ISSN 1725-2474

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 227

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

49e jaargang
21 september 2006


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

I   Mededelingen

 

Commissie

2006/C 227/1

Wisselkoersen van de euro

1

2006/C 227/2

Beknopte informatie van de lidstaten betreffende overheidssteun die wordt verleend krachtens Verordening (EG) nr. 2204/2002 van de Commissie van 12 december 2002 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun voor werkgelegenheid ( 1 )

2

2006/C 227/3

Bekendmaking van een lijst maatregelen die de Commissie aanmerkt als bestaande steun in de zin van artikel 88, lid 1, van het EG-Verdrag bij de toetreding van de Tsjechische Republiek, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slovakije tot de Europese Unie ( 1 )

6

2006/C 227/4

Ontvangstbevestiging van klacht nummer 2006/4524 — SG(06)A/4107

7

2006/C 227/5

Opheffing door Frankrijk van de openbaredienstverplichtingen met betrekking tot geregelde luchtdiensten op de routes Aubagne — Marseille, Carcassonne — Parijs, La Rochelle — Parijs, Montbéliard — Parijs, Montpellier — Nantes, Pau — Madrid, Pau — Nantes, Reims — Clermont-Ferrand, Rennes — Lille en Toulon — Lyon ( 1 )

8

2006/C 227/6

Besluit om geen bezwaar aan te tekenen tegen een aangemelde concentratie (Zaak nr. COMP/M.4333 — NIBC/NPM/DELI UNIVERSAL) ( 1 )

9

 

EUROPESE ECONOMISCHE RUIMTE

 

Toezichthoudende Autoriteit van de EVA

2006/C 227/7

Mededeling van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA betreffende de samenwerking binnen het EVA-netwerk van mededingingsautoriteiten

10

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

 


I Mededelingen

Commissie

21.9.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 227/1


Wisselkoersen van de euro (1)

20 september 2006

(2006/C 227/01)

1 euro=

 

Munteenheid

Koers

USD

US-dollar

1,2676

JPY

Japanse yen

148,70

DKK

Deense kroon

7,4605

GBP

Pond sterling

0,67310

SEK

Zweedse kroon

9,2168

CHF

Zwitserse frank

1,5875

ISK

IJslandse kroon

89,17

NOK

Noorse kroon

8,2790

BGN

Bulgaarse lev

1,9558

CYP

Cypriotische pond

0,5767

CZK

Tsjechische koruna

28,437

EEK

Estlandse kroon

15,6466

HUF

Hongaarse forint

273,47

LTL

Litouwse litas

3,4528

LVL

Letlandse lat

0,6960

MTL

Maltese lira

0,4293

PLN

Poolse zloty

3,9483

RON

Roemeense leu

3,5317

SIT

Sloveense tolar

239,59

SKK

Slowaakse koruna

37,465

TRY

Turkse lira

1,8686

AUD

Australische dollar

1,6844

CAD

Canadese dollar

1,4299

HKD

Hongkongse dollar

9,8691

NZD

Nieuw-Zeelandse dollar

1,9273

SGD

Singaporese dollar

2,0104

KRW

Zuid-Koreaanse won

1 205,30

ZAR

Zuid-Afrikaanse rand

9,3749

CNY

Chinese yuan renminbi

10,0476

HRK

Kroatische kuna

7,4350

IDR

Indonesische roepia

11 620,72

MYR

Maleisische ringgit

4,665

PHP

Filipijnse peso

63,570

RUB

Russische roebel

33,9600

THB

Thaise baht

47,824


(1)  

Bron: door de Europese Centrale Bank gepubliceerde referentiekoers.


21.9.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 227/2


Beknopte informatie van de lidstaten betreffende overheidssteun die wordt verleend krachtens Verordening (EG) nr. 2204/2002 van de Commissie van 12 december 2002 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun voor werkgelegenheid

(2006/C 227/02)

(Voor de EER relevante tekst)

Nummer van de steunmaatregel

XE 19/05

Lidstaat

België

Regio

Vlaanderen — het Vlaamse Gewest

Benaming van de steunregeling

Erkenning en financiering van de invoegbedrijven

Rechtsgrond

Besluit van de Vlaamse regering van 15 juli 2005 betreffende de erkenning en financiering van de invoegbedrijven

Voorziene jaarlijkse uitgaven krachtens de regeling

Totaal jaarlijks bedrag

4,8 miljoen EUR

Gegarandeerde leningen

 

Maximale steunintensiteit

In overeenstemming met artikel 4, leden 2 tot en met 5, artikelen 5 en 6 van de verordening

Ja

Combinatie van art 4 -7,5 % of 15 % met art 5- 50 %

 

Datum van tenuitvoerlegging

Van 1.7.2005

Looptijd van de regeling

Tot 30.6.2007

Doelstelling van de steun

Art. 4 Scheppen van werkgelegenheid

Ja

Art. 5 Indienstneming van benadeelde en gehandicapte werknemers

Ja

jonger dan 50jaar en 12 maanden inactief max HSO

Art.2f), viii

Ouder dan 50 jaar en 6 maanden inactief max HSO

Art. 2,f),vii

6 maanden leefloongerechtigde max HSO

Art.2f),ii-iii-v-vi--ix-x

arbeidsgehandicapt en 6 maanden inactief

Art.2g),i

werkzoekende leerlingen tussen 16 en 18 jaar die deeltijds beroepsonderwijs volgen

Art.2f),i

Art. 6 Tewerkstelling van gehandicapte werknemers

neen

Betrokken economische sectoren

Alle sectoren van de Gemeenschap (1) die in aanmerking komen voor werkgelegenheidssteun

Ja

Alle be- en verwerkende industrie (1)

Ja

Alle diensten (1)

Ja

Andere

 

Naam en adres van de autoriteit die de steun verleent

Naam:

Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap

Departement EWBL

Administratie Werkgelegenheid

Afdeling Tewerkstelling

Adres:

Markiesstraat 1

B-1000 Brussel

Andere informatie

Indien de regeling medegefinancierd wordt met communautaire middelen, de volgende zinsnede toevoegen:

„De steunregeling is medegefinancierd in het kader van (referentie).”

Niet van toepassing

Steun waarvoor voorafgaande aanmelding bij de Commissie vereist is

De maatregel sluit het toekennen van steun uit of moet vooraf bij de Commissie worden aangemeld overeenkomstig artikel 9 van de verordening.

 

Neen


Nummer van de steunmaatregel

XE 5/06

Lidstaat

Polen

Regio

Miasto Gniezno

Benaming van de steunregeling

Steunregeling voor de schepping van werkgelegenheid in ondernemingen met meer dan tien werknemers — Gniezno

Rechtsgrond

Uchwała nr XL/404/2005 Rady Miasta Gniezna z dnia 2 września 2005 r.

Voorziene jaarlijkse uitgaven krachtens de regeling

Totaalbedrag per jaar

0,25 miljoen EUR

Gegarandeerde leningen

 

Maximale steunintensiteit

In overeenstemming met artikel 4, leden 2 tot en met 5, en de artikelen 5 en 6 van de verordening

Ja

 

Datum van tenuitvoerlegging

18.10.2005

Duur van de regeling

Tot 31.12.2006

Doel van de steun

Art. 4: Schepping van werkgelegenheid

Ja

Art. 5: Indienstneming van benadeelde en gehandicapte werknemers

 

Art. 6: Tewerkstelling van gehandicapte werknemers

 

Economische sectoren

Alle sectoren van de Gemeenschap (2) komen in aanmerking voor werkgelegenheidssteun

Neen

Alle be- en verwerkende industrie (2)

Ja

Alle diensten (2)

Neen

Andere

Ja

Naam en adres van de autoriteit die de steun verleent

Naam:

Steunverlenende autoriteiten:

Gemeenteraad van Gniezno (besluitvorming)

Burgemeester van Gniezno (belasting)

Adres:

Urząd Miejski w Gnieźnie, ul. Lecha 6

PL-62-200 Gniezno

Steun waarvoor voorafgaande aanmelding bij de Commissie vereist is

In overeenstemming met artikel 9 van de verordening.

Ja

 


(Nummer van de steunmaatregel

XE 9/06

Lidstaat

Cyprus

Regio

Alle regio's

Benaming van de steunregeling

Steunregeling voor socialezekerheidsuitkeringen aan werkgevers en gehandicapte werknemers

Rechtsgrond

Απόφαση του Υπουργικού Συμβουλίου με αρ 62.534 και ημερομηνία 25.8.2003.

Voorziene jaarlijkse uitgaven krachtens de regeling

Totaal jaarlijks bedrag

0,55 miljoen EUR

Gegarandeerde leningen

 

Maximale steunintensiteit

In overeenstemming met artikel 4, leden 2 tot en met 5, en de artikelen 5 en 6 van de verordening

Ja

(20 % van het jaarsalaris van de werknemer)

 

Datum van tenuitvoerlegging

16.12.2005

Duur van de regeling

Tot 31.12.2006

Doelstelling van de steun

Art. 4 Schepping van werkgelegenheid

 

Art. 5 Indienstneming van benadeelde en gehandicapte werknemers

Ja

Art. 6 Tewerkstelling van gehandicapte werknemers

Ja

Economische sectoren

Alle sectoren van de Gemeenschap (3) komen in aanmerking voor werkgelegenheidssteun

Ja

Naam en adres van de autoriteit die de steun verleent

Naam:

Τμήμα Εργασίας του Υπουργείου Εργασίας και Κοινωνικών Ασφαλίσεων

Adres:

CY-Nicosia, 1480

Overige informatie

De regeling zal voor 50 % medegefinancierd worden uit het Europees Sociaal Fonds

Steun waarvoor voorafgaande aanmelding bij de Commissie vereist is

Overeenkomstig artikel 9 van de verordening

 

Neen

(Verwacht wordt dat er geen steunregelingen zullen zijn die vooraf bij de Commissie moeten worden aangemeld)


Nummer van de steunmaatregel

XE 10/06

Lidstaat

Cyprus

Regio

Alle regio's

Benaming van de steunregeling

Regeling ter stimulering van de indienstneming van personen met een zware handicap in de openbare sector

Rechtsgrond

Απόφαση του Υπουργικού Συμβουλίου με αρ. 62.534 και ημερομηνία 25.8.2005.

