ISSN 1725-2474

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 86

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

49e jaargang
8 april 2006


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

I   Mededelingen

 

Hof van Justitie

 

HOF VAN JUSTITIE

2006/C 086/1

Arrest van het Hof (Grote kamer) van 25 oktober 2005 in de gevoegde zaken C-465/02 en C-466/02: Bondsrepubliek Duitsland, Koninkrijk Denemarken tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen (Landbouw — Geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen — Benaming feta — Verordening (EG) nr. 1829/2002 — Geldigheid)

1

2006/C 086/2

Arrest van het Hof (Derde kamer) van 27 oktober 2005 in zaak C-234/03 (verzoek van de Audiencia Nacional om een prejudiciële beslissing): Contse SA, Vivisol Srl, Oxigen Salud SA, tegen Instituto Nacional de Gestión Sanitaria (Ingesa), voorheen Instituto Nacional de la Salud (Insalud) (Vrijheid van vestiging — Vrijheid van dienstverrichting — Richtlijn 92/50/EEG — Overheidsopdrachten voor dienstverlening — Non-discriminatiebeginsel — Gezondheidsdiensten op het gebied van ademhalingstherapieën aan huis — Toelatingsvoorwaarde — Beoordelingscriteria)

1

2006/C 086/3

Arrest van het Hof (Derde kamer) van 9 februari 2006 in zaak C-305/03: Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (Niet-nakoming — Zesde BTW-richtlijn — Artikelen 2, punt 1, 5, lid 4, sub c, 12, lid 3, en 16, lid 1 — Handeling in binnenland — Veiling van kunstvoorwerpen die onder regeling voor tijdelijke invoer zijn ingevoerd — Commissieloon van veilingmeesters)

2

2006/C 086/4

Arrest van het Hof (Grote kamer) van 25 oktober 2005 in zaak C-350/03 (verzoek van het Landgericht Bochum om een prejudiciële beslissing): Elisabeth Schulte, Wolfgang Schulte tegen Deutsche Bausparkasse Badenia AG (Consumentenbescherming — Huis-aan-huisverkoop — Koop van onroerend goed — Investeringshandeling gefinancierd door hypothecaire lening — Recht van opzegging — Gevolgen van opzegging)

2

2006/C 086/5

Arrest van het Hof (Grote kamer) van 31 januari 2006 in zaak C-503/03: Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Koninkrijk Spanje (Vrij verkeer van personen — Richtlijn 64/221/EEG — Onderdaan van derde land, gehuwd met onderdaan van lidstaat — Recht van toegang en verblijf — Beperkingen om redenen van openbare orde — Schengeninformatiesysteem — Signalering ter fine van weigering van toegang)

3

2006/C 086/6

Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 26 januari 2006 in zaak C-514/03: Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Koninkrijk Spanje (Niet-nakoming — Artikelen 43 EG en 49 EG — Beperking van vrijheid van vestiging en van dienstverrichting — Particuliere beveiligingsondernemingen en -diensten — Voorwaarden — Rechtspersoonlijkheid — Minimum maatschappelijk kapitaal — Zekerheid — Minimumaantal medewerkers — Richtlijnen 89/48/EEG en 92/51/EEG — Erkenning van beroepskwalificaties)

4

2006/C 086/7

Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 26 januari 2006 in zaak C-533/03: Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Raad van de Europese Unie (Verordening (EG) nr. 1798/2003 — Richtlijn 2003/93/EG — Keuze van rechtsgrondslag)

4

2006/C 086/8

Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 9 februari 2006 in de gevoegde zaken C-23/04 tot en met C-25/04 (verzoeken van het Dioikitiko Protodikeio Athinon om een prejudiciële beslissing): Sfakianakis AEVE tegen Elliniko Dimosio (Associatieovereenkomst EEG-Hongarije — Verplichting van wederzijdse bijstand voor douaneautoriteiten — Navordering van invoerrechten ten gevolge van intrekking in staat van uitvoer van certificaten inzake goederenverkeer voor ingevoerde producten)

5

2006/C 086/9

Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 9 februari 2006 in zaak C-127/04 [verzoek van de High Court of Justice (England & Wales), Queen's Bench Division, om een prejudiciële beslissing]: Declan O'Byrne tegen Sanofi Pasteur MSD Ltd, Sanofi Pasteur SA (Richtlijn 85/374/EEG — Aansprakelijkheid voor producten met gebreken — Begrip in verkeer brengen van product — Levering door producent aan 100 %-dochter)

5

2006/C 086/0

Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 16 februari 2006 in zaak C-215/04 (verzoek van het Østre Landsret om een prejudiciële beslissing): Marius Pedersen A/S tegen Miljøstyrelsen (Afvalstoffen — Overbrenging van afvalstoffen — Afvalstoffen bestemd voor handelingen ter nuttige toepassing — Begrip kennisgever — Verplichtingen van kennisgever)

6

2006/C 086/1

Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 9 februari 2006 in de gevoegde zaken C-226/04 en C-228/04 (verzoeken van het Tribunale amministrativo regionale del Lazio om een prejudiciële beslissing): La Cascina Soc. coop. arl e.a. tegen Ministero della Difesa e.a. en Consorzio G. f. M. tegen Ministero della Difesa e.a. (Overheidsopdrachten voor dienstverlening — Richtlijn 92/50/EEG — Artikel 29, eerste alinea, sub e en f — Verplichtingen van dienstverleners — Betaling van socialezekerheidsbijdragen en belastingen)

7

2006/C 086/2

Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 25 oktober 2005 in zaak C-229/04 (verzoek van het Hanseatische Oberlandesgericht in Bremen om een prejudiciële beslissing): Crailsheimer Volksbank eG tegen Klaus Conrads, Frank Schulzke en Petra Schulzke-Lösche, Joachim Nitschke (Consumentenbescherming — Buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten — Via huis-aan-huisverkoop afgesloten leningsovereenkomst die is verbonden aan aankoop van onroerend goed — Recht van opzegging)

7

2006/C 086/3

Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 20 oktober 2005 in zaak C-247/04 (verzoek van het College van Beroep voor het bedrijfsleven om een prejudiciële beslissing): Transport Maatschappij Traffic BV tegen Staatssecretaris van Economische Zaken (Communautair douanewetboek — Terugbetaling of kwijtschelding van rechten bij in- of bij uitvoer — Begrip wettelijk verschuldigd)

8

2006/C 086/4

Arrest van het Hof (Derde kamer) van 9 februari 2006 in zaak C-415/04 (verzoek van de Hoge Raad der Nederlanden om een prejudiciële beslissing): Staatssecretaris van Financiën tegen Stichting Kinderopvang Enschede (Zesde BTW-richtlijn — Vrijstellingen — Diensten die samenhangen met maatschappelijk werk en sociale zekerheid en met bescherming van en onderwijs aan kinderen of jongeren)

8

2006/C 086/5

Arrest van het Hof (Derde kamer) van 9 februari 2006 in zaak C-473/04 (verzoek van het Hof van Cassatie om een prejudiciële beslissing): Plumex tegen Young Sports NV (Justitiële samenwerking — Verordening (EG) nr. 1348/2000 — Artikelen 4 tot en met 11 en 14 — Betekening en kennisgeving van gerechtelijke stukken — Betekening door tussenkomst van instanties — Betekening per post — Relatie tussen wijzen van verzending en van betekening — Voorrang — Beroepstermijn)

9

2006/C 086/6

Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 26 januari 2006 in zaak C-2/05 (verzoek van het Arbeidshof te Brussel om een prejudiciële beslissing): Rijksdienst voor Sociale Zekerheid tegen Herbosch Kiere NV (Sociale zekerheid van migrerende werknemers — Vaststelling van toepasselijke wettelijke regeling — In andere lidstaat gedetacheerde werknemers — Draagwijdte van E 101-verklaring)

9

2006/C 086/7

Zaak C-456/05: Beroep, op 23 december 2005 ingesteld door Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Bondsrepubliek Duitsland

10

2006/C 086/8

Zaak C-14/06: Beroep, op 11 januari 2005 ingesteld door Europees Parlement tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen

11

2006/C 086/9

Zaak C-40/06: Verzoek van het Finanzgericht München van 8 december 2005 om een prejudiciële beslissing in het geding tussen Juers Pharma Import-Export GmbH en Oberfinanzdirektion Nürnberg

11

2006/C 086/0

Zaak C-43/06: Beroep, op 27 januari 2006 ingesteld door Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Portugese Republiek

12

2006/C 086/1

Zaak C-44/06: Verzoek van het Finanzgericht des Landes Brandenburg van 12 oktober 2005 om een prejudiciële beslissing in het geding tussen Gerlach & Co. mbH en Hauptzollamt Frankfurt (Oder)

12

2006/C 086/2

Zaak C-51/06: Verzoek van het Tribunale di Livorno van 31 januari 2006 om een prejudiciële beslissing in het geding tussen Alberto Bianchi en De Robert Calzature Srl

13

2006/C 086/3

Zaak C-56/06: Verzoek van het Finanzgericht Düsseldorf van 31 januari 2006 om een prejudiciële beslissing in het geding tussen Euro Tex Textilverwertung GmbH en Hauptzollamt Duisburg

13

2006/C 086/4

Zaak C-61/06: Beroep, op 3 februari 2006 ingesteld door Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Italiaanse Republiek

13

2006/C 086/5

Zaak C-62/06: Verzoek van het Supremo Tribunal Administrativo van 11 januari 2006 om een prejudiciële beslissing in het geding tussen Fazenda Pública — Director Geral das Alfândegas en Z. F. ZEFESER — Importação de produtos Alimentares Ld

14

2006/C 086/6

Zaak C-63/06: Verzoek van het Lietuvos Vyriausiasis Administracinis Teismas van 20 december 2005 om een prejudiciële beslissing in het geding tussen UAB Profisa en Lietuvos Respublikos Finansų Ministerija

14

2006/C 086/7

Zaak C-65/06: Beroep, op 6 februari 2006 ingesteld door de Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen het Koninkrijk België

15

2006/C 086/8

Zaak C-70/06: Beroep, op 7 februari 2006 ingesteld door Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Portugese Republiek

15

2006/C 086/9

Zaak C-75/06: Beroep, op 8 februari 2005 ingesteld door Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Portugese Republiek

16

2006/C 086/0

Zaak C-79/06: Beroep, op 10 februari 2006 ingesteld door Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Franse Republiek

16

2006/C 086/1

Zaak C-81/06: Beroep, op 8 februari 2006 ingesteld door Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Italiaanse Republiek

17

2006/C 086/2

Zaak C-82/06: Beroep, op 8 februari 2006 ingesteld door Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Italiaanse Republiek

17

2006/C 086/3

Zaak C-83/06: Beroep, op 9 februari 2006 ingesteld door Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Italiaanse Republiek

18

2006/C 086/4

Zaak C-89/06: Beroep, op 14 februari 2006 ingesteld door Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Portugese Republiek

18

2006/C 086/5

Zaak C-90/06: Beroep, op 14 februari 2006 ingesteld door Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Portugese Republiek

19

2006/C 086/6

Zaak C-93/06: Beroep, op 14 februari 2006 ingesteld door Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Republiek Oostenrijk

19

2006/C 086/7

Zaak C-94/06: Beroep, op 14 februari 2006 ingesteld door Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Republiek Oostenrijk

19

2006/C 086/8

Zaak C-98/06: Verzoek van Högsta domstolen van 8 februari 2006 om een prejudiciële beslissing in het geding tussen Freeport PLC en Ole Arnoldsson

20

2006/C 086/9

Zaak C-100/06: Beroep, op 21 februari 2006 ingesteld door Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Groothertogdom Luxemburg

20

2006/C 086/0

Zaak C-101/06: Beroep, op 21 februari 2006 ingesteld door Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Franse Republiek

21

2006/C 086/1

Zaak C-105/06: Beroep, op 22 februari 2006 ingesteld door Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Groothertogdom Luxemburg

21

2006/C 086/2

Zaak C-106/06: Beroep, op 22 februari 2006 ingesteld door Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Groothertogdom Luxemburg

21

2006/C 086/3

Zaak C-107/06: Beroep, op 22 februari 2006 ingesteld door Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Helleense Republiek

22

2006/C 086/4

Zaak C-110/06: Beroep, op 23 februari 2006 ingesteld door Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Koninkrijk België

22

2006/C 086/5

Zaak C-113/06: Beroep, op 27 februari 2006 ingesteld door Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Groothertogdom Luxemburg

23

 

GERECHT VAN EERSTE AANLEG

2006/C 086/6

Zaak T-202/03: Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 7 februari 2006 — Alecansan tegen BHIM (Gemeenschapsmerk — Oppositieprocedure — Aanvraag tot inschrijving van beeldmerk COMP USA als gemeenschapsmerk — Ouder nationaal beeldmerk COMP USA — Geen soortgelijke waren en diensten — Afwijzing van oppositie — Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 40/94)

24

2006/C 086/7

Zaak T-251/03: Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 31 januari 2006 — Albrecht e.a. tegen Commissie (Veterinairrechtelijke voorschriften — Diergeneesmiddelen — Producten die benzathine-benzylpenicilline bevatten — Beschikking van de Commissie houdende schorsing van vergunningen om op de markt te brengen — Bevoegdheid)

24

2006/C 086/8

Zaak T-273/03: Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 31 januari 2006 — Merck Sharp & Dohme e.a. tegen Commissie (Geneesmiddelen voor menselijk gebruik — Vergunning voor in handel brengen van geneesmiddelen die stof enalapril bevatten — Beschikking van Commissie waarbij wijziging van samenvatting van productkenmerken wordt gelast — Bevoegdheid)

25

2006/C 086/9

Zaak T-293/03: Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 31 januari 2006 — Giulietti tegen Commissie (Ambtenaren — Algemeen vergelijkend onderzoek — Uitsluiting van vergelijkend onderzoek — Onwettigheid van aankondiging van vergelijkend onderzoek — Niet-ontvankelijkheid — Beroepservaring — Voltijdse activiteit)

25

2006/C 086/0

Zaak T-206/04: Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 1 februari 2006 — Rodrigues Carvalhais tegen BHIM (Gemeenschapsmerk — Oppositieprocedure — Beeldmerk dat woordelement PERFIX bevat — Ouder communautair beeldmerk dat woordelement cerfix bevat — Relatieve weigeringsgrond — Verwarringsgevaar — Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 40/94)

26

2006/C 086/1

Gevoegde zaken T-466/04 en T-467/04: Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 1 februari 2006 — Elisabetta Dami tegen BHIM (Gemeenschapsmerk — Woordmerk GERONIMO STILTON — Oppositie — Schorsing van procedure — Beperking van opgave van door aangevraagd merk aangeduide waren — Intrekking van oppositie)

26

2006/C 086/2

Gevoegde zaken T-376/05 en T-383/05: Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 14 februari 2006 — TEA-CEGOS e.a. tegen Commissie (Overheidsopdrachten — Communautaire aanbestedingsprocedure — Kortetermijnaanwerving van deskundigen voor technische bijstand aan derde landen die buitenlandse hulp van Commissie ontvangen — Afwijzing van offertes)

27

2006/C 086/3

Zaak T-249/02: Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 13 oktober 2005 — Fintecna tegen Commissie (Europees Sociaal Fonds — Verlaging van financiële bijstand — Beroep tot nietigverklaring — Voor beroep vatbare handeling — Voorbereidende handeling — Niet-ontvankelijkheid)

27

2006/C 086/4

Zaak T-48/03: Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 31 januari 2006 — Schneider Electric tegen Commissie (Mededinging — Concentraties — Hervatting van controleprocedure na nietigverklaring door Gerecht van beschikking houdende verbod van concentratie — Opening van grondig onderzoeksstadium — Afzien van concentratie — Afsluiting van controleprocedure — Beroep tot nietigverklaring — Bezwarende handelingen — Procesbelang — Niet-ontvankelijkheid)

27

2006/C 086/5

Zaak T-278/03: Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 27 januari 2006 — Van Mannekus tegen Raad (Dumping — Invoer van magnesiumoxide uit China — Wijziging van eerder vastgestelde antidumpingmaatregelen — Beroep tot nietigverklaring — Exceptie van niet-ontvankelijkheid)

28

2006/C 086/6

Zaak T-280/03: Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 27 januari 2006 — Van Mannekus tegen Raad (Dumping — Invoer van doodgebrand (gesinterd) magnesiet uit China — Wijziging van eerder vastgestelde antidumpingmaatregelen — Beroep tot nietigverklaring — Exceptie van niet-ontvankelijkheid)

28

2006/C 086/7

Zaak T-42/04: Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 13 januari 2006 — Komninou e.a. tegen Commissie (Beroep tot schadevergoeding — Niet-contractuele aansprakelijkheid — Ad acta leggen van klacht betreffende gedraging van lidstaat die tot inleiding van niet-nakomingsprocedure kan leiden — Behandeling van klacht door Commissie — Beginsel van behoorlijk bestuur)

29

2006/C 086/8

Zaak T-396/05 R: Beschikking van de president van het Gerecht van eerste aanleg van 10 januari 2006 — ArchiMEDES tegen Commissie (Kort geding — Verzoek om voorlopige maatregelen — Arbitragebeding — Ontvankelijkheid — Spoedeisendheid — Geen)

29

2006/C 086/9

Zaak T-397/05 R: Beschikking van de president van het Gerecht van eerste aanleg van 10 januari 2006 — ArchiMEDES tegen Commissie (Kort geding — Verzoek om voorlopige maatregelen — Arbitragebeding — Spoedeisendheid — Geen)

29

2006/C 086/0

Zaak T-417/05 R: Beschikking van de president van het Gerecht van eerste aanleg van 1 februari 2006 — Endesa tegen Commissie (Kort geding — Controle op concentraties — Spoedeisendheid)

30

2006/C 086/1

Zaak T-437/05 R: Beschikking van de president van het Gerecht van eerste aanleg van 7 februari 2006 — Brink's Security Luxembourg tegen Commissie (Kort geding — Spoedeisendheid — Geen)

30

2006/C 086/2

Zaak T-8/06: Beroep ingesteld op 12 januari 2006 — FAB Fernsehen aus Berlin tegen Commissie

31

2006/C 086/3

Zaak T-14/06: Beroep ingesteld op 16 januari 2006 — K-Swiss tegen BHIM

31

2006/C 086/4

Zaak T-18/06: Beroep ingesteld op 23 januari 2006 — Deutsche Telekom tegen BHIM

32

2006/C 086/5

Zaak T-21/06: Beroep ingesteld op 21 januari 2006 — Duitsland tegen Commissie

32

2006/C 086/6

Zaak T-24/06: Beroep ingesteld op 24 januari 2006 — Medienanstalt Berlin-Brandenburg tegen Commissie

32

2006/C 086/7

Zaak T-28/06: Beroep ingesteld op 24 januari 2006 — RheinfelsQuellen H. Hövelmann tegen BHIM

33

2006/C 086/8

Zaak T-29/06: Beroep ingesteld op 24 januari 2006 — Procter & Gamble tegen BHIM

33

2006/C 086/9

Zaak T-30/06: Beroep ingesteld op 24 januari 2006 — Procter & Gamble tegen BHIM

34

2006/C 086/0

Zaak T-31/06: Beroep ingesteld op 24 januari 2006 — Procter & Gamble tegen BHIM

34

2006/C 086/1

Zaak T-35/06: Beroep ingesteld op 30 januari 2006 — Honig-Verband tegen Commissie

35

2006/C 086/2

Zaak T-39/06: Beroep ingesteld op 3 februari 2006 — Transcatab Spa, in liquidatie/Commissie

35

2006/C 086/3

Zaak T-42/06: Beroep ingesteld op 13 februari 2006 — Gollnisch tegen Europees Parlement

36

2006/C 086/4

Zaak T-43/06: Beroep ingesteld op 9 februari 2006 — Cofira SAC tegen Commissie

37

2006/C 086/5

Zaak T-44/06: Beroep ingesteld op 14 februari 2006 — Commissie tegen Hellenic Ventures en vijf andere partijen

37

2006/C 086/6

Zaak T-45/06: Beroep ingesteld op 13 februari 2006 — Reliance Industries tegen Raad en Commissie

38

2006/C 086/7

Zaak T-46/06: Beroep ingesteld op 13 februari 2006 — Galileo Lebensmittel tegen Commissie

39

2006/C 086/8

Zaak T-48/06: Beroep ingesteld op 17 februari 2006 — Astex Therapeutics tegen BHIM

40

2006/C 086/9

Zaak T-50/06: Beroep ingesteld op 17 februari 2006 — Ierland tegen Commissie

40

2006/C 086/0

Zaak T-53/06: Beroep ingesteld op 21 februari 2006 — UPM-Kymmene tegen Commissie

41

2006/C 086/1

Zaak T-59/06: Beroep ingesteld op 23 februari 2006 — Low & Bonar en Bonar Technical Fabrics tegen Commissie

42

2006/C 086/2

Zaak T-61/06: Beroep ingesteld op 13 februari 2006 — Italiaanse Republiek tegen Commissie

43

2006/C 086/3

Zaak T-62/06: Beroep ingesteld op 23 februari 2006 — Eurallumina tegen Commissie

44

2006/C 086/4

Zaak T-63/06: Beroep ingesteld op 16 februari 2006 — Eyropaïki Dynamiki tegen EWDD

45

2006/C 086/5

Zaak T-330/05: Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 8 februari 2006 — Aqua-Terra Bioprodukt tegen BHIM

46

 

GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN VAN DE EUROPESE UNIE

2006/C 086/6

Zaak F-124/05: Beroep ingesteld op 16 december 2005 — A tegen Commissie

47

2006/C 086/7

Zaak F-2/06: Beroep ingesteld op 5 januari 2006 — Marcuccio/Commissie

48

2006/C 086/8

Zaak F-12/06: Beroep ingesteld op 3 februari 2006 — Suleimanova tegen Comité van de Regio's

48

 

III   Bekendmakingen

2006/C 086/9

Laatste publicatie van het Hof van Justitie in het Publicatieblad van de Europese UniePB C 74 van 25.3.2006

49

NL

 


I Mededelingen

Hof van Justitie

HOF VAN JUSTITIE

8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/1


ARREST VAN HET HOF

(Grote kamer)

van 25 oktober 2005

in de gevoegde zaken C-465/02 en C-466/02: Bondsrepubliek Duitsland, Koninkrijk Denemarken tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen (1)

(Landbouw - Geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen - Benaming „feta” - Verordening (EG) nr. 1829/2002 - Geldigheid)

(2006/C 86/01)

Procestalen: Duits en Deens

In de gevoegde zaken C-465/02 en C-466/02, betreffende een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 230 EG, ingesteld op 30 december 2002, Bondsrepubliek Duitsland (gemachtigden: W. D. Plessing, bijgestaan door M. Loschelder, Rechtsanwalt), verzoekster in zaak C-465/02, Koninkrijk Denemarken (gemachtigden: J. Molde en J. Bering Liisberg), verzoekster in zaak C-466/02, ondersteund door Franse Republiek (gemachtigden: G. de Bergues en A. Colomb), Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (gemachtigde: C. Jackson), tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen (gemachtigden: J. L. Iglesias Buhigues en H. C. Støvlbæk, alsmede door A. M. Rouchaud-Joët en S. Grünheid), ondersteund door Helleense Republiek (gemachtigden: V. Kontolaimos en I. K. Chalkias), heeft het Hof (Grote kamer), samengesteld als volgt: V. Skouris, president, P. Jann, C. W. A. Timmermans, A. Rosas en J. Malenovský, kamerpresidenten, J.-P. Puissochet, R. Schintgen, N. Colneric, S. von Bahr, J. N. Cunha Rodrigues (rapporteur), J. Klučka, U. Lõhmus en E. Levits, rechters; advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer; griffier: K. Sztranc, administrateur, op 25 oktober 2005 een arrest gewezen waarvan het dictum luidt als volgt:

1)

De beroepen worden verworpen.

2)

De Bondsrepubliek Duitsland wordt verwezen in de kosten van zaak C-465/02 en het Koninkrijk Denemarken in die van zaak C-466/02.

3)

De Helleense Republiek, de Franse Republiek en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland dragen hun eigen kosten.


