ISSN 1725-2474

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 86

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

51e jaargang
5 april 2008


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

II   Mededelingen

 

MEDEDELINGEN VAN DE INSTELLINGEN EN ORGANEN VAN DE EUROPESE UNIE

 

Raad

2008/C 086/01

Gezamenlijk voortgangsverslag 2008 van de Raad en de Commissie over de uitvoering van het werkprogramma Onderwijs en opleiding 2010 — Kennis, creativiteit en innovatie dankzij een leven lang leren

1

 

Commissie

2008/C 086/02

Inleiding van een procedure (Zaak COMP/M.4942 — Nokia/Navteq) ( 1 )

32

 

IV   Informatie

 

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN EN ORGANEN VAN DE EUROPESE UNIE

 

Commissie

2008/C 086/03

Wisselkoersen van de euro

33

 

V   Bekendmakingen

 

BESTUURLIJKE PROCEDURES

 

Commissie

2008/C 086/04

Oproep tot het indienen van voorstellen — DG EAC/14/08 — ICI-samenwerkingsprogramma op het gebied van onderwijs — Samenwerking op het gebied van hoger onderwijs en opleiding tussen de Europese Unie, Australië, Japan, Nieuw-Zeeland en de Republiek Korea

34

 

PROCEDURES IN VERBAND MET DE UITVOERING VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK MEDEDINGINGSBELEID

 

Commissie

2008/C 086/05

Voorafgaande aanmelding van een concentratie (Zaak COMP/M.5128 — Nordic Capital/TietoEnator) ( 1 )

36

2008/C 086/06

Voorafgaande aanmelding van een concentratie (Zaak COMP/M.5118 — P7S1/United Internet/Maxdome JV) — Zaak die in aanmerking komt voor de vereenvoudigde procedure ( 1 )

37

2008/C 086/07

Mededeling van de Franse regering in verband met Richtlijn 94/22/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de voorwaarden voor het verlenen en het gebruik maken van vergunningen voor de prospectie, de exploratie en de productie van koolwaterstoffen (Bericht betreffende de aanvraag voor een exclusieve opsporingsvergunning voor vloeibare of gasvormige koolwaterstoffen genaamd Permis du Valenciennois)  ( 1 )

38

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

 


II Mededelingen

MEDEDELINGEN VAN DE INSTELLINGEN EN ORGANEN VAN DE EUROPESE UNIE

Raad

5.4.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/1


Gezamenlijk voortgangsverslag 2008 van de Raad en de Commissie over de uitvoering van het werkprogramma „Onderwijs en opleiding 2010” — „Kennis, creativiteit en innovatie dankzij een leven lang leren”

(2008/C 86/01)

1.   INLEIDING

Onderwijs en opleiding zijn van fundamenteel belang voor economische en sociale veranderingen. Om meer en betere banen te kunnen scheppen is de nodige flexibiliteit en zekerheid vereist. Daartoe moeten alle burgers hun leven lang sleutelcompetenties verwerven en hun vaardigheden up-to-date houden (1). Een leven lang leren bevordert creativiteit en innovatie, en is de sleutel tot volwaardige participatie in het economische en sociale leven.

Daarom heeft de Raad zich in het werkprogramma „Onderwijs en opleiding 2010” ambitieuze doelstellingen gesteld. Die dragen op hun beurt bij tot de verwezenlijking van de Lissabonrichtsnoeren voor groei en werkgelegenheid. Zij kunnen alleen worden bereikt door een niet aflatende langetermijninspanning. Uiteraard wordt niet overal in hetzelfde tempo vooruitgang geboekt. Om de balans op te maken van hetgeen is bereikt, en de inspanningen op de moeilijker aspecten te richten, stellen de Raad en de Commissie om de twee jaar een gezamenlijk verslag op.

Deze bijdrage aan het derde gezamenlijke verslag (2) maakt duidelijk dat bij de hervorming van onderwijs en opleiding reeds aanzienlijke vorderingen zijn gemaakt, maar dat er ook nog grote uitdagingen zijn. Op de volgende gebieden is een bijzondere inspanning vereist:

verhoging van het kwalificatieniveau. Laaggeschoolden lopen het gevaar economisch en sociaal uitgesloten te raken. De aanhoudend hoge schooluitval, de geringe participatie van oudere werknemers en laaggeschoolden in een leven lang leren en het lage kwalificatieniveau onder migranten baren in de meeste landen zorg. Bovendien vereisen de toekomstige arbeidsmarkten in een kenniseconomie steeds hogere kwalificatieniveaus van een steeds kleiner wordende beroepsbevolking. Lage kwalificatieniveaus worden een steeds groter probleem;

strategieën voor een leven lang leren. De meeste landen hebben vorderingen gemaakt bij de vaststelling van uniforme, overkoepelende strategieën. Waar dergelijke strategieën bestaan, is duidelijk sprake van vooruitgang op het gebied van het voorschools onderwijs, de kwalificatiekaders en de validatie van niet-formeel en informeel leren. In veel landen echter ontbreekt het nog steeds aan innovatieve leerpartnerschappen en duurzame financiering voor doelmatige en kansgelijke onderwijsstelsels van hoge kwaliteit (3), te meer daar de investeringsgroei vertraagd schijnt te zijn. Ook levenslange begeleiding verdient bijzondere aandacht. Alle betrokkenen staan voor de grote uitdaging ervoor te zorgen dat de hervormingen ook daadwerkelijk worden doorgevoerd;

de kennisdriehoek (onderwijs, onderzoek en innovatie). De kennisdriehoek speelt een belangrijke rol bij de stimulering van groei en werkgelegenheid. Daarom is het belangrijk vaart te zetten achter de hervormingen, excellentie in het hoger onderwijs en partnerschappen tussen universiteiten en het bedrijfsleven te bevorderen en ervoor te zorgen dat alle onderwijs- en opleidingssectoren ten volle hun rol kunnen spelen bij de bevordering van creativiteit en innovatie.

2.   OP EEN AANTAL GEBIEDEN WERD VOORUITGANG GEBOEKT

Op een aantal gebieden valt in Europa vooruitgang te noteren. Maar dat betekent niet dat die uniform is of dat de inspanningen mogen verslappen. Het tempo van de hervormingen blijft een belangrijke uitdaging. Op de volgende gebieden hebben de meeste landen evenwel hervormingen doorgevoerd of zijn zij daarmee bezig.

2.1.   Strategieën voor een leven lang leren en kwalificatiesystemen

Door de meeste landen zijn expliciete strategieën voor een leven lang leren (4) ontwikkeld, waarin de nationale beleidsprioriteiten en de relaties tussen de verschillende sectoren worden uiteengezet (5).

Het merendeel hiervan bevat een integrale visie op een leven lang leren, die alle onderwijs- en opleidingstypen en -niveaus bestrijkt. Sommige echter concentreren zich op de formele onderwijs- en opleidingsstelsels of op de ontwikkeling van specifieke stadia in het doorlopende proces dat een leven lang leren is.

Er zijn tekenen die erop wijzen dat het onderwijs- en opleidingsbeleid op steeds solidere wetenschappelijke feiten berust (6). Dit is ook nodig voor de totale samenhang van de stelsels en voor een optimale toewijzing van de middelen. Dat sommige landen prioriteit toekennen aan de bevordering van flexibele leertrajecten en de soepele overgang tussen de verschillende onderdelen van het systeem, draagt eveneens bij tot een grotere coherentie.

Kwalificatiekaders en validatie van niet-formeel en informeel leren

In de meeste landen (5) wordt gewerkt aan de opstelling van nationale kwalificatiekaders, die gerelateerd zijn aan het Europees kwalificatiekader voor een leven lang leren (7). Hiermee komt het accent te liggen op leerresultaten.

Tegelijkertijd, zij het langzamer, wordt gewerkt aan systemen voor de validatie van niet-formeel en informeel leren (5). Thans is het zaak in de nationale kwalificatiesystemen de overstap te maken van de experimentele fase naar de volledige toepassing, ook met betrekking tot verbetering van de toegang tot het hoger onderwijs en de toegang tot onderwijs- en opleidingskwalificaties voor laaggeschoolde en oudere werknemers en werklozen.

In Portugal werd in 2000 een landelijk netwerk opgezet van centra voor de erkenning, validatie en certificatie van competenties. Momenteel doorlopen bijna 250 000 volwassenen het validatieproces. De centra beoordelen en valideren competenties voor specifieke kwalificaties. Het certificatieproces omvat een onderzoek door een externe jury en, zo nodig, een aanvullende opleiding.

2.2.   Voorschools onderwijs

In heel Europa wordt in toenemende mate het belang van voorschools onderwijs erkend. Bij de ontwikkeling van nieuwe methoden en nieuw beleid wordt er rekening mee gehouden dat het voorschools onderwijs een bijdrage kan leveren tot doelmatigheid en kansgelijkheid. Herziening van de onderwijsinhoud (8), verbetering van de kwalificaties van onderwijsgevenden (9), uitbreiding van de leerplicht tot een deel van het voorschools onderwijs (10), kwaliteitsbeoordelingen (11) en meer investeringen, bijvoorbeeld door de aanstelling van meer personeel in het voorschools onderwijs (12), zijn hiervan evenzovele voorbeelden.

In een aantal landen zijn met succes proefprojecten en -regelingen uitgevoerd. Thans is het zaak de overstap te maken van proefacties naar een algemene uitvoering, met behulp van investeringen, vooral in gekwalificeerd personeel.

Tussen 2000 en 2005 steeg het percentage schoolgaande vierjarigen in de EU-27 met ongeveer drie procentpunten tot ruim 85 (13).

2.3.   Hoger onderwijs: prominent aanwezig op de Lissabonagenda

De modernisering van het hoger onderwijs is van fundamenteel belang voor de kennisdriehoek en de Lissabonstrategie. Goed bestuur, financiering en aantrekkelijkheid krijgen op Europees en nationaal niveau meer aandacht. Deze aspecten vormen een aanvulling op de Bolognahervormingen.

Bij de vergroting van de autonomie van universiteiten werd aanzienlijke vooruitgang geboekt, onder meer ten aanzien van een grotere financiële autonomie en nieuwe verantwoordingsmechanismen. Er worden nieuwe vormen van inspraak van de belanghebbenden getest, meestal bij het management van hogeronderwijsinstellingen, maar ook bij de curriculumontwikkeling (14) of de definitie van leerresultaten (15).

Door het cluster Hoger onderwijs wordt ten behoeve van de beleidsmakers en het brede publiek gewerkt aan de samenstelling van een compendium van best practices op het gebied van de modernisering van de universiteiten.

2.4.   Onderwijs en opleiding in het bredere kader van het EU-beleid

De lidstaten hechten voor het overgrote deel in hun nationale hervormingsprogramma's 2005-2008 in het kader van de Lissabonstrategie groot belang aan onderwijs, opleiding en de ontwikkeling van vaardigheden. Zo spelen deze aspecten een belangrijke rol bij de tenuitvoerlegging van de geïntegreerde richtsnoeren voor groei en werkgelegenheid.

Er is aanzienlijke vooruitgang geboekt bij de koppeling van operationele programma's in het kader van de structuurfondsen aan de prioriteiten van het werkprogramma „Onderwijs en opleiding 2010”. Dit komt met name tot uitdrukking in de overeengekomen indicatoren en benchmarks.

