ISSN 1725-2474

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 210

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

50e jaargang
8 september 2007


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

II   Mededelingen

 

MEDEDELINGEN VAN DE INSTELLINGEN EN ORGANEN VAN DE EUROPESE UNIE

 

Commissie

2007/C 210/01

Besluit om geen bezwaar aan te tekenen tegen een aangemelde concentratie (Zaak COMP/M.4757 — Nordic Capital/Thule) ( 1 )

1

 

IV   Informatie

 

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN EN ORGANEN VAN DE EUROPESE UNIE

 

Commissie

2007/C 210/02

Wisselkoersen van de euro

2

 

V   Bekendmakingen

 

BESTUURLIJKE PROCEDURES

 

Commissie

2007/C 210/03

Oproep tot het indienen van voorstellen — EACEA/20/07 — Jeugd in Actie — Actie 4.1. — Ondersteuning van organisaties die op Europees niveau op jeugdgebied werkzaam zijn

3

 

PROCEDURES IN VERBAND MET DE UITVOERING VAN DE GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK

 

Commissie

2007/C 210/04

Bericht van opening van een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek van de compenserende maatregelen die van toepassing zijn op getextureerd filamentgaren van polyester (PTY) van oorsprong uit India

5

 

PROCEDURES IN VERBAND MET DE UITVOERING VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK MEDEDINGINGSBELEID

 

Commissie

2007/C 210/05

Voorafgaande aanmelding van een concentratie (Zaak COMP/M.4903 — Hochtief/Vinci/JV) — Zaak die in aanmerking komt voor de vereenvoudigde procedure ( 1 )

9

2007/C 210/06

Voorafgaande aanmelding van een concentratie (Zaak COMP/M.4904 — Lite-On/Perlos) — Zaak die in aanmerking komt voor de vereenvoudigde procedure ( 1 )

10

2007/C 210/07

Voorafgaande aanmelding van een concentratie (Zaak COMP/M.4581 — Imperial Tobacco/Altadis) ( 1 )

11

2007/C 210/08

Voorafgaande aanmelding van een concentratie (Zaak COMP/M.4868 — Avnet/Magirus EID) ( 1 )

12

2007/C 210/09

Voorafgaande aanmelding van een concentratie (Zaak COMP/M.4726 — Thomson/Reuters) ( 1 )

13

2007/C 210/10

Uitnodiging opmerkingen te maken over het ontwerp voor een algemene groepsvrijstellingsverordening van de Commissie op het gebied van staatssteun

14

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

 


II Mededelingen

MEDEDELINGEN VAN DE INSTELLINGEN EN ORGANEN VAN DE EUROPESE UNIE

Commissie

8.9.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 210/1


Besluit om geen bezwaar aan te tekenen tegen een aangemelde concentratie

(Zaak COMP/M.4757 — Nordic Capital/Thule)

(Voor de EER relevante tekst)

(2007/C 210/01)

Op 20 juli 2007 heeft de Commissie besloten geen bezwaar aan te tekenen tegen bovenvermelde aangemelde concentratie en deze verenigbaar met de gemeenschappelijke markt te verklaren. Deze beschikking is gebaseerd op artikel 6, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad. De volledige tekst van de beschikking is slechts beschikbaar in het Engels en zal openbaar worden gemaakt na verwijdering van eventuele bedrijfsgeheimen. De tekst is beschikbaar:

op de website „concurrentie” van de Europese Commissie (http://ec.europa.eu/comm/competition/mergers/cases/). Deze website biedt verschillende mogelijkheden om individuele concentratiebeschikkingen op te zoeken, onder meer op bedrijfsnaam, nummer van de zaak, datum en sector;

in elektronische vorm op de EUR-Lex website onder documentnummer 32007M4757. EUR-Lex is het geïnformatiseerde documentatiesysteem voor de communautaire wetgeving. (http://eur-lex.europa.eu)


IV Informatie

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN EN ORGANEN VAN DE EUROPESE UNIE

Commissie

8.9.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 210/2


Wisselkoersen van de euro (1)

7 september 2007

(2007/C 210/02)

1 euro=

 

Munteenheid

Koers

USD

US-dollar

1,3696

JPY

Japanse yen

157,79

DKK

Deense kroon

7,4467

GBP

Pond sterling

0,6773

SEK

Zweedse kroon

9,326

CHF

Zwitserse frank

1,6437

ISK

IJslandse kroon

88,02

NOK

Noorse kroon

7,9085

BGN

Bulgaarse lev

1,9558

CYP

Cypriotische pond

0,5842

CZK

Tsjechische koruna

27,631

EEK

Estlandse kroon

15,6466

HUF

Hongaarse forint

254,47

LTL

Litouwse litas

3,4528

LVL

Letlandse lat

0,6984

MTL

Maltese lira

0,4293

PLN

Poolse zloty

3,8081

RON

Roemeense leu

3,3032

SKK

Slowaakse koruna

33,726

TRY

Turkse lira

1,7697

AUD

Australische dollar

1,6564

CAD

Canadese dollar

1,4398

HKD

Hongkongse dollar

10,6646

NZD

Nieuw-Zeelandse dollar

1,9834

SGD

Singaporese dollar

2,0867

KRW

Zuid-Koreaanse won

1 284,96

ZAR

Zuid-Afrikaanse rand

9,8556

CNY

Chinese yuan renminbi

10,3261

HRK

Kroatische kuna

7,3209

IDR

Indonesische roepia

12 870,82

MYR

Maleisische ringgit

4,7998

PHP

Filipijnse peso

63,734

RUB

Russische roebel

35,112

THB

Thaise baht

44,546


(1)  

Bron: door de Europese Centrale Bank gepubliceerde referentiekoers.


V Bekendmakingen

BESTUURLIJKE PROCEDURES

Commissie

8.9.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 210/3


Oproep tot het indienen van voorstellen — EACEA/20/07

Jeugd in Actie

Actie 4.1. — Ondersteuning van organisaties die op Europees niveau op jeugdgebied werkzaam zijn

(2007/C 210/03)

1.   Doelstellingen en beschrijving

De huidige oproep betreft Actie 4.1 van het programma „Jeugd in Actie” en heeft als doel ondersteuning van duurzame activiteiten van jongerenorganisaties die op Europees niveau werkzaam zijn en die een doelstelling van algemeen Europees belang nastreven.

Deze activiteiten moeten bijdragen tot de grotere actieve participatie van jongeren in het openbare leven as citizens en de samenleving en tot de ontwikkeling en uitvoering van Europese samenwerkingsactiviteiten op jeugdgebied in de breedste zin van het woord.

Deze oproep beantwoordt aan de voor het jaar 2008 toegekende subsidies.

Het gaat hierbij om twee soorten overeenkomsten:

Kaderovereenkomst voor een partnerschap: organisaties die een samenwerkingsverband met het Agentschap willen aangaan voor de lange termijn worden verzocht een aanvraag in te dienen voor een kaderovereenkomst (1) voor een partnerschap van 3 jaar.

Overeenkomst voor jaarlijkse exploitatie: organisaties die zich niet voor de lange termijn willen vastleggen in het kader van een partnerschapsovereenkomst kunnen een aanvraag indienen voor een jaarlijkse exploitatiesubsidie.

Het Uitvoerend Agentschap Onderwijs, Audiovisuele media en Cultuur is verantwoordelijk voor de tenuitvoerlegging van deze oproep tot het indienen van voorstellen.

2.   Subsidiabele aanvragen

2.1.   Begunstigde organisaties

Om in aanmerking te komen voor een exploitatiesubsidie moet een organisatie aan de volgende vereisten voldoen:

zij is niet-gouvernementeel;

zij bestaat op de datum van indiening van de voorstellen juridisch sedert minstens een jaar waar het om de overeenkomsten voor jaarlijkse exploitatie gaat en minstens vier jaar voor de partnerschapskaderovereenkomsten;

zij heeft geen winstoogmerk;

zij is een jongerenorganisatie of een organisatie met een bredere doelstelling waarvan een deel van de activiteiten op jongeren is gericht;

zij betrekt jongeren bij het beheer van de ten behoeve van hen ontwikkelde activiteiten;

zij heeft naast andere medewerkers ten minste één (betaalde of niet betaalde) vaste medewerker. Er wordt een uitzondering gemaakt voor structuren die nog nooit uit hoofde van deze actie subsidie hebben ontvangen en die bij subsidietoekenning van plan zijn een vaste medewerker in dienst te nemen.

2.2.   Begunstigde landen

In een van de onderstaande landen gevestigde organisaties kunnen voor subsidie in aanmerking komen:

De lidstaten van de Europese Unie;

De landen van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA), die lid zijn van de Europese Economische Ruimte (EER): IJsland, Liechtenstein en Noorwegen;

De kandidaat-lidstaten in het kader van de pretoetredingsstrategie: Turkije;

De westelijke Balkanlanden: Albanië, Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Bosnië en Herzegovina, Kroatië, Montenegro, Servië;

Een aantal landen uit Oost-Europa: Wit-Rusland, Moldavië, Russische Federatie, Oekraïne;

De Zwitserse Confederatie, onder het voorbehoud dat er met dit land een bilateraal akkoord wordt gesloten.

De instellingen die een aanvraag voor een jaarlijkse overeenkomst indienen moeten organisaties hebben die in ten minste acht van de bovengenoemde landen werkzaam zijn.

De instellingen die een aanvraag voor een partnerschapskaderovereenkomst indienen moeten organisaties hebben die in ten minste twaalf van de bovengenoemde landen werkzaam zijn.

3.   Begroting

Het totale bedrag dat is begroot voor de medefinanciering van de exploitatie van organisaties die op Europees niveau werkzaam zijn op jeugdgebied bedraagt voor 2008 ongeveer 2 400 000 EUR. Het subsidiebedrag mag niet meer dan 80 % van de totale subsidiabele exploitatiekosten beslaan. De maximumsubsidie bedraagt 40 000 EUR in het geval van een partnerschapskaderovereenkomst en 35 000 EUR in het geval van een overeenkomst voor jaarlijkse exploitatie. Er wordt op gewezen dat bij aanvrage van de twee typen subsidie twee aanvragen moeten worden ingediend en dat de aangevraagde subsidie in beide gevallen niet hoger mag zijn dan 35 000 EUR.

Het Agentschap behoudt zich het recht voor niet alle beschikbare fondsen toe te wijzen.

4.   Uiterste termijn voor indiening

Aanvragen voor een partnerschapskaderovereenkomst voor 3 jaar en aanvragen voor een jaarlijkse exploitatiesubsidie voor 2008 moeten uiterlijk 31 oktober 2007 naar het Agentschap worden verzonden.

5.   Aanvullende informatie

De aanvragen dienen te voldoen aan alle bepalingen van de volledige tekst en met behulp van het speciaal hiervoor bedoelde formulier worden ingediend. Deze documenten zijn op internet te verkrijgen, op het volgende adres:

DG EAC: http://ec.europa.eu/youth/program/ingyo_en.html

Agentschap: http://eacea.ec.europa.eu/index.htm


(1)  Uit ondertekening van een kaderovereenkomst vloeit geen enkele verplichting tot subsidieverstrekking voor de periode 2009-2010 door het Agentschap voort.


PROCEDURES IN VERBAND MET DE UITVOERING VAN DE GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK

Commissie

8.9.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 210/5


Bericht van opening van een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek van de compenserende maatregelen die van toepassing zijn op getextureerd filamentgaren van polyester (PTY) van oorsprong uit India

(2007/C 210/04)

De Commissie heeft op grond van artikel 19 van Verordening (EG) nr. 2026/97 van de Raad van 6 oktober 1997 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap („de basisverordening”) (1) besloten op eigen initiatief een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek te openen, dat uitsluitend betrekking heeft op de mate van subsidiëring voor bepaalde Indiase producenten/exporteurs.

1.   Product

Het verzoek heeft betrekking op getextureerd filamentgaren van polyester (PTY) van oorsprong uit India („het betrokken product”), momenteel ingedeeld onder GN-code 5402 33 00. Deze GN-code wordt slechts ter informatie vermeld.

2.   Bestaande maatregelen

Momenteel is op getextureerd filamentgaren van polyester (PTY) van oorsprong uit India een definitief compenserend recht van toepassing, dat is ingesteld bij Verordening (EG) nr. 2094/2002 van de Raad (2).

3.   Motivering van het nieuwe onderzoek

De Commissie beschikt over voldoende voorlopig bewijsmateriaal dat de omstandigheden met betrekking tot subsidiëring op grond waarvan maatregelen werden vastgesteld, zijn gewijzigd en dat deze wijziging van blijvende aard is.

De voordelen verkregen uit twee subsidieregelingen (het Duty Entitlement Passbook Scheme („DEPBS”) en de Income Tax Exemption under Section 80 HHC of the Income Tax Act („ITES”) lijken namelijk aanzienlijk kleiner geworden te zijn. Dit komt doordat de Indiase wetgeving waarop die regelingen gebaseerd zijn, is gewijzigd.

Als gevolg hiervan is de mate van subsidiëring waarschijnlijk gedaald voor de ondernemingen ten aanzien waarvan de maatregelen geheel of gedeeltelijk gebaseerd zijn op voordelen die zij uit een of beide bovengenoemde subsidieregelingen hebben verkregen in het tijdvak dat in aanmerking werd genomen voor het onderzoek op grond waarvan de hoogte van de huidige maatregelen is vastgesteld.

Dat betekent dat de in de vorige alinea genoemde maatregelen op de invoer van het betrokken product mogelijk niet langer op hun huidige niveau gehandhaafd hoeven te blijven om de subsidiëring te compenseren. Voor de ondernemingen in kwestie moeten die maatregelen dan ook opnieuw worden onderzocht.

Dit betreft de in de bijlage vermelde ondernemingen en andere producenten van het betrokken product die binnen de in punt 5, onder b) i), genoemde termijn contact met de Commissie opnemen en binnen die termijn ook aantonen 1) dat zij tijdens het onderzoektijdvak dat in aanmerking werd genomen voor het onderzoek dat heeft geleid tot de vaststelling van de hoogte van de voor hen geldende maatregel (1 oktober 2000- 30 september 2001) van een of beide bovengenoemde subsidieregelingen voordeel verkregen hebben en 2) dat dit voordeel als gevolg van de structurele wijzigingen in die regelingen inmiddels kleiner geworden is.

Als bovendien uit het nieuwe onderzoek blijkt of als belanghebbenden binnen de in punt 5, onder a) i), genoemde termijn voldoende voorlopig bewijsmateriaal verstrekken dat exporteurs van het betrokken product die bij dit nieuwe onderzoek betrokken zijn, profijt trekken van andere dan de bovengenoemde subsidieregelingen, kunnen die regelingen in het kader van dit nieuwe onderzoek ook worden onderzocht.

Voor zover de gewijzigde subsidiemarges die in dit onderzoek worden vastgesteld van invloed zijn op de maatregelen die gelden voor ondernemingen die hebben meegewerkt aan het onderzoek dat tot de vaststelling van de hoogte van de maatregelen heeft geleid, en/of op de residuele maatregel die geldt voor alle andere ondernemingen, kunnen de desbetreffende maatregelen dienovereenkomstig worden herzien.

Voor ondernemingen ten aanzien waarvan zowel antidumpingmaatregelen als compenserende maatregelen zijn genomen, kan bij wijziging van de compenserende maatregel de antidumpingmaatregel dienovereenkomstig worden aangepast.

4.   Procedure

Daar de Commissie na overleg in het Raadgevend Comité tot de conclusie is gekomen dat er voldoende bewijsmateriaal is om ambtshalve een procedure voor een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek in te leiden, opent zij hierbij overeenkomstig artikel 19 van de basisverordening een onderzoek.

Bij dit onderzoek zal worden nagegaan of de huidige maatregelen ten aanzien van ondernemingen die van een of beide bovengenoemde subsidieregelingen voordeel hebben verkregen, moeten worden gehandhaafd, ingetrokken of gewijzigd, en of er voldoende bewijsmateriaal is verstrekt, als bedoeld in punt 3, zesde alinea, dat er andere regelingen zijn waarvan die ondernemingen voordeel hebben verkregen. Afhankelijk van de bevindingen van het huidige onderzoek zal ook worden nagegaan of de maatregelen die gelden voor andere ondernemingen die hebben meegewerkt aan het onderzoek op grond waarvan de huidige maatregelen zijn vastgesteld, en/of op de residuele maatregel die geldt voor alle overige ondernemingen, moeten worden herzien.

a)   Steekproeven

Daar kennelijk een groot aantal partijen bij deze procedure betrokken is, kan de Commissie gebruikmaken van steekproeven overeenkomstig artikel 27 van de basisverordening.

i)   Steekproef van producenten/exporteurs

Om de Commissie in staat te stellen te beslissen of een steekproef noodzakelijk is en, zo ja, deze samen te stellen, wordt alle producenten/exporteurs, of hun vertegenwoordigers, verzocht binnen de in punt 5, onder b) i), genoemde termijn contact met de Commissie op te nemen en haar op de in punt 6 vermelde wijze de volgende gegevens over hun onderneming of ondernemingen te verstrekken:

naam, adres, e-mailadres, telefoonnummer, faxnummer en contactpersoon;

de hoeveelheid (in ton) van het betrokken product die in de periode van 1 april 2006 tot en met 31 maart 2007 naar de Gemeenschap is uitgevoerd en de waarde van deze uitvoer in plaatselijke valuta;

de hoeveelheid (in ton) van het betrokken product die in de periode van 1 april 2006 tot en met 31 maart 2007 op de binnenlandse markt is verkocht en de waarde van deze verkoop in plaatselijke valuta;

of de onderneming van plan is om een individueel subsidiepercentage te verzoeken (alleen voor producenten) (3);

een nauwkeurige beschrijving van de activiteiten van de onderneming in verband met de productie van het betrokken product, de geproduceerde hoeveelheid (in ton) van het betrokken product, de productiecapaciteit en de investeringen in productiecapaciteit in de periode van 1 april 2006 tot en met 31 maart 2007;

de namen en een nauwkeurige beschrijving van de activiteiten van alle verbonden ondernemingen (4) die betrokken zijn bij de productie en/of verkoop (uitvoer en/of binnenlandse verkoop) van het betrokken product;

of de onderneming voordelen heeft verkregen uit hoofde van het DEPBS en/of de ITES gedurende i) het tijdvak dat in aanmerking werd genomen voor het onderzoek op grond waarvan de hoogte van de huidige maatregelen is vastgesteld (1 oktober 2000- 30 september 2001) en/of ii) de periode van 1 april 2006 tot en met 31 maart 2007;

alle andere informatie die de Commissie bij het samenstellen van de steekproef van nut kan zijn.

Door het verstrekken van de hierboven gevraagde informatie geeft de onderneming te kennen bereid te zijn in de steekproef te worden opgenomen. Selectie voor de steekproef houdt in dat een vragenlijst moet worden beantwoord en dat de antwoorden ter plaatse worden gecontroleerd. Ondernemingen die verklaren niet in de steekproef te willen worden opgenomen, worden geacht niet aan het onderzoek te hebben meegewerkt. De gevolgen van niet-medewerking zijn vermeld in punt 7.

Om de informatie te verkrijgen die zij voor het samenstellen van de steekproef van producenten/exporteurs nodig acht, zal de Commissie bovendien contact opnemen met de autoriteiten van het land van uitvoer en met alle bekende verenigingen van producenten/exporteurs.

ii)   Definitieve samenstelling van de steekproef

Alle informatie die voor de samenstelling van de steekproef van nut kan zijn, moet binnen de in punt 5, onder b) ii), vermelde termijn worden ingediend.

De Commissie zal de steekproef pas definitief samenstellen na raadpleging van alle partijen die zich bereid hebben verklaard om in de steekproef te worden opgenomen.

De in de steekproef opgenomen ondernemingen moeten binnen de in punt 5, onder b) iii), vermelde termijn een vragenlijst beantwoorden en medewerking bij het onderzoek verlenen.

Indien onvoldoende medewerking wordt verleend, kan de Commissie haar bevindingen overeenkomstig artikel 27, lid 4, en artikel 28 van de basisverordening op de beschikbare gegevens baseren. Op de beschikbare gegevens gebaseerde bevindingen kunnen voor de betrokkene minder gunstig zijn (zie punt 7).

b)   Vragenlijsten

Om de informatie te verkrijgen die zij voor het onderzoek nodig acht, zal de Commissie de in de steekproef opgenomen ondernemingen en de autoriteiten van het betrokken land van uitvoer een vragenlijst toezenden.

c)   Het schriftelijk en mondeling verstrekken van informatie

Alle belanghebbenden wordt verzocht hun standpunt schriftelijk uiteen te zetten en andere informatie dan de antwoorden op de vragenlijst, alsmede bewijsmateriaal te verstrekken. De Commissie moet deze informatie en het bewijsmateriaal binnen de in punt 5, onder a) i), genoemde termijn ontvangen.

Bovendien kan de Commissie belanghebbenden horen die hierom verzoeken en die kunnen aantonen dat er bijzondere redenen zijn om hen te horen. Dit verzoek moet binnen de in punt 5, onder a) ii), vermelde termijn worden ingediend.

