ISSN 1725-2474

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 309

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

49e jaargang
16 december 2006


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

II   Voorbereidende besluiten

 

Europees Economisch en Sociaal Comité

 

428e Zitting gehouden op 5 en 6 juli 2006

2006/C 309/1

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het onderwerp Mededingingsregelingen en consumenten

1

2006/C 309/2

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Uitvoering van het communautair Lissabon-programma — Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Meer onderzoek en innovatie — Investeren voor groei en werkgelegenheid(COM(2005) 488 final)

10

2006/C 309/3

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende geneesmiddelen voor geavanceerde therapie en tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG en Verordening (EG) nr. 726/2004(COM(2005) 567 final — 2005/0227 (COD))

15

2006/C 309/4

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Uitvoering van het Lissabon-programma van de Gemeenschap: een strategie voor de vereenvoudiging van de regelgeving(COM(2005) 535 final)

18

2006/C 309/5

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een verordening (EG) van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (gemoderniseerd douanewetboek)(COM(2005) 608 final — 2005/0246 (COD))

22

2006/C 309/6

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Witboek: Beleid op het gebied van financiële diensten 2005-2010(COM(2005) 629 final)

26

2006/C 309/7

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een besluit van de Raad tot goedkeuring van de toetreding van de Europese Gemeenschap tot de Akte van Genève van de Overeenkomst van 's-Gravenhage betreffende de internationale registratie van tekeningen of modellen van nijverheid, aangenomen te Genève op 2 juli 1999(COM(2005) 687 final — 2005/0273 (CNS)) en het — Voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 6/2002 en Verordening (EG) nr. 40/94 in verband met de toetreding van de Europese Gemeenschap tot de Akte van Genève bij de Overeenkomst van 's-Gravenhage betreffende de internationale registratie van tekeningen en modellen van nijverheid(COM(2005) 689 final — 2005/0274(CNS))

33

2006/C 309/8

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de regels voor de deelname van ondernemingen, onderzoekscentra en universiteiten aan acties op grond van het zevende kaderprogramma, en voor de verspreiding van onderzoeksresultaten (2007-2013)(COM(2005) 705 final — 2005/0277 (COD))

35

2006/C 309/9

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een verordening van de Raad (Euratom) tot vaststelling van de regels voor de deelname van ondernemingen, onderzoekscentra en universiteiten aan acties op grond van het zevende kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en voor de verspreiding van onderzoeksresultaten (2007-2011) (COM(2006) 42 fin — 2006/0014 (CNS))

41

2006/C 309/0

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een verordening van de Raad houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 4056/86 tot vaststelling van de wijze van toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag op het zeevervoer en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1/2003 inzake de uitbreiding van toepassingsgebied van deze verordening tot cabotage en internationale wilde vaart (COM(2005) 651 final/2 2005/0264 (CNS))

46

2006/C 309/1

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Luchtvaartveiligheid

51

2006/C 309/2

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende afvalstoffen(COM(2005) 667 final — 2005/0281 (COD))

55

2006/C 309/3

Advies van het Europees en Economisch Sociaal Comité over de Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement — Actieplan 2006-2008 voor een vereenvoudiging en verbetering van het visserijbeleid(COM(2005) 647 final)

60

2006/C 309/4

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Thematische strategie inzake het duurzame gebruik van de natuurlijke hulpbronnen(COM(2005) 670 final — (SEC(2005) 1683 + SEC(2005) 1684))

67

2006/C 309/5

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende de bestrijding van de San José-schildluis (COM(2006) 123 final — 2006/0040 (CNS))

71

2006/C 309/6

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Risico's en problemen bij de voorziening van de Europese industrie met grondstoffen

72

2006/C 309/7

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees systeem van geïntegreerde statistieken voor de sociale bescherming (ESSOBS) (COM(2006) 11 final — 2006/0004 (COD))

78

2006/C 309/8

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over De betrekkingen tussen de Europese Unie en de Andesgemeenschap

81

2006/C 309/9

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over De toekomst van de noordelijke dimensie

91

2006/C 309/0

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Het Europees nabuurschapsbeleid

96

2006/C 309/1

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een besluit van de Raad betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (EG, Euratom)(COM(2006) 99 final — 2006/0039 (CNS))

103

2006/C 309/2

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende de vrijstelling van belasting over de toegevoegde waarde en accijnzen op goederen die door uit derde landen komende reizigers worden ingevoerd(COM(2006) 76 final — 2006/0021 (CNS))

107

2006/C 309/3

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's De implementatie van de Lissabonstrategie van de Europese Gemeenschap: ondernemingszin bevorderen door onderwijs en leren(COM(2006) 33 final)

110

2006/C 309/4

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Witboek inzake een Europees communicatiebeleid(COM(2006) 35 final)

115

2006/C 309/5

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Sociale samenhang: inhoud geven aan een Europees sociaal model

119

2006/C 309/6

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over De rol van de maatschappelijke organisaties bij de tenuitvoerlegging van het cohesie- en regionale ontwikkelingsbeleid van de EU

126

2006/C 309/7

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de oprichting van een gemeenschappelijke onderneming voor de realisering van het Europese nieuwe generatie luchtverkeersbeveiligingssysteem (SESAR) (COM(2005) 602 final — 2005/0235 (CNS))

133

2006/C 309/8

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over De toekomst van de diensten van algemeen belang

135

NL

 


II Voorbereidende besluiten

Europees Economisch en Sociaal Comité

428e Zitting gehouden op 5 en 6 juli 2006

16.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 309/1


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het onderwerp „Mededingingsregelingen en consumenten”

(2006/C 309/01)

Overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde heeft het Europees Economisch en Sociaal Comité op 14 juli 2005 besloten een advies op te stellen over het onderwerp: „Mededingingsregelingen en consumenten”.

De gespecialiseerde afdeling Interne markt, productie en consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 31 mei 2006 goedgekeurd. Rapporteur was mevrouw SÁNCHEZ MIGUEL.

Het Comité heeft tijdens zijn op 5 en 6 juli 2006 gehouden 428e zitting (vergadering van 5 juli 2006) het volgende advies uitgebracht, dat met 134 stemmen vóór en geen stemmen tegen, bij 2 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Vrije mededinging is in beginsel goed voor alle marktdeelnemers, en dan vooral voor consumenten. Inbreuken op de concurrentiebepalingen door bepaalde ondernemingen hebben andere ondernemingen echter zwaar getroffen. De wetgeving bevat dan ook sancties om de gevolgen van de aantasting van de mededinging enigszins op te vangen.

1.2

Het heeft consumenten lange tijd ontbroken aan goede, van de mededingingswetgeving afgeleide rechtsinstrumenten op grond waarvan ze vergoeding zouden kunnen eisen voor de schade die ze oplopen als gevolg van verboden mededingingspraktijken. Pas na de ingrijpende veranderingen op de interne markt, met name de liberalisering van de economische diensten van algemeen belang, is men gaan inzien dat er instrumenten moesten komen waarmee consumenten invloed kunnen uitoefenen op het mededingingsbeleid.

1.3

Bij wijze van eerste stap werd binnen DG Mededinging een speciale contactpersoon benoemd bij wie consumentenorganisaties met bepaalde mededingingskwesties terecht kunnen. Drie jaar na dato blijkt deze door een gebrek aan middelen niet bepaald efficiënt te kunnen werken.

1.4

Intussen is de mededinging in de belangrijkste geliberaliseerde sectoren steeds meer aan banden komen te liggen: bepaalde ondernemingen worden buitengesloten en de economische rechten van consumenten worden duidelijk ingeperkt. Een van de oorzaken hiervan is dat de meeste lidstaten tijdens de liberalisering vooral oog hadden voor hun eigen, nationale belangen en terugvielen in een protectionistische houding ten opzichte van „hun” ondernemingen. De Commissie moet daarom de beschikking krijgen over genoeg middelen om hiertegen op te kunnen treden.

1.5

Krachtens artikel 153, lid 2, van het EG-Verdrag kan de Commissie er in het kader van het communautair beleid, en i.h.b. het mededingingsbeleid, via horizontale maatregelen voor zorgen dat bij de toepassing van de artikelen 81 en 82 niet alleen wordt gekeken naar bedrijven, maar ook naar consumenten die door inbreuken op de mededingingswetgeving benadeeld worden. De lidstaten dienen hun wetgeving op dezelfde manier in te richten.

1.6

Er moet er dus voor gezorgd worden dat de — met name economische — schade veroorzaakt door verboden praktijken wordt vergoed.

1.7

Bovendien moeten de mechanismen om consumenten te informeren en raadplegen verbeterd worden. Als DG Mededinging wil doorgaan met zijn „ombudsman”, dan moet deze wel genoeg middelen krijgen. Verder dient DG SANCO de organenwaarmee het werkt in te schakelen om adequater te kunnen optreden tegen mededingingsschendingen die rechtstreeks raken aan de belangen van consumenten. Zo zou het European Competition Network zijn activiteiten kunnen aanpassen om ook ruimte te bieden aan informatie en opmerkingen van nationale of Europese consumentenorganisaties die een steentje willen bijdragen aan een efficiënt mededingingsbeleid en erkenning willen voor hun economische rechten.

2.   De huidige koers van het Europese mededingingsbeleid

2.1

Vrije mededinging is een basisbeginsel van de markteconomie. Uitgangspunt is dat alle economische actoren, en in het algemeen alle marktdeelnemers, vrij zijn om initiatieven te ontplooien. De mededingingsbepalingen in het EG-Verdrag zijn opgesteld om ervoor te zorgen dat de rechten van de marktdeelnemers niet door de vrije mededinging worden geschonden. Tijdens de hoogtijdagen van de liberaliseringen benadrukte de Commissie dat er economische situaties kunnen ontstaan waarop de mededingingswetgeving geen vat heeft, en dat er daarom een evenwicht moet worden gevonden tussen de belangen van bedrijven en die van consumenten (1). Derhalve pleitte zij voor een grotere efficiëntie van op vrijwillige deelname gebaseerde instrumenten en voor een intensievere dialoog tussen consumenten en het bedrijfsleven om zo het vertrouwen van consumenten in de markt te vergroten. Met mededinging alleen kan dit laatste namelijk niet worden verwezenlijkt.

2.2

De huidige situatie bevat een aantal nieuwe elementen, zoals blijkt uit het verslag van de Commissie over het mededingingsbeleid 2004 (2) en de toespraak van EU-commissaris Kroes (3). Evenals de Commissie in haar verslag deed, wees mevrouw Kroes erop dat vooral maatregelen nodig zijn voor de sectoren die van essentieel belang zijn voor de interne markt en, ingevolge de Lissabonagenda, ten behoeve van het concurrentievermogen. Daarbij dient de aandacht met name dient uit te gaan naar de belangen van consumenten en naar de eventuele schending van hun rechten door kartels en monopolies. Een en ander zou er uiteindelijk toe kunnen leiden dat consumentenbescherming als criterium wordt gehanteerd bij de marktregulering, die dan niet meer alleen door de aanbodzijde, maar ook door de vraagzijde wordt gestuurd.

2.3

Het mededingingsbeleid dient een zaak van de EU te zijn, waarbij zij samenwerkt met de lidstaten. Niet alleen omdat dit beleid betrekking heeft op de interne markt en zodoende op grensoverschrijdende activiteiten, maar ook omdat het bedoeld is om de nationale wetgevingen te harmoniseren en zo te voorkomen dat de lidstaten met protectionistische maatregelen hun eigen bedrijven bevoordelen. Hierbij is dus een cruciale rol weggelegd voor de EU-instellingen, en dan met name de Commissie. Zij is niet alleen bevoegd om met wetsvoorstellen ter regulering van de mededinging te komen, maar houdt ook toezicht op fusies en overheidssteun, waarbij het algemeen belang zwaarder weegt dan het belang van de afzonderlijke lidstaten.

2.4

Na de liberalisering van de diensten van algemeen belang en de regulering van de financiële dienstverlening wil men nu het mededingingsbeleid beter afstemmen op andere beleidsterreinen van de Commissie, met name het consumentenbeleid. Zo staat in het verslag van de Commissie over het mededingingsbeleid 2004 dat de rigoureuze uitvoering van dit beleid tot doel heeft om de belangen van consumenten beter te beschermen en hun vertrouwen in de interne markt te vergroten.

2.5

Deze principiële uitspraak heeft tot op heden echter nergens in het Europese mededingingsrecht tot veel wijzigingen geleid. Tijdens de „tweede Europese dag” van de concurrentie (2003) (4) werd de benoeming van een contactpersoon voor consumenten binnen DG Concurrentie aangekondigd. Deze heeft als taak om alle onderdelen van het mededingingsbeleid te toetsen aan de belangen van de consument. Bovendien worden er brochures (5) gepubliceerd die de consumenten informeren over het mededingingsbeleid en de eventuele consequenties hiervan voor hun belangen.

2.6

De contactpersoon voor consumenten heeft onder meer de volgende taken (6):

het optreden als eerste gesprekspartner voor consumentenverenigingen en individuele consumenten (7);

het instellen van regelmatige contacten met consumentenverenigingen, en met name de Europese Consumenten Adviesgroep (ECCG);

het wijzen van groepen consumenten op concurrentiezaken waarbij hun inbreng nuttig kan zijn en hen adviseren over de wijze waarop zij hun inbreng kunnen geven en hun standpunt uitdrukken;

contacten onderhouden met de nationale mededingingsautoriteiten in verband met consumentenbescherming.

2.7

Deze aandacht in het mededingingsbeleid voor — onder meer — de belangen van consumenten moet een horizontaal karakter krijgen, waarbij de strikte scheiding van bevoegdheden tussen DG Concurrentie en DG SANCO wordt opgeheven. Hiervoor is een permanente coördinatie nodig, niet alleen tussen de verschillende Europese maatregelen, maar ook tussen deze maatregelen en nationale maatregelen. Het uiteindelijke doel is een vrije mededinging die de economische en sociale actoren én de consumenten ten goede komt.

3.   Mededingingsbeleid van de EU dat consequenties heeft voor consumenten

3.1

Het mededingingsbeleid heeft zich de laatste tijd snel ontwikkeld, niet alleen onder invloed van de sterke globalisering van de economie, maar tevens doordat het nodig bleek om er bij de liberalisering van de dienstensectoren voor te zorgen dat ook aan andere voorwaarden van algemeen belang, zoals een markt met diverse aanbieders en een betrouwbare dienstverlening, wordt voldaan. Voor het mededingingsbeleid is een belangrijke rol weggelegd bij de verwezenlijking van de in de Lissabonagenda omschreven doelstellingen: een goed functioneren van de interne markt, en dan vooral van economische conglomeraten. Alleen zo kan Europa de internationale concurrentie aan. De rechten van de betrokken ondernemingen en met name van Europese consumenten mogen daarbij echter niet in het gedrang komen.

3.2

Om een beeld te krijgen van de mate waarin het mededingingsbeleid raakt aan de belangen van consumenten dienen de desbetreffende artikelen van het EG-Verdrag en de bijbehorende uitvoeringsbepalingen geanalyseerd te worden. Een aantal van deze uitvoeringsbepalingen is onlangs gewijzigd, andere wachten nog op goedkeuring.

3.3   Concurrentiebeperkende overeenkomsten en praktijken

3.3.1

Overeenkomsten tussen bedrijven maken deel uit van de betrekkingen tussen marktdeelnemers die de werking van de markt ten goede komen. Deze overeenkomsten hebben echter niet zelden concurrentiebeperkende doeleinden. Bij de oprichting van de interne markt zag men al in dat dit soort overeenkomsten verboden moeten worden als het doel ervan is om de concurrentie te verhinderen, beperken of vervalsen. Hetzelfde geldt voor concentraties van ondernemingen, meestal in de vorm van kartels: aaneensluitingen van producenten die ogenschijnlijk zonder onderlinge coördinatie opereren. Beperken of verhinderen dezen de vrije mededinging, dan maken zij zich schuldig aan verboden praktijken.

3.3.2

Akkoorden en ondernemingsbesluiten zijn gebaseerd op contracten waaruit verplichtingen voor de deelnemende bedrijven voortvloeien. Deze contracten zijn geldig zolang zij niet indruisen tegen de toepasselijke wetgeving. In dit advies gaat het om de vraag welke gevolgen zij hebben voor derden en hoe zij zich verhouden tot de mededingingsregels.

3.3.3

Krachtens de wetgeving zijn de concurrentiebeperkende resultaten van zulke overeenkomsten of besluiten dus verboden. Sterker nog: worden deze nietig verklaard, dan kan dat allerlei praktische gevolgen hebben want de schade moet worden vergoed die gedupeerde concurrenten en de economie als geheel als gevolg van de scheefgetrokken marktverhoudingen hebben opgelopen.

3.3.4

De grote complexiteit van de gevallen waarop artikel 81 van het EG-Verdrag van toepassing is (zowel op de nationale markten als op de interne markt), bracht de Commissie ertoe om met een zogenoemd moderniseringspakket (8) te komen. Dit pakket maakt het mogelijk om bij de toepassing van de betrokken Verdragsbepalingen rekening te houden met de jurisprudentie en met het grote aantal gevallen.

3.3.5

Ook de regels inzake groepsvrijstellingen zijn geactualiseerd (9).Deze verordening bevat nieuwe regels voor het verlenen van vrijstellingen waarbij de huidige vereisten van de markt en met name overeenkomsten voor de overdracht van technologie in aanmerking worden genomen. Er zijn namelijk duidelijke regels nodig voor ondernemingsovereenkomsten niet per se een verbod. De grenzen van deze overeenkomsten moeten goed worden aangegeven, en met name dient gegarandeerd te worden dat consumenten niet de dupe worden van de betrokken groepsvrijstellingen.

3.4   Misbruik van een machtspositie

3.4.1

Krachtens artikel 82 van het EG-Verdrag mogen een of meer ondernemingen geen misbruik maken van een machtspositie op de interne markt of een wezenlijk deel daarvan. Dit artikel verbiedt dus niet de machtspositie zelf (de trend is juist eerder om economische concentraties te bevorderen, zodat het Europese bedrijfsleven de internationale concurrentie aankan), maar is bedoeld om te verhinderen dat een of meer ondernemingen vanuit een machtspositie de concurrentie bepaalde voorwaarden opleggen en deze zo in feite uitschakelen. Bij de toepassing van dit artikel is de manier waarop de machtspositie tot stand is gekomen irrelevant. Dat geldt niet voor artikel 81, bij de toepassing waarvan de oorsprong van overeenkomsten en besluiten wél van belang is om ze eventueel nietig te verklaren.

3.4.2

Machtsposities hebben andere effecten dan onderling afgestemde praktijken. Ze lijken geen invloed lijken te hebben op de mededinging omdat er bijvoorbeeld toch al geen concurrenten zijn of omdat dezen nauwelijks een rol spelen op de markt. Er dient echter wel ingegrepen te worden als consumenten de dupe worden van de voorwaarden die een onderneming met een machtspositie hun oplegt (10).

3.4.3

Om deze reden heeft de Commissie in de belangrijkste sectoren, waaronder de telecomsector (11), een aantal keren moeten optreden. Door de late liberalisering van deze sectoren hadden in de meeste lidstaten bepaalde ondernemingen namelijk kans gezien om een machtspositie op te bouwen, terwijl andere ondernemingen, zoals Microsoft (12), dankzij een belangrijke technologische innovatie nauwelijks nog iets van hun concurrenten hadden te duchten. In beide gevallen werd misbruik van de positie vastgesteld. Deutsche Telekom werd verweten dat het onredelijke tarieven hanteerde voor zijn telecommunicatiediensten (13). Het ging hierbij om een belangrijk besluit, omdat het betrekking had op een in principe door de overheid gereguleerde sector. De Commissie achtte ingrijpen echter geboden, ook al waren de prijzen sectoraal geregeld.

3.4.4

In het geval van Microsoft lag de zaak ingewikkelder, omdat het ging om een Amerikaanse onderneming die op een bijna monopolistische wijze de informaticamarkt beheerst. Niettemin kwam de Commissie tot de conclusie dat Microsoft artikel 82 overtrad door misbruik te maken van zijn machtspositie op de markt voor besturingssystemen voor pc's: het weigerde informatie te geven over de interoperabiliteit van zijn programma's en een Windows-versie zonder Windows Media Player op de markt te brengen. De Commissie legde Microsoft een hoge boete op wegens ernstige schending van de EU-regelgeving en droeg de onderneming tegelijkertijd op om de broncode van haar besturingssystemen te publiceren en de verschillende onderdelen van Windows apart te verkopen.

3.5   Concentratiecontrole

3.5.1

Het EG-Verdrag bevat geen enkel artikel dat concreet van toepassing is op fusies van bedrijven. De reden hiervoor was aanvankelijk dat fusies zich nauwelijks voordeden en later dat de lidstaten zelf zich sterk maakten voor deze economische samenvoegingen om de concurrentiepositie van „hun” ondernemingen te versterken. Toen deze gefuseerde ondernemingen echter een machtspositie kregen, waren de artikelen 81 en 82 van toepassing, waarbij aangetekend moet worden dat het toezicht niet de fusies als zodanig gold, maar alleen hun eventuele misbruik van de machtspositie.

3.5.2

Om deze leemte te vullen en een adequaat toezicht mogelijk te maken keurde de Raad krachtens de artikelen 83 en 308 van het EG-Verdrag, op grond waarvan hij zich ter verwezenlijking van de EU-doelstellingen — in dit geval de vrije mededinging — extra bevoegdheden mag toeëigenen, diverse verordeningen goed. Deze operatie mondde uit in de huidige Verordening 139/2004 (14), die een verbetering betekende van Verordening (EG) 1310/97 (15) en waarin vooral de jurisprudentie naar aanleiding van de zaak Gencor/Commissie (16) werd verwerkt.

3.5.3

In de nieuwe verordening zijn onder meer de bevoegdheden anders geregeld. Zo worden zaken naar de nationale mededingingsautoriteiten verwezen als de Commissie of ten minste drie lidstaten dit wenselijk achten. Op die manier worden de mededingingsautoriteiten van de EU aanzienlijk ontlast. Dit mag echter alleen gebeuren als de betrokken zaken geen betrekking hebben op een wezenlijk deel van de interne markt. In dat geval kan de EU er namelijk beter zelf op toezien dat de mededinging niet wordt beperkt en dat de betrokkenen, met name de consumenten, geen schade lijden.

3.5.4

In de nieuwe verordening hebben niet alleen de drempels van artikel 1 aan duidelijkheid gewonnen, maar ook de omschrijvingen in artikel 2. Hierdoor kan preciezer worden aangegeven wanneer er sprake is van een machtspositie en vooral van een wezenlijke belemmering van de mededinging.

3.5.5

Niet minder belangrijk zijn de gewijzigde procedures. Zo is de termijn waarbinnen de Commissie zaken naar de lidstaten kan verwijzen verlengd, zodat belanghebbenden — met inachtneming van de nationale wetgevingen — de kans krijgen om hun opvattingen kenbaar te maken. Ook de termijn voor de aanvragers is verlengd, zij het niet genoeg: 15 werkdagen helemaal aan het begin van de procedure is nogal aan de korte kant. Op deze manier blijven de aanvragers onwetend van eventuele bezwaren die de Commissie tegen de aanmelding ontvangt. Tijdens de hele procedure is er bovendien geen ruimte voor de inbreng van consumenten. Sterker nog: bij de beoordeling van concentraties wordt niet langer aandacht besteed aan de werkgelegenheid en de belangen van de werknemers van de betrokken ondernemingen.

3.6   Typische gevallen van concurrentiebeperkingen

3.6.1

Zowel artikel 81 als artikel 82 bevat een niet volledige lijst van, in het eerste geval, kartelpraktijken en, in het tweede geval, de manier waarop misbruik kan worden gemaakt van een machtspositie. Het gaat dus niet om uitputtende opsommingen, maar om een aantal gedaanten waarin kartelvorming en misbruik van een dominante marktpositie vaak opduiken. Dat betekent dat er ook andere praktijken mogelijk zijn die dezelfde uitwerking hebben en zodoende ook onder het verbod vallen.

3.6.2

De in beide artikelen opgesomde gevallen komen sterk overeen:

het bepalen van aan- of verkoopprijzen;

het beperken of controleren van de productie, de afzet, de technische ontwikkeling of de investeringen;

het verdelen van de markten of van de voorzieningsbronnen;

het ten opzichte van handelspartners toepassen van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties;

het afhankelijk stellen van het sluiten van overeenkomsten van de aanvaarding van de handelspartners voor bijkomende prestaties.

3.6.3

De genoemde praktijken kunnen beter in de volgende twee categorieën worden onderverdeeld:

a)

Mededingingsschennis, waaronder tal van concurrentiebelemmerende praktijken vallen, zoals de weigering om producten te leveren, prijzen die niet met de gemaakte kosten overeenkomen, getrouwheidspremies of prijsdiscriminatie. Door deze praktijken wordt de mededinging op de markt of op een wezenlijk deel daarvan belemmerd of onmogelijk gemaakt.

b)

Misbruik of oneerlijke uitbuiting door de ene onderneming van andere ondernemingen, die bij het betrekken van goederen of diensten met haar dominante marktpositie te maken krijgen via oneerlijke prijzen, discriminatie, inefficiëntie, nalatigheid of zelfs misbruik van industriële eigendomsrechten.

3.6.4

Een van de meest voorkomende praktijken betreft prijsstellingen in de ruimste zin van het woord: kortingen, prijsverhogingen, betalingsvoorwaarden of prijsverlagingen. Hieronder vallen ook praktijken als het niet opstellen van prijsopgaven, het afwijken van de prijslijst en het verkopen voor andere dan de vastgestelde prijzen. In al deze gevallen betalen de consumenten het gelag: ondanks de wetgeving die hen moet beschermen kunnen zij weinig uitrichten tegen ondernemingen die de markt beheersen, omdat die vaak als enige een bepaald product of een bepaalde dienst aanbieden.

3.7   De mededinging in een aantal geliberaliseerde sectoren

Het in het EG-Verdrag geregelde mededingingsbeleid richt zich op de traditionele sectoren van de Europese economie. Naarmate de economische omstandigheden veranderden en het concurrentievermogen van het Europese bedrijfsleven steeds belangrijker werd, ontwikkelden zich ook de uitvoeringsbepalingen in kwestie. De liberalisering van belangrijke marktsectoren is niet goed geweest voor de consument. Vaak ging het namelijk om staatsbedrijven die veranderden in ondernemingen met een dominante positie op hun markten, waardoor de concurrentie zo goed als buitenspel kwam te staan.

3.7.1   Energie

3.7.1.1

In de afgelopen jaren zijn grote vorderingen gemaakt met de liberalisering van de Europese energiesector (elektriciteit en aardgas), die tot voor kort nog in handen was van de overheid en als zodanig niet zelfstandig zijn leveringsvoorwaarden en prijzen vaststelde. De Commissie ging ervan uit dat de markt voor industriële afnemers vanaf juli 2004 geliberaliseerd zou zijn en voor kleine verbruikers vanaf juli 2007. Het eerste is niet helemaal uitgekomen, en gezien de huidige stand van zaken is volledige liberalisering in het tweede geval ook geen haalbare kaart.

3.7.1.2

De situatie is ingewikkeld. De geprivatiseerde energiemaatschappijen (en dan vooral de leveranciers van elektriciteit) presteren onder de maat; zij investeren weinig in het onderhoud van hun netten, met alle gevolgen van dien voor de afnemers, die vaak zonder stroom zitten.

3.7.1.3

Verordening 1228/2003 (17) stimuleert desondanks via een compensatieregeling ten gunste van netwerkexploitanten en door middel van non-discriminatoire, transparante en onafhankelijke tarieven de grensoverschrijdende handel in elektriciteit en kan zo de concurrentie op de interne markt een impuls geven.

3.7.1.4

Later heeft de Commissie binnen het European Competition Network een werkgroep voor energie in het leven geroepen die een overeenkomst moet uitwerken voor de toepassing van de EU-mededingingswetgeving op de energiemarkten.

3.7.2   Telecommunicatie

3.7.2.1

Naar aanleiding van met name de nieuwe voorschriften voor elektronische communicatie, waarmee het gebruik van de netten aan de nieuwe technologie werd aangepast, werd de wetgeving voor de telecommunicatiesector in 2002 geactualiseerd (18). De lidstaten hebben deze Richtlijn niet allemaal in dezelfde mate in hun eigen wetgeving omgezet. In het negende verslag over de tenuitvoerlegging van het pakket Europese elektronische-communicatieregelgeving (19) ging de Commissie vooral in op de vraag in hoeverre dit pakket door de lidstaten was omgezet en welke taken de nationale regelgevingsinstanties hebben.

3.7.2.2

Uit het negende verslag blijkt dat het aantal exploitanten gelijk is gebleven, al hebben sommige van hen slechts hun positie op de oorspronkelijke markt behouden. De druk van de concurrentie tussen exploitanten is bovendien van internationaal en interlokaal verkeer verschoven naar het lokale segment, waar het vaste marktaandeel van de gevestigde exploitanten gestaag is gedaald. Hierdoor kunnen consumenten nu goedkoper bellen, al wordt er bij het afsluiten van nieuwe contracten in bepaalde gevallen nog wel misbruik gemaakt van hun uitgangspositie.

3.7.2.3

Dankzij het toezicht op de telecommunicatiesector is het tot op zekere hoogte mogelijk exploitanten met een machtspositie te controleren en dus eventueel te verbieden om de consument buitensporige voorwaarden of prijzen op te leggen. De Commissie heeft de omzetting van Richtlijn 2002/77/EG door de lidstaten op de voet gevolgd om op te kunnen treden tegen tekortkomingen die niet alleen de concurrentie belemmerden, maar ook de belangen van de consument schaadden (20).

3.7.3   Vervoer

In de vervoerssector moeten de verschillende vervoerswijzen apart worden behandeld. Hier zal vooral aandacht worden besteed aan het lucht-, rail- en zeevervoer, waarin aanzienlijke wijzigingen zijn doorgevoerd om met name passagiers beter te beschermen (luchtvervoer) en voor een grotere veiligheid te zorgen (zeevervoer).

3.7.3.1   Luchtvervoer

3.7.3.1.1

In 2003 startte de Commissie een overleg met de burgerluchtvaartsector om een gezamenlijk standpunt uit te werken inzake de toepassing van de mededingingswetgeving op de allianties en fusies die in die sector tot stand kwamen. In hetzelfde jaar bleek dat Verordening (EG) 1/2003 aan actualisering toe was, zodat voortaan ook het luchtverkeer tussen de EU en derde landen eronder zou vallen. De bedoeling was een „open skies-regeling” die de Commissie in staat zou stellen om zonodig op te treden tegen allianties tussen luchtvaartmaatschappijen uit de EU en derde landen, met name de VS. In die periode heeft de Commissie diverse overeenkomsten bestudeerd. Sommige staan haaks op de mededingingswetgeving (21), van andere zijn de inhoud en de duur aangepast.

3.7.3.1.2

In dezelfde periode is de Verordening inzake de rechten van luchtreizigers goedgekeurd (22).

3.7.3.2   Railvervoer

3.7.3.2.1

Krachtens Verordening 1/2003 mogen de nationale mededingingsautoriteiten de mededingingsregelingen toepassen. De Europese en nationale autoriteiten dienen dan samen met DG Energie en Vervoer na te gaan welke onderwerpen met het oog op de liberalisering van het railvervoer van algemeen belang zijn.

3.7.3.2.2

Het eerste pakket richtlijnen ter liberalisering van het railvervoer moest zorgen voor een vrij grensoverschrijdend goederenverkeer en een referentiekader bieden (trajecten, tarieven enzovoort) voor de toegang tot het vervoer van goederen en reizigers.

3.7.3.2.3

Het tweede pakket omvat de liberalisering van de nationale goederenvervoersectoren én van het nationale en internationale reizigersvervoer.

3.7.3.2.4

Het overkoepelende streven is om te komen tot een gemeenschappelijke kijk op de toepassing van de mededingingswetgeving op het railvervoer, zodat de nationale mededingingsautoriteiten en de Commissie geen besluiten nemen die met elkaar in tegenspraak zijn.

3.7.3.3   Zeevervoer

3.7.3.3.1

Het zeevervoer is een van de sectoren met de meeste groepsvrijstellingen, vooral als het gaat om zeevervoerconsortia en lijnvaartconferenties. Deze vallen onder Verordening (EG) 823/2000, die momenteel herzien wordt (23). Krachtens artikel 81, lid 3, van het EG-Verdrag mogen zij de wettelijk vastgelegde limieten overschrijden als ze daar via de verzetprocedure toestemming voor krijgen van de Commissie.

3.7.3.3.2

In de praktijk heeft een aantal consortia misbruik gemaakt van de vrijstellingen door bijvoorbeeld prijsafspraken te maken. De Commissie zag zich gedwongen in te grijpen om de reikwijdte van de overeenkomsten in te perken (24). Het Gerecht van eerste aanleg kwam tot een soortgelijk standpunt in zijn oordeel over de overeenkomst tussen zeevervoerondernemingen om afnemers geen korting te geven op de gepubliceerde tarieven voor kosten en toeslagen (25).

3.8   Gevolgen voor consumenten van de liberalisering van diverse sectoren

3.8.1

De liberalisering van de eerder genoemde sectoren voltrok zich op nationaal niveau en heeft daardoor een negatief effect gehad op de interne markt. Door de ontstane oligopolies is er geen sprake meer van een — voor de consument zo gunstige — daadwerkelijke concurrentie, waarbij de prijzen dalen en het concurrentievermogen van ondernemingen toeneemt. De Commissie zou ook moeten nagaan welke gevolgen concentraties van ondernemingen in geliberaliseerde sectoren hebben gehad, met name voor de consument.

3.8.2

In het algemeen is de mededinging op de geliberaliseerde markten er niet op vooruitgegaan door het gebrek aan transparantie, de onredelijk hoge tarieven voor industriële en huishoudelijke afnemers en de verticale integratie van de ondernemingen. Integendeel, de contracten met consumenten voldoen vaak niet aan de voorwaarden die worden gesteld aan dergelijke standaardcontracten.

3.8.3

De vraag is welke instrumenten consumenten tot hun beschikking hebben om hun rechten te doen gelden tegenover deze ondernemingen, in het bijzonder via juridische procedures op grond van met name de artikelen 81 en 82 van het EG-Verdrag. Bijna alle bij de mededingingsautoriteiten, Commissie en nationale overheden ingediende klachten zijn afkomstig van ondernemers; over een klacht van een privé-persoon heeft het Hof van Justitie nog nooit een uitspraak gedaan.

3.8.4

Het Groenboek van de Commissie „Schadevorderingen wegens schending van de communautaire antitrustregels” (26) moet de consument een effectief instrument in handen geven. In een apart advies zal het EESC hier nog verder op ingaan.

4.   Consumentenbescherming en mededingingsbeleid

4.1

De rechten en plichten van consumenten zijn uiteraard wettelijk geregeld (27) Artikel 153, lid 2, van het EG-Verdrag luidt als volgt: „Met de eisen ter zake van consumentenbescherming wordt rekening gehouden bij het bepalen en uitvoeren van het beleid en het optreden van de Gemeenschap op andere gebieden.” Het gaat dus om horizontaal beleid, en als zodanig moet het geïntegreerd worden in alle andere beleidsterreinen die de belangen van consumenten raken. Wat dit betreft bestaat er over het mededingingsbeleid geen enkele twijfel: het heeft betrekking op de markt, waar consumenten de vraagzijde vertegenwoordigen.

4.1.1

Hieronder wordt ingegaan op de vraag welke consumentenrechten op welke manier worden geschonden door het mededingingsbeleid en vooral door het niet naleven op de interne markt van de wetgeving in kwestie. Het gaat er ook om, consumenten in dit verband als belanghebbende partij te beschouwen; als de Commissie moet optreden om naleving van de marktregels af te dwingen, dient zij ook oog te hebben voor de belangen van consumenten.

4.2   Economische rechten

4.2.1

De economische rechten van consumenten houden in dat zij geen financiële schade mogen lijden als zij niet onder de met de leverancier overeengekomen voorwaarden gebruik kunnen maken van de geleverde goederen of diensten. Goede trouw en het juiste evenwicht tussen de betrokken partijen geven hier de toon aan. Handelingen of clausules die hiertegen indruisen kunnen als misbruik of als schadelijk voor consumentenbelangen worden aangemerkt.

4.2.2

Het verband tussen het antitrustbeleid en de keuzevrijheid van de consument neemt in de EU-wetgeving een belangrijke plaats in. In het huidige artikel 81 en het oude artikel 85, lid 3, van het EG-Verdrag staat bijvoorbeeld dat kartels — ondanks hun concurrentiebelemmerende werking — kunnen worden goedgekeurd als de consument er baat bij heeft. Een typisch voorbeeld hiervan zijn overeenkomsten waarin concurrerende ondernemingen onderling een bepaald afzetgebied opdelen om zo de hele markt te kunnen dekken, ook als bepaalde onderdelen ervan onrendabel zijn.

4.2.3

Bij het toezicht op de markt ter bescherming van de consument wordt in de gaten gehouden of er geen sprake is van horizontale afspraken in de vorm van onder meer vrijwillige overeenkomsten, prijskartels, centrale inkoopdiensten en de verdeling van de markt of van verticale afspraken, zoals contracten die de betrekkingen tussen bijvoorbeeld producenten en/of importeurs regelen. Ook wordt gekeken of ondernemingen hun dominante positie niet misbruiken door concurrenten van de markt te weren en of zij niet te hoge dan wel te lage prijzen berekenen, zich in hun prijsbeleid schuldig maken aan uitsluitingspraktijken of sommige klanten bevoordelen ten opzichte van andere.

4.2.4

In haar mededingingsverslag presenteert de Commissie elk jaar een groot aantal besluiten over onderling afgestemde praktijken of misbruik van machtsposities en gaat zij in op arresten van het Hof van Justitie die vaak een nieuwe uitleg van de wetgeving inhouden en wetswijzigingen noodzakelijk maken.

4.2.5

Het aantal door de Commissie behandelde zaken is de afgelopen jaren gestaag gedaald, grotendeels dankzij het ferme optreden van de nationale mededingingsautoriteiten, maar vooral door de afschaffing van het aanmeldingsysteem. Op antitrustgebied werden er 24 zaken afgesloten met een formele beschikking, een aantal dat in het niet valt bij de 231 formele beschikkingen op het gebied van concentratiecontrole (28). Dit aantal vloeit voort uit het systeem dat in de gewijzigde Verordening wordt gehanteerd en zal dalen als de nationale mededingingsautoriteiten voor het merendeel van deze zaken bevoegd worden.

4.2.6

Diverse van de onderzochte gevallen gingen consumenten aan of hadden een speciaal belang voor hen. De individuele beschikkingen hadden betrekking op mobiele telefonie, omroepen of luchtvaart (29) en de sectorale beschikkingen onder meer op vervoer, vrije beroepen, motorvoertuigen en de mediasector (30). In alle gevallen was artikel 82 betreffende uitsluitingspraktijken bij de verstrekking van diensten van toepassing (31).

4.3   Recht op informatie en participatie

4.3.1

De efficiëntie van het consumentenbeleid hangt af van de participatie van consumenten op de beleidsterreinen die hen aangaan. Hun inbreng is daarom ook nodig op die terreinen waar ze tot nu toe geweerd werden. De strategie voor het consumentenbeleid (32) bevatte al als doelstelling een adequate inbreng van consumentenorganisaties in het EU-beleid. Een jaar later werd dan ook in DG Concurrentie de contactpersoon voor consumenten benoemd.

4.3.2

De consumentenorganisaties beschikken in de vorm van het Consumentencomité al over een forum dat kan bijdragen tot het consumentenbeleid als zodanig, maar om ook op andere beleidsterreinen invloed te kunnen uitoefenen is er meer nodig. Op het ogenblik zien de consumentenorganisaties zich voor de uitdaging geplaatst de hun geboden kansen te benutten en te bewijzen dat zij in staat zijn in alle stadia van het EU-besluitvormingsproces een bijdrage te leveren. Er zullen minimumeisen moeten worden vastgesteld voor de participatie in adviesorganen, zoals nu al het geval is bij landbouw en vooral in de nieuw opgerichte organen voor bijvoorbeeld vervoer, energie en telecommunicatie.

4.3.3

Er bestaat geen enkele formele vorm van participatie. Consumenten worden zelfs niet geraadpleegd over onderwerpen die volgens het EG-Verdrag relevant voor hen zijn, bijvoorbeeld de vrijstellingen die worden verleend voor onderling afgestemde feitelijke gedragingen (artikel 81, lid 3) en het misbruik maken door een onderneming van een machtspositie door het beperken van de productie, de afzet of de technische ontwikkeling ten nadele van de gebruikers (artikel 82 sub b). Zoals al in het Witboek over Europese governance (33) stond, moeten DG Concurrentie en consumentenorganisaties voor inspraak- en raadplegingsprocedures gezamenlijk regelgeving uitwerken; deze procedures zullen consequenties hebben voor de interne markt.

4.3.4

Voor DG SANCO is eenzelfde verantwoordelijkheid weggelegd. Via de vaste adviesgroep zou het zijn invloed kunnen doen gelden wanneer mededingingsaangelegenheden raken aan de belangen van consumenten.

4.3.5

Dankzij de benoeming van de contactpersoon voor consumentenzaken is het recht van consumenten op informatie over mededingingsaangelegenheden kracht bijgezet. Europese consumentenorganisaties worden geregeld geïnformeerd, en op de website (34) van hun nationale tegenhangers kunnen consumenten zelfs een klacht indienen tegen ondernemingen die hun met concurrentievervalsende praktijken schade berokkenen (35).

5.   Organen

Wil de consument zijn recht op voorlichting en participatie daadwerkelijk kunnen uitoefenen, dan moet hij kunnen rekenen op legitieme vertegenwoordiging door consumentenorganisaties. Daarnaast is het zaak duidelijk aan te geven welke organen participatie in de praktijk mogelijk maken. Dit wordt nader belicht in de volgende paragrafen.

5.1   Consumentenorganisaties

5.1.1

Consumentenorganisaties moeten aan een aantal in de nationale wetgevingen vastgelegde voorwaarden voldoen om als zodanig erkend te kunnen worden. Voldoen zij hieraan, dan zijn zij gerechtigd de belangen van consumenten te beschermen wanneer deze geschaad worden door verboden mededingingspraktijken.

5.1.2

In Europees verband genieten de bij DG SANCO geregistreerde organisaties volledige erkenning. Zij worden geïnformeerd en geraadpleegd en zijn actief op alle gebieden die tot dusverre tot hun bevoegdheid werden gerekend.

5.1.3

De ietwat krap gedefinieerde actieve legitimatie van deze organisaties kan problemen opleveren, omdat het bij mededingingsaangelegenheden vaak gaat om de geografisch of thematisch begrensde schending van consumentenrechten. Er is daarom een diepgaande discussie nodig over de reikwijdte van deze mogelijkheid om zich tot de rechter te wenden.

5.2   European Competition Network

5.2.1

In Verordening (EG) 1/2003 (36) en het zogenoemde moderniseringspakket is de wijze van samenwerking tussen de Commissie en de mededingingsautoriteiten in het European Competition Network (ECN) vastgelegd (37). Dit netwerk is in 2003 van start gegaan, toen een werkgroep vraagstukken van algemene aard bestudeerde, zoals zijn functioneren en de communicatie tussen de verschillende autoriteiten. Inmiddels is het volledig operationeel en bestaat het uit 14 subgroepen die zich bezighouden met sectorspecifieke problemen (38).

5.2.2

In Verordening 1/2003 worden aan het ECN middelen toegewezen voor onderlinge ondersteuning, voor activiteiten die met de instructies van de bevoegde autoriteiten stroken en meer in het algemeen ook voor het vergaren van de informatie die nodig is om zaken op te lossen. Het is ook belast met door de nationale autoriteiten aangevraagde inspecties, waarvan de resultaten volgens de vastgelegde procedure worden doorgegeven, zodat alle betrokken partijen er kennis van kunnen nemen.

5.2.3

Van groot belang is ook de rol die het ECN in het kader van de clementieregeling kan spelen. De lidstaten hebben namelijk een verklaring getekend waarin ze zich zeggen te zullen houden aan de in de genoemde Mededeling vastgelegde regels. Op die manier biedt het nationale rechtbanken, die ook de jurisprudentie van het Hof van Justitie bij moeten houden, praktische ondersteuning (39).

5.2.4

Dankzij de tussen hen vereiste communicatie krijgen het ECN, de nationale mededingingsautoriteiten en de rechterlijke instanties een beeld van de klachten over overeenkomsten en het misbruik van dominante posities en weten zij welke procedure moet worden gevolgd. Hierdoor kan sneller dan tot nu toe gebruikelijk worden besloten wie met een bepaalde zaak belast moet worden.

5.2.5

Het ECN kan ook inbreuken op de mededingingswetgeving opsporen. Concurrerende ondernemingen en consumenten hebben baat bij de preventieve werking die hiervan uitgaat. Verder gaat het ECN bij vrijstellingsprocedures na of een bepaalde vrijstelling de consument wel ten goede komt en zelfs of het nodig is dat in een overeenkomst gewag wordt gemaakt van de tastbare voordelen hiervan voor consumenten.

Brussel, 5 juli 2006

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Anne-Marie SIGMUND


(1)  Actieplan voor het consumentenbeleid 1999-2001

(2)  SEC(2005) 805 van 17-6-2005; EESC-advies: PB C 110 van 9/5/2006

(3)  Tijdens de „European Consumer and Competition Day”, Londen, 15 september 2005

(4)  Rome, 6 december 2003; EU-commissaris Monti kondigde de benoeming van de heer Rivière Martí aan.

(5)  Het concurrentiebeleid van de EU en de consument, Bureau voor publicaties, Luxemburg

(6)  zie het „XXXIIIe Verslag over het mededingingsbeleid — 2003”, blz. 6 en verder, SEC(2004) 658 final van 4-6-2004; EESC-advies: PB C 221 van 8-9-2005

(7)  eventueel via e-mail: comp-consumer-officer@cec.eu.int

(8)  Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag, later gewijzigd door Verordening (EG) 411/2004 (PB L 68 van 6-3-2004); Verordening (EG) nr. 773/2004 van de Commissie van 7 april 2004 betreffende procedures van de Commissie op grond van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB L 123 van 27-4-2004, blz. 18). daarnaast is een aantal mededelingen en richtsnoeren gepubliceerd die de betrekkingen tussen de mededingingsautoriteiten en de Commissie én tussen de Commissie en justitie.

(9)  Verordening (EG) nr. 772/2004 van de Commissie van 27 april 2004 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op groepen overeenkomsten inzaketechnologieoverdracht (PB L 123 van 27-4-2004, blz. 11)

(10)  Wegens het ontbreken van een definitie van het begrip „machtspositie” in het EG-Verdrag heeft het Hof van Justitie hier zelf voor moeten zorgen. Volgens het Hof hebben een of meer ondernemingen een dominante marktpositie als zij in staat zijn om onafhankelijk van hun concurrenten, hun klanten en de consumenten een effectieve concurrentie te verhinderen.

(11)  Zaak COMP/C-1/37.451, 37.578, 37.579 — Deutsche Telekom AG, PB L 263 van 14-10-2003, blz. 9

(12)  Zaak COMP/37/792 — Microsoft

(13)  Deutsche Telekom heeft de line sharing-tarieven die zijn concurrenten moeten betalen voor breedbandaansluitingen op zijn vaste telecommunicatienet inmiddels aanzienlijk verlaagd

(14)  Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20-1-2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen, PB L 24 van 29-1-2004; Verordening (EG) 802/2004 van de Commissie van 7-4-2004 tot uitvoering van Verordening (EG) 139/2004 (PB L 133 van 30-4-2004, blz. 1)

(15)  Verordening (EEG) 4064/89 (PB L 395 van 30-12-1989, blz. 1) werd, met de daarin op grond van de Toetredingsakte van Finland, Oostenrijk en Zweden opgenomen wijzigingen, bij bovengenoemde Verordening gewijzigd. Deze nieuwe verordening is zodoende een herschikking van alle wetteksten en gewijzigde artikelen waarvoor jurisprudentie is ontwikkeld.

(16)  Zaak T-112/96, waarin het Hof van Justitie de begrippen „machtspositie” en „substantiële concurrentievermindering” afbakende; voortaan vallen ook eerdere twijfelgevallen als oligopolies hieronder.

(17)  Verordening (EG) 1228/2003 betreffende de voorwaarden voor toegang tot het net voor grensoverschrijdende handel in elektriciteit

(18)  Richtlijn 2002/77/EG (PB L 249 van 17-9-2002, blz. 21)

(19)  COM(2003) 715 final

(20)  Zie voor een ruime samenvatting het XXXIIIe Verslag van de Commissie over het mededingingsbeleid 2003, blz. 41 e.v.

(21)  De Commissie gaf geen toestemming voor de eerste versie van de overeenkomst tussen Air France en Alitalia en riep andere betrokken partijen op om hiertoe stelling te nemen. De alliantie tussen British Airways en Iberia werd door de Commissie goedgekeurd, met dien verstande dat de looptijd ervan tot zes jaar is beperkt.

(22)  Verordening (EG) 261/2004 (PB L 46 van 17-2-2004, blz. 1)

(23)  PB C 233 van 30-9-2003, blz. 8

(24)  Zaak Wallenius/Wilhelmsen/Hyundai, 2002

(25)  Zaak IV/34.018, PB L 268 van 20-10-2000, blz. 1

(26)  COM(2005) 672 final van 19-12-2005

(27)  Zie het EESC-advies INT/263, AS 1038/2005, rapporteur: de heer PAGADO LIZ

(28)  Zie het verslag over het jaar 2003, blz. 191 e.v.

(29)  Zie Kader 3 van het jaarverslag 2003, blz. 29, over gevallen van misbruik in de telecommunicatiesector, Kader 2 in het jaarverslag 2004, blz. 28, gebruik van netwerken voor de omroep en verkoop van sportrechten, jaarverslag 2004, blz. 43

(30)  Zie vervoer, jaarverslag 2004 (blz. 52), vrije beroepen, jaarverslag 2003 (blz. 60), distributie motorvoertuigen, jaarverslag 2004,(blz. 44)

(31)  Zeer belangwekkend was de Zaak British Telecommunications (PB L 360), omdat het hier nog om een staatsmonopolie ging

(32)  Mededeling van de Commissie „Strategie voor het consumentenbeleid 2002-2006”, COM(2002) 208 final

(33)  COM(2001) 428 final

(34)  http://europa.eu.int/comm/consumers/redress/compl/index_en.htm

(35)  zie de bijlage voor het klachtenformulier

(36)  van 16-12-2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82, gewijzigd bij Verordening (EG) 411/2004, (PB L 68 van 6-3-2004)

(37)  Mededeling van de Commissie over de samenwerking binnen het European Competition Network (PB C 101 van 27-4-2004)

(38)  In 2004 kregen ze 298 zaken voorgelegd, 99 door de Commissie en 199 door de nationale mededingingsautoriteiten

(39)  Mededeling van de Commissie betreffende de samenwerking tussen de Commissie en de rechterlijke instanties van de EU-lidstaten bij de toepassing van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag ( PB C 101, 27-4-2004, blz 54)


16.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 309/10


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de „Uitvoering van het communautair Lissabon-programma — Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Meer onderzoek en innovatie — Investeren voor groei en werkgelegenheid”

(COM(2005) 488 final)

(2006/C 309/02)

Op 12 oktober 2005 heeft de Europese Commissie overeenkomstig artikel 262 van het EG-Verdrag besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité te raadplegen over bovengenoemd advies.

De gespecialiseerde afdeling „Interne markt, productie en consumptie”, die was belast met de voorbereidende werkzaamheden, heeft haar advies op 31 mei 2006 goedgekeurd. Rapporteur was mevrouw FUSCO.

Tijdens zijn 428e zitting van 5 en 6 juli 2006 (vergadering van 5 juli) heeft het Europees Economisch en Sociaal Comité het volgende advies uitgebracht, dat met 152 stemmen voor en zonder stemmen tegen, bij 3 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Achtergrond en samenvatting van de mededeling van de Commissie

1.1

De mededeling van de Commissie beoogt een gemeenschappelijke aanpak te presenteren  (1) voor onderzoek en innovatie in het kader van de uitvoering van het Lissabon-programma, zoals vastgelegd in de besluiten die in maart 2000 zijn genomen door de Europese Raad van Lissabon, waar als doelstelling is geformuleerd dat de EU in 2010 „de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie van de wereld moet worden die in staat is tot duurzame economische groei met meer en betere banen en een hechtere sociale samenhang”. Tijdens deze Raad is ook het voorstel bevestigd dat de Commissie heeft gedaan in haar mededeling „Naar een Europese onderzoeksruimte” (2).

1.2

De Europese Raad van Barcelona heeft in zijn resolutie van maart 2002 het doel geformuleerd om de investeringen van de EU in onderzoek en ontwikkeling (O&O) tegen 2010 te verhogen tot 3 % van het BBP en om het aandeel van de particuliere financiering op twee derde te brengen. De Europese Raad van Brussel in maart 2003 heeft om concrete actie gevraagd.

1.3

De Commissie heeft in haar mededeling van 30 april 2003„Investeren in onderzoek: een actieplan voor Europa” maatregelen vastgelegd die op nationaal en Europees niveau vereist zijn, overeenkomstig een eerste mededeling in september 2002 „Meer onderzoek voor Europa — op weg naar 3 % van het BBP” (3). Uit de eerste officiële cijfers komt naar voren dat in 2003 „de omvang van O&O op 1,93 % van het BBP van de EU-25 blijft steken”. Alleen Finland en Zweden hebben de doelstelling gehaald.

1.4

De Europese Raad heeft in maart 2005 besloten tot een nieuwe start van de strategie van Lissabon (4). Die gemeenschappelijke politieke wil is opnieuw bevestigd in Hampton Court in oktober 2005, tijdens de informele bijeenkomst van Europese staatshoofden en regeringsleiders, om te voorzien in de grote behoefte aan meer concurrentievermogen tegenover een mondiale concurrentie.

1.5

De Commissie presenteert haar eerste initiatief sinds zij zich achter de vernieuwde Lissabon-strategie voor de Europese informatiemaatschappij 2010 (5) heeft geschaard, met een mededeling waarin aan de lidstaten wordt gevraagd uiterlijk half oktober 2005 in hun nationale hervormingsprogramma's nationale prioriteiten voor de informatiemaatschappij vast te leggen teneinde bij te dragen aan de doelstellingen die zijn geformuleerd in de mededeling over i2010.

1.6

De voorgestelde opties en acties vinden hun rechtvaardiging in de tegenstelling tussen de externe en de interne context: enerzijds een felle mondiale concurrentie, anderzijds starheid en versnippering op de nationale markten, terwijl er juist behoefte is aan één Europese ruimte en mobiliteit van hooggekwalificeerde werknemers. De Commissie erkent dat haar bevoegdheden op dit terrein beperkt zijn en streeft er vooral naar de rol van katalysator te vervullen.

1.7

De mededeling wil de banden tussen onderzoek en innovatie versterken door een onderzoeksbeleid dat gericht is op het produceren van nieuwe kennis en toepassingen van die kennis, en op het creëren van een kader voor onderzoek, en door een innovatiebeleid dat zich richt op de vertaling van de kennis in economische waarde en commercieel succes. Volgens het beleid dat wordt gevoerd om de Europese regelgeving te verbeteren, moet elke maatregel die van invloed zou kunnen zijn op het concurrentievermogen, aan een effectbeoordeling worden onderworpen.

1.8

In de effectbeoordeling bij de mededeling worden drie beleidsopties besproken, waarvan de laatste wordt gekozen (6):

niets doen,

streven naar integratie,

een gemeenschappelijke aanpak.

1.9

Het in de mededeling voorgestelde actieplan omvat vier onderdelen:

onderzoek en innovatie als kernelementen van EU-beleid;

onderzoek en innovatie als prioriteiten voor EU-financiering;

onderzoek en innovatie centraal in het bedrijfsleven;

beter onderzoeks- en innovatiebeleid.

1.10

Negentien acties zijn verdeeld over drie hoofdgebieden: overheidsbeleid en regulering, financiën en belastingen (7) en de rol van particuliere actoren (8).

1.11

Hoewel de mededeling lijkt voort te gaan op de weg die is ingeslagen met de voorgaande mededeling uit 2003, voegt de Commissie eraan toe dat in de programma's voor nationale hervorming zonder enige aarzeling moet worden gekozen voor onderzoek en innovatie. Deze nationale hervormingsprogramma's zullen dan worden gesteund met communautaire financiering die gericht is op activiteiten van Europees belang, door raden voor een gecoördineerde ontwikkeling van het beleid, en door betere platforms om van elkaar te leren, in alle regio's waar transnationale samenwerking een sterke toegevoegde waarde vertegenwoordigt. De O&O-inspanningen worden erkend in het stabiliteitspact, waar deze uitgaven boven het tekort van 3 % zijn toegestaan.

1.12

Het EESC houdt ook rekening met het verslag Esko Aho, ook al heeft dit advies hier geen betrekking op, en wijst erop dat de Commissie in punt 3.1 „Meer investeren in kennis en innovatie” van haar mededeling voor de voorjaarstop van de Europese Raad 2006 COM(2005) 488 final niet noemt, maar wel het verslag Esko Aho. Het EESC betreurt het dat voor dit verslag geen voorafgaande raadpleging of beoordeling heeft plaatsgevonden en neemt het daarom mee in het huidige debat.

1.13

In oktober 2005 is in Hampton Court een groep van vier personen aangewezen, onder leiding van de heer Esko Aho. In zijn verslag van januari 2006, dat aan de Europese Commissie is verstrekt met het oog op de voorjaarstop van de Europese Raad van 2006, doet de groep aanbevelingen voor het versnellen van de tenuitvoerlegging van de initiatieven die op Europees en nationaal niveau zijn genomen ten behoeve van onderzoek en innovatie. Dit verslag gaat uit van de mededeling die onderwerp is van dit advies, maar stelt meer integratie voor [optie 2 in document SEC(2005) 1289]. In maart 2006 is het verslag ingediend bij de Raad Mededinging en de Europese Raad te Brussel. Laatstgenoemde heeft gewezen op het belang van het verslag Aho en de Commissie verzocht het verslag voor september 2006 te evalueren (9).

