ISSN 1725-2474

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 194

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

49e jaargang
18 augustus 2006


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

I   Mededelingen

 

Commissie

2006/C 194/1

Wisselkoersen van de euro

1

2006/C 194/2

Communautaire richtsnoeren inzake staatssteun ter bevordering van risicokapitaalinvesteringen in kleine en middelgrote ondernemingen ( 1 )

2

2006/C 194/3

Steunmaatregelen van de Staten — Slovenië — Staatssteunmaatregel nr. C 20/2006 (ex NN 30/2006) — Vermeende staatssteun voor Novoles Straža — Uitnodiging overeenkomstig artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag om opmerkingen te maken ( 1 )

22

2006/C 194/4

Steunmaatregelen van de Staten — Slovenië — Staatssteunmaatregel nr. C 19/2006 (ex NN 29/2006) — Vermeende staatssteun voor Javor Pivka — Uitnodiging overeenkomstig artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag om opmerkingen te maken ( 1 )

26

2006/C 194/5

Steunmaatregelen van de Staten — Slowakije — Steunmaatregel nr. C 21/2006 (ex N 635/2005) — Regionale steun aan scheepswerf Slovenské lodenice Komárno — Uitnodiging overeenkomstig artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag opmerkingen te maken ( 1 )

30

2006/C 194/6

Steunmaatregelen van de Staten — Duitsland — Steunmaatregelen van de Staten C 25/2006 (ex E 1/2006) — Richtsnoeren inzake regionale steun voor 2007-2013 — Niet-aanvaarding door de lidstaat van dienstige maatregelen — Inleiding van de formele onderzoekprocedure overeenkomstig artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag — Uitnodiging overeenkomstig artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag opmerkingen te maken ( 1 )

35

2006/C 194/7

Bekendmaking van de aanpassing van bepaalde bedragen genoemd in de levens- en schadeverzekeringsrichtlijnen aan de inflatie

38

2006/C 194/8

Saneringsmaatregel — Beslissing tot een saneringsmaatregel ten aanzien van Faro Compagnia di Assicurazioni e Riassicurazioni s.p.a. (Openbaarmaking overeenkomstig artikel 6 van Richtlijn 2001/17/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2001 betreffende de sanering en liquidatie van verzekeringsondernemingen)

39

2006/C 194/9

Besluit om geen bezwaar aan te tekenen tegen een aangemelde concentratie (Zaak nr. COMP/M.4207 — Campina/Fonterra Co-operative Group/JV) ( 1 )

40

 

III   Bekendmakingen

 

Commissie

2006/C 194/0

Oproep tot het indienen van voorstellen — DG EAC nr. 45/06 — Toekenning van subsidies voor het opzetten en het ontwikkelen van platforms en maatregelen met het oog op de bevordering en de ondersteuning van de mobiliteit van leerlingen en andere jongeren die een initiële beroepsopleiding volgen

41

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

 


I Mededelingen

Commissie

18.8.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/1


Wisselkoersen van de euro (1)

17 augustus 2006

(2006/C 194/01)

1 euro=

 

Munteenheid

Koers

USD

US-dollar

1,2879

JPY

Japanse yen

148,56

DKK

Deense kroon

7,4616

GBP

Pond sterling

0,67910

SEK

Zweedse kroon

9,1940

CHF

Zwitserse frank

1,5779

ISK

IJslandse kroon

88,64

NOK

Noorse kroon

8,0780

BGN

Bulgaarse lev

1,9558

CYP

Cypriotische pond

0,5759

CZK

Tsjechische koruna

28,024

EEK

Estlandse kroon

15,6466

HUF

Hongaarse forint

274,05

LTL

Litouwse litas

3,4528

LVL

Letlandse lat

0,6959

MTL

Maltese lira

0,4293

PLN

Poolse zloty

3,8718

RON

Roemeense leu

3,5204

SIT

Sloveense tolar

239,63

SKK

Slowaakse koruna

37,415

TRY

Turkse lira

1,8546

AUD

Australische dollar

1,6808

CAD

Canadese dollar

1,4384

HKD

Hongkongse dollar

10,0140

NZD

Nieuw-Zeelandse dollar

2,0072

SGD

Singaporese dollar

2,0242

KRW

Zuid-Koreaanse won

1 237,54

ZAR

Zuid-Afrikaanse rand

8,7175

CNY

Chinese yuan renminbi

10,2628

HRK

Kroatische kuna

7,2845

IDR

Indonesische roepia

11 710,23

MYR

Maleisische ringgit

4,729

PHP

Filipijnse peso

65,799

RUB

Russische roebel

34,4050

THB

Thaise baht

48,444


(1)  

Bron: door de Europese Centrale Bank gepubliceerde referentiekoers.


18.8.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/2


COMMUNAUTAIRE RICHTSNOEREN INZAKE STAATSSTEUN TER BEVORDERING VAN RISICOKAPITAALINVESTERINGEN IN KLEINE EN MIDDELGROTE ONDERNEMINGEN

(2006/C 194/02)

(Voor de EER relevante tekst)

1.

INLEIDING

1.1

Risicokapitaal als communautaire doelstelling

1.2

Met staatssteun ten behoeve van risicokapitaal opgedane ervaring

1.3

De bij staatssteun ter ondersteuning van risicokapitaalinvesteringen te maken afweging

1.3.1

De afweging volgens het Actieplan Staatssteun

1.3.2

Marktfalen

1.3.3

Passendheid van het instrument

1.3.4

Stimulerend effect en noodzaak

1.3.5

Evenredigheid van de steun

1.3.6

Negatieve gevolgen en algehele afweging

1.4

Staatssteuntoezicht op het gebied van risicokapitaal

2.

TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

2.1

Toepassingsgebied

2.2

Definities

3.

TOEPASSELIJKHEID VAN ARTIKEL 87, LID 1, OP HET GEBIED VAN RISICOKAPITAAL

3.1

Algemene teksten die van toepassing zijn

3.2

Aanwezigheid van steun op drie niveaus

3.3

De-minimisbedragen

4.

BEOORDELING VAN DE VERENIGBAARHEID VAN RISICOKAPITAALSTEUN UIT HOOFDE VAN ARTIKEL 87, LID 3, ONDER C), VAN HET EG-VERDRAG

4.1

Algemene beginselen

4.2

Vorm van de steun

4.3

Voorwaarden voor verenigbaarheid

4.3.1

Plafond voor investeringstranches

4.3.2

Beperking tot begin-, aanloop- en ontwikkelingsfinanciering

4.3.3

Overwicht van aandelenkapitaal en hybride kapitaalinstrumenten

4.3.4

Deelneming door particuliere investeerders

4.3.5

Winstgerichtheid van de investeringsbesluiten

4.3.6

Zakelijk beheer

4.3.7

Sectorgerichtheid

5.

VERENIGBAARHEID VAN RISICOKAPITAALSTEUNMAATREGELEN DIE GEDETAILLEERD MOETEN WORDEN BEOORDEELD

5.1

Steunmaatregelen die nader moeten worden beoordeeld

5.2

Positieve gevolgen van de steun

5.2.1

Bestaan van en bewijzen voor marktfalen

5.2.2

Passendheid van het instrument

5.2.3

Stimulerend effect en noodzaak van de steun

5.2.3.1

Zakelijk beheer

5.2.3.2

Aanwezigheid van een investeringscomité

5.2.3.3

Omvang van de maatregel of het fonds

5.2.3.4

Aanwezigheid van business angels

5.2.4

Evenredigheid

5.3

Negatieve gevolgen van de steun

5.3.1

Verdringing

5.3.2

Andere vervalsingen van de mededinging

5.4

Afweging en beslissing

6.

CUMULERING

7.

SLOTBEPALINGEN

7.1

Toezicht en verslagen

7.2

Inwerkingtreding en geldigheid

7.3

Dienstige maatregelen

1.   INLEIDING

1.1   Risicokapitaal als communautaire doelstelling

Risicokapitaal houdt verband met het verstrekken van aandelenfinanciering aan ondernemingen met een aanzienlijk groeipotentieel gedurende hun eerste groeifasen. De vraag naar risicokapitaal komt doorgaans van ondernemingen met groeipotentieel die onvoldoende toegang tot de kapitaalmarkten hebben, terwijl het aanbod van risicokapitaal komt van investeerders die bereid zijn grote risico's te nemen in ruil voor mogelijk bovengemiddeld rendement op het geïnvesteerde vermogen.

In haar mededeling aan de voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad „Samen werken aan werkgelegenheid en groei — een nieuwe start voor de Lissabon-strategie” (1) heeft de Commissie erkend, dat er onvoldoende risicokapitaal beschikbaar is voor startende, innoverende jonge bedrijven. De Commissie heeft initiatieven genomen, zoals „Joint European Resources for Micro- to Medium Enterprises” (JEREMIE), een gezamenlijk initiatief van de Commissie en het Europese Investeringsfonds, om het gebrek aan risicokapitaal voor kleine en middelgrote ondernemingen in bepaalde regio's aan te pakken. Op grond van de ervaring die is opgedaan met de financiële instrumenten in het kader van het meerjarenprogramma voor ondernemingen en ondernemerschap, met name voor het midden- en kleinbedrijf, dat is vastgesteld bij Beschikking 2000/819/EG van de Raad (2), heeft de Commissie voorgesteld een faciliteit voor het snelgroeiende, innovatieve midden- en kleinbedrijf (FSIM) in het leven te roepen als onderdeel van het kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovati, dat thans wordt aangenomen en betrekking heeft op de periode 2007-2013 (3). Dankzij deze faciliteit zal er meer aandelenkapitaal beschikbaar komen voor innoverende kleine en middelgrote ondernemingen („KMO's”), doordat tegen marktvoorwaarden kan worden geïnvesteerd in durfkapitaalfondsen die zich vooral richten op KMO's in de eerste groei- en expansiefase.

Het vraagstuk van de risicokapitaalfinanciering wordt door de Commissie behandeld in haar mededeling „Financiering van groei in het MKB — de toegevoegde waarde van Europa” die op 29 juni 2006 (4) is aangenomen. Ook beklemtoonde de Commissie hoe belangrijk het is staatssteun af te bouwen en om te buigen, zodat marktfalen kan worden aangepakt, de economische doelmatigheid wordt verhoogd en innovatie wordt gestimuleerd. In dit verband heeft de Commissie toegezegd de regels inzake staatssteun te hervormen, onder meer met als doel de toegang tot financiële middelen en risicokapitaal te bevorderen.

In het kader van deze toezegging heeft de Commissie in juni 2005 het „Actieplan Staatssteun — minder en beter gerichte staatssteun: een routekaart voor de hervorming van het staatssteunbeleid (2005-2009)” („Actieplan Staatssteun”) (5) gepubliceerd. Het Actieplan Staatssteun wijst op het belang van verbetering van het ondernemingsklimaat en de bevordering van een snelle opstart van jonge bedrijven. In dit verband werd in het Actieplan Staatssteun een herziening van de mededeling inzake staatssteun en risicokapitaal (6) aangekondigd om het marktfalen aan te pakken inzake de verschaffing van risicokapitaal aan opstartende ondernemingen en jonge, innoverende „KMO's”, met name door middel van een verdere versoepeling van de in de mededeling Staatssteun en risicokapitaal vervatte regels.

Ook al is het in de eerste plaats de rol van de markt voldoende risicokapitaal in de Gemeenschap te verstrekken, toch bestaat er op de risicokapitaalmarkt een aandelenkapitaaltekort, dat wil zeggen een aanhoudend gebrekkig functioneren van de kapitaalmarkt, dat belet dat vraag en aanbod elkaar tegen een voor beide partijen aanvaardbare prijs kunnen vinden, welke situatie een ongunstige invloed heeft op de Europese KMO's. Dit tekort betreft vooral hoogtechnologische innoverende en meestal jonge bedrijven met een groot groeipotentieel. Toch kan deze situatie ook een bredere groep ondernemingen van verschillende leeftijd en uit uiteenlopende sectoren met een beperkter groeipotentieel treffen, die zonder extern risicokapitaal geen financiële middelen voor hun uitbreidingsplannen kunnen vinden.

Het bestaan van het aandelenkapitaaltekort kan rechtvaardigen, dat in een beperkt aantal omstandigheden staatssteun wordt toegekend. Indien goed gericht, kan staatssteun ter ondersteuning van het verstrekken van risicokapitaal een doeltreffend middel zijn om het genoemde marktfalen op dit gebied terug te dringen en particulier kapitaal te mobiliseren.

De onderhavige richtsnoeren vervangen de mededeling Staatssteun en risicokapitaal, doordat zij bepalen onder welke voorwaarden staatssteun ten behoeve van risicokapitaalinvesteringen als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt kan worden beschouwd. De richtsnoeren geven aan, onder welke voorwaarden er staatssteun is in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag en welke criteria de Commissie zal toepassen wanneer zij de verenigbaarheid van risicokapitaalmaatregelen beoordeelt overeenkomstig artikel 87, lid 3, van het EG-Verdrag.

1.2   Met staatssteun ten behoeve van risicokapitaal opgedane ervaring

De onderhavige richtsnoeren zijn opgesteld in het licht van de ervaring die is opgedaan met de toepassing van de mededeling Staatssteun en risicokapitaal. Ook met de opmerkingen die zijn gemaakt tijdens de openbare raadpleging van de lidstaten en de belanghebbenden over de herziening van de mededeling Staatssteun en risicokapitaal, over het Actieplan Staatssteun en over de mededeling van de Commissie over staatssteun ten behoeve van innovatie (7), is rekening gehouden.

Uit de ervaring van de Commissie en uit de tijdens de raadplegingen ontvangen opmerkingen, is gebleken, dat de mededeling Staatssteun en risicokapitaal over het algemeen in de praktijk goed heeft gewerkt, doch tevens is aan het licht gekomen dat de regels soepeler moeten worden toegepast en dat zij moeten worden aangepast aan de gewijzigde situatie op de markt voor risicokapitaal. Bovendien is het voor bepaalde soorten instrumenten in een aantal sectoren niet steeds mogelijk gebleken, te voldoen aan de voorwaarden van de mededeling Staatssteun en risicokapitaal .Daardoor kon risicokapitaal in die gevallen niet afdoende met staatssteun worden gesteund. Voorts is ook de algehele winstgevendheid van de gesteunde risicokapitaalfondsen gering gebleken.

Om deze moeilijkheden te verhelpen, wordt in deze richtsnoeren voor een in bepaalde omstandigheden flexibeler aanpak gekozen, zodat de lidstaten hun risicokapitaalmaatregelen beter op het betrokken marktfalen kunnen afstemmen. Daarnaast bevatten zij een verfijnde economische benadering om risicokapitaalmaatregelen op hun verenigbaarheid met het EG-Verdrag te beoordelen. In het kader van de mededeling Staatssteun en risicokapitaal was de beoordeling van de verenigbaarheid van regelingen steeds gebaseerd op een betrekkelijk ingewikkelde economische analyse, waarbij de klemtoon lag op de omvang van het marktfalen en de gerichtheid van de maatregelen. Een verfijnde economische benadering was dus al een van de kernpunten van de mededeling Staatsteun en risicokapitaal. Toch moest een aantal criteria nog beter worden genuanceerd om te garanderen, dat de maatregel beter op het desbetreffende marktfalen was toegespitst. Met name bevatten deze richtsnoeren elementen om ervoor te zorgen, dat winstgerichte en professionele investeringsbesluiten worden versterkt om particuliere investeerders nog meer aan te moedigen, samen met de staat, te investeren. Tot slot is ook gepoogd helderheid te verschaffen in gevallen waarin de mededeling Staatssteun en risicokapitaal de noodzaak hiertoe heeft aangetoond.

1.3   De bij staatssteun ter ondersteuning van risicokapitaalinvesteringen te maken afweging

1.3.1   De afweging volgens het Actieplan Staatssteun

In het Actieplan Staatssteun beklemtoonde de Commissie het belang van versterking van de economische benadering bij de beoordeling van staatssteun. Dit vertaalt zich in een afweging van de potentiële positieve gevolgen van de maatregel voor het behalen van een doelstelling van gemeenschappelijk belang tegen de potentiële negatieve gevolgen in de vorm van een vervalsing van de mededinging en van het handelsverkeer. Deze in het Actieplan Staatssteun geschetste afweging omvat drie stappen; de eerste twee betreffen de positieve gevolgen en de laatste betreft de negatieve gevolgen:

1.

Is de steunmaatregel zo ontworpen, dat daarmee een helder omschreven doelstelling van gemeenschappelijk belang kan worden behaald, zoals groei, werkgelegenheid, samenhang en milieu?

2.

Is de steunmaatregel goed genoeg ontworpen, om de doelstelling van gemeenschappelijk belang te kunnen realiseren, dat wil zegen wordt met het steunvoornemen het marktfalen aangepakt of dient hij een andere doelstelling?

i)

is staatssteun een geschikt beleidsinstrument?

ii)

is er een stimulerend effect: verandert de steun de gedragingen van de ondernemingen of de investeerders?

iii)

is de steunmaatregel evenredig, dat wil zeggen kan dezelfde gedragswijziging met minder steun worden verkregen?

3.

Zijn de vervalsing van de mededinging en de gevolgen voor het handelsverkeer beperkt, zodat de afweging al met al gunstig uitvalt?

Deze afweging is zowel van belang voor het ontwerpen van staatssteunregels vooraf als voor de beoordeling van de gevallen die binnen de werkingssfeer ervan vallen.

1.3.2   Marktfalen

Op basis van de met de toepassing van de mededeling Staatssteun en risicokapitaal opgedane ervaring is de Commissie tot de conclusie gekomen, dat er in de Gemeenschap geen algemeen marktfalen is met betrekking tot risicokapitaal. Wel erkent zij, dat er voor sommige soorten investeringen in bepaalde stadia van de ontwikkeling van ondernemingen lacunes op de markt zijn, die moeten worden gedicht. Deze lacunes zijn het gevolg van een onvolkomen afstemming van vraag en aanbod van risicokapitaal en kunnen algemeen worden aangeduid als aandelenkapitaaltekort.

Het verstrekken van aandelenkapitaal, in het bijzonder aan kleinere ondernemingen, stelt zowel de investeerders als de ondernemingen waarin wordt geïnvesteerd, vele uitdagingen. Aan de aanbodzijde moet de investeerder een zorgvuldige analyse maken, niet alleen van alle geboden zekerheden (zoals in het geval van een leninggever), maar ook van de gehele ondernemingsstrategie om de winstkansen van zijn investering en de daaraan verbonden risico's te kunnen inschatten. Ook moet de investeerder erop kunnen toezien dat de ondernemingsstrategie door de leiders van de onderneming goed ten uitvoer wordt gelegd. Ten slotte moet de investeerder een uitgangsstrategie uitwerken en toepassen, om een aan het risico aangepast rendement op zijn investering te genereren bij de verkoop van zijn belang in de onderneming waarin is geïnvesteerd.

Aan de vraagzijde moet de onderneming de voordelen van externe investeringen voor het verwezenlijken van haar project inzien, en een gezond ondernemingsplan opstellen, om voor de nodige middelen en begeleiding te zorgen. Als gevolg van het gebrek aan intern kapitaal of de zekerheden die nodig zijn om financiering te kunnen krijgen, en/of het ontbreken van een solide kredietverleden, kan de onderneming met erg krappe financieringsvoorwaarden worden geconfronteerd. Daarnaast moet de onderneming de zeggenschap delen met een externe investeerder, die, naast een deel van het kapitaal, meestal invloed op de ondernemingsbeslissingen heeft.

Als gevolg van dat alles, kan de afstemming van vraag en aanbod van risicokapitaal ondoelmatig zijn, zodat de omvang van het risicokapitaal op de markt te beperkt is en ondernemingen geen financiering vinden, ook al hebben zij een waardevol zakenmodel en groeiperspectieven. De Commissie meent, dat de belangrijkste oorzaak van het falen van de risicokapitaalmarkten, dat met name nadelig is voor de toegang tot kapitaal door KMO's en ondernemingen die zich in de vroegste stadia van hun ontwikkeling bevinden, en dat overheidsmaatregelen kan rechtvaardigen, verband houdt met het beschikken over onvolledige of asymmetrische informatie.

Onvolledige of asymmetrische informatie kan met name resulteren in:

a)

Transactiekosten en bemiddelingskosten: het is voor potentiële investeerders moeilijker betrouwbare gegevens te verzamelen over de zakelijke vooruitzichten van een KMO of een nieuwe onderneming, en om nadien de ontwikkeling van die onderneming te volgen en te ondersteunen. Dit geldt met name voor zeer innoverende of risicovolle projecten. Verder zijn kleinere transacties minder aantrekkelijk voor investeringsfondsen, als gevolg van de betrekkelijk hoge kosten van de beoordeling van investeringen en de andere transactiekosten.

b)

Risicoafkeer: investeerders kunnen minder bereid zijn risicokapitaal te verschaffen aan KMO's naarmate meer onvolledige of asymmetrische gegevens worden verstrekt. Met andere woorden, onvolledige of asymmetrische informatie zal de risicoafkeer doorgaans doen toenemen.

1.3.3   Passendheid van het instrument

De Commissie is van mening, dat staatssteun ten behoeve van risicokapitaalmaatregelen, binnen de in deze richtsnoeren aangegeven grenzen en voorwaarden, een passend instrument kan zijn. Bedacht moet echter worden, dat risicokapitaalverschaffing in wezen een commerciële activiteit is, die zakelijke besluiten meebrengt. In deze context kunnen meer algemene structurele maatregelen die geen staatssteun vormen, bijdragen tot een toename van de verschaffing van risicokapitaal, zoals het bevorderen van een ondernemerschapscultuur, een neutralere fiscale behandeling van de verschillende vormen van KMO-financiering (zoals nieuw kapitaal, ingehouden winst en schulden), het stimuleren van marktintegratie en het versoepelen van wettelijke beperkingen, waaronder beperkingen voor investeringen door bepaalde soorten financiële instellingen (zoals pensioenfondsen) en in de vorm van administratieve procedures inzake de oprichting van ondernemingen.