(1)  PB C 55 van 8.3.2003.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/1


ARREST VAN HET HOF

(Derde kamer)

van 27 oktober 2005

in zaak C-234/03 (verzoek van de Audiencia Nacional om een prejudiciële beslissing): Contse SA, Vivisol Srl, Oxigen Salud SA, tegen Instituto Nacional de Gestión Sanitaria (Ingesa), voorheen Instituto Nacional de la Salud (Insalud) (1)

(Vrijheid van vestiging - Vrijheid van dienstverrichting - Richtlijn 92/50/EEG - Overheidsopdrachten voor dienstverlening - Non-discriminatiebeginsel - Gezondheidsdiensten op het gebied van ademhalingstherapieën aan huis - Toelatingsvoorwaarde - Beoordelingscriteria)

(2006/C 86/02)

Procestaal: Spaans

In zaak C-234/03, betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door de Audiencia Nacional (Spanje), bij beslissing van 16 april 2003, ingekomen bij het Hof op 2 juni 2003, in de procedure: Contse SA, Vivisol Srl, Oxigen Salud SA, tegen Instituto Nacional de Gestión Sanitaria (Ingesa), voorheen Instituto Nacional de la Salud (Insalud), in aanwezigheid van: Air Liquide Medicinal SL, Sociedad Española de Carburos Metálicos SA, heeft het Hof (Derde kamer), samengesteld als volgt: A. Rosas (rapporteur), kamerpresident, J. Malenovský, J.-P. Puissochet, S. von Bahr en U. Lõhmus, rechters; advocaat-generaal: C. Stix-Hackl; griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur, op 27 oktober 2005 een arrest gewezen waarvan het dictum luidt als volgt:

Artikel 49 EG verzet zich ertegen dat een aanbestedende dienst in het bestek voor een overheidsopdracht voor het verlenen van gezondheidsdiensten op het gebied van ademhalingstherapieën aan huis en andere kunstmatige-beademingstechnieken enerzijds een toelatingsvoorwaarde vaststelt, volgens welke de inschrijvende onderneming ten tijde van de inschrijving dient te beschikken over een voor het publiek toegankelijk kantoor in de provinciehoofdstad waar de dienst moet worden verricht, en anderzijds criteria vaststelt voor de beoordeling van de offertes, waarbij extra punten worden toegekend aan de inschrijver die ten tijde van de inschrijving beschikt over installaties voor de productie, de behandeling en de afvulling van zuurstof op minder dan 1 000 km van bedoelde provincie, of over voor het publiek toegankelijke kantoren in bepaalde andere plaatsen van die provincie, en waarbij, wanneer verschillende offertes een zelfde aantal punten behalen, de onderneming wordt bevoordeeld die de betrokken dienst voorheen reeds verrichtte, voorzover deze elementen discriminatoir worden toegepast, niet worden gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang, niet geschikt zijn om de verwezenlijking van het nagestreefde doel te waarborgen, of verder gaan dan nodig is voor het bereiken van dat doel, wat door de nationale rechter moet worden getoetst.


(1)  PB C 184 van 2.8.2003.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/2


ARREST VAN HET HOF

(Derde kamer)

van 9 februari 2006

in zaak C-305/03: Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (1)

(Niet-nakoming - Zesde BTW-richtlijn - Artikelen 2, punt 1, 5, lid 4, sub c, 12, lid 3, en 16, lid 1 - Handeling in binnenland - Veiling van kunstvoorwerpen die onder regeling voor tijdelijke invoer zijn ingevoerd - Commissieloon van veilingmeesters)

(2006/C 86/03)

Procestaal: Engels

In zaak C-305/03, betreffende een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 226 EG, ingesteld op 16 juli 2003, Commissie van de Europese Gemeenschappen (gemachtigde: R. Lyal) tegen Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (gemachtigden: C. Jackson en R. Caudwell, bijgestaan door N. Paines, QC), heeft het Hof (Derde kamer), samengesteld als volgt: A. Rosas, kamerpresident, J.-P. Puissochet, S. von Bahr, U. Lõhmus (rapporteur) en A. Ó Caoimh, rechters; advocaat-generaal: J. Kokott, griffier: L. Hewlett, hoofdadministrateur, op 9 februari 2006 een arrest gewezen waarvan het dictum luidt als volgt:

1)

Door een verlaagd tarief van de belasting over de toegevoegde waarde toe te passen op de commissie die veilingmeesters bij de veiling van onder de regeling voor tijdelijke invoer ingevoerde kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten ontvangen, is het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland de verplichtingen niet nagekomen die op hem rusten krachtens de artikelen 2, punt 1, 5, lid 4, sub c, 12, lid 3, en 16, lid 1, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, zoals gewijzigd bij richtlijn 1999/49/EG van de Raad van 25 mei 1999.

2)

Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB L 226 van 20.9.2003.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/2


ARREST VAN HET HOF

(Grote kamer)

van 25 oktober 2005

in zaak C-350/03 (verzoek van het Landgericht Bochum om een prejudiciële beslissing): Elisabeth Schulte, Wolfgang Schulte tegen Deutsche Bausparkasse Badenia AG (1)

(Consumentenbescherming - Huis-aan-huisverkoop - Koop van onroerend goed - Investeringshandeling gefinancierd door hypothecaire lening - Recht van opzegging - Gevolgen van opzegging)

(2006/C 86/04)

Procestaal: Duits

In zaak C-350/03, betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Landgericht Bochum (Duitsland), bij beslissing van 29 juli 2003, ingekomen bij het Hof op 8 augustus 2003, in de procedure Elisabeth Schulte, Wolfgang Schulte tegen Deutsche Bausparkasse Badenia AG, heeft het Hof (Grote kamer), samengesteld als volgt: V. Skouris, president, P. Jann en A. Rosas, kamerpresidenten, C. Gulmann (rapporteur), R. Schintgen, N. Colneric, S. von Bahr, R. Silva de Lapuerta en K. Lenaerts, rechters; advocaat-generaal: P. Léger; griffier: M.-F. Contet, hoofdadministrateur, op 25 oktober 2005 een arrest gewezen waarvan het dictum luidt als volgt:

1)

Artikel 3, lid 2, sub a, van richtlijn 85/577/EEG van de Raad van 20 december 1985 betreffende de bescherming van de consument bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten, moet aldus worden uitgelegd dat het overeenkomsten betreffende de verkoop van onroerend goed van de werkingssfeer van de richtlijn uitsluit, zelfs indien zij louter deel uitmaken van een kapitaalbeleggingsplan dat met een krediet is gefinancierd en waarvoor de onderhandelingen voorafgaande aan het sluiten van de overeenkomst, zowel voor de koopovereenkomst betreffende het onroerende goed als voor de leningsovereenkomst die uitsluitend voor de financiering ervan dient, hebben plaatsgevonden in het kader van een situatie van huis-aan-huisverkoop.

2)

Richtlijn 85/577 verzet zich niet tegen nationale voorschriften die meebrengen dat het enige gevolg van de opzegging van de leningsovereenkomst de ongedaanmaking daarvan is, zelfs indien het kapitaalbeleggingsplannen betreft waarvoor de lening niet zou zijn toegekend zonder de aanschaf van het onroerende goed.

3)

Richtlijn 85/577 verzet zich er niet tegen dat:

de consument die overeenkomstig deze richtlijn gebruik heeft gemaakt van zijn recht van opzegging, de leninggever de leensom moet terugbetalen hoewel de lening volgens het voor de kapitaalbelegging ontwikkelde concept uitsluitend dient ter financiering van de aanschaf van het onroerende goed en rechtstreeks aan de verkoper van dat goed is uitbetaald;

wordt verlangd dat de leensom onmiddellijk wordt terugbetaald;

een nationale regeling bepaalt dat de consument in het geval van opzegging van een overeenkomst betreffende een hypothecair krediet, niet alleen verplicht is om de krachtens die overeenkomst ontvangen sommen terug te betalen, maar tevens om de leninggever de op de markt gangbare rente te betalen.

In een situatie waarin de consument, indien de bank de verplichting was nagekomen om hem mededeling te doen van zijn recht van opzegging, had kunnen voorkomen dat hij zou worden blootgesteld aan de risico's die inherent zijn aan kapitaalbeleggingen zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, verplicht artikel 4 van richtlijn 85/577 de lidstaten echter om erop toe te zien dat hun wetgeving bescherming biedt voor de consumenten die niet hebben kunnen voorkomen dat zij aan dergelijke risico's werden blootgesteld, door maatregelen vast te stellen die voorkomen dat zij de gevolgen van het intreden van die risico's moeten dragen.


(1)  PB C 264 van 1.11.2003.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/3


ARREST VAN HET HOF

(Grote kamer)

van 31 januari 2006

in zaak C-503/03: Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Koninkrijk Spanje (1)

(Vrij verkeer van personen - Richtlijn 64/221/EEG - Onderdaan van derde land, gehuwd met onderdaan van lidstaat - Recht van toegang en verblijf - Beperkingen om redenen van openbare orde - Schengeninformatiesysteem - Signalering ter fine van weigering van toegang)

(2006/C 86/05)

Procestaal: Spaans

In zaak C-503/03, betreffende een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 226 EG, ingesteld op 27 november 2003, Commissie van de Europese Gemeenschappen (gemachtigden: C. O'Reilly en L. Escobar Guerrero) tegen Koninkrijk Spanje (gemachtigde: M. Muñoz Pérez), heeft het Hof (Grote kamer), samengesteld als volgt: V. Skouris, president, P. Jann (rapporteur), C. W. A. Timmermans, A. Rosas, J. Malenovský, kamerpresidenten, S. von Bahr, J. N. Cunha Rodrigues, R. Silva de Lapuerta, K. Lenaerts, E. Juhász, G. Arestis, A. Borg Barthet en M. Ilešič, rechters; advocaat-generaal: J. Kokott; griffier: R. Grass, op 31 januari 2006 een arrest gewezen waarvan het dictum luidt als volgt:

1)

Door Farid de toegang te weigeren tot het grondgebied van de staten die partij zijn bij het te Schengen op 14 juni 1985 getekende akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, en door Farid en Bouchair, beiden een met een onderdaan van een lidstaat gehuwde onderdaan van een derde staat, een visum voor binnenkomst in dit grondgebied te weigeren enkel op grond dat zij ter fine van weigering van toegang in het Schengeninformatiesysteem waren gesignaleerd, zonder vooraf te hebben geverifieerd of de aanwezigheid van deze personen een werkelijke, actuele en genoegzaam ernstige bedreiging vormde voor een fundamenteel belang van de samenleving, is het Koninkrijk Spanje de verplichtingen niet nagekomen die op hem rusten krachtens de artikelen 1 tot en met 3 van richtlijn 64/221/EEG van de Raad van 25 februari 1964 voor de coördinatie van de voor vreemdelingen geldende bijzondere maatregelen ten aanzien van verplaatsing en verblijf, die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid.

2)

Het Koninkrijk Spanje wordt veroordeeld in de kosten.


(1)  PB C 21 van 24.1.2004.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/4


ARREST VAN HET HOF

(Eerste kamer)

van 26 januari 2006

in zaak C-514/03: Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Koninkrijk Spanje (1)

(Niet-nakoming - Artikelen 43 EG en 49 EG - Beperking van vrijheid van vestiging en van dienstverrichting - Particuliere beveiligingsondernemingen en -diensten - Voorwaarden - Rechtspersoonlijkheid - Minimum maatschappelijk kapitaal - Zekerheid - Minimumaantal medewerkers - Richtlijnen 89/48/EEG en 92/51/EEG - Erkenning van beroepskwalificaties)

(2006/C 86/06)

Procestaal: Spaans

In zaak C-514/03, betreffende een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 230 EG, ingesteld op 8 december 2003, Commissie van de Europese Gemeenschappen (gemachtigden: M. Patakia en L. Escobar Guerrero) tegen Koninkrijk Spanje (gemachtigde: E. Braquehais Conesa), heeft het Hof (Eerste kamer), samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, K. Schiemann, N. Colneric, J. N. Cunha Rodrigues en E. Levits (rapporteur), rechters; advocaat-generaal: J. Kokott; griffier: R. Grass, op 26 januari 2006 een arrest gewezen waarvan het dictum luidt als volgt:

1)

Door de bepalingen van wet nr. 23/1992 van 30 juli 1992 betreffende de particuliere beveiliging en van Real Decreto nr. 2364/1994 van 9 december 1994 houdende goedkeuring van het reglement betreffende de particuliere beveiliging te handhaven, die een aantal voorwaarden stellen waaraan buitenlandse particuliere beveiligingsondernemingen moeten voldoen om hun activiteiten in Spanje te kunnen uitoefenen, in die zin dat zij voorschrijven dat:

zij rechtspersoonlijkheid moeten hebben;

zij over een bepaald minimum maatschappelijk kapitaal moeten beschikken;

zij een zekerheid moeten stellen bij een Spaanse instantie;

zij een minimumaantal werknemers moeten tewerkstellen, voorzover de betrokken onderneming haar activiteiten op andere gebieden dan dat van het transport en de distributie van explosieven uitoefent;

hun personeelsleden in het bezit moeten zijn van een door de Spaanse autoriteiten afgegeven bijzondere administratieve vergunning, en

door niet de maatregelen te nemen die nodig zijn om te waarborgen dat attesten van beroepsbekwaamheid voor de uitoefening van de activiteit van privédetective worden erkend, is het Koninkrijk Spanje de verplichtingen niet nagekomen die op hem rusten krachtens enerzijds de artikelen 43 EG en 49 EG en anderzijds richtlijn 92/51/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende een tweede algemeen stelsel van erkenning van beroepsopleidingen, die een aanvulling vormt op richtlijn 89/48/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hoger-onderwijsdiploma's waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten.

2)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)

Het Koninkrijk Spanje wordt verwezen in drie vierde van de kosten van de Commissie van de Europese Gemeenschappen en draagt zijn eigen kosten.

4)

De Commissie van de Europese Gemeenschappen draagt een vierde van haar eigen kosten.


(1)  PB C 47 van 21.02.2004.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/4


ARREST VAN HET HOF

(Tweede kamer)

van 26 januari 2006

in zaak C-533/03: Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Raad van de Europese Unie (1)

(Verordening (EG) nr. 1798/2003 - Richtlijn 2003/93/EG - Keuze van rechtsgrondslag)

(2006/C 86/07)

Procestaal: Engels

In zaak C-533/03, betreffende een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 230 EG, ingesteld op 19 december 2003, Commissie van de Europese Gemeenschappen (gemachtigde: R. Lyal) tegen Raad van de Europese Unie (gemachtigden: A.-M. Colaert en E. Karlsson), ondersteund door Ierland, (gemachtigde: D. O'Hagan als gemachtigde, bijgestaan door A. Collins, SC), Portugese Republiek, (gemachtigde: L. Fernandes), Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, (gemachtigde: R. Caudwell bijgestaan door D. Wyatt, QC), heeft het Hof (Tweede kamer), samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans, kamerpresident, R. Schintgen (rapporteur), R. Silva de Lapuerta, P. Kūris en G. Arestis, rechters; advocaat-generaal: J. Kokott; griffier: R. Grass op 26 januari 2006 een arrest gewezen waarvan het dictum luidt als volgt:

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

De Commissie van de Europese Gemeenschappen wordt verwezen in de kosten.

3)

Ierland, de Portugese Republiek en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland zullen hun eigen kosten dragen.


(1)  PB C 59 van 6.3.2004.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/5


ARREST VAN HET HOF

(Tweede kamer)

van 9 februari 2006

in de gevoegde zaken C-23/04 tot en met C-25/04 (verzoeken van het Dioikitiko Protodikeio Athinon om een prejudiciële beslissing): Sfakianakis AEVE tegen Elliniko Dimosio (1)

(Associatieovereenkomst EEG-Hongarije - Verplichting van wederzijdse bijstand voor douaneautoriteiten - Navordering van invoerrechten ten gevolge van intrekking in staat van uitvoer van certificaten inzake goederenverkeer voor ingevoerde producten)

(2006/C 86/08)

Procestaal: Grieks

In de gevoegde zaken C-23/04 tot en met C-25/04, betreffende verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Dioikitiko Protodikeio Athinon (Griekenland) bij beslissing van 30 september 2003, ingekomen bij het Hof op 26 januari 2004, in de procedures Sfakianakis AEVE tegen Elliniko Dimosio, heeft het Hof (Tweede kamer), samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans, kamerpresident, J. Makarczyk, R. Silva de Lapuerta (rapporteur), P. Kūris en G. Arestis, rechters; advocaat-generaal: P. Léger; griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur, op 9 februari 2006 een arrest gewezen waarvan het dictum luidt als volgt:

1)

De artikelen 31, lid 2, en 32 van protocol nr. 4 bij de Europa-Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Hongarije, anderzijds, zoals gewijzigd bij besluit nr. 3/96 van de Associatieraad, Associatie tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten enerzijds en de Republiek Hongarije anderzijds, van 28 december 1996, dienen aldus te worden uitgelegd dat de douaneautoriteiten van de staat van invoer verplicht zijn om rekening te houden met de in de staat van uitvoer gegeven rechterlijke beslissingen op beroepen die werden ingesteld tegen de resultaten van de door de douaneautoriteiten van de staat van uitvoer verrichte controle van de geldigheid van de certificaten inzake goederenverkeer, wanneer zij op de hoogte zijn gebracht van het aanhangig zijn van die beroepen en van de inhoud van die beslissingen, en wel ongeacht of de controle van de geldigheid van de certificaten inzake goederenverkeer al dan niet is verricht op verzoek van de douaneautoriteiten van de staat van invoer.

2)

Het nuttig effect van de afschaffing van douanerechten als bedoeld in de bij besluit van de Raad en de Commissie van 13 december 1993 gesloten en goedgekeurde Europa-Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Hongarije, anderzijds, verzet zich tegen administratieve beschikkingen tot oplegging van douanerechten, vermeerderd met belastingen en boetes, die door de douaneautoriteiten van de staat van invoer zijn vastgesteld alvorens hun de definitieve uitkomst is meegedeeld van de beroepen die zijn ingesteld tegen de resultaten van de controle achteraf, wanneer de beschikkingen van de autoriteiten van de staat van uitvoer die de EUR.1-certificaten oorspronkelijk hebben afgegeven, niet zijn ingetrokken of vernietigd.

3)

Voor het antwoord op de eerste drie vragen maakt het geen verschil dat noch de Griekse noch de Hongaarse douaneautoriteiten hebben verzocht het associatiecomité bijeen te roepen overeenkomstig artikel 33 van protocol nr. 4, zoals gewijzigd bij besluit nr. 3/96.


(1)  PB C 71 van 20.3.2004

PB C 85 van 3.4.2004.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/5


ARREST VAN HET HOF

(Eerste kamer)

van 9 februari 2006

in zaak C-127/04 [verzoek van de High Court of Justice (England & Wales), Queen's Bench Division, om een prejudiciële beslissing]: Declan O'Byrne tegen Sanofi Pasteur MSD Ltd, Sanofi Pasteur SA (1)

(Richtlijn 85/374/EEG - Aansprakelijkheid voor producten met gebreken - Begrip „in verkeer brengen” van product - Levering door producent aan 100 %-dochter)

(2006/C 86/09)

Procestaal: Engels

In zaak C-127/04, betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door de High Court of Justice (England & Wales), Queen's Bench Division (Verenigd Koninkrijk) bij beslissing van 18 november 2003, ingekomen bij het Hof op 8 maart 2004, in de procedure Declan O'Byrne tegen Sanofi Pasteur MSD Ltd, voorheen Aventis Pasteur MSD Ltd, Sanofi Pasteur SA, voorheen Aventis Pasteur SA, heeft het Hof (Eerste kamer), samengesteld als volgt: P. Jann (rapporteur), kamerpresident, K. Schiemann, K. Lenaerts, E. Juhász en M. Ilešič, rechters; advocaat-generaal: L. A. Geelhoed; griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur, op 9 februari 2006 een arrest gewezen waarvan het dictum luidt als volgt:

1)

Artikel 11 van richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken moet aldus worden uitgelegd dat een product in het verkeer is gebracht wanneer het het productieproces van de producent heeft verlaten en is opgenomen in een verkoopproces in een vorm waarin het aan het publiek wordt aangeboden voor gebruik of consumptie.

2)

Wanneer een rechtsvordering wordt ingesteld tegen een vennootschap die ten onrechte voor de producent van een product wordt aangezien, terwijl dat product in werkelijkheid is gefabriceerd door een andere vennootschap, is het in beginsel een zaak van het nationale recht om de voorwaarden vast te stellen waaronder het mogelijk is, in het kader van een dergelijke rechtsvordering een partij in de plaats te stellen van een andere. Een nationale rechter die de voorwaarden voor deze indeplaatsstelling onderzoekt, dient echter erop toe te zien dat de werkingssfeer ratione personae van richtlijn 85/374, zoals vastgesteld in de artikelen 1 en 3 daarvan, wordt geëerbiedigd.


(1)  PB C 106 van 30.4.2004.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/6


ARREST VAN HET HOF

(Eerste kamer)

van 16 februari 2006

in zaak C-215/04 (verzoek van het Østre Landsret om een prejudiciële beslissing): Marius Pedersen A/S tegen Miljøstyrelsen (1)

(Afvalstoffen - Overbrenging van afvalstoffen - Afvalstoffen bestemd voor handelingen ter nuttige toepassing - Begrip 'kennisgever' - Verplichtingen van kennisgever)

(2006/C 86/10)

Procestaal: Deens

In zaak C-215/04, betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Østre Landsret (Denemarken) bij beslissing van 14 mei 2004, ingekomen bij het Hof op 21 mei 2004, in de procedure Marius Pedersen A/S tegen Miljøstyrelsen, heeft het Hof (Eerste kamer), samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, K. Schiemann (rapporteur), N. Colneric, J. N. Cunha Rodrigues en E. Levits, rechters; advocaat-generaal: P. Léger; griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur, op 16 februari 2006 een arrest gewezen waarvan het dictum luidt als volgt:

1)

De zinsnede „indien dat niet mogelijk is” in artikel 2, sub g-ii, van verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap, dient aldus te worden uitgelegd dat het enkele feit dat een persoon een erkende inzamelaar is, hem niet de hoedanigheid van kennisgever van een overbrenging van afvalstoffen voor nuttige toepassing verleent. De omstandigheid dat de producent van de afvalstoffen niet bekend is of dat er sprake is van een zo groot aantal producenten met ieder afzonderlijk een zo geringe productie dat het onredelijk zou zijn van ieder van hen afzonderlijk een kennisgeving van de overbrenging van afvalstoffen te verlangen, kan evenwel rechtvaardigen dat de erkende inzamelaar wordt beschouwd als de kennisgever van een overbrenging van afvalstoffen voor nuttige toepassing.

2)

De bevoegde autoriteit van verzending heeft krachtens artikel 7, leden 2 en 4, sub a, eerste streepje, van verordening nr. 259/93 het recht bezwaar te maken tegen een overbrenging van afvalstoffen, wanneer zij niet over informatie beschikt over de omstandigheden waaronder deze afvalstoffen in de staat van bestemming worden behandeld. Daarentegen kan van de kennisgever niet worden verlangd dat hij aantoont dat de nuttige toepassing in de staat van bestemming gelijkwaardig zal zijn aan die welke door de regeling van de staat van verzending wordt voorgeschreven.

3)

Artikel 6, lid 5, eerste streepje, van verordening nr. 259/93 dient aldus te worden uitgelegd dat aan de verplichting informatie te verstrekken met betrekking tot de samenstelling van de afvalstoffen niet wordt voldaan, wanneer de kennisgever verklaart dat het gaat om een als „elektronisch afval” aangeduide categorie afvalstoffen.

4)

De in artikel 7, lid 2, van verordening nr. 259/93 vastgelegde termijn begint te lopen vanaf de verzending van de ontvangstbevestiging van de kennisgeving door de bevoegde autoriteiten van de staat van bestemming, ook al zijn de bevoegde autoriteiten van de staat van verzending van mening dat zij niet alle door artikel 6, lid 5, van deze verordening voorgeschreven informatie hebben ontvangen. De overschrijding van die termijn heeft tot gevolg dat de bevoegde autoriteiten niet langer bezwaar kunnen maken tegen de overbrenging of de kennisgever om aanvullende informatie kunnen verzoeken.


