ISSN 1725-2474

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 147

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

50e jaargang
30 juni 2007


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

III   Voorbereidende handelingen

 

INITIATIEVEN VAN DE LIDSTATEN

2007/C 147/01

Initiatief van de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek met het oog op de aanneming van een kaderbesluit van de Raad (2007/…/JBZ) van … inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van voorwaardelijke straffen, alternatieve straffen en voorwaardelijke veroordelingen

1

NL

 


III Voorbereidende handelingen

INITIATIEVEN VAN DE LIDSTATEN

30.6.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 147/1


Initiatief van de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek met het oog op de aanneming van een kaderbesluit van de Raad (2007/…/JBZ) van … inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van voorwaardelijke straffen, alternatieve straffen en voorwaardelijke veroordelingen

(2007/C 147/01)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name op artikel 31, lid 1, onder a) en c), en artikel 34, lid 2, onder b),

Gezien het initiatief van de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek,

Gezien het advies van het Europees Parlement (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Europese Unie stelt zich ten doel een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht tot stand te brengen. Daartoe is vereist dat alle lidstaten in wezen dezelfde opvatting hebben van vrijheid, veiligheid en recht, die stoelt op de beginselen van vrijheid, democratie, eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, en van de rechtsstaat.

(2)

De politiële en justitiële samenwerking in de Europese Unie moet alle burgers een hoog niveau van zekerheid bieden. Een van de hoekstenen hiervan is het beginsel van wederzijdse erkenning van justitiële vonnissen, dat in de conclusies van de Europese Raad van Tampere van 15 en 16 oktober 1999 is vastgelegd en in het Haags Programma ter versterking van vrijheid, veiligheid en recht in de Europese Unie (2) van 4 en 5 november 2004 is bekrachtigd. In het programma van maatregelen van 29 november 2000, aangenomen om uitvoering te geven aan het beginsel van wederzijdse erkenning van strafrechtelijke vonnissen, heeft de Raad zich uitgesproken voor samenwerking op het gebied van voorwaardelijke veroordelingen en voorwaardelijke invrijheidsstelling.

(3)

Alle lidstaten hebben het Verdrag van de Raad van Europa van 21 maart 1983 inzake de overbrenging van gevonniste personen bekrachtigd. Op grond van dit verdrag kan een gevonniste persoon worden overgebracht naar de staat waarvan hij onderdaan is, mits hijzelf en de betrokken staten daarin toestemmen. Het Aanvullend Protocol van 18 december 1997, dat overbrenging zonder toestemming van de gevonniste persoon mogelijk maakt, is nog niet door alle lidstaten bekrachtigd. Kaderbesluit 2007/…/JBZ van de Raad van … inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafrechtelijke vonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen worden opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie (3), heeft het beginsel van wederzijdse erkenning uitgebreid tot de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen.

(4)

De betrekkingen tussen de lidstaten, door de erkenning van elkanders rechtsstelsel gekenmerkt, maken ook erkenning mogelijk van een vonnis dat door een andere lidstaat in het kader van de strafrechtelijke procedure of van de strafuitvoering is genomen. Het Verdrag van de Raad van Europa van 30 november 1964 inzake het toezicht op voorwaardelijk veroordeelden of voorwaardelijk in vrijheid gestelden is door slechts twaalf lidstaten, soms met talrijke voorbehouden, bekrachtigd. Kaderbesluit 2007/…/JBZ van de Raad is met opzet beperkt tot de overlevering van gedetineerde gevonniste personen. Het is echter raadzaam dat de lidstaten met name ook nauwer samenwerken in het geval dat een persoon die zijn wettelijke en gewone verblijfplaats in een lidstaat heeft, in een strafrechtelijke procedure in een andere lidstaat een voorwaardelijke veroordeling of alternatieve straf is opgelegd.

(5)

Dit kaderbesluit is in overeenstemming met de grondrechten en de beginselen die zijn erkend in artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en zijn weergegeven in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name in hoofdstuk VI. Het kaderbesluit belet in genen dele dat de erkenning van een vonnis en/of het toezicht op een opschortende maatregel of alternatieve straf kan worden geweigerd, indien er objectieve redenen bestaan om aan te nemen dat de opschortende maatregel of alternatieve straf is opgelegd met het oog op de bestraffing van een persoon op grond van zijn geslacht, ras, godsdienst, etnische afstamming, nationaliteit, taal, politieke overtuiging of seksuele geaardheid, of dat de positie van die persoon om een van deze redenen kan worden aangetast.

