ISSN 1725-2474

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 301

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

48e jaargang
30 november 2005


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

I   Mededelingen

 

Rekenkamer — Jaarverslagen over het begrotingsjaar 2004

2005/C 301/2

Jaarverslag over de uitvoering van de begroting, vergezeld van de antwoorden van de instellingen

1

2005/C 301/3

Jaarverslag over de activiteiten gefinancierd uit het zesde, zevende, achtste en negende Europees Ontwikkelingsfonds (EOF’s), vergezeld van de antwoorden van de instellingen

249

NL

 


I Mededelingen

Rekenkamer — Jaarverslagen over het begrotingsjaar 2004

30.11.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 301/1


REKENKAMER

Image

Overeenkomstig de bepalingen van artikel 248, leden 1 en 4, van het EG-Verdrag, de artikelen 143 en 181, lid 2, van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen, en de artikelen 116 en 135, lid 2, van het financieel reglement van 27 maart 2003 van toepassing op het negende Europees Ontwikkelingsfonds, heeft de Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen op haar vergadering van 28 september 2005 vastgesteld, haar

JAARVERSLAGEN

over het begrotingsjaar 2004

Deze verslagen zijn, tezamen met de antwoorden van de instellingen op de opmerkingen van de Rekenkamer, aan de kwijtingverlenende autoriteiten en aan de andere instellingen toegezonden.

JAARVERSLAG OVER DE UITVOERING VAN DE BEGROTING

(2005/C 301/01)

INHOUD

 

Algemene inleiding

Hoofdstuk 1

Betrouwbaarheidsverklaring en toelichting daarbij

Hoofdstuk 2

Begrotingsbeheer

Hoofdstuk 3

Ontvangsten

Hoofdstuk 4

Gemeenschappelijk landbouwbeleid

Hoofdstuk 5

Structurele acties

Hoofdstuk 6

Intern beleid, met inbegrip van onderzoek

Hoofdstuk 7

Externe maatregelen

Hoofdstuk 8

Pretoetredingsstrategie

Hoofdstuk 9

Administratieve uitgaven

Hoofdstuk 10

Financiële instrumenten en bankactiviteiten

Bijlage I (1)

Financiële gegevens over de begroting

Bijlage II (1)

Verslagen en adviezen die de Rekenkamer sinds 2000 heeft uitgebracht


(1)  De bijlagen bij het jaarverslag over de uitvoering van de begroting zijn opgenomen aan het eind van deze publicatie.


ALGEMENE INLEIDING

0.1.

Dit document, betreffende het begrotingsjaar 2004, bevat het 28e jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie, alsmede het jaarverslag over de Europese Ontwikkelingsfondsen. Het document is op dezelfde wijze ingedeeld als de vorige jaarverslagen: de betrouwbaarheidsverklaring is opgenomen in hoofdstuk 1, de voornaamste opmerkingen over het begrotingsbeheer in hoofdstuk 2; de hoofdstukken 3 tot en met 9 behandelen de ontvangsten en, per rubriek van de financiële vooruitzichten, de activiteiten die uit de verschillende delen van de begroting worden gefinancierd, en hoofdstuk 10 betreft de financiële instrumenten en bankactiviteiten. De antwoorden van de Commissie (of, in voorkomend geval, andere EU-instellingen) verschijnen samen met de verslagen.

0.2.

De hoofdstukken van het jaarverslag over de uitvoering van de algemene begroting die de ontvangsten en de voornaamste uitgaventerreinen betreffen, bestaan hoofdzakelijk uit:

gedetailleerde analyses en resultaten van controlewerk dat in de vorm van specifieke beoordelingen is verricht in het kader van de betrouwbaarheidsverklaring;

resultaten van onderzoek naar de vooruitgang die is geboekt bij de uitvoering van de aanbevelingen van de Rekenkamer en de begrotingsautoriteiten naar aanleiding van eerdere controles;

samenvattingen van de speciale verslagen die de Rekenkamer sinds het laatste jaarverslag heeft uitgebracht.

0.3.

De specifieke beoordelingen zijn gebaseerd op een evaluatie van de werking van de voornaamste toezicht- en controlesystemen voor de ontvangsten en elk terrein van uitgaven, de resultaten van door de Rekenkamer verrichte controles van de onderliggende verrichtingen, een beoordeling van de jaarlijkse activiteitenverslagen en verklaringen van de directeuren-generaal en, eventueel, de resultaten van het werk van andere controleurs. Het algemene oordeel van de Rekenkamer over al deze elementen vormt de grondslag voor de betrouwbaarheidsverklaring in hoofdstuk 1. Verder bevatten de bijlagen bij de hoofdstukken 4 tot en met 9 de elementen die worden gehanteerd bij het volgen en beoordelen van het financieel beheer van de EU-begroting.

0.4.

Het jaar 2004 stond in het teken van de toetreding van tien nieuwe lidstaten op 1 mei 2004 — de grootste uitbreiding in de geschiedenis van de Europese Unie. Ook heeft de hervorming van het financiële beheer van de Commissie verder beslag gekregen: in 2004 is de begroting voor het eerst volledig vastgesteld en uitgevoerd volgens het activiteitengeoriënteerde model (Activity Based Budgeting, ABB). Dit heeft geleid tot een andere weergave van de financiële informatie; details worden thans per ABB-beleidsterrein in de begroting vermeld.

0.5.

De Commissie heeft verdere voorbereidselen getroffen voor de invoering in het begrotingsjaar 2005 van een boekhouding die volledig op het baten-lastenstelsel is gebaseerd, hetgeen een fundamentele hervorming inhoudt van de wijze waarop de boekhouding wordt gevoerd en de financiële informatie wordt gepresenteerd. Hoofdstuk 1 van dit verslag (zie de paragrafen 1.21 tot en met 1.45) behandelt de resultaten van controlewerk dat is gewijd aan dit lopende proces, en met name de essentiële procedure voor de opstelling van de openingsbalansen. Het werk van de Rekenkamer wijst uit dat er verdere inspanningen nodig zijn om de Commissie in staat te stellen, aan het eind van het begrotingsjaar 2005 nauwkeurige boekhoudkundige informatie te verstrekken.

0.6.

De Rekenkamer heeft geconstateerd dat de wijze waarop de Commissie zich organiseert en de EU-begroting beheert, sinds de start van het hervormingsproces in 2000 is verbeterd. De door de Commissie verrichte controles van rechtstreeks door haar beheerde uitgaven vertonen verbeteringen. Er moeten echter nog belangrijke inspanningen worden geleverd, met name op de begrotingsterreinen waarvan het beheer wordt gedeeld met de lidstaten. Het is van cruciaal belang dat de Commissie en de lidstaten samen de zwakke punten in de opzet en werking van de regelingen vaststellen en passende corrigerende maatregelen treffen.

0.7.

In april 2004 publiceerde de Rekenkamer Advies nr. 2/2004 (1) over het model „single audit”, met daarin een voorstel voor een communautair internecontrolekader. Het advies was gebaseerd op de ervaring die de Rekenkamer gedurende een aantal jaren had opgedaan bij haar controlewerk — met name wat betreft de op het niveau van de Europese instellingen en de lidstaten geconstateerde tekortkomingen in internecontrolesystemen, die bij een groot deel van de begroting leiden tot materiële foutenpercentages in de onderliggende verrichtingen. De Rekenkamer stelt voor, bij de Commissie en in de lidstaten op een gecoördineerde wijze en volgens gemeenschappelijke beginselen en normen bestaande systemen verder te ontwikkelen of nieuwe in te voeren. Voorts dienen er controlesystemen te worden opgezet om te zorgen voor een evenwichtige verhouding tussen de kosten van controles en de baten ervan voor het beheer van het risico van onregelmatigheden.

0.8.

De Commissie heeft positief gereageerd op het advies van de Rekenkamer en stelt in haar mededeling van juni 2005 (2) een stappenplan voor een geïntegreerd internecontrolekader voor. De Commissie onderkent dat het van essentieel belang is dat de burgers van de Unie redelijke zekerheid hebben dat de Europese publieke middelen op wettige en regelmatige wijze worden beheerd. Wanneer er aan de internecontrolesystemen duidelijk vastgelegde normen en doelstellingen worden verbonden, zou dit de Rekenkamer bij haar controles een objectieve grondslag verlenen voor de beoordeling van de opzet en werking, hetgeen de doeltreffendheid van haar werk ten goede zou komen.


(1)  PB C 107 van 30.4.2004.

(2)  COM(2005) 252 def. van 15 juni 2005.


HOOFDSTUK 1

Betrouwbaarheidsverklaring en toelichting daarbij

INHOUD

Betrouwbaarheidsverklaring van de Rekenkamer

Betrouwbaarheid van de rekeningen

Wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen

Toelichting bij de betrouwbaarheidsverklaring

Inleiding

Betrouwbaarheid van de rekeningen

Geconsolideerde staten betreffende de uitvoering van de begroting (ontvangsten en uitgaven)

Geconsolideerde financiële staten

Actieplan voor de modernisering van het boekhoudsysteem

Wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen

De DAS-aanpak van de Rekenkamer

Controleresultaten DAS 2004

Internecontrolesysteem van de Commissie

Reikwijdte van de controle

De „management representations” van de Commissie

Vooruitgang geboekt bij de versterking van het internecontrolesysteem

Naar een communautair internecontrolekader

BETROUWBAARHEIDSVERKLARING VAN DE REKENKAMER

I.

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 248 van het Verdrag heeft de Rekenkamer de „geconsolideerde verslagen over de uitvoering van de begroting en geconsolideerde financiële staten” van de Europese Gemeenschappen voor het op 31 december 2004 afgesloten begrotingsjaar onderzocht (1). Zij heeft de controle overeenkomstig haar controlebeleidslijnen en -normen verricht. Deze vormen een aanpassing van de algemeen aanvaarde internationale normen aan de communautaire context. Zodoende heeft de Rekenkamer een deugdelijke grondslag voor haar oordeel verkregen. Wat betreft de ontvangsten was de reikwijdte van de controlewerkzaamheden van de Rekenkamer beperkt. De eigen middelen uit BTW en BNI worden immers gebaseerd op macro-economische statistieken waarvan de onderliggende gegevens niet rechtstreeks door de Rekenkamer kunnen worden gecontroleerd; bovendien vallen importen die aan het douanetoezicht zijn ontsnapt, buiten het bereik van de controles van de traditionele eigen middelen.

Betrouwbaarheid van de rekeningen

II.

Naar het oordeel van de Rekenkamer zijn de „geconsolideerde verslagen over de uitvoering van de begroting en geconsolideerde financiële staten” van de Europese Gemeenschappen opgesteld overeenkomstig de bepalingen van het Financieel Reglement van 25 juni 2002 en de boekhoudkundige beginselen, regels en methoden die worden uiteengezet in de bijlagen bij de geconsolideerde financiële staten (2). Behoudens de gevolgen van de in paragraaf III gemaakte opmerking geven ze een getrouw beeld van de ontvangsten en uitgaven van de Gemeenschappen gedurende het jaar en van de financiële situatie aan het eind van het jaar.

III.

Bij gebreke van doeltreffende internecontroleprocedures voor de diverse uitgaven en de betaalde voorschotten kan de Rekenkamer zich niet vergewissen van de juistheid en volledigheid van de boeking van de verrichtingen met betrekking tot de post „Diverse debiteuren”.

IV.

Onverminderd het in paragraaf II gegeven oordeel wijst de Rekenkamer erop dat:

a)

het boekhoudsysteem waarmee de rekeningen van 2004 werden opgesteld, zich er evenmin als in het verleden toe leent om een inventarisatie van het volledige vermogen te waarborgen;

b)

de Commissie met haar actieplan voor de modernisering van het boekhoudsysteem van de Europese Gemeenschappen aanzienlijke vooruitgang heeft geboekt wat betreft de invoering van de boekhouding op basis van het baten-lastenstelsel tegen 2005. De aanpassingen en valideringen die nodig zijn ter verzekering van een volledige uitvoering van het nieuwe boekhoudingskader zijn echter vertraagd.

Wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen

V.

Op grond van haar controlebevindingen is de Rekenkamer van oordeel dat op de gebieden waarop de toezicht- en controlesystemen zijn ingevoerd die een adequaat risicobeheer mogelijk maken, namelijk ontvangsten, betalingsverplichtingen, administratieve uitgaven en pretoetredingsstrategie, de verrichtingen die aan de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Gemeenschappen ten grondslag liggen, over het geheel genomen wettig en regelmatig zijn. Ten aanzien van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) wijst de controle van de Rekenkamer bovendien uit dat het geïntegreerde beheers- en controlesysteem (GBCS), mits juist toegepast, doeltreffend is voor de beperking van het risico van onregelmatige uitgaven.

VI.

Onverminderd het in paragraaf V gegeven oordeel benadrukt de Rekenkamer dat er voor alle programma's en instrumenten op het gebied van pretoetredingsstrategie op het niveau van de uitvoerende organisaties in de kandidaat-lidstaten grotere of kleinere risico's bestaan.

VII.