Ook zijn goede vorderingen gemaakt met de ontwikkeling van Europese referentie-instrumenten ter ondersteuning van de hervormingen. In 2006 en 2007 hebben het Europees Parlement en de Raad aanbevelingen goedgekeurd op het gebied van sleutelcompetenties, kwaliteit van mobiliteit en kwaliteitsborging in het hoger onderwijs, en zij hebben inmiddels overeenstemming bereikt over het Europees kwalificatiekader.

Grosso modo hebben de Commissie en de lidstaten eveneens wezenlijke vooruitgang geboekt met de uitvoering van de acties die waren aangekondigd in het Talenactieplan 2004-2006 (16).

3.   GEBIEDEN WAAROP ONVOLDOENDE VOORUITGANG IS GEBOEKT

3.1.   Implementatie van een leven lang leren

Bij de strategieën voor een leven lang leren is de concrete tenuitvoerlegging nog steeds het grootste struikelblok. Die vereist een grote inzet van de betrokken instellingen, coördinatie en partnerschappen met alle betrokkenen. Alleen door niet aflatende inspanningen kunnen voornemens in beleid worden omgezet dat op zijn beurt resultaten oplevert. Adequate maatregelen voor informatieverspreiding en betere investeringen zijn van vitaal belang. Er blijft nog veel te doen.

De positieve ontwikkeling van de overheidsuitgaven voor onderwijs tussen 2000 en 2003 lijkt in 2004 tot staan gekomen te zijn.

Tussen 2000 en 2003 zijn in de EU de totale overheidsuitgaven voor onderwijs, uitgedrukt als percentage van het bbp, gestegen van 4,7 tot 5,2 %, maar vervolgens in 2004 tot 5,1 % gedaald. Het uitgavenpeil blijft enorme verschillen tussen de landen vertonen (tussen 3,3 % van het bbp in Roemenië en 8,5 % in Denemarken). De particuliere uitgaven voor onderwijsinstellingen als percentage van het bbp zijn sinds 2000 licht gestegen, maar in 2004 liep deze stijging weer terug (13).

Weliswaar zijn de EU-benchmarks in enkele landen in nationale doelstellingen terug te vinden, maar nog niet alle landen beschikken over dergelijke doelstellingen (5).

3.2.   Basisvaardigheden voor iedereen

Schooluitval, het diploma hoger secundair onderwijs en sleutelcompetenties blijven belangrijke probleemgebieden. Sinds 2000 is er niet genoeg vooruitgang geboekt om in 2010 de EU-benchmarks te halen. In sommige landen is de situatie tussen 2000 en 2006 in feite verslechterd. Verscheidene landen hadden in 2006 nog met een erg hoge schooluitval (meer dan 20 %) te kampen. Ten aanzien van leerlingen met onvoldoende leesvaardigheden is de situatie zelfs verslechterd in plaats van verbeterd.

Veel te veel jongeren verlaten in Europa het onderwijs zonder de nodige vaardigheden om in de kennismaatschappij te kunnen functioneren en gemakkelijk hun intrede op de arbeidsmarkt te doen (17). Zij lopen het gevaar sociaal uitgesloten te raken. Voorts zijn zij al heel vroeg feitelijk uitgesloten van een leven lang leren.

Voortijdige schoolverlaters: een op de zes jongeren tussen 18 en 24 jaar (15,3 %) verlaat in de EU-27 nog steeds het onderwijs met niet meer dan een diploma lager secundair onderwijs en neemt daarna niet deel aan enige vorm van onderwijs of opleiding. Om dit percentage in 2010 terug te brengen tot de EU-benchmark van 10 %, moet er sneller vooruitgang worden geboekt.

Ten aanzien van het niveau hoger secundair onderwijs is er sprake van langzame, doch gestage vorderingen. In de laatste jaren is het aantal jongeren met een diploma hoger secundair onderwijs weliswaar licht gestegen, maar onvoldoende om de doelstelling voor 2010 te halen (ten minste 85 % van de 22-jarigen met ten minste een diploma hoger secundair onderwijs).

Terwijl de EU-benchmark is om voor leesvaardigheid het percentage 15-jarigen dat slechte scores haalt in 2010 in vergelijking met 2000 met ten minste 20 % te verminderen, is dit percentage in de praktijk tussen 2000 en 2006 toegenomen (13).

In de meeste landen presteren migranten en achtergestelde groepen met andere culturele achtergronden minder goed op de benchmarkgebieden (18). Zij moeten speciale aandacht krijgen. Hun integratie in het voorschoolse onderwijs zou het leren van de taal ten goede komen en hun vooruitzichten op een succesvolle schoolloopbaan verbeteren.

De bestaande initiatieven inzake schooluitval en sociaaleconomische achterstand moeten worden aangevuld. Buitenschoolse activiteiten (zoals cultuur en sport), lokale partnerschappen, grotere betrokkenheid van de ouders, aandacht voor de leerbehoeften van ouders en verbetering van het welzijn van leerlingen en leraren op school zouden uitkomst kunnen bieden.

3.3.   Lerarenopleiding

Geen andere schoolinterne factor is zozeer van invloed op de prestaties van leerlingen als de kwaliteit van de lerarenopleiding (19).

Leraren en opleiders zien zich voor uiteenlopende uitdagingen geplaatst: een toenemende heterogeniteit van de klassen, de vraag naar nieuwe competenties en de noodzaak om beter in te spelen op individuele leerbehoeften. Verder brengt de grotere schoolautonomie nieuwe taken met zich mee.

Een groot aantal oudere leraren zal in de nabije toekomst vervangen moeten worden. Het beroep dient aantrekkelijker te worden gemaakt.

In hun huidige vorm bieden de lerarenopleidingen leraren echter dikwijls niet de opleiding die zij nodig hebben. Dit geldt met name voor de bij- en nascholing van leraren en de beroepsontwikkeling. Inservicetraining voor leraren is in elf lidstaten verplicht.

3.4.   Hoger onderwijs: excellentie, partnerschap en financiering

De landen besteden meer aandacht aan de versterking van de rol van de universiteiten op het gebied van onderzoek en innovatie, en partnerschappen tussen universiteiten en het bedrijfsleven komen steeds vaker voor. Vele landen hebben in dit opzicht nog heel wat te doen (20).

De maatregelen om excellentie op hogeronderwijsinstellingen te bevorderen, zouden zich moeten richten op onderwijs, onderzoek en kennisoverdracht. Het onderwijs is momenteel eerder een ondergeschoven kindje. Het voorgestelde Europees Instituut voor technologie en innovatie (21) zal veranderingen op onderwijs- en onderzoeksinstellingen stimuleren door een referentiemodel te worden voor de integratie van onderwijs, onderzoek en innovatie.

In Duitsland hebben de federale en deelstaatregeringen een excellentie-initiatief gelanceerd in het kader waarvan tussen 2006 en 2011 1,9 miljard EUR extra wordt uitgetrokken om toponderzoek te stimuleren aan op concurrerende basis geselecteerde universiteiten. Het initiatief bestaat uit drie onderdelen: opleidingsscholen; clusters voor samenwerking tussen universiteiten, buitenuniversitaire onderzoeksinstellingen en het bedrijfsleven; en integrale strategieën voor elite-universiteiten.

Het opvoeren van investeringen, ook uit particuliere bron, blijft een uitdaging. Tegelijkertijd moet gezorgd worden voor een rechtvaardige toegang tot een grote verscheidenheid aan studie- en onderzoeksprogramma's. Diverse regeringen beschikken over instrumenten om particuliere investeringen te stimuleren, zoals belastingprikkels (22), publiek-private partnerschappen of mecenaatprogramma's (23), en sommige hebben college- of inschrijvingsgeld ingevoerd of dat verhoogd (24).

De overheidsuitgaven voor hogeronderwijsinstellingen in de EU (onderwijs en onderzoek) maakten in 2004 1,1 % van het bbp van de EU-27 uit. Dit percentage varieerde van 0,6 % in Malta tot 2,5 % in Denemarken. De totale uitgaven blijven echter ver onder het niveau van de Verenigde Staten. De belangrijkste reden hiervoor is dat de particuliere financieringen in de Verenigde Staten meer dan zeven keer zo hoog zijn. De uitgaven per student in het hoger onderwijs bedroegen in de VS meer dan het dubbele van het EU-gemiddelde (25).

Weliswaar hebben de universiteiten meer autonomie gekregen en moeten zij meer verantwoording afleggen, maar universiteitsmedewerkers en -bestuurders worden nauwelijks geholpen om hiermee om te gaan.

3.5.   Volwassenenparticipatie in een leven lang leren

Ten aanzien van de volwassenenparticipatie in een leven lang leren is de vooruitgang te gering om de EU-benchmark te kunnen halen. Er zijn nog steeds grotere inspanningen vereist om de kwalificatieniveaus van de bevolking te verhogen en op de hele arbeidsmarkt voor flexibiliteit en zekerheid te zorgen.

De vorderingen in de richting van de EU-benchmark (12,5 %) lagen tot 2005 globaal op schema (26). In 2006 echter nam gemiddeld 9,6 % van de Europeanen tussen 25 en 64 jaar aan onderwijs- en opleidingsactiviteiten deel, een lichte teruggang ten opzichte van 2005. Achter het totaalcijfer gaat een belangrijke onevenwichtigheid schuil: bij hoogopgeleide volwassenen is de kans dat zij aan een leven lang leren deelnemen, zes keer zo hoog als bij laaggeschoolden.

Gezien de toch al lage participatiecijfers voor de totale bevolking vormt de geringe participatie van oudere werknemers en laaggeschoolden in een leven lang leren een bijzonder probleem (27). Bovendien is het aandeel laaggeschoolden onder migranten bijzonder hoog. De demografische en arbeidsmarktontwikkelingen zullen leiden tot een grotere vraag naar hooggeschoolden en minder kansen voor de laaggeschoolden. De opleiding van deze groepen moet meer aandacht krijgen.

3.6.   Aantrekkelijkheid, kwaliteit en relevantie van beroepsonderwijs en -opleiding

Er moet meer worden gedaan om de kwaliteit en aantrekkelijkheid van de beroepsopleiding te verbeteren. Dit is een van de hoofdprioriteiten van het Kopenhagenproces (28).

Sommige landen hebben geavanceerde en integrale kwaliteitsborgingssystemen ingevoerd (29), terwijl andere nog in een ontwikkelingsstadium verkeren (30).

Doordat in opleidingsprogramma's en kwalificaties meer gebruik wordt gemaakt van methoden die gebaseerd zijn op leerresultaten, neemt de relevantie van de beroepsopleiding voor de arbeidsmarkt toe. Dat leercontracten, samenwerking tussen scholen en bedrijven en leren op de werkplek hernieuwde aandacht krijgen, is ook positief. Ten aanzien van de voorspelling van de behoeften aan vaardigheden en kwalificaties valt echter maar weinig vooruitgang te melden.

De beroepsopleiding heeft soms te lijden onder het feit dat zij slecht geïntegreerd is in de rest van het onderwijsstelsel. Door een dergelijke integratie kunnen potentiële voortijdige schoolverlaters binnen het onderwijs- en opleidingssysteem gehouden worden omdat eerder op school opgedane sleutelcompetenties toegang geven tot de beroepsopleiding. Alhoewel sommige lidstaten (31) van levenslange begeleiding een politieke topprioriteit hebben gemaakt, moet nog altijd bijzondere aandacht worden besteed aan meer begeleiding van volwassenen. Er moeten ook meer vorderingen worden gemaakt met het terugdringen van belemmeringen bij de doorstroming tussen de beroepsopleiding en het voortgezet en hoger onderwijs

3.7.   Internationale mobiliteit

Er zijn goede vorderingen gemaakt met de invoering en het gebruik van de Europass (32). Niettemin wordt de internationale mobiliteit van lerenden nog steeds hoofdzakelijk door EU-programma's mogelijk gemaakt. De meeste nationale maatregelen betreffen het hoger onderwijs. Mobiliteit in het kader van een beroepsopleiding is bijzonder moeilijk te realiseren.

