kunnen worden aangemerkt als een afzonderlijk middel ontleend aan de onbevoegdheid van degene die het litigieuze besluit heeft vastgesteld, het Gerecht voor ambtenarenzaken de rechten van verdediging van de Commissie heeft geschonden, aangezien zij hierover niet is gehoord overeenkomstig artikel 77 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken.


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/23


Beroep ingesteld op 6 mei 2008 — Ivanov/Commissie

(Zaak T-166/08)

(2008/C 183/46)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Vladimir Ivanov (Boulogne Billancourt, Frankrijk) (vertegenwoordiger: F. Rollinger, advocaat)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen

Conclusies

vaststelling van de aansprakelijkheid van de Commissie wegens schending van de beginselen van transparantie, behoorlijke bestuur, non-discriminatie en gelijke behandeling in het kader van de aanwervingprocedure naar aanleiding van de vacature van een ambt van in Sofia gevestigd „raadgever voor de uitbreiding en beleidsrapporteur” in mei 2003;

veroordeling van de Commissie tot vergoeding van de door de verzoekende partij geleden schade op basis van artikel 288, tweede alinea, EG;

veroordeling van de Commissie tot betaling aan de verzoekende partij van een schadevergoeding van 180 000 EUR;

veroordeling van de Commissie tot betaling aan de verzoekende partij van een bedrag van 10 000 EUR wegens immateriële schade;

verwijzing van de Commissie van de Europese Gemeenschappen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Verzoeker had in 2003 gesolliciteerd naar een post van plaatselijk functionaris als „raadgever voor de uitbreiding” te Sofia. Tijdens de voorselectiefase werd zijn sollicitatie terzijde gelegd, omdat hij zowel de Franse als de Bulgaarse nationaliteit had en alleen sollicitanten met de nationaliteit van één lidstaat in aanmerking kwamen voor het te vervullen ambt.

Tijdens de aanwervingprocedure en na de afwijzing van zijn sollicitatie had verzoeker de Commissie tevergeefs om nadere inlichtingen gevraagd over de procedure en de redenen voor de afwijzing van zijn sollicitatie. Vervolgens had hij de Europese ombudsman ingeschakeld, die tot de conclusie was gekomen dat er sprake was van onbehoorlijk bestuur en schending van het beginsel van non-discriminatie of gelijke behandeling door de Commissie.

Met zijn beroep vraagt verzoeker het Gerecht om vaststellen dat de Commissie niet-contractueel aansprakelijk is wegens schending van de beginselen van transparantie, behoorlijk bestuur, non-discriminatie en gelijke behandeling in het kader van de betrokken aanwervingprocedure.


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/24


Beroep ingesteld op 13 mei 2008 — DEI/Commissie

(Zaak T-169/08)

(2008/C 183/47)

Procestaal: Grieks

Partijen

Verzoekende partij: Dimosia Epicheirisi Ilektrismou AE (Athene, Griekenland) (vertegenwoordiger: P. Anestis, advocaat)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen.

Conclusies

de bestreden beschikking nietig te verklaren;

de Commissie te verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Met het onderhavige beroep vordert verzoekster nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 5 maart 2008, C(2008) 824 def., betreffende de toekenning of de instandhouding door de Helleense Republiek van rechten voor de lignietwinning ten gunste van de Dimosia Epicheirisi Ilektrismou.

Verzoekster voert de navolgende nietigheidsgronden aan.

Verzoekster betoogt in de eerste plaats dat verweerster een rechtsdwaling heeft begaan bij de toepassing van artikel 86, lid 1, EG juncto artikel 82 EG, en een duidelijke beoordelingsfout heeft gemaakt.

In concreto heeft verweerster in de eerste plaats gedwaald bij de bepaling van de betrokken markten; in de tweede plaats bij de toepassing van de theorie van de uitbreiding van de machtspositie, aangezien zij niet in aanmerking heeft genomen dat, ook in het geval van overheidsbedrijven, de uitbreiding moet berusten op staatsmaatregelen die bijzondere of uitsluitende rechten verlenen; in de derde plaats omdat de Griekse wetgeving op grond waarvan verzoekster exploitatierechten voor ligniet heeft verkregen, niet tot ongelijkheid van kansen ten nadele van de concurrenten leidt; in de vierde plaats omdat de voormelde wetgeving niet leidt tot de handhaving of versterking van de machtspositie van verzoekster op de groothandelsmarkt voor elektriciteit, en in de vijfde plaats heeft zij een kennelijke beoordelingsfout gemaakt omdat zij geen rekening heeft gehouden met de recente ontwikkelingen op de Griekse markt voor elektrische energie, voor zover zij van belang waren om te bewijzen dat er geen inbreuk is.

Op basis van de tweede nietigheidsgrond betoogt verzoekster, dat verweerster bij het geven van de bestreden beschikking de motiveringsvoorschriften van artikel 253 EG niet in acht heeft genomen.

Op basis van de derde nietigheidsgrond voert verzoekster aan, dat de bestreden beschikking in strijd is met de algemene beginselen van rechtszekerheid, gewettigd vertrouwen en bescherming van de eigendom. Bovendien staat het volgens verzoekster aan het Hof, te oordelen in hoeverre verweerster haar bevoegdheid heeft misbruikt.