De doeltreffende invoering van de toezicht- en controlesystemen en het verhelpen van de gebreken daarin vereisen een grotere inspanning, ter verbetering van de aanpak van de problemen die samenhangen met de volgende gebieden, waarop zich bij betalingen nog steeds fouten van materieel belang voordoen:

a)

bij GLB-uitgaven ontdekte de Rekenkamer meerdere bewijzen dat uitgaven die niet onderworpen zijn aan het GBCS of waarop het GBCS onjuist is toegepast, een groter risico vormen, omdat andere controlesystemen minder doeltreffend zijn. Controles na betaling bieden voor niet door het GBCS bestreken GLB-subsidies geen redelijke zekerheid over de naleving van de communautaire regelgeving. De Rekenkamer concludeerde dat er zich bij GLB-uitgaven, over het geheel genomen, nog steeds fouten van materieel belang voordoen;

b)

bij structurele acties constateerde de Rekenkamer in de beheers- en controlesystemen opnieuw gebreken waaruit blijkt dat bepaalde zaken — in verschillende mate — dienen te worden verbeterd, om voor de programmaperiode 2000-2006 te komen tot volledige naleving van de wettelijke voorschriften voor doeltreffende controles van het dagelijks beheer en/of onafhankelijke steekproefsgewijze controle van verrichtingen. Voor beide programmaperiodes (1994-1999 en 2000-2006) zijn vele fouten betreffende wettigheid en regelmatigheid ontdekt in de uitgaven die werden vermeld in de tot betaling door de Commissie leidende declaraties;

c)

bij het interne beleid verschaffen de controlebevindingen van de Rekenkamer met betrekking tot de toezicht- en controlesystemen en de onderliggende verrichtingen, ondanks de op bepaalde gebieden geboekte vooruitgang, onvoldoende zekerheid over de wettigheid en regelmatigheid van betalingen. Het risico van fouten blijft waarschijnlijk bestaan, tenzij de regelgeving wordt gewijzigd teneinde de kostenvergoedingssystemen te vereenvoudigen en de procedures en voorschriften voor de verschillende programma's te verhelderen;

d)

bij externe maatregelen hebben de verbeteringen van de toezicht- en controlesystemen van de Commissie nog geen effect gesorteerd op het niveau van de uitvoerende organisaties, waarbij met betrekking tot betalingen een — qua frequentie en financiële impact — relatief groot aantal fouten werd ontdekt, dat verband hield met het ontbreken van een alomvattende aanpak van toezicht, controle en audit van deze organisaties.

VIII.

De Rekenkamer constateert dat de Commissie vooruitgang heeft geboekt wat betreft de hervorming van haar internecontrolesysteem en erkent de positieve impact hiervan op de wettigheid en regelmatigheid van het interne uitgavenbeheer van de Commissie. Ten aanzien van de operationele doeltreffendheid is echter nog vooruitgang geboden.

28 september 2005

Hubert WEBER

President

Europese Rekenkamer

12, rue Alcide De Gasperi, L-1615 Luxemburg

OPMERKINGEN VAN DE REKENKAMER

ANTWOORDEN VAN DE COMMISSIE

TOELICHTING BIJ DE BETROUWBAARHEIDSVERKLARING

Inleiding

1.1.

Krachtens artikel 248 van het Verdrag legt de Rekenkamer aan het Europees Parlement en de Raad een verklaring voor inzake de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen (DAS). Het Verdrag machtigt de Rekenkamer tevens deze verklaring aan te vullen met specifieke beoordelingen voor ieder belangrijk werkterrein van de Gemeenschap.

 

1.2.

De werkzaamheden in verband met de betrouwbaarheid van de rekeningen van de Europese Gemeenschappen zijn erop gericht voldoende zekerheid te krijgen over de mate waarin de ontvangsten en uitgaven en het gehele vermogen naar behoren zijn geboekt en dat de jaarrekening een getrouw beeld geeft van de financiële situatie aan het eind van het begrotingsjaar (zie de paragrafen 1.6 t/m 1.45).

 

1.3.

De werkzaamheden in verband met de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen zijn erop gericht, voldoende directe en indirecte bewijzen te verzamelen om te beoordelen of de verrichtingen overeenkomen met de geldende rechtsvoorschriften of contractbepalingen en of zij correct zijn berekend (zie de paragrafen 1.46 t/m 1.86) (3).

 

1.4.

De Rekenkamer heeft andermaal bijzondere aandacht besteed aan de inspanningen van de Commissie om haar internecontrolesysteem te versterken, alsook aan de uitvoering van de actieplannen die waren gevoegd bij de jaarlijkse activiteitenverslagen, en de synthese daarvan, over het begrotingsjaar 2003 (zie de paragrafen 1.54 t/m 1.86).

 

1.5.

Voorts reikt de Rekenkamer indicatoren aan voor het bewaken van de voortgang bij de verbetering van interne controles, zowel in het algemeen als per inkomsten- en uitgaventerrein (zie de bijlagen bij dit hoofdstuk en de hoofdstukken 3 t/m 9).

 

Betrouwbaarheid van de rekeningen

1.6.

De opmerkingen van de Rekenkamer hebben betrekking op de definitieve geconsolideerde jaarrekening over het begrotingsjaar 2004 (4) zoals vastgesteld door de Commissie, overeenkomstig de voorschriften van het Financieel Reglement van 25 juni 2002 (5).

 

1.7.

Aangezien het actieplan voor de modernisering van het boekhoudsysteem pas vanaf het begrotingsjaar 2005 volledig zal worden uitgevoerd (zie de paragrafen 1.21 t/m 1.45) en een passend boekhoudsysteem ontbreekt, werden de financiële staten aan het eind van het begrotingsjaar nog goeddeels opgesteld op basis van extracomptabele inventarisaties. De daarbij gebruikte informatie werd niet altijd gekoppeld aan de begrotingsverrichtingen waaruit zij voortvloeit en de centrale boekhouddienst was niet altijd in staat de juistheid en volledigheid ervan te garanderen (zie paragraaf 1.9).

1.7.

Het nieuwe boekhoudsysteem werd in januari 2005 ingevoerd. De afsluiting van de financiële rekeningen voor 2004 is geschied volgens dezelfde regels en systemen als het voorafgaande jaar, zoals zowel in het Financieel Reglement als in de mededeling van de Commissie over de modernisering van het boekhoudsysteem in december 2002 was bepaald (zie COM(2002) 755 def. van 17 december 2002).

1.8.

Bovendien berustte het boekhoudsysteem in 2004 nog in ruime mate op de principes van de boekhouding op kasbasis en was het niet mogelijk om investeringsuitgaven te onderscheiden van andere uitgaven en definitieve betalingen van voorfinancieringen, en zelfs niet om de bedragen van schulden en vorderingen vast te stellen. Dit had gevolgen voor de berekening van het economisch resultaat (zie de paragrafen 1.17 en 1.18, alsmede de paragrafen 1.28 t/m 1.45).

1.8.

Het onderscheid tussen investeringsuitgaven en andere uitgaven is een van de verbeteringen die de invoering van het nieuwe boekhoudsysteem met zich heeft gebracht. De openingsbalans van 2005 is momenteel in voorbereiding en daarin wordt dat onderscheid effectief gemaakt.

1.9.

De punten van voorbehoud in de verklaring van de directeur-generaal Begroting (onvolkomenheden in de presentatie van de activa en passiva en de financiële positie van de Gemeenschappen en het Europees Ontwikkelingsfonds, en veiligheidskwesties (6) in verband met het boekhoudsysteem) worden door de bevindingen van de Rekenkamer bevestigd. De inspanningen van de Commissie in het kader van de modernisering van het boekhoudsysteem hebben echter al tot verbeteringen in de kwaliteit van de verstrekte informatie geleid.

 

1.10.

Tabel 1.1 geeft de follow-up weer van het voorbehoud aangaande de betrouwbaarheid van de rekeningen in de betrouwbaarheidsverklaring betreffende het begrotingsjaar 2003 en van andere opmerkingen van de Rekenkamer, in datzelfde jaarverslag, over zaken die volgens de Commissie moeten worden geregeld in het kader van de modernisering van de communautaire boekhouding.

1.10.

Zoals vorig jaar was geantwoord, en zoals de Rekenkamer in haar opmerking heeft aangegeven, wordt door de invoering van het nieuwe boekhoudsysteem in 2005 het voorbehoud van de Rekenkamer van 2003 inzake inkomsten en voorschotten aangepakt. Met het nieuwe systeem zullen ook de andere in tabel 1.1 genoemde punten worden aangepakt.

1.11.

Ondanks de geconstateerde vooruitgang inzake met name de presentatie van de jaarrekening en de vermindering in aantal en omvang van de punten van voorbehoud, bracht de controle door de Rekenkamer problemen aan het licht waarvan het merendeel reeds in eerdere verslagen was gesignaleerd (zie de paragrafen 1.12 t/m 1.20).

1.11.

Zoals de Rekenkamer heeft opgemerkt, is er inderdaad vooruitgang geboekt inzake de indiening van de jaarrekening. Toch kunnen veel van de door de Rekenkamer aan de orde gestelde problemen slechts worden aangepakt door de invoering van een boekhouding op transactiebasis en door het nieuwe boekhoudsysteem in 2005.

Tabel 1.1 — Follow-up van de punten van voorbehoud in de verklaring 2003 inzake de betrouwbaarheid van de rekeningen en het mogelijke effect van de modernisering van de boekhouding in het licht van bepaalde opmerkingen in het Jaarverslag 2003

Punten van voorbehoud in de betrouwbaarheidsverklaring 2003

Antwoorden in het Jaarverslag 2003

Beloop van de situatie

Bij gebreke van doeltreffende internecontroleprocedures voor de diverse uitgaven en de betaalde voorschotten kan de Rekenkamer zich niet vergewissen van de juistheid en volledigheid van de boeking van de verrichtingen met betrekking tot de post „Diverse debiteuren”.

(…) blijft de Commissie haar werkmethoden op dit gebied voortdurend verbeteren met behulp van de systemen waarover zij momenteel beschikt (bijvoorbeeld de regelmatige rapportage van achterstallige bedragen sinds medio 2003). (…) zijn op dit terrein pas drastische verbeteringen mogelijk wanneer in 2005 het nieuwe boekhoudsysteem, en met name de nieuwe methode voor de boeking van voorfinancieringen, wordt ingevoerd.

De Commissie heeft verklaard dat verscheidene maatregelen zijn genomen. Elk kwartaal wordt een rangschikking naar ouderdom van saldi van uitstaande vorderingen en invorderingsopdrachten (met aanmaningsindicatoren) toegezonden aan de ordonnateursdiensten, er wordt nauwer met de ordonnateursdiensten samengewerkt bij de terugvorderingsprocedure en er wordt stelselmatig vertragingsrente berekend over uitstaande invorderingsopdrachten. Ook stelt de Commissie een lijst van voorfinancieringen op en heeft zij verklaard dat er vanaf 2005 deugdelijke boekhoudmethoden zullen worden toegepast. De Rekenkamer kon er op grond van de tot eind 2004 genomen maatregelen niet van uitgaan dat alle problemen op dat moment waren opgelost (zie de paragrafen 1.17 t/m 1.19).

Kwesties die in het kader van de modernisering van de boekhouding van de Gemeenschappen mogelijk worden opgelost

Antwoorden in het Jaarverslag 2003

Mogelijk toekomstig effect van het moderniseringsproject op de boekhouding van de Gemeenschappen

Bij gebreke van een passend boekhoudsysteem worden de financiële staten aan het eind van het begrotingsjaar goeddeels opgesteld op basis van extracomptabele inventarisaties. De daarbij gebruikte evaluaties worden niet altijd gekoppeld aan de overeenkomstige begrotingsverrichtingen. Met het huidige boekhoudsysteem is het niet mogelijk om investeringsuitgaven te onderscheiden van overige uitgaven, en definitieve betalingen van voorfinancieringen, en zelfs niet om de bedragen van schulden en vorderingen vast te stellen. Dit heeft een weerslag op de berekening van het economische resultaat.

Evenals de meeste andere overheidsorganisaties maken de Europese Gemeenschappen gebruik van het boekhoudsysteem op kasbasis. De Commissie is zich bewust van de beperkingen die aan deze benadering kleven en heeft daarom het project tot modernisering van de boekhouding en tot omschakeling op een boekhouding op transactiebasis opgezet. Het ligt in haar bedoeling om uiterlijk in 2005 aan de internationale standaarden voor jaarrekeningen in de overheidssector (International Public Sector Accounting Standards — IPSAS) te voldoen.

Op 10 januari 2005 is het centrale boekhoudsysteem opengesteld voor gebruik voor de algemene begroting. Volgens de Commissie wordt de algemene boekhouding nu volledig op transactiebasis gevoerd, uitgezonderd de externe delegaties en persbureaus buiten de centrale diensten van de Commissie, waarnaar financiële bevoegdheden zijn gedeconcentreerd en die met ingang van 2005 geleidelijk in het centrale systeem zullen worden opgenomen. De procedures voor de afsluiting van de rekeningen over 2005 en de opstelling van de financiële staten 2005 dienen nog te worden afgerond.

Bepaalde problemen met de beoordeling van de bedragen op sommige balansposten betreffen met name de bedragen in handen van de financiële intermediairs (vermeld onder „Diverse debiteuren”), de reële bestedingsgraad daarvan en het bedrag van de desbetreffende rente, ofwel bepaalde deelnemingen en leningen met begrotingskredieten (bijvoorbeeld ECIP, Eurotech Capital, Venture Consort en Joint Venture Programme).

De Commissie heeft op het gebied van financiële intermediairs reeds veel werk verzet. De aangekaarte problemen kunnen uiteindelijk echter pas worden opgelost met de invoering van het nieuwe boekhoudsysteem in 2005. Thans worden de cijfers manueel opgesteld en de Commissie heeft er voortdurend naar gestreefd, de procedures voor de boeking van renteopbrengsten te verbeteren. In het kader van de overgang naar een boekhouding op transactiebasis worden momenteel alle openstaande ECIP-dossiers opnieuw bezien.

Er werd veel moeite gedaan om de financiële intermediairs te registreren. Bepaalde kwesties zijn al afgehandeld in de boekhoudregels.

Andere problemen betreffen nog steeds de presentatie van de rekeningen: sommige landbouwuitgaven en andere voorschotten zijn niet betaald maar wel als zodanig aangegeven; approximatieve bedragen met de kenmerken van een voorziening worden vermeld als schulden en de boekhoudkundige verwerking van pensioenrechten vlakt het effect op het economische resultaat uit.

Diverse kwesties zijn geregeld in het kader van de overgang naar een boekhouding op transactiebasis in 2005 en de Commissie zal pas wijzigingen aanbrengen voor de rekeningen over 2005, teneinde opeenvolgende wijzigingen te vermijden.

Toepassing van de boekhoudregels die de rekenplichtige op 28 december 2004 heeft vastgesteld, moet het merendeel van de genoemde kwesties regelen. Volgens de Commissie blijft de huidige presentatie van de pensioenen op de balans echter bestaan tot terzake een IPSAS-norm wordt gegeven.