Mobiliteit is verplicht aan de universiteit van Luxemburg. Alle bachelorstudenten moeten een deel van hun studie in het buitenland doorbrengen.

4.   DE KOERS VOOR DE TOEKOMST

4.1.   Een leven lang leren voor doelmatigheid en kansgelijkheid

Er bestaan nog steeds grote leemten in de samenhang en omvang van de strategieën voor een leven lang leren. Het is nu zaak die strategieën concreet gestalte te geven. In veel gevallen is daar nog maar net mee begonnen. Om geloofwaardig te zijn, moeten de strategieën gekoppeld worden aan beleidsmaatregelen. Die geloofwaardigheid hangt ook af van het vermogen van de overheid om middelen gericht aan te wenden. En van hun vermogen om de nationale instellingen en belanghebbenden op alle niveaus via leerpartnerschappen te mobiliseren.

Verbetering van de kennisbasis

De kennis van de economische en sociale gevolgen van onderwijs- en opleidingsbeleid moet worden verbeterd (33). Doelmatigheid en kansgelijkheid moeten centraal worden gesteld bij de ontwikkeling van de Europese en nationale onderzoeksbasis voor het beleid en de praktijk op onderwijs- en opleidingsgebied.

Peer learning en uitwisselingen van ervaringen tussen beleidsmakers en belanghebbenden zijn een belangrijke bron van knowhow en moeten worden ondersteund. Ook de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van strategieën voor een leven lang leren moeten verder in het oog worden gehouden, zodat in het gezamenlijk verslag 2010 de vooruitgang kan worden geëvalueerd.

Duurzame financiering

De hoogte, de efficiëntie en de duurzaamheid van de financiering blijven kritieke punten. Veel landen experimenteren met nieuwe instrumenten en met prikkels voor private financiering. Hierbij richten zij zich ook op personen, huishoudens en werkgevers. Deze inspanningen moeten worden opgevoerd.

Verhoging van het kwalificatieniveau

Meer investeren in vroegtijdig onderwijs rendeert qua doelmatigheid en kansgelijkheid het meest (34). De vroegtijdige verwerving van sleutelcompetenties is een doeltreffende manier om de basis te leggen voor verder leren, een grotere kansgelijkheid bij de leerresultaten en de algemene vaardigheidsniveaus. De overstap naar de arbeidsmarkt kan gemakkelijker worden gemaakt en een tekort aan kwalificaties wordt voorkomen.

Er blijft vraag naar ingenieurs en afgestudeerden in de exacte wetenschappen. Op grotere schaal aanwerven in de wetenschappelijke en technische studierichtingen moet daarom een aandachtspunt blijven.

Het imago, de status en de aantrekkelijkheid van de beroepsopleiding moeten echter worden verbeterd. Om de toegang tot de initiële beroepsopleiding, de mobiliteit en de terugkeer in het onderwijssysteem te vergemakkelijken, moeten er flexibele en modulaire structuren ontwikkeld worden. Alle burgers moeten kunnen beschikken over geïntegreerde systemen voor levenslange begeleiding. Het leerproces van volwassenen verdient bijzondere aandacht.

Sociaaleconomische achterstanden wegwerken

Onderwijs en opleiding kunnen sociaaleconomische achterstanden helpen wegwerken. Maar zij kunnen die ook bestendigen. Kansongelijkheid in onderwijs en opleiding brengt enorme kosten met zich mee. Dit zijn dikwijls verborgen, maar niettemin reële kosten. Daarom moet kansgelijkheid bij de toegang, deelname, behandeling en resultaten prioriteit blijven.

Benutting van het potentieel van migranten

De toenemende diversiteit van de Europese samenlevingen schept nieuwe uitdagingen op het gebied van onderwijs en opleiding. De prestaties, de participatie en de opleidingsniveaus van migranten liggen over het algemeen onder het gemiddelde. Ofschoon dit deels door de sociaaleconomische achtergrond en taalachterstand kan worden verklaard, zijn er aanwijzingen dat het onderwijs- en opleidingsbeleid en -stelsel deze uitdagingen niet aangaan en wellicht zelf tot het probleem bijdragen (35). Deze situatie vereist bijzondere aandacht voor de economische en maatschappelijke integratie van migranten en de interculturele dialoog.

Onderwijs van hoge kwaliteit

De initiële opleiding en bij- en nascholing van leraren moeten verbeterd worden. Dit zal ten goede komen aan de onderwijs- en opleidingsresultaten. Het is ook belangrijk leraren en opleiders bij innovaties en hervormingen te betrekken. De Commissie heeft in kaart gebracht wat de uitdagingen op dit gebied zijn (36). Zij is ook bezig met een openbare raadpleging over scholen (37). Het werkprogramma biedt een geschikte context voor de aanpak van deze uitdagingen.

4.2.   Innovatie en creativiteit: onderwijs als sleutelelement in de kennisdriehoek

Onderwijs is van fundamenteel belang voor de kennisdriehoek en dus voor de stimulering van groei en werkgelegenheid. Universiteiten staan in de driehoek centraal. Excellentiecentra die zich richten op onderwijs, onderzoek en kennisoverdracht zijn van vitaal belang. Er moet veel meer worden gedaan om het hoger onderwijs en het bedrijfsleven in partnerschap te laten samenwerken.

Onderzoek en innovatie vereisen een brede kwalificatiebasis in de bevolking. Excellentie en sleutelcompetenties, met name op het gebied van ondernemerschap, creativiteit en „leren leren”, moeten in alle stelsels en op alle niveaus van onderwijs en opleiding ontwikkeld worden. Zowel scholen als de beroepsopleiding kunnen in belangrijke mate tot innovatie bijdragen. Een kwalitatief hoogwaardige beroepsopleiding bijvoorbeeld kan bijdragen tot innovatie op de werkplek.

4.3.   Betere governance: optimaal gebruik maken van de resultaten van „Onderwijs en opleiding 2010”

Het werkprogramma werpt resultaten op Europees en nationaal niveau af. De ontwikkeling van Europese referentie-instrumenten, de werkzaamheden van de clusters en de peer learning-activiteiten dienen als input en ondersteuning voor de in de landen doorgevoerde hervormingen. De uitdagingen op onderwijs- en opleidingsgebied en de ontwikkeling van menselijke hulpbronnen staan in de meeste lidstaten hoog op de prioriteitenlijst van de nationale hervormingsprogramma's in het kader van de Lissabonstrategie. De doeltreffendheid van de open coördinatiemethode op onderwijs- en opleidingsgebied, het effect ervan en de politieke betrokkenheid kunnen nog worden versterkt. Zowel op nationaal als Europees niveau dient bijzondere aandacht te worden geschonken aan:

een gecoördineerd onderwijs- en opleidingsbeleid met het oog op een leven lang leren, met strategische prioriteiten voor het gehele stelsel;

de verbetering van de raakvlakken met relevante beleidsterreinen, zoals innovatiebeleid, werkgelegenheids- en sociaal beleid, het bedrijfsleven, onderzoek en de structuurfondsen;

de integratie van beleidsontwikkelingen op het gebied van het hoger onderwijs, de beroepsopleiding en de volwasseneneducatie in het algemene werkprogramma;

sterke relaties tussen de tenuitvoerlegging en ontwikkeling van de geïntegreerde Lissabonrichtsnoeren en het werkprogramma „Onderwijs en opleiding 2010” en grotere zichtbaarheid van een leven lang leren in de Lissabonstrategie;

wederzijdse monitoring van de ontwikkelingen tussen afzonderlijke landen op vrijwillige basis, door middel van peer learning of peer review;

maatregelen om ervoor te zorgen dat de resultaten van peer learning-activiteiten bij de beleidsmakers en ministers terechtkomen;

een sterkere deelname van het maatschappelijk middenveld;

de verdere ontwikkeling van indicatoren en benchmarks overeenkomstig de conclusies van de Raad van mei 2007;

een optimaal gebruik van de communautaire fondsen en programma's, met name het nieuwe programma „Een leven lang leren 2007-2013” en de instrumenten van het EU-cohesiebeleid.

Om ervoor te zorgen dat de overeengekomen prioriteiten van het werkprogramma „Onderwijs en opleiding 2010” ten volle hun neerslag vinden in het nationale beleid, moeten de in het gezamenlijk verslag 2006 genoemde specifieke acties worden voortgezet.

Er moeten mechanismen zijn voor de tenuitvoerlegging van het werkprogramma „Onderwijs en opleiding 2010” en voor de strategieën inzake een leven lang leren. De coördinatie met degenen die verantwoordelijk zijn voor het algemeen sociaaleconomisch beleid, met name de Lissabonhervormingen en de nationale strategieën inzake sociale integratie, moet worden verbeterd.

De nationale doelstellingen en indicatoren moeten verder worden ontwikkeld. Zij moeten rekening houden met de Europese doelstellingen en benchmarks. Het beleid en de praktijk moeten stoelen op kennis en evaluatie. De op Europees niveau overeengekomen gemeenschappelijke beginselen, richtsnoeren en aanbevelingen bieden referentiepunten voor de nationale hervormingen.

4.4.   Hoe het na 2010 verder moet

Het werkprogramma „Onderwijs en opleiding 2010” biedt praktische steun voor de hervormingen van onderwijs en opleiding in de lidstaten. Sinds in 2002 met het programma is begonnen, is er aanzienlijke vooruitgang geboekt. Niettemin hebben de hervormingen op onderwijs- en opleidingsgebied tijd nodig om hun vruchten af te werpen. Er bestaan nog steeds grote problemen en er zijn nieuwe uitdagingen bijgekomen. Deze werkzaamheden, met inbegrip van de samenwerking in het kader van het Bologna- en het Kopenhagenproces, moeten worden voortgezet en in de toekomst meer vruchten afwerpen. Daarom moeten we nu al nadenken over een bijgewerkt strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding. Gezien de fundamentele rol van onderwijs en opleiding in de groei- en werkgelegenheidsstrategie, moet een en ander nauw aansluiten bij de toekomstige ontwikkeling van het Lissabonproces.


(1)  Mededeling van de Commissie: „Naar gemeenschappelijke beginselen inzake flexizekerheid: meer en betere banen door flexibiliteit en zekerheid”, COM(2007) 359.

(2)  Dit verslag is voornamelijk gebaseerd op een analyse van de nationale verslagen en van de prestaties afgemeten aan een reeks indicatoren en benchmarks. Zie bijlage 2 en SEC(2007) 1284: „Progress towards the Lisbon objectives in education and training. Indicators and benchmarks 2007”. Het is ook gebaseerd op de resultaten van de open coördinatiemethode op het gebied van onderwijs en opleiding, met name het gebruik van de EU-referentie-instrumenten en peer learning ter ondersteuning van de hervormingen in de lidstaten, en op vergelijkbare uitwisselingen in het kader van het Kopenhagen- en Bolognaproces. Voor het eerste gezamenlijke verslag zie doc. 6905/04 EDUC 43 van de Raad; voor het tweede PB C 79 van 1.4.2006, blz. 1.

(3)  Mededeling van de Commissie „Doelmatigheid en rechtvaardigheid in de Europese onderwijs- en opleidingsstelsels”, COM(2006) 481.

