ISSN 1725-2474

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 305

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

50e jaargang
15 december 2007


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

III   Voorbereidende handelingen

 

COMITÉ VAN DE REGIO'S

 

71e plenaire zitting op 10 en 11 oktober 2007

2007/C 305/01

Advies van het Comité van de Regio's over het Energiepakket

1

2007/C 305/02

Advies van het Comité van de Regio's over het

6

2007/C 305/03

Advies van het Comité van de Regio's over De toekomst van de Europese luchthavens

11

2007/C 305/04

Advies van het Comité van de Regio's over De wereldwijde klimaatverandering beperken tot 2 graden Celsius en Het opnemen van de luchtvaart in de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten

15

2007/C 305/05

Advies van het Comité van de Regio's over Lokaal en regionaal bestuur in Oekraïne en de ontwikkeling van de samenwerking tussen de EU en Oekraïne

20

2007/C 305/06

Advies van het Comité van de Regio's over De Europese onderzoeksruimte: Nieuwe perspectieven

25

2007/C 305/07

Verkennend advies van het Comité van de Regio's over Succesfactoren bij het anticiperen op en begeleiden van herstructureringen in steden en regio's

30

2007/C 305/08

Advies van het Comité van de Regio's over Pakket beter wetgeven 2005-2006

38

2007/C 305/09

Advies van het Comité van de Regio's over de Toepassing van de algehele aanpak op migratie aan de zuidelijke maritieme grenzen van de Europese Unie en aan de grensregio's ten oosten en zuidoosten van de Europese Unie

43

2007/C 305/10

Verkennend advies van het Comité van de Regio's over de Migrantenvrouwen in de Europese Unie

48

2007/C 305/11

Advies van het Comité van de Regio's over Gelijke kansen en sport

53

NL

 


III Voorbereidende handelingen

COMITÉ VAN DE REGIO'S

71e plenaire zitting op 10 en 11 oktober 2007

15.12.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 305/1


Advies van het Comité van de Regio's over het „Energiepakket”

(2007/C 305/01)

Lokale en regionale overheden zijn van cruciaal belang voor het welslagen van Europese initiatieven. Europese wetgeving wordt op lokaal en regionaal niveau toegepast; de verantwoordelijken ter plaatse en de burgers dienen het energieverbruik met hun gedrag duurzaam te beïnvloeden.

Het energiebeleid en het klimaatbeschermingsbeleid hangen nauw samen en moeten op elkaar worden afgestemd; 80 % van alle CO2-emissies in Europa komt namelijk op het conto van de energieproductie. Maatregelen die op het gebied van klimaatbeleid worden voorgesteld, zullen dus absoluut ook consequenties moeten hebben voor het energiebeleid, en andersom geldt hetzelfde. Een op het milieu en meer efficiëntie gericht energiebeleid is per definitie ook altijd klimaatbeleid.

Het CvdR schaart zich achter het streven van de Commissie om administratieve belemmeringen, unfaire voorwaarden voor netwerktoegang (bijv. discriminatie van leveranciers van duurzame energie) en complexe procedures onverwijld af te schaffen.

De Commissie dient passende maatregelen te nemen om marktconcentraties te voorkomen en een grote verscheidenheid aan marktdeelnemers (gemeentebedrijven) te stimuleren.

Het CvdR staat achter de doelstelling van de EU om in 2020 dankzij meer energie-efficiëntie 20 % energie te besparen. Het zou een goede zaak zijn als deze doelstelling een bindend karakter kreeg.

Energie-efficiëntie staat centraal in het Europese energiebeleid en moet bij alle discussies de hoogste prioriteit krijgen.

Het CvdR betwijfelt of CCS-technologieën (CCS = koolstofvastlegging en -opslag) in aanmerking kunnen komen als oplossingen voor de lange termijn, aangezien het rendement van centrales er hevig onder te lijden heeft en ze naar de huidige maatstaven economisch niet erg efficiënt zijn. Maar uit mondiaal perspectief kan de CCS-strategie wel een voorlopige oplossing vormen.

Referentiedocumenten

Mededeling van de Commissie aan de Europese Raad en het Europees Parlement „Een energiebeleid voor Europa”

COM(2007) 1 final

Mededeling van de Commissie aan de Europese Raad en het Europees Parlement „Vooruitzichten voor de interne gas- en elektriciteitsmarkt”

COM(2006) 841 final

Mededeling van de Commissie aan de Europese Raad en het Europees Parlement „Duurzame elektriciteitsproductie met behulp van fossiele brandstoffen — Naar bijna-nulemissie bij de verbranding van steenkool vanaf 2020”

COM(2006) 843 final

Mededeling van de Commissie aan de Europese Raad en het Europees Parlement „Voortgangsverslag inzake biobrandstoffen — Verslag over de vooruitgang die in de lidstaten van de Europese Unie met het gebruik van biobrandstoffen en andere hernieuwbare brandstoffen is geboekt”

COM(2006) 845 final

Mededeling van de Commissie aan de Europese Raad en het Europees Parlement „Prioritair interconnectieplan”

COM(2006) 846 final

Mededeling van de Commissie aan de Europese Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's „Naar een Europees strategisch plan voor energietechnologie”

COM(2006) 847 final

Mededeling van de Commissie aan de Europese Raad en het Europees Parlement „Routekaart voor hernieuwbare energie — Hernieuwbare energiebronnen in the 21ste eeuw: een duurzamere toekomst opbouwen”

COM(2006) 848 final

Mededeling van de Commissie aan de Europese Raad en het Europees Parlement „Follow-upacties bij het Groenboek — Voortgangsverslag over het gebruik van hernieuwbare elektriciteit”

COM(2006) 849 final

Rapporteur

:

de heer VÖGERLE (AT/PSE), burgemeester van Gerasdorf bei Wien

Beleidsaanbevelingen

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S wijst op het volgende

Inleiding

1.

Energie is een belangrijke pijler van de moderne samenleving. Haperingen en knelpunten in de energievoorziening hebben dan ook ingrijpende gevolgen en brengen de economie zware schade toe. Ook uit het oogpunt van de lokale en regionale overheden is het gemeenschappelijke Europese energiebeleid, met als doelstellingen voorzieningszekerheid, duurzaamheid en concurrentievermogen, daarom van groot belang. Om deze doelstellingen te verwezenlijken is een uitgebalanceerde energiemix geboden.

2.

Lokale en regionale overheden zijn van cruciaal belang voor het welslagen van Europese initiatieven. Europese wetgeving wordt op lokaal en regionaal niveau toegepast; de verantwoordelijken ter plaatse en de burgers dienen het energieverbruik met hun gedrag duurzaam te beïnvloeden.

3.

De bevoegde Europese instellingen, en dan met name de Commissie, doen er daarom goed aan om in het kader van de implementatie van het „energiepakket” de belangrijke rol van de decentrale overheden bij de uitvoering van het energiebeleid terdege in aanmerking te nemen.

4.

Het energiebeleid en het klimaatbeschermingsbeleid hangen nauw samen en moeten op elkaar worden afgestemd; 80 % van alle CO2-emissies in Europa komt namelijk op het conto van de energieproductie. Maatregelen die op het gebied van klimaatbeleid worden voorgesteld, zullen dus absoluut ook consequenties moeten hebben voor het energiebeleid, en andersom geldt hetzelfde. Een op het milieu en meer efficiëntie gericht energiebeleid is per definitie ook altijd klimaatbeleid.

5.

Bij het verwezenlijken van de Europese doelstellingen speelt de bewuste consument een doorslaggevende rol. Consumenten moeten daarom in alle discussies centraal staan. Vooral de sociaal zwakkere groepen in de samenleving worden altijd zwaar getroffen door verhogingen van energieprijzen. Omwille van de duurzaamheid en van een samenhangend klimaatbeleid zou de overheid daarom niet louter financiële steun moeten bieden, maar ook moeten investeren in voorlichting en energie-efficiëntie.

Interne markt

6.

De liberalisering van de gas- en elektriciteitsmarkt heeft niet in alle lidstaten tot de verwachte resultaten geleid: de prijzen zijn niet overal gedaald en sommige energiebedrijven hebben nog steeds een monopoliepositie. Bovendien loopt de voorzieningszekerheid gevaar doordat er te weinig geïnvesteerd is in krachtcentrales en netwerken, met name in duurzame energe en in lokale netten en energievoorzieningsmethoden. Als dit zo doorgaat, zullen er knelpunten in de energievoorziening ontstaan.

7.

De Commissie zou elektriciteitscentrales en netwerkexploitanten moeten stimuleren om weer (net als voor de liberalisering) te gaan investeren in uitbreidingen. De bouw van lokale en regionale energie-installaties zou wat dit betreft een stap in de goede richting kunnen zijn, waarbij lokale en regionale gegevens als uitgangspunt moeten dienen.

8.

Het CvdR schaart zich achter het streven van de Commissie om administratieve belemmeringen, unfaire voorwaarden voor netwerktoegang (bijv. discriminatie van leveranciers van duurzame energie) en complexe procedures onverwijld af te schaffen.

9.

Het CvdR is voor een flexibele ontkoppeling („unbundling”); een vennootschapsrechtelijke scheiding (met een sterke toezichthouder) volstaat daartoe.

10.

De Commissie dient passende maatregelen te nemen om marktconcentraties te voorkomen en een grote verscheidenheid aan marktdeelnemers (inclusief gemeentebedrijven) te stimuleren.

11.

Door uitbreiding van de transnationale netwerken krijgen lokale en regionale overheden (bijvoorbeeld bij het inkopen van energie) meer armslag.

12.

Er moeten geen nieuwe administratieve structuren worden opgezet (zoals die van een Europese „regelgevende instantie voor energie”), omdat de nationale regelgevende overheden heel goed in staat zijn de door de Commissie voorgestelde en door de Europese Raad bekrachtigde doelstellingen te bereiken.

13.

De Commissie zou erop moeten toezien dat krachtcentrales, in het kader van de toewijzingsplannen, voor de geplande productie van een bepaalde hoeveelheid warmte en stroom niet meer emissierechten krijgen dan een gas- en stoomkrachtcentrale met warmtekrachtkoppeling voor dezelfde hoeveelheid ontvangt. Daarmee zou de EU in haar streven om de elektriciteitsproductie energie-efficiënter te maken een duidelijk signaal afgeven.

Energie-efficiëntie

14.

Het CvdR staat achter de doelstelling van de EU om in 2020 dankzij meer energie-efficiëntie 20 % energie te besparen. Het zou een goede zaak zijn als deze doelstelling een bindend karakter kreeg.

15.

Energie-efficiëntie staat centraal in het Europese energiebeleid en moet bij alle discussies de hoogste prioriteit krijgen.

16.

De bevoegde Europese instellingen, de Commissie voorop, zouden onder andere wat de volgende onderwerpen betreft voor goede randvoorwaarden moeten zorgen:

zuinige voertuigen;

strenge normen voor en betere certificering van (huishoudelijke) apparaten, met name ook een uitschakelbare stand-by-functie;

zo laag mogelijk energieverbruik of een passief huisstandaard in nieuwe gebouwen;

internalisering van externe kosten via consequente kostenberekeningen voor de hele levenscyclus resp. de hele productie- en handelskolom van producten en diensten bij overheidsopdrachten;

EIB-leningen voor energie-efficiëntieprogramma's van lokale en regionale overheden, en

subsidies voor energie-efficiëntie in het kader van de groepsvrijstellingsverordening.

17.

Lokale en regionale overheden nemen veel maatregelen die belangrijk zijn voor het welslagen van Europese initiatieven, zoals op het gebied van:

regionale ontwikkeling met oog voor energie-aspecten;

steunprogramma's voor energiezuinige maatregelen (bijvoorbeeld sanering van gebouwen, vervanging van verouderde verlichting, vernieuwing van huishoudelijke apparaten);

steunprogramma's voor duurzame energiebronnen;

bouwnormen die strenger zijn dan de gebouwenrichtlijn;

ruimtelijke ordening;

vervoer (OV-aanbod, fietspaden);

parkeerbeheer, met het doel om het autoverkeer in de stad terug te dringen en bijv. het gebruik van carpooling en milieuvriendelijkere schone auto's te bevorderen;

energie-adviezen voor bedrijven;

promotie, campagnes, voorlichting (bijvoorbeeld concrete aanwijzingen voor het besparen van energie in huis, bij het autorijden);

voorbeeldwerking (energiebesparing door de overheid) en opleiding van eigen personeel;

gebruikmaking van overheidsopdrachten om de energie-efficiency van goederen en diensten te verbeteren.

18.

Voor de uitwisseling van goede praktijken op lokaal en regionaal niveau zouden meer EU-middelen, bijvoorbeeld in het kader van het programma „Intelligente energie voor Europa”, moeten worden vrijgemaakt.

19.

De Commissie zou er goed aan doen de doelstelling op het gebied van energie-efficiëntie vast te leggen op een geaggregeerd niveau (bedoeld wordt het energieverbruik van de gehele economie). Dit zou de lidstaten meer speelruimte bieden bij het kiezen van maatregelen om hun doelstellingen te verwezenlijken, waarbij bijv. kan worden gedacht aan maatregelen die gericht zijn op het stroomverbruik van apparaten en op de industriële structuur van de (regionale) economie.

Duurzame energie

20.

Het CvdR staat achter de bindende doelstelling om in 2020 20 % van het totale energieverbruik te dekken met duurzame energie.

21.

Het sociaal-economische belang van lokale energiebronnen en hun grote betekenis voor de voorzieningszekerheid en een efficiënte transmissie staat vast. Bij de bevordering van duurzame energiedragers moet gekeken worden naar de geografische, klimatologische en economische randvoorwaarden. De lokale en regionale overheden kunnen in dit verband een grote rol spelen door lokale en duurzame energiebronnen te promoten en beschikbaar te maken.

22.

Bij de vaststelling en planning van de streefcijfers voor duurzame energie moet men vooral oog hebben voor verwarming en koeling, en wel in het bijzonder voor de gecombineerde productie van elektriciteit, warmte en koude.

23.

Alle maatregelen dienen in het teken van duurzaamheid te staan. Landen die reeds vroegtijdig in biomassa als energiebron hebben geïnvesteerd, kunnen nu al een groot deel van hun energiebehoefte daarmee afdekken. Vaak is echter het probleem dat de regionaal beschikbare hoeveelheden (bijv. hout) ontoereikend zijn en dat de biobrandstoffen van ver moeten worden aangevoerd. Het mag duidelijk zijn dat de duurzame energie dan een stuk minder duurzaam wordt. De aandacht moet in dergelijke gevallen uitgaan naar minder energie-intensieve vormen van vervoer.

24.

Lidstaten die slechts over beperkte mogelijkheden beschikken om energie op basis van hernieuwbare grondstoffen te produceren, zou de kans moeten worden geboden om hun doelstellingen inzake duurzame energie te verwezenlijken via handel, hetzij in het kader van een EU-certificaatsysteem voor groene energie, hetzij d.m.v. bilaterale akkoorden met andere landen die over een ruimere voorraad duurzame energie beschikken. Het doel is om de totale met de verwezenlijking van de doelstellingen inzake duurzame energie samenhangende kosten omlaag te brengen.

25.

De Commissie en de lidstaten zouden verplicht moeten stellen dat de lokale en regionale autoriteiten worden gehoord bij het opstellen van nationale actieplannen voor duurzame energiebronnen.

Biobrandstoffen

26.

Het CvdR staat achter de bindende doelstelling om in 2020 10 % van het totale brandstofverbruik te dekken met biobrandstoffen, mits deze duurzaam kunnen worden geproduceerd.

27.

Het is van groot belang dat met verschillende energiebronnen en verschillende soorten biomassa wordt gewerkt.

28.

Het is zaak om bij het klimaatbeleid te kijken naar de internationale context en het gebruik van de verschillende soorten biobrandstof te bevorderen o.g.v. hun milieu- en klimaatprestaties vanuit een levenscyclusperspectief, waarbij tevens rekening moet worden gehouden met zaken als productiemethodes, vervoer e.d. Naast het stimuleren van een eigen efficiënte Europese productie kan de import uit derde landen van betekenis zijn. In dit verband dienen, onafhankelijk van het soort biobrandstof en de verwerkte gewassen, milieuvriendelijke en energie-efficiënte productiemethoden te worden gesteund.

29.

Maatregelen om de productie van biobrandstoffen in derde landen te stimuleren staan haaks op het streven om minder afhankelijk te worden van ingevoerde energie en maken de EU alleen maar afhankelijker. Import uit derde landen dient van ondergeschikt belang te zijn en zo te gebeuren dat er oog is voor de levenscyclus van verschillende biobrandstoffen en dus gelet wordt op hun duurzaamheid en energie-efficiëntie.

30.

Bovendien dienen de biobrandstoffen zelf op een duurzame manier te worden geproduceerd om biodiversiteitsverlies te voorkomen. Vermeden moet worden dat grootschalige monoculturen voor biobrandstoffen (intensieve teelt van één gewas in een groot gebied) plaatselijke ecosystemen buitensporig ontwrichten.

31.

Bij de import van grondstoffen voor bio-energie zou men zich moeten houden aan een duurzaamheidscode. Door wat dit betreft eisen aan haar handelspartners te stellen zou de EU steun kunnen bieden aan milieuvriendelijke en sociaal rechtvaardige economische praktijken, waarmee de vernietiging van belangrijke habitats wordt tegengegaan. De internationale discussie hierover en de ontwikkeling van de desbetreffende regelgeving zouden meteen moeten beginnen.

Gebruik van steenkool

32.

Het CvdR betwijfelt of CCS-technologieën (CCS = koolstofvastlegging en -opslag) in aanmerking kunnen komen als oplossingen voor de lange termijn, aangezien het rendement van centrales er hevig onder te lijden heeft en ze naar de huidige maatstaven economisch niet erg efficiënt zijn. Maar uit mondiaal perspectief kan de CCS-strategie wel een voorlopige oplossing vormen.

33.

Er moet meer worden gedaan aan O&O betreffende CCS-technologie.

34.

Zodra CCS-technologieën rijp zijn voor commerciële toepassingen moet er bij de besluitvorming over de bouw van nieuwe kolencentrales de nodige aandacht naar uitgaan.

Energietechnologie

35.

De huidige inspanningen op dit gebied zijn ontoereikend. Bovendien gaat het om een traag systeem, waardoor het vaak decennia duurt voordat nieuwe technologieën daadwerkelijk in de praktijk kunnen worden gebracht.

36.

Daarom verzoekt het Comité om meer middelen vrij te maken voor het Kaderprogramma onderzoek, technologie en demonstratie en voor het project „Intelligente energie voor Europa”. Juist door nieuwe technologie op regionaal en lokaal niveau te demonstreren, worden de mensen bewuster gemaakt en worden werknemers de gewenste vaardigheden bijgebracht. Het is van belang dat ook kleinere particuliere ondernemingen en actoren uit de openbare sector toegang hebben tot de middelen die bestemd zijn voor O&TO.

37.

Verder biedt ontwikkeling van geavanceerde technologie ook uitzicht op bijkomende exportmogelijkheden, met alle positieve werkgelegenheidseffecten van dien.

Internationale samenwerking

38.

Alleen grootschalige en grensoverschrijdende samenwerking, alsmede energie- en klimaatbeschermingsovereenkomsten met als doel een duurzaam milieu, een hogere energie-efficiëntie en een laag energieverbruik, hebben op de korte en lange termijn kans van slagen en zullen voor de huidige en de komende generaties binnen en buiten de EU van nut zijn.

39.

Technische steun aan landen buiten de EU mag er nooit toe leiden dat producten of productiemethoden die hier als verouderd gelden of verboden zijn, al dan niet gratis naar derde landen worden uitgevoerd. Daarbij moet ervoor worden gezorgd dat de desbetreffende criteria voor alle bestuursniveaus (EU, nationaal, regionaal en lokaal) en alle organen (inclusief de EIB) gelden.

Sociale dimensie

40.

De Commissie zou er beter voor moeten zorgen dat in de EU best practices op het gebied van energiebesparing als voorbeeld worden gebruikt en dat deze, samen met Europese initiatieven en inspanningen van de EU, ook buiten de EU gepromoot worden.

41.

Voor decentrale overheden is het maar op een aantal gebieden en in zeer beperkte mate mogelijk om de prijsstructuur van energie te beïnvloeden. Echte kansen doen zich voor als ze op grote schaal gebruik kunnen maken van hun eigen energiebronnen, mits deze qua kosten kunnen concurreren met andere energiebronnen op de vrije markt. Daarnaast kan men proberen om de bevolking door bewustmakingscampagnes te verzoenen met de hogere kosten die voortvloeien uit het gebruik van duurzame energie. Het nut van eindeloos voortdurende subsidies (voor energiekosten, voor stookkosten) moet in twijfel worden getrokken, omdat die de consument meestal niet tot een andere gedrag aanzetten. Er is veel meer te zeggen voor energie-efficiëntiemaatregelen, die zowel tot lagere kosten als tot een hogere levenskwaliteit leiden. Dit moeten maatregelen zijn als toegang voor de consument tot informatie over zijn energieverbruik (slimme meters) en toegang voor lokale en regionale overheden tot informatie over het energieverbruik in een bepaald gebied, zodat zij doelgericht maatregelen nemen en ondersteuning verlenen kunnen. Dat laatste om te voorkomen dat mensen met een laag inkomen de dupe van genomen maatregelen worden („energiearmoede”).

42.

De steeds grotere vraag naar energiegrondstoffen baart het CvdR zorgen, omdat de prijzen van levensmiddelen hierdoor enorm stijgen. Een uitgebreide analyse van de energiemarkt en van de te verwachten vraag naar grondstoffen voor bio-energie is dan ook geboden, met name om een beeld te krijgen van de gevolgen voor de levensmiddelensector, óók in de kleinere regio's.

Brussel, 10 oktober 2007.

De voorzitter

van het Comité van de Regio's

M. DELEBARRE


15.12.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 305/6


Advies van het Comité van de Regio's over het

„Jaarverslag van de zes Europese TEN-T-coördinatoren” en

„Trans-Europese netwerken: Naar een geïntegreerde aanpak”

„Uitbreiding van de belangrijkste trans-Europese vervoersassen”

(2007/C 305/02)

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S WIJST OP HET VOLGENDE

De TEN-T-netwerken, die een aanzienlijke bijdrage leveren tot de verwezenlijking van de Lissabonstrategie, zijn van cruciaal belang.

De coördinatoren kunnen een cruciale rol vervullen wanneer het erop aankomt de lidstaten ervan te overtuigen dat voor elk deel van een TEN-T-as dat zich op hun grondgebied bevindt, dezelfde parameters moeten worden gehanteerd; daarom verzoekt het Comité de Commissie te bepalen dat een lidstaat enkel Europese financiële steun kan ontvangen als hij zich hiermee akkoord verklaart.

De Europese Commissie zou een tandje kunnen bij zetten om te komen tot een netwerk van de verschillende lokale en regionale actoren die bij de prioritaire TEN-T-projecten betrokken zijn, b.v. d.m.v. een jaarlijks forum. Het Comité van de Regio's is bereid in dit verband met de Commissie samen te werken.

Opnieuw wordt met spijt vastgesteld hoe groot de kloof is tussen het in deze mededeling nogmaals onderstreepte kapitale belang van de TEN-netwerken voor de Unie, de beslissende rol die een financiële stimulans van de Unie kan spelen, en de erg beperkte middelen die worden toegekend, zelfs als deze op de grensoverschrijdende trajecten en de knelpunten worden toegespitst. Daarom wordt er nogmaals op gewezen dat alle beschikbare communautaire financieringsbronnen op elkaar moeten worden afgestemd.

Het is belangrijk dat de vervoersassen tot voorbij de grenzen van de Europese Unie worden doorgetrokken, zodat het personenverkeer en de goederenhandel niet alleen tot de buurlanden, maar tot de rest van de wereld worden uitgebreid.

Referentieteksten

Jaarverslag van de zes Europese coördinatoren over de vorderingen bij bepaalde projecten van het trans-Europees vervoersnetwerk

COM(2006) 490 final

Trans-Europese netwerken: Naar een geïntegreerde aanpak

COM(2007) 135 final

Uitbreiding van de belangrijkste trans-Europese vervoersassen naar de buurlanden

COM(2007) 32 final

Rapporteur

:

de heer SOULAGE (FR/PSE) — Eerste vicevoorzitter van de regioraad Rhône-Alpes

Politieke aanbevelingen

A.   TEN-T-netwerken

Algemene aanbevelingen

1.

De TEN-T-netwerken, die een aanzienlijke bijdrage leveren tot de verwezenlijking van de Lissabonstrategie, zijn van cruciaal belang. Doordat zij het vrij verkeer van goederen en personen bevorderen, versterken zij de territoriale samenhang en het concurrentievermogen van de regio's. Aangezien de Europese burgers van de betrokken regio's de impact van de TEN-T-netwerken in hun dagelijks leven zullen voelen, kan de Europese Unie hierdoor alleen maar aan legitimiteit winnen.

Aanbevelingen betreffende de verslagen van de coördinatoren

2.

De coördinatoren verdienen een pluim voor hun efficiënte inspanningen om de uitvoering van de prioritaire TEN-T-projecten vlotter te laten verlopen. Hiermee hebben zij het belang van hun taak afdoende bewezen.

3.

Dankzij het werk van de coördinatoren en de informatie die de Commissie hieruit put, verloopt de uitvoering van de projecten op een zeer transparante manier. Hopelijk wordt de dialoog tussen het Comité van de Regio's en de Commissie voortgezet, want talrijke regio's hebben rechtstreeks te maken met de investeringen op hun grondgebied,

4.

Een aantal positieve gevolgen van de acties van de coördinatoren verdient speciale vermelding:

Een betere kennis van de projecten en van de werkelijke stand van zaken, wat helpt om de juiste keuzes te maken bij de toewijzing van TEN-T-middelen.

Een merkbare verbetering van de coördinatie tussen de verschillende actoren (met name voor de grensoverschrijdende trajecten, waarvan men weet dat ze het moeilijkst te verwezenlijken zijn) en bijgevolg meer efficiëntie bij het vooronderzoek en de projectdefiniëring, vooral waar er nog geen formele internationale structuur bestond (bv. tussen Slovenië en Italië).

De toewijzing van elk project aan één persoon, wat er in het geval van grensoverschrijdende projecten toe bijdraagt dat de veelal complexe werkzaamheden van IGC's vlotter verlopen, dat aan het project meer belang wordt toegekend en dat de EU onafhankelijker kan handelen bij de promotie of verdediging van het project (zoals b.v. in het geval van commissaris de Palacio en de verbinding tussen Lyon en Turijn).

5.

Ook de coördinatie tussen de ministeries van één en hetzelfde land is beter verlopen sinds een externe waarnemer hierop toezicht houdt.

6.

De Commissie meent terecht dat de aan de grensoverschrijdende projecten toegekende middelen voldoende groot moeten zijn (om een kritieke massa te bereiken, wat volgens de coördinatoren vaak neerkomt op het maximumbedrag dat overeenkomstig het reglement kan worden toegestaan). Zo kunnen deze projecten gedeblokkeerd worden en hebben ze niet alleen een maximaal hefboomeffect, maar ook een sneeuwbaleffect op de nationale toegangswegen.

7.

Interoperabiliteit is een aspect dat van essentieel belang is, aangezien het de opbrengst van de investeringen sterk beïnvloedt. Vooral het besluit om zich in het kader van ERTMS te concentreren op zes prioritaire vrachtcorridors is een goede zaak, aangezien dit ertoe zal bijdragen dat de investeringen in nieuwe infrastructuur op deze assen goed zullen worden gebruikt en aantrekkelijk zullen zijn.

8.

De coördinatoren kunnen een cruciale rol vervullen wanneer het erop aankomt de lidstaten ervan te overtuigen dat voor elk deel van een TEN-T-as dat zich op hun grondgebied bevindt, dezelfde parameters moeten worden gehanteerd; daarom verzoekt het Comité de Commissie te bepalen dat een lidstaat enkel Europese financiële steun kan ontvangen als hij zich hiermee akkoord verklaart.

9.

De meeste rapporteurs onderstrepen terecht dat de lidstaten maatregelen moeten nemen om de investeringen tot hun recht te doen komen. Voorbeelden hiervan zijn de overschakeling naar andere vervoersmiddelen, de juiste prioriteitstelling inzake het infrastructuurgebruik, en een optimale planning van de investeringen op de assen.

10.

Voorgesteld wordt de coördinatoren ook een rol toe te kennen bij de uitwisseling van ervaring die bij de projecten is opgedaan. Dit zal misschien niet leiden tot een volledige coherentie van de praktijken, maar ten minste tot een uitwisseling van gedachten en goede praktijken m.b.t. de studie, opbouw en financiering van projecten. Ook de Europese Commissie zou een tandje kunnen bij zetten om te komen tot een netwerk van de verschillende lokale en regionale actoren die bij de prioritaire TEN-T-projecten betrokken zijn, b.v. d.m.v. een jaarlijks forum. Het Comité van de Regio's is bereid in dit verband met de Commissie samen te werken.

11.

Het zou gezien de positieve ervaringen die tot op heden zijn opgedaan niet alleen goed zijn de opdracht van de reeds actieve coördinatoren uit te breiden, maar ook andere coördinatoren aan te stellen voor door de Unie gefinancierde prioritaire projecten inzake vervoer, met name op gebieden die een krachtige, vaak politieke impuls vergen om moeilijkheden in de plannings- en bouwfase te overwinnen alsook prioritaire projecten van bijzonder belang. Het Comité van de Regio's wil er in ieder geval op wijzen dat er tot nu toe alleen coördinatoren zijn aangesteld voor zes projecten die zich al in een vergevorderd voorbereidingsstadium bevinden, terwijl andere prioritaire assen meer behoefte hebben aan ondersteuning en in overleg met meer verschillende lidstaten moeten worden voorbereid (bv. project nr. 22, waaraan 8 lidstaten deelnemen).

12.

In de verschillende verslagen van de coördinatoren, die reeds van juli 2006 dateren, wordt een overzicht gegeven van stappen die dringend moeten worden ondernomen om de projecten geloofwaardig te maken, en van maatregelen die de lidstaten dienen te nemen om de hoofdinvestering optimaal tot zijn recht te doen komen.

13.

Bijgevolg zou er een balans moeten worden opgemaakt van de stappen en maatregelen waarvan tot nu toe in navolging van deze verslagen al werk is gemaakt, zodat de juiste beslissingen kunnen worden genomen voor de toekenning van TEN-T-middelen voor de periode 2007-2013. Bij het toekennen van subsidies, met name voor het TEN-meerjarenprogramma, dient rekening te worden gehouden met de analyses en aanbevelingen van de coördinatoren.

14.

De onzekerheid die er bestaat omtrent de communautaire steun na 2013 kan een rem zetten op projecten die tijdens de huidige begrotingsperiode weinig kosten met zich meebrengen. Dit nadeel zou op een of andere manier moeten worden opgelost.

15.

Over prioritaire projecten die kunnen rekenen op de ondersteuning van een coördinator, heeft de Commissie meer nauwkeurige, gedetailleerde en complexe informatie. Niettemin moeten alle projecten op gelijke voet worden behandeld.

16.

Helaas bestaat er geen vergelijkende analyse van deze projecten, hun vooruitgang en de onderlinge synergie. De Commissie zou bij toekomstige analyses dan ook gebruik moeten maken van actuele en relevante statististische gegevens, die in gepaste vorm van de betrokken lidstaten zijn verkregen. Hoewel in de Mededeling wordt gewezen op het belang van een optimale coördinatie tussen de verschillende projecten met het oog op een degelijke planning van de voltooiing van het TEN-T-netwerk, beschikt men op dit vlak over geen enkele analyse. In het kader van de TEN-stuurgroep zou zo'n analyse kunnen worden uitgevoerd. Zo zou men bij de toekenning van de — zeer beperkte — middelen voor de periode 2007-2013 over meer informatie beschikken.