Ten slotte betoogt verzoekster, op basis van de vierde nietigheidsgrond, dat verweerster het evenredigheidsbeginsel niet in acht heeft genomen, wat de door de bestreden beschikking voorgestelde corrigerende maatregelen betreft.


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/25


Beroep ingesteld op 15 mei 2008 — Commissie/Cooperação e Desenvolvimento Regional, SA

(Zaak T-174/08)

(2008/C 183/48)

Procestaal: Portugees

Partijen

Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordiger: M. Afonso, gemachtigde)

Verwerende partij: Cooperação e Desenvolvimento Regional, SA

Conclusies

verweerster te veroordelen tot terugbetaling aan de Commissie van een hoofdbedrag van 63 349,27 EUR, vermeerderd met de tot op 5 mei 2008 vervallen vertragingsrente ten bedrage van 28 940,70 EUR;

verweerster te veroordelen tot betaling van de vertragingsrente voor de periode tussen 6 mei 2008 en de dag van de volledige betaling van de schuld, ten bedrage van 10,91 EUR per dag;

verweerster te verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Het onderhavige beroep wordt ingesteld krachtens artikel 238 EG.

In het kader van het project „European Network of Centres for the Advancement of Telematics in Urban and Rural Areas” (ENCATA) heeft de Europese Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Commissie, met twaalf partijen, waaronder verweerster, overeenkomst nr. SU 1001 (SU) ENCATA gesloten.

Krachtens deze overeenkomst verbond de Commissie zich ertoe de groep contractanten, waaronder verweerster, financiële bijstand te verlenen bij de uitvoering van dit project.

De looptijd van het project bedroeg 18 maanden.

De uitvoering ervan nam een aanvang op 1 januari 1996.

De Commissie verbond zich ertoe om maximaal 50 % van de waarde van het project te financieren.

Op 25 september 1997 kwamen de partijen overeen om de overeenkomst een eerste keer te herzien.

De looptijd van het project werd van 18 tot 36 maanden verlengd, met ingang van 1 januari 1996.

Op 29 juni 1998 kwamen de partijen overeen om de overeenkomst een tweede maal te herzien en de looptijd ervan te verminderen van 36 tot 30 maanden. 1 januari 1996 werd als begindatum gehandhaafd.

De kosten die uiteindelijk door de Commissie werden goedgekeurd, waren lager dan die welke zij reeds had voorgeschoten in het kader van overeenkomst nr. SU 1001 (SU) ENCATA.

Bijgevolg heeft de Commissie verzocht om het te veel betaalde terug te betalen.

De door verweerster verschuldigde som bedraagt 63 349,27 EUR, vermeerderd met de vertragingsrente.

De Commissie heeft verweerster de voorbije jaren regelmatig aan de schuld herinnerd en haar talloze malen om betaling verzocht. Verweerster heeft de schuld herhaaldelijk erkend en verklaard dat zij van plan was deze zo spoedig mogelijk te betalen, maar tot op heden heeft zij nog geen aflossingen verricht op deze schuld, vermeerderd met de vertragingsrente, die voortvloeit uit het feit dat de in het kader van het ENCATA-project betaalde voorschotten hoger waren dan de kosten.


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/25


Beroep ingesteld op 9 mei 2008 — Liga para a Protecção da Natureza/Commissie van de Europese Gemeenschappen

(Zaak T-186/08)

(2008/C 183/49)

Procestaal: Portugees

Partijen

Verzoekende partij: Liga para a Protecção da Natureza (LPN) (Lissabon, Portugal) (vertegenwoordiger: P. Vinagre e Silva, advogado)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen

Conclusies

Nietig te verklaren de beschikking van de Commissie van 28 februari 2008 [vermeld in de brief van 3 april 2008 van de Commissie aan de Liga para a Protecção da Natureza (hierna: LPN)], waarbij is besloten geen gevolg te geven aan klacht nr. 2003/4523 betreffende de aanleg van de stuwdam Baixo Sabor, op grond dat daarbij ten onrechte ervan is uitgegaan dat was voldaan aan de wezenlijke vormvereisten voor de uitoefening van de rechten van de klaagster (LPN) in het kader van de precontentieuze procedure met betrekking tot het project „Barragem do Baixo Sabor”, die was ingeleid met de indiening van klacht nr. 2003/4523 bij de Commissie.

Tevens nietig te verklaren de beschikking waarbij het secretariaat-generaal van de Commissie stilzwijgend heeft afgewezen het confirmatieve verzoek dat LPN op 19 februari 2008 heeft ingediend krachtens artikel 8 van verordening (EG) nr. 1049/2001 (1).

Verweerster te veroordelen tot betaling van een symbolische schadevergoeding aan LPN wegens schending van het gewettigd vertrouwen dat deze laatste had in een loyaal optreden van de Commissie en in eerbiediging van de procedureregels.

Verweerster te gelasten, overeenkomstig de artikelen 64 en volgende van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van eerste aanleg aan het Gerecht over te leggen de beweerde beschikking van 28 februari 2008 om aan de klacht geen gevolg te geven, die verzoekster niet is betekend en evenmin is bekendgemaakt.

Verweerster te verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Beschikking tot sluiting van het dossier

De beschikking om aan de klacht geen gevolg te geven is ongeldig wegens kennelijke schending van het door de Commissie aan verzoekster toegekende recht om vooraf opmerkingen kenbaar te maken.