(4)  De Raad is overeengekomen dat de lidstaten tegen 2006 moeten beschikken over allesomvattende en coherente strategieën voor een leven lang leren (Resolutie van de Raad van juni 2002 inzake levenslang leren, gezamenlijk verslag 2004 en voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad van 2005).

(5)  Zie bijlage 1.

(6)  Voor Flandre, Duitsland, Estland, Griekenland, Hongarije, Verenigd Koninkrijk, Bulgarije, Cyprus, Spanje, Ierland, Turkije is dit een voorwaarde voor hun strategieën. Zie ook SEC(2007) 1098: „Towards more knowledge-based policy and practice in education and training”.

(7)  COM(2006) 479.

(8)  Duitsland, Denemarken, Griekenland.

(9)  Tsjechische Republiek.

(10)  Cyprus, Denemarken, Griekenland, Polen.

(11)  Spanje, Litouwen, Kroatië, Norwegen.

(12)  Oostenrijk, Flandre, Cyprus, Duitsland, Denemarken, Griekenland, Spanje, Hongarije, Malta, Nederland, Polen, Sweden, Slowakije, Verenigd Koninkrijk, Kroatië, IJsland, Norwegen.

(13)  Zie bijlage 2.

(14)  Cyprus.

(15)  Bulgarije, Luxemburg, Sweden, Turkije.

(16)  Werkdocument van de Commissie — Verslag over de tenuitvoerlegging van het actieplan „Het leren van talen en de taalverscheidenheid bevorderen”, 2004-2006 COM(2007) 554 def/2.

(17)  Mededeling van de Commissie „Het bevorderen van de volledige participatie van jongeren in het onderwijs, het arbeidsleven en het maatschappelijk leven”, COM(2007) 498.

(18)  SEC(2007) 1284, blz. 50, 75.

(19)  Mededeling van de Commissie „De kwaliteit van de lerarenopleiding verbeteren”, COM(2007) 392.

(20)  Goede praktijken kunnen worden aangetroffen in de noordse landen en het Verenigd Koninkrijk.

(21)  COM(2006) 604 definitief, blz. 2.

(22)  Spanje, Sweden, Slovenië, Slowakije, Turkije.

(23)  Oostenrijk, Frankrijk, Hongarije, Ierland, Luxemburg, Letland, Verenigd Koninkrijk.

(24)  Oostenrijk, Duitsland, Ierland, Nederland, Slovenië, Verenigd Koninkrijk, Kroatië.

(25)  SEC(2007) 1284, blz. 67.

(26)  De vorderingen lagen globaal op schema, doch alleen als gevolg van gewijzigde enquêtemethoden in diverse landen, waardoor de vooruitgang werd overschat. Zie bijlage 2.

(27)  SEC(2007) 1284, blz. 81.

(28)  Conclusies van de Raad over de toekomstige prioriteiten van de intensievere Europese samenwerking inzake beroepsonderwijs en -opleiding. Document 14474/06 van de Raad van 30 oktober 2006.

(29)  Oostenrijk, Duitsland, Denemarken, Finland, Ierland, Sweden, Norwegen.

(30)  Bulgarije, Tsjechische Republiek, Spanje, Luxemburg, Malta, Slovenië.

(31)  Frankrijk, Italië.

(32)  Besluit nr. 2241/2004/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 (PB L 390 van 31.12.2004, blz. 6).

(33)  Zie SEC(2007) 1098.

(34)  COM(2006) 481, blz. 5.

(35)  SEC(2007) 1284, blz. 51.

(36)  Mededeling van de Commissie „De kwaliteit van de lerarenopleiding verbeteren”, COM(2007) 392.

(37)  SEC(2007) 1009 „Schools for the 21st century”.


BIJLAGE 1

Situatie van de landen met betrekking tot de vaststelling van een expliciete strategie voor een leven lang leren, het kwalificatiekader, de validatie van niet-formeel/informeel leren en nationale doelstellingen op de benchmarkgebieden.

Y

=

Land beschikt over strategie, kader, validatiesysteem of nationale doelstellingen

D

=

Land werkt aan de ontwikkeling van een strategie, kader of validatiesysteem

N

=

Land beschikt niet over kader, validatiesysteem of nationale doelstellingen

P

=

Land beschikt over beleid inzake een leven lang leren maar niet over een expliciete strategie

Land

Expliciete nationale strategieën voor een leven lang leren

Nationale kwalificatiekaders

Systeem voor de validatie van niet-formeel en informeel leren

Nationale doelstellingen op alle of enkele van de EU-benchmarkgebieden

AT

Y

D

D

N

BE fr

Y

D

Y

Y

BE nl

Y

D

Y

Y

BG

D

D

D

N

CY

Y

N

D

Y

CZ

Y

D

D

N

DE

Y

D

N

N

DK

Y

D

Y

Y

EE

Y

D

D

Y

EL

Y

N

D

Y

ES

Y

D

D

Y

FI

Y

D

Y

Y

FR

P

Y

Y

Y

HR

Y

D

N

Y

HU

Y

D

N

Y

IE

D

Y

Y

Y

IS

P

N

D

N

IT

P

D

D

N

LI

P

N

N

N

LT

Y

D

D

Y

LU

P

D

D

N

LV

Y

D

D

Y

MT

D

Y

N

Y

NL

P

D

Y

Y

NO

Y

N

Y

N

PL

D

D

D

Y

PT

P

D

Y

Y

RO

D

D

D

Y

SE

Y

N

D

N

SI

D

D

Y

Y

SK

Y

D

D

Y

TR

D

D

N

N

UK

Y

Y

D

Y


BIJLAGE 2

(STATISTISCHE BIJLAGE)

VORDERINGEN TEN OPZICHTE VAN DE VIJF REFERENTIENIVEAUS VAN GEMIDDELDE EUROPESE PRESTATIES (BENCHMARKS) EN ANDERE SLEUTELINDICATOREN OP HET GEBIED VAN ONDERWIJS EN OPLEIDING

Op basis van het werkdocument van de diensten van de Commissie — „Progress towards the Lisbon Objectives in Education and Training — Indicators and Benchmarks” (Vorderingen met betrekking tot de Lissabondoelstellingen op het gebied van onderwijs en opleiding — Indicatoren en benchmarks) — SEC(2007) 1284

Landencodes

EU   Europese Unie

BE

België

BG

Bulgarije

CZ

Tsjechische Republiek

DK

Denemarken

DE

Duitsland

EE

Estland

EL

Griekenland

ES

Spanje

FR

Frankrijk

IE

Ierland

IT

Italië

CY

Cyprus

LV

Letland

LT

Litouwen

LU

Luxemburg

HU

Hongarije

MT

Malta

NL

Nederland

AT

Oostenrijk

PL

Polen

PT

Portugal

RO

Roemenië

SI

Slovenië

SK

Slowakije

FI

Finland

SE

Zweden

UK

Verenigd Koninkrijk

EER   Europese Economische Ruimte

IS

IJsland

LI

Liechtenstein

NO

Noorwegen

Kandidaat-lidstaten

HR

Kroatië

TR

Turkije

Andere

JP

Japan

US/USA

Verenigde Staten van Amerika

OVERZICHT VAN DE VOORUITGANG MET BETREKKING TOT DE VIJF BENCHMARKS

Image

Belangrijkste resultaten:

voor het aantal afgestudeerden in de wiskunde, wetenschappen en techniek (WWT) zal de benchmark worden overtroffen; de noodzakelijke vooruitgang is reeds in 2000-2003 geboekt;

er is sprake van enige vooruitgang bij de deelname aan een leven lang leren. Dit is echter grotendeels te danken aan de wijzigingen in de manier waarop de gegevens in een aantal lidstaten worden verzameld, die leidde tot een hogere nominale participatie en een te rooskleurig beeld van de algehele vorderingen;

met betrekking tot voortijdige schoolverlaters is er sprake van voortdurende verbetering, maar om de benchmark te halen zijn snellere vorderingen noodzakelijk;

ten aanzien van de voltooiing van het hoger secundair onderwijs is er slechts weinig vooruitgang geboekt;

voor personen die slecht presteren op het gebied van lezen zijn de resultaten sedert 2000 achteruitgegaan, in plaats van verbeterd overeenkomstig de benchmark.

Methodologische opmerkingen: in de grafiek is het uitgangsjaar — 2000 — gesteld op 0 en de benchmark in 2010 op 100. De resultaten worden per jaar afgezet tegen de benchmark van 100. De benodigde vorderingen zijn aangegeven met een diagonale lijn: jaarlijks zou een vordering van 10 % moeten worden geboekt om de benchmark te halen. Indien een lijn onder deze diagonaal blijft, wordt er onvoldoende vooruitgang geboekt. Wat de deelname aan een leven lang leren betreft, is er sprake van een groot aantal breuken in de tijdreeks: verschillende landen zijn tussen 2002 en 2003 overgestapt op een andere wijze van gegevensvergaring. De toepassing van de nieuwe methoden heeft na 2003 tot betere resultaten geleid, waardoor de vorderingen tussen 2002 en 2003 te rooskleurig zijn voorgesteld. De lijn voor de participatie in een leven lang leren is daarom in 2002-2003 een stippellijn. Voor personen die slecht presteren met lezen (PISA-gegevens) staan er slechts twee momenten vermeld (2000 en 2006) voor de 19 landen waarop de vergelijking betrekking heeft (voor 2003 slechts voor zestien landen vergelijkbare gegevens).

OVERZICHT VAN DE VORDERINGEN MET BETREKKING TOT DE VIJF BENCHMARKS

Overzicht van de drie benchmarks voor het scholingsniveau

Situatië (meest recente beschikbare jaar) en vorderingen sedert 2000

Slechte presteerders op het gebied van lezen

(OESO/PISA)

(15 jaar oud, %)

Voortijdige schoolverlaters

(Eurostat/arbeidskrachtenenquête)

(18-24, %)

Hoger secundair onderwijs voltooid

(Eurostat/arbeidskrachtenenquête

(20-24, %)

EU-gemiddelde 2006

24,1

15,3

77,8

EU-gemiddelde 2000

21,3

17,6

76,6

Bron:

OESO (PISA)

Eurostat (arbeidskrachtenenquête)

Eurostat (arbeidskrachtenenquête)

België

0

0

0

Bulgarije

-

+

++

Tsjechische Republiek

-

0

0

Denemarken

++

+

++

Duitsland

++

+

-

Estland

/

+

++

Ierland

0

++

++

Griekenland

-

+

++

Spanje

-

-

-

Frankrijk

-

+

0

Italië

-

++

++

Cyprus

:  (1)

++

++

Letland

++

+

++

Litouwen

/

++

++

Luxemburg

0

-

-

Hongarije

++

+

0

Malta

:

++

++

Nederland

-

++

++

Oostenrijk

-

+

0

Polen

++

+

++

Portugal

++

+

++

Roemenië

-

++

+

Slovenië

/

(++)

++

Slowakije

-

-

-

Finland

++

+

-

Zweden

-

-

+

Verenigd Koninkrijk

/

++

+

Kroatië

:

++

++

Turkije

++

++

++

IJsland

-

+

++

Noorwegen

-

++

-

Huidige prestaties (meest recente gegevens)

Donker/groen

Boven EU-gemiddelde

Licht/roze

Onder EU-gemiddelde

Wit

Geen gegevens

Ten opzichte van 2000

++

grotere verbetering dan EU-gemiddelde

+

verbetering, maar minder dan EU-gemiddelde

0

verandering bedraagt minder dan 1 % van de waarde van het getal of, in het geval van slechte leesprestaties, belangrijke wijziging niet waarschijnlijk

-

verslechtering

()

resultaten niet vergelijkbaar of onbetrouwbaar

:

geen gegevens

/

geen tijdreeks.