1.3.4   Stimulerend effect en noodzaak

Staatssteun ten behoeve van risicokapitaal moet tot een nettotoename van de beschikbaarheid van risicokapitaal voor KMO's leiden, met name door een verhoging van de investeringen door particuliere investeerders. Een risico op „dood gewicht” of het ontbrekend van stimulerend effect betekent dat wanneer bepaalde ondernemingen die door middel van door de overheid gesteunde maatregelen worden gefinancierd, zelfs zonder staatssteun op dezelfde voorwaarden financiering hadden kunnen krijgen(verdringingseffect). Er bestaat bewijs dat dit verschijnsel zich voordoet, hoewel dit bewijs onvermijdelijk anekdotisch is. In deze omstandigheden zijn overheidsmiddelen niet doelmatig.

De Commissie meent dat steun in de vorm van risicokapitaal, die aan de voorwaarden van deze richtsnoeren voldoet, garandeert dat er een stimulerend effect optreedt. De noodzaak prikkels te geven, is afhankelijk van de grootte van het marktfalen in samenhang met de verschillende soorten maatregelen en begunstigden. Daarom zijn verscheidene criteria vastgesteld, te weten de omvang van de investeringstranches per begunstigde onderneming, de graad van betrokkenheid van particuliere investeerders, en overwegingen die met name verband houden met de grootte van de onderneming en de gefinancierde ondernemingsfase.

1.3.5   Evenredigheid van de steun

De noodzaak prikkels te geven; is afhankelijk van de grootte van het marktfalen in samenhang met de verschillende soorten maatregelen en begunstigden en de ontwikkelingsfase van de KMO's. Een risicokapitaalmaatregel is goed ontworpen wanneer alle onderdelen van de steunmaatregel noodzakelijk zijn om de nodige prikkels te doen onstaan voor het verschaffen van aandcelenkapitaal aan KMO's in hun begin-, aanloop- en eerste groeifase. Staatssteun is ondoelmatig indien hij verder gaat dan nodig is om aan te zetten tot het verstrekken van risicokapitaal. Om te garanderen dat de steun tot het minimum beperkt blijft, is het met name van wezenlijk belang: dat er een aanzienlijke particuliere inbreng is en dat de investeringen op winst zijn gericht en op commerciële basis worden beheerd.

1.3.6   Negatieve gevolgen en algehele afweging

Overeenkomstig het EG-Verdrag dient de Commissie, toezicht te houden op staatssteun in de Gemeenschap. De Commissie dient zch er daarom van te vergewissen, dat de maatregelen gericht zijn en dat ernstige mededingingsvervalsingen worden voorkomen. Wanneer zij beslist, of de toekenning van overheidsmiddelen voor maatregelen ter bevordering van risicokapitaal verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, zal de Commissie de volgende risico's zoveel mogelijk trachten te beperken:

a)

het risico van een verdringingseffect: het bestaan van door de overheid gesteunde maatregelen kan andere potentiële investeerders ervan weerhouden kapitaal te verstrekken. Dit zou op langere termijn particuliere investeringen in jonge KMO's nog verder kunnen ontmoedigen en uiteindelijk het aandelenkapitaaltekort vergroten, terwijl tevens een behoefte aan extra overheidsfinanciering ontstaat;

b)

het risico dat de voordelen voor investeerders of investeringsfondsen een ongeoorloofde vervalsing van de mededinging op de markt voor durfkapitaal doen ontstaan ten opzichte van concurrenten die diezelfde voordelen niet ontvangen;

c)

het risico dat een overaanbod aan openbaar risicokapitaal dat niet op basis van zakelijke argumenten wordt geïnvesteerd, ondoelmatige ondernemingen in leven houdt en hun waarde kan opblazen, waardoor het voor dee particuliere investeerders nog minder aantrekkelijk wordt, aan deze ondernemingen risicokapitaal te verstrekken.

1.4   Staatssteuntoezicht op het gebied van risicokapitaal

Bij de verschaffing van risicokapitaal aan ondernemingen kan geen verband worden gelegd met het traditionele begrip „in aanmerking komende kosten”, dat bij het staatssteuntoezicht wordt gebruikt en dat berust op bepaalde specifieke kosten waarvoor steun is toegestaan en waarbij maximum-steunintensiteiten worden vastgesteld. Door de verscheidenheid aan mogelijke modellen voor risicokapitaalmaatregelen die de lidstaten ontwerpen, kan de Commissie geen strenge criteria vaststellen, aan de hand waarvan zij kan bepalen, of deze maatregelen verenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt. Bij de beoordeling van risicokapitaal wordt dus afgeweken van de traditionele methoden voor het uitoefenen van toezicht op staatssteun.

Daar de mededeling Staatssteun en risicokapitaal naar is gebleken, in de praktijk goed functioneert, heeft de Commissie besloten op de ingeslagen weg voort te gaan en daarmee de continuïteit van de in de mededeling Staatssteun en risicokapitaal gevolgde benadering te verzekeren.

2.   TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

2.1   Toepassingsgebied

Deze richtsnoeren zijn enkel van toepassing op risicokapitaalregelingen voor KMO's. Zij zijn niet bedoeld als rechtsgrondslag om ad-hocmaatregelen waarbij individuele ondernemingen kapitaal wordt verschaft, met de gemeenschappelijke markt verenigbaar te verklaren.

Deze richtsnoeren mogen niet worden aangewend om de verenigbaarheid in twijfel te trekken van staatssteunmaatregelen die voldoen aan de criteria neergelegd in andere door de Commissie vastgestelde richtsnoeren, kaderregelingen of verordeningen.

De Commissie zal er in het bijzonder op toezien, dat deze richtsnoeren niet worden gebruikt om de beginselen van de bestaande kaderregelingen, richtsnoeren en verordeningen te omzeilen.

Steun in de vorm van risicokapitaalmaatregelen mag niet worden toegekend aan ondernemingen:

a)

die in moeilijkheden verkeren in de zin van de communautaire richtsnoeren inzake reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (8);

b)

in de scheepsbouw- (9), kolen- (10) en ijzer- en staalindustrie (11).

Deze richtsnoeren zijn niet van toepassing op steun voor activiteiten die verband houden met de uitvoer, met name steun die rechtstreeks is gerelateerd aan de uitgevoerde hoeveelheden, aan de oprichting en exploitatie van een distributienet of aan andere lopende uitgaven in verband met uitvoeractiviteiten, en evenmin op steun die afhangt van het gebruik van binnenlandse in plaats van ingevoerde goederen.

2.2   Definities

Voor de toepassing van deze richtsnoeren zijn de volgende definities van toepassing:

a)

„aandelenkapitaal”: eigendomsbelang in een onderneming, vertegenwoordigd door de aandelen die onder de investeerders zijn uitgegeven;

b)

„particulier risicokapitaal”: particuliere (in tegenstelling tot openbare) risicokapitaalinvestering in niet-beursgenoteerde ondernemingen. Dit omvat durfkapitaal, overname-investeringen en buy-outs;

c)

„hybride kapitaalinstrumenten”: instrumenten waarvan het rendement voor de houder (investeerder/leninggever) in hoofdzaak gebaseerd is op de winst of het verlies van de onderliggende doelonderneming; de instrumenten zijn ongedekt bij niet-nakoming. Deze definitie is gebaseerd op het beginsel dat het wezen boven de vorm gaat;

d)

„schuldinstrumenten”: leningen en andere financieringsinstrumenten die de leninggever/investeerder een grotendeels vaste minimumvergoeding geven en waar voor tenminste ten dele zekerheden zijn gesteld. Deze definitie is gebaseerd op het beginsel dat het wezen boven de vorm gaat;

e)

„beginkapitaal” : financiële middelen om een initieel concept te bestuderen, te beoordelen en te ontwikkelen. Gaat vooraf aan de aanloopfase;

f)

„aanloopkapitaal”: financiële middelen aan ondernemingen die worden verstrekt voordat zij beginnen met de commerciële productie of dienstverlening en voordat zij winst maken, en die bedoeld zijn voor productontwikkeling en marktintroductie;

g)

„eerste-fasekapitaal”: omvat beginkapitaal en aanloopkapitaal;

h)

„ontwikkelingskapitaal”: financiële middelen die worden verstrekt ter bevordering van de groei en expansie van een onderneming, ongeacht of zij break-even werkt of winst maakt. Dit kapitaal mag worden gebruikt voor het financieren van extra productiecapaciteit, voor markt- of productontwikkeling of als extra werkkapitaal;

i)

„durfkapitaal” : investeringen of beleggingen in niet-beursgenoteerde bedrijven door investeringsfondsen (durfkapitaalfondsen) die als lastgevers geld van particulieren, instellingen of van het fonds zelf beheren. Omvat financiering van de eerste fase en de expansie, doch niet de vervangingsfinanciering en de buy-outs;

j)

„vervangingskapitaal”: de overname van bestaande aandelen in een onderneming van een andere beleggingsinstelling die in particulier kapitaal investeert of van een andere aandeelhouder of aandeelhouders. Vervangingskapitaal wordt ook wel secundaire verwerving genoemd;

k)

„risicokapitaal”: financiering met aandelenkapitaal en hybride kapitaal van ondernemingen tijdens hun eerste-groei fasen(begin-, aanloop- en ontwikkelingsfase). Omvat: informele investeringen door business angels, durfkapitaal en alternatieve, in KMO's en snelgroeiende ondernemingen gespecialiseerde beurzen (hierna „investeringsinstruments” genoemd);

l)

„risicokapitaalmaatregelen”: regelingen waarbij steun in de vorm van risicokapitaal wordt verschaft of bevorderd;

m)

beursgang, beursintroductie of „IPO” (Initial Public Offering):- het voor het eerst verkopen aan of verdelen onder het publiek van aandelen van een onderneming;

n)

„vervolginvestering”: een aanvullende investering in een onderneming na een initiële investering;

o)

„buy-out”: transactie waarbij na onderhandelingen of na een overnamebod tenminste een beheersend belang in het aandelenkapitaal van een onderneming van de bestaande aandeelhouders wordt verworven met het oog op de overname van haar activa en activiteiten;

p)

„uitgangsstrategie”: liquidatie van deelnemingen door een durfkapitaal- of particulier aandelenfonds volgens een plan om een maximaal rendement te behalen, zoals commerciële verkoop, afschrijvingen, terugbetaling van preferente aandelen/leningen, verkoop aan een andere durfkapitaalverschaffer, verkoop aan een financiële instelling en verkoop via een openbaar aanbod (met inbegrip van beursintroductie);

q)

„kleine en middelgrote ondernemingen (KMO's)”: kleine en middelgrote ondernemingen in de zin van Verordening (EG) nr. 70/2001 van de Commissie van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen (12), of een verordening die deze verordening vervangt.

r)

„doelonderneming of doelvennootschap”: een bedrijf of vennootschap waarin een investeerder of investeringsfonds overweegt te investeren;

s)

„business angels”: vermogende particulieren die rechtstreeks in jonge, nieuwe en snelgroeiende niet-beursgenoteerde bedrijven investeren (beginfinanciering) en hen adviseren, doorgaans in ruil voor een belang in het aandelenkapitaal van de onderneming, maar die ook andere vormen van langetermijnfinanciering kunnen verschaffen;

t)

„steungebieden”: gebieden die onder de uitzonderingen van artikel 87, lid 3, onder a) of c), van het EG-Verdrag vallen.

3.   TOEPASSELIJKHEID VAN ARTIKEL 87, LID 1, OP HET GEBIED VAN RISICOKAPITAAL

3.1   Algemene teksten die van toepassing zijn

De Commissie heeft reeds een aantal interpretatieve teksten gepubliceerd met betrekking tot de vraag of bepaalde specifieke maatregelen onder de definitie van staatssteun vallen. Deze teksten zijn wellicht ook voor risicokapitaalmaatregelen relevant. Het betreft onder meer de mededeling uit 1984 over de deelneming van overheidsinstanties in het kapitaal van ondernemingen, (13) de mededeling uit 1998 over de toepassing van de regels betreffende steunmaatregelen van de staten op maatregelen op het gebied van de directe belastingen op ondernemingen (14) en de mededeling betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun in de vorm van garanties (15). De Commissie blijft deze instrumenten toepassen wanneer zij moet beoordelen of risicokapitaalmaatregelen staatssteun vormen.

3.2   Aanwezigheid van steun op drie niveaus

Bij risicokapitaalmaatregelen gaat het vaak om complexe constructies die zijn ontworpen om risicokapitaal te bevorderen, omdat de overheid een bepaalde categorie marktdeelnemers (investeerders) wil stimuleren, aan een andere categorie (doel-KMO's) financiering te verstrekken. Afhankelijk van de opzet van de maatregel, en zelfs wanneer het de bedoeling is van de overheid om alleen de laatstgenoemde groep te begunstigen, kunnen ondernemingen op één van beide of op beide niveaus de begunstigden van de staatssteun zijn. Bovendien voorzien deze maatregelen in het opzetten van fondsen of andere investeringsinstrumenten die losstaan van de investeerders en de ondernemingen waarin wordt geïnvesteerd. In dergelijke gevallen moet ook worden onderzocht, of het fonds of het instrument als een onderneming die staatssteun geniet, moet worden aangemerkt.

In dit verband moet financiering met middelen die geen staatsmiddelen zijn in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag, worden geacht te zijn verstrekt door particuliere investeerders. Dit is in het bijzonder het geval bij financiering door de Europese Investeringsbank en het Europese Investeringsfonds.

De Commissie neemt de volgende specifieke factoren in aanmerking om te bepalen of er op elk van de verschillende niveaus staatssteun is (16).

Steun aan investeerders. Wanneer een maatregel particuliere investeerders in staat stelt, investeringen in de vorm van aandelenkapitaal of hybride kapitaalinvesteringen te doen in een onderneming of een groep ondernemingen tegen gunstigere voorwaarden dan openbare investeerders, of dan wanneer zij dergelijke investeringen zonder die maatregel zouden doen, worden die particuliere investeerders geacht een voordeel te aanvaarden. Dit voordeel kan, zoals in punt 4.2 nader wordt uiteengezet, uiteenlopende vormen aannemen. Dit is zelfs nog het geval wanneer de investeerders er in het kader van de maatregel toe worden aangespoord, aan de betrokken onderneming of ondernemingen een voordeel toe te kennen. Daarentegen is de Commissie van oordeel, dat openbare en particuliere investeerders op voet van gelijkheid investeren en de investering dus geen staatssteun vormt, wanneer de voorwaarden ervan, zonder enige maatregel van de overheid, voor een normale investeerder in een markteconomie aanvaardbaar zouden zijn. Dit wordt alleen geacht het geval te zijn wanneer openbare en particuliere investeerders precies dezelfde opwaartse en neerwaartse risico's en vergoedingen delen, dezelfde achtergestelde positie ten opzichte van de schuldeisers hebben en wanneer ten minste 50 % van de financiering van de maatregel afkomstig is van particuliere investeerders die onafhankelijk zijn van de ondernemingen waarin zij investeren.

Steun aan een investeringsfonds. investeringsinstrument of de beheerder daarvan. In het algemeen beschouwt de Commissie een investeringsfonds of een investeringsinstrument als een tussenconstructie om steun over te dragen aan de investeerders of aan de ondernemingen waarin wordt geïnvesteerd. Zij worden derhalve niet zelf als de begunstigden van de steun beschouwd. Toch kunnen bijvoorbeeld belastingmaatregelen of andere maatregelen waarbij rechtstreekse overdrachten gebeuren aan bestaande instrumenten of fondsen met talrijke, uiteenlopende investeerders die een onafhankelijke onderneming zijn, steun vormen, tenzij de investering plaatsvindt op voorwaarden die aanvaardbaar zouden zijn voor een normale investeerder in een markteconomie en de begunstigde daardoor dus geen voordeel opleveren. Evenzo wordt steun aan fondsbeheerders of beheermaatschappij aanwezig geacht, wanneer hun vergoeding niet volledig de op de markt geldende vergoeding voor vergelijkbare situaties weerspiegelt. Anderzijds bestaat er een vemoeden dat er geen steun is, wanneer de beheerders of de beheersmaatschappij worden geselecteerd door middel van een openbare en doorzichtige inschrijvingsprocedure of wanneer zij geen andere door de staat toegekende voordelen ontvangen.

Steun aan de ondernemingen waarin wordt geïnvesteerd. Vooral wanneer er ssteun is op het niveau van de investeerders, het inverteringsinstrument of het investeringsfonds, is de Commissie van mening dat de steun tenminste gedeeltelijk aan de doelondernemingen wordt doorgegeven en dus ook op dat niveau aanwezig is. Dit is zelfs het geval wanneer fondsbeheerders op grond van zuiver zakelijke argumenten investeringsbesluiten nemen.

In gevallen waarin de investering geschiedt bij gebreke van enige overheidsmaatregel, onder voorwaarden die voor een particuliere investeerder in een markteconomie aanvaardbaar zouden zijn, wordt de onderneming waarin wordt geïnvesteerd, niet als de ontvanger van steun beschouwd. Daartoe onderzoekt de Commissie, of deze investeringsbesluiten uitsluitend op winst zijn gericht, en gekoppeld zijn aan overtuigende ondernemingsplannen en –prognoses, en aan een heldere en realistische uitgangsstrategie. Voorts is de keuze en de investeringsopdracht van de fondsbeheerders of beheersmaatschappij van belang, alsmede het percentage en de mate van betrokkenheid van de particuliere investeerders.

3.3   De-minimisbedragen

Wanneer de gehele financiering in de vorm van aan de begunstigden verstrekt risicokapitaal, de-minimissteun is in de zin van Verordening (EG) nr. 69/2001 van de Commissie van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op de-minimissteun (17) en Verordening (EG) nr. 1860/2004 van de Commissie van 6 oktober 2004 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op de de-minimissteun in de landbouwsector en de visserijsector (18), wordt deze financiering geacht niet onder artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag te vallen. Bij risicokapitaalmaatregelen wordt de toepassing van de de-minimisregel bemoeilijkt door problemen bij het berekenen van de steun, maar ook doordat met de maatregelen de steun niet alleen aan de doelondernemingen, maar ook aan de andere investeerders kan worden verstrekt. Indien deze problemen echter kunnen worden overwonnen, blijft de de-minimisregel van toepassing. Wanneer een regeling aan elke onderneming over een periode van drie jaar alleen openbare middelen verstrekt tot of onder de desbetreffende de-minimisdrempel, dan is het derhalve zeker, dat alle steun aan deze ondernemingen of investeerders binnen de vastgestelde grenzen blijft.

4.   BEOORDELING VAN DE VERENIGBAARHEID VAN RISICOKAPITAALSTEUN UIT HOOFDE VAN ARTIKEL 87, LID 3, ONDER C), VAN HET EG-VERDRAG

4.1   Algemene beginselen

In artikel 87, lid 3, onder c), van het EG-Verdrag wordt bepaald, dat steunmaatregelen om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid te vergemakkelijken, als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt kunnen worden beschouwd mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad. Op grond van de in afdeling 1.3 beschreven afweging zal de Commissie een risicokapitaalmaatregel alleen verenigbaar verklaren, indien zij kan vaststellen dat met de steunmaatregel de risicokapitaalverschaffing toeneemt zonder dat de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad. In deze afdeling worden de voorwaarden uiteengezet, waaronder de Commissie steun in de vorm van risicokapitaal als verenigbaar met artikel 87, lid 3, onder c), van het EG-Verdrag zal beschouwen.

Wanneer de Commissie in het bezit is van een volledige aanmelding waaruit blijkt dat aan alle in de onderhavige afdeling vastgestelde voorwaarden is voldaan, tracht zij een snelle beoordeling te maken binnen de termijnen van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (19). Is aan een aantal voorwaarden niet voldaan, dan voert de Commissie voor de risicokapitaalmaatregel de meer gedetailleerde beoordeling uit, die in afdeling 5 nader wordt beschreven.

Ingeval er ook steun op het niveau van de doelondernemingen is, en aan de risicokapitaalverschaffing kosten zijn verbonden die op grond van andere bestaande verordeningen, kaderregelingen of richtsnoeren voor steun in aanmerking komen, dan kan dat instrument worden toegepast om te bepalen of de steun met de gemeenschappelijke markt verenigbaar is.

4.2   Vorm van de steun

Het staat over het algemeen aan de lidstaten, om de vorm van een steunmaatregel te kiezen en dit geldt ook voor risicokapitaalmaatregelen. Toch zal de Commissie, zoals in afdeling 4.3 nader wordt uiteengezet, bij de beoordeling van deze maatregelen ook bezien, of zij marktinvesteerders stimuleren om risicokapitaal aan de doelondernemingen te verschaffen en of mag worden verwacht, dat deze maatregelen zullen resulteren in op zakelijke basis genomen (dat wil zeggen op winst gerichte) investeringsbesluiten.

Volgens de Commissie kunnen de volgende soorten maatregelen dit resultaat hebben:

a)

de oprichting van investeringsfondsen („durfkapitaalfondsen”) waarin de staat een partner, investeerder of deelnemer is, zelfs tegen minder gunstige voorwaarden dan de overige investeerders;

b)

garanties aan risicokapitaalverschaffers of durfkapitaalfondsen waarmee de investeringsverliezen deels kunnen worden opgevangen, of garanties voor leningen aan investeerders/fondsen voor risicokapitaalinvesteringen, mits de door de overheid geboden dekking van potentiële onderliggende verliezen niet meer dan 50 % van het nominale gegarandeerde investeringsbedrag beloopt;

c)

andere financiële instrumenten ten gunste van investeerders van risicokapitaal of durfkapitaalfondsen om extra kapitaal voor investeringen te verschaffen;

d)

fiscale prikkels voor investeringsfondsen of beheerders daarvan, of voor investeerders, om risicokapitaalinvesteringen te doen.

4.3   Voorwaarden voor verenigbaarheid

Om te garanderen dat bij een risicokapitaalmaatregel het stimulerende effect en de noodzaak van de steun zoals in punt 1.3.4 uiteengezet, aanwezig zijn, is een aantal indicatoren van belang. De reden is dat staatssteun moet zijn gericht op een specifiek marktfalen voor het bestaan waarvan er voldoende bewijs is. Hiertoe worden in deze richtsnoeren specifieke drempels vastgesteld, die een „veilige haven” bieden voor investeringstranches in doel-KMO's die zich in de eerste fasen van hun bedrijfsactiviteit bevinden. Voorts is het, wil de steun tot het noodzakelijke minimum beperkt blijven, van wezenlijk belang, dat de investeringen in doel-KMO's op winst gericht zijn en op zakelijke basis worden beheerd. De Commissie acht het stimulerende effect, de noodzaak en de evenredigheid van de risicokapitaalmaatregel aanwezig en de algehele beoordeling ervan positief, indien aan elk van de volgende voorwaarden wordt voldaan.