De Commissie heeft geweigerd toegang te verlenen tot enig element van het dossier dat verzoekster in staat zou hebben gesteld gebruik te maken van haar recht vooraf opmerkingen in te dienen, zonder te vermelden op grond van welke „interne bepalingen” (die volgens de Commissie bestaan) bedoeld recht op standpuntbepaling is toegekend.

Verzoekster beroept zich voorts op schending van fundamentele beginselen, zoals goede trouw, rechtmatig handelen, doorzichtigheid en goed bestuur, voor zover de voorafgaande opmerkingen niet konden zijn onderzocht bij het geven van de definitieve afwijzende beschikking (alleen al door een tijdsverloop van minder dan 24 uur tussen de verzending van de voorafgaande opmerkingen — 40 pagina's in het Portugees, met nieuwe feiten en argumenten — en de beschikking om de klacht terzijde te leggen).

Stilzwijgende afwijzende beschikking

Gelet op de verordeningen nrs. 1367/2006 (2) en 1049/2001, die het recht op toegang tot „interne regels” van de Commissie op grond waarvan het recht op indiening van voorafgaande opmerkingen zou zijn verleend, ondubbelzinnig bevestigen, is het stilzwijgen, eerst van de Commissie en vervolgens van het secretariaat-generaal in het stadium van het confirmatieve verzoek, onbegrijpelijk en in flagrante strijd met het recht op toegang tot documenten en informatie overeenkomstig die verordeningen.


(1)  Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145, blz. 43).

(2)  Verordening (EG) nr. 1367/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 betreffende de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden op de communautaire instellingen en organen (PB L 264, blz. 13).


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/26


Beroep ingesteld op 22 mei 2008 — Forum 187/Commissie

(Zaak T-189/08)

(2008/C 183/50)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Forum 187 ASBL (Brussel, België) (vertegenwoordigers: A. Sutton, G. Forwood, Barristers)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen

Conclusies

de bestreden beschikking nietig te verklaren voor zover daarbij voor de coördinatiecentra waarop het arrest van het Hof van 22 juni 2006 betrekking heeft, niet wordt voorzien in redelijke overgangstermijnen voor de toekomst;

de Commissie te verwijzen in de kosten van de procedure en

elke andere of bijkomende maatregel te nemen die rechtens noodzakelijk is.

Middelen en voornaamste argumenten

In de onderhavige zaak verzoekt verzoekster om nietigverklaring van beschikking 2008/283/EG van de Commissie van 13 november 2007 betreffende de door België ten uitvoer gelegde steunregeling ten gunste van in België gevestigde coördinatiecentra en tot wijziging van beschikking 2003/757/EG (1), nadat laatstgenoemde beschikking door het Hof gedeeltelijk nietig was verklaard (2). In dat arrest heeft het Hof geoordeeld dat de beschikking van 2003 niet voorzag in overgangsmaatregelen voor de coördinatiecentra waarvan de aanvraag tot verlenging van de erkenning hangende was op de datum van kennisgeving van de litigieuze beschikking of waarvan de erkenning gelijktijdig met of korte tijd na de kennisgeving van die beschikking afliep.

De bestreden beschikking stelt overgangstermijnen vast voor de in het arrest van het Hof bedoelde categorieën van centra.

Ter onderbouwing van haar conclusies betoogt verzoekster dat de bestreden beschikking:

onverenigbaar is met het gemeenschapsrecht inzake bestaande steun, zoals dat in de vaste rechtspraak van de Europese rechterlijke instanties wordt uitgelegd;

het gewettigd vertrouwen van de centra schendt om na de eindbeschikking van de Commissie tot sluiting van de procedure inzake bestaande steun (die verzoekster op 17 maart 2008 ter kennis is gebracht) te beschikken over een redelijke termijn om hun bedrijfs- en fiscale aangelegenheden te reorganiseren;

inbreuk maakt op artikel 254, lid 3, EG;

doordat zij in een geval van bestaande steun voorziet in de retroactieve heffing en betaling van belastingen, in feite de terugvordering van de steun gelast alsof het onrechtmatige steun betrof, waarmee zij voorbijgaat aan het beginsel dat bestaande steunregelingen alleen voor de toekomst kunnen worden gewijzigd, nadat de Commissie haar eindbeschikking tot sluiting van de procedure inzake bestaande steun heeft vastgesteld;

het gewettigd vertrouwen van coördinatiecentra in de beschikking van de President van het Hof van 26 juni 2003 (3) als rechtsgrondslag voor het verkrijgen van de verlenging van hun erkenning, schendt;

inbreuk maakt op de beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie, doordat zij zonder objectieve rechtvaardiging voorziet in een ongelijke behandeling van verschillende groepen van centra.


(1)  PB 2008, L 90, blz. 7.

(2)  Gevoegde zaken C-182/03 en C-217/03, België en Forum 187/Commissie, Jurispr. 2006, blz. I-5479.

(3)  Gevoegde zaken C-182/03 R en C-217/03 R, België en Forum 187/Commissie, Jurispr. 2003, blz. I-6887.