Voor personen die slecht presteren is de vergelijking uitgevoerd in de periode 2003-2006 in LU, NL, SK, TR. Zie voor nadere gegevens de opmerkingen bij de tabellen voor de afzonderlijke benchmarks.

SLEUTELCOMPETENTIES

Percentage leerlingen met taalvaardigheid niveau I en lager (op de PISA-schaal voor lezen) 2000-2006

Image

% met geringe leesvaardigheid

Allen

Meisjes

Jongens

2000

2006

2006

2006

EU-27

21,3

24,1

17

30,4

België

19,0

19,4

13,3

24,9

Bulgarije

40,3

51,1

40,4

60,9

Tsjechische Republiek

17,5

24,8

16,9

30,8

Denemarken

17,9

16,0

11,4

20,7

Duitsland

22,6

20,0

14,2

25,5

Estland

:

13,6

7,0

19,9

Ierland

11,0

12,1

7,7

16,6

Griekenland

24,4

27,7

16,2

38,6

Spanje

16,3

25,7

18,9

32,3

Frankrijk

15,2

21,7

16,5

27,3

Italië

18,9

26,4

19,9

33,0

Cyprus

:

:

:

:

Letland

30,1

21,2

12,8

30,1

Litouwen

:

25,7

16,6

34,5

Luxemburg

(35,1)

22,9

17,4

28,2

Hongarije

22,7

20,6

13,2

27,3

Malta

:

:

:

:

Nederland

(9,5)

15,1

11,6

18,5

Oostenrijk

19,3

21,5

15,4

27,4

Polen

23,2

16,2

10,2

22,4

Portugal

26,3

24,9

19,6

30,7

Roemenië

41,3

53,5

43,5

63,5

Slovenië

:

16,5

7,9

25,2

Slowakije

:

27,8

20,1

35,0

Finland

7,0

4,8

1,6

8,1

Zweden

12,6

15,3

9,6

20,7

Verenigd Koninkrijk

(12,8)

19,0

14,1

24,0

Kroatië

:

21,5

12,6

30,5

Turkije

:

32,2

21,5

41,0

IJsland

14,5

20,5

12,5

28,3

Liechtenstein

22,1

14,3

11,1

18,0

Noorwegen

17,5

22,4

14,9

29,4

Japan

10,1

18,4

13,3

23,5

Verenigde Staten

17,9

:

:

:

Bron: OESO (PISA).

In 2000 bedroeg het percentage slechte lezers onder de vijftienjarigen in de EU 21,3 (beschikbare gegevens van slechts achttien lidstaten). Volgens de benchmark zou dit aandeel in 2010 met een vijfde moeten zijn gedaald (dus tot 17 %). Hoewel het percentage in een aantal lidstaten is gedaald (met name in Duitsland, Polen en Letland), is het in de meeste lidstaten gestegen, en zijn de resultaten op EU-niveau verslechterd (2006: 24,1 %).

Aanvullende opmerkingen:

EU-cijfer: gewogen gemiddelde, op basis van het aantal ingeschreven leerlingen en gegevens voor negentien landen (LU, NL en UK in 2000 niet representatief, daarom staan hun resultaten tussen haakjes en zijn zij niet in de berekeningen meegenomen).

MT kon niet deelnemen aan het PISA-onderzoek.

CY kon niet deelnemen wegens het ontbreken van eensgezindheid onder de OESO-lidstaten.

VOORTIJDIGE SCHOOLVERLATERS

Gedeelte van de bevolking tussen 18 en 24 jaar met enkel lager secundair onderwijs dat geen onderwijs of opleiding volgt, 2000-2006

Image

Voortijdige schoolverlaters, %

Allen

Vrouwen

Mannen

2000

2006

2006

2006

EU-27

17,6

15,3

13,2

17,5

België

12,5

12,6

10,2

14,9

Bulgarije

20,3

18,0

17,9

18,2

Tsjechische Republiek

5,5

5,5

5,4

5,7

Denemarken

11,6

10,9

9,1

12,8

Duitsland

14,9

13,8

13,6

13,9

Estland

14,2

13,2

10,7 (u)

19,6 (u)

Ierland

14,7

12,3

9,0

15,6

Giekenland

18,2

15,9

11,0

20,7

Spanje

29,1

29,9

23,8

35,8

Frankrijk

13,3

13,1

11,2

15,1

Italië

25,3

20,8

17,3

24,3

Cyprus

18,5

16,0

9,2

23,5

Letland

19,5

19,0 (p)

16,1 (p)

21,6 (p)

Litouwen

16,7

10,3

7,0 (u)

13,3 (u)

Luxemburg

16,8

17,4

14,0

20,9

Hongarije

13,8

12,4

10,7

14,0

Malta

54,2

41,7

38,8

44,6

Nederland

15,5

12,9

10,7

15,1

Oostenrijk

10,2

9,6

9,8

9,3

Polen

7,9

5,6

3,8

7,2

Portugal

42,6

39,2 (p)

31,8 (p)

46,4 (p)

Roemenië

22,3

19,0

18,9

19,1

Slovenië

7,5

5,2 (u)

3,3 (u)

6,9 (u)

Slowakije

5,6

6,4

5,5

7,3

Finland

8,9

8,3 (p)

6,4 (p)

10,4 (p)

Zweden

7,7

12,0

10,7

13,3

Verenigd Koninkrijk

18,4

13,0

11,4

14,6

Kroatië

8,3

5,3 (u)

5,3 (u)

5,3 (u)

Turkije

58,8

50,0

42,7

56,6

IJsland

29,8

26,3 (p)

22,0 (p)

30,5 (p)

Liechtenstein

:

:

:

:

Noorwegen

13,3

5,9

4,3

7,4

Bron: Eurostat (voorjaarsgegevens arbeidskrachtenenquête)

(u) Gegevens onbetrouwbaar of onzeker

(p) Voorlopige waarde.

In 2006 vertegenwoordigde het aantal voortijdige schoolverlaters in de EU-27 ongeveer 15 % van de jongeren in de leeftijdsgroep der 18-24-jarigen. In de afgelopen jaren is dit percentage gestaag teruggedrongen, maar snellere vooruitgang is nodig voor het behalen van de EU-benchmark van 10 % in 2010. In verschillende lidstaten, met name de noordse landen en het Verenigd Koninkrijk, beloopt het percentage evenwel reeds minder dan 10.

Aanvullende opmerkingen:

BG, PL, SI: de gegevens betreffen niet 2000, maar 2001.

CZ, IE, LV, SK, HR: de gegevens betreffen niet 2000, maar 2002.

CY: een aantal specifieke nationale factoren beïnvloedt de internationale vergelijkbaarheid van de gegevens, waaronder het grote aantal Cyprioten dat in het buitenland studeert. De cijfers voor Cyprus zijn daardoor lager uitgevallen.

EE: voor vrouwen zijn niet de cijfers voor 2006, maar die voor 2005 gegeven.

VOLTOOIING HOGER SECUNDAIR ONDERWIJS DOOR JONGEREN

Percentage van de bevolking in de leeftijdsklasse 20-24 jaar met tenminste hoger secundair onderwijs, 2000-2006

Image

Hoger sec. ond. volt.

Allen

Vrouwen

Mannen

2000

2006

2006

2006

EU-27

76,6

77,8

80,7

74,8

België

81,7

82,4

85,6

79,1

Bulgarije

75,2

80,5 (p)

81,1 (p)

80,0 (p)

Tsjechische Republiek

91,2

91,8

92,4

91,1

Denemarken

72,0

77,4

81,5

73,4

Duitsland

74,7

71,6

73,5

69,8

Estland

79,0

82,0

89,8

74,1

Ierland

82,6

85,4

89,1

81,8

Griekenland

79,2

81,0 (p)

86,6 (p)

75,5 (p)

Spanje

66,0

61,6

69,0

54,6

Frankrijk

81,6

82,1

84,3

80,0

Italië

69,4

75,5 (p)

79,4 (p)

71,7 (p)

Cyprus

79,0

83,7 (p)

90,7 (p)

76,1 (p)

Letland

76,5

81,0

86,2

75,9

Litouwen

78,9

88,2

91,2

85,3

Luxemburg

77,5

69,3

74,5

64,0

Hongarije

83,5

82,9

84,7

81,2

Malta

40,9

50,4 (p)

52,8 (p)

48,1 (p)

Nederland

71,9

74,7

79,6

69,9

Oostenrijk

85,1

85,8

86,7

84,9

Polen

88,8

91,7

93,8

89,6

Portugal

43,2

49,6

58,6

40,8

Roemeniê

76,1

77,2 (p)

77,8 (p)

76,6 (p)

Slovenië

88,0

89,4

91,4

87,7

Slowakije

94,8

91,5

91,7

91,2

Finland

87,7

84,7 (p)

87,0 (p)

82,3 (p)

Zweden

85,2

86,5

88,6

84,5

Verenigd Koninkrijk

76,6

78,8

80,3

77,3

Kroatië

90,6

93,8

94,9

92,8

Turkije

38,6

44,7

51,7

38,9

IJsland

46,1

50,8 (p)

57,7 (p)

44,5 (p)

Liechtenstein

:

:

:

:

Noorwegen

95,0

93,3 (p)

95,4 (p)

91,2 (p)

Bron: Eurostat (arbeidskrachtenenquête)

(p) voorlopige waarde HR:2002 in plaats van 2000; 2005 in plaats van 2006

HR: 2002 instead of 2002, 2005 instead of 2006.

Het percentage jongeren (in de leeftijd 20-24 jaar) dat het hoger secundair onderwijs heeft voltooid is sedert 2000 slechts licht gestegen. Er zijn derhalve weinig vorderingen gemaakt met het bereiken van de benchmark van ten minste 85 % in 2010. Enkele landen met een relatief laag percentage, met name Portugal en Malta, hebben evenwel in het recente verleden grote vooruitgang geboekt. Ook moet worden opgemerkt dat vele van de nieuwe lidstaten reeds boven de benchmark voor 2010 presteren, en dat in vier hunner, Tsjechië, Polen, Slovenië en Slowakije, alsook in Noorwegen en Kroatië, het percentage reeds ligt op 90 en hoger.

Aanvullende opmerkingen:

CY: een aantal specifieke nationale factoren beïnvloedt de internationale vergelijkbaarheid van de gegevens, waaronder het grote aantal Cyprioten dat in het buitenland studeert. De cijfers voor Cyprus zijn daardoor lager uitgevallen.

Sedert de bekendmaking op 5 december 2005 heeft Eurostat een verfijnde definitie van het percentage voor de voltooiing van het „hoger secundair onderwijs” toegepast terwille van een betere vergelijkbaarheid van de uitkomsten in de EU. Voor de gegevens vanaf 1998 vallen programma's van ISCED-niveau 3C die korter duren dan twee jaar niet langer onder het „hoger secundair” onderwijs maar onder het „lager secundair” onderwijs. Deze wijziging brengt de herziening met zich mee van de resultaten in DK (vanaf 2001), ES, CY en IS. De definitie kan evenwel nog niet worden gehanteerd in EL, IE en AT, waar nog steeds alle ISCED 3C-niveaus zijn opgenomen.