Voorziene jaarlijkse uitgaven krachtens de regeling

Totaal jaarlijks bedrag

0,21 miljoen EUR

Gegarandeerde leningen

 

Maximale steunintensiteit

In overeenstemming met artikel 4, leden 2 tot en met 5, en de artikelen 5 en 6 van de verordening

Ja

(50 % van het jaarsalaris van de werknemer)

 

Datum van tenuitvoerlegging

16.12.2005

Duur van de regeling

Tot 31.12.2006

Doelstelling van de steun

Art. 4 Schepping van werkgelegenheid

 

Art. 5 Indienstneming van benadeelde en gehandicapte werknemers

Ja

Art. 6 Tewerkstelling van gehandicapte werknemers

Ja

Economische sectoren

Alle sectoren van de Gemeenschap (4) komen in aanmerking voor werkgelegenheidssteun

Ja

Naam en adres van de autoriteit die de steun verleent

Naam:

Τμήμα Εργασίας του Υπουργείου Εργασίας και Κοινωνικών Ασφαλίσεων

Adres:

CY-Nicosia, 1480

Overige informatie

De regeling zal voor 50 % medegefinancierd worden uit het Europees Sociaal Fonds

Steun waarvoor voorafgaande aanmelding bij de Commissie vereist is

Overeenkomstig artikel 9 van de verordening

 

Neen

(Verwacht wordt dat er geen steunregelingen zullen zijn die vooraf bij de Commissie moeten worden aangemeld)


(1)  Met uitzondering van de scheepsbouwsector, en andere sectoren waarvoor in verordeningen en richtlijnen bijzondere regels betreffende alle staatssteun in de sector zijn vastgesteld.

(2)  Met uitzondering van de scheepsbouwsector en andere sectoren waarvoor in verordeningen en richtlijnen bijzondere regels betreffende alle staatssteun in de sector zijn vastgesteld.

(3)  Met uitzondering van de scheepsbouwsector, en andere sectoren waarvoor in verordeningen en richtlijnen bijzondere regels betreffende alle staatssteun in de sector zijn vastgesteld.

(4)  Met uitzondering van de scheepsbouwsector, en andere sectoren waarvoor in verordeningen en richtlijnen bijzondere regels betreffende alle staatssteun in de sector zijn vastgesteld.


21.9.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 227/6


Bekendmaking van een lijst maatregelen die de Commissie aanmerkt als bestaande steun in de zin van artikel 88, lid 1, van het EG-Verdrag bij de toetreding van de Tsjechische Republiek, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slovakije tot de Europese Unie

(2006/C 227/03)

(Voor de EER relevante tekst)

(1)

In 2003 en 2004 hebben de nieuwe lidstaten overeenkomstig de procedure van bijlage IV, hoofdstuk 3, lid 1, onder c) (overeenkomstig artikel 22) van het Verdrag betreffende de toetreding van de Tsjechische Republiek, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije tot de Europese Unie („het Toetredingsverdrag”) bij de Commissie de maatregelen gemeld die zij aangemerkt wensten te zien als bestaande steun in de zin van artikel 88, lid 1, van het EG-Verdrag, maar die niet uitdrukkelijk in het Toetredingsverdrag waren opgenomen.

(2)

Deze procedure betrof staatssteun in alle sectoren met uitzondering van de vervoerssector en de werkzaamheden in de landbouw die verband houden met de productie, verwerking of afzet van de in bijlage I bij het EG-Verdrag opgenomen producten; daarvoor golden afzonderlijke bepalingen.

(3)

De Commissie maakt thans op het internetadres http://ec.europa.eu/comm/competition/state_aid/register/ de volledige lijst maatregelen bekend die zij heeft aanvaard als bestaande steun in de zin van artikel 88, lid 1, en in het kader van de in punt 1 bedoelde procedure.

De maatregelen in de visserijsector worden op het volgende internetadres bekendgemaakt: http://ec.europa.eu/fisheries/legislation/state_aid_en.htm.

(4)

De in punt 3 bedoelde publicatie betreft uitsluitend de maatregelen die in het kader van de interimprocedure als bestaande steun werden aangemerkt (1). Een aantal maatregelen is door de Commissie als bestaande steun erkend en reeds in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt (2). Die maatregelen zijn ook in deze publicatie opgenomen.

(5)

De betrokken nieuwe lidstaten werden van de desbetreffende besluiten van de Commissie in kennis gesteld via brieven van de bevoegde leden van de Commissie.


(1)  De volgende maatregelen zijn niet opgenomen: maatregelen ten aanzien waarvan de Commissie de formele onderzoekprocedure heeft ingeleid; maatregelen die gelden als niet meer van toepassing zijnde nà de toetreding of die niet vóór de toetreding in werking zijn getreden; maatregelen die beschouwd worden als niet zijnde staatssteun, en maatregelen waarvan de Commissie oordeelde dat zij slechts ten dele bestaande steun vormden en ten dele niet nà de toetreding van toepassing waren.

(2)  PB C 88 van 8.4.2004, blz. 2; PB C 87 van 11.4.2006, blz. 2, (Steunmaatregel CZ 45/2004).


21.9.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 227/7


Ontvangstbevestiging van klacht nummer 2006/4524 — SG(06)A/4107

(2006/C 227/04)

1.

De Europese Commissie heeft een klacht betreffende de procedure om in de stad Valencia, Spanje, een publiek-private onderneming op te richten, ontvangen en geregistreerd onder nummer 2006/4524 SG(06)A/4107.

2.

De Commissie heeft verschillende honderden exemplaren van deze klacht ontvangen. Zij maakt deze ontvangstbevestiging bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie en op de website Europa (http://ec.europa.eu/community_law/complaints/receipt/index_en.htm) teneinde de betrokkenen op de hoogte te houden en tegelijk de inzet van administratieve middelen te beperken.

3.

De Commissie zal de klacht onderzoeken in het licht van de geldende communautaire wetgeving. De klagers zullen via dezelfde informatiekanalen in kennis worden gesteld van de resultaten van het onderzoek van de Commissie en van de eventuele maatregelen die zij in aansluiting daarop zal nemen.

4.

De Commissie zal ernaar streven binnen twaalf maanden vanaf de datum van registratie van de klacht een besluit over de zaak te nemen (opening van inbreukprocedure of seponering van de klacht).

5.

De Commissie zal de rechten van de klagers beschermen door bij eventuele contacten met de autoriteiten van de lidstaat waartegen de klacht is gericht, hun identiteit niet bekend te maken. De klagers kunnen de Commissie evenwel uitdrukkelijk machtigen hun identiteit bij die contacten bekend te maken.


21.9.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 227/8


Opheffing door Frankrijk van de openbaredienstverplichtingen met betrekking tot geregelde luchtdiensten op de routes Aubagne — Marseille, Carcassonne — Parijs, La Rochelle — Parijs, Montbéliard — Parijs, Montpellier — Nantes, Pau — Madrid, Pau — Nantes, Reims — Clermont-Ferrand, Rennes — Lille en Toulon — Lyon

(2006/C 227/05)

(Voor de EER relevante tekst)

Frankrijk heeft besloten tot opheffing van de openbaredienstverplichtingen met betrekking tot de geregelde luchtdiensten op de verbindingen tussen:

1.

Aubagne en Marseille, als bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen C 350 van 30 december 1995;

2.

Carcassonne en Parijs, als bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen C 227 van 1 september 1995, gewijzigd op 29 december 1995 ( Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen C 349 van 14 juni 1997 (Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen C 180) en 20 november 2003(Publicatieblad van de Europese Unie C 279);

3.

La Rochelle en Parijs, als bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen C 18 van 22 januari 2002;

4.

Montbéliard en Parijs, als bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen C 350 van 30 december 1995;

5.

Montpellier en Nantes, als bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen C 123 van 26 april 1996;

6.

Pau en Madrid, als bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen C 240 van 15 september 1995;

7.

Pau en Nantes, als bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen C 188 van 28 juni 1996;

8.

Reims en Clermont-Ferrand, als bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen C 72 van 6 maart 2001;

9.

Rennes en Lille, als bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen C 151 van 25 mei 1996;

10.

Toulon en Lyon, als bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie C 22 van 27 januari 2004.


21.9.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 227/9


Besluit om geen bezwaar aan te tekenen tegen een aangemelde concentratie

(Zaak nr. COMP/M.4333 — NIBC/NPM/DELI UNIVERSAL)

(2006/C 227/06)

(Voor de EER relevante tekst)

Op 30 augustus 2006 heeft de Commissie besloten geen bezwaar aan te tekenen tegen bovenvermelde aangemelde concentratie en deze verenigbaar met de gemeenschappelijke markt te verklaren. Deze beschikking is gebaseerd op artikel 6, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad. De volledige tekst van de beschikking is slechts beschikbaar in het Engels en zal openbaar worden gemaakt na verwijdering van eventuele bedrijfsgeheimen. De tekst is beschikbaar:

op de website „concurrentie” van de Europese Commissie (http://ec.europa.eu/comm/competition/mergers/cases/). Deze website biedt verschillende mogelijkheden om individuele concentratiebeschikkingen op te zoeken, onder meer op bedrijfsnaam, nummer van de zaak, datum en sector;

in elektronische vorm op de EUR-Lex website onder documentnummer 32006M4333. EUR-Lex is het geïnformatiseerde documentatiesysteem voor de communautaire wetgeving. (http://ec.europa.eu/eur-lex/lex)


EUROPESE ECONOMISCHE RUIMTE

Toezichthoudende Autoriteit van de EVA

21.9.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 227/10


Mededeling van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA betreffende de samenwerking binnen het EVA-netwerk van mededingingsautoriteiten

(2006/C 227/07)

A.

Deze mededeling wordt overeenkomstig de voorschriften van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (hierna „de EER-Overeenkomst” genoemd) en de Overeenkomst tussen de EVA-Staten inzake de invoering van een Toezichthoudende Autoriteit en een Hof van Justitie (hierna „de Toezichtovereenkomst” genoemd) bekendgemaakt.

B.