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/27


Beroep ingesteld op 22 mei 2008 — JOOP!/BHIM (Weergave van een uitroepteken)

(Zaak T-191/08)

(2008/C 183/51)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: JOOP! GmbH (Hamburg, Duitsland) (vertegenwoordigers: H. Schmidt-Hollburg, W. Möllering, A. Löhde, H. Leo, A. Witte, T. Frank, A. Theil, H.-P. Rühland, B. Willers en T. Rein, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Conclusies

de beslissing van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt van 6 maart 2008 in zaak R 1822/2007-1 te vernietigen;

het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt te verwijzen in de kosten van de procedure, daaronder begrepen de kosten die zijn opgekomen in de procedure voor de kamer van beroep.

Middelen en voornaamste argumenten

Betrokken gemeenschapsmerk: een beeldmerk dat een uitroepteken weergeeft voor waren van de klassen 14, 18 en 25 (aanvraagnr. 5 332 176)

Beslissing van de onderzoeker: afwijzing van de aanvraag

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen: schending van artikel 7, lid 1, sub b en c, van verordening (EG) nr. 40/94 (1), aangezien het aangevraagde merk onderscheidend vermogen heeft en er voor dit merk geen vrijhoudingsbehoefte bestaat.


(1)  Verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk (PB 1994, L 11, blz. 1).


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/28


Beroep ingesteld op 30 mei 2008 — Antwerpse Bouwwerken/Commissie

(Zaak T-195/08)

(2008/C 183/52)

Procestaal: Nederlands

Partijen

Verzoekende partij: Antwerpse Bouwwerken NV (Antwerpen, België) (vertegenwoordigers: J. Verbist, advocaat, D. de Keuster, advocaat)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen

Conclusies van verzoekende partij

Vernietiging van het Besluit van 29 april 2008, medegedeeld door de Europese Commissie bij schrijven van 29 april 2008, door verzoekster ontvangen op 5 mei 2008, waarbij door de Europese Commissie werd medegedeeld dat verzoekster niet wordt gekozen als kandidaat, zoals aangevuld door een schrijven van de Europese Commissie van 6 mei 2008 zoals door verzoekster ontvangen op 8 mei 2008, waarbij de Europese Commissie haar motieven voor het afwijzingsbesluit kenbaar maakt en het gunningsbesluit van 23 april 2008, medegedeeld door de Europese Commissie bij schrijven van 15 mei 2008, door verzoekster ontvangen op 16 mei 2008 te vernietigen;

aansprakelijkstelling van de Commissie voor de niet-contractuele aansprakelijkheid voor de schade van verzoekster, schade op een later tijdstip te begroten;

veroordeling van de Commissie in de kosten van deze procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Verzoekster heeft een offerte ingediend voor de aanbesteding door de Commissie van de bouw van een productiehal voor referentiematerialen (1). Deze offerte werd uiteindelijk niet uitgekozen door de Commissie.

Ter ondersteuning van haar verzoekschrift roept verzoekster een schending in van artikel 91 van Verordening 1605/2002 (2) en de artikelen 122, 138 en 148 van Verordening 2342/2002 (3) in samenhang met de artikelen 2 en 28 van de Richtlijn 2004/18/EG (4).

Volgens verzoekster blijkt uit de gunningsverslagen dat in de winnende offerte niet voldaan was aan een essentiële besteksbepaling en dat bijgevolg de offerte, die niet voldeed aan de voorwaarden van het bestek, had moeten worden afgewezen. De tussenkomst door de inschrijver van de winnende offerte was volgens verzoekster niet enkel een verduidelijking van de offerte, maar betrof een aanvulling die op dat moment in de procedure niet toegelaten was.

Voorts voert verzoekster aan dat de gunningsbeslissing niet voldoet aan het beginsel van transparantie doordat de evaluatieverslagen zoals meegedeeld aan verzoekster op essentiële punten onleesbaar zijn gemaakt.


(1)  B-Geel: Bouw van een productiehal voor referentiematerialen (PB 2006/S 102-108785).

(2)  Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (PB L 248, blz. 1).

(3)  Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (PB L 357, blz. 1).

(4)  Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (PB L 134, blz. 114).


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/28


Beroep ingesteld op 3 juni 2008 — Ziegler/Commissie

(Zaak T-199/08)

(2008/C 183/53)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Ziegler SA (vertegenwoordiger: J.-L. Lodomez, advocaat)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen

Conclusies

nietig verklaren de beschikking van de Europese Commissie van 11 maart 2008 in een procedure op grond van artikel 81 EG en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (Zaak COMP/38.543 — Internationale verhuisdiensten), waarbij aan verzoekster een geldboete van 9 200 000,00 EUR is opgelegd;

subsidiair, deze geldboete intrekken;

meer subsidiair, het bedrag van deze geldboete aanzienlijk verlagen;

in elk geval de Europese Commissie verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Met het onderhavige beroep vordert verzoekster nietigverklaring van beschikking C(2008) 926 def. van de Commissie van 11 maart 2008 in zaak COMP/38.543 — Internationale verhuisdiensten, waarbij de Commissie heeft vastgesteld dat bepaalde ondernemingen, waaronder verzoekster, inbreuk hebben gemaakt op artikel 81, lid 1, EG en artikel 53, lid 1, van de EER-Overeenkomst door prijsafspraken te maken voor internationale verhuisdiensten in België, door deze markt onder elkaar te verdelen en door aanbestedingsprocedures te manipuleren.

Ter ondersteuning van haar vorderingen stelt verzoekster dat de Commissie kennelijke beoordelingsfouten heeft begaan en blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de bepaling van de relevante markt en de beoordeling van de omvang van de markt en van de marktaandelen elk van de betrokken ondernemingen.