(1)  PB C 190 van 24.7.2004.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/7


ARREST VAN HET HOF

(Eerste kamer)

van 9 februari 2006

in de gevoegde zaken C-226/04 en C-228/04 (verzoeken van het Tribunale amministrativo regionale del Lazio om een prejudiciële beslissing): La Cascina Soc. coop. arl e.a. tegen Ministero della Difesa e.a. en Consorzio G. f. M. tegen Ministero della Difesa e.a. (1)

(Overheidsopdrachten voor dienstverlening - Richtlijn 92/50/EEG - Artikel 29, eerste alinea, sub e en f - Verplichtingen van dienstverleners - Betaling van socialezekerheidsbijdragen en belastingen)

(2006/C 86/11)

Procestaal: Italiaans

In de gevoegde zaken C-226/04 en C-228/04, betreffende verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Tribunale amministrativo regionale del Lazio (Italië) bij beslissingen van 22 april 2004, ingekomen bij het Hof op 2 juni 2004, in de procedures La Cascina Soc. coop. arl, Zilch Srl (C-226/04) tegen Ministero della Difesa, Ministero dell'Economia e delle Finanze, Pedus Service, Cooperativa Italiana di Ristorazione soc. coop. arl (CIR), Istituto nazionale per l'assicurazione contro gli infortuni sul lavoro (INAIL), en Consorzio G. f. M. (C-228/04) tegen Ministero della Difesa, La Cascina Soc. coop. arl, heeft het Hof (Eerste kamer), samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, K. Schiemann, N. Colneric, K. Lenaerts en E Juhász (rapporteur), rechters; advocaat-generaal: M. Poires Maduro; griffier: L. Hewlett, hoofdadministrateur, op 9 februari 2006 een arrest gewezen waarvan het dictum luidt als volgt:

Artikel 29, eerste alinea, sub e en f, van richtlijn 92/50/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening, verzet zich niet tegen een nationale regeling of een nationale bestuurspraktijk volgens welke een dienstverlener die bij het verstrijken van de termijn voor indiening van de aanvraag tot deelneming aan de opdracht niet aan zijn verplichtingen inzake socialezekerheidsbijdragen en belastingen heeft voldaan door volledige betaling van het overeenkomstige bedrag, naderhand zijn situatie kan regulariseren

op grond van door de overheid vastgestelde fiscaleamnestie- of clementiemaatregelen, of

op grond van een administratieve regeling tot spreiding of verlichting van de schulden, of

door instelling van een administratief beroep of beroep in rechte,

op voorwaarde dat hij binnen de door de nationale regeling of de nationale bestuurspraktijk vastgestelde termijn aantoont dat hij voor dergelijke maatregelen of een dergelijke regeling in aanmerking is gekomen, of dat hij binnen deze termijn een dergelijk beroep heeft ingesteld.


(1)  PB C 190 van 24.7.2004.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/7


ARREST VAN HET HOF

(Tweede kamer)

van 25 oktober 2005

in zaak C-229/04 (verzoek van het Hanseatische Oberlandesgericht in Bremen om een prejudiciële beslissing): Crailsheimer Volksbank eG tegen Klaus Conrads, Frank Schulzke en Petra Schulzke-Lösche, Joachim Nitschke (1)

(Consumentenbescherming - Buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten - Via huis-aan-huisverkoop afgesloten leningsovereenkomst die is verbonden aan aankoop van onroerend goed - Recht van opzegging)

(2006/C 86/12)

Procestaal: Duits

In zaak C-229/04, betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Hanseatische Oberlandesgericht in Bremen (Duitsland) bij beslissing van 27 mei 2004, ingekomen bij het Hof op 2 juni 2004, in de procedures Crailsheimer Volksbank eG tegen Klaus Conrads, Frank Schulzke en Petra Schulzke-Lösche, Joachim Nitschke, heeft het Hof (Tweede kamer), samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans, kamerpresident, J. Makarczyk, C. Gulmann (rapporteur), R. Silva de Lapuerta en P. Kūris, rechters; advocaat-generaal: P. Léger; griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur, op 25 oktober 2005 een arrest gewezen waarvan het dictum luidt als volgt:

1)

De artikelen 1 en 2 van richtlijn 85/577/EEG van de Raad van 20 december 1985 betreffende de bescherming van de consument bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten, dienen aldus te worden uitgelegd dat indien een derde namens of voor rekening van een handelaar bij de onderhandeling of de sluiting van een overeenkomst wordt ingeschakeld, de toepassing van de richtlijn niet afhankelijk kan worden gesteld van de voorwaarde dat de handelaar wist of had moeten weten dat de overeenkomst werd gesloten in een situatie van huis-aan-huisverkoop zoals bedoeld in artikel 1 van deze richtlijn.

2)

Richtlijn 85/577, en met name artikel 5, lid 2, ervan, verzet zich niet ertegen dat:

de consument die overeenkomstig deze richtlijn gebruik heeft gemaakt van zijn recht van opzegging, de leninggever de leensom moet terugbetalen hoewel de lening volgens het voor de kapitaalbelegging ontwikkelde concept uitsluitend dient ter financiering van de aanschaf van het onroerende goed en rechtstreeks aan de verkoper van dat goed is uitbetaald;

wordt verlangd dat de leensom onmiddellijk wordt terugbetaald;

een nationale regeling bepaalt dat de consument in het geval van opzegging van een overeenkomst betreffende een hypothecair krediet, niet alleen verplicht is om de krachtens die overeenkomst ontvangen sommen terug te betalen, maar tevens om de leninggever de op de markt gangbare rente te betalen.

In een situatie waarin de consument, indien de bank de verplichting was nagekomen om hem mededeling te doen van zijn recht van opzegging, had kunnen voorkomen dat hij zou worden blootgesteld aan de risico's die inherent zijn aan kapitaalbeleggingen zoals die welke in de hoofdgedingen aan de orde zijn, verplicht artikel 4 van richtlijn 85/577 de lidstaten echter om erop toe te zien dat hun wetgeving bescherming biedt voor de consumenten die niet hebben kunnen voorkomen dat zij aan dergelijke risico's werden blootgesteld, door maatregelen vast te stellen die voorkomen dat zij de gevolgen van het intreden van die risico's moeten dragen.


(1)  PB C 201 van 7.8.2004.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/8


ARREST VAN HET HOF

(Tweede kamer)

van 20 oktober 2005

in zaak C-247/04 (verzoek van het College van Beroep voor het bedrijfsleven om een prejudiciële beslissing): Transport Maatschappij Traffic BV tegen Staatssecretaris van Economische Zaken (1)

(Communautair douanewetboek - Terugbetaling of kwijtschelding van rechten bij in- of bij uitvoer - Begrip „wettelijk verschuldigd”)

(2006/C 86/13)

Procestaal: Nederlands

In zaak C-247/04, betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het College van Beroep voor het bedrijfsleven (Nederland), bij beslissing van 28 mei 2004, ingekomen bij het Hof op 11 juni 2004, in de procedure Transport Maatschappij Traffic BV tegen Staatssecretaris van Economische Zaken, heeft het Hof (Tweede kamer), samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans, kamerpresident, J. Makarczyk (rapporteur), C. Gulmann, R. Schintgen en J. Klučka, rechters; advocaat-generaal: C. Stix-Hackl; griffier: L. Hewlett, hoofdadministrateur, op 20 oktober 2005 een arrest gewezen waarvan het dictum luidt als volgt:

Voor toepassing van artikel 236, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zijn rechten bij invoer of rechten bij uitvoer wettelijk verschuldigd wanneer een douaneschuld onder de voorwaarden van hoofdstuk 2 van titel VII van deze verordening is ontstaan, en wanneer het bedrag van deze rechten, overeenkomstig de voorschriften van titel II van die verordening, door toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief van de Europese Gemeenschappen kon worden vastgesteld.

Het bedrag van de rechten bij invoer of de rechten bij uitvoer blijft wettelijk verschuldigd in de zin van artikel 236, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 2913/92 ook indien dit bedrag niet in overeenstemming met artikel 221, lid 1, van deze verordening aan de schuldenaar is meegedeeld.


(1)  PB C 217 van 28.8.2004.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/8


ARREST VAN HET HOF

(Derde kamer)

van 9 februari 2006

in zaak C-415/04 (verzoek van de Hoge Raad der Nederlanden om een prejudiciële beslissing): Staatssecretaris van Financiën tegen Stichting Kinderopvang Enschede (1)

(Zesde BTW-richtlijn - Vrijstellingen - Diensten die samenhangen met maatschappelijk werk en sociale zekerheid en met bescherming van en onderwijs aan kinderen of jongeren)

(2006/C 86/14)

Procestaal: Nederlands

In zaak C-415/04, betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 24 september 2004, ingekomen bij het Hof op dezelfde dag, in de procedure Staatssecretaris van Financiën tegen Stichting Kinderopvang Enschede, heeft het Hof (Derde kamer), samengesteld als volgt: A. Rosas, kamerpresident, J. Malenovský, A. La Pergola, A. Borg Barthet (rapporteur) en A. Ó Caoimh, rechters; advocaat-generaal: F. G. Jacobs; griffier: R. Grass, op 9 februari 2006 een arrest gewezen waarvan het dictum luidt als volgt:

Artikel 13, A, lid 1, sub g en h, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, juncto lid 2, sub b, van ditzelfde artikel, moet aldus worden uitgelegd dat diensten die door een publiekrechtelijk lichaam of een door de betrokken lidstaat als instelling van sociale aard erkende organisatie worden verricht in de hoedanigheid van bemiddelaar tussen personen die diensten ter zake van kinderopvang zoeken en personen die deze diensten aanbieden, slechts op de voet van die bepalingen kunnen worden vrijgesteld indien:

de dienst ter zake van kinderopvang zelf aan de in deze bepalingen gestelde voorwaarden voor vrijstelling voldoet;

deze dienst van zodanige aard of kwaliteit is dat de vraagouders niet van een gelijkwaardige dienst verzekerd zouden kunnen zijn zonder een bemiddelende dienst als die welke in het hoofdgeding aan de orde is;

die bemiddelende diensten niet in hoofdzaak ertoe strekken, de dienstverrichter extra opbrengsten te verschaffen door de uitvoering van handelingen die verricht worden in rechtstreekse mededinging met die van commerciële ondernemingen die aan belasting over de toegevoegde waarde zijn onderworpen.


(1)  PB C 284 van 20.11.2004.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/9


ARREST VAN HET HOF

(Derde kamer)

van 9 februari 2006

in zaak C-473/04 (verzoek van het Hof van Cassatie om een prejudiciële beslissing): Plumex tegen Young Sports NV (1)

(Justitiële samenwerking - Verordening (EG) nr. 1348/2000 - Artikelen 4 tot en met 11 en 14 - Betekening en kennisgeving van gerechtelijke stukken - Betekening door tussenkomst van instanties - Betekening per post - Relatie tussen wijzen van verzending en van betekening - Voorrang - Beroepstermijn)

(2006/C 86/15)

Procestaal: Nederlands

In zaak C-473/04, betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens de artikelen 68 EG en 234 EG, ingediend door het Hof van Cassatie (België) bij beslissing van 22 oktober 2004, ingekomen bij het Hof op 9 november 2004, in de procedure Plumex tegen Young Sports NV, heeft het Hof (Derde kamer), samengesteld als volgt: A. Rosas, kamerpresident, J. Malenovský (rapporteur), A. La Pergola, S. von Bahr en A. Borg Barthet, rechters; advocaat-generaal: A. Tizzano; griffier: R. Grass, op 9 februari 2006 een arrest gewezen waarvan het dictum luidt als volgt:

1)

Verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad van 29 mei 2000 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken, moet aldus worden uitgelegd dat zij geen enkele rangorde vaststelt tussen de wijze van verzending en betekening als bedoeld in de artikelen 4 tot en met 11 en die als bedoeld in artikel 14 daarvan, zodat het mogelijk is een gerechtelijk stuk op een van deze twee wijzen dan wel gelijktijdig op de twee wijzen te betekenen.

2)

Verordening nr. 1348/2000 moet aldus worden uitgelegd, dat in geval van cumulatie van de wijze van verzending en betekening als bedoeld in de artikelen 4 tot en met 11 en die als bedoeld in artikel 14 daarvan, van de datum van de eerste geldig verrichte betekening moet worden uitgegaan om te bepalen wanneer voor de geadresseerde een procestermijn ingevolge een betekening begint te lopen.


(1)  PB C 19 van 22.1.2005.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/9


ARREST VAN HET HOF

(Vierde kamer)

van 26 januari 2006

in zaak C-2/05 (verzoek van het Arbeidshof te Brussel om een prejudiciële beslissing): Rijksdienst voor Sociale Zekerheid tegen Herbosch Kiere NV (1)

(Sociale zekerheid van migrerende werknemers - Vaststelling van toepasselijke wettelijke regeling - In andere lidstaat gedetacheerde werknemers - Draagwijdte van E 101-verklaring)

(2006/C 86/16)

Procestaal: Nederlands

In zaak C-2/05, betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Arbeidshof te Brussel (België) bij beslissing van 23 december 2004, ingekomen bij het Hof op 5 januari 2005, in de procedure Rijksdienst voor Sociale Zekerheid tegen Herbosch Kiere NV, heeft het Hof (Vierde kamer), samengesteld als volgt: N. Colneric (rapporteur), waarnemend voor de president van de Vierde kamer, J. N. Cunha Rodrigues en K. Lenaerts, rechters; advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer; griffier: R. Grass, op 26 januari 2006 een arrest gewezen waarvan het dictum luidt als volgt:

Zolang de E 101-verklaring die is afgegeven overeenkomstig artikel 11, lid 1, sub a, van verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EEG) nr. 1408/71, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2195/91 van de Raad van 25 juni 1991, niet is ingetrokken of ongeldig verklaard door de autoriteiten van de lidstaat van afgifte, bindt zij het bevoegde orgaan en de rechterlijke instanties van de lidstaat waarin de werknemers zijn gedetacheerd. Bijgevolg is een rechterlijke instantie van de lidstaat van ontvangst van deze werknemers niet bevoegd de geldigheid na te gaan van een E 101-verklaring wat betreft de staving van de feiten op grond waarvan een dergelijke verklaring is afgegeven, met name het bestaan tijdens de detacheringsperiode van een organische band, in de zin van artikel 14, lid 1, sub a, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening nr. 2001/83, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2195/91, juncto punt 1 van besluit nr. 128 van de Administratieve Commissie voor de sociale zekerheid van migrerende werknemers van 17 oktober 1985 betreffende de toepassing van de artikelen 14, lid 1, sub a, en 14 ter, lid 1, van verordening nr. 1408/71, tussen de in een lidstaat gevestigde onderneming en de werknemers die zij op het grondgebied van een andere lidstaat heeft gedetacheerd.


(1)  PB C 82 van 2.4.2005.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/10


Beroep, op 23 december 2005 ingesteld door Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Bondsrepubliek Duitsland

(Zaak C-456/05)

(2006/C 86/17)

Procestaal: Duits

Bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is op 23 december 2005 beroep ingesteld tegen Bondsrepubliek Duitsland door Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H. Støvlbaek en S. Grünheid als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg.

Verzoekster concludeert dat het het Hof behage:

1.

vast te stellen dat de Bondsrepubliek Duitsland, doordat zij de overgangsregeling respectievelijk de regeling inzake beschermde rechten, op basis waarvan de psychotherapeuten een toelating respectievelijk een machtiging voor beroepsuitoefening ongeacht de geldende toelatingsbepalingen krijgen, alleen toepast op psychotherapeuten die hun activiteit in het kader van de Duitse wettelijke ziektekostenverzekering hebben uitgeoefend, en de vergelijkbare respectievelijk soortgelijke beroepsactiviteit van psychotherapeuten in andere lidstaten niet in aanmerking neemt, de krachtens artikel 43 EG op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen;

2.

de Bondsrepubliek Duitsland te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Krachtens de Duitse overgangsregeling inzake de toelating van psychotherapeuten ongeacht behoefte, wordt een psychotherapeut alleen dan ongeacht behoefte op een door hem gewenste plaats toegelaten, wanneer hij in het verleden een in aanmerking komende voorgaande activiteit in het kader van de wettelijke ziektekostenverzekering heeft uitgeoefend. Volgens de Commissie is deze regeling in strijd met de vrijheid van vestiging in de zin van artikel 43 EG-Verdrag, voorzover bij de toetsing van de in aanmerking komende voorgaande activiteit uitsluitend een activiteit in het kader van de Duitse wettelijke ziektekostenverzekering in aanmerking wordt genomen en niet wordt nagegaan of de therapeutische verzorging van verzekerden voor de kosten waarvan de wettelijke ziektekostenverzekering in andere lidstaten is opgekomen, als gelijkwaardig of soortgelijk moet worden beschouwd.

De bepalingen van het EG-verdrag inzake vrijheid van vestiging zijn in casu toepasselijk. De omstandigheid dat de omstreden regeling een onderdeel van het Duitse socialezekerheidsrecht is, staat daar niet aan in de weg. De lidstaten kunnen weliswaar hun socialezekerheidsstelsel en de voorwaarden voor deelneming van de psychotherapeuten aan voor vergoeding in aanmerking komende geneeskundige verzorging vrij regelen, maar deze regelingen moeten verenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht, in het bijzonder met de door het EG-verdrag gegarandeerde fundamentele vrijheden. De onderhavige Duitse overgangsregeling voldoet niet aan dit vereiste, daar zij psychotherapeuten uit andere lidstaten die zich in Duitsland zouden willen vestigen en voorheen hoofdzakelijk verzekerden in andere lidstaten hebben behandeld, ervan weerhoudt hun praktijk naar Duitsland over te brengen.

De onderhavige Duitse regeling voldoet niet aan de voorwaarden waaronder volgens het Hof nationale maatregelen kunnen worden gerechtvaardigd, die de door het Verdrag gegarandeerde vrijheid van vestiging belemmeren. Enerzijds veroorzaakt zij een indirecte discriminatie, daar zij in wezen veeleer psychotherapeuten uit andere lidstaten dan Duitse psychotherapeuten kan treffen. Terwijl Duitse psychotherapeuten in Duitsland in de regel namelijk ook een activiteit hebben voor de kosten waarvan de Duitse wettelijke ziektekostenverzekering is opgekomen, ontbreekt het psychotherapeuten uit andere lidstaten aan een soortgelijke voorgaande activiteit in Duitsland. Anderzijds is de beperking van de overgangsregeling tot aanvragers die in de referentieperiode een voorgaande activiteit in Duitsland hebben uitgeoefend, onevenredig: het doel van de regeling, het aantal van de ongeacht behoefte toe te laten psychotherapeuten te beperken, komt namelijk niet in gevaar wanneer vergelijkbare of gelijkwaardige activiteiten die de migranten in andere lidstaten hebben uitgeoefend, als in aanmerking komende vorige activiteit worden beschouwd. Om deze redenen is er in casu sprake van een beperking van de vrijheid van vestiging die niet als gerechtvaardigd kan worden beschouwd.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/11


Beroep, op 11 januari 2005 ingesteld door Europees Parlement tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen

(Zaak C-14/06)

(2006/C 86/18)

Procestaal: Engels

Bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is op 11 januari 2005 (faxbericht van 6 januari 2006) beroep ingesteld tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen door Europees Parlement, vertegenwoordigd door K. Bradley, A. Neergaard en I. Klavina als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg.

Verzoeker concludeert dat het den Hove behage:

1)

beschikking 2005/717/EG van de Commissie van 13 oktober 2005 tot wijziging, met het oog op aanpassing aan de technische vooruitgang, van de bijlage bij richtlijn 2002/95/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende beperking van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur, nietig te verklaren;

2)

de Commissie van de Europese Gemeenschappen te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Beschikking 2005/717/EG van de Commissie van 13 oktober 2005 (1) stelt decabromodiphenyl („DecaBDE”) vrij van het verhandelingsverbod van artikel 4, lid 1, van richtlijn 2002/95/EG (2) betreffende beperking van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur. Volgens verzoeker heeft de Commissie de voorwaarden van artikel 5, lid 1, van deze richtlijn om een dergelijke vrijstelling te kunnen verlenen, niet in acht genomen en bijgevolg de grenzen van de bevoegdheden die zij aan deze bepaling ontleent, overschreden. Aangezien er wetenschappelijke onzekerheid bestaat over de gevolgen van het gebruik van DecaBDE voor de gezondheid en het milieu, heeft de Commissie bij de beoordeling van het wetenschappelijke bewijsmateriaal een kennelijke fout begaan en het voorzorgsbeginsel geschonden. Door de vrijstelling uit te breiden tot DecaBDE in alle soorten polymeertoepassingen, zonder uitzondering, heeft zij het evenredigheidsbeginsel geschonden. De Commissie heeft haar beslissing om DEcaBDE vrij te stellen niet naar behoren gemotiveerd.


(1)  PB L 271 van 15.10.2005, blz. 48-50.

(2)  PB L 37 van 13.02.2003, blz. 19-23.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/11


Verzoek van het Finanzgericht München van 8 december 2005 om een prejudiciële beslissing in het geding tussen Juers Pharma Import-Export GmbH en Oberfinanzdirektion Nürnberg

(Zaak C-40/06)

(2006/C 86/19)

Procestaal: Duits

Het Finanzgericht München heeft bij beschikking van 8 december 2005, ingekomen ter griffie van het Hof van Justitie op 25 januari 2006, in het geding tussen Juers Pharma Import-Export GmbH en Oberfinanzdirektion Nürnberg, het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen verzocht om een prejudiciële beslissing over de navolgende vraag:

Dient de gecombineerde nomenclatuur (GN), in de versie van bijlage I bij verordening (EG) nr. 1789/2003 van de Commissie [van 11 september 2003 (1)] tot wijziging van bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, aldus te worden uitgelegd dat melatoninecapsules die als voedingssupplementen zijn opgemaakt omdat ze niet als geneesmiddel zijn toegelaten, moeten worden ingedeeld onder post 3004?


(1)  PB L 281, blz. 1.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/12


Beroep, op 27 januari 2006 ingesteld door Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Portugese Republiek

(Zaak C-43/06)

(2006/C 86/20)

Procestaal: Portugees

Bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is op 27 januari 2006 beroep ingesteld tegen Portugese Republiek door Commissie van de Europese Gemeenschappen vertegenwoordigd door H. Støvlbæk en P. Andrade als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg.

De Commissie van de Europese Gemeenschappen concludeert dat het het Hof behage:

vast te stellen dat de Portugese Republiek, door van de rechthebbenden op door andere lidstaten verleende beroepskwalificaties op het gebied van de architectuur te verlangen dat zij voor toelating tot de Portugese Orde van architecten een examen afleggen wanneer zij niet bij de orde van een andere lidstaat waren ingeschreven, de krachtens richtlijn 85/384/EEG op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen (1);

de Portugese Republiek te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De Commissie stelt beroep tegen de Portugese Republiek in, omdat zij richtlijn 85/384 niet volledig is nagekomen.

Hoewel de Portugese Republiek aan de richtlijn heeft voldaan door middel van Decreto-Lei nr. 14/90 van 8 januari, werd bij de bekendmaking van Decreto-Lei nr. 176/98 van 3 juli een stap terug gezet.

Op basis van Decreto-Lei nr. 176/98 verlangt de Portugese Orde van architecten van in andere lidstaten opgeleide architecten die niet bij hun respectieve ordes zijn ingeschreven, dat zij een toelatingsexamen afleggen.

Architecten uit andere lidstaten die niet bij hun respectieve ordes zijn ingeschreven, moeten in Portugal dus een examen op het gebied van de architectuur afleggen, omdat zij daar hun beroep niet kunnen uitoefenen zonder inschrijving bij de Portugese Orde van architecten.

De Commissie is van mening dat deze situatie onwettig is en in strijd met het bepaalde in richtlijn 85/384. De richtlijn maakt geen onderscheid, zoals de Portugese staat doet, tussen een academische titel en een beroepstitel. De erkenning van diploma's in het kader van sectorregelingen is automatisch. Wanneer is voldaan aan de vereisten van de artikelen 3 en 4 van richtlijn 85/384 moet de lidstaat de titel erkennen, en de architect uit de lidstaat van herkomst in staat stellen om zijn beroep onder de titel van architect uit te oefenen.