5.   Termijnen

a)   Algemene termijnen

i)   Om zich aan te melden en antwoorden op de vragenlijst en andere informatie toe te zenden

Belanghebbenden die wensen dat bij het onderzoek met hun opmerkingen rekening wordt gehouden, moeten, tenzij anders vermeld, binnen 40 dagen na de bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie contact met de Commissie opnemen, hun standpunt uiteenzetten en hun antwoorden op de vragenlijst indienen, wat met name geldt voor de autoriteiten van het betrokken land van uitvoer, of andere informatie verstrekken, met inbegrip van de in punt 3, zesde alinea, bedoelde informatie. De aandacht wordt erop gevestigd dat de meeste in de basisverordening vermelde procedurele rechten slechts kunnen worden uitgeoefend indien de betrokkene zich binnen de genoemde termijn bij de Commissie kenbaar maakt.

ii)   Om een mondeling onderhoud aan te vragen

Binnen dezelfde termijn van 40 dagen kunnen belanghebbenden ook vragen door de Commissie te worden gehoord.

b)   Bijzondere termijn voor de samenstelling van de steekproef

(i)

De Commissie moet de in punt 4, onder a) i), bedoelde informatie uiterlijk 15 dagen na de datum van bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie hebben ontvangen, daar zij de ondernemingen die zich bereid hebben verklaard in de steekproef te worden opgenomen, binnen 21 dagen na de bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie over de definitieve samenstelling van de steekproef wil raadplegen.

(ii)

Alle andere informatie die voor het samenstellen van de steekproef van nut kan zijn, als bedoeld in punt 4, onder a) ii), moet uiterlijk 21 dagen na de bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie door de Commissie zijn ontvangen.

(iii)

De antwoorden op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen ondernemingen moeten uiterlijk 37 dagen nadat hun is medegedeeld dat zij in de steekproef zijn opgenomen, door de Commissie zijn ontvangen.

6.   Schriftelijke opmerkingen, antwoorden op vragenlijsten en correspondentie

Alle opmerkingen en verzoeken moeten schriftelijk (niet elektronisch, tenzij anders vermeld) worden toegezonden onder opgave van naam, adres, e-mailadres, telefoon- en faxnummer van de belanghebbende. Alle schriftelijke opmerkingen, met inbegrip van de in dit bericht gevraagde informatie, antwoorden op de vragenlijst en correspondentie die op vertrouwelijke basis worden verstrekt, moeten van het opschrift „Limited (5) zijn voorzien en moeten overeenkomstig artikel 29, lid 2, van de basisverordening vergezeld gaan van een niet-vertrouwelijke versie met de vermelding „FOR INSPECTION BY INTERESTED PARTIES”.

Correspondentieadres van de Commissie:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Handel

Directoraat H

Kamer: J-79 4/23

B-1049 Brussel

Fax (32-2) 295 65 05

7.   Niet-medewerking

Indien een belanghebbende binnen de vastgestelde termijnen toegang tot de nodige gegevens weigert, deze niet verstrekt of het onderzoek aanmerkelijk belemmert, kunnen overeenkomstig artikel 28 van de basisverordening aan de hand van de beschikbare gegevens conclusies worden getrokken, zowel in positieve als in negatieve zin.

Wanneer blijkt dat een belanghebbende onjuiste of misleidende informatie heeft verstrekt, wordt deze informatie buiten beschouwing gelaten en kan overeenkomstig artikel 28 van de basisverordening gebruik worden gemaakt van de beschikbare gegevens. Indien een belanghebbende geen of slechts gedeeltelijk medewerking verleent en gebruik wordt gemaakt van de beschikbare gegevens, kunnen de resultaten voor deze belanghebbende minder gunstig zijn dan wanneer hij wel medewerking had verleend.

8.   Tijdschema voor het onderzoek

Het onderzoek zal overeenkomstig artikel 22, lid 1, van de basisverordening binnen 15 maanden na de bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie worden afgesloten.

9.   Andere tussentijdse nieuwe onderzoeken op grond van artikel 19 van de basisverordening

In punt 4 is beschreven wat dit nieuwe onderzoek omvat. Indien betrokken partijen om andere redenen om een nieuw onderzoek willen verzoeken, kunnen zij dit doen overeenkomstig artikel 19 van de basisverordening.

10.   Verwerking van persoonsgegevens

Persoonsgegevens die in het kader van dit onderzoek worden verzameld, zullen worden behandeld in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (6).


(1)  PB L 288 van 21.10.1997, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 461/2004 (PB L 77 van 13.3.2004, blz. 12).

(2)  PB L 323 van 28.11.2002, blz. 21.

(3)  Niet in de steekproef opgenomen ondernemingen kunnen om de vaststelling van een individueel subsidiepercentage verzoeken op grond van artikel 27, lid 3, van de basisverordening.

(4)  Voor de betekenis van het begrip „verbonden onderneming”, zie artikel 143 van Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 253 van 11.10.1993, blz. 1).

(5)  Dit betekent dat het document uitsluitend voor intern gebruik bestemd is. Het document is beschermd krachtens artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43). Het document is vertrouwelijk in de zin van artikel 29 van de basisverordening en artikel 12 van de WTO-overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen.

(6)  PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1.


BIJLAGE

Indo Rama Synthetics Limited, 51-A, Industrial Area, Sector III, Pithampur, 453 001, Dist. Dhar, Madhya Pradesh

Welspun Syntex Limited, Kamani Wadi, 1st floor, 542, Jaganath Shankar Sheth Road, Chira Bazar, Mumbai 400 002


PROCEDURES IN VERBAND MET DE UITVOERING VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK MEDEDINGINGSBELEID

Commissie

8.9.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 210/9


Voorafgaande aanmelding van een concentratie

(Zaak COMP/M.4903 — Hochtief/Vinci/JV)

Zaak die in aanmerking komt voor de vereenvoudigde procedure

(Voor de EER relevante tekst)

(2007/C 210/05)

1.

Op 24 augustus 2007 ontving de Commissie een aanmelding van een voorgenomen concentratie in de zin van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 139/2004 (1) van de Raad waarin is medegedeeld dat de ondernemingen HOCHTIEF PPP Solutions GmbH („Hochtief”, Duitsland), die deel uitmaakt van HOCHTIEF Aktiengesellschaft, VINCI S.A. en VINCI Concessions S.A. (samen „Vinci”, Frankrijk) in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van genoemde verordening gezamenlijk zeggenschap verkrijgen over een nieuw opgerichte gezamenlijke onderneming.

2.

De bedrijfswerkzaamheden van de betrokken ondernemingen zijn:

Hochtief: bouwnijverheid en daaraan gerelateerde diensten;

Vinci: concessies, bouwnijverheid en daaraan gerelateerde diensten;

JV: herstel en onderhoud van een autosnelweg-gedeelte.

3.

Op grond van een voorlopig onderzoek is de Commissie van oordeel dat de aangemelde concentratie binnen het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 139/2004 kan vallen. Ten aanzien van dit punt wordt de definitieve beslissing echter aangehouden. Overeenkomstig de mededeling van de Commissie betreffende een vereenvoudigde procedure voor de behandeling van bepaalde concentraties krachtens Verordening (EG) nr. 139/2004 (2) van de Raad moet worden opgemerkt dat deze zaak in aanmerking komt voor deze procedure.

4.

De Commissie verzoekt belanghebbende derden hun eventuele opmerkingen ten aanzien van de voorgenomen concentratie aan haar kenbaar te maken.

Deze opmerkingen moeten de Commissie uiterlijk 10 dagen na dagtekening van deze bekendmaking hebben bereikt. Zij kunnen per fax (nummer (32-2) 296 43 01 of 296 72 44) of per post, onder vermelding van referentienummer COMP/M.4903 — Hochtief/Vinci/JV, aan onderstaand adres worden toegezonden:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Concurrentie

Griffie Fusiezaken

J-70

B-1049 Brussel


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1.

(2)  PB C 56 van 5.3.2005, blz. 32.


8.9.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 210/10


Voorafgaande aanmelding van een concentratie

(Zaak COMP/M.4904 — Lite-On/Perlos)

Zaak die in aanmerking komt voor de vereenvoudigde procedure

(Voor de EER relevante tekst)

(2007/C 210/06)

1.

Op 3 september 2007 ontving de Commissie een aanmelding van een voorgenomen concentratie in de zin van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 139/2004 (1) van de Raad waarin is medegedeeld dat de onderneming Lite-On Technologies Corporation („Lite-On”, Taiwan) in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van genoemde verordening de volledige zeggenschap verkrijgt over de onderneming Perlos Corporation („Perlos”, Finland) door een op 13 augustus 2007 aangekondigd openbaar overnamebod.

2.

De bedrijfswerkzaamheden van de betrokken ondernemingen zijn:

voor Lite-On: levering van computer- en communicatieapparatuur en consumentenelektronica;

voor Perlos: ontwerp en productie van mechanische componenten voor mobiele telefoons.

3.

Op grond van een voorlopig onderzoek is de Commissie van oordeel dat de aangemelde concentratie binnen het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 139/2004 kan vallen. Ten aanzien van dit punt wordt de definitieve beslissing echter aangehouden. Overeenkomstig de mededeling van de Commissie betreffende een vereenvoudigde procedure voor de behandeling van bepaalde concentraties krachtens Verordening (EG) nr. 139/2004 (2) van de Raad moet worden opgemerkt dat deze zaak in aanmerking komt voor deze procedure.

4.

De Commissie verzoekt belanghebbende derden hun eventuele opmerkingen ten aanzien van de voorgenomen concentratie aan haar kenbaar te maken.

Deze opmerkingen moeten de Commissie uiterlijk 10 dagen na dagtekening van deze bekendmaking hebben bereikt. Zij kunnen per fax (nummer (32-2) 296 43 01 of 296 72 44) of per post, onder vermelding van referentienummer COMP/M.4904 — Lite-On/Perlos, aan onderstaand adres worden toegezonden:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Concurrentie

Griffie Fusiezaken

J-70

B-1049 Brussel


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1.

(2)  PB C 56 van 5.3.2005, blz. 32.


8.9.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 210/11


Voorafgaande aanmelding van een concentratie

(Zaak COMP/M.4581 — Imperial Tobacco/Altadis)

(Voor de EER relevante tekst)

(2007/C 210/07)

1.

Op 30 augustus 2007 ontving de Commissie een aanmelding van een voorgenomen concentratie in de zin van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 139/2004 (1) van de Raad waarin is medegedeeld dat de onderneming Imperial Tobacco Group PLC („Imperial”, Verenigd Koninkrijk) in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van genoemde verordening de volledige zeggenschap verkrijgt over de onderneming Altadis S.A. („Altadis”, Spanje) door een op 18 juli 2007 aangekondigd openbaar overnamebod.

2.

De bedrijfswerkzaamheden van de betrokken ondernemingen zijn:

voor Imperial: productie en distributie van tabaksproducten;

voor Altadis: productie en distributie van tabaksproducten, distributie van andere dan tabaksproducten.

3.

Op grond van een voorlopig onderzoek is de Commissie van oordeel dat de aangemelde concentratie binnen het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 139/2004 kan vallen. Ten aanzien van dit punt wordt de definitieve beslissing echter aangehouden.

4.

De Commissie verzoekt belanghebbende derden hun eventuele opmerkingen ten aanzien van de voorgenomen concentratie aan haar kenbaar te maken.

Deze opmerkingen moeten de Commissie uiterlijk 10 dagen na dagtekening van deze bekendmaking hebben bereikt. Zij kunnen per fax (nummer (32-2) 296 43 01 of 296 72 44) of per post, onder vermelding van referentienummer COMP/M.4581 — Imperial Tobacco/Altadis, aan onderstaand adres worden toegezonden:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Concurrentie

Griffie Fusiezaken

J-70

B-1049 Brussel


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1.


8.9.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 210/12


Voorafgaande aanmelding van een concentratie

(Zaak COMP/M.4868 — Avnet/Magirus EID)

(Voor de EER relevante tekst)

(2007/C 210/08)

1.

Op 31 augustus 2007 ontving de Commissie een aanmelding van een voorgenomen concentratie in de zin van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 139/2004 (1) van de Raad waarin is medegedeeld dat de onderneming Avnet Inc. („Avnet”, Verenigde Staten) in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van genoemde verordening zeggenschap verkrijgt over delen van de onderneming Magirus Group (Duitsland), namelijk haar infrastructuurdivisie („Magirus EID”) door de aankoop van activa.

2.

De bedrijfswerkzaamheden van de betrokken ondernemingen zijn:

voor Avnet: verdeler van elektronische componenten, computerproducten en technologiediensten;

voor Magirus EID: distributie van IT-producten.

3.

Op grond van een voorlopig onderzoek is de Commissie van oordeel dat de aangemelde concentratie binnen het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 139/2004 kan vallen. Ten aanzien van dit punt wordt de definitieve beslissing echter aangehouden.

4.

De Commissie verzoekt belanghebbende derden hun eventuele opmerkingen ten aanzien van de voorgenomen concentratie aan haar kenbaar te maken.

Deze opmerkingen moeten de Commissie uiterlijk 10 dagen na dagtekening van deze bekendmaking hebben bereikt. Zij kunnen per fax (nummer (32-2) 296 43 01 of 296 72 44) of per post, onder vermelding van referentienummer COMP/M.4868 — Avnet/Magirus EID, aan onderstaand adres worden toegezonden:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Concurrentie

Griffie Fusiezaken

J-70

B-1049 Brussel


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1.


8.9.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 210/13


Voorafgaande aanmelding van een concentratie

(Zaak COMP/M.4726 — Thomson/Reuters)

(Voor de EER relevante tekst)

(2007/C 210/09)

1.

Op 3 september 2007 ontving de Commissie een aanmelding van een voorgenomen concentratie in de zin van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 139/2004 (1) van de Raad waarin is medegedeeld dat de onderneming The Thomson Corporation („Thomson”, Canada) in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van genoemde verordening de volledige zeggenschap verkrijgt over de onderneming Reuters Group PLC („Reuters”, Verenigd Koninkrijk) door de aankoop van aandelen.

2.

De bedrijfswerkzaamheden van de betrokken ondernemingen zijn:

voor Thomson: verstrekker van informatie met toegevoegde waarde, met geïntegreerde softwarehulpmiddelen en -toepassingen, aan juridische, fiscale, boekhoudkundige en financiële professionals en voor wetenschappelijk onderzoek en gezondheidszorg;

voor Reuters: informatieverstrekker, handelsondersteunende diensten en aanverwante software en nieuwsdiensten voor professionals in financiële diensten, media en zakelijke markten.

3.

Op grond van een voorlopig onderzoek is de Commissie van oordeel dat de aangemelde concentratie binnen het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 139/2004 kan vallen. Ten aanzien van dit punt wordt de definitieve beslissing echter aangehouden.

4.

De Commissie verzoekt belanghebbende derden hun eventuele opmerkingen ten aanzien van de voorgenomen concentratie aan haar kenbaar te maken.

Deze opmerkingen moeten de Commissie uiterlijk 10 dagen na dagtekening van deze bekendmaking hebben bereikt. Zij kunnen per fax (nummer (32-2) 296 43 01 of 296 72 44) of per post, onder vermelding van referentienummer COMP/M.4726 — Thomson/Reuters, aan onderstaand adres worden toegezonden:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Concurrentie

Griffie Fusiezaken

J-70

B-1049 Brussel


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1.


8.9.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 210/14


Uitnodiging opmerkingen te maken over het ontwerp voor een algemene groepsvrijstellingsverordening van de Commissie op het gebied van staatssteun

(2007/C 210/10)

Belanghebbenden kunnen hun opmerkingen binnen één maand vanaf de datum van publicatie van deze ontwerp-verordening indienen bij:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Concurrentie

Raadpleging over de algemene groepsvrijstellingsverordening (HT 364)

Griffie Staatssteun

B-1049 Brussel

Fax (32-2) 296 12 42

e-mail: stateaidgreffe@ec.europa.eu

De tekst is ook te vinden op de volgende website:

http://ec.europa.eu/comm/competition/state_aid/reform/reform.cfm

ONTWERP VERORDENING (EG) Nr. …/…VAN DE COMMISSIE

van …

betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag, waarbij bepaalde soorten steun met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 994/98 van de Raad van 7 mei 1998 betreffende de toepassing van de artikelen 92 en 93 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap op bepaalde soorten van horizontale steunmaatregelen (1), en met name op artikel 1, lid 1, onder a), en b),

Na bekendmaking van de ontwerp-verordening (2),

Na raadpleging van het Raadgevend Comité inzake overheidssteun,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 994/98 is de Commissie gemachtigd, overeenkomstig artikel 87 van het Verdrag, vast te stellen dat, onder bepaalde voorwaarden, steun aan kleine en middelgrote ondernemingen, hierna „KMO's” genoemd, steun ten behoeve van onderzoek en ontwikkeling, steun voor milieubescherming, werkgelegenheid en opleiding, en steun die in overeenstemming is met de kaart welke door de Commissie voor elke lidstaat met het oog op de toekenning van regionale steun is goedgekeurd, met de gemeenschappelijke markt verenigbaar is en niet aan de aanmeldingsverplichting van artikel 88, lid 3, van het Verdrag is onderworpen.

(2)

De Commissie heeft de artikelen 87 en 88 van het Verdrag toegepast in talrijke beschikkingen en besluiten en heeft voldoende ervaring opgedaan om algemene verenigbaarheidscriteria vast te stellen wat betreft steun aan KMO's, investeringssteun binnen en buiten steungebieden, steun in de vorm van risicokapitaalregelingen en steun op het gebied van onderzoek en ontwikkeling, met name in het kader van de toepassing van Verordening (EG) nr. 70/2001 van de Commissie van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen (3), de toepassing van Verordening (EG) nr. 364/2004 van de Commissie van 25 februari 2004 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 70/2001 wat betreft uitbreiding van het toepassingsgebied tot steun voor onderzoek en ontwikkeling (4), de toepassing van de mededeling van de Commissie „Staatssteun en risicokapitaal” (5), en de toepassing van de communautaire richtsnoeren inzake staatssteun ter bevordering van risicokapitaalinvesteringen in kleine en middelgrote ondernemingen (6).

(3)

De Commissie beschikt ook over voldoende ervaring bij de toepassing van de artikelen 87 en 88 op opleidingssteun, werkgelegenheidssteun, milieusteun, steun ten behoeve van onderzoek en ontwikkeling, en regionale steun ten aanzien van zowel KMO's als grote ondernemingen, met name in het kader van de toepassing van Verordening (EG) nr. 68/2001 van de Commissie van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op opleidingssteun (7), Verordening (EG) nr. 2204/2002 van de Commissie van 12 december 2002 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op werkgelegenheidssteun (8), de communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek en ontwikkeling (9), de communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie (10), de communautaire kaderregeling inzake staatssteun ten behoeve van het milieu (11) en de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen (12).

(4)

In het licht van deze ervaring dienen sommige van de in voormelde verordeningen vastgestelde voorwaarden te worden aangepast. Met het oog op vereenvoudiging en om doeltreffendere monitoring van de steun door de Commissie te garanderen, dienen deze instrumenten door één enkele verordening te worden vervangen.

(5)

Met deze verordening dient alle steun te worden vrijgesteld die aan alle desbetreffende voorwaarden van deze verordening voldoet, alsmede alle steunregelingen, mits de steun die in het kader van dergelijke regeling kan worden verleend, aan alle desbetreffende voorwaarden van deze verordening voldoet. Om een doeltreffendere monitoring van de steun mogelijk te maken, dienen alle op grond van een steunregeling verleende individuele steunmaatregelen en alle individuele ad-hocsteunmaatregelen die buiten een steunregeling om worden verleend, met uitsluiting evenwel van steunregelingen, een uitdrukkelijke verwijzing naar deze verordening en naar het door de Commissie aan dergelijke maatregelen toegekende identificatienummer te bevatten. Om de tenuitvoerlegging van deze verordening te kunnen monitoren, dient de Commissie ook in staat te zijn van de lidstaten alle nodige informatie te krijgen over de maatregelen die, gebruikmakend van deze verordening, ten uitvoer worden gelegd. Wanneer lidstaten niet binnen een redelijke termijn informatie over deze steunmaatregelen verschaffen, kan zulks dan ook worden beschouwd als een aanwijzing dat de voorwaarden van deze verordening niet worden nageleefd. Wanneer een lidstaat niet de informatie verschaft die monitoring van een steunmaatregel mogelijk maakt, kan zulks de Commissie dus doen besluiten dat het voordeel van deze verordening of van het desbetreffende deel van deze verordening wordt ingetrokken ten aanzien van de betrokken lidstaat. Zodra de lidstaat correcte en volledige informatie heeft verschaft, dient de Commissie toe te staan dat de verordening opnieuw volledig van kracht is.