Maatregelen die in het bijzonder betrekking hebben op investeringsinstruments, zullen op grond van afdeling 5 worden beoordeeld en niet op grond van de in de onderhavige afdeling vastgestelde voorwaarden.

4.3.1   Plafond voor investeringstranches

De risicokapitaalmaatregel voorziet in financieringstranches, geheel of ten dele uit staatssteun gefinancierd, van maximaal 1,5 miljoen EUR per doel-KMO over een periode van twaalf maanden.

4.3.2   Beperking tot begin-, aanloop- en ontwikkelingsfinanciering

De risicokapitaalmaatregel is beperkt tot het verschaffen van financiering tot de expansiefase voor kleine ondernemingen alsook voor in steungebieden gevestigde middelgrote ondernemingen., Hij is beperkt tot het verschaffen van financiering tot de aanloopfase voor in niet-steungebieden gelegen middelgrote ondernemingen.

4.3.3   Overwicht van aandelenkapitaal en hybride kapitaalinstrumenten

Tenminste 70 % van de totale begroting voor de risicokapitaalmaatregel wordt in de vorm van aandelenkapitaal en hybride kapitaalinstrumten aan doel-KMO's verschaft. Bij de beoordeling van de aard van deze instrumenten richt de Commissie haar aandacht eerder op de economische inhoud van het instrument dan op de naam en de kwalificatie die de investeerders hieraan toekennen. De Commissie houdt met name rekening met de omvang van het risico dat de investeerder met zijn investering in de doel-KMO loopt, de potentiële verliezen voor de investeerder, het grotere gewicht van de winstafhankelijke vergoeding ten opzichte van de vaste vergoeding, en de mate waarin de investeerder bij faillissement is achtergesteld. De Commissie kan tevens rekening houden met de behandeling die voor het instrument geldt ingevolge de toepasselijke nationale wettelijke, bestuursrechtelijke, financiële en boekhoudkundige regels, indien deze samenhangend zijn en relevant voor de kwalificatie.

4.3.4   Deelneming door particuliere investeerders

Tenminste 50 % van de financiering van de risicokapitaalmaatregel wordt door particuliere investeerders verstrekt, of voor tenminste 30 % in het geval van maatregelen die op KMO's in steungebieden zijn gericht.

4.3.5   Winstgerichtheid van de investeringsbesluiten

De risicokapitaalmaatregel garandeert, dat besluiten om in doelondernemingen te investeren, op het behalen van winst zijn gericht. Dit is het geval wanneer de reden om de investering te doen, gebaseerd is op het vooruitzicht van een aanzienlijk winstpotentieel en op een voortdurende begeleiding van de doelondernemingen ter bereiking van dit doel.

Aan dit criterium wordt geacht te zijn voldaan indien aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan:

a)

bij de maatregelen is er een aanzienlijke betrokkenheid van de investeerders, zoals uiteengezet in punt 4.3.4, mits op zakelijke basis (dus uitsluitend met het oog op het behalen van winst), direct of indirect, in de doelondernemingen wordt geïnvesteerd; en

b)

voor elke investering bestaat er een ondernemingsplan, dat nadere gegevens bevat over het product, de ontwikkeling van de verkopen en de winstgevendheid en waarin vooraf de levensvatbaarheid van het project wordt aangetoond; en

c)

voor iedere investering bestaat er een heldere en realistische uitgangssstrategie.

4.3.6   Zakelijk beheer

Het beheer van een risicokapitaalmaatregel of -fonds moet op zakelijke basis plaatsvinden. Het beheerdersteam moet zich gedragen als beheerders in de particuliere sector, die het rendement voor hun investeerders trachten te optimaliseren. Aan dit criterium wordt geacht te zijn voldaan, indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a)

er is een overeenkomst tussen een professionele fondsbeheerder of de beheersmaatschappij van het fonds, en de deelnemers in het fonds, die bepaalt dat de vergoeding van de beheerder prestatiegerelateerd is en die de doelstellingen van het fonds en een tijdschema voor de investeringen vastlegt;

b)

de particuliere marktinvesteerders zijn bij de besluitvorming betrokken en hebben bijvoorbeeld zitting in een investeerders- of adviescomité;

c)

op het fondsbeheer worden goede praktijken en gereglementeerd toezicht toegepast.

4.3.7   Sectorgerichtheid

Aangezien vele particuliere sectorfondsen zich op specifieke innoverende technologieën of zelfs sectoren richten (zoals gezondheid, informatietechnologie of biotechnologie), kan de Commissie aanvaarden, dat risicokapitaalmaatregelen op specifieke sectoren zijn toegespitst, mits deze maatregelen binnen het toepassingsgebied van deze richtsnoeren vallen, zoals uiteengezet in punt 2.1.

5.   VERENIGBAARHEID VAN RISICOKAPITAALSTEUNMAATREGELEN DIE GEDETAILLEERD MOETEN WORDEN BEOORDEELD

Deze afdeling van de richtsnoeren geldt voor risicokapitaalmaatregelen die niet aan alle voorwaarden van afdeling 4 voldoen. Dit soort maatregelen moet nader op zijn verenigbaarheid worden beoordeeld aan de hand van de in afdeling 1.3 beschreven afweging, omdat moet zijn gegarandeerd dat de steun is gericht op het desbetreffende marktfalen en omdat de risico's van verdringing van particuliere investeerders en van vervalsing van de mededinging hier groter zijn.

De maatregelen zullen aan de hand van een aantal positieve en negatieve elementen op hun verenigbaarheid met het EG-Verdrag worden onderzocht. Geen enkel afzonderlijk element is bepalend, en er is geen enkele combinatie van elementen die op zichzelf voldoende kan wordt geacht om verenigbaarheid te garanderen. In sommige gevallen kan de toepasselijkheid van deze criteria en het eraan toegekende gewicht afhankelijk zijn van de vorm van de maatregel.

De lidstaten moeten alle elementen en bewijzen verschaffen, die zij voor de beoordeling van een maatregel dienstig achten. De omvang van de vereiste bewijzen en de beoordeling door de Commissie is afhankelijk van de kenmerken van een zaak en is evenredig met de omvang van het aan te pakken marktfalen en het risico van verdringing van particuliere investeringen.

5.1   Steunmaatregelen die nader moeten worden beoordeeld

De volgende soorten risicokapitaalmaatregelen die niet aan een of meer van de in afdeling 4 uiteengezette voorwaarden voldoen, moeten meer in detail worden beoordeeld, omdat er minder duidelijke bewijzen van marktfalen zijn, en er een grotere kans is op verdringing van particuliere investeerders of vervalsing van de mededinging.

a)   Maatregelen inzake investeringstranches die de veilige haven drempel van 1,5 miljoen EUR per doel-KMO over een periode van twaalf maanden overschrijden

De Commissie is zich ervan bewust, dat de risicokapitaalmarkt en het aandelenkapitaaltekort voortdurend schommelingen vertonen en dat de mate waarin ondernemingen onder marktfalen te lijden hebben, afhankelijk is van hun grootte, de fase van bedrijfsontwikkeling waarin zij zich bevinden, en van de economische sector waartoe zij behoren. Daarom is de Commissie bereid te overwegen, risicokapitaalmaatregelen met investeringstranches die de drempel van 1,5 miljoen EUR per onderneming over een periode van één jaar overschrijden, verenigbaar met de gemeenschappelijke markt te verklaren, mits de nodige bewijzen voor het marktfalen worden verstrekt.

b)   Maatregelen inzake de financiering van de expansiefase van middelgrote ondernemingen buiten steungebieden

De Commissie erkent, dat bepaalde middelgrote ondernemingen buiten steungebieden wellicht onvoldoende toegang hebben tot risicokapitaal, zelfs in hun expansiefase, ondanks de beschikbaarheid van financiering voor ondernemingen met een aanzienlijke omzet en/of balanstotaal. Daarom is de Commissie bereid te overwegen, maatregelen die gedeeltelijk betrekking hebben op de expansiefase van middelgrote ondernemingen, in bepaalde gevallen met de gemeenschappelijke markt verenigbaar te verklaren, mits de nodige bewijzen worden overgelegd.

c)   Maatregelen die voorzien in vervolginvesteringen in doel-ondernemingen waarin reeds eerder met steun kapitaal is ingebracht, ter gefinanciering van latere financieringsronden, zelfs indien in deze volgende financieringsronden de algemene veilige haven drempels en de eerste groeifinanciering van de ondernemingen worden overschreden

De Commissie erkent het belang van vervolginvesteringen in doelondernemingen waarin reeds in de eerste fase met steun kapitaal is ingebracht, zelfs indien in deze financieringsronden de algemene veilige haven drempels of de eerste groeifinanciering tot de afloop van de initiële investering, worden overschreden. Dit kan nodig zijn om verwatering van het overheidsaandeel bij deze financieringsronden te voorkomen en de continuïteit in de financiering van de doelondernemingen te garanderen, zodat zowel openbare als particuliere investeerders ten volle van hun risicovolle investeringen kunnen profiteren. Onder deze omstandigheden en rekening houdend met de specifieke kenmerken van de doelsector en doelondernemingen, is de Commissie dan ook bereid te overwegen, vervolginvesteringen verenigbaar met de gemeenschappelijke markt te verklaren, mits het bedrag van deze investeringen evenredig is met de initiële investering en de grootte van de finaciering.

d)   Maatregelen inzake een aandeel van particuliere investeerders van minder dan 50 % in niet-steungebieden of minder dan 30 % in steungebieden

In de Gemeenschap loopt de ontwikkeling van de particuliere risicokapitaalmarkt per lidstaat sterk uiteen. In sommige gevallen kan het moeilijk zijn, particuliere investeerders te vinden en daarom is de Commissie bereid te overwegen, maatregelen waarin het aandeel van de particuliere sector onder de in punt 4.3.4 genoemde drempels ligt, verenigbaar met de gemeenschappelijke markt te verklaren, mits de lidstaten de nodige bewijzen verschaffen.

Dit probleem kan nog groter zijn voor risicokapitaalmaatregelen die op KMO's in steungebieden zijn gericht. In deze gevallen kan er een bijkomend tekort aan voor dit soort ondernemingen beschikbaar kapitaal zijn, omdat zij ver van de centra voor durfkapitaal zijn gelegen de bevolkingsdichtheid er lager is en de risicoafkeer van particuliere investeerders groter is. Deze KMO's kunnen ook te lijden hebben van problemen aan de vraagzijde, zoals de moeilijkheidn een levensvatbaar zakelijk voorstel op te stellen dat investeringsrijp is, een minder ontwikkelde aandelencultuur en een bijzondere onwil om als gevolg van de durfkapitaalmaatregelen de controle over het beheer te verliezen.

e)   Maatregelen inzake het verstrekken van beginkapitaal aan kleine ondernemingen waarbij mag worden verwacht dat i) minder of geen particuliere investeerders deelnemen, en/of ii) het overwicht ligt op schuldinstrumenten en niet op aandelenkapitaal en hybride kapitaalinstrumenten

Ondernemingen in hun beginfase zijn gevoeliger voor marktfalen, doordat aan de potentiële investeringen een groot risico is verbonden, en de onderneming in deze wezenlijke fase nog van nabij moet worden begeleid. Dit blijkt ook uit het feit, dat er vrijwel geen particuliere investeerders zijn die beginkapitaal willen verschaffen, wat betekent dat er geen of een zeer gering risico van verdringing is. Voorts bestaat er niet veel kans op mededingingsvervalsing, omdat de afstand van deze kleine ondernemingen tot de markt aanzienlijk is. Daarom kan een gunstiger houding van de Commissie gerechtvaardigd zijn tegenover maatregelen die gericht zijn op de beginfase, mede gezien het potentieel wezenlijke belang ervan voor het scheppen van groei en banen in de Gemeenschap.

f)   Maatregelen waarbij een investeringsinstrument is betrokken

Een investeringsinstrument kan de koppeling vergemakkelijken tussen investeerders en KMO's, waarvoor het derhalve de toegang tot risicokapitaal kan vegemakkelijken. Ingeval van marktfalen met betrekking tot de ondernemingen waarop het instrument zich richt, kan het instrument zonder financiële prikkels niet doeltreffend functioneren. De investeerders kunnen bijvoorbeeld het soort investeringen waarop het instrument is gericht, niet aantrekkelijk vinden vergeleken met de investeringen van hogere investeringstranches of investeringen in meer gevestigde ondernemingen of meer gevestigde marktplaatsen, ondanks dat de doelondernemingen potentieel duidelijk winstgevend zijn. Daarom is de Commissie bereid te overwegen, maatregelen waarbij meer bepaald een investeringsinstrument is betrokken, met de gemeenschappelijke markt verenigbaar te verklaren, mits de nodige bewijzen worden verschaft inzake een nauwkeurig omschreven marktfalen.

g)   Kosten in verband met de eerste doorlichting van ondernemingen met het oog op het doen van investeringen, tot de fase van het zorgvuldigheidsonderzoek(„verkenningskosten”)

Risicokapitaalfondsen of hun beheerders kunnen bij het zoeken naar doel-KMO's verkeningskosten moeten maken, vóór de fase van het zorgvuldigheidsonderzoek. Subsidies die een deel van deze verkennigskosten dekken, moeten de fondsen of de fondsbeheerders ertoe aanzetten, meer verkenningsactiviteiten te verrichten dan anders het geval zou zijn. Dit kan tevens gunstig zijn voor de betrokken KMO's, zelfs indien de verkenning niet tot een investering leidt, omdat de KMO's hierdoor in staat worden gesteld meer ervaring op te doen met risicokapitaalfinanciering. Om deze redenen is een gunstigere houding van de Commissie gerechtvaardigd ten aanzien van subsidies die een deel van de verkenningskosten van de risicokapitaalfondsen of hun beheerders dekken, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: de in aanmerking komende kosten moeten beperkt blijven tot de kosten in verband met KMO's die zich in hoofdzaak in hun begin- of aanloopfase bevinden, indien deze kosten niet tot investeringen leiden, en voorts moeten de juridische en administratieve kosten van de fondsen zijn uitgesloten. Bovendien mag de subsidie niet hoger zijn dan 50 % van de in aanmerking komende kosten.

5.2   Positieve gevolgen van de steun

5.2.1   Bestaan van en bewijzen voor marktfalen

In geval van risicokapitaalmaatregelen voor investeringstranches in doelondernemingen die verder gaan dan de in afdeling 4 uiteengezette voorwaarden, met name maatregelen die voorzien in investeringstranches van meer dan 1,5 miljoen EUR per doel-KMO per periode van twaalf maanden, vervolginvesteringen of de financiering van de expansiefase van middelgrote ondernemingen in niet-steungebieden, evenals voor maatregelen die specifiek betrekking hebben op een investeringsinstrument, verlangt de Commissie voor het aan te pakken marktfalen aanvullende bewijzen op elk niveau waarop steun aanwezig kan zijn, voordat zij de voorgenomen risicokapitaalmaatregelen verenigbaar met de gemeenschappelijke markt verklaart. Deze bewijzen zijn gebaseerd op een onafhankelijke studie, waarin de omvang van het aandelenkapitaaltekort voor de ondernemingen en sectoren waarop de risicokapitaalmaatregel is gericht, wordt aangetoond. De betrokken gegevens hebben betrekking op de risicokapitaalverschaffing en het aantrekken van kapitaal, maar ook op het belang van de durfkapitaalsector in de plaatselijke economie. In het ideale geval moeten de gegevens worden verstrekt voor perioden van drie tot vijf jaar, die voorafgaan aan de tenuitvoerlegging van de maatregel en ook voor de toekomst, op de grondslag van redelijke prognoses, voorzover beschikbaar. De te verstrekken bewijsstukken kunnen bijvoorbeeld het volgende omvatten:

a)

de ontwikkeling van het aantrekken van middelen over de laatste vijf jaar, ook in vergelijking tot de overeenkomstige nationale en/of Europese gemiddelden;

b)

het huidige geldoverschot;

c)

het aandeel van door de overheid gesteunde investeringsprogramma's in de totale durfkapitaalinvesteringen over de afgelopen drie tot vijf jaar;

d)

het percentage nieuwe opstartende ondernemingen dat durfkapitaal ontvangt;

e)

de uitsplitsing van investeringen naar categorie investeringsbedrag;

f)

een vergelijking van het aantal ingediende ondernemingsplannen met het aantal uitgevoerde investeringen, per segment (investeringsbedrag, sector, financieringsronde, enz.).

Voor maatregelen die op KMO's in steungebieden zijn gericht, moeten de desbetreffende gegevens worden aangevuld met eventueel ander relevant bewijsmateriaal betreffende specifieke regionale kenmerken die de opzet van de voorgenomen maatregelen rechtvaardigen. De volgende factoren kunnen daarbij van belang zijn:

a)

een raming van de bijkomende omvang van het aandelenkaitaaltekort als gevolg van de perifere ligging en andere specifieke regionale kenmerken, met name wat betreft het totale bedrag aan risicokapitaal dat wordt geïnvesteerd, het aantal fondsen of investeringsinstrumenten dat binnen het gebied of op korte afstand aanwezig is, de beschikbaarheid van ervaren beheerders, het aantal transacties, en de gemiddelde en minimale omvang van de transacties, indien beschikbaar;

b)

specifieke plaatselijke economische gegevens, maatschappelijke en/of historische redenen waarom er te weinig risicokapitaal beschikbaar is, in vergelijking met de desbetreffende gemiddelde gegevens en/of de situatie op nationaal en/of gemeenschapsvlak, voorzover van toepassing;

c)

alle andere relevante indicatoren waaruit blijkt dat er een verhoogd marktfalen is.

De lidstaten mogen hetzelfde bewijsmateriaal meermalen indienen, mits de onderliggende marktomstandigheden niet gewijzigd zijn. De Commissie behoudt zich het recht voor, de deugdelijkheid van het overgelegde bewijsmateriaal te onderzoeken.

5.2.2   Passendheid van het instrument

Een belangrijk onderdeel bij het maken van de afweging is de vraag, of en in hoeverre staatssteun op het gebied van risicokapitaal als een passend instrument kan worden beschouwd om particuliere risicokapitaalinvesteringen aan te moedigen. Deze beoordeling houdt nauw verband met de beoordeling van het stimulerende effect en de noodzaak van de steun, zoals uiteengezet in afdeling 5.2.3.

Bij de gedetailleerde beoordeling houdt de Commissie met name rekening met de eventuele effectbeoordeling die de lidstaat van de voorgenomen maatregel heeft gemaakt. Wanneer de lidstaten andere beleidskeuzen hebben overwogen en de voordelen van een selectief instrument, zoals staatssteun, zijn vastgesteld en bij de Commissie zijn ingediend, worden de betrokken maatregelen geacht een passend instrument te zijn. De Commissie beoordeelt ook het bewijsmateriaal voor andere maatregelen die zijn of worden genomen ter bestrijding van het aandelenkapitaalgebrek, zoals met name beoordelingen achteraf en vraag- en aanbodproblemen waarmee de doel-KMO's te maken hebben, om de interactie daarvan met de voorgestelde risicokapitaalmaatregel te onderzoeken.

5.2.3   Stimulerend effect en noodzaak van de steun

Het stimulerende effect van risicokapitaalmaatregelen speelt een wezenlijke rol bij de verenigbaarheidsbeoordeling. De Commissie is van oordeel, dat van risicokapitaalmaatregelen die aan de in afdeling 4 neergelegde criteria voldoen, een stimulerend effect uitgaat. Bij de in deze afdeling behandelde maatregelen is het stimulerende effect echter minder duidelijk.De Commissie neemt daarom ook de volgende bijkomende criteria in aanmerking, waaruit het winstgerichte karakter van de investeringsbesluiten en het zakelijke beheer van de maatregel blijken.

5.2.3.1   Zakelijk beheer

Behoudens de in afdeling 4.3.6 genoemde voorwaarden, acht de Commissie het positief, wanneer de risicokapitaalmaatregel of het fonds wordt beheerd door professionele beheerders uit de particuliere sector of door onafhankelijke deskundigen die gekozen zijn volgens een doorzichtige, niet-discriminerende procedure, bij voorkeur een openbare inschrijving, die beschikken over aantoonbare ervaring en een staat van dienst inzake kapitaalmarktinvesteringen, in het ideale geval in dezelfde sector of sectoren als die waarop het fonds is gericht, alsmede over inzicht in de desbetreffende juridische en boekhoudkundige achtergronden van de investeringen.

5.2.3.2   Aanwezigheid van een investeringscomité

Een andere gunstige factor is het bestaan van een investeringscomité dat onafhankelijk is van de fondsbeheersmaatschappij en dat bestaat uit onafhankelijke deskundigen uit de particuliere sector met aanzienlijke ervaring in de doelsector, en bij voorkeur ook uit vertegenwoordigers van de investeerders, of uit onafhankelijke deskundigen die gekozen zijn volgens een doorzichtige, niet-discriminerende procedure, bij voorkeur een openbare inschrijving. Deze deskundigen kunnen de beheerders of de beheersmaatschappij analyses verstrekken van de huidige en verwachte marktsituatie en kunnen potentiële doelondernemingen met goede investeringsvooruitzichten doorlichten en onder hun aandacht brengen.

5.2.3.3   Omvang van de maatregel of het fonds

De Commissie acht het positief, wanneer een risicokapitaalmaatregel voor investeringen in doel-KMO's een begroting heeft die groot genoeg is om te profiteren van schaalvoordelen bij het beheer van een fonds en van de mogelijkheid de risico's te diversifiëren door een pool van een voldoende aantal investeringen. Het fonds moet van zodanige omvang zijn, dat het de garantie biedt, dat hoge transactiekosten kunnen worden opgevangen en/of de latere, winstgevender financieringsfasen van de doelondernemingen kunnen worden gefinancierd. Grotere fondsen worden ook positief beoordeeld bij een sectorale benadering, mits de risico's op verdringing van de particuliere investeringen en de vervalsing van de mededinging tot een minimum beperkt blijven.