(6)

Dit kaderbesluit laat de toepassing door de lidstaten van hun grondwettelijke bepalingen betreffende een eerlijke rechtsgang, vrijheid van vereniging, vrijheid van drukpers en vrijheid van meningsuiting in andere media, onverlet.

(7)

De bepalingen van dit kaderbesluit dienen te worden toegepast in overeenstemming met het recht van de burgers van de Unie om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, neergelegd in artikel 18 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

(8)

De wederzijdse erkenning van, alsook het toezicht op voorwaardelijke straffen, alternatieve straffen en voorwaardelijke veroordelingen in de tenuitvoerleggingsstaat zijn erop gericht de resocialisatiekansen van de veroordeelde te vergroten, doordat hem de mogelijkheid wordt geboden familiebanden, linguistische, culturele of andere banden te onderhouden. Tevens echter wordt de controle op de taalkundige naleving van de voorwaarden en op de uitvoering van de opschortende maatregelen en alternatieve straffen verbeterd, om recidive te voorkomen en aldus voldoende aandacht te schenken aan de bescherming van slachtoffers.

(9)

Om te kunnen zorgen voor een efficiënte uitwisseling van alle informatie die voor de opschorting van een straf relevant is, is het wenselijk dat op grond van de nationale wetgeving van de lidstaten de aanvaarding van het toezicht op opschortende maatregelen en alternatieve straffen kan worden gestaafd door de nationale registers.

(10)

Aangezien alle lidstaten het Verdrag van de Raad van Europa van 28 januari 1981 tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens hebben geratificeerd, dienen de bij de toepassing van dit kaderbesluit verwerkte persoonsgegevens in overeenstemming met de beginselen van dat verdrag te worden beschermd.

(11)

Daar de doelstelling van dit kaderbesluit, namelijk de vaststelling van regels voor toezicht door een lidstaat op opschortende maatregelen of alternatieve straffen vervat in een vonnis dat in een andere lidstaat is gegeven, gezien het grensoverschrijdende karakter van de zich voordoende situaties niet voldoende door de lidstaten zelf kan worden verwezenlijkt en derhalve, gezien de omvang van de actie, beter op het niveau van de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie maatregelen treffen, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap neergelegde subsidiariteitsbeginsel, waarnaar in artikel 2, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie wordt verwezen. Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel, neergelegd in artikel 5 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, gaat dit kaderbesluit niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken,

HEEFT HET VOLGENDE KADERBESLUIT AANGENOMEN:

Artikel 1

Doel en toepassingsgebied

1.   Dit kaderbesluit heeft ten doel de regels vast te stellen volgens welke een lidstaat, ter bevordering van de resocialisatie van gevonniste personen en ter verbetering van de slachtofferbescherming, toeziet op opschortende maatregelen, opgelegd op grond van een in een andere lidstaat gegeven vonnis, of op in zo'n vonnis vervatte alternatieve straffen en, voor zover hij hiertoe bevoegd is, alle overige besluiten neemt in verband met de tenuitvoerlegging van het vonnis.

2.   Dit kaderbesluit is uitsluitend van toepassing op de erkenning van vonissen en en de overname van het toezicht op opschortende maatregelen en alternatieve straffen, alsmede van alle overige rechterlijke vonnissen waarin dit kaderbesluit voorziet. Dit kaderbesluit is niet van toepassing op de tenuitvoerlegging van strafvonnissen waarbij een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel wordt opgelegd en die vallen onder Kaderbesluit 2007/…/JBZ van de Raad. Erkenning en tenuitvoerlegging van geldelijke straffen en vonnissen tot confiscatie in een andere lidstaat berusten op de instrumenten die tussen de lidstaten van toepassing zijn, in het bijzonder Kaderbesluit 2005/214/JBZ van de Raad van 24 februari 2005 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op geldelijke straffen (4) en Kaderbesluit 2006/783/JBZ van de Raad van 6 oktober 2006 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op vonnissen tot confiscatie (5).