De Europese Commissie (hierna „de Commissie” genoemd) heeft een mededeling betreffende de samenwerking binnen het netwerk van mededingingsautoriteiten bekendgemaakt (1). In dat niet-bindende besluit worden de beginselen uiteengezet die de Commissie op mededingingsgebied volgt. Daarin wordt ook uiteengezet hoe de samenwerking binnen het EU-netwerk van mededingingsautoriteiten naar verwachting zal verlopen.

C.

De Toezichthoudende Autoriteit van de EVA beschouwt het genoemde besluit als voor de EER relevant. Teneinde gelijke mededingingsvoorwaarden te handhaven en een uniforme toepassing van de EER-mededingingsvoorschriften in de hele Europese Economische Ruimte te verzekeren, stelt de Autoriteit deze mededeling vast uit hoofde van de haar bij artikel 5, lid 2, onder b), van de Toezichtovereenkomst verleende bevoegdheid. De Autoriteit is voornemens de in deze mededeling neergelegde beginselen en regels te volgen wanneer zij de betrokken EER-regels in een bepaalde zaak toepast (2).

D.

Doel van deze mededeling is met name uiteen te zetten hoe de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA met de mededingingsautoriteiten van de EVA-Staten (3) wil gaan samenwerken bij het toepassen van de artikelen 53 en 54 van de EER-Overeenkomst in individuele zaken. Ook wordt uiteengezet hoe de samenwerking binnen het EVA-netwerk van mededingingsautoriteiten naar verwachting zal verlopen.

E.

Deze mededeling vervangt de mededeling van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA betreffende de samenwerking tussen de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA en de mededingingsautoriteiten van de EVA-Staten bij de behandeling van onder de artikelen 53 en 54 van de EER-Overeenkomst vallende zaken (4).

F.

Deze mededeling is van toepassing op alle zaken waarvoor de Autoriteit uit hoofde van artikel 56 van de EER-Overeenkomst de bevoegde toezichthouder is.

1.   INLEIDING

1.

Bij Hoofdstuk II van Protocol 4 bij de Toezichtovereenkomst betreffende algemene procedureregels voor de uitvoering van de artikelen 53 en 54 van de EER-Overeenkomst (hierna „Hoofdstuk II” genoemd) (5) wordt een stelsel ingevoerd waarbij de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA en de mededingingsautoriteiten van de EVA-Staten (hierna „de nationale mededingingsautoriteiten” genoemd) (6) de artikelen 53 en 54 van de EER-Overeenkomst kunnen toepassen. De nationale mededingingsautoriteiten en de Autoriteit vormen tezamen een netwerk van openbare autoriteiten: zij handelen in het algemeen belang en werken nauw samen om de mededinging te vrijwaren. Het netwerk is een forum voor discussie en samenwerking met het oog op de toepassing en handhaving van het EER-mededingingsbeleid. Het biedt een kader voor de samenwerking tussen de EVA-mededingingsautoriteiten in zaken waarin de artikelen 53 en 54 van de EER-Overeenkomst worden toegepast, en vormt de grondslag voor de totstandbrenging en handhaving van een gemeenschappelijke mededingingscultuur in de EVA-Staten. Dit netwerk wordt het „EFTA Competition Network” genoemd.

2.

De structuur van de nationale mededingingsautoriteiten verschilt per EVA-Staat. In één EVA-Staat is er één instantie die zaken onderzoekt en besluiten neemt. In een andere EVA-Staat zijn deze taken verdeeld tussen twee instanties, waarvan er één met het onderzoek van de zaak is belast en de tweede (een college) verantwoordelijk is voor de besluitvorming in de zaak. Bovendien kunnen in één nationaal stelsel bepaalde soorten sancties alleen door een rechter worden opgelegd. Voorzover het algemene doeltreffendheidbeginsel in acht wordt genomen, kunnen de EVA-Staten op grond van artikel 40 van Hoofdstuk II bepalen welke instantie of instanties als nationale mededingingsautoriteiten worden aangewezen en hoe de taken tussen hen worden verdeeld. Krachtens de algemene beginselen van het EER-recht, en met name artikel 3 van de EER-Overeenkomst, zijn de EVA-Staten gehouden een sanctiestelsel in te voeren dat voorziet in doeltreffende, evenredige en afschrikwekkende sancties voor inbreuken op het EER-recht (7)  (8). Hebben de EVA-Staten weliswaar verschillende handhavingssystemen, toch erkennen de nationale mededingingsautoriteiten in de EVA, door het ondertekenen van een verklaring op het als bijlage aan deze mededeling gehechte formulier, wederzijds de normen van de regelingen van de andere lidstaten als basis voor samenwerking.

3.

Het netwerk van mededingingsautoriteiten dient voor een efficiënte taakverdeling en een doeltreffende en coherente toepassing van de EER-mededingingsregels te zorgen. In Hoofdstuk II worden de voornaamste beginselen van de werking van het netwerk uiteengezet. De nadere bijzonderheden zijn in deze mededeling te vinden.

4.

Raadplegingen en uitwisselingen binnen het netwerk zijn een zaak tussen de openbare handhavinginstanties en laten eventuele uit het EER- of nationale recht voortvloeiende rechten of verplichtingen van ondernemingen onverlet. Elke mededingingsautoriteit is ten volle verantwoordelijk voor de correcte afhandeling van de zaken die zij in behandeling heeft.

2.   TAAKVERDELING BINNEN DE EVA-PIJLER

2.1.   Toewijzingsbeginselen

5.

Hoofdstuk II is gebaseerd op een stelsel waarbij alle mededingingsautoriteiten bevoegd zijn artikel 53 of 54 van de EER-Overeenkomst toe te passen en verantwoordelijk zijn voor een doelmatige taakverdeling binnen de EVA-pijler ten aanzien van zaken waarvoor een onderzoek noodzakelijk wordt geacht. Tegelijkertijd behoudt elk lid van het netwerk ten volle de discretionaire bevoegdheid om te beslissen een zaak al dan niet te onderzoeken. Op grond van dit stelsel kunnen zaken worden behandeld door:

één enkele nationale mededingingsautoriteit, eventueel bijgestaan door nationale mededingingsautoriteiten van een andere EVA-Staat, of

verschillende nationale mededingingsautoriteiten in EVA-Staten die parallel optreden, of

de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA.

6.

In de meeste gevallen zal de autoriteit die een klacht ontvangt of ambtshalve een procedure inleidt (9), belast blijven met de zaak. Verwijzing van een zaak zal alleen worden overwogen bij het begin van een procedure (zie punt 18) wanneer ofwel deze autoriteit van mening is niet geschikt te zijn om de zaak te behandelen, ofwel andere autoriteiten van mening zijn dat ook zij geschikt zijn om de zaak te behandelen (zie punten 8 tot en met 14).

7.

Indien verwijzing noodzakelijk wordt geacht voor een doeltreffende bescherming van de mededinging en van het EER-belang, zullen de leden van het netwerk zoveel mogelijk trachten om in zo'n geval de zaak aan één enkele geschikte mededingingsautoriteit toe te wijzen (10). De verwijzing dient hoe dan ook snel en doelmatig te verlopen en het lopende onderzoek niet op te houden.

8.

Een autoriteit kan geschikt worden geacht een zaak te behandelen indien aan elk van de volgende drie voorwaarden is voldaan:

1)

de overeenkomst of gedraging heeft aanzienlijke rechtstreekse feitelijke of vermoedelijke gevolgen voor de mededinging op haar grondgebied, wordt op haar grondgebied ten uitvoer gelegd of heeft zich daar voor het eerst voorgedaan;

2)

de autoriteit kan de inbreuk daadwerkelijk volledig beëindigen, dit wil zeggen dat zij een administratief verbod kan uitvaardigen dat voldoende effect sorteert om een einde te maken aan de inbreuk en zij kan, zo nodig, de inbreuk naar behoren bestraffen;

3)

zij kan, eventueel bijgestaan door andere autoriteiten, het feitenmateriaal verzamelen dat nodig is om de inbreuk te bewijzen.

9.

Uit bovengenoemde criteria blijkt dat er een concreet verband moet bestaan tussen de inbreuk en het grondgebied van een EVA-Staat, wil de mededingingsautoriteit van die EVA-Staat geschikt worden geacht een zaak te behandelen. Het valt te verwachten dat de autoriteiten van die EVA-Staten waar de mededinging merkbaar wordt beïnvloed door een inbreuk, geschikt zullen zijn om de zaak te behandelen, mits zij door afzonderlijk dan wel parallel optreden daadwerkelijk een einde kunnen maken aan de inbreuk, tenzij de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA terzake beter is toegerust (zie punt 15).

10.

Hieruit volgt dat één enkele nationale mededingingsautoriteit gewoonlijk geschikt is om overeenkomsten of gedragingen te behandelen die de mededinging in hoofdzaak op haar grondgebied merkbaar beïnvloeden.

Voorbeeld 1:

Ondernemingen in EVA-Staat A zijn betrokken bij een prijskartel voor producten die hoofdzakelijk in EVA-Staat A worden verkocht.

De nationale mededingingsautoriteit in EVA-Staat A is geschikt om de zaak te behandelen.

11.

Verder kan het optreden van één nationale mededingingsautoriteit eveneens passend zijn wanneer een dergelijk optreden voldoende is om de volledige inbreuk te beëindigen, ook al kan meer dan één nationale mededingingsautoriteit geschikt worden geacht om de zaak te behandelen.

Voorbeeld 2:

Twee ondernemingen hebben een gemeenschappelijke onderneming opgericht in EVA-Staat A. De gemeenschappelijke onderneming verstrekt diensten in EVA-Staten A en B en levert problemen op voor de mededinging. Een administratief verbod wordt voldoende geacht om de zaak doeltreffend af te handelen omdat daarmee een eind kan worden gemaakt aan de hele inbreuk. Het feitenmateriaal bevindt zich hoofdzakelijk in het kantoor van de gemeenschappelijke onderneming in EVA-Staat A.

De nationale mededingingsautoriteiten in EVA-Staten A en B zijn beide geschikt om de zaak te behandelen, maar een afzonderlijk optreden door de nationale mededingingsautoriteit in EVA-Staat A zal voldoende en doeltreffender zijn dan een afzonderlijk optreden door de nationale mededingingsautoriteit in EVA-Staat B of een parallel optreden door beide nationale mededingingsautoriteiten.

12.