2.   Algemene opmerkingen

2.1

Het EESC is verheugd over deze mededeling, die voortbouwt op het Partnerschap voor groei en werkgelegenheid, omdat ernaar wordt gestreefd het volledige spectrum van onderzoek en innovatie, ook niet-technologische innovatie, in het beleid op te nemen. De mededeling bevat een schets van de acties die buiten de 3 % van Barcelona (10) zouden vallen en beschrijft in algemene termen de verplichtingen die de Gemeenschap is aangegaan, met gedetailleerde informatie over de steunmaatregelen voor onderzoek en innovatie die op dit moment worden uitgevoerd of die zijn gepland (11).

2.2

Zoals in de mededeling wordt vermeld, neemt de mondiale concurrentie voor het aantrekken van investeringen in onderzoek en innovatie voortdurend toe, ook in opkomende economieën, zoals die van China, India en Brazilië. „De snelgroeiende kloof tussen de onderzoekinvesteringen in de Europese Unie en de Verenigde Staten bedraagt al meer dan 120 miljard euro per jaar…”  (12) Voor Europa is de omvang van de concurrentie zo groot dat geen enkele lidstaat op eigen kracht kan slagen. Transnationale synergie is de enige weg voor het bevorderen van onderzoek en innovatie en voor het omzetten hiervan in groei en werkgelegenheid. Bovendien zijn onderzoek en innovatie noodzakelijk om de economie van de EU duurzamer te maken door het vinden van oplossingen voor economische groei, sociale ontwikkeling en milieubescherming.

2.3

Met het actieplan is een meerderheid van de lidstaten begonnen met het invoeren van nationale maatregelen voor het stimuleren van O&O in de particuliere sector en doelen om de investeringen in onderzoek tegen 2010 op te vijzelen tot 2,6 % van het BBP. De fiscale voordelen zijn hier van bijzonder belang (13). De intensiteit van het onderzoek in de EU zou echter min of meer gelijk blijven, met inbegrip van de particuliere sector. De situatie is zorgwekkend.

2.4

Naar aanleiding van de argumenten die worden gegeven voor de voorgestelde acties moet worden gesproken over de productiviteitsvergelijkingen tussen de lidstaten van de EU en andere landen.

2.4.1

In de eerste plaats bestaan er verscheidene definities van productiviteit (de verhouding tussen de hoeveelheid geproduceerde producten of diensten en het aantal daarvoor gebruikte eenheden van een productiefactor). Meestal wordt deze productiviteit gemeten aan de hand van één productiefactor, namelijk arbeid, met als indicator de productie per uur per werknemer in de sector. Deze meetmethode is gemakkelijker, maar onvolledig, en kapitaal wordt daarbij beschouwd als exogeen aan het productieproces.

2.4.2

In de tweede plaats mag bij de vergelijking tussen Europa en de Verenigde Staten niet worden gegeneraliseerd, omdat er aanzienlijke verschillen zijn per sector en per staat, zelfs binnen een land als de Verenigde Staten. Er zijn in Europa concurrerende sectoren en landen die hun productiviteit aanzienlijk verbeteren. Ten aanzien van de EU als geheel komt volgens O'Mahony en van Ark (2003) uit berekeningen van de kosten per eenheid arbeid in de productiesector naar voren dat de EU in de hightechsectoren niet concurrerend is ten opzichte van de VS, maar op andere gebieden wel. In de traditionele sectoren van de industrie komt de concurrentie echter niet in de eerste plaats van de VS, maar van de lagelonenlanden, en dit leidt tot forse druk op de EU. Dosi, Llerena en Labini (2005) nemen een kritischer standpunt in en menen dat er behoefte is aan een Europees industriebeleid.

2.4.3

In de derde plaats zou de beste meting die zijn waarbij met alle productiefactoren rekening wordt gehouden (total factor productivityTFP) en „het BBP wordt gecorrigeerd voor de verschillen tussen de gebruikte input” (Calderon, 2001). Dit zou bovendien een betere vergelijking tussen landen mogelijk maken. Om de verschillen in productiviteit tussen landen te verklaren, zijn de bepalende factoren voor productiviteitsverhoging van arbeidskrachten en/of van alle productiefactoren in empirische studies in drie groepen onderverdeeld. Gezien de onderlinge afhankelijkheid tussen landen stelt Calderon echter dat de verschillen in TFP tussen landen het gevolg lijken te zijn van de verspreidingssnelheid van technologieën (via handel, directe buitenlandse investeringen of migratie) (14).

2.4.4

Als de verspreidingssnelheid een doorslaggevende factor is, zouden innovatieve MKB-bedrijven onmisbaar zijn voor de verspreiding tijdens het opbouwen van nieuwe markten. Om dezelfde reden zouden de strategische prioriteiten voor onderzoek en innovatie zodanig kunnen worden gekozen dat daarmee een snellere verspreiding van kennis wordt bevorderd.

2.4.5

Tot slot is het zowel in de Verenigde Staten als in Europa van belang dat er voldoende gekwalificeerde arbeidskrachten zijn, alsook ondernemingen die belangstelling hebben om er te investeren, vooral in de concurrentie met China, een land dat zelf 75.000 hoog-gekwalificeerde werknemers tekort komt om de overstap naar een diensteneconomie te maken.

2.5

Dit gezegd zijnde, zijn er twee macrovisies die bepalend zijn voor de beleidskeuzes. Enerzijds zou er dringend behoefte zijn aan organisatorische innovatie, een noodzakelijke voorwaarde voor technische innovatie (Lam 2005 en OESO 2005), ook bij de Europese instellingen (Sachwald 2005, Sapir et al 2003, Esko Aho 2006), anderzijds zou het feit dat er geen „innovatievriendelijke” markt is waar nieuwe producten en diensten met succes kunnen worden geïntroduceerd (Esko Aho 2006) ertoe leiden dat ondernemingen in Europa niet genoeg investeren in O&O en innovatie. Het EESC wil er echter op wijzen dat ondernemerschap en het nemen van risico's noodzakelijk blijven.

2.6

Het tekortschieten van de markt als generator van innovatie wordt ook in de literatuur erkend sinds Arrow (1962) en Dasgupta en Stiglitz (1980). De kaderprogramma's van de Commissie zijn voor een belangrijk deel gebaseerd op de gedachte van actieve steun op microniveau aan de O&O van bedrijven, door een combinatie van steun voor O&O en bevordering van samenwerking teneinde de meest ontmoedigende belemmeringen weg te nemen (vergemakkelijking van onderzoek van partners en bevordering van gemeenschappelijke dynamiek met voordelen op het gebied van market entry, downstreaming en schaalvoordelen). Deze initiatieven zijn echter onvoldoende gebleken om een duurzame innovatiedynamiek in de gehele EU tot stand te brengen.

2.7

Het EESC is daarom verheugd over het feit dat de Commissie het accent legt op het mesoniveau, het bedrijfstakniveau en het grensoverschrijdende niveau. Instrumenten als partnerschappen, netwerken, clusters, agglomeraties, forums en dialogen bevorderen linkages, externe effecten en spillovers tussen ondernemingen en organisaties, maar ook geografisch, en vergemakkelijken daarmee de innovatie. Op deze coördinatieniveaus zullen gemakkelijker factoren kunnen worden bepaald die van invloed zijn op het investerings- en innovatieniveau, en ook knelpunten worden vastgesteld.

2.8

De voorgestelde aanpak en acties worden echter niet vergezeld door begrotingsindicaties, terwijl er toch, om ze met succes uit te voeren, aanzienlijke middelen en coördinatiecapaciteit nodig zijn. Bovendien herinnert de Commissie er in haar mededeling voor de voorjaarstop van de Europese Raad van 2006, op dezelfde pagina als die waarop de enige verwijzing naar mededeling COM(2005) 488 staat, aan dat de wetgevingsvoorstellen echter pas daadwerkelijk effect kunnen sorteren wanneer zij zijn goedgekeurd door de Raad en het Parlement. Daarnaast hangen veel van de financiële maatregelen af van de afronding en uitvoering van de financiële vooruitzichten voor de periode 2007-2013. Zelfs de voorgestelde acties zijn dus slechts een indicatie.

2.9

Het EESC verzoekt de Commissie zo snel mogelijk indicaties te geven over de begroting, met inbegrip van een duidelijk follow-up- en evaluatiesysteem voor deze mededeling, met een exacte datum, bijvoorbeeld in 2008. Bovendien acht het EESC het noodzakelijk dat de Commissie een verslag uitbrengt waarin alle verslagen worden opgenomen van de groepen experts die rechtstreeks verband houden met de mededeling, alsmede een beoordeling van de gedane aanbevelingen. Dergelijke aanwijzingen moeten overeenstemmen met de gekozen opties en acties. Ten slotte zou het bij het streven om de bestaande fragmentatie op te heffen wenselijk zijn te beschikken over een mapping van personen die verantwoordelijk zijn voor de coördinatie van de acties zoals voorgesteld in COM(2005) 488, op alle niveaus — regio's, lidstaten en Europese instellingen. De Commissie heeft voortreffelijke inspanningen geleverd met de Trendcharts per land, waarin beschrijvingen worden gegeven van de onderzoeks- en innovatie-instellingen, en deze zouden als basis kunnen worden gebruikt voor deze mapping. Het zou ook interessant zijn na te denken over de ervaring met „virtual agencies” op het gebied van onderzoek en innovatie in de Verenigde Staten.

2.10

Het EESC merkt bovendien op dat de belangrijkste concepten (onderzoek, innovatie, kennis en technologie) niet worden gedefinieerd in de mededeling. De Commissie heeft trans-Europees onderzoek gesteund om tot dergelijke definities te komen; Eurostat en de OESO hebben 'innovatie' omschreven. Het meest recente „European Innovation Scoreboard” over de verhouding tussen innovatie-input en –output werkt het concept „innovatie-efficiëntie” uit en ziet O&O als innovatie-input. Bovendien zou een beter onderscheid moeten worden gemaakt tussen acties die bestemd zijn voor onderzoek en innovatie als zodanig en beleid dat gericht is op het scheppen van gunstige omstandigheden voor innovatie (zoals opleiding, ontvangen van en bieden van een kader voor mobiele arbeidskrachten, steun aan het MKB en aan minder begunstigde regio's voor het invoeren van ICT wanneer de kosten voor hen naar verhouding hoger zijn dan voor andere actoren). Met andere woorden, het onderscheid tussen innovatie in de betekenis van nieuwe producten en diensten in de markt en innovatie als proces. Het eerste is een noodzakelijke, maar op zichzelf geen voldoende voorwaarde voor dynamische autonome groei.

2.11

Het EESC volgt de ontwikkelingen op dit terrein zeer actief, met diverse adviezen op het brede terrein van COM 488. Gezien de beperkte ruimte worden zijn adviezen hier slechts kort weergegeven, met name: over de Europese onderzoeksruimte, waarin alle thema's van COM 488 al aanwezig waren (CESE 595/2000), in het bijzonder in de paragrafen 7 „Onderzoek en technische innovatie” en 8 over de behoefte aan „Uitwisseling van medewerkers tussen onderzoeksinstellingen en bedrijfsleven”.

2.12

In EESC-advies 724/2001 is gewezen op de rol van fundamenteel onderzoek in de meeste grote ontdekkingen. In het advies van het EESC over Europa en fundamenteel onderzoek (15) en de wisselwerking hiervan met toegepast onderzoek is in paragraaf 2.5 sprake van het vraagstuk van octrooien, waarin het EESC wijst op de dringende noodzaak om een systeem van „Europese” octrooien op te zetten met, net als in de VS gebeurt, een „gedoogperiode” tussen de wetenschappelijke publicatie van een ontdekking en het octrooi voor het gebruik van die ontdekking. Dit communautaire octrooi moet snel en tegen lage kosten verkrijgbaar zijn. Het EESC betreurt de vertraging in verband met taalkundige aspecten.

2.13

Het advies van het EESC over onderzoekers in de Europese Onderzoekruimte steunt het Europees Handvest voor onderzoekers (16), alsook in paragraaf 5.4 de noodzaak van uitwisselingen tussen universiteiten en bedrijfsleven. Ook deed het de aanbeveling beter gebruik te maken van deskundigen met jarenlange ervaring, in combinatie met de verenigbaarheid en erkenning van de diverse onderdelen van sociale voorzieningen en huisvesting, zodat de garantie kan worden gegeven dat het gezin niet gescheiden wordt (paragraaf 5.5.5). Zijn advies over wetenschap en technologie (17); over het zevende kaderprogramma voor onderzoek, waarvan het EESC het belang onderstreept, de financiering en de onderverdeling in subprogramma's en negen onderzoeksthema's, waarover het EESC (18) specifieke adviezen (19) heeft uitgebracht.

2.14

In het advies over concurrentievermogen en innovatie 2007-2013 (20) wijst het EESC op het belang van deelname van het MKB en van de sociale partners aan innovatie (21). Zij moeten terdege bij de zaken betrokken worden om van innovatie een succes te maken. In zijn advies in voorbereiding over het beleidskader ter versterking van de EU-industrie juicht het de benadering per bedrijfstak toe, maar herinnert het eraan dat er middelen nodig zijn voor de coördinatie, terwijl er geen begroting is, en spreekt het de hoop uit dat de kwalificaties van werknemers, een onderwerp dat bedrijfstakoverschrijdend is, de nodige aandacht zullen krijgen. Dit meer geïntegreerde industriële beleid is zeer belangrijk: de industrie „biedt werkgelegenheid aan meer dan 34 miljoen personen en vertegenwoordigt 80 % van de uitgaven van de particuliere sector in de Europese Unie aan onderzoek en ontwikkeling”.

3.   Bijzondere opmerkingen

3.1

Het EESC onderschrijft met name de inspanningen van de Commissie om te komen tot een concurrerend Europees stelsel voor intellectuele eigendom, de regels voor de verspreiding van onderzoeksresultaten (2007-2013) en beveelt aan bijzondere aandacht te schenken aan het beheer van octrooien voor innovatie in en door de instrumenten die worden genoemd in paragraaf 2.7.

3.2

Een beter systeem voor de verspreiding van kennis is essentieel voor het concurrentievermogen. Hier dienen te worden vermeld de Contactpunten innovatie en het idee van de Commissie om vouchers te gebruiken voor MKB-bedrijven waarmee ze de diensten van consultants kunnen inkopen voor hun innovatiestrategieën. Die verspreiding zou worden bevorderd door grensoverschrijdende clusters; binnenkort zal er een mededeling worden uitgebracht over bedrijvenclusters in Europa waarin het belang van dergelijke clusters zal worden erkend. Er zal vanaf 2006 een database worden opgebouwd over clusters.

3.3

Het EESC blijft hameren op het belang van de sociale dimensie voor innovatie en op de optimale benutting van menselijk en maatschappelijk kapitaal als productiefactor van onderzoek en innovatie en hoopt dat in de volgende versie van het Oslo-handboek (OESO-Eurostat) statistieken zullen worden opgenomen die hier rekening mee houden, waaronder indicatoren voor gekwalificeerd menselijk kapitaal en voor locaties — universiteiten, overige onderwijsinstellingen en gecombineerde platforms van industrie, overheidsorganen en universiteiten — als producenten van innovatie.

3.4

Ten aanzien van staatssteun voor innovatie, die een aanzienlijk hefboomeffect zou hebben op de uitgaven van het bedrijfsleven aan onderzoek, is het EESC verheugd over de aandacht die aan het MKB wordt geschonken. Het verzoekt de Commissie het scheppen van werkgelegenheid te beschouwen als investering in onderzoek en innovatie, als de arbeidsplaatsen specifiek hierop gericht zijn. Het EESC wijst tevens op het belang van de oprichting van meer middelgrote en kleine innovatieve bedrijven („start-ups”) door gebruik te maken van instrumenten als risicokapitaal en door het Europees Investeringsfonds hierbij te betrekken.

3.5

Een belangrijke factor voor innovatie is de beschikbaarheid van gekwalificeerde mensen op alle niveaus, gelet op de in par. 2.4.5 genoemde wereldwijde concurrentie. De mededeling richt zich in het bijzonder op wetenschappelijk personeel. Er moet echter ook aandacht worden besteed aan gekwalificeerde niet-wetenschappelijke arbeidsplaatsen. Er moet tevens gewerkt worden aan een evenwicht tussen vraag en aanbod van specifieke kwaliteiten en kennis voor de verschillende sectoren. Om tot doelmatige en snelle oplossingen te komen, zou het nuttig zijn als alle sociale partners en alle betrokken stakeholders aan het proces zouden deelnemen. Het EESC dringt er bij de Commissie op aan de discussie hierover aan te gaan.

3.6

Evenzo zou het met het oog op de mobiliteit nodig zijn vooruitgang te boeken met handvesten van gemeenschappelijke Europese competenties, die nodig zijn voor elke sector of elk thema, en niet te vergeten de kwalitatieve dimensie van het onderwijs (waarden, gelijke kansen). Aangezien de DG's Werkgelegenheid en Onderwijs en cultuur zich ook bezighouden met het thema „menselijk kapitaal”, is het belangrijk dat hun initiatieven voor onderzoek en innovatie in deze mededeling worden opgenomen, zodat het hele spectrum in beschouwing wordt genomen.

3.7

Het EESC verzoekt de Commissie onderzoek en innovatie te bevorderen in alle sectoren waar zulks mogelijk is: concurrentieproblemen bestaan niet alleen in de hightechsector. Het strategische beheer van de wijzigingen na een massale invoering van nieuwe technologieën in het MKB zou kunnen worden geïntegreerd in de voorgestelde acties. De deelname van de sociale partners en andere stakeholders daarin is van essentieel belang.

3.8

Het EESC onderschrijft het standpunt in het verslag Esko Aho dat bedrijven met meer dan 250 werknemers onvoldoende aandacht krijgen. Eén van de oorzaken hiervan is waarschijnlijk dat de definitie van MKB te beperkt is vergeleken met de definities die in de VS en in Japan worden gehanteerd. Het EESC acht de speciale aandacht voor financiering van innovatieve MKB-bedrijven nodig om een innovatieve Europese economie tot stand te brengen met sociale samenhang. Het is niet verrassend dat de Paxis-regio Emilia-Romagna één van de actiefste is, ondanks het feit dat andere innovatie-indicatoren in Italië minder gunstig zijn. Voorts moet de steun aan bedrijven specifiek worden afgestemd op de kenmerken van het MKB in zijn verschillende vormen (zoals coöperaties en andere gemeenschappelijk ondernemingsvormen).

3.9

Het EESC zou graag zien dat de Commissie melding maakt van acties voor onderzoek en innovatie in samenwerking met andere regio's. De Commissie kiest al voor een mondiale visie in de Trendcharts en in diverse andere initiatieven. Na Mededeling 346 van 25 juni 2001 over „de internationale dimensie van de Europese onderzoeksruimte” heeft het INCO-deel van KP6 nadrukkelijk de deelname van derde landen bevorderd, en deze lijn zou in KP7 worden voortgezet. Deze acties zouden meer onder de aandacht kunnen worden gebracht als ze als een apart onderdeel worden gepresenteerd. De rol van steden en metropolen in innovatie verdient dan ook meer aandacht.

3.10

Het EESC beveelt de Commissie aan te kijken naar de onderlinge timing van technologische investering, liberalisering en herstructurering, aangezien bedrijven, met name grotere bedrijven, rekening zullen moeten houden met veranderingen in de controle en de behoeften aan investeringen in onderzoek en innovatie (bijvoorbeeld op het gebied van energie, vervoer en netwerkindustrieën.

3.11

Bovendien waarschuwt het EESC ervoor dat het nodig zou kunnen zijn te zoeken naar het juiste evenwicht tussen bevordering van innovatie op het gebied van marketing en gezamenlijke licensing van nieuwe producten en diensten door bedrijven enerzijds en het mededingingsrecht anderzijds.

3.12

Het EESC beschouwt innovatie als een bijdrage aan een concurrerende economie met sociale samenhang en niet als een eindresultaat op zich. Hoewel het EESC beseft dat dit een opgave van formaat is, dringt het er bij de Commissie op aan statistieken te produceren en studies te bevorderen die erop gericht zijn de verbanden tussen innovatie, concurrentievermogen en sociale samenhang beter te kunnen meten en zo de resultaten helder en doeltreffend te kunnen evalueren en op overtuigende wijze aan de Europese burgers te kunnen meedelen. Zoals anderen het hebben gezegd: ontwikkel ambitieuze, technologisch gedurfde projecten die te rechtvaardigen zijn wegens hun intrinsieke sociale en politieke waarde (Dosi et al., 2005).

3.13

Bovendien verzoekt het EESC de Commissie, vanuit de perceptie van innovatie als een systeem, om haar werkzaamheden af te stemmen met die van de Europese Investeringsbank teneinde te zorgen voor synergie tussen de programma's van de EIB, het Europees Investeringsfonds, het zevende kaderprogramma voor onderzoek en het kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie, opdat innovatie een dynamisch en goed gestructureerd systeem wordt.

Brussel, 5 juli 2006

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Anne-Marie SIGMUND


(1)  SEC (2005) 1289, Bijlage bij document COM (2005) 488 final; Impact Assessment, waarin de Commissie de derde optie, namelijk een gemeenschappelijke aanpak, kiest.

(2)  PB C 204 van 18.7.2000.

(3)  COM (2002) 499 final.

(4)  „Samen werken aan werkgelegenheid en groei — Een nieuwe start voor de Lissabon-strategie” [COM(2005) 24 final] van 2.2.2005 en „Gemeenschappelijke acties voor groei en werkgelegenheid: het communautair Lissabon-programma” [COM(2005) 330 final] van 20.7.2005.

(5)  COM(2005) 229 final en SEC(2005) 717 van 1 juni 2005 over „i2010 — Een Europese informatiemaatschappij voor groei en werkgelegenheid” voor de bevordering van de groei en de werkgelegenheid in de informatiemaatschappij en de media. Zij richt zich hiermee zich op de bedrijfstak van de EU die verantwoordelijk is voor 40 % van de productiviteitsstijging en 25 % van de groei van het BBP in de EU.

(6)  SEC(2005)1289, Impact assessment.

(7)  Mobilisatie van publieke en particuliere middelen, fiscale voordelen, Europese structuurfondsen, toegang van het MKB tot financiering.

(8)  Partnerschappen tussen universiteiten en bedrijfsleven, innovatiecentra en onderzoeksgerichte industriële clusters, proactieve bedrijfsondersteunende diensten en innovatieve diensten.

(9)  Conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van 23 en 24 maart 2006, Brussel.

(10)  (2006/2005(INI)), 12.10.2005, analyse van COM(2005) 488 final door het Europees Parlement.

(11)  SEC(2005) 1253, bijlage bij COM(2005) 488 final, „Steps for the implementation”.

(12)  COM(2003) 226 final, par. 2.

(13)  Acht lidstaten hebben deze al ingevoerd; ze zijn goed voor 13 % van de directe investeringen in onderzoek in deze landen.

(14)  Ibid, Calderon 2001, blz. 19.

(15)  PB C 110 van 30.4.2004.

(16)  PB C 110 van 30.4.2004.

(17)  PB C 157 van 26.6.2005.

(18)  PB C 65 van 17.3.2006.

(19)  Nanotechnologie, biotechnologie, onderzoek op het gebied van gezondheid, informatietechnologie, energie-onderzoek (waaronder onderzoek naar energie door kernfusie), ruimtevaart en veiligheid.

(20)  PB C 65 van 17.3.2006.

(21)  „In Europa behoort 98 % van de ondernemingen tot het MKB. Deze ondernemingen staan in voor 55 % van de werkgelegenheid in de particuliere sector. De mogelijkheden van het MKB voor innovatie van productieprocessen, producten en diensten zijn aanzienlijk”, CESE 1485/2005, par. 1.2.


16.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 309/15


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het „Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende geneesmiddelen voor geavanceerde therapie en tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG en Verordening (EG) nr. 726/2004”

(COM(2005) 567 final — 2005/0227 (COD))

(2006/C 309/03)

De Raad heeft op 10 januari 2006 besloten, overeenkomstig de bepalingen van art. 95 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, het Europees Economisch en Sociaal Comité te raadplegen over bovengenoemd voorstel.

De gespecialiseerde afdeling Interne markt, productie en consumptie, die met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 31 mei 2006 goedgekeurd. Rapporteur was de heer BEDOSSA.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 5 en 6 juli 2006 gehouden 428e zitting (vergadering van 5 juli) onderstaand advies met 150 stemmen voor, bij 1 onthouding, goedgekeurd.

1.   Samenvatting

1.1

Het Comité is ingenomen met het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende geneesmiddelen voor geavanceerde therapie en tot wijziging van Richtlijn 2001/93/EG en Verordening (EG) nr. 726/2004.

1.2

In een context waarin wetenschappelijke ontwikkelingen, met name op het gebied van de biotechnologie, elkaar snel opvolgen, zijn duidelijkheid, nauwkeurigheid en deskundigheid immers van groot belang.

1.3

Doel van dit voorstel is een samenhangend beeld te geven van de verschillende innoverende therapieën, de huidige lacunes op het gebied van regelgeving aan te vullen en specifieke evaluatie door het Europees geneesmiddelenbureau m.b.t. deze nieuwe disciplines te ondersteunen. Aldus zal het mogelijk zijn:

via onderzoek en ontwikkeling van regeneratieve geneeskunde een afdoende antwoord te geven op de vraag van patiënten en tegemoet te komen aan de verwachtingen van de industrie;

een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van Europese patiënten te waarborgen;

volledige rechtszekerheid te garanderen, met inachtneming van een redelijke flexibiliteit op technisch niveau, teneinde een en ander op de wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen af te stemmen.

1.4

Gelet op de specifieke kenmerken van geneesmiddelen voor geavanceerde therapieën moet er worden voorzien in een alomvattend en duurzaam rechtskader dat in alle lidstaten toepasbaar is.

1.5

Er is gekozen voor een verordening omdat dit het meest geschikte rechtsinstrument lijkt en vooral ook omdat de problemen op volksgezondheidsgebied in de Europese Unie m.b.t. geneesmiddelen voor geavanceerde therapieën niet kunnen worden opgelost zolang er geen specifieke wettelijke regeling is uitgewerkt.

1.6

Een aantal aspecten van dit voorstel voor een verordening kunnen, gelet op de gegeven definities, t.a.v. het voorstel voor een richtlijn over medische hulpmiddelen toepassingsproblemen doen rijzen. In de definitieve tekst moeten dan ook de vele vragen en twijfels worden weggenomen, waarvan enkele hieronder worden weergegeven.

Wat is het nut van deze nieuwe reglementering als geneesmiddelen voor innoverende therapie als gentherapie en somatische celtherapie reeds onder specifieke richtlijnen voor farmaceutische producten vallen?

De definities, met name in artikel 2b, lijken bijzonder ingewikkeld en zijn eerder van bijkomstige aard.

Voorts is duidelijk dat nationale farmaceutische wetgeving kan verhinderen dat Europese wetgeving wordt toegepast.

Het zou dan ook beter zijn geweest een soepeler aanpak te hanteren op basis van wederzijdse erkenning.

De kwestie van autologe producten in de ziekenhuissector en van producten van niet-industriële oorsprong hangt ook samen met de problematiek van grensgevallen als producten van vreemde oorsprong die in Europa worden gebruikt.

2.   Algemene opmerkingen

2.1

Bij de behandeling, artikel per artikel, van de ontwerpverordening kunnen de volgende opmerkingen, vragen en aanbevelingen worden geformuleerd. Betreffende artikel 2 „Definities” (1):

2.2

De definities m.b.t. gentherapie en somatische celtherapie doen over het algemeen geen problemen rijzen daar de mettertijd opgedane ervaringen tot een consensus hebben geleid; deze producten worden als geneesmiddelen beschouwd en vallen als zodanig reeds onder de desbetreffende communautaire wetgeving.

2.2.1

De definitie van een weefselmanipulatieproduct lijkt moeilijker. In de huidige versie van art. 2.1.(b) wordt onder het eerste streepje gezegd dat een weefselmanipulatieproduct een product is dat „geheel of gedeeltelijk uit gemanipuleerde cellen of weefsels bestaat”, zonder dat daarbij wordt gespecificeerd dat deze daarvan „integrerend deel uitmaken”; aldus komen ook medische hulpmiddelen die „bijkomend” weefselmanipulatieproducten bevatten, de facto onder innoverende geneesmiddelen te vallen, waardoor de bepalingen van het thans voorliggende voorstel voor een richtlijn over medische hulpmiddelen geen zin meer hebben.

2.2.2

Ook de tekst onder het tweede streepje van art. 2.1 (b) is zodanig geformuleerd dat er bij de tenuitvoerlegging problemen kunnen ontstaan, met name wegens overlappingen met de richtlijn over medische hulpmiddelen: daar weefselmanipulatieproducten onder de geneesmiddelenwetgeving vallen, zou het goed zijn te verwijzen naar hun belangrijkste functie, nl. behandeling of preventie van ziekten, of van aanpassing van fysiologische functies via een farmacologisch, immunologisch of metabolisch effect, en niet alleen de eigenschappen te vermelden die verband houden met het „herstellen, verbeteren of wijzigen van menselijk weefsel” — eigenschappen die ook sommige soorten medische hulpmiddelen bezitten.

2.3

Hierbij dient te worden opgemerkt dat inspanningen zijn gedaan om een dergelijk „weefselmanipulatieproduct” zo goed mogelijk te beschrijven. Niettemin is het verschil niet duidelijk met producten voor celtherapie (mergtransplantaties, stamceltransplantaties, navelstrengbloedtransplantaties, volwassen of embryonale stamcellen, enz.).

2.4

Om deze definitie te verduidelijken stelt het Comité voor bij deze denkoefening uit te gaan van voorbeelden van producten die thans als weefselmanipulatieproducten worden beschouwd. Aldus kan een beter begrip worden verkregen, dat absoluut nodig is, gelet op de huidige discussies en controverses, met name over embryonale stamcellen.

2.5

Ethische aspecten zorgen niet langer voor problemen — menselijke embryonale stamcellen (hESC's) buiten beschouwing gelaten.

2.6

De controverse gaat vooral over de productiewijze van stamcellen. Met name de productie van deze cellen via celkerntransplantatie (m.a.w. klonen) doet enorme ethische vragen rijzen en tot op heden kon binnen de Europese Unie hierover geen echte consensus worden bereikt. De frequentst geformuleerde bedenkingen hebben betrekking op het risico van reproductief klonen, de handel in eicellen en het commercialiseren van delen van het menselijk lichaam.

2.7

Dergelijke praktijken zijn immers expliciet verboden bij het Verdrag van de Raad van Europa inzake de rechten van de mens en de biogeneeskunde (Verdrag van Oviedo, 1998) en door het Internationaal comité voor de bio-ethiek (UNESCO, 1997).

2.8

Bij gebrek aan consensus tussen de lidstaten van de Europese Unie valt het gebruik van hESC's bijgevolg onder de nationale bevoegdheid.

2.9

De precisering in de overwegingen (2) is dus van cruciaal belang daar aldus rekening kan worden gehouden met de lopende discussies en eraan wordt herinnerd dat deze tekst tot vaststelling van communautaire regelgeving voor geneesmiddelen voor geavanceerde therapie „niet mag raken aan beslissingen van lidstaten om het gebruik van specifieke soorten menselijke cellen, zoals embryonale stamcellen, of dierlijke cellen al dan niet toe te staan”.

2.10

Ook moet zij „de toepassing van de nationale wetgeving waarbij de verkoop, de verstrekking of het gebruik van geneesmiddelen die geheel of gedeeltelijk uit deze cellen bestaan of daaruit zijn bereid, onverlet laten.”

3.   Bijzondere opmerkingen

3.1

De harmonisering van de beginselen die van toepassing zijn op alle andere moderne biotechnologische geneesmiddelen waarvoor thans communautaire wetgeving bestaat, verloopt via een gecentraliseerde vergunningsprocedure, m.a.w. een wetenschappelijke evaluatie van de kwaliteit, veiligheid en doeltreffendheid van geneesmiddelen voor geavanceerde therapie.

3.2

Deze geavanceerde therapieën, in tegenstelling tot traditionele medische behandelingen, vergen echter van nature specifieke preklinische en klinische procedures, met name wat betreft expertise, risicobeheer en geneesmiddelenbewaking na het afgeven van de vergunning voor het in de handel brengen.

3.3

In het onderhavige voorstel voor een verordening waarover het Comité wordt geraadpleegd, wordt onderstreept dat de comités voor geneesmiddelen voor menselijk gebruik (CHMP) (3) een specifieke deskundigheid moeten ontwikkelen voor de evaluatie van deze producten en dat met name ook patiëntenverenigingen bij deze evaluatiegroepen moeten worden betrokken.

3.4

Daarom moet binnen het Europees geneesmiddelenbureau een comité voor geavanceerde therapieën (CAT (4)) worden ingesteld, dat het Comité voor geneesmiddelen voor menselijk gebruik van het geneesmiddelenbureau moet raadplegen in verband met de beoordeling van gegevens betreffende geneesmiddelen voor geavanceerde therapie, alvorens een definitief wetenschappelijk advies uit te brengen.

3.5

De oprichting van een dergelijk comité voor geavanceerde therapieën moet het mogelijk maken de enkele zeldzame topexperten waarover de Unie op dit gebied thans beschikt en geselecteerde vertegenwoordigers van de verschillende betrokken partijen bijeen te brengen.

3.6

De oprichting van een dergelijk comité is verantwoord daar aldus niet alleen wetenschappelijke procedures maar ook normen voor goede klinische praktijken en goede vervaardigingspraktijken zullen kunnen worden vastgesteld en de evaluatie van de producten zal kunnen worden gevolgd tot het afgeven van de vergunning voor het in de handel brengen, alsook daarna.

3.7

Het is van belang te herinneren aan het beginsel dat „de menselijke cellen en weefsels in geneesmiddelen voor geavanceerde therapie principieel door vrijwillige, onbetaalde donatie moeten worden verkregen”. Hiermee wordt gehoor gegeven aan het blijvende streven naar hogere veiligheidsnormen voor weefsels en cellen, teneinde het gevaar op commercialisering van delen van het menselijk lichaam weg te nemen en de menselijke gezondheid te beschermen.

3.8

De rol van het Europees geneesmiddelenbureau wordt bevestigd en zal van doorslaggevend belang zijn op alle niveaus: zowel bij de productie van geneesmiddelen voor geavanceerde therapie, goede praktijken bij het vervaardigen, de voorschriften m.b.t. de samenvatting van de kenmerken van het product, de etikettering, de bijsluiter en de technische voorschriften, als bij het bepalen van de scheidslijnen met andere gebieden (zoals cosmetische producten of andere medische hulpmiddelen) waarvan de ontwikkeling samen met die van de wetenschap ook een hoge vlucht zal nemen.

3.8.1

Sommigen merken op dat de gehanteerde procedures, in tegenstelling tot de nationale toelatingsprocedures, hoge kosten met zich meebrengen, en dat de overgangsperiodes in de nationale regelingen langer zijn, nl. 5 jaar (tegen slechts 2 jaar in de Europese Unie). Een gedecentraliseerde nationale procedure is een politiek risico en kan de toegang tot geneesmiddelen voor geavanceerde therapie belemmeren; het is immers mogelijk dat niet alle lidstaten over toegang beschikken.

3.9

De benadering van het economische aspect in het voorstel is ten slotte ook van nut (5). In de wereldwijde concurrentie tussen gezondheidsindustrieën moet de Europese Unie haar positie op zowel de interne als de extracommunautaire markt handhaven.

3.10

De economische risico's die samenhangen met de onzekerheden, de snelle ontwikkelingen op wetenschappelijk gebied en de hoge kosten van studies, zijn een rem voor belangrijke en duurzame investeringen m.b.t. geneesmiddelen en met name geneesmiddelen voor geavanceerde therapieën.

3.11

Studies die nodig zijn om de kwaliteit en de niet-klinische veiligheid van geneesmiddelen voor geavanceerde therapie aan te tonen, worden bovendien vaak door kleine en middelgrote ondernemingen verricht, en zijn vaak niet gebaseerd op eerder opgedane ervaringen op farmaceutisch gebied (het gaat over het algemeen om spin-offs van biotechnologische laboratoria of om producenten van medische hulpmiddelen).

3.12

In de ontwerpverordening wordt terecht voorgesteld, teneinde de uitvoering van deze studies te stimuleren, een systeem in te voeren „waarmee de onderzoeksresultaten onafhankelijk van eventuele vergunningaanvragen door het bureau worden beoordeeld en gecertificeerd”.

3.12.1

Wat weefselmanipulatie betreft, kunnen de producten ondertussen evenwel vervaardigd worden door kleine en middelgrote ondernemingen, door „start-up” en „spin-off” bedrijven, en dus niet door de farmaceutische industrie. De volgende opmerkingen liggen dan ook voor de hand:

Op welke gebieden moet deze verordening van toepassing zijn om operationeel te zijn? Zal de verordening niet voor grote controverses zorgen terwijl de gebruikte technologieën veelbelovend zijn?

In welke mate kan het CAT, dat van elke lidstaat een vertegenwoordiger telt, onafhankelijk zijn van het CHMP ?

Het gehanteerde rechtskader is niet geschikt daar het om niet-traditionele farmaceutische producten gaat waarvoor andere teksten moeten worden aangepast.

De voorzichtigheid die aan de dag wordt gelegd m.b.t. het gebruik van stamcellen kan in de betrokken landen een veto uitlokken; de formulering moet daarom „adequaat” zijn en details mogen geen problemen veroorzaken.

3.13

Het streven naar vereenvoudiging van de beoordeling van eventuele latere aanvragen van vergunningen voor het in de handel brengen die op dezelfde gegevens berusten, moet worden ondersteund, zoniet aangemoedigd.

3.14

Waakzaamheid blijft evenwel geboden en deze bepaling moet zo nodig worden aangepast teneinde rekening te houden met de snelle ontwikkelingen in de wetenschappelijke gegevens (bv. geldigheid van gegevens, voorwaarden voor het opslaan van gegevens), de gezondheid van de patiënten te blijven beschermen en, meer algemeen, de ethische normen in acht te nemen.

3.15

Het geplande verslag over „de toepassing van deze verordening nadat daarmee de nodige ervaring is opgedaan” zou aanleiding kunnen geven tot een discussie binnen de betrokken instanties (met name het comité voor geavanceerde therapieën (CAT) en het comité voor geneesmiddelen voor menselijk gebruik (CHMP).

3.15.1

Het feit dat het CAT, een nieuw mechanisme van deskundigen, aan het CHMP ondergeschikt is, verzwaart evenwel de procedures en kan nodeloze contradicties tot gevolg hebben.

3.16

Meer algemeen moet er bij de publicatie van het geplande verslag (hoofdstuk 8, artikel 25) niet alleen „uitgebreide informatie worden gegeven over de verschillende soorten geneesmiddelen voor geavanceerde therapie die overeenkomstig deze verordening zijn toegelaten” maar moeten ook de resultaten bekend worden gemaakt van de in hoofdstuk 6 (artt. 17, 18 en 19) vermelde stimuleringsmaatregelen, nl. „Wetenschappelijk advies”, „Wetenschappelijke aanbeveling over de indeling van geavanceerde therapieën” en „Certificering van de kwalitatieve en niet-klinische gegevens”.

4.   Conclusies

4.1

Algemeen genomen is dit voorstel voor een verordening relevant en nuttig. In het belang van de patiënt maakt de verordening het mogelijk in te spelen op wetenschappelijke ontwikkelingen, alsmede definities en voorwaarden voor gebruik van geneesmiddelen voor geavanceerde therapie vast te stellen.

4.1.1

Daar de nieuwe technologieën bij patiënten de hoop wekken het menselijk lijden te kunnen verminderen, is het zaak, teneinde aan deze legitieme verwachtingen, met name op het gebied van regeneratieve geneeskunde, tegemoet te komen, toe te zien op het onderzoek via degelijke proeven, waarvan de protocollen de patiënten absolute veiligheid moeten garanderen. Daarom moet het een hoofddoelstelling (Motivering, punt 2.1) zijn, naast een hoog niveau van bescherming van de gezondheid, ook de medische kwaliteitsbewaking te waarborgen. Voorts mag ook de kwestie van niet-gebruikte substanties niet worden verwaarloosd, met het oog op de inachtneming van het milieuaspect.

4.2

Deze tekst is van belang voor met name de gentherapie en de somatische celtherapie. De voorzichtigheid die aan de dag wordt gelegd, zowel wat definities als toepassing van weefselmanipulatieproducten betreft, wijst er duidelijk op dat, aangezien de discussie op ethisch vlak niet is afgesloten en het in wezen om een interpretatie van „menselijkheid” gaat, met de onderhavige ontwerpverordening niet wordt geambieerd eens en voorgoed het probleem op te lossen en verder te gaan dan de desbetreffende standpunten van de lidstaten.

4.2.1

Met dit voorstel worden de voorwaarden gecreëerd om op het gebied van regelgeving de kloof te dichten die bestaat tussen de ontwerprichtlijn betreffende medische hulpmiddelen en deze ontwerpverordening. Het algemene principe van risico-evaluatie slaat zowel op geneesmiddelen voor geavanceerde therapie als op medische hulpmiddelen. Het kan ingewikkeld worden als het om gecombineerde producten gaat (d.i. medische hulpmiddelen met elementen van weefselmanipulatie): in dat geval dienen zowel kwaliteit als veiligheid te worden gegarandeerd; bij de beoordeling moet ook worden gekeken naar de doeltreffendheid van het gebruik van een geavanceerd geneesmiddel in een specifiek medisch hulpmiddel.

4.3

Het Comité brengt een gunstig advies uit over dit voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende geneesmiddelen voor geavanceerde therapie en tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG en Verordening (EG) nr. 726/2004, maar wijst wel op enkele essentiële punten waarvoor duidelijke oplossingen moeten worden gevonden die de correcte toepassing van de richtlijn verzekeren.

Brussel, 5 juli 2006

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Anne-Marie SIGMUND


(1)  COM(2005) 567 final

(2)  COM(2005) 567 final, overweging 6

(3)  CHMP: Committee for Medicinal Products for Human Use

(4)  CAT: Committee for Advanced Therapies.

(5)  Zie COM(2005) 567 final, overweging 23


16.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 309/18


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de „Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Uitvoering van het Lissabon-programma van de Gemeenschap: een strategie voor de vereenvoudiging van de regelgeving”

(COM(2005) 535 final)

(2006/C 309/04)

De Europese Commissie heeft op 9 december 2005 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité, overeenkomstig artikel 262 van het EG-Verdrag, te raadplegen over bovengenoemde Mededeling.

De gespecialiseerde afdeling Interne markt, productie en consumptie, die belast was met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden, heeft haar advies op 31 mei 2006 opgesteld. Rapporteur was de heer Cassidy.

Het Comité heeft tijdens zijn op 5 en 6 juli 2006 gehouden 428e zitting (vergadering van 5 juli 2006) het volgende advies uitgebracht, dat met 146 stemmen vóór bij 6 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Dit advies wordt uitgebracht op verzoek van de Commissie en volgt op de mededeling van de Commissie over „Betere regelgeving voor meer groei en banen”, die van maart 2005 dateert (1).

1.2

Het doel van vereenvoudiging is de kwaliteit van de regelgeving te verbeteren en deze begrijpelijker en „gebruiksvriendelijker” te maken.

1.3

Door de Europese wetgeving te vereenvoudigen zal deze beter wordt nageleefd en wordt de legitimiteit ervan versterkt.

1.4

Het Comité is van mening dat lidstaten een grote verantwoordelijkheid dragen voor de juiste omzetting van Europese maatregelen in nationale wetgeving en de handhaving hiervan. Het Comité erkent dat het Interinstitutioneel Akkoord „beter wetgeven” (2) een soort gedragscode voor lidstaten bevat, met regels voor een betere omzetting en toepassing van de Europese richtlijnen. Wat belangrijk is, is dat de uiteindelijke nationale wet- en regelgeving voor bedrijven en voor werknemers, consumenten en alle maatschappelijke organisaties zo evenwichtig en tegelijkertijd zo eenvoudig mogelijk is.

1.5

Het Comité wil dat de sociaal-economische kringen betrokken worden bij de „comitologie”-procedures ter vereenvoudiging van de regelgeving, ongeveer zoals dat met de SLIM-comités gebeurde maar dan systematischer en vóórdat regelgeving wordt uitgevaardigd in plaats van achteraf, zoals bij de experimenten met SLIM-(Eenvoudiger regelgeving voor de interne markt).

1.6

Het Comité zou graag zien dat er meer overleg wordt gepleegd tussen de Commissie en de stakeholders, vergelijkbaar met het overleg dat aan de onderhavige mededeling vooraf is gegaan. Dit zou de „coregulering” (3) die in hoofdstuk 3, onder d) van de mededeling wordt bedoeld immers aanzienlijk bevorderen. Het Comité betreurt echter dat met geen woord wordt gerept over „zelfregulering” (4), iets waarvoor het al eerder heeft gepleit (5).

1.6.1

Het Comité beseft overigens dat zelfregulering ook het risico met zich meebrengt dat er geen bindende voorschriften worden opgesteld, maar dat de actoren zelf vrijwillige overeenkomsten sluiten waaraan zij zich al dan niet houden.

1.7

Het Europees Hof van Justitie speelt een steeds grotere rol bij de interpretatie van EG-richtlijnen en heeft al meerdere malen uitleg moeten geven bij de soms dubbelzinnige formuleringen van de richtlijnen die voortvloeien uit de medebeslissingsprocedure. Het HvJ wordt ook steeds vaker ingeschakeld door nationale rechtbanken in het geval van aanvullende bevoegdheid. Het Comité constateert dat het HvJ erin geslaagd is het aantal zaken tegen lidstaten die geen mededeling doen van uitvoeringsmaatregelen, die EG-richtlijnen verkeerd toepassen of niet naleven met 12 % terug te brengen.

1.8

Het Comité onderschrijft het belang van deze mededeling van de Commissie over de uitvoering van het Lissabon-programma, waar helaas geen schot in zit omdat de nationale regeringen de verplichtingen die zij in Lissabon zijn aangegaan, niet nakomen.

1.9

Het Comité juicht het voornemen van de Commissie om meer gebruik te maken van informatietechnologie toe en hoopt dat de Commissie erop zal toezien dat de maatregelen die worden genomen om meer uit de IT te halen, aansluiten bij de nationale maatregelen (of dat de nationale maatregelen aansluiten bij de Europese!).

1.10

Het Comité heeft altijd achter de gemeenschappelijke verklaring „Advancing regulatory reform in Europe” gestaan, die op 7 december 2004 is ondertekend door de zes lidstaten die van 2004 tot 2006 opeenvolgend het voorzitterschap van de Raad bekleden (6), en hoopt dat ook de toekomstige voorzitters deze verklaring zullen onderschrijven (7).

1.11

Het Comité is zich ervan bewust dat het Europees Parlement al diverse verslagen over betere regelgeving heeft uitgebracht en wijst met name op het verslag-Gargani over een „Strategie voor de vereenvoudiging van de regelgeving” (8).

1.12

Het Comité is de huidige Commissie erkentelijk voor het ondernemen van een vastberaden poging om de initiatieven SLIM en BEST verder te ontplooien. De kaderactie (februari 2003-december 2004) heeft geresulteerd in de screening van ongeveer 40 beleidssectoren en de goedkeuring door de Commissie van ongeveer 40 vereenvoudigingsvoorstellen. Negen stuks daarvan zijn nog steeds in behandeling.

1.13

Het Comité is zich ervan bewust dat de uitbreiding van de Europese Unie tot 25 lidstaten ook de regelgevingsdruk op de diensten van de Commissie en op de nieuwe lidstaten heeft opgevoerd.

1.14

Vereenvoudiging en verbetering van de wetgeving zijn complementaire activiteiten waarbij zowel de Raad en het Parlement als de Commissie betrokken zijn, en waarover het EESC en het CvdR desgewenst advies uitbrengen.

1.15

Het Comité beklemtoont nogmaals, zoals het ook in vorige adviezen heeft gedaan, dat de regelgevings- en financiële druk op bedrijven, met name het MKB, moet worden verlaagd.

2.   Inleiding

2.1

Het Comité heeft de afgelopen jaren al vaker advies uitgebracht over vereenvoudiging, voor het eerst op verzoek van de Europese Raad van 1995, die een werkgroep oprichtte om na te gaan hoe de Europese regelgeving kon worden vereenvoudigd.

In deze reeks van adviezen kwam het Comité tot de volgende conclusies:

het EESC moet overleg plegen met het Comité van de Regio's en met de sociaal-economische raden in de lidstaten;

om de regelgeving te vereenvoudigen, zijn geen nieuwe ideeën nodig; de denkbeelden die de Europese instellingen en de Europese Raad van Lissabon al eerder naar voren hebben gebracht, moeten nu eens echt in praktijk worden gebracht;

bij ieder wetsvoorstel moeten de volgende criteria in acht worden genomen:

Zijn de bepalingen begrijpelijk en gebruiksvriendelijk?

Is de bedoeling van de bepalingen duidelijk?

Zijn de bepalingen compatibel met bestaande wetgeving?

Is de geplande werkingssfeer van de bepalingen niet te ruim?

Zijn de termijnen voor de tenuitvoerlegging realistisch en krijgen bedrijven en andere belanghebbenden voldoende tijd om zich aan te passen?

Welke controle- en herzieningsprocedures zijn er voorzien met het oog op een evenwichtige toepassing en een evaluatie van de doelmatigheid en de kosten?

stakeholders zijn grote voorstanders van van meer zelf- en coregulering;

de mogelijkheden van een minder gedetailleerde en minder pietluttige regelgeving die meer ruimte biedt voor coregulering en zelfregulering zijn tot nu toe onvoldoende bestudeerd  (9).

2.2

Er moet een wisselwerking zijn tussen vereenvoudiging en betere uitvoering en handhaving. Het lijkt erop dat in de huidige mededeling van de Commissie een aantal conclusies uit vorige adviezen van het EESC zijn overgenomen, aangezien wordt gesteld dat vereenvoudiging „niet nieuw” is. De reeks mededelingen van de Commissie dateert van 1997, twee jaar nadat het EESC voor het eerst opriep tot vereenvoudiging.

3.   Samenvatting van de mededeling van de Commissie

3.1

In de mededeling wordt gesteld dat vereenvoudiging van de wetgeving, niet alleen op Europees maar ook op nationaal niveau, de zaken gemakkelijker en kostenefficiënter moet maken voor burgers en bedrijven.

3.2

Een belangrijk deel van de nieuwe vereenvoudigingsstrategie van de EU is een herziening van het acquis. Er is een ambitieus driejarig programma (2005-2008) opgezet, dat gebruik maakt van de „praktische ervaring” van belanghebbenden en op een aanpak van continue, diepgaande sectorale evaluatie is gebaseerd.

3.3

De Commissie wil voor de vereenvoudiging de volgende vijf methoden gebruiken (10):

a)

intrekking — het schrappen van irrelevant geworden of achterhaalde wetgeving;

b)

codificatie — samenbrengen van een besluit en van alle wijzigingen daarop in een nieuw instrument zonder de inhoud te veranderen;

c)

herschikking — condificatie én wijziging van de inhoud;

d)

wijziging van de regelgevingsaanpak — de keuze voor een juridisch efficiëntere benadering dan de huidige, bijv. het vervangen van een richtlijn door een verordening;

e)

intensiever gebruik van informatietechnologie  (11) — het gebruik van IT bevorderen om de doeltreffendheid te verbeteren.

3.4

Volgens de Commissie heeft vereenvoudiging alleen kans van slagen als de andere Europese instellingen en met name alle lidstaten erachter staan. Met het oog hierop is het vooral belangrijk dat de lidstaten inzien dat de Europese wetgeving zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke richtlijnen, die conform de medebeslissingsprocedure zijn goedgekeurd, moet blijven en niet mag worden aangevuld (of opgesierd d.m.v.„goldplating”).

3.5

De mededeling houdt rekening met de resultaten van het uitgebreide overleg met de lidstaten en belanghebbenden. De conclusie hiervan luidt dat de Europese voorstellen:

de leesbaarheid van de wetgeving moeten verbeteren;

het regelgevend kader moeten aanpassen en moderniseren;

de administratieve kosten moeten beperken;

de samenhang van het acquis moeten versterken;

de evenredigheid van het acquis  (12) moeten verbeteren.

Dit laatste interesseert de belanghebbenden wellicht het meest.

In bijlage 2 van de mededeling worden 222 vereenvoudigingsmaatregelen opgesomd. Het vereenvoudigingsprogramma van de Commissie loopt van 2005 tot 2008.

3.6

De eerste richtlijn inzake vennootschapsrecht (68/151/EEG) werd in 2003 vereenvoudigd, bijgewerkt en gemoderniseerd om de mogelijkheden van moderne informatietechnologieën volledig te benutten en om de transparantie ten aanzien van naamloze vennootschappen te vergroten. Maar bij een eventuele herschikking of codificatie kan deze gewijzigde richtlijn ook worden meegenomen. Eind vorig jaar is een publieke raadpleging gestart om de mening van belanghebbenden hierover te peilen.

4.   Algemene opmerkingen

4.1

Vereenvoudiging mag in principe niet worden gebruikt om via een achterdeurtje 'deregulering' te bewerkstelligen. Administratieve vereenvoudiging mag niet tot bijstelling naar beneden of tot uitholling van bestaande sociale wetgeving, en met name voorschriften ter bescherming van werknemers, consumenten en milieu leiden.

4.2

Het Comité is ingenomen met de mededeling en deelt de mening van de Commissie dat het succes van de vereenvoudiging van de regelgeving evenzeer in handen ligt van de lidstaten en hun regelgevende instanties als van de Europese instellingen.

4.2.1

Het zou nuttig zijn als er een gedragscode zou worden opgesteld, zoals het Comité al eerder heeft bepleit (13) (zie ook bijlage I).

4.2.2

Het Comité herinnert eraan dat het succes van het vereenvoudigingsprogramma niet alleen afhankelijk is van het vermogen van de Commissie om voorstellen te produceren, maar ook van het vermogen van de medewetgever om de door de Commissie gepresenteerde vereenvoudigingsvoorstellen binnen een redelijke termijn goed te keuren.

4.2.3

Er zij op gewezen dat in par. 36 van het Interinstutioneel akkoord wordt gesteld dat „binnen zes maanden na de inwerkingtreding van dit akkoord het Europees Parlement en de Raad, die als wetgevingsautoriteit de voorstellen voor vereenvoudigde besluiten uiteindelijk zullen moeten aannemen, hun werkmethoden dienen te wijzigen, door bijvoorbeeld te voorzien in ad-hocstructuren die specifiek belast zijn met de vereenvoudiging van de wetgeving”.

4.3

De mededeling erkent het belang van het vereenvoudigingsinitiatief voor het MKB en voor consumenten. Slecht opgestelde Europese of nationale wetgeving leidt ertoe dat consumenten niet precies weten wat hun rechten zijn en over welke beroepsmogelijkheden zij beschikken.

4.4

Het Comité is ook zeer te spreken over het voornemen van de Commissie om vaker gebruik te maken van effectbeoordeling, niet alleen om de lastendruk voor bedrijven te meten maar ook om het effect op consumenten, achtergestelde groepen (zoals gehandicapten) en het milieu te bepalen. Met het oog op het in het kader van het Lissabonproces gestelde doel om meer groei en werkgelegenheid te realiseren, zou een effectbeoordeling ook heel nuttig zijn voor het inschatten van de impact op werknemers en de werkgelegenheid in het algemeen. Bijzonder welkom is met name het voorstel om meer gebruik te maken van „one-stop-shops” en de verwijzing in bepaalde richtlijnen naar virtueel testen en zelftesten in het geval van motorvoertuigen.

4.5

Het zou goed zijn indien de Commissie niet alleen bij het indienen van nieuwe voorstellen, maar ook bij het intrekken van voorstellen met een effectbeoordeling zou komen.

5.   Bijzondere opmerkingen

5.1

De mededeling impliceert dat de aanpassing van richtlijnen aan de technische vooruitgang („comitologie”) doorzichtiger moet worden gemaakt, iets waar het Europees Parlement vaak op heeft gehamerd. Hier ligt echter een taak voor de lidstaten. Het comitéwerk ligt in handen van „nationale deskundigen” en er is voldoende reden om aan te nemen dat deze „deskundigen” zich bij hun werkzaamheden niet laten beïnvloeden door het standpunt van hun regering (een voorbeeld hiervan is de vogelrichtlijn uit 1979, waaraan technische bijlagen werden toegevoegd door „deskundigen” nadat de Raad van ministers de richtlijn zelf had goedgekeurd).

5.2

Het belang van vereenvoudiging voor consumenten, sociale partners en andere belanghebbenden moet onder de aandacht worden gebracht. Het Hof van Justitie (HvJ) heeft zijn handen vol aan tegenstrijdigheden tussen de nationale uitvoeringsmaatregelen en de oorspronkelijke Europese richtlijnen waarop deze zijn gebaseerd. Eigenlijk moet het Hof alleen „interpreteren” maar het komt steeds vaker voor dat het de details moet verstrekken die blijkbaar zijn vergeten of waarvoor, vanwege de eis van eenstemmigheid in de Raad, geen bevredigende formulering is gevonden (bijv. bij belastingzaken). Het is evenwel problematisch als het Hof steeds vaker de rol van de politieke besluitvormer moet overnemen. Het Hof heeft daartoe niet de opdracht en daarvoor is ook geen duidelijke politieke basis aanwezig. Het Hof neemt zodoende beslissingen die eigenlijk door een democratisch gekozen instantie moeten worden genomen.