Artikel 2

Definities

In dit kaderbesluit wordt verstaan onder:

a)

„vonnis”: een door een rechter van de staat van het vonnis gegeven onherroepelijke uitspraak of beschikking waarbij aan een natuurlijke persoon:

i)

een voorwaardelijke straf, of

ii)

een alternatieve straf, of

iii)

een voorwaardelijke veroordeling wordt opgelegd;

b)

„voorwaardelijke straf”: een vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel waarvan de tenuitvoerlegging volledig of ten dele voorwaardelijk wordt opgeschort,

i)

bij de oplegging van de straf, of

ii)

nadat een gedeelte van de vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel is ondergaan (voorwaardelijke invrijheidstelling of vervroegde invrijheidstelling);

c)

„alternatieve straf”: een als zelfstandige straf opgelegde verplichting of instructie die geen vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel noch een geldelijke sanctie is;

d)

„voorwaardelijke veroordeling”: een vonnis van een rechter waarbij de oplegging van een straf voorwaardelijk is opgeschort middels één of meer opschortende maatregelen;

e)

„opschortende maatregelen”: verplichtingen en instructies die volgens het nationale recht van de staat van het vonnis aan een natuurlijke persoon worden opgelegd in verband met een voorwaardelijke straf of een voorwaardelijke veroordeling;

f)

„staat van het vonnis”: de lidstaat waar een vonnis in de zin van punt a) is gegeven;

g)

„tenuitvoerleggingsstaat”: de lidstaat waar toezicht wordt gehouden op de opschortende maatregelen en de alternatieve straffen en waar, voor zover de lidstaat de verantwoordelijkheid hiertoe heeft aanvaard, alle overige besluiten in verband met de tenuitvoerlegging van het vonnis worden genomen.

Artikel 3

Grondrechten

Dit kaderbesluit geldt onverminderd de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, die in artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie is neergelegd.

Artikel 4

Aanwijzing van bevoegde autoriteiten

1.   Elke lidstaat deelt het secretariaat-generaal van de Raad mee welke rechterlijke autoriteiten naar intern recht bevoegd zijn te handelen overeenkomstig dit kaderbesluit, in het geval dat die lidstaat staat van het vonnis of tenuitvoerleggingsstaat is.

2.   Het secretariaat-generaal van de Raad stelt de ontvangen informatie ter beschikking van de lidstaten en van de Commissie.

Artikel 5

Soorten opschortende maatregelen en alternatieve straffen

1.   Een vonnis dat één of meer van de onderstaande opschortende maatregelen of alternatieve straffen bevat kan, ter fine van de erkenning van en het toezicht op die maatregelen en straffen, worden toegezonden aan een andere lidstaat, waar de gevonniste persoon zijn gewone, wettelijke verblijfplaats heeft:

a)

de gevonniste persoon moet de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat in kennis stellen van iedere verandering van woonplaats;

b)

hij mag bepaalde locaties in de staat van het vonnis of de tenuitvoerleggingsstaat niet zonder toestemming verlaten of betreden, en moet andere voorschriften betreffende levenswijze, verblijfplaats, opleiding, beroepsbezigheid of vrijetijdsbesteding opvolgen;

c)

hij moet zich op gezette tijden melden bij de bevoegde autoriteit of een andere autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat;

d)

hij moet contact met personen of zaken die tot het plegen van nieuwe strafbare feiten kunnen aanzetten vermijden;

e)

hij moet de door het strafbare feit veroorzaakte schade vergoeden;

f)

hij moet een taak van algemeen nut verrichten;

g)

hij moet samenwerken met een reclasseringswerker;

h)

hij moet een therapie of ontwenningskuur ondergaan.

2.   Iedere lidstaat deelt het secretariaat-generaal van de Raad bij de omzetting van dit kaderbesluit mee op welke opschortende maatregelen en alternatieve straffen, naast de in lid 1 genoemde, hij bereid is toezicht te houden. Het secretariaat-generaal van de Raad stelt de ontvangen informatie ter beschikking van de lidstaten en van de Commissie.

3.   Het in artikel 6 bedoelde certificaat omvat, naast de in lid 1 genoemde maatregelen en straffen, alleen de overeenkomstig lid 2 door de betrokken tenuitvoerleggingsstaat gemelde maatregelen of straffen.