AFGESTUDEERDEN IN DE WISKUNDE, WETENSCHAPPEN EN TECHNOLOGIE (WWT)

Procentuele groei van het aantal afgestudeerden in het tertiair onderwijs in de wiskunde, wetenschappen en technologie

Image

 

Afgestudeerden per 1 000

leeftijd 20-29

Gemiddelde groei per jaar

Percentage vrouwelijke afgestudeerden

2005

2000-05

2000

2005

EU-27

13,1

4,7

30,8

31,2

België

10,9

1,8

25,0

27,3

Bulgarije

8,6

3,8

45,6

41,1

Tsjechische Republiek

8,2

7,1

27,0

27,4

Denemarken

14,7

2,1

28,5

33,9

Duitsland

9,7

3,1

21,6

24,4

Esland

12,1

:

35,4

43,5

Ierland

24,5

3,0

37,9

30,5

Griekenland

10,1

:

:

40,9

Spanje

11,8

3,8

31,5

29,6

Frankrijk

22,5

3,0

30,8

28,4

Italië

13,3

11,3

36,6

37,1

Cyprus

3,6

4,7

31,0

38,1

Letland

9,8

6,2

31,4

32,8

Litouwen

18,9

6,6

35,9

35,2

Luxemburg

:

:

:

:

Hongarije

5,1

1,8

22,6

30,0

Malta

3,4

2,1

26,3

30,1

Nederland

8,6

6,3

17,6

20,3

Oostenrijk

9,8

6,1

19,9

23,3

Polen

11,1

12,1

35,9

36,6

Portugal

12,0

13,1

41,9

39,9

Roemenië

10,3

6,7

35,1

40,0

Slovenië

9,8

2,0

22,8

26,2

Slowakijë

10,2

14,7

30,1

35,3

Finland

17,7

3,1

27,3

29,7

Zweden

14,4

5,1

32,1

33,8

Verenigd Koninkrijk

18,4

– 0,1

32,1

30,8

Kroatië

5,7

1,5

:

32,7

Turkije

5,7

6,0

31,1

28,5

IJsland

10,1

4,1

37,9

37,2

Liechtenstein

12,7

:

:

28,6

Noorwegen

9,0

1,0

26,8

26,0

Japan

13,7

– 1,1

12,9

14,7

Verenigde Staten

10,6

3,1

31,8

31,1

Bron: Eurostat (UOE) en berekeningen op basis van Eurostat-gegevens.

Sedert 2000 is het aantal afgestudeerden in de wiskunde, wetenschappen en technologie (WWT) in de EU-27 met meer dan 170 000 (ongeveer 25 %) gestegen. De EU heeft de benchmark van een verhoging van het aantal WWT-afgestudeerden met 15 % in 2010 dus reeds bereikt. Minder vorderingen zijn er geboekt met betrekking tot de tweede doelstelling, het verkleinen van de genderkloof. Het percentage vrouwelijke WWT-afgestudeerden is gestegen van 30,8 in 2000 tot 31,2 in 2005. Slowakije, Portugal en Polen lieten de grootste toename zien in de jaarlijkse groei van het aantal WWT-afgestudeerden (> 12 %), terwijl Bulgarije, Estland, Griekenland en Roemenië het best presteren met betrekking tot het genderevenwicht.

Aanvullende opmerkingen:

Voor landen met breuken in de reeksen zijn de groeipercentages berekend voor jaren zonder breuk. PL: groei gebaseerd op 2001-2005, RO: groei gebaseerd op 2000-2002 en 2003-2005. HR: groei 2003-2005, SE: groei 2000-2003, HU: groei 2000-2003.

BE: in de gegevens betreffende de Vlaamse Gemeenschap is geen rekening gehouden met tweede kwalificaties in het niet-universitair tertiair onderwijs; ook met onafhankelijke particuliere instellingen (waarvan er overigens niet veel zijn) en met de Duitstalige gemeenschap is geen rekening gehouden.

EE: nationale gegevens betreffende 2000.

IT: gegevens 2005 geschat door de Commissie.

CY: in de cijfers is geen rekening gehouden met studenten in het tertiair onderwijs die in het buitenland afstuderen. Meer dan de helft van de Cypriotische studenten die tertiair onderwijs volgen, doet dat in het buitenland.

LU: Luxemburg beschikt niet over een volledig universitair systeem, de meeste WWT-studenten volgen en voltooien hun studie in het buitenland.

AT: 2000: ISCED-niveau 5B betreft het voorafgaande jaar. HU: 2004: wijzigingen in de gegevensvergaring omtrent afgestudeerden per studierichting hebben geleid tot breuken in de tijdreeksen.

PL: geavanceerde onderzoeksprogramma's (ISCED-niveau 6) zijn niet opgenomen in de gegevens voor 2000.

RO: in de gegevens voor 2000-2002 is geen rekening gehouden met tweede kwalificaties noch met geavanceerde onderzoeksprogramma's (ISCED-niveau 6). Daarom is er in 2003 een breuk in de reeks.

SE: 2004: wijzigingen in gegevensvergaring omtrent afgestudeerden per studierichting hebben geleid tot breuken in de tijdreeksen.

UK: voor 2000 zijn nationale gegevens gebruikt.

LI: gegevens voor 2003-2004 hebben niet betrekking op studenten in het tertiair onderwijs die in het buitenland afstuderen.

DEELNAME AAN EEN LEVEN LANG LEREN

Percentage van de bevolking in de leeftijdsklasse 25-64 jaar dat deelneemt aan onderwijs en opleiding in de vier weken voorafgaand aan het onderzoek, 2000-2006

Image

Deelname aan een leven lang leren, %

Bron: Eurostat

 

Vrouwen

Mannen

2000

2006

2006

2006

EU-27

7,1

9,6

10,4

8,8

België

6,2

7,5 (p)

7,6 (p)

7,4 (p)

Bulgarije

1,4

1,3

1,3

1,3

Tsjechische Republiek

5,6

5,6

5,9

5,4

Denemarken

19,4

29,2

33,8

24,6

Duitsland

5,2

7,5

7,3

7,8

Estland

6,5

6,5

8,6

4,2 (u)

Ierland

5,5

7,5

8,9

6,1

Griekenland

1,0

1,9

1,8

2,0

Spanje

4,1

10,4

11,5

9,3

Frankrijk

2,8

7,5

7,8

7,2

Italië

4,8

6,1

6,5

5,7

Cyprus

3,1

7,1

7,8

6,5

Letland

7,3

6,9 (p)

9,3 (p)

4,1 (p)

Litouwen

2,8

4,9 (p)

6,6 (p)

2,9 (u)

Luxemburg

4,8

8,2

8,7

7,6

Hongarije

2,9

3,8

4,4

3,1

Malta

4,5

5,5

5,6

5,5

Nederland

15,5

15,6

15,9

15,3

Oostenrijk

8,3

13,1

14,0

12,2

Polen

4,3

4,7

5,1

4,3

Portugal

3,4

3,8 (p)

4,0 (p)

3,7 (p)

Roemenië

0,9

1,3

1,3

1,3

Slovenië

7,3

15,0

16,3

13,8

Slowakije

8,5

4,3

4,6

4,0

Finland

17,5

23,1

27,0

19,3

Zweden

21,6

32,1

36,5

27,9

Verenigd Koninkrijk

20,5

26,6

31,2 (p)

31,2

Kroatië

1,9

2,1

2,1

2,0

Turkije

1,0

2,0

2,4

1,6

IJsland

23,5

25,7

29,8

21,6

Noorwegen

13,3

18,7

20,2

17,2

Bron: Eurostat (arbeidskrachtenenquête), p = voorlopigl, u = onbetrouwbare of onzekere gegevens onzekeroonbekendunreliable or uncertain data.

Het percentage van de bevolking in de werkzame leeftijd dat deelnam aan onderwijs en opleiding (in de vier weken voorafgaand aan het onderzoek) beliep in 2006 9,6. Ten gevolge van breuken in de tijdreeksen is het beeld van de vorderingen te rooskleurig in vergelijking met de werkelijke, beperkte toename. Verdere inspanningen zijn nodig om de benchmark van een participatie van 12,5 % in 2010 te halen (2). De grootste participatie wordt momenteel aangetroffen in de noordse landen, het Verenigd Konikrijk, Slovenië en Nederland.

Aanvullende opmerkingen:

Als gevolg van de invoering van geharmoniseerde concepten en definities in het onderzoek, hebben zich in verschillende landen in verschillende jaren (tussen 2000 en 2006) breuken voorgedaan in de tijdreeksen.

BG, PL, SI: 2001 in plaats van 2000.

CZ, IE, LV, SK, HR: 2002 in plaats van 2000.

SE, HR, IS: 2005 in plaats van 2006.

DEELNAME AAN HET PREPRIMAIR ONDERWIJS

Onderwijsdeelnamepercentage voor vierjarigen, 2000-2005

Image

Deelname van 4-jarigen in %

2000

2004

2005

EU-27

82,8

84,6

85,7

België

99,2

99,9

100

Bulgarije

67,0

72,6

73,2

Tsjechische Republiek

81,0

91,2

91,4

Denemarken

90,6

93,4

93,5

Duitsland

81,4

84,3

84,6

Estland

78,2

83,9

84,2

Ierland

51,1

46,6

45,4

Griekenland

53,9

57,2

57,8

Spanje

99,0

100

99,3

Frankrijk

100

100

100

Italië

100

100

100

Cyprus

55,7

61,2

61,4

Letland

60,6

69,1

72,2

Litouwen

51,0

54,5

56,8

Luxemburg

94,9

83,5

96,3

Hongarije

89,5

92,3

90,7

Malta

1,0

97,5

94,4

Nederland

99,5

74,0

73,4

Oostenrijk

79,5

82,1

82,5

Polen

33,3

35,7

38,1

Portugal

72,3

79,9

84,0

Roemenië

60,3

75,2

76,2

Slovenië

67,7

77,8

75,9

Slowakije

:

71,7

74,0

Finland

41,9

46,1

46,7

Zweden

72,8

87,7

88,9

Verenigd Koninkrijk

100

92,9

91,8

Kroatië

:

42,4

44,7

Turkije

:

3,4

5,0

IJsland

90,9

95,1

95,3

Liechtenstein

:

52,2

50,6

Noorwegen

78,1

86,9

88,9

Japan

94,9

95,2

94,7

Verenigde Staten

61,7

64,1

65,3

Bron: Eurostat (UOE).

De deelname van vierjarigen aan het (in de meeste landen preprimaire, in enkele landen reeds primaire) onderwijs is in de EU-27 tussen 2000 en 2005 met ongeveer drie procentpunten toegenomen tot meer dan 85 %. In 2005 volgden in Frankrijk, België, Italië en Spanje vrijwel alle vierjarigen onderwijs, terwijl de participatie in Ierland, Polen en Finland minder dan 50 % bedroeg.

Aanvullende opmerkingen:

De gegevens hebben zowel betrekking op de deelname aan het preprimair als op de deelname aan het primair onderwijs.

BE: de gegevens betreffende onafhankelijke particuliere instellingen zijn niet meegenomen, maar deze instellingen worden bezocht door een zeer gering aantal kinderen. Gegevens betreffende de Duitstalige gemeenschap ontbreken.

IE: geen officiële vorm van ISCED-niveau 0 onderwijs. Vele kinderen nemen deel aan enigerlei vorm van onderwijs van ISCED-niveau 0, maar voor het merendeel ontbreken de gegevens.

