ISSN 1725-2474

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 80E

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

49e jaargang
4 april 2006


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

I   Mededelingen

 

Raad

2006/C 080E/1

Gemeenschappelijk Standpunt (EG) nr. 1/2006 van 1 december 2005, vastgesteld door de Raad, volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met het oog op de aanneming van een beschikking van het Europees Parlement en de Raad tot opstelling van richtsnoeren voor trans-Europese netwerken in de energiesector en houdende intrekking van Beschikking 96/391/EG van de Raad en Beschikking nr. 1229/2003/EG

1

2006/C 080E/2

Gemeenschappelijk Standpunt (EG) nr. 2/2006 van 8 december 2005, vastgesteld door de Raad, volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met het oog op de aanneming van een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toevoeging van vitaminen en mineralen en bepaalde andere stoffen aan levensmiddelen

27

2006/C 080E/3

Gemeenschappelijk Standpunt (EG) nr. 3/2006 van 8 december 2005, vastgesteld door de Raad, volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met het oog op de aanneming van een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen

43

NL

 


I Mededelingen

Raad

4.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 80/1


GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT (EG) Nr. 1/2006

vastgesteld door de Raad op 1 december 2005

met het oog op de aanneming van Beschikking nr. …/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van … tot opstelling van richtsnoeren voor trans-Europese netwerken in de energiesector en houdende intrekking van Beschikking 96/391/EG van de Raad en Beschikking nr. 1229/2003/EG

(2006/C 80 E/01)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 156,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Sinds de vaststelling van Beschikking nr. 1229/2003/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 tot opstelling van richtsnoeren voor trans-Europese netwerken in de energiesector en houdende intrekking van Beschikking nr. 1254/96/EG (3) is de behoefte ontstaan om de nieuwe lidstaten, toetredingslanden en kandidaat-lidstaten volledig in deze richtsnoeren op te nemen en deze, indien nodig, verder aan te passen aan het nieuwe nabuurschapsbeleid van de Europese Unie.

(2)

De prioriteiten voor trans-Europese energienetwerken vloeien voort uit de totstandbrenging van een meer open en op de concurrentie gerichte interne energiemarkt als gevolg van de uitvoering van Richtlijn 2003/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit (4) en van Richtlijn 2003/55/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas (5). Die prioriteiten sluiten aan op de conclusies van de Europese Raad van Stockholm van 23 en 24 maart 2001 inzake de ontwikkeling van de infrastructuur die nodig is voor de goede werking van de energiemarkt. Er dient een bijzondere inspanning te worden geleverd ter verwezenlijking van de doelstelling om meer gebruik te maken van duurzame energiebronnen, teneinde aldus bij te dragen tot een beleid inzake duurzame ontwikkeling. Een en ander dient evenwel te worden bewerkstelligd zonder onevenredige verstoring van het normale marktevenwicht. Ook dient ten volle rekening te worden gehouden met de doelstellingen van het communautaire vervoersbeleid en in het bijzonder met de mogelijkheid van vermindering van het vervoer over de weg door aardgas en alkenen via pijpleidingen te vervoeren.

(3)

Met de beschikking zal men dichter bij de vaststelling van het streefcijfer komen voor de mate van onderlinge koppeling van de elektriciteitsnetten tussen de lidstaten waarover in de Europese Raad van Barcelona van 15 en 16 maart 2002 overeenstemming werd bereikt. Dit kan leiden tot verbetering van de betrouwbaarheid en de integriteit van het netwerk en zorgen voor continuïteit van de energievoorziening en een goede werking van de interne markt.

(4)

In de regel dienen de aanleg en het onderhoud van energie-infrastructuur onderworpen te zijn aan de beginselen van de vrije markt. Dit is tevens in overeenstemming met de gemeenschappelijke voorschriften voor de voltooiing van de interne energiemarkt en met de gemeenschappelijke regels inzake het mededingingsrecht, die erop gericht zijn een opener en concurrerender interne energiemarkt tot stand te brengen. Communautaire financiële steun voor bouw en onderhoud moet derhalve een hoge uitzondering blijven. Dergelijke uitzonderingen dienen naar behoren te worden gemotiveerd.

(5)

De energie-infrastructuur dient zodanig te worden aangelegd en onderhouden dat de interne energiemarkt efficiënt kan werken, met inachtneming van de bestaande procedures voor raadpleging van de betrokkenen, zonder afbreuk te doen aan strategische criteria en, in voorkomend geval, criteria inzake universele dienstverlening en openbaredienstverplichtingen.

(6)

Met het oog op de potentiële synergie tussen aardgasnetwerken en alkeennetwerken moet aandacht worden besteed aan de ontwikkeling en integratie van alkeennetwerken om te kunnen voorzien in de behoeften aan alkeengas van de industrie in de Gemeenschap.

(7)

De prioriteiten voor trans-Europese energienetwerken vloeien tevens voort uit het toenemende belang van de trans-Europese energienetwerken voor de continuïteit en diversificatie van de energievoorziening van de Gemeenschap, de integratie van de energienetwerken van de nieuwe lidstaten, toetredende landen en kandidaat-lidstaten en de gecoördineerde exploitatie van de energienetwerken in de Gemeenschap en de aangrenzende landen na raadpleging van de betrokken lidstaten. De buurlanden van de Gemeenschap spelen namelijk een vitale rol in het energiebeleid van de Gemeenschap. Zij voorzien in een groot deel van de vraag van de Gemeenschap naar aardgas, zijn belangrijkere partners voor de doorvoer van primaire energie naar de Gemeenschap en zullen geleidelijk belangrijke spelers worden op de interne markt voor gas en elektriciteit van de Gemeenschap.

(8)

Binnen de projecten op het gebied van trans-Europese energienetwerken dienen prioritaire projecten te worden aangeduid die van groot belang zijn voor de goede werking van de interne energiemarkt of voor een continue energievoorziening.

(9)

De procedure voor de selectie van projecten van gemeenschappelijk belang met betrekking tot trans-Europese energienetwerken dient een evenwichtige toepassing van Verordening (EG) nr. 2236/95 van de Raad van 18 september 1995 tot vaststelling van de algemene regels voor het verlenen van financiële bijstand van de Gemeenschap op het gebied van de trans-Europese netwerken (6) te waarborgen. In die procedure dienen twee niveaus te worden onderscheiden: op een eerste niveau wordt een beperkt aantal selectiecriteria vastgesteld, op een tweede niveau worden de projecten uitvoerig beschreven; dit zijn de specificaties.

(10)

Er moet voorrang worden gegeven aan de financiering, uit hoofde van Verordening (EG) nr. 2236/95, van projecten van Europees belang, dat wil zeggen projecten van gemeenschappelijk belang, bedoeld in deze beschikking en opgenomen in de in deze beschikking vermelde assen voor prioritaire projecten.

(11)

De lidstaten kennen bij de indiening van projecten in het kader van communautaire financiële instrumenten passende prioriteit toe aan projecten die vermeld zijn in bijlage I en voldoen aan de criteria van deze beschikking.

(12)

Aangezien de projectspecificaties vatbaar zijn voor wijzigingen, zijn zij indicatief. De Commissie dient dan ook gemachtigd te zijn deze bij te werken. Aangezien het project aanzienlijke politieke, milieu- en economische gevolgen kan hebben, dient het juiste evenwicht te worden gevonden tussen toezicht door de wetgever en flexibiliteit bij het bepalen van de projecten die mogelijke communautaire steun verdienen.

(13)

Met het oog op een betere voorbereiding en uitvoering in de loop van bepaalde prioritaire projecten dan wel delen of groepen van prioritaire projecten, verzorgt en coördineert de Commissie, in overleg met de betrokken lidstaten, de samenwerking met de gebruikers en de exploitanten, zodat de nodige monitoring uitgevoerd wordt om de Gemeenschap van de vorderingen op de hoogte te houden. Daarbij pleegt de Commissie, samen met de betrokken lidstaten, overleg met exploitanten, gebruikers, regionale en lokale overheden en vertegenwoordigers van het maatschappelijke middenveld, teneinde beter op de hoogte te zijn van de vraag naar transmissiediensten, de randvoorwaarden en de omvang van de diensten die nodig zijn om het gebruik van de infrastructuur in kwestie te optimaliseren.

(14)

De lidstaten wordt verzocht de uitvoering van bepaalde projecten te coördineren, met name grensoverschrijdende projecten of delen daarvan.

(15)

Er dient een gunstiger klimaat voor de ontwikkeling en aanleg van trans-Europese energienetwerken te worden geschapen, voornamelijk door de technische samenwerking tussen de voor de netwerken verantwoordelijke instanties te stimuleren, door de uitvoering van de vergunningsprocedures voor netwerkprojecten in de lidstaten te vergemakkelijken om vertragingen te beperken en door gebruik te maken van de voor netwerkprojecten beschikbare communautaire fondsen, instrumenten en financieringsprogramma's. De Gemeenschap moet de maatregelen die de lidstaten hiertoe nemen, ondersteunen.

(16)

Aangezien de aan trans-Europese energienetwerken toegewezen middelen hoofdzakelijk dienen ter financiering van haalbaarheidsstudies, kunnen dergelijke — vooral interregionale — interconnectienetwerken zo nodig worden bekostigd uit de communautaire structuurfondsen, financiële programma's en instrumenten.

(17)

De vaststelling van de projecten van gemeenschappelijk belang, van de betrokken specificaties en van de prioritaire projecten mag niet vooruitlopen op de resultaten van de milieueffectbeoordeling van de projecten en van de plannen of programma's.

(18)

De voor de uitvoering van deze beschikking vereiste maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (7).

(19)

De Commissie brengt regelmatig verslag uit over de uitvoering van deze beschikking.

(20)

Aangezien deze beschikking betrekking heeft op hetzelfde onderwerp en toepassingsgebied als Beschikking 96/391/EG van de Raad van 28 maart 1996 inzake maatregelen om voor de ontwikkeling van de trans-Europese netwerken in de energiesector een gunstiger klimaat te creëren (8) en als Beschikking nr. 1229/2003/EG, dienen beide beschikkingen te worden ingetrokken,

HEBBEN DE VOLGENDE BESCHIKKING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze beschikking worden de aard en de draagwijdte van het richtinggevende beleid van de Gemeenschap op het gebied van trans-Europese energienetwerken omschreven. Daartoe worden richtsnoeren opgesteld die de doelstellingen, de prioriteiten en de grote lijnen van het beleid van de Gemeenschap op het gebied van trans-Europese energienetwerken bestrijken. In die richtsnoeren worden projecten van gemeenschappelijk belang op het gebied van de trans-Europese elektriciteits- en gasnetwerken geïdentificeerd, met inbegrip van die welke prioriteit hebben.

Artikel 2

Toepassingsgebied

Deze beschikking betreft:

1.

bij elektriciteitsnetwerken:

a)

alle hoogspanningsleidingen, met uitzondering van leidingen van distributienetten, en de onderzeese verbindingen, voorzover deze infrastructuur gebruikt wordt voor interregionaal of internationaal elektriciteitstransport/interregionale of internationale elektriciteitsverbindingen;

b)

alle apparatuur en installaties die voor de goede werking van het betreffende systeem onontbeerlijk zijn, met inbegrip van de beveiligings-, controle- en regelsystemen;

2.

bij gasnetwerken (voor het transport van aardgas of alkeengassen):

a)

de hogedrukgaspijpleidingen, met uitzondering van leidingen van distributienetten, waarmee regio's van de Gemeenschap vanuit binnen of buiten de Gemeenschap gelegen bronnen kunnen worden voorzien;

b)

de met bovengenoemde hogedrukgaspijpleidingen verbonden ondergrondse opslaginstallaties;

c)

de installaties voor de aanlanding, opslag en hervergassing van vloeibaar aardgas (LNG) alsmede LNG-tankers naar gelang van hun capaciteit;

d)

alle apparatuur en installaties die voor de goede werking van het betreffende systeem onontbeerlijk zijn, met inbegrip van de beveiligings-, controle- en regelsystemen.

Artikel 3

Doelstellingen

De Gemeenschap bevordert de onderlinge koppeling, de interoperabiliteit en de ontwikkeling van de trans-Europese energienetwerken alsmede de toegang tot die netwerken, overeenkomstig het bestaande Gemeenschapsrecht, teneinde:

a)

een doeltreffende werking en ontwikkeling van de interne markt in het algemeen en van de interne markt voor energie in het bijzonder te bevorderen en tevens een rationele productie en distributie en een rationeel vervoer en gebruik van energiebronnen alsmede de ontwikkeling van en verbinding met duurzame energiebronnen aan te moedigen, om de energiekosten voor de consument te beperken en bij te dragen tot de diversificatie van de energiebronnen;

b)

de ontwikkeling en ontsluiting van de minder ontwikkelde en insulaire gebieden in de Gemeenschap te vergemakkelijken en aldus tot de versterking van de economische en sociale samenhang bij te dragen;

c)

de continuïteit van de energievoorziening te verhogen, bijvoorbeeld door de betrekkingen met derde landen op energiegebied in het wederzijdse belang van alle betrokken partijen te verbeteren, met name in het kader van het Verdrag inzake het Energiehandvest en van de door de Gemeenschap gesloten samenwerkingsovereenkomsten;

d)

bij te dragen tot duurzame ontwikkeling en de bescherming van het milieu, onder andere door gebruik te maken van vernieuwbare energiebronnen en door het verminderen van de milieurisico's die aan het transport en de transmissie van energie zijn verbonden.

Artikel 4

Actieprioriteiten

De prioriteiten van het Gemeenschapsbeleid op het gebied van trans-Europese energienetwerken moeten verenigbaar zijn met duurzame ontwikkeling en luiden als volgt:

1.

voor zowel elektriciteits- als gasnetwerken:

a)

aanpassing en ontwikkeling van de energienetwerken ter ondersteuning van de werking van de interne energiemarkt en met name oplossing van de problemen in verband met, in het bijzonder grensoverschrijdende, knelpunten, congestie en ontbrekende schakels, gelet op de behoeften die voortvloeien uit de werking van de interne markt voor elektriciteit en aardgas en de uitbreiding van de Europese Unie;

b)

aanleg van energienetwerken in insulaire, geïsoleerde, perifere en ultraperifere gebieden met bevordering van de diversificatie van de energiebronnen en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen alsook, waar nodig, aansluiting van die netwerken;

2.

voor elektriciteitsnetwerken:

a)

aanpassing en ontwikkeling van netwerken ter bevordering van de integratie en aansluiting van installaties voor de productie van hernieuwbare energie;

b)

interoperabiliteit van de elektriciteitsnetwerken in de Gemeenschap en met die in de kandidaat-lidstaten en andere landen in Europa en de landen aan de Middellandse Zee en de Zwarte Zee;

3.

voor gasnetwerken:

a)

ontwikkeling van aardgasnetwerken om aan de vraag van de Gemeenschap naar aardgas te voldoen en de aardgasvoorzieningssystemen te reguleren;

b)

interoperabiliteit van de aardgasnetwerken in de Gemeenschap en met die in de kandidaat-lidstaten en andere landen in Europa en de landen aan de Middellandse Zee, de Zwarte Zee en de Kaspische Zee, alsmede in het Midden-Oosten en het Golfgebied, en diversificatie van de aardgasbronnen en aanvoerroutes.

Artikel 5

Beleidslijnen

De hoofdlijnen van het Gemeenschapsbeleid op het gebied van trans-Europese energienetwerken zijn:

a)

de aanduiding van projecten van gemeenschappelijk belang zoals bedoeld in artikel 6;

b)

het creëren van een gunstiger klimaat voor de ontwikkeling van die netwerken.

Artikel 6

Criteria voor projecten van gemeenschappelijk belang

1.   De algemene criteria die moeten worden toegepast wanneer een besluit wordt genomen over selectie, wijzigingen, specificaties of aanvragen tot aanpassing van projecten van gemeenschappelijk belang, zijn de volgende:

a)

de projecten moeten binnen de werkingssfeer van artikel 2 vallen;

b)

de projecten moeten beantwoorden aan de doelstellingen van artikel 3 en aan de prioriteiten van artikel 4;

c)

de projecten moeten uitzicht bieden op potentiële economische levensvatbaarheid.

De evaluatie van de economische levensvatbaarheid wordt gebaseerd op een kosten-batenanalyse, waarbij rekening wordt gehouden met alle kosten en baten, ook op middellange en/of lange termijn, uit het oogpunt van de milieuaspecten, de continuïteit van de voorziening en de bijdrage tot de economische en sociale samenhang. Voor projecten van gemeenschappelijk belang die het grondgebied van een lidstaat betreffen, is de goedkeuring van de betrokken lidstaat vereist.

2.   Bijlage II bevat aanvullende criteria voor de selectie van de projecten van gemeenschappelijk belang. Besluiten tot wijziging van de aanvullende criteria voor de selectie van projecten van gemeenschappelijk belang, zoals deze in bijlage II zijn opgenomen, worden genomen volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag.

3.   Alleen de in bijlage III genoemde projecten die voldoen aan de criteria van lid 1 en bijlage II, komen in aanmerking voor financiële bijstand van de Gemeenschap uit hoofde van Verordening (EG) nr. 2236/95.

4.   De indicatieve projectspecificaties, waaronder begrepen de gedetailleerde beschrijving van de projecten en, indien van toepassing, de geografische beschrijving ervan, staan in bijlage III. Deze specificaties worden bijgewerkt volgens de procedure van artikel 11, lid 2. Actualiseringen zijn technisch van aard en moeten zich beperken tot technische wijzigingen van projecten, tot een wijziging van een bepaald deel van de gespecificeerde route of tot een beperkte aanpassing van de projectlocatie.

5.   De lidstaten nemen alle maatregelen die zij nodig achten om de verwezenlijking van projecten van gemeenschappelijk belang te vergemakkelijken en te versnellen en vertragingen tot een minimum te beperken, met inachtneming van het Gemeenschapsrecht en de internationale overeenkomsten op het gebied van het milieu. Met name de vereiste vergunningsprocedures worden snel afgewikkeld.

6.   Wanneer delen van projecten van gemeenschappelijk belang op het grondgebied van derde landen zijn gelegen, kan de Commissie, met instemming van de betrokken lidstaten, voorstellen doen, in voorkomend geval in het kader van het beheer van de akkoorden van de Gemeenschap met deze derde landen, en overeenkomstig het Verdrag inzake het Energiehandvest en andere multilaterale overeenkomsten voor de derde landen die partij zijn bij dat verdrag, zodat deze projecten ook door de betrokken derde landen als van wederzijds belang worden erkend, teneinde de verwezenlijking van deze projecten te vergemakkelijken.

Artikel 7

Prioritaire projecten

1.   De projecten van gemeenschappelijk belang genoemd in artikel 6, lid 3, die betrekking hebben op de assen voor prioritaire projecten in bijlage I, komen prioritair in aanmerking voor financiële bijstand van de Gemeenschap uit hoofde van Verordening (EG) nr. 2236/95. Besluiten tot wijziging van bijlage I worden genomen volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag.

2.

a)

Wat grensoverschrijdende investeringsprojecten betreft, nemen de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat, in het kader van nationale vergunningsprocedures, het feit dat deze projecten de onderlinge koppelcapaciteit van twee of meer lidstaten uitbreiden en bijgevolg in heel Europa de continuïteit van de energievoorziening versterken, beschouwd wordt als een criterium voor de evaluatie door de bevoegde nationale autoriteiten.

b)

De betrokken lidstaten en de Commissie streven ernaar om binnen hun bevoegdheid en samen met de verantwoordelijke bedrijven de uitvoering van de prioritaire projecten te bevorderen, in het bijzonder wanneer het om grensoverschrijdende projecten gaat.

3.   Prioritaire projecten zijn verenigbaar met duurzame ontwikkeling en voldoen aan de volgende criteria:

a)

zij hebben een aanzienlijke invloed op het functioneren van de mededinging op de interne markt en/of

b)

zij versterken de continuïteit van de energievoorziening in de Gemeenschap en/of

c)

zij leiden tot een verhoogd gebruik van vernieuwbare energie.

Artikel 8

Gunstiger klimaat

1.   Teneinde bij te dragen tot het creëren van een gunstiger klimaat voor de ontwikkeling van trans-Europese energienetwerken en de interoperabiliteit daarvan, neemt de Gemeenschap de daarop gerichte inspanningen van de lidstaten in aanmerking, hecht zij het grootste belang aan en bevordert zij, voorzover dat nodig is, de volgende maatregelen:

a)

technische samenwerking tussen de voor de trans-Europese energienetwerken verantwoordelijke instanties, met name voor de goede werking van de in bijlage II, punten 1, 2 en 7, genoemde verbindingen;

b)

het vergemakkelijken van de vergunningsprocedures voor projecten op het gebied van trans-Europese energienetwerken, teneinde de duur ervan te bekorten;

c)

steunverlening aan de projecten van gemeenschappelijk belang via communautaire fondsen, financiële instrumenten en programma's die op deze netwerken van toepassing zijn.

2.   De Commissie neemt, in nauw overleg met de betrokken lidstaten, alle initiatieven tot bevordering van de coördinatie van de in lid 1 vermelde activiteiten.

3.   Besluiten betreffende maatregelen die nodig zijn om de in lid 1, onder a) en b), vermelde activiteiten uit te voeren, worden door de Commissie genomen volgens de procedure van artikel 11, lid 2.

Artikel 9

Gevolgen voor de mededinging

Wanneer projecten worden overwogen, worden hun gevolgen voor de mededinging en de continuïteit van de energievoorziening in aanmerking genomen. Particuliere financiering of financiering door de betrokken economische actoren is de belangrijkste financieringsbron en wordt aangemoedigd. Concurrentievervalsing tussen de marktpartijen wordt vermeden overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag.

Artikel 10

Beperkingen

1.   Deze beschikking doet geen afbreuk aan financiële verplichtingen die door een lidstaat of door de Gemeenschap zijn aangegaan.

2.   Deze beschikking loopt niet vooruit op de uitkomsten van de milieueffectbeoordeling van de projecten en van de plannen of programma's waarmee het kader voor de toekomstige vergunning van de desbetreffende projecten wordt vastgelegd. Wanneer krachtens de Gemeenschapswetgeving terzake een milieueffectbeoordeling vereist is, wordt met het resultaat daarvan rekening gehouden, voordat daadwerkelijk een besluit tot uitvoering van de projecten wordt genomen overeenkomstig de toepasselijke Gemeenschapswetgeving.

Artikel 11

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

3.   Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 12

Verslag

De Commissie stelt over de uitvoering van deze beschikking om de twee jaar een verslag op dat zij aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's voorlegt.

In dat verslag wordt aandacht besteed aan de verwezenlijking en de vorderingen met de uitvoering van de prioritaire projecten die betrekking hebben op de in bijlage II, punten 2, 4 en 7, genoemde grensoverschrijdende verbindingen, alsmede aan de wijze van financiering van deze projecten, met name wat de financiële bijdrage van de Gemeenschap betreft.

Artikel 13

Intrekking

De Beschikkingen 96/391/EG en nr. 1229/2003/EG worden ingetrokken.

Artikel 14

Inwerkingtreding

Deze beschikking treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 15

Adressaten

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te …

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

Voor de Raad

De voorzitter


(1)  PB C 241 van 28.9.2004, blz. 17.

(2)  Advies van het Europees Parlement van 7 juni 2005 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(3)  PB L 176 van 15.7.2003, blz. 11.

(4)  PB L 176 van 15.7.2003, blz. 37. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 2004/85/EG van de Raad (PB L 236 van 7.7.2004, blz. 10).

(5)  PB L 176 van 15.7.2003, blz. 57.

(6)  PB L 228 van 23.9.1995, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 807/2004 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 143 van 30.4.2004, blz. 46).

(7)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(8)  PB L 161 van 29.6.1996, blz. 154.


BIJLAGE I

TRANS-EUROPESE NETWERKEN IN DE ENERGIESECTOR

Assen voor prioritaire projecten zoals omschreven in artikel 7

Prioritaire projecten per as

ELEKTRICITEITSNETWERKEN

EL.1.

Frankrijk — België — Nederland — Duitsland: versterking van de elektriciteitsnetten die noodzakelijk zijn om congestie in de Benelux op te lossen.

Prioritaire projecten omvatten:

 

Lijn Avelin (FR) — Avelgem (BE)

 

Lijn Moulaine (FR) — Aubange (BE).

EL.2.

Grenzen van Italië met Frankrijk, Oostenrijk, Slovenië en Zwitserland: uitbreiding van de onderlinge koppelcapaciteit van de elektriciteitsnetten.

Prioritaire projecten omvatten:

 

Lijn Lienz (AT) — Cordignano (IT)

 

Nieuwe koppeling tussen Italië en Slovenië

 

Lijn West-Udine (IT) — Okroglo (SI)

 

Lijn S. Fiorano (IT) — Nave (IT) — Gorlago (IT)

 

Lijn Venezia Nord (IT) — Cordignano (IT)

 

St. Peter (AT) — Tauern (AT)

 

Südburgenland (AT) — Kainachtal (AT)

 

Koppeling via de Brenner-spoortunnel tussen Oostenrijk en Italië (Thaur-Brixten).

EL.3.

Frankrijk — Spanje — Portugal: uitbreiding van de onderlinge koppelcapaciteit van de elektriciteitsnetten tussen deze landen en het Iberische schiereiland en ontwikkeling van het netwerk in de insulaire gebieden.

Prioritaire projecten omvatten:

 

Lijn Sentmenat (ES) — Bescanό (ES) — Baixas (FR)

 

Lijn Valdigem (PT) — Douro Internacional (PT) — Aldeadávila (ES) en de installaties van Douro Internacional.

EL.4.

Griekenland — de Balkanlanden — UCTE-systeem: ontwikkeling van de elektriciteitsinfrastructuur om Griekenland op het UCTE-systeem aan te sluiten en de ontwikkeling van de Zuidoost-Europese elektriciteitsmarkt mogelijk te maken.

Prioritaire projecten omvatten:

 

Lijn Philippi (EL) — Hamidabad (TR).

EL.5.

Verenigd Koninkrijk — continentaal Europa en Noord-Europa: totstandbrenging/uitbreiding van de onderlinge koppelcapaciteit van de elektriciteitsnetten en mogelijke integratie van buitengaatse windenergie.

Prioritaire projecten omvatten:

 

Onderzeese kabel tussen Engeland (UK) — Nederland.

EL.6.

Ierland — Verenigd Koninkrijk: Uitbreiding van de onderlinge koppelcapaciteit van de elektriciteitsnetten en mogelijke integratie van buitengaatse windenergie.

Prioritaire projecten omvatten:

 

Onderzeese kabel tussen Ierland en Wales (UK).

EL.7.

Denemarken — Duitsland — Baltische ring (incl. Noorwegen — Zweden — Finland — Denemarken — Duitsland — Polen — Baltische staten — Rusland): Uitbreiding van de onderlinge koppelcapaciteit van de elektriciteitsnetten en mogelijke integratie van buitengaatse windenergie.

Prioritaire projecten omvatten:

 

Lijn Kasso (DK) — Hamburg/Dollern (DE)

 

Lijn Hamburg Krümmel (DE) — Schwerin (DE)

 

Lijn Kasso (DK) — Revsing (DK) — Tjele (DK)

 

Lijn Vester Hassing (DK) — Trige (DK)

 

Onderzeese kabel Skagerrak 4 (DK) tussen Denemarken en Noorwegen

 

Verbinding Polen — Litouwen, met inbegrip van de nodige versterking van het Poolse elektriciteitsnet en het PL-DE-profiel, om deelneming aan de interne energiemarkt mogelijk te maken.

 

Onderzeese kabel Finland — Estland (Estlink)

 

Onderzeese kabel Finland — Zweden (Fennoscan)

 

Halle/Saale (DE) — Schweinfurt (DE).

EL.8.

Duitsland — Polen — Tsjechië — Slowakije — Oostenrijk — Hongarije — Slovenië: uitbreiding van de onderlinge koppelcapaciteit van de elektriciteitsnetten.