Aanbevelingen m.b.t. de werkzaamheden van de TEN-stuurgroep

17.

Het Comité van de Regio's vindt het net als de Commissie belangrijk om te streven naar synergie tussen TEN-projecten langs dezelfde as en deelt de mening dat dit voordelig is voor de investeringen (kostendrukking, minder impact op het grondgebied) en voor de efficiëntie van de uitvoeringswerkzaamheden zelf.

18.

Omdat is vastgesteld hoe moeilijk het is om projecten van heel uiteenlopende aard (b.v. een spoorwegtunnel en een hoogspanningsleiding) te combineren, zou het goed zijn om, los van het aangekondigde handboek voor goede praktijken, in de taakbeschrijving van de coördinatoren synergie als een doelstelling op te nemen.

19.

Opnieuw wordt met spijt vastgesteld hoe groot de kloof is tussen het in deze mededeling nogmaals onderstreepte kapitale belang van de TEN-netwerken voor de Unie, de beslissende rol die een financiële stimulans van de Unie kan spelen, en de erg beperkte middelen die worden toegekend, zelfs als deze op de grensoverschrijdende trajecten en de knelpunten worden toegespitst. Daarom wordt er nogmaals op gewezen dat alle beschikbare communautaire financieringsbronnen op elkaar moeten worden afgestemd. De Commissie zou ook op zoek moeten gaan naar toekomstige financieringsbronnen. In dit verband zou de eurovignetrichtlijn op de middellange termijn moeten worden herzien, zodat deze rekening gaat houden met externe kosten.

20.

De voltooiing van de 30 prioritaire assen zal de toename van de door vervoer veroorzaakte CO2-uitstoot slechts met 4 % afremmen. Vanwege dit beperkte resultaat wil het CvdR dat de externe kosten in het kader van de herziening los van de huidige eurovignetrichtlijn de nodige aandacht krijgen om de overschakeling op andere vervoersmiddelen te kunnen bevorderen, met name — maar niet uitsluitend — in kwetsbare regio's en gebieden, waarin ook meer directe en doelgerichte maatregelen getroffen moeten worden. Dit kan o.m. worden bevorderd door het gebruik van nieuwe informatietechnologieën (wat in de mededeling ook wordt voorgesteld) en de ontwikkeling van intelligente vervoersystemen (een terrein waarop de Aziatische landen al veel verder zijn dan Europa).

21.

De ontwikkeling van publiek-private partnerschappen is inderdaad wenselijk, vooral als de rechtszekerheid hiervan wordt verbeterd en als er door de EIB innovatieve financieringsinstrumenten worden gecreëerd. Toch dienen de onbetwistbare voordelen van deze partnerschappen te worden afgewogen tegenover de uitgaven die aanvankelijk soms hoger liggen. Ook moet duidelijk zijn wie borg staat voor welke risico's.

22.

Net zoals voor de telecommunicatie het geval is, zouden ook voor het spoorwegvervoer de voordelen van vrije concurrentie moeten worden erkend. Het is misschien niet realistisch te verwachten dat er evenveel privékapitaal zou worden geïnvesteerd in het spoorwegvervoer als in de telecommunicatie, maar door de vrije markt te introduceren in het spoorwegvervoer zouden de publieke investeringen in deze sector beter benut kunnen worden.

23.

De deconsolidatieregels (overeenkomstig de convergentiecriteria van Maastricht) m.b.t. de voor deze projecten aangegane leningen zouden moeten worden gepreciseerd en eventueel versoepeld. Deze opmerking geldt trouwens voor alle investeringen die van strategisch belang zijn voor de ontwikkeling van de Europese Unie.

B.   Uitbreiding van de grote trans-Europese vervoersassen

Algemene aanbevelingen

24.

Het is belangrijk dat de vervoersassen tot voorbij de grenzen van de Europese Unie worden doorgetrokken, zodat het personenverkeer en de goederenhandel niet alleen tot de buurlanden, maar tot de rest van de wereld worden uitgebreid.

25.

Betere verbindingen met de buurlanden van de Unie zal ook de efficiëntie van de belangrijke investeringen in het TEN-T-netwerk ten goede komen.

26.

Een gecontroleerde ontwikkeling en de integratie van de vervoersector van de EU en haar buurlanden dragen bij tot de verwezenlijking van de Lissabonagenda door handel, duurzame groei en sociale cohesie te stimuleren.

27.

Deze uitbreiding draagt ook bij tot een stabielere democratie en economie in de buurlanden, alsook tot het Europese nabuurschapsbeleid en de verspreiding van het communautaire acquis. Zodoende bevordert het op alle vlakken de samenwerking met de buurlanden van de EU en kan dit voor sommige landen de voorbereiding zijn op een toekomstige toetreding.

Aanbevelingen i.v.m. het verslag van de groep op niveau

28.

Eerst en vooral dient te worden gezegd dat het verslag van de groep op hoog niveau van uitstekende kwaliteit is. Deze groep werd voorgezeten door Loyola de Palacio, die inmiddels helaas is overleden.

29.

De gevolgde overlegprocedure verdient alle waardering. Deze manier van werken verleent nog meer waarde aan het werk van de groep op hoog niveau en heeft de inhoud ervan verrijkt.

30.

Dit rijke en gedetailleerde verslag zou het uitgangspunt moeten vormen bij het bepalen van de acties die op de korte en middellange termijn moeten worden ondernomen.

31.

De transnationale assen die in het verslag worden geïdentificeerd, zijn goed gekozen:

De vijf „transnationale assen” voorzien in alle nodige aansluitingen op de prioritaire TEN-T-assen (ondergebracht in sectoren).

De maritieme snelwegen, die een essentieel onderdeel vormen van de huidige ontwikkeling van de wereldhandel, worden als een as op zich vermeld.

Vastgesteld wordt dat de genoemde mogelijkheden om verbeteringen aan te brengen, sterk overeenkomen met de in de Europese Unie geïdentificeerde mogelijkheden voor de verwezenlijking van het TEN-T-netwerk, m.n.:

betere coördinatie tussen de staten langs een bepaalde as,

verwijdering van allerlei knelpunten,

verbetering van de interoperabiliteit,

uitwisseling van goede praktijkvoorbeelden.

32.

Hierbij aansluitend is ook het initiatief van de Commissie om werk te maken van het opsporen en oplossen van knelpunten in de goederenlogistiek een goede zaak.

33.

De in het verslag voorgestelde strikte deadlines (evaluatie en update van de belangrijkste assen en projecten en van de horizontale maatregelen tegen 2010, met een tussentijdse evaluatie in 2008) zijn niet in de mededeling overgenomen.

Aanbevelingen betreffende de mededeling van de Commissie zelf

34.

Het CvdR steunt het voorstel aan de Raad en het Parlement om in te stemmen met een herziening van het concept van de corridors en pan-Europese zones overeenkomstig de aanwijzingen in het verslag.

35.

Het valt echter te betreuren dat van de assen alleen maar gezegd wordt dat ze multimodaal zijn en dat er geen algemene aanwijzingen worden gegeven m.b.t. de meest wenselijke vervoerswijzen. Alleen voor de maritieme snelwegen, waarvan het CvdR het belang onderstreept, is dit gebeurd. Dergelijke algemene aanwijzingen zouden het mogelijk maken de overschakeling op milieuvriendelijkere vervoersmiddelen te bevorderen.

36.

Bij deze gelegenheid wenst het Comité enkele krachtige standpunten uit zijn advies van 14 februari 2007 over de tussentijdse evaluatie van het Witboek Vervoer te herhalen:

Ook al is de uitbreiding van het TEN-T naar de buurlanden één van de belangrijkste doelstellingen van het Europese vervoerbeleid, de afwerking van het TEN-T in de 27 Europese lidstaten moet een nog grotere prioriteit voor de EU blijven.

Eén van de doelstellingen van het Europese vervoersbeleid bestaat volgens het CvdR uit een vermindering van de effecten van het vervoer op het milieu, en het nakomen van de verplichtingen van het Kyoto-protocol inzake de CO2-uitstoot (par. 1.4).

Een evenwichtiger verdeling van de verschillende vervoerswijzen over land is van prioritair belang en er moeten strategieën ten behoeve van intermodaliteit en multimodaliteit worden ontplooid (par. 2.1).

37.

Aangezien tijdens hoorzittingen duidelijk is geworden dat de burgers met deze thema's begaan zijn, is het wenselijk dat de milieu-aspecten worden benadrukt en dat bij de keuze van vervoermodaliteiten wordt uitgegaan van de Kyoto-verplichtingen en de doelstellingen op het gebied van duurzame ontwikkeling.

38.

De horizontale maatregelen ter bevordering van de interoperaliteit die (net zoals de principes op basis waarvan de actieplannen dienen te worden opgesteld) in de mededeling zijn opgenomen, zijn belangrijk en dringend.

39.

De voorgestelde institutionele structuur, bestaande uit drie niveaus, ziet er goed uit:

onderling gecoördineerde regionale stuurgroepen,

ministeriële vergaderingen voor strategische beslissingen,

een secretariaat dat administratieve en technische ondersteuning biedt.

Het Comité pleit ervoor dat:

het secretariaat door de betrokken landen én de Commissie wordt gefinancierd om de kwaliteit en continuïteit van zijn werkzaamheden te waarborgen;

het secretariaat van tevoren wordt betrokken bij de toekenning van subsidies voor projecten.

40.

Spijtig genoeg getuigt de mededeling van enige aarzeling betreffende de acties, wat zowel de investeringen als de tenuitvoerlegging van de institutionele voorstellen betreft.

41.

Bijgevolg zou zo snel mogelijk werk moeten worden gemaakt van de eerste, verkennende gesprekken met de buurlanden — tegelijkertijd met de vorming van de regionale stuurgroepen- zodat kan worden bepaald welke maatregelen er op de korte en middellange termijn moeten worden genomen.

42.

De financiële regelingen die in het verslag van de groep van hoog niveau worden voorgesteld, maar niet zijn overgenomen in de mededeling, zouden van bij de aanvang van deze activiteiten moeten worden bevestigd.

43.

Met het oog op een goede synergie met de lokale ontwikkelingen op economisch vlak en op het vlak van ruimtelijke ordening dienen de desbetreffende lokale en regionale bestuurniveaus nauw betrokken te worden bij het bepalen en uitvoeren van de acties.

Brussel, 10 oktober 2007.

De voorzitter

van het Comité van de Regio's

M. DELEBARRE


15.12.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 305/11


Advies van het Comité van de Regio's over „De toekomst van de Europese luchthavens”

(2007/C 305/03)

Het Comité stelt de volgende aanbevelingen voor

Enige, zij het „lichte” regelgeving is nodig om te kunnen optreden in gevallen waar nationale regelgeving ontoereikend is (subsidiariteitsbeginsel). Van cruciaal belang zijn transparantie van het raadplegingsproces en een Europese beroepsprocedure;

Het criterium van 1 miljoen passagiers lijkt op een arbitraire keuze te berusten en is mogelijk overbodig; meer dan 150 luchthavens zullen immers op basis daarvan de regelgeving moeten naleven, terwijl verschillende onder hen kleine luchthavens zijn die de bureaucratische rompslomp niet aankunnen. De richtlijn is daarom alleen van toepassing op luchthavens met een marktsegment van meer dan 1 % van het totale EU-passagiersvervoer door de lucht;

De nationale onafhankelijke regulerende instanties moeten tevens de bevoegdheid hebben om uitzonderingen toe te staan, zodat zij de regeling ook kunnen toepassen op luchthavens die onder de limiet van 1 % zitten, indien deze geacht worden een sterke marktpositie te bezitten. Eventuele marktonderzoeken die door de regelgevende instanties van de lidstaten worden verricht, zullen zorgvuldig worden meegewogen door de Europese Commissie bij haar streven om overal in Europa een gelijke behandeling te waarborgen (artikel 1.2 van COM(2006) 820 moet daarom worden gewijzigd);

De richtlijn moet getuigen van een neutraal standpunt ten aanzien van het „single till”-beginsel;

De toegankelijkheid van luchthavens voor verschillende vervoermiddelen is van cruciaal belang voor die capaciteit, alsook een voorwaarde om de bestaande capaciteit op regionale luchthavens ten volle te benutten;

Regionale luchthavens zijn van cruciaal belang zijn voor regionale welvaart en kunnen een belangrijke rol spelen door de congestie op grotere luchthavens te verlichten. Zij kunnen zich overigens heroriënteren op algemene luchtvaartactiviteiten en op een aantal potentiële diensten waarvoor op de grote luchthavens, gezien de toename van de commerciële luchtvaart, in de toekomst minder ruimte zal zijn.

Referentiedocumenten

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtvervoersdiensten in de Gemeenschap

(COM(2006) 396 final)

Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Actieplan inzake de capaciteit, efficiëntie en veiligheid van de Europese luchthavens

(COM(2006) 819 final)

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake luchthavengelden

(COM(2006) 820 final)

Verslag van de Commissie over de toepassing van Richtlijn 96/67/EG van de Raad van 15 oktober 1996

(COM(2006) 821 final)

Rapporteur

:

G. KEYMER, lid van de districtsraad van Tandridge (UK/EVP)

I.   Beleidsaanbevelingen

I.   Behoefte aan regelgeving

1.

Enige, zij het „lichte” regelgeving is nodig om te kunnen optreden in gevallen waar nationale regelgeving ontoereikend is (subsidiariteitsbeginsel). Van cruciaal belang zijn transparantie van het raadplegingsproces en een Europese beroepsprocedure.

II.   Luchthavengelden

2.

Het criterium van 1 miljoen passagiers lijkt op een arbitraire keuze te berusten en is mogelijk overbodig; meer dan 150 luchthavens zullen immers op basis daarvan de regelgeving moeten naleven, terwijl verschillende onder hen kleine luchthavens zijn die de bureaucratische rompslomp niet aankunnen. Aanbevolen wordt dat de regelgevende instanties in de lidstaten marktonderzoeken laten verrichten die zorgvuldig kunnen worden meegewogen door de EU bij haar streven om overal in Europa een gelijke behandeling te waarborgen.

3.

De richtlijn is alleen van toepassing op luchthavens met een marktsegment van meer dan 1 % van het totale EU-passagiersvervoer door de lucht.

4.

De onafhankelijke nationale regulerende instantie heeft de bevoegdheid om bepaalde luchthavens ontheffing te verlenen. Dit kan geschieden op basis van een onderzoek naar de concurrentieverhoudingen op de markt of als het gaat om luchthavens die landelijk een marktsegment van minder dan 20 % hebben. Daarnaast heeft ze de bevoegdheid om luchthavens die onder de limiet van 1 % zitten, wel onder de richtlijn te laten vallen indien deze geacht worden een sterke marktpositie te bezitten.

5.

Eventuele marktonderzoeken die door de regelgevende instanties van de lidstaten worden verricht, zullen zorgvuldig worden meegewogen door de Europese Commissie bij haar streven om overal in Europa een gelijke behandeling te waarborgen.

6.

De richtlijn moet getuigen van een neutraal standpunt ten aanzien van het „single till”-beginsel (een „dual till”-systeem kan wel).

7.

Luchthavens moeten gedifferentieerde tarieven kunnen hanteren om zowel luchtvaartmaatschappijen die er hun thuisbasis hebben, aan te moedigen, als ruimte te bieden voor de ontwikkeling van lagekostenmaatschappijen binnen een luchthaven.

III.   Regulerende instantie

8.

De nationale regulerende instanties moeten echt onafhankelijk zijn op zowel operationeel als financieel gebied.

IV.   Capaciteit

9.

Europa moet zowel het gebruik van de bestaande capaciteit verbeteren als in nieuwe capaciteit investeren.

10.

De onbeperkte toegankelijkheid van luchthavens door gebruikmaking van verschillende nieuwe vervoermogelijkheden is van cruciaal belang voor die capaciteit, alsook een voorwaarde om de bestaande capaciteit op regionale luchthavens ten volle te benutten. Met name dient te worden gedacht aan verbindingen van luchthavens met stadscentra en netwerken van hogesnelheidstreinen, alsook aan een dichter net van HST-verbindingen, teneinde het korteafstandsverkeer te beperken en capaciteit vrij te maken.

11.

Algemene luchtvaart is in een uitgebreid Europa van groot belang. Zaak is immers dat men zich snel en soepel van de ene naar de andere regionale luchthaven kan verplaatsen. De regelgeving voor algemene luchtvaartbewegingen dient daarom te worden gehandhaafd.

V.   Grondafhandeling

12.

De richtlijn van 1996 heeft effect gesorteerd wat betreft doeltreffendheid, lagere kosten en nieuwe werkgelegenheid. De bestaande richtlijn kan wellicht beter ten uitvoer worden gelegd, maar nieuwe wetgeving is niet nodig.

VI.   Planning

13.

Het CvdR erkent dat er een verband bestaat tussen goede regionale verbindingen en groei en gelooft daarom dat regionale luchthavens van cruciaal belang zijn voor regionale welvaart en een belangrijke rol kunnen spelen door de congestie op grotere luchthavens te verlichten. Zij kunnen zich overigens heroriënteren op algemene luchtvaartactiviteiten en op een aantal potentiële diensten waarvoor op de grote luchthavens, gezien de toename van de commerciële luchtvaart, in de toekomst minder ruimte zal zijn.

14.

Regionale en lokale overheden moeten op een andere manier met de luchtvaartsector in dialoog treden, en moeten met name op kortere termijn denken en zich dynamischer opstellen.

15.

Er moet meer rekening worden gehouden met de verdere ontwikkeling van luchthavens bij lokale en regionale landinrichting op lange termijn (huisvesting, vervoernetwerken, planning van winkels, enz.)

II.   Aanbevelingen van het Comité van de Regio's

Aanbeveling 1

Voorstel van de Commissie voor een richtlijn inzake luchthavengelden [COM(2006) 820]

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De belangrijkste opdracht en commerciële activiteit van luchthavens is het afhandelen van luchtvaartuigen, van landen tot opstijgen, en van passagiers en goederen, teneinde luchtvervoerders in staat te stellen hun luchtvervoersdiensten aan te bieden. Met het oog op de afhandeling stellen luchthavens een aantal faciliteiten en diensten ter beschikking die verband houden met de exploitatie van luchtvaartuigen en de verwerking van passagiers en goederen; gewoonlijk dekken zij de kosten daarvan door het heffen van luchthavengelden.

De belangrijkste opdracht en commerciële activiteit van luchthavens is het afhandelen van luchtvaartuigen, van landen tot opstijgen, en van passagiers en goederen, teneinde luchtvervoerders in staat te stellen hun luchtvervoersdiensten aan te bieden. Met het oog op de afhandeling stellen luchthavens een aantal faciliteiten en diensten ter beschikking die verband houden met de exploitatie van luchtvaartuigen en de verwerking van passagiers en goederen; de kosten daarvan dekken zij gewoonlijk maar daarom niet uitsluitend dekken zij de kosten daarvan door het heffen van luchthavengelden.

Motivering

De richtlijn moet getuigen van een neutraal standpunt ten aanzien van het „single till”-beginsel (een „dual till”-systeem kan wel).

Aanbeveling 2

Voorstel van de Commissie voor een richtlijn inzake luchthavengelden [COM(2006) 820]

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Artikel 1,2

Deze richtlijn geldt voor alle luchthavens die gevestigd zijn op het grondgebied waarop het Verdrag van toepassing is, die open staan voor commercieel verkeer en die jaarlijks meer dan 1 miljoen passagiersbewegingen of meer dan 25 000 ton goederen laten optekenen.

Artikel 1,2

Deze richtlijn geldt voor alle de 20 grootste luchthavens die gevestigd zijn in de EU op het grondgebied waarop het Verdrag van toepassing is, die en die open staan voor commercieel verkeer en die jaarlijks meer dan 1 miljoen passagiersbewegingen of meer dan 25 000 ton goederen laten optekenen.

Deze richtlijn geldt voor alle luchthavens die gevestigd zijn op het grondgebied waarop het Verdrag van toepassing is, die open staan voor commercieel verkeer en die jaarlijks meer dan 1 % van het totale EU-passagiersvervoer door de lucht laten optekenen.

De onafhankelijke nationale regulerende instantie heeft de bevoegdheid om bepaalde luchthavens ontheffing te verlenen. Dit kan geschieden op basis van een onderzoek naar de concurrentieverhoudingen op de markt of als het gaat om luchthavens die landelijk een marktsegment van minder dan 20 % hebben. Daarnaast heeft ze de bevoegdheid om luchthavens die onder de limiet van 1 % zitten, wel onder de richtlijn te laten vallen indien deze geacht worden een sterke marktpositie te bezitten.

Eventuele marktonderzoeken die door de regelgevende instanties van de lidstaten worden verricht, zullen zorgvuldig worden meegewogen door de Europese Commissie bij haar streven om overal in Europa een gelijke behandeling te waarborgen.

Motivering

Zoals ze thans is opgesteld, geldt de richtlijn voor meer dan 150 luchthavens; vele onder hen zijn niet toegerust voor de met de richtlijn samenhangende bureaucratische rompslomp en kunnen niet prat gaan op een marktaandeel dat hun positie veilig kan stellen. In deze context zou als richtsnoer kunnen worden gehanteerd dat een luchthaven van de Europese top-20 meer dan 10 miljoen passagiersbewegingen moet laten optekenen.

Brussel, 10 oktober 2007.

De voorzitter

van het Comité van de Regio's

M. DELEBARRE


15.12.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 305/15


Advies van het Comité van de Regio's over „De wereldwijde klimaatverandering beperken tot 2 graden Celsius” en „Het opnemen van de luchtvaart in de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten”

(2007/C 305/04)

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S

roept de Commissie op, een routekaart voor relevante initiatieven op het gebied van klimaatverandering en een duidelijke strategie voor de participatie van lokale en regionale overheden voor te leggen, die in de aanloop naar de VN-klimaattop in 2009 in Kopenhagen uitgevoerd kunnen worden;

wijst erop dat lidstaten die slechts over beperkte mogelijkheden beschikken om energie op basis van hernieuwbare grondstoffen te produceren, de kans zou moeten worden geboden om hun doelstellingen inzake duurzame energie te verwezenlijken via handel, hetzij in het kader van een EU-certificaatsysteem voor groene energie, hetzij d.m.v. bilaterale akkoorden met andere landen die over een ruimere voorraad duurzame energie beschikken; de bedoeling hiervan is om de totale kosten bij het verwezenlijken van de doelstellingen op het gebied van duurzame energie terug te dringen;

beveelt aan om extra middelen en maatregelen vast te stellen en de structuurfondsen in te zetten als nuttige instrumenten voor de ondersteuning van het beleid ter aanpassing aan de klimaatverandering en van maatregelen op gebieden als energiebesparing en duurzame energie, gericht op afzwakking van de gevolgen ervan; hierdoor wordt de uitstoot van broeikasgassen teruggedrongen en zal de steun voor een Europees klimaatbeleid toenemen;

hecht eraan dat regio's flexibiliteit wordt gegund bij het verwezenlijken van hun doelstellingen op het gebied van efficiency en duurzame energie, omdat hierdoor de algehele kosten van het klimaatbeleid worden gedrukt; op EU-niveau zullen deze doelstellingen echter wel bindend moeten zijn;

is net als de Commissie van mening dat ook de luchtvaart moet worden opgenomen in de ETS, omdat deze sector in steeds sneller tempo broeikasgassen produceert; de Commissie zal alle gevolgen die de activiteiten van de luchtvaartsector voor de klimaatverandering hebben, moeten meewegen;

zal zich inzetten voor de totstandbrenging van een permanent netwerk van geïnteresseerde lokale en regionale overheden die graag meer informatie willen uitwisselen en een platform willen opzetten voor het ontwikkelen van nieuwe ideeën over de wijze waarop de gevolgen van broeikasgasemissies op kosteneffectieve wijze kunnen worden verzacht.

Referentiedocumenten

Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's „De wereldwijde klimaatverandering beperken tot 2 graden Celsius — Het beleid tot 2020 en daarna”

COM(2007) 2 final

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG teneinde ook luchtvaartactiviteiten op te nemen in de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap

COM(2006) 818 final — 2006/0304 (COD)

Rapporteur

:

Mevrouw DWARSHUIS-VAN DE BEEK, lid van Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland (NL/ALDE)

Beleidsaanbevelingen

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S

1.

Aangezien een gezond milieu een basisvoorwaarde is voor alle menselijke activiteiten, is milieubescherming van vitaal belang voor ons menselijk welzijn.

2.

Een weldoordacht milieu- en klimaatbeleid is zonder meer gunstig voor de economische ontwikkeling.

Inschatting van de gevaren van klimaatverandering

3.

De gevaren die zijn verbonden aan een ver voortgeschreden klimaatverandering als gevolg van de uitstoot van broeikasgassen, vormen een nijpend probleem. Het is in de eerste plaats de huidige generatie die alles in het werk zal moeten stellen om hiervoor een oplossing te bedenken.

4.

Het Comité van de Regio's steunt de Commissie in haar opvatting dat de klimaatverandering ingrijpende gevolgen zal hebben voor ons menselijk welzijn, waarbij bijv. gedacht kan worden aan slachtoffers van warmtestress, gezondheidsproblemen, schade aan de biodiversiteit, daling van de agrarische productiviteit in verschillende regio's, vermindering van de mogelijkheden voor het toerisme alsmede de schade die wordt veroorzaakt door stijging van de zeespiegel en extreme weersomstandigheden, wat kan leiden tot massale milieumigratie naar de dichtstbijzijnde ontwikkelde regio's.

5.

Het klimaatbeleid zal ook tal van positieve neveneffecten hebben, omdat het zal leiden tot verbetering van de luchtkwaliteit (minder uitstoot van SO2, PM en NOx), de energievoorzieningszekerheid (een kleinere afhankelijkheid van de invoer van fossiele brandstoffen) en de vruchtbaarheid van de bodem (minder verlies van organisch materiaal).

6.

De Commissie stelt volkomen terecht dat de kosten van beleidsmaatregelen ter beperking van klimaatverandering aanzienlijk lager zullen zijn dan de geschatte kosten van de klimaatverandering zelf. Een klimaatbeleid zal dus zeer effectief zijn.

7.

In het Kyoto-protocol wordt terecht gewezen op het belang van agrarische bodems voor de opslag van koolstof. Als het gehalte aan organische koolstof in de bodem hoger wordt en er worden organische stoffen in opgeslagen, dan zal dit ook leiden tot een wezenlijk betere CO2-balans van het betrokken land. Door een vorm van landbewerking met oog voor bodembescherming kan er ook voor worden gezorgd dat er minder andere gassen die van invloed zijn op het klimaat, zoals lachgas en methaan, kunnen ontsnappen. Daarbij gaat het niet alleen om het behoud van de totale opslagcapaciteit, maar vooral ook om de wijze waarop deze wordt benut. De bodem moet effectief zijn functie als koolstofreservoir kunnen vervullen, zodat niet alleen de vruchtbaarheid ervan en het vermogen om water vast te houden verbeteren, maar ook de CO2-balans gunstiger uitpakt. Landbouwtechnieken met nadruk op het gebruik van humus en toepassing van het regionaliteitsprincipe bij de recycling van organisch materiaal (compost, oogstrestanten) zijn belangrijke doelstellingen bij het verbeteren van de CO2-balans.

De internationale dimensie van het klimaatbeleid

8.

Er wordt een dringend beroep gedaan op de Commissie om zich op het allerhoogste politieke niveau nog meer in te spannen voor versterking van de internationale coalitie tegen klimaatverandering, omdat alleen iets aan dit verschijnsel gedaan kan worden als alle (toonaangevende) landen hieraan een bijdrage zullen leveren.

9.

Het Comité van de Regio's roept de Commissie op, een routekaart voor relevante initiatieven op het gebied van klimaatverandering en een duidelijke strategie voor de participatie van lokale en regionale overheden voor te leggen, die in de aanloop naar de VN-klimaattop in 2009 in Kopenhagen uitgevoerd kunnen worden.

De regionale dimensie van de klimaatverandering en het klimaatbeleid

10.

De mate waarin de Europese regio's kwetsbaar zijn voor klimaatverandering, varieert sterk, wat vooral komt door de verschillen in natuurlijke omstandigheden en bevolkingsdichtheid.

11.

Tevens variëren de mogelijkheden om de uitstoot van broeikasgassen op een kosteneffectieve wijze terug te dringen, sterk per regio, wat vooral komt door de verschillen in natuurlijke omstandigheden en economische structuur.

12.

Het valt dan ook te betreuren dat de Commissie niet meer aandacht besteedt aan de regionale verdeling van de kosten van niet handelen enerzijds en de baten van wel handelen anderzijds. Ze wordt daarom verzocht om de regionale dimensie van de kosten en baten van de klimaatverandering en het klimaatbeleid diepgaand te analyseren.

13.

Aanbevolen wordt extra middelen en maatregelen vast te stellen en de structuurfondsen in te zetten als nuttige instrumenten voor de ondersteuning van het beleid ter aanpassing aan de klimaatverandering en van maatregelen op gebieden als energiebesparing en duurzame energie, gericht op afzwakking van de gevolgen ervan. Hierdoor wordt de uitstoot van broeikasgassen teruggedrongen en zal de steun voor een Europees klimaatbeleid toenemen.

14.

De Commissie wordt verzocht in het kader van de tussentijdse herziening van de begroting in 2008 meer middelen uit te trekken voor maatregelen ter afzwakking van de gevolgen van klimaatverandering, omdat de ambitieuze doelstellingen op klimaatgebied alleen kunnen worden gehaald als hiervoor meer openbare middelen ter beschikking worden gesteld.

De doelstellingen van het klimaatbeleid

15.

Het Comité van de Regio's vindt evenals de Europese Commissie, de Europese Raad en het Europees Parlement dat de Europese Unie voor zichzelf ambitieuze doelstellingen dient te formuleren om een toonaangevende rol te kunnen spelen bij het smeden van een wereldwijde coalitie in de strijd tegen klimaatverandering. Het is dan ook ingenomen met het streven om de uitstoot van broeikasgassen in de Europese Unie, ongeacht het beleid elders in de wereld, tegen 2020 met ten minste 20 % (vergeleken met het niveau van 1990) te verminderen.

16.

De Commissie zou daarnaast tussentijdse doelstellingen voor de uitstoot van CO2 moeten formuleren, bijv. voor 2013 of 2015, met het oog op een verdere implementering, analyse en controle van maatregelen ter afzwakking van de gevolgen van de klimaatverandering.

17.

Het voornemen om tegen 2020 de energie-efficiency met ten minste 20 % te verhogen en gelijktijdig het aandeel duurzame energie met ten minste 20 % op te voeren verdient alle lof. Dit zou een doeltreffend middel kunnen zijn om de verwezenlijking van de algehele reductiedoelstelling naderbij te brengen. Om deze percentages te halen zijn er niet alleen nieuwe technologische ontwikkelingen nodig, maar is er ook behoefte aan een verdere mentaliteitsverandering, zowel bij de producent (te denken valt bijv. aan een energie-efficiënt en tegelijkertijd voor de consument aantrekkelijk productdesign) als bij de consument.

18.

Het is belangrijk dat regio's flexibiliteit wordt gegund bij het verwezenlijken van hun doelstellingen op het gebied van efficiency en duurzame energie, omdat hierdoor de algehele kosten van het klimaatbeleid worden gedrukt. Op EU-niveau zullen deze doelstellingen echter wel bindend moeten zijn.