Een parallelle behandeling door meerdere nationale mededingingsautoriteiten kan passend zijn wanneer een overeenkomst of gedraging, in hoofdzaak op het grondgebied van deze autoriteiten, de mededinging merkbaar beïnvloedt en het optreden van één enkele nationale mededingingsautoriteit niet voldoende is om de volledige inbreuk te beëindigen en/of deze naar behoren te bestraffen.

Voorbeeld 3:

Twee ondernemingen sluiten een overeenkomst inzake de verdeling van de markt, waarbij de activiteiten van de onderneming in EVA-Staat A beperkt worden tot EVA-Staat A en de activiteiten van de onderneming in EVA-Staat B tot EVA-Staat B.

De nationale mededingingsautoriteiten in EVA-Staten A en B zijn de geschikte instanties om de zaak parallel te behandelen, elk voor hun respectieve grondgebied.

13.

De autoriteiten die een zaak in het kader van een parallel optreden behandelen, zullen trachten hun optreden zoveel mogelijk te coördineren. Daartoe kunnen zij het nuttig achten een van hen als leidende autoriteit aan te wijzen en bepaalde taken aan deze autoriteit te delegeren, zoals bijvoorbeeld de coördinatie van onderzoeksmaatregelen, met dien verstande dat elke autoriteit verantwoordelijk blijft voor het verloop van haar eigen procedures.

14.

Ook de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA is geschikt om een zaak te behandelen wanneer een of meer overeenkomsten of gedragingen, netwerken van soortgelijke overeenkomsten of gedragingen inbegrepen, in twee of meer EVA-Staten gevolgen hebben voor de mededinging (grensoverschrijdende markten die twee of meer EVA-Staten of verschillende nationale markten omvatten).

15.

Voorts is de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA bij uitstek geschikt om een zaak te behandelen wanneer deze nauw verband houdt met andere EER-bepalingen waarvoor de Autoriteit uitsluitend bevoegd is, of die door de Autoriteit doeltreffender kunnen worden toegepast, dan wel wanneer het EER-belang vereist dat er een besluit van de Autoriteit wordt vastgesteld teneinde het EER-mededingingsbeleid verder te ontwikkelen ter ondervanging van nieuwe mededingingsvraagstukken, of om een daadwerkelijke handhaving te waarborgen.

2.2.   Regelingen voor de samenwerking met het oog op de toewijzing van zaken en het verlenen van bijstand

2.2.1.   Verstrekken van informatie aan het begin van de procedure (artikel 11 van Hoofdstuk II)

16.

Teneinde na te gaan of er meerdere procedures zijn ingeleid en ervoor te zorgen dat zaken worden behandeld door een geschikte mededingingsautoriteit, dienen de leden van het netwerk in een vroeg stadium te worden ingelicht over de zaken die bij de verschillende mededingingsautoriteiten aanhangig zijn (11). Indien een zaak moet worden verwezen, is het namelijk in het belang van zowel het netwerk als de betrokken ondernemingen dat de verwijzing snel plaatsvindt.

17.

Hoofdstuk II voorziet in een regeling waarbij de mededingingsautoriteiten elkaar informeren teneinde ervoor te zorgen dat zaken efficiënt en snel worden verwezen. Op grond van artikel 11, lid 3, van Hoofdstuk II zijn de nationale mededingingsautoriteiten verplicht, wanneer zij op grond van artikel 53 of artikel 54 van de EER-Overeenkomst optreden, de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA vóór of onverwijld na het begin van de eerste formele onderzoeksmaatregel hiervan in kennis te stellen (12). In lid 3 wordt voorts bepaald dat de inlichtingen tevens ter beschikking kunnen worden gesteld van de andere nationale mededingingsautoriteiten. De nationale mededingingsautoriteiten zijn ook voornemens alle uit hoofde van artikel 11 uitgewisselde gegevens beschikbaar te stellen en gemakkelijk toegankelijk te maken voor alle leden van het netwerk. De bedoeling van artikel 11, lid 3, van Hoofdstuk II is om het netwerk in staat te stellen gevallen op te sporen waarin meerdere procedures zijn ingeleid en de problemen in verband met een mogelijke verwijzing aan te pakken zodra een autoriteit het onderzoek naar een zaak start. Derhalve dienen de nationale mededingingsautoriteiten en de Autoriteit te worden geïnformeerd voordat of net nadat een stap is genomen die vergelijkbaar is met de onderzoeksmaatregelen waartoe de Autoriteit kan overgaan overeenkomstig de artikelen 18 tot en met 21 van Hoofdstuk II. De Autoriteit heeft krachtens artikel 11, lid 2, van Hoofdstuk II een soortgelijke verplichting de nationale mededingingsautoriteiten in te lichten. De leden van het netwerk stellen elkaar op de hoogte van lopende zaken door middel van een standaardformulier dat beperkte informatie over de zaak bevat, zoals de autoriteit die de zaak behandelt, het product, de grondgebieden en de partijen in kwestie, de vermeende inbreuk, de vermoedelijke duur van de inbreuk en de oorsprong van de zaak. Zij stellen elkaar ook op de hoogte wanneer zich veranderingen van betekenis voordoen.

18.

Wanneer zich problemen inzake verwijzing voordoen, dienen deze onverwijld te worden opgelost, gewoonlijk binnen een periode van twee maanden vanaf de datum waarop de eerste informatie aan het netwerk werd toegezonden overeenkomstig artikel 11 van Hoofdstuk II. Tijdens deze periode zullen de mededingingsautoriteiten trachten tot een akkoord te komen over een mogelijke verwijzing en zonodig over een nadere regeling van een parallel optreden.

19.

De mededingingsautoriteit of -autoriteiten die aan het einde van de verwijzingsperiode met een zaak belast is of zijn, zal of zullen in de regel deze zaak verder behandelen tot het einde van de procedure. Verwijzing van een zaak na de eerste toewijzingsperiode van twee maanden dient alleen plaats te vinden indien de feiten die bekend zijn over de zaak, in de loop van de procedure wezenlijk veranderen.

2.2.2.   Schorsing of beëindiging van de procedure (artikel 13 van Hoofdstuk II)

20.

Indien dezelfde overeenkomst of feitelijke gedraging aan verschillende mededingingsautoriteiten is voorgelegd, hetzij omdat zij een klacht hebben ontvangen, hetzij omdat zij op eigen initiatief een procedure hebben ingeleid, biedt artikel 13 van Hoofdstuk II de rechtsgrondslag voor de schorsing van een procedure of de afwijzing van een klacht op grond van het feit dat een andere autoriteit de zaak reeds behandelt of behandeld heeft. De in dit artikel vervatte zinsnede „de zaak behandelt” betekent niet enkel dat er een klacht is ingediend bij een andere autoriteit: het betekent dat de andere autoriteit de zaak uit eigen naam onderzoekt of heeft onderzocht.

21.

Artikel 13 van Hoofdstuk II is van toepassing wanneer een andere autoriteit het door de klager naar voren gebrachte mededingingsvraagstuk heeft behandeld of behandelt, zelfs wanneer deze autoriteit is opgetreden of optreedt op basis van een klacht die door een andere klager is ingediend of naar aanleiding van een ambtshalve ingestelde procedure. Dit betekent dat er een beroep kan worden gedaan op artikel 13 van Hoofdstuk II indien de overeenkomst of feitelijke gedraging dezelfde inbreuk(en) betreft op dezelfde relevante geografische en productmarkten.

22.

Een nationale mededingingsautoriteit kan haar procedure schorsen of beëindigen, maar is hiertoe niet verplicht. Artikel 13 van Hoofdstuk II biedt ruimte om rekening te houden met de specifieke kenmerken van elke afzonderlijke zaak. Deze flexibiliteit is van belang: indien een klacht door een autoriteit werd afgewezen na een onderzoek naar de grond van de zaak, zal een andere autoriteit de zaak wellicht niet opnieuw willen onderzoeken. Wanneer dan weer een klacht om andere redenen werd afgewezen (bijvoorbeeld omdat de autoriteit niet de nodige bewijzen wist te verzamelen om de inbreuk aan te tonen), zal een andere autoriteit wellicht haar eigen onderzoek willen instellen en de zaak behandelen. Deze flexibiliteit komt ook tot uiting in de mogelijkheid die voor elke nationale mededingingsautoriteit openstaat om voor aanhangige zaken haar procedure te beëindigen of te schorsen. Een autoriteit zal wellicht niet genegen zijn om een zaak te beëindigen voordat de uitkomst van de procedure van een andere autoriteit duidelijk is. De mogelijkheid om haar procedure te schorsen stelt de autoriteit in staat om op een later tijdstip te besluiten haar procedure al dan niet te beëindigen. Een dergelijke flexibiliteit komt ook de consistente toepassing van de regels ten goede.

23.

Indien een autoriteit de procedure beëindigt of schorst omdat een andere autoriteit de zaak behandelt, kan zij, overeenkomstig artikel 12 van Hoofdstuk II, de door de klager verstrekte informatie overdragen aan de autoriteit die de zaak zal behandelen.

24.

Artikel 13 van Hoofdstuk II kan ook worden toegepast op een onderdeel van een klacht of van een procedure. Het kan zijn dat een klacht of een ambtshalve ingestelde procedure slechts ten dele een zaak overlapt die reeds door een andere mededingingsautoriteit is of wordt behandeld. In dat geval is de mededingingsautoriteit waarbij de klacht is ingediend, gerechtigd de klacht ten dele af te wijzen op grond van artikel 13 van Hoofdstuk II en de rest van de klacht op de aangewezen wijze te behandelen. Hetzelfde geldt voor het beëindigen van de procedure.

25.

Artikel 13 van Hoofdstuk II is niet de enige rechtsgrondslag voor de schorsing of het beëindigen van ambtshalve ingestelde procedures of voor de afwijzing van klachten. De nationale mededingingsautoriteiten kunnen dit recht ook ontlenen aan hun nationale procesrecht. De Toezichthoudende Autoriteit van de EVA kan een klacht ook afwijzen wegens gebrek aan een voldoende sterk belang uit hoofde van de EER-Overeenkomst of om andere redenen die met de aard van de klacht verband houden (13).