Prioritaire projecten omvatten:

 

Lijn Neuenhagen (DE) — Vierraden (DE) — Krajnik (PL)

 

Lijn Dürnrohr (AT) — Slavětice (CZ)

 

Nieuwe koppeling tussen Duitsland en Polen

 

Velke Kapusany (SK) — Lemesany (SK) –Moldava (SK) — Sajóivánka (HU)

 

Gabcikovo (SK) — Velkýy Dur (SK)

 

Stupava (SK) — Wenen (Zuid-Oost) (AT).

EL.9.

Lidstaten aan de Middellandse Zee — mediterrane elektriciteitsring: uitbreiding van de onderlinge koppelcapaciteit van de elektriciteitsnetten tussen de lidstaten aan de Middellandse Zee en Marokko — Algerije — Tunesië — Libië — Egypte — landen in het Nabije Oosten — Turkije

Prioritaire projecten omvatten:

 

Elektriciteitsverbinding tussen Tunesië en Italië.

GASNETWERKEN

NG.1.

Verenigd Koninkrijk — noordelijk continentaal Europa, omvattend Nederland, België, Denemarken, Zweden en Duitsland — Polen — Litouwen — Letland — Estland — Finland — Rusland:

Gaspijpleidingen die een aantal van de voornaamste gasbronnen in Europa met elkaar verbinden en de interoperabiliteit van de netten en de continuïteit van de gasvoorziening verbeteren, waaronder aardgaspijpleidingen via de offshore route van Rusland naar de Europese Unie en de „onshore”-route van Rusland naar Polen en Duitsland, aanleg van nieuwe pijpleidingen en uitbreiding van de netwerkcapaciteit in en tussen Duitsland, Denemarken en Zweden alsmede in en tussen Polen, Tsjechië, Slowakije, Duitsland en Oostenrijk.

Prioritaire projecten omvatten:

 

De Noord-Europese gasleiding

 

Gasleiding Yamal — Europa

 

Aardgaspijpleiding die Denemarken, Duitsland en Zweden met elkaar verbindt

 

Toename van de overdrachtcapaciteit op de as Duitsland — België — Verenigd Koninkrijk.

NG.2.

Algerije — Spanje — Italië — Frankrijk — noordelijk continentaal Europa: de aanleg van nieuwe aardgaspijpleidingen van Algerije naar Spanje, Frankrijk en Italië en uitbreiding van de netcapaciteit in en tussen Spanje, Frankrijk en Italië.

Prioritaire projecten omvatten

 

Gaspijpleiding Algerije — Tunesië — Italië

 

Gaspijpleiding Algerije — Italië via Sardinië en Corsica met een aftakking naar Frankrijk

 

Medgaspijpleiding (Algerije — Spanje — Frankrijk — continentaal Europa).

NG.3.

Landen aan de Kaspische Zee — het Midden-Oosten — de Europese Unie: nieuwe aardgaspijpleidingennetwerken naar de Europese Unie vanaf nieuwe bronnen, waaronder de aardgaspijpleidingen Turkije — Griekenland, Griekenland — Italië, Turkije — Oostenrijk en Griekenland — Slovenië — Oostenrijk (via de Westelijke Balkan).

Prioritaire projecten omvatten:

 

Gaspijpleiding Turkije — Griekenland — Italië

 

Gaspijpleiding Turkije — Oostenrijk.

NG.4.

Terminals voor vloeibaar aardgas (LNG) in België, Frankrijk, Spanje, Portugal, Italië, Griekenland, Cyprus en Polen: diversificatie van de bronnen en de toegangspunten, waaronder de LNG-aansluitingen op het transmissienet.

NG.5.

Ondergrondse aardgasopslag in Spanje, Portugal, Frankrijk, Italië, Griekenland en de landen aan de Oostzee: Uitbreiding van de capaciteit in Spanje, Frankrijk, Italië en de landen aan de Oostzee en bouw van de eerste installaties in Portugal, Griekenland en Litouwen.

NG.6.

Lidstaten aan de Middellandse Zee — oostelijke mediterrane gasring: Aanleg van de aardgaspijpleiding en capaciteitsuitbreiding daarvan tussen de lidstaten aan de Middellandse Zee en Libië — Egypte — Jordanië — Syrië — Turkije.

Prioritaire projecten omvatten:

 

Gaspijpleiding Libië — Italië.


BIJLAGE II

TRANS-EUROPESE NETWERKEN IN DE ENERGIESECTOR

Aanvullende criteria voor de selectie van projecten van gemeenschappelijk belang zoals bedoeld in artikel 6, lid 2

ELEKTRICITEITSNETWERKEN

1.

Ontwikkeling van elektriciteitsnetten in insulaire, geïsoleerde, perifere en ultraperifere regio's met voorrang voor diversificatie van energiebronnen en een groter gebruik van hernieuwbare energie en, in voorkomend geval, verbinding van de elektriciteitsnetten in deze regio's:

Ierland — Verenigd Koninkrijk (Wales)

Griekenland (eilanden)

Italië (Sardinië) — Frankrijk (Corsica) — Italië (vasteland)

Verbindingen in insulaire regio's, inclusief verbindingen met het vasteland

Verbindingen in ultraperifere regio's in Frankrijk, Spanje en Portugal.

2.

Het ontwikkelen van elektriciteitsverbindingen tussen de lidstaten om de goede werking van de interne markt en de betrouwbare werking van elektriciteitsnetwerken te verzekeren:

Frankrijk — België — Nederland — Duitsland

Frankrijk — Duitsland

Frankrijk — Italië

Frankrijk — Spanje

Portugal — Spanje

Finland — Zweden

Finland — Estland — Letland — Litouwen

Oostenrijk — Italië

Italië — Slovenië

Oostenrijk — Italië — Slovenië — Hongarije

Duitsland — Polen

Duitsland — Polen — Tsjechië — Oostenrijk — Slowakije — Hongarije

Hongarije — Slowakije

Hongarije — Oostenrijk

Polen — Litouwen

Ierland — Verenigd Koninkrijk (Noord-Ierland)

Oostenrijk — Duitsland — Slovenië — Hongarije

Nederland — Verenigd Koninkrijk

Duitsland — Denemarken — Zweden

Griekenland — Italië

Hongarije — Slovenië

Malta — Italië

Finland — Estland

Italië — Slovenië.

3.

Ontwikkeling van binnenlandse elektriciteitsverbindingen in de lidstaten, die nodig zijn voor de benutting van de verbindingen tussen de lidstaten, voor de werking van de interne markt of voor de aansluiting van duurzame energiebronnen:

Alle lidstaten.

4.

Ontwikkeling van elektriciteitsverbindingen met derde landen, met name met de kandidaat-lidstaten, die bijdragen tot de interoperabiliteit, de betrouwbaarheid en de veiligheid van de werking van de elektriciteitsnetten of tot de elektriciteitsvoorziening van de Europese Gemeenschap:

Duitsland — Noorwegen

Nederland — Noorwegen

Zweden — Noorwegen

Verenigd Koninkrijk — Noorwegen

Baltische elektriciteitsring: Duitsland — Polen — Belarus — Rusland — Litouwen –Letland — Estland — Finland — Zweden — Noorwegen — Denemarken

Noorwegen — Zweden — Finland — Rusland

Mediterrane elektriciteitsring: Frankrijk — Spanje — Marokko — Algerije — Tunesië — Libië — Egypte — landen in het Nabije Oosten — Turkije — Griekenland — Italië

Griekenland — Turkije

Italië — Zwitserland

Oostenrijk — Zwitserland

Hongarije — Roemenië

Hongarije — Servië

Hongarije — Kroatië

Italië — Tunesië

Griekenland — Balkanlanden

Spanje — Marokko

Spanje — Andorra — Frankrijk

EU — Balkanlanden — Belarus — Rusland — Oekraïne

Zwarte-Zee-elektriciteitsring: Rusland — Oekraïne — Roemenië — Bulgarije — Turkije — Georgië

Bulgarije — voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië/Griekenland — Albanië — Italië of Bulgarije — Griekenland — Italië.

5.

Acties om de werking van de onderling gekoppelde elektriciteitsnetten te verbeteren in het kader van de interne markt, met name gericht op de inventarisatie van de knelpunten en ontbrekende schakels, het ontwikkelen van oplossingen voor de congestieproblemen en de aanpassing van de methoden voor het maken van prognoses en het exploiteren van de elektriciteitsnetten:

Het aangeven van de knelpunten en de ontbrekende schakels, met name grensoverschrijdend, binnen elektriciteitsnetten.

Het ontwikkelen van oplossingen voor elektriciteitsstroombeheer met het oog op de congestieproblemen binnen elektriciteitsnetten.

De aanpassing van de prognose- en exploitatiemethoden voor elektriciteitsnetten die nodig zijn voor een goede werking van de interne markt en het gebruik van een hoog percentage duurzame energiebronnen.

GASNETWERKEN

6.

De introductie van aardgas in nieuwe regio's, met name insulaire, geïsoleerde, perifere en ultraperifere gebieden en de ontwikkeling van aardgasnetwerken in deze gebieden:

Verenigd Koninkrijk (Noord-Ierland)

Ierland

Spanje

Portugal

Griekenland

Zweden

Denemarken

Italië (Sardinië)

Frankrijk (Corsica)

Cyprus

Malta

Ultraperifere regio's in Frankrijk, Spanje, Portugal.

7.

Ontwikkeling van aardgasnetverbindingen die nodig zijn voor de werking van de interne markt of om de continuïteit van de energievoorziening te versterken, met inbegrip van de verbinding van de afzonderlijke aardgasnetten en alkeengasnetwerken:

Ierland — Verenigd Koninkrijk

Frankrijk — Spanje

Frankrijk — Zwitserland

Portugal — Spanje

Oostenrijk — Duitsland

Oostenrijk — Hongarije

Oostenrijk — Hongarije — Slowakije — Polen

Polen — Tsjechië

Slowakije — Tsjechië — Duitsland — Oostenrijk

Oostenrijk — Italië

Griekenland –Balkanlanden

Oostenrijk — Hongarije — Roemenië — Bulgarije — Griekenland — Turkije

Frankrijk — Italië

Griekenland — Italië

Oostenrijk — Tsjechië

Duitsland — Tsjechië — Oostenrijk — Italië

Oostenrijk — Slovenië — Kroatië

Hongarije — Kroatië

Hongarije — Roemenië

Hongarije — Slowakije

Hongarije — Oekraïne

Slovenië — Balkanlanden

België — Nederland — Duitsland

Verenigd Koninkrijk — Nederland — Duitsland

Duitsland — Polen

Denemarken — Verenigd Koninkrijk

Denemarken — Duitsland — Zweden

Denemarken — Nederland.

8.

Ontwikkeling van de aanlandingscapaciteit van LNG en van de opslagcapaciteit van aardgas, die nodig zijn om aan de vraag te voldoen en om de gasvoorzieningssystemen te regelen alsmede om de voorzieningsbronnen en de aanvoerroutes te diversifiëren:

Alle lidstaten.

9.

Ontwikkeling van de aardgastransportcapaciteit (aanvoerpijpleidingen) die nodig is om aan de vraag te voldoen en om de voorziening uit interne en externe bronnen alsmede de aanvoerroutes te diversifiëren:

Noordelijk gasnet: Noorwegen — Denemarken — Duitsland — Zweden — Finland –Rusland — Baltische staten — Polen

Algerije — Spanje — Frankrijk

Rusland — Oekraïne — Europese Unie

Rusland — Belarus — Oekraïne — Europese Unie

Rusland — Belarus — Europese Unie

Rusland — Oostzee — Duitsland

Rusland — Baltische staten — Polen — Duitsland

Duitsland — Tsjechië — Polen — Duitsland — andere lidstaten

Libië — Italië

Tunesië — Libië — Italië

Landen aan de Kaspische Zee — Europese Unie

Rusland — Oekraïne — Moldavië — Roemenië — Bulgarije — Griekenland — Slovenië — andere Balkanlanden

Rusland — Oekraïne — Slowakije — Hongarije — Slovenië — Italië

Nederland — Duitsland — Zwitserland — Italië

België — Frankrijk — Zwitserland — Italië

Denemarken — Zweden — Polen

Noorwegen — Rusland — Europese Unie

Ierland

Algerije — Italië — Frankrijk

Algerije — Tunesië — Italië

Midden-Oosten — oostelijke mediterrane gasring — Europese Unie

Menginstallatie in Winksele op de Noord-Zuid-as (menging van waterstofgas met stikstofgas)

Versterking van de transportcapaciteit op de Oost-West-as Zeebrugge — Eynatten.

10.

Acties om de werking van onderling gekoppelde aardgasnetten binnen de interne markt en in de doorvoerlanden te verbeteren, met name gericht op de inventarisatie van de knelpunten en ontbrekende schakels, het ontwikkelen van oplossingen voor de congestieproblemen en de aanpassing van de methoden voor het maken van prognoses en het veilig en efficiënt exploiteren van de aardgasnetten:

Het aangeven van de knelpunten en de ontbrekende schakels, met name grensoverschrijdend, binnen de aardgasnetten.

Het ontwikkelen van oplossingen voor aardgasstroombeheer met het oog op de congestieproblemen in gasnetten.

Het aanpassen van de prognose- en exploitatiemethoden met betrekking tot aardgasnetwerken die nodig zijn voor de werking van de interne markt.

Het verhogen van de algemene prestaties, de veiligheid en de beveiliging van aardgasnetwerken in de doorvoerlanden.

11.

Ontwikkeling en integratie van de alkeengastransportcapaciteit die nodig is om aan de vraag binnen de interne markt te voldoen:

Alle lidstaten.


BIJLAGE III

TRANS-EUROPESE ENERGIENETWERKEN

Projecten van gemeenschappelijk belang en de specificaties daarvan, zoals die momenteel aan de hand van de criteria van bijlage II zijn bepaald

ELEKTRICITEITSNETWERKEN

1.   Ontwikkeling van elektriciteitsnetten in geïsoleerde regio's

1.1.

Onderzeese kabel Ierland — Wales (UK)

1.2.

Aansluiting van de Cycladen (EL) (op het internationale systeem)

1.3.

Verbinding via een onderzeese kabel voor 30 kV tussen de eilanden Faial, Pico en S. Jorge (Azoren, PT)

1.4.

Verbinding en versterking van het elektriciteitsnet op Terceira, Faial en S. Miguel (Azoren, PT)

1.5.

Verbinding en versterking van het elektriciteitsnet op Madeira (PT)

1.6.

Onderzeese kabel Sardinië (IT) — vasteland van Italië

1.7.

Onderzeese kabel Corsica (FR) — Italië

1.8.

Verbinding vasteland van Italië — Sicilië (IT): Verdubbeling van de verbinding Sorgente (IT) — Rizziconi (IT)

1.9.

Nieuwe verbindingen op de Balearen en de Canarische Eilanden (ES)

2.   Ontwikkeling van elektriciteitsverbindingen tussen de lidstaten

2.1.

Lijn Moulaine (FR) — Aubange (BE)

2.2.

Lijn Avelin (FR) — Avelgem (BE)

2.3.

Koppeling tussen Duitsland en België

2.4.

Lijn Vigy (FR) — Marlenheim (FR)

2.5.

Lijn Vigy (FR) — Uchtelfangen (DE)

2.6.

La Praz (FR): fasenregelaar

2.7.

Verdere capaciteitsuitbreiding via de bestaande koppeling tussen Frankrijk en Italië

2.8.

Nieuwe koppeling tussen Frankrijk en Italië

2.9.

Nieuwe koppeling via de Pyreneeën tussen Frankrijk en Spanje

2.10.

Verbinding via de oostelijke Pyreneeën tussen Frankrijk en Spanje

2.11.

Verbindingen tussen Noord-Portugal en Noordwest-Spanje

2.12.

Lijn Sines (PT) — Alqueva (PT) — Balboa (ES)

2.13.

Verbinding tussen Zuid-Portugal en Zuidwest-Spanje

2.14.

Lijn Valdigem (PT) — Douro Internacional (PT) — Aldeadávila (ES) en de installaties van Douro Internacional

2.15.

Verbindingen ten noorden van de Botnische Golf en de onderzeese kabel Fennoscan tussen Finland en Zweden

2.16.

Lijn Lienz (AT) — Cordignano (IT)

2.17.

Koppeling Somplago (IT) — Würmbach (AT)

2.18.

Koppeling via de Brenner-spoortunnel tussen Oostenrijk en Italië (Thaur-Brixten)

2.19.

Verbinding tussen Ierland en Noord-Ierland

2.20.

Lijn St Peter (AT) — Isar (DE)

2.21.

Onderzeese kabel tussen Zuidoost-Engeland en Midden-Nederland

2.22.

Versterking van de verbindingen tussen Denemarken en Duitsland, bijv. de lijn Kasso — Hamburg

2.23.

Versterking van de verbindingen tussen Denemarken en Zweden

2.24.

Nieuwe koppeling tussen Slovenië en Hongarije: Cirkovce (SI) — Hévíc (HU)

2.25.

Sajoivanka (HU) — Rimavska Sobota (SK)

2.26.

Moldava (SK) — Sajoivanka (HU)

2.27.

Stupava (SK) — Wenen (Zuid-Oost) (AT)

2.28.

Polen-Duitsland (Neuenhagen (DE) — Vierraden (DE) — Krajnik (PL))

2.29.

Verbinding Polen — Litouwen (Elk-Alytus)

2.30.

Onderzeese kabel tussen Finland en Estland

2.31.

Installatie van flexibele alternatieve transmissiesystemen tussen Italië en Slovenië

2.32.

Nieuwe verbindingen tussen de systemen UCTE en Centrel

2.33.

Lijn Dürnrohr (AT) — Slavetice (CZ)

2.34.

Onderzeese elektriciteitsverbinding tussen Malta (MT) en Sicilië (IT)

2.35.

Nieuwe koppeling tussen Italië en Slovenië

2.36.

Lijn West-Udine (IT) — Okroglo (SI)

3.   Ontwikkeling van elektriciteitsverbindingen binnen de lidstaten

3.1.

Aansluitingen op de Deense Oost-West-verbinding: verbinding tussen de westelijke (UCTE) en oostelijke (Nordel) netten van Denemarken

3.2.

Aansluitingen op de Deense Noord-Zuid-verbinding

3.3.

Nieuwe aansluitingen in Noord-Frankrijk

3.4.

Nieuwe aansluitingen in Zuidwest-Frankrijk

3.5.

Lijn Trino Vercellese (IT) — Lacchiarelle (IT)

3.6.

Lijn Turbigo (IT) — Rho (IT) — Bovisio (IT)

3.7.

Lijn Voghera (IT) — La Casella (IT)

3.8.

Lijn S. Fiorano (IT) — Nave (IT) — Gorlago (IT)

3.9.

Lijn Venezia Nord (IT) — Cordignano (IT)

3.10.

Lijn Redipuglia (IT) — Udine Ovest (IT)

3.11.

Nieuwe aansluitingen op de Oost-West-as van Italië

3.12.

Lijn Tavarnuzze (IT) — Casellina (IT)

3.13.

Lijn Tavarnuzze (IT) — S. Barbara (IT)

3.14.

Lijn Rizziconi (IT) — Feroleto (IT) — Laino (IT)

3.15.

Nieuwe aansluitingen op de Noord-Zuid-as van Italië

3.16.

Wijzigingen van het netwerk om de aansluitingen voor duurzame energie in Italië te vergemakkelijken

3.17.

Nieuwe aansluitingen voor windenergie in Italië

3.18.

Nieuwe aansluitingen op de noordas van Spanje

3.19.

Nieuwe aansluitingen op de mediterrane as van Spanje

3.20.

Nieuwe aansluitingen op de as Galicië (ES) — Centro (ES)

3.21.

Nieuwe aansluitingen op de as Centro (ES) — Aragón (ES)

3.22.

Nieuwe aansluitingen op de as Aragón (ES) — Levante (ES)

3.23.

3.22bis Nieuwe verbindingen op de as Zuid — Centrum van Spanje

3.24.

3.22 ter Nieuwe verbindingen op de as Zuid — Centrum van Spanje

3.25.

Nieuwe aansluitingen in Andalucía (ES)

3.26.

Lijn Pedralva (PT) — Riba d'Ave (PT) en de installaties van Pedralva

3.27.

Lijn Recarei (PT) — Valdigem (PT)

3.28.

Lijn Picote (PT) — Pocinho (PT) (opwaardering)

3.29.

Wijziging van de huidige lijn Pego (PT) — Cedillo (ES)/Falagueira (PT) en de installaties van Falagueira

3.30.

Lijn Pego (PT) — Batalha (PT) en de installaties van Batalha

3.31.

Lijn Sines (PT) — Ferreira do Alentejo (PT) I (verbetering)

3.32.

Nieuwe aansluitingen voor windenergie in Italië

3.33.

Lijn Pereiros (PT) — Zêzere (PT) — Santarém (PT) en de installaties van Zêzere

3.34.

Lijn Batalha (PT) — Rio Maior (PT) I en II (verbeteringen)

3.35.

Lijn Carrapatelo (PT) — Mourisca (PT) (verbetering)

3.36.

Lijn Valdigem (PT) — Viseu (PT) — Anadia (PT)

3.37.

Omlegging van de huidige lijn Rio Maior (PT) — Palmela (PT) naar de lijn Ribatejo (PT) en de installaties van Ribatejo

3.38.

Thessaloniki (EL), Lamia (EL) en Patras (EL): onderstations en verbindingslijnen

3.39.

Verbindingen voor de regio's Evia (EL), Laconië (EL) en Thracië (EL)

3.40.

Versterking van de bestaande verbindingen tussen perifere regio's en het vasteland in Griekenland

3.41.

Lijn Tynagh (IE) — Cashla (IE)

3.42.

Lijn Flagford (IE) — East Sligo (IE)

3.43.

Verbindingen in Noordoost- en West-Spanje, met name voor aansluiting op het netwerk voor de opwekking van windenergie

3.44.

Verbindingen in Baskenland (ES), Aragón (ES) en Navarra (ES)

3.45.

Verbindingen in Galicië (ES)

3.46.

Verbindingen in Midden-Zweden

3.47.

Verbindingen in Zuid-Zweden

3.48.

Lijn Hamburg (DE) — regio Schwerin (DE)

3.49.

Lijn regio Halle/Saale (DE) — regio Schweinfurt (DE)

3.50.

Nieuwe verbindingen voor windenergie op zee en aan land in Duitsland

3.51.

Verbetering van het 380 kV-net in Duitsland voor de koppeling van offshore-windmolenparken

3.52.

Verbindingen in Noord-Ierland, met betrekking tot de koppelverbindingen met Ierland

3.53.

Verbindingen in het noordwesten van het Verenigd Koninkrijk

3.54.

Verbindingen in Schotland en Engeland, met het oog op een groter gebruik van hernieuwbare bronnen bij het opwekken van elektriciteit

3.55.

Nieuwe aansluitingen voor offshorewindenergie in België, met inbegrip van de verbetering van het 380 kV-net

3.56.

Onderstation Borssele (NL)

3.57.

Implementatie van „reactive power compensation equipment” (NL)

3.58.

Installatie van faseverschuivers en/of condensatoren in België

3.59.

Verbetering van het 380 kV-net in België om de aanvoercapaciteit te verhogen

3.60.

Lijn St. Peter (AT) — Tauern (AT)

3.61.

Lijn Südburgenland (AT) — Kainachtal (AT)

3.62.

Dunowo (PL) — Żydowo (PL) — Krzewina (PL) — Plewiska (PL)

3.63.

Pątnów (PL) — Grudziądz (PL)

3.64.

Ostrow (PL) — Plewiska (PL)

3.65.

Ostrow (PL) — Trębaczew (Rogowiec) (PL)

3.66.

Plewiska (PL) — Pątnów (PL)

3.67.

Tarnów (PL) — Krosno (PL)

3.68.

Ełk (PL) — Olsztyn Matki (PL)

3.69.

Ełk (PL) — Narew (PL)

3.70.

Mikułowa (PL) — Świebodzice-Dobrzén (Groszowice) (PL)

3.71.

Pątnów (PL) — Sochaczew (PL) — Warszawa (PL)

3.72.

Krsko (SI) — Bericevo (SI)

3.73.

Opwaardering van het Sloveense transmissiesysteem van 220 kV tot 400 kV

3.74.

Medzibrod (SK) — Liptovská Mara (SK)

3.75.

Lemešany (SK) — Moldava (SK)

3.76.

Lemešany (SK) — Veľké Kapušany (SK)

3.77.

Gabčikovo (SK) — Veľký Ďur (SK)

3.78.

Verbindingen in Noord-Zweden

3.79.

Stroomvoorziening van Saaremma (EE): overschakelen naar 110 kV

3.80.

Verbetering van stroomvoorziening in Tartu (EE)

3.81.

Vernieuwing van onderstation van Eesti (EE) (330 kV)

3.82.

Vernieuwing van onderstations van Kiisa (EE), Puessi (EE) en Viljandi (EE) (110 kV)

3.83.

Lijn Nošovice (CZ) — Prosenice (CZ): ombouwen van een enkelvoudige 400 kV-lijn tot een dubbele 400 kV-lijn.

3.84.

Krasíkov (CZ) — Horní Životice (CZ): nieuwe enkelvoudige 400 kV-lijn

3.85.

Nieuwe aansluitingen voor windenergie op Malta (MT)

4.   Ontwikkeling van elektriciteitsverbindingen met niet-lidstaten

4.1.

Nieuwe koppeling tussen Italië en Zwitserland

4.2.

Lijn Philippi (EL) — Maritsa 3 (Bulgarije)

4.3.

Lijn Amintaio (EL) — Bitola (FYROM)

4.4.

Lijn Kardia (EL) — Elbasan (Albanië)

4.5.

lijn Elbasan (Albanië) — Podgorica (Servië en Montenegro)

4.6.

Mostar (Bosnië en Herzegovina): onderstation en verbindingslijnen

4.7.

Ernestinovo (Kroatië): onderstation en verbindingslijnen

4.8.

Nieuwe verbindingen tussen Griekenland en Albanië, Bulgarije en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië

4.9.

Lijn Philippi (EL) — Hamidabad (TR)

4.10.

Onderzeese kabel tussen Noordoost-/Oost-Engeland en Zuid-Noorwegen

4.11.

Lijn Eemshaven (NL) — Feda (NO)

4.12.

Onderzeese kabel tussen Zuid-Spanje en Marokko (versterking van de bestaande verbinding)

4.13.

Aansluitingen op de Baltische elektriciteitsring: Duitsland — Polen — Rusland — Estland — Letland — Litouwen — Zweden — Finland — Denemarken — Belarus

4.14.

Verbindingen Zuid-Finland — Rusland

4.15.

Nieuwe verbindingen tussen Noord-Zweden en Noord-Noorwegen

4.16.

Nieuwe verbindingen tussen Midden-Zweden en Midden-Noorwegen

4.17.

Lijn Borgvik (SE) — Hoesle (NO) — regio Oslo (NO)

4.18.

Nieuwe verbindingen tussen het systeem UCTE/Centrel en de Balkanlanden

4.19.

Verbindingen en interface tussen het UCTE-systeem en Belarus, Rusland en Oekraïne, en de verplaatsing van HVDC-conversiestations die voorheen operationeel waren tussen Oostenrijk en Hongarije, Oostenrijk en de Tsjechische Republiek en tussen Duitsland en Tsjechië

4.20.

Aansluitingen op de Zwarte Zee-elektriciteitsring: Rusland — Oekraïne — Roemenië — Bulgarije — Turkije — Georgië

4.21.

Nieuwe verbindingen in het gebied rond de Zwarte Zee met het oog op de interoperabiliteit van het UCTE-net met de netten in de betreffende landen

4.22.

Nieuwe aansluitingen op de mediterrane elektriciteitsring: Frankrijk — Spanje — Marokko — Algerije — Tunesië — Libië — Egypte — landen in het Nabije Oosten — Turkije — Griekenland — Italië

4.23.

Onderzeese kabel tussen Zuid-Spanje en Noordwest-Algerije

4.24.

Onderzeese kabel tussen Italië en Noord-Afrika (Algerije — Tunesië — Libië)

4.25.

Elektriciteitsverbinding tussen Tunesië en Italië

4.26.

Nieuwe verbindingen in het gebied rond de Barentszee

4.27.

Verbetering van verbindingen tussen Denemarken en Noorwegen

4.28.