NL: in 2002 is de referentiedatum voor het vergaren van gegevens verschoven van 31 december naar 1 oktober.

FI: gegevens hebben ook betrekking op kinderen in kleuterscholen, maar niet op kinderen in andere vormen van dagverblijven.

OPLEIDINGSNIVEAU VAN DE VOLWASSEN BEVOLKING

Volwassen bevolking (25- tot 64-jarigen) met een voltooide tertiaire opleiding

Image

% volwassenen (25-64) met een voltooide tertiaire opleiding

 

2000

2006

EU-27

19,4

22,9

België

27,1

31,8

Bulgarije

18,4

21,9

Tsjechische Republiek

11,5

13,5

Denemarken

25,8

34,7

Duitsland

23,8

23,9

Estland

28,9

33,3

Ierland

21,6

30,8

Griekenland

16,9

21,5

Spanje

22,5

29,9

Frankrijk

21,6

25,5

Italië

9,6

12,9

Cyprus

25,1

30,5

Letland

18,0

21,1

Litouwen

22,4

26,8

Luxemburg

18,3

24,0

Hongarije

14,0

17,7

Malta

5,4

12,0

Nederland

24,1

39,5

Oostenrijk

14,2

17,6

Polen

11,4

17,9

Portugal

9,0

13,5

Roemenië

9,2

11,7

Slovenië

15,7

21,4

Slowakije

10,2

14,5

Finland

32,6

35,1

Zweden

29,7

30,5

Verenigd Koninkrijk

28,1

30,7

Kroatië

15,4

16,3

IJsland

23,7

29,5

Noorwegen

31,6

33,6

Bron: Eurostat (arbeidskrachtenenquête).

In 2006 had 23 % van de EU-bevolking in de werkzame leeftijd een tertiaire opleiding voltooid, een stijging met meer dan drie procentpunt ten opzichte van 2000. Finland, Denemarken en Estland waren de landen met de meeste afgestudeerden in het tertiair onderwijs, terwijl de percentages in enkele andere lidstaten nog onder de vijftien lagen. In enkele van deze landen was in het recente verleden echter sprake van een aanzienlijke toename van de inschrijvingen in het tertiair onderwijs.

Aanvullende opmerkingen:

Tertiair omvat de ISCED-niveaus 5 en 6.

LT: gegevens hebben niet betrekking op 2000 maar op 2001.

HR: gegevens hebben niet betrekking op 2000 maar op 2002.

INVESTERINGEN IN MENSELIJKE HULPBRONNEN

Totale overheidsuitgaven voor onderwijs uitgedrukt als percentage van het BNP, 2000-2004

Image

Uitgaven voor onderwijs als % van het BNP

Openbaar

Particulier

2000

2003

2004

2004

EU-27

4,68

5,17

5,09

0,64

België

:

6,06

5,99

0,34

Bulgarije

4,19

4,24

4,57

0,65

Tsjechische Republiek

4,04

4,51

4,42

0,61

Denemarken

8,28

8,33

8,47

0,32

Duitsland

4,45

4,71

4,60

0,91

Estland

5,57

5,43

5,09

:

Ierland

4,29

4,41

4,75

0,32

Giekenland

3,71

3,94

4,22

0,20

Spanje

4,28

4,28

4,25

0,61

Frankrijk

5,83

5,88

5,81

0,54

Italië

4,47

4,74

4,59

0,46

Cyprus

5,44

7,30

6,71

1,17

Letland

5,64

5,32

5,08

0,82

Litouwen

5,63

5,18

5,20

0,48

Luxemburg

:

3,80

3,93

:

Hongarije

4,50

5,85

5,43

0,52

Malta

4,52

4,78

4,99

0,46

Nederland

4,86

5,12

5,18

0,50

Oostenrijk

5,66

5,50

5,45

0,39

Polen

4,87

5,62

5,41

0,59

Portugal

5,42

5,61

5,31

0,13

Roemenië

2,88

3,44

3,29

:

Slovenië

:

6,02

5,96

0,86

Slowakije

4,15

4,34

4,21

0,76

Finland

6,08

6,41

6,43

0,13

Zweden

7,31

7,47

7,35

0,20

Verenigd Koninkrijk

4,64

5,38

5,29

0,95

Kroatië

:

4,53

4,50

:

Turkije

3,48

3,74

:

:

IJsland

5,93

7,81

7,59

0,75

Noorwegen

6,81

7,62

7,58

0,05

Japan

3,82

3,70

3,65

1,23

Verenigde Staten

4,94

5,43

5,12

2,37

Bron: Eurostat (UOE). De uitkomsten betreffen het EU-niveau zijn gebaseerd op ramingen van de Commissie. Uitkomsten 2000 geraamd door DG Onderwijs en Cultuur Culture.

Tussen 2000 en 2003 zijn de overheidsuitgaven voor onderwijs, uitgedrukt als percentage van het BNP, in de EU-lidstaten aanzienlijk gestegen. In 2004 kwam er echter een einde aan deze stijgende lijn en was er sprake van een geringe terugval ten opzichte van het voorafgaande jaar. Omdat het BNP in absolute termen gegroeid is, zijn de overheidsuitgaven voor onderwijs desondanks gestegen. Uit de beschikbare gegevens blijkt dat er grote verschillen bestaan in de uitgavenniveaus van de landen.

Aanvullende opmerkingen:

Gegevens betreffen het formeel onderwijs, met inbegrip van het formeel volwassenenonderwijs.

Met „particulier” worden bedoeld de uitgaven uit particuliere bronnen ten behoeve van onderwijsinstellingen.

DK: uitgaven voor postsecundaire niet-tertiaire onderwijsniveaus niet beschikbaar.

EL, LU, PT: toegerekende pensioenuitgaven niet beschikbaar.

CY: met inbegrip van financiële steun voor studenten die in het buitenland studeren.

PL, SK, NO: met inbegrip van uitgaven voor kinderzorg op preprimair niveau.

FR: zonder de Franse overzeese departementen.

HR: uitgaven ten behoeve van onderwijsinstellingen uit openbare bronnen.

LU: uitgaven op tertiair niveau niet inbegrepen.

PT: uitgaven op het plaatselijke overheidsniveau niet meegerekend.

UK, JP, US: aanpassing van het BNP aan het begrotingsjaar, dat niet gelijkloopt met het kalenderjaar.

TR, IS: uitgaven op preprimair niveau niet meegerekend.

TR: uitgaven op regionaal en plaatselijk overheidsniveau niet meegerekend.

US: uitgaven voor onderwijsinstellingen uit openbare bronnen.


(1)  Als gevolg van het ontbreken van unanimiteit onder de OESO-lidstaten heeft Cyprus niet kunnen deelnemen.

(2)  De voor de benchmark-toetsing gebruikte gegevens hebben betrekking op de deelname gedurende een periode van vier weken (arbeidskrachtenenquête 2004). Over een langere periode zou de score hoger zijn uitgevallen. Uit de Eurostat-gegevens van de ad hoc-arbeidskrachtenenquêtemodule betreffende een leven lang leren in 2003 (die betrekking had op een periode van twaalf maanden) bleek dat de deelname 42 % beliep (4,4 % in het formeel onderwijs, 16,5 % in het niet-formeel onderwijs, terwijl bijna een op de drie Europeanen verklaarde de een of andere vorm van informeel onderwijs te hebben gevolgd).


Commissie

5.4.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/32


Inleiding van een procedure

(Zaak COMP/M.4942 — Nokia/Navteq)

(Voor de EER relevante tekst)

(2008/C 86/02)

Op 28 maart 2008 heeft de Commissie besloten in bovengenoemde zaak de procedure in te leiden nadat zij heeft vastgesteld dat er ernstige twijfel bestaat over de verenigbaarheid van de aangemelde concentratie met de gemeenschappelijke markt. De inleiding van de procedure start een tweede fase in het onderzoek naar de aangemelde concentratie, en behoudens de definitieve beschikking in deze zaak. De beschikking is gebaseerd op artikel 6, lid 1, onder c, van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad.

De Commissie verzoekt belanghebbende derden haar hun eventuele opmerkingen ten aanzien van de voorgenomen concentratie kenbaar te maken.

Om met deze opmerkingen in de procedure rekening te kunnen houden dienen deze de Commissie uiterlijk vijftien dagen na dagtekening van deze bekendmaking te hebben bereikt. Zij kunnen de Commissie per fax ((32-2) 296 43 01 of 296 72 44) of per post, onder vermelding van referentie nummer COMP/M.4942 — Nokia/Navteq, aan onderstaand adres worden toegezonden:

Commissie van de Europese Gemeenschappen

DG Concurrentie

Merger Registry

Jozef II-straat 70

B-1000 Brussel


IV Informatie

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN EN ORGANEN VAN DE EUROPESE UNIE

Commissie

5.4.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/33


Wisselkoersen van de euro (1)

4 april 2008

(2008/C 86/03)

1 euro=

 

Munteenheid

Koers

USD

US-dollar

1,5722

JPY

Japanse yen

160,88

DKK

Deense kroon

7,4584

GBP

Pond sterling

0,7855

SEK

Zweedse kroon

9,368

CHF

Zwitserse frank

1,5872

ISK

IJslandse kroon

116,41

NOK

Noorse kroon

7,998

BGN

Bulgaarse lev

1,9558

CZK

Tsjechische koruna

25,035

EEK

Estlandse kroon

15,6466

HUF

Hongaarse forint

257,25

LTL

Litouwse litas

3,4528

LVL

Letlandse lat

0,6972

PLN

Poolse zloty

3,4743

RON

Roemeense leu

3,7145

SKK

Slowaakse koruna

32,431

TRY

Turkse lira

2,0339

AUD

Australische dollar

1,711

CAD

Canadese dollar

1,5822

HKD

Hongkongse dollar

12,2497

NZD

Nieuw-Zeelandse dollar

1,9972

SGD

Singaporese dollar

2,1757

KRW

Zuid-Koreaanse won

1 534,47

ZAR

Zuid-Afrikaanse rand

12,3143

CNY

Chinese yuan renminbi

11,0302

HRK

Kroatische kuna

7,2773

IDR

Indonesische roepia

14 519,27

MYR

Maleisische ringgit

5,0224

PHP

Filipijnse peso

65,325

RUB

Russische roebel

37,037

THB

Thaise baht

49,823

BRL

Braziliaanse real

2,6954

MXN

Mexicaanse peso

16,5757


(1)  

Bron: door de Europese Centrale Bank gepubliceerde referentiekoers.


V Bekendmakingen

BESTUURLIJKE PROCEDURES

Commissie

5.4.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/34


OPROEP TOT HET INDIENEN VAN VOORSTELLEN — DG EAC/14/08

ICI-samenwerkingsprogramma op het gebied van onderwijs — Samenwerking op het gebied van hoger onderwijs en opleiding tussen de Europese Unie, Australië, Japan, Nieuw-Zeeland en de Republiek Korea (1)

(2008/C 86/04)

1.   DOELSTELLINGEN EN BESCHRIJVING

Het algemene doel van de oproep tot het indienen van voorstellen is het begrip en de onderlinge verstandhouding tussen de volkeren in de EU en de partnerlanden Australië, Japan, Nieuw-Zeeland en de Republiek Korea te verbeteren, kennis over elkaars talen, culturen en instellingen te verspreiden, en de kwaliteit van het hoger onderwijs en de beroepsopleiding in de EU en de partnerlanden te verhogen. De oproep tot het indienen van voorstellen ondersteunt de volgende actie:

ICI Gezamenlijke Mobiliteitsprojecten

Deze actie verleent steun aan projecten voor de ontwikkeling van internationale leerplannen, die gepaard gaan met kortetermijnmobiliteit tussen de EU en het ICI-partnerland die niet noodzakelijk verband houdt met de toekenning van een gezamenlijke of duale/dubbele graad.