(6)

Staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, van het Verdrag die niet onder deze verordening valt, dient aan de aanmeldingsverplichting van artikel 88, lid 3, van het Verdrag onderworpen te blijven. Deze verordening laat voor de lidstaten de mogelijkheid onverlet om steun aan te melden waarvan de doelstellingen in overeenstemming zijn met doelstellingen die onder de toepassing van deze verordening vallen. Dergelijke steun zal door de Commissie met name worden beoordeeld op grond van de in deze verordening uiteengezette voorwaarden en overeenkomstig de criteria die in specifieke door de Commissie vastgestelde richtsnoeren of kaderregelingen zijn vastgesteld, wanneer de betrokken steunmaatregel binnen het toepassingsbereik van dergelijk specifiek instrument valt.

(7)

Deze verordening dient niet van toepassing te zijn op exportsteun of steun waarmee binnenlandse producten ten opzichte van ingevoerde producten worden begunstigd. Met name mag de verordening niet gelden voor de oprichting en exploitatie van een distributienetwerk in andere landen. Steun ter financiering van de kosten van deelneming aan handelsbeurzen of van studies of consultancydiensten die noodzakelijk zijn om een nieuw of een bestaand product op een nieuwe markt te introduceren, is in de regel geen exportsteun.

(8)

Deze verordening dient te gelden voor nagenoeg alle sectoren. In de sector van de visserij en de aquacultuur dient met deze verordening alleen steun te worden vrijgesteld op het gebied van onderzoek en ontwikkeling, steun in de vorm van risicokapitaal, opleidingssteun en steun voor kwetsbare en gehandicapte werknemers.

(9)

Wat de landbouwsector betreft, dient, gelet op de bijzondere regels die in de sector van de primaire productie van landbouwproducten gelden, met deze verordening alleen steun te worden vrijgesteld op het gebied van onderzoek en ontwikkeling, steun in de vorm van risicokapitaal, opleidingssteun, milieusteun en steun voor kwetsbare en gehandicapte werknemers.

(10)

Gezien de overeenkomsten die er zijn tussen de verwerking en afzet van landbouwproducten en van niet-landbouwproducten, dient deze verordening te gelden voor de verwerking en afzet van landbouwproducten mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan.

(11)

Noch activiteiten op landbouwbedrijven die nodig zijn om een product voor te bereiden voor de eerste verkoop, noch de eerste verkoop aan wederverkopers of verwerkende bedrijven dienen voor de toepassing van deze verordening als verwerking of afzet te worden beschouwd. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft verklaard dat de lidstaten, wanneer de Gemeenschap een regeling voor de totstandbrenging van een gemeenschappelijke marktordening in een bepaalde landbouwsector heeft vastgesteld, zich dienen te onthouden van elke maatregel die daarvan afwijkt of er inbreuk op maakt. Daarom dient deze verordening niet te gelden voor steun waarvan het steunbedrag wordt vastgesteld op grond van de prijs of de hoeveelheid afgenomen of op de markt gebrachte producten; evenmin dient zij te gelden voor steun waaraan de verplichting is gekoppeld om deze met primaire producenten te delen.

(12)

Gelet op Verordening (EG) nr. 1407/2002 van de Raad van 23 juli 2002 betreffende staatssteun voor de kolenindustrie (13) dient deze verordening niet op steun aan ondernemingen in de kolenindustrie van toepassing te zijn, met uitzondering van opleidingssteun, steun voor onderzoek en ontwikkeling, en milieusteun.

(13)

Wanneer een regionale-steunregeling is bedoeld om regionale doelstellingen te verwezenlijken, maar op specifieke economische sectoren is toegespitst, kunnen de objectieve en waarschijnlijke effecten van de regeling sectoraal eerder dan horizontaal zijn. Daarom dient de vrijstelling van de aanmeldingsverplichting niet te gelden voor op specifieke economische sectoren toegespitste regionale-steunregelingen. De toeristische sector speelt echter een belangrijke rol in de nationale economieën en heeft over het algemeen een bijzonder gunstig effect op de regionale ontwikkeling. Regionale-steunregelingen die op toeristische activiteiten zijn gericht, dienen dus van de aanmeldingsverplichting te worden vrijgesteld.

(14)

Steun aan ondernemingen in moeilijkheden in de zin van de communautaire richtsnoeren inzake reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (14) dient op grond van die richtsnoeren te worden beoordeeld, om te vermijden dat deze worden omzeild. KMO's die minder dan drie jaar zijn opgericht en waarvan het bedrijfsplan in die eerste drie jaar verlies voorziet, gelden in die periode voor de toepassing van deze verordening niet als ondernemingen in moeilijkheden.

(15)

De Commissie dient erover te waken dat goedgekeurde steun de handelsvoorwaarden niet zodanig verandert dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad. Daarom dient steun aan een begunstigde ten aanzien van wie er een uitstaand bevel tot terugvordering is volgend op een eerdere beschikking van de Commissie waarin de steun onrechtmatig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard, van de toepassing van deze verordening te worden uitgesloten. Bijgevolg blijven voor elke individuele ad-hocsteun die aan een dergelijke begunstigde wordt uitgekeerd, en voor elke steunregeling die geen bepaling bevat waarin dergelijke begunstigden uitdrukkelijk worden uitgesloten, de aanmeldingsvereisten van artikel 88, lid 3, van het Verdrag gelden. Deze bepaling doet niet af aan het gewettigd vertrouwen van begunstigden van steunregelingen ten aanzien van wie er geen uitstaand bevel tot terugvordering bestaat.

(16)

Ten einde de coherente toepassing van de communautaire staatssteunregels te verzekeren, maar ook ten behoeve van administratieve vereenvoudiging, dienen de definities van termen die relevant zijn in het kader van verschillende soorten steun die onder de toepassing van deze verordening vallen, te worden geharmoniseerd.

(17)

Met het oog op transparantie, gelijke behandeling en doeltreffende monitoring dient deze verordening alleen te gelden voor transparante steun. Transparante steun is steun waarvan het bruto-subsidie-equivalent vooraf precies kan worden berekend zonder dat een risicoanalyse hoeft te worden uitgevoerd. Dergelijke precieze berekeningen kunnen bijvoorbeeld worden uitgevoerd wanneer het gaat om subsidies, rentesubsidies en belastingvrijstellingen waarvoor een plafond geldt.

(18)

Steun in de vorm van garantieregelingen dient als transparant te gelden indien de methodiek voor het berekenen van het bruto-subsidie-equivalent na aanmelding daarvan door de Commissie is goedgekeurd en, in het geval van regionale steun, ook wanneer de Commissie die methodiek heeft goedgekeurd na de vaststelling van Verordening (EG) nr. 1628/2006 van de Commissie van 24 oktober 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op nationale regionale investeringssteun (15). De Commissie zal dergelijke aanmeldingen beoordelen op grond van de mededeling van de Commissie betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun in de vorm van garanties (16). Gezien de moeilijkheid om het subsidie-equivalent van steun in de vorm van terugbetaalbare voorschotten te berekenen, dient dit soort steun alleen onder de toepassing van deze verordening te vallen wanneer het totale bedrag van het terugbetaalbare voorschot lager ligt dan de drempel voor individuele aanmelding en de maximum steunintensiteiten zoals die in deze verordening zijn vastgesteld.

(19)

Gezien het hogere risico op verstoring van de mededinging, dienen grote steunbedragen nog steeds op individuele basis door de Commissie te worden beoordeeld. Daarom dienen voor elk soort steun dat onder de toepassing van deze verordening valt, drempels te worden vastgesteld op een niveau waarbij het desbetreffende soort steun en de ervan te verwachten effecten op de mededinging in aanmerking worden genomen. Voor steun welke boven die drempels uitkomt, blijft de aanmeldingsverplichting van artikel 88, lid 3, van het Verdrag gelden.

(20)

Om te garanderen dat steun evenredig is en tot het noodzakelijke steunbedrag beperkt blijft, dienen de drempels, waar mogelijk, te worden uitgedrukt als steunintensiteiten in verhouding tot een reeks in aanmerking komende kosten. Bij het berekenen van de steunintensiteiten dient voor steun die in verschillende tranches wordt uitgekeerd, door discontering de waarde op het tijdstip van de steunverlening te worden berekend. De rentevoet die voor discontering en voor de berekening van het bedrag van andere steun dan subsidies moet worden gehanteerd, dient de referentierentevoet te zijn die op het ogenblik van de steunverlening van toepassing is. Voor steun in de vorm van risicokapitaal dient de drempel als maximale steunbedragen te worden bepaald, omdat deze is gebaseerd op een soort steun waarvan de subsidiabele kosten moeilijk zijn te bepalen.

(21)

De drempels inzake steunintensiteit of steunbedragen dienen, met inachtneming van de ervaringen van de Commissie, op een zodanig niveau te worden vastgesteld dat een passend evenwicht wordt bereikt tussen het streven naar zo weinig mogelijk vervalsing van de mededinging in de gesteunde sector en het aanpakken van het desbetreffende marktfalen of cohesieprobleem. Wat regionale steun betreft, deze drempel dient te worden vastgesteld op een niveau waarbij met de krachtens de regionale-steunkaarten toegestane steunintensiteiten rekening wordt gehouden.

(22)

Om te bepalen of de in deze verordening vastgestelde drempels voor individuele aanmelding en de maximale steunintensiteiten worden nageleefd, dient het totale bedrag aan steun van de overheid ten behoeve van de gesteunde activiteit of het gesteunde project in aanmerking te worden genomen, ongeacht of de steun uit lokale, regionale, nationale of communautaire bronnen wordt gefinancierd.

(23)

Voorts dienen in deze verordening de omstandigheden nader te worden vastgesteld waarin verschillende soorten steun die onder de toepassing van deze verordening vallen, kunnen worden gecumuleerd. Wat betreft de cumulering van onder deze verordening vallende steun met steun die niet onder deze verordening valt, dient rekening te worden gehouden met het besluit van de Commissie waarmee de niet onder deze verordening vallende steun wordt goedgekeurd, alsmede met de staatssteunregels waarop dat besluit is gebaseerd. Bijzondere bepalingen dienen te gelden ten aanzien van de cumulering van steun voor kwetsbare en gehandicapte werknemers met andere soorten steun. Deze verordening dient ook een bepaling te bevatten inzake cumulering van steunmaatregelen waarvan de in aanmerking komende kosten kunnen worden bepaald, en steunmaatregelen waarvan de in aanmerking komende kosten niet kunnen worden bepaald.

(24)

Om te waarborgen dat de steun noodzakelijk is en als prikkel fungeert om verdere activiteiten of projecten te ontwikkelen, dient deze verordening niet te gelden voor activiteiten waartoe de begunstigde reeds onder marktvoorwaarden zou overgaan. Wat onder deze verordening vallende KMO-steun betreft, dient deze prikkel geacht te worden aanwezig te zijn wanneer, vooraleer de activiteiten met betrekking tot de tenuitvoerlegging van het gesteunde project of de gesteunde activiteiten van start zijn gegaan, de KMO een steunaanvraag bij de lidstaat heeft ingediend. [Wat betreft onder deze verordening vallende steun ten behoeve van begunstigden die grote ondernemingen zijn, dient de lidstaat, naast de voorwaarden die voor KMO's gelden, ook na te gaan of de begunstigde — in een intern document — de haalbaarheid van het gesteunde project of de gesteunde activiteit heeft onderzocht in een scenario mét en een scenario zonder steun. Deze analyse moet de begunstigde vooraf uitvoeren aan de hand van kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren. De lidstaat dient die analyse te verifiëren en de desbetreffende documenten in zijn dossiers bij te houden. Voorts dient ad-hocsteun voor grote ondernemingen, omdat het stimulerende effect daarvan als moeilijk aantoonbaar geldt, van het toepassingsbereik van deze verordening te worden uitgesloten. De Commissie gaat in het kader van de aanmelding van de betrokken steun het bestaan van een dergelijk stimulerend effect na aan de hand van de criteria die in de toepasselijke richtsnoeren, kaderregelingen of andere communautaire instrumenten zijn vastgesteld.]

(25)

Om transparantie en doeltreffende monitoring, overeenkomstig artikel 3 van Verordening (EG) nr. 994/98, te garanderen, dient een model te worden vastgesteld dat de lidstaten moeten gebruiken om de Commissie de beknopte informatie te verstrekken telkens wanneer krachtens deze verordening een steunregeling ten uitvoer wordt gelegd of individuele ad-hocsteun wordt toegekend. Deze beknopte informatie zal voor de publicatie van de maatregel in het Publicatieblad van de Europese Unie en op het internet worden gebruikt. De beknopte informatie dient de Commissie te worden gezonden in elektronisch formaat, gebruikmakend van de geëigende IT-toepassing, vóór de maatregel ten uitvoer wordt gelegd. De Commissie geeft elke steunmaatregel die haar wordt meegedeeld, een identificatienummer. Het feit dat een steunmaatregel een dergelijk nummer kreeg toegewezen, impliceert niet dat de Commissie heeft onderzocht of de steun aan de voorwaarden van deze verordening voldoet. Daarmee wordt dus geen gewettigd vertrouwen gecreëerd in hoofde van de lidstaat of de begunstigde ten aanzien van de verenigbaarheid van de steunmaatregel met deze verordening.

(26)

Om dezelfde redenen dient de Commissie specifieke vereisten vast te stellen ten aanzien van de vorm en de inhoud van het jaarlijkse verslag dat de lidstaten bij haar moeten indienen. Voorts is het passend regels vast te stellen betreffende de dossiers die de lidstaten over de krachtens deze verordening vrijgestelde steunregelingen en individuele steunmaatregelen moeten aanleggen.

(27)

Het is noodzakelijk verdere voorwaarden vast te stellen waaraan de krachtens deze verordening vrijgestelde steunregelingen of individuele steunmaatregelen dienen te voldoen. Gelet op artikel 87, lid 3, onder a) en c), van het Verdrag kan dergelijke steun alleen in het gemeenschappelijk belang zijn wanneer hij evenredig is aan het marktfalen of de handicaps die moeten worden overwonnen. Daarom is het passend het toepassingsbereik van deze verordening, voor zover die investeringssteun aan KMO's, milieu-investeringssteun en regionale steun betreft, te beperken tot steun verleend met betrekking tot bepaalde materiële of immateriële investeringen. Gezien de overcapaciteit in de vervoerssector in de Gemeenschap en de specifieke problemen van concurrentieverstoring in het vrachtvervoer over de weg en het luchtvervoer, mogen vervoermiddelen en vervoersuitrusting niet tot de in aanmerking komende investeringskosten worden gerekend voor ondernemingen die hun belangrijkste economische activiteit in deze vervoerssectoren verrichten. Bijzondere bepalingen gelden ten aanzien van de definitie van materiële activa ten behoeve van milieusteun.

(28)

In lijn met de beginselen die voor steun in de zin van artikel 87, lid 1, van het Verdrag gelden, dient steun geacht te worden te zijn verleend op het tijdstip waarop de begunstigde krachtens de toepasselijke nationale wet- en regelgeving een wettelijke aanspraak op de steun verwerft.

(29)

Om te vermijden dat bij investeringen de factor kapitaal ten koste van de factor arbeid wordt begunstigd, dient in de mogelijkheid te worden voorzien de omvang van investeringssteun aan KMO's en regionale steun te bepalen hetzij op grond van de investeringskosten, hetzij op grond van de kosten van de rechtsreeks door een investeringsproject geschapen arbeidsplaatsen.

(30)

Milieusteun in de vorm van belastingverlagingen, steun voor kwetsbare of gehandicapte werknemers, regionale steun of in de vorm van risicokapitaal verschafte steun die op ad-hocbasis wordt verleend, kan een grote impact hebben op de mededinging in de betrokken markt, omdat daarmee de begunstigde ten opzichte van andere ondernemingen die deze steun niet ontvangen, wordt begunstigd. Omdat ad-hocsteun aan slechts één onderneming wordt verleend, valt daarvan ook slechts een beperkt structureel effect te verwachten voor milieu, werkgelegenheid voor gehandicapte of kwetsbare werknemers, regionale cohesie of het marktfalen op de risicokapitaalmarkt. Daarom dienen steunregelingen waarbij het gaat om milieusteun in de vorm van belastingverminderingen, regionale steun of steun in de vorm van risicokapitaal, krachtens deze verordening te worden vrijgesteld, terwijl individuele, ad-hocsteun bij de Commissie dient te worden aangemeld. Met deze verordening dient evenwel ad-hoc regionale steun te worden vrijgesteld wanneer deze ad-hocsteun wordt gebruikt ter aanvulling van op grond van een regionale-steunregeling verleende steun, waarbij het ad-hocbestanddeel maximaal 50 % mag bedragen van de totale steun die ten behoeve van de investering wordt verleend.

(31)

Bij de bepalingen inzake investerings- en werkgelegenheidsteun ten behoeve van KMO's wordt, anders dan bij Verordening (EG) nr. 70/2001 het geval was, niet voorzien in enige mogelijkheid om de maximale steunintensiteiten te verhogen middels een regionale verhoging. Wel kunnen de maximum steunintensiteiten die in het deel over regionale steun zijn bepaald, ook worden toegestaan aan KMO's, mits de voorwaarden voor het toekennen van regionale steun zijn vervuld. Evenzo wordt door de bepalingen inzake steun ten behoeve van milieu-investeringen niet voorzien in de mogelijkheid om de maximale steunintensiteiten middels een regionale verhoging op te trekken. De maximum steunintensiteiten die in het deel over regionale steun zijn bepaald, kunnen echter ook worden toegepast op projecten die een positieve impact op het milieu hebben, mits de voorwaarden voor het toekennen van regionale steun zijn vervuld.

(32)

Doordat met regionale steun de handicaps van achterstandsgebieden worden aangepakt, wordt met dit soort steun de economische, sociale en territoriale cohesie van de lidstaten en van de Gemeenschap als geheel bevorderd. Regionale steun is bedoeld om de ontwikkeling van gebieden met de grootste achterstand te stimuleren door binnen een duurzaam kader investeringen en het scheppen van banen te ondersteunen. Deze steun stimuleert de expansie, rationalisering, modernisering en diversificatie van de economische activiteiten van ondernemingen die in achterstandsgebieden zijn gevestigd, met name door ondernemingen aan te moedigen daar nieuwe vestigingen op te richten.

(33)

Om te voorkomen dat grote regionale-investeringsprojecten kunstmatig in subprojecten worden opgesplitst — en zodoende onder de in deze verordening vastgestelde aanmeldingsdrempels uitkomen — dient een groot investeringsproject als één investeringsproject te gelden indien de investering binnen een periode van drie jaar door dezelfde onderneming of ondernemingen wordt uitgevoerd en bestaat uit vaste activa die economisch ondeelbaar met elkaar zijn verbonden. Om te bepalen of een investering economisch ondeelbaar is verbonden, dienen de lidstaten de technische, functionele en strategische banden en de onmiddellijke geografische nabijheid in aanmerking te nemen. De economische ondeelbaarheid dient te worden beoordeeld, onafhankelijk van de eigendomsverhoudingen. Dit betekent dat, om te bepalen of een groot investeringsproject één investeringsproject vormt, de beoordeling dezelfde is, ongeacht of het project wordt uitgevoerd door één onderneming, door meerdere ondernemingen die de investeringskosten delen, of door meerdere ondernemingen die de kosten van de afzonderlijke investeringen binnen hetzelfde investeringsproject dragen (bijvoorbeeld in het geval van een gemeenschappelijke onderneming).

(34)

Anders dan bij regionale steun die alleen in steungebieden mag worden verleend, kan investerings- en werkgelegenheidssteun voor KMO's zowel in steungebieden als daarbuiten worden verleend. Zodoende kunnen de lidstaten in steungebieden investeringssteun verlenen mits zij alle voorwaarden van het deel over regionale steun of alle voorwaarden van het deel over investeringssteun voor KMO's naleven.

(35)

Duurzame ontwikkeling is, samen met concurrentievermogen en leveringszekerheid van energie, een van de hoofdpijlers van de Lissabon-strategie voor groei en werkgelegenheid. Duurzame ontwikkeling is onder meer gebaseerd op een hoog niveau van bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu. Ook het stimuleren van een duurzaam milieu en de strijd tegen klimaatverandering leiden tot meer leveringszekerheid, het vrijwaren van het concurrentievermogen van de Europese economieën en de beschikbaarheid van betaalbare energie. De sector milieubescherming wordt vaak geconfronteerd met marktfalen in de vorm van negatieve externaliteiten. Onder normale marktomstandigheden krijgen ondernemingen misschien niet noodzakelijkerwijs een prikkel om hun vervuiling te verminderen omdat met dergelijke vermindering hun kosten kunnen stijgen. Wanneer ondernemingen niet worden verplicht de kosten van vervuiling te internaliseren, draagt de samenleving als geheel deze kosten. Deze internalisering van milieukosten kan worden gegarandeerd door het opleggen van milieuregels of milieubelastingen. Het ontbreken van op communautair niveau volledig geharmoniseerde milieunormen zorgt voor een ongelijk speelveld. Bovendien kan een nog hoger niveau van milieubescherming worden bereikt door initiatieven om verder te gaan dan de verplichte communautaire normen, die de concurrentiepositie van de betrokken onderneming kunnen schaden.