Niets in de afsluitende rekeningen wijst er nog op dat bepaalde verrichtingen waarschijnlijk achteraf door de diensten van de Commissie of door de lidstaten zullen worden gecorrigeerd (zie paragraaf 1.12); evenmin wordt de eventuele omvang van dergelijke correcties vermeld. Verder bestaat er onzekerheid op andere punten, die tijdelijk van invloed kan zijn op de rekeningen (zie paragraaf 1.13).

De jaarrekening bevat per definitie de financiële informatie zoals deze op de afsluitingsdatum bekend was. De betrouwbaarheid van deze informatie moet altijd nog blijken uit de bevindingen van de controlewerkzaamheden die op dat moment aan de gang zijn of later worden uitgevoerd. Nog te innen vorderingen kunnen pas in de rekeningen worden vermeld wanneer de Commissie haar beschikkingen uit hoofde van de procedures voor de goedkeuring van de rekeningen of uit hoofde van andere, soortgelijke procedures vaststelt. In het kader van de modernisering van de boekhouding is de Commissie regels aan het opstellen met betrekking tot de boekhoudkundige behandeling van dergelijke vorderingen en met het oog op de verbetering van de toelichting bij de jaarrekening.

De situatie is ongewijzigd voor de rekeningen over 2004; waarschijnlijk brengt de modernisering van het boekhoudsysteem hierin verandering.

Geconsolideerde staten betreffende de uitvoering van de begroting (ontvangsten en uitgaven)

Voorlopige elementen van de begrotingsuitvoering

1.12.

Ondanks de opmerking van de Rekenkamer in haar jaarverslagen over de begrotingsjaren 2002 (7) en 2003 (8) worden sommige verrichtingen die wellicht achteraf door de diensten van de Commissie of door de lidstaten worden gecorrigeerd (goedkeuring van de rekeningen van de betaalorganen in het kader van EOGFL-Garantie, bijstelling van de voorlopige bedragen bij afsluitingsprocedures voor projecten en programma's voor intern beleid, externe maatregelen of structuurfondsen) nog steeds niet toereikend en gedetailleerd vermeld in de toelichting bij de afsluitende rekeningen. Verder vermeldt de toelichting de mogelijke omvang van dergelijke correcties niet (zoals de omvang van de in voorgaande begrotingsjaren verrichte correcties of de mate waarin ten laste van de begroting gebrachte betalingen in de toekomst aan correcties onderhevig zouden kunnen zijn).

1.12.

Bij de definitieve rekeningen van 2004 wordt het aanvullende commentaar gegeven dat de meeste betalingen die de Commissie in de loop van het jaar verricht, voorlopig zijn en afhankelijk van variërende omstandigheden. Na de modernisering van het boekhoudsysteem beschikt de Commissie over nieuwe boekhoudregels voor de terugvordering van reeds betaalde bedragen, en dit geldt ook voor de toelichting bij de jaarrekening. De effecten van de nieuwe regels zouden in de jaarrekening van 2005 zichtbaar moeten worden.

Voor betalingen ten laste van structuurfondsen is het moeilijk om de hoogte van toekomstige correcties te voorspellen aangezien die afhankelijk is van het resultaat van langdurige procedures in een groot aantal individuele gevallen.

Wat landbouwuitgaven betreft, bevat de jaarrekening per definitie de financiële informatie zoals deze op de afsluitingsdatum bekend was. De betrouwbaarheid van deze informatie moet altijd nog blijken uit de bevindingen van de controlewerkzaamheden die op dat moment aan de gang zijn of later worden uitgevoerd. Nog te innen vorderingen kunnen pas in de rekeningen worden vermeld wanneer de Commissie haar eindbeschikkingen uit hoofde van de procedures voor de goedkeuring van de rekeningen of uit hoofde van andere soortgelijke procedures vaststelt.

De Commissie zal onderzoeken of het mogelijk is om de informatie over de financiële gevolgen van in de voorgaande jaren aangebrachte correcties te verbeteren.

1.13.

Daarnaast kan in de rekeningen tijdelijk onzekerheid bestaan op andere punten. Zo ontvingen 20 betaalorganen, die landbouwfondsen ten bedrage van 11 000 miljoen euro beheren, van de verklarende instanties een verklaring onder voorbehoud of een afkeurende verklaring over hun rekeningen (zie paragraaf 4.19) en heeft de Commissie de beschikking houdende goedkeuring voor het begrotingsjaar 2004 van de rekeningen van betaalorganen die goed zijn voor 9 % van de voor het begrotingsjaar 2004 opgegeven uitgaven, uitgesteld in afwachting van aanvullende informatie of voltooiing van bepaalde controlewerkzaamheden (zie paragraaf 4.20).

1.13.

Zoals in paragraaf 4.19 wordt vastgesteld, hebben de reserves en afkeurende verklaringen in de grote meerderheid van de gevallen slechts betrekking op bepaalde aspecten en bepaalde maatregelen van de betrokken 20 betaalorganen. De betrokken uitgaven zijn in het algemeen beperkt.

Uitstel van de beschikking houdende goedkeuring van de rekening brengt geen financiële gevolgen voor de betrokken lidstaten met zich en heeft niet automatisch tot gevolg dat uitgaven van Gemeenschapsfinanciering worden uitgesloten. De Commissie is reeds procedures begonnen om alle onverschuldigd betaalde bedragen van materiële omvang terug te vorderen.

Uitgaven geboekt op niet-corresponderende begrotingslijnen

1.14.

Overeenkomstig het Toetredingsverdrag (9) worden ISPA-projecten die op de datum van de toetreding niet volledig zijn uitgevoerd, geacht te zijn goedgekeurd uit hoofde van de verordening betreffende het Cohesiefonds, terwijl betalingen van latere datum (345,5 miljoen euro) aan de betrokken nieuwe lidstaten nog steeds worden verricht uit kredieten voor pretoetredingsbijstand. Op grond van het begrotingsbeginsel van transparantie zou het passend zijn, de situatie in de financiële staten te verduidelijken (10).

1.14.

Krachtens het Financieel Reglement kan een betaling alleen geschieden ten laste van een begrotingsonderdeel waarop de vastlegging is gedaan. De titel van dit onderdeel is nu gewijzigd in „Afronding van de pretoetredingshulp voor acht kandidaat-lidstaten”. Daarom betaalt de Commissie niet langer uit pretoetredingskredieten. Zoals de Rekenkamer heeft benadrukt, was in het Toetredingverdrag bepaald dat deze projecten zouden worden beheerd overeenkomstig de regeling betreffende het Cohesiefonds.

1.15.

In het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (11) hebben de lidstaten de mogelijkheid om de betalingen aan de landbouwers in het kader van bepaalde steunregelingen te verlagen en met de aldus ingehouden bedragen aanvullende plattelandsontwikkelingsmaatregelen te financieren. Volgens dit systeem (bekend als „modulatie”) was er geboekt op een begrotingsonderdeel waarop de betrokken uitgave uiteindelijk niet zal worden aangewezen (165,2 miljoen euro in 2004), en werden nog niet gedane uitgaven (263 miljoen euro per 31 december 2004) in de rekeningen als reeds verricht weergegeven (zie de paragrafen 1.13 en 1.14 van het Jaarverslag 2002 en paragraaf 1.10, sub a), van het Jaarverslag 2003).

1.15.

Wat de boeking van 165,2 miljoen EUR in 2004 betreft: de voorschriften voor de boeking van de ingehouden bedragen zoals bedoeld in de artikelen 3 en 4 van Verordening nr. (EG) nr. 1259/1999 en artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1655/2004, zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 1 van Verordening (EG) nr.1017/2001 (houdende wijziging van artikel 2 van Verordening (EG) nr. 296/96).

In verband met de nog niet door de lidstaten gedane uitgaven (263 miljoen EUR in 2004) kunnen de lidstaten een deel van de aan de landbouwers toegekende rechtstreekse steun inhouden op basis van differentiëring en „cross-compliance”, om te gebruiken gedurende een bepaalde periode voor begeleidende maatregelen voor plattelandsontwikkeling (overeenkomstig de artikelen 3 t/m 5 van Verordening (EG) nr. 1259/1999 en artikel 153, lid 4, en artikel 155 van Verordening (EG) nr. 1782/2003). De ingehouden en niet-gebruikte bedragen moeten aan het einde van deze periode worden terugbetaald.

Het huidige systeem van differentiëring wordt geleidelijk afgebouwd en het wordt dan ook niet nodig geacht om tijdens de laatste jaren dat het systeem wordt toegepast nog tot een wijziging over te gaan van de wijze waarop het in de begrotingsboekhouding wordt behandeld. De behandeling ervan in de algemene boekhouding wordt momenteel bestudeerd in de context van de overschakeling op de boekhouding op transactiebasis van vanaf 2005.

Geconsolideerde financiële staten

Balans

Door de lidstaten verschuldigde bedragen

1.16.

Meerdere verklarende instanties hebben punten van voorbehoud geformuleerd ten aanzien van de volledigheid en correctheid van de volgens het debiteurenboek van het EOGFL-Garantie aan de Commissie verschuldigde bedragen (665,5 miljoen euro netto per 31 december 2004) (zie paragraaf 1.25 van het Jaarverslag 2002 en paragraaf 1.10, sub d), van het Jaarverslag 2003).

1.16.

Voor de voorziening voor twijfelachtige schuldvorderingen wordt nog steeds uitgegaan van de beste raming van elk betrokken betaalorgaan, zoals in de vorige jaren. Deze benadering is gebaseerd op de veronderstelling dat de betaalorganen in de beste positie verkeren om de inningskansen te ramen. De Commissie heeft de laatste jaren tal van verbeteringen aangebracht in de boekhoudregels voor de inventarisatie van debiteuren in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Zo wordt onder meer van de betaalorganen verlangd dat zij debiteurenboeken bijhouden, en van de verklarende instanties dat zij nagaan of deze debiteurenboeken volledig zijn. Voor 86 van de 91 betaalorganen waren de verklarende instanties in staat te bevestigen dat de debiteurenboeken geen fouten bevatten.

Ongeveer één derde van het door de Rekenkamer vermelde bedrag is toe te rekenen aan een betaalorgaan, waarvoor de verklarende instantie een voorbehoud maakte en waarvoor de rekeningen door de Commissie werden uitgesloten.

Diverse debiteuren

1.17.

De registratie van de diverse debiteuren (4 139,8 miljoen euro per 31 december 2004) blijft problemen opleveren (12). Nog steeds worden voorlopige betalingen als definitieve uitgaven aangewezen en worden te innen schuldvorderingen niet onmiddellijk in de rekeningen geboekt. Zolang er bij de ordonnateursdiensten geen deugdelijke internecontroleprocedures voor de diverse ontvangsten bestaan, kan de Rekenkamer geen zekerheid krijgen dat de registratie van de schuldvorderingen volledig en correct is.

1.17.

Zoals in voorgaande jaren is geantwoord, aanvaardt de Commissie deze opmerking van de Rekenkamer, maar verklaart dat de aangehaalde problemen door de invoering van het nieuwe boekhoudsysteem in 2005 worden aangepakt.

1.18.

Aangezien een geschikt boekhoudsysteem ontbreekt, kan de Rekenkamer bovendien geen zekerheid geven over de correctheid en volledigheid van de bedragen die zijn geboekt als aangehouden door de financiële intermediairs (13), in totaal 1 313,6 miljoen euro (14) per 31 december 2004 (zie paragraaf 1.27 van het Jaarverslag 2002 en paragraaf 1.10, sub f), van het Jaarverslag 2003).

1.18.

Het nieuwe, in 2005 ingevoerde en op transacties gebaseerde boekhoudsysteem zal het voor de Commissie mogelijk maken de bedragen van de voorfinanciering beter te controleren (zoals voor de financiële tussenpersonen).

1.19.

Voorts was de basis waarop de Commissie een waardevermindering van 29,6 miljoen euro boekte op voorschotten voor de European Community Investment Partners (ECIP) (13), namelijk 51,5 miljoen euro per 31 december 2004, twijfelachtig, want er was nog niet uitgemaakt op welke onderdelen die vermindering van toepassing is, omdat de beoordeling van de nog niet afgesloten dossiers niet was voltooid (zie paragraaf 1.18 van het Jaarverslag 2002 en paragraaf 1.10, sub b), van het Jaarverslag 2003).

1.19.

De beoordeling van de nog niet afgesloten dossiers ging door in 2005. De som van 51,5 miljoen EUR die eind 2004 in de balans is opgenomen, komt overeen met 41,2 miljoen EUR die op voorfinanciering betrekking heeft (faciliteit 2), en 10.3 miljoen EUR op rekeningen die zijn geopend bij de verschillende financiële instellingen die partners zijn van het programma European Community Investment Partners (ECIP). De waardevermindering van 29,6 miljoen EUR is alleen van toepassing op de voorfinanciering. De waardevermindering werd berekend door het bedrag waarvan de terugvordering bijna vaststaat (11,5 miljoen EUR), van het totaal af te trekken. Het bedrag van 10,3 miljoen EUR werd bepaald dankzij een circulatie ter bevestiging van de situatie betreffende de faciliteiten 3 en 4. Dit zal aan de Commissie worden overgemaakt na het verzenden van de vereiste terugvorderingsopdrachten.

Voorziening voor pensioenen

1.20.

De huidige weergave op de balans van de voorziening voor pensioenen (15) (26 008 miljoen euro per 31 december 2004 op basis van een actuariële beoordeling voor personeel (25 814 miljoen euro) en voor de leden van de Commissie, de rechters en advocaten-generaal van het Hof van Justitie alsmede voor de leden van de Rekenkamer (194 miljoen euro)) en van de overeenkomstige vordering op de lidstaten houdt voor het economisch resultaat een nul-operatie in, aangezien niet is aangegeven hoe de pensioenverplichtingen van de communautaire instellingen in 2004 zijn gewijzigd (zie de paragrafen 1.31 en 1.32 van het Jaarverslag 2002 en paragraaf 1.10, sub h), van het Jaarverslag 2003).

1.20.