De handel in emissierechten als instrument van het klimaatbeleid

19.

Het Comité van de Regio's is het eens met de Commissie dat de Europese regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten (ETS) van vitaal belang is, omdat hierdoor in beginsel de kosten van maatregelen ter bestrijding van broeikasgasemissies laag kunnen worden gehouden.

20.

De Commissie wordt opgeroepen nauwgezet toe te zien op het aantal rechten dat wordt toegekend, aangezien de ETS alleen adequaat kan functioneren als de bovengrens (d.w.z. het totale aantal emissierechten) beduidend onder het emissieniveau ligt.

21.

Het totale aantal rechten dat in het kader van de ETS wordt toegekend, dient te worden teruggebracht tot een niveau dat in overeenstemming is met de emissiedoelstellingen die de Commissie tegen 2020 wil halen, zulks om te voorkomen dat sectoren die niet meedoen aan de ETS, zoals particuliere huishoudens en andere kleine energieverbruikers, te veel worden belast.

22.

Het Comité is voorstander van het gedeeltelijk veilen van de rechten, vooral in het geval van beschutte bedrijfstakken, omdat dit een betere stimulans vormt om de uitstoot te beperken en dus ook de efficiency van de ETS ten goede zal komen. Deze aanpak strookt ook beter met het principe van „de vervuiler betaalt”. Bovendien zullen deelnemende bedrijven hierdoor financieel minder zwaar worden belast dan het geval zou zijn als alle rechten werden geveild.

23.

Veilingen en de kosteloze toewijzing (benchmarksysteem) van het resterende (grootste) deel van de rechten kunnen worden overgelaten aan de lidstaten, waarbij de toewijzingsprocedures in de EU moeten worden geharmoniseerd, teneinde concurrentieverstoringen tussen de lidstaten te voorkomen en de regeling efficiënter te maken. Wanneer er een nieuwe regeling voor de handel in emissierechten wordt ontwikkeld, zou voor bepaalde bedrijfstakken met vergelijkbare Europese benchmarks kunnen worden overwogen om, naast de nationale reductiedoelstelling, ook op EU-niveau rechten toe te kennen en/of doelstellingen vast te leggen, waarbij alle marktdeelnemers evenveel rechten per productie-eenheid krijgen toegekend.

24.

De Commissie wordt verzocht na te gaan of de nodige middelen uit bijv. de structuurfondsen moeten worden vrijgemaakt voor de meest afgelegen regio's als deze relatief zwaar worden getroffen door opname van de luchtvaartsector in de ETS.

25.

Alle pogingen die worden ondernomen om de Europese regeling voor de handel in emissierechten af te stemmen op vergelijkbare initiatieven in derde landen, zijn welkom. Scheve concurrentieverhoudingen die in het voordeel werken van producenten uit landen die niet over een vergelijkbare regeling beschikken, moet men zien te voorkomen via passende maatregelen, zoals compensatieheffingen.

26.

Het voorstel om de ETS uit te breiden tot andere gassen en sectoren valt toe te juichen, omdat de regeling op die manier werkzamer en efficiënter wordt.

27.

De Commissie zou zorgvuldig moeten nagaan of het zin heeft om de ETS ook open te stellen voor kleine maar energie-intensieve broeikasgasemittenten, omdat dit waarschijnlijk hun reductiekosten omlaag zal brengen.

28.

Het Comité van de Regio's is net als de Commissie van mening dat ook de luchtvaart moet worden opgenomen in de ETS, omdat deze sector in steeds sneller tempo broeikasgassen produceert. De Commissie zal alle gevolgen die de activiteiten van de luchtvaartsector voor de klimaatverandering hebben, moeten meewegen.

29.

De Commissie zou bij het toekennen van emissierechten rekening moeten houden met de specifieke aard van de luchtvaartsector. Het is vooral zaak om mee te wegen dat uitstoot (van zowel koolstof als waterstof) door de luchtvaart een grotere invloed heeft op de klimaatverandering dan activiteiten aan het aardoppervlak.

30.

Het voorstel om een uitzondering te maken voor vluchten van regeringsleiders e.d. is zeer af te raden, omdat het juist de regeringen zijn die het goede voorbeeld moeten geven en het grote publiek moeten winnen voor hun beleid.

31.

Het Comité van de Regio's is het ermee eens dat de koolstofvastlegging en -opslag (CCS) zou moeten worden opgenomen in de ETS, zij het uitsluitend als hierbij strikte voorschriften op het gebied van monitoring en veiligheid in acht worden genomen. Daaraan voorafgaande zou o.g.v. de ervaringen in demonstratie-installaties moeten worden vastgesteld in hoeverre deze technologieën ertoe kunnen bijdragen dat uitstoot van broeikasgassen wordt voorkomen, en tegen welke kosten.

Andere instrumenten van het klimaatbeleid

32.

De Commissie wordt verzocht systemen te ontwikkelen met behulp waarvan de lidstaten en de regio's de doelstellingen op het gebied van duurzame energie en energie-efficiency op een kosteneffectieve wijze kunnen verwezenlijken.

33.

Lidstaten die slechts over beperkte mogelijkheden beschikken om energie op basis van hernieuwbare grondstoffen te produceren, zou de kans moeten worden geboden om hun doelstellingen inzake duurzame energie te verwezenlijken via handel, hetzij in het kader van een EU-certificaatsysteem voor groene energie, hetzij d.m.v. bilaterale akkoorden met andere landen die over een ruimere voorraad duurzame energie beschikken. De bedoeling hiervan is om de totale kosten bij het verwezenlijken van de doelstellingen op het gebied van duurzame energie terug te dringen.

34.

De Commissie zou er goed aan doen de doelstelling op het gebied van energie-efficiëntie vast te leggen op een geaggregeerd niveau (bedoeld wordt het energieverbruik van de gehele economie), waarbij rekening wordt gehouden met de regionale verschillen binnen sectoren. Dit zou de lidstaten meer speelruimte bieden bij het kiezen van maatregelen om hun doelstellingen te verwezenlijken, waarbij bijv. kan worden gedacht aan maatregelen die gericht zijn op het stroomverbruik van apparaten en op de industriële structuur van de (regionale) economie.

35.

Het is een goede zaak dat de Commissie voornemens is de gemiddelde CO2-uitstoot per km van in de EU verkochte nieuwe auto's vanaf 2012 te doen dalen tot 120 g/km. De Commissie wordt opgeroepen alles in het werk te stellen om, bijv. door bevordering van onderzoek op dit gebied, ervoor te zorgen dat tegen 2020 de streefwaarde van 95 g CO2-uitstoot per km wordt gehaald.

36.

De Commissie zou bij het ontwikkelen van nieuwe beleidsinstrumenten terdege rekening moeten houden met het subsidiariteitsbeginsel. De regionale en lokale overheden zijn de aangewezen organen om effectieve maatregelen te treffen op het gebied van openbaar vervoer, verkeersinfrastructuur, energie-infrastructuur, ruimtelijke ordening, energie-efficiency en voorlichting van het publiek.

De rol van de lokale en regionale overheden in het Europese klimaatbeleid

37.

Het Comité van de Regio's is ervan overtuigd dat maatregelen op regionaal en lokaal niveau noodzakelijk zijn als men een doeltreffend klimaatbeleid in Europa wil voeren.

38.

Ook als het gaat om aanpassing aan de klimaatverandering, hebben de lokale en regionale overheden een belangrijke rol te spelen. Het Comité van de Regio's zal hierover later een advies opstellen.

39.

Regio's leveren op dit moment reeds een bijdrage aan het Europese klimaatbeleid, bijvoorbeeld door:

a)

het publiek ervan te doordringen, o.a. door voorlichting op scholen, dat maatregelen zijn geboden om verdere klimaatverandering te voorkomen;

b)

klimaat en energie tot drijvende factoren van het beleid voor ruimtelijke ordening te maken;

c)

investeringen in de infrastructuur voor biomassa en in tankstations voor biobrandstoffen aan te moedigen;

d)

investeringen in warmte-infrastructuur te stimuleren, waardoor de warmtevoorziening (restwarmte, geothermische warmte, koude- en warmteopslag in de bodem) in overeenstemming wordt gebracht met de vraag;

e)

de modal shift in het vervoer te versterken, bijv. via het beleid voor ruimtelijke ordening;

f)

het openbaar vervoer in de regio (bijv. sneltramverbindingen) aan te moedigen;

g)

de planning en aanleg van voetpaden en andere wegen voor niet-gemotoriseerd verkeer te intensiveren;

h)

het gebruik van schone technologie in het openbaar vervoer te bevorderen via „groene” aanbestedingen;

i)

de afgifte van vergunningen voor projecten op het vlak van duurzame energie te vereenvoudigen;

j)

de regulering van de energie-efficiency door de lokale en regionale overheden te verbeteren via het oprichten van expertisecentra;

k)

internationale partnerschappen tot stand te brengen om de internationale coalitie tegen klimaatverandering uit te breiden en energiebesparende technologie door te geven aan minder ontwikkelde landen;

l)

onderzoek en ontwikkeling van energiebesparende technologie te stimuleren door het creëren van regionale „energy valleys”;

m)

doelstellingen op het gebied van energie-efficiency en duurzame energie te koppelen aan regionale doelstellingen, zoals werkgelegenheid, innovatie en sociale voorzieningen;

n)

ambitieuze doelstellingen te formuleren, zoals actieplannen voor lokale of regionale emissiereductie en voor „klimaat-neutrale gebieden” of „klimaat-neutraal openbaar vervoer en klimaat-neutrale openbare gebouwen”;

o)

openbare aanbestedingen in te zetten als instrument om zowel bij goederen als bij diensten het energieverbruik terug te dringen en de energie-efficiëntie te vergroten;

p)

de verwerking van organisch materiaal en organische grondstoffen op regionaal en lokaal niveau aan te moedigen, omdat het positief is voor de CO2-balans als het aantal vervoersbewegingen wordt teruggedrongen.

40.

Het Comité van de Regio's zal hierbij zijn eigen verantwoordelijkheid niet uit de weg gaan en zich sterk maken voor de tenuitvoerlegging van genoemde maatregelen op regionaal en lokaal door het ontplooien van de volgende initiatieven:

a)

verbeteren van de verspreiding van informatie over kosteneffectieve klimaatmaatregelen;

b)

aanmoedigen van samenwerking tussen regio's in de EU, en

c)

aanmoedigen van samenwerking tussen EU-regio's en regio's elders in de wereld (bijv. in de Verenigde Staten, China en India), o.a. door het intensiveren van de reeds bestaande contacten tussen deze regio's.

41.

De Commissie wordt opgeroepen een conferentie over regionaal en lokaal klimaatbeleid te organiseren, tijdens welke de Europese regio's informatie kan worden verschaft over goede praktijken en kan worden gesproken over de meest doeltreffende wijze waarop de Commissie het regionale en lokale klimaatbeleid kan ondersteunen.

42.

Het Comité van de Regio's zal zich inzetten voor de totstandbrenging van een permanent netwerk van geïnteresseerde lokale en regionale overheden die graag meer informatie willen uitwisselen en een platform willen opzetten voor het ontwikkelen van nieuwe ideeën over de wijze waarop de gevolgen van broeikasgasemissies op kosteneffectieve wijze kunnen worden verzacht.

43.

Het Comité van de Regio's verklaart zich bereid een actieve rol te spelen bij het verder uitstippelen van het Europese klimaatbeleid.

Brussel, 10 oktober 2007.

De voorzitter

van het Comité van de Regio's

M. DELEBARRE


15.12.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 305/20


Advies van het Comité van de Regio's over „Lokaal en regionaal bestuur in Oekraïne en de ontwikkeling van de samenwerking tussen de EU en Oekraïne”

(2007/C 305/05)

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S stelt het volgende vast

Na de gebeurtenissen die uiteindelijk hebben geleid tot de „Oranje Revolutie” eind 2004, heeft Oekraïne getracht een ambitieus hervormingsprogramma door te voeren om de democratie en de markteconomie in het land stevig te verankeren en dichter bij de EU te komen. Het proces van hervormingen is echter nog maar in een pril stadium.

Het is een goede zaak dat de EU en Oekraïne in maart 2007 onderhandelingen zijn begonnen over een nieuwe Verbeterde Overeenkomst.

Het CvdR kijkt met belangstelling uit naar de volgende fase van het Oekraïense Plan voor Bestuurlijke Hervorming, waarbij speciale aandacht uitgaat naar de bevoegdheden van de lokale en regionale overheden, decentralisatie op het gebied van belastingen en territoriale hervormingen.

Tot voldoening van het CvdR wordt voorgesteld een institutioneel platform op te zetten, bedoeld om, in de context van de huidige onderhandelingen over de nieuwe Verbeterde Overeenkomst, gemakkelijker overleg te kunnen voeren met de maatschappelijke actoren in de EU en Oekraïne. Helaas is er op dit moment nog niet voorzien in een vergelijkbaar niveau van overleg met de actoren die actief zijn op het gebied van grensoverschrijdende en regionale samenwerking. Daarom roept het Comité de Europese Commissie op om een vergelijkbaar institutioneel platform op te zetten voor vertegenwoordigers van de lokale en regionale overheden in de EU en Oekraïne.

Het Comité van de Regio's zou, hierin praktisch bijgestaan door de Europese Commissie en in overeenstemming met de door de EU en Oekraïne getekende Partnerschaps- en Samenwerkingsovereenkomst, samen met de lokale en regionale overheden in Oekraïne en de EU-lidstaten een kaderovereenkomst kunnen opstellen, die de basis zou kunnen leggen voor samenwerking tusen de lokale en regionale overheden in de EU-lidstaten en hun Oekraiense tegenhangers.

Slechts 5 % van de middelen van het ENPI zijn bestemd voor grensoverschrijdende samenwerking aan de oostelijke grens van de EU. Het budget voor het ENPI als geheel dient te worden verhoogd en minstens 10 % van de middelen zal moeten worden besteed aan ondersteuning van programma's voor grensoverschrijdende samenwerking.

Rapporteur

:

De heer SÉRTŐ-RADICS (HU/ALDE), burgemeester van Uszka, vicevoorzitter van de commissie RELEX

Beleidsaanbevelingen

De strategie m.b.t. de relaties tussen de EU en Oekraïne en de belangrijkste uitdagingen

1.

Het Comité van de Regio's zou met onderhavig initiatiefadvies een bijdrage willen leveren aan de bevordering van de democratie in Oekraïne op regionaal en lokaal niveau. Daarnaast is het document bedoeld om de aanzet te geven tot concrete stappen in het kader van het Strategische Partnerschap en het Actieprogramma EU-Oekraïne, dat onderdeel is van het nieuwe reeds van start gegane Europese Nabuurschapsbeleid (ENB), en meer vaart te zetten achter dit proces. Het is dan ook de bedoeling om in dit initiatiefadvies speciaal aandacht te besteden aan de mogelijkheden die er zijn om de gemeenschappelijke problemen op te lossen via intensivering van de grensoverschrijdende en regionale samenwerking tussen de decentrale overheden van de EU en Oekraïne.

2.

Waar de EU strategisch gezien sowieso al veel belang heeft bij politieke stabiliteit en economische ontwikkeling in Oekraïne, zijn er met de recente uitbreiding en de toetreding van twee nieuwe lidstaten aan de lands- en zeegrenzen van Oekraïne nog meer argumenten die spreken voor het aanhalen van de betrekkingen. Het zou de verdere ontwikkeling van Oekraïne beslist ten goede komen als het land uitgroeit tot een bloeiende markt voor exportartikelen en investeringen uit de EU, en tot een stabiele, voorspelbare en coöperatieve partner in het streven naar vrede en veiligheid in Europa. Al deze factoren zijn van grote invloed op de stabiliteit, veiligheid en economische situatie in de EU.

3.

Momenteel vindt er in Oekraïne een hervorming van het subnationale bestuursniveau plaats, waarbij praktische voorbeelden en modellen uit de EU-lidstaten zeker van pas zouden komen. Een belangrijke volgende stap is echter dat wordt nagegaan in hoeverre de wetgeving op consistente en transparante wijze wordt toegepast. Dit vraagt mede om institutionele capaciteitsopbouw: een belangrijke voorwaarde voor de ontwikkeling van een democratisch bestel, een behoorlijk bestuur en het in praktijk brengen van de Europese beginselen van subsidiariteit, burgerbetrokkenheid en partnerschap. Al deze zaken zijn van cruciaal belang voor een duurzame economische ontwikkeling, een doel dat niet alleen door Oekraïne, maar ook door de EU wordt nagestreefd.

4.

Naarmate de gemeenschappelijke grens met Oekraïne (evenals met andere NOS-landen) langer wordt, zal dit land een steeds belangrijkere strategische partner van de EU worden. De EU dient te streven naar goede en evenwichtige betrekkingen met Oekraïne, dat immers haar op één na grootste nabuur is, en heeft daarom alle belang bij de bevordering van goed bestuur en democratie in dit land, niet alleen op nationaal, maar ook op regionaal en lokaal niveau. Er zullen praktische en concrete maatregelen moeten worden genomen om in te spelen op de dynamische veranderingen en nieuwe uitdagingen als gevolg van de recente uitbreidingsrondes (10 + 2), die verregaande gevolgen hebben voor de betrekkingen van de EU met Oekraïne.

5.

Er moet rekening mee worden gehouden dat de uitbreiding van de EU niet alleen gevolgen heeft voor de betrekkingen van Oekraïne met de huidige lidstaten van de EU, maar ook doorwerkt op de betrekkingen van dit land met de andere NOS-landen en Rusland. Daarom zal er opnieuw moeten worden gekeken naar de wijze waarop de huidige samenwerkingsstructuren en andere netwerken functioneren. Hierin zullen verbeteringen moeten worden aangebracht, zodat ze in plaats van obstakels op te werpen het juist mogelijk maken, concrete vooruitgang te boeken op het punt van stabilisering van de democratie, waarachtige decentralisatie en territoriale samenhang. Daarnaast zal moeten worden beseft dat met de toetreding van de nieuwe lidstaten de vooruitzichten voor de Zwarte-Zeeregio dramatisch zullen veranderen. Deze nieuwe uitdagingen zal op politiek en economisch niveau het hoofd moeten worden geboden.

6.

De EU draagt al sinds jaren het hare bij aan de ontwikkeling van democratie en goed bestuur op lokaal niveau in de LMOE, onder meer via de TACIS- en twinning-programma's. De coördinatie tussen de verschillende programma's laat echter te wensen over. Daarom pleit het CvdR voor een meer doelgericht beheer van de nieuwe externe hulpprogramma's van de EU, zoals het nieuwe Europese nabuurschaps- en samenwerkingsinstrument (ENPI) en het eveneens nieuwe Investeringsfonds van het nabuurschapsbeleid. Hiertoe moet het verband tussen alle oude en nieuwe beleidslijnen (m.n. de bijbehorende programma's en financiële instrumenten) opnieuw worden bekeken vanuit het standpunt van de lokale en regionale overheden.

7.

De EU hecht veel waarde aan twinning-projecten, aangezien deze bijdragen tot het verbeteren van de bestuursefficiëntie en de intermenselijke contacten. Het CvdR wil daarom graag dat dergelijke samenwerkingsinitiatieven worden verlengd en zelfs worden uitgebreid, zodat een oplossing kan worden gevonden voor de specifieke problemen die zich bij de opbouw van lokale en regionale instellingen in Oekraïne en de omringende landen voordoen. Lokale en regionale democratie is van cruciaal belang voor de uitbouw van een democratisch bestel en voor de capaciteitsopbouw in Oekraïne. Voor de buitenwereld zou het duidelijk moeten zijn dat hierbij o.m. de principes van het Europees Handvest over lokaal zelfbestuur van 15 oktober 1985 worden nageleefd. Om die reden moeten alle partijen bij de discussies worden betrokken, dus ook de lokale en regionale organisaties en overheden.

8.

Als een partnerschap geloofwaardig wil zijn, dient deze te worden geschraagd door een strategie en een concrete agenda waarin wordt uitgegaan van gemeenschappelijke belangen, zodat de geformuleerde beleidsdoelstellingen ook daadwerkelijk kunnen worden verwezenlijkt. Hiertoe moeten specifieke en concrete maatregelen worden goedgekeurd waarmee wordt ingespeeld op de veranderingen en nieuwe uitdagingen in de relaties tussen de onlangs uitgebreide Unie en Oekraïne. Het is van vitaal belang dat er op lokaal en regionaal niveau voorwaarden worden geschapen voor economische groei, omdat hiervan de toekomstige welvaart afhangt. Verder dient de ontwikkeling te worden afgestemd op de diverse taken die de lokale en regionale overheden uitoefenen. Onderwijs, milieubescherming, vervoer, ontwikkeling van het bedrijfsleven op basis van publiek-private samenwerking, sociale voorzieningen en gezondheidszorg zijn wat de regionale ontwikkeling betreft de terreinen die het meest kunnen bijdragen tot de groei in Oekraïne en de EU en tot een nauwere samenwerking tussen de lokale en regionale overheden.

9.

De EU dient haar aandacht speciaal te richten op regio's waar in het bijzonder behoefte is aan groei en ontwikkeling. Zo zal het Europese Nabuurschaps- en Partnerschapsinstrument moeten worden ingezet voor steun aan achtergebleven gebieden in Oekraïense regio's die economisch zwak ontwikkeld zijn. Voorts is het zaak dat de uitgangspunten van het Europese structuur- en cohesiebeleid worden aangepast aan de situatie ter plekke, waarbij rekening wordt gehouden met de behoefte aan verbetering van de leefomstandigheden, duurzame ontwikkeling en versterking van het regionale concurrentievermogen.

10.

Het CvdR is voornemens prioriteit te verlenen aan terreinen die binnen de bevoegdheden van de lokale en regionale overheden vallen. Terwijl de nationale overheden verantwoordelijk zijn voor kwesties die de maatschappij als geheel aangaan, zijn het de lokale en regionale overheden die zich richten op meer specifieke maatschappelijke gebieden die dicht bij het dagelijkse leven van de individuele burger staan.

11.

Door nauwe samenwerking op het niveau van specifieke projecten na te streven kan de EU ertoe bijdragen dat de hervorming van het bestuur en de openbare dienstverlening op nationaal, regionaal en lokaal niveau evenwichtig wordt aangepakt. Op die manier kan de EU via projecten in specifieke sectoren een bijdrage leveren aan de opbouw van het menselijk kapitaal in deze sectoren. De EU zal door moeten gaan met het tot ontwikkeling brengen van de intermenselijke contacten op dit gebied, m.n. door het aangaan van partnerschappen op onderwijsgebied.

De relaties tussen de EU en Oekraïne: recente ontwikkelingen

12.

Na de gebeurtenissen die uiteindelijk hebben geleid tot de „Oranje Revolutie” eind 2004, heeft Oekraïne getracht een ambitieus hervormingsprogramma door te voeren om de democratie en de markteconomie in het land stevig te verankeren en dichter bij de EU te komen. Het proces van hervormingen is echter nog maar in een pril stadium.

13.

De beleidsdoelstellingen uit de Partnerschaps- en Samenwerkingsovereenkomst (PSO) van april 1998 en het Actieprogramma EU-Oekraïne van februari 2005 vormen nog altijd een belangrijk fundament voor het ontwikkelen van de samenwerking tussen de twee partners. De door beide partijen gesloten Overeenkomst biedt een raamwerk voor bilaterale samenwerking en maakt de oprichting mogelijk van de belangrijkste fora en besluitvormende organen via welke zaken van gemeenschappelijk belang op alle niveaus kunnen worden geregeld, gegevens kunnen worden uitgewisseld en conflicten kunnen worden opgelost.

14.

Het is een goede zaak dat de EU en Oekraïne in maart 2007 onderhandelingen zijn begonnen over een nieuwe Verbeterde Overeenkomst. Het belangrijkste doel van deze Verbeterde Overeenkomst, waarin het strategische belang van betrekkingen tussen de EU en Oekraïne als uitgangspunt is genomen, is het nauwer bij de EU betrekken van Oekraïne, het versterken van de politieke samenwerking, het opvoeren van het handels- en investeringsniveau en het aldus bijdragen tot de economische ontwikkeling en welvaart in Oekraïne.

15.

Tot voldoening van het CvdR wordt voorgesteld een institutioneel platform op te zetten, bedoeld om, in de context van de huidige onderhandelingen over de nieuwe Verbeterde Overeenkomst, gemakkelijker overleg te kunnen voeren met de maatschappelijke actoren in de EU en Oekraïne. Helaas is er op dit moment nog niet voorzien in een vergelijkbaar niveau van overleg met de actoren die actief zijn op het gebied van grensoverschrijdende en regionale samenwerking. Daarom roept het Comité de Europese Commissie op om een vergelijkbaar institutioneel platform op te zetten voor vertegenwoordigers van de lokale en regionale overheden in de EU en Oekraïne.

16.

Overigens dient erop te worden gewezen dat samenwerking in het kader van het nieuwe Europese Nabuurschapsbeleid (ENB) los moet worden gezien van toetreding tot de EU, d.w.z. samenwerking op zich is niet automatisch een opstap voor een lidmaatschap van de EU. Wel kan het zo zijn dat door uitbreiding van de samenwerking in ENB-kader in Oekraïne hervormingsprocessen in gang worden gezet en er met het oog op de toekomst een op de lange termijn gerichte strategie van goede betrekkingen van de grond komt, die het land wellicht dichter bij de EU brengt.

17.

Het CvdR verklaart zich bereid constructief deel te nemen aan het vaststellen en tot ontwikkeling brengen van een gemeenschappelijke ruimte. Daarbij valt te denken aan een gemeenschappelijke economische ruimte en een gemeenschappelijke ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, evenals aan samenwerking op het gebied van externe veiligheid en op de terreinen onderzoek, onderwijs en cultuur, zoals overeengekomen tijdens de topontmoetingen tussen de EU en Oekraïne in december 2005 en oktober 2006.

18.

Naar de mening van het CvdR hebben de lokale en regionale overheden in deze gemeenschappelijke ruimtes op tal van terreinen een legitieme rol te vervullen. Voorgesteld wordt dan ook om het Comité rechtstreeks te betrekken bij de ontwikkeling van de gemeenschappelijke ruimtes als het gaat om terreinen die onder zijn bevoegdheden vallen, en om terreinen waarop de open coördinatiemethode van toepassing is.

19.

Het CvdR kijkt met belangstelling uit naar de volgende fase van het Oekraïense Plan voor Bestuurlijke Hervorming, waarbij speciale aandacht uitgaat naar de bevoegdheden van de lokale en regionale overheden, decentralisatie op het gebied van belastingen en territoriale hervormingen. Hopelijk zullen er meer mogelijkheden komen voor samenwerking tussen de lokale en regionale overheden van de EU en Oekraïne.

20.

Het CvdR gaat ervan uit dat in de toekomstige wetgevingsvoorstellen ook de beginselen van het in oktober 1985 opgestelde Europese Handvest inzake lokale autonomie zullen worden opgenomen.

21.

Het is een verheugende zaak dat er aandacht wordt besteed aan de samenwerking tussen de lokale en regionale overheden in de EU en Oekraïne. Op deze manier kunnen er versneld oplossingen worden gevonden voor gemeenschappelijke problemen waar de gewone burger op lokaal en regionaal niveau zich zorgen over maakt.

22.

Zowel de democratie als de sociaal-economische ontwikkeling zal er wel bij varen als er op lokaal en regionaal niveau informatie en goede praktijken worden uitgewisseld. Het is hoopgevend dat de positieve resultaten van projecten die gezamenlijk door lokale en regionale overheden in de EU en Oekraïne zijn uitgevoerd, de verschillende partijen hebben gesterkt in hun wens om de samenwerking in goede onderlinge verstandhouding voort te zetten.

23.

Samenwerking tussen de lokale en regionale overheden op duurzame basis is een noodzakelijke voorwaarde als men wil dat de maatregelen ter ontwikkeling van gezamenlijke projecten ook resultaat opleveren.

Het besluitvormingsproces en de belangrijkste prioriteiten op lokaal en regionaal niveau

24.

Er wordt een dringend beroep gegaan op de lokale en regionale overheden in de EU en Oekraïne om samen te werken als het gaat om zaken van wederzijds belang. Er kan op tal van terreinen worden samengewerkt, zoals cultuur, sociale zaken, regionale economie, milieubescherming, vervoer en landbouw. Ook kunnen er speciale initiatieven worden gelanceerd ter bevordering van O&O in de particuliere sector. Het gaat hier om gebieden die van bijzonder belang zijn vanuit het oogpunt van de territoriale bevoegdheden inzake regionale ontwikkeling.

25.

Gezondheid en voor een belangrijk deel ook medische zorg zijn noodzakelijke voorwaarden voor het groeipotentieel van maatschappijen en nemen daarom een belangrijke plaats in binnen het actieterrein van de lokale en regionale overheden. Deze beleidssectoren hebben een sociale dimensie en zijn direct of indirect ook van invloed op andere sectoren. Ze zijn daarom cruciale factoren voor andere sectoren en dragen bij tot de bevordering en het behoud van de sociale stabiliteit.

26.

Het Comité van de Regio's zou, hierin praktisch bijgestaan door de Europese Commissie en in overeenstemming met de door de EU en Oekraïne getekende Partnerschaps- en Samenwerkingsovereenkomst, samen met de lokale en regionale overheden in Oekraïne en de EU-lidstaten een kaderovereenkomst kunnen opstellen, die de basis zou kunnen leggen voor samenwerking tussen de lokale en regionale overheden in de EU-lidstaten en hun Oekraïense tegenhangers.

27.

Het is een goede zaak om de uitwisseling van informatie en verspreiding van beste praktijken in de verschillende actiegebieden te bevorderen, mits de hele maatschappij van een en ander kan profiteren. Het CvdR is bereid om mee te helpen met het organiseren van regelmatig te houden, aan Oekraïne gewijde discussiebijeenkomsten om een evaluatie van de samenwerking en betrekkingen tussen de EU en Oekraïne mogelijk te maken. Dergelijke discussiebijeenkomsten zouden in het bijzonder nuttig zijn voor terreinen die binnen de bevoegdheden van de lokale en regionale overheden vallen.

28.

Dankzij het uitwisselen van ervaringen en informatie tussen het Comité van de Regio's en het Europees Economisch en Sociaal Comité kan worden bijgedragen tot een beter wederzijds begrip tussen de EU en Oekraïne in kwesties die voor beide partijen van belang zijn. Dit zou ook nieuwe mogelijkheden bieden voor speciaal op Oekraïne gerichte initiatieven (gemeenschappelijke workshops, seminars, vergaderingen, conferenties). Beide partners zijn hier immers in geïnteresseerd en zouden graag bereid zijn om de onderlinge samenwerking te intensiveren.

Grensoverschrijdende en regionale samenwerking

29.

De uitvoering van de tweede fase van het nieuwe nabuurschapsprogramma staat gepland voor 2007-2013. Hierdoor zal waarschijnlijk de weg worden gebaand voor een nauwere en effectievere grensoverschrijdende samenwerking die tot concrete resultaten kan leiden.

30.

Er is meer technische en politieke ondersteuning nodig om de voorwaarden te scheppen voor een permanente grensoverschrijdende en regionale samenwerking tussen de EU en haar naaste buren in de periode 2007-2013. Het nieuwe Europese Nabuurschaps- en Partnerschapsinstrument zou moeten worden gebruikt voor een krachtige ondersteuning van de doelstellingen op het gebied van territoriale samenwerking.

31.