Verzoekster voert bovendien middelen aan inzake niet-nakoming van de motiveringsplicht en schending van de rechten van de verdediging, van het recht op toegang tot het dossier, van het recht op een eerlijke procedure en van het algemene beginsel van behoorlijk bestuur.

Met betrekking tot de opgelegde geldboete en het bedrag ervan stelt verzoekster dat:

de Commissie niet heeft aangetoond dat de betrokken praktijken de handel tussen de lidstaten op merkbare wijze ongunstig hebben beïnvloed;

het bedrag van de boete onevenredig is ten opzichte van de werkelijke omvang van de praktijken en de werkelijke gevolgen ervan op de markt; en

de praktijk van schaduwbestekken al lange tijd bekend was bij de Commissie en door haar werd getolereerd; het uitblijven van een reactie van de Commissie heeft verzoekster doen geloven dat de praktijk geoorloofd was.

Tot slot stelt verzoekster dat de Commissie het feit dat de onderling afgestemde feitelijke gedraging bij verzoekster lang geleden had opgehouden, en dat de schaduwbestekken beantwoordden aan een vraag van de markt en niet het gevolg waren van een mededingingsregeling of een onderling afgestemde feitelijke gedraging, niet als verzachtende omstandigheden in aanmerking heeft genomen. Verzoekster stelt tevens schending van het beginsel van gelijke behandeling.


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/29


Beroep ingesteld op 22 mei 2008 — Interflon/BHIM — Illinois Tool Works (FOODLUBE)

(Zaak T-200/08)

(2008/C 183/54)

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Interflon BV (Roosendaal, Nederland) (vertegenwoordiger: S. M. Wertwijn, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Illinois Tool Works Inc. (Glenview, Verenigde Staten van Amerika)

Conclusies

de beslissing van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 3 maart 2008 in zaak R 638/2007-2 te vernietigen; en

verzoeksters vordering tot nietigverklaring van het betrokken gemeenschapsmerk toe te wijzen.

Middelen en voornaamste argumenten

Betrokken gemeenschapsmerk: woordmerk „FOODLUBE” voor waren van de klassen 1 en 4 — aanvraag nr. 1 647 734

Beslissing van de nietigheidsafdeling: afwijzing van de vordering tot nietigverklaring

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen: schending van artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94 van de Raad, aangezien het betrokken merk elk onderscheidend vermogen mist; schending van artikel 7, lid 1, sub c, van verordening nr. 40/94 van de Raad, aangezien het betrokken merk de aangeduide waren niet kan onderscheiden volgens de herkomst ervan.


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/29


Beroep ingesteld op 5 juni 2008 — CLL Centres de langues/Commissie

(Zaak T-202/08)

(2008/C 183/55)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Centre de langues à Louvain-la-neuve et -en-Woluwe (CLL Centres de langues) (Louvain-la-neuve, België) (vertegenwoordigers: F. Tulkens en V. Ost, advocaten)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen

Conclusies

het afwijzingsbesluit nietig te verklaren;

de Commissie te verwijzen in haar eigen kosten en in die van CLL.

Middelen en voornaamste argumenten

Verzoeker komt op tegen het besluit waarbij de Commissie zijn verzoek om deel te nemen aan aanbesteding ADMIN/D1/PR/2008/004 betreffende taalopleidingen voor het personeel van de instellingen, organen en agentschappen van de Europese Unie (EU) te Brussel (PB 2008, S 44-060121) heeft afgewezen op grond dat het verzoek was ingediend na de in de aankondiging van de opdracht genoemde termijn.

Tot staving van het beroep stelt verzoeker dat het bestreden besluit is gebaseerd op het onjuiste uitgangspunt dat de aanbestedende dienst elk te laat ingediend verzoek om deelname moet afwijzen. Verzoeker meent integendeel dat de aanbestedende dienst ter zake een beoordelingsbevoegdheid heeft.

Verder stelt verzoeker dat het bestreden besluit ontoereikend is gemotiveerd, daar de Commissie niet heeft uiteengezet waarom zij geen gebruik heeft gemaakt van haar beoordelingsbevoegdheid.

Ten slotte voert verzoeker een middel aan ontleend aan schending van artikel 123 van de uitvoeringsvoorschriften (1), volgens hetwelk het aantal gegadigden die worden uitgenodigd om in te schrijven, voldoende groot moet zijn voor een echte mededinging, en aan de onevenredigheid van de afwijzing van verzoekers inschrijving.


(1)  Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (PB L 357, blz. 1).


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/30


Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 23 mei 2008 — FagorBrandt/Commissie

(Zaak T-273/04) (1)

(2008/C 183/56)

Procestaal: Frans

De president van de Derde kamer van het Gerecht van eerste aanleg heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 251 van 9.10.2004.


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/30


Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 5 mei 2008 — Rath/BHIM — Sanorell Pharma (Immunocel)

(Zaak T-368/06) (1)

(2008/C 183/57)

Procestaal: Duits

De president van de Achtste kamer van het Gerecht van eerste aanleg heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 56 van 10.3.2007.


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/30


Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 2 juni 2008 — Avaya/BHIM — ZyXEL Communications (VANTAGE CNM)

(Zaak T-171/07) (1)

(2008/C 183/58)

Procestaal: Engels

De president van de Eerste kamer van het Gerecht van eerste aanleg heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 170 van 21.7.2007.