5.3

Het Comité constateert dat de Commissie zelf een poging heeft ondernomen en dat er honderden intrekkingen en verklaringen van achterhaaldheid zijn geweest, die tot een flinke vermindering van de omvang van het acquis moeten hebben bijgedragen, maar die de administratieve last voor bedrijven, werknemers, consumenten of andere belanghebbenden niet noodzakelijkerwijs hebben verminderd. Het Comité stelt vast dat er nog steeds terreinen zijn waarop meer Europese wetgeving is geboden om het milieu en de rechten van werknemers, consumenten en achtergestelde groepen (als gehandicapten of andere minderheden) te beschermen en te waarborgen dat iedereen ten volle kan profiteren van de voordelen van de interne markt.

5.3.1

Anderzijds is de meest gebruikte methode tot dusver „aanpassing”. Hoewel hiermee bepaalde noodzakelijke wijzigingen kunnen worden aangebracht om de regelgeving up-to-date te houden, wordt het vereenvoudigingsstreven hiermee niet altijd gediend; integendeel, soms komen er alleen maar maatregelen bij en blijven oude en nieuwe regels in sommige lidstaten naast elkaar bestaan, hetgeen verwarrend is voor de belanghebbenden. Bovendien weten de handhavers in de lidstaten vaak niet meer of zij wel legitiem bezig zijn.

5.3.2

In de toelichting bij elk vereenvoudigingsvoorstel van het lopend programma, en eventueel ook in de bijbehorende effectbeoordeling, zou duidelijk moeten worden aangegeven wat het kenmerkende van de vereenvoudiging is. De diensten van de Commissie zouden deze voorstellen nauwkeurig moeten volgen op hun pad door het hele interinstitutionele besluitvormingsproces om ervoor te zorgen dat de vereenvoudigingsdimensie wordt behouden, zoals afgesproken in de interinstitutionele akkoorden (over codificatie (14), over herschikking (15) en over betere wetgeving (16)).

5.4

Het Comité wijst nogmaals op de vele adviezen die het heeft uitgebracht over de behoefte aan betere regelgeving en vereenvoudiging, vooral op zijn meest recente advies over „Beter wetgeven” (17), een verkennend advies dat op verzoek van het Britse voorzitterschap werd opgesteld.

5.5

Het Comité beklemtoont nogmaals dat de verbetering en vereenvoudiging van de regelgeving een continu proces moet zijn, zoals ook in de gemeenschappelijke verklaring van het voorzitterschap wordt betoogd (18).

Brussel, 5 juli 2006

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Anne-Marie SIGMUND


(1)  COM (2005) 97 van 16 maart 2005.

(2)  PB C 321 van 31 december 2003.

(3)  PB C 321 van 31 december 2003.

(4)  PB C 321 van 31 december 2003.

(5)  Informatief rapport over „Zelfregulering in de interne markt: huidige stand van zaken”, CESE 1182/2004 fin, 11 januari 2005, rapporteur: de heer Vever.

(6)  Ierland, Nederland, Luxemburg, het Verenigd Koninkrijk, Oostenrijk en Finland.

(7)  Januari-juni 2007: Duitsland; juli-december 2007 Portugal; januari-juni 2008: Slovenië; juli-december 2008: Frankrijk.

(8)  A6-0080/2006, goedgekeurd op 16 mei 2006.

(9)  Informatief rapport over „Zelfregulering in de interne markt: huidige stand van zaken”, CESE 1182/2004 fin, 11 januari 2005, rapporteur: de heer Vever.

(10)  Actieplan Vereenvoudiging en verbetering van de regelgeving (COM(2002) 278 final) en Codificatie van het acquis communautaire (COM(2001) 645 final).

(11)  De Commissie zal met haar actieplan e-overheid in 2006 een initatief op het gebied van e-overheid lanceren.

(12)  De regelgeving moet in verhouding staan tot het beoogde doel.

(13)  PB C 125 van 27-5-2002 en

PB C 14 van 16-1-2001.

(14)  PB C 102 van 4 april 1996.

(15)  PB C 77 van 28 maart 2002.

(16)  PB C 321 van 31 december 2003.

(17)  CESE 1068/2005, PB C 24, 31-1-2006, rapporteur de heer Retureau.

(18)  Advancing regulatory reform in Europe — een gemeenschappelijke verklaring van het Ierse, Nederlandse, Luxemburgse, Britse, Oostenrijkse en Finse voorzitterschap van de Europese Unie van 7 december 2004.


16.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 309/22


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het „Voorstel voor een verordening (EG) van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (gemoderniseerd douanewetboek)”

(COM(2005) 608 final — 2005/0246 (COD))

(2006/C 309/05)

De Raad heeft op 17 januari 2006 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 95 van het EG-Verdrag te raadplegen over bovengenoemd voorstel.

De gespecialiseerde afdeling Interne markt, productie en consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 31 mei 2006 goedgekeurd. Rapporteur was de heer BURANI.

Het Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 428e zitting op 5 en 6 juli 2006 (vergadering van 5 juli) het volgende advies uitgebracht, dat met 152 stemmen vóór, 1 stem tegen, bij 3 onthoudingen werd goedgekeurd.

1.   Inleiding: uitgangspunten van het nieuwe wetboek

1.1

Eén van de belangrijkse besluiten van het door de Raad in 2002 goedgekeurde actieprogramma voor de douane in de Gemeenschap (Douane 2007) betrof de ingrijpende herziening van het huidige communautaire dounewetboek [Verordening van de Raad (EEG) nr. 2913/92], dat verouderd is ten gevolge van de ontwikkelingen op de markt en in de technologie, de goedkeuring van diverse verdragen en vooral de opeenvolgende uitbreidingen van de Unie.

1.2

Het voorstel voor een totaal vernieuwd wetboek vloeit voort uit de overweging dat het verouderde, maar nog steeds geldende wetboek „geen gelijke tred gehouden (heeft) met de radicale veranderingen in de omgeving waarin de internationale handel plaatsvindt, (…) en met de accentverschuiving in het douanewerk”. Het onderhavige voorstel strookt met het communautaire beleid — met name met de beginselen van de interne markt en de consumentenbescherming, alsook met de Lissabonstrategie — en vormt het uitgangspunt voor verdere acties ter stroomlijning van douaneregelingen en -procedures, en voor de aanpassing van de vigerende normen om gemeenschappelijke standaards tot stand te brengen tussen de computersystemen van de lidstaten.

1.2.1

Met deze reeks acties is het volgens de Commissie mogelijk om de aanbevelingen van de Raad op het gebied van e-Government en het initiatief voor „betere regelgeving” om te zetten, alsook om een serie doelstellingen te verwezenlijken, onder meer verhoogde veiligheid aan de buitengrenzen, terugdringing van fraudegevoeligheid, en tot slot meer samenhang met andere communautaire beleidsgebieden, met name de belastingen.

1.3

Het nieuwe wetboek is opgezet in het kader van de Lissabonstrategie, die erop gericht is om Europa „aantrekkelijk (te maken) voor investeringen en werkgelegenheid”; het ligt tevens in het verlengde van de door de Raad in december 2003 goedgekeurde voorstellen van de Commissie om vereenvoudigde, papierloze procedures in te voelen. De suggestie van de Raad vindt voorts weerklank in het tegelijkertijd gedane voorstel voor een besluit over „een papierloze omgeving voor douane en bedrijfsleven” [COM(2005) 609 van 30.11.2005], waarover het EESC in een apart advies verslag zal uitbrengen.

1.4

Het vernieuwde wetboek bevat niet alleen officiële wijzigingen of aanpassingen; veel belangrijker immers zijn de veranderingen in de oriëntaties van het douanebeleid. In de loop van de laatste twintig jaar is de taak van de douane steeds meer verschoven: deze is steeds minder accijnsontvanger, en heeft duidelijk meer verantwoordelijkheid gekregen voor de invoering van non-tarifaire maatregelen, vooral ten aanzien van veiligheid, controle op illegale immigratie, bestrijding van namaakproducten, witwassen van geld, handel in verdovende middelen, hygiëne, gezondheid, milieu en consumentenbescherming, naast inning van BTW en accijnzen. In het Commissiedocument wordt evenwel niet uitdrukkelijk melding gemaakt, in het hoofdstuk „veiligheid”, van een bijkomende taak, die de douane echter zeker toekomt, namelijk de waardevolle hulp bij de controles op wapenhandel en de bestrijding van het terrorisme. Deze omissie wordt bevestigd in een lacune in het ontwerp van de computersystemen, waarop het CESE in par. 3.1.3.1 nader zal ingaan.

1.5

Een andere vernieuwing betreft de invoering van geïnformatiseerde procedures. In het huidige wetboek zijn dergelijke procedures opgenomen — en zij zijn op brede schaal in vrijwel alle lidstaten ingevoerd — maar ze hebben nog een facultatief karakter, zowel voor de nationale douane als voor de gebruikers; in het nieuwe wetboek worden deze procedures verplicht, een noodzakelijke stap op weg naar een papierloze omgeving, waarvan al sprake was in het parallelle initiatief (zie par. 1.3).

1.6

De uitwerking van het nieuwe wetboek strookt met het beleid van de Commissie en de procedures voor haalbaarheid, transparantie en effectbeoordeling. Het EESC stelt verheugd vast dat de betrokken maatschappelijke sectoren geraadpleegd zijn en grotendeels gunstige oordelen hebben uitgesproken; het steunt de Commissie voor wat betreft de naleving van de rechtsgrondslag, alsook van het subsidiariteits- en evenredigheidsbeginsel, terwijl het verderop in dit advies enkele kanttekeningen zal plaatsen bij de effectbeoordeling.

1.7

De Commissie heeft vier verschillende benaderingen onder de loep genomen en uiteindelijk gekozen voor een oplossing met meer samenwerking tussen de nationale computersystemen van de douane. Hiervoor is volgens de Commissie gekozen omdat het subsidiariteits- en evenredigheidsbeginsel moet worden nageleefd en omdat er bij de lidstaten weinig bereidheid is om een oplossing te omarmen op basis van een centraal Europees systeem. Het EESC neemt kennis van deze verplichte keuze, maar merkt op dat de laatste optie voor de gebruikers een betrouwbaardere, eenvoudigere en goedkopere oplossing was geweest. Wat het subsidiariteitsbeginsel betreft: dit zou eerder op het Europese dan op het nationale niveau betrekking moeten hebben.

2.   Algemene opmerkingen

2.1

In februari 2004 heeft het EESC zich uitgelaten over het voorstel voor een verordening van het Parlement en de Raad tot wijziging van het douanewetboek (1), waarin al vernieuwingen werden voorgesteld voor een papierloze omgeving en geïntegreerd beheer aan de buitengrenzen. Het Comité is verheugd dat de in dat voorstel voorgenomen beginselen, die het in zijn advies grotendeels onderschreef, zijn overgenomen in het voorstel dat in dit advies ter discussie staat en in concrete bepalingen zijn uitgewerkt die het Comité, nogmaals, in beginsel onderschrijft.

2.2

Uit de nieuwe bepalingen spreekt meer aandacht voor de rechten en eisen die aan betrokkenen worden gesteld, onder andere blijkend uit een reeks bepalingen die rekening houden met eventuele schade die de procedures kunnen veroorzaken. Deze subtiliteit komt ook naar voren in de vereenvoudiging van de regelgeving, alsook in de samenvoeging van douaneregelingen, die van de huidige dertien tot drie worden teruggebracht: invoer, uitvoer en speciale regelingen. Dankzij de redactionele aanpassing wordt tweederde van de artikelen van het huidige wetboek gewijzigd, gebundeld of ondergebracht bij de uitvoeringsbepalingen, die zo dalen van 258 naar 200.

2.2.1

Het EESC meent dat de Commissie op doeltreffende wijze subtiel en lastig werk heeft verricht, met inachtneming van de algemene beginselen van de interne markt en met uitgesproken aandacht voor de rechten en behoeften van de betrokkenen. Het wil overigens opmerken dat het ontbreken van een uitvoeringsreglement, waarvan de formulering niettemin een bevoegdheid van de Commissie is, voorlopig een zekere mate van onzekerheid oplevert ten aanzien van sommige voorschriften: het Comité spreekt derhalve de wens uit dat op korte termijn een nieuw uitvoeringsreglement wordt voorbereid en goedgekeurd.

3.   Bijzondere opmerkingen

3.1   Titel I: algemene bepalingen

3.1.1

Artikel 3 bevat een lijst van de nationale grondgebieden die samen het douanegebied van de Gemeenschap vormen. Het artikel noopt niet tot bijzondere opmerkingen, behalve wat betreft de onzekerheid in lid 3, dat als volgt luidt: „Sommige bepalingen van de douanewetgeving kunnen buiten het douanegebied van de Gemeenschap van toepassing zijn in het kader van wetgeving op specifieke gebieden dan wel van internationale overeenkomsten”. De rechtszekerheid gebiedt dat er in een wet geen sprake mag zijn van „sommige bepalingen”, zonder in de tekst of in een bijlage aan te geven om „welke” bepalingen het gaat. Vanuit juridisch oogpunt — en ook in verband met transparantie — moet uitdrukkelijk en gedetailleerd vermeld worden van welke grondgebieden en welke regels sprake is. Maar al te vaak ontgaan de burger — en ook de deskundigen — vrijstellingen en afwijkingen die in diverse gevallen en op verschillende manier worden toegestaan: vaak zijn zulke vrijstellingen en afwijkingen vormen van concurrentievervalsing, en niet altijd van tijdelijke aard.

3.1.2

Over het algemeen geven de uitwisseling en bescherming van gegevens en informatie (artikelen 5, 6 en 7) geen aanleiding tot bijzondere opmerkingen, aangezien de voorstellen voldoen aan de gebruikelijke bescherming die publieke overheden garanderen voor het privéleven van de burger en voor bedrijfsgeheimen. Het EESC is zeer te spreken over de bepalingen in artikel 8, op grond waarvan de douaneautoriteiten informatie moeten verstrekken over de toepassing van de douanewetgeving, en transparantie moeten bevorderen door bedrijven gratis via internet de wetgeving, bestuurlijke beslissingen en aanvraagformulieren ter beschikking te stellen.

3.1.2.1

Bijzondere aandacht verdient evenwel het eerste lid van artikel 5, dat de invoering verplicht stelt van elektronische verwerking van iedere uitwisseling van gegevens, documenten, beschikkingen en mededelingen tussen bedrijven en douaneautoriteiten. Deze bepaling, geheel terecht voor bedrijven of professionele operatoren, kan moeilijkheden opleveren als de importeur (of eventueel de exporteur) een privépersoon is, en niet noodzakelijk een „bedrijf”. Het probleem is allesbehalve marginaal, in een tijd waarin de omvang van via internet of op afstand gekochte goederen in landen buiten de Unie exponentieel toeneemt. Het EESC neemt er kennis van dat de zaak volgens de comitologieprocedure bestudeerd wordt en stelt voor om privépersonen uitdrukkelijk op te nemen onder degenen die, volgens artikel 93, summiere aangiften mogen indienen. Ook zouden de bepalingen veranderd moeten worden van artikel 94, die de douaneautoriteiten de mogelijkheid geven om summiere aangiften ten invoer op papier te aanvaarden, hoewel slechts in uitzonderlijke omstandigheden. Als alternatief of extra mogelijkheid kan overwogen worden om privépersonen toe te staan een incidentele vereenvoudigde aangifte te laten indienen (ook op papier), zoals vermeld in artikel 127.

3.1.2.2

Meer in het algemeen wil het EESC ten aanzien van elektronische gegevensverwerking de aandacht vestigen op de hoge kosten van de nieuwe geïntegreeerde elektronische procedure; de kosten moeten op korte termijn worden opgebracht, terwijl de meeste voordelen (met name de kwalitatieve) slechts op de middellange termijn te merken zullen zijn. Sommige lidstaten lijken nu al bezorgd over de kosten en over de verplichting om de termijnen na te leven voor de inbedrijfname van de nieuwe systemen; andere — vooral de staten die op het gebied van informatica verder ontwikkeld zijn — vinden het verkwisting om hun recent ingevoerde systemen op te geven ten behoeve van het communautaire systeem. Het EESC neemt nota van deze twijfels, waar de Commissie wel rekening mee moet houden. Maar wil Europa een efficiënt en modern douanesysteem hebben, dan zijn enkele individuele offers zeker gerechtvaardigd, met eventuele financiële steun in welbepaalde en gerechtvaardigde gevallen.

3.1.3

Artikel 10 stelt dat de lidstaten in samenwerking met de Commissie zorgdragen voor „de ontwikkeling, het onderhoud en het gebruik van een elektronisch systeem voor het gemeenschappelijk registreren en bijhouden van gegevens” van alle bedrijven en verleende vergunningen. De twijfels omtrent de aard en de werking van het systeem worden duidelijk in artikel 194: elke lidstaat behoudt zijn eigen computersysteem en garandeert dat het interoperabel is met de systemen van de andere lidstaten volgens de normen en standaards van de Commissie, die wordt bijgestaan door het Comité Douanewetboek. Het systeem treedt in werking op 30 juni 2009. Volgens het EESC is een systeem dat gebaseerd is op nationale gegevensbanken die wederzijds, als de interoperabiliteit eenmaal een feit is, informatie en updates uitwisselen, niet alleen duur, maar wellicht ook moeilijk te beheren. Het is vooral nogal onwaarschijnlijk dat een dergelijk systeem concreet binnen de geplande termijn in werking treedt. In de effectbeoordeling raamt de Commissie de extra kosten voor inbedrijfname van het systeem op 40-50 miljoen euro per jaar: een bedrag dat diverse deskundigen optimistisch achten.

3.1.3.1

Er is echter een overduidelijke en fundamentele tekortkoming in het geplande systeem, of in ieder geval in de aankondiging ervan: het ontbreekt namelijk aan enige verwijzing naar eengestructureerde mogelijkheid voor toegang tot de computersystemen voor autoriteiten die belast zijn met bestrijding van terrorisme en georganiseerde criminaliteit, uiteraard met inachtneming van de regels ter bescherming van het privéleven en productieactiviteiten. Op dit aspect heeft het EESC herhaaldelijk en bij diverse gelegenheden gewezen. De Raad hamert al jaren op de noodzaak tot samenwerking tussen de verschillende autoriteiten, (financiële) recherche, douane, geheime diensten, OLAF, Europol, maar tot op heden helaas zonder veel succes.

3.1.4

Van bijzonder belang is artikel 11, betreffende de douanevertegenwoordiger: volgens het artikel is zijn taak „het vervullen van de in de douanewetgeving voorgeschreven handelingen en formaliteiten” namens een persoon, in diens naam en voor diens rekening (directe vertegenwoordiger), of voor eigen rekening (indirecte vertegenwoordiger). Lid 2 vereist dat een douanevertegenwoordiger gevestigd is in het douanegebied van de Gemeenschap, zonder nadere toelichting. Het EESC wijst er echter op dat Commissie in de toelichting beweert: „De voorschriften inzake vertegenwoordiging zijn gewijzigd door intrekking van de vroegere beperkingen, …”, aangezien ze niet te rijmen zijn met een elektronische omgeving, noch met de beginselen van de interne markt. Hieruit zou men moeten afleiden dat de douanevertegenwoordiger een algemene machtiging geniet (communautair paspoort), die hem in staat stelt op te treden op het gehele grondgebied van de Gemeenschap en in naam van ongeacht welk bedrijf, dat in ongeacht welk land gevestigd is. Het zou zinvol zijn dit artikel opnieuw en duidelijker te formuleren, bijv. door te verwijzen naar een aparte regeling voor het opstellen van een register of lijst of iets dergelijks, volgens het model voor een „vergunninghoudend bedrijf”, waarover meer in de volgende paragraaf.

3.1.5

Ook belangwekkend is het vergunninghoudend bedrijf (artikelen 4, 13-16), dat in de praktijk een onderneming is (minder vaak een individu), dat bijzondere garanties moet overleggen inzake ernst, solvabiliteit en professionaliteit, zodanig dat het bij de douaneautoriteiten in de lidstaten geaccrediteerd wordt als rechthebbende op een bepaald aantal faciliteiten op het gebied van douanecontroles en procedures. De Commissie behoudt zich het recht voor om op basis van het reeds vermelde artikel 196 de wijze waarop een onderneming met vergunninghoudend bedrijf wordt aangeduid, nader te omschrijven. Het EESC neemt kennis van deze bepalingen, die ongetwijfeld de internationale handel en de totstandkoming van een gunstig handelsklimaat ten goede moeten komen; het stelt voorts vast dat veel zal afhangen van de voorwaarden voor de verlening van deze kwalificatie en van de normen voor het voorkomen van eventueel misbruik. Tot slot is het niet duidelijk of het vergunninghoudend bedrijf al dan niet het „Europees paspoort” wordt verleend.

3.1.6

Een beslissende stap op weg naar harmonisatie van de douaneregelingen zijn de bepalingen in artikel 22, die de lidstaten verplichten — zij het in nogal vage bewoordingen — bestuurlijke en strafrechtelijke sancties op te leggen in geval van schending van de communautaire douanewetgeving. Het EESC staat volstrekt achter de noodzaak om tot geharmoniseerde afspraken te komen op dit gevoelige terrein; het valt echter nog te bezien hoe de lidstaten zullen reageren op pogingen strafrechtelijke regels of richtsnoeren te dicteren, een gebied waar weerstand of op zijn minst terughoudendendheid te verwachten is.

3.1.7

In de artikelen 24, 25 en 26 wordt ingegaan op bestuursrechtelijke beroepen (artikel 23 sluit strafrechtelijke zaken uit), waarvoor een tweeledige procedure bestaat: de eerste fase voor douaneautoriteiten en de tweede voor een hogere, gerechtelijke of een andere, gelijkwaardige instantie. In geval van sancties geldt het algemene beginsel „solve et repete”, behalve als de douaneautoriteiten van mening zijn dat de opgelegde maatregel onherstelbare schade kan toebrengen aan degene die het beroep heeft ingesteld: een blijk van aandacht voor de omstandigheden van de burger, waarvan het EESC verheugd kennis neemt.

3.1.8

Artikel 27 legt het voor de hand liggende beginsel vast van uitvoering, door de douaneautoriteiten, van controles van allerlei aard: fysiek, administratief, boekhoudkundig of statistisch; het bepaalt voorts dat er een elektronisch systeem wordt ingevoerd voor het risicobeheer, bedoeld om „de risico's in kaart te brengen en te evalueren alsmede de nodige maatregelen te ontwikkelen om de risico's te beperken.” Dat systeem, dat de lidstaten in samenwerking met de Commissie uiterlijk 30 juni 2009 zouden moeten invoeren, zal ook vallen onder de normen die de Commissie op grond van artikel 196 zal formuleren. Het EESC is in ieder geval ingenomen met het initiatief, en hoopt dat de Commissie de bereidheid in de lidstaten terdege gepeild heeft om een systeem in gebruik te nemen dat hoogstwaarschijnlijk duur zal uitvallen en moeilijk te beheren valt.

3.1.9

Luidens artikel 30 zijn van douanecontroles en -formaliteiten uitgesloten: de hand- en ruimbagage van passagiers die intracommunautaire vluchten en zeereizen maken, onverminderd overigens veiligheidscontroles en controles in verband met door de lidstaten vastgestelde verboden of beperkingen: dit komt erop neer dat de vrijstelling uitsluitend geldt in landen die geen verboden of beperkingen hebben ingesteld. Aangezien er overal en altijd beperkingen zijn, al was het maar voor accijnsplichtige goederen, verliest het algemene voorschrift in de prakijk zijn waarde. De bevoegdheid van de douane om te allen tijde controles te verrichten op bagage, ongeacht of het hand- of ruimbagage betreft, blijft dus onaangetast.

4.   Volgende titels, II tot VIII: douaneformaliteiten en -procedures

4.1

In titel II tot en met VIII komen douaneformaliteiten en -procedures aan bod, waarbij grotendeels de inhoud van het huidige wetboek wordt overgenomen. Het EESC wil niet in detail ingaan op deze materie, die al uitvoering besproken is tijdens de raadplegingen van de betrokken partijen vóór de formulering van de tekst. Daarom beperkt het Comité zich tot enkele artikelen die van bijzonder belang zijn.

4.2

Volgens artikel 55 ontstaat douaneschuld ook in geval van smokkelwaar of illegale handel (omschreven als „invoer of uitvoer van goederen waarvoor enig verbod op of enige beperking van de invoer of de uitvoer geldt”): de douanerechten zijn dan wel degelijk verschuldigd, behoudens de toepassing van andere straf- of bestuursrechtelijke maatregelen. Vrijgesteld van douaneschuld zijn vals geld en verdovende middelen die buiten het gecontroleerde circuit vallen; dergelijk verkeer wordt vanzelfsprekend uitsluitend beschouwd uit strafrechtelijk oogpunt, behalve indien de wetgeving van een lidstaat bepaalt dat de douanerechten als grondslag moeten dienen voor de vaststelling van financiële sancties. Ondanks een tegenovergesteld oordeel van het Europese Hof van Justititie, is het Comité niet van mening dat de douanediensten wettige inkomsten moeten verliezen door geen douaneschuld te bepalen — afgezien van bestuurs- en strafrechtelijke sancties — tenminste voor wat verdovende middelen betreft, door het vaststellen van de waarde tegen de marktprijs. Het feit dat invoer van verdovende middelen een misdaad is, laat onverlet dat het nog steeds om (illegale) invoer gaat. Kortom: de vrijstelling voor vals geld is begrijpelijk, die voor verdovende middelen echter niet.

4.3

Volgens artikel 61 kunnen de douaneautoriteiten een bedrijf toestaan een doorlopende zekerheid te stellen voor de betaling van douaneschulden. Artikel 64 bepaalt verder dat één van de toegestane vormen van deze zekerheid borgstelling is; artikel 66 stelt dat als borg kan optreden „een bank (…) of een andere officieel erkende financiële instelling in de Gemeenschap”. De bepaling is van belang daar erkend wordt dat onverschillig welke bank of financiële instelling, ongeacht in welk Europees land, als geldige borg kan optreden tegenover de douane van een ander land: het betreft een belangrijk en reeds geldend beginsel, dat douanediensten in diverse landen echter vaak tegenwerken. De betekenis van de uitdrukking „officieel erkende (…) in de Gemeenschap” is overigens niet geheel duidelijk; naar het oordeel van het EESC is ze pleonastisch en misleidend: in de Gemeenschap gevestigde banken en financiële instellingen zijn al in bezit van een „Europees paspoort”, zonder dat dit nadere toelichting behoeft.

4.4

Artikel 83 biedt de Commissie ten aanzien van borgstellingen de mogelijkheid om, nog steeds volgens de procedure „artikel 196”, een „bijzondere regeling” toe te passen ter verzekering van de betaling door de borg. Er wordt echter niets vermeld over de inhoud, noch over de reikwijdte van deze bijzondere regeling. Als er hiermee verwezen wordt naar de mogelijkheid om de borg „op eerste verzoek” te verhoren, dan is er zeker niets nieuws onder de zon, aangezien deze garantie al bestaat en ook in andere reglementen is opgenomen (bijv. in het boekhoudkundig reglement van de EU); is er sprake van iets anders, dan zou het nuttig zijn de zaken toe te lichten, aangezien de omvang van de borgstelling afhangt van het risico en de mogelijkheden om de borg te horen.

4.5

Artikel 83 voorziet voorts dat de douaneschulden met rente worden belast voor de termijn tussen de datum waarop de termijn verstrijkt en de datum waarop betaald wordt; in artikel 84 is sprake van het omgekeerde geval, als de douaneautoriteit bedragen verschuldigd is aan de in- of uitvoerder. De voorschriften stellen uitdrukkelijk dat dan over de eerste drie maanden geen rente verschuldigd is. Het EESC onderstreept de overduidelijke en onaanvaardbare ongelijkheid tussen de behandeling van publieke overheden en de burger.

5.   Titel IX: het Comité Douanewetboek en slotbepalingen

5.1

De bepalingen in deze titel zijn essentieel om de structuur en de reikwijdte van het wetboek te begrijpen. Hoeksteen is artikel 196, dat bepaalt dat voor de uitvoering van de regelgeving „De Commissie wordt bijgestaan door het Comité Douanewetboek” (in het kort: „het comité”), dat optreedt krachtens „de artikelen 4 en 7 van Besluit 1999/468/EG (…), met inachtneming van artikel 8 van dat besluit”. In de praktijk betekent dit dat de Commissie de bevoegdheid heeft om, zij het met de assistentie van het comité, alle aspecten van het douanewetboek te regelen, wat binnen de normale communautaire procedures valt. Het EESC heeft hier geen bezwaar tegen; het spreekt evenwel de hoop uit dat de regels die worden ingevoerd rekening houden met de behoeften van de gebruikers en flexibel genoeg zijn om bijtijds te kunnen worden aangepast aan de ontwikkelingen in de techniek, technologie en handelsgebruiken.

5.2

Op basis van de uit hoofde van het geciteerde artikel 196 haar toegekende bevoegdheden kan de Commissie (artikel 194) maatregelen nemen ter vaststelling van:

normen en standaards voor interoperabiliteit van de douanesystemen;

„de gevallen waarin en de voorwaarden waarop de Commissie beschikkingen kan geven waarbij aan lidstaten wordt verzocht een beschikking in te trekken of te wijzigen”;

„enige andere uitvoeringsmaatregel indien nodig, ook wanneer de Gemeenschap afspraken maakt en verplichtingen op zich neemt in het kader van internationale overeenkomsten die een aanpassing van het wetboek vergen”.

5.2.1

De bevoegdheden van de Commissie zijn dus tamelijk ruim en omvatten ook de mogelijkheid om (tweede streepje) de gevallen waarin en de voorwaarden waarop vast te stellen om de lidstaten te verplichten dat zij een beschikking in te trekken of te wijzigen. Het EESC merkt op dat, terwijl voor de in het eerste en derde streepje genoemde aspecten de Commissie haar institutionele taak van coördinatrice of uitvoerster van door de Raad genomen of goedgekeurde besluiten uitoefent, er in het tweede streepje sprake is van uitoefening van een afwijkend soort bevoegdheid — ook al wordt deze taak welbeschouwd gerechtvaardigd door de omstandigheden en zeker niet door het EESC afgekeurd.

5.2.2

Over het algemeen tekent het EESC aan dat het besluit om controles uit te voeren op elk type door burgers verrichte handelingen — inclusief commerciële en douanehandelingen — van invloed is op de vrije handel en voortvloeit uit politieke keuzes die, naargelang de bevoegdheden, gedeeld worden door de EU en de lidstaten. De Commissie is hierbij vanzelfsprekend de uitvoerster van die keuzes.

5.2.3

Het EESC hoopt dat de voorgenomen hervorming op douanegebied het vereiste evenwicht tussen vrijhandel en de veiligheid van gebruikers alsook van eindgebruikers niet op losse schroeven zet, maar oog heeft voor de professionaliteit van het douanepersoneel en het personeel van importeurs en exporteurs.

Brussel, 5 juli 2006

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Anne-Marie SIGMUND


(1)  PB C 110 van 30-4-2004.


16.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 309/26


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het „Witboek: Beleid op het gebied van financiële diensten 2005-2010”

(COM(2005) 629 final)

(2006/C 309/06)

De Europese Commissie heeft op 1 december 2005 besloten om het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig art. 262 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap te raadplegen over het Witboek: Beleid op het gebied van financiële diensten 2005-2010

De gespecialiseerde afdeling Interne markt, productie en consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 31 mei 2006 goedgekeurd; rapporteur was de heer IOZIA.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 5 juli 2006 tijdens zijn 428e zitting onderstaand advies uitgebracht, dat met 152 stemmen vóór en 1 stem tegen, bij 9 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en voorstellen

1.1

Het EESC steunt het voorstel van de Commissie om de volgende vijf jaar te wijden aan de „dynamische consolidatie” van de financiële sector, door de geldende wetgeving ten uitvoer te leggen en te versterken en tegelijkertijd te voorkomen dat er een opeenstapeling van regelgeving („gold plating”) plaatsvindt, voor zover dit past in het kader van de strategie van Lissabon en overeenstemt met het Europees sociaal model.

1.2

Het EESC acht het van essentieel belang dat de rol en activiteiten van de toezichthouders aandachtig worden bestudeerd en dat naar een zo groot mogelijke coördinatie wordt gestreefd, overeenkomstig de voorschriften voor de niveau-3-comités uit het „Lamfalussy-proces”.

1.2.1

Het EESC acht het momenteel nog te vroeg om één Europese toezichthouder in te stellen — deze zou in de toekomst kunnen helpen de marktintegratie te bevorderen. Wel denkt het dat het nuttig is om nu al een hoofdtoezichthouder aan te wijzen, namelijk van het land waartoe de moedermaatschappij behoort, die dan tot taak krijgt om ook de activiteiten van de dochterondernemingen of bijkantoren in andere lidstaten van de Unie te controleren. De voordelen voor ondernemingen die op Europese schaal opereren en voor de consumenten zijn evident.

1.3

De grotere doeltreffendheid van financiële transacties ligt aan de basis van het groeiende belang van financiële activiteiten in de economie (dit wordt de „financialisering” van de economie genoemd). Financialisering van de economie leidt tot interessante mogelijkheden voor de economische ontwikkeling van en de werkgelegenheid in de financiële sector, maar kan negatieve gevolgen hebben voor de economie als geheel. Effectenmarkten die door de „shareholder value” worden geleid kunnen ook strijdig zijn met de industriële strategieën. De commerciële en financiële druk op ondernemers kan op de lange termijn problemen opleveren, en de oorzaak zijn van niet goed voorbereide openbare overnameboden, die op korte termijn vaak tot een vernietiging van rijkdom leiden.

1.3.1

Men mag echter niet vergeten dat de werkgelegenheid in de financiële sector, in ieder geval op korte en middellange termijn zal dalen als gevolg van de consolidatie, wat de onzekerheid onder werknemers in deze sector vergroot. Het EESC benadrukt dat rekening moet worden gehouden met de sociale gevolgen van de consolidatie. Het hoopt dat de lidstaten adequate sociale vangnetten inbouwen en steun verlenen aan projecten op het gebied van opleiding en bijscholing, wat immers onmisbare factoren zijn om de doelstellingen van de Lissabonstrategie te verwezenlijken.

1.4

Het EESC staat achter het streven naar vereenvoudiging, codificatie en duidelijkheid, met als doel een „betere regelgeving” tot stand te brengen. Het juicht de inspanningen van de Commissie toe om geregeld open raadplegingen te houden met alle betrokkenen, en om ieder voorstel te laten voorafgaan door een impactbeoordeling waarin ook de sociale en milieudimensie worden meegenomen, en tevens rekening wordt gehouden met de externe kosten voor de economie als geheel.

1.4.1

Het EESC dringt erop aan dat de werkzaamheden m.b.t. het actieplan op het gebied van financiële diensten meer zichtbaarheid krijgen en onderwerp zijn van een brede discussie, dus niet alleen met deskundigen.

1.5

Het EESC stemt in met het door de Commissie voorgestelde initiatief om een mededeling/aanbeveling over icbe's uit te brengen, teneinde de bestaande hinderpalen voor het vrije verkeer van deze financiële instrumenten proberen weg te nemen.

1.6

Het stimuleren van de voorlichting, de financiële kennis en het bewustzijn van de consumenten is in dat verband essentieel. Het voornemen van de Commissie om specifieke acties t.b.v. Europese consumentenorganisaties op te starten is lovenswaardig, maar zij zou ook meer moeite moeten doen om de lidstaten ertoe te bewegen de nationale stakeholders meer inspraak te geven. Het EESC is bereid hieraan een bijdrage te leveren door specifieke activiteiten te ontplooien gericht op consumentenverenigingen en de nationale sociaal-economische raden.

1.7

De huidige toezichtregels, die per lidstaat verschillen, leggen de ondernemingen aanzienlijke verplichtingen op inzake boekhouding en bedrijfsinformatie. De goedkeuring van de IFRS (International Financial Reporting Standards) kan een goede gelegenheid zijn om deze informatieverplichtingen op Europees niveau te stroomlijnen. Het EESC wijst erop dat de IASB (International Accounting Standards Board), een internationale normalisatie-instantie, niet echt een weerspiegeling is van de mondiale economische werkelijkheid, en hoopt dat deze zich zal openstellen voor samenwerking met andere spelers, bijvoorbeeld de Europese Commissie.

1.8

Wat de voorgestelde richtlijnen op het gebied van de retailmarkt betreft, behoudt het EESC zich het recht voor nader in te gaan op de richtlijn inzake consumentenkrediet, die zo snel mogelijk moet worden goedgekeurd, en over de richtlijn inzake betalingsdiensten, waarover het een apart advies zal uitbrengen. Wat de richtlijn inzake hypotheken betreft steunt het EESC wel de doelstellingen, maar zet het vraagtekens bij de mogelijkheid om op korte termijn een geïntegreerde hypotheekmarkt tot stand te brengen. Ten slotte zou het EESC de goedkeuring van een kaderrichtlijn voor effectenclearing en –afwikkeling toejuichen.

1.9

De Commissie heeft twijfels bij de invoering van de zgn. 26e-regeling op het gebied van financiële diensten. Het EESC neemt hiervan akte, en is bereid om de toepassingsvoorwaarden ervan te beoordelen. De belangen van de consumenten moeten hierbij altijd voorop staan, zodat zij er werkelijk voordeel bij hebben.

1.10

Wat de toekomst betreft wijst het EESC op:

het nut van een initiatief op het gebied van icbe's, dat erop gericht moet zijn de regelgeving van unit-linked levensverzekeringen op één lijn te brengen met die van andere financiële producten;

het belang van gewaarborgde toegang tot een bankrekening;

de noodzaak om de belemmeringen voor grensoverschrijdend gebruik van bankrekeningen op te heffen.

1.11

Het EESC is ervan overtuigd dat de kwaliteit van de Europese regelgeving inzake financiële dienstverlening heel hoog is, en dat de EU in de toekomst zelfs tot voorbeeld kan dienen voor alle andere landen. Europa zou een dialoog moeten aangaan, niet alleen met de opkomende industrielanden (zoals India, Brazilië en China) maar ook met ontwikkelingslanden, die veel steun behoeven om hun financiële dienstenmarkt te ontwikkelen.

1.12

Het EESC steunt alle Europese en nationale instellingen bij hun strijd tegen criminaliteit en terrorisme. De Commissie onderstreept in dit verband dat de financiële wereld volledig en voortdurend moet samenwerken met de bevoegde autoriteiten: ook hier herhaalt het Comité zijn steun en doet het een beroep op de financiële instellingen, maar ook op de bevoegde autoriteiten, die bekend moeten maken welk gevolg er wordt gegeven aan informatie die door financiële intermediairs is verstrekt.

2.   Inleiding

2.1

Het Witboek over het beleid op het gebied van financiële diensten 2005-2010 onderscheidt verschillende doelstellingen die moeten leiden tot de dynamische consolidatie van de financiële dienstverleningssector, in het besef dat een doeltreffende financiële markt onontbeerlijk is om de strategie voor ontwikkeling en economische groei tot een goed einde te brengen. „Dynamische consolidatie” is het sleutelbegrip van het Witboek, en duidt op de doelstelling om de hindernissen die het vrij verkeer van financiële diensten en kapitaal ondanks de behoorlijk goede resultaten van het Actieplan voor financiële diensten 1999-2005 (APFD) nog altijd in de weg staan, op te heffen.

2.2

Gezien het fundamentele belang van regelgeving voor het functioneren van de financiële markten wordt in het Witboek terecht beklemtoond dat de bestaande wetgeving moet worden uitgevoerd en verbeterd, maar dat anderzijds een opeenstapeling van wetgevingsinitiatieven door de lidstaten (ook wel gold plating genoemd) moet worden voorkomen.

2.3

De analyse van het regelgevingskader kan niet losstaan van onderzoek naar de beperkingen, taken en coördinatiebevoegdheden van de toezichthouders in de EU: zoals de zaken er nu voor staan is de instandhouding van de nationale toezichtautoriteiten nog steeds de beste manier om consumenten en beleggers te beschermen, maar daarbij mogen twee belangrijke problemen niet over het hoofd worden gezien.

2.3.1

Indien het toezicht niet op supranationaal niveau wordt geïntegreerd, wordt ook de integratie van de markten sterk belemmerd: nauwe samenwerking tussen de autoriteiten van de lidstaten moet dan ook worden aangemoedigd en geconsolideerd. Het risicobeheer in grote Europese banken die in meerdere lidstaten actief zijn, geschiedt op het niveau van de groep, op geconsolideerde basis. De toezichthouders moeten in staat zijn het risicoprofiel van deze grote Europese groepen correct te beoordelen.

2.3.2

De instandhouding van sterke nationale zeggenschap bij het toezicht mag geen reden zijn om nog meer hindernissen op te werpen voor de „dynamische consolidatie” op EU-niveau. Het zijn precies die hindernissen die het Witboek geleidelijk uit de weg wenst te ruimen.

3.   Algemene opmerkingen

3.1

Het EESC heeft in een recent advies opmerkingen geformuleerd over het Groenboek over het beleid op het gebied van financiële diensten (2005-2010). Aangezien het Witboek veel voorstellen uit het Groenboek overneemt, herhaalt het EESC zijn eerdere opmerkingen, door ze in dit advies kort samen te vatten (1).

3.1.1

In het Witboek worden de mogelijkheden voor de economische ontwikkeling van en de werkgelegenheid in de sector van de financiële dienstverlening geschetst. Het Comité is echter van mening dat dit essentiële uitgangspunt van het Witboek zorgvuldig en met realiteitszin moet worden bestudeerd, in het licht van verschillende goed gedocumenteerde feiten.

3.2

Consolidatie van de sector kan de efficiency vergroten en schaalvoordelen opleveren waar de aandeelhouders van risicokapitaal van intermediairs (doordat het rendement van het geïnvesteerde kapitaal stijgt) en de gebruikers van financiële diensten (doordat de kosten van die diensten dalen) uiteindelijk profijt bij hebben.

3.3

Tegelijkertijd echter zijn er tal van empirische bewijzen dat de werkgelegenheid in de financiële sector als gevolg van de consolidatie zal dalen, wat de onzekerheid onder de werknemers in deze sector alleen maar vergroot. Ontegenzeglijk wordt in de bij fusies en acquisities gepresenteerde ondernemingsplannen voornamelijk het accent gelegd op de besparingen die het gevolg zijn van dalende personeelskosten. Op korte termijn leidt de consolidatie tot een nettoverlies aan arbeidsplaatsen; maar dit opent wel de weg voor de ontwikkeling van innoverende diensten en activiteiten, die op hun beurt een positieve impact op de werkgelegenheid zullen hebben. Door iets te doen aan de obstakels die verhinderen dat financiële dienstverleners volledig kunnen profiteren van grensoverschrijdende fusies, zouden banken hun diensten tegen lagere kosten kunnen aanbieden en een gunstiger prijsbeleid kunnen voeren voor hun klanten, en zo de vraag kunnen stimuleren. De financiële intermediairs zouden hierdoor worden gestimuleerd om meer investeringen te doen, wat weer positieve gevolgen voor de werkgelegenheid zou hebben. Deze nieuwe arbeidsplaatsen — met uitzondering van bijzondere sectoren als call centers en back offices — trekken in de regel de beter geschoolde en beter betaalde beroepskrachten aan.

3.4

Dus hoewel de consolidatie van de sector uiteindelijk geen negatieve gevolgen voor de werkgelegenheid heeft, onderstreept het Comité dat er rekening mee moet worden gehouden dat er tussen het moment dat arbeidsplaatsen verloren gaan en het moment dat nieuwe arbeidsplaatsen worden gecreëerd, een grote kloof op het stuk van de beroepskwalificaties gaapt. Wanneer de nadruk verschuift van de bescherming van arbeidsplaatsen naar mogelijkheden om werk te vinden, moeten de lidstaten in eerste instantie zorgen voor adequate sociale vangnetten, en steun verlenen aan projecten op het gebied van opleiding en omscholing.

3.5

Als werknemers zien dat hun kwalificaties en kennis ook in een snel ontwikkelende economische context gemakkelijk inzetbaar zijn, zullen zij de geringere stabiliteit van de arbeidsplaats die de „dynamische consolidatie” van de sector met zich meebrengt voor lief nemen. Deze vaststelling moet ertoe leiden dat beroepsopleiding voortaan niet alleen wordt beschouwd als een instrument waarmee sociale instabiliteit kan worden opgevangen, maar ook als een essentieel en onmisbaar instrument voor het langetermijnsucces van de „dynamische consolidatie” en, meer in het algemeen, van de Lissabonstrategie, waarmee de Europese economie de belangrijkste kenniseconomie ter wereld moet worden. Bovendien zou een passend sociaal netwerk moeten worden opgericht dat de vaak ernstige gevolgen van de overgangsfase weet op te vangen.

4.   Bijzondere opmerkingen

4.1   Betere wetgeving

4.1.1

De drie basisbeginselen waarop de verbetering van de wetgeving is gebaseerd, zijn: vereenvoudiging, codificatie en verduidelijking. Deze beginselen zijn van belang om de nodige samenhang tussen regelgevingen, het toepassingsgemak en de uniforme omzetting te waarborgen.

4.1.2

Het EESC is ingenomen met de voorstellen van de Commissie voor „betere regelgeving”. Het juicht met name de inspanningen van de Commissie toe om geregeld open raadplegingen te houden met alle betrokkenen, en om ieder voorstel te laten voorafgaan door een impactbeoordeling met een kosten/batenanalyse in ruime zin, waarin ook de sociale en milieudimensie worden meegenomen, en tevens rekening wordt gehouden met de externe kosten voor de economie als geheel. Daarnaast is het tevens van groot belang dat zij zich samen met de Raad en het Parlement inspant om de kwaliteit van de wetgeving te verbeteren.

4.1.3

Het EESC is het met de Commissie eens dat de uitdaging zowel bestaat uit de correcte en vlotte omzetting van de Europese wetgeving, als uit de correcte toepassing door de 25 lidstaten en later ook door de toekomstige lidstaten. Ook is het net als de Commissie van mening dat gold plating moet worden voorkomen, d.w.z. de unilaterale goedkeuring van verdergaande regelgeving die strijdig is met het beginsel van de interne markt. De ongerechtvaardigde verschillen in nationale wetgeving op het gebied van consumentenbescherming vormen immers een van de grootste hindernissen voor de integratie van de financiële diensten in de EU.

4.1.4

Het EESC acht het fundamenteel dat achteraf wordt nagegaan of de regelgeving de gewenste resultaten heeft opgeleverd, en of, in ieder geval voor de sectoren die onder het „Lamfalussy-proces” vallen, de marktevolutie conform de verwachtingen is.

4.1.5

De controle op de samenhang tussen communautaire en nationale regelgeving moet allereerst plaatsvinden in de belangrijkste sectoren, of sectoren waar de harmonisatie en consolidatie de meeste problemen zullen opleveren, zoals de distributie en marketing van icbe's (instellingen voor collectieve belegging in effecten). Voorwaarde voor meer concurrentie en efficiency in deze sector is ook dat er meer manoeuvreerruimte komt voor distributie en marketing, die sterk worden belemmerd door een nog niet goed omschreven regelgevingskader. Daarom valt het initiatief van de Commissie om in de loop van 2006 een mededeling/aanbeveling over dit onderwerp en in november een Witboek over assett management uit te brengen, zeer toe te juichen.

4.1.6

De Commissie zal voorstellen om de 16 bestaande richtlijnen voor de verzekeringssector samen te vatten in één enkele richtlijn. Het EESC staat achter deze codificatie, en is van mening dat dit voorbeeld ook in andere sectoren moet worden gevolgd, door ook daar wetgevingsvoorstellen goed te keuren die de in verschillende richtlijnen behandelde problematiek samenvatten, vereenvoudigen en herschikken.

4.1.7

Het EESC acht het tevens zaak dat inbreukprocedures worden ingesteld wanneer wordt vastgesteld dat de Europese regelgeving verkeerd wordt omgezet of toegepast. Het merkt hierbij wel op dat de Commissie de laatste tijd onder grote druk van de Raad staat, en steeds minder inbreukprocedures instelt.

4.1.8

Om de markt voor financiële diensten voor particulieren te verbeteren en te stroomlijnen moet absoluut aandacht worden besteed aan de voorlichting, de opleiding en het bewustzijn van de consumenten: dit zijn essentiële elementen voor de doeltreffendheid van om het even welk regelgevingskader. Het voornemen van de Commissie om specifieke Europese acties t.b.v. consumentenorganisaties en vertegenwoordigers van de financiële sector op te starten is lovenswaardig. Wel zou de Commissie zich tevens meer moeten inspannen om ervoor te zorgen dat deze maatregelen op nationaal niveau warm worden aanbevolen, of misschien zelfs verplicht worden gesteld. De Europese nieuwsbrief voor consumenten is in principe een uitstekend initiatief: wel dient de Commissie zich te realiseren dat de voorlichtingsinstrumenten werkelijk zeer dicht bij de consumenten moeten staan. Het EESC dringt er bij de Commissie op aan samen te werken met de Raad en het Europees Parlement, om te bestuderen hoe de nationale stakeholders meer inspraak kan worden gegeven, naar het voorbeeld van hetgeen op Europees niveau is gepland. De ontwikkeling van FIN-NET — een instrument waarvan de meeste consumenten het bestaan niet kennen — is een stap in de goede richting. Het EESC beveelt aan, de consumentenorganisaties, het maatschappelijk middenveld en de sociale actoren bij de herziening van dit instrument te betrekken. Het is bereid het initiatief te steunen door specifieke activiteiten te ontplooien gericht op nationale consumentenverenigingen en de nationale sociaal-economische raden.

4.1.9

Terwijl de Commissie het belang van voorlichting aan consumenten, beleggers en werknemers in de financiële sector benadrukt, is het EESC van mening dat het belang van de taal waarin de documenten worden opgesteld niet mag worden onderschat. De Commissie moet hier aandacht aan besteden, door er ten minste voor te zorgen dat de basisdocumenten in zoveel mogelijk talen beschikbaar zijn.

4.1.10

Het EESC is ingenomen met de aandacht voor de consumenten en de werknemers in het bankwezen en de financiële sector, en juicht het toe dat zij regelmatig zullen worden geraadpleegd over onderwerpen die hen aanbelangen. De meerwaarde van marktintegratie zit in de tevredenheid van de consument, terwijl de sociale impact van de besluiten evenmin uit het oog mag worden verloren. In het verleden voldeden de richtlijnen op financieel gebied echter niet altijd aan deze maatstaf. In de paragraaf „Algemene opmerkingen” wordt e.e.a. nader uitgewerkt.

4.1.11

Wat de interactie met andere gebieden van het Europees economisch beleid betreft, heeft het EESC er al op gewezen (2) dat het BTW-stelsel voor grote Europese concerns een hindernis kan zijn voor de consolidatie van de financiële diensten. Het is er dan ook mee ingenomen dat de Commissie van plan is hierover een wetgevingsvoorstel in te dienen. Bij zo'n BTW-harmonisatie, hoe wenselijk ook, is het wel zaak dat de economische, sociale en milieu-impact nauwkeurig worden beoordeeld. Het EESC heeft er al op gewezen dat de huidige situatie een hindernis kan zijn voor de volledige integratie en ontwikkeling van de financiële markt. Daarnaast wil het de aandacht vestigen op het outsourcing probleem, dat nog kan worden vergroot door een niet-geharmoniseerd fiscaal stelsel, met negatieve gevolgen voor de werkgelegenheid, de kwaliteit van de dienstverlening en de betrouwbaarheid van het systeem als geheel. Het EESC hoopt dat deze problematiek de aandacht krijgt die het verdient, ook al omdat de resultaten van outsourcing vaak verre van positief zijn.

4.2   Zorgen voor een correct toezicht- en regelgevingskader

4.2.1

De doelstelling om de coördinatie tussen de toezichthouders te vergroten is zonder meer lovenswaardig. De verwezenlijking van deze doelstelling kan wellicht worden bevorderd door de niveau-3-comités geleidelijk een steeds grotere rol te laten spelen, door de bevoegdheden van de leden te harmoniseren in het kader van het „Lamfalussy-proces” ter voltooiing van het Europese regelgevingskader. Hierbij zou het mes aan twee kanten snijden: enerzijds een vermindering van de werklast van de Commissie, anderzijds een verkleining van het risico van gold plating door de lidstaten of toezichthouders.

4.2.2

Het EESC acht het momenteel nog te vroeg om één Europese toezichthouder in te stellen en die verantwoordelijk te maken voor de coördinatie van de toezichtactiviteiten. Wel moeten de nationale toezichthouders actief en voortdurend samenwerken en proberen gemeenschappelijke gedragscodes en procedures vast te stellen. Het grotere wederzijdse vertrouwen dat hieruit voortvloeit zou een eerste stap zijn in het proces dat in de toekomst moet leiden tot de oprichting van een Europese toezichtautoriteit voor grote financiële concerns, banken en verzekeringsmaatschappijen uit alle lidstaten. Een eerste belangrijk besluit zou betrekking moeten hebben op de aanwijzing van een hoofdtoezichthouder, namelijk van het land waartoe de moedermaatschappij behoort, die tevens tot taak krijgt de activiteiten van de dochterondernemingen of bijkantoren in andere lidstaten van de Unie te controleren. Zowel multinationals als toezichthouders zouden daadwerkelijk gebaat kunnen zijn bij de interne markt, doordat zij niet langer in ieder land afzonderlijke balansen en bedrijfsinformatie moeten verstrekken en rekening moeten houden met verschillende nationale wetgevingen.

4.2.3

Zo zou de methode van de Market abuse-richtlijn kunnen worden gevolgd. Aangezien de betreffende ontwerprichtlijn zeer gedetailleerd was, werd hier bij de omzetting in nationaal recht nauwelijks van afgeweken, waardoor de regelgevers een grote mate van verantwoordelijkheid hielden. De verantwoordelijkheid werd ook op Europees niveau gedeeld, waarbij werd aangegeven welke specifieke taken aan de verschillende toezichthouders werden toebedeeld.

4.2.4

De goedkeuring van de IFRS (International Financial Reporting Standards) was een belangrijke aanleiding om de boekhoudkundige bedrijfsverplichtingen te stroomlijnen en naar moderne maatstaven vorm te geven. Deze goedkeuring kan tevens worden aangegrepen om de soorten gegevens die intermediairs aan de toezichthouders moeten verstrekken, op Europees niveau te stroomlijnen. Met de goedkeuring van de IFRS zijn er volgens het EESC geen excuses meer voor uitstel of vertragingen van de verwezenlijking van deze doelstelling, die een essentiële voorwaarde is voor efficiënte en effectieve coördinatie en samenwerking bij het toezicht op Europees niveau. Wel zou één en ander moeten worden geharmoniseerd met de doelstellingen van het Europese „Solvency II”-project. Ondernemingen die hun balansen en geconsolideerde jaarrekening nog niet op één lijn met de IFRS hebben gebracht, zouden niet mogen worden benadeeld ten opzichte van ondernemingen die dat wel al hebben moeten doen.

4.3   Lopende en toekomstige wetgevingsinitiatieven

4.3.1   Lopende wetgevingsinitiatieven

4.3.1.1

Voor de sector retail banking zijn er drie zeer belangrijke initiatieven. Wat het initiatief inzake hypotheken betreft heeft het EESC (3) al enkele gefundeerde twijfels geuit over de concrete mogelijkheid om de markt te integreren, gezien de juridische gevolgen en de aanzienlijke moeilijkheden die in een recent advies zijn besproken. Het EESC wacht nog altijd de reactie van de Commissie af op de naar voren gebrachte bezwaren.

4.3.1.2

De door de Commissie voorgestelde wijzigingen op de richtlijn inzake consumentenkrediet, die thans bij het EP voorliggen, zijn een verbetering ten opzichte van het vorige voorstel, hoewel de consumenten niet op alle punten tevreden worden gesteld. Het EESC wacht af wat het resultaat zal zijn, en spreekt de wens uit dat de richtlijn over niet al te lange tijd wordt goedgekeurd.

4.3.1.3

Ook de richtlijn inzake betalingsdiensten is van groot belang. Grensoverschrijdende betalingen bevinden zich vooralsnog in een grijze zone. Het financiële systeem zou zich moeten schikken naar de door DG Mededinging uitgevaardigde voorschriften op het stuk van mededinging, transparantie en vergelijkbaarheid. De totstandkoming vóór 2010 van de eengemaakte eurobetalingsruimte (SEPA — Single Euro Payment Area) is een ambitieuze en toe te juichen doelstelling, die grensoverschrijdende betalingen efficiënter moet maken en garanties zal bieden voor de consument. Wel moet erop worden gewezen dat sommige lidstaten nu al doeltreffende en goedkope betalingssystemen kennen (bijvoorbeeld het systeem van rechtstreekse vorderingen). Als de SEPA eenmaal een feit is moet rekening worden gehouden met de belangen van de gebruikers, en moet er een zekere meerwaarde zijn. Het EESC bereidt momenteel een specifiek advies over betalingsdiensten voor, waarin het standpunt van het Comité uitvoerig zal worden toegelicht.

4.3.1.4

De herziening van het begrip „gekwalificeerde deelneming”, via een aanpassing van art. 16 van de bankenrichtlijn en art. 15 van de richtlijn inzake de verzekeringssector, is van essentieel belang om te voorkomen dat sommige toezichthouders de evenwichtige ontwikkeling van de interne markt kunnen belemmeren door zich te verschuilen achter het excuus van het prudentieel toezicht. De beste garantie voor een stabiel systeem is volgens het EESC dat de efficiency wordt verbeterd, in plaats van dat beperkingen worden opgelegd aan de overdracht van de controle op ondernemingen.