Artikel 6

Procedure voor de toezending van het vonnis en een certificaat

1.   De bevoegde rechterlijke autoriteit van de staat van het vonnis zendt het vonnis of een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift daarvan, vergezeld van een certificaat, waarvan het modelformulier in bijlage I staat, rechtstreeks toe aan de bevoegde rechterlijke autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat, in een schriftelijk vastgelegde of vast te leggen vorm, in die zin dat de tenuitvoerleggingsstaat de echtheid ervan kan vaststellen. Het origineel van het vonnis, of een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift, en het origineel van het certificaat worden aan de tenuitvoerleggingsstaat toegezonden, indien deze daarom verzoekt. Alle ambtelijke mededelingen worden eveneens rechtstreeks door deze bevoegde rechterlijke autoriteiten uitgewisseld.

2.   Het certificaat wordt ondertekend door de bevoegde rechterlijke autoriteit van de staat van het vonnis, die verklaart dat de inhoud juist is.

3.   De bevoegde rechterlijke autoriteit in de staat van het vonnis zendt het vonnis, vergezeld van het certificaat, slechts aan één tenuitvoerleggingsstaat tegelijk toe.

4.   Indien de bevoegde rechterlijke autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat niet bekend is bij de bevoegde rechterlijke autoriteit van de staat van het vonnis, wint deze bij de tenuitvoerleggingsstaat de nodige inlichtingen in, langs alle mogelijke kanalen, waaronder de contactpunten van het bij Gemeenschappelijk Optreden 98/428/JBZ van de Raad van 29 juni 1998 tot oprichting van een Europees justitieel netwerk (6) opgerichte Europees justitieel netwerk.

5.   De rechterlijke autoriteit in de tenuitvoerleggingsstaat die het vonnis, vergezeld van een certificaat, ontvangt en niet bevoegd is deze te erkennen, zendt het vonnis met het certificaat ambtshalve aan de bevoegde rechterlijke autoriteit toe. De bevoegde rechterlijke autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat stelt de bevoegde rechterlijke autoriteit van de staat van het vonnis onverwijld, in een schriftelijk vastgelegde of vast te leggen vorm, in kennis van de toezending van het vonnis en het certificaat.

Artikel 7

Besluit van de tenuitvoerleggingsstaat

1.   De bevoegde rechterlijke autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat erkent de volgens de procedure van artikel 6 toegezonden vonnissen neemt onverwijld de voor het toezicht op de opschortende maatregelen en de alternatieve straffen vereiste maatregelen, tenzij zij beslist zich te beroepen op een van de in artikel 9 genoemde gronden tot weigering van de erkenning en de overname van het toezicht.

2.   De opschortende maatregelen of de alternatieve straffen die naar aard en duur onverenigbaar zijn met het recht van de tenuitvoerleggingsstaat, kunnen door de bevoegde rechterlijke autoriteit van deze staat worden aangepast aan de opschortende maatregelen en alternatieve straffen die het nationale recht van de tenuitvoerleggingsstaat voor vergelijkbare strafbare feiten voorschrijft. De aangepaste opschortende maatregel of de alternatieve straf moet zoveel mogelijk overeenkomen met de in de staat van het vonnis opgelegde opschortende maatregel of alternatieve straf.

3.   De aangepaste opschortende maatregel of alternatieve straf mag niet strenger zijn dan de oorspronkelijk opgelegde opschortende maatregel of alternatieve straf.

Artikel 8

Dubbele strafbaarheid

1.   Tot erkenning van het vonnis en toezicht op de opschortende maatregelen en de alternatieve straffen leiden, overeenkomstig dit kaderbesluit en zonder toetsing op dubbele strafbaarheid, de navolgende strafbare feiten, indien deze in de staat van het vonnis worden bestraft met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel met een maximum van ten minste drie jaar, zoals omschreven in het recht van die staat:

deelneming aan een criminele organisatie,

terrorisme,

mensenhandel,

seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie,

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen,

illegale handel in wapens, munitie en explosieven,

corruptie,

fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen worden geschaad in de zin van de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (7);

witwassen van opbrengsten van strafbare feiten,

valsemunterij, met inbegrip van namaak van de euro,

cybercriminaliteit,

milieucriminaliteit, met inbegrip van de illegale handel in bedreigde diersoorten en de illegale handel in bedreigde planten- en boomsoorten,