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/30


Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 9 juni 2008 — Malheiro/Commissie

(Zaak T-228/07) (1)

(2008/C 183/59)

Procestaal: Engels

De president van de Vierde kamer van het Gerecht van eerste aanleg heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 24 van 8.9.2007.


Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie

19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/31


Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 26 mei 2008 — Braun-Neumann/Parlement

(Zaak F-79/07) (1)

(Openbare dienst - Ambtenaren - Pensioenen - Weduwnaarspensioen - Betaling van 50 % wegens het bestaan van tweede overlevende echtgenoot - Niet-ontvankelijkheid - Te laat ingediende klacht - Middel van niet-ontvankelijkheid van openbare orde - Toetsing ambtshalve - Toepassing in de tijd van reglement voor de procesvoering van het Gerecht)

(2008/C 183/60)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Kurt-Wolfgang Braun-Neumann (Merzig, Duitsland) (vertegenwoordiger: P. Ames, advocaat)

Verwerende partij: Europees Parlement (vertegenwoordigers: J. F. De Wachter, K. Zejdová en S. Seyr, gemachtigden)

Voorwerp

Vordering tot volledige betaling van het weduwnaarspensioen

Dictum

1)

Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.

2)

Elke partij zal de eigen kosten dragen.


(1)  PB C 235 van 6.10.2007, blz. 31.


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/31


Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 22 mei 2008 — Cova/Commissie

(Zaak F-101/07) (1)

(Procesincidenten - Exceptie van niet-ontvankelijkheid)

(2008/C 183/61)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Philippe Cova (Brussel, België) (vertegenwoordiger: S. A. Pappas, advocaat)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: J. Currall en B. Eggers, gemachtigden)

Voorwerp

Nietigverklaring van het besluit om de periode waarin verzoeker, een ambtenaar die is aangewezen om ad interim een ambt van hoofd van een eenheid te vervullen, in aanmerking kan komen voor de aanvullende toelage bedoeld in artikel 7, lid 2, Ambtenarenstatuut, tot één jaar te beperken

Dictum

1)

Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.

2)

Elke partij zal de eigen kosten dragen.


(1)  PB C 269 van 10.11.2007, blz. 73.


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/31


Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 22 mei 2008 — Daskalakis/Commissie

(Zaak F-107/07) (1)

(Openbare dienst - Ambtenaren - Bezoldiging - Artikel 7, lid 2, van Statuut - Ad-interimtoelage - Niet-ontvankelijkheid)

(2008/C 183/62)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Constantin Daskalakis (Brussel, België) (vertegenwoordiger: S. A. Pappas, advocaat)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: J. Currall en B. Eggers, gemachtigden)

Voorwerp

Nietigverklaring van het besluit om de periode waarin verzoeker, een ambtenaar die is aangewezen om ad interim een ambt van hoofd van een eenheid te vervullen, in aanmerking kan komen voor de aanvullende toelage bedoeld in artikel 7, lid 2, Ambtenarenstatuut, tot één jaar te beperken

Dictum

1)

Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.

2)

Elke partij zal de eigen kosten dragen.


(1)  PB C 315 van 22.12.2007, blz. 46.


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/32


Beroep ingesteld op 22 oktober 2007 — Strack/Commissie

(Zaak F-119/07)

(2008/C 183/63)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Guido Strack (Keulen, Duitsland) (vertegenwoordiger: H. Tettenborn, advocaat)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen

Conclusies

nietig te verklaren de besluiten van de Europese Commissie van 30 mei 2005, 19 december 2006, 12 januari 2007 en 20 juli 2007, voor zover daarbij een onafhankelijke bemiddelingsprocedure over alle conflicten tussen verzoeker en de verwerende partij, een onmiddellijke tussenkomst van de verwerende partij en het treffen van maatregelen ter oplossing van het conflict worden afgewezen;

nietig te verklaren de besluiten van de Europese Commissie van 26 februari 2007 en 20 juli 2007, voor zover daarbij de betaling van een voorschot krachtens artikel 19, lid 4, van de gemeenschappelijke Regeling voor verzekering tegen ongevallen en beroepsziekten wordt afgewezen;

de Europese Commissie te veroordelen tot betaling aan verzoeker van een passende vergoeding, doch ten minste 15 000 EUR, voor de immateriële schade en de schade aan zijn gezondheid die hij door de nietig te verklaren besluiten heeft geleden, vermeerderd met een jaarlijkse vertragingsrente berekend op basis van de door de Europese Centrale Bank voor de basisherfinancieringstransacties vastgestelde percentages voor de betrokken periode, vermeerderd met twee punten, vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift;

de Europese Commissie te verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Verzoeker baseert zijn eerste en tweede vordering op schending door de verwerende partij van haar zorgplicht jegens verzoeker, op het beginsel van behoorlijk bestuur, het verbod van misbruik van bevoegdheid respectievelijk op het feit dat de bestreden besluiten van de Commissie op een onjuiste beoordeling berusten. Bovendien stelt hij met betrekking tot die vorderingen dat de besluiten in strijd zijn met artikel 25, lid 2, tweede volzin, van het Ambtenarenstatuut (hierna: „Statuut”) alsmede met zijn fundamentele recht op lichamelijke integriteit en eerbiediging van het privé-leven, zoals neergelegd in de artikelen 3, lid 1, en 7 (wat de tweede vordering betreft, ook in de artikelen 41 en 47) van het Handvest van de grondrechten alsmede in artikel 8 (wat de tweede vordering betreft, ook in artikel 13) van het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens.