4.3.1.5

Wat de clearing- en afwikkelingssystemen betreft heeft het gebrek aan een gemeenschappelijk regelgevingskader geleid tot grote verspillingen en flagrante gevallen van misbruik. Grensoverschrijdende clearing en afwikkeling zijn duurder en minder efficiënt dan nationale clearing en afwikkeling. Het EESC zou ingenomen zijn met de goedkeuring van een kaderrichtlijn die tot doel heeft het concurrentievermogen van de Europese financiële operatoren ten opzichte van hun internationale concurrenten te verbeteren. Een efficiënte en geordende markt trekt investeringen aan: dat is wat Europa nodig heeft wil het doorgaan met de verwezenlijking van de doelstellingen economische groei en werkgelegenheid.

4.3.2   Actuele vraagstukken

4.3.2.1

Het EESC is het eens met de beoordeling van de Commissie over de onterechte belemmeringen voor de volledige vrijmaking van het verkeer van kapitaal en grensoverschrijdende beleggingen.

4.3.2.2

De Commissie staat sceptisch tegenover de invoering van de zgn. 26e-regeling op het gebied van financiële diensten. Anderzijds heeft de minimale harmonisatie te grote verschillen in de hand gewerkt. Het home-country-control -beginsel is een nuttig instrument gebleken om de liberalisering en mededinging in de EU te bevorderen. Dit beginsel wordt gemakkelijker aanvaard door de lidstaten naarmate het wederzijds vertrouwen over de kwaliteit van de nationale wetgeving van de andere lidstaten groter is. De doelstelling van volledige harmonisatie van wetgeving is in dit verband een belangrijke katalysator van de eerdergenoemde vertrouwensrelatie, die aan de basis ligt van de geleidelijke totstandkoming van een gemeenschappelijke cultuur. Een en ander zou moeten leiden tot de harmonisatie van de belangrijkste clausules uit financiële-dienstencontracten. Het EESC wijst er bovendien op dat er tot nu toe nog geen enkel bewijs is van de (effectieve) toepasbaarheid van de 26e-regeling en dat de Commissie in ieder geval nader onderzoek zou moeten doen. Of, zoals het EESC in een recent advies heeft opgemerkt: „Een „26e regeling” zou een goede manier zijn (…) maar alleen als na een grondige bestudering van de wetgeving en de kredietovereenkomsten van alle 25 lidstaten vast is komen te staan dat dit „naast de nationale wetgeving bestaande” rechtsinstrument niet strijdig is met enige nationale wet of regel. In ieder geval mag standaardisering geen belemmering vormen om nieuwe producten aan te bieden, dus om te innoveren.” (4)

4.3.3   Toekomstige stappen

4.3.3.1

In een recent advies over het Groenboek van juli 2005 heeft het EESC het nut van een initiatief op het gebied van icbe's onderstreept. (5)„De beleggingsfondsen worden door beleggers op hetzelfde plan gezet als andere financiële producten, zoals de unit-linked levensverzekeringen, hoewel hiervoor een heel andere regelgeving geldt. Hierdoor kunnen verkeerde beleggingskeuzes worden gemaakt, met nadelige gevolgen voor de kosten en risico's van gedane beleggingen. Het EESC denkt niet dat het probleem kan worden opgelost met een afgezwakte mededinging, met lossere voorschriften en lagere garanties voor beleggingen in fondsen. Het is juist zaak de voorschriften naar boven bij te stellen, zodat de beleggingsproducten die feitelijk worden beschouwd als een rechtstreeks alternatief voor beleggingsfondsen, onder een vergelijkbare regelgeving vallen als die beleggingsfondsen.” De verschillen in verplichtingen tussen beleggingsfondsen en unit-linked levensverzekeringen, het feit dat het Europees paspoort nog niet gereed is (als gevolg van belemmeringen die sommige toezichthouders blijven opwerpen), de weinig doorzichtige kostenstructuur (met name van de uitgaande kosten), de fragmentatie van de markt en de bijbehorende hoge kosten: dit zijn slechts enkele van de gesignaleerde problemen. Het EESC ziet hoe dan ook met argusogen aan dat er in sommige lidstaten gewaarborgde kapitaalfondsen worden ontwikkeld waarbij de beheermaatschappij niet over voldoende eigen middelen hoeft te beschikken, waardoor in geval van bijzonder ongunstige marktontwikkelingen de consumenten onvoldoende beschermd zijn. Het EESC dringt er bij de Commissie op aan dit gebrek te verhelpen door adequate kapitalisatieverplichtingen vast te stellen voor maatschappijen die gewaarborgde kapitaalfondsen aanbieden, en te zorgen voor een specifiek en adequaat toezicht. Het EESC staat achter de roep om doeltreffender icbe's in het leven te roepen, ook al omdat zij, als belangrijk onderdeel van de pensioenfondsen, kunnen bijdragen tot de oplossing van een probleem dat in het begin van het Witboek terecht wordt aangestipt, namelijk de financiering van het omvangrijke pensioendeficit waarmee de meeste Europese lidstaten zijn opgezadeld.

4.3.3.2

Het EESC is het met de Commissie eens dat de toegang tot een bankrekening niet alleen in financieel opzicht van belang is. In de moderne economie verschaft het hebben van een bankrekening de individuele burger een soort economisch burgerschap. Sommige lidstaten hebben dit burgerschapsrecht wettelijk erkend, door financiële instellingen te verplichten bepaalde basisdiensten aan te bieden, tegen minimale kosten. In andere lidstaten zijn de banken zich steeds meer bewust van dit probleem: zij bieden voor enkele euro's per maand een basispakket diensten aan die aan de bankrekening zijn verbonden.

4.3.3.3

Het voornemen om de belemmeringen voor grensoverschrijdend gebruik van bankrekeningen op te heffen moet worden toegejuicht, en draagt mogelijk bij tot een daling van de door de banken toegepaste prijzen. De mogelijkheid om online-bankrekeningen te openen brengt de intra-Europese mobiliteit van rekeningen werkelijk een stap dichterbij. Wel moet rekening worden gehouden met het feit dat niet alle consumenten de daarvoor benodigde computertechnieken beheersen. De Commissie zou ook voor deze personen, die meestal tot de zwakkeren uit de samenleving behoren, een bevredigende oplossing moeten bieden. Er zij op gewezen dat deze mogelijkheid pas concreet vorm kan krijgen indien een echte, constructieve samenwerking tussen toezichthouders wordt geconsolideerd. Naar aanleiding van de voorstellen in het Witboek heeft de Commissie op 16 mei 2006 besloten (6) een deskundigengroep onderzoek te laten doen naar de cliëntmobiliteit in verband met bankrekeningen.

4.4   De externe dimensie

4.4.1

De ambitieuze doelstelling van de Commissie om Europa een vooraanstaande rol te laten spelen bij de vaststelling van mondiale standaards valt zeker toe te juichen. Overeenkomstig de aanbevelingen van de Doha-ronde hoopt het EESC bovendien dat Europa de meest geavanceerde landen begeleidt bij hun inspanningen om minder ontwikkelde landen adequate technische en financiële bijstand te verlenen bij de wetgeving en toepassing van de goedgekeurde akkoorden en standaards. Bij het voortschrijden van de internationale integratie moet tevens rekening worden gehouden met de behoeften van de zwakste economieën, die investeringen moeten aantrekken. Het EESC hoopt dat de Commissie deze behoeften voor ogen houdt tijdens de onderhandelingen en de dialoog met de andere ontwikkelde landen.

4.4.2

De strijd tegen het crimineel gebruik van financiële systemen krijgt de actieve steun van het EESC, dat de Commissie en de andere Europese instellingen bijstaat in hun strijd tegen alle vormen van criminaliteit, die bovendien vaak verband houden met het internationale terrorisme. Economische criminaliteit neemt tal van vormen aan: bedrijfs- en handelsfraude, witwaspraktijken, belastingontduiking, corruptie en ga zo maar door. Hierbij worden financiële diensten vaak misbruikt om criminele activiteiten uit te voeren. Het EESC doet een beroep op de financiële instellingen om de bevoegde autoriteiten te helpen bij de bestrijding hiervan. De bevoegde autoriteiten zouden op hun beurt gevolg moeten geven aan meldingen van de financiële instellingen. Indien deze goed worden geïnformeerd over de follow-up van hun meldingen van verdachte transacties, zullen zij meer gemotiveerd zijn om hun inspanningen op dit gebied voort te zetten en zelfs op te voeren.

Brussel, 5 juli 2006

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Anne-Marie SIGMUND


(1)  PB C 65 van 17-3-2006

(2)  PB C 65 van 17-3-2006

(3)  PB C 65 van 17-3-2006

(4)  PB C 65 van 17-3-2006

(5)  PB C 110 van 17-5-2006

(6)  Besluit 2006/355/EG van de Commissie van 16 mei 2006 tot oprichting van een deskundigengroep inzake cliëntmobiliteit in verband met bankrekeningen (PB L 132 van 19-5-2006)


16.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 309/33


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het „Voorstel voor een besluit van de Raad tot goedkeuring van de toetreding van de Europese Gemeenschap tot de Akte van Genève van de Overeenkomst van 's-Gravenhage betreffende de internationale registratie van tekeningen of modellen van nijverheid, aangenomen te Genève op 2 juli 1999”

(COM(2005) 687 final — 2005/0273 (CNS))

en het

„Voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 6/2002 en Verordening (EG) nr. 40/94 in verband met de toetreding van de Europese Gemeenschap tot de Akte van Genève bij de Overeenkomst van 's-Gravenhage betreffende de internationale registratie van tekeningen en modellen van nijverheid”

(COM(2005) 689 final — 2005/0274(CNS))

(2006/C 309/07)

De Raad besloot op 14 februari 2006 het Europees Economisch en Sociaal Comité, overeenkomstig artikel 308 van het EG-Verdrag, te raadplegen over het

Vervolgens besloot de Raad op 17 februari 2006 het Europees Economisch en Sociaal Comité, overeenkomstig de artikelen 300 en 308 van het EG-Verdrag, te raadplegen over bovengenoemd voorstel.

Voorstel voor een besluit van de Raad tot goedkeuring van de toetreding van de Europese Gemeenschap tot de Akte van Genève van de Overeenkomst van 's- Gravenhage betreffende de internationale registratie van tekeningen of modellen van nijverheid, aangenomen te Genève op 2 juli 1999

(COM(2005) 687 final — 2005/0273 (CNS).

De afdeling Interne markt, productie en consumptie, die met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 31 mei 2006 goedgekeurd. De heer Cassidy was rapporteur voor dit advies.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 5 en 6 juli 2006 gehouden 428e zitting (vergadering van 5 juli) onderstaand advies uitgebracht, dat met 155 stemmen vóór en drie stemmen tegen, bij twee onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Samenvatting van de conclusies en aanbevelingen van het Comité

De twee bovengenoemde Commissievoorstellen houden met elkaar verband en worden daarom in één advies behandeld.

Het Comité kan zich volledig in de voorstellen vinden.

2.   Hoofdlijnen van de voorstellen

2.1

De voorstellen zijn bedoeld om het registratiestelsel voor het Gemeenschapsmodel en het Haagse stelsel voor de internationale registratie van tekeningen en modellen aan elkaar te koppelen, en wel door de toetreding van de EG tot de Akte van Genève, bij de Overeenkomst van 's-Gravenhage. Het eerste voorstel betreft de toetreding zelf en het tweede bevat wijzigingen in de desbetreffende verordeningen om die toetreding mogelijk te maken.

2.2

Het Haagse stelsel is gebaseerd op de Overeenkomst van 's-Gravenhage betreffende de internationale registratie van tekeningen of modellen van nijverheid. Deze overeenkomst is samengesteld uit drie verschillende akten: die van Londen (1934), van 's-Gravenhage (1960) en van Genève (1999). Elk van deze drie akten staat los van de andere twee enbevat geheel eigen bepalingen die naast die van de andere van toepassing zijn: verdragsluitende partijen kunnen naar eigen goeddunken partij worden bij één, twee of alle drie de akten. Zij worden automatisch lid van de Unie van 's-Gravenhage, waarbij momenteel 42 landen zijn aangesloten, waaronder twaalf EU-lidstaten. (1)

2.3

Toetreding maakt het voor alle ontwerpers van modellen mogelijk om nieuwe en originele modellen middels één enkele aanvraag in ieder van de bij de Akte van Genève aangesloten landen te beschermen. Dit biedt een bijkomend traject voor bescherming: naast bescherming op nationaal en Gemeenschapsniveau (via registratie als Gemeenschapsmodel) zal via het Haagse stelsel ook internationale bescherming kunnen worden verkregen.

2.4

Dit moet resulteren in een eenvoudiger, economisch efficiënter en kostenbesparend systeem. Onder het Haagse stelsel hoeven aanvragers geen vertalingen van documenten over te leggen, geen vergoedingen aan bureaus en agenten in verschillende landen te betalen en niet meer te letten op per land verschillende termijnen voor verlenging. In plaats daarvan is sprake van één aanvraag bij één instantie en één vergoeding, wat voor het geregistreerde model recht op bescherming oplevert in de in de aanvraag genoemde bij de Akte van Genève aangesloten landen.

2.5

Dankzij het Gemeenschapsmodel kunnen ontwerpers nieuwe en originele modellen, die worden gekenmerkt door hun uiterlijk, beschermen door een voor de gehele Gemeenschap geldend monopolie t.a.v. geregistreerde modellen aan te vragen, dat overal hetzelfde effect sorteert. Modellen kunnen ook in de lidstaten worden geregistreerd, maar het Gemeenschapsmodel vormt een voor bedrijven in de interne markt voordelig en handig instrument om in de gehele Gemeenschap uniforme bescherming te verkrijgen.

2.6

Op grond van de Overeenkomst van 's-Gravenhage kan bij het Internationaal Bureau van de Wereldorganisatie voor de Intellectuele Eigendom (WIPO) tegen één vergoeding één aanvraag worden ingediend die resulteert in registratie van het model in de in de aanvraag genoemde bij de overeenkomst aangesloten landen. De weg van het Haagse stelsel staat open voor iedere ingezetene, onderdaan of onderneming van een land dat bij genoemde overeenkomst is aangesloten. De WIPO neemt momenteel geen bij de nationale bureaus ingediende aanvragen in ontvangst: de aanvraag rechtstreeks bij de WIPO indienen, voorkomt verwarring, overlapping en de mogelijkheid dat te veel aan het HBIM (Harmonisatiebureau voor de interne markt — merken, tekeningen en modellen) wordt betaald.

2.7

Nog een voordeel van het Haagse stelsel is dat wijziging en verlenging van modelbescherming er gemakkelijker op worden.

2.8

De Akte van Genève trad op 23 december 2003 in werking. Naast een aantal andere wijzigingen om het Haagse stelsel toegankelijker te maken, voorziet de Akte ook in de mogelijkheid van toetreding door intergouvernementele organisaties als de Europese Gemeenschap. Momenteel zijn negentien landen (waaronder Zwitserland, Singapore en Turkije) partij bij de Akte. Een aantal lidstaten moet de Akte nog ondertekenen en/of ratificeren.

2.9

Krachtens de Akte mogen aanvragen in slechts één van de twee officiële talen (Engels en Frans) worden ingediend.

2.10

Nar verwachting zullen de VS in november 2006 toetreden. Toetreding door zowel de EU als de VS zou andere belangrijke handelspartners (China, Japan, Korea) ook over de streep moeten trekken, waardoor registratie mogelijk wordt in een aantal erg belangrijke landen.

2.11

Het voorstel koppelt de EG, die in de Akte als één land wordt beschouwd, aan het Haagse stelsel, waarmee de bruikbaarheid ervan wordt verhoogd.

3.   Specifieke opmerkingen

3.1

Krachtens het voorstel voor een besluit van de Raad (COM(2005) 687 final) kan de EG wat haar Gemeenschapsmodel betreft als één land in de Unie van 's-Gravenhage opereren. De toetreding tot de Akte van Genève wordt door wijziging van Verordening (EG) 6/2002 (de „Gemeenschapsmodellenverordening”) geconcretiseerd.

3.2

Dankzij de wijziging van Verordening (EG) 40/94 (inzake het Gemeenschapsmerk) kan het in Alicante gevestigde HBIM vergoedingen aanvaarden voor krachtens de Akte van Genève geregistreerde modellen.

3.3

Artikel 308 van het EG-Verdrag vormt de rechtsbasis voor de herziening van deze twee verordeningen.

3.4

Het Europees Parlement is geraadpleegd. De twee voorstellen vallen niet onder de co-decisieprocedure.

3.5

Binnen de Raad geldt het unanimiteitsvereiste.

4.   Kosten

4.1

Er wordt van uitgegaan dat de voorstellen geen bijkomende kosten mee zullen brengen. Het gaat immers om herziening van verordeningen, d.w.z. wetsteksten die in de lidstaten rechtstreeks van toepassing zijn.

4.2

Momenteel moeten in ieder van de in de eerste aanvraag genoemde landen registratie- en verlengingsrechten worden betaald. Doorgaans bedragen deze minder dan 100 euro, maar daarbij moet worden opgeteld dat internationale inschrijvingen gepaard gaan met de kosten en het ongemak van valuta die moeten worden gewisseld.

Brussel, 5 juli 2006

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Anne-Marie SIGMUND


(1)  België, Duitsland, Estland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Italië, Letland, Luxemburg, Nederland, Slovenië en Spanje. De EU zelf is geen lid.


16.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 309/35


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het „Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de regels voor de deelname van ondernemingen, onderzoekscentra en universiteiten aan acties op grond van het zevende kaderprogramma, en voor de verspreiding van onderzoeksresultaten (2007-2013)”

(COM(2005) 705 final — 2005/0277 (COD))

(2006/C 309/08)

De Raad heeft op 1 maart 2006 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikelen 167 en 172, lid 2, van het EG-Verdrag te raadplegen over bovengenoemd voorstel.

De afdeling Interne markt, productie en consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 31 mei 2006 goedgekeurd. Rapporteur was de heer WOLF.

Het Comité heeft tijdens zijn op 5 en 6 juli 2006 gehouden 428e zitting (vergadering van 5 juli) het volgende advies uitgebracht, dat met 152 stemmen vóór en 1 stem tegen, bij 3 onthoudingen, is goedgekeurd:

1.   Samenvatting

1.1

Het voorstel van de Commissie bevat de eisen, regels en procedures voor ondernemingen, universiteiten, onderzoekscentra of andere rechtspersonen om in aanmerking te komen voor een subsidie van het Zevende Kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling.

1.2

Het Comité stemt grotendeels in met de voorgestelde regels; het ontwaart verbeteringen en mogelijkheden voor een onomwonden vereenvoudiging van de administratieve procedures. Voor de nog ontbrekende uitvoeringsbepalingen voor de Commissie zelf, beveelt het Comité aan om met het oog op de gewenste vereenvoudiging, ook hier te werken aan meer uniformiteit en consistente omzetting, bijv. bij de te hanteren criteria.

1.3

Daar de genoemde uitvoeringsbepalingen nog ontbreken, zijn diverse specifieke gevolgen van de voorgestelde regels nog niet te overzien. In die gevallen (bijv. restitutie van extra kosten) stelt het Comité voor om tenminste voorlopig de huidige regeling te handhaven om een eventuele benadeling van betrokken begunstigden te vermijden.

1.4

Het Comité is ingenomen met de voorgenomen nieuwe subsidieplafonds voor de betrokken gebieden en begunstigden. Verheugend is met name dat een en ander tot verbeteringen voor de subsidiëring van het MKB leidt.

1.5

Het Comité stelt voor om alle met publieke middelen gefinancierde onderzoeksinstellingen, ongeacht hun rechtsvorm, gelijk te stellen.

1.6

Het Comité pleit ervoor om toekomstige contractpartners meer vrijheid te gunnen voor de vorm van de overeenkomst, alsook voor de keuze van instrumenten. Het gaat dan met name om de toegangsrechten tot „foreground” (nieuwe kennis en beschermende rechten) en/of tot „background” (bestaande kennis en beschermende rechten) van de contractpartijen. Gratis toegangsrechten moeten wel als optie worden aangeboden, maar niet, zoals voor sommige gevallen voorgesteld is, zonder uitzondering worden opgelegd.

1.7

Voor nadere details wordt verwezen naar hoofdstuk 4.

2.   Inleiding

2.1

In haar voorstel voor het Zevende OTO-kaderprogramma (2007–2013) (1), afgekort KP7, heeft de Commissie de doelstellingen, inhoud, thema's en het begrotingskader geschetst voor de geplande stimulering van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie in de vermelde periode. Hierover, alsook over de voorbereidende en nog aan te vullen voorstellen van de Commissie, met name voor de zgn. Specifieke programma's (2), heeft het Comité al adviezen (3) uitgebracht.

2.2

Het onderhavige voorstel van de Commissie omvat thans de eisen, regels en procedures aan de hand waarvan ondernemingen, universiteiten, onderzoekscentra en andere rechtspersonen kunnen deelnemen aan de acties van het Zevende OTO-kaderprogramma, dat wil zeggen in aanmerking komen voor subsidie uit dit programma.

2.3

Wezenlijk in dit verband is het streven van de Commissie om de met de stimulering van onderzoek verbonden administratieve procedures te vereenvoudigen. In eerdere adviezen heeft het Comité dit oogmerk al toegejuicht en onderschreven; het heeft zelf opnieuw aanbevolen om deze procedures te vereenvoudigen en de hiermee gepaard gaande kosten te reduceren om zo de efficiëntie van de Europese onderzoeksprogramma's te verbeteren. „Tegenwoordig zijn er te veel kosten en mankracht gemoeid met de aanvraag- en goedkeuringsprocedures, die betrokkenen uit wetenschap en industrie met problemen confronteren. Deelname aan het Europese onderzoeksprogrammainclusief het risico van het indienen van projectaanvragenmoet voor de deelnemers de moeite waard zijn. Dit geldt met name voor kleinere spelers zoals het MKB of kleine onderzoeksgroepen aan universiteiten en in onderzoekscentra.”  (4) De voorgestelde regels voor deelname dienen dus uitdrukkelijk ook de beoogde vereenvoudiging op te leveren.

2.4

Onderhavig Commissievoorstel beschrijft dus de relevante regels voor het streven om de door de Gemeenschap ter beschikking gestelde middelen voor onderzoek en ontwikkeling (KP7) zo doeltreffend, succesvol en rechtvaardig mogelijk te besteden.

2.5

Deze regels voor de deelname van ondernemingen, onderzoekscentra en universiteiten moeten aldus een coherent en transparant kader vormen voor een efficiënte uitvoering van het Zevende Kaderprogramma en een vlotte toegang hiertoe voor alle deelnemers waarborgen. Zo dient een breed spectrum van ondernemingen, onderzoekscentra en universiteiten te worden gestimuleerd en de deelname van actoren uit perifere gebieden van de Unie mogelijk te worden.

3.   Inhoud van het Commissievoorstel

3.1

De door de Commissie voorgestelde regels voor deelname aan het Zevende Kaderprogramma moeten vele aspecten van de vereenvoudiging verwezenlijken en daarbij uitgaan van de principes die in het Zesde Kaderprogramma (KP6) zijn opgenomen. Enkele belangrijke onderdelen worden in dit hoofdstuk beknopt geschetst.

3.2

Het Commissievoorstel bestaat uit: inleidende bepalingen, voorwaarden voor deelname aan acties onder contract en bijbehorende procedures, de communautaire financiële bijdrage, regels voor verspreiding en gebruik van de resultaten, toegangsrechten tot back- en foreground, en bepalingen betreffende de Europese Investeringsbank.

3.3   Voorwaarden voor deelname aan acties onder contract

3.3.1

Aan acties onder contract moeten ten minste drie rechtspersonen deelnemen, die elk in een lidstaat of geassocieerd land zijn gevestigd, en waarvan er geen twee in dezelfde lidstaat of geassocieerd land zijn gevestigd.

3.3.2

Voor coördinatie- en ondersteuningsacties, en acties ten behoeve van de opleiding en loopbaanontwikkeling van onderzoekers is de minimumvoorwaarde deelname van één rechtspersoon.

3.3.3

Voor acties onder contract ter ondersteuning van door onderzoekers aangestuurde „grensverleggende” onderzoeksprojecten die worden gefinancierd in het kader van de Europese Onderzoeksraad is de minimumvoorwaarde deelname van één in een lidstaat of in een geassocieerd land gevestigde rechtspersoon.

3.4   Communautaire financiële bijdrage

3.4.1

Voor activiteiten inzake onderzoek en technologische ontwikkeling mag de communautaire financiële bijdrage maximaal 50 % van de totale subsidiabele kosten bedragen.

3.4.1.1

Bij overheidsinstanties, instellingen voor middelbaar en hoger onderwijs, onderzoeksorganisaties (5) en kleine en middelgrote ondernemingen mag deze echter maximaal 75 % van de totale subsidiabele kosten bedragen.

3.4.2

Voor demonstratieactiviteiten mag de communautaire financiële bijdrage maximaal 50 % van de totale subsidiabele kosten bedragen.

3.4.3

Voor activiteiten die worden ondersteund door middel van acties voor grensverleggend onderzoek, coördinatie- en ondersteuningsacties en acties ten behoeve van de opleiding en loopbaanontwikkeling van onderzoekers mag de communautaire financiële bijdrage maximaal 100 % van de totale subsidiabele kosten bedragen.

3.4.4

Voor beheerskosten en auditcertificaten en andere activiteiten die niet vallen onder artikel 33, lid 1, 2 en 3, mag de communautaire financiële bijdrage maximaal 100 % van de totale subsidiabele kosten bedragen.

3.4.5

Voor netwerken van excellentie wordt een speciaal forfaitair bedrag voorgesteld. Op grond van de regels voor deelname gaat het om een vast bedrag, dat berekend wordt volgens het aantal in het netwerk van excellentie te integreren onderzoekers en de duur van de actie.

3.5   Verdere regels

De regels bepalen de procedures voor het uitschrijven van uitnodigingen tot het indienen van projectvoorstellen, alsook procedures voor indiening, evaluatie, selectie en gunning van voorstellen.

Het tijdens vorige kaderprogramma's ontwikkelde evaluatieproces blijft zonder substantiële wijzigingen bestaan. De Commissie zal een model van subsidieovereenkomst voorbereiden waarin de rechten en verplichtingen van de deelnemers ten opzichte van de Commissie en elkaar zullen worden vastgesteld.

Drie subsidievormen worden voorgesteld: terugbetaling van subsidiabele kosten, forfaitaire bedragen en financiering tegen vast tarief. Voor acties voor grensverleggend onderzoek zal de Wetenschappelijke Raad van de Europese Onderzoeksraad aangepaste financieringsmodaliteiten voorstellen.

3.6

Ten aanzien van verspreiding, gebruik en toegangsrechten (eigendom, bescherming, publicatie, verspreiding en gebruik, en toegangsrechten voor back- en foreground) is continuïteit van het grootste belang. Wijzigingen dienen de deelnemers meer flexibiliteit te bieden tijdens de afwikkeling van het project. De mogelijkheid blijft bestaan om background uit te sluiten en andere voorwaarden te bepalen dan die welke in de regels zijn vastgesteld. De coherentie van de verspreidings- en publicatie-eisen is verbeterd.

3.7

Zoals al in het 6e OTO-Kaderprogramma (KP6) het geval was, hebben de deelnemers aan een consortium de verantwoordelijkheid om de hun toevertrouwde taken volledig uit te voeren, zelfs indien één van de deelnemers verzuimt te voldoen aan de opgedragen taken. Het in KP6 voor de meeste acties ingevoerde beginsel van hoofdelijke aansprakelijkheid wordt echter niet gehandhaafd. Afhankelijk van een beoordeling van de aan de Europese onderzoeksfinanciering inherente risico's voor de communautaire begroting kan een mechanisme worden ingevoerd ter dekking van het financiële risico van het feit dat een deelnemer verzuimt een aan de Gemeenschap verschuldigd bedrag terug te betalen. Er moeten dan ook alleen bankgaranties worden gevraagd in het zeldzame geval dat de prefinanciering meer dan 80 % van de subsidie uitmaakt.

4.   Opmerkingen van het Comité

4.1

Vereenvoudiging. Het Comité onderschrijft de zeer belangrijke doelstelling om alle procedures die tot nu toe door de Commissie werden toegepast of door haar van de OTO-betrokkenenen werden geëist, te vereenvoudigen. De verdere opmerkingen zijn bedoeld als constructieve bijdrage hieraan. Het Comité beseft dat de verwezenlijking van deze doelstelling geen sinecure is, gezien de algemene begrotingsvoorschriften en het ook door het Comité onderschreven streven naar transparantie. Het zou zeer wenselijk zijn als met speciale proefprojecten binnen de mogelijkheden die de wet biedt, nog verder vereenvoudigde administratieve procedures worden beproefd; de aldus opgedane ervaring kan van nut zijn voor toekomstige maatregelen.

4.1.1

Verbeteringen. Het Comité waardeert het dat de Commissie zich inzet voor de verwezenlijking van dit doel en voor de optimale onderzoeksfinanciering door de Gemeenschap. Het stelt dan ook op vele punten van de gepresenteerde voorstellen duidelijke verbeteringen vast ten opzichte van de huidige aanpak, bijv. bij de terugbetaling van subsidiabele kosten (artikel 30 en 31) en bij de subsidievormen, en ook in de subsidie-overeenkomsten, contracten en aanstellingsbrieven (artikel 18 en 19); maar in het laatste geval slechts indien ook de voorschriften voor betaling en vooral voor de verslaglegging vereenvoudigd worden. In dit verband wijst het EESC op zijn eerdere aanbevelingen voor vereenvoudiging (6), die ook betrekking hadden op de wens om de door de Commissie vereiste procedures inhoudelijk en wat de termijnen betreft af te stemmen op de procedures van andere subsidieverstrekkers of toezichthouders (7).

4.1.2

Standaardisatie. Het streven naar sterkere uniformering van procedures, bijv. van de door de Commissie toegepaste of vereiste procedures voor kostenregistratie of controle van de solvabiliteit, komt ook de vereenvoudiging ten goede. Deze inspanningen kan het Comité, met het oog op de gemeenschappelijk interne markt en op een verbeterde rechtszekerheid volledig onderschrijven (8). Helaas zal het niet tot een volledige uniformering komen zolang de verschillende begunstigden in de diverse lidstaten, zoals universiteiten, niet (min of meer) hetzelfde betalingssysteem hanteren.

4.2

Verdere voorschriften en maatregelen. Vereenvoudiging en standaardisatie vergen evenwel nog meer maatregelen van de Commissie, die in het huidige voorstel pas aangekondigd worden, zie bijv. artikel 16, lid 4: „De Commissie dient regels goed te keuren en te publiceren om consistente verificatie van het bestaan en de rechtspositie van deelnemers aan acties onder contract alsmede van hun financiële geschiktheid te verzekeren.” Aangezien deze aanvullende regels (hierna „uitvoeringsbepalingen van de Commissie”) nog ontbreken, kan nu in enkele gevallen nog niet beoordeeld worden wat de gevolgen zullen zijn voor de hiervan afhankelijke voorstellen van de Commissie.

4.2.1

Uniforme interpretatie en criteria. Het Comité gaat er verder van uit dat een uniforme interpretatie van de uitvoeringsbepalingen van de Commissie, met name van de juridische en financiële bepalingen van de projecten, in alle betrokken diensten van de Commissie gewaarborgd is, en dat deze regels dus verder bijdragen aan vereenvoudiging en standaardisatie en niet resulteren in benadeling van OTO-actoren ten opzichte van de huidige methoden. In het algemeen beveelt het Comité aan om de marges voor interpretatie in het onderhavige Commissievoorstel ten gunste van de rechtszekerheid op te heffen door nadere preciseringen in de uitvoeringsbepalingen van de Commissie.

4.2.2

Steunmaatregelen. De door de Commissie al aangeboden en voorgestelde „helpdesks” en „coördinatiecentra” moeten ervoor zorgen dat de door de Commissie verspreide inlichtingen consistent en uniform zijn. Het Comité vindt dit een heel belangrijk en nuttig initiatief. Er moet wel op gelet worden dat ook tijdens de procedures bij de Commissie en de desbetreffende eisen en besluiten van de „project officers” consistent te werk wordt gegaan.

4.2.3

Verslaglegging. Zo moet vermeden worden dat — duidelijk gemotiveerde uitzonderingsgevallen daargelaten — Project Officers naast de in de regels genoemde verslagen extra, tussentijdse verslagen verlangen of dat identieke informatie in diverse verslagen in steeds andere vorm moet worden verstrekt (9). Het is tevens zaak te komen tot een uniforme verslaglegging; het gaat immers om de inhoud en niet om de vorm.

4.2.4

Tussentijdse evaluatie (midterm assessment). Desondanks raadt het Comité aan om, gelet op de geplande looptijd van het Zevende KP van 7 jaar, halverwege een evaluatie te maken van het programma alsook van de regels voor deelname, om eventueel noodzakelijke aanpassingen aan te kunnen brengen.

4.2.5

Project officers. Een belangrijke voorwaarde voor vereenvoudiging, standaardisatie en in het algemeen voor doeltreffende administratieve procedures is tevens dat de project officers, ook in verband met de vereiste continuïteit (zie volgende paragraaf) beschikken over een uitstekende vakkennis en over kennis van de betrokken actoren. Het is onvoldoende als de project officers zich zouden beperken tot een zuiver administratieve functie zonder brede vak- en milieukennis. Het Comité verwijst naar zijn herhaalde aanbevelingen (10) hierover (11).

4.3

Continuïteit. Aangezien elke nieuwe regeling een onderbreking van de continuïteit met bijkomende disfuncties tot gevolg heeft, moet zorgvuldig worden nagegaan of de door de Commissie voorgestelde wijzigingen inderdaad leiden tot een duidelijk beter functionerend systeem waarbij de ontstane verliezen niet al te zwaar wegen, of dat de bestaande regeling moet worden gehandhaafd. Het Comité onderschrijft dat veel van de regels die hun waarde hebben bewezen, in het Commissievoorstel moeten worden gehandhaafd. Van sommige wijzigingsvoorstellen is echter niet duidelijk of ze, in vergelijking met de tot nu toe geldende regels, inderdaad een verbetering opleveren. In deze gevallen bepleit het Comité continuïteit.

4.4

Communautaire financiële bijdrage — terugbetaling van kosten en subsidievormen In afwachting van een bevredigende toelichting op de nog open vragen (zie bijv. par. 4.5), stelt het Comité in de desbetreffende Commissievoorstellen veel verbeteringen vast, die het onderschrijft.

4.4.1

MKB. Het Comité is zeer ingenomen met het voorstel (art. 33, lid 1, tweede zin) om de subsidieplafonds voor bijv. het MKB (12) op te trekken van 50 % naar 75 %. Het beschouwt dit als een erkenning van vroegere aanbevelingen om het MKB meer en beter bij het Zevende OTO-Kaderprogramma te betrekken teneinde zo ook voor meer samenwerking tussen het MKB en onderzoeksinstituten te zorgen (13).

4.4.2

Hogescholen etc. Het stemt het Comité tevens tevreden dat de financieringsplafonds ook voor overheidsinstanties, instellingen voor middelbaar en hoger onderwijs en onderzoeksorganisaties bij 75 % van de kosten komt te liggen (eveneens art. 33, lid 1, tweede zin). Het Comité bepleit een duidelijker structuur van dit artikel om beter onderscheid te kunnen maken tussen naar winst strevende contractpartners en non-profitpartners.

4.4.3

Gemiddelde tarieven voor personeelskosten. De mogelijkheid voor deelnemers om uit te gaan van gemiddelde personeelskosten (art. 31-3, sub a)) beschouwt het Comité als een voordeel, gelet op vereenvoudiging.

4.4.4

Managementkosten. In verband met de vereiste continuïteit acht het Comité het positief dat de tot nu toe volledige restitutie van managementkosten wordt gehandhaafd. Het voorstel om de huidige bovengrens van 7 % voor deze kostensoort onbeperkt te laten vervallen, lijkt echter problematisch, als niet anderszins zeer strenge criteria worden aangelegd voor de desbetreffende managementkosten. Anderzijds is het waar dat de 7 %-grens tot nu toe te laag bleek, juist vanwege de vereiste formaliteiten op het gebied van administratie, coördinatie enz. Er moet evenwel vermeden worden dat onbeperkte terugbetaling van alle administratieve kosten uitmondt in een ongewenste stijging van de rompslomp; doel is immers juist een reductie hiervan.

4.5

Extra kosten bij universiteiten. Volgens het Commissievoorstel komt de tot nu toe bestaande mogelijkheid voor universiteiten en soortgelijke onderzoeksorganisaties te vervallen om 100 % van de zgn. extra of meerkosten (additional cost) (14) vergoed te krijgen. Hoewel in plaats daarvan andere verrekeningsmodellen beschikbaar zijn, acht het Comité de voorgestelde afschaffing problematisch. Deze instituten beschikken immers in de regel niet over een adequate analytische boekhouding voor het vaststellen van de totale kosten (full cost) (15). Bovendien kan voor het door de Commissie als alternatief voorgestelde forfait nog niet beoordeeld worden of dit tot een achteruitgang leidt, aangezien de hiervoor benodigde uitvoeringsbepalingen van de Commissie nog ontbreken (zie hierboven). Het Comité beveelt deze instellingen, voorzover ze geen verrekening van volledige kosten hebben, daarom aan om de tot nu toe geldende regeling met volledige restitutie van bijkomende kosten te handhaven, zolang nog niet vaststaat of andere verrekeningsmodellen (16) niet tot een verslechtering leiden.

4.6

Rechtsvorm van de onderzoeksorganisaties. Volgens het Comité moeten onderzoeksorganisaties die voor hun basisfinanciering aangewezen zijn op de overheid, ongeacht hun rechtsvorm in elk opzicht (en in alle artikelen, zoals art. 33, lid 1 en art. 38, lid 2) gelijk behandeld worden. Dat betekent bijv. dat privaatrechtelijke non-profit onderzoeksorganisaties of onderzoekscentra, waarvan de staat de basisfinanciering voor zijn rekening neemt (17), gelijkgesteld moeten worden met publiekrechtelijke organisaties. Per slot van rekening is de keuze van de — uit de optiek van lidstaten — ideale rechtsvorm van zulke onderzoeksinstellingen het besluitvormingsvoorrecht van de lidstaten. Deze keuze mag in geen geval tot verschillen in de communautaire onderzoeksfinanciering leiden.

4.7

Intellectueel eigendom. In de voorgestelde regeling (artikel 39 tot 43) dient te worden gewaarborgd dat intellectuele-eigendomsrechten die berusten op onderzoeksresultaten die met Europees belastinggeld gefinancierd zijn, niet ongecontroleerd overdraagbaar zijn op ondernemingen buiten Europa.

4.7.1

Openbronsoftware. Software die in het kader van communautair gesubsidieerde onderzoeksprojecten ontwikkeld wordt, kan tegenwoordig in het algemeen slechts dan op grote schaal verspreid en toegepast worden, en dus kans maken op commerciële versies of diensten, als ze als „open bron” wordt aangeboden. Hiertoe dient het consortium de grootst mogelijke speelruimte te krijgen bij de licentievoorwaarden.

4.8

Toegangsrechten. Bij de toegangsrechten (artikel 48 tot 52) (18) voor nieuwe kennis en beschermende rechten („foreground”) en/of bestaande kennis en beschermende rechten („background”) van de contractpartners gaat het niet om toegangsrechten tot alle kennis en beschermende rechten van een contractpartner (bijv. universiteit of onderzoekscentrum), maar slechts om die kennis en beschermende rechten die berusten op de (voorbereidende) werkzaamheden van de bij het desbetreffende gemeenschappelijke project betrokken organisatie of groep(en) en die voor de andere deelnemers nodig zijn om hun werk in het kader van de actie onder contract uit te voeren. Het Comité is dan ook ingenomen met art. 48, dat de mogelijkheid biedt zulks bij elk project afzonderlijk vast te stellen en aan de hand van een plus- en/of minlijst  (19) tussen de contractpartners vast te leggen. Met pluslijsten kan ook worden vermeden dat „backgrounds” aan het licht komen waarvan de vertrouwelijkheid moet worden gegarandeerd. Om het project geen onnodige vertraging te laten oplopen, zou het evenwel zinvol zijn om voor deze afspraken een termijn van bijv. maximaal 6 maanden na de lancering van het project te hanteren.

4.9

Gratis toegangsrechten tot kennis en beschermende rechten. Het Comité heeft bezwaren tegen regelingen die zonder uitzondering gratis toegang tot kennis en beschermende rechten mogelijk maken. Het beveelt in het algemeen aan om projectpartners zoveel mogelijk speelruimte toe te staan om ze optimale afspraken te laten maken. Zo kan het bijv. nuttig zijn om ook OTO-actoren gratis toegangsrechten te verlenen.

4.9.1

Bestaande kennis en beschermende rechten voor de uitvoering van een actie. Het Comité steunt in beginsel het voorstel om OTO-actoren steeds gratis toegang te verlenen tot reeds bestaande kennis en beschermende rechten, voorzover deze vereist zijn voor de uitvoering van een actie onder contract. Toch kan een exclusieve regeling in deze vorm sommige actoren voor problemen stellen. Daarom stelt het Comité voor om de laatste zin van artikel 50, lid 2, te veranderen. (20)

4.9.2

Bestaande kennis en beschermende rechten voor het gebruik van nieuwe kennis en beschermende rechten. Het voorstel om OTO-actoren steeds gratis toegang te verlenen tot reeds bestaande kennis en beschermende rechten, die nodig is voor het gebruik van nieuwe kennis en beschermende rechten, stuit echter op problemen. Reeds bestaande kennis en beschermende rechten zijn verworven met eigen middelen van OTO-actoren, of met middelen van eerdere subsidieverleners resp. met publieke middelen van een lidstaat; zij zijn dus onderworpen aan desbetreffende verplichtingen en voorschriften (21). Als de door de Commissie voorgestelde regeling wordt toegepast, dan is de kans aanwezig dat juist zeer krachtige OTO-actoren en actoren met grote knowhowmogelijkheden, niet kunnen of willen deelnemen en dus van deelname worden uitgesloten. Het Comité beveelt daarom aan om artikel 51, lid 5, geheel te schrappen of aan te passen (22).

4.9.3

Grensverleggend onderzoek. Hoewel het in dit soort onderzoek meestal O&O-werkzaamheden voor fundamenteel onderzoek betreft, heeft het Comité er herhaaldelijk op gewezen dat de grenzen tussen fundamenteel onderzoek en de toepassing ervan dikwijls (23) vaag zijn. Daarom zijn dezelfde, hierboven genoemde negatieve effecten te verwachten. Dit moet absoluut vermeden worden en in de regelgeving de nodige aandacht krijgen. Het Comité beveelt derhalve aan om artikel 52, lid 1, geheel te schrappen of in deze zin aan te passen (24).

4.9.4

Specifieke groepen. In het Commissievoorstel ontbreekt een omschrijving van de werkzaamheden van specifieke groepen. In de toelichting hierop dienen deze werkzaamheden in ieder geval niet te worden gecombineerd of, nog erger, te worden gelijkgesteld aan de werkzaamheden voor grensverleggend onderzoek.

4.10

Vrije keus van instrumenten. Het Comité herhaalt zijn aanbeveling (25) om projecten niet al van tevoren aan bepaalde instrumenten te koppelen, maar ervoor te zorgen „dat aanvragers van onderzoeksprojecten de instrumenten telkens aan de vereiste optimale vormgeving en omvang moeten kunnen aanpassen. Alleen op die manier kan worden voorkomen dat projecten worden uitgewerkt waarvan vormgeving en omvang worden afgestemd op de te gebruiken instrumenten in plaats van op de vereiste optimale technisch-wetenschappelijke omstandigheden. Voorts moeten de instrumenten de werkomstandigheden van de onderzoekers en de verwezenlijking van de O&O-doelstellingen ten goede komen. Van het omgekeerde mag in geen geval sprake zijn.” In die zin moeten er verder met name ook Specific Targeted Research Projects (STREP's) komen, omdat deze vooral zeer geschikt zijn voor de deelname van het MKB en kleinere onderzoeksgroepen.

4.11

Schrappen van hoofdelijke aansprakelijkheid. Het Comité is verheugd dat wordt afgestapt van het beginsel van hoofdelijke aansprakelijkheid; het herinnert eraan dat het al in zijn desbetreffende aanbevelingen (26) voor het 6e Kaderprogramma deze kwestie aan de orde heeft gesteld.

4.11.1

Risicofonds. Het Comité stemt dan ook in met het voor de dekking van eventueel niet-terugbetaalde bedragen in te stellen risicofonds, waarin (artikel 38, lid 1) een klein percentage van de subsidie voor acties onder contract moet worden gestort. Wel zou de Commissie er goed aan doen om de voorgenomen omvang van het — naargelang het risico te bepalen — percentage aan te geven bij publicatie van de aanbesteding. Positief is volgens het Comité ook dat eventuele overschotten van het geplande fonds als bestemmingsontvangsten naar het Kaderprogramma terugvloeien.

4.11.2

Afschaffing. Het Comité beveelt evenwel aan om voor alle onderzoeksinstituten waarvan de basisfinanciering van de staat afkomstig is (27), de bijdragen voor het risicofonds af te schaffen (overeenkomstig artikel 38, lid 2), en wel ongeacht hun rechtsvorm.

4.11.3

Afgebroken projecten. Het Comité wijst tegelijkertijd op de (in artikel 18, lid 4) voorgestelde technische hoofdelijke aansprakelijkheid van de projectpartners. Volgens het Comité moet ook een consortium kunnen besluiten om een project eventueel stop te zetten, indien voortzetting van het project om wetenschappelijk-technische redenen of in verband met te hoge financiële lasten niet meer zinvol of haalbaar is. Artikel 18, lid 4 en 5, moeten in deze zin veranderd worden.

4.12

Programmacomités. De Commissie deelt in haar voorstel mee dat de programmacomités ter wille van kortere procedures niet meer de voor subsidie voorgedragen projecten zullen goedkeuren. Dit moet naar het oordeel van het Comité alleen gebeuren als de Commissie de mening van de deskundigen bij de selectie van projecten volgt. Zo niet, alsook bij de goedkeuring van de werkprogramma's en de toewijzing van de middelen, dienen de hiervoor bevoegde programmacomités hun toestemming te blijven geven. Een compromis zou kunnen zijn dat het programmacomité na afronding van de evaluatie een „plan voor de uitvoering van de aanbesteding” („call implementation plan”) krijgt voorgelegd waarover het zich beraadt en een officieel besluit neemt. Dit zou geen tijdverlies veroorzaken, omdat het programmacomité niet meer over afzonderlijke projecten zou beslissen.

4.13

Subsidieovereenkomsten. De desbetreffende bepaling (art. 19, lid 8), heeft betrekking op het Handvest voor onderzoekers en de Gedragscode voor de rekrutering van onderzoekers. Het Comité merkt op dat dit handvest slechts de status van aanbeveling heeft en op deze manier dus niet bindend mag worden. Verder wijst het Comité erop dat het weliswaar met veel onderdelen van het handvest instemt, maar dat het tegelijkertijd, met name gelet op overtollige regelgeving en enkele onduidelijke criteria, een herziening had bepleit (28).

4.14

Europese Investeringsbank. Het Comité is ingenomen met het voorstel (inclusief de bijbehorende procedures) om de Europese Investeringsbank financiële steun toe te kennen voor het dekken van risico's van kredieten die onder de onderzoeksdoelstellingen van het Zevende OTO-Kaderprogramma vallen. Zulke leningen zouden vooral moeten worden gebruikt voor demonstratieprojecten (bijv. op het gebied van energie- of veiligheidsonderzoek).

Brussel, 5 juli 2006

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Anne-Marie SIGMUND


(1)  COM(2005) 119 final.

(2)  COM(2005) 439, 440, 441, 442, 443, 444, 445 final.

(3)  PB C 65 van 17.3.2006 en CESE 583/2006.

(4)  PB C 65 van 17.3.2006.

(5)  In het Commissievoorstel wordt het begrip „onderzoeksorganisatie” in artikel 2, lid 3, omschreven; elders worden ook de begrippen „onderzoeksinstelling” en „onderzoekscentrum” als synoniem gebruikt.

(6)  PB C 110 van 30.4.2004,

PB C 157 van 28.6.2005,

PB C 65 van 17.3.2006.

(7)  PB C 157 van 28.6.2005. Vermijden dat instanties hetzelfde werk doen of overlappende werkterreinen hebben.

(8)  Het zou zeer te wensen zijn dat de betalingsprocedures voor alle communautaire steunmaatregelen, inclusief het CIP-programma of de Structuurfondsen, meer gestandaardiseerd werden; dit valt echter buiten het kader van dit Commissievoorstel.

(9)  Zie ook beide vorige voetnoten.

(10)  PB C 204 van 18.7.2000.

(11)  Zie voetnoot 6.

(12)  Zoals ook voor openbare instellingen, hogescholen, instellingen voor secundair onderwijs en onderzoeksorganisaties.

(13)  In dit verband verwijst het Comité naar zijn aanbeveling om in het octrooirecht weer een „gedoogperiode” (Engl: grace period) in te voeren. Zie CESE 319/2004, par. 2.5 e.v., PB C 110 van 30.4.2004.

(14)  AC-kostenmodel: verrekening van de subsidiabele directe meerkosten van de contractpartners, plus een forfaitair bedrag voor indirecte kosten, volgens het model voor extra kosten (additional cost, AC). In het zesde OTO-Kaderprogramma (KP6) bedroeg het forfaitair bedrag 20 % van alle directe extra kosten, te verminderen met de kosten van uitbesteding.

(15)  FC-kostenmodel: verrekening van de subsidiabele directe en indirecte kosten van de contractpartners volgens het model voor volledige kosten (Full Cost model, FC); speciaal geval: het FCF-model: verrekening van de subsidiabele directe kosten van de contractpartners, te vermeerderen met een forfaitair bedrag voor indirecte kosten, volgens het model voor volledige kosten met forfaitair bedrag (Full Cost Flat rate model, FCF). Het forfait bedraagt 20 % van alle directe kosten, te verminderen met de kosten voor uitbesteding. De totale kosten worden bij alle kostenmodellen in KP6 (FC, FCF en AC) berekend door directe en indirecte kosten bij elkaar op te tellen.

(16)  Het mogelijke forfait (flat rate) ter dekking van indirecte kosten (overhead) in artikel 32 moet in ieder geval vastgelegd worden voor OTO-activiteiten met ten minste 20 % subsidiabele directe kosten, verminderd met de kosten voor uitbesteding. Deze regeling gold al binnen het 6e OTO-Kaderprogramma voor FCF- en AC-verrekenaars en moet worden gehandhaafd ter wille van de continuïteit en vooral van de uiteenlopende boekhoudsystemen van de deelnemende organisaties.

(17)  In Duitsland bijv. onderzoeksorganisaties als de Helmholtz-Gemeinschaft, de Fraunhofer-Gesellschaft, de Leibniz-Gemeinschaft of de Max-Planck-Gesellschaft; voor Nederland valt te denken aan de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO).

(18)  Het Comité wijst erop dat de Duitse versie van het Commissievoorstel t.o.v. de Engelse versie vertaalfouten bevat waar het gaat om de artikelen 50-1 en 51-1. In onderhavig EESC-advies is op dit punt uitgegaan van de wèl juiste Engelse versie.

(19)  Pluslijst: vermelding van alle kennis of kennisgebieden die toegankelijk moeten worden gemaakt. Minlijst: vermelding van alle kennis of kennisgebieden die NIET toegankelijk moeten worden gemaakt.

(20)  De laatste zin van artikel 50, lid 2, zou bijv. als volgt kunnen luiden: „OTO-uitvoerders verlenen echter toegangsrechten voor background vrij van auteursrechten, tenzij alle deelnemers in gemotiveerde uitzonderingsgevallen anders overeengekomen zijn, voor hun toetreding tot de subsidieovereenkomst.”

(21)  Bijv. in Duitsland de wet op uitvindingen door werknemers.

(22)  Een mogelijkheid is: „OTO-uitvoerders verlenen toegangsrechten voor background die nodig is om de in de actie onder contract gegenereerde foreground te gebruiken vrij van auteursrechten, tenzij alle deelnemers anders overeengekomen zijn, voor hun toetreding tot de subsidieovereenkomst.”

(23)  Bijv. op het gebied van microbiologie, lasers, ICT.

(24)  Artikel 52, lid 1, zou als volgt kunnen luiden: „Bij acties voor grensverleggend onderzoek zijn de toegangsrechten voor foreground voor uitvoering van het project vrij van auteursrechten. Toegangsrechten tot foreground voor gebruik dienen tegen eerlijke en redelijke voorwaarden of vrij van auteursrechten te worden verleend, zoals overeengekomen door alle deelnemers voor hun toetreding tot de subsidieovereenkomst”.

(25)  PB C 157 van 28.6.2005.

(26)  PB C 94 van 18.4.2002.

(27)  Zie hiervoor: gelijkstelling van alle onderzoeksinstellingen waarvan de basisfinanciering van de overheid afkomstig is.

(28)  PB C 65 van 17.3.2006.


16.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 309/41


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een verordening van de Raad (Euratom) tot vaststelling van de regels voor de deelname van ondernemingen, onderzoekscentra en universiteiten aan acties op grond van het zevende kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en voor de verspreiding van onderzoeksresultaten (2007-2011)

(COM(2006) 42 fin — 2006/0014 (CNS))

(2006/C 309/09)

De Raad heeft op 8 maart 2006 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig de artikelen 7 en 10 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie te raadplegen over bovengenoemd voorstel.

De afdeling Interne markt, productie en consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 31 mei 2006 goedgekeurd. Rapporteur was de heer Pezzini.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 5 en 6 juli 2006 gehouden 428e zitting (vergadering van 5 juli) onderstaand advies uitgebracht, dat met 156 stemmen voor en 3 stemmen tegen, bij 4 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Het EESC is ingenomen met de voorstellen van de Commissie voor nieuwe regels voor deelname van ondernemingen, onderzoekscentra en universiteiten aan uitvoering van het Zevende kaderprogramma voor onderzoek, ontwikkeling en opleiding op nucleair gebied en voor de verspreiding van onderzoeksresultaten, voor de periode 2007-2011.

1.2

De voorstellen beogen vereenvoudiging en stroomlijning van procedures en methoden ter uitvoering van de Lissabonstrategie, zoals opnieuw omschreven tijdens de Europese Raden van 2005 en maart 2006, en om tegemoet te komen aan de behoeften van de verschillende actoren op onderzoeksgebied en van de eindgebruikers. Een definitief oordeel over het succes van deze maatregelen kan echter pas worden gegeven als de uitvoeringsbepalingen beschikbaar zijn.

1.3

Tot en met hoofdstuk III zijn de voorstellen van de Commissie vrijwel gelijk aan de voorstellen die ze heeft voorgelegd voor het zevende kaderprogramma voor onderzoek, ontwikkeling en opleiding op niet-nucleair gebied (1), ook al is er de nummering veranderd (2). Het Comité verwijst derhalve naar het goedgekeurde advies daarover, en bekrachtigt de daar geplaatste kanttekeningen (3), die ook gelden voor het onderhavige voorstel, tot en met hoofdstuk III.

1.4

Het Comité meent met name dat het Europese kernfusieprogramma opgevat kan worden als een model voor daadwerkelijke integratie van communautaire inspanningen en voor volledige coördinatie van acties, in het kader van de Europese overeenkomst voor de ontwikkeling van fusie-energie (EFDA) en van de associatiecontracten.

1.4.1

Dit programma vervult een essentiële rol voor de EU op het gebied van onderzoek naar fusie-energie; het wordt uitgevoerd met ononderbroken steun van de Gemeenschap in de vorm van financiën en personeel en wordt gekenmerkt door grote milieuduurzaamheid, dankzij de activiteiten van het project ITER/DEMO (4).

1.5

Het Comité is ervan overtuigd dat kernenergie (5), thans goed voor circa één derde van de in Europa geproduceerde stroom (6), bijdraagt aan de onafhankelijkheid en veiligheid van de energievoorziening (7) en aan de duurzame ontwikkeling van de Europese economie, terwijl de Kyoto-akkoorden worden nageleefd; dit is mogelijk door de toepassing van steeds betere, doeltreffendere en veiligere normen voor de behandeling van afval, en op voorwaarde dat er op het gebied van nucleaire technologie en dienstverlening onderzoek wordt gedaan en er concurrerende Europese bedrijven komen.

1.6

Volgens het Comité zijn de financieringsplafonds van de Gemeenschap voor onderzoek, opleiding en demonstratie, coördinatie en steun, alsook voor de netwerken van excellentie en de voorgenomen financiële regeling voor onderzoek naar fusie-energie, adequaat.

1.6.1

Volgens het EESC moeten het onderzoek en de toepassing van schone en veilige technologieën bevorderd worden, uitgaande van de eisen en kenmerken van de afzonderlijke lidstaten worden bevorderd; het pleit ervoor om het besluit te respecteren van lidstaten die kernenergie niet beschouwen als de oplossing voor hun toekomstige behoefte aan energie en die hiermee ook in hun onderzoeksprogramma's rekening houden.

1.7

Het EESC wijst op het belang van opleidingsacties en trajecten voor de ontwikkeling van de carrière van onderzoekers en wil benadrukken dat deze acties van groot belang zijn voor de particuliere sector, het maatschappelijk middenveld en voor de burgers.

1.8

Het EESC acht het essentieel dat er voor deelname aan het zevende kaderprogramma (hierna: 7e KP) Euratom en aan de specifieke programma's hiervan, een set eenvoudige, leesbare, begrijpelijke, duidelijke en transparante regels komt, die bovenal potentiële deelnemers zekerheid kan verschaffen, met name deelnemers van geringere omvang, omtrent principes en criteria voor de toegang, evaluatie en selectie, alsmede de formulering van overeenkomsten en het projectbeheer.