Zoals de Commissie vroeger al heeft geantwoord, is deze boekhoudkundige behandeling van pensioenen in overeenstemming met de boekhoudregels die door de rekenplichtige van de Commissie zijn vastgesteld na overleg met het Comité voor normen voor de jaarrekening. Dit onderwerp zal opnieuw worden behandeld wanneer een International Public Sector Accounting Standards (IPSAS)-norm inzake de behandeling van pensioenen in de publieke sector beschikbaar is.

Actieplan voor de modernisering van het boekhoudsysteem

Algemene achtergrond

1.21.

Op 17 december 2002 heeft de Commissie een actieplan voor de modernisering van het boekhoudsysteem van de Europese Gemeenschappen vastgesteld (16). Dit plan vormt een reactie op een aantal eerdere opmerkingen van de Rekenkamer en houdt rekening met de bepalingen van het in juni 2002 vastgestelde Financieel Reglement (17), waarin onder meer de invoering van periodetoerekening werd voorgeschreven (artikel 125). Dit actieplan, dat vanaf 1 januari 2005 volledig operationeel moest zijn (18), bestaat uit twee delen: het ene deel behelst de goedkeuring van het nieuwe boekhoudingskader (19), het andere de ontwikkeling van de informatiesystemen die vereist zijn voor de tenuitvoerlegging ervan (20). Er zijn een „project oversight board” en een raadgevend comité voor standaarden voor de jaarrekening opgezet om ondersteuning te verlenen aan de rekenplichtige van de Commissie, die met de tenuitvoerlegging van het project is belast.

 

Reikwijdte en aanpak van de controle

1.22.

Gelet op het fundamentele belang van het moderniseringsproject heeft de Rekenkamer een controle ingesteld van de verschillende fasen van de uitvoering van het project van de Commissie; deze controle duurt nog voort. De Rekenkamer biedt hier haar preliminaire bevindingen aan en zal in toekomstige jaarverslagen over de volgende fasen berichten.

1.22.

Het nieuwe boekhoudsysteem is operationeel en de voorbereiding van de jaarrekening van 2005 (inclusief openingsbalans) gaat door sinds het afronden van de controle van de Rekenkamer in mei 2005.

1.23.

In de eerste fase, die het overgangsproces in 2004 bestrijkt, concentreerde de Rekenkamer zich op:

verificatie of de nieuwe boekhoudkundige regels en richtsnoeren verenigbaar zijn met het Financieel Reglement en de internationale normen (zie de paragrafen 1.24 t/m 1.27);

identificatie van de voorheen niet beschikbare gegevens, die in het systeem moesten worden ingevoerd (voorfinancierings- en aanverwante garanties, facturen/betalingsaanvragen, juridische entiteiten), door middel van een systeembeoordeling en bevestigende controles (21) (zie de paragrafen 1.28 t/m 1.37);

beoordeling op hoog niveau door de rekenplichtige en zijn diensten van de mate waarin de lokale systemen voor financieel beheer van bepaalde directoraten-generaal en de diensten die informatie verschaffen voor de rekeningen van de Commissie (lokale systemen) gereed zijn voor de invoering van het boekhoudsysteem op transactiebasis (zie de paragrafen 1.38 t/m 1.42).

 

Nieuw boekhoudingskader

1.24.

Op 28 december 2004 heeft de rekenplichtige van de Commissie een pakket van 15 regels (22) vastgesteld, zoals vereist in artikel 133 van het Financieel Reglement. Deze regels bestrijken de belangrijkste elementen van boekhouding en financiële verslaglegging op basis van de internationaal aanvaarde boekhoudnormen voor de overheidssector (23), aangepast aan de specifieke behoeften van de Commissie en de Europese Gemeenschappen (24). Deze regels zijn vervolgens — nog vóór de opstelling van de rekeningen over het begrotingsjaar 2005 — omgezet in uitvoeringsvoorschriften en een handleiding voor de boekhouding, die van toepassing zijn op de instellingen en organen met te consolideren rekeningen (25).

 

1.25.

Met het oog op haar toekomstige werk betreffende de openingsbalans voor het begrotingsjaar 2005, die tegen het einde van de controlewerkzaamheden (mei 2005) nog niet was voltooid, heeft de Rekenkamer haar eerste analyse beperkt tot de vier boekhoudregels die worden beschouwd als cruciaal voor de overgang, namelijk die welke betrekking hebben op de financiële staten, uitgaven en schulden, voorfinanciering en voorzieningen, voorwaardelijke activa en verplichtingen. De overige regels zullen in latere fasen van deze controle worden geanalyseerd.

 

1.26.

Er is vastgesteld dat deze vier regels in elk materieel opzicht in overeenstemming zijn met zowel het Financieel Reglement als de internationale normen voor de overheidsboekhouding (Public Sector Accounting Standards, IPSAS), voorzover zij hierdoor worden bestreken (26). De naleving wordt tot op zekere hoogte echter bereikt door de basisregels en de meer gedetailleerde boekhoudhandleiding tamelijk algemeen te houden, gegeven de complexiteit van de verschillende bestreken terreinen, en de interpretatie van specifieke elementen over te laten aan het oordeel van de diverse directoraten-generaal (zie paragraaf 1.32). Bovendien is opheldering geboden met betrekking tot garanties en voorfinanciering (zie paragraaf 1.33).

1.26.

De boekhoudregels die zijn vastgesteld door de rekenplichtige van de Commissie werden besproken door het Comité voor normen voor de jaarrekening en zijn naar hun aard meer algemeen dan specifiek. Dat is ook het geval voor de internationale boekhoudregels waarop zij zijn gebaseerd, de International Accounting Standards/International Financial Reporting Standards (IAS/IFRS) en de IPSAS. Meer gedetailleerde instructies en richtsnoeren zijn beschikbaar in de boekhoudingshandleiding en fiches op het intranet van de Commissie. De toepassing van deze regels door de directoraten-generaal is verplicht.

1.27.

De ontwikkeling en goedkeuring van voorschriften was aan het eind van de controlewerkzaamheden (mei 2005) nog niet afgerond; zo is de afsluitingsprocedure thans in voorbereiding. Het is van belang, het begrotingsjaar te definiëren waaraan tot boeking aanleiding gevende gebeurtenissen dienen te worden toegerekend, aangezien dit onmiddellijk zijn weerslag heeft op de boeking van verrichtingen en op de getrouwheid van het beeld van de financiële positie.

1.27.

Het opstellen van die instructies is een lopend proces dat vergevorderd is sinds het beëindigen van de controle van de Rekenkamer. De instructies werden tijdig uitgewerkt. De afsluitprocedure is eind juli en begin augustus voorgesteld en besproken met de directeuren-generaal. Ten slotte werden, zoals was voorzien, half augustus de afsluitinstructies afgerond en naar de directoraten-generaal gezonden. Deze werden ook bekendgemaakt op de interne website.

Aanvullende gegevens nodig voor de openingsbalans

1.28.

De Commissie dient de rekeningen op te stellen volgens de nieuwe boekhoudregels voor het begrotingsjaar 2005. Hiertoe dient de afsluiting van het begrotingsjaar 2004 te worden overgedaan teneinde de openingsbalans voor 2005 volgens de nieuwe boekhoudregels op te stellen. Bepaalde voor de openingsbalans benodigde gegevens staan niet in de jaarrekening 2004. Derhalve dienen deze gegevens in 2005 volgens specifieke procedures te worden vastgesteld en geboekt.

 

1.29.

In de volgende paragrafen komen de belangrijkste elementen aan de orde: voorfinanciering (voorschotten), hetgeen een activum vormt; facturen/betalingsaanvragen die per 31 december 2004 niet zijn afgewikkeld en passiva vormen; garanties, die als bijlage bij de balans zullen worden opgenomen, en de validering van juridische entiteiten, die een noodzakelijke voorwaarde is voor de verrichting van betalingen.

 

1.30.

De Commissie raamt het te boeken bedrag aan voorfinanciering op ongeveer 64 000 miljoen euro. Vijf directoraten-generaal zijn goed voor meer dan 90 % van dit bedrag: DG Regionaal beleid, DG Werkgelegenheid, sociale zaken en gelijke kansen, DG Landbouw en plattelandsontwikkeling, DG Onderzoek, en de Dienst voor samenwerking EuropeAid. Daarom is besloten, de controle van voorfinancieringen en aanverwante zaken, zoals garanties, op deze vijf directoraten-generaal te richten.

 

Voorfinanciering

1.31.

Bij de afsluiting van de controlewerkzaamheden voor dit jaarverslag in mei 2005 waren niet alle technische en conceptuele aspecten geregeld (zie de paragrafen 1.25 t/m 1.27). Bovendien waren de in het systeem ingevoerde bedragen slechts van voorlopige aard, aangezien zij nog niet waren gevalideerd door de ordonnateurs, zodat de definitieve openingsbalansen voor het begrotingsjaar 2005 nog niet beschikbaar waren. Juiste openingsbalansen zijn een eerste vereiste voor de opstelling van getrouwe financiële staten voor het begrotingsjaar 2005.

1.31.

Zie de antwoorden op de paragrafen 1.26 en 1.27.

Het proces van het opstellen van de openingsbalansen zou naar verwachting tijdig voltooid zijn. Tijdens de eerste week van januari werden de eerste gegevens in het nieuwe systeem ingegeven. De directoraten-generaal hebben de cijfers gecontroleerd en gecorrigeerd en moeten de definitieve openingsbalansen formeel valideren.

1.32.

De procedures voor de verwerking, verrekening en berekening van voorfinanciering in de algemene jaarrekening verschillen per directoraat-generaal. Dit zou van invloed kunnen zijn op de verslaglegging en bijgevolg op de informatie in de economische resultatenrekening over de verslagperiode (27).

1.32.

De vele verschillende soorten contractuele voorwaarden vereisen verschillende procedures voor de controle van de voorfinanciering. Het opnemen van de voorfinanciering in de financiële staten zal de economische realiteit weerspiegelen.

Garanties

1.33.

Momenteel houden alle directoraten-generaal de nominale beginwaarde van hun garanties aan. Door deze waarde aan te houden, ongeacht het bedrag waarop aanspraak kan worden gemaakt indien een gebeurtenis tot een beroep op de garantie leidt, wordt echter een te hoog door de garanties gedekt totaalbedrag opgegeven. In de toelichting dient derhalve aanvullende informatie over voorwaardelijke activa en passiva te worden opgenomen.

1.33.

Alle garanties worden opgenomen tegen hun nominale waarde. Dat bedrag zal slechts worden verminderd als de ordonnateur een vermindering van de verstrekte garantie heeft aanvaard. Zowel de waarde van de gestelde garantie als het actuele gewaarborgde nettobedrag zal in de toelichtingen bij de financiële staten worden opgenomen, waarbij informatie uit het boekhoudsysteem wordt gebruikt.

Facturen/betalingsaanvragen

1.34.

Wat voorfinanciering betreft (zie paragraaf 1.31) waren bij de afsluiting van de controlewerkzaamheden voor dit jaarverslag in mei 2005 de in het systeem ingevoerde bedragen voor facturen/betalingsverzoeken slechts van voorlopige aard.

1.34.

Zie het antwoord op paragraaf 1.31.

1.35.

De controle van de Rekenkamer bracht een aantal risico's in verband met de lokale systemen aan het licht. Er is vastgesteld (bijvoorbeeld bij het directoraat-generaal Regionaal beleid) dat lokale systemen en het ABAC niet regelmatig worden aangesloten ter bevestiging van een geslaagde gegevensoverdracht, en (zoals is vastgesteld bij het directoraat-generaal Werkgelegenheid, sociale zaken en gelijke kansen) dat bepaalde bedragen meer dan eens werden geboekt en aan het centrale systeem werden doorgegeven. Ook zijn er fouten ontdekt die voortvloeien uit een onjuiste interpretatie van gegevens (zoals is vastgesteld bij het directoraat-generaal Werkgelegenheid, sociale zaken en gelijke kansen), namelijk door van de kostendeclaratie en de niet-afgewikkelde verplichting de hoogste als factuur/betalingsaanvraag in aanmerking te nemen en in het centrale systeem in te voeren.

1.35.

De door de Rekenkamer vastgestelde discrepanties zijn herzien en verbeterd. Sinds de controle van de Rekenkamer vonden in elk directoraat-generaal afstemmingen plaats, wat vereist is om de definitieve openingsbalansen te valideren.

De opmerkingen over het directoraat-generaal Werkgelegenheid, sociale zaken en gelijke kansen hebben betrekking op in mei 2005 gecorrigeerde fouten en de vaststelling van een prudentiële voorziening voor gevraagde kostenvergoedingen. IT-ontwikkelingen begin 2005 hebben het regelmatige afstemmen door het directoraat-generaal Regionaal beleid van zijn lokaal systeem met het ABAC onderbroken.

Juridische entiteiten

1.36.

Met ingang van 2005 kan geen enkele begrotingsverrichting worden uitgevoerd zonder verwijzing naar een juridische entiteit die vooraf is geregistreerd en gevalideerd in een LEF-bestand („legal entity file”). Een LEF-bestand levert in het algemeen weinig risico op, aangezien iedere fout in dit kader elke betaling blokkeert. Alvorens de betalingsprocedure kan worden hervat, dienen de LEF-bestanden te worden gecorrigeerd en gevalideerd.

 

1.37.

Van de vijf gecontroleerde directoraten-generaal en diensten had uitsluitend de Dienst voor samenwerking EuropeAid door de aard van de activiteit problemen wat betreft de validering van juridische entiteiten, aangezien de noodzakelijke documentatie niet altijd kon worden verkregen (aannemers van over de hele wereld zijn aan uiteenlopende rechtssystemen onderworpen, waardoor er verschillen zijn tussen de respectieve bankprocedures, BTW-behandeling, vennootschapsregisters, enz.).

1.37.

Er werden specifieke maatregelen getroffen om de bijzondere problemen van het betrokken directoraat-generaal op te lossen. Bijgevolg zouden deze problemen zich niet opnieuw mogen voordoen.

Validering van lokale systemen

1.38.