Obermoorweiler (DE) — Meiningen (AT) — Bonaduz (CH): verdere capaciteitsuitbreiding

4.29.

Békéscsaba (HU) — Oradea (RO)

4.30.

Pécs (HU) — Sombor (Servië en Montenegro)

4.31.

Pécs (HU) — Ernestinovo (HR)

4.32.

Veľké Kapušany (SK) — Oekraïne-grens

4.33.

Andrall (ES) — Encamp (AD): capaciteitsverhoging tot 220 kV

4.34.

Spanje — Andorra — Frankrijk: verbetering van aansluitingen

5.   Acties om de werking van de onderling gekoppelde elektriciteitsnetten te verbeteren in het kader van de interne markt

(Er zijn nog geen specificaties bepaald)

GASNETWERKEN

6.   Introductie van aardgas in nieuwe gebieden

6.1.

Ontwikkeling van een gasnet van Belfast tot het Noordwesten van Noord-Ierland (UK) en zo nodig tot de westkust van Ierland

6.2.

LNG in Santa Cruz de Tenerife, de Canarische Eilanden (ES)

6.3.

LNG in Las Palmas de Gran Canaria (ES)

6.4.

LNG op Madeira (PT)

6.5.

Ontwikkeling van het gasnet in Zweden

6.6.

Verbinding tussen de Balearen (ES) en het vasteland van Spanje

6.7.

Hogedrukaftakking naar Thracië (EL)

6.8.

Hogedrukaftakking naar Korinthe (EL)

6.9.

Hogedrukaftakking naar Noordwest-Griekenland (EL)

6.10.

Verbinding tussen Lolland (DK) en de Falster-eilanden (DK)

6.11.

LNG op Cyprus, Vasilikos Energy Center

6.12.

Verbinding tussen LNG-installatie in Vasilikos (CY) en energiecentrale in Moni (CY)

6.13.

LNG op Kreta (EL)

6.14.

Hogedrukaftakking naar Patras (EL)

6.15.

LNG op Malta

7.   Ontwikkeling van aardgasverbindingen die nodig zijn voor de werking van de interne markt of om de continuïteit van de energievoorziening te verzekeren, met inbegrip van de verbinding van afzonderlijke aardgasnetten

7.1.

Extra onderling gekoppelde gasleiding tussen Ierland en Schotland

7.2.

Noord-Zuid-koppeling, alsmede de gasleiding Dublin — Belfast

7.3.

Compressiestation gasleiding Lacq (FR) — Calahorra (ES)

7.4.

Gasleiding Lussagnet (FR) — Bilbao (ES)

7.5.

Gasleiding Perpignan (FR) — Barcelona (ES)

7.6.

Uitbreiding van de transportcapaciteit van gasleidingen die Portugal voorzien via Zuid-Spanje en Galicië, en Asturië via Portugal

7.7.

Gasleiding Puchkirchen (AT) — Burghausen (DE)

7.8.

Gasleiding Andorf (AT) — Simbach (DE)

7.9.

Gasleiding Wiener Neustadt (AT) — Sopron (HU)

7.10.

Gasleiding Bad Leonfelden (AT) — Linz (AT)

7.11.

Gasleiding Noordwest-Griekenland — Elbasan (AL)

7.12.

Onderling gekoppelde gasleiding Griekenland — Italië

7.13.

Compressiestation op de hoofdgasleiding in Griekenland

7.14.

Verbinding tussen de netten van Oostenrijk en Tsjechië

7.15.

Gastransportcorridor in Zuidoost-Europa, door Griekenland, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Servië en Montenegro, Bosnië en Herzegovina, Kroatië, Slovenië en Oostenrijk

7.16.

Gastransportcorridor tussen Oostenrijk en Turkije via Hongarije, Roemenië en Bulgarije

7.17.

Onderling gekoppelde gasleidingen tussen het Verenigd Koninkrijk, Nederland en Duitsland, die de voornaamste bronnen en markten van Noordwest-Europa met elkaar verbinden

7.18.

Verbinding tussen Noordoost-Duitsland (regio Berlijn) en Noordwest-Polen (regio Szczecin), met een aftakking van Schmölln naar Lubmin (DE), regio Greifswald

7.19.

Gasleiding Cieszyn (PL) — Ostrava (CZ)

7.20.

Görlitz (DE) — Zgorzelec (PL): uitbreiding en onderlinge koppeling van aardgasnetten

7.21.

Uitbreiding Bernau (DE) — Szczecin (PL)

7.22.

Verbinding tussen offshore-installaties in de Noordzee of tussen Deense offshore-installaties en Britse installaties op het vasteland

7.23.

Versterking van de transportcapaciteit tussen Frankrijk en Italië

7.24.

De Baltische gaskoppeling tussen Denemarken — Duitsland — Zweden

7.25.

Mengstation in Winksele (BE) op de Noord-Zuid-as

7.26.

Zeebrugge (BE) — Eynatten (BE): capaciteitsuitbreiding

7.27.

Capaciteitsuitbreiding langs de Noord-West-as: Zelzate (BE) — Zeebrugge (BE)

7.28.

Aanleg van een gaspijpleiding die Denemarken en Nederland met elkaar verbindt en de bestaande productiefaciliteiten in de Noordzee aan elkaar koppelt

8.   Ontwikkeling van de aanlandingscapaciteit voor LNG en van de opslagcapaciteit voor aardgas

8.1.

LNG in Le Verdon-sur-mer (FR): nieuwe terminal en gasleiding naar de opslaginstallatie in Lussagnet (FR)

8.2.

LNG in Fos-sur-mer (FR)

8.3.

LNG in Huelva (ES): uitbreiding van de bestaande terminal

8.4.

LNG in Cartagena (ES): uitbreiding van de bestaande terminal

8.5.

LNG in Galicië (ES): nieuwe terminal

8.6.

LNG in Bilbao (ES): nieuwe terminal

8.7.

LNG in de regio van Valencia (ES): nieuwe terminal

8.8.

LNG in Barcelona (ES): uitbreiding van de bestaande terminal

8.9.

LNG in Sines (PT): nieuwe terminal

8.10.

LNG in Revithoussa (EL): uitbreiding van de bestaande terminal

8.11.

LNG aan de Noord-Adriatische kust (IT)

8.12.

LNG offshore in het noordelijke deel van de Adriatische Zee (IT)

8.13.

LNG aan de zuidkust van de Adriatische Zee (IT)

8.14.

LNG aan de Ionische kust (IT)

8.15.

LNG aan de Tyrreense kust (IT)

8.16.

LNG aan de Ligurische kust (IT)

8.17.

LNG in Zeebrugge (BE): tweede fase van capaciteitsuitbreiding

8.18.

LNG in Isle of Grain, Kent (UK)

8.19.

Bouw van een tweede LNG-terminal in continentaal Griekenland

8.20.

Ontwikkeling van ondergrondse gasopslaginstallaties in Ierland

8.21.

Opslag in Zuid-Kavala (EL): conversie van een offshore uitgeput gasveld

8.22.

Opslag in Lussagnet (F): uitbreiding van de bestaande installatie

8.23.

Opslag in Pecorade (F): conversie van een uitgeput olieveld

8.24.

Opslag in de regio Elzas (FR): constructie in zoutholtes

8.25.

Opslag in centrale regio (FR): constructie in de watertafel

8.26.

Opslag bij de Noord-Zuid-verbinding van Spanje (nieuwe installaties), in Cantabrië, Aragón, Castilla y León, Castilla-La Mancha en Andalusië

8.27.

Opslag bij de mediterrane verbinding van Spanje (nieuwe installaties), in Catalonië, Valencia en Murcia

8.28.

Opslag in Carriço (PT): nieuwe installatie

8.29.

Opslag in Loenhout (BE): uitbreiding van de bestaande installatie

8.30.

Opslag in Stenlille (DK) en Lille Torup (DK): uitbreiding van de bestaande installatie

8.31.

Opslag in Tønder (DK): nieuwe installatie

8.32.

Opslag in Puchkirchen (AT): uitbreiding van de bestaande installatie, met gasleiding naar het Penta West-systeem bij Andorf (AT)

8.33.

Opslag in Baumgarten (AT): nieuwe installatie

8.34.

Opslag in Haidach (AT): nieuwe installatie, met gasleiding naar het Europese gasnet

8.35.

Ontwikkeling van ondergrondse gasopslaginstallaties in Italië

8.36.

Opslag in Wierzchowice (PL): uitbreiding van de bestaande installatie

8.37.

Opslag in Kossakowo (PL): ontwikkeling van de ondergrondse opslag

8.38.

Gaspijpleiding Malta (MT) — Sicilië (IT)

8.39.

Opslag in Litouwen (nieuwe installatie)

9.   Ontwikkeling van de gastransportcapaciteit (aanvoerleidingen)

9.1.

Aanleg en ontwikkeling van aansluitingen op het noordelijke gasnet: Noorwegen — Denemarken — Duitsland — Zweden — Finland — Rusland — Balkanlanden — Polen

9.2.

De Midden-Noordse gasleiding: Noorwegen, Zweden, Finland

9.3.

De Noord-Europese gasleiding: Rusland, de Oostzee, Duitsland

9.4.

Gasleiding van Rusland naar Duitsland, via Letland, Litouwen en Polen, en de aanleg van ondergrondse gasopslaginstallaties in Letland (Amber-project)

9.5.

Gasleiding van Finland naar Estland

9.6.

Nieuwe gasleidingen van Algerije naar Spanje en Frankrijk en daarmee samenhangende capaciteitstoename van de interne netten in die landen

9.7.

Uitbreiding van de transportcapaciteit van de gasleiding Algerije — Marokko — Spanje (tot aan Córdoba)

9.8.

Gasleiding Córdoba (ES) — Ciudad Real (ES)

9.9.

Gasleiding Ciudad Real (ES) — Madrid (ES)

9.10.

Gasleiding Ciudad Real (ES) — Middellandse-Zeekust (ES)

9.11.

Aftakkingen in Castilla-La Mancha (ES)

9.12.

Uitbreiding richting Noordwest-Spanje

9.13.

Onderzeese gasleiding Algerije — Spanje en gasleidingen voor de verbinding met Frankrijk

9.14.

Uitbreiding van de transportcapaciteit vanuit Russische bronnen naar de Europese Unie via Oekraïne, Slowakije en Tsjechië

9.15.

Uitbreiding van de transportcapaciteit vanuit Russische bronnen naar de Europese Unie via Belarus en Polen

9.16.

Aardgaspijpleiding Yamal — Europa II

9.17.

Gasleiding Yagal Sud (tussen de Stegal-gasleiding en de driehoek DE, FR, CH)

9.18.

Oostelijke gasleiding SUDAL (tussen de MIDAL-gasleiding nabij Heppenheim naar Burghausenverbinding met de PENTA-gasleiding in Oostenrijk)

9.19.

Uitbreiding van de transportcapaciteit van de Stegal-gasleiding voor het vervoer van extra gas van de Tsjechisch-Duitse grens en de Pools-Duitse grens naar andere lidstaten via Duitsland

9.20.

Gasleiding vanaf Libische bronnen naar Italië

9.21.

Gasleiding van bronnen in landen aan de Kaspische Zee naar de Europese Unie

9.22.

Gasleiding Griekenland — Turkije

9.23.

Uitbreiding van de transportcapaciteit vanuit Russische bronnen naar Griekenland en andere Balkanlanden via Oekraïne, Moldavië, Roemenië en Bulgarije

9.24.

Gasleiding St. Zagora (BG) — Ihtiman (EL)

9.25.

Trans-Adriatische pijpleiding — Aardgaspijpleiding voor gasinvoer vanuit de Kaspische regio/Rusland/het Midden-Oosten, die Italië met de Zuidoost-Europese energiemarkten verbindt

9.26.

Verbinding gasleidingen tussen Duitse, Tsjechische, Oostenrijkse en Italiaanse gasnetten

9.27.

Gasleiding vanaf Russische bronnen naar Italië via Oekraïne, Slowakije, Hongarije en Slovenië

9.28.

Uitbreiding van de transportcapaciteit van de TENP-leiding van Nederland naar Italië via Duitsland

9.29.

Gasleiding Taisnieres (F) — Oltingue (CH)

9.30.

Gasleiding van Denemarken naar Polen, eventueel via Zweden

9.31.

Gasleiding Nybro (DK) — Dragør (DK), inclusief de gasleiding voor de aansluiting op de opslagplaats in Stenlille (DK)

9.32.

Gasnetwerk van de bronnen in de Barentszee naar de Europese Unie via Zweden en Finland

9.33.

Gasleiding vanaf het Corrib-veld (IE): offshore

9.34.

Gasleiding van Algerijnse bronnen naar Italië, via Sardinië, met een aftakking naar Corsica

9.35.

Gasnetwerk van bronnen in het Midden-Oosten naar de Europese Unie

9.36.

Gasleiding van Noorwegen naar het Verenigd Koninkrijk

9.37.

Verbinding Pecs (HU) — Kroatië

9.38.

Verbinding Szeged (HU) — Oradea (RO)

9.39.

Verbinding Vecses (HU) — Slowakije

9.40.

Capaciteitsverhoging Beregdaroc (HU) — Oekraïne

10.   Acties om de werking van de onderling gekoppelde gasnetten binnen de interne markt te verbeteren

(Er zijn nog geen specificaties bepaald)


MOTIVERING VAN DE RAAD

I.   INLEIDING

Op 10 december 2003 heeft de Commissie een voorstel voor een beschikking van het Europees Parlement en de Raad tot opstelling van richtsnoeren voor trans-Europese netwerken in de energiesector en houdende intrekking van Beschikking 96/391/EG van de Raad en Beschikking nr. 1229/2003/EG (1) ingediend .

Het Economisch en Sociaal Comité heeft op 2 juni 2004 advies uitgebracht (2). Het Comité van de Regio's heeft geen advies uitgebracht.

Het Europees Parlement heeft op 7 juni 2005 advies in eerste lezing uitgebracht (3).

Op 1 december 2005 heeft de Raad zijn gemeenschappelijk standpunt vastgesteld overeenkomstig artikel 251 van het Verdrag.

II.   DOEL VAN HET VOORSTEL

Het hoofddoel van het voorstel is om de in juni 2003 aangenomen (4) trans-Europese energierichtsnoeren aan te passen, in het bijzonder wat betreft de nieuwe lidstaten, en financiering mogelijk te maken (5) van projecten van gemeenschappelijk belang voor de uitgebreide Unie. De herziening van de richtsnoeren betreft projecten die de integratie van de nieuwe lidstaten in de interne markt voor elektriciteit en gas zullen vergemakkelijken. Ook wordt met de herziening ingegaan op de noodzaak om projecten op te nemen waarin de „buurlanden” een rol spelen.

Voorts heeft de Raad over het mechanisme voor de voorbereiding en uitvoering van prioritaire projecten twee nieuwe bepalingen voorgesteld, te weten:

a)

prioritaire grensoverschrijdende projecten met een aanzienlijke effect op de integratie van de netwerken worden van Europees belang verklaard, en

b)

de Commissie kan een Europese coördinator aanstellen voor een bepaalde prioritaire as of een specifiek prioritair project.

Tot slot worden ook „alkeengassen” opgenomen in het toepassingsgebied van de beschikking, maar projecten in verband met alkeengassen komen niet voor communautaire financiering op grond van Verordening (EG) nr. 2236/95 in aanmerking.

III.   ANALYSE VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT

1.   Algemene opmerkingen en belangrijkste wijzigingen door de Raad

Algemeen kan worden gezegd dat de Raad de structuur van de beschikking (qua prioriteitenniveaus en aantal bijlagen) heeft willen vereenvoudigen en zo dicht mogelijk bij Beschikking nr. 1229/2003/EG heeft willen blijven.

De Raad onderschrijft het hoofddoel van het Commissievoorstel, te weten het aanpassen van de richtsnoeren voor het trans-Europese energienetwerk aan de gevolgen van de recente uitbreiding van de Unie. De Raad heeft echter niet de nieuwe elementen aanvaard die de Commissie (in vergelijking met Beschikking nr. 1229/2003/EG) in dit voorstel heeft opgenomen, namelijk de instelling van een categorie „projecten van Europees belang” (artikel 8), in combinatie met bepalingen over de uitvoering van zulke projecten (artikel 9) en de Europese coördinator (artikel 10).

Er is naar voren gebracht dat deze nieuwe bepalingen door de Raad zijn aanvaard met betrekking tot de trans-Europese vervoersnetwerken. Er zijn echter twee grote verschillen tussen de trans-Europese energienetwerken en de trans-Europese vervoersnetwerken: het zeer beperkte budget voor trans-Europese energienetwerken en het feit dat projecten voor energie-infrastructuur gewoonlijk worden aangepakt door particuliere investeerders. Aldus zou het instellen van een aanvullende categorie „projecten van Europees belang” in de praktijk tot gevolg kunnen hebben dat een TEN-financiering geheel wordt uitgesloten voor een „gewoon prioritair project” waar een particuliere investeerder wellicht belangstelling voor heeft. Wat betreft de bepalingen inzake een mogelijke „Europese coördinator” is de Raad van oordeel dat er, met het doel dat het Europees Parlement ook aangeeft in zijn amendement nr. 21, veel minder bureaucratische bepalingen kunnen worden gehanteerd.

De Raad wijst in dit verband op het brede toepassingsgebied van de machtigingsbepaling in artikel 8, lid 2. Gezien beide eerdergenoemde verschillen en het mogelijke negatieve effect van de instelling van een extra categorie op de verwezenlijking van andere levensvatbare projecten, is de Raad tot de slotsom gekomen dat de bijkomende kosten en administratieve belasting waarmee de lidstaten te maken krijgen tengevolge van de artikelen 8 tot en met 10 van het Commissievoorstel, niet in verhouding staan tot de mogelijke voordelen van deze artikelen.

In een informele trialoog met het Europees Parlement tijdens de voorbereiding van het gemeenschappelijk standpunt, zijn compromissen bereikt over passende verwijzingen naar alkeengassen en hernieuwbare energiebronnen; deze verwijzingen staan in het gemeenschappelijk standpunt.

2.   Amendementen van het Europees Parlement

Van de 30 door het Europees Parlement aangenomen amendementen heeft de Raad er 20 aanvaard:

volledig (soms na herformulering): nrs. 1, 2, 4, 5 (overweging 6), 6 (overweging 11), 8 (overweging 14 bis), 11, 16, 22 (artikel 8, lid 1), 23 (artikel 9) en 30;

gedeeltelijk: nrs. 7 (overweging 14), 12, 17 en 24 tot en met 29 (6).

De Raad heeft de volgende tien amendementen verworpen: nrs. 3, 9, 10, 13, 14, 15, 18, 19, 38 en 21.

3.   Andere door de Raad ingevoerde wijzigingen

De Raad heeft in het Commissievoorstel onderstaande wijzigingen aangebracht:

In aansluiting op het schrappen van de artikelen 8, 9 en 10 heeft de Raad in de overwegingen ook de verwijzingen naar de verklaring van Europees belang (overweging 6, tweede zin) en de Europese coördinator (overweging 9) geschrapt. Teneinde een aantal elementen van deze artikelen en overwegingen te behouden, heeft de Raad echter in zijn gemeenschappelijk standpunt de nieuwe overwegingen 9, 10, 12 en 13 ingevoerd. Ook is er een nieuwe overweging 5 over alkeengassen toegevoegd.

In artikel 4, punt 2, onder b), worden ook de „kandidaat-lidstaten” vermeld en de vermelding „alkeengassen” is geschrapt (artikel 4, punt 3, onder c), in het Commissievoorstel).

De vermelding „prioritaire projecten” in artikel 5, onder a), is geschrapt.

In artikel 6, lid 6, is „in overleg met (de betrokken lidstaten)” vervangen door „met instemming van” en er wordt nu ook melding gemaakt van „multilaterale overeenkomsten”.

In artikel 7, lid 2, worden ook de „verantwoordelijke bedrijven” vermeld.

In artikel 12 (artikel 9 van het gemeenschappelijk standpunt) wordt specifiek aangegeven dat particuliere financiering of financiering door de betrokken marktpartijen „de belangrijkste bron van financiering” wordt.

Wat betreft de bijlagen wordt herhaald dat de bijlagen I en IV zijn samengevoegd en dat er met instemming van de Commissie enkele aanvullende wijzigingen en correcties zijn aangebracht aan de projecten; deze wijzigingen staan in de amendementen nrs. 24 tot en met 30 van het Europees Parlement.

IV.   CONCLUSIE

De Raad steunt het hoofddoel van het Commissievoorstel, te weten het aanpassen van de richtsnoeren voor trans-Europese netwerken in de energiesector aan de recente uitbreiding van de Unie. De Raad is in een informele trialoog voor diverse vraagstukken akkoord gegaan met compromisoplossingen. Aangezien het voor de gehele Unie en in het bijzonder voor de nieuwe lidstaten van belang is dat de richtsnoeren voor trans-Europese netwerken in de energiesector worden aangenomen, is de Raad voor snelle aanneming van een gemakkelijk uit te voeren beschikking.


(1)  Doc. 6218/04 ENER 49 RELEX 62 CODEC 198 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  PB C 241 van 28.9.2004, blz 17.

(3)  Doc. 9835/05 CODEC 471 ENER 92 RELEX 295 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(4)  Beschikking nr. 1229/2003/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 tot opstelling van richtsnoeren voor trans-Europese netwerken in de energiesector en houdende intrekking van Beschikking nr. 1254/96/EG (PB L 176 van 15.7.2003, blz. 11).

(5)  Er wordt aan herinnerd dat het verlenen van communautaire financiële steun op het gebied van trans-Europese netwerken wordt geregeld door Verordening (EG) nr. 2236/95 van de Raad (PB L 228 van 23.9.1995, blz. 1)., laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 807/2004 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 143 van 30.4.2004, blz. 46).

(6)  

NB: In de amendementen nrs. 24 tot en met 29 betreffende de bijlagen heeft de Raad de verwijzingen naar „projecten van Europees belang” niet aanvaard, evenmin als wijzigingen in bijlage I, Elektriciteitsnetwerken, EL.7.


4.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 80/27


GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT (EG) Nr. 2/2006

vastgesteld door de Raad op 8 december 2005

met het oog op de aanneming van Verordening (EG) nr. …./2006 van het Europees Parlement en de Raad van … betreffende de toevoeging van vitaminen en mineralen en bepaalde andere stoffen aan levensmiddelen

(2006/C 80 E/02)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 95,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij de vervaardiging van levensmiddelen kan een breed scala van nutriënten en andere ingrediënten worden gebruikt, waaronder vitaminen, mineralen met inbegrip van spoorelementen, aminozuren, essentiële vetzuren, vezels en diverse planten- en kruidenextracten. De toevoeging van die stoffen aan levensmiddelen is in de lidstaten geregeld met behulp van uiteenlopende nationale voorschriften, die het vrije verkeer van deze producten belemmeren, ongelijke concurrentievoorwaarden creëren en derhalve directe gevolgen hebben voor het functioneren van de interne markt. Er moeten dus communautaire voorschriften worden vastgesteld om de nationale bepalingen in verband met de toevoeging van vitaminen en mineralen en bepaalde andere stoffen aan levensmiddelen te harmoniseren.

(2)

Deze verordening strekt tot reglementering van de toevoeging van vitaminen en mineralen aan levensmiddelen en van het gebruik van bepaalde andere stoffen of ingrediënten die andere stoffen dan vitaminen of mineralen bevatten, die aan levensmiddelen worden toegevoegd of bij de productie van levensmiddelen worden gebruikt op een zodanige wijze dat de inname van die stoffen veel groter is dan onder normale omstandigheden bij een evenwichtige en gevarieerde voeding redelijkerwijs te verwachten is, en/of anderszins een potentieel risico voor de consument inhouden. Zolang er op grond van deze verordening of van andere specifieke communautaire bepalingen geen specifieke communautaire voorschriften zijn vastgesteld inzake een verbod op of een beperking van het gebruik van stoffen of ingrediënten die andere stoffen dan vitaminen of mineralen bevatten, mogen, onverminderd de bepalingen van het Verdrag, de nationale voorschriften worden toegepast.

(3)

In enkele lidstaten is het om redenen van volksgezondheid verplicht aan bepaalde gewone levensmiddelen sommige vitaminen en mineralen toe te voegen. Deze redenen kunnen op nationaal of zelfs regionaal niveau gelden, maar rechtvaardigen op dit moment niet dat de verplichte toevoeging van nutriënten in de hele Gemeenschap geharmoniseerd wordt. Indien hiertoe evenwel aanleiding zou zijn, kunnen dergelijke bepalingen op communautair niveau worden vastgesteld. Ondertussen is het nuttig informatie over dergelijke nationale maatregelen te verzamelen.

(4)

Vitaminen en mineralen mogen vrijwillig door de fabrikanten aan levensmiddelen worden toegevoegd of moeten daar op grond van specifieke communautaire wetgeving als voedingsstoffen aan worden toegevoegd. Zij kunnen ook om technologische redenen worden toegevoegd als additieven, kleurstoffen, aroma's of voor soortgelijke toepassingen, met inbegrip van toegestane oenologische procédés en behandelingen overeenkomstig de desbetreffende communautaire wetgeving. Deze verordening is van toepassing onverminderd de reeds van kracht zijnde specifieke communautaire voorschriften inzake de toevoeging of het gebruik van vitaminen en mineralen in specifieke producten of groepen producten of de toevoeging van die stoffen om andere dan de in deze verordening bedoelde redenen.

(5)

Aangezien bij Richtlijn 2002/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 juni 2002 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake voedingssupplementen (3) uitvoerige voorschriften zijn vastgesteld voor voedingssupplementen die vitaminen en mineralen bevatten, mogen de voorschriften inzake vitaminen en mineralen in deze verordening niet gelden voor voedingssupplementen.

(6)

Vitaminen en mineralen worden voor een aantal oogmerken door de fabrikant aan levensmiddelen toegevoegd, onder meer om het gehalte daaraan te restaureren indien dat gedurende de productie, opslag of behandeling is verlaagd, of om aan levensmiddelen een voedingswaarde te geven die vergelijkbaar is met die van de levensmiddelen ter vervanging waarvan zij bedoeld zijn.

(7)

Een adequate en gevarieerde voeding kan onder normale omstandigheden van alle nutriënten die voor een normale ontwikkeling en een gezond leven nodig zijn, de hoeveelheden leveren die op grond van algemeen aanvaarde wetenschappelijke gegevens zijn vastgesteld en worden aanbevolen. Uit onderzoek is echter gebleken dat deze ideale situatie zich niet voor alle vitaminen en mineralen en voor alle bevolkingsgroepen in de Gemeenschap voordoet. Levensmiddelen waaraan vitaminen en mineralen zijn toegevoegd, dragen in sterke mate bij aan de inname van de betrokken nutriënten en aldus aan de totale inname van die stoffen.

(8)

Aantoonbare tekorten aan nutriënten komen heden ten dage in de Gemeenschap voor, maar zijn weinig frequent. De veranderingen in de sociaal-economische situatie in de Gemeenschap en de leefstijl van diverse bevolkingsgroepen hebben geleid tot uiteenlopende voedingsbehoeften en veranderende voedingsgewoonten. Dit heeft tot gevolg gehad dat ook de behoeften van diverse bevolkingsgroepen aan energie en nutriënten veranderd zijn en dat die groepen van bepaalde vitaminen en mineralen er minder binnenkrijgen dan in de verschillende lidstaten wordt aanbevolen. Verder bieden de jongste wetenschappelijke inzichten aanwijzingen dat, om de gezondheid en het welzijn op een optimaal niveau te houden, de inname van bepaalde nutriënten hoger zou mogen zijn dan momenteel wordt aanbevolen.

(9)

Alleen vitaminen en mineralen die normaal in de voeding voorkomen, als onderdeel daarvan worden geconsumeerd en als essentiële nutriënten worden beschouwd, mogen als toevoeging aan levensmiddelen worden toegestaan, al betekent dit nog niet dat die toevoeging nodig is. Controverses die zouden kunnen ontstaan over de vraag welke nutriënten essentieel zijn, dienen te worden voorkomen. Daarom moet er een positieve lijst van deze vitaminen en mineralen worden vastgesteld.