1.8.1

Het EESC betreurt het dat dit aspect niet altijd goed uit de verf komt in het verordeningsvoorstel, en meent dat de doeltreffendheid van deze regels na een passende termijn door onafhankelijke deskundigen bekeken moet worden, die de Raad en het Comité een inspectieverslag overleggen.

1.9

Het Comité vindt dat exploitatie en verspreiding van de onderzoeksresultaten noodzakelijk zijn om de Europese belastingbetaler „value for money” te garanderen. Het wijst erop dat hiertoe altijd een evenwicht gevonden moet worden tussen enerzijds bescherming van de communautaire belangen, gevoeligheden, ook op defensiegebied, van de lidstaten, intellectuele en industriële-eigendomsrechten, en anderzijds de net zo belangrijke risico's die men loopt als wetenschappelijke en technische informatie in de sector te weinig verspreid worden.

1.9.1

Tot slot acht het Comité het noodzakelijk dat de IPR-HELPDESK wordt versterkt, voor doelgerichte en proactieve steun aan potentiële deelnemers aan subsidieovereenkomsten, en voor acties onder contract, ter ondersteuning van de opleiding en loopbaanontwikkeling van onderzoekers, alsook ten behoeve van de voorbereiding en ondertekening van consortiumovereenkomsten.

2.   Achtergrond

2.1

Het EESC is verheugd dat het verzoek om advies tijdig bij hem is ingediend en is zich bewust van zijn exclusieve bevoegdheid als adviesorgaan op het gebied van het Euratom-Verdrag. Het EESC hecht groot belang aan deze bevoegdheid, omdat kernenergie in de samenleving uiterst gevoelig ligt en omdat de informatie en advisering adequaat moeten zijn.

2.2

Atoomenergie is nu eenmaal een zeer ingewikkeld vraagstuk, gezien de betrokkenheid van de burger, de aanzienlijke risico's en problemen in verband met afvalverwerking.

2.2.1

Het EESC hoopt dat duidelijk is geworden dat het zich sterk wil maken voor de verbetering van evaluatiemodellen voor prestaties en veiligheid/betrouwbaarheid op dit terrein, aan de hand van permanente mechanismen voor informatie, advisering en opleiding.

2.2.2

Het komt erop aan de governance beter te organiseren, om de optimale strategische keuzes te maken en om tegemoet te komen aan de bezorgdheid van de burgers ten aanzien van kernenergie en de gevolgen ervan op lange termijn.

2.3

Het Comité heeft zich al uitgesproken (8) over de door de Commissie voorgestelde oplossingen voor vereenvoudiging (9) van administratieve procedures en voor het terugdringen van de inherente lasten, in het kader van de voorstellen voor een besluit betreffende het zevende EU-kaderprogramma en het zevende kaderprogramma Euratom, die op 6 april 2005 goedgekeurd zijn.

2.3.1

De Commissie heeft tien belangrijke maatregelen bestempeld tot „kritische succesfactoren”, die ingevoerd moeten worden ter vereenvoudiging van procedures voor toegang, deelname en beheer van het 7e KP. Hierover heeft het EESC opgemerkt dat „de huidige aanvraag- en vergunningsprocedures te ingewikkeld en te duur zijn en een bron van moeilijkheden voor de wetenschappelijke en industriële gebruikers. Deelname aan het Europese onderzoeksprogramma moet voor de kandidaten aantrekkelijk zijn” (10) en de risico's compenseren die aan de indiening van een aanvraag kleven.

2.3.2

Het EESC heeft voorts gewezen op het belang om „het MKB meer te betrekken bij het onderzoeks-, ontwikkelings- en innovatieproces” en heeft onderstreept dat „de kansen op succes voor middelgrote en kleine bedrijven die speciaal zijn opgericht om nieuwe, technisch hoogwaardige producten te ontwikkelen en op de markt te brengen, vooral afhankelijk zijn van de beschikbaarstelling van toereikend start- en risicokapitaal…”. „Maar daarvoor is het ook hier nodig dat de procedures een bepaalde grens niet overstijgen, die redelijk is en afgestemd op het MKB” (11).

2.3.3

De diensten van de Commissie hebben voor de vereenvoudiging van de reglementaire procedures de volgende punten genoemd:

beperktere reeks financieringsvormen, die continuïteit met de instrumenten van het 6e KP en een groter gebruiksgemak waarborgen,

uitstekende, volledige en tijdige communicatie, ondubbelzinnige uitleg van de doelstellingen en uitvoeringsbepalingen van het 7e EG-Kaderprogramma en het 7e KP Euratom,

rationalisering van de van deelnemers gevraagde informatie, meer mogelijkheden om dossiers in „2 stappen” in te dienen, naast het systematisch gebruik van instrumenten voor elektronische verzending,

bescherming van de financiële belangen van de EU, zonder evenwel de deelnemers hoge lasten op te leggen, door de controle a priori tot een minimum te beperken en uit te gaan van één lijst van vooraf vastgelegde criteria,

autonoom optreden voor consortia, dankzij zeer flexibele overeenkomsten en veelvuldig gebruik van forfaitaire voorschotten, op basis van vooraf vastgelegde kosten en onafhankelijke externe audits,

snellere selectieprocedures, door vervanging van de comitéprocedure door een eenvoudiger proces, uitgaande van de verstrekte informatie,

doeltreffender gebruik van begrotingsmiddelen voor O&O, met een betere afstemming op de middelen voor andere beleidsgebieden van de Lissabonstrategie; terugdringing van kosten voor administratie en projectbeheer door de Gemeenschap, die gepland zijn voor O&O-activiteiten,

meer gebruik van financiering tegen vast tarief in het kader van een vereenvoudigd communautair financieringssysteem,

afschaffing van de huidige kostendeclaratiemodellen (modellen die zeer ingewikkeld bleken te zijn), met duidelijke definities van subsidiabele kosten,

vastlegging van percentages van communautaire steun per type activiteit (onderzoek, ontwikkeling, demonstratie, opleiding, verspreiding en toepassing van resultaten, kennisoverdracht...). Deze percentages worden aan afzonderlijke activiteiten gekoppeld, met plafonds per type activiteit, die gelden voor het consortium en niet voor de afzonderlijke deelnemers.

2.4

De onderhavige verordening bevat verder diverse wijzigingen ten opzichte van de vorige verordening (12), met name wat betreft: de doelstelling van het voorstel; definities; vertrouwelijkheid; evaluatie, selectie en toewijzing van de voorstellen; subsidievormen; restitutie van toegestane kosten; plafonds van de communautaire financiële bijdrage; risico's van consortia; verspreiding, exploitatie en toegangsrechten; specifieke regels; de Europese overeenkomst voor de ontwikkeling van fusie-energie; de overeenkomst over de mobiliteit van personeel.

2.4.1

Voor de onderdelen van het onderhavige voorstel die terugkeren in het voorstel voor het 7 Kaderprogramma EG (Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de regels voor de deelname van ondernemingen, onderzoekscentra en universiteiten aan acties op grond van het zevende kaderprogramma, en voor de verspreiding van onderzoeksresultaten (2007-2013) (13) verwijst het Comité naar het desbetreffende advies, dat momenteel in voorbereiding is (14).

2.5

Het Comité onderschrijft de vastgestelde financieringsplafonds voor nucleair onderzoek en opleiding; het stemt het Comité vooral tevreden dat voor het MKB, overheidsorganen, onderwijsinstellingen, universiteiten en onderzoekscentra (15) het plafond kan worden opgetrokken van 50 % tot 75 %, alsook dat de acties voor coördinatie, steun, opleiding en ontwikkeling van de carrière van onderzoekers tot maximaal 100 % van de toegestane totale kosten kunnen worden gesubsidieerd.

2.5.1

Het Comité beveelt overigens aan om de diverse types activiteiten en bijbehorende geplande financieringsplafonds, alsmede eventuele combinaties, met name voor de onderzoeksinfrastructuur, met andere types communautaire acties (Structuurfondsen, etc.), overzichtelijk samen te vatten in een bij het voorstel te voegen tabel.

3.   Algemene opmerkingen over de regels voor deelname aan het 7e KP Euratom

3.1

Het EESC acht het essentieel dat de regels voor deelname aan het 7e KP Euratom en de specifieke programma's ervan een eenvoudig, leesbaar, begrijpelijk, duidelijk en transparant geheel vormen, dat in alle talen van de Unie beschikbaar is. Deze regels zouden bovenal potentiële deelnemers zekerheid moeten verschaffen, met name deelnemers van geringere omvang, omtrent de principes en criteria voor de beschikbaarheid, de voorwaarden voor deelname, indiening en evaluatie van de projectvoorstellen, de contractvormen en de contractuele verplichtingen, de plafonds en systemen voor verdeling van communautaire co-financiering, de bescherming van industriële en intellectuele eigendom en het gebruik en de verspreiding van kennis, waarbij de specifieke regels voor het thematische gebied „onderzoek inzake fusie-energie” intact blijven.

3.1.1

Het Comité beveelt met name aan om de in artikel 14 genoemde selectie- en gunningscriteria voor acties onder contract uitdrukkelijk in de tekst op te nemen, uitgezonderd eventuele specifieke criteria. De algemene criteria zijn:

de wetenschappelijke en technologische kwaliteit en de mate van innovatie;

de mogelijkheid om de actie onder contract uit te voeren en om middelen en competenties doeltreffend in te zetten;

de relevantie, gelet op de doelstellingen van het specifieke programma en het werkprogramma;

de Europese meerwaarde, de kritische massa van ingezette middelen en de bijdrage aan communautaire beleidsgebieden;

de kwaliteit van het voorstel voor gebruik en verspreiding van kennis, mogelijkheden om innovatie te bevorderen en duidelijkheid van het project ten aanzien van intellectuele-eigendomsrechten;

naleving van ethische principes en het gelijkekansenbeleid.

3.2

Het Comité heeft zijn standpunt al bepaald ten aanzien van de aspecten vereenvoudiging en stroomlijning van de kaderprogramma's voor communautair nucleair onderzoek, in zijn adviezen over het 7e KP Euratom en over twee specifieke programma's over kernenergie, met bijzondere aandacht voor het onderzoek naar fusie-energie, respectievelijk het nucleaire onderzoek van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek. Over het voorstel voor regels voor deelname aan het 7e KP voor communautair non-nucleair onderzoek bereidt het Comité eveneens een advies voor (16).

3.3

Verder dringt het Comité aan op een ingrijpendere vereenvoudiging van de formaliteiten voor de indiening van een dossier ingeval van deelname aan het programma Euratom.

3.3.1

Het Comité is evenwel verheugd dat de collectieve financiële verantwoordelijkheid, die in het 9e KP Euratom voorzien was, en die een aanmerkelijke belemmering kon vormen voor de deelname van kandidaten van geringe of middelgrote omvang (ondernemingen, universiteiten…), uit het huidige voorstel verwijderd is en vervangen door een nog te bepalen bedrag, dat om en nabij de 1 % van de communautaire bijdrage zou moeten liggen (17), dat als garantie dient voor het risico van niet-dekking in consortia (art. 37). Een groot deel van de onderzoeksactiviteiten voor Euratom kan immers ook worden uitgevoerd door partijen van kleine en middelgrote omvang, waarvoor een dergelijke regel een serieuze hinderpaal voor deelname had kunnen zijn.

3.4

Het EESC plaatst kanttekeningen bij het grote aantal mogelijke afwijkingen van de regels voor deelname in de ruim 50 artikelen van het voorstel, alsook bij de ruime mogelijkheden voor diverse criteria en voorschriften die in de jaarlijkse werkprogramma's, specifieke programma's en in de uitnodigingen tot het indienen van voorstellen zouden worden vastgelegd. Deze afwijkingen betreffen met name: het aantal deelnemers en aanvullende toegangsvoorwaarden (art. 11), de uitgangspunten voor evaluatie, selectie en gunning (art. 14, lid 1), de uitzonderingen op de publicatie van aanbestedingen (art. 13), de evaluatiecriteria, met eventueel aanvullende specifieke criteria (art. 14, lid 2), de communautaire financiële bijdrage voor netwerken van excellentie (art. 34, lid 1 en 3).

3.4.1

Ten aanzien van de netwerken van excellentie uit het Comité zijn bezorgdheid over de bepaling van de forfaitaire bijdrage, die wellicht fictief is en niet met de werkelijkheid strookt. Dit zou de ontwikkeling van netwerken van excellentie schaden, die nodig zijn om de concrete doelstellingen van het programma te verwezenlijken.

3.5

Het Comité benadrukt dat de vereiste flexibiliteit in het beheer en de formulering van de behoeften van afzonderlijke acties niet ten koste mogen gaan van de helderheid, zekerheid en transparantie van de eisen voor deelname, de vastgelegde criteria voor evaluatie en selectie en van een stabiel kader voor de voorgestelde financiering en co-financiering.

3.6

Indien de subsidie-overeenkomst met het onderzoeksconsortium voorziet in de mogelijkheid van aanbestedingen voor de uitvoering van bepaalde werkzaamheden of voor de uitbreiding van de activiteiten, dan moeten deze aanbestedingen volgens het Comité georganiseerd worden volgens de normen van de Commissie om optimale transparantie en toegang tot informatie te waarborgen.

3.7

Het EESC onderschrijft het belang van de bepalingen inzake monitoring, controle van programma's en indirecte acties voor onderzoek, demonstratie, coördinatie en opleiding op nucleair gebied; het stelt tevens voor om voor deze functies, en voor het projectbeheer, de evaluatie, selectie, contractuelefollow-up en de auditing van verworven projecten met financiering, een uitgavenplafond vast te leggen dat globaal niet meer mag bedragen dan 7 à 10 % van de totale communautaire middelen van het 7e KP Euratom. Zo kan een maximum aan middelen gereserveerd worden voor echte onderzoeksactiviteiten, demonstratie en opleiding en voor het verkrijgen van concrete, voor de markt toepasbare resultaten, wat uiteindelijk het doel is van een communautair kaderprogramma voor onderzoek.

3.7.1

Hiertoe beveelt het EESC aan om de verzameling, opslag en het beheer van de gegevens over de monitoring in een geïntegreerde databank onder te brengen, in het kader van IDABC (18).

3.8

Het Comité is positief over het standpunt van de Commissie ten aanzien van de verschillende subsidievormen voor de terugbetaling van toegestane kosten: een forfaitair bedrag en financiering met een forfaitair percentage; het verzoekt evenwel om de optimale methodiek te verduidelijken, ook met het oog op de vereenvoudiging van de subsidiabele kosten, en om bij het verordeningsvoorstel in bijlage een tabel te voegen met de diverse opties, voor een beter begrip bij potentiële gebruikers.

3.9

Het Comité beveelt aan om ook de in de artikelen 32 en 34 beschreven vormen van communautaire financiële steun samen te vatten in een tabel die als bijlage bij het voorstel wordt gevoegd, samen met het geplande financieringsplafond en eventuele mogelijkheden om steun voor met name onderzoeksinfrastructuur te combineren met steun van de structuurfondsen of het cohesiefonds, de Europese Investeringsbank of het Europees Investeringsfonds, zonder voorbij te gaan aan het initiatief-Jeremie (19), dat deelname aan het 7e KP van kandidaten van geringe omvang zou moeten vereenvoudigen.

3.10

Wat de voorgestelde regels voor verspreiding, gebruik en toegangsrechten betreft, meent het Comite dat, naast het onderscheid tussen back- en foreground en de uitzonderingen op militair en veiligheidsterrein, de IPR-HELPDESK versterkt moet worden ter wille van nauwkeurige en proactieve steun aan potentiële kandidaten voor subsidieovereenkomsten (zie art. 18, leden 5 en 6, alsook art. 19 en 21) en voor de acties onder contract, ten behoeve van de opleiding en ontwikkeling van onderzoekers, en ter voorbereiding en ondertekening van consortiumovereenkomsten, waarin aanvullende aspecten worden geregeld (art. 23) inzake de verspreiding en het gebruik van de resultaten en de intellectuele-eigendomsrechten.

3.11

Tot slot heeft het Comité ten aanzien van het thematische gebied „Onderzoek inzake fusie-energie” in de twee geciteerde adviezen uitvoerig gewezen op het belang van het onderzoek naar gecontroleerde thermonucleaire fusie, het ITER-project van het voorbereidende programma DEMO en de studies naar de opslag (20).

3.11.1

Het EESC stelt vast dat het jaarlijkse basispercentage voor de financiële bijdrage van de Gemeenschap voor het bovenvermelde thematische gebied maximaal 20 % zou mogen bedragen voor de gehele duur van het 7e KP Euratom. Het Comité acht dit het vereiste middel voor een essentiële bijdrage van de lidstaten aan een goed gecoördineerd (zie par 1.4) communautair programma dat de nodige basis en input verschaft voor de gemeenschappelijke onderneming ITER en voor DEMO. Om te beginnen is dit wellicht een passend percentage, maar het is de vraag of het de lidstaten zal aanzetten tot een toereikende en noodzakelijke bijdrage in de subsidie voor de gehele duur van het programma. Derhalve beveelt het Comité aan om uit voorzorg, dit percentage op te trekken tot 25 %, wat nog steeds slechts de helft of een derde zou zijn (gelet op artikel 32, lid 1) van wat de Gemeenschap anders zou bijdragen. Verder meent het Comité dat deze maximumgrenzen doorgaans ook zouden moeten worden toegepast.

3.11.2

Met betrekking tot het voorgestelde maximumpercentage van 40 % voor de bijdrage aan specifieke samenwerkingsprojecten in het kader van associatiecontracten, waarbij steun voor ITER-/DEMO-initiatieven en voor initiatieven in de context van de overeenkomst voor mobiliteit van personeel de voorkeur verdient, vraagt het Comité zich af dit percentage op de lange termijn voor de gewenste projecten of acties voldoende is om lidstaten aan te zetten tot de benodigde bijdrage. Het Comité verwijst naar artikel 52, lid 2.

4.   Bijzondere opmerkingen

4.1

Het Comité vraagt zich af waarom in Onderafdeling 1 „Uitnodigingen tot het indienen van voorstellen” de bepaling geschrapt is om deze fase vooraf te laten gaan door de indiening van blijken van belangstelling, zodat de doelstellingen en behoeften van de actie nauwkeurig kunnen worden vastgesteld en geëvalueerd en onnodige administratieve kosten te vermijden. Dit geldt zowel voor voorstellen die niet voor selectie in aanmerking komen, als voor de selectie en evaluatie van zulke voorstellen door de Commissie en onafhankelijke beoordelaars.

4.2

De uitnodigingen tot het indienen van blijken van belangstelling zouden gecombineerd kunnen worden met de organisatie van „Proposers Information Days”, bedoeld om de potentiële wetenschappelijke en industriële gebruikers bekend te maken met de opzet van de acties van het communautaire beleid voor nucleair onderzoek.

4.3

Het EESC benadrukt de eventuele risico's in geval van ontoereikende verspreiding van de wetenschappelijke en technische informatie in de sector. Het Comité beseft dat in dit verband terughoudendheid geboden is, hoewel de deuren niet op slot hoeven. Dit is mogelijk door een zeer nauwkeurig technisch protocol op te stellen voor de inhoud en de wijze van verspreiding, dat rekening houdt met veiligheids- en betrouwbaarheidseisen en tevens optimale transparantie waarborgt.

4.4

Volgens het EESC is het belangrijk om op grote schaal te informeren over de voorschriften (en deze te verspreiden) die enerzijds bedoeld zijn voor de controle van de voorwaarden en anderzijds voor de rechtspositie van de deelnemers. Tegelijkertijd dienen er enkele duidelijke en begrijpelijke bepalingen te komen voor alle betrokkenen op onderzoeksgebied over de voorgenomen vereenvoudigde procedures voor de indiening, in twee fasen, van de voorstellen, criteria en vereisten tijdens de twee evaluatiefasen.

4.4.1

Deze regels zouden ter beschikking moeten worden gesteld van zowel de deskundigen/beoordelaars als de kandidaten, volgens uniforme criteria en overwegingen.

4.5

Voorts wil het EESC wijzen op het belang van de organisatie, niet alleen voor onderzoekers, maar ook voor de vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld en voor alle burgers, van opleidings- en voorlichtingsacties inzake de veiligheid/betrouwbaarheid van kernenergie, en van uitbreiding van instrumenten en procedures voor het ontwikkelen van deugdelijke en onbetwistbare modellen voor de beoordeling van de betrouwbaarheid en veiligheid van atoomenergie.

4.6

Wat betreft het gebruik van de resultaten van het onderzoek, de verspreiding ervan en de bescherming van intellectuele en industriële-eigendomsrechten, is het volgens het Comité nodig, afgezien van de geplande (beschermende) regelgeving in het voorstel voor een verordening, de subsidie- en consortiumovereenkomsten, artikel 24 en volgende bepalingen van het Euratom-Verdrag  (21) , associatie-overeenkomsten, de Europese Overeenkomst voor de ontwikkeling van fusie-energie, de gemeenschappelijke onderneming ITER en aanverwante internationale overeenkomsten, alsmede ten slotte multilaterale akkoorden zoals de Overeenkomst inzake de mobiliteit van het personeel, dat een vernieuwde „Gids voor de IPR-Euratom-kandidaat” in zo breed mogelijke kring wordt verspreid, waarin op heldere en transparente wijze de beperkingen en kansen worden geschetst voor potentiële deelnemers aan onderzoeks-, demonstratie-, opleidings- en ontwikkelingsactiviteiten van het 7e KP Euratom.

Brussel, 5 juli 2006

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Anne-Marie SIGMUND


(1)  COM(2005) 705 final.

(2)  Er zijn evenwel enkele uitzonderingen: bijv. de bepalingen omtrent grensverleggend onderzoek.

(3)  Bijv. de opmerkingen over de volgende aspecten: de rechtsvorm van onderzoeksinstellingen, rechten voor toegang tot kennis, intellectuele-eigendomsrechten, terugbetaling van kosten, vormen van financiering en vereenvoudiging, verlening van subsidie, algemene beginselen van het Europese Handvest voor onderzoekers en de opmerkingen over de rechtspositie van onderzoeksinstituten.

(4)  Zie ook par. 3.11.

(5)  Zie PB C 110 van 30.4.2004; rapporteur de heer Cambus.

(6)  In de EU-25 in 2004 geproduceerde energie: kernenergie 31,2 %; aardgas 24,3 %; aardolie 17,1 %; steenkool 13,1 %; bruinkool 10,2 %; primaire energie 4,1 %. Energieverbruik in dezelfde periode: aardolie 39,2 %; aardgas 25,4 %; kernenergie 14,8 %; steenkool 13,7 %; bruinkool 4,9 %; primaire energie 2,0 % (Eurostat, Energie, 5/2006).

(7)  In 2004 bedroegen de import — mate van energie-afhankelijkheid — in de EU-25 53,8 %, waarvan aardolie en –producten 33,2 %. uitmaken. Energie-afhankelijkheid in de grootste vier EU-lidstaten: IT 87,7 %; DE 64,6 %; FR 54,3 %; UK 5,2 %. De enige lidstaat die niet energie-afhankelijk is, is DK, dat een activum van 53,5 % heeft (Eurostat, Energia, 5/2006).

(8)  Zie PB C 65 van 17.3.2006; rapporteur: de heer Wolf.

(9)  COM(2005) 119 final — SEC(2005) 430/431 van 6 april 2005.

(10)  Zie PB C 65 van 17.3.2006, par. 1.11; rapporteur: de heer WOLF.

(11)  Zie PB C 65 van 17.3.2006, par. 1.12 en 4.15.2; rapporteur: de heer WOLF .

(12)  Verordening Euratom 2322/2002 van de Raad.

(13)  COM(2005) 705 final van 23.12.2005.

(14)  Zie R/CESE 557/2006 (INT/309) — rapporteur: de heer Wolf.

(15)  Zie CESE 557/2006, par. 4.6 (INT/309); rapporteur: de heer Wolf.

(16)  Idem noot 9.

(17)  Zie CESE 557/2006, par. 4.11.2 (INT/309); rapporteur: de heer Wolf.

(18)  Zie PB C 80 van 30.3.2004 over IDABC (interoperabele levering van pan-Europese e-overheidsdiensten aan overheidsdiensten, ondernemingen en burgers).

(19)  Zie PB C 110 van 9.5.2006; rapporteur: de heer Wolf.

(20)  Zie PB C 65 van 17.3.2006, par. 6.1 e.v.; rapporteur: de heer Wolf.

(21)  Zie noot 10.


16.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 309/46


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een verordening van de Raad houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 4056/86 tot vaststelling van de wijze van toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag op het zeevervoer en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1/2003 inzake de uitbreiding van toepassingsgebied van deze verordening tot cabotage en internationale wilde vaart

(COM(2005) 651 final/2 2005/0264 (CNS))

(2006/C 309/10)

De Raad van de Europese Unie heeft op 10 februari 2006 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 83 van het EG-Verdrag te raadplegen over bovengenoemd voorstel.

De gespecialiseerde afdeling Vervoer, energie, infrastructuur en informatiemaatschappij, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 30 mei 2006 goedgekeurd. Rapporteur was mevrouw BREDIMA-SAVOPOULOU.

Het Comité heeft tijdens zijn op 5 en 6 juli 2006 gehouden 428e zitting (vergadering van 5 juli) het volgende advies uitgebracht, dat met 156 stemmen vóór en 1 stem tegen, bij 7 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Wat de wilde vaart en het cabotagevervoer betreft, steunt het EESC het voorstel om de werkingssfeer van Verordening nr. 1/2003 (1) (procedurevoorschriften voor handhaving van de mededingingsregels) uit te breiden tot deze sectoren. Het vindt het een goede zaak dat de Commissie en de scheepvaartindustrie voortdurend overleg voeren over de toepassing van de artikelen 81 en 82 op de wilde vaart. Aangezien klachten en juridische precedenten in de wilde vaart ontbreken, zal meer informatie nodig zijn over hoe deze sector functioneert en welke overeenkomsten er zijn gesloten. Het EESC is dan ook ingenomen met het initiatief van de Commissie om een studie uit te voeren naar de economische en juridische kenmerken van de wilde vaart. Omwille van de rechtszekerheid dringt het EESC er bij de Commissie op aan eerst richtsnoeren op te stellen (alvorens de ontheffing van Verordening nr. 1/2003 in te trekken) zodat de scheepvaartmaatschappijen in de wilde vaart zelf kunnen beoordelen of hun uiteenlopende samenwerkingsovereenkomsten verenigbaar zijn met het EU-mededingingsrecht.

1.2

Wat de lijnvaartsector betreft, stelt de Commissie voor de groepsvrijstelling voor lijnvaartconferences van de in het EG-Verdrag vastgelegde mededingingsregels in te trekken, omdat niet langer aan de vier cumulatieve voorwaarden van artikel 81, lid 3, van het EG-Verdrag wordt voldaan. De Commissie meent dat intrekking van de groepsvrijstelling zal uitmonden in lagere vervoerkosten, terwijl de betrouwbaarheid van de diensten in alle vaargebieden behouden blijft en het concurrentievermogen van de Europese industrie wordt bevorderd. Het EESC spreekt zich hier nu nog niet over uit, maar wil eerst afwachten of de gevolgen van de intrekking blijvend zijn.

1.3

Het EESC pleit ervoor dat de Commissie in dit verband niet alleen aandacht schenkt aan zuivere concurrentieaspecten, maar ook aan de veiligheid (verlies van kwaliteitsscheepvaart doordat schepen onder de vlag van een derde land gaan varen).

1.4

Bovendien zou de Commissie ook oog moeten hebben voor de betrokken mensen (gevolgen voor de werkgelegenheid onder Europese zeevarenden).

1.5

De Commissie is voornemens met passende richtsnoeren inzake de mededinging in de zeevervoersector te komen om een vlotte overgang naar een stelstel van volledige mededinging te bevorderen. De Commissie wil deze richtsnoeren eind 2007 uitbrengen. Als tussenstap bij de voorbereiding van de richtsnoeren zal de Commissie in september 2006 eerst een issues paper over de lijnvaart publiceren. Het EESC doet een beroep op de Commissie om de richtsnoeren in nauw overleg met de betrokken partijen op te stellen en relevante EU-instellingen op de hoogte te houden.

1.6

Het Commissievoorstel is het resultaat van een herzieningsproces dat in 2003 werd aangevangen en waarbij alle relevante EU-instellingen en partijen werden betrokken. De Commissie heeft drie studies door onafhankelijke consultants laten uitvoeren om de vraagstukken die voortvloeien uit intrekking van de groepsvrijstelling te onderzoeken. De bevindingen staan op de website van het directoraat-generaal Mededinging.

1.7

Het voorstel van de Commissie om de groepsvrijstelling voor de lijnvaart in te trekken is uitsluitend gebaseerd op artikel 83 van het EG-Verdrag (mededingingsregels), terwijl de rechtsgrondslag van Verordening nr. 4056/86 bestaat uit artikel 83 (mededingingsregels) in combinatie met artikel 80, lid 2 (vervoersbeleid). Het EESC zou graag van de Juridische dienst van het Europees Parlement vernemen of de vervoersaspecten ondergeschikt zijn aan de mededingingsaspecten en of deze bij zijn in zijn vorige advies verwoorde standpunt over de tweeledige rechtsgrond blijft. (2)

1.8

Het EESC meent dat juridische instrumenten van andere jurisdicties rechtsconflicten zouden kunnen opleveren in de toekomst, en het dringt er dan ook bij de Commissie op aan in de richtsnoeren een bepaling op te nemen om dergelijke problemen op te lossen. Met een dergelijke bepaling inzake overleg zullen geschillen tot een minimum beperkt blijven en zullen in internationaal verband oplossingen gevonden kunnen worden die voor alle partijen aanvaardbaar zijn.

1.9

De Commissie erkent dat het mededingingsrecht niet in alle jurisdicties ter wereld op dezelfde wijze wordt toegepast en dat er verschillen bestaan. Zij erkent eveneens dat internationale samenwerking tussen de autoriteiten die toezien op de naleving van mededingingswetgeving steeds belangrijker wordt.

1.10

Het EESC is verheugd dat de Commissie een tweesporenbeleid voert waarbij enerzijds intensivering van de bilaterale samenwerking met de belangrijkste handelspartners van de EU wordt bevorderd en anderzijds wordt onderzocht hoe de multilaterale samenwerking op het vlak van mededinging kan worden uitgebreid. Het moedigt de Commissie dan ook aan vaart te zetten achter haar inspanningen, zodat via dergelijke samenwerking en dialoog kan worden nagegaan welke problemen intrekking van Verordening nr. 4056/86 kan opleveren en hoe deze op constructieve wijze, zonder voorbij te gaan aan de specifieke kenmerken van de betrokken rechtsstelsels, opgelost kunnen worden. Het is voor de internationale handel immers van cruciaal belang dat landen een consistent beleid ten aanzien van lijnvaartdiensten voeren.

1.11

Het EESC roept de Commissie op om bij het opstellen van de richtsnoeren inzake mededinging in het zeevervoer rekening te houden met de resultaten van het overleg en de samenwerking tussen de Commissie en haar belangrijkste handelspartners.

1.12

De volgende punten komen aan de orde in de toelichting die de Commissie op haar voorstel geeft en zouden ook bij het opstellen van bovengenoemde richtsnoeren in aanmerking genomen moeten worden:

Zeevervoerdiensten zijn essentieel voor de economische ontwikkeling in de EU; 90 % van de externe handel van de EU en 43 % van haar interne handel vindt over zee plaats.

De aanhoudende tendens naar meer containervervoer heeft sinds de vaststelling van Verordening nr. 4056/86 ingrijpende veranderingen in de lijnvaart teweeggebracht. Er zijn meer en grotere cellulaire containerschepen en er is een grotere nadruk op mondiale routenetwerken gekomen. Daardoor zijn er steeds meer nieuwe operationele overeenkomsten gekomen en hebben lijnvaartconferences aan betekenis ingeboet.

Binnen het conferencesysteem — dat al 150 jaar bestaat — worden nog steeds multilaterale en bilaterale overeenkomsten gesloten met de EU-lidstaten en de Gemeenschap als contractpartijen. De Commissie erkent dat de intrekking van sommige bepalingen van Verordening nr. 4056/86 (artikel 1, lid 3, onder b) en c), de artikelen 3 t/m 8, en artikel 26) met twee jaar uitgesteld zou moeten worden, zodat deze overeenkomsten met derde landen opgezegd of herzien kunnen worden.

1.13

Het EESC vindt dat de Commissie bij de intrekking van Verordening nr. 4056/86 ook oog zou moeten hebben voor de belangen van kleine en middelgrote vervoerders. Kleine en middelgrote ondernemingen vormen de ruggengraat van de Europese economie en spelen een belangrijke rol in de herziene Lissabonstrategie. De markten moeten toegankelijk blijven voor de huidige en potentiële concurrenten, waaronder kleine en middelgrote vervoerders.

1.14

Het EESC stelt dat consolidatie weliswaar positieve gevolgen voor het Europese zeevervoer (grotere efficiency, schaalvoordelen, kostenbesparingen) met zich mee kan brengen, maar dat voorzichtigheid geboden is om te voorkomen dat consolidatie — die uit intrekking van Verordening nr. 4056/86 kan voortvloeien — tot minder marktspelers, en dus tot minder concurrentie leidt.

1.15

Wordt er een nieuwe regeling ingevoerd, dan moedigt het EESC de twee betrokken partijen op Europees niveau — vervoerders en verladers — aan besprekingen aan te gaan over kwesties die voor allebei van belang zijn.

2.   Inleiding

2.1   Huidige tendensen en wetgeving

2.1.1

Zeevervoerdiensten zijn essentieel voor de economische ontwikkeling in de EU; 90 % van de externe handel van de EU en 43 % van haar interne handel vindt over zee plaats. Zeevervoer is al sinds de Oudheid een internationale en wereldwijde activiteit. In wezen bestaan er twee soorten diensten: de lijnvaart en de wilde vaart. Lijnvaartschepen fungeren als bussen en schepen in de wilde vaart als taxi's op zee. 25 % van de wereldvloot vaart onder EU-vlag en meer dan 40 % van de wereldvloot is in handen van reders uit de EU. Nog eens 40 % van de vloot is eigendom van landen rond de Stille Oceaan. De Europese scheepvaart en haar klanten (bevrachters/expediteurs) hebben op internationale en Europese markten te maken met felle concurrentie.

2.1.2

Verordening 4056/86 bevat gedetailleerde regels voor de toepassing van mededingingsregels (artt. 81 en 82 van het EG-Verdrag) op lijnvaartdiensten van en naar havens in de Gemeenschap. De wilde vaart viel echter buiten de werkingssfeer van de verordening. Oorspronkelijk had de verordening een tweeledige functie. Ten eerste bevatte zij procedurevoorschriften voor de handhaving van de communautaire mededingingsregels in de sector zeevervoer. Deze functie is op 1 mei 2004 overbodig geworden, toen de gemeenschappelijke bepalingen voor de handhaving van de mededingingsregels van Verordening nr. 1/2003 ook van toepassing werden op de lijnvaart. Verordening nr. 1/2003 is echter niet van toepassing op de wilde vaart en cabotagevervoer. Ten tweede bevatte de verordening bepaalde specifieke materieelrechtelijke bepalingen inzake concurrentie in de sector zeevervoer, en in het bijzonder een groepsvrijstelling voor lijnvaartconferences, waardoor deze onder bepaalde voorwaarden tarieven konden vaststellen en de capaciteit konden regelen.

2.2   De lijnvaartsector

2.2.1

Sinds de vaststelling van Verordening nr. 4056/86 is de lijnvaartmarkt aanzienlijk veranderd. De voortdurende tendens naar meer containervervoer heeft geresulteerd in meer en grotere containerschepen, en tot meer nadruk op mondiale routenetwerken als reactie op veranderingen in wereldwijde handelspatronen. Dit heeft ertoe geleid dat er steeds meer nieuwe operationele overeenkomsten zijn gekomen, lijnvaartconferences een minder belangrijke rol vervullen en er een aanzienlijk aantal sterke onafhankelijke scheepvaartmaatschappijen bij zijn gekomen. De regels voor conferencediensten van en naar de VS zijn met de invoering van de Ocean Shipping Reform Act (OSRA) van 1999 veranderd doordat sindsdien vertrouwelijke contracten zijn toegestaan. Wereldwijd opererende internationale lijnvervoerders zijn thans hoofdzakelijk actief in de oost-west-handel en in de noord-zuid-handel, terwijl kleine en middelgrote vervoerders vooral actief zijn in de noord-zuid-handel en in de Europese kustvaart.

2.2.2

De Gedragscode voor lijnvaartconferences van de UNCTAD was oospronkelijk bedoeld om het conferencesysteem in de handel tussen industrie- en ontwikkelingslanden te reguleren. (3) Dertien EU-lidstaten plus Noorwegen hebben de Gedragscode goedgekeurd, geratificeerd of zich erbij aangesloten; Malta heeft de code wel ondertekend, maar niet geratificeerd (4). Er wordt naar verwezen in verscheidene overeenkomsten tussen de EU en derde landen en in het acquis communautaire (Verordeningen nrs. 954/79, 4055/86, 4056/86 en 4058/86). Hoewel de Gedragscode in de lijnvaart op diepzeeroutes vrijwel overbodig geworden is, bestaat zij juridisch gezien nog steeds.

2.2.3

Vervoergebruikers (verladers en expediteurs) hebben het conferencesysteem altijd ter discussie gesteld, omdat zij van oordeel zijn dat dit systeem niet zorgt voor adequate, efficiënte en betrouwbare diensten die op hun behoeften zijn toegesneden. Zo meent met name de ESC (5) dat intrekking van de groepsvrijstelling voor conferences de weg zal vrijmaken voor betere partnerschapsbetrekkingen tussen klant en lijnvaartonderneming, waarbij de aandacht zal uitgaan naar logistieke oplossingen die Europese bedrijven helpen de internationale concurrentie het hoofd te bieden. Daarnaast zouden consumenten profiteren van iets lagere prijzen indien de tarieven voor in de EU geïmporteerde producten dalen. Daarentegen zijn de reders van mening dat de conferences hebben bijgedragen tot de stabiliteit in de dienstverlening en dat zij dankzij het conferencesysteem op zowel mondiaal als regionaal niveau in staat zijn geweest (seizoensgebonden, geografische of aan weersomstandigheden te wijten) onevenwichtigheden op de meeste handelsroutes op te vangen. Intussen helpen internationale vervoerders (als leden van de ELAA (6)) en de ESC de Commissie bij het uitwerken van een alternatief systeem dat voldoet aan de Europese concurrentieregels.

2.2.4

In 2003 heeft de Commissie de aanzet gegeven tot een herziening van Verordening nr. 4056/86 om vast te stellen of betrouwbare geregelde maritieme dienstverlening kan worden bereikt met minder beperkende middelen dan horizontale prijsafspraken en capaciteitsregulering. Daartoe publiceerde zij in maart 2003 een raadplegingsdocument en in december 2003 een openbare hoorzitting met de belanghebbende partijen. Bovendien bracht de Commissie in juni 2004 een discussiestuk en in oktober 2004 een Witboek uit, waarna de belanghebbende partijen uitvoerig werden geraadpleegd. Het Europees Parlement (7) en het EESC brachten op resp. 1 december 2005 en 16 december 2004 advies over het Witboek uit. Zij waren het erover eens dat herziening van de Verordening de voorkeur verdiende boven intrekking. In december 2005 kwam de Commissie ten slotte met een voorstel voor een Verordening tot intrekking van Verordening nr. 4056/86.

2.3   De wilde vaart

2.3.1

Hoewel bijna 80 % van het totale internationale zeevervoer van droge en natte bulk via de wilde vaart gebeurt, is deze omvangrijke sector voor velen terra incognita. De wilde vaart wordt gekenmerkt door: wereldwijde concurrentie, bijna perfect mededingingsmodel, grillige en onvoorspelbare vraag, groot aantal kleine ondernemingen, wereldwijde handelspatronen, laagdrempelige markttoegang en -uittreding, uitermate grote kostenefficiency, vermogen om snel op marktontwikkelingen en op behoeften van expediteurs in te spelen. De sterk versnipperde markt voor de wilde vaart functioneert naar tevredenheid van bevrachters en expediteurs; in internationaal of EU-verband hebben zich geen grote problemen met mededingingsregels voorgedaan. Hieruit blijkt eens te meer hoe concurrerend deze sector is en hoezeer deze naar tevredenheid functioneert. In het licht hiervan staat in Verordening nr. 4056/86 dat de wilde vaart van haar toepassingsgebied is uitgesloten. De artikelen 81 en 82 van het EG-Verdrag zijn wel rechtstreeks van toepassing op deze sector. Bovendien valt de wilde vaart (en cabotagevervoer) niet binnen de werkingssfeer van Verordening 1/2003 (procedurevoorschriften voor handhaving van concurrentieregels).

2.4   Het Commissievoorstel

2.4.1

Gezien de veranderingen die zich sinds 1986 in de structuur van de markt en de sector hebben voorgedaan concludeert de Europese Commissie dat niet langer wordt voldaan aan de in artikel 81, lid 3, van het EG-Verdrag opgenomen vier cumulatieve voorwaarden, op basis waarvan een groepsvrijstelling aan lijnvaartconferences is verleend. Daarom stelt de Commissie voor Verordening nr. 4056/86 in al haar onderdelen en in het bijzonder de groepsvrijstelling voor de lijnvaartconference (artikelen 3 t/m 8, artikel 13 en artikel 26) in te trekken. Sommige bepalingen die overbodig zijn, worden ook ingetrokken, overeenkomstig het algemene EU-beleid om de Gemeenschapswetgeving te beperken (artikelen 2 en 9). De Commissie meent dat intrekking van de groepsvrijstelling zal leiden tot een daling van de vervoerkosten, terwijl de betrouwbaarheid van de diensten in alle vaargebieden behouden blijft en het concurrentievermogen van de Europese industrie wordt bevorderd.

2.4.2

Alvorens de groepsvrijstelling voor lijnvaartconferences in te trekken zal de Commissie met richtsnoeren inzake de mededinging in de zeevervoersector komen, om een vlotte overgang naar een stelstel van volledige mededinging mogelijk te maken. De Commissie wil de richtsnoeren eind 2007 uitbrengen. Als tussenstap bij de voorbereiding van deze richtsnoeren zal de Commissie in september 2006 eerst een issues paper over de lijnvaart publiceren.

2.4.3

Het voorstel tot intrekking van Verordening nr. 4056/86 bevat ook een voorstel om de internationale wilde vaart en cabotagevervoer onder het toepassingsgebied van Verordening nr. 1/2003 te brengen.

3.   Algemene opmerkingen

3.1

Het EESC pleit voor een evenwichtige aanpak van deze kwestie waarbij rekening wordt gehouden met de volgende factoren: de voordelen van mededinging voor het concurrentievermogen van de EU-industrie, de veranderende mondiale handelspatronen en het effect daarvan op de verlening van vervoersdiensten, gevolgen voor de belangrijkste handelspartners van de EU en voor ontwikkelingslanden, de standpunten van internationale vervoerders en verladers en de mening van kleine en middelgrote vervoerders en verladers.

3.2   Wilde vaart en cabotage

3.2.1

De wilde vaart is een mondiale markt waarop volmaakte concurrentie heerst. Dit unieke kenmerk, erkend door mensen uit de praktijk en door academici, werd ook door de EU erkend in Verordening nr. 4056/86. Het EESC begrijpt dat ook deze sector voortaan moet voldoen aan de in Verordening 1/2003 vastgelegde procedurevoorschriften voor de handhaving van concurrentieregels en stemt daarom in met de voorgestelde aanpak. Het EESC is ingenomen met het initiatief van de Commissie om een studie uit te voeren naar de economische en juridische kenmerken van de wilde vaart. Omwille van de rechtszekerheid dringt het EESC er bij de Commissie op aan eerst richtsnoeren op te stellen (alvorens de ontheffing van Verordening nr. 1/2003 in te trekken) zodat de scheepvaartmaatschappijen in de wilde vaart zelf kunnen beoordelen of hun uiteenlopende samenwerkingsovereenkomsten verenigbaar zijn met het EU-mededingingsrecht. Het feit dat klachten en juridische precedenten in de wilde vaart ontbreken, bewijst dat er in deze sector sprake is van volmaakte concurrentie. Om de ondernemingen in de wilde vaart wettelijke maatstaven te kunnen bieden waarmee zij zelf kunnen beoordelen of zij aan de Europese mededingingsregels voldoen, is meer informatie nodig over hoe de sector functioneert en welke overeenkomsten er zijn gesloten. Het EESC vindt het een goede zaak dat de Commissie en de scheepvaartindustrie voortdurend overleg voeren over de toepassing van de artikelen 81 en 81 op de wilde vaart.

3.2.2

De Commissie stelt terecht voor om de procedurevoorschriften van Verordening 1/2003 uit te breiden tot het cabotagevervoer over zee. Het leeuwendeel van de overeenkomsten in deze sector zou geen invloed hebben op de handel binnen de EU en ook geen belemmerende uitwerking op de mededinging hebben.

3.2.3

Om deze redenen kan het EESC zich vinden in de aanpak die de Commissie voor cabotagediensten en de wilde vaart voorstelt.

3.3   De lijnvaartsector

3.3.1

Wat de lijnvaartsector betreft, stelt de Commissie voor de groepsvrijstelling voor lijnvaartconferences van de in het EG-Verdrag vastgelegde mededingingsregels in te trekken, omdat niet langer aan de vier cumulatieve voorwaarden van artikel 81, lid 3, van het EG-Verdrag wordt voldaan. De Commissie meent dat intrekking van de groepsvrijstelling zal uitmonden in lagere vervoerkosten, terwijl de betrouwbaarheid van de diensten in alle vaargebieden behouden blijft en het concurrentievermogen van de Europese industrie wordt bevorderd. Het EESC spreekt zich hier nu nog niet over uit, maar wil eerst afwachten of de gevolgen van de intrekking blijvend zijn.

3.3.2

De Commissie is voornemens met richtsnoeren inzake de mededinging in de zeevervoersector te komen om een vlotte overgang naar een stelstel van volledige mededinging te bevorderen. Het EESC doet een beroep op de Commissie om de richtsnoeren in nauw overleg met de betrokken partijen op te stellen en de relevante EU-instellingen op de hoogte te houden.

3.3.3

Het Commissievoorstel is het resultaat van een herzieningsproces dat in 2003 werd aangevangen en waarbij alle relevante EU-instellingen en partijen werden betrokken. De Commissie heeft drie studies door onafhankelijke consultants laten uitvoeren om de vraagstukken die voortvloeien uit intrekking van de groepsvrijstelling te onderzoeken. De bevindingen staan op de website van het directoraat-generaal Mededinging.

3.3.4

Het voorstel van de Commissie om de groepsvrijstelling voor de lijnvaart in te trekken is uitsluitend gebaseerd op artikel 83 van het EG-Verdrag (mededingingsregels), terwijl de rechtsgrondslag van Verordening nr. 4056/86 bestaat uit artikel 83 (mededingingsregels) in combinatie met artikel 80, lid 2 (vervoersbeleid).

3.3.5

De Commissie erkent dat het mededingingsrecht niet in alle jurisdicties ter wereld op dezelfde wijze wordt toegepast en dat er verschillen bestaan. Zij erkent eveneens dat internationale samenwerking tussen de autoriteiten die toezien op de naleving van mededingingswetgeving steeds belangrijker wordt.

3.3.6

Het EESC is verheugd dat de Commissie een tweesporenbeleid voert waarbij enerzijds intensivering van de bilaterale samenwerking met de belangrijkste handelspartners van de EU wordt bevorderd en anderzijds wordt onderzocht hoe de multilaterale samenwerking op het vlak van mededinging kan worden uitgebreid. Het moedigt de Commissie dan ook aan vaart te zetten achter haar inspanningen, zodat mede via dergelijke samenwerking en dialoog kan worden nagegaan welke problemen intrekking van Verordening nr. 4056/86 kan opleveren en hoe deze op constructieve wijze, zonder voorbij te gaan aan de specifieke kenmerken van de betrokken rechtsstelsels, opgelost kunnen worden. Het is voor de internationale handel immers van cruciaal belang dat landen een consistent beleid ten aanzien van lijnvaartdiensten voeren.

3.3.7

Het EESC roept de Commissie op om bij het opstellen van de richtsnoeren inzake mededinging in het zeevervoer rekening te houden met de resultaten van het overleg en de samenwerking tussen de Commissie en haar belangrijkste handelspartners.

3.3.8

De volgende punten komen aan de orde in de toelichting die de Commissie op haar voorstel geeft en zouden ook bij het opstellen van bovengenoemde richtsnoeren in aanmerking genomen moeten worden:

Zeevervoerdiensten zijn essentieel voor de economische ontwikkeling in de EU; 90 % van de externe handel van de EU en 43 % van haar interne handel vindt over zee plaats.

De aanhoudende tendens naar meer containervervoer heeft sinds de vaststelling van Verordening nr. 4056/86 ingrijpende veranderingen in de lijnvaart teweeggebracht. Er zijn meer en grotere cellulaire containerschepen en er is een grotere nadruk op mondiale routenetwerken gekomen. Daardoor zijn er steeds meer nieuwe operationele overeenkomsten gekomen en hebben lijnvaartconferences aan betekenis ingeboet.

Binnen het conferencesysteem — dat al 150 jaar bestaat — worden nog steeds multilaterale en bilaterale overeenkomsten gesloten, met de EU-lidstaten en de Gemeenschap als contractpartijen. De Commissie erkent dat de intrekking van sommige bepalingen van Verordening nr. 4056/86 (artikel 1, lid 3, onder b) en c), de artikelen 3 t/m 7, artikel 8, lid 2, en artikel 26) met twee jaar uitgesteld zou moeten worden, zodat deze overeenkomsten met derde landen opgezegd of herzien kunnen worden.

3.3.9

Het EESC pleit ervoor dat de Commissie in verband met de intrekking van de groepsvrijstelling voor lijnvaartconferences niet alleen aandacht schenkt aan zuivere concurrentieaspecten, maar ook oog heeft voor de betrokken mensen (gevolgen voor de werkgelegenheid onder Europese zeevarenden). Het verzoekt de Commissie eveneens de omvang van deze gevolgen te beoordelen, met name via overleg met het Comité voor de sectoriële sociale dialoog over het zeevervoer (Sectoral Social Dialogue Committee on Maritime Transport).

3.3.10

Het EESC pleit ervoor dat de Commissie niet alleen aandacht schenkt aan zuivere concurrentieaspecten, maar ook aan de veiligheid (verlies van kwaliteitsscheepvaart doordat schepen onder de vlag van een derde land gaan varen).

3.3.11

Het EESC vindt dat de Commissie bij de intrekking van Verordening nr. 4056/86 ook oog zou moeten hebben voor de belangen van kleine en middelgrote vervoerders. Kleine en middelgrote ondernemingen „vormen de ruggengraat van de Europese economie” en spelen een belangrijke rol in de herziene Lissabonstrategie. De markten moeten toegankelijk blijven voor de huidige en potentiële concurrenten, waaronder kleine en middelgrote vervoerders en verladers.

3.3.12

Het EESC stelt dat consolidatie weliswaar positieve gevolgen voor het Europese zeevervoer (grotere efficiency, schaalvoordelen, kostenbesparingen) met zich mee kan brengen, maar dat voorzichtigheid geboden is om te voorkomen dat consolidatie — die uit intrekking van Verordening nr. 4056/86 kan voortvloeien — tot minder marktspelers en dus tot minder concurrentie leidt.

3.3.13

Wordt er een nieuwe regeling ingevoerd, dan moedigt het EESC de twee betrokken partijen op Europees niveau — vervoerders en verladers — aan besprekingen aan te gaan over kwesties die voor beide partijen van belang zijn.

4.   Bijzondere opmerkingen

4.1   Rechtsgrondslag

4.1.1

Verordening nr. 4056/86 heeft een tweeledige rechtsgrondslag (art. 80, lid 2, en artt. 81-82 en 83 betreffende resp. vervoerbeleid en mededingingsbeleid). Deze is in het nieuwe voorstel weggevallen (het voorstel is slechts gebaseerd op de artt. 81-82). De enkelvoudige rechtsgrond is door de Juridische dienst van de Raad gehandhaafd. Het EESC zou graag van de Juridische dienst van het Europees Parlement vernemen of de vervoersaspecten ondergeschikt zijn aan de mededingingsaspecten en of deze bij zijn standpunt over de tweeledige rechtsgrond (verwoord in zijn advies van december 2005) blijft.

4.2   Rechtsconflicten

4.2.1

De Commissie stelt voor artikel 9 van Verordening nr. 4056/86 in te trekken, aangezien de groepsvrijstelling voor lijnvaartconferences geen gevaar voor een conflict van internationaal recht zou opleveren. Het argument dat zij daarvoor aanvoert is dat rechtsconflicten alleen zouden ontstaan wanneer in de ene jurisdictie iets is vereist dat in een andere jurisdictie is verboden. Voor zover de Commissie bekend is, wordt een dergelijke verplichting in geen enkele jurisdictie aan lijnvaartondernemingen opgelegd.

4.2.2

Het EESC meent dat juridische instrumenten van andere jurisdicties rechtsconflicten zouden kunnen opleveren in de toekomst, en het dringt er dan ook bij de Commissie op aan in de richtsnoeren een bepaling op te nemen om dergelijke problemen op te lossen. Met een dergelijke bepaling inzake overleg zullen geschillen tot een minimum beperkt blijven en zullen in internationaal verband oplossingen gevonden kunnen worden die voor alle partijen aanvaardbaar zijn.

Brussel, 5 juli 2006

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Anne-Marie SIGMUND


(1)  Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB L 1, 4/4/2003, blz. 1); EESC-advies in PB C 155/2001, blz. 73

(2)  A6-0314/2005 van 01.12.2005

(3)  Voor meer informatie over de Gedragscode van de UNCTAD en over Verordening nr. 954/79, zie EESC-advies in PB C 157 van 28.06.2005, blz. 130

(4)  Zie het document over de status van multilaterale verdragen dat door het UNCTAD-secretariaat is gepubliceerd —

http://www.unctad.org/en/docs/tbinf192.en.pdf (blz. 4)

(5)  ESC = European Shippers' Council

(6)  European Liners Affairs Association

(7)  A6-0314/2005 van 01.12.2005


16.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 309/51


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Luchtvaartveiligheid

(2006/C 309/11)

Op 19 januari 2006 heeft het Europees Economisch en Sociaal Comité besloten op grond van artikel 29.2 r.v.o. een advies op te stellen over Luchtvaartveiligheid

De gespecialiseerde afdeling Vervoer, energie, infrastructuur, informatiemaatschappij, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 30 mei 2006 goedgekeurd. Rapporteur was de heer McDonogh.

Het Comité heeft tijdens zijn op 5 en 6 juli 2006 gehouden 428e zitting (vergadering van 5 juli 2006) het volgende advies uitgebracht, dat met 155 stemmen vóór en 2 stemmen tegen, bij 3 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Aanbevelingen

1.1

Leden van het cabinepersoneel dienen in het bezit te zijn van een door een bevoegde autoriteit afgegeven vergunning of bewijs van vakbekwaamheid als garantie dat zij hun taken (veiligheid, beveiliging, medische verzorging, omgang met passagiers enz.) vakkundig kunnen uitvoeren en beschikken over technische kennis van elk type vliegtuig waarop zij ingezet worden.

1.2

Het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA) dient zorgvuldig te overwegen of leveranciers van onderdelen de vrijheid moeten krijgen om zelf, zonder verder overleg met het EASA of vliegtuigfabrikanten, het ontwerp van onderdelen te bepalen.

1.3

Niet-Europese luchtvaartmaatschappijen zouden door het EASA goedgekeurd moeten worden voordat zij toestemming krijgen in het EU-luchtruim te vliegen.

1.4

Er zou slechts één regelgevende instantie moeten zijn: het EASA. Op die manier kan de weg worden vrijgemaakt voor verder harmonisatie van de regels voor luchthavens en kan vervalsing van de concurrentie tussen luchthavens binnen en buiten de EU zoveel mogelijk worden voorkomen. De positie van het EASA dient te worden versterkt en het agentschap moet meer bevoegdheden krijgen, bijvoorbeeld die van de Europese Burgerluchtvaartconferentie (ECAC).

1.5

Het EASA zou moeten nagaan hoe de veiligheid en integriteit van communicatie, dataverbindingen en elektronische boordsystemen zoals de electronic flight bag (EFB), op een voor de luchtvaartsector optimale wijze beschermd kunnen worden tegen hacking.

1.6

Het EASA moet ervoor zorgen dat nieuwe soorten vliegtuigen, zoals lichte zakenvliegtuigen, gereguleerd worden; eigenaars en vliegers moeten voldoende vlieguren hebben gemaakt voordat zij vluchten gaan uitvoeren. Voor lichte zakenvliegtuigen, die op een hoogte van 25.000 voet of meer zullen vliegen, zouden dezelfde operationele en onderhoudseisen moeten gelden als voor grotere commerciële vliegtuigen.

1.7

Het EASA moet eerst zorgen voor de nodige protocollen voordat er ook maar aan gedacht kan worden om onbemande luchtvaartuigen (UAV's) buiten gecontroleerd luchtruim te laten vliegen.

1.8

Zowel cockpit- als cabinepersoneel zou steekproefgewijs op alcohol- en drugsgebruik getest moeten worden.

1.9

Het EASA dient er ook op toe te zien dat plaatselijke regelgevende instanties over de vereiste vaardigheden en over voldoende personeel en financiële middelen beschikken.

1.10

Het EASA zou tevens uitgebreid wetenschappelijk onderzoek moeten doen naar de gevolgen van vermoeidheid, stress en diep-veneuze trombose voor cockpit- en cabinepersoneel.

1.11

Het beleid en de procedures m.b.t. de afgifte van het privé-vliegbrevet en de certificatie van vliegtuigen voor de algemene luchtvaart moeten aan een herziening worden onderworpen.