5.2.3.4   Aanwezigheid van business angels

Bij maatregelen die op beginkapitaal zijn gericht, zal de Commissie, gelet op het meer uitgesproken niveau van marktfalen dat in deze fase kan worden waargenomen, zich positief opstellen wanneer business angels in de beginfase, al dan niet rechtstreeks, bij de investeringen zijn betrokken. Onder dergelijke omstandigheden zou zij bereid zijn in overweging te nemen, maatregelen verenigbaar met de gemeenschappelijke markt te verklaren, zelfs indien deze een overwicht aan schuldinstrumenten voorzien, met inbegrip van een grotere achterstelling van de staatsmiddelen en een „eerste winst”-recht voor business angels, een hogere vergoeding voor het door hen verstrekte kapitaal, en een actieve betrokkenheid bij het beheer van de maatregel, het fonds en/of de doelondernemingen.

5.2.4   Evenredigheid

De evenredigheid verlangt dat het steunbedrag tot het noodzakelijke minimum is beperkt. De wijze waarop dit aspect van de evenredigheid kan worden bereikt, hangt noodzakelijkerwijze af van de vorm van de betrokken maatregel. Indien echter een controlemechanisme tegen overcompensatie van de investeerders ontbreekt of indien de verliesrisico's van een maatregel volledig voor rekening van de openbare sector komen en/of de baten geheel naar de andere investeerders vloeien, wordt de maatregel niet als evenredig beschouwd.

De Commissie is van mening, dat de volgende factoren de beoordeling van de evenredigheid positief beïnvloeden, daar het hier gaat om een op goede praktijken gebaseerde benadering:

a)

Openbare inschrijving voor beheerders. Een doorzichtige, niet-discriminerende openbare procedure om de beheerders of beheersmaatschappij te selecteren die de beste kwaliteit-prijsverhouding bieden, wordt positief geacht, omdat daardoor de kosten (en mogelijk ook de steun) tot het noodzakelijke minimum worden beperkt en ook de mededingingsvervalsing tot een minimum beperkt blijft;

b)

Uitnodiging tot inschrijving of een openbare oproep aan investeerders. Een uitnodiging tot een inschrijving voor de vaststelling van „preferentiële voorwaarden” voor investeerders, of de beschikbaarheid van dergelijke voorwaarden voor andere investeerders. Deze beschikbaarheid kan de vorm aannemen van een openbare oproep aan de investeerders bij de oprichting van een investeringsfonds of een investeringsinstrument, of de vorm van een regeling (zoals een garantieregeling) die gedurende een langere periode voor nieuwe toetreders open blijft.

5.3   Negatieve gevolgen van de steun

De Commissie zal de potentieel negatievee gevolgen in de vorm van mededingingsvervalsing en het risico van verdringing van particuliere investeringen afwegen tegen de positieve gevolgen wanneer zij de verenigbaarheid van de risicokapitaalmaatregelen beoordeelt. Deze potentieel negatieve gevolgen moeten worden beoordeeld op elk van de drie niveaus waarop er steun kan zijn. Steun aan investeerders, aan investeringsinstrumenten en aan investeringsfondsen kan de mededinging op de markt voor risicokapitaalverschaffing ongunstig beïnvloeden. Steun aan doelondernemingen kan de productmarkten waarop deze ondernemingen concurreren, ongunstig beïnvloeden.

5.3.1   Verdringing

Op het niveau van de markt voor risicokapitaalverschaffing kan staatssteun erin resulteren, dat particuliere investeringen worden verdrongen. Dit kan het voor particuliere investeerders minder aantrekkelijk maken, financiële middelen te verschaffen aan doel-KMO's en kan hen aanmoedigen, af te wachten totdat de staat steun voor dergelijke investeringen verleent. Dit risico wordt des te groter naarmate het bedrag van een in een onderneming geïnvesteerde investeringstranche toeneemt, de omvang van de onderneming groter is en het om latere ondernemingsfasen gaat, omdat in die omstandigheden de verschaffing van particulier risicokapitaal geleidelijk beschikbaar komt.

Daarom verlangt de Commissie specifieke bewijzen ten aanzien van het risico van verdringing voor maatregelen inzake de verstrekking van grotere investeringstranches in doel-KMO's, inzake vervolginvesteringen of inzake de financiering van de expansiefase bij middelgrote ondernemingen in niet-steungebieden of voor maatregelen met een geringe deelneming van particuliere investeerders dan wel maatregelen waarbij het in het bijzonder gaat om investeringsinstrumenten.

Bovendien moeten de lidstaten het bewijs leveren, dat er geen risico van verdringing is, zo nodig specifiek met betrekking tot het doelsegment, de sector en/of de industriestructuur. De volgende factoren kunnen daarbij van belang zijn:

a)

het aantal durfkapitaalondernemingen/-fondsen/investeringsinstrumenten dat op nationaal niveau of, in het geval van een regionaal fonds, in het gebied aanwezig is en de segmenten waarin zij werkzaam zijn;

b)

de doelondernemingen,meer bepaald de ondernemingsgrootte, de groeifase en de economische sector;

c)

de gemiddelde omvang van de transacties en eventueel de minimumomvang van de transacties die de fondsen of investeerders zullen onderzoeken;

d)

het totale bedrag aan durfkapitaal dat beschikbaar is voor de doelondernemingen, de sector en de fase waarop de bewuste maatregel is gericht.

5.3.2   Andere vervalsingen van de mededinging

Daar de meeste doel-KMO's recent zijn opgericht op het niveau van de markt waar zij aanwezig zijn, is het niet waarschijnlijk, dat deze KMO's aanzienlijke marktmacht zullen hebben en dat de mededinging dus aanzienlijk wordt vervalst. Toch valt niet uit te sluiten, dat risicokapitaalmaatregelen tot gevolg hebben, dat ondoelmatige ondernemingen of sectoren, die anders zouden verdwijnen, in leven worden gehouden. Voorts kan een overaanbod aan risicokapitaal ter financiering van ondoelmatige ondernemingen hun waarde opblazen en aldus de risicokapitaalmarkt verstoren op het niveau van de middelenverschaffers, die hogere prijzen zouden moeten betalen om deze ondernemingen te kunnen verwerven. De sectorspecifieke steun kan ook de productie in sectoren die niet concurrerend zijn, in stand houden, terwijl regiospecifieke steun een ondoelmatige allocatie van productiefactoren tussen de regio's kan doen ontstaan.

Bij haar analyse van deze risico's onderzoekt de Commissie met name de volgende factoren:

a)

de algehele winstgevendheid op langere termijn van de ondernemingen waarin investeringen worden gedaan, en de vooruitzichten voor de toekomstige winstgevendheid;

b)

het percentage faillissementen bij de ondernemingen waarop de maatregel is gericht;

c)

de maximale omvang van de investeringstranche die in de maatregel is voorzien, afgezet tegen de omzet en de kosten van de doel-KMO's;

d)

de overcapaciteit in de sector die van de steun profiteert.

5.4   Afweging en beslissing

In het licht van de bovenstaande positieve en negatieve factoren maakt de Commissie een afweging van de gevolgen van de risicokapitaalmaatregel en bepaalt zij, of de daaruit voortvloeiende verstoringen de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt, zodanig veranderen, dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad. De analyse van elke specifieke zaak is gebaseerd op een volledige beoordeling van de te voorziene positieve en negatieve gevolgen van de staatssteun. Daarbij past de Commissie de hierboven uiteengezette criteria niet mechanisch toe, maar maakt zij een volledige beoordeling van hun betrokken belang.

De Commissie kan geen bezwaar maken tegen de aangemelde steunmaatregel zonder de formele onderzoekprocedure in te leiden of zij kan, na het inleiden van de formele onderzoekprocedure van artikel 6 van Verordening (EG) nr. 659/1999, de procedure afsluiten met een beschikking op grond van artikel 7 van die verordening. Ingeval zij ter beëindiging van de formele onderzoekprocedure een voorwaardelijke beschikking in de zin van artikel 7, lid 4, van Verordening (EG) nr. 659/1999 geeft, kan zij daaraan met name de volgende voorwaarden verbinden om de potentiële mededingingsvervalsing te beperken en de evenredigheid te garanderen:

a)

wanneer per doelonderneming te hoge drempels voor investeringstranches zijn voorzien, kan ziij het maximumbedrag verlagen dat per investeringstranche wordt voorgesteld, of voor de financiering een algeheel maximumbedrag per doelonderneming vaststellen;

b)

wanneer de investeringen in de expansiefase van middelgrote ondernemingen in niet-steungebieden zijn voorzien, kan zij de investeringen in hoofdzaak beperken tot de begin- en aanloopfase en/of de investeringen beperken tot een of twee financieringsronden en/of de investeringstranches beperken tot een maximumdrempel per doelonderneming;

c)

wanneer vervolginvesteringen zijn voorzien, kan zij bijzondere grenzen vaststellen voor het maximumbedrag dat in iedere doelonderneming mag worden geïnvesteerd, voor de investeringsfase die voor steun in aanmerking komt, en/of voor de periode waarin steun mag worden toegekend, waarbij ook rekening wordt gehouden met de betrokken sector en de omvang van het fonds;

d)

wanneer in te geringe deelneming van particuliere investeerders wordt voorzien, kan zij eisen dat de deelneming gedurende de levensduur van het fonds geleidelijk wordt opgetrokken, waarbij met name rekening wordt gehouden met de ondernemingsfase, de sector, de respectieve percentages van winstdeling en de achterstelling en eventueel de ligging van de doelondernemingen in steungebieden;

e)

voor maatregelen waarmee alleen beginkapitaal wordt verschaft, kan zij eisen dat de lidstaten ervoor zorgen, dat de staat een passend rendement op zijn investering krijgt dat evenredig is met de met deze investeringen gelopen risico's, in het bijzonder wanneer de staat de investering financiert door middle van hybride financieringsinstrumenten of schuldinstrumenten waarvan het rendement bijvoorbeeld is gekoppeld aan potentiële exploitatierechten (zoals royalty's) die zijn ontstaan uit intellectuele-eigendomsrechten die als gevolg van de investering tot stand zijn gekomen;

f)

zij kan eisen, dat de respectieve winst- en verliesverdelingsregelingen en het niveau van achterstelling anders worden verdeeld tussen de staat en de particuliere investeerders;

g)

zij kan striktere toezeggingen eisen met betrekking tot de cumulering van risicokapitaalsteun met steun die is toegekend uit hoofde van andere verordeningen, kaderregelingen en richtsnoeren inzake staatssteun, zulks in afwijking van afdeling 6

6.   CUMULERING

Wanneer uit hoofde van een onder deze richtsnoeren vallende risicokapitaalmaatregel aan een doelonderneming verschaft risicokapitaal wordt gebruikt voor het financieren van initiële investeringen of van andere uitgaven die op grond van andere groepsvrijstellingsverordeningen, richtsnoeren, kaderregelingen of andere instrumenten inzake staatssteun voor steun in aanmerking komen, worden de desbetreffende steunplafonds of de in aanmerking komende maximumbedragen in het algemeen in de eerste drie jaren van de eerste risicokapitaalinvestering verlaagd met 50 % en, voor doelondernemingen in steungebieden, met 20 % gedurende de eerste drie jaar van de eerste risicokapitaalinvestering en dit tot het totale ontvangen bedrag. Deze verlaging is niet van toepassing op de steunintensiteiten van de communauatire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek en ontwikkeling (20) of een eventuele vervolgkaderregeling of groepsvrijstellingsverordening op dit gebied.

7.   SLOTBEPALINGEN

7.1   Toezicht en verslagen

Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 659/1999 en Verordening (EG) nr. 794/2004 van de Commissie van 21 april 2004 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (21) dienen de lidstaten jaarlijks bij de Commissie verslagen in.

Die verslagen bevatten een uitsplitsing van de door het fonds of uit hoofde van de risicokapitaalmaatregel gedane investeringen, met inbegrip van een lijst van begunstigde ondernemingen. De verslagen moeten tevens een korte beschrijving geven van de activiteiten van de beleggingsfondsen met nadere gegevens over potentiële transacties die zijn onderzocht, en de daadwerkelijk verrichte transacties, evenals de prestaties van de investeringsinstrumenten, met globale inlichtngen over het door middel van het investeringsinstrument aangetrokken bedrag. De Commissie kan aanvullende inlichtingen verlangen over de toegekende steun, om na te gaan of aan de voorwaarden van de beschikking van de Commissie tot goedkeuring van steunmaatregel is voldaan.

De jaarlijkse verslagen zullen op de internetsite van de Commissie worden gepubliceerd.

Bovendien is de Commissie van oordeel, dat verdere maatregelen nodig zijn om de doorzichtigheid van staatssteunmaatregelen in de Gemeenschap te verbeteren. Meer bepaald blijkt het noodzakelijk, ervoor te zorgen dat de lidstaten, marktdeelnemers, belanghebbenden, en ook de Commissie zelf, gemakkelijk toegang hebben tot de volledige tekst van alle geldende steunregelingen op het gebied van risicokapitaal.

Dit kan gemakkelijk worden verwezenlijkt door de instelling van gelinkte websites. Daarom zal de Commissie, bij haar onderzoek van risicokapitaalmaatregelen, systematisch van de lidstaten de toezegging verlangen, dat de volledige tekst van de definitieve steunregeling op het internet wordt bekendgemaakt en dat het internetadres van deze publicatie aan de Commissie wordt meegedeeld.

De regeling mag niet worden toegepast, voordat de inlichtingen op het internet zijn bekendgemaakt.

De lidstaten dienen gedetailleerde dossiers aan te leggen met alle gevallen van steunverlening voor risicokapitaalmaatregelen. Deze dossiers moeten alle nodige gegevens bevatten om te kunnen nagaan, of aan de in de richtsnoeren vervatte voorwaarden is voldaan, met name wat de omvang van de investeringstranche betreft, de grootte van de onderneming (klein of middelgroot), de ontwikkelingsfase van de onderneming (begin-, aanloop- of expansiefase), de sector van economische activiteit van de onderneming (bij voorkeur aan te duiden met vier cijfers volgens de NACE-nomenclatuur) evenals gegevens over het beheer van de fondsen en de andere in deze richtsnoeren genoemde criteria. Deze gegevens moeten tot tien jaar na de datum waarop de steun is verleend, worden bewaard.

De Commissie zal de lidstaten verzoeken deze gegevens te verstrekken, zodat zij drie jaar na de inwerkingtreding van de richtsnoeren een effectbeoordeling kan uitvoeren.

7.2   Inwerkingtreding en geldigheid

De Commissie is voornemens, deze richtsnoeren toe te passen vanaf de datum van bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie. Deze richtsnoeren vervangen de mededeling Staatssteun en risicokapitaal van 2001.

De geldigheid van deze richtsnoeren eindigt op 31 december 2013. De Commissie kan deze richtsnoeren, na raadpleging van de lidstaten, vóór die datum wijzigen om gewichtige redenen die met het mededingingsbeleid of het beleid inzake risicokapitaal verband houden, of om rekening te houden met ander gemeenschapsbeleid of internationale verplichtingen. Indien nuttig, kan de Commissie ook de door haar gevolgde benadering van bepaalde vraagstukken nader toelichten. De Commissie is voornemens deze richtsnoeren drie jaar na de inwerkingtreding ervan te evalueren.

De Commissie zal de deze richtsnoeren toepassen op alle aangemelde risicokapitaalmaatregelen waarover zij na de bekendmaking van deze richtsnoeren in het Publicatieblad van de Europese Unie een beslissing moet nemen, zelfs wanneer die maatregelen vóór de bekendmaking van deze richtsnoeren zijn aangemeld.

Overeenkomstig de mededeling van de Commissie betreffende de vaststelling van regels voor de beoordeling van onrechtmatig verleende staatssteun (22), past de Commissie in het geval van niet-aangemelde steun toe:

a)

de onderhavige richtsnoeren, indien de steun is toegekend nadat de richtsnoeren in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt;

b)

de mededeling Staatssteun en risicokapitaal in alle andere gevallen.

7.3   Dienstige maatregelen

De Commissie stelt de lidstaten hierbij, overeenkomstig artikel 88, lid 1, van het EG-Verdrag, de volgende dienstige maatregelen betreffende hun respectieve bestaande risicokapitaalmaatregelen voor.

De lidstaten wijzigen, waar nodig, die maatregelen binnen twaalf maanden na de inwerkingtreding van deze richtsnoeren om deze met deze richtsnoeren in overeenstemming te brengen.

De Commissie verzoekt de lidstaten, binnen twee maanden na de datum van bekendmaking van deze richtsnoeren, uitdrukkelijk en onvoorwaardelijk met dit voorstel voor dienstige maatregelen in te stemmen. Bij ontstentenis van een antwoord neemt de Commissie aan, dat de betrokken lidstaat niet met de voorgestelde maatregelen instemt.


(1)  COM(2005) 24.

(2)  PB L 333 van 29.12.2000, blz. 84. Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Besluit nr. 1776/2005/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 289 van 3.11.2005, blz. 14).

(3)  COM(2005) 121 def.

(4)  COM(2006) 349.

(5)  COM(2005) 107 def. – SEC(2005) 795.

(6)  PB C 235 van 21.8.2001, blz. 3.

(7)  COM(2005) 436 def.

(8)  PB C 244 van 1.10.2004, blz. 2.

(9)  Voor de toepassing van deze richtsnoeren gelden de definities van de kaderregeling inzake staatssteun aan de scheepsbouw, PB C 317 van 30.12.2003, blz. 11.

(10)  In deze richtsnoeren wordt onder „steenkool of kolen” verstaan hoogwaardige steenkool, middelwaardige steenkool en laagwaardige „A”- en „B”-kolen, in de zin van het internationale codificatiesysteem voor kolen van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties.

(11)  Voor de toepassing van deze richtsnoeren is de definitie van bijlage I bij de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen 2007-2013 (PB C 54 van 4.3.2006, blz. 13) van toepassing.

(12)  PB L 10 van 13.1.2001, blz. 33. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1040/2006 (PB L 187 van 8.7.2006, blz. 8).

(13)  Bulletin EG 9-1984, opgenomen in Mededingingsrecht in de Europese Gemeenschappen, Volume IIA, blz. 147.

(14)  PB C 384 van 10.12.1998, blz. 3.

(15)  PB C 71 van 11.3.2000, blz. 14.

(16)  Aangetekend zij hier evenwel dat bij door de staat ten gunste van risicokapitaalinvesteringen toegekende garanties de kans groter is dat deze een steunbestanddeel voor de investeerder bevatten dan bij traditionele leninggaranties het geval is; deze laatste worden doorgaans geacht steun te vormen ten behoeve van de leningnemer in plaats van de leninggever.

(17)  PB L 10 van 13.1.2001, blz. 30.

(18)  PB L 325 van 28.10.2004, blz. 4.

(19)  PB L 83 van 27.3.1999, blz. 1.

(20)  PB C 45 van 17.2.1996, blz. 5.

(21)  PB L 140 van 30.4.2004, blz. 1.

(22)  PB C 119 van 22.5.2002, blz. 22.


18.8.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/22


STEUNMAATREGELEN VAN DE STATEN — SLOVENIË

Staatssteunmaatregel nr. C 20/2006 (ex NN 30/2006) — Vermeende staatssteun voor Novoles Straža

Uitnodiging overeenkomstig artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag om opmerkingen te maken

(2006/C 194/03)

(Voor de EER relevante tekst)

De Commissie heeft Slovenië bij schrijven van 16 mei 2006, dat na deze samenvatting in de authentieke taal is weergegeven, in kennis gesteld van haar besluit tot inleiding van de procedure van artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag ten aanzien van de bovengenoemde steunmaatregel.

Belanghebbenden kunnen hun opmerkingen over de betrokken steunmaatregel ten aanzien waarvan de Commissie de procedure inleidt, maken door deze binnen één maand vanaf de datum van deze bekendmaking te zenden aan:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Concurrentie

Griffie staatssteun

Kantoor: SPA3, 6/5

B-1049 Brussel

Fax: (32-2) 296 12 42

Deze opmerkingen zullen ter kennis van Slovenië worden gebracht. Een belanghebbende die opmerkingen maakt, kan, met opgave van redenen, schriftelijk verzoeken om vertrouwelijke behandeling van zijn identiteit.

TEKST VAN DE SAMENVATTING

I.   PROCEDURE

1.

Op 27 mei 2004 keurde de Sloveense regering een resolutie goed betreffende financiële maatregelen ten gunste van de Sloveense onderneming Novoles Lesna Industrija Straža d.d. (hierna „Novoles Straža”). Dit werd niet aangemeld bij de Commissie omdat de maatregelen op 20 april 2004 goedgekeurd werden door de Sloveense commissie voor toezicht op staatssteun, dat wil zeggen vóór de toetreding. Aangezien volgens de praktijk van de Commissie het relevante criterium evenwel het wettelijk bindend besluit is waarbij de bevoegde nationale autoriteit staatssteun verleent, vormen de betrokken maatregelen nieuwe steun, en moeten zij derhalve op grond van artikel 88 van het EG-Verdrag aangemeld worden en overeenkomstig artikel 87 van het EG-Verdrag beoordeeld worden.

II.   BESCHRIJVING VAN DE STEUN

2.

Novoles Straža is een Sloveense producent van half-afgewerkte houtproducten zoals gelaagd hout en fijn fineerhout, alsmede van meubels als stoelen en tafels en andere meubels voor de kleinhandel. In 2003 kampte de onderneming met financiële problemen.

3.

De onderneming heeft derhalve voor een vijfjarige periode (2004-2008) een herstructureringsplan opgesteld waarin in een heroriëntering van de ondernemingsactiviteiten alsook een herstructurering van de industriële en de tewerkstellingsactiviteiten is voorzien. Om dat de realiseren ontvangt de onderneming een kredietgarantie van de Staat van ongeveer 0,8 miljoen EUR voor technologische herstructurering, een overheidssubsidie van ongeveer 1,2 miljoen EUR voor afvloeiingskosten en omscholingsmaatregelen en een particuliere lening van 4,6 miljoen EUR voor de financiële herstructurering.