(10)

De chemische stoffen die als bron van vitaminen en mineralen aan levensmiddelen kunnen worden toegevoegd, dienen veilig en biologisch beschikbaar te zijn, dat wil zeggen dat zij door het lichaam kunnen worden opgenomen. Daarom dient er ook van deze stoffen een positieve lijst te worden vastgesteld. Dergelijke stoffen die door het Wetenschappelijk Comité voor de menselijke voeding in een advies van 12 mei 1999 op grond van bovengenoemde criteria inzake veiligheid en biologische beschikbaarheid zijn goedgekeurd en die gebruikt kunnen worden bij de vervaardiging van levensmiddelen voor zuigelingen en peuters, van andere levensmiddelen voor bijzondere voeding of van voedingssupplementen, moeten op deze positieve lijst voorkomen. Hoewel natriumchloride (keukenzout) niet op deze lijst van stoffen staat, mag het ook in de toekomst als een ingrediënt voor de bereiding van levensmiddelen gebruikt worden.

(11)

Om de ontwikkeling van de wetenschap en techniek bij te houden dienen de bovenbedoelde lijsten, zo nodig, onverwijld te worden herzien. Dergelijke herzieningen zijn uitvoeringsmaatregelen van technische aard; om de procedure te vereenvoudigen en te bespoedigen dient de vaststelling daarvan aan de Commissie te worden overgelaten.

(12)

Levensmiddelen waaraan vitaminen en mineralen zijn toegevoegd, worden meestal door de fabrikant aangeprezen en kunnen door de consument worden gezien als levensmiddelen die in nutritioneel, fysiologisch of een ander met de gezondheid verband houdend opzicht beter zijn dan soortgelijke of andere producten waaraan dergelijke nutriënten niet toegevoegd zijn. Dit kan de consument aanzetten tot keuzes die uit een ander oogpunt ongewenst zijn. Om dit eventuele ongewenste effect tegen te gaan, is het dienstig bepaalde beperkingen op te leggen ten aanzien van de producten waaraan vitaminen en mineralen mogen worden toegevoegd, naast de beperkingen die voortvloeien uit technologische overwegingen of die om veiligheidsredenen nodig zijn wanneer er maximumgehalten voor vitaminen en mineralen in dergelijke producten worden vastgesteld. Het gehalte aan bepaalde stoffen, zoals alcohol, in het product kan in dit verband een geschikt criterium zijn om de toevoeging van vitaminen en mineralen niet toe te staan. Iedere afwijking van het verbod op de toevoeging van vitaminen en mineralen aan alcoholische dranken dient te worden beperkt tot de bescherming van traditionele wijnrecepten en de betrokken producten moeten ter kennis van de Commissie worden gebracht; er mogen geen voedings- of gezondheidsclaims voor dergelijke toevoegingen worden gemaakt. Om bij de consument verwarring over de natuurlijke voedingswaarde van verse levensmiddelen te vermijden, zouden ook daaraan geen vitaminen en mineralen toegevoegd mogen worden.

(13)

Deze verordening heeft geen betrekking op vitaminen en mineralen die met het oog op fraudebestrijding als echtheidsindicatoren in sporenhoeveelheden worden gebruikt.

(14)

Omdat overmatige consumptie van vitaminen en mineralen schadelijke gevolgen kan hebben, dienen er maximale veiligheidsgrenzen voor de toevoeging van die stoffen aan levensmiddelen te worden vastgesteld. Deze veiligheidsgrenzen moeten ervoor zorgen dat de producten bij normaal gebruik volgens de gebruiksaanwijzing van de fabrikant en bij een gevarieerde voeding veilig zijn voor de consument. Het moeten daarom veilige maximumwaarden zijn voor de totale hoeveelheden vitaminen en mineralen in het levensmiddel die daarin van nature voorkomen en/of eraan zijn toegevoegd voor ongeacht welk doel, ook voor technologische doeleinden.

(15)

Daarom moeten die veiligheidsgrenzen, alsmede eventuele andere beperkingen voor de toevoeging van bedoelde stoffen aan levensmiddelen worden vastgesteld met inachtneming van de veilige bovengrenzen die aan de hand van een wetenschappelijke risicobeoordeling zijn bepaald op basis van algemeen aanvaarde wetenschappelijke gegevens en de eventuele inname uit andere levensmiddelen voor deze nutriënten. Ook moet terdege rekening worden gehouden met de aanbevolen hoeveelheden vitaminen en mineralen voor de algemene bevolking. Indien het nodig is om voor bepaalde vitaminen en mineralen beperkingen te stellen aan de levensmiddelen waaraan zij mogen worden toegevoegd, moet prioriteit worden gegeven op grond van het oogmerk om het gehalte daaraan te restaureren indien dat gedurende de productie, opslag of behandeling is verlaagd, of om aan levensmiddelen een voedingswaarde te geven die vergelijkbaar is met die van de levensmiddelen ter vervanging waarvan zij bedoeld zijn.

(16)

Bij de toevoeging van vitaminen en mineralen aan levensmiddelen moet een bepaalde minimumhoeveelheid in het levensmiddel worden bereikt. Een te lage of onbeduidende hoeveelheid van deze stoffen in de verrijkte levensmiddelen zou namelijk voor de consument geen enkel voordeel hebben en misleidend zijn. Om dezelfde reden moeten deze nutriënten in een significante hoeveelheid in het levensmiddel aanwezig zijn om in de voedingswaarde-etikettering vermeld te mogen worden. Het is dan ook wenselijk de minimumhoeveelheden vitaminen en mineralen in levensmiddelen waaraan vitaminen en mineralen zijn toegevoegd, gelijk te stellen aan de significante hoeveelheden waarin nutriënten aanwezig moeten zijn om in de voedingswaarde-etikettering te mogen worden vermeld, tenzij dit door middel van passende afwijkingen anders is bepaald.

(17)

De vaststelling van maximumgehalten en eventuele gebruiksvoorwaarden op grond van de in deze verordening vastgelegde beginselen en criteria, en de vaststelling van minimumgehalten zijn uitvoeringsmaatregelen van technische aard: om de procedure te vereenvoudigen en te versnellen dient de vaststelling daarvan aan de Commissie te worden overgelaten.

(18)

Richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgeving der lidstaten inzake de etikettering en presentatie van levensmiddelen alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame (4) bevat algemene voorschriften en definities inzake etikettering. De onderhavige verordening moet derhalve tot de nodige aanvullende bepalingen beperkt blijven. Die aanvullende bepalingen dienen voorts van toepassing te zijn onverminderd Verordening (EG) nr. .../2006 van het Europees Parlement en de Raad van ... inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen (5).

(19)

Gezien het belang voor de voeding van producten waaraan vitaminen en mineralen zijn toegevoegd, en hun potentiële effect op de voedingsgewoonten en de totale nutriënteninname, moet de consument de algehele voedingskwaliteit van die producten kunnen beoordelen. Daarom moet voedingswaarde-etikettering, in afwijking van artikel 2 van Richtlijn 90/496/EEG van de Raad van 24 september 1990 inzake de voedingswaarde-etikettering van levensmiddelen (6), verplicht zijn.

(20)

Een normale, gevarieerde voeding bevat tal van ingrediënten die elk weer tal van stoffen bevatten. De inname van deze stoffen of ingrediënten als gevolg van hun normale, traditionele gebruik in de huidige voedingswijzen geeft geen aanleiding tot bezorgdheid en hoeft niet gereguleerd te worden. Een aantal andere stoffen dan vitaminen en mineralen of ingrediënten die deze stoffen bevatten, worden aan levensmiddelen toegevoegd in de vorm van extracten of concentraten en kunnen leiden tot een inname die aanzienlijk hoger ligt dan bij een adequate, gevarieerde voeding het geval zou zijn. Soms zijn er sterke twijfels omtrent de veiligheid van dergelijke toevoegingen en het nut ervan is niet altijd duidelijk; daarom moeten die toevoegingen gereguleerd worden. In dergelijke gevallen moet de bewijslast voor de veiligheid van die stoffen liggen bij de exploitanten van levensmiddelenbedrijven, die verantwoordelijk zijn voor de veiligheid van de producten die zij in de handel brengen.

(21)

Gelet op de specifieke aard van de levensmiddelen waaraan vitaminen en mineralen zijn toegevoegd, dienen de controlediensten, naast de gebruikelijke middelen, over aanvullende middelen te beschikken om een efficiënte controle van deze producten te vergemakkelijken.

(22)

Aangezien de doelstellingen van deze verordening, namelijk de goede werking van de interne markt wat betreft de toevoeging van vitaminen en mineralen en bepaalde andere stoffen aan levensmiddelen, terwijl een hoog niveau van consumentenbescherming wordt geboden, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel, gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(23)

De voor de uitvoering van deze verordening vereiste maatregelen dienen te worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (7),

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ONDERWERP, WERKINGSSFEER EN DEFINITIES

Artikel 1

Doel en toepassingsgebied

1.   Het doel van deze verordening is de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten met betrekking tot de toevoeging van vitaminen en mineralen en bepaalde andere stoffen aan levensmiddelen, teneinde de goede werking van de interne markt te waarborgen en tevens een hoog niveau van consumentenbescherming te verwezenlijken.

2.   De bepalingen van deze verordening met betrekking tot vitaminen en mineralen zijn niet van toepassing op de voedingssupplementen die onder Richtlijn 2002/46/EG vallen.

3.   Deze verordening geldt onverminderd specifieke bepalingen van de communautaire wetgeving betreffende:

a)

voor bijzondere voeding bestemde levensmiddelen en, indien hiervoor geen specifieke bepalingen bestaan, eisen betreffende de samenstelling van die producten die nodig zijn in verband met de specifieke voedingsbehoeften van de personen voor wie zij bestemd zijn;

b)

nieuwe levensmiddelen en nieuwe levensmiddeleningrediënten;

c)

genetisch gemodificeerde levensmiddelen;

d)

levensmiddelenadditieven en aroma's;

e)

toegestane oenologische procédés en behandelingen.

Artikel 2

Definities

In deze verordening wordt onder „Autoriteit” verstaan de bij Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (8) opgerichte Europese Autoriteit voor voedselveiligheid.

HOOFDSTUK II

TOEVOEGING VAN VITAMINEN EN MINERALEN

Artikel 3

Voorschriften inzake de toevoeging van vitaminen en mineralen

1.   Aan levensmiddelen mogen uitsluitend de in bijlage I opgesomde vitaminen en mineralen in de in bijlage II opgesomde vormen worden toegevoegd, overeenkomstig de voorschriften van deze verordening.

2.   Vitaminen en mineralen mogen aan levensmiddelen worden toegevoegd, ongeacht of zij daarin normaliter voorkomen, om rekening te houden met:

a)

een tekort aan één of meer vitaminen en/of mineralen bij de bevolking of bij specifieke bevolkingsgroepen, dat kan worden aangetoond aan de hand van klinische of subklinische bewijzen van een tekort of waarvoor een geschatte lage nutriënteninname een aanwijzing is, of

b)

de mogelijkheid om de voedingstoestand van de bevolking of van specifieke bevolkingsgroepen te verbeteren, en/of eventuele tekorten bij de opname van vitaminen of mineralen uit de voeding ten gevolge van veranderde voedingsgewoonten te verhelpen, of

c)

ontwikkelingen in de algemeen aanvaarde wetenschappelijke kennis over de betekenis van vitaminen en mineralen in de voeding en de daaruit voortvloeiende effecten op de gezondheid.

3.   Wijzigingen in de in lid 1 van dit artikel bedoelde lijsten worden vastgesteld volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure, met inachtneming van het advies van de Autoriteit.

Artikel 4

Beperkingen voor de toevoeging van vitaminen en mineralen

Vitaminen en mineralen mogen niet worden toegevoegd aan:

a)

onbewerkte producten zoals, onder meer, groenten, fruit, vlees, pluimvee en vis;

b)

dranken met een alcoholgehalte van meer dan 1,2 volumeprocent, uitgezonderd, in afwijking van artikel 3, lid 2, de producten:

i)

zoals bedoeld in artikel 44, lid 6 en lid 13, van Verordening (EG) nr. 1493/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt (9) en

ii)

die vóór de aanneming van deze verordening in de handel zijn gebracht en

iii)

die overeenkomstig artikel 11 door een lidstaat ter kennis van de Commissie zijn gebracht,

en op voorwaarde dat er geen voedings- of gezondheidsclaim wordt gemaakt .

De lijst van levensmiddelen of categorieën levensmiddelen waaraan geen vitaminen en mineralen mogen worden toegevoegd, kan in het licht van wetenschappelijke gegevens, met inachtneming van hun voedingswaarde, worden uitgebreid volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure.

Artikel 5

Zuiverheidscriteria

1.   De zuiverheidscriteria voor vitamineformuleringen en mineraalverbindingen van bijlage II worden vastgesteld volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure, tenzij zij van toepassing zijn krachtens lid 2 van dit artikel.

2.   Voor de vitamineformuleringen en mineraalverbindingen van bijlage II gelden de zuiverheidscriteria die in de communautaire wetgeving zijn voorgeschreven voor het gebruik ervan bij de vervaardiging van levensmiddelen voor andere dan in deze verordening bedoelde doeleinden.

3.   Voor de vitamineformuleringen en mineraalverbindingen van bijlage II waarvoor de communautaire wetgeving niet in zuiverheidscriteria voorziet, gelden de algemeen aanvaardbare zuiverheidscriteria die door internationale organen worden aanbevolen, en kunnen nationale voorschriften met strengere zuiverheidscriteria van kracht blijven, totdat de communautaire wetgeving in zuiverheidscriteria voor deze stoffen voorziet.

Artikel 6

Voorwaarden voor de toevoeging van vitaminen en mineralen

1.   Wanneer een vitamine of mineraal aan levensmiddelen wordt toegevoegd, bedraagt de totale hoeveelheid van die vitamine of dat mineraal, die voor ongeacht welk doel in het verkochte levensmiddel aanwezig is, niet meer dan maximumhoeveelheden die volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure worden vastgesteld. Voor geconcentreerde en gedehydrateerde producten zijn de vast te stellen maximumhoeveelheden de hoeveelheden die aanwezig zijn in de volgens de aanwijzingen van de fabrikant voor consumptie bereide levensmiddelen.

2.   Eventuele voorwaarden houdende een beperking van of een verbod op de toevoeging van een specifieke vitamine of een specifiek mineraal aan een levensmiddel of een categorie levensmiddelen, worden vastgesteld volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure.

3.   De in lid 1 bedoelde maximumhoeveelheden en de in lid 2 bedoelde voorwaarden worden vastgesteld met inachtneming van:

a)

de veilige bovengrenzen voor vitaminen en mineralen die aan de hand van een wetenschappelijke risicobeoordeling op basis van algemeen aanvaardbare wetenschappelijke gegevens zijn vastgesteld, waarbij in voorkomend geval rekening wordt gehouden met de variërende mate van gevoeligheid van verschillende groepen consumenten;

b)

innamen van vitaminen en mineralen uit andere voedingsbronnen.

4.   Bij de vaststelling van de in lid 1 bedoelde maximumhoeveelheden en de in lid 2 bedoelde voorwaarden wordt ook rekening gehouden met de aanbevolen hoeveelheden vitaminen en mineralen voor de algemene bevolking.

5.   Bij de vaststelling van de in lid 1 bedoelde maximumhoeveelheden en de in lid 2 bedoelde voorwaarden voor vitaminen en mineralen waarvan de aanbevolen hoeveelheden voor de algemene bevolking dicht bij de veilige bovengrens liggen, wordt voorzover nodig ook met het volgende rekening gehouden:

a)

de bijdrage van de afzonderlijke producten aan het totale voedingspakket van de algemene bevolking of van bepaalde bevolkingsgroepen;

b)

het voedingsprofiel van het product zoals vastgesteld overeenkomstig Verordening (EG) nr. .../2006 (10).

6.   Na toevoeging van een vitamine of mineraal aan een levensmiddel is die vitamine of dat mineraal in het levensmiddel aanwezig in ten minste een significante hoeveelheid, indien die is bepaald overeenkomstig de bijlage bij Richtlijn 90/496/EEG. Minimumhoeveelheden voor specifieke levensmiddelen of categorieën levensmiddelen, inclusief lagere hoeveelheden, die afwijken van de bovenbedoelde significante hoeveelheden, worden vastgesteld volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure.

Artikel 7

Etikettering, presentatie en reclame

1.   De etikettering en presentatie van en de reclame voor levensmiddelen waaraan vitaminen en mineralen zijn toegevoegd, mogen geen vermelding bevatten waarin gesteld of gesuggereerd wordt dat een evenwichtige, gevarieerde voeding niet kan voorzien in toereikende hoeveelheden nutriënten. In voorkomend geval kan volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure een afwijking betreffende een specifieke nutriënt worden vastgesteld.

2.   De etikettering en presentatie van en de reclame voor levensmiddelen waaraan vitaminen en mineralen zijn toegevoegd, mogen de consument niet misleidende of bedrieglijke informatie verstrekken over de voedingswaarde van de levensmiddelen als gevolg van de toevoeging van die nutriënten.

3.   Voor producten waaraan vitaminen en mineralen zijn toegevoegd en die onder deze verordening vallen, is voedingswaarde-etikettering verplicht. De te verstrekken informatie bestaat uit de in artikel 4, lid 1, groep 2, van Richtlijn 90/496/EEG genoemde gegevens en de totale in het levensmiddel aanwezige hoeveelheden van de vitaminen en mineralen na toevoeging.

4.   In de etikettering van producten waaraan vitaminen en mineralen zijn toegevoegd, mag die toevoeging worden vermeld onder de voorwaarden van Verordening (EG) nr. .../2006 (10).

5.   Dit artikel geldt onverminderd andere bepalingen van de levensmiddelenwetgeving die van toepassing zijn op gespecificeerde categorieën levensmiddelen.

6.   De voorschriften ter uitvoering van dit artikel kunnen worden vastgesteld volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure.

HOOFDSTUK III

TOEVOEGING VAN BEPAALDE ANDERE STOFFEN

Artikel 8

Stoffen waarvoor een verbod of een beperking geldt of die door de Gemeenschap worden onderzocht

1.   Wanneer een andere stof dan vitaminen of mineralen, of een ingrediënt dat een dergelijke stof bevat, aan levensmiddelen wordt toegevoegd of bij de vervaardiging van levensmiddelen wordt gebruikt op een zodanige wijze dat de inname van die stof veel groter is dan onder normale omstandigheden bij een evenwichtige en gevarieerde voeding redelijkerwijs te verwachten is, en/of dat anderszins een potentieel risico voor de consument ontstaat, wordt de procedure van dit artikel gevolgd.

2.   Op eigen initiatief of op basis van informatie van de lidstaten kan de Commissie, steeds na een beoordeling van de beschikbare informatie door de Autoriteit en volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure, een besluit nemen en indien nodig de stof of het ingrediënt in bijlage III opnemen. Meer bepaald:

a)

indien een schadelijk effect op de gezondheid is vastgesteld, wordt die stof en/of het ingrediënt dat die stof bevat:

i)

opgenomen in bijlage III, deel A, en wordt de toevoeging ervan aan levensmiddelen en het gebruik ervan bij de vervaardiging van levensmiddelen verboden, of

ii)

opgenomen in bijlage III, deel B, en is de toevoeging ervan aan levensmiddelen en het gebruik ervan bij de vervaardiging van levensmiddelen slechts toegestaan onder de aldaar vermelde voorwaarden;

b)

indien de mogelijkheid van schadelijke gevolgen voor de gezondheid is vastgesteld, maar hieromtrent nog wetenschappelijke onzekerheid bestaat, wordt de stof opgenomen in bijlage III, deel C.

3.   De communautaire voorschriften betreffende specifieke levensmiddelen kunnen het gebruik van bepaalde stoffen onderwerpen aan verdere beperkingen of verboden, naast de beperkingen en verboden van deze verordening.

4.   Ondernemers in de levensmiddelensector alsmede andere belanghebbenden kunnen te allen tijde bij de Autoriteit ter beoordeling een dossier indienen met de wetenschappelijke gegevens ter staving van de veiligheid van een in bijlage III, deel C, opgenomen stof onder de omstandigheden waarin die stof in een levensmiddel of een categorie levensmiddelen wordt gebruikt, waarin ook het oogmerk van dat gebruik wordt toegelicht. De Autoriteit informeert de lidstaten en de Commissie onverwijld van de indiening en stelt hun het dossier ter beschikking.

5.   Binnen vier jaar na de datum waarop een stof in bijlage III, deel C, is opgenomen, wordt, volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure en met inachtneming van het advies van de Autoriteit over de overeenkomstig lid 4 van dit artikel ter beoordeling ingediende dossiers, een besluit genomen om het gebruik van een in bijlage III, deel C, opgenomen stof algemeen toe te staan, of om die stof in bijlage III, deel A of deel B, op te nemen, al naar gelang van het geval.

6.   De Commissie stelt, volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure, de uitvoeringsvoorschriften voor de toepassing van dit artikel vast, met inbegrip van voorschriften betreffende de in lid 4 van dit artikel bedoelde indiening.

HOOFDSTUK IV

ALGEMENE EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 9

Communautair repertorium

1.   De Commissie stelt een communautair repertorium op over de toevoeging van vitaminen en mineralen en bepaalde andere stoffen aan levensmiddelen, hierna „het repertorium” genoemd, en houdt dat repertorium bij.

2.   Het repertorium bevat het volgende:

a)

de vitaminen en mineralen die aan levensmiddelen mogen worden toegevoegd, vermeld in bijlage I;

b)

de vitamineformuleringen en mineraalverbindingen die aan levensmiddelen mogen worden toegevoegd, vermeld in bijlage II;

c)

de maximum- en minimumhoeveelheden voor vitaminen en mineralen die aan levensmiddelen mogen worden toegevoegd, alsmede daaraan verbonden voorwaarden overeenkomstig artikel 6;

d)

de informatie betreffende de nationale bepalingen inzake verplichte toevoeging van vitaminen en mineralen zoals bedoeld in artikel 11;

e)

eventuele beperkingen inzake de toevoeging van vitaminen en mineralen zoals bedoeld in artikel 4;

f)

de stoffen waarvoor dossiers zijn ingediend overeenkomstig artikel 17, lid 1, onder b);

g)

informatie over de in bijlage III genoemde stoffen en de redenen voor opname in die bijlage.

3.   Het repertorium wordt openbaar gemaakt.

Artikel 10

Het vrije verkeer van goederen

Onverminderd het Verdrag, met name de artikelen 28 en 30, mogen de lidstaten de handel in levensmiddelen die aan de voorschriften van deze verordening en van communautaire besluiten ter uitvoering van deze verordening voldoen, niet verbieden of beperken door toepassing van niet-geharmoniseerde nationale bepalingen betreffende de toevoeging van vitaminen en mineralen aan levensmiddelen.

Artikel 11

Nationale bepalingen

1.   De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op … (11) in kennis van bestaande nationale bepalingen inzake de verplichte toevoeging van vitaminen en mineralen en inzake de producten waarvoor de in artikel 4, onder b), bedoelde afwijking geldt.

2.   Wanneer een lidstaat het bij gebreke van communautaire bepalingen nodig acht nieuwe wetgeving vast te stellen:

a)

inzake de verplichte toevoeging van vitaminen en mineralen aan specifieke levensmiddelen of categorieën levensmiddelen,

b)

inzake het verbieden of beperken van het gebruik van bepaalde andere stoffen bij de vervaardiging van specifieke levensmiddelen,

stelt hij de Commissie daarvan in kennis overeenkomstig de procedure van artikel 12.

Artikel 12

Kennisgevingsprocedure

1.   Indien een lidstaat het nodig acht nieuwe wetgeving vast te stellen, stelt hij de Commissie en de andere lidstaten van de beoogde maatregelen en de motivering in kennis.

2.   De Commissie raadpleegt het in artikel 14 bedoelde comité, indien zij van oordeel is dat zulks zinvol is, of indien een lidstaat daarom verzoekt, en brengt advies uit over de beoogde maatregelen.

3.   De betrokken lidstaat kan de beoogde maatregelen niet eerder dan zes maanden na de in lid 1 bedoelde kennisgeving treffen, op voorwaarde dat hij van de Commissie geen negatief advies heeft ontvangen.

Indien de Commissie een negatief advies uitbrengt, besluit zij, voordat de in de eerste alinea bedoelde periode is verstreken, volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure of de beoogde maatregelen kunnen worden uitgevoerd. De Commissie kan eisen dat de beoogde maatregelen worden gewijzigd.

Artikel 13

Vrijwaringsmaatregelen

1.   Wanneer een lidstaat gegronde redenen heeft om aan te nemen dat een product gevaar oplevert voor de gezondheid van de mens, ook al is het in overeenstemming met deze verordening, kan die lidstaat de toepassing van de betrokken bepalingen op zijn grondgebied tijdelijk schorsen of beperken.

Hij stelt de andere lidstaten en de Commissie daarvan onverwijld in kennis onder vermelding van de redenen die tot zijn besluit hebben geleid.

2.   Over de zaak wordt een besluit genomen volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure, in voorkomend geval na raadpleging van de Autoriteit.

De Commissie kan deze procedure op eigen initiatief inleiden.

3.   De in lid 1 bedoelde lidstaat kan de schorsing of beperking handhaven tot hem kennis is gegeven van het in lid 2 bedoelde besluit.

Artikel 14

Procedure van het comité

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 58, lid 1, van Verordening (EG) nr. 178/2002 ingestelde Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid (hierna „het comité” genoemd).

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

3.   Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 15

Toezicht

Teneinde een efficiënt toezicht op levensmiddelen waaraan vitaminen en mineralen zijn toegevoegd, en op levensmiddelen die in bijlage III, delen B en C, vermelde stoffen bevatten, te vergemakkelijken, kunnen de lidstaten eisen dat de fabrikant of degene die voor het in de handel brengen van dergelijke levensmiddelen op hun grondgebied verantwoordelijk is, de bevoegde instantie van het in de handel brengen in kennis stelt, door deze een model van het voor het product gebruikte etiket te verstrekken. In zulke gevallen kan ook informatie over het uit de handel nemen van het product worden geëist.

Artikel 16

Evaluatie

Uiterlijk op ... (12) legt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad een verslag voor over de gevolgen van de toepassing van deze verordening, in het bijzonder betreffende de ontwikkeling van de markt voor levensmiddelen waaraan vitaminen en mineralen zijn toegevoegd, het gebruik daarvan, de inname van nutriënten voor de bevolking, veranderingen in de voedingsgewoonten en de toevoeging van bepaalde andere stoffen, en dient zij de nodig geachte voorstellen tot wijziging van deze verordening in. De lidstaten verstrekken de Commissie daartoe uiterlijk op ... (13) alle nodige informatie. De voorschriften ter uitvoering van dit artikel worden vastgesteld volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure.

Artikel 17

Overgangsmaatregelen

1.   In afwijking van artikel 3, lid 1, kunnen de lidstaten tot en met ... (14) op hun grondgebied het gebruik toestaan van vitaminen en mineralen die niet in bijlage I zijn opgenomen of een niet in bijlage II vermelde vorm hebben, onder de volgende voorwaarden:

a)

de betrokken stof wordt gebruikt voor toevoeging aan levensmiddelen die op … (15) in de Gemeenschap in de handel zijn, en

b)

de Autoriteit heeft met betrekking tot het gebruik van die stof, of het gebruik van de stof in die vorm, bij de vervaardiging van levensmiddelen geen ongunstig advies verleend op basis van een dossier ter ondersteuning van het gebruik van de betrokken stof dat uiterlijk op ... (16) door de lidstaat bij de Commissie moet worden ingediend.

2.   Gedurende de in lid 1 bedoelde termijn (14) kunnen de lidstaten in overeenstemming met het Verdrag de bestaande nationale beperkingen of verboden blijven toepassen op de handel in levensmiddelen waaraan vitaminen of mineralen zijn toegevoegd die niet in de lijst van bijlage I zijn opgenomen of die een niet in bijlage II vermelde vorm hebben.