hulp bij illegale binnenkomst en illegaal verblijf,

moord en doodslag, zware mishandeling,

illegale handel in menselijke organen en weefsels,

ontvoering, wederrechtelijke vrijheidsberoving en gijzeling,

racisme en vreemdelingenhaat,

georganiseerde of gewapende diefstal,

illegale handel in cultuurgoederen, waaronder antiquiteiten en kunstvoorwerpen,

oplichting,

racketeering en afpersing,

namaak van producten en productpiraterij,

vervalsing van administratieve documenten en handel in valse documenten,

vervalsing van betaalmiddelen,

illegale handel in hormonale stoffen en andere groeibevorderaars,

illegale handel in nucleaire of radioactieve stoffen,

handel in gestolen voertuigen,

verkrachting,

brandstichting,

strafbare feiten die onder de rechtsmacht van het Internationaal Strafhof vallen,

kaping van vliegtuigen/schepen,

sabotage.

2.   De Raad kan te allen tijde, met eenparigheid van stemmen en na raadpleging van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 39, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, besluiten categorieën van strafbare feiten aan de lijst van lid 1 toe te voegen. De Raad overweegt in het licht van het hem overeenkomstig artikel 21, lid 3, van dit kaderbesluit voorgelegde verslag of de lijst moet worden uitgebreid of gewijzigd.

3.   Ten aanzien van andere dan de in lid 1 genoemde strafbare feiten kan de tenuitvoerleggingsstaat de erkenning van het vonnis en de tenuitvoerlegging van de sanctie afhankelijk stellen van de voorwaarde dat de daaraan ten grondslag liggende feiten ook volgens het recht van de tenuitvoerleggingsstaat een strafbaar feit vormen, ongeacht de bestanddelen of de omschrijving ervan.

Artikel 9

Gronden tot weigeren van erkenning en toezicht

1.   De bevoegde rechterlijke autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat kan in de volgende gevallen besluiten de erkenning van het vonnis dan wel het toezicht op de opschortende maatregelen of de alternatieve straf te weigeren:

a)

het in artikel 6 bedoelde certificaat is onvolledig of stemt kennelijk niet overeen met het vonnis en is niet binnen de door de bevoegde rechterlijke autoriteit in de tenuitvoerleggingsstaat gestelde redelijke termijn aangevuld of gecorrigeerd;

b)

er is niet voldaan aan de in artikel 5 vermelde criteria;

c)

de erkenning van het vonnis en de aanvaarding van het toezicht op de opschortende maatregelen en de alternatieve straffen zouden indruisen tegen het „ne bis in idem”-beginsel;

d)

in het in artikel 8, lid 3, bedoelde geval heeft het vonnis betrekking op een volgens het recht van de tenuitvoerleggingsstaat niet strafbaar feit; ter zake van belastingen, douanerechten en deviezen evenwel mag de tenuitvoerlegging van een vonnis niet worden geweigerd op grond van het feit dat de tenuitvoerleggingsstaat niet dezelfde soort belastingen heft, of niet dezelfde soort regelgeving voor belastingen, douanerechten en deviezen kent als de staat van het vonnis;

e)

de strafvervolging of de tenuitvoerlegging is volgens het recht van de tenuitvoerleggingsstaat verjaard en heeft betrekking op een feit waarvoor de tenuitvoerleggingsstaat naar intern recht bevoegd is;

f)

het recht van de tenuitvoerleggingsstaat voorziet in een immuniteit die toezicht op de opschortende maatregelen of de alternatieve straffen onmogelijk maakt;

g)

de veroordeelde persoon kan volgens het recht van de tenuitvoerleggingsstaat vanwege zijn leeftijd niet strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld voor het feit waarvoor het vonnis is gegeven;

h)

het vonnis is bij verstek gewezen, tenzij in het certificaat staat vermeld dat de betrokkene persoonlijk was gedagvaard of door toedoen van een volgens het nationale recht van de staat van het vonnis bevoegde vertegenwoordiger in kennis was gesteld van het tijdstip en de plaats van de procedure die tot het verstekvonnis heeft geleid, dan wel dat de betrokkene een bevoegde autoriteit ervan in kennis heeft gesteld dat hij het vonnis niet betwist;

i)

het vonnis bevat een medisch-therapeutische maatregel waarop de tenuitvoerleggingsstaat, niettegenstaande artikel 7, lid 2, in het kader van het rechts- of gezondheidszorgsysteem geen toezicht kan houden, of

j)

in het geval van artikel 13, lid 1, kon geen akkoord worden bereikt over de aanpassing van de opschortende maatregelen of de alternatieve straffen.