(36)

Omdat voldoende ervaring is opgedaan bij de toepassing van de communautaire kaderregeling inzake staatssteun ten behoeve van het milieu dienen investeringssteun om communautaire normen te overtreffen of bij gebreke van communautaire normen (bijvoorbeeld in het geval van aanpassingen aan bestaande voertuigen), steun voor vroege aanpassing door KMO's aan toekomstige communautaire normen, milieusteun ten behoeve van investeringen in energiebesparing, milieusteun ten behoeve van hoogrenderende warmtekrachtkoppeling, milieusteun ten behoeve van investeringen ter bevordering van hernieuwbare energiebronnen en milieusteun in de vorm van belastingverminderingen te worden vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting. Meer bepaald is steun voor de aanschaf van nieuwe transportvoertuigen die aan goedgekeurde communautaire normen voldoen, toegestaan vóór de vankrachtwording ervan, indien de nieuwe normen, zodra zij verplicht worden, niet retroactief op reeds aangeschafte voertuigen van toepassing zijn.

(37)

Een correcte berekening van de extra investerings- of productiekosten om milieubescherming te behalen is van essentieel belang om uit te maken of de steun al dan niet met artikel 87, lid 3, van het Verdrag verenigbaar is. Dergelijke berekening dient plaats te vinden aan de hand van een vergelijkbare referentie-investering die, bij eenzelfde capaciteit inzake daadwerkelijke productie, niet de desbetreffende milieubaten oplevert. Gezien de moeilijkheden die zich kunnen voordoen, met name ten aanzien van de aftrek van de uit de extra-investering resulterende baten, dient te worden voorzien in een vereenvoudigde methode voor het berekenen van de extra-investeringskosten. Daarom dienen deze kosten, met uitzondering van milieusteun voor investeringen in energiebesparende maatregelen, voor de toepassing van deze verordening te worden berekend, zonder de exploitatiebaten, kostenbesparingen of extra bijproducten in aanmerking te nemen en zonder de exploitatiekosten gedurende de levensduur van de investering in aanmerking te nemen. De maximum steunintensiteiten voor de verschillende soorten milieu-investeringssteun zijn dan ook dienovereenkomstig vastgesteld.

(38)

Wat betreft milieusteun ten behoeve van investeringen in warmtekrachtkoppeling en milieusteun ten behoeve van investeringen ter bevordering van hernieuwbare energiebronnen, dienen de extrakosten voor de toepassing van deze verordening te worden berekend zonder andere steunmaatregelen die ten behoeve van dezelfde in aanmerking komende kosten worden verleend, in aanmerking te nemen, met uitzondering van andere steun ten behoeve van milieu-investeringen.

(39)

Om verschillen die tot mededingingsvervalsingen zouden kunnen leiden weg te nemen, om de coördinatie van de verschillende communautaire en nationale initiatieven met betrekking tot KMO's te faciliëren en om de administratieve duidelijkheid en de rechtszekerheid te bevorderen, dient in deze verordening de KMO-definitie te worden gebruikt die is neergelegd in Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (17).

(40)

KMO's spelen een bepalende rol bij het scheppen van arbeidsplaatsen en dragen, meer algemeen, bij tot sociale stabiliteit en economisch dynamisme. Toch kan hun ontwikkeling worden geremd door marktfalen, waardoor deze KMO's te lijden hebben van typische handicaps. KMO's hebben het vaak moeilijk om kapitaal, risicokapitaal of leningen te krijgen, gezien de risicomijdende aard van bepaalde financiële markten en de beperkte zekerheden die zij mogelijk kunnen bieden. Door hun beperkte middelen hebben zij mogelijk ook beperktere toegang tot informatie, met name wat betreft nieuwe technologie en potentiële markten. Om de ontwikkeling van de economische activiteiten van KMO's te bevorderen, dienen met deze verordening bepaalde categorieën steun te worden vrijgesteld wanneer deze ten behoeve van KMO's worden verleend. Bijgevolg is het gerechtvaardigd dit soort steun van voorafgaande aanmelding vrij te stellen en voor de toepassing van deze verordening aan te nemen dat, wanneer een begunstigde aan de in de bijlage bij deze verordening opgenomen KMO-definitie voldoet, die KMO, mits de steun de toepasselijke aanmeldingsdrempel niet overschrijdt, kan worden geacht in zijn ontwikkeling te worden beperkt door de typische, door marktfalen veroorzaakte KMO-handicaps.

(41)

Gelet op de verschillen tussen kleine en middelgrote ondernemingen, dienen voor kleine en voor middelgrote ondernemingen verschillende basissteunintensiteiten en verschillende verhogingen te worden vastgesteld. Marktfalen waarvan KMO's meestal te lijden hebben — onder meer wat betreft toegang tot financiering — resulteert bij kleine ondernemingen in nog grotere obstakels voor hun ontwikkeling dan bij middelgrote ondernemingen.

(42)

Op grond van de ervaring die is opgedaan bij de toepassing van de communautaire richtsnoeren inzake staatssteun ter bevordering van risicokapitaalinvesteringen in kleine en middelgrote ondernemingen (18), lijken er in de Gemeenschap een aantal specifieke gevallen te zijn van een falende risicokapitaalmarkt ten aanzien van bepaalde soorten investeringen in bepaalde ontwikkelingsfasen van ondernemingen. Dit marktfalen resulteert uit een imperfecte afstemming van aanbod van en vraag naar risicokapitaal. Daardoor kan het volume risicokapitaal op de markt te beperkt zijn en vinden ondernemingen geen financiering, ook al hebben zij een waardevol businessmodel en groeiperspectieven. De belangrijkste oorzaak van het falen van de risicokapitaalmarkten, dat met name nadelig uitpakt voor de toegang van KMO's tot kapitaalfinanciering en dat overheidsmaatregelen kan rechtvaardigen, is imperfecte of asymmetrische informatie. Bijgevolg dienen risicokapitaalregelingen in de vorm van investeringsfondsen waarin een voldoende aandeel van de middelen als particulier risicokapitaal wordt beschouwd, onder bepaalde voorwaarden van de aanmeldingsverplichting te worden vrijgesteld. Deze verordening laat de status van de Europese Investeringsbank en het Europese Investeringsfonds in de zin van de communautaire richtsnoeren risicokapitaalsteun onverlet.

(43)

Steun voor onderzoek en ontwikkeling kan bijdragen tot economische groei, versterking van de concurrentiepositie en stimulering van de werkgelegenheid. Op grond van de ervaring van de Commissie bij de toepassing van Verordening (EG) nr. 364/2004, van de communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek en ontwikkeling (19) en de communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie (20) lijkt het zo dat marktfalen, gezien de beschikbare onderzoeks- en ontwikkelingscapaciteit van zowel KMO's als grote ondernemingen, kan verhinderen dat de markt de optimale output bereikt, en in een ondoelmatige uitkomst resulteert. Dergelijke ondoelmatige uitkomsten houden doorgaans verband met positieve externaliteiten/kennisspillover, collectieve goederen/kennisspillover, imperfecte en asymmetrische informatie, en coördinatie- en netwerkfalen.

(44)

Steun ten behoeve van onderzoek en ontwikkeling in KMO's is van bijzonder belang, omdat een van de structurele nadelen van KMO's is gelegen in de moeilijkheden die zij kunnen ondervinden om toegang te krijgen tot nieuwe technologische ontwikkelingen, technologieoverdracht of hooggekwalificeerd personeel. Daarom dient steun voor onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten, steun voor technische haalbaarheidsstudies en steun ter dekking van kosten voor industriële-eigendomsrechten voor KMO's onder bepaalde voorwaarden van de verplichting tot voorafgaande aanmelding te worden vrijgesteld.

(45)

Wat projectsteun voor onderzoek en ontwikkeling betreft, het gesteunde deel van het onderzoeksproject moet volledig binnen de categorieën fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimenteel onderzoek vallen. Omvat een project verschillende soorten opdrachten, dan wordt elke opdracht in één van de volgende categorieën ingedeeld: fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling, of niet behorend tot één van deze categorieën. Bij deze indeling hoeft niet noodzakelijk een chronologische benadering van de opeenvolgende fasen — van fundamenteel onderzoek tot activiteiten die dichter bij de markt staan — te worden gevolgd. Bijgevolg is het mogelijk dat een in een latere projectfase uitgevoerde opdracht als industrieel onderzoek wordt aangemerkt. Evenmin valt uit te sluiten dat een activiteit uit een eerdere projectfase experimentele ontwikkeling kan zijn.

(46)

In de landbouwsector dient, op basis van met name de ervaring die met de toepassing van de mededeling van de Commissie met betrekking tot wijziging van de communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek en ontwikkeling (21) is opgedaan, bepaalde steun voor onderzoek en ontwikkeling te worden vrijgesteld indien vergelijkbare voorwaarden als die van de voor de landbouw specifieke bepalingen van de communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek en ontwikkeling zijn vervuld. Zijn deze specifieke voorwaarden niet vervuld, dan kan steun worden vrijgesteld indien deze voldoet aan de voorwaarden die in de algemene bepalingen van deze verordening wat betreft onderzoek en ontwikkeling zijn uiteengezet.

(47)

Het bevorderen van de opleiding en indienstneming van kwetsbare en gehandicapte werknemers en de vergoeding van additionele kosten voor het in dienst hebben van gehandicapte werknemers zijn een centrale doelstelling van het economische en sociale beleid van de Gemeenschap en de lidstaten.

(48)

Opleiding heeft over het algemeen positieve externaliteiten voor de samenleving als geheel, omdat daarmee het aanbod van geschoolde arbeidskrachten waaruit andere ondernemingen kunnen putten, vergroot, het concurrentievermogen van de communautaire industrie verbetert en zij een belangrijke rol in de werkgelegenheidsstrategie speelt. Opleiding, met inbegrip van e-learning, is ook van essentieel belang voor de totstandbrenging, de verwerving en verspreiding van kennis, een collectief goed van primordiaal belang. Aangezien ondernemingen in de Gemeenschap over het algemeen te weinig in de opleiding van hun werknemers investeren, met name wanneer het algemene opleiding betreft en deze geen onmiddellijk en concreet voordeel voor de betrokken onderneming oplevert, kan staatssteun helpen dit marktfalen te corrigeren. Daarom dient dit soort steun, op bepaalde voorwaarden, van voorafgaande aanmelding te worden vrijgesteld. Omdat KMO's met bijzondere handicaps te kampen hebben en verhoudingsgewijs hogere kosten moeten dragen wanneer zij in opleiding investeren, dienen de intensiteiten van de krachtens deze verordening vrijgestelde steun voor KMO's te worden opgetrokken.

(49)

Daarbij kan een onderscheid worden gemaakt tussen algemene en specifieke opleiding. De toegestane steunintensiteiten dienen te verschillen naar gelang het soort verstrekte opleiding en de omvang van de onderneming. Door een algemene opleiding worden overdraagbare bekwaamheden verschaft en worden de kansen van de opgeleide werknemer op de arbeidsmarkt aanzienlijk verbeterd. Steun ten behoeve van deze doelstelling heeft minder mededingingsverstorende effecten, hetgeen betekent dat hogere steunintensiteiten van voorafgaande aanmelding kunnen worden vrijgesteld. Specifieke opleiding die in hoofdzaak de onderneming ten goede komt, houdt een groter risico op verstoring van de mededinging in en daarom dient de steunintensiteit die van voorafgaande aanmelding kan worden vrijgesteld, lager te zijn. Opleiding geldt ook als algemene opleiding wanneer deze verband houdt met milieubeheer, eco-innovatie of maatschappelijk verantwoord ondernemen en zodoende de mogelijkheden van de begunstigde om bij te dragen aan de algemene doelstellingen op milieugebied, versterkt.

(50)

Bepaalde categorieën gehandicapte of kwetsbare werknemers hebben het nog steeds bijzonder moeilijk de arbeidsmarkt te betreden. Daarom is er voor overheden een rechtvaardigingsgrond om maatregelen toe te passen die ondernemingen moeten stimuleren hun personeelsbestand uit te breiden, met name met werknemers uit deze achterstandscategorieën. De arbeidskosten vormen een onderdeel van de normale exploitatiekosten van elke onderneming. Daarom is het van bijzonder belang dat steun ten behoeve van werkgelegenheid voor gehandicapte en kwetsbare werknemers een positief effect op het werkgelegenheidsniveau van deze categorieën werknemers dient te hebben en dient hij de ondernemingen niet gewoon in staat te stellen kosten die zij anders zouden moeten dragen, te verlagen. Bijgevolg dient dit soort steun van voorafgaande aanmelding te worden vrijgesteld wanneer valt te verwachten dat daarmee deze categorieën werknemers worden geholpen bij hun herintrede op de arbeidsmarkt of, in het geval van gehandicapte werknemers, bij het herintreden en het op de arbeidsmarkt blijven.

(51)

Het is passend overgangsbepalingen vast te stellen voor steun die vóór de inwerkingtreding van deze verordening werd verleend en die, in strijd met de verplichting uit hoofde van artikel 88, lid 3, van het Verdrag, niet is aangemeld. Met de intrekking van Verordening (EG) nr. 1628/2006 van de Commissie van 24 oktober 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op nationale regionale-investeringssteun kunnen de bestaande regionale-investeringsregelingen, in de vorm waarin zij werden vrijgesteld, nog steeds ten uitvoer worden gelegd, overeenkomstig artikel 9, lid 2, laatste streepje, van die verordening, op de in diezelfde verordening bepaalde voorwaarden.

(52)

Gezien de ervaring van de Commissie op dit gebied, en met name de regelmaat waarmee het over het algemeen noodzakelijk is het staatssteunbeleid te herzien, dient de geldigheidsduur van deze verordening te worden beperkt. Indien de geldigheidsduur van deze verordening verstrijkt zonder dat zij is verlengd, dienen steunregelingen die krachtens deze verordening reeds zijn vrijgesteld, nog zes maanden vrijgesteld te blijven teneinde de lidstaten voldoende tijd te geven de nodige aanpassingen door te voeren.

(53)

De volgende verordeningen dienen te worden ingetrokken: Verordening (EG) nr. 70/2001, Verordening (EG) nr. 68/2001, Verordening (EG) nr. 2204/2002 en Verordening (EG) nr. 1628/2006,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

Artikel 1

Toepassingsgebied

1.   Deze verordening is van toepassing op de volgende soorten steun:

a)

regionale investerings- en werkgelegenheidssteun;

b)

KMO-steun ten behoeve van investeringen en werkgelegenheid

c)

steun voor milieubescherming

d)

KMO-steun ten behoeve van consultancy en deelneming aan beurzen;

e)

steun in de vorm van risicokapitaal;

f)

steun voor onderzoek en ontwikkeling;

g)

opleidingssteun, en

h)

steun voor kwetsbare of gehandicapte werknemers.

2.   Deze verordening is niet van toepassing op:

a)

steun voor werkzaamheden die verband houden met de uitvoer, waaronder wordt verstaan steun die rechtstreeks aan de uitgevoerde hoeveelheden, de oprichting en exploitatie van een distributienet of andere lopende uitgaven met betrekking tot werkzaamheden op het gebied van de uitvoer is gerelateerd;

b)

steun die afhangt van het gebruik van binnenlandse producten in plaats van ingevoerde producten.

3.   Deze verordening is van toepassing op steun in alle economische sectoren met uitzondering van de volgende sectoren:

a)

steun verleend aan in de sectoren visserij en aquacultuur actieve ondernemingen voor zover die onder Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad (22) vallen, met uitzondering van opleidingssteun, steun in de vorm van risicokapitaal, steun voor onderzoek en ontwikkeling, en steun voor kwetsbare en gehandicapte werknemers;

b)

steun verleend aan ondernemingen die in de primaire productie van de in Bijlage I van het Verdrag vermelde landbouwproducten actief zijn, met uitzondering van opleidingssteun, steun in de vorm van risicokapitaal, steun voor onderzoek en ontwikkeling, milieusteun en steun voor kwetsbare en gehandicapte werknemers;

c)

steun verleend aan ondernemingen die op het gebied van de verwerking en de afzet van in Bijlage I van het Verdrag vermelde landbouwproducten actief zijn, in de volgende gevallen:

i)

wanneer het steunbedrag wordt vastgesteld op grond van de prijs of de hoeveelheid van dergelijke van primaire producenten afgenomen producten die door de betrokken ondernemingen op de markt worden gebracht; of

ii)

wanneer de steun afhankelijk wordt gesteld van de verplichting deze steun geheel of ten dele aan primaire producenten door te geven;

d)

steun verleend aan ondernemingen die in de kolenindustrie actief zijn, met uitzondering van opleidingssteun, steun voor onderzoek en ontwikkeling en milieusteun.

e)

steun verleend aan ondernemingen die in de ijzer- en staalindustrie actief zijn, met uitzondering van milieusteun, opleidingssteun en steun voor kwetsbare en gehandicapte werknemers;

f)

regionale steun verleend aan ondernemingen die in de scheepsbouwsector actief zijn;

g)

regionale steun verleend aan ondernemingen die in de synthetischevezelindustrie (23) actief zijn.

4.   Deze verordening is niet van toepassing op regionale-steunregelingen die op specifieke economische sectoren in de be- en verwerkende industrie of de dienstensector zijn gericht. Regelingen die op toeristische activiteiten zijn gericht, gelden niet als zijnde gericht op specifieke sectoren.

5.   Deze verordening is niet van toepassing op individuele ad-hocsteun aan grote ondernemingen, behoudens het in artikel 11, lid 1, bepaalde.

6.   Deze verordening is niet van toepassing op de volgende steun:

a)

steunregelingen waarin niet uitdrukkelijk de betaling wordt uitgesloten van individuele steun aan een onderneming ten aanzien waarvan er een uitstaand bevel tot terugvordering is volgend op een eerdere beschikking van de Commissie waarin de steun onrechtmatig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard;

b)

individuele ad-hocsteun voor een onderneming ten aanzien waarvan er een uitstaand bevel tot terugvordering is volgend op een eerdere beschikking van de Commissie waarin de steun onrechtmatig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard;

c)

steun aan ondernemingen in moeilijkheden.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1)

„steun” of „steunmaatregel”: elke maatregel die aan alle criteria van artikel 87, lid 1, van het Verdrag voldoet;

2)

„steunregeling”: elke regeling op grond waarvan aan ondernemingen die in de regeling op algemene en abstracte wijze zijn omschreven, individuele steun kan worden toegekend zonder dat hiervoor nog uitvoeringsmaatregelen vereist zijn, alsmede elke regeling op grond waarvan steun die niet aan een specifiek project is gebonden, voor onbepaalde tijd en/of voor een onbepaald bedrag aan een of meer ondernemingen kan worden toegekend;

3)

„individuele ad-hocsteun”: individuele steun die niet op grond van een steunregeling wordt verleend;

4)

„steunintensiteit”: het steunbedrag, uitgedrukt als een percentage van de in aanmerking komende kosten;

5)

„transparante steun”: steun waarvan het bruto-subsidie-equivalent vooraf precies kan worden berekend zonder dat een risicoanalyse hoeft te worden uitgevoerd;

6)

„kleine en middelgrote ondernemingen” of „KMO's”: ondernemingen die aan de in Bijlage I vastgestelde criteria voldoen;

7)

„grote ondernemingen”: ondernemingen die niet aan de aan de in Bijlage I vastgestelde criteria voldoen;

8)

„steungebieden”: voor regionale steun in aanmerking komende gebieden, zoals die zijn afgebakend op de regionale-steunkaart die voor de betrokken lidstaat voor de periode 2007-2013 werd goedgekeurd;

9)

„materiële activa”: activa met betrekking tot gronden, gebouwen en installaties, machines en uitrusting. In de vervoerssector, met uitzondering van het vrachtvervoer over de weg en het luchtvervoer, worden vervoermiddelen en vervoersuitrusting als in aanmerking komende activa beschouwd, behalve wat betreft regionale steun;

10)

„immateriële activa”: activa die technologieoverdracht door de verwerving van octrooirechten, licenties, knowhow of niet-geoctrooieerde technische kennis inhouden;

11)

„groot investeringsproject”: een initiële investering in kapitaalgoederen waarbij de in aanmerking komende uitgaven meer dan 50 miljoen EUR bedragen, berekend in prijzen en wisselkoersen die gelden op het tijdstip dat de steun wordt toegekend;

12)

„aantal werknemers”: het aantal arbeidsjaareenheden (AJE's), zijnde het aantal gedurende een jaar voltijds werkende werknemers, waarbij deeltijdarbeid en seizoenarbeid in fracties van arbeidsjaareenheden worden uitgedrukt.