2.2.3.   Uitwisseling en gebruik van vertrouwelijke inlichtingen (artikel 12 van Hoofdstuk II)

26.

Een belangrijk aspect voor de werking van het netwerk is de bevoegdheid van alle mededingingsautoriteiten om informatie die door hen is verzameld met het oog op de toepassing van artikel 53 of 54 van de EER-Overeenkomst, uit te wisselen en te gebruiken (met inbegrip van documenten, verklaringen en digitale informatie). Deze bevoegdheid is een eerste voorwaarde voor een efficiënte en doelmatige toewijzing en behandeling van zaken.

27.

In artikel 12 van Hoofdstuk II is bepaald dat voor de toepassing van de artikelen 53 en 54 van de EER-Overeenkomst de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA en de mededingingsautoriteiten van de EVA-Staten de bevoegdheid hebben elkaar alle gegevens, zowel van feitelijke als van juridische aard, met inbegrip van vertrouwelijke inlichtingen, mee te delen en deze als bewijsmiddel te gebruiken. Dit betekent dat er niet alleen informatie kan worden uitgewisseld tussen een nationale mededingingsautoriteit en de Autoriteit, maar ook tussen nationale mededingingsautoriteiten onderling. Artikel 12 van Hoofdstuk II zou voorrang moeten hebben op iedere strijdige wetgeving van een EVA-Staat. De vraag of de informatie op rechtmatige wijze was verzameld door de toezendende autoriteit, wordt geregeld op grond van de voor die autoriteit geldende wetgeving. Bij de toezending van informatie kan de toezendende autoriteit de ontvangende autoriteit meedelen of de vergaring van informatie werd betwist of nog zou kunnen worden betwist.

28.

Aan de uitwisseling en het gebruik van informatie zijn in het bijzonder de volgende waarborgen voor ondernemingen en personen verbonden:

(a)

om te beginnen wordt in artikel 28 van Hoofdstuk II bepaald dat „de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA en de mededingingsautoriteiten van de EVA-Staat, hun functionarissen, personeelsleden en andere onder het toezicht van deze autoriteiten werkende personen […] geen inlichtingen openbaar maken die zij uit hoofde van” Protocol 4 bij de Toezichtovereenkomst of artikel 58 van de EER-Overeenkomst en Protocol 23 bij die overeenkomst „hebben verkregen of uitgewisseld en die naar hun aard onder de geheimhoudingsplicht vallen”. Het rechtmatige belang van ondernemingen bij de bescherming van hun bedrijfsgeheimen mag evenwel niet ten koste gaan van de openbaarmaking van informatie die nodig is om een inbreuk op de artikelen 53 en 54 van de EER-Overeenkomst aan te tonen. De term „geheimhoudingsplicht” die in artikel 28 van Hoofdstuk II wordt gebruikt, is een begrip dat ontleend is aan het EER-recht en dat met name betrekking heeft op bedrijfsgeheimen en andere vertrouwelijke gegevens. Aldus zal voor de hele EER een gemeenschappelijk minimumniveau van bescherming worden gecreëerd (14);

(b)

de tweede waarborg voor ondernemingen heeft betrekking op het gebruik van de inlichtingen die binnen het netwerk zijn uitgewisseld. Krachtens artikel 12, lid 2, van Hoofdstuk II kunnen de aldus uitgewisselde inlichtingen alleen als bewijsmiddel worden gebruikt voor de toepassing van de artikelen 53 en 54 van de EER-Overeenkomst en met betrekking tot het onderwerp waarvoor zij zijn verzameld (15). Op grond van artikel 12, lid 2, van Hoofdstuk II kunnen de uitgewisselde inlichtingen ook worden gehanteerd voor de parallelle toepassing van nationaal mededingingsrecht op dezelfde zaak. Dit is evenwel alleen mogelijk indien de toepassing van het nationale recht niet tot een ander resultaat leidt ten aanzien van de vaststelling van een inbreuk dan krachtens de artikelen 53 en 54 van de EER-Overeenkomst het geval zou zijn, en

(c)

de derde waarborg die bij Hoofdstuk II wordt verleend, betreft het opleggen van sancties aan personen op basis van de inlichtingen die krachtens artikel 12, lid 1, zijn uitgewisseld. Hoofdstuk II voorziet alleen in sancties voor ondernemingen wegens inbreuken op de artikelen 53 en 54 van de EER-Overeenkomst. In de wetgeving van sommige lidstaten zijn ook sancties voor natuurlijke personen voorzien in verband met inbreuken op de artikelen 53 en 54 van de EER-Overeenkomst. Natuurlijke personen genieten gewoonlijk uitgebreidere rechten van verdediging (bijvoorbeeld het zwijgrecht in vergelijking tot ondernemingen die alleen mogen weigeren vragen te beantwoorden wanneer dit zou leiden tot erkenning van een inbreuk (16)). Artikel 12, lid 3, van Hoofdstuk II waarborgt dat inlichtingen die van ondernemingen zijn verkregen, niet zodanig kunnen worden aangewend dat de hogere mate van bescherming die natuurlijke personen genieten, wordt omzeild. Met deze bepaling wordt voorkomen dat aan natuurlijke personen sancties worden opgelegd op basis van inlichtingen die krachtens Hoofdstuk II zijn uitgewisseld, indien de wetgevingen van de toezendende en de ontvangende autoriteit niet in sancties van soortgelijke aard voorzien ten aanzien van natuurlijke personen, tenzij de rechten van de betrokken persoon ten aanzien van het verzamelen van bewijsmateriaal door de toezendende autoriteit in dezelfde mate zijn geëerbiedigd als zij door de ontvangende autoriteit worden gewaarborgd. Voor de toepassing van artikel 12, lid 3, van Hoofdstuk II is het niet van belang of de sancties die in het nationale recht worden voorzien, onder het administratief recht of het strafrecht vallen. In Hoofdstuk II wordt getracht een onderscheid te maken tussen sancties die gevangenisstraffen behelzen, en andere soorten sancties zoals boetes voor natuurlijke personen en andere persoonlijke sancties. Indien het rechtsstelsel van zowel de toezendende als de ontvangende autoriteit in sancties van soortgelijke aard voorziet (bijvoorbeeld wanneer in beide EVA-Staten boetes kunnen worden opgelegd aan een personeelslid van een onderneming dat betrokken is geweest bij de inbreuk op artikel 53 of 54 van de EER-Overeenkomst), kan de informatie die krachtens artikel 12 van Hoofdstuk II is uitgewisseld, door de ontvangende autoriteit worden gebruikt. In dat geval worden de procedurele waarborgen van beide stelsels geacht gelijkwaardig te zijn. Indien daarentegen de beide rechtsstelsels niet in sancties van soortgelijke aard voorzien, kan de informatie alleen worden gebruikt indien in het desbetreffende geval dezelfde mate van bescherming voor de rechten van natuurlijke personen wordt geboden (zie artikel 12, lid 3, van Hoofdstuk II). In dat laatste geval kunnen gevangenisstraffen alleen worden opgelegd indien zowel de toezendende als de ontvangende autoriteit gerechtigd zijn een dergelijke straf op te leggen.

2.2.4.   Onderzoeken (artikel 22 van Hoofdstuk II)

29.

Hoofdstuk II voorziet in de mogelijkheid voor een nationale mededingingsautoriteit een andere nationale mededingingsautoriteit om bijstand te verzoeken bij het verzamelen van inlichtingen in haar naam. Een nationale mededingingsautoriteit kan een andere nationale mededingingsautoriteit verzoeken in haar naam onderzoeksmaatregelen uit te voeren. Op grond van artikel 12 van Hoofdstuk II kan de nationale mededingingsautoriteit die bijstand verleent, de door haar verzamelde inlichtingen toezenden aan de verzoekende nationale mededingingsautoriteit. Iedere uitwisseling tussen nationale mededingingsautoriteiten en het gebruik als bewijsmiddel door de verzoekende nationale mededingingsautoriteit van dergelijke inlichtingen dient te geschieden overeenkomstig artikel 12 van Hoofdstuk II. Wanneer een nationale mededingingsautoriteit namens een andere nationale mededingingsautoriteit optreedt, doet zij dit overeenkomstig haar eigen procedurevoorschriften en op grond van haar eigen onderzoeksbevoegdheden.

30.

Krachtens artikel 22, lid 2, van Hoofdstuk II kan de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA een nationale mededingingsautoriteit verzoeken namens haar een inspectie te verrichten. De Autoriteit kan ofwel een beschikking geven overeenkomstig artikel 20, lid 4, van Hoofdstuk II, ofwel gewoon een verzoek doen toekomen aan de nationale mededingingsautoriteit. De functionarissen van nationale mededingingsautoriteiten oefenen hun bevoegdheden uit overeenkomstig hun nationale wetgeving. De ambtenaren van de Autoriteit kunnen de nationale mededingingsautoriteit tijdens de inspectie bijstand verlenen.

2.3.   Positie van ondernemingen

2.3.1.   Algemeen

31.

Alle leden van het netwerk zullen trachten de toewijzing van zaken snel en efficiënt te laten verlopen. Aangezien bij Hoofdstuk II een stelsel is ingevoerd waarin zowel de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA als de nationale mededingingsautoriteiten in de EVA-Staten bevoegd zijn de artikelen 53 en 54 van de EER-Overeenkomst toe te passen, komt de toewijzing van zaken aan leden van het netwerk gewoonweg neer op een taakverdeling waarbij sommige autoriteiten ervan afzien om op te treden. De toewijzing van zaken schept derhalve geen individueel recht voor de ondernemingen die bij een inbreuk betrokken zijn of daardoor getroffen worden, dat hun zaak door een welbepaalde autoriteit zal worden behandeld.

32.

Indien een zaak wordt verwezen naar een bepaalde mededingingsautoriteit, dan is dat omdat de toepassing van de hierboven uiteengezette toewijzingscriteria tot de conclusie heeft geleid dat deze autoriteit geschikt is om de zaak alleen of door middel van een parallel optreden te behandelen. De mededingingsautoriteit waarnaar de zaak wordt verwezen, zou hoe dan ook in staat zijn geweest om ambtshalve een procedure in te leiden tegen de inbreuk.

33.

Voorts passen alle mededingingsautoriteiten het EER-mededingingsrecht toe, en in Hoofdstuk II is in regelingen voorzien die ervoor moeten zorgen dat de regels coherent worden toegepast.