1.12

Het EASA zou ervoor moeten zorgen dat er een Europees brevet voor de algemene luchtvaart wordt ingevoerd met aantekeningen en bevoegdverklaringen die passen bij het goedgekeurde vliegtuig waarmee wordt gevlogen.

1.13

Politieke overwegingen mogen geen belemmering vormen voor het weren van luchtvaartmaatschappijen uit het Europese luchtruim; de veiligheid van bemanning, passagiers en de bewoners van gebieden onder de vliegroutes dient voorop te staan.

2.   Inleiding

2.1

In samenwerking met de lidstaten en hun deskundigen is een zwarte lijst van 96 luchtvaartmaatschappijen opgesteld en gepubliceerd. 93 daarvan hebben een algeheel vliegverbod gekregen; de overige 3 zijn operationele beperkingen opgelegd. Los daarvan overweegt Frankrijk een nieuw systeem met veiligheidslabels in te voeren, die als reclame gebruikt kunnen worden.

2.2

Begin 2004 stortte een chartervliegtuig van Flash Airlines neer in de Rode Zee. 148 mensen, overwegend Franse toeristen, kwamen om het leven. Door dit ongeval werd duidelijk dat de coördinatie tussen landen m.b.t. de uitwisseling van informatie over de veiligheid van vliegtuigen te wensen overliet, omdat toen pas bleek dat Flash Airlines een vliegverbod had gekregen van de Zwitserse luchtvaartautoriteiten. Sindsdien staat Europa onder druk om zijn wetgeving inzake de luchtvaartveiligheid te verbeteren.

2.3

Wil de zwarte lijst het gewenste effect sorteren, dan moeten de lidstaten wat de aanpak van luchtvaartmaatschappijen betreft één lijn trekken. Zij moeten voorkomen dat één van hen om sociaal-economische redenen besluit dat een luchtvaartmaatschappij die op de zwarte lijst staat „ermee door kan” en van zijn luchthavens gebruik mag maken, terwijl de andere lidstaten vinden dat de luchtvaartmaatschappij in kwestie niet aan de eisen voldoet.

2.4

„Brussel” is echter bij een aantal geschillen verzocht in te grijpen. Zo werd Turkije kwaad toen een aantal regeringen in Europa onder leiding van Nederland om veiligheidsredenen besloot de landingsrechten van Onur Air, een Turkse budgetmaatschappij, tijdelijk in te trekken. Verder staat Griekenland onder druk om vaart te zetten achter zijn onderzoek naar het neerstorten van een toestel van Helios dat op Larnaca (Cyprus) was opgestegen.

2.5

Punten van bezorgdheid zijn de algemene onderhoudsvoorschriften, opleiding van bemanningsleden, vlieguren van de bemanning, rusttijden, brandstofbesparing, geluidsbeperking en de luchtverkeersleiding.

2.6

Door de verscherpte concurrentie in de luchtvaart en de hachelijke financiële positie waarin veel luchtvaartmaatschappijen verkeren, wordt er een grotere druk uitgeoefend op bemanningen om op te stijgen in omstandigheden waaronder zij normaal gesproken niet zouden vliegen, en om te vliegen in toestellen die niet helemaal luchtwaardig zijn. De druk om dan toch te vliegen wordt verder opgevoerd doordat luchtvaartmaatschappijen op grond van EU-wetgeving verplicht zijn passagiers in geval van vertraging een overnachting of een vergoeding aan te bieden. Dit alles gaat ten koste van de veiligheid. Daarnaast doet zich het probleem voor dat veel nationale luchtvaartautoriteiten bij de handhaving van de voorschriften de neiging hebben veel door de vingers te zien als het om de eigen nationale luchtvaartmaatschappij gaat.

2.7

Er is een luchtvaartmaatschappij die nog altijd op Brussel en Parijs vliegt, hoewel zij in een aantal andere Europese landen wordt geweerd. Zwitserland heeft 23 vliegtuigen verboden zijn luchtruim te betreden, maar het houdt onverbiddelijk vast aan zijn traditie om bedrijfsgeheimen te beschermen; daarmee blijven de namen en zelfs het aantal maatschappijen geheim.

3.   Gevolgen van vermoeidheid en veilige prestatieniveaus

3.1

Talloze vliegtuigongevallen die in de loop der tijd hebben plaatsgevonden, zijn geweten aan vermoeidheid. Vermoeidheid vormt nog altijd een probleem voor bemanningen van vliegtuigen van iedere grootte. Maar hoe kan een piloot weten wanneer hij of zij te vermoeid is om te vliegen? Welke rol spelen slaapcycli, uitdroging, voeding en ziekte bij het vermogen om vermoeidheid te onderkennen en er iets aan te doen?

3.2

Piloten die verschillende tijdszones doorkruisen krijgen zeker te maken met vermoeidheid en aantasting van hun beoordelingsvermogen. Er wordt van uitgegaan dat zij tijdens lange vluchten rustperiodes kunnen nemen, maar daartoe zouden zij wel over adequate voorzieningen, zoals een plat bed, moeten beschikken.

3.3

Er bestaat bewijs in overvloed dat vermoeidheid van invloed is op de veiligheid. In een rapport dat de Amerikaanse Raad voor de verkeersveiligheid (National Transportation Safety Board) onlangs heeft uitgebracht over het dodelijke vliegtuigongeval dat op 19 oktober 2004 in Kirksville, Missouri, plaatsvond, staat het volgende: aangezien de tijd die voor nachtrust beschikbaar was, minder dan optimaal was, men zich vroeg op het werk moest melden, de werkdagen lang waren, het aantal vluchtetappes hoog was, en tijdens de lange werkdagen aan veeleisende omstandigheden — non-precision approaches die handmatig werden uitgevoerd met een lage wolkenbasis en beperkt zicht — het hoofd moest worden geboden, is het waarschijnlijk dat vermoeidheid ertoe heeft bijgedragen dat de piloot slechter functioneerde en niet de juiste beslissingen nam.

3.4

Waar of niet, geen enkele piloot die ook maar een beetje ervaring heeft kan ontkennen dat hij wel eens met een aanval van vermoeidheid te kampen heeft gehad of op een of andere manier door vermoeidheid minder goed heeft gefunctioneerd. De kwaliteit van de slaap tijdens rusttijden is erg belangrijk.

3.5

Ook voeding speelt een belangrijke rol. Zo zal iedere piloot — van de kersverse leerling tot de gezagvoerder die op het punt staat met pensioen te gaan — bevestigen dat koffie zijn lievelingsdrank is. Maar hoewel koffie een stimulerende werking heeft en mensen tijdelijk alerter maakt, treedt vermoeidheid op indien men geen koffie meer drinkt. Bovendien is koffie een diureticum; het werkt dus vochtafdrijvend en veroorzaakt daardoor uitdroging, hetgeen weer tot vermoeidheid kan leiden.

3.6

Tijdens lange vluchten, waarbij vrijwel volledig op de automatische piloot wordt gevlogen, gaat vermoeidheid gepaard met verveling, hetgeen een groot probleem vormt. Om de bemanning alert te houden eisen sommige luchtvaartmaatschappijen, met name bij trans-Siberische vluchten, dat de automatische piloot elk uur wordt gereset.

3.7

Veel ongevallen in de luchtvaart zijn te wijten aan fouten van de piloot, en vermoeidheid is een belangrijke oorzaak van die fouten.

3.8

Het is de bedoeling dat het EASA de brevettering overneemt en daarbij in de plaats komt van de Organisatie van Gezamenlijke Luchtvaartautoriteiten (Joint Aviation Authorities-JAA). Dit zou mogelijk geen gevolgen hebben voor de brevetten van de ICAO (Internationale Burgerluchtvaartorganisatie) die in de VS zijn behaald en door piloten in Europa worden gebruikt.

4.   Cabinepersoneel

4.1

Alle verbeteringen qua rusttijden voor het cockpitpersoneel zouden, voor zover mogelijk, ook moeten gelden voor het cabinepersoneel, dat in geval van nood en ter voorkoming van veiligheids- of beveiligingsincidenten klaarwakker moet zijn.

4.2

Het cabinepersoneel zou een goede reanimatiecursus gevolgd moeten hebben. Daarnaast zouden zij over een uitstekende beheersing van hun moedertaal en van het Engels op ten minste ICAO-niveau 4 moeten beschikken om de communicatie met de passagiers in geval van nood te vergemakkelijken.

5.   Luchtverkeersleiding

5.1

Het EESC heeft zich al eerder uitgesproken over de luchtverkeersleiding en de problemen die daarmee verband houden (1). Het voorgestelde SESAR-systeem zou de veiligheid ten goede komen, als het tenminste wordt ingevoerd; hierover brengt het EESC een apart advies uit (2). Feit blijft echter dat er één luchtverkeersleidingsysteem voor alle landen in Europa moet komen met Eurocontrol als een soort overkoepelende regelgevingsinstantie, bijv. zoals de Federal Aviation Administration (FAA) in de VS. Het EESC is verheugd dat het eerste contract in het kader van het TMA2010+-programme van Eurocontrol is gesloten.

5.2

Het is voor de veiligheid van het grootste belang dat er in heel Europa normalisering plaatsvindt en er geïntegreerde systemen worden ingevoerd.

5.3

Het is wenselijk dat er een adequaat bewijs van vakbekwaamheid wordt ingevoerd voor personeelsleden die zich bezighouden met elektronische systemen voor de veiligheid van het luchtverkeer (ATSEP — Air Traffic Safety Electronics Personnel).

6.   Vliegtuigonderhoud

6.1

Voor sommige lidstaten is het kennelijk moeilijk hun nationale voorschriften aan te passen aan de Europese Part-66-normen. De onderhoudslicenties die door lidstaten worden afgegeven, zijn gebaseerd op de eisen van de Joint Aviation Authorities (JAA), die in nationale wetgeving zijn omgezet om ze juridisch bindend te maken. Bij het EASA-systeem vallen de licentieregels echter onder de EU-wetgeving. Het lijkt erop dat handhaving van de regels een langdurig proces is, waarbij in beroep gegaan kan worden.

6.2

In 2005 maakten alle 25 EU-lidstaten gebruik van de mogelijkheid tot ontheffing. Daardoor kregen zij uitstel tot september 2005 om aan de voorschriften van Part 66 te voldoen. Indien het EASA data vaststelt waarop landen aan de veiligheidsvoorschriften moeten voldoen, dan dient hieraan te worden vastgehouden en anders moeten in ieder geval met alle partijen dezelfde data worden afgesproken om te voorkomen dat termijnen of overgangsperioden verlengd moeten worden.

6.3

Het EESC vraagt zich af of de mogelijkheid bestaat dat het EASA toezicht houdt op de uitbesteding van onderhoud door budgetmaatschappijen aan onderhoudsbedrijven in derde landen.

6.4

Er moet voldoende tijd voor inspectie op de grond worden gegeven, met name bij vliegtuigen die meteen weer vertrekken. De gemiddeld 25 minuten voor korte trajecten kan beslist niet in alle gevallen als voldoende worden beschouwd.

6.5

Ook dienen er voldoende middelen voor het onderhoud te worden uitgetrokken. Het onderhoud moet worden uitgevoerd door gekwalificeerd personeel, dat uitsluitend gebruik mag maken van gecertificeerde onderdelen.

6.6

De nationale luchtvaartautoriteiten dienen steekproefgewijze inspecties en controles uit te voeren om erop toe te zien dat aan de voorschriften wordt voldaan.

7.   Luchtvaartmaatschappijen

7.1

Luchtvaartmaatschappijen moeten in een financieel gezonde positie verkeren en over voldoende kapitaal beschikken voordat een exploitatievergunning wordt afgegeven. Hun financiën moeten door de lidstaten regelmatig gecontroleerd worden om ervoor te zorgen dat de regels niet omzeild worden.

7.2

Zij moeten beschikken over ervaring en een competent management.

8.   Bevoegdheden van het EASA

8.1

De Europese Commissie wil het EASA nog meer bevoegdheden geven op het gebied van de regelgeving inzake luchthavens, de luchtverkeersleiding en luchtnavigatiediensten (o.m. wat veiligheid en interoperabiliteit betreft).

8.2

Het Comité steunt de oprichting van het EASA (bij Verordening nr. 1592/2002). Het komt de efficiëntie en veiligheid van de luchtvaart in Europa immers ten goede wanneer er een Europees kader wordt ingevoerd voor procedures en vergunningen voor luchtvaartuigen en uitrustingsstukken die door één instantie worden afgegeven.

8.3

Het EASA heeft de mogelijkheid zich te buigen over normen en aanbevolen praktijken (SARP's) en de onregelmatigheden die voortvloeien uit de „aanbevolen praktijk” en de „standaardpraktijk” in de ICAO-bijlagen.

9.   Afgifte van brevetten voor de algemene luchtvaart

9.1

Houders van een privé-vliegbrevet (PPL) die met een FAA-licentie binnen het Europese luchtruim vliegen, zouden verplicht moeten worden een aantekening van het EASA op hun licentie te hebben.

9.2

Alle vliegtuigen die tot de algemene luchtvaart behoren, dienen aan de door het EASA vastgestelde EU-normen te voldoen voordat zij tot het Europese luchtruim toegelaten worden.

10.   Veiligheid van avionica

10.1

Het EASA zou richtsnoeren/regels moeten opstellen om specifieke apparatuur of netwerken te beschermen tegen „wederrechtelijke daden”, zoals omschreven door de ICAO.

10.2

De kwetsbaarheid wordt steeds groter, niet alleen door het toenemende gebruik van Ethernet (LAN) en IP, maar ook doordat:

voor communicatiedoeleinden meer gebruik wordt gemaakt van dataverbindingen tussen lucht en grond door passagiers, luchtvaartmaatschappijen en de luchtverkeersleiding;

meer algemeen gebruik wordt gemaakt van de overdracht van gegevens en software door middel van netwerken aan boord en tussen grondstations met het oog op productie, levering, onderhoud of updating;

het aantal softwarevirussen en hackeraanvallen sterk toeneemt en via netwerken die onderling verbonden zijn ook steeds meer naar vertrouwelijke gegevens wordt gezocht.

11.   Onbemande luchtvaartuigen

11.1

Het EASA moet beschikken over de nodige bevoegdheden om deze sector te reguleren, niet alleen qua luchtwaardigheid en ontwerp maar ook wat de certificering van het basisstation, lanceersystemen, enz. betreft.

11.2

Alle regels die voor conventionele luchtvaartuigen gelden, moeten ook als verplicht voor onbemande luchtvaartuigen worden beschouwd. Alle gebruikers van het luchtruim moeten worden geraadpleegd in die gevallen waarin onbemande vluchten gevolgen voor die gebruikers zouden kunnen hebben.

12.   EASA

12.1

Het EASA is het overkoepelende regelgevingsorgaan van de EU. Het stelt de beginselen en regels voor de veiligheid van de luchtvaart in de EU vast. Het heeft onvoldoende geld, onvoldoende personeel en geen enkele handhavingsbevoegdheid.

12.2

Het EASA is voor de handhaving van de regels en voorschriften aangewezen op allerlei nationale regelgevende instanties.

12.3

In feite is er zo sprake van zelfregulering. Geen enkele nationale regelgevingsinstantie zal een luchtvaartmaatschappij in zijn rechtsgebied aanpakken, tenzij het om een uiterst ernstig probleem gaat.

12.4

De nationale regelgevende instanties zijn ook verantwoordelijk voor alle luchtvaartuigen die in hun land geregistreerd zijn en voor alle luchtvaartuigen die eigendom zijn van maatschappijen die vestigingen in hun land hebben. Het komt erg vaak voor dat deze vliegtuigen en de bemanning daarvan gestationeerd zijn in en opereren vanuit een andere lidstaat. Een goede regulering wordt zo bemoeilijkt.

12.5

De nationale regelgevende instanties dienen de besluiten van het EASA uit te voeren; door interpretatieverschillen kan dit ertoe leiden dat de regels en voorschriften in de EU niet op gelijke wijze worden geïmplementeerd. Het gevolg hiervan zou kunnen zijn dat luchtvaartmaatschappijen „onder goedkope vlag” gaan vliegen indien de voorschriften in een bepaald land soepeler worden toegepast dan in andere.

12.6

Ondertussen mag de Europese Burgerluchtvaartconferentie controleren of ter plaatse aan de voorschriften wordt voldaan. Deze bevoegdheid zou bij het EASA moeten berusten.

12.7

Het EASA wordt momenteel gefinancierd met rechten die voor de afgifte van certificaten worden betaald. Aangezien het agentschap in 2006 naar verwachting een verlies van 15 miljoen euro zal lijden, is het van essentieel belang dat de centrale overheden voor de nodige financiële middelen zorgen om de toekomst van het EASA veilig te stellen.

Brussel, 5 juli 2006

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Anne-Marie SIGMUND


(1)  Communautaire vergunning voor luchtverkeersleiders — pakket gemeenschappelijk Europees luchtruim (rapporteur: dhr McDonogh), PB C 234 van 22.09.2005, blz. 17-19

(2)  Gemeenschappelijke onderneming SESAR, EESC 379/2006, rapporteur: dhr McDonogh


16.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 309/55


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het „Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende afvalstoffen”

(COM(2005) 667 final — 2005/0281 (COD))

(2006/C 309/12)

De Raad heeft op 24 februari 2006 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 175 van het EG-Verdrag te raadplegen over bovengenoemd voorstel.

De gespecialiseerde afdeling Landbouw, plattelandsontwikkeling, milieu, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 24 mei 2006 goedgekeurd. Rapporteur was de heer BUFFETAUT.

Het Comité heeft tijdens zijn op 5 en 6 juli gehouden 428e zitting (vergadering van 5 juli) het volgende advies uitgebracht, dat met 114 stemmen vóór, bij 4 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies

1.1

De Commissie is terecht van plan om de afvalwetgeving te actualiseren, te vereenvoudigen en aan te passen. Het EESC is in dit verband met name te spreken over de strategie inzake afvalpreventie en afvalrecycling. Het streven naar een uniforme toepassing van de wetgeving verdient alle bijval, omdat anders het milieu en de volksgezondheid de dupe kunnen worden en de concurrentieverhoudingen op de markt voor gerecyclede producten kunnen worden scheefgetrokken. Om te voorkomen dat men naar de rechter stapt of juridische procedures opstart, is het van groot belang dat de definities duidelijk en precies geformuleerd zijn. Wat afvalpreventie betreft ligt het ambitieniveau in de mededeling helaas nogal laag. Duurzame ontwikkeling heeft alleen kans van slagen als de politiek inzet op preventie en recycling van afvalstoffen. Bovendien worden grondstoffen steeds schaarser en duurder. In dit verband moeten er Europese instrumenten komen waarmee kwalitatieve en kwantitatieve doelstellingen kunnen worden verwezenlijkt. Het voorstel van de Commissie laat het wat dit betreft afweten. Verder lijkt zij te denken dat het de recycling van afval ten goede komt als de procedures voor het verkrijgen van een vergunning voor de exploitatie van verwerkingsinstallaties versoepeld worden. Daarmee zit zij op het verkeerde spoor; een dergelijke aanpak leidt alleen maar tot milieuschade en gezondheidsrisico's en staat bovendien haaks op het Verdrag van Aarhus inzake de toegang van het publiek tot informatie over het milieu (en dus afval). De vergunning omvat technische aspecten die betrekking hebben op milieubescherming, is openbaar en bevat ook de verplichting om informatie te verschaffen en toezicht te houden. De vergunning vormt absoluut geen rem op de behandeling en recycling van afval, maar biedt juist de garantie dat de betrokken overheden de normen in acht nemen en de beste technieken toepassen

1.2

Het is een goede zaak dat het levenscyclusconcept inmiddels ingang heeft gevonden in het afvalbeleid. Ook over de geringere aanvoer van afval naar stortplaatsen, het composteren en terugwinnen van energie, schone recyclingtechnieken en afvalpreventie is het EESC te spreken.

1.3

Het wel erg strikte beroep dat de Commissie op het subsidiariteitsbeginsel doet zou wel eens op gespannen voet kunnen staan met haar eigen wens dat de wetgeving in de hele EU uniform wordt toegepast.

1.4

De integratie/intrekking van de Richtlijn inzake gevaarlijke afvalstoffen mag absoluut niet leiden tot een slechtere regelgeving voor en een geringere bescherming van de volksgezondheid. In ieder geval zou nader bepaald moeten worden dat dit type afvalstoffen niet gemengd mag worden en dat er ook geen ontheffingen voor mogen gelden. Met name voorzorgsmaatregelen en verplichtingen inzake het vervoer en de behandeling van afval vloeien voort uit het onderscheid tussen „gevaarlijk” en „niet gevaarlijk”. Als er aan dit onderscheid gemorreld wordt, komt dat de milieubescherming zeker niet ten goede.

1.5

Het is van belang dat recyclingmethoden worden gestimuleerd die niet schadelijk zijn voor het milieu en waarbij stoffen daadwerkelijk worden teruggewonnen. De huidige test biedt wat dit betreft niet voldoende garanties.

1.6

Het EESC vraagt zich af de comitéprocedure wel zo geschikt is om criteria te specificeren aan de hand waarvan kan worden vastgesteld wanneer afval ophoudt afval te zijn.

1.7

Sommige definities blijven vaag (met name die van 'producent' en 'terugwinning'). De begrippen 'materiële terugwinning' en 'materiële recycling' (waarbij bepaalde soorten afval eventueel niet langer als zodanig kunnen worden beschouwd) en ook 'energetische terugwinning' (waarbij afval gewoon als afval beschouwd moet blijven worden) moeten omschreven worden om te zorgen voor een uniforme toepassing van de afvalverbrandingsrichtlijn op alle afvalstoffen die via (mee)verbranding worden teruggewonnen.Bij de verbranding van afval kan het best naar een hoog energierendement worden gestreefd om zo in aanmerking te kunnen komen voor de kwalificatie 'terugwinning'. Verrassend genoeg geldt een dergelijke bepaling alleen voor verbranding en niet voor andere vormen van energetische terugwinning. De verbranding van afval zou alleen als 'terugwinning' mogen worden beschouwd als er hierbij van een hoge energie-efficiëntie sprake is.

1.8

Het ontbreekt helaas geheel aan voorstellen voor uniforme financiële instrumenten die in de hele EU kunnen worden toegepast.

1.9

Het is ook jammer dat de tekst geen verplichtingen bevat inzake de arbeidsomstandigheden en de gezondheid van de werknemers in de sector.

2.   Inleiding

2.1

De huidige kaderrichtlijn dateert van 1975, waarmee het afvalbeleid een van de oudste onderdelen van het Europese milieubeleid is. In de afgelopen dertig jaar zijn de algemene sociaal-economische context, de gebruikte methoden, de technologie, het nationale en lokale beleid en de algemene houding tegenover het afvalprobleem echter aanzienlijk veranderd. De afvalwetgeving, waar sinds 1975 gestaag aan gewerkt werd, kwam in de jaren negentig in een stroomversnelling terecht toen eerst in 1991 de kaderrichtlijn werd herzien en daarna een aantal Richtlijnen inzake de behandeling en het beheer van bepaalde afvalstromen werd goedgekeurd.

2.2

In de loop van de tijd is gebleken dat er het een en ander schort aan de wetgeving: er zitten lacunes en onduidelijkheden in, uit geschillen en de jurisprudentie komt naar voren dat er sprake is van interpretatieproblemen, en de wetgeving is erg complex, wat mede komt doordat deze versnipperd is over diverse teksten die naar elkaar verwijzen.

2.3

Tegelijkertijd is de afvaleconomie echt van de grond gekomen. Afvalbeheer en recycling zijn tot volwaardige sectoren uitgegroeid die snel groter worden en een omzet hebben van naar schatting ruim 100 miljard euro in de EU-25.

2.4

De EU is uitgebreid en er zullen nog meer lidstaten bijkomen. Maar de situatie in de nieuwe lidstaten is niet eenvoudig, vooral omdat daar zoveel afval wordt gestort. Het is dan ook logisch dat de Commissie het hele afvalvraagstuk opnieuw wenst te bekijken, zonder dat zij echter de structuur van de huidige wetgeving overhoop wil halen, wat de strekking ervan zou aantasten.

2.5

Vandaar dat zij een mededeling over een thematische strategie inzake afvalpreventie en afvalrecycling (1) heeft gepubliceerd en met een voorstel voor een nieuwe afvalstoffenrichtlijn (2) komt. In het eerste document staan de politieke richtsnoeren en de algemene filosofie van de Commissie, het tweede document is hiervan de concrete juridische vertaling.

3.   Een nieuw beleid

3.1

Ten grondslag aan de thematische strategie ligt de constatering dat er in de afgelopen dertig jaar veel vooruitgang is geboekt op afvalgebied, maar dat de hoeveelheid afval nog altijd toeneemt, er te weinig gerecycled en teruggewonnen wordt en de afvalsector zich moeizaam ontwikkelt. Naast de specifiek aan afval gewijde teksten hebben de IPPC-richtlijnen overigens zeker een positief effect gehad.

3.2

Bovendien is afvalverwerking tot op zekere hoogte schadelijk voor het milieu en kost het geld.

3.3

Ten slotte is de Europese wetgeving hier en daar onduidelijk, wat leidt tot geschillen en verschillen in toepassing tussen het ene land en het andere.

3.4

Hoe wordt gemeentelijk afval momenteel behandeld? De beste statistieken hebben betrekking op gemeentelijk afval, dat zo'n 14 % van de totale hoeveelheid geproduceerd afval uitmaakt. 49 % wordt gestort, 18 % verbrand en 33 % gerecycled en gecomposteerd. In sommige lidstaten wordt 90 % van het afval gestort, in andere slechts 10 %. Ook bij andere behandelingsmethoden doen zich zulke extreme verschillen voor.

3.5

De algemene situatie in de EU is dus dat er weliswaar duidelijk vooruitgang is geboekt, maar dat de totale hoeveelheid afval toeneemt en de totale hoeveelheid gestort afval ondanks de betere recycling- en verbrandingstechnologie niet of nauwelijks afneemt. Het afvalpreventiebeleid heeft geen tastbare resultaten opgeleverd.

3.6

De doelstellingen van het huidige beleid — afval beperken, hergebruik, recycling en terugwinning ervan stimuleren om het schadelijke milieu-effect ervan te reduceren en bij te dragen tot een beter gebruik van grondstoffen — zijn dus onverminderd geldig, alleen moeten de maatregelen efficiënter worden.

3.7

In de mededeling gaat de Commissie daarom in op de technische aspecten van de wetgeving, de manier waarop het afvalbeleid eruit zou moeten zien, een betere voorlichting en de definitie van gemeenschappelijke normen. En in de strategie stelt zij voor om:

toe te werken naar een samenleving waarin de productie van afval zoveel mogelijk wordt voorkomen en de materiële en energetische inhoud van afval ten volle wordt benut;

de nadruk te leggen op een uniforme toepassing van de wetgeving om interpretatieverschillen te voorkomen en ervoor te zorgen dat de doelstellingen ervan bijtijds door de lidstaten worden verwezenlijkt;

de wetgeving te vereenvoudigen en te actualiseren;

het begrip levenscyclus ingang te doen vinden in het afvalbeleid, zodat het de schadelijke milieu-effecten van het gebruik van grondstoffen kan helpen verminderen;

het afvalbeleid ambitieuzer en efficiënter te maken;

de voorlichting en de verspreiding van kennis van afvalpreventie te verbeteren

gemeenschappelijke normen uit te werken om de Europese recyclingsector te reguleren;

het recyclingbeleid verder te ontwikkelen.

3.8

De Commissie verwacht dat wijzigingen in de wetgeving en in het afvalbeleid zullen leiden tot minder gestort afval, een betere terugwinning van compost en energie uit afval en een betere recycling van meer afvalstoffen. De hoop is dat op die manier meer afval wordt teruggewonnen en dat de zogenoemde afvalhiërarchie zo een impuls krijgt, alsook dat het afvalbeleid het grondstoffengebruik helpt verbeteren.

Wat is de eerste wettelijke vertaling van de doelstellingen van de thematische strategie?

4.   Het voorstel voor een afvalrichtlijn: een verandering maar geen omwenteling

4.1

Artikel 1 bevat de doelstellingen van de Commissie, die tweeledig en van elkaar afhankelijk zijn:

enerzijds moeten er maatregelen komen „ter vermindering van de met het gebruik van hulpbronnen samenhangende globale milieueffecten van de productie en het beheer van afvalstoffen”;

anderzijds dienen de lidstaten „prioritair maatregelen te treffen ter voorkoming of ter vermindering van de productie van afvalstoffen en de schadelijkheid daarvan en, op de tweede plaats, met het oog op de terugwinning van afvalstoffen door middel van hergebruik, recycling en andere terugwinningshandelingen”.

4.2

Dit betekent volgens de Commissie niet dat de hele wetgeving op de schop moet. Deze moet alleen hier en daar gewijzigd en waar nodig aangevuld worden. Het richtlijnvoorstel is slechts een onderdeel van de strategie; andere voorstellen zullen in een later stadium het licht zien. In ieder geval dient bij de uitvoering van het afvalbeleid het subsidiariteitsbeginsel in acht te worden genomen. Wil het effect sorteren, dan moet van hoog tot laag — van het EU-niveau tot dat van gemeenten, waar een hoop gebeurt — een reeks maatregelen worden genomen. De Commissie is van mening dat inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel geenszins hoeft te betekenen dat het ambitieniveau op milieugebied daalt.

4.3

De voorgestelde richtlijn is dus bedoeld als een herziening van Richtlijn 75/442/EEG. De Commissie wil Richtlijn 91/689/EEG over gevaarlijke afvalstoffen opnemen in de kaderrichtlijn, wat er op neerkomt dat zij wordt ingetrokken. Richtlijn 75/439/EEG inzake afgewerkte olie wordt eveneens ingetrokken, met dien verstande dat de verplichting om afgewerkte olie in te zamelen in de kaderrichtlijn wordt opgenomen.

4.4

De belangrijkste wijzigingen luiden als volgt:

de invoering van een milieudoelstelling;

de verduidelijking van de begrippen terugwinning en verwijdering;

de verduidelijking van de voorwaarden waaronder gevaarlijke afvalstoffen mogen worden vermengd;

de invoering van een procedure ter verduidelijking van de voorwaarden waaronder afvalstoffen die deel uitmaken van bepaalde afvalstromen, ophouden afvalstoffen te zijn;

de invoering van minimumnormen of een procedure tot vaststelling van minimumnormen voor een reeks afvalbeheerhandelingen;

de invoering van de eis tot opstelling van nationale afvalpreventieprogramma's.

4.5

De vraag is dus of het met de voorgestelde wijzigingen mogelijk is om de doelstellingen van de strategie te verwezenlijken en de huidige onvolkomenheden en onduidelijkheden recht te trekken.

5.   Algemene opmerkingen

5.1

Dit langverwachte richtlijnvoorstel moet voor alle partijen — de lidstaten, ngo's, burgers, beroepsbeoefenaren — dé basis gaan vormen van het Europese afvalbeleid. Bij zijn analyse dient het EESC dit voor ogen te houden. In de nieuwe richtlijn moet de EU haar voordeel doen met de sinds 1991 opgedane ervaringen en de zwakke punten van de oude tekst gladstrijken, zodat op basis daarvan de huidige situatie kan worden verbeterd. Ook moet rekening worden gehouden met de in Europees verband goed te keuren strategie voor duurzame ontwikkeling. Het gaat hier om een strategie die gericht is op het beheer, het recyclen en het energetisch terugwinnen van afval in een wereld waarin grondstoffen en energievoorraden steeds schaarser worden.

5.2

De huidige wetgeving (met name de bijlagen en de definities) is vaak een gebrek aan exactheid en duidelijkheid verweten. Ook heeft men met lede ogen moeten aanzien dat de lidstaten de richtlijnen en verordeningen vaak heel verschillend toepassen, wat tot problemen leidt. Dit is onlangs duidelijk naar voren gekomen bij de herziening van de verordening over de grensoverschrijdende transporten van afvalstoffen.

5.3

Wat denkt het EESC van de tekst die wordt voorgesteld voor de kaderrichtlijn? De vraag is of het ambitieniveau van de Commissie niet lager ligt dan toen zij in 2003 de mededeling „Naar een thematische strategie inzake afvalpreventie en afvalrecycling (3)” uitbracht. Haar aanpak ten aanzien van het subsidiariteitsbeginsel is nogal minimalistisch en kan ertoe leiden dat de wetgeving verschillend wordt toegepast. Bovendien wordt in alle talen gezwegen over de activiteiten die de in sociaal-economisch opzicht betrokken partijen zouden kunnen ontplooien.

5.4   Vereenvoudiging van de wetgeving

5.4.1

Voorgesteld wordt om de Richtlijn over gevaarlijke afvalstoffen in de kaderrichtlijn te integreren. Hierbij moet men erop toezien dat voor deze stoffen veel strengere regels zullen gelden dan voor ander afval, helemaal omdat REACH van toepassing zal zijn op alle op de markt gebrachte stoffen. De Richtlijn over afgewerkte olie wordt eenvoudigweg ingetrokken, omdat niet gebleken is dat het milieu baat had bij de regeneratie van deze olie. De bepalingen met betrekking tot de inzameling ervan blijven echter gehandhaafd.

5.4.2

De Commissie heeft weliswaar criteria opgesteld aan de hand waarvan bepaald kan worden hoe gevaarlijk afval is, maar het wachten is nog altijd op de nodige adstruerende documenten: gestandaardiseerde tests en concentratiedrempels om ervoor te zorgen dat de afvalstoffenlijst correct wordt gebruikt.

5.4.3

Het voorstel om vrijstellingen te verlenen voor terugwinningshandelingen lijkt riskant en zou wat een aantal sectoren betreft heroverwogen moeten worden. Iedereen herinnert zich nog de incidenten waarbij in diervoer natuurlijke stoffen met gevaarlijk afval werd vermengd. Dit zou veel vaker kunnen gaan voorkomen als de afvalstoffen in kwestie niet langer traceerbaar hoeven te zijn en men ook afstapt van de controles die onontbeerlijk zijn voor een goed afvalbeheer. Ten slotte zou de Commissie dienen na te trekken of de voorgestelde vrijstellingen (Rubriek 2 — Vrijstellingen) niet indruisen tegen de bepalingen in het Verdrag van Aarhus inzake de voorlichting van het publiek en diens inbreng in de besluitvorming over afvalbeheer.

6.   Specifieke opmerkingen

6.1   Betere definities

6.1.1

In de huidige Richtlijn ontbreken goede definities voor een aantal zaken. Het grote aantal beroepszaken bij het Hof van Justitie spreekt wat dit betreft boekdelen. Is de nieuwe tekst in dit opzicht een verbetering? Daar mogen vraagtekens bij worden gezet.

6.1.2

De uit de oude tekst (4) overgenomen definitie van 'producent' moet worden gewijzigd. Hoe kan men namelijk beweren dat iemand die de aard van afvalstoffen verandert hiervan de nieuwe 'producent' wordt? Een dergelijke persoon is gewoon een 'behandelaar' en dient als zodanig deel uit te maken van de traceerbaarheidsketen. Anders wordt de deur wagenwijd opengezet voor een ontwikkeling waarbij afvalstoffen als het ware in een lagere categorie worden ingedeeld en de verantwoordelijk van de ware producent verwatert. Bovendien moet op zijn minst gewag worden gemaakt van de uitgebreide verantwoordelijkheid van de producent (voor op de markt gebrachte producten).

6.1.3

In de Verordening over de grensoverschrijdende afvaltransporten (5) heeft de Commissie zich sterk gemaakt voor „interimoperaties”, die net zo min gedefinieerd worden als de begrippen „handelaar” en „makelaar”.

6.1.4

Het begrip „recycling” wordt gedefinieerd, maar in de definitie van „terugwinning” blijft het energie-aspect onduidelijk. Daarom zouden de begrippen „materiële terugwinning” en „materiële recycling”, alsook „energetische terugwinning'” moeten worden omschreven. In het eerste geval is het mogelijk dat een bepaalde afvalstof aan het eind van zijn levenscyclus niet langer als afval wordt beschouwd; dit geldt niet voor de energetische terugwinning. De energetische terugwinning valt uit het oogpunt van milieubescherming onder de Richtlijn betreffende de verbranding van afval. Als afval niet langer als afval wordt beschouwd, zouden de regels voor de milieubescherming er niet langer op van toepassing zijn.

6.2   Doel van de Richtlijn

6.2.1

De Richtlijn is bedoeld om het milieu en de volksgezondheid te beschermen; dat moet zo blijven.

6.2.2

De Commissie is in het algemeen geneigd om aan het openstellen van de markt groot belang toe te kennen; dat is echter maar één aspect van een afvalbeleid.

6.2.3

Er moet een eenduidig antwoord komen op de vraag met behulp van welk wetgevingskader de markt ervoor kan zorgen dat afvalbeheer leidt tot een beter milieu; in dit verband moeten de begrippen eco-efficiëntie en ecobeheer verder worden uitgewerkt voor onze productie-activiteiten en onze dienstverlening. Afvalbeheer is een gereguleerde sector met als belangrijkste doelstelling de bescherming van het milieu, de volksgezondheid en het behoud van hulpbronnen; er wordt dan ook rekening gehouden met economische, sociale en milieu-effecten. Milieubescherming is een wezenlijk onderdeel van afvalbeheer en bovendien goed voor de werkgelegenheid en het concurrentievermogen, terwijl bovendien innovaties mogelijk worden gemaakt en nieuwe markten kunnen worden aangeboord. De vraag is of toepassing van het subsidiariteitsbeginsel in dezen wel de beste aanpak is. Het is verder symptomatisch dat de Commissie in haar mededeling over de thematische strategie zelf weliswaar toegeeft dat bepaalde recyclingactiviteiten schadelijk voor het milieu kunnen zijn, maar niettemin voorstelt dat de lidstaten erop toezien dat alle afvalstoffen worden teruggewonnen. Een verduidelijking is dus op zijn plaats: de EU moet via gemeenschappelijke normen werken aan een schone recyclingsector.

6.2.4

De Commissie „vergeet” eveneens om er in verband met de 'hiërarchie' op te wijzen dat afvalverwijdering onder de juiste omstandigheden goed voor het milieu kan zijn, ook al worden de bepalingen die dit als doel hebben wel gewoon door haar gehandhaafd. Hierdoor is de nieuwe tekst minder duidelijk dan de oude, waarin wel van een en ander gewag werd gemaakt.

6.2.4.1

De kaderrichtlijn moet de basis blijven vormen van een efficiënt afvalbeheer in alle sectoren. Het valt nog te bezien hoe de Richtlijn moet worden uitgevoerd en met welke middelen de recyclingstrategie dus versterkt moet worden.

6.2.5

De Commissie had voorgesteld na te denken over de invoering van financiële instrumenten om een efficiënt beheer, de recycling en de terugwinning van afvalstoffen te bevorderen. Een en ander had in EU-verband zeker effect kunnen sorteren, mits van een uniforme toepassing sprake was geweest. Voorstellen hieromtrent zijn vooralsnog uitgebleven, omdat een unaniem besluit van de Raad in dezen weinig waarschijnlijk is. Dat de Commissie dan maar helemaal niets voorstelt is zeker realistisch te noemen, maar getuigt toch ook van een zekere schuchterheid. Zij had bijvoorbeeld kunnen voorstellen om een open coördinatiemethode te ontwikkelen.

6.3   Gevaarlijke afvalstoffen

6.3.1

Het principe van integratie/intrekking is in het hoofdstuk „Algemene opmerkingen” behandeld.

6.3.2

Vreemd genoeg wordt er in het artikel over de scheiding van afvalstoffen alleen maar gesproken over de vermenging van afvalstoffen.

6.3.3

Gevaarlijke afvalstoffen moeten streng gereguleerd worden en goed traceerbaar zijn. De regelgeving moet het absoluut onmogelijk maken dat zij in het milieu terechtkomen. Bovendien moet ervoor worden gewaakt dat de bescherming van de volksgezondheid te lijden heeft van de integratie/intrekking van de afvalstoffenrichtlijn. In ieder geval zou er duidelijk op gewezen kunnen worden dat elk mengsel waarin gevaarlijke afvalstoffen voorkomen zelf ook als gevaarlijk zal worden beschouwd, behalve als er werkelijk sprake is van chemische ontgifting. Verdunning dient altijd verboden te zijn.

6.4   Netwerk van verwijderingsinstallaties

6.4.1

De Commissie stelt voor dat de lidstaten in onderling overleg een netwerk van verwijderingsinstallaties opzetten. Hoe kan men aandringen op investeringen hierin als de lidstaten er niet eens voor kunnen zorgen dat deze installaties steeds in vol bedrijf zijn? Een exploitant zou bijvoorbeeld best afval kunnen gaan 'exporteren' om de energie-inhoud ervan in een ander land terug te winnen. De regels moeten dus zo nauwkeurig mogelijk worden geformuleerd en mogen geen ongewenste gevolgen hebben.

6.4.2

Het nabijheidsbeginsel moet worden beoordeeld in het licht van het beginsel van zelfvoorziening. Deze twee beginselen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden als het gaat om een duurzaam afvalbeheer.

6.5   Preventie

6.5.1

De voorgestelde richtlijn bevat geen enkele verplichting voor de lidstaten inzake het sociale aspect van preventie, dat inhoudt dat rekening wordt gehouden met de eventuele gevolgen voor de arbeidsomstandigheden en de gezondheid van werknemers en dat voorlichtingscampagnes worden gehouden. Preventie gaat ook de burger aan. Bovendien zou het goed zijn om deze kwestie vanuit zowel een kwalitatieve als een kwantitatieve invalshoek te benaderen. In de economie brengt kwaliteit, een minder starre grootheid dan kwantiteit, namelijk vooruitgang en prestaties met zich mee.

6.6   De bijlagen

6.6.1

Er zijn haast geen wijzigingen aangebracht, behalve de energie-efficiëntie-eisen die alleen worden gesteld aan verbrandingsinstallaties voor huishoudelijk afval. Vreemd genoeg staat er niets over de aan bijstookinstallaties te stellen eisen. Bovendien kan de verbranding van afval alleen als „terugwinning” worden beschouwd als er hierbij van een hoge energie-efficiëntie sprake is. Hoewel bepaalde afvalstoffen niet herwinbaar zijn, moet worden voorkomen dat rudimentaire, voor het terugwinnen van energie weinig efficiënte installaties kunnen profiteren van de bepalingen inzake terugwinning. In dat geval zou verbranding namelijk een gemakzuchtige oplossing zijn die tot afvalexport zou kunnen leiden, een situatie die juist vermeden moet worden.

Brussel, 5 juli 2006

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Anne-Marie SIGMUND


(1)  COM(2005) 666 final

(2)  COM(2005) 667 final

(3)  COM(2003) 301 final

(4)  Richtlijn 91/156/EEG van de Raad van 18 maart 1991 tot wijziging van Richtlijn 75/442/EEG betreffende afvalstoffen

(5)  Verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap


16.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 309/60


Advies van het Europees en Economisch Sociaal Comité over de „Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement — Actieplan 2006-2008 voor een vereenvoudiging en verbetering van het visserijbeleid”

(COM(2005) 647 final)

(2006/C 309/13)

De Commissie heeft op 23 januari 2006 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 262 van het EG-Verdrag te raadplegen over bovengenoemde Mededeling.

De gespecialiseerde afdeling Landbouw, plattelandsontwikkeling en milieu, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 24 mei 2006 goedgekeurd. Rapporteur was de heer Sarró Iparraguirre.

Het Comité heeft tijdens zijn op 5 en 6 juli 2006 gehouden 428e zitting (vergadering van 5 juli) het volgende advies uitgebracht, dat met 164 stemmen vóór, bij 1 onthouding, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Het Comité heeft in eerdere adviezen aan de Commissie al zijn steun betuigd aan de vereenvoudiging van de communautaire regelgeving, en is dan ook ingenomen met de publicatie van het actieplan 2006-2008 voor een vereenvoudiging en verbetering van het gemeenschappelijk visserijbeleid. Met dit advies wil het Comité een bijdrage leveren aan de ambitieuze plannen van de Commissie die van kapitaal belang zijn voor de verbetering van de communautaire visserijwetgeving.

1.2

Om de vereenvoudiging tot een goed einde te brengen is het volgens het Comité noodzakelijk om nauw samen te werken met de visserijsector. Dit houdt ook in dat steun wordt verleend aan de adviesorganen van de Commissie, te weten de regionale adviesraden (RAR's), het raadgevend comité voor de Visserij en de aquacultuur (RCVA) en het comité voor de Sectorale sociale dialoog visserij.

1.3

Volgens het Comité zou de Commissie er op de eerste plaats toe moeten overgaan de vigerende regelgeving te consolideren. Daarna kan zij dan een begin maken met de verwezenlijking van de doelstellingen uit haar mededeling, waar het Comité overigens volledig achterstaat. Het gaat om:

a)

de verdere verduidelijking en vereenvoudiging van de bestaande teksten, die daarnaast ook toegankelijker moeten worden gemaakt;

b)

het beperken van de administratieve lasten en kosten van de overheidsdiensten;

c)

het beperken van de administratieve lasten en andere verplichtingen van de visserijsector.

1.4

Ook kan het Comité zich vinden in de twee wetgevingsgebieden waarop het actieplan is toegespitst, nl. de instandhouding en het beheer van de visbestanden en het toezicht op de visserijactiviteit. In een tweede fase kan de Commissie zich dan gaan bezighouden met de vereenvoudiging en verbetering van de rest van het GVB.

1.5

In fiche 1 komen de TAC's en quota en de visserij-inspanning aan de orde. De hier voorgestelde maatregelen kunnen de goedkeuring van het Comité wegdragen. De verschillende aspecten van het instandhoudingsbeleid worden afzonderlijk behandeld, de besluiten worden afgestemd op homogene groepen en er worden meerjarenplannen ontwikkeld. Wel wijst het erop dat de indieningstermijn voor de wetenschappelijke adviezen en de datum waarop de Raad in december de TAC's en quota vastlegt, te dicht bij elkaar liggen, zodat het onmogelijk wordt alle noodzakelijke overlegrondes en raadplegings- procedures af te werken. Er dient meer tijd te worden ingepland tussen de publicatie van de wetenschappelijke adviezen en de vaststelling van de definitieve besluiten.

1.6

In fiche 2 worden de vereenvoudigingsacties voor de technische maatregelen uiteengezet. Het Comité vreest echter dat de Commissie hier een terrein betreedt dat op dit moment nog tot de bevoegdheden van de Raad behoort.

1.7

Nog in fiche 2 wordt voorgesteld de lidstaten te machtigen zelf technische maatregelen met lokale toepassing vast te stellen. In dit verband zou de Raad ook de door de lidstaten ingediende verzoeken moeten inwilligen, dit om discriminatie en ongelijke behandeling van vissers uit verschillende lidstaten te voorkomen.

1.8

Daarentegen kan het Comité zich wel vinden in de maatregelen van de fiches 3, 4 en 5 ter vereenvoudiging van de verzameling en het beheer van gegevens en ter vergroting van de doeltreffendheid van de controlemaatregelen. Het is overigens van kapitaal belang dat de Commissie en het communautair bureau voor Visserijcontrole samenwerken bij de vaststelling van deze maatregelen. Voorts zou moeten worden voorzien in een overgangsperiode voor de overstap op het gebruik van informatietechnologieën. Het is immers zaak ruimte te scheppen voor overleg met de technici, de sector en de lidstaten, de commerciële vertrouwelijkheid te waarborgen, de steun en het vertrouwen van de betrokkenen te winnen, te kijken hoe een en ander in werkelijkheid verloopt, en bij te dragen in de extra kosten van de nieuwe materialen. Alleen zo kan het hele hervormingsproces tot een goed einde worden gebracht.

1.9

Evenmin valt iets aan te merken op fiche 6, waarmee een eind wordt gemaakt aan weinig nuttige of nutteloze rapporteringsverplichtingen, en de bureaucratische rompslomp waar vissers en lidstaten mee te maken krijgen, wordt verlicht.

1.10

De in fiche 7 voorgestelde vereenvoudigingsacties zijn zonder meer noodzakelijk. Het Comité stelt de Commissie voor een modelovereenkomst op te stellen, die de basis zou kunnen vormen voor de onderhandelingen over visserijovereenkomsten met derde landen. Daarnaast zou het toekennen en uitreiken van visserijvergunningen langs elektronische weg kunnen verlopen.

1.11

Het Comité zou graag zien dat wordt verwezen naar de strijd tegen illegale, niet-gereglementeerde en niet-aangegeven visserij, die immers tot de doelstellingen van het GVB behoort. Zo zou de Commissie kunnen vermelden dat moet worden gezocht naar de meest eenvoudige en efficiënte manier om de strijd tegen illegale, niet-gereglementeerde en niet-aangegeven visserij aan te pakken. De toegang tot de consumptiemarkten, de versterking van de bevoegdheden van de desbetreffende havenstaat en het verbod op overslag op volle zee moeten daarbij centraal staan.

1.12

Ten slotte wijst het Comité erop dat het actieplan 2006-2008 bijzonder ambitieus is en dat een termijn van drie jaar dus mogelijk niet volstaat. Het raadt de Commissie dan ook aan het plan nog vóór eind 2007 te herzien.

2.   Toelichting

2.1

Al in het begin van de XXIe eeuw heeft de EU de grootse taak op zich genomen om alle communautaire wetgeving te verbeteren en zo te zorgen voor grotere doeltreffendheid en transparantie.

2.2

In de tweede helft van de vorige eeuw is de EU-regelgeving uitgegroeid tot een omvangrijk wetgevingscorpus, het zogenaamde communautaire acquis.

2.3

Dit acquis bestaat dus uit het geheel van wetgevingsinstrumenten voor de verschillende communautaire beleidsgebieden en is dan ook steeds blijven uitdijen.

2.4

In opdracht van de Europese Raad is de Commissie, in overleg met de andere communautaire instellingen, nu bezig met de vereenvoudiging en verbetering van de communautaire regelgeving.

2.5

Deze vereenvoudiging en verbetering van de EU-wetgeving is onlosmakelijk verbonden met de herziene Lissabonstrategie voor groei en werkgelegenheid in Europa, en is dan ook op de eerste plaats gericht op de aspecten van het communautaire acquis die de concurrentiepositie van het bedrijfsleven van de EU kunnen beïnvloeden.

2.6

Het Europese midden- en kleinbedrijf vertegenwoordigt 99 % van het totale aantal ondernemingen in de EU en is goed voor twee derde van de werkgelegenheid. Deze bedrijven gaan echter zwaar gebukt onder de last van regelgeving en administratie. Een verbetering en vereenvoudiging van de EU-wetgeving is voor hen dan ook van het allergrootste belang.

2.7

In het kader van haar strategie voor vereenvoudiging en verbetering van de communautaire wetgeving wil de Commissie een permanent programma vastleggen voor vereenvoudiging op de volgende gebieden: landbouw, milieu, gezondheid en veiligheid op het werk, visserij, belastingen, douane, statistiek en arbeidsrecht.

2.8

Met het in deze mededeling voorgestelde meerjarenactieplan voor de periode 2006-2008 maakt de Commissie in het kader van dit permanent programma een aanvang met het hoofdstuk vereenvoudiging en verbetering van het GVB.

2.9

Als officieel vertegenwoordiger van het maatschappelijk middenveld heeft het Comité de Commissie in eerdere adviezen al zijn steun betuigd aan de vereenvoudiging van de Europese wetgeving. Het is dan ook bijzonder ingenomen met de publicatie van het actieplan en hoopt met zijn advies een bijdrage te leveren aan de grootse plannen van de Commissie, die het er in het bijzonder toe wil aansporen verdere meerjarenplannen uit te werken.

3.   Achtergrond

3.1

Tijdens de Europese top van 23 en 24 maart 2000 in Lissabon is de Commissie verzocht „een strategie op te stellen voor een nader gecoördineerd optreden ter vereenvoudiging van de regelgeving”. Dit mandaat is later nog bevestigd tijdens de Europese topbijeenkomsten van Stockholm (23 en 24 maart 2001), Laken (8 en 9 december 2001) en Barcelona (15 en 16 maart 2002).

3.2

Daarop heeft de Commissie in juli 2001 (1) een Witboek over Europese governance uitgebracht, waarin een hoofdstuk wordt gewijd aan de verbetering van de kwaliteit van de regelgeving. Dit document lag aan de basis van een uitgebreide raadpleging, die op 31 maart 2002 werd afgerond.

3.3

In het advies van het Comité over bovengenoemd document staat het volgende te lezen: „De voorstellen van de Commissie om het EG-wetgevingsproces te vereenvoudigen en te versnellen verdienen bijval, omdat de regelingen steeds ingewikkelder worden en soms naast bestaande nationale regels worden ingevoerd in plaats van deze te vereenvoudigen en te harmoniseren” (2).

3.4

Nog in dit verband heeft de Commissie in juni 2002 ook een actieplan ter vereenvoudiging en verbetering van de regelgeving gepubliceerd, dat ook dit keer ter discussie werd voorgelegd aan de andere instellingen (3).

3.5

Het ligt duidelijk in de bedoeling van de Commissie om tot een interinstitutionele overeenkomst over de verbetering van de kwaliteit van de communautaire wetgeving te komen. Daartoe dienen de drie voornaamste stappen in het wetgevingsproces te worden doorlopen: indiening van een wetgevingsvoorstel door de Commissie, bespreking van het voorstel door het EP en de Raad en toepassing van de wetgevingsbepalingen door de lidstaten.

3.6

De vereenvoudiging van de EU-wetgeving, waarmee eerder al een begin was gemaakt, krijgt in februari 2003 een nieuwe impuls met de mededeling van de Commissie „Modernisering en vereenvoudiging van het acquis communautaire (4). Met deze mededeling werd het startsein gegeven voor een ambitieus programma: het lag nl. in de bedoeling van de Commissie na te gaan welke wetgeving in aanmerking komt voor vereenvoudiging, consolidatie en codificatie, een taak die ook vandaag nog wordt voortgezet.

3.7

Met de in maart 2005 gepubliceerde mededeling van de Commissie „Betere regelgeving met het oog op economische groei en meer banen in de Europese Unie” (5) werd een nieuwe impuls gegeven aan het interinstitutioneel akkoord over beter wetgeven, dat op 16 december 2003 werd ondertekend door het EP, de Raad en de Commissie. Dit akkoord is er m.n. op gericht de kwaliteit van de communautaire wetgeving te verbeteren en de omzetting ervan in de nationale wetgeving vlotter te doen verlopen (6).

3.8

Ten slotte heeft de Commissie in oktober 2005 met het oog op de uitvoering van het Lissabonprogramma nog de mededeling „Een strategie voor de vereenvoudiging van de regelgeving” (7) goedgekeurd, waarin voor de verschillende communautaire beleidsgebieden actieplannen worden voorgesteld om een continu proces van vereenvoudiging op gang te brengen.

3.9

De Commissie heeft de enorme taak op zich genomen om de volledige communautaire wetgeving en regelgeving te vereenvoudigen en te verbeteren. In dat licht moet ook de aan de Raad en het EP gerichte mededeling over de „Vooruitzichten voor de vereenvoudiging en verbetering van de regelgeving inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid” (8) worden gezien.

3.10

Bovengenoemde mededeling en het „Actieplan 2006-2008 voor een vereenvoudiging en verbetering van het visserijbeleid” liggen ten grondslag aan onderhavig advies.

3.11

Het Comité is zich er van bewust dat de vereenvoudiging en verbetering van de hele communautaire wetgeving een complexe aangelegenheid is, maar wil de Commissie er toch toe aansporen op de ingeslagen weg verder te gaan en de vastgelegde termijnen te respecteren om zo snel mogelijk de vooropgestelde doelstellingen te realiseren.

4.   Algemene opmerkingen

4.1   Communautaire visserijwetgeving 1983-2002

4.1.1

In 1983 is de communautaire visserijwetgeving vastgelegd in het gemeenschappelijk visserijbeleid. De regelgeving bleek evenwel niet te voldoen. Bij de uitwerking van de regels voor het beheer van de visserij was uitgegaan van wetenschappelijke conclusies, zonder dat behoorlijk overleg werd gepleegd met de communautaire visserijsector. Na de wijdlopige besluitvormingsprocedure in Commissie, Raad en Parlement kwam uiteindelijk een bijzonder ingewikkelde visserijwetgeving uit de bus.

4.1.2

Bij de evaluatie van oude en nieuwe visserijwetgeving dient er rekening mee te worden gehouden dat de verschillende visserijtakken erg heterogeen zijn en dat de regels daarnaast ook betrekking hebben op uiteenlopende aspecten zoals structuur, instandhouding en milieu, buitenlandse visbestanden, markten en controle. Dit leidt onvermijdelijk of tot een veelheid van regels, of tot bijzonder uitgebreide en lastig interpreteerbare regelingen.

4.1.3

De Raad stelt elk jaar in december de TAC's en quota vast. Deze procedure bemoeilijkt het noodzakelijke overleg en maakt dat de termijnen voor de toepassing van de besluiten vaak niet kunnen worden nageleefd. Dit kan er dan weer toe leiden dat de regelingen nog herhaaldelijk worden gewijzigd.

4.1.4

Die aaneenschakeling van wijzigingen op de regelgeving van het gemeenschappelijk visserijbeleid maken de teksten er voor de gewone burger en de visser niet leesbaarder op. Bovendien is de wetgeving opgesteld door deskundigen die zich vaak baseren op lastig te interpreteren wetenschappelijke teksten.

4.1.5

Ook gebeurt het wel dat na de onderhandelingen in de Raad en het EP de uiteindelijke tekst nog complexer is dan de oorspronkelijke voorstellen.

4.1.6

Een aantal bepalingen ten slotte is opgenomen in regelingen van een juridisch en politiek hoger niveau dan strikt noodzakelijk, wat wijziging of vereenvoudiging bemoeilijkt.

4.1.7

Veel van deze misstanden bestaan nog steeds, maar de Commissie is zich daarvan bewust en werkt aan de nodige maatregelen om een en ander recht te trekken. Zo heeft zij in 1992 het GVB van 1983 gewijzigd, was er de hervorming van het GVB van 31 december 2002 en heeft zij nu dus een nieuw actieplan voor de periode 2006-2008 ingediend.