13)

„rechtstreeks door een investeringsproject geschapen werkgelegenheid”: werkgelegenheid die verband houdt met de activiteit waarop de investering betrekking heeft, met inbegrip van werkgelegenheid die dankzij een verhoging van de bezettingsgraad van de door de investering gecreëerde capaciteit is geschapen;

14)

„loonkosten”: het totale bedrag dat daadwerkelijk door de begunstigde van de steun ten aanzien van de desbetreffende werkgelegenheid moet worden betaald, omvattend:

a)

het brutoloon, vóór belasting, en

b)

de verplichte bijdragen, zoals socialezekerheidsbijdragen;

15)

„KMO-steun ten behoeve van investeringen en werkgelegenheid”: steun die aan de in artikel 12 bepaalde voorwaarden voldoet;

16)

„investeringssteun”: omvat de soorten steun waarin door de volgende artikelen wordt voorzien: artikel 11 betreffende regionale investerings- en werkgelegenheidssteun; artikel 12 betreffende KMO-steun ten behoeve van investeringen en werkgelegenheidssteun, en de artikelen 14 tot en met 18 betreffende milieu-investeringssteun;

17)

„kwetsbare werknemer”: een persoon die tot een van de volgende categorieën behoort:

a)

personen die in de voorafgaande zes maanden geen reguliere betaalde betrekking hebben gevonden;

b)

personen die geen diploma van hoger middelbaar onderwijs hebben behaald of beroepsopleiding hebben gevolgd (ISCED 3);

c)

personen ouder dan 50 jaar;

d)

personen die als alleenstaande volwassene de zorg hebben voor een of meer ten laste komende personen;

e)

vrouwen die werken in een sector of beroep die worden gekenmerkt door een genderonbalans die 25 % groter is dan de gemiddelde nationale genderonbalans;

f)

personen die behoren tot een etnische minderheid in een lidstaat en van wie het profiel met betrekking tot talenkennis, beroepsopleiding of werkervaring moet worden bijgesteld om hun vooruitzicht op het verkrijgen van een vaste baan te verbeteren;

18)

„gehandicapte werknemers”:

a)

personen die overeenkomstig het nationale recht als gehandicapt worden erkend; of

(b)

personen die een erkende beperking hebben als gevolg van een fysieke, mentale of psychologische handicap;

19)

„sociale werkvoorziening”: werkvoorziening waarvan het personeelsbestand voor ten minste 50 % uit gehandicapte werknemers bestaat;

20)

„begeleid werken”: werkgelegenheid voor gehandicapte werknemers in een instelling die persoonlijke ondersteuning of hulp biedt, maar die geen omgeving met „sociale werkvoorziening” is;

21)

„landbouwproducten”:

a)

de in Bijlage I bij het Verdrag opgenomen producten, met uitzondering van visserijproducten en producten van de aquacultuur die onder Verordening (EG) nr. 104/2001 vallen;

b)

producten van de GN-codes 4502, 4503 en 4504 (kurkproducten);

c)

producten die zijn bedoeld om melk en zuivelproducten te imiteren of te vervangen, zoals bedoeld in artikel 3, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 1898/87 van de Raad (24);

22)

„verwerking van landbouwproducten”: een bewerking van een landbouwproduct die een product oplevert dat nog steeds een landbouwproduct is, met uitzondering van activiteiten op landbouwbedrijven die nodig zijn om een plantaardig of dierlijk product voor de eerste verkoop voor te bereiden;

23)

„afzet van landbouwproducten”: het in voorraad hebben of uitstellen met het oog op verkoop, te koop aanbieden, leveren of op enige andere wijze verhandelen, met uitzondering van de eerste verkoop door een primaire producent aan wederverkopers of verwerkingsbedrijven en alle activiteiten waarmee een product voor een dergelijke eerste verkoop wordt voorbereid. Verkoop door een primaire producent aan eindgebruikers geldt als afzet indien deze plaatsvindt in speciaal daartoe voorziene afzonderlijke lokalen;

24)

„toeristische activiteiten”: de volgende bedrijfsactiviteiten in de zin van NACE Rev. 1.1:

a)

NACE 55: Hotels en restaurants;

b)

NACE 63.3: Reisbureaus en reisorganisatoren; hulp aan toeristen;

c)

NACE 92: Cultuur, sport en recreatie;

25)

„terugbetaalbaar voorschot”: een lening voor een project die in één of meer tranches wordt betaald en waarbij de voorwaarden voor terugbetaling afhangen van de uitkomst van het onderzoeks- en ontwikkelingsproject.

26)

„risicokapitaal”: financiering met aandelenkapitaal en hybride kapitaal van ondernemingen tijdens hun eerste-groeifasen (begin-, aanloop- en ontwikkelingsfase);

27)

„ijzer- en staalindustrie”: de sectoren die onder Bijlage I van de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen 2007-2013 vallen (25).

Artikel 3

Vrijstellingsvoorwaarden

1.   Steunregelingen die aan alle voorwaarden van hoofdstuk I van deze verordening en aan de desbetreffende bepalingen van hoofdstuk II van deze verordening voldoen, zijn verenigbaar met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 87, lid 3, van het Verdrag en zijn van de aanmeldingsverplichting van artikel 88, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld mits alle krachtens die regeling verleende steun aan alle voorwaarden van deze verordening voldoet, en de regeling een uitdrukkelijke verwijzing naar deze verordening bevat (onder vermelding van de titel ervan en de vindplaats in het Publicatieblad van de Europese Unie).

2.   Individuele steun die op grond van een in lid 1 bedoelde steunregeling wordt verleend, is verenigbaar met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 87, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 88, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld mits die steun aan alle voorwaarden van hoofdstuk I van deze verordening en de desbetreffende bepalingen van hoofdstuk II van deze verordening voldoet, de individuele steunmaatregel een uitdrukkelijke verwijzing naar deze verordening bevat (onder vermelding van de titel ervan en de vindplaats in het Publicatieblad van de Europese Unie) en een uitdrukkelijke verwijzing naar het door de Commissie toegekende identificatienummer als bedoeld in artikel 9, lid 1, bevat.

3.   Individuele ad-hocsteun die aan alle voorwaarden van hoofdstuk I van deze verordening en de desbetreffende bepalingen van hoofdstuk II van deze verordening voldoet, is verenigbaar met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 87, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 88, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld mits die steun een uitdrukkelijke verwijzing naar deze verordening bevat (onder vermelding van de titel ervan en de vindplaats in het Publicatieblad van de Europese Unie) en een uitdrukkelijke verwijzing naar het door de Commissie toegekende identificatienummer als bedoeld in artikel 9, lid 1, bevat.

Artikel 4

Steunintensiteit en in aanmerking komende kosten

1.   Bij de berekening van de steunintensiteit zijn alle cijfers die worden gebruikt, de cijfers vóór aftrek van belastingen of andere heffingen. Wordt steun in een andere vorm dan een subsidie verleend, dan is het steunbedrag het subsidie-equivalent van de steun. Van steun die in meerdere tranches wordt uitgekeerd, wordt door discontering de waarde op het ogenblik van de verlening ervan berekend. De rentevoet die bij discontering wordt gehanteerd, is het referentiepercentage dat op het tijdstip van de steunverlening geldt. Wanneer steun wordt toegekend in de vorm van belastingvrijstellingen of verlagingen van in de toekomst verschuldigde belastingen, vindt de discontering van de steuntranches plaats op basis van de referentiepercentages die gelden op de diverse tijdstippen dat de belastingvoordelen gaan spelen, mits een bepaalde in bruto-subsidie-equivalent uitgedrukte steunintensiteit in acht wordt genomen.

2.   De in aanmerking komende kosten worden met bewijsstukken gestaafd, die duidelijk en gespecificeerd zijn.

Artikel 5

Transparantie van steun

1.   Deze verordening is uitsluitend van toepassing op transparante steun.

Met name gelden de volgende soorten steun als transparant:

a)

steun in de vorm van leningen indien voor het berekenen van het bruto-subsidie-equivalent het referentiepercentage is gebruikt dat van toepassing is op het tijdstip dat de steun wordt toegekend, en in aanmerking nemend dat de gebruikelijke zekerheid is gesteld en/of dat aan de lening geen abnormaal risico is verbonden;

b)

steun vervat in garantieregelingen indien de methodiek voor het berekenen van het bruto-subsidie-equivalent na aanmelding daarvan door de Commissie is aanvaard in het kader van de toepassing van deze verordening of van Verordening (EG) nr. 1628/2006 en indien de goedgekeurde methodiek uitdrukkelijk is toegespitst op het soort garanties en het soort onderliggende transacties die in het geding zijn;

c)

steun vervat in belastingmaatregelen indien door de maatregel wordt voorzien in een maximum dat garandeert dat de toepasselijke drempel niet wordt overschreden.

2.   De volgende soorten steun gelden niet als transparant:

a)

steun in de vorm van kapitaalinjecties;

b)

steun in de vorm van risicokapitaalmaatregelen, tenzij de steun aan de voorwaarden van artikel 23 voldoet.

3.   Steun in de vorm van terugbetaalbare voorschotten geldt uitsluitend als transparante steun indien het totale bedrag van het terugbetaalbare voorschot niet uitkomt boven de krachtens deze verordening toepasselijke drempels. Wordt de drempel uitgedrukt als steunintensiteit, dan ligt het totale bedrag van het terugbetaalbare voorschot, uitgedrukt als een percentage van de in aanmerking komende kosten, niet hoger dan de toepasselijke steunintensiteit.

Artikel 6

Drempels voor individuele aanmelding

1.   Deze verordening is niet van toepassing op individuele steun, ongeacht of deze op ad-hocbasis of krachtens een steunregeling wordt verleend, indien het subsidie-equivalent daarvan de volgende drempels overschrijdt:

a)

KMO-steun ten behoeve van investeringen en werkgelegenheid: 7,5 miljoen EUR per onderneming per investeringsproject;

b)

milieu-investeringssteun: 5 miljoen EUR per onderneming per investeringsproject;

c)

KMO-steun ten behoeve van consultancy en deelneming aan beurzen: 2 miljoen EUR per onderneming per project;

d)

steun voor onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten en haalbaarheidsstudies:

i)

indien het project overwegend fundamenteel onderzoek is: 20 miljoen EUR per onderneming, per project/haalbaarheidsstudie;

ii)

indien het project overwegend industrieel onderzoek is: 10 miljoen EUR per onderneming, per project/haalbaarheidsstudie;

iii)

voor alle overige projecten: 7,5 miljoen EUR per onderneming, per project/haalbaarheidsstudie;

iv)

indien het een EUREKA-project betreft: tweemaal de in, onderscheidenlijk, punten i), ii) en iii) bepaalde bedragen;

Een project wordt geacht „overwegend” uit fundamenteel onderzoek of „overwegend” uit industrieel onderzoek te bestaan, indien meer dan 50 % van de in aanmerking komende projectkosten wordt gemaakt voor activiteiten die binnen de categorie „fundamenteel onderzoek”, onderscheidenlijk „industrieel onderzoek” vallen. In gevallen waarin niet is vast te stellen dat het project overwegend tot een bepaalde onderzoekscategorie behoort, geldt de lagere drempel;

e)

steun aan KMO's ten behoeve van de kosten voor industriële-eigendomsrechten: 5 miljoen EUR per onderneming per project;

f)

opleidingssteun: 2 miljoen EUR per opleidingsproject;

g)

steun voor de indienstneming van kwetsbare werknemers: 5 miljoen EUR per onderneming per jaar;

h)

werkgelegenheidssteun voor gehandicapte werknemers in de vorm van loonsubsidies: 10 miljoen EUR per onderneming per jaar;

i)

werkgelegenheidssteun voor gehandicapte werknemers ter compensatie van additionele uitgaven: 10 miljoen EUR per onderneming per jaar.

2.   Regionale steun voor grote investeringsprojecten wordt bij de Commissie aangemeld indien het totale bedrag aan steun uit alle bronnen meer dan 75 % bedraagt van het maximale bedrag aan steun dat een investering met in aanmerking komende uitgaven van 100 miljoen EUR kan ontvangen, waarbij de standaardsteundrempel wordt toegepast die volgens de goedgekeurde regionale-steunkaart op het tijdstip van de steunverlening voor grote ondernemingen geldt.

Artikel 7

Cumulering

1.   Om te bepalen of de in artikel 6 vastgestelde drempels voor individuele aanmelding en de in hoofdstuk II vastgestelde maximale steunintensiteiten worden nageleefd, dient het totale bedrag aan steun van de overheid ten behoeve van de gesteunde activiteit of het gesteunde project in aanmerking te worden genomen, ongeacht of de steun uit lokale, regionale, nationale of communautaire bronnen wordt gefinancierd.

2.   Steun die krachtens deze verordening is vrijgesteld, mag met andere krachtens deze verordening vrijgestelde steun worden gecumuleerd mits die steunmaatregelen verschillende, identificeerbare in aanmerking komende kosten betreffen.

3.   Steun die krachtens deze verordening is vrijgesteld, wordt niet gecumuleerd met enige andere steun die krachtens deze verordening is vrijgesteld, noch met de-minimissteun die aan de voorwaarden van Verordening (EG) nr. 1998/2006 (26) voldoet, of met andere communautaire financiering met betrekking tot dezelfde — geheel of gedeeltelijk overlappende — in aanmerking komende kosten indien een dergelijke cumulering ertoe zou leiden dat daarmee de hoogste steunintensiteit of het hoogste steunbedrag dat krachtens deze verordening voor die steun geldt, wordt overschreden.

4.   In afwijking van lid 3, mag steun ten behoeve van gehandicapte werknemers, waarin door de artikelen 32 en 33 wordt voorzien, worden gecumuleerd met andere krachtens deze verordening vrijgestelde steun met betrekking tot dezelfde in aanmerking komende kosten tot boven de hoogste krachtens deze verordening geldende drempel, mits die cumulering niet resulteert in een steunintensiteit van meer dan 100 % van de loonkosten gedurende de gehele periode waarin de betrokken werknemer of werknemers in dienst zijn.

5.   Ingeval krachtens deze verordening vrijgestelde steunmaatregelen met identificeerbare in aanmerking komende kosten worden gecumuleerd met krachtens deze verordening vrijgestelde steunmaatregelen zonder identificeerbare in aanmerking komende kosten, zijn de in de tweede alinea bepaalde voorwaarden van toepassing.

Wanneer een doelonderneming risicokapitaal heeft ontvangen in het kader van een risicokapitaalmaatregel die onder de toepassing van artikel 23 en volgende valt, worden gedurende de eerste drie jaar na de eerste risicokapitaalinvestering, wat betreft steun die onder de toepassing van deze verordening valt, de desbetreffende steundrempels of de krachtens deze verordening maximaal in aanmerking komende bedragen in de regel verminderd met 50 %, en met 20 % voor doelondernemingen in steungebieden. Deze verlaging mag het totale aan risicokapitaal ontvangen bedrag niet overschrijden. Deze verlaging geldt niet voor krachtens de artikelen 25, 26 en 27 vrijgestelde steun ten behoeve van onderzoek en ontwikkeling.

Artikel 8

Stimulerend effect

1.   Door deze verordening wordt enkel steun vrijgesteld die een stimulerend effect heeft.

Steun wordt geacht een stimulerend effect te hebben indien de begunstigde daardoor in staat wordt gesteld activiteiten of projecten uit te voeren die hij anders — zonder de steun — niet had uitgevoerd.

Regionale steun wordt ook geacht een stimulerend effect te hebben indien — zonder de steun — het investeringsproject niet in het bewuste steungebied was uitgevoerd.

2.   Wat de onder deze verordening vallende KMO-steun betreft, geldt de in lid 1 vastgestelde voorwaarde als zijnde vervuld, indien vooraleer de werkzaamheden aan het project of de activiteit van start gaan, door de begunstigde een steunaanvraag bij de lidstaat is ingediend.

[3.   Wat de onder deze verordening vallende steun aan grote ondernemingen betreft, geldt de in lid 1 vastgestelde voorwaarde als zijnde vervuld, indien niet alleen aan de in lid 2 vastgestelde voorwaarde is voldaan, maar de lidstaat zich, vooraleer de betrokken individuele steun toe te kennen, zich ervan heeft gewist dat in door de begunstigde opgestelde documenten het stimulerende effect van de steun wordt aangetoond aan de hand van één of meerdere van de volgende criteria:

a)

toename van de omvang van het project/de activiteit als gevolg van de steun;

b)

toename van de reikwijdte van het project/de activiteit als gevolg van de steun;

c)

stijging van de totale uitgaven van de begunstigde voor het project/de activiteit als gevolg van de steun.]

4.   De in lid 2, de leden 2 [en 3] vastgestelde voorwaarden gelden niet ten aanzien van belastingmaatregelen waarbij overeenkomstig objectieve criteria een wettelijke aanspraak op steun wordt gevestigd zonder dat de lidstaat nog een beoordelingsbevoegdheid uitoefent, indien deze belastingmaatregelen zijn vastgesteld vooraleer de werkzaamheden aan het project of de activiteit van start gaan.

5.   Wanneer de voorwaarden van de leden 1 tot 4 niet zijn vervuld, is de volledige steunmaatregel niet krachtens deze verordening vrijgesteld.

Artikel 9

Transparantie en monitoring

1.   Uiterlijk tien werkdagen vóór de verlening van individuele steun zendt de betrokken lidstaat de Commissie, ter bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie en op de website van de Commissie, in elektronische vorm beknopte informatie betreffende deze steun, gebruikmakend van de geëigende IT-toepassing van de Commissie en het in [Bijlage III] vastgestelde formulier. Binnen vijf werkdagen na ontvangst van deze beknopte informatie zendt de Commissie de lidstaat een ontvangstbewijs met het identificatienummer van de bewuste steunmaatregel.

2.   Zodra een steunregeling ten uitvoer wordt gelegd of krachtens deze verordening individuele ad-hocsteun wordt verleend, maakt de betrokken lidstaat de volledige tekst van die steunmaatregel op het internet bekend, waarbij de criteria en voorwaarden voor de toekenning van die steun en de identiteit van de steunverlenende autoriteit worden vermeld. Het adres van deze website wordt de Commissie samen met de overeenkomstig lid 1 verlangde beknopte informatie over de steun meegedeeld. Dit adres wordt tevens opgenomen in het overeenkomstig lid 5 in te dienen jaarlijkse verslag.

3.   De lidstaten verwijzen naar het door de Commissie overeenkomstig lid 1 toegewezen identificatienummer bij elke tot een uiteindelijke begunstigde gerichte steunverlenende maatregel, behalve wanneer het gaat om steun in de vorm van belastingmaatregelen.

4.   Wanneer individuele steun op grond van een bestaande regeling ten behoeve van onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten die onder de toepassing van artikel 25 vallen en waarvan het individuele steunbedrag meer dan 3 miljoen EUR bedraagt, of wanneer op grond van bestaande steunregelingen voor grote investeringsprojecten individuele regionale steun wordt toegekend die krachtens artikel 6 niet individueel hoeft te worden aangemeld, verschaffen de lidstaten, binnen 20 werkdagen te rekenen vanaf het tijdstip van de steunverlening door de bevoegde autoriteit, de Commissie de vereiste informatie, in elektronische vorm, aan de hand van het in Bijlage II vastgestelde standaardformulier, via de geëigende IT-toepassing.

5.   Overeenkomstig hoofdstuk III van Verordening (EG) nr. 794/2004 (27) stellen de lidstaten over de toepassing van deze verordening een verslag in elektronische vorm op voor elk volledig kalenderjaar, of deel daarvan, waarin deze verordening van toepassing is.

6.   De lidstaten leggen gedetailleerde dossiers aan over de krachtens deze verordening vrijgestelde individuele steun of steunregelingen. Deze dossiers bevatten alle gegevens die nodig zijn om te kunnen nagaan of aan de in deze verordening vastgestelde voorwaarden is voldaan, met inbegrip van gegevens waaruit blijkt dat de betrokken onderneming de status van kleine of middelgrote onderneming bezit, indien het daarvan afhangt of zij voor steun of een verhoging in aanmerking komt, en gegevens aan de hand waarvan ten behoeve van de toepassing van deze verordening het precieze bedrag van de in aanmerking komende kosten kan worden bepaald.

Voor een individuele steunmaatregel worden de dossiers gedurende tien jaar te rekenen vanaf het tijdstip van steunverlening bewaard. Voor steunregelingen worden de dossiers bewaard gedurende tien jaar te rekenen vanaf het tijdstip van de laatste steunverlening krachtens die regeling.

7.   De Commissie houdt regelmatig toezicht op steunmaatregelen waarvan zij overeenkomstig lid 1 in kennis is gesteld.

8.   De betrokken lidstaat verstrekt de Commissie op haar schriftelijk verzoek binnen de termijn die deze in haar verzoek vaststelt, alle gegevens die de Commissie nodig acht om op de toepassing van deze verordening toezicht te kunnen houden.

Worden die gegevens niet binnen die periode of binnen een gezamenlijk overeengekomen periode verschaft, dan zendt de Commissie een rappelbrief waarin een nieuwe termijn voor het verschaffen van de gegevens wordt vastgesteld. Verstrekt de betrokken lidstaat, ondanks die rappelbrief, niet de verlangde gegevens, dan kan de Commissie, na de betrokken lidstaat in de gelegenheid te hebben gesteld zijn standpunt kenbaar te maken, een beschikking geven waarin wordt verklaard dat alle toekomstige steun waarop deze verordening van toepassing is, bij de Commissie moet worden aangemeld.

Artikel 10

Specifieke voorwaarden voor investeringssteun

1.   Om voor de toepassing van deze verordening als in aanmerking komende kosten te kunnen worden aangemerkt, omvatten investeringen:

a)

een investering in materiële en/of immateriële activa ten behoeve van de oprichting van een nieuwe vestiging, de uitbreiding van een bestaande vestiging, de diversificatie van de productie van een bestaande vestiging naar nieuwe, additionele producten, of een fundamentele wijziging in het volledige productieproces van een bestaande vestiging; of

b)

de verwerving van kapitaalgoederen die rechtstreeks met een vestiging verband houden, mits de vestiging is gesloten of was gesloten indien zij niet was overgenomen, en mits de kapitaalgoederen door een onafhankelijke investeerder worden verworven.