3.   Totdat de desbetreffende communautaire maatregelen op grond van artikel 6 of andere specifieke communautaire bepalingen zijn vastgesteld, kunnen de lidstaten, in overeenstemming met het Verdrag, bestaande nationale voorschriften blijven toepassen inzake de maximum- en minimumhoeveelheden van de aan levensmiddelen toegevoegde vitaminen en mineralen die in bijlage I zijn opgenomen, en inzake de voorwaarden voor deze toevoegingen.

Artikel 18

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van ... (17).

Levensmiddelen die vóór … (17) in de handel gebracht of geëtiketteerd zijn en niet aan deze verordening voldoen, mogen echter worden verhandeld tot en met ... (18).

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te …

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

Voor de Raad

De voorzitter


(1)  PB C 112 van 30.4.2004, blz. 44.

(2)  Advies van het Europees Parlement van 26 mei 2005 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 8 december 2005 en standpunt van het Europees Parlement van ....(nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(3)  PB L 183 van 12.7.2002, blz. 51.

(4)  PB L 109 van 6.5.2000, blz. 29. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2003/89/EG (PB L 308 van 25.11.2003, blz. 15).

(5)  Gemeenschappelijk Standpunt (EG) nr. 3/2006 (zie bladzijde .. van dit Publicatieblad).

(6)  PB L 276 van 6.10.1990, blz. 40. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).

(7)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(8)  PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1642/2003 (PB L 245 van 29.9.2003, blz. 4).

(9)  PB L 179 van 14.7.1999, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1795/2003 van de Commissie (PB L 262 van 14.10.2003, blz. 13).

(10)  De in overweging 18 vermelde verordening.

(11)  Zes maanden na de inwerkingtreding van deze verordening.

(12)  Eerste dag van de zesde maand na de datum van inwerkingtreding van deze verordening plus zes jaar.

(13)  Eerste dag van de zesde maand na de datum van inwerkingtreding van deze verordening plus vijf jaar.

(14)  Zeven jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening.

(15)  Het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening.

(16)  Drie jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening.

(17)  Eerste dag van de zesde maand na de datum van inwerkingtreding van deze verordening.

(18)  Eerste dag van de negenentwintigste maand na de datum van inwerkingtreding van deze verordening.


BIJLAGE I

VITAMINEN EN MINERALEN DIE AAN LEVENSMIDDELEN MOGEN WORDEN TOEGEVOEGD

1.   Vitaminen

Vitamine A

Vitamine D

Vitamine E

Vitamine K

Vitamine B1

Vitamine B2

Niacine

Pantotheenzuur

Vitamine B6

Foliumzuur

Vitamine B12

Biotine

Vitamine C

2.   Mineralen

Calcium

Magnesium

IJzer

Koper

Jood

Zink

Mangaan

Natrium

Kalium

Seleen

Chroom

Molybdeen

Fluoride

Chloride

Fosfor


BIJLAGE II

VITAMINEFORMULERINGEN EN MINERAALVERBINDINGEN DIE AAN LEVENSMIDDELEN MOGEN WORDEN TOEGEVOEGD

1.   Vitamineformuleringen

VITAMINE A

retinol

retinylacetaat

retinylpalmitaat

bèta-caroteen

VITAMINE D

cholecalciferol

ergocalciferol

VITAMINE E

D-alfa-tocoferol

DL-alfa-tocoferol

D-alfa-tocoferylacetaat

DL-alfa-tocoferylacetaat

D-alfa-tocoferylwaterstofsuccinaat

VITAMINE K

fyllochinon (fytomenadion)

VITAMINE B1

thiaminehydrochloride

thiaminemononitraat

VITAMINE B2

riboflavine

natriumriboflavine-5'-fosfaat

NIACINE

nicotinezuur

nicotinamide

PANTOTHEENZUUR

calcium-D-pantothenaat

natrium-D-pantothenaat

dexpanthenol

VITAMINE B6

pyridoxinehydrochloride

pyridoxine-5'-fosfaat

pyridoxinedipalmitaat

FOLIUMZUUR

pteroylmonoglutaminezuur

VITAMINE B12

cyanocobalamine

hydroxocobalamine

BIOTINE

D-biotine

VITAMINE C

L-ascorbinezuur

natrium-L-ascorbaat

calcium-L-ascorbaat

kalium-L-ascorbaat

6-palmityl-L-ascorbinezuur

2.   Mineraalverbindingen

calciumcarbonaat

calciumchloride

calciumzouten van citroenzuur

calciumgluconaat

calciumglycerofosfaat

calciumlactaat

calciumzouten van orthofosforzuur

calciumhydroxide

calciumoxide

calciumsulfaat

magnesiumacetaat

magnesiumcarbonaat

magnesiumchloride

magnesiumzouten van citroenzuur

magnesiumgluconaat

magnesiumglycerofosfaat

magnesiumzouten van orthofosforzuur

magnesiumlactaat

magnesiumhydroxide

magnesiumoxide

magnesiumsulfaat

ijzer(II)carbonaat

ijzer(II)citraat

ijzer(III)ammoniumcitraat

ijzer(II)gluconaat

ijzer(II)fumaraat

natriumijzer(III)difosfaat

ijzer(II)lactaat

ijzer(II)sulfaat

ijzer(III)difosfaat (ijzer(III)pyrofosfaat)

ijzer(III)saccharaat

elementair ijzer (uit carbonyl + elektrolytisch bereid + met waterstof gereduceerd)

koper(II)carbonaat

koper(II)citraat

koper(II)gluconaat

koper(II)sulfaat

koper-lysinecomplex

natriumjodide

natriumjodaat

kaliumjodide

kaliumjodaat

zinkacetaat

zinkchloride

zinkcitraat

zinkgluconaat

zinklactaat

zinkoxide

zinkcarbonaat

zinksulfaat

mangaancarbonaat

mangaanchloride

mangaancitraat

mangaangluconaat

mangaanglycerofosfaat

mangaansulfaat

natriumwaterstofcarbonaat

natriumcarbonaat

natriumcitraat

natriumgluconaat

natriumlactaat

natriumhydroxide

natriumzouten van orthofosforzuur

natriumselenaat

natriumwaterstofseleniet

natriumseleniet

natriumfluoride

kaliumfluoride

kaliumwaterstofcarbonaat

kaliumcarbonaat

kaliumchloride

kaliumcitraat

kaliumgluconaat

kaliumglycerofosfaat

kaliumlactaat

kaliumhydroxyde

kaliumzouten van orthofosforzuur

chroom(III)chloride en het hexahydraat daarvan

chroom(III)sulfaat en het hexahydraat daarvan

ammoniummolybdaat (molybdeen(VI))

natriummolybdaat (molybdeen(VI))


BIJLAGE III

STOFFEN WAARVAN HET GEBRUIK IN LEVENSMIDDELEN IS VERBODEN, AAN BEPERKING IS ONDERWORPEN OF DIE DOOR DE GEMEENSCHAP WORDEN ONDERZOCHT

Deel A — Verboden stoffen

Deel B — Aan beperkingen onderworpen stoffen

Deel C — Stoffen die door de Gemeenschap worden onderzocht


MOTIVERING VAN DE RAAD

I.   INLEIDING

1.

De Commissie heeft op 14 november 2003 bij de Raad een voorstel ingediend voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toevoeging van vitaminen en mineralen en bepaalde andere stoffen aan levensmiddelen. Het voorstel heeft artikel 95 van het Verdrag als rechtsgrond.

2.

Het Europees Parlement heeft op 26 mei 2005 zijn advies in eerste lezing goedgekeurd (1).

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 31 maart 2004 advies uitgebracht (2).

3.

De Raad heeft op 8 december 2005 zijn gemeenschappelijk standpunt vastgesteld overeenkomstig artikel 251 van het Verdrag.

II.   DOELSTELLING

De voorgestelde verordening strekt ertoe de voorschriften betreffende de toevoeging van vitaminen en mineralen aan levensmiddelen te harmoniseren. Het vrije verkeer van deze producten in de Gemeenschap zal daardoor makkelijker worden, aangezien de bestaande nationale voorschriften betreffende dergelijke toevoegingen op dit ogenblik sterk uiteenlopen en vaak leiden tot belemmeringen van de intracommunautaire handel.

De harmonisatie zal er voorts toe leiden dat de consumentenbescherming in de Gemeenschap op een hoog peil komt te staan en zal waarborgen dat die producten geen risico's voor de volksgezondheid inhouden.

De voorgestelde verordening:

geeft een opsomming van de vitaminen en mineralen die aan levensmiddelen mogen worden toegevoegd (bijlage I), alsmede van de vormen waarin de vitaminen en mineralen mogen worden toegevoegd (bijlage II);

voorziet in een aantal beperkingen wat betreft de levensmiddelen waaraan vitaminen en mineralen mogen worden toegevoegd, bepaalt criteria voor het vaststellen van maximumgehalten en biedt de mogelijkheid om minimumgehalten aan vitaminen en mineralen in het eindproduct vast te stellen;

bevat de voorschriften voor de etikettering en presentatie van en de reclame voor de betrokken producten;

geeft de grondslag voor het onderzoeken en, waar nodig, verbieden van de toevoeging van bepaalde andere stoffen dan vitaminen en mineralen aan levensmiddelen;

maakt het mogelijk nationale maatregelen te nemen betreffende de verplichte toevoeging van vitaminen en mineralen aan levensmiddelen, op voorwaarde dat de Commissie geen negatief advies over voornoemde maatregelen uitbrengt.

III.   ANALYSE VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT

1.   Algemeen

Het gemeenschappelijk standpunt van de Raad is in overeenstemming met het voorstel van de Commissie, maar brengt een beperkt aantal wijzigingen aan. Hierna volgen enkele van die wijzigingen:

de definities in artikel 2 betreffende de doelstellingen van de toevoeging van vitaminen en mineralen aan levensmiddelen worden geschrapt en vervangen door een uiteenzetting in artikel 3 (voorschriften) van de omstandigheden waarin vitaminen en mineralen aan levensmiddelen mogen worden toegevoegd;

de afwijkingen van artikel 4 (dat betrekking heeft op de gevallen waarin geen vitaminen en mineralen mogen worden toegevoegd) worden nauwkeuriger omschreven wat betreft alcoholische dranken;

de bepalingen die van toepassing zijn op andere stoffen dan vitaminen en mineralen werden gestroomlijnd (door de samenvoeging van artikel 10 en artikel 11 van het oorspronkelijke voorstel);

de procedures voor kennisgeving van bestaande en nieuwe nationale bepalingen werden verduidelijkt (nieuw artikel 11 en schrapping van artikel 9 van de oorspronkelijke tekst).

De Commissie heeft het door de Raad vastgestelde gemeenschappelijk standpunt aanvaard.

2.   Amendementen van het Europees Parlement

Het Europees Parlement heeft tijdens de stemming in de plenaire vergadering op 26 mei 200546 amendementen op het voorstel goedgekeurd (amendement nr. 8 is een taalkundig amendement en is niet van toepassing op de Nederlandse tekst).

De Raad

a)

heeft in het gemeenschappelijk standpunt 20 amendementen volledig, gedeeltelijk of in beginsel overgenomen, zoals hierna wordt uiteengezet:

Overwegingen

Amendement nr. 1 (op overweging 10) en amendement nr. 2 (op overweging 12) werden gedeeltelijk overgenomen, door de schrapping van de laatste zin van overweging 8 en een wijziging in overweging 10.

Amendement nr. 4 (op overweging 20 bis) werd in beginsel en gedeeltelijk overgenomen in overweging 2 (tweede zin) en in artikel 11, lid 2.

Amendement nr. 5 (op overweging 20 ter) is in beginsel overgenomen door een herformulering van artikel 6, lid 6.

Artikelen

Amendement nr. 13 (op artikel 3, lid 3) werd gedeeltelijk overgenomen wat betreft het advies van de Autoriteit, terwijl de oorspronkelijke verwijzing naar de uitvoeringsbepalingen werd geschrapt (aangezien er in de artikelen 2 en 3 niet langer verwezen wordt naar restauratie, gelijkwaardigheid of vervangingsproducten).

Amendement nr. 16 (op artikel 4, nieuw lid 1) werd naar de geest overgenomen in artikel 17, lid 1, onder b), en in artikel 9, lid 2, onder d).

Amendement nr. 17 (op artikel 4, lid 2) werd gedeeltelijk overgenomen in artikel 17, lid 2.

De amendementen nrs. 49/rev. en 54/rev. (op artikel 5, lid 1, onder b)) werden volledig overgenomen in artikel 4.

Amendement nr. 25 (op artikel 7, lid 5) werd gedeeltelijk verwerkt (voor wat betreft de voorgestelde schrapping) in artikel 6, lid 6. In dit verband neemt de Raad er nota van dat de Commissie voornemens is de referentiewaarden in de bijlage bij Richtlijn 90/496/EEG inzake de voedingswaarde-etikettering van levensmiddelen te herzien en bij te werken.

Amendement nr. 31 (op artikel 9, lid 2, tweede alinea): de strekking van het amendement is verwerkt in artikel 9, lid 2, onder d) (zie tevens artikel 11).

Amendement nr. 34 (op artikel 10), amendement nr. 55 (invoeging van een nieuw artikel 10 bis) en amendement nr. 35 (op artikel 11) zijn verwerkt in artikel 8; lid 3 van het voorgestelde nieuwe artikel 10 bis is verwerkt in artikel 11, lid 2, onder b).

Amendement nr. 38 (artikel 12, lid 2, nieuwe punten f bis) en f ter)): de strekking van het amendement werd gedeeltelijk in aanmerking genomen in artikel 9, lid 2, onder d).

Amendement nr. 39 (op artikel 13): met de strekking van het amendement werd gedeeltelijk rekening gehouden in artikel 11, lid 2, onder b) (wat betreft de invoering van nieuwe bepalingen).

Amendement nr. 41 (op artikel 16, lid 1) wordt in beginsel in aanmerking genomen in artikel 3, lid 3, maar de Raad is van oordeel dat de Autoriteit niet automatisch moet worden geraadpleegd wanneer een beroep op de procedure van het comité wordt gedaan.

Amendement nr. 44 (op bijlage I), amendement nr. 45 (op bijlage II) en amendement nr. 46 (op bijlage II) zijn volledig overgenomen in de bijlagen (amendement nr. 45 werd anders geformuleerd en amendement nr. 46 werd op een andere plaats ingevoegd);

b)

heeft 26 amendementen niet overgenomen in het gemeenschappelijk standpunt.

Wat betreft de amendementen nrs. 3, 6, 9, 10, 14, 15, 19, 20, 21, 23, 24, 26, 27, 29, 30, 32, 36, 37, 40 en 43 heeft de Raad het standpunt van de Commissie gevolgd.

Wat betreft de amendementen nrs. 21, 26 en 30 neemt de Raad evenwel nota van het voornemen van de Commissie om:

in het kader van haar beraad op de herziening van Richtlijn 90/496/EEG inzake de voedingswaarde-etikettering van levensmiddelen het volgende te overwegen in verband met vitaminen en mineralen:

herziening/bijstelling van de referentiewaarden in de bijlage bij Richtlijn 90/496/EEG en van de niveaus die als „significante hoeveelheden” kunnen worden beschouwd;

vaststelling van tolerantiedrempels voor aanvaardbare schommelingen van de op het voedingswaarde-etiket vermelde waarden van toegevoegde vitaminen en mineralen;

iedere wijziging van de verplichte elementen van de voedingswaarde-etikettering die bij de toekomstige herziening van de voedingswaarde-etiketteringsrichtlijn zou worden aangenomen, automatisch te doen doorwerken in artikel 7, lid 3, van de verordening betreffende de toevoeging van vitaminen en mineralen en bepaalde andere stoffen aan levensmiddelen;

zo spoedig mogelijk en in ieder geval binnen twee jaar na de aanneming van de verordening een voorstel in te dienen voor de vaststelling van maximum- en minimumhoeveelheden vitaminen en mineralen en van de eventuele voorwaarden voor de toevoeging daarvan aan levensmiddelen zoals bedoeld in artikel 6, lid 2.

Wat betreft amendement nr. 36 waarbij een nieuw artikel 11 bis wordt ingevoegd betreffende de etikettering en presentatie van en de reclame voor andere stoffen, zij opgemerkt dat de Commissie de etiketteringsregels in aanmerking kan nemen in het kader van artikel 8, lid 6, betreffende de vaststelling van uitvoeringsvoorschriften voor de toepassing van artikel 8.

In verband met de amendementen nrs. 11, 12, 22, 28, 40 en 42, die door de Commissie gedeeltelijk zijn aanvaard maar die niet in het gemeenschappelijk standpunt zijn opgenomen, wordt het volgende opgemerkt.

Wat betreft amendement nr. 11 (op artikel 3, lid 2, inleidende formule) wordt erop gewezen dat het beginsel van het amendement, dat erin voorziet dat vitaminen en mineralen moeten worden toegevoegd in een vorm die door het menselijk lichaam kan worden opgenomen, reeds wordt uiteengezet in de eerste zin van overweging 11;

wat betreft amendement nr. 12 (artikel 3, nieuw lid 2 bis) en amendement nr. 28 (op artikel 8, lid 2): de strekking van deze amendementen is overgenomen in artikel 7, lid 2, aangezien het de etikettering (met inbegrip van de lijst van ingrediënten), de presentatie en de reclame zijn die de consument zouden kunnen misleiden of bedriegen;

wat betreft amendement nr. 22 (op artikel 7, lid 2, onder b)): er wordt geacht dat voedingssupplementen impliciet worden bestreken door het betrokken punt, aangezien dat erin voorziet dat innamen „uit andere voedingsbronnen” in acht moeten worden genomen bij het vaststellen van de maximumhoeveelheden en de voorwaarden voor de toevoeging van vitaminen en mineralen aan levensmiddelen;

amendement nr. 40 (op artikel 14, lid 3) is gedeeltelijk en impliciet opgenomen in artikel 12, lid 3, tweede streepje, aangezien het advies van het comité verplicht moet worden ingewonnen wanneer het advies van de Commissie over de beoogde maatregel negatief is;

wat betreft amendement nr. 42 (op artikel 17): de Raad is van oordeel dat, wat betreft de toezichttaken van de bevoegde instanties, de verplichting om de Commissie in kennis te stellen van het in de handel brengen van levensmiddelen waaraan vitaminen en mineralen zijn toegevoegd, niet verenigbaar is met het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel.

3.   Andere door de Raad ingevoerde nieuwe elementen

Andere in het gemeenschappelijk standpunt ingevoerde nieuwe elementen zijn onder meer:

het groeperen van alle toepasselijke overgangsmaatregelen in een nieuw artikel 17 en de daarmee samenhangende schrapping van artikel 4 van het oorspronkelijke voorstel;

de herziening van artikel 6 (betreffende de voorwaarden voor de toevoeging van vitaminen en mineralen) en artikel 7 (betreffende etikettering, presentatie en reclame) naar aanleiding van de schrapping van de definities in artikel 2;

een wijziging van artikel 15 inzake toezicht, teneinde erin te voorzien dat, wanneer een kennisgeving van het in de handel brengen verplicht is, ook informatie over het uit de handel nemen kan worden geëist;

een verwijzing naar de uitvoeringsvoorschriften voor de toepassing van artikel 16;

de schrapping van natriumchloride uit bijlage II, met een overeenkomstige wijziging van overweging 11 om deze wijziging toe te lichten.

IV.   CONCLUSIE

De Raad is van oordeel dat zijn gemeenschappelijk standpunt, waarin de amendementen zijn verwerkt die in deel III, punt 2, onder a), worden vermeld, terdege rekening houdt met het advies van het Europees Parlement in eerste lezing en dat het een evenwichtige oplossing is die ervoor kan zorgen dat de doelstellingen van de verordening worden bereikt.


(1)  Doc. 9200/05.

(2)  PB C 112 van 30.4.2004, blz. 44.


4.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 80/43


GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT (EG) Nr. 3/2006

vastgesteld door de Raad op 8 december 2005

met het oog op de aanneming van Verordening (EG) nr. …./2006 van het Europees Parlement en de Raad van … inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen

(2006/C 80 E/03)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 95,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Er komen in de Gemeenschap steeds meer levensmiddelen waarvoor op het etiket of in reclameboodschappen voedings- en gezondheidsclaims worden gedaan. Om een hoog beschermingsniveau voor de consumenten te waarborgen en hun keuze te vergemakkelijken, dienen de in de handel gebrachte producten veilig en naar behoren geëtiketteerd te zijn.

(2)

Verschillen tussen de nationale bepalingen met betrekking tot dergelijke claims kunnen het vrije verkeer van levensmiddelen belemmeren en tot ongelijke concurrentievoorwaarden leiden. Aldus hebben zij rechtstreekse gevolgen voor de werking van de interne markt. Het is derhalve noodzakelijk communautaire voorschriften voor het gebruik van voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen vast te stellen.

(3)

Richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgeving der lidstaten inzake de etikettering en presentatie van levensmiddelen alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame (3) bevat algemene voorschriften inzake etikettering. Richtlijn 2000/13/EG bevat een algemeen verbod op informatie waardoor de koper wordt misleid of waarin aan levensmiddelen een geneeskrachtige werking wordt toegeschreven. Deze verordening dient de algemene beginselen van Richtlijn 2000/13/EG aan te vullen en te voorzien in specifieke bepalingen betreffende het gebruik van voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen die als zodanig aan de consument worden geleverd.

(4)

Deze verordening is van toepassing op alle voedings- en gezondheidsclaims die in commerciële mededelingen worden gedaan, met inbegrip van onder meer generieke reclame voor levensmiddelen en reclamecampagnes die geheel of ten dele door de overheid gefinancierd worden. Zij is niet van toepassing op claims die in niet-commerciële mededelingen worden gedaan, zoals dieetvoorschriften of adviezen van volksgezondheidsinstanties of -organisaties, noch op niet-commerciële mededelingen en informatie in de pers en in wetenschappelijke publicaties. Deze verordening is ook van toepassing op handelsmerken en andere merknamen die als voedings- of gezondheidsclaims kunnen worden opgevat.

(5)

Niet-heilzame voedingsclaims vallen buiten het toepassingsgebied van deze verordening; de lidstaten die voornemens zijn daarvoor nationale regelingen in te voeren, dienen deze regelingen overeenkomstig Richtlijn 98/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (4) en regels betreffende de informatiemaatschappij aan de Commissie ter kennis te brengen.

(6)

Op internationaal niveau heeft de Codex Alimentarius in 1991 algemene richtsnoeren voor claims en in 1997 richtsnoeren voor het gebruik van voedingsclaims vastgesteld. De Commissie van de Codex Alimentarius heeft in 2004 een wijziging van deze laatste goedgekeurd, waardoor gezondheidsclaims in de richtsnoeren van 1997 zullen worden opgenomen. De definities en voorwaarden van de Codex-richtsnoeren worden naar behoren in aanmerking genomen.

(7)

De in Verordening (EG) nr. 2991/94 van de Raad van 5 december 1994 tot vaststelling van normen voor smeerbare restproducten (5) geboden mogelijkheid om de vermelding „met laag vetgehalte” te gebruiken voor smeerbare vetproducten moet zo spoedig mogelijk in onderhavige verordening worden opgenomen. In afwachting daarvan is Verordening (EG) nr. 2991/94 van toepassing op de producten die eronder vallen .

(8)

In een levensmiddel kunnen allerlei nutriënten en andere stoffen, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, vitaminen, mineralen met inbegrip van spoorelementen, aminozuren, essentiële vetzuren, voedingsvezels, diverse planten- en kruidenextracten, met een nutritioneel of fysiologisch effect aanwezig zijn waarvoor een claim kan worden gedaan. Derhalve moeten er algemene beginselen voor alle claims inzake levensmiddelen worden vastgesteld om een hoog beschermingsniveau voor de consument te waarborgen, de consument de informatie te verstrekken die hij nodig heeft om geïnformeerde keuzes te kunnen maken, en gelijke concurrentievoorwaarden voor de levensmiddelenindustrie te scheppen.

(9)

Wanneer levensmiddelen met claims worden aangeprezen, kan bij de consument de indruk ontstaan dat zij in nutritioneel, fysiologisch of een ander met de gezondheid verband houdend opzicht beter zijn dan soortgelijke of andere stoffen waar dergelijke nutriënten niet aan toegevoegd zijn. Dit kan de consument ertoe brengen keuzes te maken die zijn totale inname van nutriënten of andere stoffen beïnvloeden op een wijze die strijdig is met de wetenschappelijke adviezen. Om dit eventuele ongewenste effect tegen te gaan, moeten bepaalde beperkingen worden opgelegd ten aanzien van producten met claims. In dit verband kan het gehalte aan bepaalde stoffen in een product (zoals het alcoholgehalte) of het voedingsprofiel een geschikt criterium zijn om te bepalen of voor dat product claims mogen worden gedaan. Hoewel het gebruik van dergelijke criteria op nationaal niveau verantwoord is omdat het de consumenten de mogelijkheid biedt geïnformeerde keuzes op voedingsgebied te maken, is de kans groot dat zulks tot hinderpalen voor de intracommunautaire handel aanleiding geeft en daarom moeten deze criteria op communautair niveau geharmoniseerd worden.

(10)

Met het hanteren van voedingsprofielen als criterium wordt voorkomen dat een situatie ontstaat waarbij voedings- of gezondheidsclaims de algemene nutritionele status van een voedingsmiddel verhullen, wat de consumenten zou kunnen misleiden bij het maken van een verstandige keuze in het kader van een gezonde, evenwichtige voeding. De voedingsprofielen waarin deze verordening voorziet, zijn uitsluitend bedoeld om te kunnen bepalen onder welke voorwaarden een claim kan worden gedaan. De profielen moeten gebaseerd zijn op algemeen aanvaarde wetenschappelijke gegevens betreffende de relatie tussen voeding en gezondheid. De profielen moeten evenwel ook productinnovatie mogelijk maken en moeten rekening houden met de veranderlijkheid van voedingsgewoonten en -tradities en met de belangrijke rol die afzonderlijke producten in het totale voedselpakket kunnen spelen.

(11)

Bij de vaststelling van een voedingsprofiel dient te worden gekeken naar het gehalte aan verschillende nutriënten en stoffen met een nutritioneel of fysiologisch effect, met name vetten, verzadigde vetten, transvetzuren, zout/natrium en suikers, waarvan een overmatige inname in de totale voeding niet aanbevolen wordt, alsmede enkelvoudig en meervoudig onverzadigde vetten, andere beschikbare koolhydraten dan suikers, vitaminen, mineralen, eiwitten en voedingsvezels. Bij de vaststelling van voedingsprofielen moeten de verschillende categorieën levensmiddelen en het aandeel en de rol van deze levensmiddelen in de totale voeding in aanmerking genomen worden. Voor bepaalde levensmiddelen of categorieën levensmiddelen kan het, afhankelijk van hun rol en betekenis in de voeding van de bevolking, nodig zijn van de inachtneming van de vastgestelde voedingsprofielen af te wijken. Dit zijn complexe technische aangelegenheden en het nemen van de maatregelen terzake moet aan de Commissie worden overgelaten, rekening houdend met het advies van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid.

(12)

Voedingssupplementen zoals omschreven in Richtlijn 2002/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 juni 2002 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake voedingssupplementen (6), die in vloeibare vorm verkrijgbaar zijn en een alcoholvolumegehalte van meer dan 1,2 % hebben, worden niet als dranken beschouwd die onder deze verordening vallen.

(13)

In de etikettering van en de reclame voor levensmiddelen worden in sommige lidstaten momenteel allerlei claims gebruikt betreffende stoffen waarvan niet bewezen is dat zij heilzaam zijn of waarover nog onvoldoende wetenschappelijke overeenstemming bestaat. Er moet voor worden gezorgd dat de stoffen waarvoor een claim wordt gedaan, een bewezen heilzaam nutritioneel of fysiologisch effect hebben.

(14)

Om te waarborgen dat de gedane claims waarheidsgetrouw zijn, moet de stof waarvoor de claim wordt gedaan in het eindproduct in voldoende hoeveelheid aanwezig, respectievelijk afwezig of tot een voldoende laag niveau beperkt, zijn om het geclaimde nutritionele of fysiologische effect te bereiken. Ook moet de stof door het lichaam kunnen worden opgenomen. In voorkomend geval moet de stof die het geclaimde nutritionele of fysiologische effect sorteert, bovendien in een significante hoeveelheid aanwezig zijn in een hoeveelheid voedsel waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de consument die tot zich zal nemen.