4.2   Huidige communautaire visserijwetgeving

4.2.1

De GVB-hervorming van 31 december 2002 (9) houdt logischerwijze ook een vereenvoudiging in. Maatregelen waarbij regelgeving werd ingetrokken of verouderd verklaard en systematische herziening van de wetgeving stonden immers al langer op het programma.

4.2.2

Het voorstel voor een verordening betreffende de oprichting van een Europees Visserijfonds (10), waarover het Comité een positief advies heeft uitgebracht, is een mooi voorbeeld van een vereenvoudigingsmaatregel. Zo worden een groot aantal bepalingen van de vier verordeningen inzake de meerjarenoriëntatieprogramma's (MOP's) en het financieringsinstrument voor de oriëntatie van de visserij (FIOV) met deze nieuwe verordening gewijzigd of vervangen.

4.2.3

In de loop van 2004 en 2005 heeft de Commissie verscheidene wetgevingsvoorstellen gedaan die een rol kunnen spelen bij de hervorming en vereenvoudiging van het GVB. Het gaat m.n. om:

het Europees Visserijfonds;

het Communautair Bureau voor visserijcontrole;

de oprichting van regionale adviesraden;

financiële maatregelen van de EU met het oog op de toepassing van het GVB en het zeerecht.

Bovendien is er een uitgebreide overlegperiode geweest, die is uitgemond in de publicatie van de eerder vermelde mededeling „Vooruitzichten voor de vereenvoudiging en verbetering van de regelgeving inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid”.

4.2.4

In deze mededeling wordt betoogd dat het terugbrengen van het aantal verordeningen niet volstaat. Om het gemeenschappelijk visserijbeleid te verbeteren is het tevens noodzakelijk om:

de bestaande teksten leesbaarder, eenvoudiger en toegankelijker te maken;

de administratieve lasten en kosten van de overheidsdiensten te beperken;

de administratieve lasten en andere verplichtingen van de visserijsector te beperken.

4.2.5

Het Comité is evenwel van mening dat de Commissie eerst bijzondere aandacht moet besteden aan de consolidering van de teksten, en pas daarna maatregelen mag nemen om deze leesbaarder te maken. De veelvuldige verwijzingen naar verordeningen uit vorige jaren maken de teksten bijzonder moeilijk te begrijpen.

4.2.6

Ook merkt de Commissie in bedoelde mededeling op dat sommige onderdelen van het gemeenschappelijk visserijbeleid meer problemen opleveren. Zo voeren de lidstaten de controle van de visserijactiviteiten elk op hun eigen manier uit, en wordt in het kader van de instandhouding vaak een combinatie van verschillende beheersmaatregelen toegepast.

4.2.7

De Commissie beseft dat het beheer van de communautaire visserij altijd een ingewikkelde materie zal blijven, maar concludeert toch dat de bestaande regelgeving in de loop der jaren al te complex is geworden.

4.2.8

Bij de verbetering en vereenvoudiging van de communautaire visserijwetgeving dient de Commissie de nadruk te leggen op de controle van de visserijactiviteiten en de maatregelen voor de instandhouding van de bestanden. Het onlangs opgerichte communautair bureau voor Visserijcontrole zou dan ook meer armslag moeten krijgen.

4.3   Actieplan 2006-2008 voor een vereenvoudiging en verbetering van het visserijbeleid

4.3.1

In het licht van alle werkzaamheden die werden verricht in het kader van de diverse eerder vermelde mededelingen heeft de Raad de Commissie verzocht een meerjarenactieprogramma met het oog op de vereenvoudiging en verbetering van het GVB in te dienen. Daarop heeft de Commissie in december 2005 de mededeling „Actieplan 2006-2008 voor een vereenvoudiging en verbetering van het visserijbeleid (11)” ingediend.

4.3.2

Het actieplan 2006-2008 bestaat uit:

een methodologie voor de vereenvoudiging en verbetering van het GVB;

de vermelding van de wetgevingsinitiatieven die prioritair moeten worden vereenvoudigd en verbeterd.

4.3.3

Het uitgangspunt van het actieplan is eenvoudig. De Commissie geeft aan op welke gebieden (controle, visserij-inspanning, financiering, ...) zij de wetgevingsteksten wil verbeteren en vereenvoudigen. Zij geeft een overzicht van de noodzakelijke maatregelen, vermeldt wie zich met de vereenvoudiging moet bezighouden en binnen welke termijnen (in de periode 2006-2008). Ten slotte verdeelt zij de wetgevingsmaatregelen die vereenvoudiging behoeven in drie categorieën:

wetgevingsmaatregelen waarvan de herziening al is gestart;

nieuwe wetgevingsmaatregelen die de komende jaren moeten worden uitgewerkt;

wetgevingsmaatregelen die al van kracht zijn, maar die bij voorrang moeten worden vereenvoudigd.

4.3.4

De plannen voor de vereenvoudiging van het GVB in de periode 2006-2008 zijn op de eerste plaats gericht op deze laatste categorie wetgevingsmaatregelen. Het gaat hier uitsluitend om regelgeving inzake het beheer en de controle van de visserijactiviteiten.

4.3.5

Het Comité kan zich vinden in de keuze van deze twee prioritaire actiegebieden. Het is immers een feit dat het meest complexe gedeelte van de vigerende wetgeving betrekking heeft op beheer en controle. In een tweede fase zal de Commissie zich dan moeten bezighouden met de vereenvoudiging en verbetering van de rest van het GVB.

4.3.6

De wetgevingsmaatregelen waarvan de herziening al is gestart en waarvoor bepaalde vereenvoudigingsbeginselen al zijn toegepast zullen in het kader van het plan ter verbetering van de wetgeving verder worden aangepakt. Dat geldt o.m. voor het Europees Visserijfonds of de algemene bepalingen inzake de visserijvergunningen voor de wateren van derde landen in het kader van een visserijovereenkomst. Het Comité heeft zich eerder al positief uitgelaten over de manier waarop de Commissie de regelgeving terzake heeft vereenvoudigd.

4.3.7

In de nieuwe wetgevingsmaatregelen die de komende jaren zullen worden uitgewerkt moeten de vereenvoudigingsdoelstellingen op systematische wijze in acht worden genomen.

4.3.8

Het Comité staat achter de grote lijnen van het actieplan 2006-2008, dat daarom op zijn steun kan rekenen. Wel wijst het erop dat het grote inspanningen zal vereisen om de in de bijlage bij het actieplan uiteengezette vereenvoudigingsmaatregelen binnen de vastgelegde termijnen uit te voeren. Het is dan ook van cruciaal belang dat de lidstaten, het EP, de visserijsector (vertegenwoordigd door de RAR's), het raadgevend comité voor de Visserij en de aquacultuur (RCVA) en het comité voor de Sectorale sociale dialoog visserij, de handen in elkaar slaan en begrip opbrengen voor elkaars standpunt.

4.3.9

Het actieplan is op de eerste plaats gericht op de volgende gebieden en wetgevingsmaatregelen:

Instandhouding van de visbestanden:

TAC's/Quota, visserij-inspanning;

technische maatregelen ter bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen;

verzameling en beheer van gegevens voor het GVB;

Toezicht op de visserijactiviteit:

toezicht — de wetgeving;

toezicht — informatisering;

rapporteringsverplichtingen;

vergunningen voor de visserij buiten de communautaire wateren.

4.3.10

Voor elk van deze zeven actiegebieden is in de bijlage bij het actieplan een fiche opgenomen, waarin de vereenvoudigingsacties ter verbetering van de vigerende regelgeving en de desbetreffende overheidsdiensten worden uiteengezet. Verder wordt voor elke actie de planning in kwestie weergegeven, waarbij de diverse betrokken partijen worden vermeld. Ten slotte wordt een overzicht gegeven van de te vereenvoudigen wetgevingsinstrumenten en van de referentiedocumenten die nuttig zijn voor die vereenvoudiging.

4.3.11

Het Comité heeft de zeven fiches aandachtig bestudeerd. Als de partijen erin slagen de plannen voor hervorming en vereenvoudiging in hun geheel en binnen de opgelegde termijnen uit te voeren, dan zal de communautaire visserijwetgeving er dankzij het actieplan 2006-2008 met sprongen op vooruit gaan.

4.3.12

In fiche 1 van het actieplan worden maatregelen ter vereenvoudiging van TAC's/Quota en de visserij-inspanning voorgesteld. Kort gesteld gaat het hier om de vereenvoudiging van de jaarlijkse verordening van de Raad tot vaststelling van de vangstmogelijkheden voor het volgende jaar. Daartoe worden de bepalingen tot vaststelling van de voorwaarden voor de exploitatie van visbestanden anders geschikt, worden de besluiten beter afgestemd op homogene groepen, en wordt een meerjarenaanpak ontwikkeld.

4.3.13

Het Comité sluit zich aan bij de in fiche 1 voorgestelde vereenvoudigingsmaatregelen. Fundamenteel in dit verband zijn de afzonderlijke behandeling van de diverse aspecten van het instandhoudingsbeleid, de indeling in homogene groepen en de vaststelling van een meerjarenaanpak.

4.3.13.1

Wel wijst het Comité erop dat er te weinig tijd zit tussen de datum van indiening van de wetenschappelijke adviezen en de datum waarop de Raad in december een besluit neemt over de TAC's en quota en andere belangrijke beheersmaatregelen, zoals de beperking van de visserij-inspanning. Daardoor wordt het moeilijk de hele overleg- en raadplegingsprocedure af te werken. Er worden m.a.w. overhaast besluiten genomen over complexe aangelegenheden, wat ertoe kan leiden dat de regelgeving technische of juridische onvolkomenheden vertoont. Daardoor zijn dan weer wijzigingsbesluiten vereist die de complexiteit van de regelgeving en de toepassing daarvan nog verhogen. Het feit dat niet voldoende overleg wordt gepleegd met de visserijsector en andere betrokken partijen maakt dat de regels vaak op onbegrip stuiten, negatief worden onthaald of niet naar behoren worden toegepast, wat de efficiëntie niet ten goede komt.

4.3.13.2

Verder is het Comité van oordeel dat ook de procedure voor de vaststelling van de beheersmaatregelen van de regionale visserijorganisaties mank loopt: zo liggen de termijnen voor de indiening van de wetenschappelijke adviezen en de vergaderdata van de besluitvormingsinstantie te dicht bij elkaar. Deze krappe termijnen leiden ook weer tot de hierboven beschreven problemen.

4.3.13.3

De door de Commissie voorgestelde aanpak, die gebaseerd is op „homogene groepen”, kan de goedkeuring van het Comité wegdragen, zeker als daarmee „homogene visserijtakken” worden bedoeld en een regelgeving op twee niveaus wordt ingesteld: een horizontale kaderverordening en een toepassingsverordening per visserijtak.

4.3.13.4

Anderzijds heeft de praktijk aangetoond dat herstelplannen en meerjarenbeheersplannen uitgebreid overleg mogelijk maken. Eenmaal goedgekeurd vereenvoudigen deze plannen de besluitvorming in de toepassingsperiode. Wel moet de huidige verdeling van bevoegdheden tussen Raad en Commissie behouden blijven en moet de mogelijkheid tot herziening bestaan, rekening houdend met de evolutie van de criteria voor de beoordeling van de situatie van de desbetreffende visbestanden.

4.3.14

De hervorming van de besluitvorming inzake de instandhoudingsmaatregelen, garantie voor een vereenvoudigde en efficiëntere regelgeving, houdt in dat wetenschappelijke adviezen en aanbevelingen (van de ICES-ACFM voor de communautaire wateren en van de wetenschappelijke comités van de regionale visserijorganisaties) eerder moeten worden ingediend, zodat daadwerkelijk overleg met de regionale adviesraden en het RCVA mogelijk wordt. Ook zou kunnen blijken dat het beter is dat de bespreking van het „pakket” TAC's en quota over verschillende vergaderingen van de Raad gespreid wordt, en dat bij de vaststelling van het beheersjaar meer rekening wordt gehouden met het biologische jaar en de marktsituatie. Het gaat hier dus om een algemene aanpak die niet beperkt blijft tot „frontloading”. Het Comité is van mening dat alle aspecten nauwgezet moeten worden bestudeerd en dat een zo breed mogelijke overlegronde moet worden opgezet met de lidstaten, de sector en de andere betrokken partijen.

4.3.15

Doelstelling van fiche 2 is de hervorming van de bestaande wetgeving inzake de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen, via de geleidelijke hergroepering van de technische maatregelen per visserijtak. Het Comité is voorstander van een benadering per visserijtak voor alle beheersmaatregelen, en i.h.b. voor de technische maatregelen. De Commissie gaat uit van een herstructurering van de wettelijke normen met betrekking tot technische maatregelen, en stelt voor dat de Raad korte algemene richtsnoeren uitwerkt, en het aan de Commissie overlaat de technische aspecten meer in detail vast te leggen. Het Comité plaatst vraagtekens bij deze vereenvoudiging, die ertoe leidt dat de Commissie wetgevingsbevoegdheden gaat uitoefenen die op dit moment tot het terrein van de Raad behoren. Het Comité wil niet raken aan de voorgestelde vereenvoudiging, maar zou graag zien dat de eindverantwoordelijkheid bij de Raad blijft liggen.

4.3.16

Nog in fiche 2 wordt voorgesteld de lidstaten de mogelijkheid te bieden lokale technische maatregelen goed te keuren. Het Comité vreest echter dat misbruik of gebrekkige controle zouden kunnen leiden tot een ongelijke behandeling of zelfs discriminatie van vissers uit bepaalde lidstaten. Bovendien dreigt zo de noodzakelijke uniformiteit van de voorschriften van het gemeenschappelijk visserijbeleid in het gedrang te komen. Een verzoek van een lidstaat in deze zin moet dan ook altijd ter goedkeuring aan de Raad worden voorgelegd.

4.3.17

De Commissie wijst erop dat met het oog op de uitvoering van de voorgestelde maatregelen aan de volgende voorwaarden moet worden voldaan: versterking van de voorafgaande raadpleging van de sector, evaluatie van de resultaten van de technische maatregelen, verduidelijking van sommige technische bepalingen, publicatie van informatiebrochures en –documenten, en verlichting van de rapporteringsverplichtingen voor de vissers. Ook het Comité ziet de noodzaak hiervan in, maar wil de Commissie er toch op wijzen dat het gebruik van informatietechnologie voor het verzamelen en verwerken van gegevens logischerwijze een aanpassingsperiode vereist, en dat de schepen financiële steun nodig zullen hebben om zich aan de nieuwe technologieën aan te passen. Vandaar dat een redelijke overgangsperiode moet worden vastgelegd. Het is immers zaak ruimte te scheppen voor overleg met de technici, de sector en de lidstaten, de commerciële vertrouwelijkheid te waarborgen, de steun en het vertrouwen van de betrokkenen te winnen, te kijken hoe een en ander in werkelijkheid verloopt, en bij te dragen in de extra kosten van de nieuwe materialen. Alleen zo kan het hele hervormingsproces tot een goed einde worden gebracht.

4.3.18

In fiche 3 wordt voorgesteld de wetteksten inzake het verzamelen en het beheer van gegevens voor het GVB te beperken. Net als de in fiche 2 voorgestelde actie houdt ook deze vereenvoudiging een herstructurering van de bestaande juridische indeling in. Zo zou de Raad een algemene verordening uitvaardigen terwijl de Commissie de technische en administratieve aspecten regelt in een toepassingsverordening. Ook in dit verband wil het Comité er weer op wijzen dat de Commissie zijns inziens haar bevoegdheden te buiten gaat (zie ook par. 4.3.15).

4.3.19

In het kader van de vereenvoudiging stelt de Commissie in fiche 3 voor een meerjarenprogramma voor de verlaging van de administratieve lasten van de lidstaten uit te werken. Het Comité ziet het nut van een dergelijk voorstel in, maar verwijst daarbij wel naar zijn eerder geplaatste kanttekeningen (par. 4.3.17).

4.3.20

In fiche 4 wordt voorgesteld de huidige wetgeving op toezichtgebied te hervormen. Zo moeten de vigerende hervormingen worden herzien en aangepast aan het hervormde GVB. De herziening van de toezichtsverordeningen, met de bedoeling de verschillende normen op elkaar af te stellen zodat niet langer uiteenlopende interpretaties mogelijk zijn, is in de ogen van het Comité van het allergrootste belang. Met name de bepalingen inzake inspectie en de manier waarop een en ander in de praktijk dient te verlopen moeten volstrekt duidelijk zijn. Hoe dan ook dient de Commissie bij de vereenvoudiging van de wetgeving op het gebied van toezicht rekening te houden met het bestaan van het communautair bureau voor Visserijcontrole.

4.3.21

In fiche 5 stelt de Commissie voor de gezamenlijke bepalingen inzake toezicht en informatisering te herzien. Bedoeling is dat de Raad een besluit neemt over het voorstel van de Commissie betreffende de elektronische registratie en melding van visserijactiviteiten en een systeem voor teledetectie (12), waarna dan verordeningen kunnen worden vastgesteld. Daarnaast stelt de Commissie een hervorming van de wetgeving betreffende het beheer van de visserijovereenkomsten met derde landen voor, zodat een geïnformatiseerd beheer van de desbetreffende visserijvergunningen, alsook van de vangstgegevens en de relevante visserij-inspanning mogelijk wordt. Ook het Comité ziet de noodzaak van informatisering van de controleregelingen in, maar verwijst naar zijn opmerkingen inzake de noodzaak van een overgangsperiode voor de toepassing van informatietechnologieën (par. 4.3.17).

4.3.22

In fiche zes wordt voorgesteld de GVB-wetgeving in zijn geheel te herzien en de bepalingen te schrappen op grond waarvan rapporteringsverplichtingen worden ingesteld die van weinig of geen nut zijn voor een correcte toepassing van het GVB. Het EESC kan zich vinden in deze maatregelen, waarmee de bureaucratische last voor de betrokkenen en de lidstaten wordt verlicht.

4.3.23

Fiche zeven ten slotte betreft de vergunningsprocedures voor de visserij buiten de communautaire wateren. Zo zouden de bepalingen met betrekking tot het beheer van de met derde landen gesloten visserijovereenkomsten worden vereenvoudigd. De Commissie denkt daarbij m.n. aan herstructurering van de huidige wetgeving, waarbij de basisbeginselen worden overgelaten aan de Raad, en de Commissie zich bezig houdt met de technische en administratieve aspecten. Ook het Comité ziet de noodzaak van een dergelijk vereenvoudiging, en stelt de Commissie voor een modelovereenkomst op te stellen, die de basis zou kunnen vormen voor de onderhandelingen over visserijovereenkomsten met derde landen. Daarnaast zou het toekennen en uitreiken van visserijvergunningen langs elektronische weg kunnen verlopen.

4.3.24

Met het oog op de vereenvoudiging en verbetering van het GVB voor de vloten die buiten de communautaire wateren vissen, dienen de verschillende visserijtakken afzonderlijk te worden benaderd en moeten aparte maatregelen worden uitgewerkt voor de verschillende niveaus: de vloot, vergunningen, verklaringen, enz. Het lijkt het Comité immers logisch dat de rechten en plichten van schepen die een vlag van een van de EU-lidstaten voeren en buiten de communautaire wateren vissen worden aangepast aan de soorten waarop zij vissen en de zone waar zij zich bevinden. Het verzoekt de Commissie deze doelstelling niet te beperken tot het hoofdstuk visserijovereenkomsten (of associatieovereenkomsten). Belangrijk in dit verband is dat de door de communautaire sociale partners goedgekeurde sociale clausule wordt nageleefd.

4.3.25

Ten slotte zou het Comité graag zien dat wordt verwezen naar de strijd tegen illegale, niet-gereglementeerde en niet-aangegeven visserij, die immers tot de doelstellingen van het GVB (en meer in het bijzonder de externe dimensie daarvan) behoort. Zo zou de Commissie als doelstelling kunnen vermelden dat moet worden gezocht naar de meest eenvoudige en efficiënte manier om de strijd tegen illegale, niet-gereglementeerde en niet-aangegeven visserij aan te pakken. De toegang tot de consumptiemarkten, de versterking van de bevoegdheden van de desbetreffende havenstaat en het verbod op overslag op volle zee moeten daarbij centraal staan.

5.   Bijzondere opmerkingen

5.1

Het in de mededeling uiteengezette actieplan 2006-2008 is van cruciaal belang voor de verbetering van de communautaire visserijwetgeving. Alle belangrijke wetgeving op het gebied van controle en beheer van de visbestanden wordt in de Commissievoorstellen vermeld; het Comité spoort de Commissie er dan ook toe aan haar werkzaamheden onverwijld verder te zetten.

5.2

Het Comité hecht m.n. bijzonder belang aan de voorstellen ter vereenvoudiging en verbetering van de wetgeving inzake TAC's, quota en de visserij-inspanning, die o.m. de ontwikkeling van een meerjarenaanpak inhouden.

5.3

De uitvoering van het actieplan 2006-2008 kan ertoe leiden dat de Commissie nieuwe toepassingsverordeningen moet opstellen. Dat hoeft volgens het Comité geen probleem te zijn. Er komt dan wel nieuwe wetgeving bij, maar de verordeningen zullen eenvoudig en leesbaar zijn, enkel gericht op de betrokken visserijtak, en waar mogelijk geconsolideerd.

5.4

In verband met dit laatste aspect wil het Comité er nog op wijzen dat de veelvuldige verwijzingen in de huidige visserijwetgeving naar andere verordeningen, richtlijnen en mededelingen vaak voor interpretatieproblemen zorgen. Consolidatie van de teksten is van cruciaal belang om tot een vlot leesbare en begrijpelijke wetgeving te komen.

5.5

Bij de uitvoering van de regels voor toezicht is de coördinatie tussen de Commissie en het communautair bureau voor Visserijcontrole van groot belang. Een vaak gehoorde klacht van de vissers is dat de verschillende lidstaten de communautaire wetgeving inzake controle van de visserijactiviteit elk op hun manier interpreteren. Het is aan het communautair bureau voor Visserijcontrole om de criteria op elkaar af te stemmen.

5.6

Om de communautaire teksten ook elektronisch toegankelijk te maken moet de communautaire visserijwetgeving worden geïnformatiseerd. De invoering van de nieuwe informatietechnologieën op de vissersschepen dient echter langzaam en geleidelijk te verlopen en mag de vissers niets kosten. Het is immers niet ondenkbaar dat bepaalde informaticatoepassingen niet geschikt zijn voor gebruik op schepen.

5.7

Het Comité hoopt dat de Commissie er van doordrongen is dat haar actieplan 2006-2008 broodnodig is en een grote sprong betekent voor de communautaire visserijsector, en dat zij zich dus niet zal laten tegenhouden door eventuele moeilijkheden.

Brussel, 5 juli 2006

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Anne-Marie SIGMUND


(1)  COM(2001) 428 final van 30 juli 2001.

(2)  PB nr. C 125 van 27 mei 2002, blz. 61 (COM(2001) 428 final „Europese governance — een Witboek”).

(3)  COM(2002) 278 final van 5 juni 2002 — Actieplan „Vereenvoudiging en verbetering van de regelgeving”.

(4)  COM(2003) 71 final van februari 2003.

(5)  COM(2005) 97 final, maart 2005.

(6)  PB nr. C 321 van 31 december 2003 en correctie PB C van 8 januari 2004.

(7)  COM(2005) 535 final, oktober 2005, „Uitvoering van het Lissabon-programma van de Gemeenschap: en strategie voor de vereenvoudiging van de regelgeving”.

(8)  COM(2004) 820 final van 15 december 2004.

(9)  Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad.

(10)  COM(2004) 497 final.

(11)  COM(2005) 647 final van 8-12-2005.

(12)  COM(2004) 724 final.


16.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 309/67


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de „Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Thematische strategie inzake het duurzame gebruik van de natuurlijke hulpbronnen”

(COM(2005) 670 final — (SEC(2005) 1683 + SEC(2005) 1684))

(2006/C 309/14)

De Europese Commissie heeft op 21 december 2005 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité, overeenkomstig artikel 262 van het EG-Verdrag, te raadplegen over bovengenoemde Mededeling.

De gespecialiseerde afdeling „Landbouw, plattelandsontwikkeling, milieu”, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 24 mei 2006 goedgekeurd. Rapporteur was de heer RIBBE.

Het EESC heeft tijdens zijn op 5 en 6 juli 2006 gehouden 428e zitting (vergadering van 5 juli) het volgende advies uitgebracht, dat met 157 stemmen vóór en 2 stemmen tegen, bij 6 onthoudingen, is goedgekeurd:

1.   Samenvatting van de conclusies en aanbevelingen van het Comité

1.1

Het EESC is over het algemeen ingenomen met de Mededeling van de Commissie „Thematische strategie inzake het duurzame gebruik van de natuurlijke hulpbronnen” en onderschrijft de daarin vervatte tendens om productiviteit en efficiëntie van hulpbronnen te verbeteren, d.w.z. om economische groei verder los te koppelen van het verbruik van hulpbronnen en tegelijk de milieubelasting daarvan terug te dringen.

1.2

Het EESC herhaalt zijn reeds twee jaar geleden aan de Commissie voorgelegd standpunt dat een desbetreffende strategie van de Commissie ook uitgebreid moet ingaan op de niet-hernieuwbare hulpbronnen. Het is het EESC een doorn in het oog dat dit in het Commissiedocument niet aan de orde komt.

1.3

Volgens het EESC moet de strategie tevens ondubbelzinnige uitspraken bevatten over niet- hernieuwbare hulpbronnen, die absoluut verder moeten gaan dan de geplande periode van deze strategie (25 jaar). Het EESC acht daarom een aanvulling op de strategie en een verlenging van de duur tot 50 of 100 jaar op zijn plaats, waarbij dan natuurlijk tussentijdse maatregelen moeten worden geformuleerd.

1.4

Voor het behoud van bepaalde natuurlijke hulpbronnen (bijv. visbestanden) geldt dan ook dat er geen moment meer te verliezen valt: op deze gebieden moeten onmiddellijk concrete stappen worden gezet.

1.5

Voor het welslagen van een concrete strategie is het noodzakelijk om eerst duidelijke, tastbare doelstellingen te omschrijven, die vervolgens met concrete, eveneens duidelijk geformuleerde instrumenten gestalte krijgen (de eigenlijke strategie). Helaas schort het de mededeling aan heldere doelstellingen en concrete instrumenten. Oorzaak hiervan is onder andere dat er één allesomvattende strategie niet mogelijk is voor de velerlei verschillende natuurlijke hulpbronnen. Daarvoor zijn aparte, op de sector afgestemde strategieën nodig, waaraan de Commissie nu dan ook gedeeltelijk werkt.

1.6

Daarom kan het EESC de mededeling niet beschouwen als een heuse strategie, maar meer als lovenswaardige en correcte uitgangspunten, die niet kunnen worden uitgevoerd met behulp van de voorgestelde databanken en op te richten comités van deskundigen.

2.   Belangrijkste onderdelen en achtergrond van het advies

2.1

Op 1.10.2003 publiceerde de Europese Commissie een mededeling aan de Raad en het Europees Parlement met de titel „Naar een thematische strategie voor het duurzame gebruik van natuurlijke hulpbronnen” (1). Hierin werden de uitgangspunten van een dergelijke strategie uiteengezet en werd overgegaan tot een eerste raadpleging van de betrokken of geïnteresseerde maatschappelijke kringen.

2.2

Het EESC heeft destijds in zijn advies van 28 april 2004 over het duurzame gebruik van natuurlijke hulpbronnen (2) het voorstel van de Commissie om hiervoor een strategie uit te werken, in beginsel onderschreven.

2.3

Vervolgens legde de Commissie op 21.12.2005 aan de Raad, het Europees Parlement, het EESC en het CvdR de „Thematische strategie inzake het duurzame gebruik van de natuurlijke hulpbronnen” voor. Het desbetreffende Commissiedocument (3) staat centraal in dit advies.

2.4

Het EESC is vanzelfsprekend ook nu ingenomen met de gepresenteerde „strategie”, die het ook in samenhang met de strategie voor duurzame ontwikkeling bekijkt. Een Europese strategie voor het behoud van de verschillende al dan niet hernieuwbare hulpbronnen is volgens het EESC dringend vereist om de problemen die op ons afkomen op afdoende wijze aan te pakken. De mededeling is zonder meer een stap in de goede richting, maar de beschreven initiatieven en acties volstaan volgens het EESC niet.

3.   Opmerkingen naar aanleiding van de mededeling van de Commissie

3.1

De probleemanalyse die de Commissie heeft gemaakt, is begrijpelijkerwijze in beide mededelingen dezelfde. Er wordt uiteengezet dat

het functioneren van de economie afhankelijk is van de aanwezigheid en dus van de beschikbaarheid van zowel hernieuwbare als niet-hernieuwbare natuurlijke hulpbronnen,

de natuurlijke hulpbronnen voor onze levenskwaliteit van belang zijn,

het huidige patroon van hulpbronnengebruik niet kan worden gehandhaafd, ook al is „de materiaalefficiëntie in Europa aanzienlijk(…) toegenomen”,

bijgevolg een nog sterkere ontkoppeling van economische groei en hulpbronnengebruik en –verbruik dringend noodzakelijk is en dat

een inefficiënt hulpbronnengebruik en een te grote exploitatie van hernieuwbare hulpbronnen de groei langdurig afremmen.

3.2

Aanzienlijk meer nadruk ligt er in het document op het idee dat het niet alleen gaat om de ontkoppeling van economische groei van het verbruik van hulpbronnen, maar ook om een reductie van de milieu-effecten van het (verminderde resp. te verminderen) verbruik van hulpbronnen; een soort dubbele strategie dus, die de Commissie al jaren geleden, vóór het besluit tot de duurzaamheidsstrategie, als de „factor-10-aanpak” omschreven heeft.

3.3

Een voorbeeld: door een hoger rendement produceren moderne kolencentrales thans een kilowattuur stroom met gering verbruik van hulpbronnen. Om de milieudruk verder te reduceren, wordt er nu bijv. aan gewerkt om de klimaatrelevantie van elke gebruikte ton kolen verder terug te dringen, o.a. door de ontwikkeling van zgn. „klimaatneutrale” centrales, waar het vrijkomende CO2 gebonden en vervolgens ondergronds opgeslagen wordt.

3.4

Met de onderhavige „strategie” wordt beoogd deze efficiënte aanpak tot het uitgangspunt te maken voor het gebruik van alle natuurlijke hulpbronnen, waarmee het EESC zeer ingenomen is.

Kritische kanttekeningen van het EESC

3.5

Hoewel het EESC dus geheel achter die aanpak van de Commissie staat, plaatst het toch enkele zeer kritische opmerkingen bij de gepresenteerde „strategie”:

3.6

De Commissie beweert in haar mededeling dat onderscheid moet worden gemaakt tussen hernieuwbare en niet-hernieuwbare hulpbronnen en dat de belangrijkste problemen met name verband houden met hernieuwbare hulpbronnen (bijv. visbestanden, zoet water).

3.7

Zij merkt op dat het hulpmiddelengebruik de laatste 30 jaar centraal heeft gestaan (en nog steeds staat) in het Europese milieupolitieke debat en dat „In de jaren zeventig, in de nasleep van de eerste oliecrisissen, (…) de schaarste van natuurlijke hulpbronnen en de grenzen van de groei een belangrijk punt van zorg” waren. Maar „die schaarste (heeft) niet tot de destijds voorspelde milieuproblemen geleid. Op wereldschaal is er geen sprake van uitputting van de fossiele-brandstoffenreserves en de markt heeft zich via het prijsmechanisme aan de schaarste aangepast”.

3.8

Inderdaad is het probleem vanuit ecologisch oogpunt niet in de eerste plaats of een niet-hernieuwbare hulpbron schaars, nog of niet meer beschikbaar is. Het ecologische probleem begint — en dit is ook het uitgangspunt van de Commissie — bij de gevolgen van de (overmatige) benutting daarvan, bijvoorbeeld voor het klimaat. Het milieuprobleem ontstaat dus niet als de in de vorm van olie, kolen of gas opgeslagen zonne-energie op raakt. Het EESC tekent evenwel aan dat de binnenkort uitgeputte niet-hernieuwbare hulpbronnen dramatische gevolgen zullen hebben voor de economie en dus ook voor de samenleving, met aanzienlijke consequenties voor onze levensstandaard. Het gaat dus niet alleen om de ecologische gevolgen van de exploitatie van hulpbronnen, maar zonder meer ook om de potentiële toegang tot natuurlijke hulpbronnen voor de huidige en toekomstige generaties. In de duurzaamheidsdiscussie is één van de kernopgaven van de komende decennia om de beschikbaarheid van hulpbronnen ook voor toekomstige generaties te waarborgen. Het vraagstuk van de schaarser wordende hulpbronnen is dus, naar het oordeel van het EESC niet uitsluitend een milieu-, maar ook een duurzaamheidskwestie, waar zoals bekend ecologische, sociale en economische criteria van toepassing zijn.

3.9

De verwijzing van de Commissie naar de „markt”, die op het schaarser wordende aanbod met hogere prijzen reageert, is volkomen juist. De deels dramatische verhogingen van de olieprijs van de laatste maanden, die ook de Europese economie zwaar getroffen hebben, zijn natuurlijk niet alleen het gevolg van de lang van tevoren te verwachten uitputting van de betroffen niet-hernieuwbare hulpbronnen, maar houden tevens verband met de marktmacht van gedeeltelijk monopolistische aanbieders, en met politieke instabiliteit in de landen die over de grootste voorraden van deze hulpbronnen beschikken.

3.10

Het EESC herhaalt zijn standpunt dat het twee jaar geleden al in een advies over het discussiestuk geuit heeft: het is een politiek verkeerd signaal aan de samenleving om nu met een „strategie” te komen die niet verder kijkt dan 25 jaar en die geen of volstrekt onvoldoende aandacht schenkt aan het voor geruime tijd onvermijdelijk schaarser worden dan wel opraken van bepaalde, niet-hernieuwbare hulpbronnen van levensbelang (zoals de fossiele brandstoffen). Naar het oordeel van het EESC geeft beschikbaarheid van niet-hernieuwbare hulpbronnen de doorslag als er verantwoordelijkheid moet worden genomen ten aanzien van de vereiste duurzaamheidscriteria.

3.11

Het EESC herinnert er in dit verband aan dat tal van economische sectoren niet alleen in het algemeen zijn aangewezen op de beschikbaarheid van fossiele energiebronnen, maar ook op de „goedkope” levering daarvan. De economieën die in deze zin zijn opgebouwd, zullen in de toekomst met zeer grote aanpassingsproblemen te kampen krijgen. In dat opzicht onderschrijft het EESC opnieuw de uitspraak van de Commissie dat „Inefficiënt grondstoffengebruik ... die groei op lange termijn (zal afremmen)”.

3.12

Stijgende grondstoffenprijzen zijn aanvankelijk nog enigszins te compenseren met meer efficiëntie. In veel sectoren echter, bijv. op vervoers- en ennergiegebied, kunnen schaarste of extreem hoge prijzen nopen tot omvangrijke structurele veranderingen. Daar dit uiterst hoge investeringen kan vergen, dienen de bakens zo vroeg mogelijk te worden verzet om verkeerde allocaties te vermijden.

3.13

Een voorbeeld voor zulk strategisch langetermijndenken is de aankondiging van de Zweedse regering om zowel te stoppen met kernenergie alsook de afhankelijkheid van aardolie aan te pakken. Vanzelfsprekend is die weg slechts op lange termijn voorstelbaar, maar hij dient vroegtijdig te worden ingeslagen om latere crises in economie en samenleving te vermijden.

3.14

Het EESC is derhalve van oordeel dat de EU-strategie op dergelijke kwesties actief moet inspelen; helaas is dit niet het geval. De vraag rijst of dat komt doordat de termijn van 25 jaar die de Commissie voor de strategie in gedachten heeft, wellicht (veel) te kort is. Het is voor het EESC onaanvaardbaar dat de Commissie opmerkt dat binnen deze periode vermoedelijk niet hoeft te worden gerekend op ernstige schaarste van niet-hernieuwbare grondstoffen, waardoor de kwestie van de niet-hernieuwbare grondstoffen zo goed als buiten beschouwing blijft. De Commissie moet over de niet-hernieuwbare hulpbronnen duidelijke uitspraken doen die verder gaan dan de huidige duur van de strategie. Het is daarom nu al nodig om de termijn van de strategie te verlengen, bijv. tot 50 of zelfs 100 jaar, wat gelet op grondstoffenexploitatie een naar verhouding korte periode is. Natuurlijk moeten voor die tijd voor de doelstellingen op lange termijn tussentijdse stappen geformuleerd worden. Het EESC herinnert eraan dat de Commissie dit voornemen al in 2005 in een mededeling (4) heeft aangekondigd.

3.15

De overkoepelende doelstelling van de strategie bestaat er volgens de Commissie in dat „de negatieve milieueffecten waarmee de exploitatie van natuurlijke hulpbronnen in een groeiende economie gepaard gaat, worden verminderd”. In Europa is natuurlijk niemand te vinden die tegen een zo algemene, en tegelijk zo vage doelstelling bezwaar zou maken.

3.16

De Commissie ziet er bewust vanaf om „in deze eerste fase ... in de strategie ... kwantitatieve streefcijfers” aan te geven. Het EESC acht dit principieel fout. Enerzijds is er niets nieuws onder de zon: de problemen zijn al jaren, soms al decennia bekend. Anderzijds heeft het EESC er op tal van plaatsen al op gewezen dat het voor een echt succesvolle strategie noodzakelijk is duidelijke doelstellingen vast te leggen. Een strategie is nu eenmaal een plan om doelstellingen te verwezenlijken! Als doelstellingen ontbreken, geheel vrijblijvend worden geformuleerd of te algemeen zijn, dan is de politiek stuurloos als het er om gaat te bepalen welke beleidsinstrumenten waar en wanneer moeten worden toegepast.

3.17

Daarom gaat het volgens het EESC bij de „Thematische strategie inzake duurzaam gebruik van de natuurlijke hulpbronnen” niet echt om een strategie, maar veeleer om uitgangspunten die op zich correct zijn — dit moet uitdrukkelijk benadrukt worden — waarvoor de aparte uitvoeringsstrategieën voor de desbetreffende natuurlijke hulpbronnen nog geformuleerd moeten worden.

3.18

Het EESC beseft vanzelfsprekend dat het nauwelijks mogelijk is om met één strategie alle natuurlijke hulpbronnen uitputtend te behandelen: daar is de materie veel te ingewikkeld voor. Daarom is de opname van deze correcte uitgangspunten in aparte strategieën en in het algemene beleid onontbeerlijk. Dat is ook de reden waarom de Commissie, bijna tegelijk met de onderhavige „strategie”, een thematische strategie voor afvalpreventie en -recycling (5) (indirect ook een natuurlijke hulpbron) heeft gepresenteerd en een thematische strategie voor bodembescherming heeft aangekondigd. Doorslaggevende strategische besluiten dienen duidelijk hun stempel te drukken op het desbetreffende sectorbeleid.

3.19

Op die manier kunnen alle betrokkenen beter zien, waar welke strategie begint. Aan de hand van concrete voorbeelden kan een verband gelegd worden met andere strategieën, EU-beleidsgebieden en de lidstaten. Zo kunnen de verantwoordelijkheden ondubbelzinnig worden vastgelegd, waarmee de verwezenlijking van de strategische richtsnoeren meer gediend is.

3.20   Vier initiatieven om de doelstellingen te verwezenlijken

De Commissie somt in haar mededeling in totaal vier nieuwe initiatieven op waarmee de grondslag moet worden gelegd voor de strategie voor de komende 25 jaar:

„opbouw van de kennisbasis”, wat de oprichting van een „datacentrum ten behoeve van de beleidsmakers” behelst;

„meting van de vooruitgang”, waaronder de ontwikkeling van diverse indicatoren tot 2008 wordt verstaan;

de „interne dimensie”: enerzijds stelt de Commissie voor dat de afzonderlijke lidstaten nationale maatregelen en programma's uitwerken voor het duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen, anderzijds is een „Forum op hoog niveau ...uit hoge ambtenaren” gepland die in de lidstaten „bevoegd zijn voor de ontwikkeling van het beleid ten aanzien van de natuurlijke hulpbronnen”; dit Forum dient verder te bestaan uit vertegenwoordigers van de Commissie, en „voorzover passend” (wat dat ook moge betekenen) consumentenorganisaties, milieu-ngo's, het bedrijfsleven, de universitaire wereld, enz.;

de „globale dimensie”, waarbij het de bedoeling is een „internationaal panel ... in het leven te roepen”.

3.21

Het EESC is overtuigd van zin en nut van zulke databanken en nieuwe panels. Hoe meer we weten en hoe meer mensen, met name met politieke verantwoordelijkheid, zich in de kwestie verdiepen, hoe beter.

3.22

Toch wil het EESC de Commissie nog eens vragen of zij meent hiermee daadwerkelijk een „strategie” te hebben geformuleerd die het beleid kan beïnvloeden. Met de geschetste maatregelen zijn de beschreven problemen immers geenszins op te lossen.

3.23

Met dergelijke aankondigingen wordt eerder de indruk gewekt dat eerst de kennisbasis moet worden uitgebreid om de grondslag te leggen voor politiek optreden. Het EESC beschouwt dit niet zozeer als een strategie van consequent handelen, alswel als een strategie gericht op uitstel van politieke beslissingen. De Commissie dient alles in het werk te stellen om te voorkomen dat die indruk ontstaat.

3.24

Zo is al jaren bekend dat de natuurlijke hulpbron „vis” volstrekt overgeëxploiteerd wordt. De Commissie reageert op deze dreigende situatie jaarlijks met de zeker geheel en al te rechtvaardigen eis om kleinere vangstquota vast te stellen, om bijv. overbevissing van de kabeljauw terug te dringen (6). Zonder succes. Een nieuwe gegevensbank en nieuwe panels zijn niet de manier om dit probleem in de toekomst op te lossen!

3.25

Het EESC hoopt daarom dat er een einde komt aan het praten over bepaalde natuurlijke hulpbronnen en dat er eindelijk eens actie ondernomen wordt, bijv. voor het behoud van de visbestanden.

3.26

Met deze uitspraak wil het EESC nog eens duidelijk maken dat het de zogenaamde „instrumenten” die de Commissie in het kader van de strategie voorstelt geenszins voldoende acht.

3.27

Reeds in het advies over het werkdocument van de Commissie, alsook in diverse andere adviezen, zoals over aspecten van duurzame ontwikkeling of over energie- en vervoersbeleid heeft het EESC de Commissie opgeroepen om

enerzijds voor het te voeren beleid duidelijke, d.w.z. kwantificeerbare doelstellingen vast te leggen,

anderzijds de instrumenten — ook en juist die van fiscale aard — waarmee de doelstellingen moeten worden bereikt, nauwkeurig te omschrijven. Zo heeft het EESC de Commissie meermaals verzocht om toe te lichten hoe zij tot de vaak besproken internalisatie van de externe kosten wil komen.

3.28

Tot nu toe heeft de Commissie in dit verband nog niet de geringste aanzet gegeven. Concrete doelstellingen, zoals het „factor-10-begrip” (7), zijn net zo ver weg als de beschrijving en uiteenzetting van instrumenten.

3.29

Het EESC acht het daarom noodzakelijk dat de Commissie, als ze het over een „strategie” heeft, duidelijk maakt met welke beleidssturende instrumenten en vereiste maatregelen zij helder omschreven doelstellingen wil verwezenlijken.

3.30

Het EESC wijst in dit verband op zijn in mei 2006 uitgebrachte advies over de „Herziening van de EU-strategie voor duurzame ontwikkeling — een actieplatform” (8), waarin het dit probleem eveneens aansnijdt.

Brussel, 5 juli 2006

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Anne-Marie SIGMUND


(1)  COM(2003) 572 final van 1.10.2003.

(2)  PB C 117 van 30.4.2004.

(3)  COM(2005) 670 final van 21.12.2005.

(4)  COM(2005) 37 final; zie de verwijzingen in het EESC-advies over de „Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement — Herziening van de EU-strategie voor duurzame ontwikkeling — Een actieplatform” (CESE 361/2006).

(5)  COM(2005) 666 final.

(6)  Wat er in ieder geval nog niet toe heeft geleid dat de bedreigde kabeljauw van het menu in de restaurants van de Europese instellingen verdwenen is.

(7)  Zie COM(1999) 543 van 24.11.1999, blz. 16, par. 4.4: Efficiënt gebruik en beheer van natuurlijke rijkdommen, alsook het EESC-advies over de Mededeling van de Commissie: „Het milieu in Europa — Wat zijn de vooruitzichten? De algemene evaluatie van het beleidsplan en actieprogramma van de Europese Gemeenschap op het gebied van het milieu en duurzame ontwikkeling 'Op weg naar duurzame ontwikkeling”, PB C 204 van 18.7.2000, blz. 59 — 67.

(8)  COM(2005) 658, NAT/304, ontwerpadvies over de Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad „Herziening van de EU-strategie voor duurzame ontwikkeling” — „Een actieplatform” (CESE 361/2006).


16.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 309/71


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende de bestrijding van de San José-schildluis

(COM(2006) 123 final — 2006/0040 (CNS))

(2006/C 309/15)

De Raad heeft op 2 mei 2006 besloten, het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig de artt. 37 en 94 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap te raadplegen over bovengenoemd voorstel.

De afdeling Landbouw, plattelandsontwikkeling, milieu, die met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 24 mei 2006 goedgekeurd. Rapporteur was de heer Siecker.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 5 en 6 juli gehouden 428e zitting (vergadering van 5 juli) onderstaand advies uitgebracht, dat met 166 stemmen vóór en 2 stemmen tegen werd goedgekeurd.

1.   Inleiding

1.1

Dit voorstel beoogt de codificatie van Richtlijn 69/466/EEG van de Raad van 8 december 1969 betreffende de bestrijding van de San José-schildluis. De nieuwe richtlijn vervangt de verschillende besluiten die erin zijn verwerkt; dit voorstel laat de inhoud van de besluiten die worden gecodificeerd onverlet en beperkt zich er derhalve toe deze samen te voegen en daarin slechts de formele wijzigingen aan te brengen die voor de codificatie zelf vereist zijn.

2.   Algemene opmerkingen

2.1

Het Comité vindt de samenvoeging van alle teksten in één richtlijn zeer nuttig. In de context van het Europa van de burgers hecht het Comité, net als de Commissie, groot belang aan het vereenvoudigen en verduidelijken van het Gemeenschapsrecht, om het aldus duidelijker en meer toegankelijk te maken voor de gewone burger, waardoor deze nieuwe mogelijkheden wordt geboden om gebruik te maken van de specifieke rechten die hij aan het Gemeenschapsrecht kan ontlenen.

2.2

Er is verzekerd dat deze bundeling van bepalingen niet zal leiden tot inhoudelijke veranderingen, en dat deze er alleen toe dient het Gemeenschapsrecht op een duidelijke en transparante wijze te presenteren. Dit streven heeft de volledige steun van het Comité, dat gezien de afgegeven garanties ingenomen is met het voorstel.

Brussel, 5 juli 2006

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Anne-Marie SIGMUND


16.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 309/72


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „Risico's en problemen bij de voorziening van de Europese industrie met grondstoffen”

(2006/C 309/16)

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 14 juli 2005 besloten, overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde, een initiatiefadvies op te stellen over „Risico's en problemen bij de voorziening van de Europese industrie met grondstoffen”.

De adviescommissie Industriële reconversie (CCMI), die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies goedgekeurd op 22 mei 2006. Rapporteur was de heer Voss, corapporteur de heer Gibellieri.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 428e zitting op 5 en 6 juli 2006 (vergadering van 5 juli) onderstaand advies uitgebracht, dat met 157 stemmen vóór, bij 7 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Samenvatting en aanbevelingen

1.1

De aanbevelingen dienen te worden opgevat als richtsnoer inzake politieke besluiten voor een toekomstgericht beleid inzake hulpbronnen, onderzoek, ontwikkeling en externe aangelegenheden op EU- en nationaal niveau. Om de doelstellingen van Lissabon te kunnen verwezenlijken en tegen het einde van dit decennium van de EU de meest concurrerende en dynamische economische ruimte ter wereld te kunnen maken, is een innovatief industriebeleid nodig, dat op sociaal en milieuvlak aan alle eisen voldoet. Dergelijk beleid vereist bereidheid tot structurele hervormingen. Deze hervormingen dienen deel uit te maken van een proactieve, geïntegreerde strategie voor duurzame ontwikkeling. Niet alleen moet ernaar gestreefd worden om de materiaalefficiency van het productieproces te verhogen en zuiniger met alle hulpbronnen om te gaan, maar ook naar de geleidelijke vervanging van eindige door duurzame bronnen. Hiermee zijn de lijnen uitgestippeld voor een nieuw, op technologische innovaties geënt industriebeleid, waarmee hoogwaardige, duurzame banen in de industrie en de aanverwante dienstensector kunnen worden gecreëerd.

1.2

In een markteconomie is de waarborging van de voorziening met grondstoffen in eerste instantie een taak van het bedrijfsleven. Van de politiek wordt evenwel verwacht dat zij meehelpt de randvoorwaarden voor de continuïteit van die voorziening te creëren en via het industrie-, onderzoeks-, arbeidsmarkt- en milieubeleid een duurzame voorziening met grondstoffen aanmoedigt. De stimulering van een versterkte toepassing van nieuwe technologieën is immers niet alleen bevorderlijk voor concurrentiepositie en arbeidsmarkt, maar ook voor de omschakeling op een duurzame economie.

1.3

Een duurzaam grondstoffenbeleid gebaseerd op levenscyclusanalyses draagt bij tot een efficiëntere en milieuvriendelijkere winning van minerale en metaalhoudende grondstoffen en de ontwikkeling van recyclingprocédés, bevordert de geleidelijke en sterk toenemende substitutie — voor zover technisch mogelijk — van grondstoffen die beperkt beschikbaar zijn en het broeikasgaseffect versterken door koolstofarme, duurzame en klimaatneutrale energiebronnen, en stimuleert de toepassing op die grondstoffen van efficiënte technieken waarbij maar weinig koolstof vrijkomt. De EU en de regeringen van de lidstaten moeten hier met een gericht beleid naartoe werken. Het EESC is van mening dat beide strategieën — verhoging van de efficiency en substitutie — ervoor kunnen zorgen dat de EU voor haar voorziening met grondstoffen minder afhankelijk wordt van invoer.

1.4

Gezien de aanzienlijke toename van het grondstoffenverbruik wereldwijd, valt te verwachten dat er in de toekomst in ieder geval voor een aantal grondstoffen knelpunten zullen ontstaan in de voorziening. De veranderingen op de mondiale markt vergen een proactief economisch beleid in de EU en de lidstaten. Waarborging van de continuïteit van de voorziening met grondstoffen is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven, maar de Europese instellingen en de lidstaten kunnen respectievelijk met een actief handels-, onderzoeks- en buitenlands beleid en hun nationale grondstoffen- en energiebeleid helpen voorkomen dat de productie naar het buitenland wordt verplaatst. Het EESC roept er de lidstaten derhalve toe op om mee te werken aan het formuleren van een Europees grondstoffen- en energiebeleid en hun verantwoordelijkheid op te nemen om hier een duurzaam beleid van te maken.

1.5

Het EESC is van mening dat de EU, in nauwe samenwerking met de lidstaten en de belanghebbende partijen, er zorg voor moet dragen dat de voorziening van de Europese industrie met grondstoffen niet in het gedrang komt en de prijzen op de mondiale grondstoffenmarkt redelijk blijven. De Europese Unie zou daarom maatregelen moeten nemen om oneerlijke mededingingspraktijken en protectionistische neigingen aan te pakken, zowel via internationale organisaties als WTO, OESO en IAO, als bilateraal. Een belangrijk instrument in dit verband is de intensieve dialoog met de politieke en industriële actoren die invloed hebben op de grondstoffenmarkt.

1.6

Het EESC is ervan overtuigd dat de Europese industrie alle troeven in handen heeft om de uitdagingen het hoofd te bieden waarvoor de structurele veranderingen op de mondiale markt haar nu en anders wel in de toekomst zullen plaatsen. Europa is een aantrekkelijke vestigingsplaats voor de industrie en zal dat ook kunnen blijven én zich tegelijkertijd tot een duurzame economische ruimte kunnen ontwikkelen als er een alomvattend innovatief beleid wordt gevoerd waarin zowel aandacht is voor welvaart als voor sociale en milieu-effecten.

1.7

Tot slot zij erop gewezen dat juist vanwege de hoge industrialisatiegraad van Europa de voorziening met grondstoffen een cruciale factor is om de doelstellingen van Lissabon te verwezenlijken. Het feit dat Europa relatief sterk is aangewezen op de invoer van fossiele, metaalhoudende en minerale grondstoffen brengt niet alleen risico's met zich mee op het vlak van de continuïteit van die voorziening, maar gelet op het wereldwijde verbruik ook qua prijsontwikkelingen. Bedrijfsleven en politiek kunnen preventief maatregelen nemen om de energie-efficiency te verhogen, innovaties op het gebied van grondstoffen en recycling en substitutie van niet-hernieuwbare grondstoffen door duurzame hulpbronnen te stimuleren en diversificatie van het grondstoffenaanbod te bevorderen door meer hulpbronnen in Europa zelf aan te boren. Voor de steenkoolsector gaat het ook om de vraag of men in de toekomst erin zal slagen „schone steenkool” te produceren. Zeker is dat het niet volstaat om alleen maatregelen te nemen die een voldoende groot grondstoffenaanbod tegen concurrerende prijzen waarborgen. De politiek moet zich overal ter wereld ten taak stellen het toenemende verbruik van fossiele brandstoffen drastisch in te perken. In de komende maanden moet worden uitgemaakt welke rol de EU in dit proces kan spelen.

2.   Probleemstelling

2.1

Grondstoffen staan aan de basis van een wijdvertakte productieketen. In een tijd van toenemende globalisering zijn grondstoffen een fundamentele voorwaarde voor de werking en de ontwikkelings- en groeimogelijkheden van een economie. Dit geldt voor energiebronnen en voor een groot aantal metaalhoudende, minerale en biologische grondstoffen die onontbeerlijk zijn voor het industriële productieproces. Europa is voor veel grondstoffen aangewezen op invoer. Lange tijd is dit feit veronachtzaamd, maar nu de grondstofprijzen stijgen dringt het besef sterker door. De prijsexplosies bij fossiele brandstoffen en in de kolen- en staalsector laten in dit opzicht niets aan de verbeelding over.

2.2

Vaak wordt nauwelijks beseft hoe belangrijk bepaalde grondstoffen zijn. Een mogelijk verklaring hiervoor is dat grondstoffen in het totale productiefactorenpakket slechts van ondergeschikte betekenis zijn, hoewel zij in tegenstelling tot de andere productiefactoren op korte termijn niet vervangbaar zijn. Haperingen in de voorziening met grondstoffen of, erger nog, uitblijvende leveranties leiden daarom vaak tot navenante inkrimpingen van de productie. De prijsbewegingen op de grondstoffenmarkt werken vrijwel onverminderd door in de kosten van de verwerkende productiesectoren en beïnvloeden aldus de hele economie. Ook de gevolgen op sociaal vlak mogen niet uit het oog worden verloren.

2.3

De enorme groei van de economie in andere delen van de wereld (bijv. China, India) heeft ertoe geleid dat het verbruik van energiedragers en grondstoffen voor de industriële productie aanzienlijk is gestegen.

2.4

Tevens dient te worden gewezen op de regionale verdeling van de grondstoffen en de discrepantie tussen vindplaats en plaats van verbruik. Met name Europa is als regio nu al sterk aangewezen op de invoer van grondstoffen en fossiele brandstoffen en zal in de toekomst nog sterker hiervan afhankelijk worden.

2.5

De Europese economie staat of valt met de energievoorziening. Gezien het niet-duurzame karakter van een groot aantal bronnen, de dramatische prijsstijgingen, de invloed van militaire en politieke gebeurtenissen op de continuïteit van de energievoorziening en het in een mondiale context vaak inefficiënte energiebeleid van nationale staten, kent Europa een zeer groot voorzieningsrisico.

3.   Mondiale situatie

3.1

Hoewel de constateringen ook voor veel andere grondstoffen opgaan, zal hieronder ter illustratie de situatie op de energiemarkt worden besproken. Voor deze markt, die op dit moment met een aantal kritieke ontwikkelingen (olieprijsschommelingen, leveringsstop van Russisch aardgas) kampt, zijn goede gegevens beschikbaar en worden inmiddels al politieke maatregelen besproken.

3.2

Wereldwijd is de aardolieproductie in 2004 gestegen tot 3 847 megaton. In totaal is er vanaf het begin van de industriële aardolieproductie tot eind 2004 ca. 139 gigaton aardolie geproduceerd, waarvan de helft in de loop van de afgelopen 22 jaar. Dit betekent dat al meer dan 46 % van de bewezen conventionele aardolievoorraden is opgebruikt.

3.3

In dit verband dient met name op de rol van China te worden gewezen. China is in de afgelopen 20 jaar van netto-exporteur van ruwe aardolie netto-importeur geworden en zal vanwege de snelle economische groei die het doormaakt, in de toekomst een nog groter beroep doen op de voorraden die wereldwijd beschikbaar zijn.

3.4

Daarnaast hebben andere factoren, zoals de oorlog in Irak, de orkanen in Amerika, vertragingen in de investeringen die geleid hebben tot knelpunten in de productie- en vervoerscapaciteiten, tijdelijke onderbrekingen in de olievoorziening als gevolg van stakingen en speculatie, ertoe bijgedragen dat de aardolieprijzen en enige tijd daarna ook de aardgasprijzen aanzienlijk zijn gestegen. Toch liggen de reële prijzen, d.w.z. de prijzen gecorrigeerd voor de inflatie, op dit moment nog steeds lager dan begin jaren tachtig.