De enkele verwerving van de aandelen van een onderneming vormt geen initiële investering.

2.   Om voor de toepassing van deze verordening als in aanmerking komende kosten te kunnen worden aangemerkt, voldoen immateriële activa aan de volgende voorwaarden:

a)

zij worden uitsluitend in de steun ontvangende vestiging gebruikt;

b)

zij worden als afschrijfbare activa beschouwd;

c)

zij worden van derden tegen marktvoorwaarden verworven, zonder dat de koper in een positie verkeert om in de zin van artikel 3 van Verordening (EG) nr. 139/2004 (28) zeggenschap uit te oefenen over de verkoper, of omgekeerd;

d)

zij maken van de activa van de onderneming deel uit en blijven in de steun genietende vestiging behouden gedurende minstens vijf jaar of, in het geval van KMO's, drie jaar.

3.   Om voor de toepassing van deze verordening als in aanmerking komende kosten te kunnen worden aangemerkt, voldoen rechtsreeks door een investeringsproject geschapen arbeidsplaatsen aan elk van de volgende voorwaarden:

a)

de werkgelegenheid komt binnen de drie jaar na de voltooiing van de investering tot stand;

b)

het investeringsproject leidt tot een nettotoename van het aantal werknemers, in de betrokken vestiging, in vergelijking met het gemiddelde van de voorbije twaalf maanden, en

c)

de werkgelegenheid blijft behouden gedurende een periode van ten minste vijf jaar in het geval van grote ondernemingen en een periode van ten minste drie jaar in het geval van KMO's.

HOOFDSTUK II

SPECIFIEKE BEPALINGEN VOOR DE VERSCHILLENDE CATEGORIEËN STEUN

DEEL 1

Regionale steun

Artikel 11

Regionale investerings- en werkgelegenheidssteun

1.   Regelingen inzake regionale investerings- en werkgelegenheidssteun zijn verenigbaar met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 87, lid 3, van het Verdrag en zijn van de aanmeldingsverplichting van artikel 88, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld mits aan de in onderhavig artikel vastgestelde voorwaarden is voldaan.

Ad-hocsteun die alleen wordt gebruikt ter aanvulling van op grond van regelingen inzake regionale-investeringssteun en werkgelegenheidssteun toegekende steun en niet meer dan 50 % bedraagt van de totale steun die ten behoeve van de investering wordt toegekend, is verenigbaar met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 87, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting uit hoofde van artikel 88, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld mits de toegekende ad-hocsteun rechtstreeks aan alle voorwaarden van deze verordening voldoet.

2.   De steun wordt verleend in voor regionale steun in aanmerking komende gebieden, zoals die zijn afgebakend op de regionale-steunkaart welke voor de betrokken lidstaat voor de periode 2007-2013 werd goedgekeurd. Nadat de volledige investering is voltooid, blijft deze in het betrokken gebied behouden gedurende ten minste vijf jaar, of drie jaar in het geval van KMO's. Een en ander staat er niet aan in de weg dat installaties of uitrustingen die door snelle technologische veranderingen zijn verouderd, worden vervangen, op voorwaarde dat de economische activiteiten gedurende de minimumperiode in het bewuste gebied worden aangehouden.

3.   De steunintensiteit, uitgedrukt als contant bruto-subsidie-equivalent, overschrijdt de regionale-steundrempel niet dat op het tijdstip dat de steun wordt verleend, voor het gebied waarin de investering plaatsvindt, geldt, zoals dat is vastgesteld op de regionale-steunkaart die voor de betrokken lidstaat voor de periode 2007-2013 werd goedgekeurd.

4.   Behalve voor steun ten behoeve van grote investeringsprojecten en regionale steun voor de vervoersector, mogen de in lid 3 bedoelde drempels worden verhoogd met 20 procentpunt voor steun aan kleine ondernemingen en met 10 procentpunt voor steun aan middelgrote ondernemingen.

5.   De in de lid 3 vastgestelde drempels zijn van toepassing op de steunintensiteit, berekend hetzij als een percentage van de in aanmerking komende materiële en immateriële investeringskosten, hetzij als een percentage van de geraamde loonkosten van de in dienst genomen personen, berekend over een periode van twee jaar, voor werkgelegenheid die rechtstreeks door het investeringsproject wordt geschapen, hetzij als een combinatie daarvan, mits de steun niet hoger uitkomt dan het gunstigste van de bedragen die beide berekeningen opleveren.

6.   Wordt de steun berekend op grond van materiële of immateriële investeringskosten, of van verwervingskosten in het geval van overnames, dan verstrekt de begunstigde een financiële bijdrage van minstens 25 % van de in aanmerking komende kosten — hetzij uit eigen middelen, hetzij via externe financiering — in een vorm die vrij is van enige steun van de overheid. Bedraagt de maximum steunintensiteit die in het kader van de nationale regionale-steunkaart voor de betrokken lidstaat is goedgekeurd, inclusief verhogingen overeenkomstig lid 4, echter meer dan 75 %, dan wordt de financiële bijdrage van de begunstigde overeenkomstig verlaagd. Wordt de steun aan de hand van materiële of immateriële investeringskosten berekend, dan zijn ook de in lid 7 beschreven voorwaarden van toepassing.

7.   Bij de overname van een vestiging worden alleen de kosten voor de verwerving van activa van derden in aanmerking genomen, mits de transactie op marktvoorwaarden plaatsvindt. Gaat de verwerving met andere investeringen gepaard, dan worden de uitgaven die hierop betrekking hebben, bij de overnamekosten opgeteld.

Kosten voor de verwerving van gehuurde activa, niet zijnde gronden en gebouwen, worden alleen in aanmerking genomen indien de huur in de vorm van financiële leasing plaatsvindt en de verplichting inhoudt om de activa na afloop van de huurovereenkomst te kopen. Voor de huur van gronden en gebouwen moet de huurovereenkomst na het verwachte tijdstip van de voltooiing van het investeringsproject minstens vijf jaar blijven lopen in het geval van grote ondernemingen of drie jaar in het geval van KMO's.

Behalve voor KMO's en bij overnames, zijn de verworven activa nieuw. Bij overnames worden activa waarvoor reeds vóór de overname steun ten behoeve van de verwerving ervan werd verleend, in mindering gebracht. Voor KMO's kunnen ook de volledige kosten voor investeringen in immateriële activa in aanmerking worden genomen. Voor grote ondernemingen komen die kosten alleen in aanmerking tot een maximum van 50 % van de totale in aanmerking komende investeringskosten voor het project.

8.   Ingeval de steun aan de hand van loonkosten wordt berekend, moet de werkgelegenheid rechtstreeks door het investeringsproject worden gecreëerd.

9.   In afwijking van de leden 3 en 4, mogen de maximale steunintensiteiten voor investeringen in de verwerking en afzet van landbouwproducten worden vastgesteld op:

a)

50 % van de in aanmerking komende investeringen in gebieden die op grond van artikel 87, lid 3, onder a), van het Verdrag in aanmerking komen, en 40 % van de in aanmerking komende investeringen in de overige voor regionale steun in aanmerking komende gebieden, zoals die zijn afgebakend op de regionale-steunkaart die voor de betrokken lidstaat voor de periode 2007-2013 werd goedgekeurd, indien de begunstigde een kleine of middelgrote onderneming is;

b)

25 % van de in aanmerking komende investeringen in gebieden die op grond van artikel 87, lid 3, onder a), van het Verdrag in aanmerking komen, en 20 % van de in aanmerking komende investeringen in de overige voor regionale steun in aanmerking komende gebieden, zoals die zijn afgebakend op de regionale-steunkaart die voor de betrokken lidstaat voor de periode 2007-2013 werd goedgekeurd, indien de begunstigde minder dan 750 werknemers in dienst heeft en/of een omzet van minder dan 200 miljoen EUR behaalt, berekend overeenkomstig Bijlage I.

10.   Om te voorkomen dat één grote investering kunstmatig in subprojecten wordt opgesplitst, zal een groot investeringsproject als één investeringsproject gelden wanneer de investeringen in een periode van drie jaar door dezelfde onderneming of ondernemingen worden uitgevoerd en bestaat uit vaste activa die economisch ondeelbaar met elkaar zijn verbonden.

DEEL 2

KMO-steun ten behoeve van investeringen en werkgelegenheid

Artikel 12

KMO-steun ten behoeve van investeringen en werkgelegenheid

1.   Investeringssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen is verenigbaar met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 87, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 88, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld mits aan de in de leden 2, 3, en 4 vastgestelde voorwaarden is voldaan.

2.   De steunintensiteit bedraagt ten hoogste:

a)

20 % in het geval van kleine ondernemingen;

b)

10 % in het geval van middelgrote ondernemingen.

3.   De volgende kosten komen in aanmerking:

a)

de in aanmerking komende materiële en immateriële investeringskosten; of

b)

de geraamde loonkosten, berekend over een periode van twee jaar, voor werkgelegenheid die rechtstreeks door het investeringsproject wordt geschapen.

4.   Wanneer de investering de verwerking en afzet van in Bijlage I van het Verdrag vermelde landbouwproducten betreft, bedraagt de steunintensiteit ten hoogste:

a)

75 % van de in aanmerking komende investeringen in de ultraperifere gebieden;

b)

65 % van de in aanmerking komende investeringen op de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee in de zin van Verordening (EEG) nr. 2019/93 van de Raad (29);

c)

50 % van de in aanmerking komende investeringen in gebieden die op grond van artikel 87, lid 3, onder a), van het Verdrag in aanmerking komen;

d)

40 % van de in aanmerking komende investeringen in alle overige gebieden.

DEEL 3

Steun voor milieubescherming

Artikel 13

Definities

Voor de toepassing van dit deel wordt verstaan onder:

a)

„milieubescherming”: elke maatregel die is gericht op de preventie of het herstel van aantastingen van de natuurlijke omgeving of de natuurlijke hulpbronnen door de eigen activiteiten van de begunstigde, op het beperken van het risico op dergelijke aantastingen, dan wel op de aanmoediging van een rationeler gebruik van die hulpbronnen, met inbegrip van energiebesparende maatregelen en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen;

b)

„energiebesparende maatregelen”: maatregelen die de ondernemingen in staat stellen het energieverbruik in hun productiecyclus te verminderen, met uitsluiting van het ontwerp en de vervaardiging van machines of van vervoermiddelen die minder natuurlijke hulpbronnen verbruiken, en met uitsluiting van maatregelen die op een hogere veiligheid of een betere hygiëne zijn gericht;

c)

„communautaire norm”: een verplichte communautaire norm waarbij de op milieugebied te bereiken normen zijn vastgesteld. Uit hoofde van Richtlijn nr. 96/61/EG van de Raad (30) vastgestelde verplichtingen gelden voor de toepassing van deze verordening niet als een communautaire norm;

d)

„hernieuwbare energiebronnen”: hernieuwbare, niet-fossiele energiebronnen (windenergie, zonne-energie, geothermische energie, golfenergie, getijdenenergie, waterkrachtinstallaties met een vermogen van minder dan 10 MW, directe verbranding van biomassa, stortgas, rioolwaterzuiveringsgas en biogas);

e)

„uit hernieuwbare energiebronnen opgewekte energie”: energie opgewekt met processen waarbij uitsluitend van hernieuwbare energiebronnen wordt gebruikgemaakt, alsmede het aandeel in calorische waarde van de met hernieuwbare energiebronnen in hybride installaties opgewekte energie — zoals bijstook — die ook met conventionele energiebronnen werken, met inbegrip van hernieuwbare elektriciteit voor accumulatiesystemen en met uitzondering van elektriciteit die van dergelijke systemen afkomstig is;

f)

„warmtekrachtkoppeling”: gelijktijdige opwekking in één proces van thermische energie en elektrische en/of mechanische energie;

g)

„hoogrenderende warmtekrachtkoppeling”: warmtekrachtkoppeling die voldoet aan de criteria van Bijlagen II en III bij Richtlijn 2004/8/EG van het Europees Parlement en de Raad (31) en aan de in artikel 4 van die richtlijn vastgestelde geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden;

h)

„milieubelasting”: een belastingmaatregel waarvan de bijzondere grondslag een duidelijk negatief milieueffect heeft en die drukt op bepaalde goederen of diensten teneinde de milieukosten in de prijs ervan op te nemen en/of gerecycleerde producten concurrerender te maken en de producenten en verbruikers aan te zetten tot activiteiten die voor het milieu minder schadelijk zijn;

i)

„materiële activa”: voor de toepassing van deel 3 van deze verordening en in afwijking van artikel 2, punt 9, worden vervoermiddelen en vervoersuitrusting voor het vrachtvervoer over de weg ook als in aanmerking komende materiële activa beschouwd.

Artikel 14

Milieu-investeringssteun om communautaire normen te overtreffen

1.   Investeringssteun ten behoeve milieubescherming is met de gemeenschappelijke markt verenigbaar in de zin van artikel 87, lid 3, onder c), van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 88, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld mits aan de in de leden 2 tot 5 bepaalde voorwaarden is voldaan.

2.   De gesteunde investering voldoet aan een van de volgende voorwaarden:

a)

dankzij de investering kan de begunstigde de door zijn activiteiten veroorzaakte vervuiling verminderen door verder te gaan dan de geldende communautaire normen, ongeacht of er nationale normen bestaan die strenger zijn dan de communautaire norm;

b)

dankzij de investering kan de begunstigde de door zijn activiteiten veroorzaakte vervuiling verminderen bij afwezigheid van communautaire normen.

3.   De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 25 % (32).

De steunintensiteit kan evenwel met 20 procentpunt worden verhoogd voor steun aan kleine ondernemingen en met 10 procentpunt voor steun aan middelgrote ondernemingen.

4.   De in aanmerking komende kosten zijn de extra investeringskosten die noodzakelijk zijn om het beschermingsniveau te bereiken dat de communautaire normen overtreft.

5.   Steun ten behoeve van investeringen met betrekking tot afvalbeheer zijn krachtens dit artikel niet vrijgesteld.

Artikel 15

KMO-steun ten behoeve van vroege aanpassing aan toekomstige communautaire normen

1.   Steun om KMO's in staat te stellen te voldoen aan toekomstige communautaire normen voor een betere milieubescherming is met de gemeenschappelijke markt verenigbaar in de zin van artikel 87, lid 3, onder c), van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 88, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld mits aan de in de leden 2, 3 en 4 vastgestelde voorwaarden is voldaan.

2.   De communautaire normen moeten al zijn vastgesteld, maar de termijn voor de verplichte omzetting mag nog niet zijn verstreken.

De investering wordt ten uitvoer gelegd en is afgerond ten minste één jaar voor de termijn voor de verplichte omzetting verstrijkt.

3.   De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 15 procentpunt (33) voor kleine ondernemingen en 10 procentpunt (34) voor middelgrote ondernemingen.

4.   De in aanmerking komende kosten zijn de extra investeringskosten die noodzakelijk zijn om het door de communautaire norm vereiste beschermingsniveau te bereiken.

Artikel 16

Milieu-investeringssteun ten behoeve van energiebesparende maatregelen

1.   Milieu-investeringssteun waardoor ondernemingen energiebesparingen kunnen behalen, is verenigbaar met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 87, lid 3, onder c), van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 88, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld mits aan de in de leden 2 en 3 vastgestelde voorwaarden is voldaan.

2.   De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 35 % (35).

De steunintensiteit kan evenwel met 20 procentpunt worden verhoogd voor steun aan kleine ondernemingen en met 10 procentpunt voor steun aan middelgrote ondernemingen.

3.   De in aanmerking komende kosten zijn de extra investeringskosten die noodzakelijk zijn om een niveau aan energiebesparing te bereiken dat het door de communautaire normen vereiste niveau overtreft. De in aanmerking komende kosten worden berekend op grond van de extra investeringskosten verminderd met de dankzij het verminderde energieverbruik in de eerste vijf jaar van de levensduur van de investering behaalde exploitatiebaten.

Artikel 17

Milieu-investeringssteun ten behoeve van hoogrenderende warmtekrachtkoppeling

1.   Milieusteun die ondernemingen in staat stelt in hoogrenderende warmtekrachtkoppeling te investeren, is verenigbaar met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 87, lid 3, onder c), van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 88, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld mits aan de in de leden 2 en 3 vastgestelde voorwaarden is voldaan.

2.   De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 35 % (36).

De steunintensiteit kan evenwel met 20 procentpunt worden verhoogd voor steun aan kleine ondernemingen en met 10 procentpunt voor steun aan middelgrote ondernemingen.

3.   De in aanmerking komende kosten zijn de extra investeringskosten die noodzakelijk zijn om een hoogrenderende warmtekrachtkoppelingsinstallatie tot stand te brengen.

Artikel 18

Milieu-investeringssteun ten behoeve van de exploitatie van hernieuwbare energiebronnen

1.   Milieusteun die ondernemingen in staat stelt investeringen ten behoeve van de opwekking van energie uit hernieuwbare energiebronnen uit te voeren, is verenigbaar met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 87, lid 3, onder c), van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 88, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld mits aan de in de leden 2 en 3 vastgestelde voorwaarden is voldaan.

2.   De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 35 % (37).

De steunintensiteit kan evenwel met 20 procentpunt worden verhoogd voor steun aan kleine ondernemingen en met 10 procentpunt voor steun aan middelgrote ondernemingen.

3.   De in aanmerking komende kosten zijn de extra kosten die ten laste van de onderneming komen ten opzichte van een traditionele stroomcentrale of een traditioneel verwarmingssysteem met dezelfde capaciteit inzake daadwerkelijke energieopwekking.

Artikel 19

Milieusteun in de vorm van belastingverminderingen

1.   Milieusteun in de vorm van belastingvermindering op milieubelastingregelingen die aan de voorwaarden voor Richtlijn 2003/96/EG van de Raad (38) voldoen, is verenigbaar met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 87, lid 3, onder c), van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 88, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld mits aan de in de leden 2 en 3 vastgestelde voorwaarden is voldaan.

2.   De steun bedraagt niet meer dan het verschil tussen het communautaire minimumbelastingniveau en de nationale belasting zonder de vermindering.

Als communautair minimumbelastingniveau geldt het in Richtlijn 2003/96/EG bepaalde minimumbelastingniveau.

3.   Belastingverminderingen worden voor een periode van ten hoogste tien jaar toegestaan.

DEEL 4

KMO-steun ten behoeve van consultancy en deelneming aan beurzen

Artikel 20

KMO-steun ten behoeve van consultancy

1.   Consultancysteun voor kleine en middelgrote ondernemingen is verenigbaar met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 87, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 88, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld mits aan de in de leden 2 en 3 vastgestelde voorwaarden is voldaan.

2.   De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 50 %.

3.   De in aanmerking komende kosten zijn de consultancykosten van door externe consultants geleverde diensten.

De betrokken diensten zijn niet van permanente of periodieke aard, noch behoren zij tot de gewone bedrijfsuitgaven van de onderneming, zoals routinematige belastingconsultancy, regelmatige dienstverlening op juridisch gebied, of reclame.

Artikel 21

KMO-steun ten behoeve van deelneming aan beurzen

1.   Steun aan kleine en middelgrote ondernemingen ten behoeve van deelneming aan beurzen is verenigbaar met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 87, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 88, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld mits aan de in de leden 2 en 3 vastgestelde voorwaarden is voldaan.

2.   De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 50 %.

3.   De in aanmerking komende kosten zijn de kosten gemaakt voor het huren, opzetten en gebruiken van een standplaats de eerste keer dat een onderneming aan een bepaalde vakbeurs of tentoonstelling deelneemt.

DEEL 5

Steun in de vorm van risicokapitaal

Artikel 22

Definities

Voor de toepassing van dit deel wordt verstaan onder:

a)

„aandelenkapitaal”: eigendomsbelang in een onderneming, vertegenwoordigd door de aandelen die onder de investeerders zijn uitgegeven;

b)

„hybride kapitaalinstrumenten”: financiële instrumenten waarvan het rendement voor de houder in hoofdzaak is gebaseerd op de winst of het verlies van de onderliggende doelonderneming; de instrumenten zijn ongedekt bij niet-nakoming;

c)

„particulier risicokapitaal”: particuliere (in tegenstelling tot openbare) aandelenkapitaal of hybride kapitaalinvestering in niet-beursgenoteerde ondernemingen; dit omvat durfkapitaal;

d)

„beginkapitaal”: financiële middelen om een initieel concept te bestuderen, te beoordelen en te ontwikkelen. Gaat vooraf aan de aanloopfase;

e)

„aanloopkapitaal”: financiële middelen die ondernemingen worden verstrekt voordat zij met de commerciële productie of dienstverlening beginnen en voordat zij winst maken, en die voor productontwikkeling en marktintroductie zijn bedoeld;

f)

„ontwikkelingskapitaal”: financiële middelen die worden verstrekt ter bevordering van de groei en expansie van een onderneming, ongeacht of zij break-even werkt of winst maakt. Dit kapitaal mag worden gebruikt voor het financieren van extra productiecapaciteit, voor markt- of productontwikkeling of als extra werkkapitaal;

g)

„uitgangsstrategie”: strategie voor de liquidatie van deelnemingen door een durfkapitaal- of particulier aandelenfonds volgens een plan om een maximaal rendement te behalen, zoals commerciële verkoop, afschrijvingen, terugbetaling van preferente aandelen/leningen, verkoop aan een andere durfkapitaalverschaffer, verkoop aan een financiële instelling en verkoop via een openbaar aanbod (met inbegrip van beursintroductie);

h)

„doelonderneming”: een onderneming waarin een investeerder of investeringsfonds overweegt te investeren.