III.   BEOORDELING

4.

De Commissie is van oordeel dat de maatregel staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag vormt. In dit stadium heeft de Commissie twijfels over de verenigbaarheid van de maatregel met de gemeenschappelijke markt, en in het bijzonder met de communautaire richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (1).

5.

De Commissie is er ten eerste niet zeker van of de onderneming de gebruikelijke kenmerken had van een onderneming in moeilijkheden, aangezien haar verkopen tot 2003 zijn gestegen en de voorraden in 2002 nog zijn gedaald. Ten tweede is het niet volledig duidelijk hoe het herstructureringsplan de onderneming in staat zou stellen haar levensvatbaarheid op lange termijn te herstellen. Ten derde twijfelt de Commissie eraan of de onderneming een voldoende grote eigen bijdrage aan de herstructurering zou leveren; een bijdrage uit eigen middelen lijkt immers niet plausibel aangezien de onderneming geen mobiliseerbare liquide middelen had en niet in staat was financiering van haar investeerders los te krijgen. Ten vierde is de Commissie niet zeker of voldaan is aan het beginsel van de eenmalige steunverlening, daar de onderneming in 1999 al herstructureringssteun had ontvangen. Tenslotte betwijfelt de Commissie of het feit dat er geen compenserende maatregelen zijn gepland, aanvaardbaar is in onderhavig geval.

Overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad kan alle onrechtmatige steun van de begunstigde worden teruggevorderd.

TEKST VAN DE BRIEF

„1.

Komisija želi obvestiti Slovenijo, da je po preučitvi informacij o zgoraj navedeni pomoči, ki jih je prejela od slovenskih organov, sklenila začeti postopek iz člena 88(2) Pogodbe ES.

I.   POSTOPEK

2.

Dne 1. decembra 2004 je Komisija prejela pritožbo glede domnevne pomoči slovenskemu lesnopredelovalnemu podjetju Novoles Lesna Industrija Straža d.d. (v nadaljnjem besedilu ‚Novoles Straža‘).

3.

S pismoma z dne 21. decembra 2004 in 10. maja 2005 je Komisija zahtevala informacije glede časa dodelitve domnevne pomoči, do 15. novembra 2005 in 23. decembra 2005 pa je zahtevala informacije o prestrukturiranju podjetja. Slovenski organi so odgovorili s pismi z dne 19. januarja 2005, 8. junija 2005, 5. decembra 2005 in 6. februarja 2006.

4.

Slovenski organi so v pismu z dne 8. junija 2005 Komisiji sporočili, da so bili ukrepi odobreni pred pristopom in da niso bili vključeni v tako imenovani začasni postopek, ker je bila ekonomska izpostavljenost državne pomoči natančno znana pred postopkom.

5.

Iz sklepa, ki ga je predložila Slovenija, je razvidno, da je razne ukrepe državnega financiranja odobrila medresorska strokovna komisija dne 16. aprila 2004. Pozneje so družbe dne 20. aprila 2004 zaprosile komisijo za spremljanje državnih pomoči za soglasje, ki je bilo izdano dne 23. aprila 2004. Komisija za spremljanje državnih pomoči je odločila, da so ukrepi državna pomoč, ki je skladna z zakonom o spremljanju državnih pomoči.

6.

Šele 27. maja 2004 pa je vlada sprejela resolucijo, da bi bilo treba družbi dodeliti državno pomoč na način, ki ga določajo resolucije pristojne medresorske strokovne komisije. V pismu z dne 2. februarja 2006 je Slovenija potrdila, da ‚je bila pomoč odobrena družbi Novoles Straža […] s sklepom vlade v času, ko je bila Slovenija že polnopravna članica EU‘.

II.   PODROBEN OPIS POMOČI

7.

Družba Novoles Straža je proizvajalec lesenih polizdelkov, kot so vezane plošče in furnir, ter pohištva, kot so mize in stoli ter drugo pohištvo za maloprodajo. Družba je v kraju Straža v Sloveniji, leta 2003 pa je imela okoli 800 zaposlenih (leta 2002 pa 650). Novoles Straža je ena od družb, ki v slovenskem lesnem in pohištvenem sektorju zaposlujejo največ delavcev.

8.

Družba je v lasti več fizičnih oseb in investicijskih skladov, od katerih ima eden, in sicer investicijski sklad PID, več kakor 25-odstotni delež, ki znaša 33,4 odstotka. Videti je, da je 8,5 odstotka v državni lasti.

9.

Družba ima več odvisnih družb, med katerimi so Novoles-Primara, d.o.o., Pohištvo Brežice, d.d. in IP TP Intarzija, d.o.o.

10.

Glavni finančni in operativni pokazatelji kažejo, da se je finančno poslovanje družbe leta 2003 poslabšalo. Družba je izgubila velik delež svojega registriranega osnovnega kapitala, ki je znašal 1,262 milijard SIT [okoli 5,3 milijonov EUR (2)], aprila 2004 pa le še 0,75 milijarde SIT. Poleg tega je družba od leta 2003 naprej ustvarjala izgubo, njen prosti denarni tok pa se je od leta 2002 zmanjšal. Vendar pa so se njene zaloge leta 2002 zmanjšale, povečale pa so se le leta 2003. Poleg tega je do leta 2003 prodaja rasla.

11.

Aprila 2004 je družba Novoles Straža ministrstvu za gospodarstvo predložila načrt prestrukturiranja za obdobje od 2004 do 2008. V njem družba razlaga, da je stečaj grozil celotni družbi, to pa dokazuje s sklicevanjem na različne teste, npr. tako imenovana Altmanova vrednost Z, ki kažejo, da je od leta 2001 družbi grozil stečaj.

12.

Družba svoje trenutne razmere razlaga s padcem gospodarske rasti na glavnih izvoznih trgih (zlasti v Nemčiji in ZDA), kjer prodaja 60 odstotkov svoje proizvodnje. Poleg tega je v zadnjih letih veliko vlagala v posodobitev tehnologije in širitev proizvodnih programov. Zaradi upada prihodkov v letu 2003 družba ni mogla več poravnavati obveznosti iz lastnih sredstev, ampak je morala povečati svoje dolgove in s tem finančne obremenitve. Organizacijska struktura ji ni omogočila uskladiti proizvodnje s povpraševanjem.

13.

Glavna poglavja prestrukturiranja družbe Novoles Straža je mogoče povzeti:

Družba Novoles Straža bo spremenila prodajno strategijo tako, da se bo preusmerila s trgov EU in severnoameriških trgov zlasti na vzhodnoevropski in ruski trg. Poleg tega si družba prizadeva zmanjšati svoj delež polizdelkov v korist končnih izdelkov.

Da bi postala stroškovno učinkovitejša in prilagodila tehnološko opremo proizvodnji, ki bo vezana na povpraševanje, ter da bi izpolnjevala okoljske standarde, bo izvedla industrijsko prestrukturiranje. Stroške v višini 1,656 milijarde SIT bo deloma krila iz lastnih sredstev, deloma pa s posojilom v znesku 200 milijonov SIT (0,8 milijona EUR), zavarovanim z državnim jamstvom.

Cilj prestrukturiranja zaposlenih bo zmanjšanje števila zaposlenih za 96 delavcev, za preostale zaposlene pa bo izvedla posebno in splošno usposabljanje. Stroške v višini 537 milijona SIT bo deloma krila z lastnimi sredstvi, deloma pa s subvencijo v znesku 283 milijonov SIT (1,2 milijona EUR).

Cilj finančnega prestrukturiranja je reprogramiranje obstoječih kratkoročnih finančnih obveznosti, predvideno pa je z državnim jamstvom, s katerim bo zagotovljen nov kredit v višini 1,100 milijarde SIT (4,6 milijona EUR).

14.

Na podlagi realističnih predvidevanj, ki predpostavljajo od 3,6- do 5,7-odstotno letno rast domače prodaje in 6,5- do 8,4-odstotno letno rasti prodaje v tujini, bo po načrtu leta 2004 prestrukturiranje doseglo do 4,2-odstotni presežek iz poslovanja, leta 2008 pa naj bi presežek dosegel 11,7 odstotka. Dobiček iz poslovanja v primerjavi z lastniškim kapitalom se bo v letu 2007 povečal na 12,6 odstotkov.

15.

Komisija za spremljanje državnih pomoči je določila izravnalni ukrep, da družba v obdobju prestrukturiranja ne sme prejeti nobene druge državne pomoči.

16.

Slovenija je obvestila Komisijo, da je družba Novoles Straža v letu 2004 iz javnih in zasebnih virov prejela tudi ugodna posojila za okoljske namene v znesku […] (3) SIT ([…] EUR), katerih neto protivrednost nepovratnih sredstev naj bi znašala […] SIT ([…] milijona EUR).

17.

Slovenija tudi poroča, da je družba v letu 1999 prejela […] SIT ([…] EUR) pomoči za reševanje in prestrukturiranje, […] SIT ([…] EUR) pomoči za zaposlovanje, […] pomoči za raziskave in razvoj ter […] SIT ([…] EUR) izvozne pomoči.

III.   PRESOJA POMOČI

1.   Obstoj državne pomoči

18.

V skladu s členom 87 Pogodbe ES je vsaka pomoč, ki jo dodeli država članica, ali kakršna koli vrsta pomoči iz državnih sredstev, ki izkrivlja ali bi lahko izkrivljala konkurenco z dajanjem prednosti posameznim podjetjem ali proizvodnji posameznega blaga, nezdružljiva državna pomoč, če prizadene trgovino med državami članicami, razen kadar jo je mogoče upravičiti na podlagi člena 87(2) ali (3) ES.

19.

Komisija opaža, da je pomoč dodeljena iz državnih sredstev posameznemu podjetju. Ker trgovina z lesnimi izdelki med Slovenijo in drugimi državami članicami obstaja, bi lahko ukrep izboljšal položaj prejemnika v primerjavi z njegovimi konkurenti v Sloveniji in v EU, kar pomeni, da pomoč izkrivlja konkurenco in vpliva na trgovino med državami članicami. Zato Komisija meni, da sedanje jamstvo in subvencija družbi Novoles Straža pomenita državno pomoč v skladu s členom 87(1) Pogodbe ES.

2.   Obstoj nove državne pomoči

20.

Slovenski organi so sprva dvomili, da je Komisija pristojna za presojo pomoči na podlagi člena 88 Pogodbe ES, glede na to, da je bila pomoč izplačana pred pristopom. Komisija je bila soočena z vprašanjem, ali sme presojati pomoč, dodeljeno tik pred pristopom, v smislu Priloge IV.3 Akta o pristopu (4). Komisija je pojasnila, da je ustrezni kriterij, s katerim se ugotovi, ali je bila pomoč izvedena pred pristopom, pravno zavezujoča listina, s katero se pristojni nacionalni organi obvežejo, da bodo odobrili pomoč (5). Odsotnost takega sklepa pred pristopom pomeni, da ukrep ni bil odobren pred pristopom in pomeni novo pomoč, katere skladnost s skupnim trgom Komisija presoja na podlagi člena 88 Pogodbe ES.

21.

V tem primeru Komisija zaključuje, da ustrezna zavezujoča listina, s katero so se pristojni nacionalni organi obvezali, da bodo odobrili pomoč, ni začela veljati pred pristopom. Veljavni slovenski zakon v členu 22 določa, da se pomoč dodeli s sklepom vlade na predlog ministrstva. Predhodni sklepi medresorskih strokovnih odborov in pristojnega ministrstva so bili sicer potrebni za dodelitev, vendar pa niso zadostovali za odobritev pomoči. Končno odločitev sprejme vlada. Ta resolucija pa je bila izdana šele maja 2004. Zato ukrep predstavlja novo pomoč in ga je treba priglasiti na podlagi člena 88 Pogodbe ES in presojati na podlagi člena 87(1) Pogodbe ES.

3.   Združljivost pomoči

22.

Slovenija je navedla, da gre za pomoč za prestrukturiranje, ki bi morala izpolnjevati merila iz Smernic Skupnosti o pomoči za reševanje in prestrukturiranje podjetij v težavah (v nadaljnjem besedilu ‚smernice‘) glede združljivosti s skupnim trgom na podlagi člena 87(3) Pogodbe ES. Če je družba resnično v težavah, se ne uporablja nobena druga izjema iz člena 87(2) ali (3) Pogodbe ES. Ker je bila pomoč dodeljena maja 2004, jo je treba presojati na podlagi smernic o pomoči za reševanje in prestrukturiranje iz leta 1999 (6).

23.

Komisija dvomi, da je družba Novoles Straža upravičena do pomoči za prestrukturiranje. Ni jasno, ali družba Novoles Straža ni del večje poslovne skupine v smislu točke 8 smernic, glede na to, da kontrolni delež investicijskih skladov PID znaša več kakor 25 odstotkov. Komisija se tudi sprašuje, ali ne bi mogla pridobiti finančne podpore od svojih delničarjev. Če so bili lastniki družbe očitno sposobni zagotoviti finančne vložke v zadnjih letih, zakaj tega niso mogli storiti tudi leta 2004?

24.

Poleg tega je jasno, da družba ne kaže kapitalske izgube na podlagi točke 5 smernic, zato Komisija dvomi, da ima družba vse običajne znake podjetja v težavah na podlagi točke 6 smernic. Res je, da je družba imela izgube v letu 2003 ter da se ji je od leta 2002 zmanjšal denarni tok. Po drugi strani pa se je prodaja povečala tudi leta 2003, zaloge pa so se leta 2002 še zmanjšale, kakor je navedeno v točki (10). Zato Komisija ni prepričana, ali je slabo poslovanje družbe izjemen dogodek, in ne stalna težnja. Leto 2003 je bilo slabo poslovno leto za številne družbe v EU. Komisiji ni jasno, zakaj vlagatelji ne bi mogli premostiti teh težav preprosto s pomočjo zunanjega financiranja.

25.

Poleg tega ni jasno, kako bo načrt prestrukturiranja omogočil družbi ponovno vzpostavitev dolgoročne rentabilnosti. Čeprav informacije o načrtu kažejo, da bi več notranjih ukrepov lahko preusmerilo družbo, in da vsebuje napovedi, po katerih je ponovna vzpostavitev rentabilnosti mogoča, Komisija ni prejela dovolj podatkov, da bi lahko presodila v zvezi s predpostavkami glede prihodnje donosnosti. Komisija zlasti nima dovolj podatkov, ki bi utemeljevali predpostavljeno gibanje prodaje.

26.

Komisija tudi dvomi, da je prejemnik zagotovil dovolj lastnih sredstev. Načrt in pojasnila, ki jih je dala Slovenija, kažejo samo, da bo družba prispevala lastna sredstva za prestrukturiranje, pri tem pa ne navaja, kako bodo lastna sredstva ustvarjena. Glede na to, da družba nima prostih denarnih sredstev in da naj ne bi bila sposobna pridobiti sredstev od svojih vlagateljev, je videti, da to kaže na uporabo prihodnjega denarnega toka. Ker pa se nanaša na prihodnje prispevke, to ni sprejemljiv ukrep za lastni prispevek (7). Komisija pričakuje natančna pojasnila glede izvora in časa teh sredstev.

27.

Komisija tudi ni opazila nobenih izravnalnih ukrepov, ki bi jih zagotovila družba, čeprav je videti, da na trgu lesne in pohištvene industrije ni težav zaradi strukturnih presežnih zmogljivosti. Komisija bi potrebovala podrobno analizo trga in nadaljnje informacije v tej zvezi.

28.

Komisija ni prepričana, ali družba izpolnjuje pogoj ‚enkrat in zadnjič‘ iz točke 48 smernic in naprej. Družba je v zadnjih desetih letih nedvomno prejela obsežno pomoč za reševanje in prestrukturiranje.

29.

Komisija meni, da bi se moral v tem primeru uporabiti pogoj ‚enkrat in zadnjič‘, kljub temu, da je bila pomoč za reševanje in prestrukturiranja odobrena, preden je Slovenija pristopila k Evropski uniji. To pa zato, ker bo Komisija pri presoji uporabe tega pogoja obravnavala samo dejansko stanje, in sicer ali je bilo podjetje v zadnjih desetih letih v težavah in je imelo možnost te težave premagati. Zato Komisija, če Slovenija v tem primeru ne more dokazati obstoja izjemnih okoliščin, na primer, da leta 1999 ni imela delujočega tržnega gospodarstva (8), domneva, da sedanja pomoč za prestrukturiranje ne izpolnjuje pogoja ‚enkrat in zadnjič‘.

30.

Komisija potrebuje tudi več informacij o vseh drugih pomočeh, dodeljenih v letu 2004, saj bi se lahko tudi te štele kot pomoč za reševanje in prestrukturiranje, glede na to, da je malo verjetno, da bi bila taka pomoč odobrena podjetju v težavah.

IV.   SKLEPNE UGOTOVITVE

31.

Ta odločitev se obravnava kot odločitev o začetku uradnega postopka preiskave v smislu člena 88(2) Pogodbe ES in Uredbe Sveta (ES) št. 659/1999. Komisija, v skladu s postopkom iz člena 88(2) Pogodbe ES, zahteva, da Slovenija v enem mesecu od datuma prejema tega dopisa predloži svoje pripombe in pošlje vse informacije, ki bi lahko pomagale pri presoji pomoči.

32.

Komisija zahteva, da Slovenija takoj pošlje kopijo tega dopisa možnemu prejemniku pomoči.

33.

Komisija bi želela opomniti Slovenijo, da ima člen 88(3) Pogodbe ES odložilni učinek, in opozoriti na člen 14 Uredbe Sveta (ES) št. 659/1999, ki določa, da se lahko vsa nezakonita pomoč izterja od prejemnika.

34.

Komisija opozarja Slovenijo, da bo zainteresirane stranke obvestila z objavo tega dopisa in njegovega povzetka v Uradnem listu Evropske unije. Z objavo obvestila v Dodatku EGP k Uradnemu listu Evropske unije bo obvestila tudi zainteresirane stranke v državah Efte, ki so podpisnice Sporazuma EGP, Nadzornemu organu EFTA pa bo poslala izvod tega dopisa. Vse zainteresirane stranke bodo pozvane, da oddajo svoje pripombe v enem mesecu od datuma objave tega obvestila.”


(1)  Communautaire richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden, PB C 288 van 9.10.1999, blz. 2.

(2)  Glede na to, da je na začetku leta 2006 1 EUR = 240 slovenskih tolarjev (SIT).

(3)  Zajeto z obveznostjo varovnaja poslovne skrivnosti.

(4)  Predviden je pravni okvir za presojo shem pomoči in posameznih pomoči, izvedenih v novi državi članici pred datumom pristopa k EU, ki se uporablja tudi po pristopu (tako imenovani začasni mehanizem).

(5)  Podrobnosti so v odločitvi Komisije v zadevi C-3/2005 FSO, UL C 100 z dne 26.4.2005, str. 2, od točke 38 naprej.

(6)  Smernice Skupnosti o državni pomoči za reševanje in prestrukturiranje podjetij v težavah, UL C 288, 9.10.1999, str. 2.

(7)  Odločitve Komisije v zadevi C-19/2000 TGI, UL L 62, 5.3.2002, str. 30, točka 106 in zadevi C-30/1998 Wildauer Kurbelwelle, UL L 287, 14.11.2000, str. 51 točka, 52.

(8)  Glej odločitve Komisije v zadevah N 584/04 Vingriai, UL C 187, 30.7.2005, str. 15 točka 19 glede Latvije.


18.8.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/26


STEUNMAATREGELEN VAN DE STATEN — SLOVENIË

Staatssteunmaatregel nr. C 19/2006 (ex NN 29/2006) — Vermeende staatssteun voor Javor Pivka

Uitnodiging overeenkomstig artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag om opmerkingen te maken

(2006/C 194/04)

(Voor de EER relevante tekst)

De Commissie heeft Slovenië bij schrijven van 16 mei 2006, dat na deze samenvatting in de authentieke taal is weergegeven, in kennis gesteld van haar besluit tot inleiding van de procedure van artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag ten aanzien van de bovengenoemde steunmaatregel.

Belanghebbenden kunnen hun opmerkingen over de betrokken steunmaatregel ten aanzien waarvan de Commissie de procedure inleidt, maken door deze binnen één maand vanaf de datum van deze bekendmaking te zenden aan:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Concurrentie

Griffie staatssteun

Kantoor: SPA3, 6/5

B-1049 Brussel

Fax: (32-2) 296 12 42

Deze opmerkingen zullen ter kennis van Slovenië worden gebracht. Een belanghebbende die opmerkingen maakt, kan, met opgave van redenen, schriftelijk verzoeken om vertrouwelijke behandeling van zijn identiteit.

TEKST VAN DE SAMENVATTING

I.   PROCEDURE

1.

Op 27 mei 2004 keurde de Sloveense regering een resolutie goed betreffende financiële maatregelen ten gunste van de Sloveense onderneming Javor Pivka Lesna Industrija d.d. (hierna „Javor Pivka”). Dit werd niet aangemeld bij de Commissie omdat de maatregelen op 20 april 2004 goedgekeurd werden door de Sloveense commissie voor toezicht op staatssteun, dat wil zeggen vóór de toetreding. Aangezien volgens de praktijk van de Commissie het relevante criterium evenwel het wettelijk bindend besluit is waarbij de bevoegde nationale autoriteit staatssteun verleent, vormen de betrokken maatregelen nieuwe steun, en moeten zij derhalve op grond van artikel 88 van het EG-Verdrag aangemeld worden en overeenkomstig artikel 87 van het EG-Verdrag beoordeeld worden.

II.   BESCHRIJVING VAN DE STEUN

2.

Javor Pivka is een Sloveense producent van half-afgewerkte houtproducten zoals bekistingsplaten, gelaagd hout en fijn fineerhout, alsmede van meubels als stoelen en tafels. In 2003 kampte de onderneming met financiële problemen.

3.

De onderneming heeft derhalve voor een vijfjarige periode (2004-2008) een herstructureringsplan opgesteld waarin in een heroriëntering van de ondernemingsactiviteiten alsook een herstructurering van de industriële en de tewerkstellingsactiviteiten is voorzien. Om dat de realiseren ontvangt de onderneming een kredietgarantie van de Staat van ongeveer 4,6 miljoen EUR voor technologische herstructurering, een overheidssubsidie van ongeveer 1,6 miljoen EUR voor afvloeiingskosten en omscholingsmaatregelen en een particuliere lening van 1,65 miljoen EUR voor de financiële herstructurering.