(1)  Richtlijn 85/384/EEG van de Raad van 10 juni 1985 inzake de onderlinge erkenning van de diploma's, certificaten en andere titels op het gebied van de architectuur, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten (PB L 223, blz. 15).


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/12


Verzoek van het Finanzgericht des Landes Brandenburg van 12 oktober 2005 om een prejudiciële beslissing in het geding tussen Gerlach & Co. mbH en Hauptzollamt Frankfurt (Oder)

(Zaak C-44/06)

(2006/C 86/21)

Procestaal: Duits

Het Finanzgericht des Landes Brandenburg heeft bij beschikking van 12 oktober 2005, ingekomen ter griffie van het Hof van Justitie op 30 januari 2006, in het geding tussen Gerlach & Co. mbH en Hauptzollamt Frankfurt (Oder), het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen verzocht om een prejudiciële beslissing over de navolgende vraag:

Mag een nationale douanedienst vóór de verlening van de in artikel 11 bis, lid 2, van verordening nr. (EEG) 1082/87 (1), zoals gewijzigd bij verordening nr. (EEG) 1429/90 (2), bedoelde termijn waarbinnen de plaats van de overtreding of onregelmatigheid moet worden meegedeeld, overgaan tot boeking van de heffingen en deze termijn pas in de beroepsprocedure rechtsgeldig vaststellen?


(1)  PB L 107, blz. 1.

(2)  PB L 137, blz. 21.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/13


Verzoek van het Tribunale di Livorno van 31 januari 2006 om een prejudiciële beslissing in het geding tussen Alberto Bianchi en De Robert Calzature Srl

(Zaak C-51/06)

(2006/C 86/22)

Procestaal: Italiaans

Het Tribunale di Livorno heeft bij beschikking van 31 januari 2006, ingekomen ter griffie van het Hof van Justitie op 1 februari 2006, in het geding tussen Alberto Bianchi en De Robert Calzature Srl, het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen verzocht om een prejudiciële beslissing over de navolgende vragen:

1)

Moet artikel 19 van richtlijn 653/86 (1) van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten, gelet op de bewoordingen van artikel 17 van de richtlijn, aldus worden uitgelegd dat in een nationale uitvoeringsregeling kan worden bepaald dat de aan de agent verschuldigde vergoeding wordt berekend volgens een, voor de ondertekenaars bindende, collectieve overeenkomst, die de voorwaarden van artikel 17, lid 2, sub a, eerste en tweede streepje, buiten beschouwing laat, en niet wordt berekend volgens de criteria van de richtlijn, maar volgens die van de collectieve overeenkomst, met als gevolg dat de vergoeding in veel gevallen een (veel) geringer bedrag oplevert dan het in de richtlijn voorziene maximumbedrag?

2)

Moet de vergoeding analytisch worden berekend door een schatting van de provisies die de agent in de jaren na de beëindiging van de overeenkomst, gelet op de door hem aangebrachte nieuwe klanten of de door hem gerealiseerde aanzienlijke toename van de transacties, had kunnen behalen, waarbij het criterium van de billijkheid alleen wordt gebruikt om het bedrag te corrigeren; of zijn andere, meer synthetische berekeningswijzen toegestaan, die meer ruimte laten voor de billijkheid?


(1)  PB L 382 van 31.12.1986, blz. 17.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/13


Verzoek van het Finanzgericht Düsseldorf van 31 januari 2006 om een prejudiciële beslissing in het geding tussen Euro Tex Textilverwertung GmbH en Hauptzollamt Duisburg

(Zaak C-56/06)

(2006/C 86/23)

Procestaal: Duits

Het Finanzgericht Düsseldorf heeft bij beschikking van 31 januari 2006, ingekomen ter griffie van het Hof van Justitie op 2 februari 2006, in het geding tussen Euro Tex Textilverwertung GmbH en Hauptzollamt Duisburg, het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen verzocht om een prejudiciële beslissing over de navolgende vraag:

Gaan de in deze beschikking nader omschreven activiteiten van assorteren verder dan eenvoudige verrichtingen zoals assorteren in de zin van artikel 7, lid 1, sub b, van protocol nr. 4 betreffende de definitie van het begrip „producten van oorsprong” en de methoden van administratieve samenwerking, zoals gewijzigd bij besluit nr. 1/97 van de Associatieraad, Associatie tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten enerzijds en de Republiek Polen anderzijds, van 30 juni 1997 (1)?


(1)  PB L 221, blz. 1.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/13


Beroep, op 3 februari 2006 ingesteld door Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Italiaanse Republiek

(Zaak C-61/06)

(2006/C 86/24)

Procestaal: Italiaans

Bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is op 3 februari 2006 beroep ingesteld tegen Italiaanse Republiek door Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door B. Schima en D. Recchia als gemachtigden.

Verzoekster concludeert dat het het Hof behage:

1.

vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door niet vóór 1 juli 2004 het jaarlijkse nationale verslag over de bevordering van biobrandstoffen te hebben ingediend, niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op haar rusten krachtens artikel 4, lid 1, van richtlijn 2003/30/EG (1) van het Europees Parlement en de Raad van 8 mei 2003 ter bevordering van het gebruik van biobrandstoffen of andere hernieuwbare brandstoffen in het vervoer;

2.

de Italiaanse Republiek te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Het in artikel 4, lid 1, van de richtlijn bedoelde verslag had vóór 1 juli 2004 bij de Commissie moeten zijn ingediend. Tot op heden heeft de Commissie geen enkele informatie ontvangen van de Italiaanse autoriteiten.

De Commissie meent bijgevolg dat Italië, bij de huidige stand van zaken, het in artikel 4, lid 1, van de richtlijn bedoelde verslag over bevordering van het gebruik van biobrandstoffen en andere hernieuwbare brandstoffen in het vervoer, niet heeft uitgebracht.


(1)  PB L 123, blz. 42.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/14


Verzoek van het Supremo Tribunal Administrativo van 11 januari 2006 om een prejudiciële beslissing in het geding tussen Fazenda Pública — Director Geral das Alfândegas en Z. F. ZEFESER — Importação de produtos Alimentares Ld

(Zaak C-62/06)

(2006/C 86/25)

Procestaal: Portugees

Het Supremo Tribunal Administrativo heeft bij beschikking van 11 januari 2006, ingekomen ter griffie van het Hof van Justitie op 6 februari 2006, in het geding tussen Fazenda Pública — Director Geral das Alfândegas en Z. F. ZEFESER — Importação de produtos Alimentares Ld, het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen verzocht om een prejudiciële beslissing over de navolgende vragen:

1)

Mogen de douaneautoriteiten bepalen of er sprake is van „een strafrechtelijk vervolgbare handeling” in de zin van artikel 3 van verordening (EEG) nr. 1697/79 (1), en is dat dan voldoende, of is het noodzakelijk dat de bevoegde strafrechter deze kwalificatie verricht?

2)

Is het in dit laatste geval al voldoende dat de bevoegde officier van justitie (in Portugal het Ministério Público) de zaak aanhangig maakt, of is het noodzakelijk dat het betrokken strafproces eindigt met een veroordeling van de verdachte?

3)

Maakt het in dit laatste geval verschil of de verdachte wordt vrijgesproken op grond van het beginsel „in dubio pro reo” of omdat is bewezen dat hij het betrokken delict niet heeft gepleegd?

4)

Wat zijn de gevolgen wanneer het Ministério Público de zaak niet aanhangig maakt omdat er naar zijn oordeel geen aanwijzingen bestaan voor een strafrechtelijk vervolgbare handeling? Belet een dergelijke beslissing, dat de niet-geheven rechten kunnen worden nagevorderd?

5)

Wanneer het Ministério Público of de strafrechter zelf het strafproces wegens verjaring van het vervolgingsrecht beëindigen, brengt deze beslissing dan mee dat de niet-geheven rechten niet meer kunnen worden nagevorderd?


(1)  Verordening (EEG) nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide (PB L 197, blz. 1).


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/14


Verzoek van het Lietuvos Vyriausiasis Administracinis Teismas van 20 december 2005 om een prejudiciële beslissing in het geding tussen UAB Profisa en Lietuvos Respublikos Finansų Ministerija

(Zaak C-63/06)

(2006/C 86/26)

Procestaal: Litouws

Het Lietuvos Vyriausiasis Administracinis Teismas (Litouwen) heeft bij beschikking van 20 december 2005, ingekomen ter griffie van het Hof van Justitie op 3 februari 2006, in het geding tussen UAB Profisa en Lietuvos Respublikos Finansų Ministerija, het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen verzocht om een prejudiciële beslissing over de navolgende vraag:

Moet artikel 27, lid 1, sub f, van richtlijn 92/83/EEG (1) van de Raad van 19 oktober 1992 betreffende de harmonisatie van de structuur van de accijns op alcohol en alcoholhoudende dranken, gelet op de verschillen tussen de diverse taalversies, aldus worden uitgelegd dat de lidstaten vrijstelling van accijns moeten verlenen voor in het douanegebied van de Gemeenschap ingevoerde ethylalcohol die vervat is in chocoladeproducten die bestemd zijn voor rechtstreeks verbruik, wanneer het alcoholgehalte niet meer bedraagt dan 8,5 liter per 100 kilogram chocoladeproducten?


(1)  PB L 316, blz. 21.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/15


Beroep, op 6 februari 2006 ingesteld door de Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen het Koninkrijk België

(Zaak C-65/06)

(2006/C 86/27)

Procestaal: Nederlands

Bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is op 6 februari 2006 beroep ingesteld tegen het Koninkrijk België door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door Ramón Vidal Puig en Wouter Wils als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg.

De Commissie van de Europese Gemeenschappen concludeert dat het Hof behage:

1.

vast te stellen dat het Koninkrijk België, door geen sancties voor de overtreding van Verordening (EG) nr. 261/2004 (1) van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 vast te stellen, de krachtens artikel 16, lid 3, van deze Verordening op hem rustende verplichting niet is nagekomen;

2.

het Koninkrijk België in de kosten te verwijzen.

Middelen en voornaamste argumenten

Artikel 16, lid 3, van Verordening nr. 261/2004 bepaalt: „De door de lidstaten vastgestelde sancties voor overtreding van deze Verordening moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn”. Artikel 19 bepaalt dat deze Verordening op 17 februari 2005 in werking treedt. Volgens de inlichting waarover de Commissie beschikt, heeft België nog geen sancties vastgesteld voor overtreding van de Verordening die doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.


(1)  Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad, van 11 februari 2004, tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 295/91 (PB L 46, blz. 1).


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/15


Beroep, op 7 februari 2006 ingesteld door Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Portugese Republiek

(Zaak C-70/06)

(2006/C 86/28)

Procestaal: Portugees

Bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is op 7 februari 2006 beroep ingesteld tegen Portugese Republiek door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door X. Lewis en A. Caeiros als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg.

De Commissie van de Europese Gemeenschappen concludeert dat het het Hof behage:

1)

vast te stellen dat de Portugese Republiek, door niet de maatregelen te nemen welke nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 14 oktober 2004 in zaak C-275/03, Commissie /Portugese Republiek, betreffende de omzetting van richtlijn 89/665/EEG van de Raad van 21 december 1989 houdende de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen en voor de uitvoering van werken (1), de krachtens artikel 228, lid 1, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;

2)

de Portugese Republiek te gelasten de Commissie op de in artikel 9 van verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 (2) van de Raad bedoelde rekening „eigen middelen” van de Europese Gemeenschap een dwangsom van 21.450 euro te betalen per dag die zij in gebreke blijft met de uitvoering van het arrest in zaak C-275/03, vanaf de dag waarop het arrest in de onderhavige zaak zal zijn gewezen tot de dag waarop het arrest in zaak C-275/03 zal zijn uitgevoerd;

3)

de Portugese Republiek te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Volgens de Commissie voorziet de wet betreffende de niet-contractuele aansprakelijkheid van de staat en de overige overheidsinstanties, die de Portugese regering aan het Portugese Parlement heeft gezonden, niet in de middelen welke nodig ter uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie van 14 oktober 2004 in zaak C-275/03; aangezien haar tot dusver geen andere middelen ter uitvoering van dat arrest zijn medegedeeld, is de Commissie van mening dat de Portugese Republiek de krachtens artikel 228, lid 1, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.


(1)  PB L 395, blz. 33.

(2)  van 22 mei 2000 houdende toepassing van Besluit 94/728/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (PB L 130, blz. 1).


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/16


Beroep, op 8 februari 2005 ingesteld door Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Portugese Republiek

(Zaak C-75/06)

(2006/C 86/29)

Procestaal: Portugees

Bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is op 8 februari 2005 beroep ingesteld tegen Portugese Republiek door Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door C. O'Reilly en P. Costa de Oliveira als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg.

De Commissie van de Europese Gemeenschappen concludeert dat het het Hof behage:

1.

vast te stellen dat de Portugese Republiek, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 2003/9/EG van de Raad van 27 januari 2003 tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten (1), althans door deze bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens richtlijn 2003/9/EG op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;

2.

de Portugese Republiek te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De termijn voor omzetting van richtlijn 2003/9 in nationaal recht is op 6 februari 2005 verstreken.


(1)  PB L 31, blz. 18.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/16


Beroep, op 10 februari 2006 ingesteld door Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Franse Republiek

(Zaak C-79/06)

(2006/C 86/30)

Procestaal: Frans

Bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is op 10 februari 2006 beroep ingesteld tegen Franse Republiek door Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Heller als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg.

De Commissie van de Europese Gemeenschappen concludeert dat het het Hof behage:

1.

vast te stellen dat de Franse Republiek, door niet de maatregelen te nemen die nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 27 november 2003 in zaak C-429/01 (1), betreffende de onjuiste en onvolledige uitvoering van richtlijn 90/219/EEG (2), de krachtens artikel 228, lid 1, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;

2.

de Franse Republiek te veroordelen tot betaling aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen, op de rekening „Eigen middelen van de Europese Gemeenschap”, van een dwangsom van 168 800 EUR per dag vertraging bij de uitvoering van het arrest in zaak C-429/01, vanaf de dag waarop het arrest in de onderhavige zaak wordt gewezen tot en met de dag waarop het arrest in zaak C-429/01 zal zijn uitgevoerd;

3.

de Franse Republiek te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De Franse Republiek had onmiddellijk na het arrest van het Hof de passende wetgevingsprocedure moeten aanvatten en de wijzigingen moeten aanbrengen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 90/219/EEG.

De nodige wettelijke en bestuursrechtelijke wijzigingen zijn evenwel nog altijd niet aangebracht, 14 jaar, namelijk tien respectievelijk zeven jaar, na het verstrijken van de termijn voor uitvoering van de richtlijn en meer dan twee jaar na het arrest van het Hof waarbij de niet-nakoming is vastgesteld.


(1)  Jurispr. blz. I-14355.

(2)  Richtlijn 90/219/EEG van de Raad van 23 april 1990 inzake het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen (GGMO's) (PB L 117, blz. 1).


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/17


Beroep, op 8 februari 2006 ingesteld door Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Italiaanse Republiek

(Zaak C-81/06)

(2006/C 86/31)

Procestaal: Italiaans

Bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is op 8 februari 2006 beroep ingesteld tegen Italiaanse Republiek door Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door F. Simonetti en D. Recchia als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg.

De Commissie van de Europese Gemeenschappen concludeert dat het het Hof behage:

1.

vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's (1), althans door deze bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens artikel 13, lid 1, van deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;

2.

de Italiaanse Republiek te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De termijn voor omzetting van de richtlijn in nationaal recht is op 21 juli 2004 verstreken.


(1)  PB L 197 van 21.7.2001, blz. 30.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/17


Beroep, op 8 februari 2006 ingesteld door Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Italiaanse Republiek

(Zaak C-82/06)

(2006/C 86/32)

Procestaal: Italiaans

Bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is op 8 februari 2006 beroep ingesteld tegen Italiaanse Republiek door Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door D. Recchia en M. Konstantinidis als gemachtigden.

De Commissie van de Europese Gemeenschappen concludeert dat het het Hof behage:

1.

vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door niet te hebben opgesteld, althans niet aan de Commissie te hebben meegedeeld,

een plan voor het beheer van afvalstoffen, overeenkomstig artikel 7, lid 1, van richtlijn 75/442/EEG (1), zoals gewijzigd, voor de provincie Rimini,

een plan voor het beheer van afvalstoffen met daarin de locaties of installaties die geschikt zijn voor de verwijdering van (gevaarlijke) afvalstoffen, overeenkomstig artikel 7, lid 1, vierde streepje, van richtlijn 75/442/EEG, zoals gewijzigd, voor de regio Lazio,

een plan voor het beheer van afvalstoffen, overeenkomstig artikel 6 van richtlijn 91/689/EEG (2), voor de regio's Friuli Venezia-Giulia en Puglia en voor de autonome provincie Bolzano Alto-Adige alsmede voor de provincie Rimini,

niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op haar rusten krachtens artikel 7, lid 1, van richtlijn 75/442/EEG betreffende afvalstoffen, zoals gewijzigd, en artikel 6 van richtlijn 91/689/EEG betreffende gevaarlijke afvalstoffen;

2.

de Italiaanse Republiek te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ingevolge de artikelen 7 en 6 van, respectievelijk, de afvalstoffenrichtlijn, zoals gewijzigd, en de gevaarlijkeafvalstoffenrichtlijn dienen de lidstaten plannen voor het beheer van afvalstoffen op te stellen en deze aan de Commissie mee te delen.

In Italië zijn nog niet alle plannen voor het beheer van afvalstoffen opgesteld en meegedeeld. Tot op heden heeft de Commissie nog niet de kennisgevingen van alle plannen in de zin van de beide bovengenoemde richtlijnen ontvangen.


(1)  PB L 194, blz. 39.

(2)  PB L 377, blz. 20.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/18


Beroep, op 9 februari 2006 ingesteld door Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Italiaanse Republiek

(Zaak C-83/06)

(2006/C 86/33)

Procestaal: Italiaans

Bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is op 9 februari 2006 beroep ingesteld tegen Italiaanse Republiek door Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door C. Cattabriga als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg.

De Commissie van de Europese Gemeenschappen concludeert dat het het Hof behage:

1.

vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 2004/103/EG (1) van de Commissie van 7 oktober 2004 betreffende de controles van de identiteit en de fytosanitaire controles van in deel B van bijlage V bij richtlijn 2000/29/EG (2) van de Raad opgenomen planten, plantaardige producten en andere materialen, die kunnen worden uitgevoerd op een andere plaats dan de plaats van binnenkomst in de Gemeenschap of op een dichtbijgelegen plaats en tot vaststelling van de eisen met betrekking tot deze controles, althans door deze bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens artikel 8, lid 1, van deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;

2.

de Italiaanse Republiek te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De termijn voor omzetting van de richtlijn in nationaal recht is op 31 december 2004 verstreken.


(1)  PB L 313 van 12.10.2004, blz. 16.

(2)  PB L 169 van 12.07.2000, blz. 1.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/18


Beroep, op 14 februari 2006 ingesteld door Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Portugese Republiek

(Zaak C-89/06)

(2006/C 86/34)

Procestaal: Portugees

Bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is op 14 februari 2006 beroep ingesteld tegen Portugese Republiek door Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A. Caeiros en B. Schima als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg.

De Commissie van de Europese Gemeenschappen concludeert dat het het Hof behage:

vast te stellen dat de Portugese Republiek, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 2003/30/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 mei 2003 ter bevordering van het gebruik van biobrandstoffen of andere hernieuwbare brandstoffen in het vervoer (1), de krachtens artikel 7, lid 1, van deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;

subsidiair vast te stellen dat de Portugese Republiek, door deze bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens artikel 7, lid 1, van genoemde richtlijn 2003/30/EG op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;

de Portugese Republiek te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De termijn voor omzetting van richtlijn 2003/30 in nationaal recht is op 31 december 2004 verstreken.


(1)  PB L 123, blz. 42.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/19


Beroep, op 14 februari 2006 ingesteld door Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Portugese Republiek

(Zaak C-90/06)

(2006/C 86/35)

Procestaal: Portugees

Bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is op 14 februari 2006 beroep ingesteld tegen Portugese Republiek door Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A. Caeiros en A. Alcover als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg.

De Commissie van de Europese Gemeenschappen concludeert dat het het Hof behage:

vast te stellen dat de Portugese Republiek, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2002 inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai (1), de krachtens artikel 14, lid 1, van deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;

subsidiair vast te stellen dat de Portugese Republiek, door deze bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens artikel 14, lid 1, van genoemde richtlijn 2002/49/EG op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;

de Portugese Republiek te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De termijn voor omzetting van richtlijn 2002/49 in nationaal recht is op 18 juli 2004 verstreken.


(1)  PB L 189, blz. 12.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/19


Beroep, op 14 februari 2006 ingesteld door Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Republiek Oostenrijk

(Zaak C-93/06)

(2006/C 86/36)

Procestaal: Duits

Bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is op 14 februari 2006 beroep ingesteld tegen Republiek Oostenrijk door Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Amparo Alcover San Pedro en B. Schima als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg.

De Commissie van de Europese Gemeenschappen concludeert dat het het Hof behage:

1.

vast te stellen dat de Republiek Oostenrijk, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan artikel 2, lid 1, van richtlijn 2003/73/EG van de Commissie van 24 juli 2003 tot wijziging van bijlage III bij Richtlijn 1999/94/EG (1), althans door deze bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens dit artikel op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;

2.

de Republiek Oostenrijk te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De termijn voor omzetting van de richtlijn in nationaal recht is op 25 juli 2004 verstreken.


(1)  PB L 186, blz. 34.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/19


Beroep, op 14 februari 2006 ingesteld door Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Republiek Oostenrijk

(Zaak C-94/06)

(2006/C 86/37)

Procestaal: Duits

Bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is op 14 februari 2006 beroep ingesteld tegen Republiek Oostenrijk door Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Amparo Alcover San Pedro en B. Schima als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg.

De Commissie van de Europese Gemeenschappen concludeert dat het het Hof behage:

1.

vast te stellen dat de Republiek Oostenrijk, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan artikel 14, lid 1, van richtlijn 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2002 inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai (1), althans door deze bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;

2.

de Republiek Oostenrijk te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De termijn voor omzetting van de richtlijn in nationaal recht is op 18 juli 2004 verstreken.


(1)  PB L 189, blz. 12.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/20


Verzoek van Högsta domstolen van 8 februari 2006 om een prejudiciële beslissing in het geding tussen Freeport PLC en Ole Arnoldsson

(Zaak C-98/06)

(2006/C 86/38)

Procestaal: Zweeds

Högsta domstolen heeft bij beschikking van 8 februari 2006, ingekomen ter griffie van het Hof van Justitie op 20 februari 2006, in het geding tussen Freeport PLC en Ole Arnoldsson, het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen verzocht om een prejudiciële beslissing over de navolgende vragen:

„1.

Is een vordering die is gebaseerd op een gestelde verplichting tot betaling van een naamloze vennootschap uit hoofde van een verbintenis, voor de toepassing van artikel 6, lid 1, van de Brussel I-verordening te beschouwen als een vordering ten aanzien van een verbintenis uit overeenkomst, zelfs indien de persoon die de verbintenis is aangegaan op dat moment noch de wettige vertegenwoordiger, noch de gevolmachtigde van die vennootschap was?

2.

Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: Geldt als voorwaarde voor de rechterlijke bevoegdheid in de zin van artikel 6, lid 1, behalve de in dat artikel uitdrukkelijk genoemde voorwaarden, dat een vordering tegen een verweerder die woonplaats heeft in de Staat van het gerecht, niet enkel wordt ingesteld om een vordering tegen een andere verweerder voor een ander gerecht te brengen dan anders bevoegd zou zijn geweest?

3.

Indien de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord: Dient de kans op toewijzing van de vordering tegen een verweerder die woonachtig is in de Staat van het gerecht, anderszins te worden meegewogen bij de beoordeling of er sprake is van een risico van onverenigbare beslissingen als bedoeld in artikel 6, lid 1?”


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/20


Beroep, op 21 februari 2006 ingesteld door Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Groothertogdom Luxemburg

(Zaak C-100/06)

(2006/C 86/39)

Procestaal: Frans

Bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is op 21 februari 2006 beroep ingesteld tegen Groothertogdom Luxemburg door Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door B. Schima en J. Hottiaux als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg.