Het Comité van de Regio's is ingenomen met het door de Europese Commissie in ENPI-kader opgestelde strategische landendocument voor Oekraïne (periode 2007-2013), waarin wordt erkend dat grensoverschrijdende samenwerking een essentiële voorwaarde is voor samenwerking tussen buurlanden. Deze vorm van samenwerking is de beste manier om eventuele twijfels over de Schengen-overeenkomsten uit de weg te ruimen, en biedt ook veel wederzijdse voordelen voor regio's aan beide kanten van de grens, ongeacht de fase van ontwikkeling waarin de oostelijke grensregio's van de EU op dit moment verkeren.

32.

Slechts 5 % van de middelen van het ENPI zijn bestemd voor grensoverschrijdende samenwerking aan de oostelijke grens van de EU. Het budget voor het ENPI als geheel dient te worden verhoogd en minstens 10 % van de middelen zal moeten worden besteed aan ondersteuning van programma's voor grensoverschrijdende samenwerking.

33.

In het licht van het bovenstaande dient zeer nauwkeurig te worden vastgelegd wat de prioriteiten van de grensoverschrijdende samenwerking zijn, zodat er een zo groot mogelijk synergetisch effect kan worden bereikt en een onproductieve versnippering van middelen wordt vermeden. Het heeft geen zin om een dergelijk gering bedrag aan te wenden voor het ondersteunen van algemene programma's voor economische en sociale ontwikkeling in grensregio's. Het getuigt evenmin van realisme als men denkt dat deze kleine begrotingspost voldoende is voor het verwezenlijken van andere prioritaire EU-doelstellingen, zoals het zorgen voor goed functionerende en veilige grenzen. Dergelijke doelstellingen vallen onder andere beleidssectoren van de EU.

34.

Er zou wat de grensoverschrijdende samenwerking betreft meer aandacht moeten uitgaan naar m.n. drie prioriteiten, te weten a) het vinden van oplossingen voor gemeenschappelijke grensproblemen, waaronder een gedeelde lokale infrastructuur en een geïntegreerde regionale ontwikkeling, b) rechtstreekse persoonlijke contacten en c) de ontwikkeling van menselijke hulpbronnen en de ondersteuning van onderwijs, wetenschap en onderzoek in grensregio's.

35.

Het zal zijn vruchten afwerpen als er (m.n. op de terreinen cultuur en onderwijs) meer belangstelling wordt gewekt voor vormen van samenwerking die zijn gebaseerd op activiteiten en tradities welke kenmerkend zijn voor oorspronkelijke lokale en regionale culturen.

36.

Er wordt veel verwacht van de mogelijke rol die de Europese groeperingen voor territoriale samenwerking (EGTS) in de toekomst als rechtsinstrument op bovengenoemde terreinen kunnen spelen, vooral waar het gaat om volksgezondheid, openbaar vervoer, paraatheid bij rampen of het opzetten van transnationale toeristische structuren. Daarnaast zullen de EGTS kunnen dienen als een aanvullend instrument om strategieën voor publiek-private partnerschappen te implementeren. Het Comité roept de bevoegde nationale instanties in Oekraïne en de naburige EU-lidstaten op, de nodige stappen te nemen om de deelname van de Oekraïense partners aan toekomstige EGTS, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1082/2006, mogelijk te maken.

37.

De EU zou haar financiële samenwerking met Oekraïne moeten intensiveren, en wel in de eerste plaats via het ENPI en door het inzetten van nieuwe instrumenten, zoals het Nabuurschapsinvesteringsfonds. Hiervan zouden de organen in de lidstaten die verantwoordelijk zijn voor ontwikkelingshulp gebruik kunnen maken voor het stimuleren van investeringen in de partnerlanden van het Europese nabuurschapsbeleid. Verder zou het goed zijn als Oekraïne ertoe bijdraagt dat er een gezamenlijk financieel akkoord wordt ondertekend, waarvan de uitvoering bij een gemeenschappelijke stichting komt te berusten.

38.

Programma's voor het aanknopen van stedenbanden spelen een belangrijke rol als het gaat om de uitwisseling van informatie op specifieke actieterreinen.

39.

Het is verheugend dat de Europese Commissie zo veel belang hecht aan de lokale inbreng en daarvoor ook steun zoekt bij het nationale niveau. Met het oog op een nog verdere verbetering van de samenwerking zou er in het Actieprogramma EU-Oekraïne ruimte moeten zijn voor de uitvoering van bilaterale programma's.

De specifieke situatie van regio's die direct aan de EU grenzen

40.

De Oekraïense regio's die direct aan de EU grenzen, ondervinden het sterkst de gevolgen van de internationale relaties tussen de EU en Oekraïne. Daarom zal er in deze regio's nauwer moeten worden samengewerkt via interregionale contacten en partnerschappen tussen lokale overheden.

41.

Het Comité dringt erop aan dat Oekraïne en de naburige lidstaten snel bilaterale overeenkomsten sluiten, om zo uitvoering te geven aan de bij Verordening (EG) nr. 1931/2006 vastgelegde regels inzake klein grensverkeer.

42.

Het is belangrijk dat economisch achteropgeraakte regio's worden geholpen om hun achterstand in te halen. Hiertoe is het nodig dat de Oekraïense regering een strategie ontwikkelt die aansluit op de beginselen van het Europese regionale beleid, en dat er een systeem van instrumenten en organen wordt opgezet. Regio's in de EU-lidstaten kunnen hieraan een bijdrage leveren door kennis over te dragen, waarbij alle betrokkenen de gelegenheid krijgen deel te nemen aan specifieke projecten in het kader van het Actieprogramma EU-Oekraïne, samen te werken op bepaalde terreinen en bij te dragen tot de verspreiding van beste praktijken. Het is van het grootste belang dat er financiële middelen worden vrijgemaakt voor de implementatie van de concrete onderdelen van het Actieprogramma EU-Oekraïne. Deze middelen dienen gemakkelijk toegankelijk te zijn.

43.

In multiculturele regio's spelen contacten tussen de mensen een belangrijke rol, vooral op de terreinen cultuur en onderwijs, maar ook als het gaat om samenwerking tussen jongeren. Het is met name de opbouw van ervaring en kennis die een doorslaggevende impuls kan geven voor de grensoverschrijdende samenwerking en Oekraïne op weg kan helpen om de noodzakelijke hervormingen door te voeren.

Brussel, 11 oktober 2007.

De voorzitter

van het Comité van de Regio's

M. DELEBARRE


15.12.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 305/25


Advies van het Comité van de Regio's over „De Europese onderzoeksruimte: Nieuwe perspectieven”

(2007/C 305/06)

Het Comité van de Regio's wijst er in dit advies op dat meer vaart moet worden gezet achter de verwezenlijking van een Europese onderzoeksruimte met als doel om van Europa de grootste informatiemaatschappij en de meest dynamische economie ter wereld te maken. Regio's dragen met hun onderzoeksbeleid, waarmee ondersteunende randvoorwaarden op programmatisch en juridisch vlak en in structurele zin worden geschapen, aanzienlijk bij tot de totstandbrenging van een springlevende Europese onderzoeksruimte.

Het is er voorstander van dat regionale en nationale onderzoeksprogramma's en -prioriteiten worden gecoördineerd, met de nadruk op de vaststelling dat de verantwoordelijkheid voor O&O, krachtens het subsidiariteitsbeginsel bij de lidstaten en de regionale en lokale overheden ligt. Centralisering en programmering van onderzoek in EU-verband dienen eens te meer te worden afgewezen.

In verband met de ontwikkeling van een Europese onderzoeksruimte is het in de eerste plaats van belang dat de mobiliteit van wetenschappers wordt bevorderd, o.m. door middel van de noodzakelijke juridische aanpassingen op het vlak van verblijfsvergunningen en pensioenen en van flankerende maatregelen voor de gezinnen van wetenschappers.

Er moeten richtsnoeren en regels ter bescherming van de intellectuele eigendom worden uitgevaardigd. Een Europees handvest voor de manier waarop met de intellectuele eigendom van openbare onderzoeksinstellingen en hogescholen moet worden omgegaan, kan in belangrijke mate bijdragen tot de verwezenlijking van een Europese onderzoeksruimte en de totstandbrenging van samenwerkingsnetwerken.

Nieuwe vormen van samenwerking tussen openbare instellingen en particuliere bedrijven dienen te worden gestimuleerd, waarbij kan worden gedacht aan een gemeenschappelijk innovatiefonds waarin beide partijen vertegenwoordigd zijn. Hogescholen moeten meer dan ooit erkenning krijgen als drijvende kracht achter innovatieve ontwikkelingen in hun regio en dienen als zodanig meer steun te krijgen.

Referentiedocumenten

Groenboek „De Europese onderzoeksruimte: Nieuwe perspectieven”

COM(2007) 161 final

Mededeling „Verbeteren van de kennisoverdracht tussen onderzoeksinstellingen en industrie binnen Europa: omarmen van open innovatie — Uitvoering van de Lissabonagenda”

COM(2007) 182 final

Rapporteur

:

M. SCHROEREN (DE/EVP), lid van het parlement van de deelstaat Noordrijn-Westfalen

Beleidsaanbevelingen

Het Comité van de Regio's

1.

bekrachtigt het grote belang van de verwezenlijking van een Europese onderzoeksruimte voor de economische en maatschappelijke ontwikkeling en het innovatievermogen van Europa alsook voor de verwezenlijking van de Lissabondoelstelling, voor duurzame en evenwichtige groei, voor een succesvolle ontwikkeling van de regio's en voor een hogere levenskwaliteit voor de Europese burger;

2.

is van mening dat er, sinds de Europese Raad in maart 2000 in Lissabon tot de verwezenlijking van een Europese onderzoeksruimte heeft besloten, te dien einde belangrijke maatregelen zijn genomen. Achter dit proces zou echter meer vaart moeten worden gezet om van Europa daadwerkelijk de meest dynamische en toonaangevende kenniseconomie ter wereld te kunnen maken;

3.

juicht derhalve het initiatief van de Commissie toe om in een Groenboek de balans op te maken van de vorderingen — positieve resultaten maar ook mislukkingen worden op een rijtje gezet — die zijn geboekt sinds de initiëring van de Europese onderzoeksruimte in 2000 en om, al rekening houdend met de jongste ontwikkelingen, nieuwe ideeën te formuleren;

4.

acht het in verband met de ontwikkeling van een Europese onderzoeksruimte in de eerste plaats van belang dat de mobiliteit van wetenschappers wordt bevorderd, onder meer door middel van de noodzakelijke juridische aanpassingen op het vlak van verblijfsvergunningen en pensioenen, en van flankerende maatregelen voor de gezinnen van wetenschappers. Daarnaast zouden een betere coördinatie en nauwere samenwerking tussen lidstaten en regio's bij de verschillende onderzoeksprogramma's synergie-effecten kunnen creëren en aldus aan de Europese onderzoeksruimte een meerwaarde kunnen geven en tot de versterking van het concurrentievermogen van Europa op de mondiale kennismarkt kunnen bijdragen. De kennisoverdracht moet dringend worden verbeterd, ook via innovatieclusters. De steunprogramma's van de EU, met name het achtste kaderprogramma voor O&O, moeten in die zin verder worden uitgebouwd. Het achtste kaderprogramma voor O&O dient bovendien efficiënter dan tot nu toe aan de Europese structuurfondsen te worden gekoppeld;

5.

benadrukt de belangrijke rol die de regio's op dit vlak spelen. Met hun onderzoeksbeleid, waarmee ondersteunende randvoorwaarden op programmatisch en juridisch vlak en in structurele zin worden geschapen, dragen zij wezenlijk bij tot het creëren van een Europese meerwaarde op het gebied van onderzoek en helpen zij mee vorm te geven aan een dynamische Europese onderzoeksruimte. Juridische kadervoorwaarden op EU-niveau dienen alleen dan te worden ingevoerd als dit onontbeerlijk is voor de verwezenlijking van een Europese onderzoeksruimte en als coördinerende maatregelen, onder meer in het kader van de open coördinatiemethode, niet volstaan. Gecentraliseerde programma's die verder gaan dan dat, worden eens te meer afgewezen;

6.

benadrukt tevens de belangrijke rol die de steden en regio's spelen bij het creëren van een innovatief klimaat. Stads- en regionaal beleid zijn vanuit het oogpunt van de mobiliteit van wetenschappers — immers alleen een veelzijdig, flexibel en innovatief arbeidsklimaat trekt hen aan — van grote invloed op de verwezenlijking van de Europese onderzoeksruimte en ook zeer belangrijk voor de ontwikkeling van onderzoeksinfrastructuur. Men denke daarbij aan regionaal innovatiebeleid, technologiecentra, incubatoren, wetenschapsparken en risicokapitaalfondsen;

7.

merkt op dat in het Groenboek één perspectief niet wordt belicht, nl. dat intensievere samenwerking tussen publiek gefinancierd onderzoek en andere maatschappelijke actoren een kwestie is die ook lokale en regionale overheden aangaat. Het bedrijfsleven, dat op een aantal punten in het Groenboek wél wordt genoemd, is niet de enige betrokkene. In veel lidstaten zijn de lokale en regionale overheden verantwoordelijk voor belangrijke onderdelen van het algemeen welzijn. Goede samenwerking tussen universiteiten en publieke actoren is belangrijk en de behoefte aan „sociale innovaties” is groot, zeker ook om de grote maatschappelijke uitdagingen het hoofd te kunnen bieden en zo bij te dragen aan het uitvoeren van de Lissabonstrategie;

De mobiliteit van wetenschappers

8.

is het ermee eens dat de thematische, geografische en institutionele mobiliteit van wetenschappers van groot belang is voor de ontwikkeling en overdracht van kennis en tegenwoordig dan ook vanzelfsprekend deel moet uitmaken van het curriculum vitae en de loopbaan van iedere wetenschapper;

9.

is het ermee eens dat ontoereikende juridische en institutionele randvoorwaarden, slechte arbeidsvoorwaarden en carrièrebelemmeringen de mobiliteit van wetenschappers, zoals hierboven beschreven, nu vaak nog in de weg staan;

10.

benadrukt het belang van wetenschappelijk onderwijs overal in de Europese Unie, dus ook in de nieuwe lidstaten. Dit leidt tot een betere waarborging van gelijke kansen m.b.t. de toegang tot wetenschappelijk onderwijs en tot een optimale benutting van Europa's geestelijk potentieel ten voordele van de Unie. In dit licht kan het belang van de financiering van universiteiten en onderzoeksinstellingen met EU- en/of nationale financieringsinstrumenten en lokale en/of regionale maatregelen niet genoeg worden onderstreept;

11.

spoort de lokale en regionale overheden ertoe aan om binnen hun bevoegdheden alle mogelijke maatregelen te nemen die de mobiliteit op de diverse terreinen, en met name tussen de wetenschap en het bedrijfsleven, kunnen bevorderen. Van groot belang is dat daarbij op Europees niveau nauw wordt samengewerkt tussen bedrijfsleven, universiteiten en onderzoeksinstellingen, alsook met de politieke actoren en overheidsinstanties op lokaal, regionaal en nationaal niveau. Het percentage vrouwelijke wetenschappers moet blijvend worden verhoogd. Flexibele carrière- en arbeidstijdregelingen en regelingen voor de overdracht van pensioenrechten, maar ook kinderopvangmogelijkheden die aan de verschillende behoeften tegemoetkomen, en andere flankerende gezinsvriendelijke maatregelen (bijv. steunmaatregelen om echtgenote(n)/(s) c.q. levenspartners aan een baan te helpen), spelen in dit opzicht een cruciale rol;

12.

benadrukt dat Europa er alle baat bij heeft uitmuntende wetenschappers uit landen buiten Europa aan te trekken. EU-programma's ter bevordering van de mobiliteit, zoals het Marie-Curie-programma, en ondersteunende maatregelen zoals die in sommige regio's in het kader van terugkeerprogramma's voor wetenschappers worden genomen, zijn daarom van bijzonder belang;

13.

onderschrijft in dit verband principieel de noodzaak tot verdere openstelling van de regionale en nationale O&O-programma's. Wel moet worden verduidelijkt hoe dit concreet vorm kan worden gegeven;

14.

bekrachtigt de specifieke rol van de EU: het is haar taak om de regionale en nationale maatregelen ter bevordering van de mobiliteit beter op elkaar af te stemmen door via de open coördinatiemethode te zorgen voor meer transparantie en een betere verspreiding van voorbeelden van de beste regionale praktijken;

Faciliteiten voor toponderzoek

15.

herhaalt zijn standpunt dat er een moderne, efficiënte Europese onderzoeksinfrastructuur moet worden opgezet, met name door de oprichting van moderne virtuele netwerken en gegevensbanken. Tevens stemt het ermee in dat het mogelijk moet zijn om hiervoor naast Europese middelen ook regionale, nationale en particuliere middelen aan te trekken. Het is in dit verband van wezenlijk belang dat het streefpercentage van 3 % van het BBP (waarvan 2/3 voor rekening van de particuliere sector) wordt gehaald;

16.

herhaalt zijn standpunt dat er, ter waarborging van de internationale concurrentiepositie van de Europese onderzoeksruimte, vaart dient te worden gezet achter de onderlinge verbinding (in de vorm van netwerken) en ontwikkeling van de bestaande onderzoeksinstellingen. De Europese structuurfondsen zouden een doorslaggevende bijdrage kunnen leveren aan de financiering en oprichting van nieuwe onderzoeksinfrastructuurvoorzieningen. Daarnaast moet ernaar gestreefd worden om een en ander beter te laten aansluiten op het kaderprogramma voor O&O. Dit aspect en de rol van de structuurfondsen bij het creëren van een Europese onderzoeksruimte krijgen in het Groenboek te weinig aandacht;

17.

spoort ertoe aan om in dit verband ook over de tenuitvoerlegging en financiering van de door het Europese strategieforum voorgelegde Europese routekaart te discussiëren, aangezien dit een belangrijke mijlpaal is in de totstandbrenging van een Europese onderzoeksruimte. De nadruk dient daarbij te liggen op een duidelijke en transparante besluitvorming en het criterium dat onderzoek van topniveau moet zijn;

18.

juicht dan ook de inspanningen in verscheidene regio's toe om door het toekennen van meer autonomie aan de hogescholen de weg vrij te maken voor een grotere participatie van het bedrijfsleven. Er moeten nieuwe vormen van samenwerking tussen openbare instellingen en particuliere sector komen (te denken valt bijv. aan een gemeenschappelijk innovatiefonds waarin beide partijen vertegenwoordigd zijn), die als model kunnen dienen voor een duurzame en gegarandeerde besteding van overheidsgelden. Hogescholen moeten meer dan ooit erkenning krijgen als drijvende kracht achter innovatieve ontwikkelingen in hun regio, beter worden ondersteund en op regionaal, nationaal en Europees niveau nauwer worden betrokken bij relevante discussies;

19.

is net als de Commissie van oordeel dat de O&O-activiteiten van de overheids- en particuliere sector en van de EU-lidstaten beter dienen te worden gecoördineerd. De open coördinatiemethode is een geschikt instrument om in dit verband de nodige synergie tot stand te brengen;

Versterking van de positie van onderzoeksinstellingen en hun oriëntatie op toponderzoek

20.

onderstreept dat hogescholen en extra-universitaire onderzoeksinstellingen als motoren van maatschappelijke, culturele en economische ontwikkeling in hun regio en in grensoverschrijdende samenwerkingsverbanden een essentiële rol spelen voor fundamenteel en toegepast onderzoek. Het pleit daarom voor een ruime, niet uitsluitend economische interpretatie van het begrip „innovatie”;

21.

acht het van groot belang dat hogescholen en onderzoeksinstellingen grensoverschrijdend samenwerken met extra-universitaire partners uit het bedrijfsleven, het overheidsbestuur, culturele instanties en andere sectoren van de samenleving;

22.

steunt de inspanningen om virtuele competentiecentra op te richten en wijst in deze samenhang op de inspanningen van de regio's om de samenwerking tussen de diverse actoren via — ook virtuele — netwerken te bevorderen;

23.

is ingenomen met de initiatieven van de EU om deze maatregelen door middel van bijzondere steunprogramma's of onderdelen daarvan, bv. in het kader van het zevende EU-kaderprogramma voor O&O, te consolideren. De programma's in kwestie dienen doelgericht verder te worden ontwikkeld met het oog op de nauwere samenwerking tussen genoemde instellingen en actoren die nodig is om de gewenste kritische massa te bereiken en om centra voor toponderzoek van internationale faam op zetten;

24.

merkt op dat de voor onderzoeksinstellingen nagestreefde kritische massa afhangt van het onderwerp, het onderzoeksterrein en de deelnemers. Er zijn geen kant-en-klare oplossingen die op alle onderzoeksterreinen en steuninstrumenten kunnen worden toegepast;

25.

staat positief tegenover de in het Groenboek geformuleerde doelstelling om een evenwicht na te streven tussen financiering vanuit de instelling zelf en financiering op basis van concurrentie. Verwijzend naar zijn eerdere adviezen dringt het Comité er ten zeerste op aan dat de discussie hierover wordt voorgezet. De vraag hoe dit evenwicht wordt verwezenlijkt is van groot belang voor de dynamiek van het systeem;

26.

is net als in zijn eerdere adviezen geneigd meer vertrouwen te hebben in (teams van) wetenschappers die interessante en nuttige onderzoeksonderwerpen kiezen en op vrijwillige basis netwerken (bottom up) dan in sterk gecentraliseerde processen en de daarmee gepaard gaande rituele samenwerking;

27.

acht het naast het bevorderen van uitmuntendheid en topprestaties van wezenlijk belang dat voor goede onderwijs- en opleidingsmogelijkheden voor de regionale bevolking wordt gezorgd als basisvoorwaarde voor individuele en maatschappelijke welvaart en regionaal innovatievermogen;

Een democratische en efficiënte kennisoverdracht

28.

is het ermee eens dat de digitale media van groot belang zijn voor een democratische, grensoverschrijdende en doelgroepgerichte verspreiding van kennis en wetenschappelijke inzichten, ook als informatiebron voor politieke besluitvorming, en is er voorstander van dat kennis ook via internationale netwerken wordt verspreid;

29.

wijst in het licht van met name de internationale samenwerking op de noodzaak van richtsnoeren en regels ter bescherming van de intellectuele eigendom. Zonder zulke regels wordt het moeilijk om op een goede vertrouwensbasis samen te werken in interinstitutionele en grensoverschrijdende samenwerkingsverbanden, bv. in clusters of centra voor toponderzoek;

30.

herhaalt zijn standpunt dat de stelselmatige ontwikkeling en toepassing van Europese en internationale regels moeten worden aangemoedigd en door het verbreiden van voorbeelden van goede praktijken, met name op het gebied van de kennisoverdracht tussen industrie en van overheidswege uitgevoerd onderzoek, moeten worden ondersteund. Een Europees handvest voor de manier waarop de intellectuele eigendom van openbare onderzoeksinstellingen en hogescholen moet worden behandeld, kan in belangrijke mate bijdragen tot de verwezenlijking van een Europese onderzoeksruimte en de totstandbrenging van samenwerkingsnetwerken;

31.

beklemtoont dat de participatie en inspraak van de regio's en het MKB ook bij grotere EU-samenwerkingsprojecten zoals het Europees technologie-instituut, gewaarborgd dienen te worden;

De coördinatie van onderzoeksprogramma's en -prioriteiten

32.

is van mening dat regionale en nationale onderzoeksprogramma's en -prioriteiten beter op elkaar dienen te worden afgestemd en beter moeten worden gecoördineerd met het oog op een Europese onderzoeksruimte en onderzoeksmarkt, dat de onderzoeksactiviteiten van de lidstaten beter op elkaar moeten aansluiten en dat een en ander meer moet worden gericht op het gemeenschappelijke doel van de totstandbrenging van een Europese onderzoeksruimte. Met verwijzing naar het subsidiariteitsbeginsel dient niettemin de verantwoordelijkheid van de lidstaten en de regionale en lokale overheden op het gebied van O&O te worden benadrukt: centralisering en programmering van onderzoek op Europees niveau moeten eens te meer worden afgewezen;

33.

herhaalt zijn standpunt dat de totstandbrenging van een Europese onderzoeksruimte alsook de inhoudelijke coördinatie van onderzoeksactiviteiten in feite kunnen worden bevorderd door de lokale en regionale overheden goede randvoorwaarden voor onderzoek te bieden. In het kader van EU-steunprogramma's zoals het zevende kaderprogramma voor O&O wordt hieraan al gewerkt, maar een en ander zou ook kunnen worden bewerkstelligd via speciale operationale programma's van de structuurfondsen, die synergie tussen structurele steunmaatregelen en O&O-steunmaatregelen kunnen creëren;

34.

is zich ervan bewust dat onderzoeks- en innovatiemodellen die in een bepaalde regio goed blijken te werken niet zonder meer kunnen worden „gekopieerd” of overgedragen op een andere regio c.q. bestuurseenheid. Wel kunnen zij — met inachtneming van de aldaar aanwezige structurele, maatschappelijke en culturele omstandigheden — als voorbeeld dienen voor de uitwerking van aangepaste modellen voor andere regio's, m.i.v. achterstandsregio's;

35.

deelt de mening dat het ERA-NET-programma ter coördinatie van de regionale en nationale onderzoeksprogramma's heeft bewezen goed te werken en verder moet worden ontwikkeld;

36.

wijst erop dat een vergelijkend onderzoek binnen de EU (benchmarking) voor de regio's alleen acceptabel is als rekening wordt gehouden met hun specifieke ontwikkelingsvoorwaarden, -stadia en -behoeften en als er indicatoren en onderzoeksmethoden worden uitgewerkt op basis waarvan regio's echt met elkaar kunnen worden vergeleken en waardoor de resultaten daarvan ook echt bruikbaar zijn. Het spreekt vanzelf dat de regio's bij het uitwerken van dergelijke indicatoren en onderzoeksmethoden dienen te worden betrokken, wil een vergelijkend onderzoek kans van slagen hebben;

37.

merkt op dat in het Groenboek niets staat over de zgn. sociale platforms, die vernieuwend zijn in die zin dat daarmee wordt geprobeerd om strategische onderzoeksagenda's over grote Europese maatschappelijke uitdagingen, zoals milieu, vergrijzing en integratie, op te stellen en uit te voeren. Positief is dat in het werkprogramma m.b.t. het onderdeel „Samenwerking”, voor het thema „Sociale en menswetenschappen”, van december 2006 naar sociale platforms voor steden en sociale samenhang wordt verwezen. Het is belangrijk dat de Commissie deze innovatieve manier om de onderzoeksthema's van de toekomst te formuleren, verder ontwikkelt, hetgeen o.a. reeds in het overleg met onderzoekers, publieke actoren, bedrijven en maatschappelijk middenveld gebeurt;

De Europese onderzoeksruimte en de rest van de wereld

38.

deelt de mening dat O&O zo internationaal mogelijk georiënteerd dient te zijn en benadrukt de noodzaak om ook over de buitengrenzen van de Europese Unie heen samen te werken en de uitwisseling van kennis en wetenschappers te stimuleren;

39.

juicht de inspanningen van de lidstaten toe om die internationale samenwerking te bevorderen door het creëren van de vereiste randvoorwaarden (bv. door de immigratiewetgeving aan te passen). Gestreefd moet worden naar nauwe samenwerking tussen de lidstaten op dit gebied;

Verdere stappen

40.

juicht het initiatief van de Commissie toe om, met zijn participatie, een brede openbare discussie te voeren die moet leiden tot de concrete invulling en verdere ontwikkeling van de prioritaire aandachtspunten en maatregelen voor een Europese onderzoeksruimte, met inachtneming van het voor O&O geldende subsidiariteitsbeginsel.

Brussel, 11 oktober 2007.

De voorzitter

van het Comité van de Regio's

M. DELEBARRE


15.12.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 305/30


Verkennend advies van het Comité van de Regio's over „Succesfactoren bij het anticiperen op en begeleiden van herstructureringen in steden en regio's”

(2007/C 305/07)

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S DOET DE VOLGENDE AANBEVELINGEN

Het is van wezenlijk belang dat de herstructureringen in steden en regio's worden erkend als een doorlopend proces dat deel uitmaakt van onze huidige sociaal-economische realiteit. Herstructurering moet worden beschouwd als een mogelijkheid om bestaande en toekomstige economische problemen op te lossen.

Onafhankelijke organen zouden overal in de EU voortdurend toezicht moeten houden op de herstructureringsprocessen. De EU en haar lidstaten dienen het opzetten van lokale en regionale partnerschappen tussen bestuursorganen, economische actoren en sociale partners aan te moedigen, aangezien dit de onderlinge samenwerking en daarmee de lokale ontwikkeling in een geglobaliseerde wereld, m.n. in perifere regio's waar het culturele erfgoed gevaar loopt, ten goede komt.

Bij de herstructureringen op regionaal en lokaal niveau moet worden gewaarborgd dat de te realiseren doelstellingen stroken met het beleid van de EU en dat tevens een hoog werkgelegenheidsniveau gehandhaafd blijft, zodat een overeenkomstig hoog levenspeil kan worden gegarandeerd. Het huidige proces van herstructurering zou tegelijkertijd moeten uitmonden in een proces van modernisering, met als uiteindelijke doel een toekomstgerichte economie die gebaseerd is op kennis en innovatie. Dit doel kan niet worden bereikt zonder dat meer wordt geïnvesteerd in menselijk kapitaal.

Een geïntegreerde aanpak van de herstructurering in plattelandsgebieden waarborgt (of zou dat althans moeten doen) een bepaald minimumniveau van toegang tot diensten van algemeen economisch belang, zodat er bedrijven en gekwalificeerde arbeidskrachten kunnen worden aangetrokken en de ontvolking kan worden afgeremd. Belangrijk is ook dat de middelen uit het EFRO, het ESF en het ELFPO worden gebruikt voor innoverende activiteiten, en niet ter ondersteuning van activiteiten waarmee de huidige situatie in stand wordt gehouden. Een belangrijk instrument om snel problemen op te vangen die zich voordoen als gevolg van herstructureringen is het „Europese Fonds voor aanpassing aan de mondialisering”.

Rapporteur

:

de heer KROCHMAL (PL/UEN-EA), burgemeester van Wołów

Beleidsaanbevelingen

Sociaal-economische en politieke context van het advies

1.

Op 16 oktober 2006 heeft de Europese Commissie het Comité van de Regio's verzocht een verkennend advies op te stellen over adequate herstructureringsstrategieën in Europese steden en regio's. Naar de mening van de Commissie is het CvdR-advies van cruciaal belang voor de aanpak die de Commissie gaat kiezen om de voor de Europese economie zo noodzakelijke herstructureringsprocessen door te voeren.

2.

In feite maakt de Europese Unie op dit moment reeds een proces van ingrijpende economische veranderingen door, die neerkomen op een vernieuwing van gehele economische structuren in regio's en steden. Daarom staan de decentrale overheden voor de grote uitdaging om te zorgen voor handhaving van het maatschappelijke, economische en ecologische evenwicht.

3.

Herstructurering moet worden beschouwd als een mogelijkheid om bestaande en toekomstige economische problemen op te lossen en als een middel om de negatieve gevolgen daarvan op te vangen. Het regionale niveau staat dicht bij de basis en kan voor snelle, adequate en flexibele oplossingen zorgen. De tenuitvoerlegging van herstructureringsmaatregelen kan dus het best op regionaal en lokaal niveau plaatsvinden, zeker wanneer daarmee problemen worden aangepakt die niet structureel van aard zijn.

4.

Bij de herstructureringen op regionaal en lokaal niveau moet worden gewaarborgd dat de te realiseren doelstellingen stroken met het beleid van de EU, d.w.z. dat het concurrentie- en innovatievermogen gewaarborgd blijft bij gelijktijdige handhaving van een hoog werkgelegenheidsniveau (dat een voorwaarde is voor een overeenkomstig hoog levenspeil voor de Europese burger).