De rekenplichtige dient zich ervan te vergewissen en te valideren dat de lokale systemen het centrale systeem kunnen voorzien van gegevens die voldoen aan de nieuwe boekhoudregels (28). Na afsluiting van deze procedure mag het centrale systeem geen gegevens meer aanvaarden die afkomstig zijn uit niet-gevalideerde lokale systemen.

 

1.39.

Deze validering wordt in twee fasen uitgevoerd. In de eerste waren de controles uitsluitend gebaseerd op mededelingen van de leiding („management representations”). 40 afzonderlijke verslagen alsmede een definitief syntheseverslag, hoewel aanvankelijk voor eind december 2004 gepland, kwamen pas in februari 2005 beschikbaar.

1.39.

Het eindverslag werd eind februari 2005 goedgekeurd, nadat het directoraat-generaal Begroting er de van alle directoraten-generaal ontvangen opmerkingen had in opgenomen. De eindversie bevatte een algemene beoordeling van de validatie in 2004 en individuele beoordelingen voor de 40 directoraten-generaal.

1.40.

De rekenplichtige stelde bij zijn beoordeling van alle 40 systemen voor vijf hiervan een aantal risico’s vast (29), terwijl drie andere systemen (30) ernstige problemen zouden bevatten. Aangezien er op korte termijn geen wijzigingen konden worden aangebracht, zijn deze systemen ook in 2005 nog gebruikt.

1.40.

Daar waar risico’s werden vastgesteld voor vijf systemen, was de conclusie van de verslagen dat deze risico’s momenteel niet impliceren dat de systemen geen gegevens over de rekeningen van de instelling meer kunnen verstrekken of gegevens die worden gebruikt om gegevens in deze rekeningen te staven.

Als onderdeel van de follow-up in 2005 zal een diepgaand onderzoek worden gehouden voor 13 directoraten-generaal en bureaus. Daaronder bevinden zich de door de Rekenkamer vermelde directoraten-generaal, alsook vijf van de grotere directoraten-generaal (31). Deze werkzaamheden zijn reeds gestart en zullen tot het einde van het jaar duren. Vóór het einde van 2005 zullen voor deze 13 directoraten-generaal ontwerp-verslagen over de validering van de lokale systemen worden opgesteld.

1.41.

De huidige valideringsprocedure bevat geen mechanisme om de rekenplichtige in kennis te stellen van wijzigingen in de lokale systemen die zouden leiden tot een nieuwe validering overeenkomstig artikel 61 van het Financieel Reglement.

1.41.

Vóór eind 2005 zal het directoraat-generaal Begroting een procedure ontwikkelen voor de kennisgeving van wijzigingen in de lokale systemen, gebaseerd op de ervaring die in de valideringspraktijk is opgedaan.

1.42.

In de tweede valideringsfase (die volgens planning nog in 2005 moet beginnen) zullen grondige controles worden uitgevoerd om voldoende kwaliteit van de gegevens te waarborgen en de resultaten van de eerste fase te bevestigen. Aan de vereisten van artikel 61 van het Financieel Reglement zal uitsluitend zijn voldaan wanneer de rekenplichtige op basis van de resultaten van deze controles tot definitieve validering van de lokale systemen besluit.

1.42.

In de loop van 2005 is inderdaad nog verdere validering van lokale systemen gepland. Aanvankelijk werden naar de 40 directoraten-generaal en diensten individuele follow-upvragenlijsten gestuurd en de antwoorden werden binnen de gestelde termijn, d.w.z. tegen eind juni 2005, ontvangen. Er werd een voortgangsverslag opgesteld dat betrekking heeft op 27 directoraten-generaal waarvoor geen belangrijke problemen werden vastgesteld. Dit voortgangsverslag is eerst naar de rekenplichtige gestuurd en zal te gelegener tijd beschikbaar zijn voor de Rekenkamer.

Beoordeling van de voortgang

1.43.

De modernisering van het boekhoudsysteem diende te worden gepland en uitgevoerd binnen de krachtens het Financieel Reglement vereiste termijn. Uit de ervaring van publieke overheden die soortgelijke hervormingen hebben ondernomen (32) blijkt dat aan projecten van deze omvang allerlei problemen kleven die een vlotte tenuitvoerlegging in de weg staan. Dit in aanmerking genomen, heeft de Commissie belangrijke voortgang geboekt bij de invoering van boekhouding op basis van het baten-lastenstelsel.

 

1.44.

Maar zoals de Rekenkamer al in voorgaande jaarverslagen heeft gesignaleerd (33), is het tijdschema voor de vereiste aanpassingen en valideringen erg ambitieus. Zo was de openingsbalans 2005, die volgens de aanvankelijke planning tegen eind 2004 had moeten worden opgesteld, medio 2005 nog steeds niet bekendgemaakt.

1.44.

Bij het moderniseringsproject is de datum waarop het nieuwe systeem operationeel moest zijn, januari 2005, gehaald en op 1 januari 2005 is de Commissie voor de verslaglegging over de EG-begroting overgeschakeld van een boekhouding op kasbasis naar een boekhouding op transactiebasis. De Commissie is ervan overtuigd dat de openingsbalansen tijdig zullen zijn opgesteld.

1.45.

Verdere voortgang is vereist, aangezien de cijfers die nodig zijn voor de opstelling van de openingsbalans 2005 nog niet door de ordonnateurs van de Commissie zijn gevalideerd. Voorts worden niet alle aspecten volledig gedekt door de bestaande regels en worden de voorschriften niet coherent geïnterpreteerd door de betrokken diensten. De rekenplichtige dient de nodige maatregelen te nemen om de samenhang en consistentie te waarborgen, zodat de gepresenteerde financiële informatie een getrouw beeld biedt. Indien de Commissie geen tijdige maatregelen treft, kunnen de door de Rekenkamer vastgestelde tekortkomingen gevolgen hebben voor de betrouwbaarheid van de financiële staten 2005.

1.45.

Het boekhoudsysteem op transactiebasis zal in de loop van 2005 en 2006 verder worden ontwikkeld en verbeterd. Het moderniseringsproject heeft de doelstellingen voor de eerste acht maanden van 2005 ruimschoots gehaald. Alle diensten hebben aanzienlijke inspanningen geleverd om de informatie voor te bereiden die nodig was om de boekhouding op transactiebasis op te starten en om aan hun lokale systemen de noodzakelijke aanpassingen te doen om in het nieuwe systeem een correcte boekhouding van de transacties te voeren.

De Commissie is vastbesloten om, zoals zij in het hele moderniseringsproject heeft gedaan, alle maatregelen te nemen die nodig zijn om de werkzaamheden tot een goed einde te brengen.

Wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen

De DAS-aanpak van de Rekenkamer

1.46.

Gelet op de vereisten van artikel 248, lid 1, van het Verdrag, alsmede op de veranderende controleomgeving (die bijzonder complex is en met de financiële hervorming van de Commissie ingrijpend is gewijzigd) en de verwachtingen van de „gebruikers” van de DAS (namelijk de kwijtingsautoriteit), heeft de Rekenkamer besloten, haar controleoordeel te baseren op een consolidatie van de specifieke beoordelingen inzake eigen middelen en elk van de zes beleidshoofdstukken van de financiële vooruitzichten 2000-2006 (34). Deze specifieke beoordelingen, die zijn bedoeld om de kwijtingsautoriteit in staat te stellen, voor elk van belangrijkste terreinen van communautaire steunverlening de kwaliteit van het beheer van de middelen te bewaken (35), worden gebaseerd op vier bronnen van bewijsmateriaal:

a)

een onderzoek naar het functioneren van de toezichten controlesystemen die bij de communautaire instellingen alsmede in de lidstaten en de derde landen zijn opgezet;

b)

steekproefsgewijze toetsing van verrichtingen per belangrijk terrein door middel van controles tot op het niveau van de uiteindelijke begunstigde;

c)

een analyse van de jaarlijkse activiteitenverslagen en verslagen van de directeuren-generaal en van de procedures die zijn gevolgd bij de opstelling ervan;

d)

indien mogelijk, een onderzoek naar de werkzaamheden van andere auditors, die niet zijn gebonden aan de communautaire beheersprocedures.

 

1.47.

De controle van de toezicht- en controlesystemen heeft ten doel, te beoordelen in hoeverre deze de risico's met betrekking tot de wettigheid en regelmatigheid van onderliggende verrichtingen beheren. Het toetsen van verrichtingen is gericht op het verkrijgen van rechtstreeks bewijs omtrent de wettigheid en regelmatigheid en op het verstrekken van aanwijzingen over de oorsprong, frequentie, aard en impact van de ontdekte fouten. De resultaten van de toetsing van de verrichtingen worden gebruikt ter onderbouwing en aanvulling van de conclusies over de systemen. Op basis van de informatie uit beide bronnen worden aanbevelingen voor corrigerende maatregelen geformuleerd. Overeenkomstig de internationale controlenormen houdt de Rekenkamer tevens rekening met de „management representations” die in de jaarlijkse activiteitenverslagen en verklaringen van de directeuren-generaal zijn vervat, alsmede in de door de Commissie vastgestelde synthese daarvan. Ten slotte wordt het werk van andere auditors (36) beoordeeld om na te gaan in hoeverre dit van belang zou kunnen zijn voor de specifieke beoordelingen.

1.47.

De Commissie verwelkomt de controle door de Rekenkamer van de mate waarin toezicht- en controlesystemen het risico van onregelmatigheden van onderliggende verrichtingen beheren. Daar waar de controle van de verrichtingen door de Rekenkamer aan het licht brengt dat de toezicht- en controlesystemen niet werken zoals gepland, zal de Commissie er eveneens naar streven onvolkomenheden te herstellen en door de communautaire begroting gederfde bedragen terug te vorderen.

Controleresultaten DAS 2004

Toezicht- en controlesystemen moeten doeltreffend worden gemaakt

1.48.

De uit de specifieke beoordelingen voortvloeiende conclusies over de verschillende beschikbare DAS-bronnen stemmen in grote lijnen overeen. Voor terreinen waarop volgens de controle van de Rekenkamer toezicht- en controlesystemen ten uitvoer worden gelegd waarmee risico naar behoren kan worden beheerd, lijkt de gegevensgerichte controle van de Rekenkamer met betrekking tot de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen slechts onbeduidende bevindingen op te leveren; de beoordeling door de Rekenkamer van de verklaringen van de directeuren-generaal en van de gedelegeerde ordonnateurs (37) wees eveneens uit dat er geen of geringe punten van voorbehoud hoefden te worden gemaakt (zie de paragrafen 3.52 t/m 3.55, 8.31, 8.32, 8.36, 8.37, 9.13 en 9.26 t/m 9.28).

 

1.49.

Voor terreinen waarop volgens de beoordeling van de Rekenkamer toezicht- en controlesystemen bestaan, waarbij het betrokken risico evenwel doeltreffender dient te worden beheerd, lijkt de gegevensgerichte controle van de Rekenkamer bevindingen van materieel belang op te leveren met betrekking tot de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen (zie de paragrafen 4.55 t/m 4.62, 5.47 t/m 5.50, 6.46, 7.39 en 7.40). De beoordeling door de Rekenkamer van de verklaringen van de directeuren-generaal bevestigde dat belangrijke punten van voorbehoud waren gemaakt, respectievelijk hadden moeten worden gemaakt. Dit duidt erop dat het management zich moet blijven inspannen voor een adequate controle van het risico betreffende de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen (zie tabel 1.2 ).

1.49.

Zoals is vermeld in haar antwoorden op de punten die de Rekenkamer aanhaalt, is de Commissie van mening dat de directeuren-generaal redelijke zekerheid hadden dat de geldende toezicht- en controlesystemen volstaan om het risico van fouten en onregelmatigheden in onderliggende verrichtingen te beheren. Wanneer belangrijke risico’s werkelijkheid worden, is de EG-begroting beschermd door terugvorderingen van de betrokken ontvanger of, voor gezamenlijk beheerde fondsen, van de betrokken lidstaat. De Commissie verbetert deze systemen voortdurend, meest recentelijk door de verschillen te onderzoeken tussen haar huidige systemen en de systemen die Rekenkamer in haar Advies nr. 2/2004 en in haar regelgevingsvoorstellen voor de financiële vooruitzichten 2007-2013 aanbeveelt.