34.

Indien een zaak binnen het netwerk wordt verwezen, worden de betrokken ondernemingen en de klager(s) hiervan zo spoedig mogelijk op de hoogte gesteld door de betrokken mededingingsautoriteiten.

2.3.2.   Positie van klagers

35.

Indien er overeenkomstig artikel 7 van Hoofdstuk II een klacht bij de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA wordt ingediend en indien de Autoriteit de klacht niet onderzoekt of de aangeklaagde overeenkomst of feitelijke gedraging niet verbiedt, heeft de klager recht op een beschikking waarbij zijn klacht wordt afgewezen, onverminderd het bepaalde in artikel 7, lid 3, van de Hoofdstuk III van Protocol 4 bij de Toezichtovereenkomst (17). De rechten van klagers die een klacht indienen bij een nationale mededingingsautoriteit, zijn geregeld bij het toepasselijke nationale recht.

36.

Voorts biedt artikel 13 van Hoofdstuk II alle nationale mededingingsautoriteiten de mogelijkheid om een klacht te schorsen of af te wijzen op grond van het feit dat een andere mededingingsautoriteit dezelfde zaak behandelt of heeft behandeld. Krachtens deze bepaling kan ook de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA een klacht afwijzen op grond van het feit dat een mededingingsautoriteit van een EVA-Staat de zaak behandelt of heeft behandeld. Artikel 12 van Hoofdstuk II staat de uitwisseling van inlichtingen tussen mededingingsautoriteiten binnen het netwerk toe, voorzover de waarborgen waarin door dat artikel wordt voorzien, in acht worden genomen (zie punt 27).

2.3.3.   Positie van degenen die een beroep doen op een clementieregeling

37.

De Toezichthoudende Autoriteit van de EVA is van oordeel (18) dat het in het EER-belang is om ondernemingen die met haar samenwerken bij het onderzoek naar kartelinbreuken, een gunstige behandeling te verlenen. Twee EVA-Staten hebben eveneens een clementieregeling (19) ingevoerd voor kartelonderzoeken. Het doel van deze clementieregelingen is om de opsporing door de mededingingsautoriteiten van kartelafspraken te vergemakkelijken en daardoor tevens de deelname aan onwettige kartels te ontmoedigen.

38.

Bij gebreke van een voor de hele EER geldend systeem van volledig geharmoniseerde clementieregelingen, mag een verzoek aan een bepaalde autoriteit om toepassing van de clementieregeling niet worden beschouwd als een clementieverzoek aan enig andere autoriteit. Het is derhalve in het belang van de aanvrager om een clementieverzoek in te dienen bij alle mededingingsautoriteiten die bevoegd zijn om artikel 53 van de EER-Overeenkomst toe te passen op het grondgebied waar de inbreuk van invloed is, en die geschikt kunnen worden bevonden om op te treden tegen de betrokken inbreuk (20). Aangezien het tijdstip van het beroep op de regeling van groot belang is bij de meeste bestaande clementieregelingen, dienen de aanvragers ook te overwegen of het dienstig is om aanvragen voor toepassing van de clementieregeling bij alle betrokken autoriteiten gelijktijdig in te dienen. Het is aan de aanvrager om de stappen te nemen die hij nodig acht om zijn positie te beschermen met het oog op mogelijke procedures van deze autoriteiten.

39.

Het gebruik en de overdracht van informatie verkregen als gevolg van een clementieregeling, wordt in artikel 11 ter van Hoofdstuk II geregeld. De leden van het netwerk zullen indieners van clementieverzoeken aanmoedigen toestemming te verlenen voor de overdracht van vrijwillig door de clementieverzoeker verstrekte gegevens en andere informatie als bedoeld in artikel 11 ter, lid 2, van Hoofdstuk II, met name wat betreft de overdracht aan autoriteiten waarbij de aanvrager een beroep op clementie zou kunnen doen.

3.   COHERENTE TOEPASSING VAN DE EER-MEDEDINGINGSREGELS (21)

3.1.   Samenwerkingsmechanisme (artikel 11, leden 4 en 5, van Hoofdstuk II)

40.

Hoofdstuk II heeft als doelstelling dat de artikelen 53 en 54 van de EER-Overeenkomst in de hele EER coherent worden toegepast. In dit verband houden de nationale mededingingsautoriteiten zich aan de convergentieregel die vervat is in artikel 3, lid 2, van Hoofdstuk II. Overeenkomstig artikel 16, lid 2, kunnen zij — wanneer zij artikel 53 of 54 van de EER-Overeenkomst toepassen op overeenkomsten, besluiten of gedragingen die reeds het voorwerp uitmaken van een beschikking van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA — geen beslissingen nemen die in strijd zijn met de door de Autoriteit gegeven beschikking. De Autoriteit heeft de uiteindelijke (22), maar niet uitsluitende verantwoordelijkheid voor de ontwikkeling van beleid en voor de waarborging van een consequente toepassing van het EER-mededingingsrecht.

41.

In artikel 11, lid 4, van Hoofdstuk II is bepaald dat de nationale mededingingsautoriteiten, uiterlijk 30 dagen vóór het aannemen uit hoofde van artikel 53 of 54 van de EER-Overeenkomst van een beslissing tot beëindiging van een inbreuk, een beslissing tot aanvaarding van toezeggingen of een beslissing tot intrekking van een groepsvrijstelling, de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA daarvan in kennis stellen. Zij dienen de Autoriteit uiterlijk 30 dagen vóór het aannemen van de beslissing, een samenvatting van de zaak, de beoogde beslissing of, bij ontstentenis daarvan, elk ander document waarin het voorgestelde optreden wordt aangegeven, ter beschikking te stellen.

42.

Evenals bij artikel 11, lid 3, van Hoofdstuk II bestaat er de verplichting om de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA in kennis te stellen, maar de nationale mededingingsautoriteit die de Autoriteit in kennis stelt, kan de informatie delen met de andere leden van het netwerk.

43.

Wanneer een nationale mededingingsautoriteit de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA overeenkomstig artikel 11, lid 4, van Hoofdstuk II in kennis heeft gesteld en de termijn van 30 dagen is verstreken, kan de beslissing worden aangenomen voorzover de Autoriteit geen procedure heeft ingeleid. De Autoriteit kan schriftelijke opmerkingen over de zaak maken voordat de nationale mededingingsautoriteit de beslissing aanneemt. De nationale mededingingsautoriteit en de Autoriteit zullen het nodige in het werk stellen om de consistente toepassing van het EER-recht te verzekeren (zie punt 3).

44.

Indien bijzondere omstandigheden vereisen dat er binnen minder dan 30 dagen na de toezending van inlichtingen overeenkomstig artikel 11, lid 4, van Hoofdstuk II een nationale beslissing wordt aangenomen, kan de betrokken nationale mededingingsautoriteit de Autoriteit verzoeken sneller te reageren. De Autoriteit zal trachten zo snel mogelijk te handelen.

45.

Andere soorten beslissingen — bijvoorbeeld beslissingen tot afwijzing van klachten, beslissingen tot afsluiting van een ambtshalve ingestelde procedure of beslissingen waarbij voorlopige maatregelen worden gelast — kunnen uit oogpunt van het mededingingsbeleid eveneens belangrijk zijn; de leden van het netwerk kunnen er daarom belang bij hebben deze aan elkaar ter kennis te brengen en eventueel te bespreken. De nationale mededingingsautoriteiten kunnen derhalve, op grond van artikel 11, lid 5, van Hoofdstuk II, de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA en aldus het netwerk in kennis stellen van iedere andere zaak waarin het EER-mededingingsrecht wordt toegepast.

46.

Alle leden van het netwerk dienen elkaar in kennis te stellen van de beëindiging van door hen gevoerde procedures die krachtens artikel 11, leden 2 en 3, van Hoofdstuk II aan het netwerk ter kennis zijn gebracht.

3.2.   De inleiding van de procedure door de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA krachtens artikel 11, lid 6, van Hoofdstuk II

47.

De Toezichthoudende Autoriteit van de EVA werd ingevolge artikel 55, lid 1, van het EER-Overeenkomst belast met de taak om over de toepassing van de in de artikelen 53 en 54 van de EER-Overeenkomst neergelegde beginselen te waken, om de oriëntatie van het EER-mededingingsbeleid te bepalen en uit te voeren (23)  (24). Mits artikel 56 van de EER-Overeenkomst wordt nageleefd, kan de Autoriteit te allen tijde individuele beschikkingen op grond van de artikelen 53 en 54 van de EER-Overeenkomst geven.

48.

In artikel 11, lid 6, van Hoofdstuk II is bepaald dat wanneer de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA een procedure begint die tot het geven van een beschikking op grond van Hoofdstuk II moet leiden, dit alle nationale mededingingsautoriteiten hun bevoegdheid ontneemt tot toepassing van de artikelen 53 en 54 van de EER-Overeenkomst. Dit betekent dat, wanneer de Autoriteit eenmaal een procedure heeft ingeleid, de nationale mededingingsautoriteiten niet op basis van dezelfde rechtsgrondslag kunnen optreden tegen dezelfde overeenkomst(en) of feitelijke gedraging(en) door dezelfde onderneming(en) op dezelfde relevante geografische en productmarkt.

49.

De inleiding van een procedure door de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA is een formele handeling (25) waarbij de Autoriteit haar voornemen te kennen geeft om een beschikking krachtens deel III van Hoofdstuk II te geven. Dit kan in elk stadium van het onderzoek van de zaak door de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA gebeuren. Het enkele feit dat de Autoriteit een klacht heeft ontvangen, is niet voldoende om de nationale mededingingsautoriteiten van hun bevoegdheid te ontheffen.

50.

Er kunnen zich twee situaties voordoen. Allereerst, wanneer de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA de eerste mededingingsautoriteit is die een procedure inleidt in een zaak die tot het geven van een beschikking op grond van Hoofdstuk II moet leiden, mogen de nationale mededingingsautoriteiten de zaak niet langer behandelen. In artikel 11, lid 6, van Hoofdstuk II wordt bepaald dat wanneer de Commissie eenmaal een procedure begint, de nationale mededingingsautoriteiten niet langer hun eigen procedure kunnen starten met het oog op de toepassing van de artikelen 53 en 54 van de EER-Overeenkomst op dezelfde overeenkomst(en) of feitelijke gedraging(en) door dezelfde onderneming(en) op dezelfde geografische en productmarkt.