5.

De uitdagingen die zich aandienen, zijn in het bijzonder van belang voor regio's en steden (lokale overheden) die over goede mogelijkheden beschikken om strategische richtsnoeren om te zetten in concrete acties en die de lokale sociaal-economische actoren kunnen mobiliseren bij het uitvoeren van deze acties.

6.

Met onderhavig advies wordt beoogd om, in het debat over de lopende herstructureringsprocessen op lokaal en regionaal niveau, aandacht te vragen voor bepaalde aspecten die inmiddels onlosmakelijk verbonden zijn met onze sociaal-economische realiteit.

7.

De belangrijkste redenen voor de herstructureringen waarmee de lokale, regionale en nationale overheden moeten leren omgaan en waarop ze het liefst van tevoren zouden moeten inspelen, zijn:

de toenemende globalisering;

veiligheid en terrorismebestrijding;

energie en klimaatverandering;

de wereldwijde liberalisering van de handel;

de ontwikkeling van de interne markt van de EU;

de ingebruikneming van nieuwe innovatieve technologieën;

de aanscherping van de eisen op het gebied van milieubescherming;

het toenemende belang van de diensten van algemeen belang, en

de verandering van het consumentengedrag.

8.

De herstructureringen kunnen worden doorgevoerd op verschillende niveaus en in verschillende sectoren:

op sectoroverschrijdend niveau;

op sectoraal niveau, en

op het niveau van ondernemingen

9.

Ongeacht de aanpak die voor een bepaalde bedrijfstak of sector wordt gekozen, zijn herstructureringsprocessen toch voornamelijk plaatsgebonden. Dit komt doordat het de lokale en regionale gemeenschappen zijn die het sterkst de gevolgen ondervinden van deze processen.

10.

Gezien de dynamiek van de factoren die tot herstructurering nopen, hebben deze processen heel vaak een plotseling karakter (snelle aanpassing van ondernemingen aan de eisen van de geglobaliseerde economie en het zich veranderende consumentengedrag).

11.

De voortschrijdende economische globalisering leidt er steeds vaker toe dat bedrijven en sectoren in een crisis worden gestort of dat hun concurrentievermogen wordt aangetast. Dit soort onvoorspelbare en conjuncturele problemen dreigt de regionale economie op den duur ernstig te verstoren.

12.

Vandaar ook dat we steeds meer te maken krijgen met bedrijfsverplaatsingen, waarbij een economische activiteit onverhoeds van de ene regio naar de andere wordt overgebracht. Dergelijke onvoorziene beslissingen zijn o.m. ingegeven door strategische en financiële overwegingen en de productiekosten, maar ook regionale stimulansen en een beleid dat erop gericht is investeerders aan te trekken, kunnen in bepaalde gevallen een rol spelen.

13.

Een dergelijke abrupt verlopende herstructurering levert, ondanks de gedegen juridische instrumenten en professionele kaders die er in veel landen voorhanden zijn, geen bevredigende resultaten op. Zo'n proces loopt gevaar gepaard te gaan met ingrijpende, negatieve sociale en geografische veranderingen, waarbij gunstige korte-termijnoplossingen voorop staan, wat ten koste gaat van meer duurzame en stabiele oplossingen. Een en ander heeft vaak ernstige maatschappelijke en geografische problemen ten gevolge. Tegenover de voordelen die bedrijfsverplaatsingen opleveren voor de ondernemingen zelf, staan vaak ernstige gevolgen voor de regio's die ondernemingen zien vertrekken.

14.

De uitdaging bestaat erin om onvermijdelijke herstructureringen niet tegen te houden, maar ze positief tegemoet te treden, zij het op dusdanige wijze dat regio's, gemeenten en individuele mensen er zo min mogelijk schade van ondervinden en zelfs inzien welke mogelijkheden herstructureringen op termijn bieden.

15.

Vooral de landen die in 2004 en 2007 zijn toegetreden tot de EU, hebben te maken gehad met abrupte herstructureringen. Dit had voor een groot deel te maken met de verschillen in de EU-27 qua niveau van economische ontwikkeling en mate waarin nieuwe technologieën en innovaties zijn ingevoerd. Veelal zijn hierbij de verwachte economische effecten inderdaad opgetreden, zij het ten koste van een aantal negatieve maatschappelijke effecten, wat vooral een gevolg was van het feit dat alles in zo'n snel tempo is doorgevoerd.

16.

Met het oog op de continuïteit van de herstructureringsprocessen zal men de in de oude EU-15 doorgevoerde herstructureringen moeten analyseren aan de hand van de „anticipatiemethode”, d.w.z. dat wordt gekeken naar de moeilijkheden die o.g.v. eerdere ervaringen te verwachten zijn, zodat de negatieve gevolgen van de herstructureringen gedeeltelijk kunnen worden vermeden of kunnen worden geminimaliseerd.

17.

De doorvoering van herstructureringsprocessen, vooral met het oog op de anticipatie van de gevolgen, hangt in belangrijke mate af van de dialoog die wordt gevoerd tussen werkgevers, het maatschappelijk middenveld, werknemers en hun organisaties (bijv. vakverenigingen), lokale & regionale overheden, instellingen voor hoger onderwijs & onderzoekscentra en administratieve organen, zoals bureaus voor regionale ontwikkeling. Het is heel vaak de kwaliteit van de gevoerde dialoog die bepaalt hoe het herstructureringsproces uitpakt en in hoeverre een en ander succesvol is.

18.

In dit proces is een bijzondere rol weggelegd voor de regionale en lokale overheden. Er zijn drie soorten acties die kunnen worden ondernomen in het geval van een naderende herstructurering:

de economie, sociale voorzieningen en infrastructuur op plaatselijk niveau versterken en zo nodig diversifiëren;

trachten de grootste werkgevers voor de streek te behouden en de positie van het MKB als motor van de werkgelegenheid te versterken, en

de regio, stad resp. plattelandsgemeente aantrekkelijker maken.

Deze activiteiten vragen net als het herstructureringsproces zelf om statistische ondersteuning, een adequate informatievoorziening en een speciale strategie voor het verzamelen van gegevens en het delen van deze gegevens met alle actoren die bij de herstructureringsprocessen betrokken zijn.

19.

Bij het opzetten van een informatiebeleid zal speciaal aandacht moeten worden geschonken aan het MKB, dat o.g.v. zijn bijzondere aard wellicht moeilijker toegang heeft tot de gegevens waaruit kan worden geconcludeerd welke veranderingen zich op de markt zullen voordoen.

20.

Het MKB heeft er recht op om speciaal te worden beschermd, zowel tijdens het herstructureringsproces zelf als in de periode waarin de veranderingen worden verwacht. Juist in deze fasen moet er aan deze bedrijven veel steun worden verleend ter ontwikkeling en versterking van de organisatorische, strategische en managementcapaciteiten die voor de verdere groei van de sector noodzakelijk zijn. Daarbij moet worden afgestapt van het traditionele bedrijfsvoeringsmodel waarin de stichtende families centraal staan. Belangrijk is dat de beleids- en bedrijfsvoering is afgestemd op de wereldwijde concurrentie. De praktijk wijst uit dat de strategie van op onderaanneming gebaseerde relaties de beste resultaten oplevert, maar alleen in die gevallen wanneer het lukt om uit te stijgen boven de traditionele vormen van handel op de markt en het tot een partnerschap tussen samenwerkende ondernemingen komt of tot een samenwerking tussen bedrijven binnen een netwerk, m.n. op regionaal niveau.

Conclusies

21.

De reeds bestudeerde herstructureringsprocessen wijzen uit dat er niet moet worden uitgegaan van één enkele benadering, maar dat een en ander sterk varieert naar gelang het bestuursniveau (regio, stad, plattelandsgemeente), de bedrijfstak, de geografische positie van de regio (bijv. perifere regio's), de economische structuur (landbouw, lichte industrie, zware industrie) en het algehele ontwikkelingsniveau van het land waarin de geherstructureerde regio gelegen is.

22.

Het huidige proces van herstructurering zou tegelijkertijd moeten uitmonden in een proces van modernisering, met als uiteindelijke doel een toekomstgerichte economie die gebaseerd is op kennis en innovatie. Dit doel kan niet worden bereikt zonder dat meer wordt geïnvesteerd in menselijk kapitaal via verbetering van onderwijs en competenties. Hiertoe zijn adequate en doeltreffende investeringen geboden, die doorwerken op de regionale of lokale arbeidsmarkt en waarmee tijdig kan worden ingespeeld op de uitdagingen die het ingrijpende proces van economische en maatschappelijke herstructurering met zich mee brengt.

23.

Met de uitbreiding van het aantal investeringen in menselijk kapitaal en de aanpassing van het onderwijs en de beroepsopleidingen aan de nieuwe eisen van de herstructurering zijn extra kosten gemoeid. Deze vragen om adequate mechanismen waarbij de kosten kunnen worden verdeeld onder ondernemingen, overheidsorganen en natuurlijke personen. Er is vooral steun nodig voor grootschalige strategieën op het gebied van opleidingen, waardoor mensen zich de vaardigheden eigen kunnen maken die nodig zijn in een kennis- en innovatie-economie. Voor een efficiënt verloop van de herstructureringen zullen de regio's en steden op het gebied van onderwijs en opleiding met elkaar ervaringen moeten uitwisselen, zo niet op basis van partnerschap moeten samenwerken.

24.

Zoals uit het bovenstaande blijkt zijn maatregelen op het gebied van investeringen in menselijk kapitaal buitengewoon belangrijk als het gaat om herstructurering en om herwaardering van landelijke en stedelijke gebieden. Hier is een fundamentele taak weggelegd voor de organen die op lokaal niveau zijn betrokken bij het proces van herstructurering. Kwesties op het gebied van beroeps- en economische mobiliteit en onderlinge afstemming van vraag en aanbod op de lokale arbeidsmarkt zijn van cruciaal belang voor de effectiviteit van de doorgevoerde herstructureringen. Bevordering van de mobiliteit van werkzoekenden en personen die dreigen werkloos te worden, in het bijzonder laaggeschoolden, dient gestalte te krijgen via individuele arbeidsbemiddeling, werkstages en cursussen, bedoeld om de competenties van werkzoekenden en personen die dreigen werkloos te worden, aan te passen aan de behoeften van de lokale arbeidsmarkt. Dit geldt zeker voor jongeren, die moeilijk toegang krijgen tot de arbeidsmarkt.

25.

Maatregelen om de overgang van opleiding naar werk in gebieden waar herstructureringen worden doorgevoerd, te vergemakkelijken, zijn in overeenstemming met de uitgangspunten van het Europese Actieprogramma voor Jongeren, dat voorziet in beroepsadviezen, ondersteuning bij het voltooien van onderwijs en hulp bij het vinden van geschikte opleidingen.

26.

Genoemde maatregelen zouden ertoe moeten leiden dat ongewenste ontwikkelingen in landelijke en stedelijke gebieden, zoals ontvolking van het platteland, worden tegengegaan. Dit verschijnsel dreigt lokale plattelandsgemeenschappen (dorpen) de mogelijkheid te ontnemen om normaal te functioneren, wat gepaard gaat met een verlies van culturele waarden, tradities en plaatselijke identiteit, terwijl ook het hydrogeologische evenwicht gevaar loopt. Deze maatregelen kunnen het meest effectief en adequaat worden uitgevoerd als daartoe de middelen uit het EFRO (Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling), het ESF (Europees Sociaal Fonds) en het ELFPO (Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling) worden ingezet. Een geïntegreerde aanpak van de herstructurering in plattelandsgebieden waarborgt (of zou dat althans moeten doen) een bepaald minimumniveau van toegang tot diensten van algemeen economisch belang, zodat er bedrijven en gekwalificeerde arbeidskrachten kunnen worden aangetrokken en de ontvolking kan worden afgeremd. Belangrijk is ook dat de middelen uit het EFRO, het ESF en het ELFPO worden gebruikt voor innoverende activiteiten, en niet ter ondersteuning van activiteiten waarmee de huidige situatie in stand wordt gehouden.

27.

Het „European Globalisation Adjustment Fund” biedt ondersteuning op korte termijn aan regio's die te kampen hebben met door globalisering veroorzaakte verplaatsing van economische activiteiten, en is daarmee een belangrijk instrument om snel problemen op te vangen die zich voordoen als gevolg van herstructureringen. Het Comité is ingenomen met dit instrument en heeft reeds aanbevolen om het jaarlijks beschikbare bedrag tot 1 miljard euro te verhogen. Het gaat ervan uit dat in het eerste jaarverslag over het Fonds, dat in 2008 zal worden gepubliceerd en waarin de resultaten uit 2007 tegen het licht zullen worden gehouden, grondig zal worden bekeken of de in artikel 2 van Verordening 1927/2006/EG aangegeven steuncriteria een adequate uitvoering van de steunregeling mogelijk maken. Het is bereid om een bijdrage te leveren aan een eventuele discussie over een mogelijke herziening van deze criteria.

28.

Tal van regio's zullen als gevolg van de herstructureringen nog sterker aangewezen zijn op het toerisme. Hier zal een geïntegreerde aanpak waarbij profijt wordt getrokken van de aanwezige natuurlijke rijkdommen en het plaatselijke cultuurgoed, gericht moeten zijn op kwaliteit, om in de eerste plaats tegemoet te komen aan de wensen van de consument. Een cruciale factor voor succes hierbij is, de ontwikkeling van de communicatie in de geherstructureerde gebieden aan te laten sluiten op de belangrijkste nationale en Europese netten, alsmede gebruik te maken van nieuwe technologieën, waaronder breedbandinternet, zodat men zich in de ruime zin des woords verbonden voelt met de buitenwereld en in staat is om daarmee te communiceren. Van groot belang is verder ook dat adequate maatregelen worden genomen op het gebied van onderwijs en opleiding.

29.

Met name de culturele en natuurlijke rijkdommen dienen te worden gebruikt als instrumenten die in deze processen een sleutelrol kunnen spelen. Soms zijn dit de belangrijkste troeven om uit te spelen in een proces van herstructurering, vooral in dunbevolkte perifere regio's. Ze scheppen mogelijkheden voor een dynamische ontwikkeling van het toerisme, dat de motor van de algehele ontwikkeling van de regio kan worden.

30.

Ongeveer 60 % van de bevolking in de EU woont in stedelijke gebieden met meer dan 50.000 inwoners. Het is dan ook in steden en stedelijke gebieden waar zich de meeste arbeidsplaatsen, ondernemingen, hogere onderwijsinstellingen en andere centra van maatschappelijk en economisch leven bevinden. Dit biedt vele kansen, maar bergt ook gevaren in zich. De herstructureringsmaatregelen in Europese steden zijn niet uitsluitend economisch van aard, maar omvatten ook activiteiten die er in meer algemene zin op gericht zijn om stedelijke gebieden beter leefbaar te maken.

31.

Zoals uit het bovenstaande blijkt, kan alleen een brede aanpak van de economische, maatschappelijke en ruimtelijke problemen de gewenste resultaten opleveren, waar zowel de burgers als de stedelijke overheden en de EU zich in kunnen vinden. Het is in stedelijke gebieden gemakkelijker om partners te betrekken bij het proces van herstructurering, al kan een en ander alleen succesvol zijn als het geschiedt op basis van publiek-private samenwerking en samenwerking met het maatschappelijk middenveld, en als er financiering uit verschillende bronnen beschikbaar is.

32.

Steden die bijv. op grond van hun grootte of om historische redenen een dominerende positie in een regio innemen, laten zich bij het nemen van maatregelen leiden door een strategie van vernieuwing die de ontwikkeling van de hele regio voortstuwt. Dankzij hun huidige positie kunnen ze het proces van herstructurering in de gehele regio ondersteunen, zowel door directe partnerschappen aan te gaan als m.b.v. organisaties die in de stad zelf zijn gevestigd.

33.

Maatregelen ter versterking van het concurrentievermogen, bevordering van het ondernemerschap, stimulering van de innovatie en ontwikkeling van de dienstverlening hebben ertoe bijgedragen dat hooggeschoolde arbeidskrachten behouden konden blijven en aangetrokken konden worden. Hierdoor is de dienstverlening voor de burgers er kwalitatief en kwantitatief aanzienlijk op vooruitgegaan. Een verantwoorde planning, opzet en instandhouding van de stedelijke ruimte heeft geleid tot een vermindering van de criminaliteit in steden, waardoor het beter toeven is in de straten en parken en op speelplaatsen. Herstructureringsprocessen hebben alleen kans van slagen als het stedelijk milieu van hoge kwaliteit is, want daardoor wordt het aangenaam om er te werken, te wonen en te investeren.

34.

De praktijk wijst uit dat steden die de vorming van clusters als uitgangspunt van hun beleid hebben genomen, in aanzienlijke mate hun concurrentiepositie hebben kunnen verhogen. De relaties tussen landelijke en stedelijke gebieden zouden op dezelfde leest geschoeid moeten zijn. De ontwikkelingsvoorwaarden moeten in het teken van gelijke kansen staan, waardoor het verschil tussen stad en platteland vermindert.

35.

Op de gedifferentieerde aanpak van de herstructureringsprocessen op decentraal niveau zal toezicht moeten worden uitgeoefend door netwerken waarin regio's die overeenkomstige herstructureringsprocessen doormaken, zijn verenigd (bijv. een netwerk van perifere regio's of een netwerk van mijnregio's).

36.

Verder is het belangrijk dat de verschillende actoren en betrokkenen bij het herstructureringsproces een betere toegang krijgen tot de financiële middelen. Het gaat hier niet alleen om subsidies en de ter beschikking staande Europese fondsen, maar bijv. ook om bankgaranties, wederzijdse garanties, leningen en microkredieten. Hier is een belangrijke rol weggelegd voor de Europese Investeringsbank en het Europees Investeringsfonds.

37.

Op het gebied van herstructureringen bestaat er niet één enkel zaligmakend model. Maar ondanks het feit dat herstructureringsprocessen zo verschillend van aard zijn, kan men toch bepaalde factoren aanwijzen die ertoe bijdragen dat een bepaald proces uiteindelijk succesvol verloopt:

een permanente monitoring van de economische ontwikkelingen, opdat men vroegtijdig kan anticiperen op de herstructurering;

een vorm van anticipatie die zich niet beperkt tot verwachtingen en prognoses, maar ook realistische scenario's aandraagt op grond waarvan een en ander concreet zijn beslag kan krijgen;

het bestaan van een gestructureerde sociale en civiele dialoog, incl. een uitwisseling van informatie tussen de actoren die betrokken zijn bij het herstructureringsproces;

het bestaan van structuren die een schakel vormen tussen universitaire instellingen, onderzoeksinstituten, ondernemingen en overheidsinstanties op alle niveaus;

het bestaan van een kwalitatief hoogstaande en gemakkelijk toegankelijke onderwijs- en opleidingenstructuur;

een regelmatig plaatsvindende en openbare evaluatie van de kwaliteit, effectiviteit en impact van de uitgevoerde maatregelen;

een gevarieerd aanbod van middelen ter financiering van de herstructureringsprocessen, waar alle betrokkenen een beroep op kunnen doen, hetgeen de effectiviteit van de genomen maatregelen zal vergroten;

het vermogen van regio's of steden tot het voeren van een eigen beleid dat erop gericht is om degenen die getroffen worden door de herstructurering, in staat te stellen door te gaan met het produceren van goederen en diensten alsmede om deze te distribueren;

het besef bij lokale gemeenschappen dat er behoefte is aan voortdurende veranderingen, wat zijn weerslag heeft op de regionale of lokale identiteit; dit waarborgt een geïntegreerde benadering van duurzame ontwikkeling waarbij alle economische, sociale en milieuaspecten tot hun recht komen, wat weer nieuwe investeringen zal aantrekken;

een proactieve houding van de lokale en regionale autoriteiten; dit vereist dat ze beschikken over voldoende aansturend vermogen en de nodige instrumenten op het gebied van concurrentiebevordering en financiën;

een eigen, op maat gesneden totaalaanpak, waarin, afhankelijk van de situatie, verschillende facetten verenigd zijn: economische ontwikkeling, onderwijs, maatschappelijke integratie, cultuur, planologie, enz.

De aanbevelingen van het Comité van de Regio's

38.

Het is van wezenlijk belang dat de Europese Commissie de herstructureringen in steden en regio's erkent als een doorlopend proces dat deel uitmaakt van onze huidige sociaal-economische realiteit.

39.

De regionale en lokale overheden worden opgeroepen om op hun grondgebied effectieve anticiperende maatregelen te nemen, waarin aandacht is voor monitoring, de bestaande economische structuren worden gesteund en de hiertoe strekkende acties worden ingebed in regionale en lokale strategieën; zij dienen daarbij uit te gaan van breed opgezette en gezamenlijke projecten van steden en regio's.

40.

In verband hiermee wordt aanbevolen overal in de EU voortdurend door onafhankelijke organen toezicht te laten houden op de herstructureringsprocessen, waarbij alle geografische gebieden en economische sectoren worden meegenomen en zowel het bedrijfsleven en de sociale partners als de regionale en lokale overheden worden betrokken. Er moet worden gekeken naar de sociaal-economische veranderingen die zich voordoen op nationaal, regionaal en lokaal niveau, m.i.v. plattelandsgebieden, perifere regio's en bergregio's, en naar de te verwachten ontwikkelingen op de arbeidsmarkt.

41.

De goede ervaringen die zijn opgedaan met herstructureringen, dienen te worden gepubliceerd, zodat andere regio's en steden in de EU hiermee hun voordeel kunnen doen. Deze publicaties dienen zodanig te worden opgezet dat ze bepaalde types regio's met dezelfde soort herstructurering bestrijken, zoals agrarische regio's, perifere regio's, regio's met zware industrie (mijnbouw), regio's met lichte industrie (textiel) en stedelijke gebieden.

42.

De EU en haar lidstaten dienen m.b.v. financiële instrumenten het opzetten van partnerschappen op lokaal en regionaal niveau aan te moedigen, waarbij bestuursorganen, economische actoren en sociale partners met elkaar samenwerken, wat de lokale ontwikkeling in een geglobaliseerde wereld ten goede zal komen. Dit zal het veel gemakkelijker maken om te anticiperen op de herstructureringsprocessen.

43.

Het Comité roept de Commissie en de lidstaten op om bijzondere aandacht te schenken aan de flexibiliteit van de Europese steunfondsen, en m.n. het ESF. Belangrijk is namelijk dat er altijd middelen beschikbaar zijn om snel te kunnen reageren op plotselinge en onverwachte situaties. In dergelijke gevallen moet er onmiddellijk geld beschikbaar zijn voor investeringen in nieuwe activiteiten (door „incubators”), het in dienst nemen van personeel, het verstrekken van advies en verlenen van assistentie aan startende ondernemingen en het organiseren van gerichte opleidingen. Voor werknemers die werkloos worden als gevolg van herstructureringsmaatregelen, zijn de eerste drie maanden na hun ontslag van cruciaal belang. Na drie maanden nemen hun kansen op het vinden van een nieuwe baan aanzienlijk af. Daarom moeten de regels van de diverse communautaire steuninstrumenten zó worden opgesteld dat snel kan worden gereageerd. Bovendien moeten bij herstructureringen onmiddellijk maatregelen worden getroffen om te voorzien in de sociale basisbehoeften van de betrokkenen (huisvesting, gezondheidszorg, adviesverstrekking, enz.). Slachtoffers van herstructureringen moeten worden gesteund om hen in staat te stellen iets nieuws te beginnen en zich aan te passen aan de veranderde omstandigheden.

44.

Er dient in het kader van de herstructureringen gebruik te worden gemaakt van de speciale positie van grensregio's en -steden, waarbij alle procedurele obstakels die de toestroom van arbeidskrachten en kapitaal belemmeren en het proces van herstructurering bemoeilijken, uit de weg moeten worden geruimd.

45.

De Europese Commissie zou zich, binnen de mogelijkheden van de Structuurfondsen, moeten bedienen van een geïntegreerde aanpak bij de financiering van de herstructureringsprocessen via de Europese fondsen, wat het mogelijk zal maken om binnen de beleidsdoelstellingen van de EU oplossingen te vinden voor de economische, sociale en maatschappelijke problemen.

46.

De lidstaten worden opgeroepen de juridische obstakels en andere barrières die de oprichting van publiek-private partnerschappen (PPP's) bemoeilijken, uit de weg te ruimen, want deze kunnen de herstructureringsprocessen actief en adequaat ondersteunen.

47.

De Europese Commissie en andere instellingen die meehelpen met de financiering van de herstructureringsprocessen, zouden beter moeten toezien op de effectieve besteding van de toegekende middelen, zeker als het gaat om „zachte” projecten die worden gefinancierd via het ESF.

48.

De Europese Unie zou in haar huidige beleid en bij het uitzetten van nieuwe beleidslijnen in alle fasen, van anticipatie op het proces tot en met de voltooiing ervan, rekening dienen te houden met aspecten die samenhangen met de herstructureringen.

49.

De lidstaten worden opgeroepen om voor de bij herstructureringsprocessen betrokken actoren, m.n. in perifere regio's waar het culturele erfgoed of de lokale resp. regionale identiteit gevaar loopt, en daar waar het MKB bijzondere moeilijkheden ondervindt bij de herstructurering, gebruik te maken van financiële instrumenten die in overeenstemming zijn met de EU-wetgeving.

50.

Het Comité verwacht dat het door de Commissie zal worden geraadpleegd wanneer in de loop van 2007 en 2008 de communautaire regeling voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden, waarvan de looptijd in oktober 2009 verstrijkt, moet worden herzien.

51.

De lidstaten en alle andere actoren die betrokken zijn bij de herstructureringsprocessen, wordt aanbevolen bijzondere aandacht te schenken aan het behoud van lokale tradities en de lokale cultuur. Deze kunnen als troef worden gebruikt tijdens het proces van veranderingen zoals die zich nu of in de toekomst voordoen.

52.

Het zou goed zijn om gebruik te maken van het nieuwe initiatief van de Europese Commissie „Regio's voor economische verandering” en de in het kader van dit initiatief op te zetten, mede uit het Europese Fonds voor Regionale Ontwikkeling te financieren netwerken van steden en regio's. Aldus kan worden geanticipeerd op de herstructureringsprocessen en bekendheid worden gegeven aan de goede praktijken die regio's en steden hebben opgedaan met aanpassingen aan veranderingen ten gevolge van de globalisering.

53.

De Commissie dient in het geval van bedrijfsverplaatsingen nauwlettend toe te zien op de tenuitvoerlegging van regionale stimuleringsmaatregelen.

Brussel, 11 oktober 2007.

De voorzitter

van het Comité van de Regio's

M. DELEBARRE


BIJLAGE 1

Kort overzicht van binnengekomen praktijkvoorbeelden op het gebied van herstructureringen in steden en regio's

Wat zich in de jaren '70 en '80 van de vorige eeuw aanvankelijk liet aanzien als een voorbijgaande crisis ter aanpassing aan nieuwe omstandigheden, is gebleken een vast terugkerend bestanddeel van de sociaal-economische realiteit van het moderne Europa te zijn. Wat we nu zien, is een permanent proces van aanpassing van het bedrijfsleven en alles wat daarmee verbonden is, aan de veranderende eisen van de markt, m.a.w. een continu proces van herstructurering. Met het oog op het advies over de herstructureringen in steden en regio's waar de Europese Commissie om verzocht heeft, is een analyse gemaakt van de binnengekomen informatie over het verloop van deze processen en van andere gegevens uit tal van documenten. De op basis hiervan opgestelde conclusies en aanbevelingen zijn verwerkt in het advies.

Schotland (Groot-Brittannië) — voorbeeld van geslaagde concurrentie op de wereldmarkt

In de periode 2002-2006 is het aantal werknemers in de industrie gedaald van 276 000 tot 227 000 en is de productie van exportartikelen gemiddeld met 36 % afgenomen. De meeste bedrijven hebben hun productieactiviteiten verplaatst naar de nieuwe EU-lidstaten of naar India en China. Het huidige plan voor economische ontwikkeling in Schotland (FEDS) is gericht op het veilig stellen van de productiviteit en de concurrentiepositie op de wereldmarkt. Dankzij het door de Schotse overheid opgezette programma PACE (Partnership Action for Continued Employment) hebben alle actoren uit de publieke en particuliere sector de mogelijkheid gekregen om actief bij te dragen aan het voorkomen van massaontslagen. De herstructurering heeft de arbeidsmarkt in Schotland een zware slag toegebracht, zeker in de industrie. Daarentegen heeft de groei van de werkgelegenheid in de dienstensector en bij particuliere ondernemingen die hierbij betrokken zijn, ertoe geleid dat Schotland kan bogen op een van de hoogste werkgelegenheidscijfers in de EU en dat de werkgelegenheid in dertig jaar nog niet zo laag is geweest. Bovendien profiteert de Schotse economie van de globalisering. Schotse banken hebben hun activiteiten over de landsgrenzen uitgebreid, wat hun concurrentiepositie heeft versterkt.

Baskenland (Spanje) — herstructurering van de regio en de hierin gelegen steden

In de jaren '80 begon de op drie pijlers (scheepsbouw, staal, zware metalen) berustende industrie in te storten. De Baskische regering, werkgevers en vakverenigingen hebben daarop besloten tot een herstructurering en vernieuwing van de industrie. Er zijn negen clusters gevormd, die bij elkaar goed zijn voor 45 % van het BBP in Baskenland. Nog altijd vormen deze de drijvende kracht van de economie. Na een proces dat twintig jaar heeft geduurd, is het BBP van Baskenland het op twee na hoogste in Europa, na regio's in landen als Luxemburg en Ierland. De werkloosheid, die in 1990 nog 25 % bedroeg, is inmiddels gezakt tot 4,5 %. Er wordt veel kapitaal geïnvesteerd in innovatie, waarvan 66 % afkomstig is uit de privésector (tegen 48 % voor Spanje in zijn geheel en 54 % voor Europa). Het proces van herstructurering ging hand in hand met een renovatie van de steden in de regio, waaronder de hoofdstad Bilbao. Een belangrijke rol in dit proces was weggelegd voor de lokale cultuur en identiteit, waardoor een breder maatschappelijk draagvlak werd verkregen.

Kreta (Griekenland) — van landbouw naar toeristische dienstverlening

De herstructurering in de regio Kreta, die wordt gefinancierd uit nationale en EU-middelen, is gebaseerd op een samenwerking tussen ondernemingen en onderzoeksinstellingen (Universiteit van Kreta, Researchcentrum van Iraklion) en beoogt mensen uit de agrarische sector effectief de overgang te laten maken naar de dienstensector. Deze doelstelling is slechts ten dele bereikt. De voornaamste oorzaak hiervan lag in de verticale structuur en het bovenaf opgelegde karakter van de maatregelen. Hierdoor werd de positie van het centrum nog sterker gemaakt, terwijl de periferie (gebieden diep in het binnenland) werd gemarginaliseerd. Daardoor is de kloof tussen de subregio's nog groter geworden en zijn ook de concurrentieverhoudingen er niet beter op geworden.

Tawira (Portugal)

De herstructurering is gebaseerd op een restauratie van de stad met het oog op ontwikkeling van de toeristische dienstverlening en uitbreiding van het aantal investeringen in deze sector. Hierdoor zijn middelen vrijgemaakt voor de bescherming van het historische en architectonische erfgoed, wat op zijn beurt weer heeft geleid tot een toename van het toerisme en een toestroom van kapitaal uit de privésector. De middelen hiervoor kwamen uit de fondsen PITER, URBCOM, INTERREG en PROALgarve.