III.   BEOORDELING

4.

De Commissie is van oordeel dat de maatregel staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag vormt. In dit stadium heeft de Commissie twijfels over de verenigbaarheid van de maatregel met de gemeenschappelijke markt, en in het bijzonder met de communautaire richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (1).

5.

De Commissie is er ten eerste niet zeker van of de onderneming de gebruikelijke kenmerken had van een onderneming in moeilijkheden, aangezien haar verkopen tot 2003 zijn gestegen en de voorraden in 2002 nog zijn gedaald; Ten tweede is het niet volledig duidelijk hoe het herstructureringsplan de onderneming in staat zou stellen haar levensvatbaarheid op lange termijn te herstellen. Ten derde twijfelt de Commissie eraan of de onderneming een voldoende grote eigen bijdrage aan de herstructurering zou leveren; een bijdrage uit eigen middelen lijkt immers niet plausibel aangezien de onderneming geen mobiliseerbare liquide middelen had en niet in staat was financiering van haar investeerders los te krijgen. Tenslotte betwijfelt de Commissie of het feit dat er geen compenserende maatregelen zijn gepland, aanvaardbaar is in onderhavig geval.

Overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad kan alle onrechtmatige steun van de begunstigde worden teruggevorderd.

TEKST VAN DE BRIEF

„1.

Komisija želi obvestiti Slovenijo, da je po preučitvi informacij o zgoraj navedeni pomoči, ki jih je prejela od slovenskih organov, sklenila začeti postopek iz člena 88(2) Pogodbe ES.

I.   POSTOPEK

2.

Dne 1. decembra 2004 je Komisija prejela pritožbo glede domnevne pomoči slovenskemu lesnopredelovalnemu podjetju Javor Pivka lesna industrija d.d. (v nadaljnjem besedilu ‚Javor Pivka‘).

3.

S pismoma z dne 21. decembra 2004 in 10. maja 2005 je Komisija zahtevala informacije glede časa dodelitve domnevne pomoči, do 15. novembra 2005 in 23. decembra 2005 pa je zahtevala informacije o prestrukturiranju podjetja. Slovenski organi so odgovorili s pismi z dne 19. januarja 2005, 8. junija 2005, 5. decembra 2005 in 6. februarja 2006.

4.

Slovenski organi so v pismu z dne 8. junija 2005 Komisiji sporočili, da so bili ukrepi odobreni pred pristopom in da niso bili vključeni v tako imenovani začasni postopek, ker je bila ekonomska izpostavljenost državne pomoči natančno znana pred postopkom.

5.

Iz sklepa, ki ga je predložila Slovenija, je razvidno, da je razne ukrepe državnega financiranja odobrila medresorska strokovna komisija dne 6. aprila 2004. Pozneje so družbe dne 9. aprila 2004 zaprosile komisijo za spremljanje državnih pomoči za soglasje, ki je bilo izdano dne 20. aprila 2004. Komisija za spremljanje državnih pomoči je odločila, da so ukrepi državna pomoč, ki je skladna z zakonom o spremljanju državnih pomoči.

6.

Šele 27. maja 2004 pa je vlada sprejela resolucijo, da bi bilo treba družbi dodeliti državno pomoč na način, ki ga določajo resolucije pristojne medresorske strokovne komisije. V pismu z dne 2. februarja 2006 je Slovenija potrdila, da ‚je bila pomoč odobrena družbi Javor Pivka […] s sklepom vlade v času, ko je bila Slovenija že polnopravna članica EU‘.

II.   PODROBEN OPIS POMOČI

7.

Družba Javor Pivka je proizvajalec lesenih polizdelkov, kot so opažne plošče, vezane plošče in furnir, ter pohištva, kot so mize in stoli. Družba je na območju Pivke v Sloveniji, leta 2003 pa je imela okoli 800 zaposlenih. Javor Pivka je ena od družb, ki v slovenskem lesnem in pohištvenem sektorju zaposlujejo največ delavcev.

8.

Družba je v lasti več fizičnih oseb in investicijskih skladov, od katerih nihče ne presega 25-odstotnega deleža. Z izjemo Kapitalske družbe d.d., ki ima v lasti okoli 5 odstotkov, so institucionalni lastniki zasebni. Pred kratkim so jo dokapitalizirale njene matične družbe.

9.

Družba ima več odvisnih družb; nekatere izmed njih tržijo proizvode v večjih slovenskih mestih, nekatere družbe, prevzete januarja 2003, pa izvajajo programe predelave in obdelave lesa.

10.

Glavni finančni in operativni pokazatelji kažejo, da se je finančno poslovanje družbe leta 2003 poslabšalo. Družba je izgubila velik delež svojega registriranega osnovnega kapitala, ki je znašal 1,195 milijarde SIT [okoli 5 milijonov EUR (2)], aprila 2004 pa le še 0,7 milijarde SIT. Poleg tega so bili od leta 2001 poslovni rezultati družbe negativni, njen prosti denarni tok pa se je zmanjšal. Vendar pa so se njene zaloge leta 2002 zmanjšale, povečale pa so se le leta 2003. Podobno se je leta 2002 prodaja povečala, leta 2003 pa zmanjšala.

11.

Aprila 2004 je družba Javor Pivka ministrstvu za gospodarstvo predložila načrt prestrukturiranja za obdobje od 2004 do 2008.

12.

Družba svoje sedanje razmere razlaga s padcem gospodarske rasti na glavnih izvoznih trgih (zlasti v Nemčiji in ZDA), kjer prodaja 70 odstotkov svoje proizvodnje. Poleg tega ima zastarele proizvodne zmogljivosti. Organizacijska struktura ji ni omogočila uskladiti proizvodnje s povpraševanjem. Zato so bili proizvodni stroški visoki. Družba ni bila sposobna proizvajati izdelkov v višjem cenovnem razredu. Zaradi nezadostne likvidnosti pa so se kopičile obveznosti in finančna bremena.

13.

Glavna poglavja prestrukturiranja družbe Javor Pivka je mogoče povzeti:

Družba Javor Pivka bo spremenila prodajno strategijo tako, da se bo preusmerila s trgov EU in severnoameriških trgov zlasti na vzhodnoevropski in ruski trg. Stroške v višini 496 milijonov SIT bo krila iz ‚lastnih sredstev‘.

Prestrukturiranje industrije bo trajalo tri leta in bo izboljšalo proizvodno učinkovitost ter zmanjšalo stroške obratovanja. Stroške v višini 2,099 milijarde SIT bo deloma krila iz lastnih sredstev, deloma pa s posojilom v znesku 1.100 milijonov SIT (4,6 milijona EUR), zavarovanim z državnim jamstvom.

Izvedla bo prestrukturiranje zaposlenih, vključno z zmanjšanjem števila zaposlenih za 108 delavcev, za preostalih 693 delavcev pa bo izvedla posebno in splošno usposabljanje. Stroške v višini 602 milijona SIT bo deloma krila z lastnimi sredstvi, deloma pa s subvencijo v znesku 382 milijonov SIT (1,6 milijona EUR).

Cilj finančnega prestrukturiranja je reprogramiranje obstoječih in tekočih dolgoročnih finančnih obveznosti, predvideno pa je s pomočjo lastnih sredstev ali s pomočjo lastnikov ali bank. Videti je, da bo družba prejela posojilo v višini 400 milijonov SIT (1,65 milijona EUR).

14.

Na podlagi prestrukturiranja se bo presežek iz poslovanja v letu 2004 povečal do 6 odstotkov in leta 2008 dosegel 12,7 odstotkov. Dobiček iz poslovanja v primerjavi z lastniškim kapitalom se bo v letu 2007 povečal na 14 odstotkov.

15.

Komisija za spremljanje državnih pomoči je določila izravnalni ukrep, da družba v obdobju prestrukturiranja ne sme prejeti nobene druge državne pomoči.

16.

Slovenija je Komisijo obvestila, da je družba Javor Pivka v letu 2004 od države prejela nepovratna sredstva v višini […] (3) SIT ([…] EUR) za varčevanje z energijo.

III.   PRESOJA POMOČI

1.   Obstoj državne pomoči

17.

V skladu s členom 87 Pogodbe ES je vsaka pomoč, ki jo dodeli država članica, ali kakršna koli vrsta pomoči iz državnih sredstev, ki izkrivlja ali bi lahko izkrivljala konkurenco z dajanjem prednosti posameznim podjetjem ali proizvodnji posameznega blaga, nezdružljiva državna pomoč, če prizadene trgovino med državami članicami, razen kadar jo je mogoče upravičiti na podlagi člena 87(2) ali (3) ES.

18.

Komisija opaža, da je pomoč dodeljena iz državnih sredstev posameznemu podjetju. Ker trgovina z lesnimi izdelki med Slovenijo in drugimi državami članicami obstaja, bi lahko ukrep izboljšal položaj prejemnika v primerjavi z njegovimi konkurenti v Sloveniji in v EU, kar pomeni, da pomoč izkrivlja konkurenco in vpliva na trgovino med državami članicami. Zato Komisija meni, da sedanje jamstvo in subvencija družbi Javor Pivka pomenita državno pomoč v skladu s členom 87(1) Pogodbe ES.

2.   Obstoj nove državne pomoči

19.

Slovenski organi so sprva dvomili, da je Komisija pristojna za presojo pomoči na podlagi člena 88 Pogodbe ES, glede na to, da je bila pomoč izplačana pred pristopom. Komisija je bila soočena z vprašanjem, ali sme presojati državno pomoč, dodeljeno tik pred pristopom, v smislu Priloge IV.3 Akta o pristopu. (4) Komisija je pojasnila, da je ustrezni kriterij, s katerim se ugotovi, ali je bila pomoč izvedena pred pristopom, pravno zavezujoča listina, s katero se pristojni nacionalni organi obvežejo, da bodo odobrili pomoč. (5) Odsotnost takega sklepa pred pristopom pomeni, da ukrep ni bil odobren pred pristopom in pomeni novo pomoč, katere skladnost s skupnim trgom Komisija presoja na podlagi člena 88 Pogodbe ES.

20.

V tem primeru Komisija zaključuje, da ustrezna zavezujoča listina, s katero so se pristojni nacionalni organi obvezali, da bodo odobrili pomoč, ni začela veljati pred pristopom. Veljavni slovenski zakon v členu 22 določa, da se pomoč dodeli s sklepom vlade na predlog ministrstva. Predhodni sklepi medresorskih strokovnih odborov in pristojnega ministrstva so bili sicer potrebni za dodelitev, vendar pa niso zadostovali za odobritev pomoči. Končno odločitev sprejme vlada. Ta resolucija pa je bila izdana šele maja 2004. Zato ukrep predstavlja novo pomoč in ga je treba priglasiti na podlagi člena 88 Pogodbe ES in presojati na podlagi člena 87(1) Pogodbe ES.

3.   Združljivost pomoči

21.

Slovenija je navedla, da gre za pomoč za prestrukturiranje, ki bi morala izpolnjevati merila iz smernic Skupnosti o pomoči za reševanje in prestrukturiranje podjetij v težavah (v nadaljnjem besedilu ‚smernice o pomoči za reševanje in prestrukturiranje‘) glede združljivosti s skupnim trgom na podlagi člena 87(3) Pogodbe ES. Če je družba resnično v težavah, se ne uporablja nobena druga izjema iz člena 87(2) ali (3) Pogodbe ES. Ker je bila pomoč dodeljena maja 2004, jo je treba presojati na podlagi smernic o pomoči za reševanje in prestrukturiranje iz leta 1999. (6)

22.

Komisija dvomi, da je družba Javor Pivka upravičena do pomoči za prestrukturiranje. Sprašuje se, ali ne bi mogla pridobiti finančne podpore od skupine, kateri pripada. Če so bili lastniki družbe očitno sposobni zagotoviti finančne vložke v zadnjih letih, zakaj tega niso mogli storiti tudi leta 2004?

23.

Poleg tega je jasno, da družba ne kaže kapitalske izgube na podlagi točke 5 smernic, zato Komisija dvomi, da ima družba vse običajne znake podjetja v težavah na podlagi točke 6 smernic. Res je, da je imela družba nenehne izgube v letih 2002 in 2003 ter da se ji je zmanjšal denarni tok. Po drugi strani pa se je prodaja večala do leta 2003, zaloge pa so se leta 2002 še zmanjšale, kakor je navedeno v točki (10). Zato Komisija ni prepričana, ali je slabo poslovanje družbe izjemen dogodek, in ne stalna težnja. Leto 2003 je bilo slabo poslovno leto za številne družbe v EU. Komisiji ni jasno, zakaj vlagatelji ne bi mogli premostiti teh težav preprosto z zunanjim financiranjem.

24.

Poleg tega ni jasno, kako bo načrt prestrukturiranja družbi omogočil ponovno vzpostavitev dolgoročne rentabilnosti. Čeprav informacije o načrtu kažejo, da bi več notranjih ukrepov lahko preusmerilo družbo, in da vsebuje napovedi, po katerih je ponovna vzpostavitev rentabilnosti mogoča, pa Komisija ni prejela dovolj podatkov, da bi presodila predpostavke glede prihodnje donosnosti. Komisija zlasti nima dovolj podatkov, ki bi utemeljevali predpostavljeno gibanje prodaje.

25.

Komisija tudi dvomi, ali je prejemnik zagotovil dovolj lastnih sredstev. Načrt in pojasnila, ki jih je dala Slovenija, kažejo samo, da bo družba prispevala lastna sredstva za prestrukturiranje, pri tem pa ne navaja, kako bodo lastna sredstva ustvarjena. Glede na to, da družba nima prostih denarnih sredstev in da naj ne bi bila sposobna pridobiti sredstev od svojih vlagateljev, je videti, da to kaže na uporabo prihodnjega denarnega toka. Ker pa se nanaša na prihodnje prispevke, to ni sprejemljiv ukrep za lastni prispevek. (7) Komisija pričakuje natančna pojasnila glede izvora in časa teh sredstev.

26.

Komisija tudi ni opazila nobenih izravnalnih ukrepov, ki bi jih zagotovila družba, čeprav je videti, da na trgu lesne in pohištvene industrije ni težav zaradi strukturnih presežnih zmogljivosti. Komisija bi potrebovala podrobno analizo trga in nadaljnje informacije v tej zvezi.

27.

Komisija potrebuje tudi več informacij o vseh drugih pomočeh, dodeljenih v letu 2004, saj bi se lahko tudi te štele kot pomoč za reševanje in prestrukturiranje, glede na to, da je malo verjetno, da bi bila okoljska pomoč odobrena podjetju v težavah.

IV.   SKLEPNE UGOTOVITVE

28.

Ta odločitev se obravnava kot odločitev o začetku uradnega postopka preiskave v smislu člena 88(2) Pogodbe ES in Uredbe Sveta (ES) št. 659/1999. Komisija v skladu s postopkom iz člena 88(2) Pogodbe ES zahteva, da Slovenija v enem mesecu od datuma prejema tega dopisa predloži svoje pripombe in pošlje vse informacije, ki bi lahko pomagale pri presoji pomoči.

29.

Komisija zahteva, da Slovenija takoj pošlje kopijo tega dopisa možnemu prejemniku pomoči.

30.

Komisija bi želela opomniti Slovenijo, da ima člen 88(3) Pogodbe ES odložilni učinek, in opozoriti na člen 14 Uredbe Sveta (ES) št. 659/1999, ki določa, da se lahko vsa nezakonita pomoč izterja od prejemnika.

31.

Komisija opozarja Slovenijo, da bo zainteresirane stranke obvestila z objavo tega dopisa in njegovega povzetka v Uradnem listu Evropske unije. Z objavo obvestila v Dodatku EGP k Uradnemu listu Evropske unije bo obvestila tudi zainteresirane stranke v državah Efte, ki so podpisnice Sporazuma EGP, Nadzornemu organu EFTA pa bo poslala izvod tega dopisa. Vse zainteresirane stranke bodo pozvane, da oddajo svoje pripombe v enem mesecu od datuma objave tega obvestila.”


(1)  Communautaire richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden, PB C 288 van 9.10.1999, blz. 2.

(2)  Glede na to, da je na začetku leta 2006 1 EUR = 240 slovenskih tolarjev (SIT).

(3)  Zajeto z obveznostjo varovnaja poslovne skrivnosti.

(4)  Predviden je pravni okvir za presojo shem pomoči in posameznih pomoči, izvedenih v novi državi članici pred datumom pristopa k EU, ki se uporablja tudi po pristopu (tako imenovani začasni mehanizem).

(5)  Podrobnosti so v odločitvi Komisije v zadevi C-3/2005 FSO, UL C 100 z dne 26. 4. 2005, str. 2, od točke 38 naprej.

(6)  Smernice Skupnosti o državni pomoči za reševanje in prestrukturiranje podjetij v težavah, UL C 288, 9.10.1999, str. 2.

(7)  Odločitve Komisije v zadevi C-19/2000 TGI, UL L 62, 5.3.2002, str. 30, točka 106 in zadevi C-30/1998 Wildauer Kurbelwelle, UL L 287, 14.11.2000, str. 51 točka, 52.


18.8.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/30


STEUNMAATREGELEN VAN DE STATEN — SLOWAKIJE

Steunmaatregel nr. C 21/2006 (ex N 635/2005) — Regionale steun aan scheepswerf Slovenské lodenice Komárno

Uitnodiging overeenkomstig artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag opmerkingen te maken

(2006/C 194/05)

(Voor de EER relevante tekst)

De Commissie heeft Slowakije bij schrijven van 7 juni 2006, dat na deze samenvatting in de authentieke taal is weergegeven, in kennis gesteld van haar besluit tot inleiding van de procedure van artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag ten aanzien van de bovengenoemde steunmaatregel.

Belanghebbenden kunnen hun opmerkingen over de maatregel ten aanzien waarvan de Commissie de procedure inleidt, kenbaar maken door deze binnen één maand vanaf de datum van bekendmaking te zenden aan:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Concurrentie

Griffie staatssteun

B-1049 Brussel

Fax: (32-2) 296 12 42

Deze opmerkingen zullen ter kennis van Slowakije worden gebracht. Een belanghebbende die opmerkingen maakt, kan, met opgave van reden, schriftelijk verzoeken om vertrouwelijke behandeling van zijn identiteit.

TEKST VAN DE SAMENVATTING

PROCEDURE

Op 14 december 2005 werd de aanmelding van de steunmaatregel geregistreerd. Slowakije verstrekte aanvullende informatie bij twee brieven, die geregistreerd werden op 31 januari en 4 april 2006.

BESCHRIJVING

De begunstigde is de Slowaakse scheepsbouwmaatschappij Slovenské lodenice Komárno, een aandelenvennootschap („SLK”) die gelegen is aan de rivier de Donau in een regio die overeenkomstig artikel 87, lid 3, onder a), van het EG-Verdrag in aanmerking komt voor regionale steun. SLK is een grote onderneming.

SLK wil tussen 2006 en 2008 investeringen doorvoeren met het oog op de uitbreiding van haar scheepsbouwcapaciteit en de modernisering van haar productie. De totale investeringskosten bedragen 80 325 658 SKK, terwijl de huidige waarde, berekend door de Slowaakse autoriteiten, 76 100 000 SKK is.

Het investeringsproject bestaat uit negen delen: DP 01 tot en met DP 09. Het belangrijkste onderdeel is de uitbreiding van de productieruimte door het ombouwen van een van de niet-gebruikte oude sporen op de werf tot een nieuwe productielijn voor assemblage en uitrusting (deelproject DP 01). Deze investering maakt de jaarlijkse productie van twee extra schepen of een stijging met 16 % van de productiecapaciteit van SLK, uitgedrukt in gbt, mogelijk. De overige deelprojecten hebben betrekking op de aanpassing van andere productiefaciliteiten aan de toegenomen capaciteitsbehoefte en de modernisering van de werf.

Het project zal leiden tot een productiviteitsstijging en een toename van de technische capaciteit met 16 %. Als gevolg van de investering zullen 120-130 directe, 20-30 bijkomstige en 50-60 indirecte arbeidsplaatsen in deze regio worden gecreëerd.

De aangemelde steunmaatregel bestaat in een kwijtschelding van dwangsommen door het Bureau voor Sociale Zekerheid. Deze dwangsommen waren opgelegd omdat SLK tussen 31 oktober 2003 en 31 maart 2004 verzuimd had socialezekerheidspremies af te dragen. De af te schrijven schuld bedraagt 17 117 957 SKK en de steunintensiteit 22,49 %.

BEOORDELING

De steun moet worden getoetst aan de kaderregeling inzake staatssteun aan de scheepsbouw („scheepsbouwsteunkader”). Volgens het scheepsbouwsteunkader mag regionale steun worden verleend ten behoeve van investeringen in de aanpassing of modernisering van bestaande werven, met als doel de productiviteit van de bestaande installaties te verbeteren. Overeenkomstig artikel 87, lid 3, onder a), mag de steunintensiteit in steungebieden niet meer dan 22,5 % bedragen.

De Commissie betwijfelt of aan de voorwaarden van het scheepsbouwsteunkader is voldaan. Zij betwijfelt met name of het deel van de investeringen betreffende het ombouwen van een oud niet-gebruikt spoor op de werf tot een productie-installatie, de aankoop van een horizontale boorbeitel ter vervanging van een eerder gehuurde boorbeitel, evenals de inrichting van een nieuwe laswerkplaats voor aluminium, een activiteit die voordien uitbesteed werd, als investeringen in bestaande installaties kunnen worden beschouwd. Derhalve betwijfelt de Commissie of deze kosten voor regionale steun in aanmerking komen.

Bovendien vraagt de Commissie zich af of de capaciteitstoename van SLK met het scheepsbouwsteunkader en de gemeenschappelijke markt verenigbaar is.

TEKST VAN DE BRIEF

„Komisia oznamuje Slovenskej republike, že po preskúmaní informácií o uvedenej pomoci, ktoré poskytli Vaše orgány, sa rozhodla začať konanie stanovené v článku 88 ods. 2 Zmluvy o ES.