51.

De tweede situatie doet zich voor wanneer een of meer nationale mededingingsautoriteiten het netwerk overeenkomstig artikel 11, lid 3, van Hoofdstuk II ter kennis hebben gebracht dat zij een bepaalde zaak in behandeling hebben genomen. Tijdens de eerste toewijzingsperiode (indicatieve duur van twee maanden, zie punt 18) kan de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA na overleg met de betrokken autoriteiten een procedure inleiden die de gevolgen van artikel 11, lid 6, van Hoofdstuk II teweegbrengt. Na de toewijzingsfase zal de Autoriteit in beginsel alleen artikel 11, lid 6, van Hoofdstuk II toepassen indien zich een van de volgende situaties voordoet:

a)

leden van het netwerk overwegen in dezelfde zaak onderling strijdige beslissingen;

b)

leden van het netwerk overwegen een beslissing die klaarblijkelijk in strijd is met vaste rechtspraak. De criteria die in de arresten van de communautaire rechtscolleges en het EVA-Hof, in eerdere beschikkingen van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA (26) en in verordeningen van de Commissie zoals die in de EER-Overeenkomst zijn opgenomen, dienen daarbij als maatstaf te worden gebruikt. Wat betreft de beoordeling van de feiten (bijvoorbeeld marktomschrijving), zal alleen een belangrijk meningsverschil aanleiding geven tot een optreden van de Autoriteit;

c)

een of meer leden van het netwerk laten de procedures in de zaak onnodig aanslepen;

d)

er is behoefte aan een beschikking van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA om de beginselen van het EER-mededingingsbeleid verder te ontwikkelen, met name wanneer zich in verschillende EVA-Staten een vergelijkbaar mededingingsvraagstuk voordoet, of om een doeltreffende handhaving te verzekeren;

e)

de betrokken nationale mededingingsautoriteit of mededingingsautoriteiten maakt of maken hiertegen geen bezwaar.

52.

Indien een nationale mededingingsautoriteit een zaak reeds in behandeling heeft genomen, dan licht de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA haar beweegredenen voor de toepassing van artikel 11, lid 6, van Hoofdstuk II schriftelijk toe aan de betrokken nationale mededingingsautoriteit, alsmede aan de overige leden van het netwerk.

53.

De Toezichthoudende Autoriteit van de EVA brengt het netwerk tijdig op de hoogte van haar voornemen om artikel 11, lid 6, van Hoofdstuk II toe te passen, zodat de leden van het netwerk om een vergadering van het Adviescomité over de zaak kunnen verzoeken alvorens de Autoriteit de procedure inleidt.

54.

De Toezichthoudende Autoriteit van de EVA zal gewoonlijk niet — en voorzover het EER-belang niet in het geding is — een beschikking geven die strijdig is met een beslissing van een nationale mededingingsautoriteit nadat zij naar behoren in kennis is gesteld overeenkomstig artikel 11, leden 3 en 4, van Hoofdstuk II en de Autoriteit geen gebruik heeft gemaakt van artikel 11, lid 6, van Hoofdstuk II.

4.   DE ROL EN DE WERKING VAN HET ADVIESCOMITÉ IN HET NIEUWE STELSEL

55.

Het Adviescomité is het forum waar deskundigen van de verschillende mededingingsautoriteiten individuele zaken en algemene vraagstukken van het EER-mededingingsrecht bespreken (27).

4.1.   Omvang van de raadpleging

4.1.1.   Beschikkingen van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA

56.

Het Adviescomité wordt geraadpleegd alvorens de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA een beschikking geeft overeenkomstig de artikelen 7, 8, 9, 10 en 23, artikel 24, lid 2, of artikel 29, lid 1, van Hoofdstuk II. De Autoriteit moet zoveel mogelijk rekening houden met het door het Adviescomité uitgebrachte advies en zij moet het comité op de hoogte brengen van de wijze waarop zij rekening heeft gehouden met zijn advies.

57.

Voor beschikkingen waarbij voorlopige maatregelen worden aangenomen, wordt het Adviescomité geraadpleegd volgens een snellere en minder omvattende procedure op basis van een korte toelichting en het dispositief van de beschikking.

4.1.2.   Beschikkingen van nationale mededingingsautoriteiten

58.

Het is in het belang van het netwerk dat belangrijke zaken die door de nationale mededingingsautoriteiten krachtens de artikelen 53 en 54 van de EER-Overeenkomst worden behandeld, in het Adviescomité kunnen worden besproken. Hoofdstuk II biedt de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA de mogelijkheid om een zaak die door een nationale mededingingsautoriteit wordt behandeld, op de agenda van het Adviescomité te plaatsen. Bespreking kan geschieden op verzoek van de Autoriteit of van een EVA-Staat. In beide gevallen zal de Autoriteit de zaak op de agenda plaatsen na de betrokken nationale mededingingsautoriteit of mededingingsautoriteiten hiervan op de hoogte te hebben gebracht. Deze bespreking in het Adviescomité zal niet tot een formeel advies leiden.

59.

In belangrijke zaken kan het Adviescomité ook als forum fungeren voor besprekingen over de toewijzing van zaken. In het bijzonder wanneer de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA voornemens is om artikel 11, lid 6, van Hoofdstuk II toe te passen na de eerste toewijzingsperiode, kan de zaak in het Adviescomité worden besproken alvorens de Autoriteit de procedure inleidt. Het Adviescomité kan hierover een informele verklaring afleggen.

4.1.3.   Uitvoeringsmaatregelen, aanbevelingen, richtsnoeren en andere mededelingen (artikel 33 van Hoofdstuk II)

60.

Het Adviescomité wordt geraadpleegd over ontwerp-aanbevelingen van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA betreffende de buitentoepassingverklaring van artikel 53, lid 3, van de EER-Overeenkomst als bedoeld in Bijlage XIV bij de EER-Overeenkomst (28).

61.

Afgezien van aanbevelingen kan de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA ook mededelingen en richtsnoeren aannemen. Dit zijn flexibelere instrumenten die heel nuttig zijn om het beleid van de Autoriteit uiteen te zetten en aan te kondigen, en om haar interpretatie van de mededingingsregels toe te lichten. Het Adviescomité wordt ook over deze mededelingen en richtsnoeren geraadpleegd.

4.2.   Procedure

4.2.1.   Normale procedure

62.

Bij raadplegingen over ontwerp-beschikkingen van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA vindt de vergadering van het Adviescomité ten vroegste 14 dagen na de verzending door de Autoriteit van de uitnodiging voor de vergadering plaats. Bij de uitnodiging voegt de Autoriteit een samenvatting van de zaak, een lijst van de belangrijkste documenten (de documenten dus die nodig zijn voor de beoordeling van de zaak) en een ontwerp-beschikking. Het Adviescomité brengt advies uit over de ontwerp-beschikking van de Autoriteit. Op verzoek van een of meer leden wordt het advies met redenen omkleed.

63.

Hoofdstuk II voorziet in de mogelijkheid voor de EVA-Staten om in te stemmen met een kortere termijn tussen de verzending van de uitnodiging en de vergadering.

4.2.2.   Schriftelijke procedure

64.

In Hoofdstuk II is in de mogelijkheid van een schriftelijke raadplegingsprocedure voorzien. Indien geen van de EVA-Staten bezwaar maakt, kan de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA de EVA-Staten raadplegen door hun de documenten toe te zenden en een termijn vast te stellen waarbinnen zij hun opmerkingen over het ontwerp kunnen maken. Deze termijn bedraagt gewoonlijk ten minste 14 dagen, behalve bij beschikkingen tot vaststelling van voorlopige maatregelen overeenkomstig artikel 8 van Hoofdstuk II. Indien een EVA-Staat daarom verzoekt, zal de Autoriteit een vergadering beleggen.

4.3.   Bekendmaking van het advies van het Adviescomité

65.

Het Adviescomité kan de bekendmaking van zijn advies aanbevelen. In dat geval zal de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA het tegelijk met de beschikking bekendmaken, waarbij zij rekening zal houden met het wettige belang van ondernemingen bij de bescherming van hun bedrijfsgeheimen.

5.   SLOTOPMERKINGEN

66.

Deze mededeling laat iedere uitlegging van de toepasselijke bepalingen van de EER-Overeenkomst en andere wettelijke bepalingen door de communautaire rechtscolleges en het EVA-Hof onverlet.

67.

Deze mededeling zal aan een periodiek onderzoek door de nationale mededingingsautoriteiten en de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA worden onderworpen. Op basis van de opgedane ervaring zal deze ten laatste aan het einde van het derde jaar na de goedkeuring ervan worden herzien.

68.

Deze mededeling vervangt de in 2000 gepubliceerde mededeling van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA betreffende de samenwerking tussen de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA en de mededingingsautoriteiten van de EVA-Staten bij de behandeling van onder de artikelen 53 en 54 van de EER-Overeenkomst vallende zaken (29).

6.   VERKLARING VAN DE ANDERE LEDEN VAN HET NETWERK

69.

Ook de mededingingsautoriteiten van de EVA-Staten die een verklaring in de vorm van de bijlage bij deze mededeling hebben ondertekend, zullen zich aan de in deze mededeling vervatte beginselen houden. Hierin nemen zij nota van de beginselen van deze mededeling en verklaren zij zich hieraan te zullen houden. Een lijst van deze autoriteiten wordt op de website van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA gepubliceerd en zo nodig bijgewerkt.


(1)  PB C 101 van 27.4.2004, blz. 43.

(2)  De bevoegdheid individuele zaken te behandelen die onder de artikelen 53 en 54 van de EER-Overeenkomst vallen, is verdeeld tussen de Toezichthoudende Autoriteit en de Commissie volgens de in artikel 56 van de EER-Overeenkomst vastgestelde regels. Slechts één van de beide toezichthouders is bevoegd een bepaalde zaak te behandelen.