Artikel 23

Steun in de vorm van risicokapitaal

1.   Risicokapitaalsteunregelingen ten faveure van KMO's zijn verenigbaar met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 87, lid 3, van het Verdrag en zijn van de aanmeldingsverplichting van artikel 88, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld mits aan de in de in de leden 2 tot 8 vastgestelde voorwaarden is voldaan.

2.   De steun heeft de vorm van een deelneming in een winstgericht investeringsfonds, dat op zakelijke basis wordt beheerd.

3.   De door het investeringsfonds verschafte financieringstranches bedragen ten hoogste 1 miljoen EUR per doelonderneming over een periode van twaalf maanden.

4.   Voor KMO's in steungebieden en voor kleine ondernemingen buiten steungebieden is de risicokapitaalmaatregel beperkt tot het verschaffen van financiering voor beginkapitaal, aanloopkapitaal en/of ontwikkelingskapitaal. Voor middelgrote ondernemingen buiten steungebieden is de risicokapitaalmaatregel beperkt tot het verschaffen van financiering voor beginkapitaal en/of aanloopkapitaal, met uitsluiting van ontwikkelingskapitaal.

5.   Ten minste 70 % van het totale budget voor de risicokapitaalmaatregel wordt in de vorm van aandelenkapitaal of hybride kapitaalinvesteringen aan doelondernemingen verschaft. [De maximumtermijn waarvoor de steun op basis van de risicokapitaalsteunregeling aan doelondernemingen mag worden verleend, is tot zes jaar beperkt.]

6.   Ten minste 50 % van de financiering door het investeringsfonds wordt verschaft via financiering uit particulier kapitaal, of voor ten minste 30 % in het geval van investeringsfondsen die uitsluitend op KMO's in steungebieden zijn gericht. De verschaffers van particulier kapitaal worden door de lidstaat geselecteerd door middel van een openbare inschrijvingsprocedure, of door middel van een openbare oproep tot deelneming in investeringsfondsen indien de lidstaat geen beoordelingsbevoegdheid heeft om het aantal deelnemende particuliere marktinvesteerders te beperken.

7.   Om te garanderen dat de risicokapitaalmaatregel winstgericht is, dient elk van de volgende voorwaarden te zijn vervuld:

a)

voor elke investering bestaat er een ondernemingsplan, dat nadere gegevens bevat over het product, de ontwikkeling van de verkopen en de winstgevendheid en waarin vooraf de levensvatbaarheid van het project wordt aangetoond, en

b)

voor iedere investering bestaat er een heldere en realistische uitgangsstrategie.

8.   Om te garanderen dat het beheer van het investeringsfonds op zakelijke basis plaatsvindt, dient elk van de volgende voorwaarden te zijn vervuld:

a)

er is een overeenkomst tussen een professionele fondsbeheerder of de beheersmaatschappij van het fonds, en de deelnemers in het fonds, die bepaalt dat de vergoeding van de beheerder prestatiegerelateerd is en die de doelstellingen van het fonds en een tijdschema voor de investeringen vastlegt;

b)

de particuliere marktinvesteerders zijn bij de investeringsstructuur van het fonds betrokken en hebben bijvoorbeeld zitting in een investeerders- of adviescomité, en

c)

op het fondsbeheer worden goede praktijken en gereglementeerd toezicht toegepast.

DEEL 6

Steun voor onderzoek en ontwikkeling

Artikel 24

Definities

Voor de toepassing van dit deel wordt verstaan onder:

a)

„onderzoeksorganisatie”: een entiteit, zoals een universiteit of onderzoeksorganisatie, ongeacht haar rechtsvorm (publiek- of privaatrechtelijke organisatie) of financieringswijze, die zich in hoofdzaak bezighoudt met het verrichten van fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling en het verspreiden van de resultaten daarvan door middel van onderwijs, publicaties of technologieoverdracht. Alle winst wordt opnieuw geïnvesteerd in die activiteiten, in de verspreiding van de resultaten daarvan, of in onderwijs. Ondernemingen die invloed over een dergelijke organisatie kunnen uitoefenen door middel van bijvoorbeeld aandeelhouders of leden van de organisatie, genieten geen preferente toegang tot de onderzoekscapaciteit van een dergelijke organisatie of tot de resultaten van haar onderzoek;

b)

„fundamenteel onderzoek”: experimentele of theoretische activiteiten die voornamelijk worden verricht om nieuwe kennis te verwerven over de fundamentele aspecten van verschijnselen en waarneembare feiten, zonder dat hiermee een rechtstreekse praktische toepassing of gebruik wordt beoogd;

c)

„industrieel onderzoek”: planmatig of kritisch onderzoek dat is gericht op het opdoen van nieuwe kennis en vaardigheden met het oog op de ontwikkeling van nieuwe producten, procedés of diensten, of om bestaande producten, procedés of diensten aanmerkelijk te verbeteren. Het omvat de vervaardiging van onderdelen van complexe systemen, die noodzakelijk is voor industrieel onderzoek, met name voor algemene validering van technologieën, met uitzondering van prototypes;

d)

„experimentele ontwikkeling”: het verwerven, combineren, vormgeven en gebruiken van bestaande wetenschappelijke, technische, zakelijke en andere relevante kennis en vaardigheden voor plannen, schema's of ontwerpen van nieuwe, gewijzigde of verbeterde producten, procedés of diensten. Hieronder kan tevens de conceptuele formulering en het ontwerp van alternatieve producten, procedés of diensten worden verstaan. Deze activiteiten kunnen tevens het maken van ontwerpen, tekeningen, plannen en andere documentatie omvatten, mits zij niet voor commercieel gebruik zijn bestemd.

De ontwikkeling van commercieel bruikbare prototypes en proefprojecten valt eveneens onder experimentele ontwikkeling indien het prototype het commerciële eindproduct is en de productie ervan te duur is om alleen voor demonstratie- en validatiedoeleinden te worden gebruikt. Bij commercieel gebruik van demonstratie- of proefprojecten worden eventuele inkomsten die hieruit voortvloeien, op de in aanmerking komende kosten in mindering gebracht.

De kosten van de experimentele ontwikkeling en het testen van producten, procedés en diensten komen eveneens in aanmerking, voor zover deze niet voor industriële toepassing of commerciële exploitatie kunnen worden gebruikt of geschikt gemaakt.

Onder experimentele ontwikkeling wordt niet verstaan routinematige of periodieke wijziging van bestaande producten, productielijnen, fabricageprocessen, diensten en andere courante werkzaamheden, zelfs indien deze wijzigingen verbeteringen kunnen inhouden.

Artikel 25

Steun aan onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten

1.   Steun aan onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten is verenigbaar met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 87, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 88, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld mits aan de in de leden 2 tot 5 vastgestelde voorwaarden is voldaan.

2.   Het gesteunde deel van het onderzoeksproject valt volledig binnen één of meer van de volgende onderzoekscategorieën:

a)

fundamenteel onderzoek;

b)

industrieel onderzoek;

c)

experimentele ontwikkeling.

Omvat een project verschillende soorten opdrachten, dan wordt elke opdracht aangemerkt als behorend tot één van de in de eerste alinea genoemde categorieën, of als niet behorend tot één van die categorieën.

3.   De basissteunintensiteit bedraagt ten hoogste:

a)

100 % voor fundamenteel onderzoek;

b)

50 % voor industrieel onderzoek, en

c)

25 % voor experimentele ontwikkeling.

De steunintensiteit wordt bepaald voor elke begunstigde van steun, ook in het geval van een samenwerkingsproject als bepaald in lid 4, onder b), punt i).

Wanneer staatssteun wordt verleend voor een onderzoeks- en ontwikkelingsproject waarbij onderzoeksorganisaties en ondernemingen samenwerken, mag het gecumuleerde steunbedrag van rechtstreekse overheidssteun ten behoeve van een specifiek onderzoeksproject en van bijdragen van onderzoeksorganisaties voor datzelfde project, voor zover deze steun inhouden, niet hoger uitkomen dan de voor elke begunstigde onderneming van toepassing zijnde steundrempels.

4.   De in lid 3 voor industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling vastgestelde basissteunintensiteiten mogen als volgt worden verhoogd:

a)

wanneer aan KMO's steun wordt verleend, kan de steunintensiteit worden verhoogd met 10 procentpunt voor middelgrote ondernemingen en 20 procentpunt voor kleine ondernemingen;

b)

een verhoging met 15 procentpunt is mogelijk tot een maximum steunintensiteit van 80 % indien:

i)

het project daadwerkelijke samenwerking tussen ten minste twee onderling onafhankelijke ondernemingen behelst en de volgende voorwaarden zijn vervuld:

geen van de ondernemingen neemt meer dan 70 % van de in aanmerking komende kosten van het samenwerkingsproject voor haar rekening,

het project behelst samenwerking met ten minste één KMO of er is sprake van grensoverschrijdende samenwerking in ten minste twee verschillende lidstaten, of

ii)

het project behelst daadwerkelijke samenwerking tussen een onderneming en een onderzoeksorganisatie en de volgende voorwaarden zijn vervuld:

de onderzoeksorganisatie draagt ten minste 10 % van de in aanmerking komende projectkosten, en

de onderzoeksorganisatie heeft het recht de resultaten van de onderzoeksprojecten te publiceren voor zover deze afkomstig zijn van het door die organisatie uitgevoerde onderzoek; of

iii)

in het geval van industrieel onderzoek: wanneer de projectresultaten ruim worden verspreid via technische en wetenschappelijke conferenties of via publicatie in wetenschappelijke en technische tijdschriften of op open access repositories (databases waarin iedereen ruwe onderzoekgegevens vrij kan raadplegen), of via free of open source software.

Voor de toepassing van punt b), onder i) en ii), van de eerste alinea geldt uitbesteding niet als daadwerkelijke samenwerking.

5.   De volgende kosten komen in aanmerking:

a)

personeelskosten (onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel voor zover zij zich met het onderzoeksproject bezighouden);

b)

kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en voor zolang zij worden gebruikt voor het onderzoeksproject. Indien deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun volledige levensduur voor het onderzoeksproject worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens een goede boekhoudpraktijk, als in aanmerking komende kosten beschouwd;

c)

kosten van gebouwen en grond voor zover en voor zolang zij voor het onderzoeksproject worden gebruikt. Wat gebouwen betreft, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens een goede boekhoudpraktijk, als in aanmerking komende kosten beschouwd. Wat grond betreft, komen de kosten voor de commerciële overdracht of daadwerkelijk gemaakte investeringskosten in aanmerking;

d)

kosten van contractonderzoek, technische kennis en octrooien die tegen marktprijzen worden verworven bij of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen, mits de transactie conform het arm's length-beginsel plaatsvond en er geen sprake is van collusie. Voorts ook kosten voor consultancy en gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor de onderzoeksactiviteiten worden gebruikt;

e)

extra algemene vaste kosten die rechtstreeks uit het onderzoeksproject voortvloeien;

f)

andere exploitatiekosten, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit de onderzoeksactiviteit voortvloeien.

6.   Alle in aanmerking komende kosten worden bij een specifieke categorie onderzoek en ontwikkeling ingedeeld.

Artikel 26

Steun voor technische haalbaarheidsstudies

1.   Steun voor technische haalbaarheidstudies ter voorbereiding van industrieel onderzoek of experimentele-ontwikkelingsactiviteiten is verenigbaar met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 87, lid 3, onder c), van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 88, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld mits aan de in de leden 2 en 3 vastgestelde voorwaarden is voldaan.

2.   De steunintensiteit bedraagt ten hoogste:

a)

voor KMO's: 75 % voor technische haalbaarheidstudies ter voorbereiding van activiteiten op het gebied van industrieel onderzoek en 50 % voor studies ter voorbereiding van activiteiten op het gebied van experimentele ontwikkeling;

b)

voor grote ondernemingen: 65 % voor technische haalbaarheidstudies ter voorbereiding van activiteiten op het gebied van industrieel onderzoek en 40 % voor studies ter voorbereiding van activiteiten op het gebied van experimentele ontwikkeling.

3.   De in aanmerking komende kosten zijn de kosten van de studie.

Artikel 27

KMO-steun ten behoeve van de kosten voor industriële-eigendomsrechten

1.   Steun aan KMO's voor de kosten verbonden aan de verkrijging en validering van octrooien en andere industriële-eigendomsrechten is verenigbaar met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 87, lid 3, onder c), van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 88, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld mits aan de in de leden 2 en 3 vastgestelde voorwaarden is voldaan.

2.   De steunintensiteit ligt niet hoger dan de steunintensiteit die had gegolden indien de steun aan onderzoekswerkzaamheden welke in de eerste plaats in de betrokken industriële-eigendomsrechten hebben geresulteerd, onder artikel 25, leden 3 en 4, vallende projectsteun was geweest.

3.   De volgende kosten komen in aanmerking:

a)

alle kosten die worden gemaakt vóór de verlening van het recht in het eerste rechtsgebied, met inbegrip van de kosten met betrekking tot de voorbereiding, indiening en verdere afhandeling van de aanvraag, alsmede de kosten van een hernieuwde aanvraag voordat het recht is verleend;

b)

vertaalkosten en andere kosten die worden gemaakt met het oog op de verkrijging of validering van het recht in andere rechtsgebieden;

c)

kosten ter verzekering van de geldigheid van het recht tijdens de officiële afhandeling van de aanvraag en mogelijke oppositieprocedures, zelfs indien dergelijke kosten worden gemaakt na de verlening van het recht.

Artikel 28

Steun voor onderzoek en ontwikkeling in de landbouwsector

1.   Steun aan onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten met betrekking tot in Bijlage I bij het Verdrag opgenomen producten is verenigbaar met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 87, lid 3, onder c), van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 88, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld mits aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

het project is van algemeen belang voor de betrokken sector of subsector;

b)

voordat met het onderzoek wordt aangevangen, wordt op internet bekendgemaakt dat onderzoek zal worden uitgevoerd, en wat het doel daarvan is. Voorts moet worden bekendgemaakt wanneer de resultaten ongeveer worden verwacht en waar zij op het internet zullen worden bekendgemaakt. Daarbij dient ook worden te vermeld dat de resultaten kosteloos beschikbaar zullen zijn;

c)

de onderzoekresultaten zijn gedurende een periode van ten minste vijf jaar op het internet beschikbaar. Deze gegevens mogen niet later op het internet worden bekendgemaakt dan de gegevens die de leden van een specifieke organisatie worden verstrekt;

d)

de steun wordt rechtstreeks aan de onderzoeksinstelling of -organisatie verleend en het mag niet gaan om niet met onderzoek verband houdende steun die rechtstreeks wordt verleend aan een onderneming die landbouwproducten produceert, verwerkt of afzet, noch om prijsondersteuning voor producenten van landbouwproducten.

2.   De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 100 %.

3.   Steun aan onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten met betrekking tot in Bijlage I bij het Verdrag opgenomen producten die niet aan de in lid 1 vastgestelde voorwaarden voldoet, is verenigbaar met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 87, lid 3, onder c), van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 88, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld mits aan de in de artikelen 24 tot 27 vastgestelde voorwaarden is voldaan.

DEEL 7

Opleidingssteun

Artikel 29

Definities

Voor de toepassing van dit deel wordt verstaan onder:

1.

„specifieke opleiding”: een opleiding die bestaat in onderricht dat direct en hoofdzakelijk op de huidige of toekomstige functie van de werknemer in de begunstigde onderneming gericht is, en door middel waarvan bekwaamheden worden verkregen die niet of slechts in beperkte mate naar andere ondernemingen of andere werkgebieden overdraagbaar zijn;

2.

„algemene opleiding”: een opleiding die bestaat in onderricht dat niet uitsluitend of hoofdzakelijk op de huidige of toekomstige functie van de werknemer in de begunstigde onderneming gericht is, maar door middel waarvan bekwaamheden worden verkregen die in ruime mate naar andere ondernemingen of werkgebieden overdraagbaar zijn, zodat de inzetbaarheid van de werknemer wordt verbeterd.

Een opleiding is „algemeen” wanneer zij bijvoorbeeld

a)

wordt georganiseerd door verschillende onafhankelijke ondernemingen gezamenlijk of aan werknemers van verschillende ondernemingen ten goede kan komen; dan wel

b)

wordt erkend, gecertificeerd of gehomologeerd door een overheidsorgaan of -lichaam of door een ander lichaam of orgaan waaraan een lidstaat of de Gemeenschap de bevoegdheid daartoe heeft toegekend.

Artikel 30

Opleidingssteun

1.   Opleidingssteun is verenigbaar met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 87, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 88, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld mits aan de in de leden 2, 3 en 4 vastgestelde voorwaarden is voldaan.

2.   De steunintensiteit bedraagt ten hoogste:

a)

25 % voor specifieke opleiding, en

b)

60 % voor algemene opleiding.

De steunintensiteit kan evenwel als volgt worden verhoogd tot een maximum steunintensiteit van 80 %:

a)

met 10 procentpunt indien de opleiding aan gehandicapte of kwetsbare werknemers wordt gegeven;

b)

met 10 procentpunt indien de steun aan middelgrote ondernemingen wordt verleend en met 20 procentpunt indien de steun aan kleine ondernemingen wordt verleend.

3.   Ingeval het steunproject zowel componenten van specifieke opleiding als componenten van algemene opleiding omvat die voor de berekening van de steunintensiteit niet van elkaar kunnen worden gescheiden, of ingeval het specifieke dan wel algemene karakter van het project inzake opleidingssteun niet kan worden aangetoond, zijn de voor specifieke opleiding geldende steunintensiteiten van toepassing.

4.   De in aanmerking komende kosten van een opleidingsproject zijn:

a)

de personeelskosten van de opleiders;

b)

de verplaatsingskosten van de opleiders en degenen die de opleiding volgen, met inbegrip van de verblijfskosten;

c)

andere lopende uitgaven voor materiaal en benodigdheden die rechtstreeks met het project verband houden;

d)

de afschrijving van werktuigen en uitrusting voor zover deze uitsluitend voor het opleidingsproject worden gebruikt;

e)

de kosten van diensten inzake begeleiding en advisering met betrekking tot het opleidingsproject;

f)

de personeelskosten van degenen die de opleiding volgen en algemene indirecte kosten (administratieve kosten, huur, algemene vaste kosten), ten belope van ten hoogste het totaal van de overige, in de punten a) tot en met e) bedoelde, in aanmerking komende kosten. Wat betreft de personeelskosten van degenen die de opleiding volgen, mag slechts rekening worden gehouden met de uren die de deelnemers aan de opleiding daadwerkelijk daaraan besteden, onder aftrek van de door hen gewerkte uren.

DEEL 8

Steun voor kwetsbare en gehandicapte werknemers

Artikel 31

Steun in de vorm van loonsubsidies ten behoeve van de indienstneming van kwetsbare werknemers

1.   Steunregelingen ten behoeve van de indienstneming van kwetsbare werknemers zijn verenigbaar met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 87, lid 3, van het Verdrag en zijn van de aanmeldingsverplichting van artikel 88, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld mits aan de in de leden 2 tot 5 vastgestelde voorwaarden is voldaan.

2.   De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 50 % van de in aanmerking komende kosten.

3.   De in aanmerking komende kosten zijn de loonkosten gedurende een maximumperiode van 12 maanden vanaf de indienstneming.

4.   Wanneer de indienstneming niet leidt tot een nettotoename van het aantal werknemers in de betrokken onderneming, moeten de vacatures zijn ontstaan ten gevolge van ontslag op initiatief van de werknemer, handicap, ouderdomspensionering, vermindering van de werktijd op initiatief van de werknemer of gewettigd ontslag om dringende redenen, en niet door afvloeiingen.

5.   Behalve in het geval van gewettigd ontslag om dringende redenen, moeten de werknemer of werknemers aanspraak kunnen maken op ononderbroken werkzaamheid gedurende ten minste 12 maanden. Bij wege van afwijking kunnen de lidstaten de minimum werkperiode in overeenstemming met hun nationale wetgeving inzake arbeidscontracten beperken; in dat geval wordt de steun overeenkomstig pro rata verminderd.

Artikel 32

Werkgelegenheidssteun in de vorm van loonsubsidies ten behoeve van gehandicapte werknemers

1.   Steunregelingen in de vorm van loonsubsidies ten behoeve van werkgelegenheid voor gehandicapte werknemers zijn verenigbaar met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 87, lid 3, van het Verdrag en zijn van de aanmeldingsverplichting van artikel 88, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld mits aan de in de leden 2 tot 5 vastgestelde voorwaarden is voldaan.