2.   In de in lid 1 bedoelde gevallen pleegt de bevoegde rechterlijke autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat, voordat zij besluit het vonnis niet te erkennen en het toezicht op de opschortende maatregelen en de alternatieve straffen niet te aanvaarden, langs passende weg overleg met de bevoegde rechterlijke autoriteit van de staat van het vonnis, en verzoekt zij haar in voorkomend geval onverwijld de nodige aanvullende gegevens te verstrekken.

Artikel 10

Termijnen

1.   De bevoegde rechterlijke autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat besluit binnen 10 dagen na ontvangst van het vonnis en het certificaat of zij het vonnis erkent en het toezicht op de opschortende maatregelen en alternatieve straffen aanvaardt. Zij stelt de bevoegde rechterlijke autoriteit van de staat van het vonnis onverwijld, in een schriftelijk vastgelegde of vast te leggen vorm, in kennis van haar besluit. De weigering van de erkenning van het vonnis en de weigering van het toezicht dienen te worden gemotiveerd.

2.   Indien de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat in een bepaald geval de in lid 1 genoemde termijn niet kan naleven, stelt zij de bevoegde rechterlijke autoriteit van de staat van het vonnis hiervan onverwijld en op ongeacht welke wijze in kennis, met opgave van de redenen voor de vertraging en van de voor het nemen van het definitieve besluit nodig geachte tijd.

Artikel 11

Op het toezicht toepasselijke recht

Het toezicht op de opschortende maatregelen en op de alternatieve straffen valt onder het recht van de tenuitvoerleggingsstaat.

Artikel 12

Bevoegdheid voor alle verdere besluiten en toepasselijk recht

1.   De bevoegde rechterlijke autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat is bevoegd alle verdere besluiten in verband met de voorwaardelijke of alternatieve straffen of de voorwaardelijke veroordeling te nemen, zoals wijziging van de opschortende maatregelen, intrekking van de strafopschorting, strafoplegging in het geval van een voorwaardelijke veroordeling of kwijtschelding. De bovenbedoelde besluiten en alle verdere gevolgen van het vonnis worden beheerst door het recht van de tenuitvoerleggingsstaat.

2.   De bevoegde rechterlijke autoriteit van de staat van het vonnis kan zich de bevoegdheid voorbehouden alle verdere besluiten in verband met voorwaardelijke veroordelingen te nemen. In dat geval is het recht van de staat van het vonnis op alle verdere gevolgen van het vonnis van toepassing.

3.   Bij de omzetting van dit kaderbesluit mag iedere lidstaat bepalen dat hij als tenuitvoerleggingsstaat in bepaalde gevallen de in lid 1 bedoelde bevoegdheid kan weigeren. Het besluit wordt dan volgens de procedure van artikel 10 genomen en meegedeeld. De in artikel 7, lid 1, neergelegde verplichting blijft onverlet.

Artikel 13

Overleg tussen de bevoegde rechterlijke autoriteiten

1.   Indien de bevoegde rechterlijke autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat een aanpassing overeenkomstig artikel 7, leden 2 en 3, overweegt, raadpleegt zij vooraf de bevoegde rechterlijke autoriteit van de staat van het vonnis over de aanpassing van de opschortende maatregelen of van de alternatieve straf.

2.   De bevoegde rechterlijke autoriteit van de staat van het vonnis kan bij de toezending van het vonnis en het certificaat overeenkomstig artikel 6 afzien van de in lid 1 bedoelde raadpleging. In dat geval wordt de bevoegde rechterlijke autoriteit van de staat van het vonnis door de bevoegde rechterlijke autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat achteraf van alle aanpassingen, bedoeld in artikel 7, leden 2 en 3, in kennis gesteld.