De Commissie van de Europese Gemeenschappen concludeert dat het het Hof behage:

1.

vast te stellen dat het Groothertogdom Luxemburg, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 2003/66/EG van de Commissie van 3 juli 2003 tot wijziging van richtlijn 94/2/EG houdende uitvoeringsbepalingen van richtlijn 92/75/EEG van de Raad wat de etikettering van het energieverbruik van huishoudelijke elektrische koelkasten, diepvriezers en combinaties daarvan betreft (1), althans door deze bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen;

2.

het Groothertogdom Luxemburg te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De termijn voor omzetting van richtlijn 2003/66/EG in nationaal recht is op 30 juni 2004 verstreken.


(1)  PB L 170, blz. 10.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/21


Beroep, op 21 februari 2006 ingesteld door Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Franse Republiek

(Zaak C-101/06)

(2006/C 86/40)

Procestaal: Frans

Bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is op 21 februari 2006 beroep ingesteld tegen Franse Republiek door Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door B. Stromsky als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg.

De Commissie van de Europese Gemeenschappen concludeert dat het het Hof behage:

1.

vast te stellen dat de Franse Republiek, door niet alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 2001/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 april 2001 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de toepassing van goede klinische praktijken bij de uitvoering van klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik (1) de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;

2.

vast te stellen dat de Franse Republiek in ieder geval, door niet aan de Commissie de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen mede te delen, die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 2001/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 april 2001 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de toepassing van goede klinische praktijken bij de uitvoering van klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik, de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;

3.

de Franse Republiek te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De termijn voor omzetting van richtlijn 2001/20/EG in nationaal recht is op 30 april 2003 verstreken.


(1)  PB L 121, blz. 34.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/21


Beroep, op 22 februari 2006 ingesteld door Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Groothertogdom Luxemburg

(Zaak C-105/06)

(2006/C 86/41)

Procestaal: Frans

Bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is op 22 februari 2006 beroep ingesteld tegen Groothertogdom Luxemburg door Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door B. Schima en J. Hottiaux als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg.

De Commissie van de Europese Gemeenschappen concludeert dat het het Hof behage:

1.

vast te stellen dat het Groothertogdom Luxemburg, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 2003/30/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 mei 2003 ter bevordering van het gebruik van biobrandstoffen of andere hernieuwbare brandstoffen in het vervoer (1), althans door deze bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen;

2.

het Groothertogdom Luxemburg te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De termijn voor omzetting van richtlijn 2003/30/EG in nationaal recht is op 31 december 2004 verstreken.


(1)  PB L 123, blz. 42.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/21


Beroep, op 22 februari 2006 ingesteld door Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Groothertogdom Luxemburg

(Zaak C-106/06)

(2006/C 86/42)

Procestaal: Frans

Bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is op 22 februari 2006 beroep ingesteld tegen Groothertogdom Luxemburg door Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door B. Schima en J. Hottiaux als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg.

De Commissie van de Europese Gemeenschappen concludeert dat het het Hof behage:

1.

vast te stellen dat het Groothertogdom Luxemburg, door niet het nationale rapport betreffende de bevordering van het gebruik van biobrandstoffen in te dienen, de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 4, lid 1, van richtlijn 2003/30/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 mei 2003 ter bevordering van het gebruik van biobrandstoffen of andere hernieuwbare brandstoffen in het vervoer (1);

2.

het Groothertogdom Luxemburg te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Het Groothertogdom Luxemburg heeft nog steeds niet het eerste rapport betreffende de bevordering van het gebruik van biobrandstoffen of andere hernieuwbare brandstoffen in het vervoer aan de Commissie doen toekomen, hetgeen voor 1 juli 2004 diende te gebeuren.


(1)  PB L 123 blz. 43.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/22


Beroep, op 22 februari 2006 ingesteld door Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Helleense Republiek

(Zaak C-107/06)

(2006/C 86/43)

Procestaal: Grieks

Bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is op 22 februari 2006 beroep ingesteld tegen Helleense Republiek door Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R. Lyal en D. Triantafyllou als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg.

De Commissie van de Europese Gemeenschappen concludeert dat het het Hof behage:

vast te stellen dat de Helleense Republiek, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 2003/123/EG van de Raad van 22 december 2003 tot wijziging van richtlijn 90/435/EEG betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten (1), althans door deze bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens artikel 2 van deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;

de Helleense Republiek te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De termijn voor omzetting van de richtlijn in nationaal recht is op 1 januari 2005 verstreken.


(1)  PB L 7 van 13.1.2004, blz. 41.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/22


Beroep, op 23 februari 2006 ingesteld door Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Koninkrijk België

(Zaak C-110/06)

(2006/C 86/44)

Procestaal: Frans

Bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is op 23 februari 2006 beroep ingesteld tegen Koninkrijk België door Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door U. Wölker en F. Simonetti als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg.

De Commissie van de Europese Gemeenschappen concludeert dat het het Hof behage:

1.

vast te stellen dat het Koninkrijk België, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van richtlijn 90/313/EEG van de Raad (1), de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen;

2.

het Koninkrijk België te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De termijn voor omzetting van richtlijn 2003/4/EG in nationaal recht is op 14 februari 2005 verstreken.


(1)  PB L 41, blz. 26.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/23


Beroep, op 27 februari 2006 ingesteld door Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Groothertogdom Luxemburg

(Zaak C-113/06)

(2006/C 86/45)

Procestaal: Frans

Bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is op 27 februari 2006 beroep ingesteld tegen Groothertogdom Luxemburg door Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Hottiaux en F. Simonetti als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg.

De Commissie van de Europese Gemeenschappen concludeert dat het het Hof behage:

1.

vast te stellen dat het Groothertogdom Luxemburg, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 2004/57/EG van de Commissie van 23 april 2004 betreffende het identificeren van pyrotechnische voorwerpen en bepaalde munitie voor de doeleinden van richtlijn 93/15/EEG van de Raad betreffende de harmonisatie van de bepalingen inzake het in de handel brengen van en de controle op explosieven voor civiel gebruik (1), de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen;

2.

het Groothertogdom Luxemburg te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De termijn voor omzetting van richtlijn 2004/57/EG in nationaal recht is op 31 december 2004 verstreken.


(1)  PB L 127, blz. 73.


GERECHT VAN EERSTE AANLEG

8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/24


Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 7 februari 2006 — Alecansan tegen BHIM

(Zaak T-202/03) (1)

(„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag tot inschrijving van beeldmerk COMP USA als gemeenschapsmerk - Ouder nationaal beeldmerk COMP USA - Geen soortgelijke waren en diensten - Afwijzing van oppositie - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 40/94”)

(2006/C 86/46)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekster: Alecansan, SL (Madrid, Spanje) (vertegenwoordigers: M. Baylos Morales, P. Merino Baylos, J. Arribas García, A. Velázquez Ibáñez en A. Angulo Lafora, advocaten)

Verweerder: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordigers: D. Botis en A. Folliard-Monguiral als gemachtigden)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep, interveniërend voor het Gerecht: CompUSA Management Co. (Dallas, Verenigde Staten) (vertegenwoordiger: P. Brownlow, solicitor)

Voorwerp van de zaak

Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 24 maart 2003 (zaak R 711/2002-1) inzake een oppositieprocedure tussen Alecansan, SL en CompUSA Management Co.

Dictum van het arrest

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Verzoekster wordt verwezen in haar eigen kosten alsmede in die van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen).

3)

Interveniënte zal haar eigen kosten dragen.


(1)  PB C 184 van 2.8.2003.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/24


Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 31 januari 2006 — Albrecht e.a. tegen Commissie

(Zaak T-251/03) (1)

(Veterinairrechtelijke voorschriften - Diergeneesmiddelen - Producten die benzathine-benzylpenicilline bevatten - Beschikking van de Commissie houdende schorsing van vergunningen om op de markt te brengen - Bevoegdheid)

(2006/C 86/47)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoeksters: Albert Albrecht GmbH & Co. KG (Aulendorf, Duitsland), AniMedica GmbH (Seden-Bösensell, Duitsland), Ceva Tiergensundheit GmbH (Düsseldorf, Duitsland), Fatro SpA (Bologna, Italië), Laboratorios Syva, SA (León, Spanje), Laboratorios Virbac, SA, (Barcelona, Spanje), Química Farmacéutica Bayer, SA (Barcelona, Spanje), Univete Técnica Pecuaria Comercio Industria, Lda (Lissabon, Portugal), Vétoquinol Especialidades Veterinarias, SA (Madrid, Spanje) en Virbac SA (Carros, Frankrijk) [vertegenwoordigers: D. Waelbroeck, U. Zinsmeister en N. Rampal, advocaten]

Verweerster: Commissie van de Europese Gemeenschappen [gemachtigden: H. Støvlbaek en M. Shotter]

Interveniënte aan de zijde van verzoeksters: Franse Republiek [gemachtigden: G. de Bergues en R. Loosli Surrans]

Voorwerp van de zaak

Verzoek om nietigverklaring van beschikking C (2003) 1404 van de Commissie van 22 april 2003 betreffende de schorsing van de vergunningen voor het in de handel brengen van diergeneesmiddelen die de stof benzathine-benzylpenicilline bevatten en die bestemd zijn om intramusculair en/of onderhuids te worden toegediend aan voedselproducerende dieren.

Dictum van het arrest

1)

Beschikking C (2003) 1404 van de Commissie van 22 april 2003 betreffende de schorsing van de vergunningen voor het in de handel brengen van diergeneesmiddelen die de stof benzathine-benzylpenicilline bevatten en die bestemd zijn om intramusculair en/of onderhuids te worden toegediend aan voedselproducerende dieren, wordt nietigverklaard.

2)

De Commissie zal haar eigen kosten en de door verzoeksters gemaakte kosten dragen.

3)

De Franse Republiek zal haar eigen kosten dragen.


(1)  PB C 239 van 4.10.2003.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/25


Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 31 januari 2006 — Merck Sharp & Dohme e.a. tegen Commissie

(Zaak T-273/03) (1)

(„Geneesmiddelen voor menselijk gebruik - Vergunning voor in handel brengen van geneesmiddelen die stof enalapril bevatten - Beschikking van Commissie waarbij wijziging van samenvatting van productkenmerken wordt gelast - Bevoegdheid”)

(2006/C 86/48)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoeksters: Merck Sharp & Dohme Ltd (Hoddesdon, Verenigd Koninkrijk), Merck Sharp & Dohme BV (Haarlem, Nederland), Laboratoires Merck Sharp & Dohme-Chibret (Parijs, Frankrijk), MSD Sharp & Dohme GmbH (Haar, Duitsland), Merck Sharp & Dohme (Italia) Spa (Rome, Italië), Merck Sharp & Dohme, Lda (Paço de Arcos, Portugal), Merck Sharp & Dohme de España, SA (Madrid, Spanje), Merck Sharp & Dohme GmbH (Wenen, Oostenrijk) en Vianex SA (Nea Erythrea, Griekenland) (vertegenwoordigers: G. Berrisch en P. Bogaert, advocaten)

Verweerster: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: L. Flynn en B. Stromsky, gemachtigden)

Voorwerp van de zaak

Verzoek tot nietigverklaring van beschikking C (2003) 1752 van de Commissie van 21 mei 2003 betreffende het in de handel brengen van geneesmiddelen voor menselijk gebruik die de stof enalapril bevatten

Dictum van het arrest

1)

Beschikking C (2003) 1752 van de Commissie van 21 mei 2003 betreffende het in de handel brengen van geneesmiddelen voor menselijk gebruik die de stof enalapril bevatten, wordt nietig verklaard.

2)

De Commissie wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 251 van 18.10.2003.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/25


Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 31 januari 2006 — Giulietti tegen Commissie

(Zaak T-293/03) (1)

(„Ambtenaren - Algemeen vergelijkend onderzoek - Uitsluiting van vergelijkend onderzoek - Onwettigheid van aankondiging van vergelijkend onderzoek - Niet-ontvankelijkheid - Beroepservaring - Voltijdse activiteit”)

(2006/C 86/49)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekster: Carla Giulietti (Brussel, België) (vertegenwoordigers: P.-P. Van Gehuchten, J. Sambon en P. Reyniers, advocaten)

Verweerster: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: G. Berscheid en C. Berardis-Kayser als gemachtigden)

Voorwerp van de zaak

Verzoek om nietigverklaring van: 1) het bij brief van 16 oktober 2002 medegedeelde besluit van de jury van vergelijkend onderzoek COM/A/6/01 om verzoekster wegens gebrek aan beroepservaring van het onderzoek uit te sluiten; 2) het bij brief van 21 november 2002 medegedeelde bevestigende besluit van de jury op verzoeksters verzoek om heronderzoek, en 3) het uitdrukkelijke besluit van 11 juni 2003, waarbij de klacht is afgewezen

Dictum van het arrest

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Partijen dragen hun eigen kosten.


(1)  PB C 251 van 18.10.2003.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/26


Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 1 februari 2006 — Rodrigues Carvalhais tegen BHIM

(Zaak T-206/04) (1)

(„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Beeldmerk dat woordelement „PERFIX” bevat - Ouder communautair beeldmerk dat woordelement „cerfix” bevat - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 40/94”)

(2006/C 86/50)

Procestaal: Portugees

Partijen

Verzoeker: Fernando Rodrigues Carvalhais (Almada, Portugal) (vertegenwoordigers: aanvankelijk P. Graça vervolgens J. Lopes, advocaten)

Verweerder: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: J. Novais Gonçales als gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep, interveniërend voor het Gerecht: Profilpas Snc (Cadoneghe, Italië) (vertegenwoordigers: aanvankelijk J. L. Revenga Santos vervolgens J. M. Monravá, advocaten)

Voorwerp van de zaak

Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 18 maart 2004 (zaak R 408/2003-1) inzake een oppositieprocedure tussen Fernando Rodrigues Carvalhais en Profilpas Snc

Dictum van het arrest

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Verzoeker wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 217 van 28.8.2004.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/26


Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 1 februari 2006 — Elisabetta Dami tegen BHIM

(Gevoegde zaken T-466/04 en T-467/04) (1)

(Gemeenschapsmerk - Woordmerk GERONIMO STILTON - Oppositie - Schorsing van procedure - Beperking van opgave van door aangevraagd merk aangeduide waren - Intrekking van oppositie)

(2006/C 86/51)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekster: Elisabetta Dami (Milaan, Italië) (vertegenwoordigers: P. Beduschi en S. Giudici, advocaten)

Verweerder: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: A. Folliard-Monguiral, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: The Stilton Cheese Makers Association (Surbiton, Surrey, Verenigd Koninkrijk)

Voorwerp van de zaak

Twee beroepen tegen de beslissingen van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 20 september 2004 (zaken R 973/2002–2 en R 982/2002–2) inzake een oppositieprocedure tussen Elisabetta Dami en The Stilton Cheese Makers Association

Dictum van het arrest

1)

De beslissingen van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) van 20 september 2004 (zaken R 973/2002-2 en R 982/2002-2) worden vernietigd.

2)

Het BHIM wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 69 van 19.3.2005.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/27


Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 14 februari 2006 — TEA-CEGOS e.a. tegen Commissie

(Gevoegde zaken T-376/05 en T-383/05) (1)

(„Overheidsopdrachten - Communautaire aanbestedingsprocedure - Kortetermijnaanwerving van deskundigen voor technische bijstand aan derde landen die buitenlandse hulp van Commissie ontvangen - Afwijzing van offertes”)

(2006/C 86/52)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoeksters: TEA-CEGOS, SA. (Madrid, Spanje) en Services techniques globaux (STG) SA (Brussel, België) in zaak T-367/05 [vertegenwoordigers: G. Vandersanden en L. Levi, advocaten] en GHK Consulting Ltd (Londen, Verenigd Koninkrijk) in zaak T-383/05 [vertegenwoordigers: M. Dittmer en J.-E. Svensson, advocaten]

Verweerster: Commissie van de Europese Gemeenschappen [vertegenwoordigers: M. Wilderspin en G. Boudot, gemachtigden]

Voorwerp van de zaak

Verzoek om nietigverklaring enerzijds van de beschikkingen van de Commissie van 12 oktober 2005 houdende afwijzing van de offertes van verzoeksters in het kader van aanbesteding „EuropeAid/119860/C/SV/Onderdeel nr. 7” en anderzijds van alle door de Commissie na de beschikkingen van 12 oktober 2005 in het kader van deze aanbesteding genomen besluiten

Dictum van het arrest

1)

De beroepen worden verworpen.

2)

Verzoeksters worden verwezen in de kosten met inbegrip van de kosten van de procedure in kort geding.


(1)  PB C 315 van 10.12.2005.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/27


Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 13 oktober 2005 — Fintecna tegen Commissie

(Zaak T-249/02) (1)

(„Europees Sociaal Fonds - Verlaging van financiële bijstand - Beroep tot nietigverklaring - Voor beroep vatbare handeling - Voorbereidende handeling - Niet-ontvankelijkheid”)

(2006/C 86/53)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekster: Fintecna — Finanziaria per i settori industriale e dei servizi Spa (Rome, Italië) [vertegenwoordigers: G. Roberti, A. Franchi en R. De Lisa, advocaten]

Verweerster: Commissie van de Europese Gemeenschappen [vertegenwoordigers: aanvankelijk L. Flynn en A. Aresu, vervolgens E. de March en L. Flynn, gemachtigden, bijgestaan door A. Dal Ferro, advocaat]

Voorwerp van de zaak

Verzoek om nietigverklaring van de brief van de Commissie van 31 maart 2000 betreffende verschillende financiële bijdragen uit het Europees Sociaal Fonds (ESF), verleend aan verschillende operationele programma's onder het communautaire bestek voor bijstandsverlening in het kader van doelstellingen 1, 3 en 4 in Italië (Midden- en Noord-Italië en Mezzogiorno)

Dictum van de beschikking

1)

Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.

2)

Verzoekster draagt haar eigen kosten en die van verweerster.


(1)  PB C 233 van 28.9.2002.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/27


Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 31 januari 2006 — Schneider Electric tegen Commissie

(Zaak T-48/03) (1)

(„Mededinging - Concentraties - Hervatting van controleprocedure na nietigverklaring door Gerecht van beschikking houdende verbod van concentratie - Opening van grondig onderzoeksstadium - Afzien van concentratie - Afsluiting van controleprocedure - Beroep tot nietigverklaring - Bezwarende handelingen - Procesbelang - Niet-ontvankelijkheid”)

(2006/C 86/54)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekster: Schneider Electric SA (Rueil-Malmaison, Frankrijk) [vertegenwoordigers: aanvankelijk A Winckler, M. Pittie en É de la Serre, vervolgens M. Pittie en A Winckler, advocaten)

Verweerster: Commissie van de Europese Gemeenschappen [vertegenwoordigers: aanvankelijk P. Oliver en F. Lelièvre, vervolgens P. Oliver en O. Beynet, gemachtigden]

Voorwerp van de zaak

Verzoek om nietigverklaring enerzijds van de beschikking van de Commissie van 4 december 2002 houdende opening van het grondig stadium van onderzoek van de concentratie tussen Schneider en Legrand (zaak COMP/M.2283 Schneider/Legrand II) en anderzijds van de beschikking van de Commissie van 13 december 2002 tot sluiting van de procedure van controle van deze verrichting

Dictum van het arrest

1)

Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.

2)

Verzoekster zal haar eigen kosten dragen met inbegrip van de door de Commissie gemaakte kosten.


(1)  PB C 101 van 26.4.2003.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/28


Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 27 januari 2006 — Van Mannekus tegen Raad

(Zaak T-278/03) (1)

(„Dumping - Invoer van magnesiumoxide uit China - Wijziging van eerder vastgestelde antidumpingmaatregelen - Beroep tot nietigverklaring - Exceptie van niet-ontvankelijkheid”)

(2006/C 86/55)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekster: Van Mannekus & Co. BV (Schiedam, Nederland) (vertegenwoordiger: H. Bleier, advocaat)

Verweerder: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: S. Marquardt, gemachtigde, bijgestaan door G. Berrisch, advocaat)

Interveniënte aan de zijde van verweerder: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: T. Scharf en K. Talaber Ricz, gemachtigden)

Voorwerp van de zaak

Verzoek tot nietigverklaring van verordening (EG) nr. 985/2003 van de Raad van 5 juni 2003 tot wijziging van de antidumpingmaatregelen die bij verordening (EG) nr. 1334/1999 zijn vastgesteld ten aanzien van magnesiumoxide uit de Volksrepubliek China (PB L 143, blz. 1)

Dictum van de beschikking

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Verzoekster zal haar eigen kosten dragen alsmede die van de Raad.

3)

De Commissie zal haar eigen kosten dragen.


(1)  PB C 264 van 1.11.2003.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/28


Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 27 januari 2006 — Van Mannekus tegen Raad

(Zaak T-280/03) (1)

(„Dumping - Invoer van doodgebrand (gesinterd) magnesiet uit China - Wijziging van eerder vastgestelde antidumpingmaatregelen - Beroep tot nietigverklaring - Exceptie van niet-ontvankelijkheid”)

(2006/C 86/56)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekster: Van Mannekus & Co. BV (Schiedam, Nederland) (vertegenwoordiger: H. Bleier, advocaat)

Verweerder: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: S. Marquardt, gemachtigde, bijgestaan door G. Berrisch, advocaat)

Interveniënte aan de zijde van verweerder: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: T. Scharf en K. Talaber Ricz, gemachtigden)

Voorwerp van de zaak

Verzoek tot nietigverklaring van verordening (EG) nr. 986/2003 van de Raad van 5 juni 2003 tot wijziging van de antidumpingmaatregelen die bij verordening (EG) nr. 360/2000 zijn vastgesteld ten aanzien van doodgebrand (gesinterd) magnesiet uit de Volksrepubliek China (PB L 143, blz.5)

Dictum van de beschikking

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Verzoekster zal haar eigen kosten dragen alsmede die van de Raad.

3)

De Commissie zal haar eigen kosten dragen.


(1)  PB C 251 van 18.10.2003.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/29


Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 13 januari 2006 — Komninou e.a. tegen Commissie

(Zaak T-42/04) (1)

(„Beroep tot schadevergoeding - Niet-contractuele aansprakelijkheid - Ad acta leggen van klacht betreffende gedraging van lidstaat die tot inleiding van niet-nakomingsprocedure kan leiden - Behandeling van klacht door Commissie - Beginsel van behoorlijk bestuur”)

(2006/C 86/57)

Procestaal: Grieks

Partijen

Verzoekers: Ermioni Komninou, Grigorios Ntokos, Donatos Pappas, Vassileios Pappas, Aristeidis Pappas, Eleftheria Pappa, Lamprini Pappa, Eirini Pappa, Alexandra Ntokou, Leonidas Grepis, Nikolaos Grepis, Fotios Dimitriou, Zois Dimitriou, Petros Bolossis, Despina Bolossi, Konstantinos Bolossis en Thomas Bolossis (Parga, Griekenland) (vertegenwoordiger: P. Stroumpos, advocaat)

Verweerster: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordiger: M. Konstantinidis, gemachtigde)

Voorwerp van de zaak

Verzoek tot vergoeding van de morele schade die verzoekers zouden hebben geleden ten gevolge van de wijze waarop de Commissie hun klacht betreffende de gestelde niet-nakoming van het communautaire milieurecht door de Helleense Republiek heeft behandeld

Dictum van de beschikking

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Verzoekers zullen hun eigen kosten en die van de Commissie dragen.


(1)  PB C 85 van 3.4.2004.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/29


Beschikking van de president van het Gerecht van eerste aanleg van 10 januari 2006 — ArchiMEDES tegen Commissie

(Zaak T-396/05 R)

(„Kort geding - Verzoek om voorlopige maatregelen - Arbitragebeding - Ontvankelijkheid - Spoedeisendheid - Geen”)

(2006/C 86/58)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekster: Architecture, microclimat, énergies douces — Europe et Sud (ArchiMEDES) SARL (Ganges, Frankrijk) (vertegenwoordigers: P.-P. van Gehuchten, J. Sambon en P. Reyniers, advocaten)

Verweerster: Commissie van de Europese Gemeenschappen (gemachtigden: K. Kańska en E. Manhaeve)

Voorwerp van de zaak

Verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van, in de eerste plaats, de beweerdelijk in de brief van 5 oktober 2005 vervatte beschikking van de Commissie, verzoekster compensatie tegen te werpen, in de tweede plaats, de beweerdelijk in de brief van 30 augustus 2005 vervatte beschikking van de Commissie en, in de derde plaats, debitnota nr. 3240705638 van 23 augustus 2005.