Consortia die een aanvraag voor een dergelijk project indienen, bestaan uit instellingen voor hoger onderwijs of beroepsopleiding uit de EU en uit het desbetreffende partnerland. Geselecteerde consortia richten een kader op voor studentenmobiliteit waardoor EU-studenten een semester in het partnerland doorbrengen en vice versa met volledige erkenning van de buitenlandse studieperiode door de eigen onderwijsinstelling. De steun omvat mobiliteitsbeurzen voor studenten en docentencorps.

2.   WIE KOMT IN AANMERKING?

In het kader van deze oproep kunnen instellingen voor hoger onderwijs en instellingen voor beroepsonderwijs en -opleiding een subsidieaanvraag indienen. Voor subsidie komen alleen aanvragers in aanmerking die in een van de zevenentwintig lidstaten van de Europese Unie gevestigd zijn.

3.   BEGROTING EN DUUR VAN DE PROJECTEN

Voor de medefinanciering van de projecten is een budget van zo'n 2,5 mln EUR beschikbaar. Verwacht wordt dat steun zal verleend worden aan vier tot vijf projecten EU-Australië, twee tot drie projecten EU-Japan, één project EU-Nieuw-Zeeland en een tot twee projecten EU-Korea.

Het maximumbedrag voor financiering door de EU beloopt 425 000 EUR voor een driejarig gezamenlijk mobiliteitsproject dat betrekking heeft op vier of meer EU partnerinstellingen. De duur van het gezamenlijk mobiliteitsproject is drie jaar.

4.   TERMIJN

De aanvragen moeten uiterlijk op 6 juni 2008 bij de Commissie worden ingediend.

5.   VERDERE INFORMATIE

De volledige tekst van de oproep tot het indienen van voorstellen en de aanvraagformulieren zijn te vinden op de volgende website:

http://ec.europa.eu/education/programmes/calls/callg_en.html

Voor meer informatie kunt u schrijven naar: eac-3C-cooperation@ec.europa.eu


(1)  In alfabetische volgorde.


PROCEDURES IN VERBAND MET DE UITVOERING VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK MEDEDINGINGSBELEID

Commissie

5.4.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/36


Voorafgaande aanmelding van een concentratie

(Zaak COMP/M.5128 — Nordic Capital/TietoEnator)

(Voor de EER relevante tekst)

(2008/C 86/05)

1.

Op 28 maart 2008 ontving de Commissie een aanmelding van een voorgenomen concentratie in de zin van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (1) waarin is medegedeeld dat de ondernemingen Nordic Capital VI Limited en Nordic Capital VII Limited, die deel uitmaken van het Nordic Capital-concern („Nordic Capital”, Jersey), in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van genoemde verordening de volledige zeggenschap verkrijgen over de onderneming TietoEnator Oyj („TietoEnator”, Finland) door een op 20 maart 2008 aangekondigd openbaar overnamebod.

2.

De bedrijfswerkzaamheden van de betrokken ondernemingen zijn:

voor Nordic Capital: investeringsfondsen. Tot haar portefeuillemaatschappijen behoort Aditro (Zweden), dat IT-diensten en bedrijfsapplicatiesoftware levert;

voor TietoEnator: IT-diensten.

3.

Op grond van een voorlopig onderzoek is de Commissie van oordeel dat de aangemelde concentratie binnen het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 139/2004 kan vallen. Ten aanzien van dit punt wordt de definitieve beslissing echter aangehouden.

4.

De Commissie verzoekt belanghebbende derden haar hun eventuele opmerkingen ten aanzien van de voorgenomen concentratie kenbaar te maken.

Deze opmerkingen moeten de Commissie uiterlijk 10 dagen na dagtekening van deze bekendmaking hebben bereikt. Zij kunnen per fax ((32-2) 296 43 01 of 296 72 44) of per post, onder vermelding van referentienummer COMP/M.5128 — Nordic Capital/TietoEnator, aan onderstaand adres worden toegezonden:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Concurrentie

Griffie Fusiezaken

J-70

B-1049 Brussel


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1.


5.4.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/37


Voorafgaande aanmelding van een concentratie

(Zaak COMP/M.5118 — P7S1/United Internet/Maxdome JV)

Zaak die in aanmerking komt voor de vereenvoudigde procedure

(Voor de EER relevante tekst)

(2008/C 86/06)

1.

Op 28 maart 2008 ontving de Commissie een aanmelding van een voorgenomen concentratie in de zin van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 139/2004 (1) van de Raad waarin is medegedeeld dat de ondernemingen SevenSenses GmbH („SevenSenses”, Duitsland), een dochteronderneming van ProSiebenSat.1 Media AG („P7S1”, Duitsland), die onder zeggenschap staat van Kohlberg Kravis Roberts & Co. („KKR”, Verenigde Staten) en Permira Holdings Limited („Permira”, Kanaaleilanden), en 1&1 Internet AG („1&1”, Duitsland), een dochteronderneming van United Internet AG („United Internet”, Duitsland), in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van genoemde verordening gezamenlijk zeggenschap verkrijgen over een nieuw opgerichte onderneming Maxdome GmbH & Co. KG („Maxdome JV”, Duitsland) die een gezamenlijke onderneming is, door de aankoop van aandelen.

2.

De bedrijfswerkzaamheden van de betrokken ondernemingen zijn:

SevenSenses: betaaltelevisie en video-op-verzoek;

P7S1: vrij toegankelijke televisie;

Permira: private-equityfonds;

KKR: private-equityonderneming;

1&1: aanbieder van internetdiensten;

United Internet: internetdiensten;

Maxdome JV: video-op-verzoek.

3.

Op grond van een voorlopig onderzoek is de Commissie van oordeel dat de aangemelde concentratie binnen het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 139/2004 kan vallen. Ten aanzien van dit punt wordt de definitieve beslissing echter aangehouden. Overeenkomstig de mededeling van de Commissie betreffende een vereenvoudigde procedure voor de behandeling van bepaalde concentraties krachtens Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (2) moet worden opgemerkt dat deze zaak in aanmerking komt voor deze procedure.

4.

De Commissie verzoekt belanghebbende derden haar hun eventuele opmerkingen ten aanzien van de voorgenomen concentratie kenbaar te maken.

Deze opmerkingen moeten de Commissie uiterlijk 10 dagen na dagtekening van deze bekendmaking hebben bereikt. Zij kunnen per fax ((32-2) 296 43 01 of 296 72 44) of per post, onder vermelding van referentienummer COMP/M.5118 — P7S1/United Internet/Maxdome JV, aan onderstaand adres worden toegezonden:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Concurrentie

Griffie Fusiezaken

J-70

B-1049 Brussel


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1.

(2)  PB C 56 van 5.3.2005, blz. 32.


5.4.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/38


Mededeling van de Franse regering in verband met Richtlijn 94/22/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de voorwaarden voor het verlenen en het gebruik maken van vergunningen voor de prospectie, de exploratie en de productie van koolwaterstoffen (1)

(Bericht betreffende de aanvraag voor een exclusieve opsporingsvergunning voor vloeibare of gasvormige koolwaterstoffen genaamd „Permis du Valenciennois”)

(Voor de EER relevante tekst)

(2008/C 86/07)

Bij verzoek van 2 oktober 2007 heeft de onderneming Gazonor, waarvan de hoofdzetel gevestigd is te 2, Avenue de la fosse, F-62420 Billy-Montigny, voor een duur van vijf jaar een exclusieve vergunning aangevraagd voor de opsporing van vloeibare of gasvormige koolwaterstoffen, genaamd „Permis du Valenciennois”, met een oppervlakte van ongeveer 423 km2, gelegen in een deel van het departement Nord.

Het gebied waarop deze aanvraag betrekking heeft, heeft een omtrek die wordt gevormd door de meridianen en breedtecirkels die de hoekpunten met de volgende geografische coördinaten met elkaar verbinden, uitgaande van de meridiaan van Parijs.

Hoekpunten

Lengte

Breedte

A

1,10° O

56,10° N

B

Snijpunt van de Frans-Belgische grens met de breedtecirkel 56,10° N

C

Snijpunt van de Frans-Belgische grens met de breedtecirkel 56,10° N

D

Snijpunt van de Frans-Belgische grens met de breedtecirkel 56,10° N

E

Snijpunt van de Frans-Belgische grens met de meridiaan 1,50° O

F

1,50° O

55,90° N

G

1,21° O

55,90° N

H

1,21° O

55,91° N

I

1,25° O

55,91° N

J

1,25° O

55,93° N

K

1,21° O

55,93° N

L

1,21° O

55,97° N

M

1,10° O

55,97° N

B tot C

:

Frans-Belgische grens

D tot E

:

Frans-Belgische grens

Indiening van aanvragen en criteria voor het verlenen van de vergunning

De indieners van de oorspronkelijke aanvraag en ondernemingen die aanvragen om eveneens in aanmerking te komen moeten voldoen aan de voorwaarden als omschreven in de artikelen 4 en 5 van Besluit nr. 2006-648 van 2 juni 2006 inzake mijnbouwtitels en vergunningen voor ondergrondse opslag (Staatsblad van de Franse Republiek van 3 juni 2006).

Geïnteresseerde bedrijven kunnen binnen een termijn van negentig dagen na de publicatie van deze mededeling verzoeken eveneens in aanmerking te komen voor deze vergunning, waarbij de procedure dient te worden gevolgd die is vermeld in de „Mededeling inzake het verkrijgen van mijnbouwtitels voor koolwaterstoffen in Frankrijk”, gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen C 374 van 30 december 1994, blz. 11, en vastgesteld bij Besluit nr. 2006-648 inzake mijnbouwtitels en vergunningen voor ondergrondse opslag. De aanvragen om eveneens in aanmerking te komen moeten worden gericht aan de minister belast met het mijnwezen op het onderstaande adres.

Besluiten inzake de oorspronkelijke aanvraag en de aanvragen om eveneens in aanmerking te komen worden genomen op basis van de criteria voor het verlenen van mijnbouwconcessies als omschreven in artikel 6 van bovengenoemd besluit, en wel uiterlijk op 24 oktober 2009.

Voorwaarden en eisen betreffende de uitoefening en beëindiging van de opsporingsactiviteit

De aandacht van ondernemingen met belangstelling wordt gevestigd op de artikelen 79 en 79.1 van de mijnbouwcode en op Besluit nr. 2006-649 van 2 juni 2006 betreffende de uitoefening van mijnbouwwerkzaamheden, werkzaamheden voor ondergrondse opslag en de politie voor mijnbouw en ondergrondse opslag (Staatsblad van de Franse Republiek van 3 juni 2006).

Nadere informatie kan worden verkregen op het volgende adres: Ministère de l'écologie, du développement et de l'aménagement durables (Direction générale de l'énergie et des matières premières, direction des ressources énergétiques et minérales, bureau de la législation minière), 61, boulevard Vincent Auriol, Télédoc 133, F-75703 Parijs Cedex 13 [tel. (33) 144 97 23 02, fax (33) 144 97 05 70].

Alle bovengenoemde wettelijke en administratieve bepalingen kunnen worden geraadpleegd op de website:

http://www.legifrance.gouv.fr


(1)  PB L 164 van 30.6.1994, blz. 3.