Regio's in Oostenrijk

De herstructurering komt neer op de omschakeling van een economie die van één sector afhankelijk is, naar een veelzijdige industriële structuur, leunend op O&TO-projecten, alsmede naar de toeristische sector en de commerciële dienstverlening die hierbij hoort. Het proces wordt in sterke mate ondersteund door een voortdurende uitbreiding van het aanbod beroepsopleidingen en cursussen.

Porto (Portugal)

Kort geleden is er een herstructurering van start gegaan die nodig was omdat een reeks administratieve organen en particuliere bedrijven de stad verlaten heeft om zich in de hoofdstad te vestigen, omdat het inwonertal is teruggelopen en omdat traditionele winkeltjes hebben moeten wijken voor supermarkten. Doel van de herstructurering is het centrum van de stad nieuw leven in te blazen, de culturele dienstverlening verder te ontwikkelen en het woningenbestand te renoveren. In 2004 is het initiatief PortoVivo van start gegaan, dat gericht is op het aantrekken van particuliere investeringen in de stad. Dit grootse herstructurerings- en renovatieproject zal naar voorzien twintig jaar gaan duren. De bedoeling is dat er in deze periode meer dan 5 000 gebouwen zullen worden gerenoveerd, waardoor enerzijds waardevol historisch en cultureel erfgoed behouden kan blijven en anderzijds de dienstverlenende sector wordt ontwikkeld, wat tot nieuwe arbeidsplaatsen leidt.

Liberec (Tsjechische Republiek)

Het proces van herstructurering, dat nodig was door verandering van het politieke systeem, is erop gericht om de economie in overeenstemming te brengen met de eisen van de EU. De middelen worden vooral ter beschikking gesteld door de nationale en regionale overheid en komen uit de fondsen van de EU. Hierdoor heeft men het MKB en de ontwikkeling van publiek-private partnerschappen kunnen steunen.

Wrocław (Polen)

Gedurende de afgelopen 17 jaar is de stad zowel qua economische structuur als qua aanzicht veranderd. De renovatie van het centrum en andere stadswijken heeft particuliere investeerders aangetrokken. Er zijn nieuwe hotels en restaurants geopend. Dankzij het transparante beleid van het stadsbestuur, de samenwerking met zustersteden, het regionale bestuur en de centrale overheid en de samenwerking tussen de stad en omringende gemeenten zijn er in de omgeving van de stad nieuwe bedrijfstakken bijgekomen. Er is een Technologiepark in Wrocław verrezen en door plaatselijke onderwijsinstellingen en bedrijven zijn veel initiatieven op het gebied van O&TO gelanceerd. In de genoemde periode is de werkloosheid van 18 % gedaald naar 6 %. Een negatieve bijwerking is dat in de stad alles duurder is geworden en dat bijv. de prijzen van onroerend goed met 400 % zijn gestegen.


15.12.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 305/38


Advies van het Comité van de Regio's over „Pakket beter wetgeven 2005-2006”

(2007/C 305/08)

HET COMITE VAN DE REGIO'S

is van mening dat de EU, de lidstaten en de regionale en lokale autoriteiten échte partnerschappen moeten aangaan om zo gezamenlijk beter het hoofd te kunnen bieden aan de economische, sociale, democratische en milieu-uitdagingen waarmee Europa te maken krijgt, zonder dat de verschillende bestuursniveaus hun bevoegdheden te buiten gaan;

wijst erop dat governance op verschillende niveaus in de EU pas mogelijk wordt als de volgende doelstellingen bovenaan de agenda worden gezet: verbetering van het regelgevingsklimaat, vereenvoudiging van het communautaire acquis, toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid en versterking van de methodes voor overleg en impactbeoordeling;

betreurt dat in het pakket beter wetgeven nauwelijks wordt verwezen naar de lokale en regionale dimensie, hoewel de Commissie al in het in 2001 goedgekeurde witboek over Europese governance beklemtoonde dat de banden met de verschillende bestuursniveaus moeten worden aangehaald. De tenuitvoerlegging van de communautaire wetgeving komt voor een groot deel terecht op de schouders van de plaatselijke en regionale autoriteiten, die, afhankelijk van hun bevoegdheden, vaak ook instaan voor het omzetten van de wetgeving;

dringt erop aan dat de IGC een institutionele regeling uitwerkt waarin wordt vastgehouden aan de in het Verdrag tot vaststelling van een grondwet voor Europa opgenomen bepalingen inzake de plaatselijke en regionale autoriteiten en het Comité van de Regio's, i.h.b. de bepalingen inzake de definitie, de toepassing en de controle op de naleving van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid;

pleit ervoor dat de Commissie en de nationale en regionale parlementen zo snel mogelijk een mechanisme voor monitoring van het subsidiariteitsbeginsel uitwerken, zodat voorstellen voor EU-wetgeving in een zeer vroeg stadium van het wetgevingsproces tot in detail kunnen worden bekeken;

wenst nauwer te worden betrokken bij de beoordeling van het effect van de belangrijkste communautaire beleidsmaatregelen op plaatselijk en regionaal niveau en stelt zijn deskundigheid ten dienste van de Commissie om zo een bijdrage te leveren aan de effectbeoordelingen van voorstellen voor nieuwe wetgeving die zwaarwegende gevolgen hebben op territoriaal niveau;

wijst erop dat het initiatief beter wetgeven vergezeld zou moeten gaan van de nodige maatregelen op het vlak van voorlichting en communicatie, zodat de verantwoordelijken voor de tenuitvoerlegging van de wetgeving — in de meeste gevallen de plaatselijke en regionale autoriteiten — zowel als de doelgroepen, m.n. de Europese burgers, over de nodige informatie kunnen beschikken.

Referentiedocumenten

Verslag „De wetgeving verbeteren 2005”

COM(2006) 289 final; SEC(2006) 289

„Betere regelgeving in de Europese Unie: een strategische evaluatie”

COM(2006) 689 final

Werkdocument van de Commissie: „Eerste voortgangsrapport inzake de strategie voor de vereenvoudiging van de regelgeving”

COM(2006) 690 final

Werkdocument van de Commissie: „Meten van administratieve kosten en verminderen van administratieve lasten in de Europese Unie”

COM(2006) 691 final

Actieprogramma ter vermindering van de administratieve lasten in de Europese Unie

COM(2007) 23 final; SEC(2007) 84; SEC(2007) 85

Verslag „De wetgeving verbeteren 2006”

COM(2007) 286 final; SEC(2007) 737

Rapporteur

:

de heer VAN DEN BRANDE, lid van het Vlaams Parlement (BE/EVP)

Beleidsaanbevelingen

Algemene aanbevelingen

1.

Het Comité is van mening dat de EU, de lidstaten en de regionale en lokale autoriteiten échte partnerschappen moeten aangaan om zo gezamenlijk beter het hoofd te kunnen bieden aan de economische, sociale, democratische en milieu-uitdagingen waarmee Europa te maken krijgt, zonder dat de verschillende bestuursniveaus hun bevoegdheden te buiten gaan.

2.

Om binnen de EU echte governance op verschillende niveaus mogelijk te maken, moeten de volgende doelstellingen bovenaan de agenda worden gezet: verbetering van het regelgevingsklimaat, vereenvoudiging van het communautaire acquis, toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid en versterking van de methodes voor overleg en impactbeoordeling.

3.

In verband met de inspanningen van de Commissie op het vlak van codificatie en herziening van wetsvoorstellen wijst het Comité erop dat „beter wetgeven” niet uitsluitend mag worden gelijkgesteld met „minder wetgeven”. Bij het intrekken van wetgeving moet de Commissie daarom steeds een evaluatie maken van de meerwaarde van een voorstel voor Europa. Het Comité dringt er bij de Commissie op aan dat zij haar voortrekkersrol bij de Europese integratie volop speelt en herinnert eraan dat een coherente politieke langetermijnvisie, die wordt omgezet in concrete beleidsdaden, een voorwaarde is voor betere wet- en regelgeving.

4.

Het Comité stelt vast dat de Commissie met het oog op het subsidiariteitsbeginsel waar nodig wetgevingsvoorstellen intrekt en steunt die inspanningen op het vlak van beter wetgeven; het hoopt dat de Commissie op de ingeslagen weg zal voortgaan.

5.

Het Comité betreurt dat in het pakket beter wetgeven nauwelijks wordt verwezen naar de lokale en regionale dimensie, hoewel de Commissie al in het in 2001 goedgekeurde witboek over Europese governance beklemtoonde dat de banden met de verschillende bestuursniveaus moeten worden aangehaald. De tenuitvoerlegging van de communautaire wetgeving komt voor een groot deel terecht op de schouders van de plaatselijke en regionale autoriteiten, die, afhankelijk van hun bevoegdheden, vaak ook instaan voor het omzetten van de wetgeving. Zij verdienen het dan ook nauwer te worden betrokken bij alle onderdelen van het initiatief beter wetgeven, m.n. via deelname van het Comité aan de verschillende groepen voor interinstitutionele coördinatie.

6.

Om de democratische legitimiteit van de besluitvorming te versterken moeten de lokale overheden en de regionale parlementen en assemblees binnen het kader van hun bevoegdheden worden betrokken bij de uitwerking en formulering van de communautaire wetgeving.

7.

Het Comité sluit zich aan bij de in het werkprogramma 2007 van de Commissie opgenomen prioriteit, te weten de verbetering van het communautaire regelgevingsklimaat met het oog op de verwezenlijking van o.m. de Lissabondoelstellingen op het gebied van concurrentievermogen, groei, werkgelegenheid en duurzame ontwikkeling, die moeten leiden tot meer levenskwaliteit voor de Europese burgers.

8.

Het Comité is ingenomen met het verslag „De wetgeving verbeteren 2006”, waarin rekening wordt gehouden met zijn wensen op het vlak van raadpleging en deelname aan de prelegislatieve fase; dit geldt m.n. voor de naleving van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid in het kader van de impactbeoordelingen. Wel dringt het erop aan dat nog meer inspanningen worden verricht op het vlak van de coördinatie tussen de verschillende bestuursniveaus, de informatieverstrekking over de communautaire besluitvorming, het bereik van de EU-wetgeving en de financiële en administratieve impact daarvan op de plaatselijke en regionale overheden.

Toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid

9.

Het Comité herhaalt dat de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zijns inziens moeten worden vastgelegd in de grondwet en onderstreept dat het voor de plaatselijke en regionale autoriteiten en voor het Comité van het grootste belang is dat, zolang het Verdrag tot vaststelling van een grondwet voor Europa er niet is, de protocollen betreffende de rol van de nationale parlementen in de EU en betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid, zo snel mogelijk worden toegepast.

10.

Het Comité dringt erop aan dat de IGC een institutionele regeling uitwerkt waarin wordt vastgehouden aan de in het Verdrag tot vaststelling van een grondwet voor Europa opgenomen bepalingen inzake de plaatselijke en regionale autoriteiten en het Comité van de Regio's, i.h.b. de bepalingen inzake de definitie, de toepassing en de controle op de naleving van de twee hierboven vermelde beginselen.

11.

Tegen de achtergrond van de huidige verdragen kunnen subsidiariteit en evenredigheid worden beschouwd als de motor achter governance op verschillende niveaus, wat een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de toepassing van deze beginselen impliceert. Het subsidiariteitsbeginsel moet dus een vaste waarde worden in de EU.

12.

Het Comité is bijzonder ingenomen met de Verklaring van Berlijn (25 maart 2007) ter gelegenheid van het vijftigjarige bestaan van de Verdragen van Rome. In die verklaring wordt de nadruk gelegd op de verdeling van de bevoegdheden tussen de EU, de lidstaten en de plaatselijke en regionale autoriteiten, wat neerkomt op een erkenning van het beginsel van bestuur op verschillende niveaus (multilevel governance).

13.

Het Comité dringt er bij de andere Europese instellingen op aan dat zij in alle stadia van het wetgevingsproces systematisch rekening houden met de plaatselijke en regionale dimensie van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid.

14.

Het wil daartoe graag zijn ervaring delen, m.n. via het monitoringnetwerk subsidiariteit. Daarbij kan worden gekeken naar de conclusies en evaluaties van de twee testfases die tot nog toe werden afgerond.

15.

Het Comité dringt er met klem op aan dat de regionale parlementen parlementaire commissies instellen die zich bezighouden met de controle op de naleving van het subsidiariteitsbeginsel. Dergelijke commissies zouden ook fungeren als eerste gesprekspartners voor bovenvermeld netwerk.

16.

Het Comité is ingenomen met het initiatief van de Commissie om de nationale parlementen rechtstreeks op de hoogte brengen van alle nieuwe wetgevingsvoorstellen en raadplegingsdocumenten en hen om een reactie te vragen, om zo de beleidsvorming inhoudelijk te verbeteren en m.n. strikter de hand te doen houden aan het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel. Het Comité zou graag zien dat de Commissie deze regeling, afhankelijk van de interne nationale bevoegdheidsverdeling van de lidstaten, uitbreidt tot de subnationale wetgevende organen.

17.

Het Comité pleit ervoor dat in lidstaten waar er een verdeling van bevoegdheden is tussen het nationale en regionale niveau, intern een dwingend akkoord wordt gesloten over de te volgen werkwijze in het kader van de procedure van vroegtijdige waarschuwing inzake het toezicht op de naleving van het subsidiariteitsbeginsel.

18.

Het Comité verzoekt de Commissie daarom een regeling uit te werken om de plaatselijke en regionale overheden in alle stadia van het wetgevingsproces elektronische toegang te verschaffen tot alle voor hen relevante gegevens.

19.

De Commissie en de nationale en regionale parlementen zouden zo snel mogelijk een mechanisme voor monitoring van het subsidiariteitsbeginsel moeten uitwerken, zodat voorstellen voor EU-wetgeving in een zeer vroeg stadium van het wetgevingsproces tot in detail kunnen worden bekeken. Om profijt te trekken van de bestaande synergieën moet bij de invoering van een dergelijk mechanisme worden samengewerkt met het Comité, dat bereid is de ervaring die het heeft opgedaan via zijn monitoringnetwerk subsidiariteit, te delen.

Overlegprocedure en gestructureerde dialoog

20.

Het is van groot belang dat het Comité als institutioneel vertegenwoordiger van de plaatselijke en regionale autoriteiten in de EU en institutionele gesprekspartner van de Commissie in het kader van het wetgevingsproces wordt geraadpleegd. Meer raadpleging leidt tot een meer open, inclusieve, operationele en democratische besluitvorming, die daardoor op het niveau komt dat het dichtst bij de Europese burger ligt.

21.

Het Comité wijst nogmaals op de verbintenissen die zijn aangegaan in de in november 2005 gesloten samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Commissie en het Comité van de Regio's: „Het Comité moet, volgens het beginsel van goed bestuur, een volwaardige schakelfunctie vervullen in het overleg met de verenigingen van decentrale overheden. De Commissie zorgt ervoor dat het Comité volledig wordt betrokken bij de politieke voorbereiding van de gezamenlijk georganiseerde vergaderingen”. Positief is voorts de structurele dialoog waaraan sinds 2004 wordt deelgenomen door negen leden van de Commissie en zowat 80 Europese en nationale verenigingen van plaatselijke en regionale autoriteiten.

22.

De gestructureerde dialoog met de verenigingen van decentrale overheden is een instrument dat m.n. bij de voorbereiding van het wetgevingsprogramma van de Commissie moet worden gebruikt.

23.

Hieronder doet het Comité een aantal voorstellen voor de voortzetting van het debat met de partners die betrokken zijn bij de structurele dialoog; bedoeling is deze dialoog te verbeteren, ervoor te zorgen dat de oorspronkelijke doelstellingen daarvan worden bereikt, en de politieke en institutionele rol van het Comité te versterken:

op een passend tijdstip van het jaar vindt een gestructureerde dialoog plaats, zodat de verenigingen van decentrale overheden en de Commissie nog voor de goedkeuring van het jaarlijkse wetgevingsprogramma een echte dialoog over de werkprioriteiten kunnen aangaan;

het jaarprogramma van de gestructureerde dialoog en de vergaderagenda's worden opgesteld in nauw overleg tussen het Comité en de Europese en nationale verenigingen van decentrale overheden;

er wordt meer contact gezocht met de plaatselijke en regionale media in samenwerking met de verenigingen van lokale en regionale overheden;

de decentrale overheden kan eventueel worden verzocht schriftelijk commentaar te leveren en onderwerpen aan te dragen die voor hen van belang zijn, voor zover een en ander strookt met de Europese agenda; zij dienen dan wel de nodige feedback te krijgen;

de Commissie stelt na elke vergadering notulen ter beschikking;

in nauwe samenwerking met het Comité en de nationale en Europese verenigingen die de decentrale overheden vertegenwoordigen wordt regelmatig een evaluatie opgesteld, teneinde de follow-up van de gestructureerde dialoog te verbeteren.

24.

Het Comité zou een groter aandeel moeten krijgen in de organisatie van de gestructureerde dialoog en dringt in dit verband ook aan op meer transparantie.

25.

Het Comité herhaalt de aanbevelingen uit zijn advies over het jaarverslag „De wetgeving verbeteren 2004”, waarin het erop aandringt dat de lokale en regionale overheden in een vroeg stadium van de uitwerking van Europese wetgeving stelselmatig worden geraadpleegd, en wijst erop dat het van cruciaal belang is na te gaan of daadwerkelijk rekening wordt gehouden met de uitkomst van die raadplegingen.

Betere omzetting en toepassing van de communautaire wetgeving en beleidsmaatregelen op lokaal en regionaal niveau

26.

De plaatselijke en regionale autoriteiten zijn grotendeels afhankelijk van de manier waarop de communautaire wetgeving op het nationale niveau is omgezet. Betere coördinatie tussen het nationale niveau en de decentrale overheden is dan ook van het grootste belang.

27.

Het Comité beklemtoont nogmaals dat zowel bij de uitwerking als bij de tenuitvoerlegging van de communautaire wetgeving en beleidsmaatregelen concreet werk moet worden gemaakt van het partnerschapsbeginsel.

28.

Het Comité herinnert aan de door de Commissie op stapel gezette doelgerichte tripartiete contracten en overeenkomsten en herhaalt zijn voorstel om dit instrumentarium te herzien. In het licht van de eerste ervaringen met de tripartiete overeenkomsten stelt het voor Europese territoriale pacten aan te gaan.

29.

Net als de Europese groeperingen voor territoriale samenwerking kunnen de Europese territoriale pacten bijdragen tot een versterking van de territoriale samenhang en de flexibiliteit van beleidsmaatregelen met een sterke lokale impact: in het kader van deze pacten kunnen de verschillende bestuursniveaus immers op gestructureerde wijze samenwerken om de op lokaal, regionaal, nationaal en Europees niveau gezamenlijk vastgelegde doelstellingen te verwezenlijken. Deelname aan de pacten dient wel op vrijwillige basis te gebeuren.

30.

Zonder financiële bijdrage van elk van de partijen bij de overeenkomst kan geen echt partnerschap van de grond komen. Bij het debat over de financiering van de Europese territoriale pacten moet worden uitgegaan van de mogelijke synergie tussen de bestaande Europese begrotingslijnen voor de desbetreffende gebieden en de Europese structuurfondsen enerzijds, en de beschikbare lokale, regionale en nationale budgettaire middelen anderzijds. Het is niet de bedoeling een bijkomend financieel instrument voor het Europese regionale beleid op te richten of te verzoeken om aanvullende financiële middelen.

31.

De Commissie, de Raad, het Europees Parlement en het Comité moeten nauwer gaan samenwerken bij de uitwerking en tenuitvoerlegging van de Europese territoriale pacten.

32.

Het Comité verzekert de Commissie dat het voornemens is zich proactief in te zetten voor de totstandkoming van Europese territoriale pacten en dat het zich t.o.v. alle betrokkenen een betrouwbare partner zal tonen.

33.

Wel verzoekt het de Commissie om meer steun voor initiatieven van de plaatselijke en regionale autoriteiten en vraagt het om meer aandacht voor de bestaande projecten, die na de proeffase verder opgevolgd moeten worden.

Impactanalyse en beoordeling van de administratieve en financiële kosten

34.

Het Comité is ingenomen met het voorstel van de Commissie om een onafhankelijk comité voor effectbeoordelingen op te richten (Impact Assessment Board) dat onder toezicht van de voorzitter zou worden geplaatst en waarmee de controle kan worden verscherpt. Dit voorstel ligt in de lijn van de aanbeveling uit het advies van het Comité over „De wetgeving verbeteren 2004”.

35.

Het Comité wenst nauwer te worden betrokken bij de beoordeling van het effect van de belangrijkste communautaire beleidsmaatregelen op plaatselijk en regionaal niveau. Ook wijst het erop dat de plaatselijke en regionale overheden, mits zij voldoende inspraak krijgen in de uitwerking van de wetgeving, een doorslaggevende rol kunnen spelen bij de omzetting en tenuitvoerlegging daarvan.

36.

Het Comité is voorstander van de uitwerking van een gemeenschappelijke effectbeoordelingsmethode en een gemeenschappelijke methodologie om de administratieve kosten van de Europese wetgeving in te schatten. Een dergelijke methodologie zou moeten worden aangepast aan het plaatselijke en regionale niveau, zodat de financiële en administratieve last voor de plaatselijke en regionale autoriteiten zo nauwkeurig mogelijk kan worden geraamd. Ten slotte wenst het Comité ten volle te worden betrokken bij de interinstitutionele samenwerking op dit vlak.

37.

Het Comité schaart zich achter het actieprogramma van de Commissie voor het terugdringen van de administratieve lasten in de EU en de op 8 en 9 maart 2007 aan de Raad voorgelegde gezamenlijke doelstelling van de EU en de lidstaten om deze lasten tegen 2012 met 25 % te verminderen. Daarbij dient evenwel rekening te worden gehouden met de plaatselijke en regionale dimensie en de rol van de plaatselijke en regionale autoriteiten.

38.

De samenwerkingsovereenkomst van november 2005 indachtig stelt het Comité zijn deskundigheid ten dienste van de Commissie om zo een bijdrage te leveren aan de effectbeoordelingen van voorstellen voor nieuwe wetgeving die zwaarwegende gevolgen hebben op territoriaal niveau.

39.

Het Comité is bereid hiertoe in het kader van het monitoringplatform voor de strategie van Lissabon een proefproject op te zetten om te bereiken dat de plaatselijke en regionale overheden systematisch worden geraadpleegd in de fase van de uitwerking van de Europese wetgeving. Daarnaast wil het Comité een aandeel leveren in de uitwerking van een gemeenschappelijke methode voor de beoordeling van het effect van bedoelde wetgeving op plaatselijk en regionaal niveau. In dit verband en gezien zijn inzet voor de Lissabondoelstellingen dient het Comité vertegenwoordigd te zijn op de Europese voorjaarstop.

Vereenvoudiging van de communautaire wetgeving, transparantie en voorlichting

40.

Het Comité dringt er nogmaals op aan dat in de nationale actieplannen voor de vereenvoudiging van de wetgeving ook wordt gekeken naar de regionale dimensie.

41.

Het Comité is ingenomen met het initiatief van de Commissie ter bevordering van de transparantie en wijst er in dit verband op dat de EU, wil zij haar democratische legitimiteit werkelijk versterken, het lokale en regionale niveau nauwer moet betrekken bij het wetgevings- en besluitvormingsproces. Het betreurt daarom dat de lokale en regionale dimensie in dit initiatief niet worden vermeld en verzoekt de Commissie een en ander zwaarder te laten meewegen.

42.

Het initiatief beter wetgeven zou vergezeld moeten gaan van de nodige maatregelen op het vlak van voorlichting en communicatie, zodat de verantwoordelijken voor de tenuitvoerlegging van de wetgeving — in de meeste gevallen de plaatselijke en regionale autoriteiten — zowel als de doelgroepen, m.n. de Europese burgers, terdege worden voorgelicht. De communautaire wetgeving kan immers onmogelijk correct worden toegepast als de betrokkenen haar niet begrijpen. Niet alleen overleg in de prelegislatieve fase is belangrijk, ook dienen de nodige inspanningen te worden verricht op het vlak van voorlichting en communicatie.

43.

In dit verband wil het Comité de Commissie er ook met klem op wijzen dat al haar wetgevingsvoorstellen nog voor het officiële begin van het wetgevingsproces, inclusief de raadpleging van het Comité, in alle officiële talen van de EU moeten worden vertaald.

44.

Ten slotte beklemtoont het Comité dat zijn monitoringnetwerk subsidiariteit kan uitgroeien tot een instrument voor voorlichting en communicatie dat in het communautaire wetgevingsproces zeker van nut zal blijken te zijn.

Brussel, 11 oktober 2007.

De voorzitter

van het Comité van de Regio's

M. DELEBARRE


15.12.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 305/43


Advies van het Comité van de Regio's over de „Toepassing van de algehele aanpak op migratie aan de zuidelijke maritieme grenzen van de Europese Unie en aan de grensregio's ten oosten en zuidoosten van de Europese Unie”

(2007/C 305/09)

Het Europees migratiebeleid en het beheer van de buitengrenzen van de EU zijn achtereenvolgens de verantwoordelijkheid van de Unie en de lidstaten, die daarbij met volledige inachtneming van de mensenrechten en de beginselen van dat beleid, evenwel solidair moeten optreden en in een sfeer van onderling vertrouwen dienen samen te werken.

Regionale en lokale overheden staan wat immigratiebeleid betreft in de frontlinie, of het nu gaat om de problemen die door illegale immigratie worden veroorzaakt (opvang- en beheersmaatregelen voor personen die de EU binnenkomen, illegale arbeid, criminaliteit en veiligheid in steden) of om de diensten (op het gebied van huisvesting, gezondheidszorg, onderwijs, enz.) die lokale overheden in het kader van hun bevoegdheden aan de mensen op hun grondgebied dienen te leveren.

Er zou onmiddellijk actie moeten worden ondernomen om wetgeving zodanig te harmoniseren dat een einde wordt gemaakt aan mensenhandel en de criminele organisaties die zich daarmee inlaten verdwijnen.

Lokale en regionale overheden spelen een belangrijke rol bij het bevorderen van samenwerking en stedenbanden met hun evenknieën uit andere landen. Zij verrijken decentrale samenwerkingsprojecten met hun kennis en ervaring. Met dit alles moet bij de uitwerking van een Europees migratiebeleid systematisch rekening worden gehouden.

De Commissie zou actief mee moeten zoeken naar praktische oplossingen om de zuidelijke maritieme buitengrenzen beter te beheren, en zou de Gemeenschap, de lidstaten en de lokale en regionale overheden meer mogelijkheden moeten geven om adequaat te handelen in crisissituaties, zoals een massale toestroom van illegale immigranten.

Daarnaast moedigt het CvdR lokale en regionale betrokkenen aan om via projecten gebruik te maken van de beschikbare fondsen en benadrukt het dat deze fondsen zo snel mogelijk operationeel zouden moeten worden.

De lokale en regionale overheden en hun nationale verenigingen zouden met name in de kandidaat-lidstaten en partnerlanden meer moeten worden betrokken bij EU-bijdragen, zoals programma's voor opleiding en uitwisseling van handhavingsambtenaren, samenwerking met Frontex, sociale bescherming, opleiding van ambtenaren die bevoegd zijn voor arbeidsaangelegenheden, de herintegratie van slachtoffers van mensenhandel, gegevensverzameling en het volgen van migratiestromen.

Referentiedocumenten

Eén jaar algehele aanpak van migratie: naar een alomvattend Europees migratiebeleid

COM(2006) 735 final

Versterking van het beheer van de zuidelijke maritieme grenzen van de Europese Unie

COM(2006) 733 final

Toepassing van de algehele aanpak van migratie op de grensregio's ten oosten en zuidoosten van de Europese Unie

COM(2007) 247 final

Rapporteur

:

Ian MICALLEF (MT/EVP), lid van de gemeenteraad van Gzira

Beleidsaanbevelingen

Algemene aanbevelingen

1.

Het Europees migratiebeleid en het beheer van de buitengrenzen van de EU zijn achtereenvolgens de verantwoordelijkheid van de Unie en de lidstaten, die daarbij met volledige inachtneming van de mensenrechten en de beginselen van dat beleid, evenwel solidair moeten optreden en in een sfeer van onderling vertrouwen dienen samen te werken.

2.

Het Comité van de Regio's (CvdR) steunt de door de Europese Unie sinds 1999 geleverde inspanningen om een alomvattend Europees migratiebeleid van de grond te krijgen. Het moedigt de Europese Commissie aan op de ingeslagen weg verder te gaan, waarmee o.a. nauwere samenwerking en coördinatie tussen de EU en derde landen mogelijk wordt. Het CvdR is er bijzonder over te spreken dat het gemeenschappelijke streven naar een Europees migratiebeleid in de conclusies van de Europese Raad van 21 en 22 juni 2007 opnieuw is bevestigd.

3.

Regionale en lokale overheden staan wat immigratiebeleid betreft in de frontlinie, of het nu gaat om de problemen die door illegale immigratie worden veroorzaakt (opvang- en beheersmaatregelen voor personen die de EU binnenkomen, illegale arbeid, criminaliteit en veiligheid in steden) of om de diensten (op het gebied van huisvesting, gezondheidszorg, onderwijs, enz.) die lokale overheden in het kader van hun bevoegdheden aan de mensen op hun grondgebied dienen te leveren.

4.

Voor lokale en regionale overheden is op het vlak van migratie een belangrijke rol weggelegd, omwille van hun ervaring op het gebied van contact met de landen van herkomst, en de maatregelen die ze doorvoeren ten behoeve van de integratie van immigranten, met name op het gebied van gezondheidszorg, huisvesting, onderwijs en werkgelegenheid.

5.

De Commissie zou samen met de nationale, lokale en regionale overheden algemene bewustwordings- en informatiecampagnes moeten voeren over het beleid inzake legale immigratie en de positieve gevolgen daarvan, teneinde de ongerustheid bij de burgers weg te nemen. Tegelijkertijd zou de Commissie de landen van herkomst van migranten moeten steunen bij het voeren van algemene bewustwordings- en informatiecampagnes over de mogelijkheden voor legale immigratie en de gevaren van illegale immigratie.

6.

De Commissie zou mechanismen moeten uitwerken om te garanderen dat een toekomstig generaal pardon voor illegale immigranten gecoördineerd toegekend wordt, als onderdeel van een gemeenschappelijke immigratie- en asielregeling. Daarom moet het voornemen van de Commissie om in 2007 opdracht te geven tot een studie naar regularisering door de lidstaten en de gevolgen daarvan op nationaal, regionaal en lokaal niveau worden toegejuicht.

7.

Het CvdR staat achter het Commissievoorstel om de capaciteit van het toekomstige netwerk van kustpatrouilles op te voeren wanneer lidstaten in de regio geconfronteerd worden met een crisissituatie, zoals een massale toestroom van migranten.

8.

Verder is het ingenomen met het besluit van het Europees Parlement om de begroting van Frontex aanzienlijk te verhogen en in te stemmen met het budget voor de snelle grensinterventieteams. Deze teams zouden ook moeten worden belast met de coördinatie tussen lidstaten en andere betrokkenen, met inbegrip van de communicatie met de geplande regionale commandoposten aan de zuidelijke maritieme buitengrenzen (1) en met de regionale overheden die het meest met de toestroom van migranten te maken krijgen.

9.

Het CvdR is ook voorstander van het voorstel om een pool van deskundigen uit de overheden van de lidstaten op te richten. Deze deskundigen moeten op korte termijn kunnen worden ingezet in andere lidstaten die met bijzondere capaciteitsproblemen kampen. Die lidstaten kunnen aldus worden geholpen bij een snelle eerste beoordeling van individuele gevallen op de plaatsen van binnenkomst, met inbegrip van de identificatie van personen en de keuze welke personen naar hun land van herkomst of doorreis kunnen worden teruggestuurd. Op deze snelle eerste beoordeling moet een doeltreffende behandeling van de individuele gevallen volgen, waarbij de gezondheidstoestand van de immigranten en vluchtelingen wordt beoordeeld en tevens wordt gekeken naar de eventueel daarmee samenhangende epidemiologische situatie. In dit kader moet ook de specifieke situatie van alleenstaande minderjarigen en andere kwetsbare groepen worden aangepakt.