Dictum van de beschikking

1)

Het verzoek in kort geding wordt afgewezen.

2)

De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/29


Beschikking van de president van het Gerecht van eerste aanleg van 10 januari 2006 — ArchiMEDES tegen Commissie

(Zaak T-397/05 R)

(„Kort geding - Verzoek om voorlopige maatregelen - Arbitragebeding - Spoedeisendheid - Geen”)

(2006/C 86/59)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekster: ArchiMEDES (Ganges, Frankrijk) (vertegenwoordigers: P.-P. Van Gehuchten, J. Sambon en P. Reyniers, advocaten)

Verweerster: Commissie (gemachtigden: K. Kańska en E. Manhaeve)

Voorwerp van de zaak

Verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van, in de eerste plaats, de beweerdelijk in de brief van 5 oktober 2005 vervatte beschikking van de Commissie, verzoekster compensatie tegen te werpen, in de tweede plaats, de beweerdelijk in de brief van 30 augustus 2005 vervatte beschikking van de Commissie en, in de derde plaats, debitnota nr. 3240705638 van 23 augustus 2005.

Dictum van de beschikking

1)

Het verzoek in kort geding wordt afgewezen.

2)

De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/30


Beschikking van de president van het Gerecht van eerste aanleg van 1 februari 2006 — Endesa tegen Commissie

(Zaak T-417/05 R)

(Kort geding - Controle op concentraties - Spoedeisendheid)

(2006/C 86/60)

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekster: Endesa, SA (Madrid, Spanje) (vertegenwoordigers: J. Flynn, QC, S. Baxter, solicitor, M. Odriozola, M. Muñoz de Juan, M. Merola en J. García de Enterría Lorenzo-Velázquez, advocaten)

Verweerster: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: F. Castillo de la Torre, É. Gippini Fournier, A. Whelan en M. Schneider, gemachtigden)

Interveniënten aan de zijde van verweerster: Koninkrijk Spanje (vertegenwoordiger: N. Díaz Abad, abogado del Estado) en Gas Natural SDG, SA (Barcelona, Spanje) (vertegenwoordigers: F.E. González Díaz en J. Jiménez de la Iglesia, advocaten)

Voorwerp van de zaak

Verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van de brief van de Commissie van 15 november 2005 waarin deze verklaart dat een concentratie tussen Gas Natural SDG, SA en Endesa, SA geen communautaire dimensie heeft in de zin van verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (PB L 24, blz. 1), en om andere voorlopige maatregelen

Dictum van de beschikking

1)

Het verzoek in kort geding wordt afgewezen.

2)

De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/30


Beschikking van de president van het Gerecht van eerste aanleg van 7 februari 2006 — Brink's Security Luxembourg tegen Commissie

(Zaak T-437/05 R)

(„Kort geding - Spoedeisendheid - Geen”)

(2006/C 86/61)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekster: Brink's Security Luxembourg SA (Luxemburg, Luxemburg) (vertegenwoordigers: C. Point en G. Dauphin, advocaten)

Verweerster: Commissie van de Europese Gemeenschappen (gemachtigden: E. Manhaeve, M. Šimerdová en K. Mojzesowics, bijgestaan door J. Stuyck, advocaat)

Interveniënte aan de zijde van verweerster: Group 4 Falck SA (Luxemburg) [vertegenwoordigers: M. Molitor, P. Lopes Da Silva, N. Cambonie en N. Bogelmann, advocaten]

Voorwerp van de zaak

Verzoek om voorlopige maatregelen, in hoofdzaak ertoe strekkende, in de eerste plaats dat de Commissie wordt gelast de overeenkomst betreffende oproep tot inschrijving nr. 16/2005/OIL (Beveiliging van en toezicht op gebouwen) niet te ondertekenen, in de tweede plaats, voorzover de Commissie die overeenkomst reeds heeft gesloten, de tenuitvoerlegging ervan op te schorten hangende de uitspraak van het Gerecht over het beroep ten gronde en, in de derde plaats, tot het gelasten van andere maatregelen

Dictum van de beschikking

1)

Het verzoek om voorlopige maatregelen wordt afgewezen.

2)

De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/31


Beroep ingesteld op 12 januari 2006 — FAB Fernsehen aus Berlin tegen Commissie

(Zaak T-8/06)

(2006/C 86/62)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekster: FAB Fernsehen aus Berlin GmbH (Berlijn, Duitsland) (vertegenwoordiger: A. Böken, advocaat)

Verweerster: Commissie van de Europese Gemeenschappen

Conclusie van verzoekster

nietig te verklaren beschikking C(2005) 3903 def. van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 9 november 2005 [staatssteun die de Bondsrepubliek Duitsland heeft toegekend ten gunste van de invoering van digitale terrestrische televisie (DVB-T) in Berlijn-Brandenburg].

Middelen en voornaamste argumenten

Verzoekster komt op tegen beschikking C(2005) 3903 def. van de Commissie van 9 november 2005 inzake staatssteun ten gunste van de invoering van digitale terrestrische televisie (DVB-T) in Berlijn-Brandenburg. In de bestreden beschikking heeft de Commissie de door de Bondsrepubliek Duitsland toegekende steun aan de particuliere omroeporganisaties die aan DVB-T deelnemen, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt verklaard en de Bondsrepubliek Duitsland opgedragen de onrechtmatig ter beschikking gestelde steun van de begunstigden, en dus ook van verzoekster, terug te vorderen.

Ter onderbouwing van haar beroep stelt verzoekster dat de toegekende subsidie geen staatsteun is in de zin van artikel 87, lid 1, EG. Bovendien is er ook geen sprake van steun omdat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 86, lid 2, EG. Voorts wordt in het geval van verzoekster het handelsverkeer tussen de lidstaten door de maatregel niet ongunstig beïnvloed en is de bestreden beschikking op dat punt derhalve onrechtmatig.

Zou verder de subsidie als steun in de zin van artikel 87, lid 1, EG worden aangemerkt, dan zou zij overeenkomstig artikel 87, lid 3, EG verenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt. In dit verband klaagt verzoekster dat verweerster de discretionaire bevoegdheid te buiten is gegaan die haar toekomt bij de beoordeling van de vraag of de subsidie overeenkomstig artikel 87, lid 3, sub c en d, EG als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt kan worden beschouwd.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/31


Beroep ingesteld op 16 januari 2006 — K-Swiss tegen BHIM

(Zaak T-14/06)

(2006/C 86/63)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekster: K-Swiss (Westlake Village, USA) (vertegenwoordiger: H. E. Hübner, advocaat)

Verweerder: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Conclusies van verzoekster

de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 26 september 2005 (zaak R 1109/2004-1) te vernietigen;

het BHIM te verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Betrokken gemeenschapsmerk: beeldmerk bestaande uit de afbeelding van een schoen met vijf evenwijdige strepen aan de zijkant voor waren van klasse 25 (schoeisel voor heren, dames en kinderen) — aanvraagnr. 2 788 511

Beslissing van de onderzoeker: afwijzing van de aanvraag

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen: schending van artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94 van de Raad doordat de combinatie van de kenmerkende elementen van het aangevraagde merk intrinsiek geschikt is om de goederen van de aanvrager te onderscheiden van die van anderen. Schending van het non-discriminatiebeginsel doordat het BHIM inschrijving van, onder meer, een beeldmerk bestaande uit de afbeelding van een schoen met twee evenwijdige strepen aan de voorkant heeft aanvaard.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/32


Beroep ingesteld op 23 januari 2006 — Deutsche Telekom tegen BHIM

(Zaak T-18/06)

(2006/C 86/64)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekster: Deutsche Telekom AG (Bonn, Duitsland) (vertegenwoordiger: J.-C. Gaedertz, Rechtsanwalt)

Verweerder: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Conclusies van verzoekster

de beslissing van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt van 17 november 2005 te vernietigen,

verweerder te verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Betrokken gemeenschapsmerk: woordmerk „Alles, was uns verbindet” voor waren en diensten van de klassen 9, 16, 35, 36, 38 en 42 — Aanvraagnr. 3 648 441

Beslissing van de onderzoeker: afwijzing van de aanvraag

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen: schending van artikel 7, lid 1, sub b en c, van verordening nr. 40/94 van de Raad doordat het aangevraagde merk onderscheidend vermogen bezit voor de geclaimde waren en diensten en niet beschrijvend is, aangezien de woordcombinatie ongewoon en ongebruikelijk is voor de waren en diensten waarvoor inschrijving is aangevraagd.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/32


Beroep ingesteld op 21 januari 2006 — Duitsland tegen Commissie

(Zaak T-21/06)

(2006/C 86/65)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekster: Bondsrepubliek Duitsland (vertegenwoordigers: M. Lumma en C. Schulze-Bahr, bijgestaan door G. Quardt, advocaat)

Verweerster: Commissie van de Europese Gemeenschappen

Conclusies van verzoekster

nietig te verklaren beschikking C(2005) 3903 def. van de Commissie van 9 november 2005 inzake staatssteun die de Bondsrepubliek Duitsland heeft toegekend ten gunste van de invoering van digitale terrestrische televisie (DVB-T) in Berlijn-Brandenburg;

verweerster te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Verzoekster komt op tegen beschikking C(2005) 3903 def. van de Commissie van 9 november 2005 inzake staatssteun ten gunste van de invoering van digitale terrestrische televisie (DVB-T) in Berlijn-Brandenburg. In de bestreden beschikking heeft de Commissie de door de Bondsrepubliek Duitsland toegekende steun aan de particuliere omroeporganisaties die aan DVB-T deelnemen, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt verklaard en de Bondsrepubliek Duitsland opgedragen de onrechtmatig ter beschikking gestelde steun van de begunstigden terug te vorderen.

Ter onderbouwing van haar beroep stelt verzoekster in het bijzonder dat de toegekende subsidie verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, en klaagt zij dat de Commissie bij de toepassing van artikel 87, lid 3, EG meerdere malen misbruik van bevoegdheid heeft gemaakt en beoordelingsfouten heeft begaan. Verweerster heeft in de plaats van een toetsing aan artikel 87, lid 3, sub c, EG een nieuw onderzoeksschema voor marktverstoringen uitgeprobeerd, dat in de toegepaste vorm niet geschikt is om de verenigbaarheid resp. onverenigbaarheid van de subsidie met de gemeenschappelijke markt vast te stellen. Bovendien heeft de Commissie de verenigbaarheid van de toegekende subsidie niet voldoende getoetst aan artikel 87, lid 3, sub b, EG.

Voorts heeft de Commissie gehandeld in strijd met algemene rechtsbeginselen. Verzoekster stelt schending van het beginsel van behoorlijk bestuur en de eerbiediging van de rechten van de verdediging.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/32


Beroep ingesteld op 24 januari 2006 — Medienanstalt Berlin-Brandenburg tegen Commissie

(Zaak T-24/06)

(2006/C 86/66)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekster: Medienanstalt Berlin-Brandenburg (MABB) (Berlijn, Duitsland) (vertegenwoordigers: M. Schütte en B. Immenkamp, advocaten)

Verweerster: Commissie van de Europese Gemeenschappen

Conclusies van verzoekster

nietig te verklaren beschikking C(2005) 3903 def. van de Commissie van 9 november 2005 inzake staatssteun die de Bondsrepubliek Duitsland heeft toegekend ten gunste van de invoering van digitale terrestrische televisie (DVB-T) in Berlijn-Brandenburg;

de Commissie te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Verzoekster komt op tegen beschikking C(2005) 3903 def. van de Commissie van 9 november 2005 inzake staatssteun ten gunste van de invoering van digitale terrestrische televisie (DVB-T) in Berlijn-Brandenburg. In de bestreden beschikking heeft de Commissie de door de Bondsrepubliek Duitsland toegekende steun aan de particuliere omroeporganisaties die aan DVB-T deelnemen, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt verklaard en de Bondsrepubliek Duitsland opgedragen de onrechtmatig ter beschikking gestelde steun van de begunstigden terug te vorderen. Verzoekster wordt in de bestreden beschikking uitdrukkelijk als steunverlener genoemd.

Ter onderbouwing van haar beroep voert verzoekster drie middelen aan.

In de eerste plaats stelt zij dat de bestreden beschikking blijk geeft van een verkeerde toepassing van het recht, omdat er inbreuk is gemaakt op wezenlijke vormvoorschriften. De Commissie heeft met name de motiveringsplicht geschonden, aangezien zij niet op verifieerbare wijze heeft uiteengezet waarom in casu moet worden aangenomen dat er sprake is van staatssteun.

Met het tweede middel stelt verzoekster schending van artikel 87 EG. Enerzijds is zij ervan overtuigd dat er geen sprake is van staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, EG. Anderzijds stelt zij dat, zo er daadwerkelijk sprake zou zijn van staatssteun, die verenigbaar zou zijn met de gemeenschappelijke markt uit hoofde van artikel 87, lid 3, sub c en d, EG.

Ten slotte baseert verzoekster haar beroep op schending van artikel 86, lid 2, EG door de bestreden beschikking, aangezien, voorzover er sprake zou zijn van staatssteun, die verenigbaar zou zijn met de gemeenschappelijke markt.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/33


Beroep ingesteld op 24 januari 2006 — RheinfelsQuellen H. Hövelmann tegen BHIM

(Zaak T-28/06)

(2006/C 86/67)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekster: RheinfelsQuellen H. Hövelmann GmbH & Co. KG (Duisburg, Duitsland) (vertegenwoordigers: W. Kellenter en A. Lambrecht, advocaten)

Verweerder: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Conclusies van verzoekster

de beslissing van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 17 november 2005 in beroepsprocedure R 1179/2004-2 te vernietigen;

verweerder te verwijzen in de kosten van verzoekster.

Middelen en voornaamste argumenten

Betrokken gemeenschapsmerk: woordmerk „VOM URSPRUNG HER VOLLKOMMEN” voor waren van de klassen 32 en 33 — aanvraagnr. 2 806 875

Beslissing van de onderzoeker: afwijzing van de aanvraag

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen: schending van artikel 7, lid 1, sub b en c, van verordening nr. 40/94 van de Raad, aangezien het merk niet uitsluitend uit beschrijvende aanduidingen bestaat en evenmin het vereiste onderscheidend vermogen mist.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/33


Beroep ingesteld op 24 januari 2006 — Procter & Gamble tegen BHIM

(Zaak T-29/06)

(2006/C 86/68)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekster: The Procter & Gamble Company (Cincinnati, Verenigde Staten van Amerika) (vertegenwoordiger: G. Kuipers, advocaat)

Verweerder: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Conclusies van verzoekster

de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 22 november 2005 (zaak R 1071/2004-1), die P&G bij brief van 5 december 2005 is betekend, te vernietigen voorzover daarbij is geoordeeld dat het merk niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94; en

het BHIM te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Betrokken gemeenschapsmerk: driedimensionaal merk in de vorm van een vierkant wit tablet dat een blauw bloemontwerp met vijf bloemblaadjes weergeeft voor waren van klasse 3 (bleekmiddelen en andere wasmiddelen; reinigings-, polijst-, ontvettings- en schuurmiddelen; middelen voor het wassen, reinigen en verzorgen van de vaat; zepen) — aanvraagnr. 1 697 432

Beslissing van de onderzoeker: afwijzing van de aanvraag

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen: schending van artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94 van de Raad


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/34


Beroep ingesteld op 24 januari 2006 — Procter & Gamble tegen BHIM

(Zaak T-30/06)

(2006/C 86/69)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekster: The Procter & Gamble Company (Cincinnati, Verenigde Staten van Amerika) (vertegenwoordiger: G. Kuipers, advocaat)

Verweerder: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Conclusies van verzoekster

de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 21 november 2005 (zaak R 1072/2004-1), die P&G bij brief van 5 december 2005 is betekend, te vernietigen voorzover daarbij is geoordeeld dat het merk niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94; en

het BHIM te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Betrokken gemeenschapsmerk: driedimensionaal merk in de vorm van een vierkant wit tablet met daarop een blauw bloemontwerp met vier bloemblaadjes voor waren van klasse 3 (bleekmiddelen en andere wasmiddelen; reinigings-, polijst-, ontvettings- en schuurmiddelen; middelen voor het wassen, reinigen en verzorgen van de vaat; zepen) — aanvraagnr. 1 683 408

Beslissing van de onderzoeker: afwijzing van de aanvraag

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen: schending van artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94 van de Raad


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/34


Beroep ingesteld op 24 januari 2006 — Procter & Gamble tegen BHIM

(Zaak T-31/06)

(2006/C 86/70)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekster: The Procter & Gamble Company (Cincinnati, Verenigde Staten van Amerika) (vertegenwoordiger: G. Kuipers, advocaat)

Verweerder: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Conclusies van verzoekster

de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 16 november 2005 (zaak R 1183/2004-1), die P&G bij brief van 23 november 2005 is betekend, te vernietigen voorzover daarbij is geoordeeld dat het merk niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94; en

het BHIM te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Betrokken gemeenschapsmerk: driedimensionaal merk in de vorm van een vierkant wit tablet dat een lila bloemontwerp met vijf bloemblaadjes weergeeft voor waren van klasse 3 (bleekmiddelen en andere wasmiddelen; reinigings-, polijst-, ontvettings- en schuurmiddelen; middelen voor het wassen, reinigen en verzorgen van de vaat; zepen) — aanvraagnr. 1 683 457

Beslissing van de onderzoeker: afwijzing van de aanvraag

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen: schending van artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94 van de Raad


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/35


Beroep ingesteld op 30 januari 2006 — Honig-Verband tegen Commissie

(Zaak T-35/06)

(2006/C 86/71)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekster: Honig-Verband e.V. (Hamburg, Duitsland) (vertegenwoordigers: M. Hagenmeyer en T. Teufer, advocaten)

Verweerster: Commissie van de Europese Gemeenschappen

Conclusies van verzoekster

verordening (EG) nr. 1854/2005 van de Commissie van 14 november 2005 tot aanvulling van de bijlage bij verordening (EG) nr. 2400/96 in verband met de inschrijving van een naam in het „Register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen” [Miel de Provence (BGA)] nietig te verklaren;

verweerster te verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Verzoekster komt op tegen verordening (EG) nr. 1854/2005 (1), volgens welke de oorsprongsbenaming „Miel de Provence” als beschermde geografische aanduiding in de bijlage bij verordening (EG) nr. 2400/96 (2) dient te worden ingeschreven. Zij heeft vóór de vaststelling van verordening nr. 1854/2005 bij de bevoegde Duitse autoriteiten bezwaar aangetekend tegen de aanvraag tot registratie van de benaming „Miel de Provence”.

Zij voert drie middelen aan.

In de eerste plaats stelt zij dat de bestreden verordening nietig dient te worden verklaard omdat zij in strijd is met de specifieke en uitputtende regeling inzake oorsprongsbenamingen voor honing in richtlijn 2001/110/EG. (3) De verordening van de Commissie leidt ook tot een onevenredige beperking van het vrije verkeer van goederen in de zin van artikel 28 EG.

In de tweede plaats betoogt verzoekster dat de bestreden verordening onverenigbaar is met de vereisten van verordening nr. 2081/92. (4) In dit verband stelt zij dat de artikelen 2, 4 en 7, lid 4, tweede streepje, van deze verordening zijn geschonden.

Ten slotte voert verzoekster aan dat verordening nr. 1854/2005 na een onregelmatige procedure tot stand is gekomen. Verweerster heeft het argument, dat de registratie economisch nadelige gevolgen heeft voor een bestaande benaming, niet grondig onderzocht.


(1)  Verordening (EG) nr. 1854/2005 van de Commissie van 14 november 2005 tot aanvulling van de bijlage bij verordening (EG) nr. 2400/96 in verband met de inschrijving van een naam in het „Register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen” [Miel de Provence (BGA)].

(2)  Verordening (EG) nr. 2400/96 van de Commissie van 17 december 1996 betreffende de inschrijving van bepaalde benamingen in het „Register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen” bedoeld in verordening (EEG) nr. 2081/92 van de Raad inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen.

(3)  Richtlijn 2001/110/EG van de Raad van 20 december 2001 inzake honing.

(4)  Verordening (EEG) nr. 2081/92 van de Raad van 14 juli 1992 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/35


Beroep ingesteld op 3 februari 2006 — Transcatab Spa, in liquidatie/Commissie

(Zaak T-39/06)

(2006/C 86/72)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekster: Transcatab SpA, in liquidatie (Caserta, Italië) (vertegenwoordigers: Cristoforo Osti en Alessandra Prastaro, advocaten)

Verweerster: Commissie van de Europese Gemeenschappen

Conclusies van verzoekster

gedeeltelijk nietig te verklaren artikel 1, lid 1, van beschikking C(2005) 4012 def. van de Commissie van 20 oktober 2005, voorzover de Commissie van mening was dat Standard Commercial Corporation (SCC) (en dus Alliance One) hoofdelijk aansprakelijk diende te worden geacht voor de door Transcatab gepleegde inbreuken op artikel 81 EG;

bijgevolg de aan laatstgenoemde opgelegde geldboete te verlagen;

de Commissie te verwijzen in alle kosten, ook in die van Transcatab.

Middelen en voornaamste argumenten

De beschikking waarom het in casu gaat, is dezelfde als die in zaak T-11/06, Tabacchi/Commissie. Voorzover het verzoekster betreft, werd de vennootschap Alliance One International bij die beschikking hoofdelijk aansprakelijk gesteld als onderneming die het laatst zeggenschap had over Transcatab.

Tot staving van haar conclusies stelt verzoekster dat de Commissie:

blijk heeft gegeven van een verkeerde rechtsopvatting waar zij Alliance One International aansprakelijk heeft geacht voor de gedraging van TRANSCATAB. In het bijzonder heeft verweerster de beginselen betreffende de bewijslast niet in acht genomen, de door Alliance One International uitgeoefende invloed niet bewezen en bijgevolg de drempel van 10 % van de omzet overschreden.

ten onrechte de betrokken inbreuk als zeer zwaar en niet als hooguit zwaar heeft gekwalificeerd, omdat de invloed van de overeenkomst op de betrokken markt, op de markt in de latere handelsfasen en op de consument nagenoeg nihil is, en de omvang van de betrokken geografische markt gering is.

de beginselen van evenredigheid en gelijke behandeling heeft geschonden met de bepaling van een basisbedrag van de geldboete van 10 miljoen EUR.

de gedragingen in de periode 1995-1998 had moeten onderscheiden van die van de latere perioden, en TRANSCATAB enkel voor de eerstgenoemde gedragingen aansprakelijk had moeten achten. Door verzoekster ook aansprakelijk te stellen voor de gedragingen in de periode 1999-2002 heeft de Commissie het gelijkheidsbeginsel geschonden, voorzover zij de verenigingen wél en de verwerkers niet het voordeel van een onduidelijke wettelijke regeling heeft toegekend.

het beginsel ne bis in idem heeft geschonden daar zij TRANSCATAB en de andere verwerkers eenmaal als leden van de Associazione professionale Trasformatori Tabacchi Italiani en een tweede maal als individuele verwerkers heeft gestraft.

ten onrechte geen van de door verzoekster aangevoerde verzachtende omstandigheden, zoals haar medewerking, de niet-toepassing van de overeenkomsten, de onderbreking daarvan of het bestaan van een redelijke twijfel dat de gedragingen een inbreuk vormen, van toepassing heeft geacht.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/36


Beroep ingesteld op 13 februari 2006 — Gollnisch tegen Europees Parlement

(Zaak T-42/06)

(2006/C 86/73)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoeker: Bruno Gollnisch (Limonest, Frankrijk) (vertegenwoordiger: W. de Saint Just, advocaat)

Verweerder: Europees Parlement

Conclusies van verzoeker

nietig te verklaren het besluit van het Europees Parlement van 13 december 2005 tot vaststelling van verslag nr. A6-376/2005,

Gollnisch een bedrag van 8 000 EUR toe te kennen ter vergoeding van morele schade,

verzoeker bovendien een bedrag van 4 000 EUR toe te kennen uit hoofde van kosten om zich te laten bijstaan en om het onderhavige beroep voor te bereiden.