2.   De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 60 % van de in aanmerking komende kosten.

3.   De in aanmerking komende kosten zijn de loonkosten gedurende de gehele periode waarin de gehandicapte werknemer in dienst is.

4.   Wanneer de indienstneming niet leidt tot een nettotoename van het aantal werknemers in de betrokken onderneming, moeten de vacatures zijn ontstaan ten gevolge van ontslag op initiatief van de werknemer, handicap, ouderdomspensionering, vermindering van de werktijd op initiatief van de werknemer of gewettigd ontslag om dringende redenen, en niet door afvloeiingen.

5.   Behalve in het geval van gewettigd ontslag om dringende redenen moet de gehandicapte werknemer aanspraak kunnen maken op ononderbroken werkperiode van ten minste 12 maanden. Bij wege van afwijking kunnen de lidstaten de minimum werkperiode in overeenstemming met hun nationale wetgeving inzake arbeidscontracten beperken; in dat geval wordt de steun overeenkomstig pro rata verminderd.

Artikel 33

Werkgelegenheidssteun ter compensatie van de additionele uitgaven ten behoeve van gehandicapte werknemers

1.   Steunregelingen ter compensatie van de additionele kosten voor het in dienst hebben van gehandicapte werknemers zijn verenigbaar met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 87, lid 3, van het Verdrag en zijn van de aanmeldingsverplichting van artikel 88, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld mits aan de in de leden 2 en 3 vastgestelde voorwaarden is voldaan.

2.   De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 100 % van de in aanmerking komende kosten.

3.   In aanmerking komen de andere kosten dan de loonkosten, die de werkgever moet maken en die bovenop de kosten komen die de onderneming had gemaakt indien geen gehandicapte werknemers in dienst waren, gedurende de gehele periode dat de gehandicapte werknemer in dienst is.

De volgende kosten komen in aanmerking:

a)

de aanpassing van lokalen;

b)

de personeelstijd die exclusief wordt besteed aan de bijstand van de gehandicapte werknemers;

c)

de kosten voor de aanpassing of aankoop van apparatuur of voor de aankoop en validering van software die hun gehandicapte werknemers gebruiken, met inbegrip van aangepaste en assistive technologie, wanneer deze kosten bovenop de kosten komen die de begunstigde had moeten maken indien geen gehandicapte werknemers in dienst waren;

d)

wanneer de begunstigde onderneming een sociale werkvoorziening biedt: de kosten voor de bouw, installatie of uitbreiding van de betrokken voorziening, alsmede alle kosten voor administratie en vervoer die rechtstreeks uit het in dienst hebben van gehandicapte werknemers voortvloeien;

e)

wanneer de begunstigde begeleid werken biedt: alle kosten voor administratie en vervoer die rechtstreeks uit het in dienst hebben van gehandicapte werknemers voortvloeien.

HOOFDSTUK III

SLOTBEPALINGEN

Artikel 34

Intrekking

Verordening (EG) nr. 70/2001, Verordening (EG) nr. 68/2001, Verordening (EG) nr. 2204/2002 en Verordening (EG) nr. 1628/2006 worden ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordeningen gelden als verwijzingen naar deze verordening.

Artikel 35

Overgangsbepalingen

1.   Deze verordening is van toepassing op steun die vóór de inwerkingtreding ervan is verleend, indien de steun voldoet aan de in deze verordening vastgestelde voorwaarden, met uitzondering van artikel 9, leden 1, 2 en 3.

2.   Alle vóór [31 december 2008] verleende steun die niet aan de in deze verordening vastgestelde voorwaarden voldoet, doch wel aan de voorwaarden die in Verordening (EG) nr. 70/2001, Verordening (EG) nr. 68/2001, Verordening (EG) nr. 2204/2002 en Verordening (EG) nr. 1628/2006 zijn vastgesteld, is van de aanmeldingsverplichting van artikel 88, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld.

Alle overige steun die vóór de inwerkingtreding van deze verordening is verleend en niet voldoet aan de in deze verordening vastgestelde voorwaarden noch aan de voorwaarden van een van de in de vorige alinea genoemde verordeningen, wordt door de Commissie beoordeeld aan de hand van de desbetreffende kaderregelingen, richtsnoeren, mededelingen en bekendmakingen.

3.   Na het verstrijken van de geldigheidsduur van deze verordening blijven alle krachtens deze verordening vrijgestelde steunregelingen nog gedurende een aanpassingsperiode van zes maanden vrijgesteld, met uitzondering van regionale-steunregelingen. De vrijstelling van regionale-steunregelingen krachtens Verordening (EG) nr. 1628/2006 loopt af op het tijdstip dat de goedgekeurde regionale-steunkaarten aflopen.

Artikel 36

Inwerkingtreding en geldigheidsduur

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij blijft van kracht tot en met 31 december 2013.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, …

Voor de Commissie

Lid van de Commissie

BIJLAGE I

KMO-DEFINITIE

Artikel 1

Onderneming

Als onderneming wordt beschouwd iedere entiteit, ongeacht haar rechtsvorm, die een economische activiteit uitoefent. Met name worden als zodanig beschouwd entiteiten die individueel of in familieverband ambachtelijke of andere activiteiten uitoefenen, personenvennootschappen en verenigingen die regelmatig een economische activiteit uitoefenen.

Artikel 2

Aantal werkzame personen en financiële drempels ter bepaling van de categorieën ondernemingen

1.   Tot de categorie kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (KMO's) behoren ondernemingen waar minder dan 250 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet 50 miljoen EUR en/of het jaarlijkse balanstotaal 43 miljoen EUR niet overschrijdt.

2.   Binnen de categorie KMO's is een „kleine onderneming” een onderneming waar minder dan 50 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet of het jaarlijkse balanstotaal 10 miljoen EUR niet overschrijdt.

3.   Binnen de categorie KMO's is een „micro-onderneming” een onderneming waar minder dan 10 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet of het jaarlijkse balanstotaal 2 miljoen EUR niet overschrijdt.

Artikel 3

Soorten ondernemingen die voor de berekening van het aantal werkzame personen en van de financiële bedragen in aanmerking worden genomen

1.   Een „zelfstandige onderneming” is elke onderneming die niet als partneronderneming in de zin van lid 2 of als verbonden onderneming in de zin van lid 3 wordt aangemerkt.

2.   „Partnerondernemingen” zijn alle ondernemingen die niet als verbonden ondernemingen in de zin van lid 3 worden aangemerkt en waartussen de volgende band bestaat: een onderneming (van een hoger niveau) heeft, alleen of samen met een of meer verbonden ondernemingen in de zin van lid 3, van het kapitaal of de stemrechten van een andere onderneming (van een lager niveau) 25 % of meer in handen.

Ook al wordt de drempel van 25 % bereikt of overschreden, toch kan een onderneming als zelfstandige onderneming of als onderneming zonder partnerondernemingen worden aangemerkt, indien het om de volgende categorieën investeerders gaat en mits dezen individueel noch gezamenlijk met de betrokken onderneming verbonden zijn in de zin van lid 3:

a)

openbare participatiemaatschappijen, risicokapitaalmaatschappijen, natuurlijke personen of groepen natuurlijke personen die geregeld risicokapitaal beleggen („business angels”) en eigen middelen in niet ter beurze genoteerde ondernemingen investeren, mits de totale investering van deze „business angels” in een zelfde onderneming 1,25 miljoen EUR niet overschrijdt;

b)

universiteiten of onderzoekscentra zonder winstoogmerk;

c)

institutionele beleggers, met inbegrip van regionale ontwikkelingsfondsen;

d)

autonome locale autoriteiten die een jaarlijkse begroting hebben onder 10 miljoen EUR en minder dan 5 000 inwoners tellen.

3.   „Verbonden ondernemingen” zijn ondernemingen die met elkaar een van de volgende banden onderhouden:

a)

een onderneming heeft de meerderheid van de stemrechten van de aandeelhouders of vennoten van een andere onderneming;

b)

een onderneming heeft het recht de meerderheid van de leden van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van een andere onderneming te benoemen of te ontslaan;

c)

een onderneming heeft het recht een overheersende invloed op een andere onderneming uit te oefenen op grond van een met deze onderneming gesloten overeenkomst of een bepaling in de statuten van laatstgenoemde onderneming;

d)

een onderneming die aandeelhouder of vennoot is van een andere onderneming, heeft op grond van een met andere aandeelhouders of vennoten van die andere onderneming gesloten overeenkomst als enige zeggenschap over de meerderheid van de stemrechten van de aandeelhouders of vennoten van laatstgenoemde onderneming.

Er wordt verondersteld dat geen overheersende invloed wordt uitgeoefend, indien de in lid 2, tweede alinea, genoemde investeerders zich niet direct of indirect met het beheer van de betrokken onderneming bemoeien, onverminderd de rechten die zij als aandeelhouders of vennoten bezitten.

Ondernemingen worden eveneens als verbonden ondernemingen beschouwd indien ze via een of meerdere andere ondernemingen of via in de tweede paragraaf bedoelde investeerders, een van de in de eerste alinea bedoelde banden onderhouden.

Ondernemingen die via een natuurlijke persoon of een in gemeenschappelijk overleg handelende groep van natuurlijke personen een van deze banden onderhouden, worden eveneens als verbonden ondernemingen beschouwd indien zij hun activiteiten of een deel van hun activiteiten op dezelfde markt of op verwante markten uitoefenen.

Als verwante markt wordt beschouwd de producten- of dienstenmarkt die zich direct boven of onder het niveau van de relevante markt bevindt.

4.   Behoudens de in lid 2, tweede alinea, bedoelde gevallen kan een onderneming niet als KMO worden aangemerkt, indien één of meer overheidsinstanties of openbare lichamen gezamenlijk direct of indirect zeggenschap heeft of hebben over 25 % of meer van het kapitaal of de stemrechten.

5.   Ondernemingen kunnen een verklaring opstellen over hun hoedanigheid van zelfstandige onderneming, partneronderneming of verbonden onderneming en de gegevens met betrekking tot de in artikel 2 vermelde drempels. Ook wanneer het wegens de spreiding van het kapitaal onmogelijk is precies te weten wie het in handen heeft, kan deze verklaring toch worden opgesteld mits de onderneming te goeder trouw verklaart dat zij terecht mag aannemen niet voor 25 % of meer in handen te zijn van één onderneming of van verscheidene verbonden ondernemingen gezamenlijk of via natuurlijke personen afzonderlijk of in een groep. Dergelijke verklaringen doen geen afbreuk aan de controles of verificaties waarin de nationale of communautaire regelgeving voorziet.

Artikel 4

Gegevens voor de berekening van het aantal werkzame personen en van de financiële bedragen en referentieperiode

1.   De gegevens voor de berekening van het aantal werkzame personen en van de financiële bedragen hebben betrekking op het laatste afgesloten boekjaar en worden jaarlijks berekend. Zij worden vanaf de datum van afsluiting van de rekeningen in aanmerking genomen. Het bedrag van de omzet wordt berekend exclusief belasting over de toegevoegde waarde (BTW) en andere indirecte rechten of heffingen.

2.   Wanneer een onderneming op de datum van afsluiting van de rekeningen vaststelt dat de op jaarbasis berekende gegevens boven of onder de in artikel 2 aangegeven drempels voor het aantal werkzame personen of de financiële maxima liggen, verkrijgt of verliest zij de hoedanigheid van middelgrote, kleine of micro-onderneming slechts wanneer deze situatie zich in twee opeenvolgende boekjaren voordoet.

3.   In het geval van recent opgerichte ondernemingen waarvan de eerste jaarrekening nog niet is afgesloten, worden de in aanmerking te nemen gegevens bepaald door middel van een in de loop van het boekjaar te goeder trouw gemaakte schatting.

Artikel 5

Aantal werkzame personen

Het aantal werkzame personen komt overeen met het aantal arbeidsjaareenheden (AJE), dat wil zeggen het aantal personen dat het gehele desbetreffende jaar voltijds in de betrokken onderneming of voor rekening van deze onderneming heeft gewerkt. Het werk van personen die niet het gehele jaar hebben gewerkt, deeltijdwerk ongeacht de duur ervan en seizoenarbeid worden in breuken van AJE uitgedrukt. Het aantal werkzame personen bestaat uit:

a)

de loontrekkenden;

b)

de personen die voor deze onderneming werken, er een ondergeschikte verhouding mee hebben en voor het nationale recht met loontrekkenden gelijkgesteld zijn;

c)

de eigenaren-bedrijfsleiders;

d)

de vennoten die geregeld een activiteit in de onderneming uitoefenen en van de onderneming financiële voordelen genieten.

Leerlingen en studenten die een beroepsopleiding volgen en een leer- of beroepsopleidingsovereenkomst hebben, worden niet meegeteld in het aantal werkzame personen. De duur van zwangerschaps- en ouderschapsverlof wordt niet meegerekend.

Artikel 6

Vaststelling van de gegevens van de onderneming

1.   In het geval van een zelfstandige onderneming worden de gegevens, met inbegrip van het aantal werkzame personen, uitsluitend op grond van de rekeningen van die onderneming vastgesteld.

2.   De gegevens, met inbegrip van het aantal werkzame personen, van een onderneming die partnerondernemingen of verbonden ondernemingen heeft, worden vastgesteld op grond van de rekeningen en andere gegevens van de onderneming of, zo van toepassing, van de geconsolideerde rekeningen van de onderneming of van de geconsolideerde rekeningen waarin de onderneming door consolidatie is opgenomen.

De in de eerste alinea bedoelde gegevens worden samengeteld met de gegevens van de eventuele partnerondernemingen van de betrokken onderneming, die zich meteen boven of onder het niveau van die onderneming bevinden. De samentelling geschiedt in evenredigheid met het aandeel in het kapitaal of de stemrechten (het hoogste van de twee percentages). Bij wederzijdse participatie geldt het hoogste van deze percentages.

De in de eerste en tweede alinea bedoelde gegevens worden samengeteld met alle, nog niet door consolidatie in de rekeningen opgenomen gegevens (100 %) van de eventuele, direct of indirect met de betrokken onderneming verbonden ondernemingen.

3.   Voor de toepassing van lid 2 resulteren de gegevens van de partnerondernemingen van de betrokken onderneming uit de, indien van toepassing, geconsolideerde rekeningen en andere gegevens. Deze worden samengeteld met alle gegevens (100 %) van de met deze partnerondernemingen verbonden ondernemingen, tenzij hun gegevens reeds door consolidatie daarin zijn opgenomen.

Voor de toepassing van het genoemde lid 2 resulteren de gegevens van de met de betrokken onderneming verbonden ondernemingen uit hun, indien van toepassing, geconsolideerde rekeningen en andere gegevens. Deze worden evenredig samengeteld met de gegevens van de eventuele partnerondernemingen van deze verbonden ondernemingen, die zich meteen boven of onder het niveau van laatstgenoemde ondernemingen bevinden, mits deze gegevens in de geconsolideerde rekeningen nog niet zijn opgenomen in een verhouding die ten minste gelijk is aan het in de tweede alinea van lid 2 vastgestelde percentage.

4.   Indien het aantal werkzame personen van een bepaalde onderneming niet uit de geconsolideerde rekeningen blijkt, wordt het berekend door de gegevens van haar partnerondernemingen evenredig samen te tellen en daaraan de gegevens toe te voegen van de ondernemingen waarmee zij is verbonden.

BIJLAGE II

FORMULIER VOOR HET VERSTREKKEN VAN BEKNOPTE INFORMATIE OVER ONDERZOEK EN ONTWIKKELING IN HET KADER VAN DE IN ARTIKEL 9, LID 4, VASTGESTELDE UITGEBREIDE RAPPORTAGEVERPLICHTING

1.

Steun ten gunste van (naam van de steunontvangende onderneming(en), al dan niet KMO's):

2.

Referentie van de steunregeling (door de Commissie gebruikte referentie van de bestaande steunregeling(en) in het kader waarvan de steun wordt toegekend):

3.

Steunverlenende autoriteiten(en) (benaming en contactgegevens):

4.

Lidstaat waar het gesteunde project of de gesteunde maatregel wordt uitgevoerd:

5.

Soort project of maatregel:

6.

Korte beschrijving van het project of de maatregel:

7.

In aanmerking komende kosten (in EUR):

8.

Contante waarde steunbedrag (bruto) in EUR:

9.

Steunintensiteit ( % in bruto-subsidie-equivalent):

10.

Voorwaarden verbonden aan de uitkering van de voorgenomen steun (in voorkomend geval):

11.

Geplande start- en einddatum van het project of de maatregel:

12.

Datum toekenning van de steun:

FORMULIER VOOR HET VERSTREKKEN VAN DE BEKNOPTE INFORMATIE BETREFFENDE STEUN VOOR GROTE INVESTERINGSPROJECTEN WAARBIJ DE STEUN DE IN ARTIKEL 9, LID 4, BEDOELDE DREMPELS NIET OVERSCHRIJDT

1.

Steun ten gunste van (naam van de steun ontvangende onderneming(en)):

2.

Referentie van de steunregeling (door de Commissie gebruikte referentie van de bestaande steunregeling(en) in het kader waarvan de steun wordt toegekend):

3.

Steunverlenende autoriteiten(en) (benaming en contactgegevens):

4.

Lidstaat waar de investering plaatsvindt:

5.

Gebied (NUTS-III-niveau) waar de investering plaats vindt:

6.

Gemeente (voorheen NUTS-V-niveau, thans LAU 2) waar de investering plaatsvindt:

7.

Aard van het project (nieuwe vestiging; uitbreiding van een bestaande vestiging; diversificatie van de productie van een bestaande vestiging naar nieuwe, additionele producten, of een fundamentele wijziging in het volledige productieproces van een bestaande vestiging):

8.

Product vervaardigd of diensten geleverd op grond van het investeringsproject (met PRODCOM/NACE-nomenclatuur of CPA-nomenclatuur voor projecten in de dienstensector):

9.

Korte beschrijving van het investeringsproject:

10.

Contante waarde in aanmerking komende kosten van het investeringsproject (in EUR):

11.

Contante waarde steunbedrag (bruto) in EUR:

12.

Steunintensiteit (in % BSE):

13.

Eventuele voorwaarden verbonden aan de betaling van de voorgenomen steun:

14.

Geplande aanvangs- en einddatum van het project:

15.

Datum toekenning van de steun:


(1)  PB L 142 van 14.5.1998, blz. 1.

(2)  PB C 210 van 8.9.2007, blz. 14.

(3)  PB L 10 van 13.1.2001, blz. 33.

(4)  PB L 63 van 28.2.2004, blz. 22.

(5)  PB C 235 van 21.8.2001, blz. 3.

(6)  PB C 194 van 18.8.2006, blz. 2.

(7)  PB L 10 van 13.1.2001, blz. 20.

(8)  PB L 337 van 13.12.2002, blz. 3.

(9)  PB C 45 van 17.2.1996, blz. 5.

(10)  PB C 323 van 30.12.2006, blz. 1.

(11)  PB C 37 van 3.2.2001, blz. 3.

(12)  PB C 54 van 4.3.2006, blz. 13.

(13)  PB L 205 van 2.8.2002, blz. 1.

(14)  PB C 244 van 1.10.2004, blz. 2.

(15)  PB L 302 van 1.11.2006, blz. 29.

(16)  PB C 71 van 11.3.2000, blz. 14.

(17)  PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36.

(18)  PB C 194 van 18.8.2006, blz. 2.

(19)  PB C 45 van 17.2.1996, blz. 5.

(20)  PB C 323 van 30.12.2006, blz. 1.

(21)  PB C 48 van 13.2.1998, blz. 2.

(22)  PB L 17 van 21.1.2000, blz. 22.

(23)  NACE code [XXX].

(24)  PB L 182 van 3.7.1987, blz. 36.

(25)  PB C 54 van 4.3.2006, blz. 13.

(26)  PB L 379 van 28.12.2006, blz. 5.

(27)  PB L 140 van 30.4.2004, blz. 1.

(28)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1.

(29)  PB L 184 van 27.7.1993, blz. 1.

(30)  PB L 257 van 10.10.1996, blz. 26.

(31)  PB L 52 van 21.2.2004, blz. 50.

(32)  Dit voorstel laat het standpunt van de Commissie in het kader van de lopende herziening van het milieusteunkader onverlet, met name wat betreft intensiteiten. In ieder geval dienen, gezien de vereenvoudigde berekeningsmethoden die voor de toepassing van deze verordening worden gehanteerd, de krachtens deze verordening bepaalde maximale steunintensiteiten noodzakelijkerwijs onder de krachtens het milieusteunkader bepaalde maximale steunintensiteiten te blijven die op gedetailleerdere berekeningsmethoden zijn gebaseerd.

(33)  Zie voetnoot bladzijde 32.

(34)  Zie voetnoot bladzijde 32.

(35)  Zie voetnoot bladzijde 32.

(36)  Zie voetnoot bladzijde 32.

(37)  Zie voetnoot bladzijde 32.

(38)  PB L 283 van 31.10.2003, blz. 51.