Tabel 1.2 — Follow-up door de Rekenkamer van de in 2003 en 2004 door de directeuren-generaal gemaakte punten van voorbehoud (per financieel vooruitzicht)

Sector

Voornaamste punten van voorbehoud van de directeuren-generaal

2003

2004

 

Effect van deze voornaamste punten van voorbehoud op de zekerheid van de directeur-generaal volgens de Rekenkamer (38)

Evolutie (41)

Andere gebreken ontdekt tijdens controles van de Rekenkamer

2003

2004

 

Inhoud van de verklaringen (39)

Evolutie (41)

Belang voor de controleconclusies van de Rekenkamer (40)

Evolutie (41)

2003

2004

2003

2004

2003

2004

Eigen middelen

Bewaking toepassing preferentiële regelingen

×

 

 

B

A

+

/

 

 

 

A

A

=

A

A

+

Import Basmati-rijst

×

 

Rundvlees „Hilton”

×

×

Gemeenschappelijk landbouwbeleid

Internationale olijfolieraad

×

 

 

B

B

+

Onvoldoende inachtneming van de toezichtsystemen en -controles bij de verrichtingen van 2003

×

 

 

C

B

+

C

C

+

GBCS in Griekenland

×

×

Beperkte reikwijdte van de toezichthoudende activiteiten van de Commissie en achterstand (onvolledige controles uit hoofde van Verordening (EEG) nr. 4045/89) (zie par. 4.58)

 

×

Structurele acties

EOGFL-Oriëntatie: beheers- en controlesystemen in de lidstaten (2000/2006)

×

×

 

C

B

+

Risico's in verband met de afsluiting van de programmeringsperiode 1994-1999 en/of significante tekortkomingen in de uitvoering van Verordening (EG) nr. 2064/97 (zie par. 5.46)

×

×

 

C

B

+

C

C

+

ESF: meerdere beheers- en controlesystemen in de lidstaten (2000/2006)

×

×

 

 

 

IFOP: beheers- en controlesystemen in de lidstaten (2000/2006)

×

×

(Italië)

 

 

 

ERDF: beheers- en controlesystemen in de lidstaten (2000/2006)

×

(Grieken-land en Spanje)

×

(Grieken-land)

 

 

 

Urban en Interreg: beheers- en controlesystemen in de lidstaten (2000/2006)

×

 

 

 

 

Cohesiefondsen: beheers- en controlesystemen in de lidstaten (2000/2006)

×

(Grieken-land, Spanje en Portugal)

×

(Grieken-land)

 

 

 

Intern beleid, inclusief onderzoek

Voorafgaande controle in het kader van indirect gecentraliseerd beheer (artikel 35 van de uitvoeringsvoorschriften van het Financieel Reglement)

×

 

 

B

B

=

Risico's door systematische overschrijding van de betalingstermijn op het gebied van onderzoek

×

 

 

B

B

+

B

B

+

Controles ter plaatse

×

×

Voorafgaande controle in het kader van indirect gecentraliseerd beheer (artikel 35 van de uitvoeringsvoorschriften van het Financieel Reglement) (zie par. 6.39)

 

×

Foutenpercentage (subsidiabiliteit) in de kostendeclaraties voor onderzoekscontracten

×

×

Foutenfrequentie voor de volksgezondheidssector (zie par. 6.39)

 

×

Gebreken in het managementsysteem van het Europees Vluchtelingenfonds in het Verenigd Koninkrijk en Luxemburg

 

×

 

 

 

Externe maatregelen

Partnerschap met een niet-gouvernementele organisatie

×

 

 

B

A

+

Toezicht- en controlesystemen inzake de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen bij de uitvoerende organisaties dienen verder te worden verbeterd om volledig operationeel te worden (zie par. 7.40)

×

×

 

C

B

+

C

C

+

Niet-naleving van procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten door een humanitaire organisatie

 

×

 

 

 

Pretoetredings-steun

Ispa: beheers- en controlesystemen

×

×

(Roemenië)

 

C

B

+

Risico dat kandidaat-landen niet kunnen voldoen aan hun verplichtingen inzake cofinanciering

×

 

 

C

B

+

C

B

+

Phare: Inherente risico' s van gedecentraliseerde systemen, leemten in de audit van systemen en verrichtingen

×

×

(Roemenië en Bulgarije)

 

 

 

Administratieve uitgaven

Toepassing van de interne-controlenormen bij de delegaties van de Gemeenschap

×

×

 

A

A

=

/

 

 

 

B

A

+

B

A

+

 

De Commissie is van mening dat er geen aanvullende punten van voorbehoud dienden te worden gemaakt, zoals bepaald in de kolom „Other weaknesses revealed by the Court's audit” van tabel 1.2. Elk geval heeft betrekking op kwesties waarvan de verantwoordelijke dienst op de hoogte was en waarvoor passende maatregelen waren genomen om de EG-begroting te beschermen of die geen belangrijk financieel risico vormden (zie antwoorden op de paragrafen 4.58, 5.45, 6.39 en 7.40).

Wat de vaststellingen van de Rekenkamer in de kolom „Relevance to the Court’s conclusions” van tabel 1.2. betreft, is de Commissie van oordeel dat via haar werkzaamheden ter verbetering van de inhoud van de verklaringen en haar toezicht op de naleving van de normen waarop de verklaringen zijn gebaseerd, de jaarlijkse verklaringen een efficiënt beleidsinstrument geworden zijn en een betrouwbare indicator van haar prestaties en haar strategie op het gebied van het aanpakken van de geconstateerde risico’s, opdat de Rekenkamer deze kan gebruiken als grondslag voor haar betrouwbaarheidsverklaring. De Commissie zal er echter naar blijven streven steeds uitgebreidere informatie te verstrekken opdat de Rekenkamer er nuttiger gebruik van kan maken ter ondersteuning van haar betrouwbaarheidsverklaring.

De Commissie zou prijs stellen op richtsnoeren met betrekking tot verdere informatie die de Rekenkamer nodig heeft om haar beoordeling van de verklaring van de drie begrotingsterreinen landbouw, structurele acties en extern beleid voor 2004 te verbeteren.

1.50.

De Rekenkamer heeft, met name na de indiening van het witboek over de hervorming van de Commissie in april 2000 (42), in haar jaarverslagen erkend dat er voortgang is geboekt bij de verbetering van de opzet, de tenuitvoerlegging en de werking van de toezicht- en controlesystemen, en wel op het niveau van de Commissie (zie de paragrafen 1.71 t/m 1.83). Deze ontwikkeling is gepaard gegaan met een verandering in de bestuurscultuur ten aanzien van de uitvoering van de communautaire begroting. Hoewel begrotingsuitvoering aanvankelijk de eerste prioriteit kreeg, hebben controle- en auditaspecten aan belang gewonnen. Verder is er meer aandacht besteed aan governance-kwesties (zie de paragrafen 1.55 t/m 1.70). De controle van de Rekenkamer wijst echter uit dat er meer inspanningen nodig zijn, zowel grote als kleine, om te waarborgen dat de toezicht- en controlesystemen doeltreffend functioneren, met name op het niveau van de lidstaten (zie de paragrafen 3.54, 3.55, 4.55 t/m 4.62, 5.47 t/m 5.50, 6.42 t/m 6.45, 7.39, 7.40, 8.37 en 9.26 t/m 9.28).

1.50.

De Commissie neemt akte van de positieve beoordeling door de Rekenkamer van de geboekte vooruitgang sinds het begin van de hervorming van de controlesystemen en van de beleidscultuur.

Zij erkent dat op het gebied van de interne controle steeds verbeteringen mogelijk zullen zijn. Deze verdere inspanningen worden, zoals de antwoorden van de Commissie op de opmerkingen van de Rekenkamer in de relevante hoofdstukken van het verslag aantonen, in het bijzonder gedaan via maatregelen om te waarborgen dat de essentiële controles door de lidstaten naar behoren worden uitgevoerd.

Bovendien toont de Commissie nu haar engagement door verder te gaan met het instellen van een geïntegreerde interne controle in overeenstemming met de in Advies nr. 2/2004 van de Rekenkamer vermelde beginselen over de „single audit”.

Ontwikkeling van indicatoren noodzakelijk voor voortgangsbeoordeling

1.51.

Zorgvuldig toezicht is geboden om te beoordelen of versterkte toezicht- en controlesystemen een behoorlijk risicobeheer verzekeren. Het belang hiervan is duidelijk indien men alle relevante ontwikkelingen in de controleomgeving in aanmerking neemt (namelijk de uitbreiding, beleidshervormingen, veranderingen in de bestuursstructuren).

 

1.52.

Het management is verantwoordelijk voor de ontwikkeling van de nodige indicatoren (43). De Commissie dient er dan ook voor te zorgen dat toezicht- en controlesystemen tijdige, nauwkeurige en adequate informatie verschaffen over de tenuitvoerlegging en feitelijke werking van de essentiële controles en over de frequentie, aard en impact van de fouten op het niveau van onderliggende verrichtingen die niet zijn voorkomen, ontdekt en/of gecorrigeerd. Dit zou de Rekenkamer in staat stellen, de nauwkeurigheid van de door de Commissie en de lidstaten ingediende informatie te beoordelen en te becommentariëren, alsook na te gaan in hoeverre er voortgang is geboekt (44).

1.52.

De ontwikkeling van statische indicatoren zou niet noodzakelijk aangepast zijn aan de wijzigende beleids- en controleomstandigheden van de Commissie. Om het stappenplan voor een geïntegreerd internecontrolekader (COM(2005) 252/4 van 15 juni 2005) uit te voeren, werd een verslag opgesteld over de beoordeling van de verschillen tussen het internecontrolekader binnen de diensten van de Commissie en de controlebeginselen die zijn uiteengezet in Advies nr. 2/2004 van de Rekenkamer over een communautair internecontrolekader. Daarin wordt vastgesteld dat algemene foutenpercentages voor het beleid niet altijd zinvol zijn, gelet op de heterogeniteit en het meerjarenkarakter van de programma’s waaruit het bestaat. Het lijkt beter dat elk directoraat-generaal zijn eigen controlestrategie (met name voor controles achteraf), zijn eigen gerichte indicatoren en de gewenste ontwikkeling daarvan beschrijft. De Commissie erkent dat dit proces, dat reeds in 2003 werd aangevat, in haar diensten meer zou kunnen worden geformaliseerd.

De doeltreffendheid van de interne controle hangt grotendeels af van kwalitatieve evaluaties door middel van instrumenten die niet altijd tot gewone indicatoren kunnen worden herleid.

1.53.

De controles van de Rekenkamer tonen aan dat de Commissie indicatoren nog steeds onvoldoende uitwerkt en benut (45) om de kwaliteit van de internecontrolesystemen en de wettigheid en regelmatigheid van onderliggende verrichtingen permanent te kunnen bewaken (zie paragraaf 1.61) (46).

1.53.

De Commissie beschikt reeds over toezichtindicatoren die gelijken op die welke de Rekenkamer gebruikt (zie voetnoot 44): toezicht op uitvoering van de minimumeisen in verband met internecontrolenormen in het overzichtverslag over de interne controle, toezicht op de maatregelen van de hervorming en van het voorbehoud van de directeuren-generaal in de verslagen over de voortgang van de hervorming en de samenvatting van de jaarlijkse activiteitenverslagen en toezicht op de opmerkingen van de betrouwbaarheidsverklaring in het kader van de follow-up van de kwijting in het bijzonder. Zij erkent dat het mogelijk zou zijn om nog dergelijke indicatoren te ontwikkelen, wat zij met name voorstelt in het kader van haar aanpak voor een risicomanagement.

In de synthese heeft de Commissie zich er ook toe verbonden de bestaande indicatoren te onderzoeken, met name in het kader van een „peer review” per „familie van directoraten-generaal”, om te onderzoeken of van deze indicatoren meer bruikbare beleidsinstrumenten kunnen worden gemaakt.

Internecontrolesysteem van de Commissie

Reikwijdte van de controle

1.54.

De Rekenkamer heeft het internecontrolesysteem van de Commissie op de diverse beheersterreinen beoordeeld (zie artikel 53 van het Financieel Reglement) met het oog op de zekerheden die het biedt ten aanzien van de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen. Enerzijds onderzocht de Rekenkamer in hoeverre de in de jaarlijkse activiteitenverslagen en verklaringen van de directeuren-generaal en in de synthese van de Commissie vervatte „management representations” door de controlebevindingen van de Rekenkamer worden bevestigd en waar nodig voor DAS-doeleinden in aanmerking zouden kunnen worden genomen. Anderzijds onderzocht de Rekenkamer de voortgang die was geboekt bij de tenuitvoerlegging van de essentiële elementen van de interne controle van de Commissie (internecontrolenormen en actieplannen in bijlage bij de jaarlijkse activiteitenverslagen 2003 en de synthese daarvan) en beoordeelde zij de doeltreffendheid van de ingevoerde procedures en de ontwikkelde instrumenten.

 

De „management representations” van de Commissie

Syntheseverslag 2004

1.55.

In haar synthese van de jaarlijkse activiteitenverslagen (47) heeft de Commissie opnieuw gestreefd naar meer doorzichtigheid inzake haar verplichting tot verslaglegging over haar beheer, en heeft zij passende maatregelen vastgesteld met betrekking tot transversale (horizontale) aspecten (48).

 

1.56.

De in het syntheseverslag opgenomen beoordeling van het internecontrolesysteem van de Commissie stemt in grote lijnen overeen met de analyse van de Rekenkamer. In bepaalde gevallen wijzen de controlebevindingen van de Rekenkamer evenwel uit dat verdere maatregelen geboden zijn om de over het algemeen bevredigende situatie te bereiken die in het syntheseverslag 2004 is geschetst (modernisering van het boekhoudsysteem, zie de paragrafen 1.21 t/m 1.45; voortgangsindicatoren, zie de paragrafen 1.51 t/m 1.53; jaarlijkse activiteitenverslagen en verklaringen van de directeur-generaal, zie de paragrafen 1.59 t/m 1.70; actieplannen, zie de paragrafen 1.72 t/m 1.74).

1.56.

In de synthese over 2004 neemt de Commissie nota van het feit dat alle gedelegeerde ordonnateurs de vereiste redelijke zekerheid hebben kunnen verschaffen.

In een voortdurend verbeteringsproces heeft de Commissie zich een aantal doelen gesteld, die betrekking hebben op algemene vraagstukken die belangrijk zijn voor de kwaliteit van het beleidswerk. Door met name een geïntegreerd controlekader, de bevestiging van de integriteit, de samenhang en de betrouwbaarheid van de rekeningen, het versterken van de procedure voor de indiening van de jaarlijkse activiteitenverslagen en een gemeenschappelijke methode inzake risicomanagement, heeft de Commissie zich ertoe verbonden om de verbeteringen aan te brengen die de hervorming toestaat.

1.57.

Het Parlement gaf de Commissie in zijn resolutie bij de kwijting voor 2003 in overweging, de synthese om te vormen tot een geconsolideerde betrouwbaarheidsverklaring over het financieel beheer en de financiële controles als geheel. De Commissie legde hierop uit dat de synthese een stuk is waarmee beleidsverantwoordelijkheden worden uitgeoefend door analyse van de jaarlijkse activiteitenverslagen. In het kader van de aanpak waarbij beheersbevoegdheden worden gedecentraliseerd, biedt de Commissie verder geen enkele zekerheid, aangezien zij van oordeel is dat de verklaringen van de directeuren-generaal deze verschaffen. De Rekenkamer beveelt de Commissie aan, overeenkomstig artikel 274 van het Verdrag, als instelling de verantwoordelijkheid voor de begrotingsuitvoering te dragen en de standpunten van de gedelegeerde ordonnateurs over te nemen (zie de paragrafen 1.58 t/m 1.60 van het jaarverslag van de Rekenkamer over het begrotingsjaar 2003).

1.57.