10.

Deze pool van deskundigen zou zodanig moeten worden samengesteld dat optimaal rekening wordt gehouden met de behoeften van de lokale en regionale overheden. Om die reden zouden, als daarom wordt verzocht, ook vertegenwoordigers van het regionale en lokale bestuur uit de desbetreffende gebieden of van nationale of regionale verenigingen van lokale overheden in die pool moeten zitten en zouden regionale en lokale overheden een beroep moeten kunnen doen op dit soort deskundigen om hen te komen helpen. De komst van illegale immigranten heeft in iedere lidstaat immers hoe dan ook onmiddellijk gevolgen voor de gemeente en regio waar zij aankomen.

11.

Het CvdR schaart zich achter het voorstel van de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken om derde landen via samenwerkingsovereenkomsten inzake migratie en ontwikkeling te verplichten oog te hebben voor democratie, rechtsstaat en mensenrechten.

12.

Er zou onmiddellijk actie moeten worden ondernomen om wetgeving zodanig te harmoniseren dat een einde wordt gemaakt aan mensenhandel en de criminele organisaties die zich daarmee inlaten verdwijnen.

13.

Het CvdR kan zich vinden in het verzoek van de Commissie aan de lidstaten om zich harder in te zetten voor een snelle uitvoering van de reeds overeengekomen maatregelen en om Europees beleid met eigen initiatieven aan te vullen.

14.

Regionale en lokale overheden moeten worden beschouwd als stakeholders en dienen, in het bijzonder via het CvdR, te worden betrokken bij elk overleg ter zake, ook met landen van herkomst of doorreis.

15.

Het CvdR onderstreept het belang van conferenties als „Integrating cities: European policies, local practices” en kijkt ernaar uit om actief deel te nemen aan toekomstige edities daarvan. Genoemde conferentie werd in 2006 georganiseerd om regio's de kans te geven goede praktijkvoorbeelden uit te wisselen en hun onderlinge samenwerking te verstevigen. De EU zou verder het potentieel van de regio's langs haar zeegrenzen moeten benutten voor de ontwikkeling van betrekkingen met haar buurlanden waar zowel die landen als de EU zelf voordeel bij hebben.

16.

Lokale en regionale overheden spelen een belangrijke rol bij het bevorderen van samenwerking en stedenbanden met hun evenknieën uit andere landen. Zij verrijken decentrale samenwerkingsprojecten met hun kennis en ervaring die zij hebben opgedaan met dienstverlening op het vlak van gezondheidszorg, onderwijs en stedelijke voorzieningen, met lokale en regionale economische ontwikkeling en democratie, en met het functioneren van democratische instellingen. Verder kunnen zij lokale beheersstructuren institutioneel ondersteunen. Met dit alles moet bij de uitwerking van een Europees migratiebeleid systematisch rekening worden gehouden.

17.

De Commissie zou actief mee moeten zoeken naar praktische oplossingen om de zuidelijke maritieme buitengrenzen beter te beheren, en zou de Gemeenschap, de lidstaten en de lokale en regionale overheden meer mogelijkheden moeten geven om adequaat te handelen in crisissituaties, zoals een massale toestroom van illegale immigranten.

18.

Het CvdR heeft er op 20 februari 2007 (CdR 258/2006) (2) unaniem toe opgeroepen om in Malta een speciaal agentschap op te richten voor illegale immigratie en asielverzoeken van onderdanen van derde landen

19.

Specifieke aandacht zou moeten uitgaan naar de EU-regio's in het Middellandse Zeegebied en in en langs de Atlantische Oceaan die te maken hebben met zeer grote aantallen illegale immigranten en kampen met een gebrek aan middelen om die toestroom in goede banen te leiden. Respect voor de menselijke waardigheid vereist immers onverwijld een resoluut optreden op lokaal, regionaal, nationaal en Europees niveau, om verdere tragedies onder illegale immigranten te voorkomen, die in groten getale het leven laten bij hun pogingen de kusten van de EU te bereiken, en om de gevolgen van de komst van deze illegale migranten voor de veiligheid en de cohesie van de hele EU te beperken. Daarom is op korte termijn absoluut actie nodig, zodat de huidige problemen snel en adequaat kunnen worden aangepakt. Het CvdR dringt verder ten zeerste aan op een financieel instrument speciaal voor de regio's met de hoogste immigratie en voor de regio's die door illegale migranten massaal gebruikt worden als doorreisgebieden.

20.

De lidstaten zouden zich solidair moeten tonen met de landen en regio's die zich langs de EU-buitengrenzen, dus aan de frontlinie, bevinden en worden geconfronteerd met een constante stroom migranten. Dat zouden zij kunnen doen door concrete maatregelen te nemen om de druk op deze landen en regio's te verlichten en de betreffende migranten zelf op te vangen totdat een definitief besluit is genomen over hun verblijfsstatus.

21.

Daarnaast moedigt het CvdR lokale en regionale betrokkenen aan om via projecten gebruik te maken van de beschikbare fondsen, te weten het Buitengrenzenfonds, het Terugkeerfonds, het Europees Vluchtelingenfonds en het Integratiefonds, die zo snel mogelijk operationeel zouden moeten worden. Het spreekt in dit verband zijn bezorgdheid uit, omdat dat al in januari 2007 had moeten gebeuren, terwijl het Terugkeerfonds op zijn vroegst pas vanaf 2008 kan worden gebruikt.

22.

De lidstaten zouden op grond van het subsidiariteitsbeginsel hun lokale en regionale overheden moeten betrekken bij het vaststellen van migratiebeleid, nationale integratie- en werkgelegenheidsplannen en van het toegestane aantal buitenlandse werknemers. Tevens zou er aandacht moeten zijn voor de lokale en regionale dimensie in de analyses, statistieken en verslagen waarop het Europese immigratiebeleid wordt gebaseerd.

Betrekkingen met Afrika

23.

Het CvdR kan zich vinden in de aanpak om meer met Afrika te overleggen en samen te werken inzake het hele scala van migratievraagstukken: legale en illegale migratie, betere bescherming van vluchtelingen en betere onderlinge afstemming van het migratie- en het ontwikkelingsbeleid.

24.

Wat de Noord-Afrikaanse landen betreft, zal gestreefd worden naar verdere ontwikkelingen, o.a. via bevordering van bilaterale overeenkomsten op regionaal niveau in het kader van het Europees nabuurschapsbeleid en het beleid inzake het grote nabuurschap tussen de ultraperifere regio's en hun buurlanden uit sub-Sahara Afrika, waarin ook plaats voor migratievraagstukken is ingebouwd. Tevens is het de bedoeling om de werkzaamheden in het kader van Euromed voort te zetten, de bilaterale samenwerking met de partners uit het Middellandse Zeegebied op te voeren en ook de lokale en regionale overheden daarbij te betrekken.

25.

Overigens is het in het kader van de bilaterale samenwerking van fundamenteel belang dat wordt geput uit de ervaring van gebieden als de ultraperifere regio's, die zich gezien hun specifieke geografische ligging en hun ervaring in een unieke positie bevinden om de samenwerking tussen de EU en haar buurlanden te versterken.

26.

Het CvdR staat achter de samenwerking tussen de EU en Afrika zoals die is gedefinieerd in de EU-strategie voor Afrika, waarvan het hoofddoel het bereiken van de millennium-ontwikkelingsdoelstellingen voor duurzame ontwikkeling, veiligheid en goed bestuur is via een permanente dialoog met de ACS-landen op basis van artikel 13 van het Verdrag van Cotonou.

27.

Dit artikel 13 bepaalt onder meer: „Iedere ACS-staat verbindt zich ertoe eigen onderdanen die illegaal op het grondgebied van een lidstaat van de Europese Unie verblijven op verzoek van die lidstaat zonder verdere formaliteiten over te nemen. Voor dergelijke doeleinden verstrekken […] de ACS-staten hun onderdanen passende identiteitsdocumenten.”

28.

De EU moet hameren op de handhaving van dit artikel en zich aanzienlijk méér inspannen om herkomstlanden te verplichten immigranten terug te nemen die niet voor asiel in de EU in aanmerking komen, maar er desondanks voor kozen om op illegale wijze naar Europa te trekken.

29.

De Commissie stelt voor om samenwerkingsverbanden inzake migratie en ontwikkeling op te zetten, teneinde Afrikaanse landen, EU-lidstaten en internationale organisaties bijeen te brengen vanuit het streven om migratie doeltreffender te beheren in het belang van alle partijen. Het CvdR is van mening dat met name de rechtstreeks betrokken lokale en regionale overheden, indien mogelijk via hun nationale en regionale verenigingen, een rol moeten krijgen in deze samenwerkingsverbanden en in het overleg met de ACS-landen, aangezien hun deelname daaraan in ieders belang is.

30.

Het CvdR kan zich vinden in het initiatief van de Commissie om investeringen in arbeidsintensieve sectoren in regio's in Afrika met een hoge emigratiegraad aan te moedigen en de lidstaten te vragen daaraan ook een bijdrage te leveren. Er zij er overigens op gewezen dat een en ander pas kan worden verwezenlijkt als ook de privé-sector een behoorlijk gedeelte van die investeringen voor zijn rekening neemt. Voorwaarde daartoe is dat de nodige instrumenten worden ontwikkeld om bedoelde investeringen te vergemakkelijken.

31.

Het is het ook eens met de voorstellen van de Commissie om een migratieprofiel op te stellen voor elk van de betrokken ontwikkelingslanden en om migratieondersteuningsteams op te richten, bestaande uit deskundigen van EU-lidstaten, die Afrikaanse landen desgewenst de nodige bijstand kunnen verstrekken. Het zal daarnaast initiatieven van de Commissie steunen die de oprichting van een pan-Afrikaans netwerk van waarnemingscentra voor migratie en/of onderzoeksinstellingen op het gebied van migratie aanmoedigen. De lokale en regionale overheden moet bij dit alles echter de noodzakelijke knowhow worden bijgebracht. Deskundigen uit regio's en steden zouden bovendien zeker van toegevoegde waarde zijn voor genoemde migratieondersteuningsteams.

32.

Lokale en regionale overheden kunnen informatie helpen verzamelen voor de portaalsite over immigratie, de Europese portaalsite over arbeidsmobiliteit, het Eures-netwerk en de Europese portaalsite over mobiliteit van onderzoekers. Afrikaanse landen kunnen hiermee informatie krijgen over legale mogelijkheden om in Europa te werken, onder meer via specifieke informatiecampagnes. Ook kunnen lokale en regionale overheden ertoe bijdragen om het beheer van seizoenarbeiders, de uitwisseling van studenten en onderzoekers en andere vormen van legaal verkeer van personen te vergemakkelijken.

Illegale immigratie bestrijden en de integratiemaatregelen intensiveren

33.

Het CvdR staat achter het voorstel voor nieuwe wetgeving om sancties op te leggen aan werkgevers die illegale immigranten in dienst nemen, alsook achter initiatieven waarbij Europol aandacht besteedt aan het bestrijden van hulpverlening bij illegale immigratie en mensenhandel.

34.

Evenzeer moet worden getracht alle maatregelen erdoor te krijgen die nodig zijn om een eind te maken aan mensenhandel, de personen en/of criminele organisaties die zich daarmee inlaten te stoppen en de zwarte economie die aan mensenhandel ten grondslag ligt te bestrijden.

35.

Het CvdR steunt de Commissie bij haar inspanningen nog meer werk te maken van integratiemaatregelen en instrumenten te ontwikkelen waardoor de verschillende belanghebbenden, onder wie migranten zelf, in ruimere mate kunnen participeren, wat moet bijdragen tot het bevorderen van een doeltreffende integratiestrategie. Regionale en lokale overheden zouden moeten worden beschouwd als belanghebbenden en zouden altijd bij dit soort participatie-initiatieven moeten worden betrokken.

36.

Het gaat hierbij onder meer om a) de oprichting van een integratieforum waarin betrokkenen op gezette tijden van gedachten kunnen wisselen, b) de consolidatie van de rol van plaatselijke autoriteiten, en c) de oprichting van een website over integratie en het uitgeven van nieuwe versies van het integratiehandboek en het jaarverslag inzake migratie en integratie.

Frontex

37.

Het CvdR beveelt aan om artikel 7 van Verordening (EG) nr. 2007/2004 tot oprichting van Frontex toe te passen, aangezien hiermee een belangrijke maatregel voor solidariteit tussen de lidstaten wordt geactiveerd. Deze bepaling voorziet namelijk in vrijwillige bundeling van technische middelen onder het beheer van Frontex, waarbij deze middelen op verzoek van de lidstaten en na een behoeften- en risico-evaluatie die door het agentschap wordt uitgevoerd, ter beschikking van andere lidstaten kunnen worden gesteld.

38.

Om crisissituaties te kunnen voorkomen en beheren, moet Frontex zowel gerichte als algemene risicoanalyses maken. Daartoe dient het toegang te hebben tot de informatie die in het kader van de netwerken van immigratieverbindingsfunctionarissen van de lidstaten wordt verzameld.

39.

Het CvdR kan zich vinden in het voorstel van de Commissie om Verordening (EG) nr. 377/2004 betreffende de oprichting van een netwerk van immigratieverbindingsfunctionarissen zodanig te wijzigen dat Frontex toegang krijgt tot informatie en kan deelnemen aan vergaderingen die in het kader van dat netwerk worden georganiseerd, aangezien de desbetreffende informatie een nuttig hulpmiddel is en dus toegankelijk moet zijn.

40.

De Commissie moet ervoor zorgen dat de door Frontex gecoördineerde kustpatrouilles, die met name rond de Canarische eilanden en in de Middellandse Zee actief zijn, permanent plaatsvinden bij kalme zee en in het bijzonder van halverwege het voorjaar tot het begin van het najaar, om te voorkomen dat de lidstaten opnieuw worden overspoeld door stromen immigranten.

41.

Het CvdR roept de Commissie op met voorstellen te komen om de Noord-Afrikaanse landen te stimuleren tot samenwerking om mensenhandel aan de Middellandse Zeekusten te voorkomen. Op lange termijn evenwel is de beste aanpak de tenuitvoerlegging van een ontwikkelingsbeleid in de landen van herkomst.

De grensregio's ten oosten en zuidoosten van de Europese Unie

42.

Een belangrijke doelstelling bij de toepassing van de algehele aanpak van migratie op de grensregio's ten oosten en zuidoosten van de Europese Unie is een samenhangend beleid te verzekeren en ervoor te zorgen dat dit beleid aansluit bij de bestaande dialoog en initiatieven voor samenwerking inzake migratie en aanverwante vraagstukken in de algemene context van het buitenlandse beleid van de EU.

43.

Het CvdR kan zich vinden in de volgende uitspraken van de Commissie: „De dialoog met de autoriteiten van de kandidaat-lidstaten en de partnerlanden moet ook een discussie omvatten over de vraag hoe de invloed van migratie op de ontwikkeling de stabiliteit kan versterken en de groei in de regio kan stimuleren. Er dient een beleid te worden ontwikkeld om hersenvlucht tegen te gaan, onder meer door te investeren in opleiding en capaciteitsopbouw voor betere arbeidsvoorwaarden en meer arbeidskansen.” (COM(2007) 247 final).

44.

Het CvdR zou wat betreft de betrekkingen met de landen van de Raad van Europa nauwer moeten samenwerken met het Congres van lokale en regionale overheden van de Raad van Europa om de opvangcapaciteiten van de partnerlanden te verbeteren, zodat illegale immigranten volgens de internationale normen worden behandeld en rekening wordt gehouden met de behoeften van de slachtoffers van mensenhandel en van andere kwetsbare personen.

45.

De lokale en regionale overheden en hun nationale verenigingen zouden met name in de kandidaat-lidstaten en partnerlanden meer moeten worden betrokken bij EU-bijdragen, zoals programma's voor opleiding en uitwisseling van handhavingsambtenaren, samenwerking met Frontex, sociale bescherming, opleiding van ambtenaren die bevoegd zijn voor arbeidsaangelegenheden, de herintegratie van slachtoffers van mensenhandel, gegevensverzameling en het volgen van migratiestromen.

46.

Het CvdR is ingenomen met het voorstel om Frontex een prominentere rol te laten spelen bij onder meer de uitbouw van de samenwerking met Rusland, Oekraïne, Moldavië, Georgië, de Westelijke-Balkanlanden en enkele Aziatische staten. Dit agentschap zou echter eerst het nodige moeten verbeteren wat betreft de eigen operaties en risicoanalyses, aangezien die laat in het jaar van start gingen en in de zomer werden opgeschort, terwijl juist in die periode in Zuid-Europa extreem veel illegale immigranten aankomen.

47.

Het CvdR is voorstander van een intensieve en alomvattende dialoog met Rusland over alle vraagstukken die samenhangen met migratie, zoals asiel, bescherming van intern ontheemden volgens internationale normen, bestrijding van illegale immigratie en mensenhandel, arbeidsmigratie en alle relevante sociale aspecten van migratie.

48.

De lidstaten die twijfelen aan de doeltreffendheid van gezamenlijke kustpatrouilles, zouden zich meer bereid moeten tonen om middelen aan Frontex te verstrekken, niet alleen omdat alle lasten gelijkelijk moeten worden verdeeld, maar ook uit eigen belang, aangezien illegale immigratie een pan-Europees probleem is en niet alleen de landen rond het Middellandse Zeegebied aangaat.

Brussel, 11 oktober 2007.

De voorzitter

van het Comité van de Regio's

M. DELEBARRE


(1)  COM(2006) 733 final, par. 23.

(2)  Advies van het Comité van de Regio's, getiteld „Naar een toekomstig maritiem beleid voor de Unie”, met algemene stemmen goedgekeurd tijdens de 68e zitting, gehouden op 13 en 14 februari 2007 (vergadering van 13 februari 2007).


15.12.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 305/48


Verkennend advies van het Comité van de Regio's over de „Migrantenvrouwen in de Europese Unie”

(2007/C 305/10)

Gezien de betekenis van de vrouw voor de ontwikkeling van de maatschappij benadrukt het Comité van de Regio's het belang van de optimale integratie van migrantenmannen en -vrouwen, mede vanwege hun opvoedende rol: dat is een doorslaggevende factor, ook voor de daadwerkelijke inburgering van de tweede en derde generatie allochtonen.

Bij integratie gaat het zowel om het nakomen van verplichtingen als om het eerbiedigen van fundamentele mensenrechten, die de basis vormen van het Europees juridisch erfgoed.

Openbare instanties, vooral op lokaal en regionaal niveau, spelen hierbij een cruciale rol en zijn ertoe uitgerust om de verschillende diensten via netwerken te verbinden met gemeenten, organisaties van migrantenvrouwen en vrijwilligersorganisaties.

Zorgwekkend zijn de slechte schoolresultaten en het hoge aantal voortijdige schoolverlaters onder allochtone meisjes, die — soms ook onder druk van hun familie — in hun opleidings- en carrièrekeuzen worden achtergesteld als gevolg van culturele vooroordelen of benarde economische omstandigheden. Gelijkheid van behandeling voor allochtone meisjes (en jongens) vooronderstelt dat de ouders vertrouwd worden gemaakt met het onderwijssysteem en zo in staat worden gesteld om, met kennis van zaken en achterlating van seksestereotypen, beslissingen over de opleiding van hun kinderen (en vooral dochters) te nemen waarmee recht wordt gedaan aan het potentieel en de wensen van ieder kind. Er zouden daarom ook maatregelen moeten worden genomen om bij alle betrokkenen meer bewustzijn en betrokkenheid te creëren, zodat gelijkheid van kansen echt binnen handbereik komt.

Rapporteur

:

Sonia MASINI, voorzitster van het provinciebestuur van Reggio Emilia

Beleidsaanbevelingen

1.

Het Comité vindt het verheugend dat de Commissie hem om een verkennend advies over dit onderwerp heeft gevraagd, te meer daar 2007 het Europees jaar van gelijke kansen voor iedereen is en 2008 in het teken zal staan van de interculturele dialoog.

2.

Het wijst nogmaals op de noodzaak van een solide Europees migratiebeleid dat voorziet in een tussen de nationale, regionale en lokale overheden afgestemd pakket van instrumenten en samenhangende maatregelen op het gebied van legale immigratie, waarmee migranten die zich aan de wetten van het gastland houden, gemakkelijker kunnen integreren en waarmee illegale immigratie en onwettigheid nog beter kunnen worden bestreden.

3.

In haar Mededeling „Een gemeenschappelijke agenda voor integratie” stelt de Commissie dat „in alle relevante acties het aspect van gelijkheid van mannen en vrouwen zou moeten worden geïntegreerd en bijzondere aandacht zou moeten worden besteed aan de situatie van migrerende jongeren en kinderen”.

4.

Gezien de betekenis van de vrouw voor de ontwikkeling van de maatschappij is het van cruciaal belang dat migrantenmannen en -vrouwen optimaal integreren, mede vanwege hun opvoedende rol. Dat is een doorslaggevende factor, ook om ervoor te zorgen dat de tweede en derde generatie allochtonen helemaal inburgeren.

5.

De lokale en regionale overheden hebben in het advies over „Het beleidsplan legale immigratie” al eens aandacht gevraagd voor de genderdimensie, omdat vrouwen niet alleen worden gediscrimineerd vanwege hun vrouwzijn, maar ook vanwege etnische afkomst, geografische herkomst of andere in artikel 13 van het EG-Verdrag vermelde gronden voor discriminatie.

6.

Het Comité pleit voor een doeltreffende wettelijke bescherming tegen discriminatie, voor verdere maatregelen om het huidige rechtskader te vervolledigen, voor mainstreaming van non-discriminatie en gelijke kansen in het EU-beleid, voor het bevorderen van innovatie en goede praktijken, voor samenwerking met en bewustmaking van de betrokkenen (en van de samenleving van het gastland) en voor het bestrijden van discriminatie en maatschappelijke uitsluiting van veel achtergestelde etnische minderheden.

7.

Integratie is een proces dat van twee kanten komt: de gemeenschap van het gastland is verantwoordelijk voor goede opvang, maar ook de migranten(vrouwen) zelf, als individu en als lid van een nationale gemeenschap, dienen hun bijdrage te leveren. Bewustmaking is dan ook nodig voor zowel de migranten(vrouwen) als de gemeenschap van het gastland.

8.

Het is belangrijk te beseffen dat het bij integratie zowel gaat om het nakomen van plichten als om het eerbiedigen van de fundamentele mensenrechten, die de basis vormen van het Europees juridisch erfgoed, zijn vastgelegd bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, en zijn verankerd in de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten.

9.

Met name migrantenvrouwen kunnen te maken krijgen met situaties waarin de verschillende categorieën van de rechten van het individu en het recht op culturele en religieuze identiteit met elkaar botsen. Deze identiteit dient te worden beschermd, op voorwaarde dat het daaruit voortvloeiende gedrag een vrije en bewuste keuze is, niet indruist tegen onvervreemdbare fundamentele rechten en niet wordt opgelegd door de familie of de gemeenschap in het moeder- of gastland.

10.

De lokale en regionale overheden kunnen bogen op ruime ervaring met beleidsmaatregelen voor migrantenvrouwen op het gebied van opvang, bemiddeling, werk, bijstand en de strijd tegen geweld en uitbuiting, hetgeen van nut kan zijn bij de uitwerking van nieuwe Europese strategieën en programma's. Om succesvolle strategieën en programma's te kunnen uitwerken, is het dringend noodzakelijk dat vertegenwoordigsters van migrantenvrouwenorganisaties en andere vertegenwoordigsters van groepen migrantenvrouwen meepraten in een vaste dialoog met de lokale en regionale overheden of dat zij als spreekbuis voor die groepen werkzaam zijn in de administratie.

11.

Het Comité roept, net als het Europees Parlement, de lidstaten en de EU er dan ook toe op om dergelijke initiatieven met financiële en personele middelen te ondersteunen en om bij te dragen aan de uitwisseling van ideeën en voorbeelden van goede praktijken.

12.

Het juicht de goedkeuring van het kaderprogramma „Solidariteit en beheer van de migratiestromen” ten zeerste toe en is vooral ook ingenomen met de instelling van een Europees fonds voor de integratie, aangezien er hierdoor meer aandacht zal komen voor de genderdimensie en de geslaagde integratie van vrouwen van alle leeftijden, jongeren en migrantenkinderen.

13.

Het Comité herhaalt de in zijn advies over „Het beleidsplan legale immigratie” uitgesproken wens dat er bij het beheer van het Europees fonds voor de integratie rekening wordt gehouden met de eisen van de lokale en regionale overheden en dat diezelfde overheden actief en constructief kunnen deelnemen aan de onderhandelingen over de nationale programma's en operationele plannen.

14.

Organisaties van migrantenvrouwen en NGO's leveren een fundamentele bijdrage aan de aanpak van de problematiek rondom migrantenvrouwen.

15.

Met het oog op de bescherming van vrouwenrechten is het belangrijk dat maatregelen in overleg met het moederland worden getroffen. Het verzoek aan de Commissie en de lidstaten is dan ook om de lokale en regionale overheden in het moeder- en het gastland daarbij te ondersteunen, teneinde adequate indicatoren vast te leggen.

16.

Van groot belang is ook dat het taalgebruik seksegevoelig is.

Statistisch kader

17.

Er zijn nog steeds geen precieze statistische gegevens over de immigratie in de EU. Zo ontbreken er met name gegevens over de illegale immigratie en over alle mogelijke vormen van ongeregeldheden op de werkplek.

18.

Het is van groot belang dat het er bij het verzamelen van gegevens ook rekening wordt gehouden met niet-bindende seksevariabelen en dat er indicatoren voor sekseongelijkheid worden opgesteld.

19.

Voor de analyse kan gebruik worden gemaakt van de gegevens die de lokale en regionale overheden verzamelen om decentraal beleid te kunnen uitvoeren en de migratiestromen in goede banen te kunnen leiden.

Sociale voorzieningen en gezondheidszorg

20.

Het eerste contact van migrantenvrouwen met de overheidsdiensten en regelgeving van het gastland verloopt vaak via de sociale en medische voorzieningen. Daarom is het noodzakelijk dat alle vormen van discriminatie die in de praktijk kunnen voorkomen, worden bestreden en dat ongelijkheid in de gezondheidszorg wordt uitgebannen.

21.

De hele migrantenbevolking moet worden betrokken bij de gezondheidscontroles en preventieve acties van de desbetreffende zorgdiensten. Ook zouden er speciale sociale en medische programma's moeten worden opgezet voor de bestrijding van ziekten die onder migranten veel voorkomen (objectief onderzoek naar specifieke gezondheidsproblemen moet dit uitwijzen), en het is belangrijk om daarvoor voldoende middelen uit te trekken.

22.

Er moet meer gezondheidsvoorlichting en -toelichting komen voor met name vrouwelijke allochtonen, en hulpverleners zouden zich meer moeten richten op de individuele behoeften en de specifieke culturele achtergrond van de migrant. Daarvoor zou gebruik kunnen worden gemaakt van vertaling/vertolking, culturele bemiddeling, persoonlijke gesprekken met migranten of dialogen met groepen of organisaties. Respect voor culturele diversiteit moet gebaseerd zijn op het fundamentele recht van de vrouw op gezondheidszorg en op haar zelfbeschikkingsrecht, in het bijzonder op medisch en seksueel gebied.

23.

Het Comité staat daarom achter de maatregelen die op het gebied van voorlichting, preventie, steun en bewustmaking worden getroffen om alle mogelijke discriminerende en/of vernederende praktijken en gewoonten uit te bannen en om de verschillende lidstaten en de lokale en regionale overheden werkzame en kwalitatief hoogwaardige preventieve en stimulerende instrumenten aan te reiken waarmee op multidisciplinaire wijze en langs de weg van de dialoog transculturele bruggen kunnen worden geslagen (voorbeelden daarvan zijn vertaling/vertolking, culturele bemiddeling, cursussen voor bevallingsbegeleiding, initiatieven om migrantenvrouwen te helpen inburgeren en intercultureel beraad).

24.

Openbare instanties, vooral op lokaal en regionaal niveau (bijvoorbeeld op gebieden als dat van de consultatiebureaus), spelen hierbij een cruciale rol en zijn ertoe uitgerust om de verschillende diensten via netwerken te verbinden met gemeenten, organisaties van migrantenvrouwen, vrijwilligersorganisaties en de tertiaire sector.

25.

Het is belangrijk om goede praktijkvoorbeelden op sociaal en medisch gebied onder de aandacht te brengen door een heus Europees register in te stellen van succesvolle beleidsmaatregelen en initiatieven op dit gebied.

Onderwijs, jeugdbeleid en cultuur

26.

Het hangt af van de jongeren of de kloof wordt gedicht tussen de maatschappij waarin zij opgroeien en het gezin waaruit zij voortkomen. Mede om die reden is de jongere generatie de doorslaggevende factor voor het welslagen van de inburgering in Europa.

27.

Er moeten gerichte maatregelen worden genomen om migranten volledig te laten deelnemen aan het onderwijs in het gastland (in de eerste plaats het taalonderwijs), vooral voor de beginperiode van hun verblijf.

28.

Bij de ontwikkeling van onderwijsprogramma's moet rekening worden gehouden met de diversiteit van de leerlingen.

29.

In zijn advies over „Het beleidsplan legale immigratie” heeft het Comité er reeds op gewezen dat het aantal voortijdige schoolverlaters onder allochtonen in veel landen hoog is. Om dit probleem het hoofd te bieden, stelt het Comité voor om financiële middelen ter beschikking te stellen en speciale beleidsinstrumenten te ontwikkelen. Het is met name belangrijk ervoor te zorgen dat jongeren hun vermogens ten volle kunnen benutten en hun ambities kunnen waarmaken. Daarbij moet de aandacht vooral uitgaan naar de schoolprestaties van en opleidingsmogelijkheden voor meisjes. Door veelvuldige contacten tussen leerkrachten en ouders en uitputtende informatie over het onderwijsbestel moet ervoor worden gezorgd dat het potentieel van ieder meisje wordt onderkend en — naar haar eigen wens en behoefte — wordt benut.

30.

Bijzondere aandacht dient uit te gaan naar de speciale situatie van migrantenvrouwen van alle leeftijden, maar vooral van allochtone meisjes, die soms verscheurd zijn tussen de traditionele identiteit van thuis en de nieuwe identiteit van de samenleving waarin ze opgroeien en waartoe ze zich aangetrokken voelen. Het is immers heel goed mogelijk dat zij een belangrijke pijler zullen vormen van het nieuwe Europa.

31.

Het Comité is bezorgd over de slechte schoolresultaten en het hoge aantal voortijdige schoolverlaters onder allochtone meisjes, die — soms ook onder druk van hun familie — in hun opleidings- en carrièrekeuzen worden achtergesteld als gevolg van culturele vooroordelen of benarde economische omstandigheden. Gelijkheid van behandeling voor allochtone meisjes (en jongens) vooronderstelt dat de ouders vertrouwd worden gemaakt met het onderwijssysteem en zo in staat worden gesteld om, met kennis van zaken en achterlating van seksestereotypen, beslissingen over de opleiding van hun kinderen (en vooral dochters) te nemen waarmee recht wordt gedaan aan het potentieel en de wensen van ieder kind. Er zouden daarom ook maatregelen moeten worden genomen om bij alle belanghebbenden meer bewustzijn en betrokkenheid te creëren, zodat gelijkheid van kansen ook echt binnen handbereik komt.