Middelen en voornaamste argumenten

Met het onderhavige beroep verzoekt verzoeker, lid van het Europees Parlement, om nietigverklaring van het op 13 december 2005 in plenaire vergadering gestemde besluit van het Parlement tot vaststelling van het verslag van de commissie Juridische zaken nr. A6-376/2005 betreffende de uitlatingen van verzoeker op een persconferentie, en dus om zijn immuniteit en voorrechten niet te verdedigen. Bovendien verzoekt hij om vergoeding van de schade die hij door de vaststelling van het bestreden besluit zou hebben geleden.

Tot staving van zijn beroep voert verzoeker een aantal middelen aan, met name: formele onwettigheid van het besluit van het Parlement ten aanzien waarvan om nietigverklaring wordt verzocht, het feit dat het besluit strijdig zou zijn met algemene rechtsbeginselen zoals het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van het gewettigd vertrouwen, en het feit dat bij de vaststelling van het besluit procedurefouten zouden zijn gemaakt. Hij betoogt eveneens dat het bestreden besluit in strijd zou zijn met de vaste jurisprudentie van de commissie Juridische zaken van het Europees Parlement op het gebied van de vrijheid van meningsuiting en van tendentieuze vervolging (fumus persecutionis), en inbreuk maakt op de onafhankelijkheid van het lid doordat niet zou zijn erkend dat hij tijdens de betrokken persconferentie in het kader van zijn nationale en Europese politieke activiteiten optrad.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/37


Beroep ingesteld op 9 februari 2006 — Cofira SAC tegen Commissie

(Zaak T-43/06)

(2006/C 86/74)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekster: Cofira SAC (Rousset Cedex, Frankrijk) (vertegenwoordigers: G. Addessi, L. Mari, D. Magurno, avvocati)

Verweerster: Commissie van de Europese Gemeenschappen

Conclusies van verzoekster

Nietigverklaring van de aan Cofira SAC opgelegde geldboete;

Hoofdelijke oplegging van de geldboete aan alle ondernemingen die zijn voortgekomen uit de splitsing van Cofira Sepso;

Verlaging van het bedrag van de geldboete;

Veroordeling van de Commissie in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Volgens artikel 1 van de bestreden beschikking hebben sommige ondernemingen, waaronder verzoekster, in de periode van 24 maart 1982 tot en met 26 juni 2002 de communautaire mededingingsvoorschriften geschonden door deel te nemen aan overeenkomsten en onderling afgestemde praktijken in de sector plastic industriezakken in België, Duitsland, Spanje, Luxemburg en Nederland. Deze inbreuken betroffen volgens verweerster de vaststelling van prijzen, de invoering van gemeenschappelijke modellen, de berekening van de prijzen, de verdeling van de markten, de toekenning van verkoopquota, de toewijzing van klanten, zaken en orders, de onderling afgestemde inschrijving op sommige aanbestedingen en de uitwisseling van individuele informatie.

Tot staving van haar stellingen voert verzoekster in de eerste plaats aan, dat zij niet de adressaat van de beschikking dient te zijn.

Zij herinnert er in dit verband aan dat COFIRA SEPSO, waartegen de procedure onder meer gericht is, op 27 november 2003 is opgesplitst in drie ondernemingen, waaronder verzoekster zelf. COFIRA SAC is dus pas na het plegen van de door de Commissie bestrafte feiten ontstaan.

De bestreden beschikking vermeldt voorts niet de redenen waarom de geldboete enkel aan verzoekster is opgelegd, terwijl alle ondernemingen die als gevolg van de splitsing van COFIRA SEPSO zijn ontstaan, dienden in te staan voor het verweten laakbare gedrag.

De beschikking noemt evenmin uitdrukkelijk de parameters aan de hand waarvan de geldboete is berekend, aangezien de geldboete wordt berekend op de grondslag van de omzet en verzoekster ten tijde van de litigieuze feiten nog geen omzet had behaald, omdat zij toen nog niet bestond.

Anderzijds vermeldt de Commissie niet de feitelijke elementen waaruit de inbreuk bestaat. De volledige beschikking is gebaseerd op het vermoeden dat de bijeenkomsten van de vertegenwoordigers van de ondernemingen de facto tot gedragingen leiden die strijdig met artikel 81 EG zijn, en op het vermoeden dat dergelijke praktijken een merkbare invloed op de mededinging hebben. Ofschoon verzoekster de door de Commissie genoemde gegevens niet betwist, is het hoe dan ook een feit dat de verjaringstermijn van vijf jaar is verstreken.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/37


Beroep ingesteld op 14 februari 2006 — Commissie tegen Hellenic Ventures en vijf andere partijen

(Zaak T-44/06)

(2006/C 86/75)

Procestaal: Grieks

Partijen

Verzoekster: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: M. Patakia en S. Chatzigiannis)

Verweerders: Hellenic Ventures S.A., K. Katsigiannis, P. Chronopoulos, M. Patsouris, N. Poulakos en R. Ceurvorst

Conclusies van verzoekster

te veroordelen enerzijds de verwerende vennootschap en anderzijds, hoofdelijk met haar, de tweede tot en met de zesde verweerder, om aan de Commissie terug te betalen het gehele bedrag van het voorschot dat eerste verweerster van de Commissie heeft ontvangen, zijnde 70 000 ECU, thans EUR, vermeerderd met de interessen die, zoals bepaald in de overeenkomst, tot en met 12 februari 2006103 423,54 ECU, thans EUR, bedragen, dus een totaalbedrag van 171 939,18 ECU, thans EUR, en bovendien vermeerderd met de interessen, nog steeds op basis van het contractuele tarief van 1,5 % per maand, zijnde een bedrag van 34,52 ECU, thans EUR, per dag, voor de periode van 1 januari 2006 tot de volledige betaling van de schuld door de verweerders;

verweerders hoofdelijk te verwijzen in alle kosten van de Commissie, met inbegrip van het honorarium van haar advocaten.

Middelen en voornaamste argumenten

De Europese Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Europese Commissie, heeft met de verwerende vennootschap, waarvan de andere verweerders aandeelhouders en leden van de raad van bestuur of directeurs zijn, in het kader van de „Modelactie voor de aanleg en de ontwikkeling van startkapitaalfondsen (seed capital)” (1) een overeenkomst getiteld „Seed Fund 601” gesloten.

In het kader van die overeenkomst heeft de Commissie zich ertoe verbonden om aan eerste verweerster financiële steun te verlenen in de vorm van een terugvorderbaar voorschot van ten hoogste 350 000 ECU. Dit voorschot was bedoeld ter dekking van ten hoogste 50 % van de functioneringskosten die eerste verweerster in het kader van haar activiteiten als startkapitaalfonds in Griekenland zou hebben te dragen. In dit kader betaalde de Commissie aan eerste verzoekster het eerste jaarlijkse voorschot van 70 000 ECU.

In een document van 16 juni 1994 deelde de Commissie aan verweerster mee dat de overeenkomst ontbonden werd en verzocht zij haar het bedrag van 70 000 ECU, vermeerderd met de interessen, terug te betalen. Bij brief van 19 september 1994 liet de Commissie weten dat dit besluit het gevolg was van de weigering van verweerster- in strijd met artikel 8.1 van de overeenkomst — om zich aan een gedetailleerde controle van de verificateurs van de dienst Financiële controle van de Commissie te onderwerpen. De Commissie had geoordeeld dat een dergelijke controle noodzakelijk was, gezien de vaststellingen van een ambtenaar van de Commissie die een controle ter plaatse had verricht en ernstige twijfels had geuit omtrent de vraag of de investeringen die de verwerende vennootschap had gefinancierd, aan de criteria van het bestek voldeden.

Ofschoon herhaaldelijk in gebreke gesteld, heeft eerste verweerster het gevorderde bedrag niet terugbetaald.

De vordering van de Commissie strekt tot betaling van het voornoemde verschuldigde bedrag, vermeerderd met de interessen.


(1)  PB C 306 van 1.12.1988, blz. 12.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/38


Beroep ingesteld op 13 februari 2006 — Reliance Industries tegen Raad en Commissie

(Zaak T-45/06)

(2006/C 86/76)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekster: Reliance Industries Ltd (Bombay, India) (vertegenwoordiger: I. MacVay, S. Ahmed, Solicitors)

Verweerders: Raad van de Europese Unie en Commissie van de Europese Gemeenschappen

Conclusies van verzoekster

nietig te verklaren de beschikkingen van de Commissie van 1 december 2005 houdende bericht van inleiding van een herziening naar aanleiding van het vervallen van de compenserende maatregelen die van toepassing zijn bij de invoer van polyethyleentereftalaat uit onder andere India, en houdende bericht van inleiding van een tussentijdse herziening naar aanleiding van het vervallen van de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn bij de invoer van polyethyleentereftalaat uit India, Indonesië, de Republiek Korea, Maleisië, Taiwan en Thailand en van een gedeeltelijke tussentijdse herziening van de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn bij de invoer van polyethyleentereftalaat uit de Republiek Korea en Taiwan (1);

indien zulks door het Gerecht passend of noodzakelijk wordt geacht, nietig te verklaren verordening (EG) nr. 2603/2000 van de Raad, verordening (EG) nr. 2604/2000 van de Raad en beschikking nr. 2000/745/EG van de Commissie voorzover zij voor verzoekster mochten gelden in het tijdvak na 1 december 2005;

indien, maar enkel indien, en enkel voorzover het Hof, anders dan verzoekster, van oordeel mocht zijn dat deze artikelen bij een juiste uitlegging afwijken van de bewoordingen van artikel 11, lid 3, van de WTO-antidumpingovereenkomst en/of artikel 21, lid 3, van de WTO-overeenkomst inzake subsidies, nietig te verklaren artikel 13 van verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad („basisverordening antidumping”) en artikel 18, lid 1, van verordening (EG) nr. 2026/97 („basisverordening antisubsidies”);

verweerders te verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Bij de twee bestreden beschikkingen heeft de Commissie besloten, een tussentijdse herziening in te leiden met betrekking tot verordening (EG) nr. 2603/2000 van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een definitief compenserend recht en definitieve inning van het voorlopige recht op de invoer van polyethyleentereftalaat uit India, Maleisië en Thailand en tot beëindiging van de antisubsidieprocedure met betrekking tot de invoer van polyethyleentereftalaat uit Indonesië, de Republiek Korea en Taiwan (2), en verordening (EG) nr. 2604/2000 van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopig recht dat werd ingesteld op de invoer van polyethyleentereftalaat uit India, Indonesië, Maleisië, de Republiek Korea, Taiwan en Thailand (3), alsmede besluit (EG) nr. 2000/745/EG van de Commissie waarbij verbintenissen worden aanvaard die zijn aangeboden in het kader van bovenvermelde antidumping- en antisubsidieprocedure. (4) Ingevolge de artikelen 11, lid 2, van de basisverordening antidumping en artikel 18, lid 1, van de basisverordening antisubsidie zouden deze berichten van inleiding, indien tijdig gegeven, tot gevolg hebben dat de betrokken maatregelen van kracht blijven hangende de uitkomst van de herziening.

Tot staving van haar standpunt betoogt verzoekster dat geen geldige inleiding van een herziening heeft plaatsgevonden, zodat de betrokken maatregelen en verbintenis overeenkomstig hun bewoordingen op 1 december 2005 zijn verstreken. De berichten zijn bekendgemaakt op de dag waarop de maatregelen verstreken (1 december), zodat geen herzieningsprocedure was ingeleid vóór de datum van verstrijken, zoals de WTO-regels voorschrijven. De basisverordeningen moeten worden uitgelegd in overeenstemming met de WTO-overeenkomsten en iedere dubbelzinnigheid in de basisverordeningen moet hoe dan ook ten gunste van verzoekster worden uitgelegd, conform de algemene beginselen van gemeenschapsrecht. Zo de basisverordeningen al niet kunnen worden uitgelegd in de door verzoekster voorgestane zin, zijn die bepalingen zelf in strijd met de WTO-regels en derhalve in zoverre ongeldig.


(1)  PB C 304, 1.12.2005 blz. 4 en 9.

(2)  PB L 301, 30.11.2000, blz. 1

(3)  PB L 301, 30.11.2001, blz. 21

(4)  PB L 301, 30.11.2001, blz. 88


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/39


Beroep ingesteld op 13 februari 2006 — Galileo Lebensmittel tegen Commissie

(Zaak T-46/06)

(2006/C 86/77)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekster: Galileo Lebensmittel GmbH & Co. KG (Trierweiler, Duitsland) (vertegenwoordiger: K. Bott, Rechtsanwalt)

Verweerster: Commissie van de Europese Gemeenschappen

Conclusies van verzoekster

De beschikking van verweerster, de domeinnaam galileo.eu te reserveren, nietig te verklaren en verweerster te gelasten, het register van het .eu-topniveaudomein (EURid) de vrije registratie van de domeinnaam galileo.eu toe te staan.

Middelen en voornaamste argumenten

Verzoekster heeft via een registrator de registratie van de domeinnaam „galileo.eu” als topniveaudomein „eu” aangevraagd. Het register, EURid, heeft deze aanvraag afgewezen met de verklaring dat de aangevraagde domeinnaam is gereserveerd voor verweerster.

Verzoekster beroept zich op schending van artikel 9 van verordening (EG) nr. 874/2004. (1) Voorts beroept zij zich op schending van haar rechten uit hoofde van artikel 2, lid 2, artikel 10, lid 1, eerste alinea, en artikel 12, lid 2, derde alinea, van verordening nr. 874/2004.


(1)  Verordening (EG) nr. 874/2004 van de Commissie van 28 april 2004 tot vaststelling van regels met betrekking tot het overheidsbeleid voor de toepassing en werking van het .eu-topniveaudomein en de beginselen inzake registratie.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/40


Beroep ingesteld op 17 februari 2006 — Astex Therapeutics tegen BHIM

(Zaak T-48/06)

(2006/C 86/78)

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekster: Astex Therapeutics Limited (Cambridge, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordigers: M. Edenborough, barrister, en R. Harrison, solicitor)

Verweerder: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Protec Health International Limited (Cirencester, Verenigd Koninkrijk)

Conclusies van verzoekster

de bestreden beslissing van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 29 november 2005 in zaak R 651/2004-2 volledig te vernietigen, of subsidiair, deze beslissing gedeeltelijk te vernietigen;

opposante te verwijzen in kosten die verzoekster zullen opkomen in de onderhavige procedure (voorzover opposante tussenkomt in deze procedure), en in de procedure voor de kamer van beroep en in de procedure voor de oppositieafdeling (in elk geval). Verder te verklaren dat het Bureau hoofdelijk en gezamenlijk met opposante gehouden is tot betaling van de kosten die verzoekster in de onderhavige procedure voor het Gerecht van eerste aanleg zullen opkomen.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: verzoekster

Betrokken gemeenschapsmerk: beeldmerk „Astex Technology” voor waren van klasse 5 (farmaceutische producten)

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: Protec Health International Limited

Oppositiemerk of -teken: communautair woordmerk „Astex” voor waren en diensten van de klassen 5 (insectenverdelgingsmiddelen voor het doden van stofmijt) en 24 (weefsels, enz.)

Beslissing van de oppositieafdeling: weigering van de inschrijving

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen: schending van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/40


Beroep ingesteld op 17 februari 2006 — Ierland tegen Commissie

(Zaak T-50/06)

(2006/C 86/79)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoeker: Ierland (vertegenwoordigers: D. O'Hagan als gemachtigde en P. McGarry, Barrister)

Verweerster: Commissie van de Europese Gemeenschappen

Conclusies van verzoeker

gehele of gedeeltelijke nietigverklaring, krachtens artikel 230 EG, van beschikking C(2005) 4436 def. van de Commissie van 7 december 2005, voorzover deze betrekking heeft op de vrijstelling, door Ierland, van de accijns op minerale oliën die worden gebruikt als brandstof bij de productie van aluminiumoxide in Shannon;

de Commissie te verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

In 1970 werd tegenover de promotoren van Aughinish een verplichting aangegaan met betrekking tot vrijstellingen van douanerechten op stookolie die zou worden gebruikt bij de productie van aluminiumoxide in de destijds geplande fabriek te Shannon, Ierland. In 1983 werd de fabriek te Aughinish in bedrijf genomen en de Ierse autoriteiten hebben de Commissie ervan in kennis gesteld dat de verplichtingen met betrekking tot de accijnsvrijstelling zouden worden uitgevoerd. Volgens verzoeker was de vrijstelling bovendien toegestaan op grond van latere beschikkingen van de Raad. (1) In 2000 stelde de Commissie aan de orde dat het om staatssteun ging. Dit heeft tot de instelling van de formele onderzoeksprocedure en uiteindelijk tot de vaststelling van de bestreden beschikking geleid.

Tot staving van zijn verzoek betoogt verzoeker dat de conclusie van de Commissie, dat de betrokken steun als nieuwe steun moest worden aangemerkt en niet als bestaande steun, rechtens onjuist is.

Zelfs als de steun als nieuwe steun moest worden aangemerkt en bij de tenuitvoerlegging daarvan in 1983 had moeten worden aangemeld, aanvaardt de Commissie volgens verzoeker dat de steunmaatregel op dat moment is aangemeld. Doordat de Commissie niet binnen de door haarzelf gestelde tijdslimieten een beslissing heeft genomen, is de betrokken steun bestaande steun geworden. Subsidiair: de Commissie heeft de steun op alle relevante tijdstippen als bestaande steun behandeld. Het ondubbelzinnige standpunt dat zij in 1992 heeft ingenomen, bevestigt dit.

Krachtens artikel 15 juncto artikel 1, sub b, iv, van verordening nr. 659/1999 (2), is de steun bovendien bestaande steun geworden, daar de steunmaatregel meer dan tien jaar bestaat en de daarin bepaalde verjaringstermijn is verstreken. De procedures die de Commissie aangaande het toezicht daarop heeft gevolgd, zijn ongeldig.

Wat zijn eerste middel betreft, betoogt verzoeker ook dat de steun het voorwerp was van juridisch verbindende verplichtingen die de Ierse autoriteiten waren aangegaan vóór de toetreding in 1973. Dit had moeten volstaan om de steun als bestaande steun aan te merken.

Daarnaast betoogt verzoeker dat de beschikking in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel, daar zij indruist tegen de met eenparigheid van stemmen, op basis van een voorstel van de Commissie goedgekeurde beschikking van de Raad. De bestreden beschikking druist ook rechtstreeks in tegen artikel 8, lid 5, van richtlijn 92/81/EEG betreffende de harmonisatie van de structuur van de accijns op minerale oliën (3), volgens welk de Commissie met betrekking tot mededingingsverstoringen of onverenigbaarheid met de interne markt een voorstel moest indienen, dat de Raad met eenparigheid van stemmen diende goed te keuren.

Voorts meent verzoeker, dat de Commissie het vertrouwensbeginsel heeft geschonden, althans wat de begunstigde van de steunmaatregel betreft, daar de Raad de afwijking uitdrukkelijk heeft toegestaan tot 31 december 2006.

Tot slot betoogt verzoeker, dat de Commissie een fundamentele rechtsregel heeft geschonden en misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid door haar gedrag, met inbegrip van haar trage vaststelling van de bestreden beschikking, in het bijzonder gezien het feit dat de betrokken steunmaatregel in 1983 voor het eerst bij haar werd aangemeld. Daarenboven heeft de Commissie de procedures van richtlijn 92/81/EEG niet nageleefd en publiekelijk standpunten ingenomen over de verenigbaarheid van de aan de orde zijnde steunregeling. Gezien haar gedrag heeft de Commissie derhalve haar recht verwerkt om terugvordering van de steun te verlangen.


(1)  Beschikking 92/510/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 waarbij de lidstaten toestemming wordt verleend om bestaande verlaagde accijnstarieven of vrijstellingen van accijnzen te blijven toepassen op bepaalde minerale oliën die voor bijzondere doeleinden worden gebruikt, in overeenstemming met de procedure van artikel 8, lid 4, van richtlijn 92/81/EEG (PB L 316, blz. 16), en overige latere beschikkingen.

(2)  Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (PB L 83, blz. 1)

(3)  Richtlijn 92/81/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 betreffende de harmonisatie van de structuur van de accijns op minerale oliën (PB L 316, blz. 12).


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/41


Beroep ingesteld op 21 februari 2006 — UPM-Kymmene tegen Commissie

(Zaak T-53/06)

(2006/C 86/80)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekster: UPM-Kymmene Oyj (Helsinki, Finland) (vertegenwoordigers: B. Amory, E. Friedel, F. Bimont, lawyers)

Verweerster: Commissie van de Europese Gemeenschappen

Conclusies van verzoekster

Gedeeltelijke nietigverklaring van de beschikking, voorzover daarin wordt geconcludeerd dat Rosenlew Saint Frères Emballage heeft deelgenomen aan de Valveplast-bijeenkomsten op Europees niveau van 18 juli 1994 tot en met 31 januari 1999, en dat Rosenlew Saint Frères Emballage één enkele en voortdurende inbreuk heeft gepleegd door haar korte deelname aan de Valveplast-bijeenkomsten (van 21 november 1997 tot en met 26 november 1998) en haar medewerking in de Franse bijeenkomsten over open-mondzakken;

Verlaging van de bij de beschikking aan verzoekster opgelegde geldboete;

Terugbetaling door de Commissie aan verzoekster van het onverschuldigd betaalde gedeelte van de geldboete, vermeerderd met de rente ingaand op de datum van betaling van de geldboete tot de datum waarop de terugbetaling door de Commissie volledig en definitief heeft plaatsgevonden; en

Veroordeling van de Commissie in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Verzoekster vordert gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking nr. C(2005)4634 def van de Commissie van 30 november 2005 in zaak COMP/F/38.354 — Industriezakken. Verzoekster bestrijdt niet, dat de vastgestelde feiten in wezen op waarheid berusten, doch stelt dat de beschikking tal van feitelijke beoordelingsfouten bevat met betrekking tot haar dochteronderneming Rosenlew Saint Frères Emballage en diens rol in de activiteiten van het kartel. Zij vordert verlaging van de opgelegde geldboete op grond dat deze ongerechtvaardigd en onevenredig is.

Tot staving van haar verzoek beroept verzoekster zich op feitelijke fouten bij de toepassing van artikel 81, lid 1, EG. Zij acht de beschikking gebrekkig, omdat het bewijs van één enkele en voortdurende inbreuk door Rosenlew Saint Frères Emballage ontbreekt. In de tweede plaats betoogt zij, dat de Commissie de duur van de inbreuk onjuist heeft vastgesteld. De Commissie heeft namelijk over het hoofd gezien, dat Rosenlew Saint Frères Emballage heeft deelgenomen aan activiteiten van het kartel in de „block bags”-sector en dat zij vanaf 20 december 2004 de Valveplast-bijeenkomsten op Europees niveau heeft bijgewoond. Voorts is er onvoldoende bewijs van de rol die Rosenlew Saint Frères Emballage heeft gespeeld tijdens de bijeenkomsten van de Franse groep over open-mondzakken tot en met 31 januari 1999.

Verzoekster stelt voorts schending van de algemene beginselen van evenredigheid, gelijke behandeling en billijkheid, alsook feitelijke fouten bij het bepalen van de hoogte van de geldboete.

In de eerste plaats heeft de Commissie de grenzen van haar beoordelingsvrijheid krachtens artikel 23, lid 3, van verordening nr. 1/2003 overschreden door een basisbedrag van de geldboete vast te stellen dat onevenredig is in verhouding tot de ernst van de gepleegde inbreuk. Verzoekster betwist in dit verband de toepassing van een afschrikkende factor 2 en stelt dat het markaandeel dat het gehele kartel in 1996 op de markt van industriezakken bezat, niet de adequate basis is voor de berekening van het basisbedrag van de boete.

In de tweede plaats betoogt verzoekster dat de Commissie de duur van de deelname van Rosenlew Saint Frères Emballage aan de activiteiten van het kartel onjuist heeft vastgesteld.