(15)

Claims inzake levensmiddelen moeten voor de consument begrijpelijk zijn en alle consumenten moeten tegen misleidende claims worden beschermd. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft het sinds de inwerkingtreding van Richtlijn 84/450/EEG van de Raad van 10 september 1984 inzake misleidende reclame (7) evenwel noodzakelijk geacht om bij uitspraken in zaken over reclamekwesties na te gaan wat de gevolgen voor een fictieve doorsneeconsument zijn. In overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, en om de op grond van dat beginsel geboden bescherming ook effectief te kunnen toepassen, wordt in deze verordening het door het Hof van Justitie ontwikkelde criterium van de gemiddelde consument (een redelijk goed geïnformeerde, redelijk oplettende en voorzichtige consument) als maatstaf genomen en wordt er rekening gehouden met sociale, culturele en taalkundige factoren, maar wordt er tevens voorzien in bepalingen die voorkomen dat wordt geprofiteerd van consumenten die bijzonder kwetsbaar zijn voor misleidende claims. Indien een claim gericht is op een bepaalde groep consumenten, zoals kinderen, is het wenselijk dat het effect van de claim vanuit het gezichtspunt van het gemiddelde lid van die groep wordt beoordeeld. Het criterium van de gemiddelde consument is geen statistisch criterium. Nationale rechtbanken en autoriteiten moeten, rekening houdend met de jurisprudentie van het Hof van Justitie, hun eigen oordeel volgen om vast te stellen wat in een bepaald geval de typische reactie van de gemiddelde consument is.

(16)

Wetenschappelijke onderbouwing dient bij het gebruik van voedings- en gezondheidsclaims op de eerste plaats te komen; exploitanten van levensmiddelenbedrijven die claims gebruiken, moeten deze onderbouwen.

(17)

Een voedings- of gezondheidsclaim is niet toelaatbaar indien hij indruist tegen de algemeen aanvaarde voedings- en gezondheidsbeginselen, of indien daarmee overmatige consumptie van levensmiddelen wordt aangemoedigd of gedoogd, of het belang van goede eetgewoonten geminimaliseerd wordt.

(18)

Gezien het positieve beeld dat wordt opgeroepen door levensmiddelen met voedings- en/of gezondheidsclaims en het potentiële effect van die levensmiddelen op de voedingsgewoonten en de totale nutriënteninname, moet de consument de algehele voedingskwaliteit van die producten kunnen beoordelen. Daarom moet voor alle levensmiddelen met gezondheidsclaims uitvoerige voedingswaarde-etikettering verplicht worden gesteld.

(19)

Algemene nutritionele etiketteringsbepalingen staan in Richtlijn 90/496/EEG van de Raad van 24 september 1990 inzake de voedingswaarde-etikettering van levensmiddelen (8). Volgens deze richtlijn moet de voedingswaarde in de etikettering worden vermeld indien in de etikettering of de presentatie van een levensmiddel of in de daarvoor gemaakte reclame, met uitzondering van generieke reclame, een voedingsclaim wordt gedaan. Indien een voedingsclaim wordt gemaakt voor suikers, verzadigde vetten, vezels of natrium moet de te verstrekken informatie bestaan uit de in artikel 4, lid 1, van Richtlijn 90/496/EEG omschreven gegevens van groep 2. Met het oog op een hoog niveau van consumentenbescherming moet deze verplichting om de gegevens van groep 2 te verstrekken mutatis mutandis van toepassing zijn indien een gezondheidsclaim wordt gedaan, generieke reclame uitgezonderd.

(20)

Er moet een lijst van toegestane voedingsclaims, met de specifieke voorwaarden voor het gebruik daarvan, worden opgesteld, op basis van de voorwaarden voor het gebruik van dergelijke claims die op nationaal of internationaal niveau zijn overeengekomen en in de communautaire wetgeving zijn vastgelegd. Elke claim die wordt geacht voor de consument dezelfde betekenis te hebben als een in bovengenoemde lijst opgenomen voedingsclaim, moet aan dezelfde in deze lijst vermelde gebruiksvoorwaarden voldoen. Bijvoorbeeld, claims in verband met de toevoeging van vitaminen en mineralen zoals „met …”, „met gerestaureerd gehalte aan …”, „toegevoegd …” of „verrijkt ...”, moeten voldoen aan de voorwaarden die zijn vastgesteld voor de claim „bron van …”. De lijst moet op gezette tijden worden bijgewerkt om rekening te houden met wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen. Verder is het voor vergelijkende claims nodig dat de consument duidelijk kan zien welke producten met elkaar worden vergeleken.

(21)

De voorwaarden voor claims zoals lactosevrij of glutenvrij die gericht zijn tot een groep van consumenten met specifieke aandoeningen, moeten worden geregeld in Richtlijn 89/398/EEG van de Raad van 3 mei 1989 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake voor bijzondere voeding bestemde levensmiddelen (9). Die richtlijn laat bovendien toe dat bij gewone levensmiddelen wordt vermeld dat zij geschikt zijn voor deze groepen consumenten indien die levensmiddelen voldoen aan de voorwaarden voor een dergelijke vermelding. Totdat de voorwaarden voor die vermeldingen op Gemeenschapsniveau zijn vastgesteld, kunnen de lidstaten terzake nationale maatregelen handhaven of vaststellen.

(22)

Het gebruik van gezondheidsclaims mag pas na een wetenschappelijke beoordeling volgens de strengste normen in de Gemeenschap worden toegestaan. Met het oog op een geharmoniseerde wetenschappelijke beoordeling van die claims dient de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid daarmee te worden belast.

(23)

Psychologische en gedragsfuncties worden, behalve door de voeding, nog door tal van andere factoren beïnvloed. Dit is een uiterst complexe materie en daardoor is het niet eenvoudig om een volledige, correcte en zinvolle boodschap over te brengen in een korte claim die in de etikettering en reclame voor levensmiddelen kan worden gebruikt. Daarom dienen claims met betrekking tot psychologische of gedragsaspecten wetenschappelijk te worden onderbouwd.

(24)

In het licht van Richtlijn 96/8/EG van de Commissie van 26 februari 1996 inzake voedingsmiddelen die zijn bestemd om in energiebeperkte diëten te worden genuttigd voor gewichtsvermindering (10), die verbiedt dat op de etikettering van onder die richtlijn vallende producten en bij het adverteren en het te koop aanbieden daarvan melding wordt gemaakt van de snelheid of de mate van gewichtsverlies als gevolg van het nuttigen ervan, wordt het dienstig geacht deze beperking uit te breiden tot alle levensmiddelen.

(25)

Gezondheidsclaims die niet over ziekterisicobeperking gaan en die gebaseerd zijn op algemeen aanvaarde wetenschappelijke gegevens, moeten volgens een andere procedure beoordeeld en toegelaten worden. Daarom moet er na raadpleging van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid een communautaire lijst van die toegestane claims worden vastgesteld.

(26)

Om de ontwikkeling van wetenschap en techniek bij te houden, moet die lijst, telkens wanneer dat nodig is, snel worden herzien. Die herzieningen zijn uitvoeringsmaatregelen van technische aard en om de procedure te vereenvoudigen en te versnellen, dient de vaststelling daarvan aan de Commissie te worden overgelaten.

(27)

Een gevarieerde, evenwichtige voeding is een vereiste voor een goede gezondheid en de invloed van afzonderlijke producten in de totale voeding is relatief gering. Verder is voeding slechts één van de vele factoren die van invloed zijn op het ontstaan van bepaalde ziekten bij de mens. Andere factoren, zoals leeftijd, genetische aanleg, de hoeveelheid lichaamsbeweging, het gebruik van tabak en drugs, blootstelling aan milieufactoren en stress kunnen daarbij ook een rol spelen. Daarom zijn voor claims betreffende de beperking van een ziekterisico specifieke etiketteringsvoorschriften nodig.

(28)

Om ervoor te zorgen dat gezondheidsclaims waarheidsgetrouw, duidelijk en betrouwbaar zijn en de consument zinvol helpen bij het kiezen van een gezonde voeding, moeten de formulering en de presentatie van gezondheidsclaims in het advies van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en de daaropvolgende vergunningsprocedure in aanmerking genomen worden.

(29)

Soms levert een wetenschappelijke risicobeoordeling op zich niet alle informatie op waarop een besluit inzake risicobeheersing moet worden gebaseerd. Daarom moeten andere terzake dienende factoren in aanmerking genomen worden.

(30)

Met het oog op transparantie en om te vermijden dat voor claims die al zijn beoordeeld, meerdere aanvragen moeten worden ingediend, dient een openbaar repertorium met de lijsten van die claims te worden opgesteld en bijgewerkt door de Commissie.

(31)

Om onderzoek en ontwikkeling in de levensmiddelenindustrie te stimuleren, dienen de door innoverende ondernemers gedane investeringen voor het verzamelen van de informatie en gegevens ten behoeve van een aanvraag krachtens deze verordening te worden beschermd. Die bescherming dient echter slechts voor beperkte tijd te gelden om onnodige herhaling van studies en onderzoeken te vermijden.

(32)

Gezien de specifieke aard van levensmiddelen met claims dienen de controleorganen naast de gebruikelijke middelen over extra middelen te beschikken om een efficiënte controle van deze producten te vergemakkelijken.

(33)

Er moeten toereikende overgangsmaatregelen komen om de exploitanten van levensmiddelenbedrijven in staat te stellen zich aan de eisen van deze verordening aan te passen.

(34)

Aangezien de doelstellingen van deze verordening, te weten het waarborgen van de goede werking van de gemeenschappelijke markt met betrekking tot voedings- en gezondheidsclaims met behoud van een hoog niveau van consumentenbescherming, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in dat artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(35)

De maatregelen ter uitvoering van deze verordening moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (11),

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

DOEL, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel 1

Doel en toepassingsgebied

1.   Het doel van deze verordening is de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten met betrekking tot voedings- en gezondheidsclaims, teneinde de goede werking van de interne markt te waarborgen en tevens een hoog niveau van consumentenbescherming te verwezenlijken.

2.   Deze verordening is van toepassing op voedings- en gezondheidsclaims die in commerciële mededelingen worden gedaan, hetzij in de etikettering en presentatie van levensmiddelen, hetzij in de daarvoor gemaakte reclame, indien het gaat om levensmiddelen die bestemd zijn om als zodanig aan de eindverbruiker te worden geleverd, inclusief onverpakt of in bulk in de handel gebrachte levensmiddelen.

Zij is ook van toepassing op levensmiddelen die zijn bestemd om aan restaurants, ziekenhuizen, scholen, kantines en soortgelijke instellingen te worden geleverd.

3.   Een handelsmerk, merknaam of fantasienaam die voorkomt in de etikettering of de presentatie van een levensmiddel of in de daarvoor gemaakte reclame en die als een voedings- of een gezondheidsclaim kan worden uitgelegd, kan worden gebruikt zonder de in deze verordening vastgestelde vergunningsprocedures te ondergaan, op voorwaarde dat het merk of de naam in die etikettering, presentatie of reclame voorkomt in combinatie met een daarmee verband houdende voedings- of gezondheidsclaim die voldoet aan de bepalingen van deze verordening.

4.   Deze verordening is van toepassing onverminderd de volgende communautaire bepalingen:

a)

Richtlijn 89/398/EEG en de richtlijnen tot uitvoering daarvan;

b)

Richtlijn 80/777/EEG van de Raad van 15 juli 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de exploitatie en het in de handel brengen van natuurlijk mineraalwater (12);

c)

Richtlijn 98/83/EG van de Raad van 3 november 1998 inzake voor menselijke consumptie bestemd water (13).

Artikel 2

Definities

1.   Voor de toepassing van deze verordening:

a)

gelden de definities van „levensmiddel”, „exploitant van een levensmiddelenbedrijf”, „in de handel brengen” en „eindverbruiker” van respectievelijk artikel 2 en artikel 3, punten 3, 8 en 18, van Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (14);

b)

geldt de definitie van „voedingssupplement” van Richtlijn 2002/46/EG;

c)

gelden voor „voedingswaarde-etikettering”, „eiwitten”, „koolhydraten”, „suikers”, „vetstoffen”, „verzadigd vet”, „enkelvoudig onverzadigd vet”, „meervoudig onverzadigd vet” en „voedingsvezels” de definities van Richtlijn 90/496/EEG;

d)

geldt de definitie van „etikettering” van artikel 1, lid 3 bis, van Richtlijn 2000/13/EG.

2.   Daarnaast zijn de volgende definities van toepassing:

1.

claim: elke boodschap of aanduiding die niet verplicht is op grond van de communautaire of nationale wetgeving, met inbegrip van illustraties, grafische voorstellingen of symbolen, ongeacht de vorm, waarmee gesteld, de indruk gewekt of geïmpliceerd wordt dat een levensmiddel bepaalde eigenschappen heeft;

2.

nutriënt: eiwitten, koolhydraten, vetten, voedingsvezels, natrium en de in de bijlage bij Richtlijn 90/496/EEG genoemde vitaminen en mineralen, alsmede stoffen die tot een van deze categorieën behoren of er een bestanddeel van zijn;

3.

andere stof: een stof die geen nutriënt is, maar wel een nutritioneel of fysiologisch effect heeft;

4.

voedingsclaim: een claim die stelt, de indruk wekt of impliceert dat een levensmiddel bepaalde heilzame voedingseigenschappen heeft met betrekking tot:

a)

de energetische waarde (calorische waarde) die het

i)

levert,

ii)

in verlaagde of verhoogde mate levert, of

iii)

niet levert, en/of

b)

de nutriënten of andere stoffen die het

i)

bevat,

ii)

in verlaagde of verhoogde hoeveelheid bevat, of

iii)

niet bevat;

5.

gezondheidsclaim: een claim die stelt, de indruk wekt of impliceert dat er een verband bestaat tussen een levensmiddelencategorie, een levensmiddel of een bestanddeel daarvan en de gezondheid;

6.

claim inzake ziekterisicobeperking: een claim die stelt, de indruk wekt of impliceert dat de consumptie van een levensmiddelencategorie, een levensmiddel of een bestanddeel daarvan een risicofactor voor het ontstaan van een ziekte bij de mens in significante mate beperkt;

7.

Autoriteit: de bij Verordening (EG) nr. 178/2002 opgerichte Europese Autoriteit voor voedselveiligheid.

HOOFDSTUK II

ALGEMENE BEGINSELEN

Artikel 3

Algemene beginselen voor alle claims

Voedings- en gezondheidsclaims mogen in de etikettering en presentatie van levensmiddelen die in de Gemeenschap in de handel worden gebracht, en in de daarvoor gemaakte reclame uitsluitend worden gebruikt indien zij in overeenstemming zijn met deze verordening.

Onverminderd Richtlijn 2000/13/EG en Richtlijn 84/450/EEG mogen voedings- en gezondheidsclaims niet:

a)

onjuist, dubbelzinnig of misleidend zijn;

b)

leiden tot twijfels omtrent de veiligheid en/of de geschiktheid uit voedingsoogpunt van andere levensmiddelen;

c)

de excessieve consumptie van een levensmiddel stimuleren of vergoelijken;

d)

stellen, suggereren of impliceren dat een evenwichtige, gevarieerde voeding in het algemeen geen toereikende hoeveelheden nutriënten kan bieden. Er kunnen overeenkomstig de in artikel 24, lid 2, bedoelde procedure en rekening houdend met de bijzondere omstandigheden in lidstaten, afwijkingen worden toegestaan voor nutriënten die niet in voldoende hoeveelheden voorkomen in een evenwichtige, gevarieerde voeding, ook wat betreft de voorwaarden voor het gebruik ervan;

e)

door middel van tekst of illustraties, grafische afbeeldingen of symbolen zinspelen op veranderingen in lichaamsfuncties die de consument vrees kunnen inboezemen of op diens vrees kunnen inspelen.

Artikel 4

Voorwaarden voor het gebruik van voedings- en gezondheidsclaims

1.   Uiterlijk op … (15) stelt de Commissie volgens de procedure van artikel 24, lid 2, specifieke voedingsprofielen op en stelt zij de voorwaarden vast, met inbegrip van de uitzonderingen, waaraan moet worden voldaan voor het gebruik van voedings- en gezondheidsclaims met betrekking tot levensmiddelen en/of categorieën levensmiddelen.

De voedingsprofielen voor levensmiddelen en/of categorieën levensmiddelen en de voorwaarden voor het gebruik van voedings- of gezondheidsclaims met betrekking tot de voedingsprofielen worden opgesteld met inachtneming van met name:

a)

de hoeveelheden van bepaalde nutriënten en andere stoffen die het betreffende levensmiddel bevat, zoals vet, verzadigde vetzuren, transvetzuren, suikers en zout/natrium;

b)

het belang van het levensmiddel (of de levensmiddelencategorieën) in de voeding van de bevolking in het algemeen of, in voorkomend geval, van bepaalde risicogroepen, zoals kinderen;

c)

de algehele samenstelling van het levensmiddel vanuit nutritioneel oogpunt en de aanwezigheid van nutriënten waarvan het gunstige effect op de gezondheid wetenschappelijk erkend is.

De voedingsprofielen worden opgesteld op grond van wetenschappelijke kennis omtrent dieet en voeding en de relatie tot de gezondheid.

Bij de vaststelling van de voedingsprofielen verzoekt de Commissie de Autoriteit om binnen twaalf maanden wetenschappelijk advies terzake te verstrekken, waarbij in het bijzonder aandacht zal worden besteed aan de volgende punten:

i)

de vraag of de profielen moeten worden opgesteld voor levensmiddelen in het algemeen en/of voor levensmiddelencategorieën;

ii)

de keuze en het evenwicht van nutriënten die in aanmerking moeten worden genomen;

iii)

de keuze van referentiehoeveelheden als basis voor de profielen;

iv)

de aanpak van de berekening van de profielen en

v)

het testen van het voorgestelde systeem.

Bij de vaststelling van de voedingsprofielen overlegt de Commissie met de belanghebbende partijen, met name exploitanten van levensmiddelenbedrijven en consumentenorganisaties.

De voedingsprofielen en hun gebruiksvoorwaarden worden volgens de procedure van artikel 24, lid 2, aan de wetenschappelijke ontwikkelingen op dit gebied aangepast.

2.   In afwijking van lid 1 zijn voedingsclaims met betrekking tot de verlaging van het gehalte aan vetten, verzadigde vetzuren, transvetzuren, suikers en zout/natrium toegestaan zonder verwijzing naar een profiel voor de specifieke nutriënt(en) ten aanzien waarvan de claim wordt gedaan, mits zij in overeenstemming zijn met de in deze verordening vastgelegde voorwaarden.

3.   Dranken met een alcoholgehalte van meer dan 1,2 volumeprocent mogen niet voorzien zijn van:

a)

gezondheidsclaims;

b)

voedingsclaims, afgezien van claims betreffende een verlaagd alcoholgehalte of een verlaagde energetische waarde.

4.   Bij het ontbreken van specifieke communautaire voorschriften voor voedingsclaims met betrekking tot de verlaging of afwezigheid van het alcoholgehalte of de energetische waarde in dranken die normaal alcohol bevatten, kunnen de desbetreffende nationale voorschriften overeenkomstig de Verdragsbepalingen worden toegepast.

5.   Andere dan de in lid 3 bedoelde levensmiddelen of categorieën levensmiddelen, waarvoor voedings- of gezondheidsclaims beperkt of verboden moeten worden, kunnen in het licht van wetenschappelijke gegevens worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 24, lid 2.

Artikel 5

Algemene voorwaarden

1.   Voedings- en gezondheidsclaims mogen alleen worden gebruikt als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de aanwezigheid, de afwezigheid of de beperkte hoeveelheid in een levensmiddel of levensmiddelencategorie van een nutriënt of andere stof waarvoor de claim wordt gedaan, heeft een bewezen heilzaam nutritioneel of fysiologisch effect, dat is vastgesteld aan de hand van algemeen aanvaarde wetenschappelijke gegevens;

b)

de nutriënt of de andere stof waarvoor de claim wordt gedaan:

i)

is in het eindproduct aanwezig in een significante hoeveelheid zoals omschreven in de communautaire wetgeving of, indien er terzake geen voorschriften bestaan, in een hoeveelheid die volgens algemeen aanvaarde wetenschappelijke gegevens het geclaimde nutritionele of fysiologische effect bewerkstelligt, dan wel

ii)

is afwezig, of is aanwezig in een beperkte hoeveelheid die volgens algemeen aanvaarde wetenschappelijke gegevens het geclaimde nutritionele of fysiologische effect bewerkstelligt;

c)

indien van toepassing, de nutriënt of andere stof waarvoor de claim wordt gedaan, is aanwezig in een vorm die door het lichaam kan worden gebruikt;

d)

de hoeveelheid van het product die de consument, naar redelijkerwijs kan worden aangenomen, tot zich zal nemen, levert een significante hoeveelheid nutriënt of andere stof waarvoor de claim wordt gedaan, zoals omschreven in de communautaire wetgeving of, indien er terzake geen voorschriften bestaan, een significante hoeveelheid die volgens algemeen aanvaarde wetenschappelijke gegevens het geclaimde nutritionele of fysiologische effect bewerkstelligt;

e)

de specifieke voorwaarden van hoofdstuk III, respectievelijk hoofdstuk IV, worden nageleefd.

2.   Voedings- en gezondheidsclaims mogen alleen worden gebruikt als kan worden aangenomen dat de gemiddelde consument de heilzame effecten die in de claim worden beschreven, begrijpt.

3.   Voedings- en gezondheidsclaims hebben betrekking op het levensmiddel dat gereed is voor consumptie overeenkomstig de aanwijzingen van de fabrikant.

Artikel 6

Wetenschappelijke onderbouwing van claims

1.   Voedings- en gezondheidsclaims zijn gebaseerd op en onderbouwd door algemeen aanvaarde wetenschappelijke gegevens.

2.   Een exploitant van een levensmiddelenbedrijf die gebruikmaakt van een voedings- of gezondheidsclaim, dient dit te rechtvaardigen.

3.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaten kunnen een exploitant van een levensmiddelenbedrijf of een persoon die een product in de handel brengt, verzoeken alle relevante elementen en gegevens te verstrekken waaruit blijkt dat aan deze verordening wordt voldaan.

Artikel 7

Voedingswaarde-informatie

De verplichting tot en de nadere regelingen voor het verstrekken van informatie overeenkomstig Richtlijn 90/496/EEG in het geval dat een voedingsclaim wordt gedaan, zijn van overeenkomstige toepassing in het geval dat een gezondheidsclaim wordt gedaan, uitgezonderd bij generieke reclame. De te verstrekken informatie bestaat evenwel uit de in artikel 4, lid 1, van Richtlijn 90/496/EEG omschreven gegevens van groep 2.

Voorts wordt in voorkomend geval van (een) stof(fen) waarop een voedings- of gezondheidsclaim betrekking heeft en die niet in de voedingswaarde-etikettering vermeld staat (staan), in hetzelfde gezichtsveld als de voedingswaarde-informatie de hoeveelheid vermeld en uitgedrukt, overeenkomstig artikel 6 van Richtlijn 90/496/EEG.

In het geval van voedingssupplementen wordt de voedingswaarde-informatie verstrekt overeenkomstig artikel 8 van Richtlijn 2002/46/EG.

HOOFDSTUK III

VOEDINGSCLAIMS

Artikel 8

Specifieke voorwaarden

1.   Uitsluitend de voedingsclaims die in de bijlage staan vermeld en die voldoen aan de voorwaarden van onderhavige verordening, zijn toegestaan.

2.   De bijlage kan worden gewijzigd volgens de procedure van artikel 24, lid 2, indien van toepassing, na raadpleging van de Autoriteit.

Artikel 9

Vergelijkende claims

1.   Onverminderd Richtlijn 84/450/EEG mogen alleen levensmiddelen van dezelfde categorie worden vergeleken en moet daarbij een reeks levensmiddelen van die categorie in aanmerking worden genomen. Het verschil in de hoeveelheid van een nutriënt en/of de energetische waarde moet worden vermeld en de vergelijking moet betrekking hebben op dezelfde hoeveelheid levensmiddel.

2.   Vergelijkende voedingsclaims vergelijken de samenstelling van het betrokken levensmiddel met die van een reeks levensmiddelen van dezelfde categorie, met inbegrip van levensmiddelen van andere merken, die niet zodanig samengesteld zijn dat zij van een claim kunnen worden voorzien.

HOOFDSTUK IV

GEZONDHEIDSCLAIMS

Artikel 10

Specifieke voorwaarden

1.   Gezondheidsclaims zijn verboden, tenzij zij in overeenstemming zijn met de algemene voorschriften van hoofdstuk II en de specifieke voorschriften van dit hoofdstuk en er overeenkomstig deze verordening een vergunning voor is verleend en zij zijn opgenomen in de in de artikelen 13 en 14 bedoelde lijsten van toegestane claims.

2.   Gezondheidsclaims zijn alleen toegestaan als op de etikettering of, bij ontbreken daarvan, in de presentatie en de reclame de volgende informatie wordt aangebracht:

a)

een vermelding waarin wordt gewezen op het belang van een gevarieerde, evenwichtige voeding en een gezonde levensstijl;

b)

de benodigde hoeveelheid van het levensmiddel en het vereiste consumptiepatroon om het geclaimde heilzame effect te bereiken;

c)

indien van toepassing, een vermelding voor mensen die het gebruik van het levensmiddel dienen te vermijden, en

d)

een passende waarschuwing voor producten die bij overmatig gebruik een gezondheidsrisico kunnen inhouden.

3.   Verwijzingen naar algemene, niet-specifieke voordelen van de nutriënt of het levensmiddel voor de algemene gezondheid of voor het welzijn op het gebied van gezondheid zijn alleen toegestaan indien zij gepaard gaan met een specifieke gezondheidsclaim die is opgenomen in de in de artikelen 13 en 14 bedoelde lijsten.

4.   In voorkomend geval worden volgens de procedure van artikel 24, lid 2, richtsnoeren voor de uitvoering van dit artikel vastgesteld, indien nodig in overleg met de belanghebbende partijen, met name exploitanten van levensmiddelenbedrijven en consumentenorganisaties.

Artikel 11

Nationale medische verenigingen en liefdadigheidsinstellingen op het gebied van de volksgezondheid

Bij gebrek aan specifieke communautaire voorschriften met betrekking tot aanbevelingen of goedkeuringen door nationale medische verenigingen en liefdadigheidsinstellingen op het gebied van de volksgezondheid, kunnen nationale voorschriften worden toegepast, met inachtneming van de bepalingen van het Verdrag.

Artikel 12

Beperkingen op het gebruik van gezondheidsclaims

De volgende gezondheidsclaims zijn niet toegestaan:

a)

claims waarin de indruk wordt gewekt dat het niet nuttigen van het levensmiddel de gezondheid kan schaden;

b)

claims die zinspelen op de snelheid of de mate van gewichtsverlies;

c)

claims waarin wordt verwezen naar aanbevelingen van individuele artsen of beroepsbeoefenaren op het gebied van de volksgezondheid en andere niet in artikel 11 bedoelde verenigingen.

Artikel 13

Gezondheidsclaims die niet over ziekterisicobeperking gaan

1.   Gezondheidsclaims die het volgende beschrijven of waarin naar het volgende wordt verwezen:

a)

de rol van een nutriënt of andere stof bij de groei en ontwikkeling en de functies van het lichaam, of

b)

psychologische functies of gedragsfuncties, of

c)

onverminderd Richtlijn 96/8/EG, het afslankende of het gewichtsbeheersende effect, een vermindering van het hongergevoel, een versterking van het gevoel van verzadiging, of beperking van de in de voeding beschikbare energie,

en die zijn opgenomen in de in lid 3 bedoelde lijst, zijn toegestaan zonder dat zij aan de in de artikelen 15 tot en met 18 bedoelde vergunningsprocedure hoeven te worden onderworpen, indien zij:

i)

zijn gebaseerd op algemeen aanvaarde wetenschappelijke gegevens en

ii)

door de gemiddelde consument goed begrepen worden.