I.   KONANIE

(1)

Listom z 9. decembra 2005, zaregistrovanom 14. decembra 2005, Slovensko oznámilo Komisii svoj úmysel poskytnúť regionálnu investičnú pomoc spoločnosti Slovenské lodenice Komárno. Komisia požiadala o informácie listom z 23. decembra 2005, na ktorý Slovensko odpovedalo listom z 26. januára 2006, zaregistrovaným 31. januára 2006. Komisia požiadala o ďalšie informácie listom z 27. februára 2006, na ktorý Slovensko odpovedalo listom z 23. marca 2006, zaregistrovaným 4. apríla 2006.

II.   OPIS

(2)

Príjemcom je slovenská lodiarska spoločnosť Slovenské lodenice Komárno, a.s. so sídlom na rieke Dunaj v regióne oprávnenom získať regionálnu pomoc podľa článku 87 ods. 3 písm. a) Zmluvy o ES. Je to akciová spoločnosť, ktorá bola založená v roku 2000. Jej akcionármi sú štát (30 %) a Euram Bank AG Viedeň (70 %). Euram Bank AG Viedeň sa stala väčšinovým akcionárom prostredníctvom dvoch kapitálových injekcií v roku 2003. Slovenské lodenice Komárno, a.s. je veľkým podnikom s obratom 1 424 mld. Sk (1) (v roku 2004) a 910 zamestnancami (v roku 2005). Po čiastočnej privatizácii v roku 2003 spoločnosť strojnásobila produkciu (pokiaľ ide o kompenzovanú hrubú tonáž (CGT) za rok) a v roku 2004 dosiahla zisk 26 mil. Sk. Spoločnosť Slovenské lodenice Komárno, a.s. nie je vo finančných ťažkostiach.

(3)

Spoločnosť Slovenské lodenice Komárno, a.s. stavia malé námorné lode s maximálnou nosnosťou 6 000 dwt na prepravu kontajnerov a na prepravu suchých nákladov. Lodenice DAMEN v Holandsku a Flensburg v Nemecku, ktoré stavajú lode s nosnosťou 4 000 až 20 000 dwt, majú podľa Slovenska vedúce postavenie na trhu. V súčasnosti sa aj poľská lodenica Stocznia Polnocna špecializuje na stavbu kontajnerových lodí. Spoločnosť Slovenské lodenice Komárno, a.s. nevykonáva opravy ani konverzie námorných plavidiel. Celá produkcia spoločnosti je orientovaná do členských štátov Európskej únie.

(4)

Spoločnosť má v úmysle v rokoch 2006 až 2008 realizovať investičný projekt s názvom Modernizácia technologickej základne Slovenských lodeníc Komárno, a.s. Cieľom projektu je rozšíriť stavebnú kapacitu spoločnosti Slovenské lodenice Komárno, a.s. a modernizovať výrobu. Investičný projekt pozostáva z deviatich dielčích projektov nazvaných DP 01 až DP 09, ktoré sú stručne opísané takto:

DP 01 – Rozšírenie výrobných plôch: jedna zo starých odstavených koľají vo vlastníctve lodenice sa vybaví zariadením, aby slúžila ako prevádzkyschopné pracovisko; v tejto súvislosti musí lodenica vybudovať koľajnice pre lodnú posuvňu, energetické rozvody a žeriavovú dráhu a zakúpiť žeriav s nosnosťou do 50 ton. Táto časť lodenice ešte nebola použitá na výrobu. Náklady predstavujú 39 825 658 Sk.

DP 02 – Automatizovaný systém predúpravy hutného materiálu: nákup a realizácia komorového tryskača valčekového dopravníka. Lodenica doteraz využívala menej výkonný komorový tryskač. Výška nákladov dosahuje 17 500 000 Sk.

DP 03 – Vybudovanie energetického hospodárstva na odstavených koľajach č. 4 a č. 5: koľaje č. 4 a č. 5 sa využívajú pri dokončovacích prácach na lodných objektoch pred ich presunom do doku; lodenica vybuduje šesť nových odberných miest (na acetylén, kyslík, stlačený vzduch a elektrickú energiu) na modernizáciu tohto zariadenia a zvýšenie spracovateľskej kapacity. Výška nákladov dosahuje 6 500 000 Sk.

DP 04 – Vybudovanie energetických rozvodov pre ťažké mólo pri dokončovacích prácach výrobného procesu: na móle sa vybudujú nové rozvody a osem odberných miest (pre acetylén, kyslík, stlačený vzduch a elektrickú energiu). Cieľom je nahradiť súčasný pomalý a nákladný systém, v ktorom sa elektrická energia odoberá z fliaš. Výška nákladov dosahuje 3 500 000 Sk.

DP 05 – Horizontálna vyvrtávačka: nákup horizontálnej vyvrtávačky. Toto zariadenie sa doteraz prenajímalo. Výška nákladov dosahuje 6 000 000 Sk.

DP 06 – Pracovisko na delenie materiálu strihaním: nákup hydraulických tabuľových nožníc. Doteraz sa používala alternatívna, menej efektívna technológia. Výška nákladov dosahuje 2 000 000 Sk.

DP 07 – Zlepšenie kvality kontroly: kontrolné merania pri výrobe lodného telesa, kontrola kvality vykonaných prác rôznych profesií, nákup prenosného priemyselného röntgenového prístroja, prístroja na meranie náterov a materiálov, ultrazvukového hrúbkomera na plechy a sondy. Výška nákladov dosahuje 2 000 000 Sk.

DP 08 – Riešenie manipulačnej techniky: plošinový vozík, vysokozdvižný vozík, nabíjač trakčných olovených batérií. Výška nákladov dosahuje 2 000 000 Sk.

DP 09 – Pracoviská na zváranie hliníka a nerezu: elektrozámočnícke pracovisko, potrubáreň (pracovisko pre zváranie nerezových rúr). Uvedené dve pracoviská sú v súčasnosti predmetom subdodávok. Výška nákladov dosahuje 1 000 000 Sk.

(5)

Celkové náklady dosahujú výšku 80 325 658 Sk, ktorá zodpovedá oprávneným nákladom na regionálnu investičnú pomoc. Náklady pozostávajú z výdavkov na nákup strojov a zariadení. Súčas %). V jednotlivých rokoch sú náklady distribuované takto:

Tabuľka č. 1 – Súčasná hodnota oprávnených nákladov

Rok

Oprávnené náklady

Súčasná hodnota oprávnených nákladov

2006

31 164 000

31 164 000

2007

37 295 658

34 677 506

2008

11 866 000

10 258 494

Spolu

80 325 658

76 100 000

(6)

Hlavnou zložkou investičného projektu je dielčí projekt DP 01. Táto investícia umožní spoločnosti Slovenské lodenice Komárno, a.s. vyrábať ročne o dve lode viac. Ďalšie dielčie projekty pozostávajú z úprav výrobných zariadení na potreby zvýšenej kapacity a z modernizácie lodenice. Podľa slovenských orgánov sú dielčie projekty DP 02 – DP 09 samostatnými projektmi, ktoré bude spoločnosť Slovenské lodenice Komárno, a.s. realizovať aj v prípade, ak sa dielčí projekt DP 01 nebude realizovať. Príjemca vyhlásil, že investície využije v období najmenej piatich rokov. Spoločnosť Slovenské lodenice Komárno, a.s. požiadala o poskytnutie pomoci listom z 10. októbra 2005.

(7)

Podľa slovenských orgánov bude investičný projekt viesť k zvýšeniu technologickej kapacity lodenice o 16 % z 24 000 CGT (kompenzovaná hrubá tonáž) na 28 500 CGT v roku 2009, čo zodpovedá zvýšeniu o dve lode ročne. Ďalším prínosom realizácie projektu bude skrátenie výrobného cyklu, úspora nákladov a zvýšenie kvality. Produktivita lodenice sa v roku 2009 zvýši zo súčasných 67 normohodín/CGT na 58 normohodín/CGT pri zohľadnení činností vykonávaných v rámci subdodávky. Výsledkom investície bude vytvorenie 120 – 130 pracovných miest v robotníckych profesiách, 20 – 30 pracovných miest v pomocných profesiách a nepriamych pracovných miest v regióne s mierou nezamestnanosti 14 %.

(8)

Notifikované opatrenie pozostáva z odpísania penále Sociálnou poisťovňou. Uvedené penále vzniklo nezaplatením príspevkov sociálneho zabezpečenia spoločnosťou Slovenské lodenice Komárno, a.s. v období od 31. októbra 2003 do 31. marca 2004. Výška pohľadávky na odpísanie predstavuje 17 117 957 Sk. Sociálna poisťovňa odpustí penále v roku 2006, keď by sa tiež mala začať investícia, po schválení Komisiou. Súčasná hodnota pomoci tak predstavuje 17 117 957 Sk, čo zodpovedá intenzite pomoci vo výške 22,49 % oprávnených nákladov.

(9)

Ďalšie zdroje financovania sú vlastné zdroje spoločnosti Slovenské lodenice Komárno, a.s. (19 025 000 Sk) a pôžička zo súkromnej banky (39 957 043 Sk).

III.   HODNOTENIE

3.1.   Štátna pomoc podľa článku 87 ods. 1 Zmluvy o ES

(10)

V súlade s článkom 87, ods. 1 Zmluvy o ES akákoľvek pomoc poskytnutá členským štátom alebo zo štátnych prostriedkov v akejkoľvek forme, ktorá narúša hospodársku súťaž alebo môže narušiť hospodársku súťaž zvýhodnením určitých spoločností alebo výrobu určitých druhov tovaru, je nezlučiteľná so spoločným trhom. Podľa zavedenej judikatúry európskych súdov je kritérium ovplyvňovania obchodu splnené, ak firma príjemcu vykonáva hospodársku činnosť zahŕňajúcu obchod medzi členskými štátmi.

(11)

Odpísanie pohľadávky realizuje Sociálna poisťovňa, ktorá je ústredným orgánom spravujúcim systém sociálneho zabezpečenia. Finančné opatrenie tak vyplýva zo štátnych zdrojov a vzťahuje sa na štát. Sociálna poisťovňa môže podľa vlastného uváženia odpustiť penále v plnej výške alebo čiastočne ‚v odôvodnených prípadoch”. Kritérium selektívnosti opatrenia je týmto splnené. Opatrenie prináša spoločnosti Slovenské lodenice Komárno, a.s. výhody, ktoré by spoločnosť na trhu nezískala. Spoločnosť Slovenské lodenice Komárno, a.s. vyrába námorné lode. Uvedeným opatrením sa môže ohroziť hospodárska súťaž a ovplyvniť obchod medzi členskými štátmi, pretože pri týchto produktoch jestvuje obchod medzi členskými štátmi. tieto produkty predávajú. Hoci spoločnosť Slovenské lodenice Komárno, a.s. prevádzkuje na sektorovom trhu s malými loďami do 6 000 dwt, je prinajmenšom v potenciálnej hospodárskej súťaži s menšími poľskými lodenicami, holandskou lodenicou DAMEN a nemeckou lodenicou Flensburg. V dôsledku toho predstavuje finančné opatrenie štátnu pomoc v zmysle článku 87 ods. 1 Zmluvy o ES a musí sa hodnotiť zodpovedajúcim spôsobom.

(12)

Komisia poznamenáva, že nebude zisťovať, či samotné nevymáhanie príspevkov sociálneho zabezpečenia v období od 31. októbra 2003 do 31. marca 2004 nepredstavovalo štátnu pomoc v zmysle článku 87 ods. 1 Zmluvy o ES. K tomuto opatreniu došlo pred vstupom do EÚ a toto opatrenie nemá účinky po vstupe, Komisia preto nie je oprávnená ho hodnotiť. Komisia poznamenáva, že spoločnosť Slovenské lodenice Komárno, a.s. zaplatila všetky príspevky sociálneho zabezpečenia z obdobia od 31. októbra 2003 do 31. marca 2004, čo bola nevyhnutná podmienka na odpísanie penále.

3.2.   Výnimka podľa článku 87 ods. 2 a 3 Zmluvy o ES

(13)

V článku 87 ods. 2 a 3 Zmluvy o ES sa uvádzajú výnimky zo všeobecnej nezlučiteľnosti štátnej pomoci, ako sa uvádza v odseku 1 tohto článku.

(14)

Na hodnotenie pomoci pre stavbu lodí Komisia vydala rámec pre štátnu pomoc pre stavbu lodí (‚rámec pre stavbu lodí’) (2). Podľa rámca pre stavbu lodí znamená stavba lodí stavbu samohybných námorných komerčných plavidiel v Spoločenstve. Činnosti spoločnosti Slovenské lodenice Komárno, a.s. spadajú pod uvedenú definíciu a z toho dôvodu je pomoc pre túto spoločnosť potrebné hodnotiť na základe rámca pre stavbu lodí.

(15)

V bode 26 rámca pre stavbu lodí sa ustanovuje, že regionálnu pomoc pre stavbu lodí, opravu lodí alebo konverziu lodí je možné pokladať za zlučiteľnú so spoločným trhom len vtedy, ak sa pomoc poskytuje na investície do modernizácie existujúcich lodeníc, ktoré nie sú spojené s finančnou reštrukturalizáciou príslušnej lodenice (príslušných lodeníc), s cieľom zvýšiť produktivitu existujúcich zariadení.

(16)

Intenzita pomoci nemôže prekročiť 22,5 % v regiónoch uvedených v článku 87 ods. 3 písm. a) Zmluvy o ES alebo príslušnú maximálnu regionálnu hranicu pomoci, podľa toho, ktorá hodnota je nižšia. Pomoc musí byť ďalej ohraničená na výdavky oprávnené na podporu, ako sa uvádza v uplatňovaných smerniciach Spoločenstva o regionálnej pomoci (‚regionálne usmernenia’) (3).

(17)

Aby bola investícia oprávnená na pomoc podľa rámca pre stavbu lodí v kombinácii s regionálnymi usmerneniami, musí spĺňať tieto kumulatívne požiadavky:

a)

byť obmedzená na modernizáciu a vylepšenie lodenice s cieľom zvýšiť produktivitu zariadení lodenice;

b)

byť obmedzená na existujúce lodenice a existujúce zariadenia;

c)

byť obmedzená na investície do fixných aktív: pôda, budovy a stroje/zariadenia;

d)

nepredstavovať len výmenu odpísaných aktív;

e)

nebyť prepojená s finančnou reštrukturalizáciou a

f)

byť obmedzená na náklady nákupu aktív na základe trhových podmienok.

(18)

Komisia má pochybnosti, či je možné všetky náklady notifikovaného investičného projektu považovať za oprávnené na regionálnu pomoc. Komisia má konkrétne pochybnosti o tom, či niektoré z komponentov (dielčie projekty DP 01, DP 05 a DP 09) majú za cieľ zvýšenie produktivity existujúcich zariadení a či sú z toho dôvodu splnené požiadavky uvedené v odseku 17 písm. a) a b).

(19)

Jediným cieľom dielčieho projektu DP 01, ktorý predstavuje polovicu investičných nákladov, je jednoznačne rozšíriť výrobnú kapacitu lodenice. Dielčí projekt DP 01 pozostáva z rozšírenia lodenice vybudovaním nového pracoviska na mieste, ktoré sa doteraz na výrobu nepoužívalo. Preto má Komisia pochybnosti, či je vybudovanie takéhoto zariadenia možné považovať za opatrenie určené na zvýšenie produktivity existujúcich zariadení.

(20)

Dielčí projekt DP 05 pozostáva z nákupu horizontálnej vyvrtávačky, ktorú spoločnosť Slovenské lodenice Komárno, a.s. doteraz prenajímala. Komisia sa domnieva, že tento dielčí projekt nenahradzuje existujúce zariadenie novým, výkonnejším zariadením. Preto zrejme nejde o investíciu do modernizácie s cieľom zvýšenia produktivity existujúceho zariadenia, ale len o výmenu prenajatého zariadenia za zariadenie vo vlastníctve spoločnosti.

(21)

Napokon dielčí projekt DP 09 pozostáva zo zriadenia nového pracoviska na zváranie hliníka a nového pracoviska na zváranie nerezu. Táto časť výroby bola doteraz predmetom subdodávok. Komisia má pochybnosti, či, tak ako v prípade dielčieho projektu DP 05, sa dielčí projekt DP 09 skutočne týka investícií do modernizácie s cieľom zvýšenia produktivity existujúceho zariadenia. Komisia v tomto štádiu zvažuje, či investícia nepredstavuje len výmenu prenajatého zariadenia za zariadenie vo vlastníctve spoločnosti, ktorá nevedie k zvýšeniu produktivity.

(22)

V regionálnych usmerneniach sa počiatočná investícia definuje ako investícia na zriadenie nového podniku, rozširovanie existujúceho podniku alebo racionalizácia, diverzifikácia alebo modernizácia existujúceho podniku (bod 4.4 regionálnych usmernení). Podľa rámca pre stavbu lodí ako lex specialis k regionálnym usmerneniam sa oprávnené výdavky obmedzujú na projekty modernizácie. Z tohto dôvodu je konkrétne pomoc na zriadenie nového výrobného zariadenia v sektore stavby lodí vylúčená z oprávnenosti. Komisia má pochybnosti, či dielčie projekty DP 01, DP 05 a DP 09 zodpovedajú požiadavke ustanovenej v odseku 26 rámca pre stavbu lodí, aby sa investície vzťahovali len na modernizáciu a vylepšenie existujúcich lodeníc zameranú na zvýšenie produktivity existujúcich zariadení.

(23)

Komisia ďalej v tomto štádiu dospela k záveru, že časť investícií zvýši kapacitu spoločnosti Slovenské lodenice Komárno, a.s. a má pochybnosti, či by uvedené zvýšenie kapacity bolo zlučiteľné s rámcom pre stavbu lodí. Komisia má pochybnosti, či sú dielčie projekty DP 01, DP 02 a DP 03 oprávnené na regionálnu pomoc, pretože vedú k zvýšeniu technologickej kapacity spoločnosti Slovenské lodenice Komárno, a.s.

(24)

Pokiaľ ide o dielčí projekt DP 01, základným cieľom tejto investície je vytvorenie novej výrobnej kapacity. Dielčí projekt DP 02 pozostáva z nákupu nového komorového tryskača, ktorý je súčasťou zariadenia s názvom Automatizovaný systém predúpravy hutného materiálu. Investíciou sa zvýši kapacita tohto zariadenia, ale tiež jeho účinnosť, pretože bude viesť k úsporám materiálu a energie a bude mať environmentálny prínos. Dielčí projekt DP 03 pozostáva z vybudovania nových energetických terminálov na existujúcich odstavených koľajach s cieľom zvýšiť ich kapacitu. Podľa slovenských orgánov ďalšie dielčie projekty nemajú vplyv na výrobnú kapacitu spoločnosti Slovenské lodenice Komárno, a.s., keď sa posudzujú osobitne.

(25)

Podľa bodu 3 písm. a) úvodu rámca pre stavbu lodí, určité špecifické faktory ovplyvňujúce sektor stavby lodí by sa mali odraziť v politike Komisie o kontrole štátnej pomoci. Takéto špecifické faktory podľa rámca o stavbe lodi sú inter alia periodicky opakujúca sa nadmerná kapacita, stlačené ceny a deformácie obchodu na svetovom trhu stavby lodí. Komisia uvádza, že priemysel stavby lodí má cyklický charakter, kde obdobia rastu sú pravidelne nasledované obdobiami poklesu ekonomickej aktivity. Súčasná situácia na svetovom trhu je charakterizovaná vysokou úrovňou nových objednávok, vyšších cien a malou alebo žiadnou voľnou kapacitou. Primerane by sa však mali zohľadniť aj predpovede uvádzajúce rastúce nadmerné kapacity v najbližších rokoch, a to najmä ako výsledok investícií v Číne a ďalších ázijských krajinách.

(26)

Komisia vo svojej doterajšej praxi mohla pri schvaľovaní regionálnej investičnej pomoci v sektore stavby lodí dospieť k pozitívnemu záveru, že príslušné investície neviedli k zvyšovaniu kapacít (4).

(27)

Komisia sa v tomto štádiu domnieva, že by mala analyzovať vplyv investície, ktorá sa má vykonať s pomocou štátu, na kapacitnú situáciu príslušnej lodenice. Pri posudzovaní zlučiteľnosti predmetnej pomoci s rámcom pre stavbu lodí musí Komisia pozorne prehodnotiť rozsah, v ktorom takéto potenciálne zvýšenie kapacity môže viesť k narušeniu hospodárskej súťaže na trhu.

(28)

Na druhej strane Komisia tiež musí starostlivo prehodnotiť účinky tohto konkrétneho projektu na regionálny rozvoj (oddiel 2 regionálnych usmernení). Komisia v tomto štádiu uvádza, že projekt zrejme prispieva k regionálnemu rozvoju tým, že vytvára početné pracovné príležitosti v regióne s mierou nezamestnanosti 14 %. Investícia bude zachovaná na mieste najmenej počas 5 rokov.

(29)

Komisia uvádza, že na základe informácií, ktoré sú v tomto štádiu dostupné, zostávajúce dielčie projekty zrejme spĺňajú kritéria oprávnenosti uvedené v odseku 17 písm. a) a b). Komisia podobne uvádza, že všetky notifikované dielčie projekty zrejme spĺňajú kritéria oprávnenosti uvedené v odseku 17 písm. c) až f).

(30)

Vzhľadom na pochybnosti Komisie v súvislosti s oprávnenosťou časti investičného projektu na regionálnu pomoc má Komisia takisto pochybnosti o tom, či je dodržaná maximálna intenzita pomoci vo výške 22,5 % z oprávnených nákladov, ako je stanovené v rámci pre výstavbu lodí.

(31)

Spoločnosť Slovenské lodenice Komárno, a.s. požiadala o štátnu pomoc pred začatím prác na projekte a prispieva viac než 25 % na financovanie projektu, v súlade s bodom 4.2 regionálnych usmernení.

IV.   ROZHODNUTIE

(32)

Na základe uvedených dôvodov má Komisia pochybnosti, či je plánovaná pomoc zlúčiteľná so spoločným trhom.