Naar het voorbeeld van vorige begrotingsjaren heeft de Commissie, door de samenvatting van de jaarlijkse activiteitenverslagen over 2004 op te stellen, de balans opgemaakt van het beleid van haar diensten en de grote horizontale kwesties behandeld die zij in hun jaarlijkse activiteitenverslagen hebben vermeld.

Het eisen van een geconsolideerde betrouwbaarheidsverklaring op het niveau van het College zou in strijd zijn met de sinds 2000 begonnen hervorming van het financiële beleid, die erop gericht is de gedelegeerde ordonnateurs meer verantwoordelijkheid te geven. Door het syntheseverslag neemt de Commissie niettemin haar politieke verantwoordelijkheid door de jaarlijkse activiteitenverslagen te analyseren en door zich uit te spreken over de grote horizontale kwesties, inclusief de acties die betrekking hebben op de problemen die op het niveau van de Commissie moeten worden opgelost.

1.58.

Het syntheseverslag biedt een referentiekader waarmee de Commissie er onder meer naar streeft, op middellange termijn van de Rekenkamer een betrouwbaarheidsverklaring te verkrijgen met slechts minieme punten van voorbehoud. De Rekenkamer merkt op dat deze strategie van de Commissie een kwalitatieve verandering inhoudt, aangezien verdere verbeteringen niet worden nagestreefd door een nieuwe hervorming te starten, maar door de capaciteit van de bestaande systemen volledig te ontwikkelen, en zich daarbij te concentreren op de volgende terreinen:

a)

bevordering van verantwoording door middel van door de directeuren-generaal gegeven verzekeringen en door de gedelegeerd ordonnateur ondertekende rekeningen volgens het baten-lastenstelsel;

b)

stimulering van doeltreffende managementprestaties door doeltreffende toezicht- en controlesystemen en een solide dagelijks beheer, waarin risicobeheer is geïntegreerd;

c)

vergroting van verantwoordelijkheid en toezichtscapaciteit door een geïntegreerd internecontrolekader (zie de paragrafen 1.84 t/m 1.86).

 

Jaarlijkse activiteitenverslagen en verklaringen van de directeuren-generaal over het begrotingsjaar 2004

Verbeterde richtlijnen

1.59.

Op basis van de in voorgaande jaren verworven ervaring stelden de centrale diensten van de Commissie (secretariaat-generaal, directoraat-generaal Begroting en directoraat-generaal Personeelszaken en algemeen beheer) algemene richtlijnen op voor de jaarlijkse activiteitenverslagen en verklaringen, die enerzijds werden gebruikt als circulaire over het begrotingsjaar 2004 (49), en anderzijds als referentie voor latere begrotingsjaren kunnen dienen.

 

1.60.

De Rekenkamer stelde vast dat de kwaliteit van de richtlijnen ten opzichte van 2003 is verbeterd, met name wat betreft de volgende aspecten die verband houden met wettigheid en regelmatigheid:

a)

opname van het toezicht op in het kader van risicobeheer en internecontrolebeoordeling ingestelde maatregelen;

b)

toelichting, voor beleidslijnen inzake gedeeld beheer, omtrent de verbindingen tussen de systemen waarvoor de verantwoordelijkheid bij de Commissie, respectievelijk de lidstaten berust;

c)

het aangeven voor alle beheersmodellen (uitgezonderd dat van centraal beheer), of de tekortkomingen, waarbij een voorbehoud is gemaakt, de Commissie en/of een derde zijn aan te rekenen;

d)

conclusies over het gecombineerde effect dat punten van voorbehoud hebben op verklaringen.

1.60.

De Commissie is van mening dat de bepalingen van de circulaire die betrekking hebben op deel 3 van de jaarverslagen („Management and internal control systems”), ook een aanzienlijke verbetering aanbrengen door de analyse van de diensten terug te brengen tot de aan hun beleidsomstandigheden inherente risico’s en de doeltreffendheid van het internecontrolesysteem, in plaats van een beoordeling van haar conformiteit met de minimumeisen van de internecontrolestandaarden. Het formuleren van punten van voorbehoud bij de betrouwbaarheidsverklaringen door de directeuren-generaal is derhalve het logische gevolg van de redenering over de sterke en zwakke punten van het internecontrolesysteem, waardoor de samenhang tussen het jaarverslag, de verklaring en de punten van voorbehoud wordt gewaarborgd, zoals de Rekenkamer in haar jaarverslag over 2003 had gevraagd.

1.61.

Ondanks de vastgestelde vooruitgang zijn er nog zaken voor verbetering vatbaar, met name de vermelding van indicatoren die rechtstreeks betrekking hebben op wettigheid en regelmatigheid (zie de paragrafen 1.51 t/m 1.53).

1.61.

Hoewel de jaarlijkse activiteitenverslagen niet louter bedoeld zijn om toezicht te houden op de implementatie van de controlesystemen en om na te gaan in hoeverre deze systemen de wettigheid en regelmatigheid van de verrichtingen waarborgen, is de Commissie bereid om in de volgende jaarlijkse activiteitenverslagen de toezichtcontroles en het risicomanagement te blijven versterken.

Zie ook de antwoorden op de paragrafen 1.52 en 1.53.

1.62.

Wat betreft het materieel belang van tekortkomingen op het gebied van systemen en de impact daarvan op de redelijke zekerheid van de directeuren-generaal, wordt in de circulaire 2004 verwezen naar de reeds in januari 2003 vastgestelde basisbeginselen (50). Moeilijkheden bij de toepassing van de voorgestelde criteria zijn aan de orde gesteld bij de onderlinge beoordeling, die was gericht op de analyse van eventuele punten van voorbehoud van de directeuren-generaal en vooral betrekking had op:

a)

de reikwijdte van de punten van voorbehoud, materieel belang en consistentie (51);

b)

het effect van de punten van voorbehoud op de redelijke zekerheid;

c)

de overdracht van de punten van voorbehoud en overwogen maatregelen.

1.63.

De Rekenkamer stelt vast dat er enige vooruitgang is geboekt, met name wat betreft de duidelijkheid van de punten van voorbehoud en het verband met tekortkomingen van materieel belang. In verband met de aard van de betrokken verrichtingen en het aanvaardbare risico voor het betreffende terrein zijn er echter nog geen algemene materialiteitsdrempels per begrotingsterrein bepaald (52). Voorts dienen de richtlijnen voor de vaststelling van een significant systeemgebrek en de mogelijke financiële impact daarvan nader te worden toegelicht, teneinde een coherente en consistente interpretatie door de directeuren-generaal te waarborgen.

1.62 en 1.63.

Als gevolg van de „peer review” van de punten van voorbehoud die konden worden gemaakt, is de Commissie begonnen met het onderzoeken van de mogelijkheid om enige mate van flexibiliteit toe te staan bij de vaststelling van de materialiteitsdrempels voor de verschillende beleidsterreinen. Zoals aangeduid in het verslag over de beoordeling van de verschillen tussen het internecontrolesysteem binnen de diensten van de Commissie en de controlebeginselen die zijn uiteengezet in Advies nr. 2/2004 van de Rekenkamer, is het normaal dat het vastgestelde foutengehalte schommelt al naar gelang van de eigenschappen van de programma’s en al naar gelang van het tijdstip. Dit werk vormt het voorwerp van een van de acties die door de synthese (actie 8) zijn opgestart.

Voor de jaarlijkse activiteitenverslagen over 2005 zal de Commissie de mogelijkheid onderzoeken om een gemeenschappelijke methode uit te werken die het mogelijk maakt de materialiteitsdrempel van de zwakheden te bepalen (vergelijk de synthese over 2004), ook op systematische manier, om met meer samenhang de gevolgen ervan te beoordelen voor de redelijke zekerheid voor de „familie” van het gedeelde beheer, het onderzoek en het interne beleid.

Verklaringen van de directeuren-generaal

1.64.

In hun verklaringen bij de jaarlijkse activiteitenverslagen bevestigen de directeuren-generaal dat de in hun diensten uitgevoerde interne controles hun redelijke zekerheid verschaffen over de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen. In geval van significante tekortkomingen in de interne controle of onregelmatigheden maken zij een voorbehoud. In de richtsnoeren voor de jaarlijkse activiteitenverslagen en het charter voor gedelegeerde ordonnateurs wordt erop gewezen dat de punten van voorbehoud de verklaring niet zinledig mogen maken en dat het in extreme gevallen (53) kan voorkomen dat de directeur-generaal niet in staat is om de vereiste zekerheid te verschaffen. Om tekortkomingen te verhelpen dienen er actieplannen te worden geformuleerd waarin uiterste termijnen aan de tenuitvoerlegging worden gesteld.

 

1.65.

Het door de Rekenkamer verrichte onderzoek van de verklaringen van de directeuren-generaal bevestigt de uiteenlopende toepassing van de materialiteitscriteria en de moeilijkheden waarvoor zij de diensten van de Commissie stellen bij de formulering van de punten van voorbehoud, met name wat betreft systeemgebreken (zie paragraaf 1.63). Bepaalde directoraten-generaal lichtten bijvoorbeeld de gekozen criteria onvoldoende toe en/of kwantificeerden de financiële impact niet voldoende (54).

1.65.

De Commissie merkt op dat de Rekenkamer in paragraaf 1.63. zelf erkent dat er over het algemeen vooruitgang is geboekt inzake het formuleren van punten van voorbehoud bij de betrouwbaarheidsverklaring van de directeuren-generaal, een moeilijk onderwerp en nog maar een recente praktijk in de Commissie.

Zoals aangeduid onder doelstelling 6 van de samenvatting van de jaarlijkse activiteitenverslagen over 2004, wordt er verder gewerkt aan een gemeenschappelijke methode om de materialiteit van de zwakheden te bepalen, met inbegrip van die met een systematisch karakter, die een invloed hebben op de betrouwbaarheidsverklaring van de directeuren-generaal, per „familie” van directoraten-generaal.

Een bepaalde heterogeniteit in de beoordeling van de materialiteit is echter onvermijdbaar, rekening houdend met de specificiteiten en met de bijzondere context van elk activiteitendomein en de decentralisatie van de verantwoordelijkheden en van de daarop betrekking hebbende „reporting” in het kader van de hervorming van de Commissie.

De verklaringen dienen samen gelezen te worden met het jaarlijkse activiteitenverslag waarbij zij zijn gevoegd. Deze verslagen geven aanvullende uitleg.

1.66.

Alle directeuren-generaal verklaarden redelijke zekerheid te hebben dat de hun toegewezen middelen voor de beoogde doelen waren ingezet en dat de interne controle die zij hadden opgezet de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen waarborgde. In 18 van de 40 verklaringen wordt echter een voorbehoud gemaakt.

1.66.

Het bepalen van de invloed van de punten van voorbehoud op de betrouwbaarheid verbetert naarmate de praktijk zich versterkt. De directeuren-generaal en diensthoofden hebben in het algemeen, door een expliciete redenering, gewezen op de impact van de punten van voorbehoud op de redelijke zekerheid betreffende het aanwenden van de middelen en de wettigheid en de regelmatigheid van de verrichtingen. Zij zijn allen tot de conclusie gekomen dat ze hun zekerheid kunnen verschaffen.

1.67.

De voornaamste punten van voorbehoud zijn vermeld in tabel 1.2 . Van de 32 punten van voorbehoud die in 2004 werden gemaakt, betroffen de meeste (26) reeds in 2003 gesignaleerde tekortkomingen. Hieruit blijkt dat de meeste ontdekte tekortkomingen pas op middellange termijn kunnen worden verholpen (zie paragraaf 1.67 van het Jaarverslag over het begrotingsjaar 2003). De afname van het aantal punten van voorbehoud van 49 in 2003 tot 32 (55) in 2004 is hoofdzakelijk het gevolg van het feit dat de directeuren-generaal hun verklaringen thans beter opstellen door zich te concentreren op gebreken die belangrijke risico's vormen voor de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen.

1.67.

Via haar werkzaamheden ter verbetering van de inhoud van de verklaringen en haar toezicht op de naleving van de normen waarop de verklaringen zijn gebaseerd, streeft de Commissie ernaar om van de jaarlijkse verklaringen een doeltreffend beleidsinstrument en een betrouwbare indicator te maken van haar prestaties en haar strategie op het gebied van het aanpakken van de geconstateerde risico’s, opdat de Rekenkamer deze kan gebruiken als grondslag voor haar betrouwbaarheidsverklaring.

Wat het effect en de reikwijdte van de punten van voorbehoud betreft (zie tabel 1.2 en paragraaf 1.49), neemt de Commissie nota van de opmerkingen van de Rekenkamer en zal zij ernaar blijven streven steeds uitgebreidere informatie te verstrekken opdat de Rekenkamer er nuttiger gebruik van kan maken ter ondersteuning van haar betrouwbaarheidsverklaring.

1.68.

Door de verbeterde situatie (zie de paragrafen 1.60 en 1.63) wordt het gecombineerde effect van de punten van voorbehoud op de in de verklaringen verschafte zekerheid in het algemeen duidelijker aangegeven dan in het begrotingsjaar 2003. De omvang van het door sommige directoraten-generaal gemaakte voorbehoud is echter niet altijd verenigbaar met, of onvoldoende onderbouwd met het oog op de verschafte zekerheid (zie tabel 1.2 en de paragrafen 4.27 t/m 4.32, 4.62 en 5.42).

1.68.

De Commissie neemt nota van het feit dat alle gedelegeerde ordonnateurs de redelijke zekerheid hebben kunnen verschaffen.

1.69.

Uit de werkzaamheden van de Rekenkamer blijkt dat de toezicht- en controlesystemen in meerdere rubrieken van de financiële vooruitzichten nog steeds niet van het vereiste niveau zijn en dat extra inspanningen nodig zijn om ze te verbeteren. Zo heeft de Rekenkamer tijdens haar controles bepaalde tekortkomingen opgemerkt die hadden moeten worden vermeld in de verklaringen van de directeuren-generaal (zie tabel 1.2 en de paragrafen 4.58, 5.46, 6.39 en 7.37).

1.69.

Zie de antwoorden op de paragrafen 1.49, 4.58, 5.45, 6.39 en 7.37.