2.   De lidstaten verstrekken de Commissie uiterlijk op … (16) een lijst met claims zoals bedoeld in lid 1, tezamen met de voorwaarden die daarop van toepassing zijn en verwijzingen naar de desbetreffende wetenschappelijke staving.

3.   Na raadpleging van de Autoriteit stelt de Commissie, volgens de procedure van artikel 24, lid 2, uiterlijk op … (17) een communautaire lijst op van toegestane claims zoals bedoeld in lid 1, en van alle noodzakelijke voorwaarden voor het gebruik van deze claims.

4.   Aanpassingen van de in lid 3 bedoelde lijst op basis van algemeen aanvaarde wetenschappelijke gegevens worden volgens de procedure van artikel 24, lid 2, goedgekeurd, na raadpleging van de Autoriteit, op initiatief van de Commissie of op verzoek van een lidstaat.

5.   Toevoegingen van claims aan de in lid 3 bedoelde lijst die gebaseerd zijn op nieuwe wetenschappelijke gegevens en/of die een verzoek om bescherming van door eigendomsrechten beschermde gegevens inhouden, worden volgens de procedure van de artikelen 15 tot en met 18 goedgekeurd.

Artikel 14

Claims inzake ziekterisicobeperking

1.   Niettegenstaande artikel 2, lid 1, onder b), van Richtlijn 2000/13/EG mogen claims inzake ziekterisicobeperking worden gedaan, indien er volgens de procedure van de artikelen 15 tot en met 18 van deze verordening een vergunning is verleend om ze op te nemen in een communautaire lijst van dergelijke toegestane claims, tezamen met alle noodzakelijke voorwaarden voor het gebruik van die claims.

2.   Naast de algemene voorschriften van deze verordening en de specifieke voorschriften van lid 1 geldt bij claims inzake ziekterisicobeperking dat op de etikettering, of, bij ontbreken daarvan, in de presentatie en de reclame, ook moet worden vermeld dat de ziekte waaraan de claim refereert, meerdere risicofactoren heeft en dat verandering van één van die factoren al dan niet een heilzaam effect kan hebben.

Artikel 15

Aanvragen van een vergunning

1.   In het geval dat naar dit artikel wordt verwezen, wordt een aanvraag ingediend voor een vergunning overeenkomstig de volgende leden.

2.   De aanvraag wordt aan de bevoegde nationale autoriteit van een lidstaat toegezonden.

a)

De bevoegde nationale autoriteit:

i)

bevestigt de ontvangst van de aanvraag binnen 14 dagen na ontvangst schriftelijk. Op die bevestiging staat de datum van ontvangst van de aanvraag vermeld;

ii)

stelt de Autoriteit onverwijld daarvan in kennis, en

iii)

stelt de aanvraag en alle door de aanvrager verstrekte aanvullende informatie ter beschikking van de Autoriteit.

b)

De Autoriteit:

i)

stelt de overige lidstaten en de Commissie onverwijld in kennis van de aanvraag en stelt de aanvraag en de door de aanvrager verstrekte aanvullende informatie te hunner beschikking;

ii)

maakt de in lid 3, onder g), bedoelde samenvatting van de aanvraag openbaar.

3.   De aanvraag bevat het volgende:

a)

naam en adres van de aanvrager;

b)

de nutriënt of andere stof, of het levensmiddel of de categorie levensmiddelen waarvoor de gezondheidsclaim wordt gedaan en de bijzondere eigenschappen ervan;

c)

een verslag van de verrichte onderzoeken, met inbegrip van, voorzover beschikbaar, onafhankelijke collegiaal getoetste studies die met betrekking tot de gezondheidsclaim zijn verricht, en alle andere gegevens aan de hand waarvan kan worden aangetoond dat de gezondheidsclaim aan de criteria van deze verordening voldoet;

d)

voorzover nodig, een aanwijzing betreffende de informatie die door eigendomsrechten is beschermd, vergezeld van een verifieerbare staving;

e)

een verslag van andere wetenschappelijke studies die voor de gezondheidsclaim van belang zijn;

f)

een voorstel voor de tekst van de gezondheidsclaim waarvoor een vergunning wordt aangevraagd, in voorkomend geval met inbegrip van specifieke voorwaarden voor het gebruik ervan;

g)

een samenvatting van de aanvraag.

4.   De Commissie stelt, na raadpleging van de Autoriteit, volgens de in artikel 24, lid 2, bedoelde procedure uitvoeringsvoorschriften voor de toepassing van dit artikel vast, met inbegrip van voorschriften voor het opstellen en indienen van de aanvragen.

5.   Vóór … (18) maakt de Autoriteit uitvoerige richtsnoeren bekend om aanvragers bij te staan bij het opstellen en indienen van de aanvraag.

Artikel 16

Advies van de Autoriteit

1.   Bij het uitbrengen van haar advies tracht de Autoriteit een termijn van zes maanden vanaf de datum van ontvangst van een geldige aanvraag in acht te nemen. Die termijn wordt verlengd indien de Autoriteit overeenkomstig lid 2 aanvullende informatie van de aanvrager verlangt.

2.   Zo nodig kan de Autoriteit, of een bevoegde nationale autoriteit via de Autoriteit, de aanvrager verzoeken de bij de aanvraag verstrekte gegevens binnen een bepaalde termijn aan te vullen.

3.   Voor het opstellen van het advies zal de Autoriteit:

a)

verifiëren of de voorgestelde tekst van de gezondheidsclaim met wetenschappelijke gegevens is onderbouwd;

b)

nagaan of de tekst van de gezondheidsclaim voldoet aan de criteria van deze verordening;

c)

advies geven of de voorgestelde tekst van de gezondheidsclaim voor de gemiddelde consument begrijpelijk en zinvol is.

4.   Indien het advies luidt dat voor de gezondheidsclaim een vergunning kan worden verleend, worden in het advies de volgende gegevens opgenomen:

a)

naam en adres van de aanvrager;

b)

de nutriënt of andere stof, of het levensmiddel of de categorie levensmiddelen waarvoor een claim wordt gedaan, en de bijzondere eigenschappen ervan;

c)

de aanbevolen tekst van de gezondheidsclaim waarvoor een vergunning wordt aangevraagd, in voorkomend geval met inbegrip van specifieke voorwaarden voor het gebruik ervan;

d)

indien van toepassing, de voorwaarden voor of beperkingen van het gebruik van het levensmiddel en/of een aanvullende vermelding of waarschuwing waarvan de gezondheidsclaim op het etiket en in de reclame vergezeld moet gaan.

5.   De Autoriteit zendt het advies aan de Commissie, de lidstaten en de aanvrager, tezamen met een rapport waarin haar beoordeling van de gezondheidsclaim wordt beschreven en het advies wordt gemotiveerd, alsook de gegevens waarop het advies is gebaseerd.

6.   De Autoriteit maakt het advies overeenkomstig artikel 38, lid 1, van Verordening (EG) nr. 178/2002 openbaar.

De aanvrager of het publiek kan gedurende 30 dagen na deze openbaarmaking opmerkingen aan de Commissie doen toekomen.

Artikel 17

Communautaire vergunning

1.   De Commissie legt binnen drie maanden na ontvangst van het advies van de Autoriteit aan het in artikel 22, lid 2, bedoelde comité een ontwerp-besluit betreffende de lijsten van toegestane gezondheidsclaims voor, daarbij rekening houdend met het advies van de Autoriteit, de toepasselijke bepalingen van het Gemeenschapsrecht en andere factoren die terzake een rol spelen. Indien het ontwerp-besluit niet in overeenstemming is met het advies van de Autoriteit, geeft de Commissie een verklaring voor de verschillen.

2.   Indien het ontwerp-besluit strekt tot wijziging van de lijsten van toegestane gezondheidsclaims, worden de in artikel 16, lid 4, bedoelde gegevens hier vermeld.

3.   Het definitieve besluit ten aanzien van de aanvraag wordt vastgesteld volgens de procedure van artikel 24, lid 2.

4.   De Commissie stelt de aanvrager onverwijld in kennis van het vastgestelde besluit en maakt de bijzonderheden ervan bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.

5.   Gezondheidsclaims die op de in de artikelen 13 en 14 bedoelde lijsten staan, kunnen overeenkomstig de daarvoor geldende voorwaarden door elke exploitant van een levensmiddelenbedrijf worden gebruikt, tenzij het gebruik ervan overeenkomstig artikel 20 is beperkt.

6.   De afgifte van de vergunning laat de algemene civielrechtelijke en strafrechtelijke aansprakelijkheid van de exploitant van een levensmiddelenbedrijf met betrekking tot het desbetreffende levensmiddel onverlet.

Artikel 18

Wijziging, schorsing en intrekking van vergunningen

1.   De aanvrager/gebruiker van een claim uit een van de in de artikelen 13 en 14 bedoelde lijsten kan een aanvraag tot wijziging van de relevante lijst indienen. De procedure van de artikelen 15 tot en met 17 is van overeenkomstige toepassing.

2.   De Autoriteit brengt, op eigen initiatief of naar aanleiding van een verzoek van een lidstaat of van de Commissie, advies uit over de vraag of een gezondheidsclaim uit de in de artikelen 13 en 14 bedoelde lijsten nog steeds in overeenstemming is met de voorwaarden van deze verordening.

Zij legt het advies onverwijld voor aan de Commissie, aan de lidstaten en, in voorkomend geval, aan de oorspronkelijke aanvrager van de betrokken claim. De Autoriteit maakt het advies overeenkomstig artikel 38, lid 1, van Verordening (EG) nr. 178/2002 openbaar.

De aanvrager/gebruiker of het publiek kan gedurende 30 dagen na deze openbaarmaking opmerkingen aan de Commissie doen toekomen.

De Commissie bestudeert het advies van de Autoriteit en de ingezonden opmerkingen zo spoedig mogelijk. De vergunning wordt, zo nodig, volgens de procedure van artikel 17 gewijzigd, geschorst of ingetrokken.

HOOFDSTUK V

ALGEMENE BEPALINGEN EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 19

Communautair repertorium

1.   Door de Commissie wordt een communautair repertorium van voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen (hierna „het repertorium” genoemd) opgesteld en bijgehouden.

2.   Het repertorium bevat het volgende:

a)

de voedingsclaims en de daarvoor geldende voorwaarden zoals aangegeven in de bijlage;

b)

overeenkomstig artikel 4, lid 5, vastgestelde beperkingen;

c)

de toegezonden gezondheidsclaims en de daarvoor geldende voorwaarden overeenkomstig artikel 13, lid 3, artikel 14, lid 1, artikel 18, lid 2, artikel 20, artikel 23, lid 2, en artikel 27, lid 6, alsmede de in artikel 22, lid 3, bedoelde nationale maatregelen;

d)

een lijst van afgewezen gezondheidsclaims en de redenen voor de afwijzing.

Gezondheidsclaims waarvoor een vergunning is verleend op grond van door eigendomsrechten beschermde gegevens, worden opgenomen in een aparte bijlage bij het repertorium onder vermelding van:

1.

de datum waarop de Commissie een vergunning voor de gezondheidsclaim heeft verleend, en de naam van de oorspronkelijke aanvrager aan wie de vergunning is verleend;

2.

het feit dat de Commissie de gezondheidsclaim heeft verleend op grond van door eigendomsrechten beschermde gegevens;

3.

het feit dat het gebruik van de gezondheidsclaim is beperkt, tenzij een latere aanvrager een vergunning voor de claim krijgt zonder dat er naar de door eigendomsrechten beschermde gegevens van de oorspronkelijke aanvrager wordt verwezen.

3.   Het repertorium wordt openbaar gemaakt.

Artikel 20

Gegevensbescherming

1.   De wetenschappelijke gegevens en de andere informatie die de aanvraag overeenkomstig artikel 15, lid 2, dient te bevatten, mogen gedurende zeven jaar vanaf de datum van afgifte van de vergunning niet ten behoeve van latere aanvragers worden gebruikt — tenzij de latere aanvrager met de eerdere aanvrager is overeengekomen dat die gegevens en informatie wel mogen worden gebruikt — indien:

a)

de eerdere aanvrager bij zijn aanvraag heeft aangegeven dat de wetenschappelijke gegevens en andere informatie door eigendomsrechten waren beschermd, en

b)

de eerdere aanvrager ten tijde van zijn aanvraag het exclusieve recht had om naar de desbetreffende gegevens te verwijzen, en

c)

de gezondheidsclaim niet had kunnen worden goedgekeurd indien de eerdere aanvrager de desbetreffende gegevens niet had verstrekt.

2.   Tot het eind van de in lid 1 bedoelde periode van zeven jaar hebben latere aanvragers niet het recht om te verwijzen naar gegevens waarvan een eerdere aanvrager heeft aangegeven dat zij door eigendomsrechten zijn beschermd, behalve indien de Commissie besluit dat een claim kon of had kunnen worden opgenomen in de in artikel 14, dan wel indien van toepassing, in de in artikel 13 bedoelde lijst, zonder dat de desbetreffende gegevens waren verstrekt.

Artikel 21

Nationale bepalingen

Onverminderd de Verdragsbepalingen, in het bijzonder artikel 28 en artikel 30, mogen de lidstaten de handel in levensmiddelen die aan deze verordening voldoen, en de daarvoor gemaakte reclame niet beperken of verbieden door de toepassing van niet-geharmoniseerde nationale bepalingen inzake claims voor bepaalde levensmiddelen of voor levensmiddelen in het algemeen.

Artikel 22

Kennisgevingsprocedure

1.   Indien een lidstaat het nodig acht nieuwe wetgeving vast te stellen, stelt hij de Commissie en de andere lidstaten in kennis van de beoogde maatregelen en de motivering daarvan.

2.   De Commissie raadpleegt het bij artikel 58, lid 1, van Verordening (EG) nr. 178/2002 ingestelde Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid (hierna „het comité” genoemd), indien zij van oordeel is dat zulks zinvol is of indien een lidstaat daarom verzoekt, en brengt advies uit over de beoogde maatregelen.

3.   De betrokken lidstaat kan de beoogde maatregelen zes maanden na de in lid 1 bedoelde kennisgeving treffen, op voorwaarde dat hij van de Commissie geen negatief advies heeft ontvangen.

Indien de Commissie een negatief advies uitbrengt, stelt zij, voordat de in de eerste alinea bedoelde periode is verstreken, volgens de procedure van artikel 24, lid 2, vast of de beoogde maatregelen kunnen worden uitgevoerd. De Commissie kan verlangen dat de beoogde maatregelen worden gewijzigd.

Artikel 23

Vrijwaringsmaatregelen

1.   Indien een lidstaat gegronde redenen heeft om aan te nemen dat een claim niet aan deze verordening voldoet of dat de in artikel 6 bedoelde wetenschappelijke onderbouwing ervan ontoereikend is, kan die lidstaat het gebruik van die claim op zijn grondgebied tijdelijk opschorten.

Hij stelt de andere lidstaten en de Commissie daarvan, onder opgave van redenen, in kennis.

2.   Over de claim wordt een besluit genomen volgens de procedure van artikel 24, lid 2, in voorkomend geval na raadpleging van de Autoriteit.

De Commissie kan deze procedure op eigen initiatief inleiden.

3.   De in lid 1 bedoelde lidstaat kan de opschorting handhaven totdat hem kennis is gegeven van het in lid 2 bedoelde besluit.

Artikel 24

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het comité.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

3.   Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 25

Toezicht

Teneinde een efficiënt toezicht op levensmiddelen met voedings- of gezondheidsclaims te vergemakkelijken, kunnen de lidstaten eisen dat de fabrikant of degene die voor het in de handel brengen van dergelijke levensmiddelen op hun grondgebied verantwoordelijk is, de bevoegde autoriteit van deze commercialisering in kennis stelt door haar een model van het voor het product gebruikte etiket te verstrekken.

Artikel 26

Evaluatie

Uiterlijk op … (19) legt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad een verslag voor over de toepassing van deze verordening, in het bijzonder over de ontwikkeling van de markt voor levensmiddelen waarvoor voedings- of gezondheidsclaims worden gedaan, en over de wijze waarop de consument de claims begrijpt, samen met een voorstel voor wijzigingen, indien dat nodig is.

Artikel 27

Overgangsmaatregelen

1.   Vóór de toepassingsdatum van deze verordening in de handel gebrachte of geëtiketteerde levensmiddelen die niet aan deze verordening voldoen, kunnen tot de houdbaarheidsdatum, doch uiterlijk tot en met … (20) in de handel worden gebracht. Met betrekking tot het bepaalde in artikel 4, lid 1, mogen levensmiddelen niet later dan twaalf maanden na de vaststelling van de desbetreffende voedingsprofielen en hun gebruiksvoorwaarden in de handel worden gebracht.

2.   Producten voorzien van handelsmerken of merknamen die bestonden vóór 1 januari 2005 en die niet aan deze verordening voldoen, mogen blijvend in de handel worden gebracht tot en met … (21); daarna gelden de bepalingen van deze verordening.

3.   Niet in de bijlage opgenomen voedingsclaims die vöör 1 januari 2005 in een lidstaat werden gebruikt overeenkomstig nationale bepalingen die daarop van toepassing waren, mogen tot … (22) onder de verantwoordelijkheid van de exploitanten van levensmiddelenbedrijven worden gemaakt, onverminderd de aanneming van de in artikel 23 bedoelde vrijwaringsmaatregelen.

4.   Ten aanzien van voedingsclaims in de vorm van illustraties, grafische voorstellingen of symbolen die aan de algemene beginselen van deze verordening voldoen, niet in de bijlage zijn opgenomen en overeenkomstig in nationale bepalingen of voorschriften vastgestelde specifieke voorwaarden en criteria worden gebruikt, geldt het volgende:

a)

de lidstaten doen de Commissie die voedingsclaims en de toepasselijke nationale bepalingen of voorschriften uiterlijk op … (16) toekomen, vergezeld van de wetenschappelijke gegevens ter staving van die bepalingen of voorschriften;

b)

de Commissie neemt in overeenstemming met de in artikel 24, lid 2, vastgestelde procedure een besluit met betrekking tot het gebruik van dergelijke claims aan.

Voedingsclaims die niet worden toegestaan op grond van deze procedure, mogen tot uiterlijk twaalf maanden na de aanneming van het besluit worden gebruikt.

5.   De in artikel 13, lid 1, onder a), vermelde gezondheidsclaims kunnen vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening tot de aanneming van de in artikel 13, lid 3, vermelde lijst onder de verantwoordelijkheid van bedrijfsexploitanten worden gedaan, mits zij stroken met deze verordening en met de toepasselijke nationale bepalingen en onverminderd de aanneming van de in artikel 23 bedoelde vrijwaringsmaatregelen.

6.   Ten aanzien van andere dan de in artikel 13, lid 1, onder a), en artikel 14 bedoelde gezondheidsclaims die, in overeenstemming met de nationale bepalingen, vóór de datum van inwerkingtreding van deze verordening zijn gebruikt, geldt het volgende:

a)

gezondheidsclaims die in een lidstaat zijn beoordeeld en toegestaan, worden als volgt toegestaan:

i)

de lidstaten doen de Commissie die claims uiterlijk op … (16) toekomen, vergezeld van een verslag met de evaluatie van de wetenschappelijke gegevens ter staving van de claim;

ii)

na raadpleging van de Autoriteit neemt de Commissie in overeenstemming met de in artikel 24, lid 2, vastgestelde procedure een besluit met betrekking tot de aldus toegestane gezondheidsclaims aan.

Gezondheidsclaims die niet worden toegestaan op grond van deze procedure, mogen tot uiterlijk zes maanden na de aanneming van het besluit worden gebruikt;

b)

gezondheidsclaims die niet in een lidstaat zijn beoordeeld en toegestaan: deze claims kunnen verder worden gebruikt, mits vöör … (23) overeenkomstig deze verordening een aanvraag wordt ingediend; gezondheidsclaims die niet worden toegestaan op grond van deze procedure, kunnen verder worden gebruikt tot uiterlijk zes maanden nadat overeenkomstig artikel 17, lid 3, een besluit is genomen.

Artikel 28

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van … (24).

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te …

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

Voor de Raad

De voorzitter


(1)  PB C 110 van 30.4.2004, blz. 18.

(2)  Advies van het Europees Parlement van 26 mei 2005 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 8 december 2005 en standpunt van het Europees Parlement van …(nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(3)  PB L 109 van 6.5.2000, blz. 29. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2003/89/EG (PB L 308 van 25.11.2003, blz. 15).

(4)  PB L 204 van 21.7.1998, blz. 37. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij de Toetredingsakte van 2003.

(5)  PB L 316 van 9.12.1994, blz. 2.

(6)  PB L 183 van 12.7.2002, blz. 51.

(7)  PB L 250 van 19.9.1984, blz. 17. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 149 van 11.6.2005, blz. 22).

(8)  PB L 276 van 6.10.1990, blz. 40. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2003/120/EG van de Commissie (PB L 333 van 20.12.2003, blz. 51).

(9)  PB L 186 van 30.6.1989, blz. 27. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).

(10)  PB L 55 van 6.3.1996, blz. 22.

(11)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(12)  PB L 229 van 30.8.1980, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003.

(13)  PB L 330 van 5.12.1998, blz. 32. Richtlijn gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003.

(14)  PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1642/2003 (PB L 245 van 29.9.2003, blz. 4).

(15)  24 maanden na de inwerkingtreding van deze verordening.

(16)  Eén jaar na de laatste dag van de maand waarin deze verordening in werking treedt.

(17)  Drie jaar na de laatste dag van de maand waarin deze verordening in werking treedt.

(18)  Eerste dag van de zesde maand na de inwerkingtreding van deze verordening.

(19)  Zes jaar na de laatste dag van de vijfde maand na de inwerkingtreding van deze verordening.

(20)  Laatste dag van de achttiende maand na de inwerkingtreding van deze verordening.

(21)  Datum van inwerkingtreding van de verordening plus tien jaar.

(22)  Twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening.

(23)  Twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening.

(24)  Eerste dag van de zesde maand na de inwerkingtreding van deze verordening.


BIJLAGE

VOEDINGSCLAIMS EN VOORWAARDEN DAARVOOR

LAGE ENERGETISCHE WAARDE

De claim dat een levensmiddel een lage energetische waarde heeft, en elke andere claim die voor de consument waarschijnlijk dezelfde betekenis zal hebben, is alleen toegestaan als de energetische waarde van het product maximaal 40 kcal (170 kJ)/100 g voor vaste stoffen en [of] maximaal 20 kcal (80 kJ)/100 ml voor vloeistoffen bedraagt. Op tafelzoetstoffen is een limiet van 4 kcal (17 kJ)/portie, met een zoetkracht die overeenstemt met die van 6 g sucrose (ongeveer 1 theelepel sucrose), van toepassing.

VERMINDERDE ENERGETISCHE WAARDE

De claim dat een levensmiddel een verminderde energetische waarde heeft, en elke andere claim die voor de consument waarschijnlijk dezelfde betekenis zal hebben, is alleen toegestaan als de energetische waarde van het product met minimaal 30 % verminderd is, onder vermelding van de eigenschap(pen) waardoor de totale energetische waarde van het levensmiddel verminderd is.

BEVAT GEEN ENERGIE

De claim dat een levensmiddel geen energie bevat, en elke andere claim die voor de consument waarschijnlijk dezelfde betekenis zal hebben, is alleen toegestaan gedaan als de energetische waarde van het product maximaal 4 kcal (17 kJ)/100 ml bedraagt. Op tafelzoetstoffen is een limiet van 0,4 kcal (1,7 kJ)/portie, met een zoetkracht die overeenstemt met die van 6 g sucrose (ongeveer 1 theelepel sucrose), van toepassing.

VETARM

De claim dat een levensmiddel vetarm is, en elke andere claim die voor de consument waarschijnlijk dezelfde betekenis zal hebben, is alleen toegestaan als het vetgehalte van het product maximaal 3 g/100 g voor vaste stof of 1,5 g/100 ml voor vloeibare stoffen bedraagt (1,8 g/100 ml voor halfvolle melk).

VETVRIJ

De claim dat een levensmiddel vetvrij is, en elke andere claim die voor de consument waarschijnlijk dezelfde betekenis zal hebben, is alleen toegestaan als het vetgehalte van het product maximaal 0,5 g/100 g of 0,5 g/100 ml bedraagt. Claims zoals „X % vetvrij” zijn echter verboden.

ARM AAN VERZADIGDE VETTEN

De claim dat een levensmiddel arm aan verzadigde vetten is, en elke andere claim die voor de consument waarschijnlijk dezelfde betekenis zal hebben, is alleen toegestaan als de som van de verzadigde vetzuren en de transvetzuren in het product niet groter is dan 1,5 g/100 g voor vaste stoffen of 0,75 g/100 ml voor vloeistoffen, en op voorwaarde dat maximaal 10 % van de energetische waarde afkomstig is van de som van de verzadigde vetzuren en de transvetzuren.

VRIJ VAN VERZADIGDE VETTEN

De claim dat een levensmiddel vrij van verzadigde vetten is, en elke andere claim die voor de consument waarschijnlijk dezelfde betekenis zal hebben, is alleen toegestaan als de som van de verzadigde vetzuren en de transvetzuren niet groter is dan 0,1 g/100 g of 0,1 g/100 ml.

SUIKERARM

Een claim dat een levensmiddel suikerarm is, en elke andere claim die voor de consument waarschijnlijk dezelfde betekenis zal hebben, is alleen toegestaan als het suikergehalte van het product maximaal 5 g/100 g voor vaste stof of 2,5 g/100 ml voor vloeibare stoffen bedraagt.

SUIKERVRIJ

De claim dat een levensmiddel suikervrij is, en elke andere claim die voor de consument waarschijnlijk dezelfde betekenis zal hebben, is alleen toegestaan als het suikergehalte van het product maximaal 0,5 g/100 g of 0,5 g/100 ml bedraagt.

ZONDER TOEGEVOEGDE SUIKERS

De claim dat aan een levensmiddel geen suikers zijn toegevoegd, en elke andere claim die voor de consument waarschijnlijk dezelfde betekenis zal hebben, is alleen toegestaan als aan het product geen mono- of disacchariden of andere vanwege hun zoetkracht gebruikte levensmiddelen zijn toegevoegd. Indien een levensmiddel van nature suikers bevat, dient ook het volgende op het etiket te staan: „DIT PRODUCT BEVAT VAN NATURE AANWEZIGE SUIKERS”.

NATRIUMARM/ZOUTARM

De claim dat een levensmiddel natriumarm/zoutarm is, en elke andere claim die voor de consument waarschijnlijk dezelfde betekenis zal hebben, is alleen toegestaan als het product maximaal 0,12 g natrium, of de overeenkomstige waarde voor zout, per 100 g of 100 ml bevat. Voor ander water dan natuurlijk mineraalwater dat onder het toepassingsgebied van Richtlijn 80/777/EEG valt, mag deze waarde niet meer dan 2 mg natrium per 100 ml bedragen.

ZEER LAAG NATRIUMGEHALTE/ZOUTGEHALTE

De claim dat een levensmiddel een zeer laag natriumgehalte/zoutgehalte heeft, en elke andere claim die voor de consument waarschijnlijk dezelfde betekenis zal hebben, is alleen toegestaan als het product maximaal 0,04 g natrium, of de overeenkomstige waarde voor zout, per 100 g of 100 ml bevat. Deze claim mag niet worden gebruikt voor natuurlijk mineraalwater en ander water.

NATRIUMVRIJ/ZOUTLOOS

De claim dat een levensmiddel natrium- of zoutvrij is, en elke andere claim die voor de consument waarschijnlijk dezelfde betekenis zal hebben, is alleen toegestaan als het product maximaal 0,005 g natrium, of de overeenkomstige waarde voor zout, per 100 g bevat.

BRON VAN VEZELS

De claim dat een levensmiddel een bron van vezels is, en elke andere claim die voor de consument waarschijnlijk dezelfde betekenis zal hebben, is alleen toegestaan als het vezelgehalte van het product minimaal 3 g/100 g of 1,5 g/100 kcal bedraagt.

VEZELRIJK

De claim dat een levensmiddel vezelrijk is, en elke andere claim die voor de consument waarschijnlijk dezelfde betekenis zal hebben, is alleen toegestaan als het vezelgehalte van het product minimaal 6 g/100 g of 3 g/100 kcal bedraagt.