(3)  Aangetekend zij hier dat, overeenkomstig artikel 41 van Hoofdstuk II bij Protocol 4 bij de Toezichtovereenkomst, Liechtenstein niet verplicht is een mededingingsautoriteit op te richten. Totdat Liechtenstein besluit een nationale autoriteit de bevoegdheid te verlenen de artikelen 53 en 54 van de EER-Overeenkomst toe te passen, neemt het Liechtensteinse Amt für Volkswirtschaft deel aan het EFTA Competition Network. Het Amt is niet bevoegd de artikelen 53 en 54 van de EER-Overeenkomst toe te passen, noch kan het in naam van een andere nationale mededingingsautoriteit in de EVA inlichtingen verzamelen of onderzoeksmaatregelen uitvoeren.

(4)  PB C 307 van 26.10.2000, blz. 6, en EER-Supplement bij het PB nr. 61 van 21.12.2000, blz. 5.

(5)  Na de inwerkingtreding van de overeenkomst houdende wijziging van Protocol 4 bij de Overeenkomst tussen de EVA-Staten betreffende de oprichting van een Toezichthoudende Autoriteit en een Hof van Justitie van 24 september 2004, zal Verordening (EG) nr. 1/2003 (PB L 1 van 4.1.2003, blz. 1) met Hoofdstuk II van Protocol 4 bij de Toezichtovereenkomst in ruime mate in de EVA-pijler zijn weerspiegeld.

(6)  In deze mededeling wordt naar de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA en de nationale mededingingsautoriteiten tezamen verwezen als „de mededingingsautoriteiten”.

(7)  Cf. zaak 68/88, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1989, blz. 2965, punten 23, 24 en 25. In artikel 6 van de EER-Overeenkomst is bepaald dat, onverminderd de toekomstige ontwikkelingen van de jurisprudentie, de bepalingen van de EER-Overeenkomst, voorzover zij in essentie gelijk zijn aan de overeenkomstige regels van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en de ter uitvoering van deze twee Verdragen aangenomen besluiten, wat de tenuitvoerlegging en toepassing betreft, worden uitgelegd overeenkomstig de desbetreffende uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen daterende van vóór de ondertekening van de EER-Overeenkomst. Wat de desbetreffende uitspraken daterende van nà de ondertekening van de EER-Overeenkomst betreft, volgt uit artikel 3, lid 2, van de Toezichtovereenkomst dat de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA en het EVA-Hof rekening moeten houden met de in die uitspraken vervatte beginselen.

(8)  Zoals in voetnoot 3 werd aangegeven, is Liechtenstein niet verplicht een mededingingsautoriteit aan te wijzen.

(9)  In deze mededeling wordt de term „procedure” gebruikt voor onderzoeken en/of officiële procedures met het oog op het geven van een beschikking overeenkomstig Hoofdstuk II, welke, naar gelang het geval, door een nationale mededingingsautoriteit of de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA worden verricht of ingeleid.

(10)  Overeenkomstig overweging 18 bij Verordening (EG) nr. 1/2003 „[moet], opdat de meest geschikte autoriteiten binnen het netwerk de zaken zouden behandelen, in een algemene bepaling worden vastgelegd dat een mededingingsautoriteit een procedure kan opschorten of afsluiten op grond van het feit dat een andere autoriteit dezelfde zaak behandelt of heeft behandeld, zodat elke zaak door slechts één autoriteit wordt behandeld. Deze bepaling mag niet afdoen aan de in de rechtspraak van het Hof van Justitie erkende mogelijkheid voor de Commissie een klacht wegens het ontbreken van belang voor de Gemeenschap af te wijzen, ook wanneer geen enkele andere mededingingsautoriteit het voornemen te kennen heeft gegeven de zaak in behandeling te nemen.” Evenals bij Verordening (EG) nr. 1/2003, wordt ook door Hoofdstuk II voorzien in de mogelijkheid dat een mededingingsautoriteit een zaak opschort of afsluit op grond van het feit dat een andere autoriteit dezelfde zaak behandelt of heeft behandeld. In de lijn van overweging 18 bij Verordening (EG) nr. 1/2003, is de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA van oordeel dat zij een klacht kan verwerpen bij gebreke van voldoende sterk belang uit hoofde van de EER-Overeenkomst, en dat zulks mogelijk is zelfs wanneer geen andere mededingingsautoriteit heeft aangegeven dat zij voornemens is de zaak te behandelen.

(11)  Voor zaken die na het indienen van een clementieverzoek aanhangig zijn gemaakt, zie punt 37 e.v.

(12)  Ingevolge artikel 11, lid 3, van Hoofdstuk II verstrekte gegevens worden ook naar de Commissie doorgeleid, in overeenstemming met de verplichtingen van de Autoriteit uit hoofde van artikel 2, lid 2, van Protocol 23 bij de EER-Overeenkomst.

(13)  Zie de mededeling van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA betreffende de behandeling van klachten (nog niet bekendgemaakt).

(14)  Artikel 10, lid 2, van Protocol 23 bij de EER-Overeenkomst garandeert dat ook gegevens die overeenkomstig dat Protocol worden uitgewisseld, onder de geheimhoudingsplicht vallen.

(15)  Zie zaak 85/87, Dow Benelux, Jurispr. 1989, blz. 3137, punten 17-20

(16)  Zie zaak 374/87, Orkem, Jurispr. 1989, blz. 3283, en zaak T-112/98, Mannesmannröhren-Werke AG, Jurispr. 2001, blz. II-729.

(17)  Nadat de overeenkomst houdende wijziging van Protocol 4 bij de Overeenkomst tussen de EVA-Staten betreffende de oprichting van een Toezichthoudende Autoriteit en een Hof van Justitie van 3 december per 1 juli 2005 van kracht is geworden, is Verordening (EG) nr. 773/2004 van de Commissie van 7 april 2004 (PB L 123 van 27.4.2004, blz. 18) in Hoofdstuk III van Protocol 4 bij de Toezichtovereenkomst weerspiegeld.

(18)  PB C 10 van 16.1.2003, blz. 13 en EER-Supplement bij het PB nr. 3 van 16.1.2003, blz. 1 (mededeling betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken).

(19)  In deze mededeling wordt de term „clementieregeling” gebruikt om alle regelingen aan te duiden (met inbegrip van de regeling van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA) op grond waarvan hetzij volledige immuniteit wordt verleend hetzij een aanzienlijke vermindering van de geldboeten die anders zouden zijn opgelegd aan een karteldeelnemer, in ruil voor de vrijwillige verstrekking van inlichtingen over het kartel, vóór of tijdens het stadium van het onderzoek van de zaak, mits aan bepaalde criteria wordt voldaan. De term slaat niet op strafverminderingen die om andere redenen worden verleend. De Toezichthoudende Autoriteit van de EVA zal op haar website een lijst publiceren van de autoriteiten die een clementieregeling toepassen.

(20)  Zie punten 8 tot 15.

(21)  Op grond van artikel 15 van Hoofdstuk II kunnen de nationale mededingingsautoriteiten en de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA schriftelijke en, met de toestemming van de rechterlijke instantie, mondelinge opmerkingen maken tijdens procedures tot toepassing van de artikelen 53 en 54 van de EER-Overeenkomst. Dit is een heel belangrijk instrument om een consistente toepassing van de EER-regels te verzekeren. Bij de uitoefening van deze bevoegdheid zullen de nationale mededingingsautoriteiten en de Autoriteit nauw samenwerken.

(22)  Deze uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de ontwikkeling van het beleid en het veiligstellen van de coherentie wat betreft de toepassing van het EER-mededingingsrecht wordt, overeenkomstig de regels inzake bevoegdheidsverdeling van artikel 56 van de EER-Overeenkomst, met de Commissie gedeeld.

(23)  Deze taak wordt met de Commissie gedeeld overeenkomstig de bevoegdheidsregels van artikel 56 van de EER-Overeenkomst.

(24)  Zie zaak C-344/98, Masterfoods Ltd, Jurispr. 2000, blz. I-11369.

(25)  Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft dit begrip gedefinieerd in zaak 48/72, NV Brasserie de Haecht, Jurispr. 1973, blz. 77: „het inleiden van een procedure in de zin van artikel 9 van Verordening nr. 17 doelt op een gezagshandeling van de Commissie, waaruit haar wil blijkt een beschikking te treffen”.

(26)  De mededingingsautoriteiten zouden ook met de eerdere beschikkingen van de Commissie rekening moeten houden.

(27)  Wanneer er horizontale vraagstukken zoals richtsnoeren en aanbevelingen worden besproken, kunnen de EVA-Staten overeenkomstig artikel 14, lid 2, van Hoofdstuk II een extra, voor mededingingszaken bevoegde vertegenwoordiger aanwijzen die niet noodzakelijkerwijs tot de mededingingsautoriteit behoort.

(28)  Zie bv. punten 2 en 4b van Bijlage XIV bij de EER-Overeenkomst, gewijzigd bij Besluit van het Gemengd Comité van de EER Nr. 29/2004 van 19 maart 2004, PB L 127 van 29.4.2004, blz. 137 en EER-Supplement bij het PB nr. 22 van 29.4.2004, blz. 16 (tot wijziging van bijlage XIV (Mededinging) bij de EER-Overeenkomst — Toevoeging van aanpassingen aan Verordening (EG) nr. 2790/1999 van de Commissie en Verordening (EG) nr. 1400/2002 van de Commissie).

(29)  PB C 307 van 26.10.2000, blz. 6 en EER-Supplement bij het PB nr. 61 van 21.12.2000, blz. 5.


BIJLAGE

VERKLARING INZAKE DE MEDEDELING VAN DE TOEZICHTHOUDENDE AUTORITEIT VAN DE EVA BETREFFENDE DE SAMENWERKING BINNEN HET NETWERK VAN MEDEDINGINGSAUTORITEITEN

Met het oog op een nauwe samenwerking ter bescherming van de mededinging binnen de EER in het belang van de consumenten:

(1)

onderschrijft de ondertekenende mededingingsautoriteit de beginselen die vervat zijn in de mededeling van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA betreffende de samenwerking binnen het netwerk van mededingingsautoriteiten, en

(2)

verklaart zij zich aan deze beginselen te zullen houden in iedere zaak waarin zij optreedt of kan optreden en waarop deze beginselen van toepassing zijn.

 

(plaats)

 

(datum)