Artikel 14

Plichten van de betrokken autoriteiten in het geval dat de tenuitvoerleggingsstaat bevoegd is alle verdere besluiten te nemen

1.   De bevoegde rechterlijke autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat stelt de bevoegde rechterlijke autoriteit van de staat van het vonnis onverwijld, in een schriftelijk vastgelegde of vast te leggen vorm, in kennis van ieder besluit met onmiddellijke of opschortende werking betreffende:

a)

de wijziging van de opschortende maatregelen of van de alternatieve straf;

b)

de intrekking van de strafopschorting;

c)

de vaststelling van de straf in het geval van een voorwaardelijke veroordeling,

d)

het verstrijken van de opschortende maatregelen of van de alternatieve straf;

2.   De bevoegde rechterlijke autoriteit van de staat van het vonnis stelt de bevoegde rechterlijke autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat onverwijld, in een schriftelijk vastgelegde of vast te leggen vorm, in kennis van alle omstandigheden of informatie die volgens haar de intrekking van de strafopschorting of een wijziging van de opschortende maatregelen of van de alternatieve straf tot gevolg kunnen hebben.

Artikel 15

Plichten van de betrokken autoriteiten in het geval dat de staat van het vonnis bevoegd is alle verdere besluiten te nemen

1.   Indien de bevoegde rechterlijke autoriteit van de staat van het vonnis overeenkomstig artikel 12, leden 2 en 3, bevoegd is alle verdere besluiten te nemen, wordt zij door de bevoegde rechterlijke autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat onverwijld in kennis gesteld van:

a)

iedere overtreding van een opschortende maatregel of een alternatieve straf, en tevens

b)

iedere informatie

i)

die tot een wijziging van de opschortende maatregelen of van de alternatieve straf kan leiden,

ii)

die van belang is voor de vaststelling van de straf in het geval van een voorwaardelijke veroordeling, of

iii)

die de intrekking van de opschorting van de veroordeling tot gevolg zou kunnen hebben.

2.   De kennisgeving geschiedt door middel van het modelformulier in bijlage II.

3.   Voordat over de vaststelling van de straf, in het geval van een voorwaardelijke veroordeling, of over de intrekking van de strafopschorting wordt beslist, wordt de gevonniste persoon gehoord. Aan dit voorschrift kan in voorkomend geval worden voldaan overeenkomstig de procedure van artikel 10 van het Europees Verdrag van 29 mei 2000 betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie (8).

4.   De bevoegde rechterlijke autoriteit van de staat van het vonnis stelt de bevoegde rechterlijke autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat onverwijld in kennis van ieder besluit met onmiddellijke of opschortende werking betreffende:

a)

de wijziging van de opschortende maatregel of van de alternatieve straf;

b)

de intrekking van de strafopschorting;

c)

de vaststelling van de straf in het geval van een voorwaardelijke veroordeling;

d)

het verstrijken van de opschortende maatregelen of van de alternatieve straf.

5.   In het geval van vaststelling van de straf of van intrekking van de opschorting deelt de bevoegde rechterlijke autoriteit van de staat van het vonnis aan de bevoegde rechterlijke autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat tegelijkertijd mee of zij voornemens is de tenuitvoerleggingsstaat:

a)

een vonnis en een certificaat als bedoeld in Kaderbesluit 2007/…/JBZ van de Raad, met het oog op de overname van de tenuitvoerlegging van de tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, of

b)

een Europees arrestatiebevel met het oog op de overlevering van de gevonniste overeenkomstig Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (9) te doen toekomen.

6.   Indien de verplichting tot tenuitvoerlegging van opschortende maatregelen of van alternatieve straffen is vervallen, beëindigt de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat de opgelegde maatregelen zodra de bevoegde autoriteit van de staat van het vonnis haar hiervan in kennis heeft gesteld.

Artikel 16

Amnestie en gratie

Zowel de staat van het vonnis als de tenuitvoerleggingsstaat kunnen amnestie of gratie verlenen.

Artikel 17

Einde van de bevoegdheid van de tenuitvoerleggingsstaat

Indien de gevonniste persoon de tenuitvoerleggingstaat verlaat en zijn gewone en wettelijke verblijfplaats in een andere lidstaat vestigt, draagt de bevoegde rechterlijke autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat de bevoegdheid voor het toezicht op de opschortende maatregelen of de alternatieve straffen en voor alle overige besluiten in verband met de tenuitvoerlegging van het vonnis over aan de bevoegde rechterlijke autoriteit van de staat van het vonnis.