3.5

Naast deze prijsbewegingen moet natuurlijk ook worden ingegaan op de beschikbaarheid van fossiele energiedragers. Eind 2004 bedroeg het totale potentieel aan conventionele aardolie ca. 381 gigaton. Naar regio bevindt ca. 62 % van de wereldvoorraad zich in landen van het Midden-Oosten, ca. 13 % in de VS en bijna 10 % in het GOS. Opgemerkt zij dat in Noord-Amerika bijna twee derde van de verwachte totale voorraad al is opgebruikt, terwijl dit aandeel in het GOS rond een derde ligt en in het Midden-Oosten op nog geen kwart.

3.6

Voor aardgas is de situatie vergelijkbaar. De totale voorraad aan conventioneel aardgas bedraagt wereldwijd ca. 461 biljoen m3, hetgeen qua energie-inhoud ongeveer overeenkomt met het totale potentieel aan conventionele aardolie. Meer dan de helft van alle aardgasvoorraden bevindt zich in slechts drie landen (Rusland, Iran en Qatar). Extra aardgasbronnen worden op ca. 207 biljoen m3 geschat. Tot dusverre is ca. 18 % van de bewezen aardgasvoorraden, geëxploiteerd. Het aardgasverbruik bereikte in 2004 met ca. 2,8 biljoen m3 een historisch hoogtepunt. De grootste aardgasverbruikers waren de VS, gevolgd door Rusland, Duitsland, Groot-Brittannië, Canada, Iran en Italië.

3.7

Van steen- en bruinkool zijn nog de grootste voorraden voorhanden. Berekend op basis van het mondiale steen- en bruinkoolverbruik in 2004 is er vanaf 2005 nog genoeg steenkool voor 172 jaar en bruinkool voor 218 jaar. In 2004 bedroeg het aandeel steen- en bruinkool 27 % van het mondiale verbruik van primaire energiebronnen. Alleen het aardolieverbruik lag nog hoger. Het aandeel steenkool bedroeg 24 % en dat van bruinkool 3 %. Bij de electriciteitsproductie waren steen- en bruinkool met een aandeel van 37 % de belangrijkste grondstof.

3.8

De verdeling van de steenkoolvoorraden is evenwichtiger dan bij aardolie en aardgas het geval is. Ook hier ligt een groot deel van de totale voorraden in Rusland, maar in regio's als Noord-Amerika, Azië, Australië en Zuid-Afrika, die er qua aardolie en aardgas beduidend slechter voorstaan, zijn ook aanzienlijke steenkoolvoorraden te vinden. Dit neemt niet weg dat de mondiale steenkoolvoorraden toch sterk geconcentreerd liggen. Bijna drie kwart van de voorraden bevindt zich in slechts vier landen, nl. de VS, Rusland, China en India. Anders dan bij aardolie en aardgas, beschikt ook de EU over aanzienlijke steenkoolvoorraden. De kwaliteit van de steenkool varieert echter nogal. Zo wordt van cokes, dat slechts door een klein aantal regio's geleverd wordt en waarnaar wereldwijd overal vrijwel evenveel vraag is, ca. 35 % van de totale productie op de internationale markt verhandeld. Van de mondiale steenkoolproductie wordt er momenteel in totaal amper 16 % internationaal verhandeld. Ook de uitvoer is beperkt tot een klein aantal landen en een steeds kleiner aantal ondernemingen. Van het exportaanbod van cokes komt 60 % uit Australië, terwijl 50 % van de totale cokesexport uit China komt.

3.9

De prijzen van steen- en bruinkool hebben de laatste decennia een vergelijkbare ontwikkeling doorgemaakt als die van aardolie en aardgas, maar liggen afhankelijk van de energie-inhoud wel op een beduidend lager niveau. Wat betreft de waarde van steenkool als grondstof, mag niet uit het oog worden verloren dat steenkool niet alleen een energiebron en onmisbaar reductiemiddel bij de productie van ruwijzer is, maar ook zeer veelzijdig kan worden ingezet, o.m. als brandstof, voor diverse chemische toepassingen of in de bouwmaterialenindustrie. Om milieuredenen dient er wel op te worden toegezien dat zoveel mogelijk gebruik wordt gemaakt van moderne, schone en efficiënte technologieën, waartoe vanwege de hoge broeikasgasemissiefactor van steen- en bruinkool ook technologieën voor de afscheiding en opslag van CO2 gerekend moeten worden.

3.10

Om de ernst van de situatie m.b.t. de energievoorziening nog eens duidelijk te maken, dient ook te worden gewezen op het door het Internationale Energie-agentschap (IEA) in november 2005 gepresenteerde overzicht World Energy Outlook, waarin wordt geconstateerd dat het energieverbruik wereldwijd nog steeds sterk stijgt. Zonder aanpassingen van het consumentengedrag zal de mondiale behoefte aan energie tot 2030 met meer dan de helft stijgen en op 16,3 miljard ton olie-equivalenten komen te liggen. De incidenten eind vorig jaar, toen Rusland de gasleverantie aan Oekraïne tijdelijk stopzette en Midden- en West-Europa hierdoor minder gas geleverd kregen, kan een voorproefje zijn van wat de Unie in de toekomst te wachten staat als de afhankelijkheid van de energie-invoer nog groter wordt. Er moet dan ook alle prioriteit worden gegeven aan het in praktijk brengen van de groenboeken die de Commissie respectievelijk onder de titels „Op weg naar een continue energievoorziening” en „Energie-efficiency” heeft uitgebracht en aan een brede en constructieve discussie over het nieuwe groenboek betreffende een Europese energiestrategie.

3.11

De verbruikscijfers die het IEA voor de toekomst verwacht, staan haaks op het beleid ter bescherming van het klimaat. In plaats van een vermindering van de broeikasgasemissies, zoals nodig zou zijn om het klimaat te beschermen, zouden de CO2-emissies volgens de raming van het IEA tot 2030 zelfs met 52 % stijgen. Overal ter wereld moet de politiek zich dan ook ten taak stellen de CO2-emissies als gevolg van het toenemende verbruik van fossiele brandstoffen drastisch in te perken. In de komende maanden moet worden uitgemaakt welke rol de Europese Unie in dit proces kan spelen.

3.12

Als mogelijke oplossing voor het broeikasgasprobleem wordt van verschillende kanten kernenergie genoemd. Afgezien van de risico's, dient ook te worden bekeken wat het effect hiervan op de continuïteit van de energievoorziening zou zijn. De uraniumvoorraden zijn wereldwijd slechts over enkele landen verdeeld. De belangrijkste ontginningsgebieden liggen tegenwoordig in Australië, Noord-Amerika, enkele Afrikaanse landen en in de landen van het GOS. Daarnaast wordt er gespeculeerd op voorraden in China en Mongolië. Verhoging van de kernenergieproductie voor vreedzame doeleinden, met name in China, zou over nog geen 30 jaar al tot tekorten op de uraniummarkt kunnen leiden.

3.13

Ca. 12 % van alle aardolie wordt gebruikt in de petrochemische industrie. Kunststoffen zijn een belangrijke petrochemische productgroep. In 2004 werd wereldwijd 224 miljoen ton kunststof geproduceerd. 23,6 % daarvan kwam uit West-Europa. Volgens de huidige prognoses zal het verbruik van kunststoffen wereldwijd nog toenemen. De verwachting is dat het per capita-verbruik tot 2010 jaarlijks 4,5 % zal stijgen. De belangrijkste groeimarkten zijn Oost-Europa en Zuid-Oost-Azië.

3.14

Behalve fossiele energiedragers zijn ook ertsen belangrijke grondstoffen voor de Europese economie. Vooral ijzererts dient in dit verband te worden genoemd. In 2004 is wereldwijd meer dan een miljard ton staal geproduceerd. Vergeleken met andere ruwe materialen wordt duidelijk meer staal geproduceerd. Wat het ertsverbruik betreft, zagen de cijfers er in 2004 als volgt uit: 1,25 miljard ton ijzererts, 146 miljoen ton bauxiet, 15,5 miljoen ton chroom, 9 miljoen ton zink en 8,2 miljoen ton mangaan. Het verbruik van ijzererts lag dus 10 tot 100 keer hoger dan voor ertsen waarvoor de verbruikscijfers daarna de hoogste waren.

3.15

De commercieel exploiteerbare ijzerertsreserves zijn in 2005 door het Amerikaanse instituut voor geologie (Geological Society of America of GSA) op 80 miljard ton geschat, hetgeen het honderdvoudige is van de actuele vraag. Worden hierbij de ijzerertsvoorraden gerekend die als niet commercieel exploiteerbaar gelden, dan loopt de totale reserve op tot 180 miljard ton ijzer. De verwachting is dat de ijzerertsprijzen ondanks deze grote reserves ook in de toekomst hoog zullen blijven. Een van de redenen hiervoor is ongetwijfeld het feit dat de markt beheerst wordt door drie grote bedrijven (CVRD, BHP en Rio Tinto), die gezamenlijk een marktaandeel bezitten van ruim 75 % van de mondiale ijzerproductie. Daarnaast kunnen er ook knelpunten in het vervoer over zee ontstaan, met hogere transportkosten en dus hogere kostprijzen voor de Europese staalindustrie als gevolg.

3.16

Met het oog op een zekere toekomst voor de Europese ijzer- en staalindustrie dient ook rekening te worden gehouden met het cokes- en cokeskolenaanbod. De uitvoer van cokes uit de VS zal afnemen, waardoor Canada en Australië hun positie op de markt zullen kunnen versterken. Om wereldwijd de voorziening met grondstoffen te kunnen waarborgen, dienen de capaciteiten in deze landen structureel te worden uitgebouwd. Door de uitbreiding van cokesovens in China, zal dit land in sterkere mate als leverancier van cokes optreden, hoewel ook in andere landen de cokesovencapaciteit ten behoeve van de thuismarkt zal worden uitgebreid.

3.17

Schroot is eveneens een belangrijke grondstof voor de staalproductie. De mondiale schroothandel is de laatste jaren duidelijk in omvang toegenomen. Door de lange houdbaarheid van staalproducten loopt de vraag naar schroot achter op het aanbod, waardoor de nu reeds gespannen situatie op de schrootmarkt nog aanzienlijk zal verscherpen. Hoewel de situatie de laatste maanden wat minder gespannen is, is de verwachting dat de schrootprijzen, die tussen 2002 en 2004 verdrievoudigd zijn, op langere termijn weer zullen stijgen.

3.18

Andere metaalhoudende grondstoffen, zoals mangaan, chroom, nikkel, koper, titanium en vanadium, zijn belangrijke legeringsstoffen die de eigenschappen van het basismateriaal sterk beïnvloeden. Net als palladium, een belangrijke grondstof voor de high tech-sector, moeten ook deze grondstoffen in Europa worden ingevoerd.

3.19

Genoemde grondstoffen zijn, net als vele andere, momenteel in toereikende mate voorradig. De actuele prijsstijgingen zijn dan ook geen signaal dat de bronnen op middellange termijn uitgeput raken. Dit sluit verschuivingen in het aanbod of de vraag niet uit en betekent niet dat prijsschommelingen toevallig zijn. Op korte termijn is het grondstoffenaanbod vanwege de lange duur van kapitaalintensieve exploratieprojecten weinig flexibel. Een grote vraag naar grondstoffen kan dus heel goed tot schaarste en prijsstijgingen leiden. Hetzelfde geldt voor de vervoerscapaciteiten, die eveneens een beperking kunnen vormen voor de beschikbaarheid van (ingevoerde) grondstoffen. Het feit dat er op mondiaal niveau voldoende voorraden en bronnen voorhanden zijn, reduceert het risico op kwantitatieve voorzieningsproblemen, maar biedt geen bescherming tegen prijsstijgingen op korte en middellange termijn. In een uitvoerige analyse van leverings- en prijsrisico's op de internationale grondstoffenmarkt moet dan ook gekeken worden naar politieke interventies en monopolie- of oligopoliegedrag van marktleiders.

3.20

Dit is des te belangrijker, omdat niet alleen een groot deel van de winning van belangrijke energiedragers, maar ook van metaalhoudende grondstoffen, alleen in bepaalde delen van de wereld plaatsvindt en door slechts enkele bedrijven wordt uitgevoerd. Deze concentratie is bovendien sinds de jaren negentig duidelijk toegenomen voor de metaalhoudende grondstoffen. Zo heeft Chili zijn aandeel in de koperproductie ten opzichte van 1990 bijna kunnen verdrievoudigen en wordt bijna 40 % van alle bauxiet in Australië geproduceerd. Ook het belang van Brazilië als bauxietleverancier is aanzienlijk gestegen. Het is inmiddels de op een na grootste bauxietproducent ter wereld, hetgeen nog eens onderstreept welke belangrijke positie Zuid-Amerika in de metaalproductie inneemt. Dit geldt ook voor de ijzerertsproductie, waarvan Brazilië ca. 30 % voor zijn rekening neemt. Van de EU-lidstaten kent alleen Zweden een ijzerertsproductie die de moeite van het vermelden waard is, hoewel dit in mondiaal verband slechts 1,6 % van de totale ijzerertsproductie bedraagt.

4.   De Europese industrie

4.1

Vanwege haar bijdrage aan het scheppen van werkgelegenheid en toegevoegde waarde, is de Europese industrie — als de belangrijkste schakel in de waardetoevoegingsketen bij de productie van goederen — nog steeds van groot belang voor de economie van de EU. Zonder industrieproducten vervalt het nut van veel diensten. Daarom blijft de industriële productie een bron van welvaart. Een gegarandeerde bevoorrading van de industrie met grondstoffen is dan ook absoluut noodzakelijk. Bij fossiele brandstoffen en veel metaalhoudende grondstoffen is er sprake van een wanverhouding tussen regio's waar deze stoffen gevonden worden en de regio's van verbruik. Als de markt in de leverende landen een oligopolisch karakter vertoont, kan die wanverhouding ook in Europa tot marktverstoringen leiden. Om Europa minder afhankelijk te maken van de invoer, moeten voor alle grondstoffen adequate maatregelen worden genomen. Daarop wordt al aangedrongen in het Groenboek „Op weg naar een Europese strategie voor een continue energievoorziening”.

4.2

Uit de statistieken blijkt dat het Europese bedrijfsleven wordt gekenmerkt door grote verschillen in grondstoffen- en energie-efficiëntie. Er zijn overal in Europa dan ook mogelijkheden om te bezuinigen, die met voorrang moeten worden benut: dan wordt de gehele EU minder afhankelijk van de invoer van grondstoffen en kunnen de inspanningen meer op ontwikkeling worden gericht.

4.3

Toch is er een bedrijfstak die de toekomst, in weerwil van zijn afhankelijkheid van grondstoffeninvoer, niet somber inziet. Dat is de Europese staalindustrie die niet bang hoeft te zijn voor de internationale concurrentie, omdat zij de herstructurering al achter de rug heeft en daaruit de juiste lering heeft getrokken. Door die consolidering kon een structuur worden gecreëerd die het voor ondernemingen ook in economisch moeilijk tijden mogelijk maakt nog winst te maken. Landen als China en India moeten nog met die noodzakelijke herstructurering beginnen.

4.4

De staalindustrie beschikt juist in de EU over een goedlopende waardetoevoegingsketen waarin staal een centrale rol speelt, met dan ook nog voordelen wat infrastructuur en logistiek betreft. Op de Europese staalmarkt zijn aanbieders en klanten met elkaar in contact, omdat het gebied relatief klein is en de aansluiting op het internationale netwerk voor vervoer per spoor of (water)wegen goed is, met alle concurrentievoordelen vandien.

4.5

Daar komt nog bij dat de Europese staalbedrijven zich grote inspanningen hebben getroost voor en veel geld hebben geïnvesteerd in milieubescherming en energie-efficiëntie. De Europese staalindustrie heeft in de wereld het op één na hoogste recyclingspercentage (de VS zijn nummer één), hergebruikt veel schroot voor productiedoeleinden en spaart op die manier hulpmiddelen uit. Ook het verbruik van reductiemiddelen in de hoogovens ligt duidelijk onder dat van veel landen buiten Europa.

4.6

Hoewel de Europese staalindustrie dus hoopvol gestemd is, mag niet uit het oog worden verloren dat met name de productie in de vloeibare fase (die immers afhankelijk is van de invoer van grondstoffen en gevoelig is voor de hoge energieprijzen en de stringentere milieumaatregelen) wel eens uit Europa zou kunnen verdwijnen en naar regio's zou kunnen worden verplaatst waar de bevoorrading met grondstoffen gegarandeerd en de energie goedkoper is. Aangezien die vaststelling niet alleen opgaat voor ijzer, maar ook voor aluminium en andere metalen, kan dit in Europa wel eens tot veel verlies aan arbeidsplaatsen leiden, hetgeen alleen kan worden gecompenseerd door onderzoek naar en ontwikkeling van grondstoffen- en energie-efficiëntie, en de ontwikkeling van innoverende producten en industriële diensten. Met de verplaatsing van de productie van vloeibaar staal naar landen waar de milieuvoorschriften minder streng zijn en de energie goedkoper is, wordt namelijk wereldwijd niet aan duurzame ontwikkeling bijgedragen, maar alleen bereikt dat de positie van Europa erop achteruit gaat.

5.   Alternatieve scenario's voor de voorziening met grondstoffen en technologische trends

5.1

Als de groei van de wereldeconomie in de eerste plaats blijft berusten op het gebruik van fossiele grondstoffen, kunnen grotere problemen worden verwacht doordat het klimaat tegen de toenemende uitstoot van broeikasgassen zal moeten worden beschermd, terwijl de grondstoffenbronnen uitgeput zullen raken. In zijn studie over de internationale energiesituatie in 2006 gaat het Internationale Energieagentschap (IEA) ervan uit dat de wereldwijde uitstoot van CO2 in de periode 2004/2030 met meer dan 52 % zal toenemen. Dat cijfer moet worden gelegd naast ramingen volgens welke de CO2-emissies van de industrielanden in 2050 wereldwijd met 80 % moeten zijn teruggebracht, wil men de veranderingen van het klimaat blijvend een halt kunnen toeroepen op een niveau dat voor mens en milieu nog aanvaardbaar is. Er is dus behoefte aan technologieën waarmee de uitstoot van broeikasgassen aanzienlijk kan worden teruggedrongen.

5.2

Zodra het gaat om de noodzakelijke terugdringing van de uitstoot van broeikasgassen, wordt vaak in de eerste plaats gedacht aan meer gebruik van hernieuwbare energiebronnen. De EU heeft in dat opzicht weliswaar het voortouw genomen door in het Witboek voor duurzame energie (1) een aandeel van 12 % van de primaire energie uit duurzame energiebronnen als streefdoel voor 2010 te noemen, maar daarvoor is méér nodig dan alleen nieuwe installaties voor biomassa-, wind- of zonne-energie. Het komt er vooral op aan dat de tot dusverre stijgende lijn van het energieverbruik wordt omgebogen. Van de mogelijkheden die er zijn om op energieverbruik te bezuinigen, moet in alle stadia van de waardetoevoegingsketen, het energieverbruik en de berging van afvalstoffen gebruik worden gemaakt. Zo kan doelmatige stimulering van de technische vooruitgang ertoe leiden dat er in de toekomst minder broeikasgassen worden uitgestoten en dat de Europese industrie nog beter gaat concurreren.

5.3

Het Europees Milieuagentschap heeft in 2005 uitgerekend dat het mogelijk moet zijn in 2030, zonder schade voor het milieu en zonder aantasting van het vermogen van de EU om zichzelf tot op grote hoogte van landbouwproducten te voorzien, 230 à 300 mtoe per jaar biomassa (ofwel: 9,6 à 12,6 x 1019 Joule) te produceren: een hoeveelheid die overeenkomt met ongeveer 20 % van het huidige verbruik aan primaire energie van de 25 EU-lidstaten. Bovendien zouden er jaarlijks 100 mtoe uit afval, 40 à 60 mtoe uit bosbouwproducten en 90 à 140 mtoe uit landbouwproducten kunnen worden gewonnen. Naast de energieproductie uit biogene grondstoffen, kan er dan ook nog een rijke schakering aan producten worden voortgebracht die momenteel, vanwege te hoge prijzen, niet meer dan een nichemarkt vertegenwoordigen. Met uitgekiende combinaties van grondstoffen en verwerkingsprocédés en nieuwe strategieën voor waardetoevoeging kunnen bijvoorbeeld biokunststoffen al op korte termijn concurrerend worden gemaakt.

5.4

Wereldwijd moet het gebruik van duurzame grondstoffen toenemen. Tot dusverre is er bij de stimulering van O&TO te weinig aandacht geweest voor duurzame energie- en grondstoffenbronnen. Gezien de huidige prijs/kosten-verhouding moet, via diverse maatregelen voor marktintroductie, een bredere markt- en technologie-ontwikkeling worden gegarandeerd.

5.5

Bij de bepaling van het potentieel aan biomassa uit landbouwproducten moet rekening worden gehouden met de negatieve ontwikkeling van het beschikbare landbouwareaal per hoofd van de wereldbevolking. Tegenwoordig is er wereldwijd net zoveel akkerland voor graanbouw als in 1970, maar in 1970 waren er bijna drie miljard mensen minder! Anders gezegd werd er in 1970 pro capita 0,18 ha akkerland voor graan gebruikt, terwijl nu nog maar nauwelijks 0,11 ha wordt gehaald. Die trend wordt nog versterkt doordat er door erosie, verzilting en uitdroging van de bodem jaarlijks ongeveer 7 miljoen ha landbouwareaal verloren gaat en meer dan een kwart van alle gebruikte grond dat lot beschoren lijkt te zijn.

5.6

Volgens FAO-ramingen zullen de ontwikkelingslanden de komende twintig jaar hun graaninvoer moeten verdubbelen. Graan wordt dus een schaars goed en duurder. Verder zal het spanningsveld tussen de vraag van de eerstewereldlanden naar diervoeders en duurzame grondstoffen en de voedselbehoefte van de ontwikkelingslanden blijven toenemen. Die vraag naar diervoeders zou kunnen worden teruggedrongen door het mes in de hoge vleesconsumptie te zetten, met een navenante stijging van de hoeveelheid geproduceerde voedselcalorieën, omdat bij veevoeding zo'n 90 % van de energie-inhoud verloren gaat. Belangrijk is vooral door te drukken dat cellulosehoudende planten en plantendelen en de bijproducten daarvan (hooi, stro en gras, om de meest gangbare te noemen) beter worden benut. Gezien de vele O&O-inspanningen die daarvoor nodig zijn, is het dus ook hoog tijd voor een paradigmawisseling in het kaderprogramma voor O&O van de EU ten gunste van duurzame energie- en grondstoffenbronnen en -efficiëntie.

5.7

In het licht van het voorgaande behoeft het verder geen betoog dat het probleem slechts gedeeltelijk kan worden opgelost door overschakeling op duurzame energiebronnen en industriegrondstoffen. Het komt erop aan dat technologieën worden ingezet waarvoor, bij gelijkblijvende dienstverlening, beduidend minder energie en grondstoffen worden verbruikt dan tegenwoordig het geval is. Een voorbeeld is de staalindustrie, waar het energieverbruik en de CO2-uitstoot de afgelopen veertig jaar ongeveer met de helft is teruggebracht. Deze industrie heeft samen met onderzoeksinstellingen een consortium gevormd, de ULCOS (Ultra Low Co2 Steelmaking) om nog meer bezuinigingsmogelijkheden te creëren: het plan is om door een aanzienlijke terugdringing van de emissies een doorbraak te forceren naar energie-efficiëntere productieprocessen voor staal. Dankzij een in de jaren tachtig ontwikkelde reductiemethode zijn minder steenkoolequivalenten nodig en is de CO2-uitstoot in vergelijking met het productieproces in hoogovens tot circa 30 % verminderd.

5.8

Meer efficiëntie is de strategie bij uitstek als het erom gaat de kosten omlaag te brengen, de hulpbronnen te beschermen en de werkgelegenheid in stand te houden, omdat materiaal in de verwerkende industrie de grootste kostenfactor is (gemiddeld 40 % van de totale kosten). Als grondstoffen efficiënt worden gebruikt, dalen de kosten bij gelijkblijvende economische prestatie en wordt het milieu gespaard, omdat er minder middelen worden verbruikt. Met initiatieven en programma's voor een grotere efficiëntie (bv. onderzoeksprojecten of wedstrijden) kan de overheid ondernemingen ertoe overhalen om die mogelijkheden te benutten. Vooral kleine en middelgrote ondernemingen moeten nog bewust worden gemaakt van de efficiëntieverbetering en de bezuinigingen die bij het materiaalgebruik mogelijk zijn. Dat kan door stimulansen te geven voor geschikte methoden voor de bedrijfsvoering, zoals EMAS en ISO 14001.

5.9

Het gebruik van de in de EU beschikbare reserves aan grondstoffen (m.n. steenkool) moet aan hoge technische vereisten voldoen. Capaciteitsuitbreiding is, mede vanwege de noodzaak om het klimaat te beschermen, alleen raadzaam als tegelijkertijd schone steenkooltechnologieën (clean coal technologies) worden ontwikkeld.

5.10

Technologische innovatie bij de ontwikkeling van nieuwe grondstoffen met betere productie-, verwerkings- en gebruikseigenschappen en een hoger recyclingspercentage, is ook een manier om de invoerafhankelijkheid kleiner te maken. In dat opzicht kunnen beduidende verbeteringen van de grondstoffenefficiëntie worden gecombineerd met innoverende productontwikkelingen. Dit perspectief leidt tot veranderingen in de marktvraag naar diverse grondstoffen. Zo kan door onderzoek een groeipotentieel voor de industrie worden gecreëerd, met alle industriële, maar ook werkgelegenheids- en milieuvoordelen vandien (in vergelijking met de tot dusverre gevolgde procédés).

5.11

Naast de bezuinigingsmogelijkheden in de industrie, kan ook in de gezinshuishoudingen en in het verkeer veel zuiniger met grondstoffen worden omgesprongen. Door de bouw van energiebesparende huizen (eco-woningen) kan veel primaire energie worden bespaard, zowel in de verwarmings- als in de koelsystemen. In combinatie met efficiënte installatie-technologieën, zoals specifieke verbrandingsketels en warmtepompen, kan gemiddeld tot 10 % worden bezuinigd. Ook in het particulier vervoer bestaan reële bezuinigingsmogelijkheden: met optimale aandrijftechnieken en onberispelijk gebruikersgedrag kan het verbruik met een factor 4 worden teruggebracht.

Brussel, 5 juli 2006

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Anne-Marie SIGMUND


(1)  Mededeling van de Commissie „Energie voor de toekomst: duurzame energiebronnen — Witboek voor een communautaire strategie en een actieplan”


16.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 309/78


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees systeem van geïntegreerde statistieken voor de sociale bescherming (ESSOBS)

(COM(2006) 11 final — 2006/0004 (COD))

(2006/C 309/17)

De Raad heeft op 10 februari 2006 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 262 van het EG-Verdrag te raadplegen over bovengenoemd voorstel.

De gespecialiseerde afdeling Werkgelegenheid, sociale zaken, burgerschap, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 2 juni 2006 goedgekeurd. Rapporteur was mevrouw Sciberras.

Het Comité heeft tijdens zijn op 5 en 6 gehouden 428e zitting (vergadering van 5 juli) het volgende advies uitgebracht, dat met 162 stemmen vóór (bij 5 onthoudingen), is goedgekeurd.

1.   Aanbevelingen

1.1

De sociale dimensie van de Lissabonstrategie zal versterkt worden als de lidstaten via het nieuwe kader meer politiek gewicht toekennen aan modernisering en verbetering van de sociale bescherming. De sociale dimensie is essentieel om de problemen die samenhangen met globalisering en vergrijzing aan te pakken. De verschillende oogmerken van de Lissabonstrategie, te weten duurzame economische groei, meer en betere banen en meer sociale cohesie, dienen in gelijke mate gesteund en nagestreefd te worden (1).

1.2

Het Europees systeem van geïntegreerde statistieken voor de sociale bescherming (ESSOBS) is van belang met het oog op het gebruik van de open coördinatiemethode op het gebied van sociale integratie en pensioenen.

1.3

Er moet worden uitgegaan van een analytische benadering op basis van betrouwbare en vergelijkbare indicatoren. Alleen dan kan een betrouwbaar beeld worden gevormd van de vorderingen of resultaten anderszins die bij het nastreven van de doelstellingen worden geboekt. Naast stroomlijning op statistiek gebied is het volgens het EESC ook noodzakelijk dat er kwalitatieve indicatoren worden ontwikkeld.

1.4

Het kan moeilijk zijn voor een lidstaat om het opstellen van statistieken te bekostigen. Daarom moet rekening gehouden worden met het vermogen van de lidstaten om de gegevens te verzamelen. Bovendien zou er vooraf een schatting moeten worden gemaakt van de kosten voor elke lidstaat van een dergelijke ongefinancierde opdracht, ook al zijn deze minimaal. Het EESC is ingenomen met de financiële steun die de Commissie van plan is uit te trekken voor de lidstaten om het bestaande systeem te ontwikkelen.

1.5

Het is eveneens van belang dat de keuze van indicatoren mede wordt ingegeven door niet-monetaire criteria zoals toegang, kwaliteit en participatie, uitgaande van de menselijke behoeften. (2) Een nauwkeurige verzameling van statistische gegevens is ook belangrijk voor DE

1.6

de regeringen van de lidstaten om hun socialezekerheidsstelsel aan te kunnen passen aan de behoeften in hun land en om in te kunnen spelen op de behoeften van die onderdelen van de samenleving die niet onder de huidige socialebeschermingsregelingen vallen.

1.7

Zo wint ook het besef terrein dat er speciale programma's ten behoeve kwetsbare en marginale groepen in de samenleving bestaan, die met name zijn gericht op bestrijding van de armoede onder kinderen.

1.8

De beleidsmatige samenwerking tussen alle lidstaten inzake sociale bescherming is de afgelopen jaren flink opgevoerd. Het doel van de voorgestelde maatregel — harmonisatie van statistische gegevens inzake sociale bescherming — kan alleen door de Gemeenschap en niet door de lidstaten afzonderlijk worden verwezenlijkt.

1.9

De resultaten van de Lissabonstrategie kunnen worden beoordeeld m.b.v. de indicatoren en door de economische prestaties en het programma voor groei en werkgelegenheid te evalueren. Deze indicatoren dienen gekoppeld te worden aan de indicatoren inzake sociale bescherming. Dit is de beste manier om de resultaten van de Lissabonstrategie als geheel te evalueren.

2.   Inleiding

2.1

Om de Lissabondoelstellingen te kunnen realiseren moet de sociale bescherming geanalyseerd worden en moeten de verschillende doelen en onderdelen ervan zichtbaar en vergelijkbaar gemaakt worden. Het nieuwe kader van de Commissie voor de open coördinatie van het beleid inzake sociale bescherming is een instrument waarvan de lidstaten en de EU in dit verband gebruik kunnen maken. Zoals het Comité in zijn advies over de strategie voor open coördinatie inzake sociale bescherming (3) al stelde is het noodzakelijk dat er adequate indicatoren voor dit instrument worden uitgewerkt.

2.2

Het socialezekerheidsstelsel heeft zich ontwikkeld onder invloed van de geschiedenis en specifieke omstandigheden van ieder land, waardoor het stelsel nu van lidstaat tot lidstaat verschilt.

2.3

Onder „sociale bescherming” wordt verstaan: maatregelen van openbare of particuliere instellingen met het doel de lasten van huishoudens en personen ten gevolge van een vastgestelde reeks risico's en behoeften te verlichten. (4)

2.4

De sociale bescherming is aanzienlijk verder ontwikkeld sinds het begin van de jaren 90, toen door twee aanbevelingen van de Raad verwarring ontstond. De eerste daarvan (92/442) betrof harmonisatie van de doelstellingen en het beleid op het vlak van sociale bescherming; de tweede (92/441) het bepalen van gemeenschappelijke criteria met betrekking tot toereikende inkomsten in de stelsels van sociale bescherming van alle EU-lidstaten. (5)

2.5

Met een aantal latere mededelingen over sociale bescherming is dit onderwerp hoger op de Europese agenda gezet en is positief bijgedragen aan een gemeenschappelijk begrip van de sociale bescherming in Europa (de la Porte 1999 a) (6).

2.6

Hierdoor is behoefte ontstaan aan adequate benchmarking, op basis van (de bestaande) samenwerking en coördinatie, wat hoofdzakelijk neerkomt op de uitwisseling van standpunten en aanbevelingen aan de hand van best practices.

2.7

Het gevoeligste punt was het vaststellen van gemeenschappelijke indicatoren. Bestaande systemen voor vergelijkende statistieken moesten herzien worden. Er moest een analyse van de kenmerken, oorzaken en ontwikkeling van sociale uitsluiting worden uitgevoerd en de kwaliteit van de gegevens moest worden verbeterd.

2.8

De resultaten van de Lissabonstrategie kunnen worden beoordeeld m.b.v. de indicatoren en door de economische prestaties en het programma voor groei en werkgelegenheid te evalueren. Deze indicatoren dienen gekoppeld te worden aan de indicatoren inzake sociale bescherming. Dit is de beste manier om de resultaten van de Lissabonstrategie als geheel te evalueren.

3.   Samenvatting van het Commissiedocument

3.1

De socialezekerheidsstelsels in de EU zijn sterk ontwikkeld. De opzet en financiering van de stelsels is een zaak van de lidstaten.

3.2

De EU heeft de specifieke taak om ervoor te zorgen dat burgers in elke lidstaat en burgers die naar een andere lidstaat gaan beschermd zijn op basis van EU-wetgeving ter coördinatie van de nationale socialezekerheidsstelsels.

3.3

Het is dan ook van essentieel belang dat er een reeks gemeenschappelijke indicatoren wordt vastgesteld. Dit vereist dat de lidstaten zich ertoe verbinden belangrijke instrumenten, zoals ESSOBS, te ontwikkelen. Een rechtskader voor ESSOBS „zal de bruikbaarheid van de huidige gegevensverzamelingen verbeteren wat actualiteit, dekking en vergelijkbaarheid betreft”, zoals in het Commissiedocument staat.

3.4

Tijdens de Europese Raad van oktober 2003 (7) werd overeengekomen dat een jaarlijks gezamenlijk verslag inzake sociale integratie en sociale bescherming het belangrijkste rapportage-instrument voor stroomlijning van de open coördinatiemethode zou uitmaken. (8)

3.5

In haar mededeling Een nieuw kader voor de open coördinatie van het beleid inzake sociale bescherming en integratie in de Europese Unie wijst de Commissie erop dat er een nieuw kader vastgesteld moet worden om de open coördinatiemethode te versterken en meer zichtbaarheid te geven (9).

3.6

In haar voorstel voor een verordening betreffende ESSOBS wijst de Commissie erop dat de sociale dimensie een van de pijlers van de Lissabonstrategie uitmaakt.

3.7

Doel van de verordening is een kader voor de verzameling van gegevens over sociale bescherming door de lidstaten vast te stellen. Iedere lidstaat doet dit nu namelijk op zijn eigen manier en hanteert daarbij zijn eigen definities, waardoor de gegevens onmogelijk met elkaar te vergelijken zijn en dus minder goed gebruikt kunnen worden om de socialebeschermingsregelingen in de EU te analyseren.

3.8

De doelstellingen van het Commissievoorstel zullen gemakkelijker gerealiseerd kunnen worden indien de statistieken op EU-niveau worden opgesteld en geanalyseerd op basis van een geharmoniseerde wijze van gegevensverzameling in de lidstaten.

3.9

Het EESC is het ermee eens dat een rechtskader voor ESSOBS zal bijdragen tot verwezenlijking van de doelstellingen van de Lissabonstrategie op het gebied van concurrentievermogen, werkgelegenheid en sociale integratie en daarmee tot verbetering van de socialebeschermingsregelingen in de verschillende lidstaten.

3.10

De beschikbaarheid van vergelijkbare en betrouwbare statistieken inzake het sociaal beleid is een voorwaarde voor de open coördinatiemethode, die het werk op het vlak van sociale bescherming zal vereenvoudigen (10).

3.11

De belangrijkste onderdelen van de verordening zijn:

het ESSOBS-kernsysteem, dat de financiële stromen van uitgaven en ontvangsten inzake sociale bescherming dekt;

aanvullende modules over pensioengerechtigden en netto sociale uitkeringen.

4.   ESSOBS-methode

4.1

De ESSOBS-methode werd eind jaren 70 ontwikkeld omdat er behoefte bestond aan een speciaal instrument om de sociale bescherming in de EU-lidstaten met behulp van statistieken in het oog te houden (11).

4.2

Met het ESSPROS Manual van 1996 werd een uitermate gedetailleerd systeem voor classificatie van sociale uitkeringen ingevoerd.

4.3

De herziene methode biedt meer flexibiliteit, iets wat bij het opstellen van statistieken door Eurostat in zekere mate ontbreekt.

4.4

De flexibiliteit wordt onder meer vergroot doordat wordt overgestapt op een kernsysteem plus modules (12).

4.5

Het kernsysteem komt overeen met de standaardgegevens over uitgaven en ontvangsten op het gebied van sociale bescherming die jaarlijks door Eurostat wordt gepubliceerd.

4.6

De modules hebben betrekking op aanvullende statistische gegevens over bepaalde aspecten van de sociale bescherming. Welke thema's onder de modules vallen, hangt af van de eisen van de Commissie en de lidstaten (13).

4.7

De doelstellingen van ESSOBS geven een uitgebreide beschrijving van sociale bescherming in de EU-lidstaten, maar de ESSOBS-methode omvat geen statistische gegevens over belangrijke kwesties als gezondheidszorg, huisvesting, armoede, sociale uitsluiting en immigratie. Eurostat verzamelt een aanzienlijke hoeveelheid gegevens op deze gebieden en er bestaat een grootschalige uitwisseling van informatie over sociale bescherming tussen de lidstaten op basis van MISSOC (14). Een rechtskader voor ESSOBS zou echter een uitgebreidere en realistischere beschrijving van de sociale bescherming in de lidstaten opleveren.

5.   Tendensen op het gebied van sociale bescherming

5.1   Huisvesting

5.1.1

De betaalbaarheid van woonruimte is iets wat aandacht verdient. Om na te gaan hoe betaalbaar huisvesting werkelijk is moeten uitgebreide metingen worden gedaan.

5.1.2

Door dit soort kwesties wordt nog eens benadrukt hoe belangrijk het is dat de lidstaten statistische gegevens op sociaal en economisch gebied verzamelen ten behoeve van de bevolking. Duurzaamheidsindicatoren moeten zonodig als waarschuwingssignaal fungeren.

5.2   Pensioenen

5.2.1

Veel lidstaten houden statistieken over pensioenen bij.

5.2.2

Het inschatten van demografische veranderingen wordt echter bemoeilijkt doordat het aantal immigranten lastig te voorspellen is. Het kan belangrijk zijn om ook naar de verwachte immigratie en het verwachte effect op de betaalbaarheid van de publieke pensioenregelingen te kijken. Hoe accurater de gegevens over immigratiestromen, hoe beter de statistieken aan de feitelijke besluitvorming kunnen bijdragen.

Brussel, 5 juli 2006

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Anne-Marie SIGMUND


(1)  EESC-advies van 20.04.2006 over de Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Samenwerken, beter werken: Een nieuw kader voor de open coördinatie van het beleid inzake sociale bescherming en integratie in de Europese Unie; rapporteur: dhr. Olsson (PB C 185 van 8.8.2006).

(2)  zie voetnoot 1

(3)  ziet voetnoot 1

(4)  Social Benchmarking policy making, Caroline de la Porte.

(5)  Definitie uit het ESSPROS MANUAL (1996).

(6)  Zie voetnoot 4.

(7)  Europese Raad van 16 en 17 oktober 2006 te Brussel, conclusies van het Voorzitterschap

(8)  COM(2006) 11 final, 2006/2004 (COD)

(9)  COM(2005) 706 final.

(10)  COM(2003) 261 final.

(11)  COM(2003) 261 final.

(12)  ESSPROS Manual 1996.

(13)  ESSPROS Manual 1996.

(14)  MISSOC 2004 Manual.


16.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 309/81


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „De betrekkingen tussen de Europese Unie en de Andesgemeenschap”

(2006/C 309/18)

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 14 juli 2005 besloten om overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een advies op te stellen over: De betrekkingen tussen de Europese Unie en de Andesgemeenschap.

De gespecialiseerde afdeling Externe betrekkingen, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 1 juni 2006 goedgekeurd. Rapporteur was de heer Moreno Preciado.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 428e zitting van 5 en 6 juli 2006 (vergadering van 5 juli) het volgende advies uitgebracht, dat met 156 stemmen vóór en 2 stemmen tegen, bij 10 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Inleiding

1.1

In de slotverklaring van de Derde Bijeenkomst van vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties uit de Europese Unie, Latijns-Amerika en het Caribisch Gebied wordt gepleit voor „de totstandbrenging van een hechte associatie op basis van een netwerk van akkoorden tussen de EU en de diverse organisaties in de regio” en voor het starten van onderhandelingen met de Andesgemeenschap (CAN) (1).

1.2

In de Verklaring van Guadalajara, het slotdocument van de Derde Top van staatshoofden en regeringsleiders van de Europese Unie, Latijns-Amerika en het Caribisch Gebied (2), noemen de staatshoofden en regeringsleiders de totstandkoming van een associatieovereenkomst annex vrijhandelszone tussen de EU en de CAN — naar het model van de overeenkomsten met Mexico en Chili en de geplande overeenkomst met de Mercosur — „ons gemeenschappelijk strategisch doel”.

1.3

Op dezelfde top hebben de staatshoofden en regeringsleiders besloten een gezamenlijke evaluatie van de stand van het economische integratieproces binnen de CAN door te voeren. Deze evaluatie is in januari 2005 van start gegaan.

1.4

Het economische en commerciële potentieel van de CAN wordt door de EU-lidstaten nog niet ten volle benut. Hoewel de CAN na de Verenigde Staten Europa's belangrijkste handelspartner is, zijn de resultaten op het vlak van de economische betrekkingen tussen de EU en de CAN niet echt om over naar huis te schrijven. Het streven van de CAN-instellingen naar verdergaande integratie vergroot de kans op het totstandkomen van een associatieovereenkomst, ondanks de in dit advies gesignaleerde problemen en beperkingen. Het vooruitzicht op een dergelijke overeenkomst kan de economische en handelsbetrekkingen een krachtige impuls geven, zoals eerder al in andere regio's is gebleken.

1.5

In het kader van zijn betrekkingen met het maatschappelijk middenveld in de Andeslanden onderhoudt het Comité regelmatige contacten met de twee overkoepelende adviesorganen van de sociale partners van de CAN, nl. het Raadgevend Werkgeverscomité van de Andeslanden (CCEA) en het Raadgevend Werknemerscomité van de Andeslanden (CCLA).

1.6

Op 6 en 7 februari jl. heeft het Comité, in samenwerking met het secretariaat-generaal van de CAN, in Lima een hoorzitting georganiseerd, waaraan werd deelgenomen door vertegenwoordigers van het Raadgevend Werkgeverscomité, het Raadgevend Werknemerscomité en andere maatschappelijke organisaties uit het Andesgebied en waarvan de resultaten in dit advies zijn verwerkt. De deelnemers waren vóór het openen van onderhandelingen met de EU, maar wezen erop dat rekening moet worden gehouden met de asymmetrieën tussen beide regio's en dat de voorgenomen associatie niet tot afhankelijkheid van de EU mag leiden, maar dient bij te dragen aan het wegwerken van de sociale schuld van de regio en het versterken van de sociale samenhang.

1.7

Dit advies heeft tot doel het standpunt van het maatschappelijk middenveld ten aanzien van de betrekkingen tussen de EU en de CAN onder de aandacht te brengen, uitgaande van de slotverklaring van de Vierde Bijeenkomst van vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties van beide regio's (Wenen, april 2006), waarin er nogmaals op wordt gewezen dat de EU de integratieprocessen in Latijns-Amerika in goede banen moet helpen leiden, en van de slotverklaring van de Derde Top van staatshoofden en regeringsleiders (mei 2006), waarin de staatshoofden en regeringsleiders zich in de volgende bewoordingen vóór het sluiten van een associatieovereenkomst tussen de EU en de CAN uitspreken:

„Onder verwijzing naar de gemeenschappelijke strategische doelstelling zoals die is vastgelegd in de Verklaring van Guadalajara, verwelkomen wij het besluit van de Europese Unie en de Andesgemeenschap om in de loop van 2006 een aanvang te maken met de voorbereiding van onderhandelingen over het sluiten van een associatieovereenkomst die voorziet in een politieke dialoog, samenwerkingsprogramma's en een handelsakkoord.”.

2.   De situatie in de vijf Andeslanden

2.1

Het is niet eenvoudig om in zo'n kort bestek een overzicht te geven van de situatie in vijf landen die in vele opzichten — economisch, demografisch, politiek… — sterk van elkaar verschillen, ook al liggen ze alle vijf in dezelfde regio (het Andesgebied). Daarom worden in het onderstaande overzicht alleen de meest opvallende kenmerken van ieder land aangegeven.

2.2

Bolivia is het armste van de vijf Andeslanden en een van de minst ontwikkelde landen van heel Latijns-Amerika. Oorzaak hiervan zijn het ontbreken van een directe toegang tot de zee, een geringe bevolking (steeds meer Bolivianen keren hun land de rug toe), een gebrek aan geschikte landbouwgronden (waardoor Bolivia het zonder een concurrerende landbouwsector moet stellen), een van oudsher zeer eenzijdige economie, de discriminatie van de inheemse bevolking (hoewel deze meer dan de helft van de totale bevolking uitmaakt) en de toenemende spanningen tussen het traditionele centrum van de politieke macht in de „Altiplano” en de opkomende economische regio's in de oostelijke laagvlakten. Bolivia is erin geslaagd sommige van deze problemen op een democratische manier uit de wereld te helpen, maar de aanhoudende onzekerheid heeft zijn economische ontwikkeling aanzienlijk geschaad. De in januari 2006 aangetreden nieuwe regering gaat ingrijpende hervormingen doorvoeren om de economische ontwikkeling te stimuleren, zonder afbreuk te doen aan de rechtszekerheid voor investeerders, aan 's lands internationale verplichtingen en aan de bilaterale overeenkomsten die Bolivia met andere landen heeft gesloten.

2.3

De situatie in Ecuador vertoont heel wat overeenkomsten met die in Bolivia, zoals onder meer een omvangrijke inheemse bevolking en grote politieke en culturele verschillen tussen het centrale hoogland en de lager gelegen kustvlakten. Politiek gezien is Ecuador nog minder stabiel dan Bolivia, maar anders dan Bolivia heeft Ecuador de afgelopen jaren geen open sociale conflicten gekend. Zo'n 49 % van de bevolking leeft onder de armoedegrens (3). De economische crises van de afgelopen tien jaar hebben, samen met de „dollarisatie” van de economie, de toch al omvangrijke armoede nog doen toenemen en zo'n 10 % van de beroepsbevolking tot emigratie gedreven. Geldovermakingen door migranten — in 2004 goed voor zo'n 1 740mln dollar — vormen na de olie-export de belangrijkste bron van deviezen.

2.4

Peru heeft een heel andere ontwikkeling doorgemaakt: het kreeg niet alleen te maken met terrorisme (in de jaren '80 en het begin van de jaren '90), maar ook met een autoritair en corrupt bewind (onder president Fujimori). Het land haalt vrij hoge groeicijfers, maar van politieke en maatschappelijke hervormingen is tot op heden weinig terechtgekomen. De huidige regering is dan ook niet erg populair. Hoewel het secretariaat-generaal van de CAN in Lima is gevestigd, staat Peru enigszins terughoudend tegenover het subregionale integratieproces.

2.5

De ontwikkelingen in Venezuela (4) worden in de hele regio en ook elders in de wereld op de voet gevolgd vanwege de grote politieke en sociale spanningen van de afgelopen jaren en de hoog oplopende rivaliteit tussen voor- en tegenstanders van president Chavez. De Venezolaanse economie wordt steeds meer afhankelijk van de olie-export, waardoor de regering, mede dankzij de hoge prijzen op de internationale oliemarkt, een actief buitenlands beleid kan voeren en aanzienlijke middelen kan uittrekken voor haar binnenlands beleid.

2.6

In Colombia is het democratisch bestel ondanks het politieke en maatschappelijke geweld — dat nog wordt verergerd door de drugshandel — altijd overeind gebleven, wat voor Latijns-Amerika een ongewone prestatie is. Niet alleen politiek maar ook economisch doet het land het niet slecht. Een minpunt is echter dat, hoewel het geweld enigszins is afgenomen, er nog steeds vakbondsmensen, journalisten, ondernemers en andere maatschappelijke figuren worden vermoord of ontvoerd.

3.   De onderlinge integratie tussen de Andeslanden

3.1   Institutionele ontwikkeling

3.1.1

De Andesgemeenschap is het integratieproject met de langste staat van dienst in Zuid-Amerika. In 1969 richtten de vijf oorspronkelijke lidstaten — Bolivia, Chili, Colombia, Ecuador en Peru — bij de Overeenkomst van Cartagena het zgn. Andespact op. In 1972 trad ook Venezuela toe, maar in 1976 trok Chili zich weer terug. Momenteel telt de CAN dus vijf lidstaten, die samen goed zijn voor 120 miljoen inwoners, een BIP van zo'n 265 mrd dollar en een interne markt ter waarde van 8,6 mrd dollar.

3.1.2

In de 35 jaar van zijn bestaan heeft het integratieverband zich geleidelijk aan ontwikkeld van een organisatie met een protectionistische inslag (importsubstitutie) — wat geheel in de lijn lag van de tijdsgeest in de jaren '60 en '70 — tot een samenwerkingsverband dat het beginsel van „open regionalisme” aanhangt. In de loop der jaren werden verschillende institutionele hervormingen doorgevoerd, waarbij de onderlinge integratie steeds hechter werd. Dit proces is in 1997 uitgemond in de oprichting van de Andesgemeenschap, een organisatie met een goed uitgebouwde institutionele structuur en met regels en voorschriften die de meest uiteenlopende terreinen bestrijken.

3.1.3

In 1996 werd het Protocol van Trujillo gesloten, waarbij een institutioneel raamwerk (Sistema Andino de Integración — SAI) (5) in het leven werd geroepen. Dit raamwerk, dat bestaat uit een aantal intergouvernementele en gemeenschappelijke organen met resp. uitvoerende, regelgevende, rechterlijke, parlementaire en toezichthoudende bevoegdheden, moet voor de nodige coördinatie zorgen en op die manier het integratieproces in goede banen helpen leiden.

3.1.4

De twee voornaamste besluitvormingsorganen, de Raad van Ministers van Buitenlandse Zaken van de Andesgemeenschap en de Commissie van de Andesgemeenschap, zijn intergouvernementele organen. De Raad van Ministers van Buitenlandse Zaken is bevoegd voor alle aspecten die buiten de bevoegdheden van de Commissie vallen, zoals politieke kwesties, sociale vraagstukken, milieu, migratiebeleid en vrij verkeer van personen. Verder is hij belast met de coördinatie van de externe activiteiten van de diverse gemeenschappelijke instellingen.

3.1.5

Het hoogste politieke orgaan is de Presidentiële Raad, die wordt gevormd door de staatshoofden van de aangesloten landen. Deze brengt verklaringen of richtsnoeren uit, die als leidraad fungeren voor de overige instellingen en organen. Het voorzitterschap van de Presidentiële Raad rouleert halverwege het jaar, waarbij de vijf lidstaten elkaar in alfabetische volgorde afwisselen. Dit toerbeurtsysteem heeft ook gevolgen voor de andere intergouvernementele organen.

3.1.6

Een van de belangrijkste organen van het SAI is het in de Peruaanse hoofdstad Lima gevestigde Secretariaat-Generaal (6), dat de intergouvernementele instellingen secretariële ondersteuning biedt, op een aantal specifieke terreinen wetgevende bevoegdheden heeft (aannemen van resoluties), over het recht van initiatief beschikt en nog een aantal andere bevoegdheden toegewezen heeft gekregen.

3.1.7

Andere gemeenschappelijke organen zijn het Hof van Justitie van de Andesgemeenschap en het Andesparlement. Daarnaast behoren tot het institutionele bestel van de Andesgemeenschap nog een aantal erkende instellingen als de Consejo Consultivo Empresarial Andino (Raadgevend Werkgeverscomité van de Andeslanden — CCEA), de Consejo Consultivo Laboral Andino (Raadgevend Werknemerscomité van de Andeslanden — CCLA), de Corporación Andina de Fomento (Ontwikkelingsmaatschappij voor het Andesgebied — CAF), het Fondo Latinoamericano de Reservas (Latijns-Amerikaans Reservefonds — FLAR), het Convenio Simón Rodríguez, het Convenio Hipólito Unanue en de Universidad Andina Simón Bolívar.

3.2   Stand van het integratieproces

3.2.1

Het integratieproces in het Andesgebied moet in het juiste perspectief worden gezien. De CAN bestaat al meer dan dertig jaar, maar zij is en blijft een organisatie van ontwikkelingslanden, met alle nadelen van dien op het gebied van institutionele ontwikkeling en economische capaciteit (het inkomen per hoofd van de bevolking bedraagt er gemiddeld 2 364 euro, tegenover 20 420 euro voor de EU in haar huidige samenstelling).

3.2.2

De totstandbrenging van één gemeenschappelijke markt — het kernstuk van ieder integratieproject — mag dan nog niet ver gevorderd zijn, op andere terreinen — met name op cultureel, sociaal en financieel gebied — hebben de vijf landen wél veel vooruitgang geboekt.

3.2.3

Aanvankelijk was het de CAN-landen in de eerste plaats om economische integratie te doen, maar juist op dát vlak is het integratieproces bijzonder moeizaam verlopen. Pas in 1993 is een vrijhandelszone tot stand gekomen, waaruit Peru zich op een gegeven moment tijdelijk heeft teruggetrokken. Er is nog steeds geen gemeenschappelijk douanetarief, maar op het vlak van de liberalisering van de onderlinge handel is er wél vooruitgang geboekt. Om te bereiken dat de toekomstige associatieovereenkomst beide partijen zo veel mogelijk voordeel oplevert, is het dan ook van essentieel belang dat de CAN-landen serieus werk maken van de totstandbrenging van een echte douane-unie.

3.2.4

Het uitblijven van gemeenschappelijke regelgeving heeft nadelige gevolgen gehad voor de ontwikkeling van de interne handel, waarvan de jaarlijkse omvang sterk fluctueert. In de jaren '90 is de onderlinge handel toegenomen van 4,1 % in 1990 tot 14,2 % in 1998 (7), maar dat is altijd nog een stuk minder dan de percentages uit de jaren '70 en het gemiddelde voor Latijns-Amerika als geheel (20,2 %). Na 1998 is het weer bergafwaarts gegaan (10,4 % in 2004), een tendens die in 2005 echter opnieuw werd doorbroken.

3.2.5

De onderlinge handel tussen de CAN-landen blijft ook aanzienlijk achter bij de handel met de Verenigde Staten (46,6 % in 2004) en ligt ongeveer op hetzelfde niveau als de handel met de EU (11,0 % in 2004). In drie van de vijf CAN-landen bedraagt het percentage van de export naar andere CAN-landen minder dan 12 %.

3.2.6

Toch is er op het vlak van de onderlinge integratie een zekere vooruitgang geboekt, zij het uiterst moeizaam, niet alleen vanwege het ontbreken van de nodige politieke wil, maar ook als gevolg van andere problemen: de structuur van de markten, de verschillen qua economisch model en ontwikkelingsniveau, de moeilijke geografische situatie (die de interne handel bemoeilijkt) en interne politieke problemen. Ondanks al deze problemen houdt het integratieproject van de CAN inmiddels al meer dan drie decennia stand. Het ontbreken van een moderne communicatie- en vervoersinfrastructuur binnen de CAN is een van de grootste belemmeringen voor de totstandkoming van een interne markt en voor de ontwikkeling van de CAN in het algemeen.

3.2.7

Naar buiten toe geven de CAN-landen weinig blijk van saamhorigheid: Bolivia en Venezuela hebben toenadering gezocht tot de Mercosur, terwijl Peru en Colombia een vrijhandelsakkoord met de Verenigde Staten hebben gesloten.

3.2.8

Dit gebrek aan eensgezindheid heeft op 22 april jl. een nieuw hoogtepunt bereikt met de aankondiging van Venezuela dat het zich uit de CAN terugtrekt. De terugtrekking van Venezuela en de ondertekening van de vrijhandelsakkoorden met de VS hebben de CAN in een diepe politieke crisis gedompeld, waaraan binnenkort een buitengewone top zal worden gewijd.

3.3   Versterking van de sociale cohesie

3.3.1

Zoals reeds gezegd is handelsintegratie slechts één aspect van het integratieproject tussen de CAN-landen. Van meet af aan was het de bedoeling om het integratieproces ook een politieke en een sociale dimensie te geven. Dit aspect krijgt de laatste tijd bijzondere aandacht omdat de CAN-landen op die manier hun nog prille democratisch bestel willen consolideren om hun subregio een krachtiger stem te geven, zowel binnen Latijns-Amerika als daarbuiten. Het streven naar politieke en sociale integratie hangt ook samen met de sociaal-economische situatie in het Andesgebied.

3.3.2

De cijfers over het gebrek aan sociale cohesie laten aan duidelijkheid niets te wensen over: 50 % van de Andesbevolking — zo'n 60 miljoen mensen — leeft onder de armoedegrens. De vijf CAN-landen behoren alle tot de groep landen met de grootste ongelijkheid (gemeten met de Gini-index), niet alleen qua inkomen maar ook qua discriminatie op basis van etnische afkomst, ras, plaats van herkomst, enz.