32.

Het Comité steunt het voorstel van het Europees Parlement in diens resolutie over de immigratie van vrouwen om de deelname van jonge allochtonen aan het geïntegreerde actieprogramma op het gebied van levenslang leren (2007-2013) te bevorderen.

33.

Bij maatregelen die in het kader van jeugdbeleid worden ontwikkeld, dient rekening te worden gehouden met het genderaspect en de culturele diversiteit van jonge allochtonen die heel goed zouden kunnen worden ingezet als bemiddelaars tussen de verschillende culturen. Ook zou er moeten worden gedacht aan het creëren van fora voor culturele uitwisseling en het oprichten van vrouwenorganisaties.

34.

Communicatie, in het bijzonder via de media, is van doorslaggevende betekenis voor de integratie van migrantenvrouwen. Het Comité pleit er dan ook voor om de mogelijkheden die hier liggen, aan te grijpen en om de media door middel van gerichte initiatieven ertoe te bewegen zowel de allochtone als de autochtone gemeenschap veel meer te informeren en negatieve vooroordelen en stereotypen uit de wereld te helpen.

35.

Hierbij zij gewezen op het advies over de Commissiemededeling „Een gemeenschappelijke agenda voor integratie” waarin het Comité al eens heeft gepleit voor samenwerking met de media (opstelling van een vrijwillige gedragscode voor journalisten).

Economische integratie

36.

Het Comité pleit voor een betere toegang van migrantenvrouwen tot beroepsopleidingen en de arbeidsmarkt, onder meer via positieve discriminatie en maatregelen om de obstakels te overwinnen die de gelijkheid van kansen in de weg staan.

37.

Migrantenvrouwen zijn veelal actief in het grijze of zwarte circuit waar ze tijdelijk, slecht betaald en laag gekwalificeerd werk verrichten. Het verzoek aan de Commissie is dan ook om dit probleem nader te onderzoeken en om hiervoor oplossingen aan te dragen.

38.

Het is belangrijk dat wordt gewerkt aan de erkenning van de professionele vaardigheden die migrantenvrouwen in hun eigen land hebben opgedaan, alsook van de door hen verworven praktijkkennis en behaalde diploma's.

39.

Het is een goede zaak dat de Commissie plannen heeft voor een algemene kaderrichtlijn inzake de rechten van burgers uit niet-EU-landen die legaal werkzaam zijn in de EU, en dat de Commissie daarin het probleem van de erkenning van diploma's en professionele vaardigheden aan de orde wil stellen.

40.

Het Comité constateert dat migrantenvrouwen, vooral in bepaalde lidstaten, op grote schaal werkzaam zijn in de (thuis)zorg, met alle gevolgen van dien voor de sociale zekerheid in Europa. De Commissie zou dit verschijnsel nader moeten onderzoeken en haar gedachten moeten laten gaan over de ontwikkeling van specifieke instrumenten.

41.

Ook op economisch gebied zouden de autonomie en ondernemerszin van migrantenvrouwen, zowel in het moederland als in het gastland, door middel van gerichte maatregelen, (bijvoorbeeld het verschaffen van microkredieten) moeten worden bevorderd.

42.

Het is goed dat er in de tweede uitgave van het handboek over integratie aandacht wordt besteed aan ondersteuningsmaatregelen voor immigranten met ondernemerszin. Aangezien dergelijke initiatieven (bv. in de vorm van een beroepsopleiding en talenonderwijs in het moederland) een essentiële bijdrage kunnen leveren aan de onafhankelijkheid van migrantenvrouwen, dringt het Comité er bij de Commissie op aan om ook hieraan steun te verlenen.

43.

Omdat migrantenvrouwen specifieke problemen kunnen ondervinden als het erom gaat werk en gezinstaken te combineren, zijn er passende maatregelen nodig. Daarbij is het belangrijk dat de desbetreffende initiatieven op lokaal en regionaal niveau, evt. in samenwerking met vrouwen- of vrijwilligersorganisaties, ten uitvoer worden gebracht en door de Commissie worden ondersteund.

44.

Vaak worden de rechten van migrantenvrouwen, mede als gevolg van de heersende tradities binnen de eigen gemeenschap, ondermijnd doordat zij zich niet probleemloos kunnen verplaatsen. Het Comité roept de Commissie en de lidstaten dan ook op om steun te verlenen aan maatregelen die hen mobieler moeten maken (bv. door rijlessen).

45.

Zwartwerk kan gemakkelijk leiden tot uitbuiting van vrouwen. Daarom is het goed dat er maatregelen worden genomen om dit soort werk te legaliseren of te bestrijden.

46.

Om zwartwerk te bestrijden, is een gerichte aanpak nodig, waarin ook wordt gezorgd voor een rechtvaardige behandeling van de slachtoffers. Het Comité wijst in dit verband op het recente voorstel van de Commissie voor een richtlijn inzake de harmonisering van sancties voor werkgevers die migrantenvrouwen of -mannen zonder verblijfsvergunning in dienst hebben of die legaal in een lidstaat verblijvende migrantenvrouwen of -mannen zwart werk laten doen.

47.

In aansluiting op zijn advies over „Het beleidsplan legale immigratie” verzoekt het Comité de Commissie en de lidstaten om er beleidsmatig voor te zorgen dat immigranten hun inkomsten naar het moederland kunnen overmaken en om te stimuleren dat die daar aan productieve projecten worden besteed.

Bescherming tegen geweld en uitbuiting en recht op inspraak

48.

Het Comité is het eens met het Europees Parlement dat cultuur of godsdienst nooit een reden mogen zijn om uitbuiting, schending van grondrechten of lichamelijke en geestelijke dwang, waarvan sommige migrantenvrouwen gemakkelijk het slachtoffer kunnen worden, te rechtvaardigen of te tolereren.

49.

Het is dan ook een goede zaak dat het Europees Parlement de lidstaten ertoe heeft opgeroepen om, op basis van de nationale wet- en regelgeving en de Europese en internationale voorschriften, alle mogelijke vormen van geweld tegen vrouwen onmiddellijk op doeltreffende wijze te bestrijden. Ook is van cruciaal belang dat uitgebreid voorlichting over die voorschriften en bepalingen wordt gegeven, zodat ook migrantenvrouwen en -mannen van hun bestaan afweten.

50.

Het Comité verzoekt de Commissie om de daartoe genomen maatregelen alsook de dienovereenkomstige inspanningen van de lokale en regionale overheden te steunen.

51.

Tevens zou de Commissie moeten onderzoeken hoe het toenemende huiselijk geweld het beste kan worden aangepakt en voorkomen en zou zij op korte termijn maatregelen moeten voorstellen die in de Europese wetgeving kunnen worden opgenomen. Eerwraak is een speciale vorm van door familie gepleegd geweld waaraan bijzondere aandacht moet worden geschonken.

52.

Gemengde huwelijken (of relaties die de facto als zodanig moeten worden opgevat) zijn „kweekvijvers” voor positieve integratie, waar verschillende culturen, gevoeligheden, religies en wetgevingen elkaar ontmoeten. Ofschoon iedere burger het recht heeft om te trouwen met wie hij of zij wil, moeten de fundamentele rechten van vrouwen en minderjarige meisjes worden losgekoppeld van de vraag of de desbetreffende wettelijke regelingen al dan niet wederkerig zijn.

53.

Gezinshereniging is een steeds vaker voorkomend verschijnsel dat de integratie bevordert en van cruciaal belang is voor de waarborging van het recht op gezinsleven. Net als het Europees Parlement wijst het Comité erop dat nog niet alle lidstaten Richtlijn 2003/86/EG naar behoren toepassen.

54.

Bij gezinshereniging moeten de mensenrechten van alle leden van het kerngezin worden gerespecteerd en moet de garantie worden geboden dat de vrouwen onder hen de vrije keus is gelaten.

55.

Het Comité veroordeelt gedwongen huwelijken en andere praktijken die in strijd zijn met de Europese wetten (bijvoorbeeld infibulatie of polygamie). Het roept de lidstaten ertoe op om er onverwijld voor te zorgen dat de wetten die dergelijke praktijken verbieden, onverkort worden uitgevoerd.

56.

Geheel in lijn met zijn advies over de bestrijding van illegale immigratie pleit het Comité ervoor dat zo snel mogelijk alles in het werk wordt gesteld om via de juiste wet- en regelgeving en gerichte actieprogramma's een einde te maken aan mensenhandel (waarvan vooral vrouwen het slachtoffer zijn), de daarvoor verantwoordelijke criminele organisaties op te rollen en alle vormen van slavernij, zeker ook van kinderen en jongeren, een halt toe te roepen. Ook als de slachtoffers daarvan geen verblijfsvergunning hebben, moeten zij als speciale gevallen worden behandeld en moet er rekening mee worden gehouden dat zij bij uitzetting naar hun land van herkomst aan extreem geweld kunnen worden blootgesteld of zelfs kunnen worden vermoord.

57.

Het Europees Parlement heeft de lidstaten er in zijn resolutie over de immigratie van vrouwen terecht toe opgeroepen om, overeenkomstig hun nationale wetgeving, vooral aandacht te schenken aan de bevordering van de betrokkenheid van migrantenvrouwen bij het maatschappelijk leven en de politiek.

Brussel, 11 oktober 2007.

De voorzitter

van het Comité van de Regio's

M. DELEBARRE


15.12.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 305/53


Advies van het Comité van de Regio's over „Gelijke kansen en sport”

(2007/C 305/11)

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S DOET DE VOLGENDE AANBEVELINGEN

sport kan gebruikt worden om discriminatie en ongelijke behandeling in de samenleving aan te pakken en om maatschappelijke waarden zoals samenwerking, verdraagzaamheid en solidariteit te promoten;

lokale en regionale overheden moeten via diensten en voorzieningen op sportgebied bijdragen tot de planning, ontwikkeling en stimulering van maatregelen inzake gelijke kansen;

er zijn bevolkingsgroepen die minder aan sport doen, slecht vertegenwoordigd zijn in de besluitvorming en geen toegang hebben tot bepaalde sportfaciliteiten. In veel landen vormen sportbesturen geen goede afspiegeling van de diversiteit van de gemeenschap die zij ten dienste staan;

lokale en regionale overheden zouden mensen uit alle gemeenschappen moeten stimuleren om sportevenementen bij te wonen of eraan deel te nemen, en hen moeten beschermen tegen discriminatie en intimidatie; zij zouden sportvoorzieningen waarvan zij eigenaar zijn, die door hen beheerd of gefinancierd worden of waarvoor zij een vergunning hebben afgegeven, zonder discriminatie beschikbaar moeten stellen; zij zouden mensen uit alle gemeenschappen moeten aanmoedigen actief te worden op alle niveaus van bestuur, management en coaching in de sport. Het sportbeleid van lokale en regionale overheden en de mate waarin zij daarin voor gelijke kansen zorgen, moet gelden als een maatstaf voor hun algehele presteren;

lokale en regionale overheden zouden van de ervaringen van andere overheden binnen en buiten Europa moeten leren en navolgenswaardige praktijken lokaal en regionaal voor het voetlicht moeten brengen;

de EU zou benchmarks moeten creëren bij het promoten van gelijke kansen in sport en sportvoorzieningen. In dit verband heeft het CvdR een handvest voor gelijke kansen in de sport opgesteld.

Rapporteur

:

Peter MOORE (UK/ALDE), gemeenteraadslid van Sheffield

Sport heeft een ongeëvenaard vermogen om mensen samen te brengen. Sport kan vertwijfelden weer hoop geven, rassenbarrières uit de weg ruimen en een lange neus maken naar discriminatie. Sport spreekt de taal van het volk.”

Nelson Mandela

Wat onzichtbaar blijft in de sport zijn de duizenden enthousiastelingen die in hun voetbal-, roei-, atletiek en rotsklimclubs een ontmoetingsplaats vinden waar ze ervaringen kunnen delen, maar vooral ook gemeenschapszin opdoen. In deze microkosmos leren mensen verantwoordelijkheid te nemen, regels te eerbiedigen, elkaar te accepteren, naar consensus te streven en zich democratisch op te stellen. Zo bezien vormt sport feitelijk de ideale leerschool der democratie.”

Daniel Tarschys

Secretaris-generaal Raad van Europa

Beleidsaanbevelingen

Algemene opmerkingen

1.

Zoals zovele andere aspecten van het maatschappelijk leven kan ook sport mensen zowel verenigen als verdelen.

2.

Discriminatie en ongelijke behandeling bestaan in sport, maar sport kan ook gebruikt worden om deze verschijnselen aan te pakken en maatschappelijke waarden zoals teamgeest, sportiviteit, samenwerking, verdraagzaamheid en solidariteit te promoten.

3.

Door sport en binnen de sportwereld zelf kan gezorgd worden voor gelijke kansen voor alle bevolkingsgroepen. Dit kan het best gebeuren door gezamenlijke, elkaar aanvullende inspanningen van alle bestuurslagen, waarbij er voor lokale en regionale overheden een sleutelrol moet zijn weggelegd.

4.

Het is een goede zaak dat 2007 is uitgeroepen tot Europees Jaar van gelijke kansen voor iedereen, maar het is jammer dat het CvdR en sommige lidstaten hier niet optimaal aan deelnemen. Dit advies moet als bijdrage tot genoemd Jaar worden beschouwd.

5.

Tijdens de Europese Raad van Nice in 2000 is een verklaring aangenomen waarin de EU wordt opgeroepen om de specifieke kenmerken en de maatschappelijke, educatieve en culturele functie van sport in aanmerking te nemen. In de aan het Verdrag van Amsterdam gehechte Verklaring 29 wordt het maatschappelijke belang van sport benadrukt. Het CvdR is verheugd dat de Europese Commissie op 11 juli 2007 een Witboek over sport heeft uitgebracht en zou graag zien dat zij het daarin ter sprake gebrachte gelijkekansenvraagstuk aanpakt.

6.

Het CvdR stemt in met de definitie van sport door de Raad van Europa: „de verzameling van alle vormen van lichamelijke activiteit die, al dan niet in georganiseerd verband, ten doel hebben de lichamelijke en geestelijke toestand te verbeteren, de sociale verbanden te ontwikkelen en resultaten te bereiken in competities op alle niveaus.”

7.

Streven naar gelijke kansen betekent niet alleen dat onwettige vormen van discriminatie moeten worden aangepakt. Het gaat er ook om dat actief wordt geprobeerd een wijziging in mentaliteit en houding te bewerkstelligen teneinde onwetendheid en vooroordelen tegen te gaan, de talenten die er in onze gemeenschappen bestaan te benutten en iedereen in staat te stellen optimaal gebruik te maken van de eigen mogelijkheden.

8.

Er kan op vele manieren gediscrimineerd worden (direct en indirect, openlijk en verholen), door instanties en individuele personen. Discriminatie belemmert (of vergroot) de toegang van bevolkingsgroepen tot het maatschappelijk leven, de politiek en het beroepsleven, alsook hun mogelijkheden en ontplooiingskansen daarin.

9.

Er zijn bevolkingsgroepen die om verschillende redenen minder aan sport doen, slecht vertegenwoordigd zijn op de besluitvormingsniveaus en om diverse redenen geen toegang hebben tot bepaalde sportfaciliteiten. Als gevolg hiervan worden personen uit sommige van deze groepen relatief vaak geconfronteerd met ziektes die bijvoorbeeld met een gebrek aan lichaamsbeweging te maken hebben.

10.

In veel landen vormen sportbesturen geen goede afspiegeling van de diversiteit van de gemeenschap die zij ten dienste staan. Lokale en regionale overheden zouden aan deze kwestie aandacht moeten besteden, o.m. door bestuurders zodanig op te leiden dat (opzettelijke of onbewuste) gevallen van discriminatie in kaart gebracht en aangepakt worden.

11.

Het CvdR wijst op de werkzaamheden die het Monitoringcentrum van de EU inzake racisme en vreemdelingenhaat (EUMC) samen met Football Against Racism in Europe (FARE) en de UEFA heeft verricht om racisme in het voetbal te bestrijden. Het is ingenomen met de oprichting van het Europees agentschap voor de grondrechten, dat het mogelijk maakt om het werkterrein van het EUMC uit te breiden. Het CvdR dringt er bij het EUMC op aan om het thema „gelijke kansen en sport” in zijn taakomschrijving op te nemen, en verzoekt het EUMC om het CvdR hierover jaarlijks verslag uit te brengen.

12.

Het CvdR zou graag zien dat organisatoren van grote internationale sportevenementen a) aandacht besteden aan gelijke kansen in de sport in kwestie en b) parallel aan het evenement seminars organiseren om van gedachten te wisselen over gelijkekansenvraagstukken die met sport verband houden, en daarbij de lokale en regionale dimensie in acht nemen.

Leeftijd

13.

Sportbeleidsmaatregelen zijn vooral gericht op jonge mensen. Dit is begrijpelijk, want naarmate mensen ouder worden, gaan zij veel minder aan sport doen. Sporten kan echter de levensverwachting en de kwaliteit van het leven op oudere leeftijd ten goede komen.

14.

Sport biedt ouderen de mogelijkheid steeds weer nieuwe dingen bij te leren; als beoefenaar kunnen zij vaardigheden en kennis opdoen, en op het gebied van training, begeleiding en bestuur kunnen zij hun leven lang actief blijven.

15.

Lokale en regionale overheden dienen in hun beleid en infrastructuur aan alle leeftijdsgroepen evenveel aandacht te schenken, en evenveel waarde te hechten aan voor ouderen toegankelijkere sporten waarbij minder kracht en geen competitie komt kijken.

Handicaps

16.

Gehandicapten doen minder aan sport dan niet-gehandicapten. Maatregelen zijn nodig om ervoor te zorgen dat gehandicapte mannen en vrouwen van alle leeftijden volwaardig gebruik kunnen maken van hun recht op beoefening van alle takken van sport.

17.

Lokale en regionale overheden dienen in hun beleid en infrastructuur oog te hebben voor gehandicapten en evenveel waarde te hechten aan voor gehandicapten toegankelijkere sporten waarbij minder kracht en geen competitie komt kijken. Speciale aandacht dient uit te gaan naar het organiseren van sportactiviteiten en het beschikbaar stellen van sportvoorzieningen voor ouderen, waarbij ook passend advies moet worden gegeven over de vraag wat zij gezien hun lichamelijke en geestelijke gezondheid (nog) kunnen doen.

18.

Lokale en regionale overheden dienen de aanwerving van gehandicapten als sportbestuurders en trainers/begeleiders in het oog te houden.

Gender

19.

In sommige lidstaten doen mannen vaker aan sport dan vrouwen, al wordt het verschil kleiner.

20.

Lokale en regionale overheden dienen hoofdzakelijk via hun onderwijs- en opleidingsbeleid te voorkomen dat jongens en meisjes alleen tot het beoefenen van typische resp. „mannensporten” en „vrouwensporten” worden aangezet. Jongens en meisjes moeten dezelfde kansen krijgen om de sport van hun keuze te beoefenen. Lokale en regionale overheden zouden bij het opstellen van begrotingen voor sportvoorzieningen en de planning van het sportaanbod de methode van gender budgeting moeten toepassen.

21.

Lokale en regionale overheden moeten bij de aanwerving van sportbestuurders en trainers/begeleiders toezien op het evenwicht tussen mannen en vrouwen.

22.

Ook dienen zij eraan mee te werken dat er gezorgd wordt voor sportactiviteiten en sportfaciliteiten ten behoeve van zwangere vrouwen en jonge moeders (m.i.v. goede advisering over wat zij gezien hun toestand beter wel en niet kunnen doen), voor kinderopvangvoorzieningen bij sportlocaties en voor adequaat, veilig, toegankelijk en betaalbaar openbaar vervoer naar sportlocaties.

Ras

23.

Sporten als basketbal, honkbal, hardlopen, tennis en volleybal vereisen allemaal min of meer dezelfde biologische aanleg. Er zijn echter sterke aanwijzingen voor te vinden dat de keuze voor een bepaalde sport niet zozeer wordt gemaakt op basis van fysieke capaciteiten, maar vooral wordt ingegeven door sociale en culturele factoren.

24.

Belangrijk is dat alle sportactiviteiten voor alle bevolkingsgroepen toegankelijk zijn, zonder discriminatie.

25.

De op 14 maart 2006 aangenomen resolutie van het Europees Parlement over voetbal en racisme, waarin alle belanghebbenden wordt gevraagd om de strijd tegen racisme in de sport op te voeren, wordt door het CvdR toegejuicht.

26.

Etnische verscheidenheid is op topsportniveau, met name in het voetbal, in hogere mate aanwezig dan op lagere niveaus. Dat in sommige takken van sport op het hoogste niveau af en toe niet-blanke sporters uitblinken, kan de indruk wekken dat racisme tot het verleden behoort. De werkelijkheid gebiedt echter te zeggen dat profsport maar weinigen een kans biedt om uit hun achtergestelde maatschappelijke positie te komen. Er kan ook sprake zijn van racisme als niet-zwarte spelers een stereotiepe rol krijgen toebedeeld.

27.

Eventuele op raciale gronden gebaseerde stereotypen onder leraren en coaches, die tot gevolg kunnen hebben dat bepaalde etnische minderheden worden gestimuleerd of er juist van afzien om een of andere sport te beoefenen, moeten worden bestreden.

28.

Lokale en regionale overheden dienen bij de indienstneming van sportbestuurders en trainers/begeleiders toe te zien op het evenwicht tussen mensen van verschillende etnische afkomst.

Godsdienst of levensbeschouwing

29.

In alle religies en levensbeschouwingen gelden er specifieke omgangsvormen (bijv. dat men alleen mag douchen met mensen van dezelfde sekse) en praktijken (bijv. het tijdstip waarop er wordt gebeden, de frequentie waarmee dit gebeurt en de rituelen die ermee gepaard gaan) die ertoe kunnen leiden dat personen onopzettelijk van sportbeoefening worden uitgesloten. Zo kan een verbod op het dragen van een islamitische hoofddoek (hijab) een belemmering vormen voor volwaardige deelname van moslimvrouwen aan voetbal. Uitsluiting van bepaalde groepen kan ook het gevolg zijn van islamofobie, antisemitisme en andere vormen van haat. Het CvdR verzoekt de EU om deze vormen van discriminatie net als racisme en vreemdelingenhaat aan te pakken. De EU moet spel en informeel sporten, waar iedereen aan mee kan doen, stimuleren. Dat is een maatregel die diverse partijen aangaat: lidstaten, regio's en gemeenten, die voor de infrastructuur zorgen, de bevolking, sportorganisaties en sportbeoefenaars.

30.

Lokale en regionale overheden zouden moeten stimuleren dat deze groepen en sportorganisatoren met elkaar in gesprek gaan om samen een beter inzicht te krijgen in wat er speelt en na te gaan hoe er op verdraagzame en constructieve wijze met specifieke gewoontes en praktijken rekening kan worden gehouden. Hierbij dient wel erkend te worden dat een haalbare oplossing wellicht niet in alle gevallen mogelijk is.

Seksuele geaardheid

31.

Speciale aandacht dient uit te gaan naar de behandeling van homoseksuele mannen en vrouwen in de sport. Vaak staan zij voor een moeilijke keuze: hun geaardheid verbergen, of sportclubs oprichten en wedstrijden organiseren die alleen voor homo's en lesbiennes zijn bestemd. Een aanzienlijk deel van de Europese bevolking is homoseksueel, maar onder de huidige profvoetballers is er niemand die er voor uitkomt homo te zijn. Op lange termijn is het geen oplossing om zaken te verbergen en te scheiden. Doel moet zijn alle sportclubs toegankelijk te maken voor alle mannen en vrouwen, ongeacht hun geaardheid.

32.

Om deze kwesties op te lossen dienen lokale en regionale overheden met lokale en regionale organisaties van homo-, bi- en transseksuelen samen te werken.

33.

Het CvdR is ingenomen met het van 2006 daterende vijfpuntenprogramma van de organisatie FARE om homohaat in het voetbal te bestrijden.

Gelijke kansen in verband met sport en sportvoorzieningen

34.

Lokale en regionale overheden dienen discriminatie in sport en sportvoorzieningen aan de kaak te stellen en die een halt toe te roepen.

35.

Er moet meer onderzoek worden gedaan naar de sportsituatie van minderheden. Er dient aandacht te worden besteed aan alle vormen van discriminatie, die per land, regio en sporttak uiteen kunnen lopen.

36.

Europese sportorganen, met name de UEFA, wordt verzocht om zinvolle en doeltreffende sancties op te leggen in geval van rassendiscriminatie en andere wantoestanden tijdens evenementen die onder hun bevoegdheid vallen. In het bijzonder de UEFA zou in dezen corrigerende maatregelen moeten treffen en hierover aan het CvdR verslag moeten uitbrengen na het Europees kampioenschap voetbal van 2008.

37.

Lokale en regionale overheden wordt verzocht te stimuleren dat mensen uit alle gemeenschappen sportevenementen (al dan niet georganiseerd door een lokale of regionale overheid) bijwonen of eraan deelnemen, en hen te beschermen tegen discriminatie en intimidatie.

38.

Lokale en regionale overheden moeten sportvoorzieningen waarvan zij eigenaar zijn, die door hen beheerd of (geheel of gedeeltelijk) gefinancierd worden, of waarvoor zij een vergunning hebben afgegeven voor sportactiviteiten, zonder discriminatie beschikbaar stellen.

39.

Lokale en regionale overheden dienen personen uit alle gemeenschappen aan te moedigen actief te worden op alle niveaus van bestuur, management en coaching in de sport.

Gelijke kansen stimuleren via sport

40.

Lokale en regionale overheden wordt verzocht om via sport verdraagzaamheid en begrip te kweken en op die manier discriminatie te bestrijden en iedereen bij de samenleving te betrekken.

41.

Lokale en regionale overheden zouden zich actiever moeten opstellen bij het aanbieden van sportvoorzieningen.

42.

Onderwijsinstanties zouden kinderen niet alleen moeten aanmoedigen aan sport te doen, maar hen ook moeten leren de maatschappelijke en culturele dimensie van sport in al zijn facetten te appreciëren.

43.

Europese netwerken van sportorganisatoren, coaches en bestuurders moeten worden aangespoord na te denken over en meer werk te maken van gelijke kansen op hun werkterrein.

44.

Lokale en regionale overheden, organisaties en clubs moeten worden aangemoedigd om voor personeelsleden en coaches cursussen te organiseren over de multiculturele samenleving, non-discriminatie en verdraagzaamheid.

Lokale en regionale overheden

45.

Lokale en regionale overheden hebben wezenlijke taken op het gebied van sport, recreatie en cultuur, die van groot belang zijn om iedereen bij de samenleving te betrekken en discriminatie tegen te gaan.

46.

Lokale en regionale overheden moeten via het faciliteren van diensten en voorzieningen op sportgebied bijdragen tot de planning, ontwikkeling en stimulering van maatregelen inzake gelijke kansen, ook via gender budgeting.

47.

Het sportbeleid van lokale en regionale overheden en de mate waarin zij daarin voor gelijke kansen zorgen, moet gelden als een maatstaf voor hun algehele presteren.

48.

Lokale en regionale overheden dienen discriminatie op grond van leeftijd, handicap, geslacht, ras of etnische achtergrond, godsdienst of levensbeschouwing, of seksuele geaardheid, bij dienstverlening door openbare instanties, te erkennen en te bestrijden. Het gaat hierbij om handelwijzen, houdingen of gedragingen die op discriminatie neerkomen via onbewuste vooroordelen, onwetendheid, onnadenkendheid en stereotypes die bepaalde bevolkingsgroepen benadelen.

49.

Van lokale en regionale overheden wordt verwacht dat zij optreden op de volgende drie gebieden:

i)

commitment, beleid en planning: zij dienen zich er toe te verbinden gelijke kansen via sport te promoten door beleidsmaatregelen en gedegen actieplannen op papier te zetten, uit te voeren en regelmatig tegen het licht te houden;

ii)

participatie en imago: zij dienen alles in het werk te stellen om voor een grotere diversiteit te zorgen onder deelnemers aan sport- en recreatieactiviteiten en onder de mensen die in deze sectoren werkzaam zijn. In dit verband dienen zij in de beeldvorming tevens duidelijk te maken dat deze activiteiten er voor iedereen zijn;

iii)

bestuur en management: zij moeten procedures opzetten voor het aanpakken van discriminatie en ongelijke behandeling. Ook moeten zij streven naar grotere diversiteit in leiding, bestuur en management van sportinstanties.

50.

Lokale en regionale overheden dienen samen te werken met maatschappelijke organisaties, partnerverenigingen, sportbonden, plaatselijke sportclubs en niet-gouvernementele organisaties om de gemeenschappelijke doelstellingen op dit gebied te verwezenlijken. Ook dienen zij te zorgen voor politieke aansturing.

51.

Het CvdR beveelt tevens aan dat lokale en regionale overheden een mediastrategie ontwikkelen waarbij via advertenties de aandacht wordt gevestigd op sportmogelijkheden voor doelgroepen zodat hun deelname wordt opgevoerd, en waarbij hun activiteiten en prestaties belicht worden in de media. Lokale en regionale overheden moeten meehelpen om stereotyperingen, discriminatie en racisme te bannen uit sportverslagen en uit publicaties die door hen geproduceerd of gefinancierd worden. Zo kunnen zij vrouwenvoetbal belichten als iets normaals en niet als iets buitengewoons.

52.

Het CvdR roept lokale en regionale overheden op om ervaringen uit te wisselen en te leren van de ervaringen van andere overheden binnen en buiten Europa, en om navolgenswaardige praktijken lokaal en regionaal voor het voetlicht te brengen. De EU-instellingen wordt verzocht om deze uitwisseling van best practices te bevorderen. Met name het CvdR en Europese organisaties van decentrale overheden (CEMR, AER, Eurocities, enz.) zouden moeten nagaan hoe het gemakkelijker kan worden gemaakt om netwerken tot stand te brengen van steden, lokale overheden en regio's die op deze terreinen specifieke ervaringen hebben.

53.

Het CvdR verzoekt de EU een benchmark te creëren voor lokale en regionale overheden bij het promoten van gelijke kansen in sport en sportvoorzieningen. In dit verband komt het CvdR met een handvest voor gelijke kansen in de sport:

Handvest van het CvdR voor gelijke kansen in de sport

De ondertekenaars van dit Handvest verbinden zich ertoe hun invloed te gebruiken om een sportwereld te creëren waaraan iedereen kan deelnemen zonder op welke wijze dan ook te worden gediscrimineerd. Zij beloven om:

discriminatie in de sport aan de kaak te stellen en te bestrijden;

mensen uit alle gemeenschappen tot sporten aan te zetten;

werknemers en toeschouwers uit alle gemeenschappen te verwelkomen en alle werknemers en toeschouwers te beschermen tegen discriminatie en intimidatie;

uit alle gemeenschappen afkomstige personen met talenten en vaardigheden aan te moedigen actief te worden op alle niveaus van bestuur, management en coaching in de sport;

optimale beleidsmaatregelen te ontwikkelen en uit te voeren die regelmatig getoetst en geactualiseerd worden;

diversiteit in de sport toe te juichen.”

54.

Het CvdR verzoekt de lokale en regionale overheden om dit Handvest te ondertekenen en na te gaan of hun huidige benadering hierop is afgestemd.

55.

Tot slot is het CvdR voornemens jaarlijks een prijs uit te reiken aan de lokale of regionale overheid die het Handvest het best ten uitvoer legt.

Brussel, 11 oktober 2007.

De voorzitter van het

Comité van de Regio's

M. DELEBARRE