In de derde plaats heeft de Commissie onvoldoende belang toegekend aan het feit dat verzoekster slechts aansprakelijk werd gesteld in haar hoedanigheid van moederonderneming, waardoor zij het beginsel van billijkheid heeft geschonden.

In de vierde plaats heeft de Commissie ten onrechte een aantal verzachtende omstandigheden buiten beschouwing gelaten, terwijl zij ten onrechte als verzwarende omstandigheid heeft meegewogen dat er sprake zou zijn van recidivisme.

Met betrekking tot de vaststelling van het eindbedrag van de geldboete komt verzoekster tenslotte op tegen de kwalificatie door de Commissie van het kartel als een zeer ernstige inbreuk op de mededingingsvoorschriften, gelet op de beperkte gevolgen van het kartel voor de mededinging en de geografische reikwijdte ervan.

Verzoekster stelt tevens schending van de rechten van de verdediging, aangezien haar tijdens de administratieve fase geen toegang is verleend tot bepaalde relevante bewijsstukken waarop de Commissie zich heeft gebaseerd bij de vaststelling van de duur en de omvang van de door Rosenlew Saint Frères Emballage gepleegde inbreuk.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/42


Beroep ingesteld op 23 februari 2006 — Low & Bonar en Bonar Technical Fabrics tegen Commissie

(Zaak T-59/06)

(2006/C 86/81)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoeksters: Low & Bonar plc (Dundee, Verenigd Koninkrijk) en Bonar Technical Fabrics NV (Zele, België) (vertegenwoordigers: L. Garzaniti, lawyer, M. O'Regan, Solicitor)

Verweerster: Commissie van de Europese Gemeenschappen

Conclusies van verzoeksters

Nietigverklaring van de bestreden beschikking van de Commissie nr. C(2005)4634 van 30 november 2005 in zaak COMP/F/38.354 — Industriezakken in het algemeen, voorzover betrekking hebbend op verzoeksters; of

Subsidiair, gedeeltelijke nietigverklaring van artikel 1, lid 1, voorzover deze bepaling van toepassing is op verzoeksters, en gedeeltelijke nietigverklaring dan wel passende verlaging van de bij artikel 2 aan verzoeksters opgelegde geldboete; en

Meer subsidiair, wezenlijke verlaging van het bedrag van de bij artikel 2 aan verzoeksters opgelegde geldboete; en

Veroordeling van verweerster in de kosten van de procedure, daaronder begrepen de door verzoeksters of elk van hen gederfde rente in verband met de betaling van de gehele of gedeeltelijke geldboete; en

Oplegging van elke andere passende maatregel.

Middelen en voornaamste argumenten

In de bestreden beschikking heeft de Commissie vastgesteld, dat Bonar Phormium Packaging („BPP”) had deelgenomen in een complex kartel tussen fabrikanten van plastic industriezakken, dat zich uitstrekte tot België, Frankrijk, Duitsland, Luxemburg, Nederland en Spanje. Dit kartel was op Europees niveau georganiseerd rond een handelsorganisatie, genaamd Valveplast, en tal van sub-groepen. De Commissie achtte eerstgenoemde verzoekster aansprakelijk voor de deelname van BPP op grond dat zij de moederonderneming van Bonar Phormium NV („BP”) was, waarvan BPP een divisie was; zij achtte de tweede verzoekster aansprakelijk op grond dat deze de rechtsopvolger van BP was, waarmee zij een juridische fusie was aangegaan. De Commissie legde verzoeksters een geldboete op van 12,24 miljoen EUR.

Eerstgenoemde verzoekster stelt, dat de Commissie juridische en feitelijke fouten heeft gemaakt door haar aansprakelijk te houden voor de door BPP begane inbreuk. Anders dan in de bestreden beschikking is geconstateerd, had zij geen deel in het commerciële beleid van BPP, wier management zelfstandig het marktgedrag van deze onderneming bepaalde.

Beide verzoeksters betogen verder subsidiair, dat de Commissie juridische en feitelijke fouten heeft gemaakt door vast te stellen dat de in de bestreden beschikking genoemde complexe afspraken gezamenlijk één voortdurende schending van artikel 81 EG opleverden die op Europees niveau rond Valveplast was begaan, en door subsidiair vast te stellen dat BPP had deelgenomen aan of anderszins op de hoogte was met en dus aansprakelijk was voor die schending. Volgens verzoeksters kon de Commissie enkel vaststellen, dat BPP had deelgenomen aan of, subsidiair, op de hoogte was met en aansprakelijk was voor afspraken met betrekking tot België en Nederland, en dat zij had deelgenomen aan het Valveplast-kartel gedurende slechts een week, namelijk tussen 21 november 1997, toen een vertegenwoordiger van BPP een bijeenkomst van Valveplast bijwoonde, en 28 november 1997, de datum waarop volgens de bestreden beschikking BPP's deelname werd beëindigd.

Verzoeksters stellen verder subsidiair, dat de door de Commissie opgelegde geldboete buitensporig hoog en onevenredig is en inbreuk maakt op de beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie. Voorts heeft de Commissie juridische en feitelijke fouten gemaakt bij het bepalen van de hoogte van de geldboete en is de berekening van de geldboete ontoereikend gemotiveerd. In deze context heeft de Commissie volgens hen over het hoofd gezien, dat BPP een beperkte en uitsluitend passieve rol had gespeeld, en heeft zij een onevenredig en buitensporig basisbedrag opgelegd.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/43


Beroep ingesteld op 13 februari 2006 — Italiaanse Republiek tegen Commissie

(Zaak T-61/06)

(2006/C 86/82)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekster: Italiaanse Republiek [vertegenwoordiger: P. Gentili, Avvocato dello Stato]

Verweerster: Commissie van de Europese Gemeenschappen

Conclusies van verzoekster

Nietigverklaring van mededeling nr. 12980 van 1 december 2005 betreffende de certificering en de declaratie van tussentijdse kosten en een verzoek om betaling. Docup Veneto ob. 2 2000-2006 (nr. CCI 2000 IT 16 2 DO 005);

nietigverklaring van mededeling nr. 13683 van 13 december 2005 betreffende betalingen door de Europese Commissie van andere dan de gevraagde bedragen. Ref. Programma DOCUP Lombardia 2000-2006 (nr. CCI 2000 IT 16 2 DO 014);

nietigverklaring van mededeling nr. 13684 van 13 december 2005 betreffende betalingen door de Europese Commissie van andere dan de gevraagde bedragen. Ref. Programma POR Puglia (nr. CCI 1999 IT 16 1 PO 009);

nietigverklaring van mededeling nr. 13687 van 13 december 2005 betreffende betalingen door de Europese Commissie van andere dan de gevraagde bedragen. Ref. Programma DOCUP Piemonte (nr. CCI 2000 IT 16 2 DO 007);

nietigverklaring van mededeling nr. 14013 van 19 december 2005 betreffende betalingen door de Europese Commissie van andere dan de gevraagde bedragen. Ref. Programma DOCUP Toscana Ob. 2 (nr. CCI 2000 IT 16 2 DO 001);

nietigverklaring van mededeling nr. 14015 van 19 december 2005 betreffende PON Sviluppo Imprenditoriale Locale 2000-2006 (nr. CCI 1999 IT 16 1 DO 002) — Betalingen door de Europese Commissie van andere dan de gevraagde bedragen;

nietigverklaring van mededeling nr. 14016 van 19 december 2005 betreffende betalingen door de Europese Commissie van andere dan de gevraagde bedragen. Ref. Programma POR Campania (nr. CCI 1999 IT 16 1 PO 007);

nietigverklaring van mededeling nr. 14082 van 20 december 2005 betreffende betalingen door de Europese Commissie van andere dan de gevraagde bedragen. Ref. Programma DOCUP Ob. 2 Lazio 2000-2006 (nr. CCI 2000 IT 16 2 DO 009);

nietigverklaring van mededeling nr. 14108 van 20 december 2005 betreffende betalingen door de Europese Commissie van andere dan de gevraagde bedragen. Ref. Programma DOCUP Lombardia (nr. CCI 2000 IT 16 2 DO 014);

nietigverklaring van mededeling nr. 14133 van 21 december 2005 betreffende de certificering en de declaratie van tussentijdse kosten en een verzoek om betaling. Docup Veneto ob. 2 2000-2006 (nr. CCI 2000 IT 16 2 DO 005);

nietigverklaring van mededeling nr. 14154 van 21 december 2005 betreffende betalingen door de Europese Commissie van andere dan de gevraagde bedragen. Ref. Programma POR Puglia (nr. CCI 1999 IT 16 1 PO 009);

nietigverklaring van mededeling nr. 00627 van 23 januari 2006 betreffende betalingen door de Europese Commissie van andere dan de gevraagde bedragen. Ref. Programma POR Puglia (nr. CCI 1999 IT 16 1 PO 009);

nietigverklaring van alle daarmee verband houdende en eerdere handelingen;

verwijzing van de Commissie van de Europese Gemeenschappen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De middelen en voornaamste argumenten komen overeen met die in zaak T-345/04, Italiaanse Republiek tegen Commissie. (1)


(1)  PB C 262 van 23 oktober 2004, blz. 55.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/44


Beroep ingesteld op 23 februari 2006 — Eurallumina tegen Commissie

(Zaak T-62/06)

(2006/C 86/83)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekster: Eurallumina SpA (Portoscuso, Italië) (vertegenwoordigers: L. Martin Alegi, R. Denton en M. Garcia, Solicitors)

Verweerster: Commissie van de Europese Gemeenschappen

Conclusies van verzoekster

ofwel:

nietigverklaring van de bestreden beschikking in haar geheel; of

verklaring dat de huidige door beschikking 2001/224/EEG van de Raad toegestane vrijstelling rechtmatig is tot 31 december 2006 en dat bedragen waarvan de Italiaanse staat heeft afgezien of zal afzien, niet als onrechtmatige staatssteun mogen worden beschouwd, althans niet mogen worden teruggevorderd; of

nietigverklaring van de bestreden beschikking in haar geheel en verklaring dat de huidige door beschikking 2001/224/EEG van de Raad toegestane vrijstelling rechtmatig is tot 31 december 2006 en dat bedragen waarvan de Italiaanse staat heeft afgezien of zal afzien, niet als onrechtmatige staatssteun mogen worden beschouwd, althans niet mogen worden teruggevorderd;

ofwel:

nietigverklaring van de artikelen 1, 4, 5 en 6 van de bestreden beschikking voorzover zij Eurallumina betreffen; of

verklaring dat de huidige door beschikking 2001/224/EEG van de Raad toegestane vrijstelling rechtmatig is tot 31 december 2006 en dat bedragen waarvan de Italiaanse staat heeft afgezien of zal afzien, niet als onrechtmatige staatssteun mogen worden beschouwd, althans niet mogen worden teruggevorderd; of

nietigverklaring van de artikelen 1, 4, 5 en 6 van de bestreden beschikking voorzover zij Eurallumina betreffen en verklaring dat de huidige door beschikking 2001/224/EEG van de Raad toegestane vrijstelling rechtmatig is tot 31 december 2006 en dat bedragen waarvan de Italiaanse staat heeft afgezien of zal afzien, niet als onrechtmatige staatssteun mogen worden beschouwd, althans niet mogen worden teruggevorderd;

subsidiair, wijziging van de artikelen 5 en 6 van de bestreden beschikking voorzover zij Eurallumina betreffen, in dier voege dat op grond van de huidige vrijstelling tot 31 december 2006, of ten minste tot 31 december 2003, bedragen waarvan de Italiaanse staat heeft afgezien en zal afzien, niet worden teruggevorderd; en

verwijzing van de Commissie in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Verzoekster komt op tegen de tot de Franse Republiek, Ierland en de Italiaanse Republiek gerichte beschikking van de Commissie van 7 december 2005 inzake een reeks beschikkingen van de Raad waarbij vrijstellingen worden toegestaan van de accijns op minerale oliën die worden gebruikt voor de productie van aluminiumoxide in de Gardanne, in Shannon en in Sardinië. In de bestreden beschikking heeft de Commissie vastgesteld dat de vrijstellingen als staatssteun moesten worden aangemerkt.

Tot staving van haar verzoek betoogt verzoekster, dat zij er mocht op vertrouwen dat de huidige vrijstelling, die is voorgesteld door de Commissie en met eenparigheid van stemmen is goedgekeurd bij beschikking 2001/224/EEG van de Raad (1), tot eind december 2006 een rechtsgeldige gemeenschapshandeling is, en dat elke handeling van de Italiaanse staat en verzoekster ter uitvoering van en vertrouwend op deze maatregelen, niet onrechtmatig zijn. Verzoekster mocht erop vertrouwen dat de bedragen waarvan de Italiaanse staat in overeenstemming met de rechtmatig verleende vrijstellingen heeft afgezien, in geen geval zouden worden teruggevorderd. Door te stellen dat de toepassing van de vrijstellingen van 3 februari 2002 tot 31 december 2003 terugvorderbare staatssteun was, heeft de Commissie dus inbreuk gemaakt op de rechten die verzoekster aan het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het vermoeden van geldigheid, de beginselen van „lex specialis” en „effet utile” alsmede het beginsel van behoorlijk bestuur ontleent.

Door te beslissen dat op 2 februari 2002 een einde kwam aan verzoeksters gewettigd vertrouwen, heeft de Commissie bovendien geen juiste tijdvak in aanmerking genomen, gedurende welke investeringen dienden te worden gedaan en afgeschreven met betrekking tot verzoeksters fabriek. De Commissie heeft de bestreden beschikking dan ook niet gemotiveerd.


(1)  Beschikking 2001/224/EEG van de Raad van 12 maart 2001 houdende verlagingen en vrijstellingen van de accijns op bepaalde minerale oliën die gebruikt worden voor specifieke doeleinden (PB L 84, blz. 23).


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/45


Beroep ingesteld op 16 februari 2006 — Eyropaïki Dynamiki tegen EWDD

(Zaak T-63/06)

(2006/C 86/84)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekster: Eyropaïki Dynamiki — Proigmena Systimata Tilepikoinonion Pliroforikis kai Tilematikis AE (Athene, Griekenland) [vertegenwoordiger: N. Korogiannakis, advocaat]

Verweerder: Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugverslaving

Conclusies van verzoekster

Nietigverklaring van het besluit van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugverslaving houdende afwijzing van verzoeksters inschrijving en gunning van de opdracht aan de winnende inschrijver;

veroordeling van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugverslaving tot betaling van de wettelijke en andere kosten die verzoekster in het kader van deze inschrijving heeft gemaakt alsmede tot vergoeding van de schade die zij ten gevolge van de aanbestedingsprocedure heeft geleden.

Middelen en voornaamste argumenten

Verzoekster heeft een prijsaanbieding gedaan in het kader van een door verweerder uitgeschreven openbare aanbesteding voor het verrichten van diensten van softwareprogrammering en -consultancy (PB 2005/S 187 — 183846). Verzoekster komt op tegen het besluit tot afwijzing van haar inschrijving en tot gunning van de opdracht aan een andere inschrijver.

Tot staving van haar beroep voert verzoekster aan dat het bestreden besluit is vastgesteld in strijd met het discriminatieverbod en het transparantiebeginsel, alsmede met richtlijn 92/50 (1) en het financieel reglement. (2) Volgens verzoekster is haar inschrijving afgewezen op grond van criteria die niet in de aankondiging van opdracht stonden. Verzoekster stelt verder dat verweerder haar niet om preciseringen heeft verzocht en zodoende het beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden. Ten slotte stelt verzoekster dat het bestreden besluit kennelijke beoordelingsfouten bevat.


(1)  Richtlijn 92/50/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening (PB L 209, blz. 1).

(2)  Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het financieel reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (PB L 248, blz. 1).


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/46


Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 8 februari 2006 — Aqua-Terra Bioprodukt tegen BHIM

(Zaak T-330/05) (1)

(2006/C 86/85)

Procestaal: Duits

De president van de Eerste kamer van het Gerecht van eerste aanleg heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 296 van 26.11.2005.


GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN VAN DE EUROPESE UNIE

8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/47


Beroep ingesteld op 16 december 2005 — A tegen Commissie

(Zaak F-124/05)

(2006/C 86/86)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoeker: A (Port-Vendres, Frankrijk) (vertegenwoordigers: B. Cambier en L. Cambier, advocaten)

Verweerster: Commissie van de Europese Gemeenschappen

Conclusies van verzoeker

nietig te verklaren verweersters besluit van 28 februari 2005 tot afwijzing van zijn krachtens artikel 90, lid 1, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen ingediende verzoek van 22 oktober 2004 om de bij besluit van 16 januari 2004 tegen hem ingeleide tuchtprocedure te beëindigen;

nietig te verklaren verweersters besluit van 26 september 2005 tot verwerping van zijn krachtens artikel 90, lid 2, van het Ambtenarenstatuut ingediende klacht van 20 mei 2005 die strekte tot wijziging van het besluit van 28 februari 2005;

voor recht te verklaren dat zijn verzoek van 22 oktober 2004 ontvankelijk en gegrond is;

verweerster te veroordelen tot betaling aan verzoeker en zijn gezin van een voorlopige schadevergoeding van 1 581 801 EUR, de helft van de schade die is veroorzaakt door het besluit om de tuchtprocedure tegen verzoeker in te leiden en te handhaven, waarbij de andere helft door een deskundige nader moet worden bepaald;

verweerster te veroordelen tot betaling van 8 % rente op de genoemde bedragen vanaf 23 november 1999, de datum van afsluiting van het eerste rapport inzake het interne onderzoek door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF), waarin de eerste tekenen van vooringenomenheid jegens verzoeker blijken, of subsidiair vanaf 16 januari 2004, de datum waarop het tot aanstelling bevoegd gezag (TABG) heeft besloten een tuchtprocedure tegen verzoeker in te leiden;

een deskundige aan te stellen;

de Commissie van de Europese Gemeenschappen te verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Tot staving van zijn beroep voert verzoeker zes middelen aan.

Met het eerste stelt hij dat de betrokken tuchtprocedure uitsluitend is ingeleid wegens de tegen hem ingestelde strafvervolging, die is beëindigd met een buitenvervolgingstelling door de Raadkamer te Brussel van 30 juni 2004. De tuchtprocedure moest derhalve hetzelfde lot beschoren zijn.

Met het tweede middel voert verzoeker het gezag van gewijsde van die buitenvervolgingstelling aan, waartegen verweerster geen hoger beroep heeft ingesteld.

Subsidiair meent verzoeker in zijn derde middel, dat voor het geval moet worden aangenomen dat het TABG de tuchtprocedure op grond van feiten die door de Raadkamer te Brussel definitief niet bewezen zijn geacht, mocht voortzetten, de litigieuze besluiten de uitkomst van de tegen hem ingeleide procedure ten onrechte doen afhangen van de uitkomst van de procedures tegen mevrouw Cresson.

Met het vierde en vijfde middel stelt verzoeker vervolgens dat de hem verweten feiten onjuist zijn en dat het TABG de zorgplicht van artikel 24 Ambtenarenstatuut en het vertrouwensbeginsel heeft geschonden, nu het niet al het mogelijke heeft gedaan om het juiste verloop van de gebeurtenissen te achterhalen.

Met zijn laatste middel stelt verzoeker ten slotte dat de redelijke termijn waarbinnen het TABG zich moet uitspreken hoe dan ook reeds lang verstreken is, nu de feiten dateren uit de jaren 1995-1996.

Met betrekking tot het verzoek om schadevergoeding stelt verzoeker dat de door verweerster begane fouten ten grondslag liggen aan de zenuwinzinking ten gevolge waarvan hij zijn ambtenarenloopbaan voortijdig heeft moeten beëindigen. Deze omstandigheid heeft hem en zijn gezin materiële en morele schade berokkend.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/48


Beroep ingesteld op 5 januari 2006 — Marcuccio/Commissie

(Zaak F-2/06)

(2006/C 86/87)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoeker: Luigi Marcuccio (Tricase, Italië) (vertegenwoordiger: I. Cazzato, advocaat)

Verweerster: Commissie van de Europese Gemeenschappen

Conclusies van verzoeker

nietig te verklaren de beschikking om zonder beslissing af te doen de procedure betreffende de toekenning van de wettelijke waarborgen inzonderheid op grond van artikel 73 van het Statuut aan verzoeker, wegens een ongeval waarvan hij op 10 september 2003 het slachtoffer was.

verweerster te verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Tot staving van zijn beroep voert verzoeker om te beginnen aan dat de bestreden beschikking kennelijk onlogisch is en volstrekt niet met reden is omkleed. Hoewel hij meermaals heeft aangedrongen op voortzetting van de procedure over de toekenning van de in artikel 73 van het Statuut bedoelde uitkeringen, en zich ter beschikking hield van de door verweerster aangewezen arts, heeft de Commissie echter geconcludeerd dat verzoeker niet geïnteresseerd was in een voortzetting van de betrokken procedure, en de beëindiging van de procedure gelast.

Verzoeker stelt voorts dat verweerster onrechtmatig heeft gehandeld, aangezien nergens is bepaald dat de ambtenaar die een ongeval heeft gehad, zich rechtstreeks met de door de instelling aangewezen arts in verbinding moet stellen om een afspraak te maken.

Ten slotte verwijt verzoeker de Commissie schending van de zorgplicht als bedoeld in artikel 24 van het Statuut, aangezien zij niet naar behoren rekening heeft gehouden met verzoekers belangen en zich niet in overeenstemming met haar ambtsplicht heeft gedragen.


8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/48


Beroep ingesteld op 3 februari 2006 — Suleimanova tegen Comité van de Regio's

(Zaak F-12/06)

(2006/C 86/88)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekster: Karina Suleimanova (Brussel, België) (vertegenwoordigers: S. Orlandi, A. Coolen, J.-N. Louis en E. Marchal, advocaten)

Verweerder: Comité van de Regio's

Conclusies van verzoekster

het besluit tot aanstelling van verzoekster tot ambtenaar van de Europese Gemeenschappen nietig te verklaren voorzover haar rang bij aanwerving daarin wordt bepaald overeenkomstig artikel 12 van bijlage XIII bij het Ambtenarenstatuut;

het Comité van de Regio's te verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Verzoekster is geslaagd voor een vergelijkend onderzoek waarvan de aankondiging is gepubliceerd vóór 1 mei 2004, en is aangeworven na de inwerkingtreding van verordening (EG, Euratom) nr. 723/2004 van de Raad van 22 maart 2004 tot wijziging van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en van de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen. (1)

In haar verzoekschrift stelt verzoekster allereerst dat het bestreden besluit in strijd is met het rechtskader dat wordt gevormd door de aankondiging van het vergelijkend onderzoek. Met toepassing van artikel 12 van bijlage XIII bij het Ambtenarenstatuut is zij immers aangeworven in een lagere rang dan die welke was vermeld in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek.

Volgens verzoekster schendt het bestreden besluit ook de artikelen 5, 29 en 31 van het Ambtenarenstatuut, het beginsel van gelijke behandeling en het discriminatieverbod. Personen die geslaagd zijn voor een zelfde vergelijkend onderzoek of voor vergelijkende onderzoeken van hetzelfde niveau zijn verschillend ingeschaald naargelang zij zijn aangeworven voor of na de inwerkingtreding van verordening nr. 723/2004.

Ten slotte stelt verzoekster nog schending van het vertrouwensbeginsel, nu zij mocht aannemen dat zij zou worden aangeworven in de rang die was vermeld in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek waarvoor zij zich kandidaat had gesteld.


(1)  PB L 124 van 27.4.2004, blz. 1.


III Bekendmakingen

8.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 86/49


(2006/C 86/89)

Laatste publicatie van het Hof van Justitie in het Publicatieblad van de Europese Unie

PB C 74 van 25.3.2006

Historisch overzicht van de vroegere publicaties

PB C 60 van 11.3.2006

PB C 48 van 25.2.2006

PB C 36 van 11.2.2006

PB C 22 van 28.1.2006

PB C 10 van 14.1.2006

PB C 330 van 24.12.2005

Deze teksten zijn beschikbaar in:

 

EUR-Lex:http://europa.eu.int/eur-lex

 

CELEX:http://europa.eu.int/celex