Artikel 18

Talen

De certificaten worden vertaald in de officiële taal of één der officiële talen van de tenuitvoerleggingsstaat. Elke lidstaat kan, bij de aanneming van dit kaderbesluit of later, in een bij het secretariaat-generaal van de Raad neer te leggen verklaring meedelen dat hij een vertaling in een of meer andere officiële talen van de instellingen van de Europese Unie aanvaardt.

Artikel 19

Kosten

De kosten die voortvloeien uit de toepassing van dit kaderbesluit worden door de tenuitvoerleggingsstaat gedragen, uitgezonderd de kosten die uitsluitend op het grondgebied van de staat van het vonnis ontstaan.

Artikel 20

Verhouding tot andere overeenkomsten en regelingen

1.   In de betrekkingen tussen de lidstaten vervangt dit kaderbesluit met ingang van … de overeenkomstige bepalingen van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het toezicht op voorwaardelijk veroordeelden of voorwaardelijk in vrijheid gestelden.

2.   Het staat de lidstaten vrij ook in de toekomst de op het tijdstip van de aanneming van dit kaderbesluit geldende bilaterale of multilaterale akkoorden of overeenkomsten toe te passen die verder reiken dan de doelstellingen van dit kaderbesluit en ertoe bijdragen de procedures voor het toezicht op opschortende maatregelen en alternatieve straffen verder te vereenvoudigen of te vergemakkelijken.

3.   De lidstaten kunnen na de inwerkingtreding van dit kaderbesluit bilaterale of multilaterale overeenkomsten of regelingen sluiten die verder reiken dan de voorschriften van het kaderbesluit en ertoe bijdragen de procedures voor het toezicht op opschortende maatregelen en alternatieve straffen verder te vereenvoudigen of te vergemakkelijken.

4.   De lidstaten geven de Raad en de Commissie binnen drie maanden na de inwerkingtreding van dit kaderbesluit kennis van de in lid 1 bedoelde overeenkomsten of regelingen die zij verder willen toepassen. De lidstaten geven de Raad en de Commissie ook kennis van iedere nieuwe overeenkomst of regeling als bedoeld in lid 2, binnen drie maanden na de ondertekening daarvan.

Artikel 21

Tenuitvoerlegging

1.   De lidstaten treffen de nodige maatregelen om vóór … aan dit kaderbesluit te voldoen.

2.   De lidstaten delen het secretariaat-generaal van de Raad en de Commissie de tekst mee van de bepalingen waarmee zij hun verplichtingen uit hoofde van dit kaderbesluit in hun nationaal recht omzetten. De Raad gaat op basis van een verslag dat door de Commissie aan de hand van deze gegevens is opgesteld, vóór … na in hoeverre de lidstaten dit kaderbesluit naleven.

3.   Vóór … vindt een evaluatie plaats van met name de praktische toepassing van dit kaderbesluit.

Artikel 22

Inwerkingtreding

Dit kaderbesluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Voor de Raad

De voorzitter


(1)  Advies van … (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  PB C 53 van 3.3.2005, blz. 1.

(3)  PB L …

(4)  PB L 76 van 22.3.2005, blz. 16.

(5)  PB L 328 van 24.11.2006, blz. 59.

(6)  PB L 191 van 7.7.1998, blz. 4.

(7)  PB C 316 van 27.11.1995, blz. 49.

(8)  PB C 197 van 12.7.2000, blz. 3.

(9)  PB L 190 van 18.7.2002, blz. 1.


BIJLAGE I

CERTIFICAAT

bedoeld in artikel 6 van Kaderbesluit 2007/…/JBZ van de Raad van … inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van voorwaardelijke straffen, alternatieve straffen en voorwaardelijke veroordelingen

Image

Image

Image

Image

Image

Image


BIJLAGE II

MODELFORMULIER

bedoeld in artikel 15 van Kaderbesluit 2007/…/JBZ van de Raad van … inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van voorwaardelijke straffen, alternatieve straffen en voorwaardelijke veroordelingen

Image

Image