Met betrekking tot de tweede vordering stelt verzoeker voorts dat de bestreden besluiten in strijd zijn met artikel 73 van het Statuut alsmede met de procedurele bepalingen in de Regeling voor verzekering tegen ongevallen en beroepsziekten, met name artikel 15 e.v. daarvan.

In het kader van zijn derde vordering stelt verzoeker dat hij op grond van een dienstfout van de verwerende partij krachtens artikel 288, tweede alinea, EG-Verdrag en de algemene rechtsbeginselen recht heeft op een passende vergoeding voor de door hem geleden immateriële schade.

Met zijn vierde vordering verzoekt hij om de verwerende partij te verwijzen in de kosten van de procedure, aangezien zij het onderhavige beroep heeft uitgelokt door onjuiste beweringen in haar besluit tot afwijzing van de klacht over het zogenoemde standpunt van de medische commissie.


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/32


Beroep ingesteld op 31 oktober 2007 — Baniel-Kubinova e.a./Parlement

(Zaak F-131/07)

(2008/C 183/64)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partijen: Barbora Baniel-Kubinova (Luxemburg, Groothertogdom Luxemburg) en anderen (vertegenwoordigers: S. Orlandi, A. Coolen, J.-N. Louis en E. Marchal, advocaten)

Verwerende partij: Europees Parlement

Conclusies

nietig te verklaren de besluiten van het tot aanstelling bevoegd gezag (TABG) van het Europees Parlement houdende weigering om verzoekers de in artikel 10 van bijlage VII bij het Statuut bedoelde dagvergoeding toe te kennen;

de verwerende partij te verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Tot staving van hun beroep voeren verzoekers schending van artikel 71 van het Statuut en van artikel 10 van bijlage VII bij het Statuut aan.


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/33


Beroep ingesteld op 18 maart 2008 — Carvalhal Garcia/Raad

(Zaak F-40/08)

(2008/C 183/65)

Procestaal: Portugees

Partijen

Verzoekende partij: Daniela Paula Carvalhal Garcia (Sines, Portugal) (vertegenwoordiger: F. Antas da Cunha, advocaat)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie

Voorwerp en beschrijving van het geding

Nietigverklaring van het besluit van de Raad houdende weigering om verzoekster ten behoeve van haar dochter de schooltoelage toe te kennen

Conclusies

nietig te verklaren het eindbesluit van de personeelsdirectie van de Raad van de Europese Unie van 16 november 2007 en te verklaren dat dit moet worden vervangen door een ander besluit houdende toekenning van de schooltoelage ten behoeve van verzoeksters dochter voor het schooljaar 2006/2007.


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/33


Beroep ingesteld op 16 april 2008 — Spee/Europol

(Zaak F-43/08)

(2008/C 183/66)

Procestaal: Nederlands

Partijen

Verzoekende partij: David Spee (Rijswijk, Nederland) (vertegenwoordiger: P. de Casparis, advocaat)

Verwerende partij: Europese Politiedienst (Europol)

Voorwerp en beschrijving van het geding

Nietigverklaring van het besluit van Europol om de vacature waarop verzoeker had gesolliciteerd in te trekken en op een later tijdstip opnieuw open te stellen alsmede vordering tot schadevergoeding

Conclusies

nietig te verklaren het besluit op bezwaar van 7 januari 2008 alsmede de onderliggende besluiten van 20 juni 2007 en 6 juli 2007 om de vacature voor First Officer in de IMT1 Infrastructure Unit opnieuw open te stellen en verzoeker niet aan te stellen;

Europol te veroordelen om zorg te dragen voor een billijke oplossing voor de situatie waarin verzoeker als gevolg van de onzorgvuldige en onjuiste besluitvorming terecht is gekomen;

Europol te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding ter hoogte van 5 000 EUR netto;

Europol te verwijzen in de kosten van de procedure.


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/33


Beroep ingesteld op 19 mei 2008 — Giannini/Commissie

(Zaak F-49/08)

(2008/C 183/67)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Massimo Giannini (Brussel, België) (vertegenwoordigers: L. Levi en C. Ronzi, advocaten)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen

Voorwerp en beschrijving van het geding

Enerzijds, vordering tot nietigverklaring van het besluit om verzoeker te ontslaan en veroordeling van de verwerende partij tot betaling van alle financiële rechten die aan de voortzetting van de overeenkomst zijn verbonden alsmede nietigverklaring van een aantal besluiten houdende weigering om hem in het genot van die financiële rechten te stellen. Anderzijds, vordering tot vergoeding van de materiële en immateriële schade die verzoeker heeft geleden.