BRON VAN EIWITTEN

De claim dat een levensmiddel een bron van eiwitten is, en elke andere claim die voor de consument waarschijnlijk dezelfde betekenis zal hebben, is alleen toegestaan als minimaal 12 % van de energetische waarde van het levensmiddel wordt geleverd door eiwitten.

EIWITRIJK

De claim dat een levensmiddel eiwitrijk is, en elke andere claim die voor de consument waarschijnlijk dezelfde betekenis zal hebben, is alleen toegestaan als minimaal 20 % van de energetische waarde van het levensmiddel wordt geleverd door eiwitten.

BRON VAN (NAAM VAN DE VITAMINE(N)) EN/OF (NAAM VAN HET MINERAAL/DE MINERALEN)

De claim dat een levensmiddel een bron van vitaminen en/of mineralen is, en elke andere claim die voor de consument waarschijnlijk dezelfde betekenis zal hebben, is alleen toegestaan als het product minimaal een aanzienlijke hoeveelheid bevat zoals vastgesteld in de bijlage bij Richtlijn 90/496/EEG, of een hoeveelheid waarin is voorzien door afwijkingen die zijn toegestaan krachtens artikel 7 van Verordening (EG) nr. …/2006 van het Europees Parlement en de Raad van … betreffende de toevoeging van vitaminen en mineralen en bepaalde andere stoffen aan levensmiddelen (1).

RIJK AAN (NAAM VAN DE VITAMINE(N)) EN/OF (NAAM VAN HET MINERAAL/DE MINERALEN)

De claim dat een levensmiddel rijk aan vitaminen en/of mineralen is, en elke andere claim die voor de consument waarschijnlijk dezelfde betekenis zal hebben, is alleen toegestaan als het product ten minste tweemaal de onder „Bron van (NAAM VAN DE VITAMINE(N)) en/of (NAAM VAN HET MINERAAL/DE MINERALEN)” bedoelde hoeveelheid bevat.

BEVAT (NAAM VAN DE NUTRIËNT OF ANDERE STOF)

De claim dat een levensmiddel een nutriënt of andere stof bevat waarvoor in deze verordening geen specifieke voorwaarden zijn vastgelegd, en elke andere claim die voor de consument waarschijnlijk dezelfde betekenis zal hebben, is alleen toegestaan als het product aan alle desbetreffende bepalingen van deze verordening, en met name artikel 5, voldoet. Voor vitaminen en mineralen gelden de voorwaarden van de claim „Bron van …”.

VERHOOGD GEHALTE AAN (NAAM VAN DE NUTRIËNT)

De claim dat een levensmiddel een verhoogd gehalte aan één of meer nutriënten, met uitzondering van vitaminen en mineralen, heeft, en elke andere claim die voor de consument waarschijnlijk dezelfde betekenis zal hebben, is alleen toegestaan als het product voldoet aan de voorwaarden voor de claim „Bron van …” en het desbetreffende gehalte minimaal 30 % hoger is dan dat van een vergelijkbaar product.

VERLAAGD GEHALTE AAN (NAAM VAN DE NUTRIËNT)

De claim dat een levensmiddel een verlaagd gehalte aan één of meer nutriënten heeft, en elke andere claim die voor de consument waarschijnlijk dezelfde betekenis zal hebben, is alleen toegestaan als het desbetreffende gehalte van het product minimaal 30 % lager is dan dat van een vergelijkbaar product, behalve voor micronutriënten, waarvoor een verschil van 10 % ten opzichte van de referentiewaarden van Richtlijn 90/496/EEG van de Raad aanvaardbaar is, en voor natrium, of de equivalente waarde voor zout, waarvoor een verschil van 25 % aanvaardbaar is.

„LIGHT” OF LITE

Voor de claim dat een levensmiddel „light” of lite is, en elke andere claim die voor de consument waarschijnlijk dezelfde betekenis zal hebben, gelden dezelfde voorwaarden als voor de claim „verlaagd”; voorts moet bij de claim worden vermeld welke eigenschap(pen) het levensmiddel „light” of lite maken.

VAN NATURE/NATUURLIJK

Indien een levensmiddel van nature voldoet aan de in deze bijlage opgenomen voorwaarde(n) voor het gebruik van een voedingsclaim, mogen de woorden „van nature/natuurlijk” in de claim worden opgenomen.


(1)  PB L …


MOTIVERING VAN DE RAAD

I.   INLEIDING

1.

De Commissie heeft op 17 juli 2003 bij de Raad een voorstel voor een verordening van het Europese Parlement en de Raad inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen (1) ingediend. Het voorstel is gebaseerd op artikel 95 van het Verdrag.

2.

Het Europees Parlement heeft op 26 mei 2005 zijn advies in eerste lezing uitgebracht (2).

Het Europees Economisch en Sociaal Comité het zijne op 29 februari 2004 (3).

3.

Op 8 december 2005 heeft de Raad zijn gemeenschappelijk standpunt in de zin van artikel 251 van het Verdrag vastgesteld.

II.   DOELSTELLINGEN

De voorgestelde verordening heeft betrekking op voedings- en gezondheidsclaims zoals die bij de etikettering en de aanbieding van, alsmede de reclame voor levensmiddelen worden gelegd, en heeft ten doel aan het gebruik van dergelijke claims voorwaarden te verbinden.

De belangrijkste doelstellingen van het voorstel zijn:

het vrije verkeer van goederen op de interne markt te verbeteren om zo een eerlijke concurrentie op het gebied van levensmiddelen mogelijk te maken en de rechtszekerheid voor het bedrijfsleven te vergroten;

te komen tot een hoog niveau van consumentenbescherming door ervoor te zorgen dat de juiste informatie wordt overgedragen en dat de claims naar behoren zijn getoetst;

innovatie op het gebied van levensmiddelen te bevorderen en te beschermen.

III.   HET GEMEENSCHAPPELIJKE STANDPUNT NADER BEZIEN

1.   Algemene opmerkingen

De Raad sluit zich met zijn gemeenschappelijke standpunt aan bij de doelstellingen van het Commissievoorstel, maar brengt hierin een aantal wijzigingen aan, waaronder de volgende.

1.

Voedingsprofielen (overwegingen 9, 10 en 11 en artikel 4, lid 1)

De Raad heeft vastgehouden aan het begrip „voedingsprofielen” als belangrijk element om de verordening op doeltreffende wijze op voedings- en gezondheidsclaims te kunnen toepassen. Het oorspronkelijke voorstel werd in hoge mate uitgewerkt om meer helderheid te scheppen ten aanzien van het doel en het bereik van de voedingsprofielen en ten aanzien van de procedure om deze nader uit te werken. Er werden passende waarborgen ingebouwd om tegemoet te komen aan twijfels over de wetenschappelijke objectiviteit van de profielen, de verschillen tussen voedingsgewoonten en nationale tradities te bewaren en de belanghebbende partijen bij het proces te betrekken.

2.

Gezondheidsclaims (artikelen 10, 11, 12 en 13)

Volgens het oorspronkelijke Commissievoorstel zouden verschillende categorieën van gezondheidsclaims worden verboden. De Raad hield voor enige hiervan aan dit verbod vast (artikel 12) en bepaalde voor andere dat zij onder bepaalde voorwaarden wel kunnen worden gebruikt (hiernaar wordt verwezen in artikel 10, lid 3, en in artikel 13, lid 1, onder b) en c)).

Artikel 13 van het gemeenschappelijke standpunt bepaalt dat de Commissie binnen drie jaar na de aanneming van de verordening, naar aanleiding van suggesties van de lidstaten, een lijst van bepaalde gezondheidsclaims (die niet betrekking hebben op ziekterisicobeperking) zal goedkeuren. De reikwijdte van dit artikel is uitgebreid tot claims betreffende psychologische functies en gedragsfuncties (lid 1, onder b)) en betreffende afslanking en gewichtsbeheersing (lid 1, onder c)). Voorts kunnen gezondheidsclaims die gebaseerd zijn op nieuwe wetenschappelijke gegevens en/of een verzoek om bescherming van door eigendomsrechten beschermde gegevens inhouden, via een vergunningsprocedure aan de lijst worden toegevoegd.

Met het oog op de aanbevelingen van of goedkeuringen door nationale medische verenigingen en liefdadigheidsinstellingen op het gebied van de volksgezondheid, is een nieuw artikel 11 voorzien, dat bepaalt dat nationale voorschriften, mits in overeenstemming met het bepaalde in het Verdrag, van toepassing kunnen blijven zolang er nog geen communautaire voorschriften terzake zijn aangenomen.

3.

De reikwijdte van voedingsclaims (overweging 5, artikel 2, lid 2, punt 4, en artikel 27, lid 4)

Terwijl in het oorspronkelijke voorstel geen rekening gehouden was met het gebruik van symbolen en/of aanwijzingen zoals voedingsclaims, heeft de Raad zich uitvoerig over dit aspect gebogen, aangezien hij te maken kreeg met steeds meer verzoeken betreffende het gebruik van zowel positieve als negatieve aanwijzingen aangaande de voedingswaarde van een levensmiddel (bijvoorbeeld bestemd voor plaatsing op de schappen van supermarkten). Als resultaat hiervan wordt in het gemeenschappelijke standpunt verduidelijkt dat de voorgestelde verordening alleen van toepassing is op claims betreffende heilzame effecten, termijl claims betreffende een niet-heilzaam effect van het levensmiddel erbuiten zullen vallen. In dit verband wordt opgemerkt dat lidstaten die voornemens zijn nationale regelingen in te voeren betreffende niet-heilzame voedingsclaims, krachtens Richtlijn 98/34/EG verplicht zijn de Commissie en de lidstaten van dergelijke regelingen in kennis te stellen (overweging 5).

Voorts is, teneinde rekening te houden met bepaalde voedingsclaims in de vorm van illustraties, grafische voorstellingen of symbolen, zoals die in verscheidene lidstaten worden gebruikt, onder artikel 27, lid 4, een overgangsregeling ingevoerd volgens welke de nationale regels en criteria voor het gebruik van de logo's en symbolen worden toegestaan, mits deze in overeenstemming zijn met de algemene beginselen van de verordening.

De Commissie heeft het door de Raad overeengekomen gemeenschappelijke standpunt aanvaard.

2.   Amendementen van het Europees Parlement

In de plenaire vergadering van 26 mei 2005 heeft het Europees Parlement 75 amendementen op het voorstel goedgekeurd (de amendementen nrs. 22 en 23 betreffen vertalingen en hebben geen gevolgen voor de Engelse versie).

De Raad heeft:

a)

35 amendementen hiervan geheel, ten dele of in beginsel in het gemeenschappelijke standpunt opgenomen, op de volgende wijze.

Overwegingen

Amendement nr. 1 (overweging 1 (nieuw)) en amendement nr. 10 (overweging 19): deze amendementen zijn gedeeltelijk overgenomen in de laatste zin van overweging 10, die speciaal betrekking heeft op voedingsprofielen en de voorwaarden voor het gebruik ervan. De overweging verwijst uitdrukkelijk naar de veranderlijkheid van voedingsgewoonten en -tradities en naar het feit dat afzonderlijke producten een belangrijke rol in het totale voedingspakket kunnen spelen.

Amendement nr. 2 (overweging 3 bis (nieuw)): is gedeeltelijk overgenomen in overweging 4, waar verduidelijkt wordt dat de verordening niet van toepassing is op claims die in niet-commerciële mededelingen worden gedaan, zoals dieetvoorschriften of adviezen van volksgezondheidsinstanties of -organisaties, noch op niet-commerciële mededelingen in de pers en in wetenschappelijke publicaties.

Amendement nr. 4 (overweging 7): dit amendement is naar de strekking ten dele overgenomen in overweging 11. In het bijzonder wordt bepaald dat de Commissie bij het opstellen van de voedingsprofielen en de maatregelen terzake rekening zal houden met het advies van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid.

Amendement nr. 6 (overweging 13) en amendement nr. 7 (overweging 15): deze amendementen zijn in een enigszins gewijzigde formulering overgenomen in, respectievelijk, overweging 20 en overweging 23.

Amendement nr. 8 (overweging 16): de strekking van dit amendement is, inhoudelijk, gedeeltelijk overgenomen in overweging 24 en in artikel 13 van het gemeenschappelijke standpunt. In de praktijk heeft de Raad gemeend dat, hoewel, zoals in het oorspronkelijke voorstel de bedoeling was, claims die zinspelen op de snelheid of de mate van gewichtsverlies dienen te worden verboden, claims die verwijzen naar afslanking, gewichtsbeheersing of beperking van de in de voeding beschikbare energie mogelijk moeten zijn, indien zij gebaseerd zijn op algemeen aanvaarde wetenschappelijke gegevens en indien zij door de gemiddelde consument goed begrepen worden.

Amendement nr. 9 (overweging 17) is gedeeltelijk aanvaardbaar en is overgenomen in overweging 25.

Amendement nr. 12 (overweging 22) is, enigszins anders geformuleerd, overgenomen in overweging 30.

Amendement nr. 14 (overweging 26): van dit amendement is het eerste deel, dat voor de Raad aanvaardbaar is, overgenomen in overweging 33.

Artikelen

Amendement nr. 16 (artikel 1, lid 2): dit amendement is gedeeltelijk overgenomen in artikel 1, lid 2; de Raad kan zich evenwel niet aansluiten bij het voorstel om producten die onverpakt worden verkocht, alsmede groenten en fruit, buiten de werkingssfeer van de verordening te houden.

Amendement nr. 17 (artikel 1, lid 3 bis (nieuw)) is gedeeltelijk overgenomen in artikel 1, lid 4.

Amendementen nrs. 20 en 21 (artikel 2, lid 1) zijn volledig overgenomen in artikel 2.

Amendementen nrs. 26 en 27 (artikel 3, lid 2, onder a) en c)) zijn volledig overgenomen in artikel 3.

Amendement nr. 28 (artikel 3, lid 2, onder d) bis (nieuw)): artikel 3, tweede alinea, onder c), geeft het eerste deel van het amendement weer, terwijl het tweede deel naar de inhoud wordt bestreken door het daaropvolgende punt d).

Amendement nr. 30 (artikel 5, lid 1, onder a)): het eerste deel is opgenomen in artikel 5, lid 1, onder a).

Amendementen nrs. 31, 32 en 33 (artikel 5, lid 1, onder b), c) en d)): volledig overgenomen.

Amendement nr. 36 (artikel 7): het eerst deel van dit amendement is overgenomen in overweging 10. De verwijzing naar voedingssupplementen en naar Richtlijn 2002/46/EG (waarin onder andere bepaald is dat de vermelde hoeveelheid nutriënten of andere stoffen betrekking heeft op de door de fabrikant voor dagelijkse consumptie aanbevolen portie, zoals deze in de etikettering is vermeld) bevindt zich in artikel 7, derde alinea.

Amendementen nrs. 41 en 91 (artikel 11, titel) zijn volledig overgenomen.

Amendement nr. 42 (artikel 11, lid 1) is ten dele en naar beginsel in het gemeenschappelijke standpunt opgenomen. In de praktijk zijn bepaalde gezondheidsclaims, ten aanzien waarvan oorspronkelijk was voorgesteld ze te beperken krachtens artikel 11 (met name in lid 1, onder a), b), een deel van c) en een deel van d), van het oorspronkelijke voorstel), uit dit artikel weggehaald en wordt hiernaar verwezen in artikel 10, lid 3 (dat handelt over het gebruik onder specifieke voorwaarden), in artikel 11 (waar bepaald is dat bij gebrek aan communautaire voorschriften de nationale voorschriften kunnen worden toegepast) en in artikel 13, lid 1, onder i) en ii), waar bepaald is dat deze gezondheidsclaims op de desbetreffende lijst mogen worden opgenomen indien zij gebaseerd zijn op algemeen aanvaarde wetenschappelijke gegevens en door de gemiddelde consument goed begrepen worden.

Amendementen nrs. 43 en 93 (artikel 11, lid 2) zijn qua strekking overgenomen en kunnen worden teruggevonden in artikel 10, lid 4.

Amendement nr. 44 (artikel 12, lid 1) is gedeeltelijk overgenomen, met betrekking tot schrapping van „normale” in artikel 13, lid 1, en met betrekking tot de eis dat de claim naar behoren dient te zijn onderbouwd in artikel 13, lid 2; de noodzaak van verwijzingen naar de desbetreffende wetenschappelijke staving staat thans aldaar vermeld.

Amendement nr. 45 (artikel 12, lid 2, eerste alinea) is gedeeltelijk en in beginsel overgenomen in artikel 13, lid 5, op grond waarvan gezondheidsclaims op de lijst van toegestane claims kunnen worden opgenomen na een aanvraag om een vergunning door belanghebbenden.

Amendement nr. 50 (artikel 14, lid 2, onder b)): volledig overgenomen in artikel 15, lid 3, onder b).

Amendement nr. 51 (artikel 14, lid 2, onder e)): gedeeltelijk overgenomen, met name wat betreft de schrapping van de verplichting dat een voorstel voor de tekst in alle talen van de Gemeenschap moet worden ingediend. Wat de ad-hocmaatregelen voor KMO's betreft, wordt opgemerkt dat in artikel 15, lid 4, verwezen wordt naar uitvoeringsvoorschriften voor de toepassing van dat artikel, met inbegrip van voorschriften voor het opstellen en indienen van de aanvragen. Voorts is in artikel 15, lid 5, bepaald dat de Autoriteit vóór de datum van toepassing van de verordening uitvoerige richtsnoeren om aanvragers bij te staan, bekend zal maken.

Amendement nr. 57 (artikel 15, lid 1): gedeeltelijk overgenomen wat betreft de uiterste termijn waarbinnen de Autoriteit advies moet uitbrengen, welke tot zes maanden is verlengd.

Amendement nr. 61 (artikel 15, lid 4, onder c)): in beginsel overgenomen; overeenkomstig de strekking van dit amendement is de verwijzing naar alle talen van de Gemeenschap geschrapt.

Amendement nr. 62 (artikel 15, lid 4 bis (nieuw)): gedeeltelijk en in beginsel overgenomen. In artikel 16, lid 6, van het gemeenschappelijke standpunt is specifiek bepaald dat de aanvrager binnen de 30 dagen na de openbaarmaking van het advies daarover opmerkingen aan de Commissie kan doen toekomen. In artikel 17, lid 1, is bepaald dat de Commissie bij de opstelling van haar ontwerp-besluit rekening zal houden met het advies van de Autoriteit en andere relevante factoren.

Amendement nr. 72 (artikel 26): voor wat betreft overgangsmaatregelen voor producten die zich reeds op de markt bevinden, en gezondheidsclaims die reeds gebruikt worden, is dit amendement qua strekking grotendeels overgenomen. Er is thans een nieuw artikel 27 dat geheel gewijd is aan de toepasselijke overgangsmaatregelen, met inbegrip van die betreffende levensmiddelen die reeds in de handel zijn gebracht, producten voorzien van handelsmerken of merknamen die bestonden vóór 1 januari 2005, en bestaande voedingsclaims en gezondheidsclaims;

b)

heeft 38 amendementen niet in het gemeenschappelijke standpunt opgenomen.

Ten aanzien van de amendementen nrs. 3, 5, 11, 24, 25, 29, 34, 35, 39, 40, 46, 47, 48, 49, 53, 55, 56, 58, 60, 63, 64, 65, 66, 68, 69, 70, 85 en 96 heeft de Raad het door de Commissie ingenomen standpunt overgenomen.

Wat amendement nr. 85 (artikel 1, lid 1 bis (nieuw)) betreft, dat ertoe strekte handelsmerken buiten de werkingssfeer van de verordening te houden, kan worden opgemerkt dat er in artikel 27, lid 2, een tienjarige overgangsperiode is voorzien voor bestaande producten die voorzien zijn van handelsmerken, of merknamen die niet met de verordening in overeenstemming zijn.

Wat de amendementen nrs. 13, 15, 18, 37, 38, 52, 54, 59, 67 en 71 betreft, die gedeeltelijk of in beginsel door de Commissie waren aanvaard, maar die niet in het gemeenschappelijke standpunt terug te vinden zijn, kan het volgende worden opgemerkt.

Amendement nr. 13

De Raad wijst erop dat het gemeenschappelijke standpunt reeds voorziet in overleg met belanghebbende partijen bij de uitvoering van de voorgestelde verordening (bijvoorbeeld in artikel 4, lid 1, punt 5, of in artikel 10, lid 4) en ook dat hierin naar behoren rekening gehouden wordt met de behoeften van de Europese voedingsmiddelenindustrie. Bevordering van innovatie, bijvoorbeeld, wordt onder andere benadrukt in de overwegingen 10 en 31 en in artikel 13, lid 5 (betreffende gezondheidsclaims die geen betrekking hebben op ziekterisicobeperking en waarbij gegevensbescherming vereist is). In artikel 27 (nieuw) worden uitgebreide overgangsmaatregelen uitgewerkt voor bestaande producten en voor reeds in gebruik zijnde voedings- en gezondheidsclaims.

Amendement nr. 15

De voorgestelde overweging wordt ongeschikt geacht, aangezien zij geen betrekking heeft op enige concrete bepaling in de tekst van de voorgestelde verordening. Het feit dat informatiecampagnes over voeding en gezonde eetgewoonten een belangrijk rol kunnen spelen bij de preventie van zwaarlijvigheid en daarmee verbonden ziekten, wordt door de Raad niet ter discussie gesteld.

Amendement nr. 18

De Raad meent dat voedingssupplementen volledig binnen het toepassingsgebied van de voorgestelde verordening vallen, en steunt derhalve dit amendement niet. In artikel 7, derde streepje, wordt verwezen naar specifieke etiketteringseisen ten aanzien van voedingssupplementen.

Amendement nr. 37

De verplichte medewerking van consumentenpanels in geval van wijziging van de lijst van voedingsclaims, in de bijlage bij de verordening, vormt, wanneer het tot aanpassing van de bijlage moet komen, waarschijnlijk een extra last qua tijd en geld. De Raad heeft gemeend dat artikel 5, lid 2, van het gemeenschappelijke standpunt, waarin de algemene, voor alle claims geldende voorwaarden worden genoemd, in dit opzicht voldoende duidelijk is, aangezien hier immers bepaald is dat „voedings- en gezondheidsclaims alleen mogen worden gebruikt als kan worden aangenomen dat de gemiddelde consument de heilzame effecten die in de claim worden beschreven, begrijpt”.

Amendement nr. 38

Het voorstel om vergelijkende voedingsclaims tussen voedingsmiddelen van verschillende categorieën toe te staan, is in het gemeenschappelijke standpunt niet overgenomen, aangezien er twijfels waren gerezen over de mogelijke gevolgen van zo'n vergelijking voor de duidelijkheid en de wetenschappelijke objectiviteit van de voor de consumenten bestemde informatie.

Amendement nr. 52

De Raad meent dat de voorgestelde extra eis, namelijk dat, in een vroege fase van de vergunningsprocedure, een staal van het ontwerp van de verpakking van het levensmiddel waarop een claim zal worden gelegd, voor de aanvrager een extra kostenpost vormt waar geen evenredig profijt tegenover staat. Opgemerkt zij echter dat de lidstaten volgens artikel 25 wel kunnen eisen dat de fabrikant of degene die voor het in de handel brengen verantwoordelijk is, voor toezichtsdoeleinden een model van het voor het product gebruikte etiket verstrekt.

Amendement nr. 54

De Raad meent dat, teneinde de algehele vergunningsprocedure te vereenvoudigen, verscheidene eisen reeds zijn gestroomlijnd (bijvoorbeeld ten aanzien van de benodigde vertalingen). Voorts is in artikel 15, leden 4 en 5, ten aanzien van het opstellen en indienen van aanvragen bepaald dat de Commissie hiervoor uitvoeringsvoorschriften zal vaststellen en de Autoriteit richtsnoeren bekend zal maken om aanvragers bij te staan.

Amendement nr. 59

De Raad gaf er de voorkeur aan de oorspronkelijke tekst van het voorstel in enigszins gewijzigde vorm te handhaven, aangezien hierin de rol en de bevoegdheden van de Autoriteit bij de beoordeling van de aanvragen met grotere nauwkeurigheid omschreven worden.

Amendement nr. 67

De Raad meent dat de voorgestelde periode van drie maanden waarover de Commissie beschikt om het advies van de Autoriteit te bestuderen, de tekst niet helderder zal maken. Opgemerkt zij dat het advies van de Autoriteit, overeenkomstig artikel 18, lid 2, van het gemeenschappelijke standpunt, bestudeerd moet worden tezamen met de eventuele door de aanvragers of het publiek ingezonden opmerkingen, waarvoor nadat het advies is uitgebracht een periode van 30 dagen is voorzien. Ook artikel 17, lid 1, dat betrekking heeft op de toe te passen procedure, bevat in dit verband een precieze uiterste termijn.

Amendement nr. 71

De Raad acht de voorgestelde periode van drie jaar waarover de Commissie beschikt om een verslag over de toepassing van de voorgestelde verordening in te dienen, niet passend, aangezien verscheidene fundamentele aspecten daarvan (zoals de voedingsmiddelenprofielen en de lijst van toegestane gezondheidsclaims) op dat moment nog niet zullen zijn uitgevoerd.

Wat het tweede deel van het amendement betreft, waarin in het bijzonder gevraagd wordt om bestudering van de problemen in verband met de toepassing van artikel 1, lid 4 bis (nieuw) (amendement nr. 85) betreffende de uitsluiting van producten met een handelsmerk uit het toepassingsgebied van de verordening, zij eraan herinnerd dat dergelijke producten, overeenkomstig artikel 27 van het gemeenschappelijke standpunt, voor een periode van tien jaar in de handel kunnen blijven, zelfs wanneer zij niet aan de eisen van de verordening voldoen. Volgens de huidige formulering van artikel 26 beschikt de Commissie over de mogelijkheid om zich over dit probleem te buigen wanneer zij zich, in haar evaluatie van de toepassing van de verordening, uitspreekt over de ontwikkeling van de markt voor de betrokken producten en van de wijze waarop de consument de claims begrijpt.

3.   Andere door de Raad ingevoerde vernieuwingen

Andere vernieuwingen die in het gemeenschappelijk standpunt zijn opgenomen:

Alcoholhoudende dranken: In artikel 4, lid 3, is het algemene verbod op claims die betrekking hebben op alcoholhoudende dranken, met uitzondering van die welke verwijzen naar een verlaagd alcoholgehalte of een verlaagde energetische waarde, gehandhaafd. Tevens is in artikel 4, lid 4, verduidelijkt dat, bij het ontbreken van specifieke communautaire voorschriften voor claims betreffende dranken die normaal alcohol bevatten, de desbetreffende nationale voorschriften kunnen worden toegepast overeenkomstig de Verdragsbepalingen.

Commerciële merknamen of handelsmerken: Het gebruik van commerciële merknamen of handelsmerken die tevens als claims zouden kunnen worden beschouwd en die op grond van hun presentatie of formulering binnen de werkingssfeer van de voorgestelde verordening vallen, is geregeld in artikel 1, lid 3. Volgens deze nieuwe bepaling kunnen dergelijke merknamen of handelsmerken worden gebruikt zonder een vergunningsprocedure te ondergaan, op voorwaarde dat zij in de etikettering, presentatie of reclame voorkomen in combinatie met een daarmee verband houdende voedings- of gezondheidsclaim die voldoet aan de bepalingen van deze verordening.

Teneinde aan de bezwaren betreffende de toepassing van de verordening op bestaande handelsmerken en merknamen tegemoet te komen, is een tienjarige overgangsperiode ingevoerd voor merknamen en handelsmerken die vóór 1 januari 2005 in gebruik waren; na deze overgangsperiode dienen deze namen en merken aan de verordening te voldoen (artikel 27, lid 2).

Bijlage

De voorwaarden voor het gebruik van voedingsclaims in de bijlage bij de verordening zijn gewijzigd teneinde, in het bijzonder, rekening te houden met de meest recente technische en wetenschappelijke ontwikkelingen op dit terrein.


(1)  Doc. COM(2003) 424 def. — 2003/0165 (COD)..

(2)  Doc. 9201/05.

(3)  PB C 110 van 30.4.2004, blz. 18.