(33)

Na základe uvedených úvah a konajúc v súlade s postupom ustanoveným v článku 88 ods. 2 Zmluvy o ES Komisia žiada Slovenskú republiku, aby do jedného mesiaca od doručenia tohto listu predložila svoje pripomienky a poskytla všetky informácie, ktoré môžu pomôcť pri hodnotení pomoci. Žiada, aby slovenské orgány bezodkladne predložili kópiu tohto listu potenciálnemu príjemcovi pomoci.

(34)

Komisia pripomína, že zainteresované strany bude informovať uverejnením tohto listu a jeho zhrnutia v Úradnom vestníku Európskej únie. Komisia bude tiež informovať zainteresované strany v krajinách EZVO, ktoré sú signatármi dohody o EHP, uverejnením oznamu v prílohe EHP k Úradnému vestníku Európskej únie, ako aj Dozorný orgán EZVO zaslaním kópie tohto listu. Všetky tieto zainteresované strany Komisia takto vyzve, aby predložili svoje pripomienky do jedného mesiaca od dátumu tohto uverejnenia.”


(1)  Ostatná centrálna sadzba uverejnená Národnou bankou Slovenska (november 2005) je 1 Euro = 38,4550 Sk.

(2)  Ú. v. EÚ C 317, 30.12.2003, s. 1.

(3)  Ú. v. ES C 74, 10.3.1998, s. 9.

(4)  Pozri napríklad C 23/2001 Flender Werft Lübeck, Ú. v. ES L 203, 1.8.2000, s. 60, N 306/2002 spoločnosť Flensburger Schiffbaugesellschaft mbH & Co. KG (Nemecko), Ú. v. ES C 277, 14.11.2002, s. 2, N 383/2002 spoločnosť Neorion Shipyards, Ú. v. EÚ C 6, 10.1.2004, s. 21, N 617/2003 spoločnosť Lamda Shipyard, Ú. v. EÚ C 24, 29.1.2005, s. 5.


18.8.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/35


STEUNMAATREGELEN VAN DE STATEN — DUITSLAND

Steunmaatregelen van de Staten C 25/2006 (ex E 1/2006) — Richtsnoeren inzake regionale steun voor 2007-2013 — Niet-aanvaarding door de lidstaat van dienstige maatregelen — Inleiding van de formele onderzoekprocedure overeenkomstig artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag

Uitnodiging overeenkomstig artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag opmerkingen te maken

(2006/C 194/06)

(Voor de EER relevante tekst)

De Commissie heeft Duitsland bij schrijven van 15 juni 2006, dat na deze samenvatting in de authentieke taal is weergegeven, in kennis gesteld van haar besluit tot inleiding van de formele onderzoekprocedure van artikel 88, lid 2, ten aanzien van de toepassing van alle bestaande regionale steunregelingen vanaf 31.12.2006, voor zover deze regelingen niet in overeenstemming zijn met de dienstige maatregelen die per 1.1.2007 worden voorgesteld.

Vanaf 1 januari 2007 zijn deze dienstige maatregelen als volgt:

1.

Onverminderd artikel 10, lid 2, van Verordening (EG) nr. 70/2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen, gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 364/2004, en artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2204/2002 van de Commissie betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op werkgelegenheidssteun, dient voor alle bestaande regionale-steunregelingen de toepassing in de tijd te worden beperkt tot steun die uiterlijk 31 december 2006 wordt toegekend.

2.

Wanneer in het kader van milieusteunregelingen, overeenkomstig voetnoot 29 van de communautaire kaderregeling inzake staatssteun ten behoeve van het milieu, regionale-investeringssteun kan worden toegekend ten behoeve van milieu-investeringen, dienen de betrokken regelingen zodanig te worden aangepast dat na 31 december 2006 alleen steun kan worden verleend wanneer deze in overeenstemming is met de nieuwe regionale-steunkaart die op het tijdstip dat de steun wordt toegekend, van kracht is.

3.

Waar nodig, dienen andere bestaande steunregelingen te worden aangepast om ervoor te zorgen dat alle regionale verhogingen zoals die voor opleidingssteun, O&O-steun of milieusteun kunnen worden toegestaan, na 31 december 2006 alleen mogen worden toegekend in regio's die uit hoofde van artikel 87, lid 3, onder a) of c), voor steun in aanmerking komen, in overeenstemming met de door de Commissie goedgekeurde regionale-steunkaarten zoals die op het tijdstip dat de steun wordt toegekend, van kracht zijn.

De Commissie heeft dit besluit genomen omdat Duitsland niet uitdrukkelijk en onvoorwaardelijk heeft ingestemd met bovenvermelde voorstellen.

Belanghebbenden kunnen hun opmerkingen maken door deze binnen 10 werkdagen vanaf de datum van deze bekendmaking te zenden aan:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Concurrentie

Griffie staatssteun en Directoraat Overheidssteun I — Eenheid G1

B-1049 Brussel

Fax: (32-2) 296 12 42

Deze opmerkingen zullen ter kennis van Duitsland worden gebracht. Een belanghebbende die opmerkingen maakt kan, met opgave van redenen, schriftelijk verzoeken om vertrouwelijke behandeling van zijn identiteit.

TEKST VAN DE BRIEF

„1.

Am 21. Dezember 2005 nahm die Kommission die Leitlinien für staatliche Beihilfen mit regionaler Zielsetzung für die Jahre 2007-2013 an.

2.

Mit Schreiben vom 6. März 2006 (D(06)222) schlug die Kommission allen Mitgliedstaaten gemäß Artikel 88 Absatz 1 EG-Vertrag und dem Verfahren der Artikel 17 und 18 der Verordnung (EG) Nr. 659/1999 (1) folgende zweckdienlichen Maßnahmen vor:

(a)

Unbeschadet des Artikels 10 Absatz 2 der Verordnung (EG) Nr. 70/2001 über die Anwendung der Artikel 87 und 88 EG-Vertrag auf staatliche Beihilfen an kleine und mittlere Unternehmen, geändert durch Verordnung (EG) Nr. 364/2004, und Artikel 11 Absatz 2 der Verordnung (EG) Nr. 2204/2002 über die Anwendung der Artikel 87 und 88 EG-Vertrag auf Beschäftigungsbeihilfen befristen die Mitgliedstaaten die Anwendung aller bestehenden Regionalbeihilferegelungen auf Beihilfen, die bis zum 31. Dezember 2006 gewährt werden.

(b)

Soweit Umweltschutzbeihilferegelungen die Gewährung regionaler Investitionsbeihilfen für Umweltinvestitionen gemäß Fußnote 29 des Gemeinschaftsrahmens für staatliche Umweltschutzbeihilfen gestatten, ändern die Mitgliedstaaten die einschlägigen Regelungen um sicherzustellen, dass Beihilfen nach dem 31. Dezember 2006 nur gewährt werden können, wenn sie in Einklang mit der neuen, zum Zeitpunkt der Beihilfegewährung geltenden Fördergebietskarte stehen.

(c)

Die Mitgliedstaaten ändern erforderlichenfalls andere bestehende Beihilferegelungen um sicherzustellen, dass etwaige Regionalzuschläge, wie sie für Ausbildungsbeihilfen, Forschungs- und Entwicklungsbeihilfen oder Umweltschutzbeihilfen zulässig sind, nach dem 31. Dezember 2006 nur in Einklang mit den von der Kommission genehmigten und zum Zeitpunkt der Beihilfegewährung geltenden Fördergebietskarte in Fördergebieten gemäß Artikel 87 Absatz 3 Buchstaben a oder c gewährt werden können.

3.

Die Regierung Ihres Landes wurde aufgefordert, den vorgeschlagenen zweckdienlichen Maßnahmen innerhalb eines Monats nach Erhalt des Schreibens ausdrücklich und vorbehaltlos zuzustimmen. Mit Schreiben vom 27. April 2006 (D/53569) erinnerten die Kommissionsdienststellen Ihre Regierung an die Aufforderung und baten erneut darum, die Annahme der Maßnahmen — innerhalb von 10 Arbeitstagen — zu bestätigen.

4.

Mit Schreiben vom 9. Mai 2006, das bei der Kommission am 10. Mai 2006 unter Zeichen A/33589 registriert wurde, hat die Regierung Ihres Landes die zweckdienlichen Maßnahmen teilweise angenommen. Die Annahme der unter Ziffer 2 Buchstaben b und c genannten Maßnahmen erfolgte vorbehaltlos, die Annahme der Maßnahmen unter Ziffer 2 Buchstabe a nur teilweise. Insbesondere lehnte es Ihre Regierung ab, die zweckdienlichen Maßnahmen betreffend Regionalbeihilferegelungen für staatliche Bürgschaften, öffentliche Darlehen und öffentliche Beteiligungen anzunehmen. Die Bundesregierung begründete ihre Ablehnung in erster Linie mit ihrer Sorge um die Ausgrenzung dieser Bürgschaften, Darlehen und Beteiligungen vom Anwendungsbereich des Entwurfs einer Freistellungsverordnung für regionale Investitionsbeihilfen. Ferner erfolgte die Zustimmung zu den unter Ziffer 2 Buchstabe a genannten Maßnahmen in Bezug auf Regionalbeihilferegelungen für staatliche Bürgschaften, öffentliche Darlehen und öffentliche Beteiligungen in dem Verständnis, dass bestehende, aufgrund der Gruppenfreistellungsverordnungen für KMU und Beschäftigungsbeihilfen freigestellte Regionalbeihilferegelungen nach Ende des Jahres 2006 sechs Monate lang weiter angewendet werden können. Gegenwärtig ist unklar, ob die Bundesregierung damit meint, dass die Geltungsdauer der für den Zeitraum 2004-2006 genehmigten Fördergebietskarte für diese unter die Gruppenfreistellungsverordnungen fallenden Regelungen um sechs Monate verlängert werden sollte. Eine Verlängerung wäre mit der Entscheidung der Kommission von 6. März 2006 über zweckdienliche Maßnahmen nicht vereinbar. Dort steht ausdrücklich, dass alle Beihilfen, die nach den Bestimmungen für das Auslaufen der Freistellungsverordnungen gewährt werden sollen, in Einklang mit der zum Zeitpunkt der Beihilfegewährung geltenden Fördergebietskarte stehen müssen.

5.

Für den Fall, dass Ihre Regierung die ausdrückliche und vorbehaltlose Annahme nicht bestätigt oder keine Antwort innerhalb der festgelegten Frist eingeht, kündigte die Kommission nach Artikel 19 Absatz 2 der Verordnung (EG) Nr. 659/1999 die Einleitung des förmlichen Prüfverfahrens nach Artikel 88 Absatz 2 EG-Vertrag an, und zwar in Bezug auf alle Regionalbeihilferegelungen, Umweltschutzbeihilferegelungen, die regionale Investitionsbeihilfen erlauben, und andere bestehende Beihilferegelungen, die Regionalzuschläge gestatten, sofern diese Regelungen ab 1. Januar 2007 nicht mit den vorgeschlagenen zweckdienlichen Maßnahmen in Einklang stehen.

6.

Da Ihre Regierung den vorgeschlagenen Maßnahmen nicht ausdrücklich und vorbehaltlos zugestimmt hat, bezweifelt die Kommission aus nachstehenden Gründen, dass die bestehenden Regionalbeihilferegelungen ab 1. Januar 2007 noch mit dem Gemeinsamen Markt vereinbar sind.

7.

Die neuen Leitlinien für staatliche Beihilfen mit regionaler Zielsetzung für die Jahre 2007-2013 unterscheiden sich wesentlich von den Leitlinien für Regionalbeihilfen aus dem Jahr 1998, insbesondere in Bezug auf die Förderfähigkeit von Gebieten, die Beihilfeintensitäten, die Definition der förderfähigen Ausgaben, den Anreiz zu Investitionen, große Investitionsvorhaben, Betriebsbeihilfen, Kumulierung und Transparenz. Aufgrund der veränderten wirtschaftlichen und sozialen Umstände in der EU scheint es darüber hinaus erforderlich zu sein, die Rechtfertigung für alle Regionalbeihilferegelungen — einschl. sowohl Investitions- als auch Betriebsbeihilferegelungen — sowie ihre Wirksamkeit zu überprüfen.

8.

Ferner ist es nach Auffassung der Kommission von wesentlicher Bedeutung, dass nach dem 31. Dezember 2006 überall in der EU dieselben Vorschriften für Regionalbeihilfen gelten. Da alle anderen Mitgliedstaaten die Vorschläge der Kommission angenommen haben, besteht eindeutig die Gefahr einer Ungleichbehandlung, sollte die Regierung Ihres Landes weiter die derzeit gültigen Vorschriften anwenden.

9.

Mangels klarer Erläuterungen von Seiten Ihrer Regierung zu den Gründen, aus denen sie die Vorschläge nur teilweise angenommen hat, ist die Kommission gemäß Artikel 19 Absatz 2 der Verfahrensverordnung aus den dargelegten Gründen und im Sinne der Gleichbehandlung aller Mitgliedstaaten weiterhin der Auffassung, dass die vorgeschlagenen zweckdienlichen Maßnahmen notwendig sind, um die Vereinbarkeit der fraglichen Beihilfe Regelungen mit dem Gemeinsamen Markt sicherzustellen.

10.

Die Kommission hat daher beschlossen, in Bezug auf die Anwendung aller bestehenden (im Sinne von Artikel 1 Buchstabe b Verfahrensverordnung) Regionalbeihilferegelungen nach dem 31.12.2006 das Verfahren nach Artikel 88 Absatz 2 EG-Vertrag einzuleiten.

SCHLUSSFOLGERUNG

11.

Aus den vorstehenden Gründen fordert die Kommission die Regierung Ihres Landes im Rahmen des Verfahrens nach Artikel 88 Absatz 2 EG-Vertrag auf, binnen 10 Arbeitstagen nach Erhalt dieses Schreibens Stellung zu nehmen. Die Kommission bedauert, dass diese Frist nicht verlängert werden kann. In Anbetracht der vorausgegangenen Zusammenarbeit und Konsultation und zur Umsetzung eines effizienten Regelwerks für den Zeitraum nach 2007 hält die Kommission die Frist für angemessen.

12.

Die Kommission macht Ihre Regierung darauf aufmerksam, dass sie alle Betroffenen durch Veröffentlichung dieses Schreibens und einer aussagekräftigen Zusammenfassung im Amtsblatt der Europäischen Gemeinschaften von dem Vorgang in Kenntnis setzen wird. Außerdem wird sie die Betroffenen in EFTA-Staaten, die das EWR-Abkommen unterzeichnet haben, durch Veröffentlichung einer Bekanntmachung in der EWR-Beilage zum Amtsblatt und die EFTA-Überwachungsbehörde durch Übermittlung einer Kopie dieses Schreibens informieren. Alle Betroffenen können dann innerhalb von 10 Arbeitstagen nach dem Datum der Veröffentlichung eine Stellungnahme abgeben.”


(1)  ABl. L 83 vom 27.3.1999, S. 1.


18.8.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/38


Bekendmaking van de aanpassing van bepaalde bedragen genoemd in de levens- en schadeverzekeringsrichtlijnen aan de inflatie

(2006/C 194/07)

Overeenkomstig artikel 30 van Richtlijn 2002/83/EG (1) betreffende levensverzekering werd het in euro luidende bedrag genoemd in artikel 29, lid 2, in 2005 aangepast aan de veranderingen in het door Eurostat bekendgemaakte Europese indexcijfer van de consumentenprijzen dat alle lidstaten bestrijkt. Als gevolg van deze aanpassing is het in euro luidende bedrag verhoogd van 3 000 000 EUR tot 3 200 000 EUR. De diensten van de Commissie hebben het Europees Parlement en de Raad van de actualisering en van het aangepaste bedrag in kennis gesteld.

Overeenkomstig artikel 17 bis van Richtlijn 73/239/EEG (2) tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en de uitoefening daarvan, gewijzigd bij Richtlijn 2002/13/EG (3), werden de in euro luidende bedragen genoemd in artikel 16 bis, leden 3 en 4, en in artikel 17, lid 2, in 2005 aangepast aan de veranderingen in het door Eurostat bekendgemaakte Europese indexcijfer van de consumentenprijzen dat alle lidstaten bestrijkt. Als gevolg van deze aanpassing is het in euro luidende bedrag genoemd in artikel 16 bis, lid 3, verhoogd van 50 000 000 EUR tot 53 100 000 EUR. Het in euro luidende bedrag genoemd in artikel 16 bis, lid 4, is verhoogd van 35 000 000 EUR tot 37 200 000 EUR. De in euro luidende bedragen genoemd in artikel 17, lid 2, zijn verhoogd van respectievelijk 2 000 000 EUR tot 2 200 000 EUR en 3 000 000 EUR tot 3 200 000 EUR. De diensten van de Commissie hebben het Europees Parlement en de Raad van de actualisering en van de aangepaste bedragen in kennis gesteld.


(1)  PB L 345 van 19.12.2002, blz. 1.

(2)  PB L 228 van 16.8.1973, blz. 3.

(3)  PB L 77 van 20.3.2002, blz. 17.


18.8.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/39


Saneringsmaatregel

Beslissing tot een saneringsmaatregel ten aanzien van Faro Compagnia di Assicurazioni e Riassicurazioni s.p.a.

(Openbaarmaking overeenkomstig artikel 6 van Richtlijn 2001/17/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2001 betreffende de sanering en liquidatie van verzekeringsondernemingen)

(2006/C 194/08)

Verzekeringsonderneming

Faro Compagnia di Assicurazioni e Riassicurazioni s.p.a. con sede in Genova, Via Fieschi n. 3/9 I-16121

Datum, inwerkingtreding en aard van de beslissing

Besluit van het Ministerie van Economische Ontwikkeling van 28 juli 2006 tot ontbinding van de administratieve en controlerende organen

Maatregel van de ISVAP van 28 juli 2006 tot benoeming van een buitengewoon commissaris en een toezichthoudend comité

Inwerkingtreding: 28 juli 2006

Bevoegde instanties

Ministero dello Sviluppo Economico

Direzione generale per il commercio, le assicurazioni e i servizi

Via Sallustiana, 53

I-00187 Roma

Toezichthoudende autoriteit

Istituto per la vigilanza sulle assicurazioni private e di interesse collettivo

Via del Quirinale, 21

I-0087 Roma

Aangewezen bewindvoerder

Prof. Angelo Pace

Via Fieschi n. 3/9

I-16121 Genova

Toepasselijk recht

Italië

Art. 231 e seguenti del decreto legislativo 7 settembre 2005, n. 209


18.8.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/40


Besluit om geen bezwaar aan te tekenen tegen een aangemelde concentratie

(Zaak nr. COMP/M.4207 — Campina/Fonterra Co-operative Group/JV)

(2006/C 194/09)

(Voor de EER relevante tekst)

Op 2 juni 2006 heeft de Commissie besloten geen bezwaar aan te tekenen tegen bovenvermelde aangemelde concentratie en deze verenigbaar met de gemeenschappelijke markt te verklaren. Deze beschikking is gebaseerd op artikel 6, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad. De volledige tekst van de beschikking is slechts beschikbaar in het Engels en zal openbaar worden gemaakt na verwijdering van eventuele bedrijfsgeheimen. De tekst is beschikbaar:

op de website „concurrentie” van de Europese Commissie (http://ec.europa.eu/comm/competition/mergers/cases/). Deze website biedt verschillende mogelijkheden om individuele concentratiebeschikkingen op te zoeken, onder meer op bedrijfsnaam, nummer van de zaak, datum en sector;

in elektronische vorm op de EUR-Lex website onder documentnummer 32006M4207. EUR-Lex is het geïnformatiseerde documentatiesysteem voor de communautaire wetgeving. (http://ec.europa.eu/eur-lex/lex)


III Bekendmakingen

Commissie

18.8.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/41


OPROEP TOT HET INDIENEN VAN VOORSTELLEN — DG EAC Nr. 45/06

Toekenning van subsidies voor het opzetten en het ontwikkelen van platforms en maatregelen met het oog op de bevordering en de ondersteuning van de mobiliteit van leerlingen en andere jongeren die een initiële beroepsopleiding volgen

(2006/C 194/10)

1.   Doelstellingen en beschrijving

Het doel van de oproep tot het indienen van voorstellen is de toekenning van subsidies aan een twaalftal voorstellen met betrekking tot de oprichting en de ontwikkeling van partnerschappen, consortia of platforms voor de uitvoering van hoofdzakelijk op economische actoren, met name kleine en ambachtelijke bedrijven, gerichte activiteiten en proefacties om de mobiliteit van jongeren die een initiële beroepsopleiding volgen aan te moedigen en te ontwikkelen.

2.   In aanmerking komende aanvragers

Van de platforms kunnen met name deel uitmaken:

kamers van koophandel, kamers van ambachten of andere tussenorganisaties;

verstrekkers van opleidingen (publiek, particulier, sectoraal…);

organisaties die toezicht houden op netwerken van verstrekkers van opleidingen;

publieke/ particuliere/semi-particuliere organisaties die betrokken zijn bij de bevordering en de ontwikkeling van de beroepsopleiding en de mobiliteit van leerlingen en andere jongeren die een initiële beroepsopleiding volgen.

De aanvragers moeten in een van de onderstaande landen gevestigd zijn.

 

De aanvragers moeten rechtspersoonlijkheid bezitten en zijn gevestigd in een van de 25 lidstaten van de Europese Unie.

3.   Begroting en duur van de projecten

De totale begroting voor de financiering van projecten wordt geraamd op 1 600 000 EUR.

Het maximumbedrag van de subsidies bedraagt 150 000 EUR (in elk geval overeenkomend met maximaal 75 % van de subsidiabele kosten). 10 % van de totale begroting is bestemd voor de financiering van voorlichtings- en verspreidingsactiviteiten.

De maximale duur van de projecten bedraagt eenentwintig maanden. De activiteiten moeten tussen 1 december 2006 en 1 maart 2007 van start gaan.

4.   Termijn

De aanvragen moeten uiterlijk op 28 september 2006 aan de Commissie worden toegezonden.

5.   Volledige informatie

De volledige tekst van de oproep tot het indienen van voorstellen en de aanvraagformulieren zijn te vinden op

 

http://ec.europa.eu/education/programmes/calls/4506/index_en.html

De aanvragen moeten aan de bepalingen van de volledige tekst voldoen en met behulp van het daartoe bestemde formulier worden ingediend.