Conclusies

nietigverklaring van het op 10 juli 2007 meegedeelde besluit om verzoeker te ontslaan;

voor zover nodig, nietigverklaring van het op 5 februari 2008 ter kennis gebrachte besluit tot afwijzing van de klacht;

veroordeling van de Commissie tot betaling van alle financiële rechten die met de voortzetting van verzoekers overeenkomst verbonden zijn (met name, het basissalaris, met aftrek van de betaalde werkloosheidstoelagen, de toelagen, vergoedingen en terugbetalingen berekend over de contractduur van drie jaar, alsmede de reiskosten van de standplaats naar de plaats van herkomst), vermeerderd met vertragingsrente vanaf de dag waarop elk van die rechten verschuldigd werd en tot de volledige vereffening ervan, berekend op basis van de door de Europese Centrale Bank voor de betrokken periode toegepaste rentevoet voor de basisherfinancieringstransacties, vermeerderd met drie punten;

in elk geval, nietigverklaring van de besluiten van 27 juli 2007 en 20 september 2007 om op verzoekers bezoldiging van augustus 2007 een bedrag van 5 218,22 EUR in te houden als zijnde een deel van de reiskosten van de standplaats naar zijn plaats van herkomst en, derhalve, terugbetaling van het bedrag van 5 218,22 EUR, vermeerderd met vertragingsrente vanaf 15 augustus 2007 en tot de volledige betaling ervan, berekend op basis van de door de Europese Centrale Bank voor de betrokken periode toegepaste rentevoet voor de basisherfinancieringstransacties, vermeerderd met drie punten;

in elk geval, nietigverklaring van het besluit van 28 augustus 2007 om de inrichtingsvergoeding te beperken tot een derde van het in november 2006 ontvangen bedrag en om de andere twee derden, dat wil zeggen 4 278,50 EUR, te verrekenen met de bezoldiging van februari 2006 en, derhalve, de terugbetaling van dat bedrag te gelasten, vermeerderd met vertragingsrente vanaf 15 februari 2008 en tot de volledige betaling ervan, berekend op basis van de door de Europese Centrale Bank voor de betrokken periode toegepaste rentevoet voor de basisherfinancieringstransacties, vermeerderd met drie punten;

toekenning van een vergoeding voor de materiële en immateriële schade die voorlopig op 200 000 EUR wordt geraamd;

verwijzing van de verwerende partij in de kosten van de procedure.


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/34


Beroep ingesteld op 21 mei 2008 — Stols/Raad

(Zaak F-51/08)

(2008/C 183/68)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Wilhelmus Louis Maria Stols (Halsteren, Nederland) (vertegenwoordigers: S. Rodrigues en C. Bernard-Glanz, advocaten)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie

Voorwerp en beschrijving van het geding

Nietigverklaring van het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag om verzoeker niet op te nemen op de lijst van personen die in het kader van de bevorderingsronde 2007 tot de rang AST 11 zijn bevorderd

Conclusies

nietigverklaring van het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag om verzoeker niet op te nemen op de lijst van personen die in het kader van de bevorderingsronde 2007 tot de rang AST 11 zijn bevorderd, zoals dit besluit volgt uit de mededeling aan het personeel nr. 136/07 van 16 juli 2007;

nietigverklaring, voor zover nodig, van het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag houdende afwijzing van verzoekers klacht;

verwijzing van de Raad van de Europese Unie in de kosten van de procedure.


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/35


Beroep ingesteld op 4 juni 2008 — Plasa/Commissie

(Zaak F-52/08)

(2008/C 183/69)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Wolfgang Plasa (Algiers, Algerije) (vertegenwoordiger: G. Vandersanden, advocaat)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen

Voorwerp en beschrijving van het geding

Enerzijds, nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 8 mei 2008 om verzoeker vanaf 1 augustus 2008 opnieuw tewerk te stellen in het hoofdkantoor te Brussel en, anderzijds, vordering tot vergoeding van de materiële en immateriële schade als gevolg van dat besluit

Conclusies

nietig te verklaren het besluit van de Commissie van 8 mei 2008 om verzoeker vanaf 1 augustus 2008 opnieuw tewerk te stellen in het hoofdkantoor te Brussel;

de verwerende partij te veroordelen tot betaling van een vergoeding voor de materiële en immateriële schade als gevolg van dit besluit, waarbij eerstgenoemde schade op 150 000 EUR wordt geraamd, de tweede aan het equivalent van één jaarsalaris, dat wil zeggen 150 000 EUR, en beide ramingen voorlopig en onder voorbehoud van wijziging zijn;

de Commissie van de Europese Gemeenschappen te verwijzen in de kosten van de procedure.


19.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/35


Beroep ingesteld op 28 mei 2008 — Bouillez e.a./Raad

(Zaak F-53/08)

(2008/C 183/70)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partijen: Vincent Bouillez (Overijse, België) en anderen (vertegenwoordigers: S. Orlandi, A. Coolen, J.-N. Louis, E. Marchal, advocaten)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie

Voorwerp en beschrijving van het geding

Nietigverklaring van de besluiten van het tot aanstelling bevoegd gezag om verzoekers in het kader van de bevorderingsronde 2007 niet tot de rang AST 7 te bevorderen

Conclusies

nietigverklaring van de besluiten van het tot aanstelling bevoegd gezag om verzoekers in het kader van de bevorderingsronde 2007 (zittingsjaar 2007) niet tot de rang AST 7 te bevorderen en, voor zover nodig, van de besluiten om in het kader van diezelfde bevorderingsronde de ambtenaren wier namen zijn opgenomen op de lijst van bevorderden bekendgemaakt in de mededeling aan het personeel nr. 136/07 van 16 juli 2007 en die werkzaamheden hebben uitgeoefend met minder verantwoordelijkheden dan hun taken, tot die rang te bevorderen;

verwijzing van de Raad van de Europese Unie in de kosten van de procedure.