De zekerheid van de directeuren-generaal in een bepaald jaar is niet alleen gebaseerd op de controlewerkzaamheden in het betrokken jaar, maar ook op de zekerheid die in voorgaande jaren is opgebouwd met de controlewerkzaamheden onder de controlestrategie van het directoraat-generaal, alsook de zekerheid die wordt verleend door de controle van lidstaten.

1.70.

Door de aangescherpte richtsnoeren en de onderlinge beoordeling vertonen de jaarlijkse activiteitenverslagen en de verklaringen van de directeuren-generaal verbetering. De Rekenkamer is echter van oordeel dat zij hieraan nog steeds maar beperkte zekerheid kan ontlenen vanwege problemen rond de consequente toepassing van bepaalde methodologische beginselen.

1.70.

De Commissie is van mening dat de jaarlijkse activiteitenverslagen en verklaringen nu reeds – en in de toekomst nog meer – een betrouwbare bron van zekerheid en een doeltreffend beleidsinstrument zijn, die het met name mogelijk maken de vastgestelde zwakheden aan te tonen en daarvoor een efficiënte remedie aan te reiken. Zij is van oordeel dat in 2004 belangrijke verbeteringen zijn aangebracht aan deze verslagen en aan de verklaringen die daarbij horen. Zie ook het antwoord op paragraaf 1.49.

Zoals aangegeven in de synthese, blijft de Commissie ook de samenhang versterken in de toepassing door haar diensten van de richtsnoeren die zij uitvaardigt. Het stappenplan voor een geïntegreerd internecontrolekader (COM(2005) 252/4 van 15 juni 2005) en de daarmee verbonden verbintenis die door alle betrokken geldschieters is aangegaan, zullen er ook toe bijdragen dat aan de Rekenkamer een versterkt steunpunt wordt geven om haar beoordeling uit te werken.

Vooruitgang geboekt bij de versterking van het internecontrolesysteem

Overzicht van de stand van zaken van de interne controle

1.71.

Het jaar 2004 was het tweede waarvoor het directoraat-generaal Begroting een verslag uitbracht met een overzicht van de stand van zaken van de interne controle binnen de directoraten-generaal en diensten van de Commissie (56). Dit verslag inventariseert de grote voortgang die sinds de verschijning van het witboek in maart 2000 bij de uitvoering van de interne controle is geboekt. Ook wordt erin erkend dat er meer inspanningen moeten worden geleverd ter ondersteuning van de overgang van een op naleving gerichte naar een op doeltreffendheid gerichte aanpak. Op de in dit verband vastgestelde terreinen wordt het toezicht op de doeltreffendheid van de interne controle van de directoraten-generaal verscherpt door betere toezichtsprocedures voor financieel beheer, beter risicobeheer, beoordeling en vereenvoudiging van contracten en subsidies waarmee geringe bedragen zijn gemoeid, en het opzetten van een geïntegreerd internecontrolekader. De Rekenkamer is van oordeel dat dit overzicht van het internecontrolesysteem van de Commissie een evenwichtig beeld geeft van de geboekte vooruitgang en de voor verbetering vatbare terreinen.

 

Actieplannen

Algemene situatie met betrekking tot de uitvoering

1.72.

De Rekenkamer heeft de voortgang onderzocht van de uitvoering van de maatregelen bedoeld in het (als bijlage bij de Synthese 2003 gevoegde) geconsolideerde actieplan, die rechtstreeks betrekking hebben op de wettigheid en regelmatigheid (57), en ook van de horizontale acties uit tabel 1.3 van het Jaarverslag 2003, die niet in de synthese worden vermeld (58).

 

1.73.

Het toezicht op de tenuitvoerlegging van de horizontale actieplannen (alsmede van de specifieke actieplannen en van de controleaanbevelingen) is voldoende geïntegreerd in de controleomgeving van de Commissie, met name door het activiteitsgestuurd management van de directoraten-generaal (jaarlijkse managementplannen en activiteitenverslagen).

 

1.74.

Tabel 1.3 geeft een overzicht van de mate waarin de 19 door de Rekenkamer onderzochte acties ten uitvoer zijn gelegd. Aan het eind van het begrotingsjaar zijn voor zes — in beginsel afgeronde — acties verdere inspanningen nodig om het gestelde doel te bereiken of bepaalde verbeteringen aan te brengen (59). Eind 2004 was de tenuitvoerlegging van vijf acties nog gaande (60).

1.74.

De Commissie is van oordeel dat de meeste van de door de Rekenkamer vermelde acties sindsdien zijn beëindigd. De follow-up van de acties die nog niet zijn voltooid, werd geïntegreerd in een reeks meerjarendoelstellingen die zijn vastgesteld in de synthese voor 2004 en die betrekking hebben op voor de kwaliteit van het beleidswerk belangrijke algemene kwesties.

Versterking van de interneauditfunctie

1.75.

Volgens actie 87 van het witboek moest de dienst Interne audit (DIA) de verbeteringen van het internecontrolesysteem van de Commissie evalueren en de beheers- en controlesystemen in alle directoraten-generaal onderwerpen aan een complete reeks controles. Aan deze actie is voornamelijk gedurende een periode van twee jaar gewerkt. De in de verschillende verslagen (61) gepresenteerde controleresultaten (sterke punten en prestaties; terreinen die verbetering behoeven) zijn evenwichtig en bevestigen in grote lijnen de controlebevindingen van de Rekenkamer.

 

1.76.

Ter versteviging van de betrekkingen tussen de DIA's en de interneauditfuncties (IAF's), die in februari 2004 in alle directoraten-generaal zijn opgezet (62), heeft de Commissie de IAF's verplicht, hun eindverslagen stelselmatig toe te zenden aan de DIA, en deze dienst verzocht, de belangrijkste bevindingen tweemaal per jaar te rapporteren. Voorts zijn er inspanningen geleverd om de werkprogramma's op elkaar af te stemmen en de auditmethodologieën en rapportagestructuren te harmoniseren. De eerste gezamenlijke controles vonden plaats in 2004. De Rekenkamer meent dat deze maatregelen zullen bijdragen tot de versterking van de interneauditfunctie bij de Commissie.

 

Tabel 1.3 — Analyse door de Rekenkamer van de voornaamste niet-afgesloten acties per 31 december 2004

Terrein

Actie

Aard van de maatregel

Bron van het actieplan

Diagnose/Nog te treffen maatregelen

EXTERNE MAATREGELEN

„Interne controles in de delegaties”

Interne controles

Synthese 2002 (5.4.1)

Actie afgerond/wordt uitgevoerd — verbeteringen mogelijk

Meer inspanningen nodig in de komende jaren ter verbetering van de naleving en de doeltreffendheid van internecontrolesystemen bij delegaties (zie paragraaf 7.41 c)).

„Evaluatie van het deconcentratieproces”

Transversale politieke aangelegenheden

Synthese 2001 (2)

Lopende actie

Follow-up vereist in de komende jaren (zie de paragrafen 7.48 t/m 7.51).

GEDEELD BEHEER (STRUCTURELE ACTIES)

„Gedeeld management”

Financieel beheer

Synthese 2002 (5.3.3A)

Actie afgerond/wordt uitgevoerd — verbeteringen mogelijk

Follow-up vereist in 2005 ter verduidelijking van de verantwoordelijkheden van de lidstaten en de Commissie op de verschillende beheersterreinen (zie paragraaf 5.7).

„Audit in gedeeld management”

Audit

Synthese 2002 (5.3.3B)

Actie afgerond/wordt uitgevoerd — verbeteringen mogelijk

Versterking van de methodologie en ontwikkeling van het begrip „single audit” voorzien voor 2005 en 2006 (zie paragraaf 5.54).

INTERN BELEID (ONDERZOEK)

„Medefinanciering”

Financieel beheer

Synthese 2002 (5.3.4)

Actie afgerond/wordt uitgevoerd — verbeteringen mogelijk

Voor bepaalde uitgavencategorieën dient de mogelijkheid van forfaitaire betaling te worden vastgelegd in het Financieel Reglement (zie paragraaf 6.47).

HORIZONTALE ASPECTEN VAN INTERNE CONTROLE

„Methodologie jaarlijkse activiteitenverslagen”

Methodologie jaarlijkse activiteitenverslagen

Synthese 2002 (4.4)

Actie afgerond/wordt uitgevoerd — verbeteringen mogelijk

Meer inspanningen nodig voor de volgende zaken: materialiteit (zie paragraaf 1.63), impact van de punten van voorbehoud op de redelijke zekerheid (zie paragraaf 1.68) en indicatoren (zie paragraaf 1.61).

„Managementrisico-evaluatie”

Activiteitsgestuurd management/strategische planning en programmering

Synthese 2002 (3.3.2)

Lopende actie

Meer inspanningen nodig in de komende jaren (zie de paragrafen 1.78 en 1.79).

HORIZONTALE ASPECTEN VAN BOEKHOUD- EN IT-SYSTEMEN

„Interoperabiliteit”

Uitvoering van hervorming

Synthese 2001 (7)

Actie afgerond/wordt uitgevoerd — verbeteringen mogelijk

Meer inspanningen (van het nieuwe directoraat-generaal Informatica) nodig in de komende jaren.

„Terugvordering”

Financieel beheer

Synthese 2002 (5.3.2A)

Lopende actie

Presentatie van specifieke prestatie-indicatoren inzake invordering nog niet verplicht (zie paragraaf 1.61).

„Boekhoudingskader”

Financieel beheer

Synthese 2002 (5.3.7)

Lopende actie

Meer inspanningen nodig (zie de paragrafen 1.21 t/m 1.45).

„Ontwikkeling van een database met juridische entiteiten en contracten”

Hoofdstuk II „Dienstverlening als cultuur” en hoofdstuk V „Audit, financieel management en controle”

Witboek (11 en 74)

Lopende actie

Meer inspanningen nodig (zie de paragrafen 1.21 t/m 1.45).

1.77.

Verder geeft de Rekenkamer de Commissie in overweging, te bezien of voor synergie tussen de IAF's en de DIA's kan worden gezorgd door de invoering van een logische geschakelde structuur (63) in de interne audit van de Commissie, zodat de IAS rekening kan houden met het door de DIA's verrichte werk.

1.77.

De Commissie deelt de bezorgdheid van de Rekenkamer voor het volledig benutten van mogelijke synergieën tussen de verschillende actoren op het vlak van interne controle in de Commissie.

De Commissie neemt reeds maatregelen op dit gebied: een duidelijke informatie- en verslagstructuur en een gemeenschappelijk verslagleggingskader, ingesteld in de lente van 2005, waaronder in het bijzonder de waardering van opmerkingen en aanbevelingen over controle, zijn belangrijke stappen voor het versterken van de efficiëntie van de internecontrolefunctie voor de hele Commissie. De werkprogramma’s van de dienst Interne audit (DIA) en de Interne auditfuncties (IAF’s) worden gecoördineerd om overlappingen te vermijden en deze coördinatie van controleplanning zal worden versterkt voor de volgende programmaperiode. Er hebben gezamenlijke controles door de DIA en de IAF’s plaatsgevonden.

De DIA heeft een kwaliteitsonderzoek van de IAF’s geopend, waarbij gestart werd met een zelfbeoordeling in 2005 en dat heeft geleid tot een beoordeling door de DIA in 2006. Dit heeft niet alleen tot doel, de beschikbaarheid van kwaliteitsvolle internecontrolediensten voor de directoraten-generaal te waarborgen, maar ook om een objectieve basis te creëren voor andere controleurs zodat zij kunnen steunen op controles die op andere niveaus zijn uitgeoefend.

Risicobeoordeling

1.78.

Volgens paragraaf 3.3.2, „managementrisico-evaluaties”, van de Synthese 2002 dient het risicobeheer een operationeel en strategisch instrument te worden voor besluitvorming inzake de toewijzing van financiële en personele middelen binnen de diensten van de Commissie. Hiertoe is de centrale financiële dienst (CFD) van het directoraat-generaal Begroting in 2004 een proefproject in zeven directoraten-generaal begonnen om een voorlopige versie van het risicobeheerskader en de bijbehorende praktische handleiding te toetsen; tezelfdertijd heeft de dienst het planningproces voor activiteiten voorbereid en haar voornaamste doelstellingen voor 2005 vastgesteld.

 

1.79.

Hoewel het resultaat over het algemeen positief is, zijn er meer inspanningen nodig voor de ontwikkeling van methodologische elementen en instrumenten voor risicoanalyse en -beheer met het oog op de vorming van een solide structureel kader dat doeltreffend kan worden toegepast in alle diensten van de Commissie. Een stuurgroep met vertegenwoordigers van de verschillende diensten volgt de ontwikkeling van het gemeenschappelijke kader, dat de Commissie moet goedkeuren in het tweede halfjaar van 2005, zodat het kan worden gebruikt ter voorbereiding van de cyclus van strategische planning en programmering (SPP) 2006. Op deze basis moeten adequate jaarlijkse beheersplannen de directoraten-generaal in staat stellen, onaanvaardbaar geachte risico's die vermeden noch afgewenteld kunnen worden, te beperken.

1.79.

De Commissie is het ermee eens dat verdere inspanningen noodzakelijk zijn en dat de opmerkingen van de Rekenkamer het actieplan van de Commissie helemaal weergeven.

Internecontrolenormen

1.80.

De Rekenkamer heeft de toepassing van de internecontrolenormen (64) onderzocht bij 14 directoraten-generaal van de Commissie (65). Daarmee wilde zij niet alleen de uitvoeringsgraad beoordelen, maar ook hun doeltreffendheid ten aanzien van de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen (zie de paragrafen 1.58 en 1.71).

 

1.81.

De door de CFD aangereikte richtsnoeren inzake de opstelling van de internecontrolenormen (basisvereisten) voor het begrotingsjaar 2004 omvatten geen significante wijzigingen ten opzichte van 2003 (66).

 

1.82.

In hun zelfbeoordelingen, die als bijlage zijn toegevoegd aan het overzicht van de stand van zaken van de interne controle binnen de DG's en diensten van de Commissie in 2004 (zie paragraaf 1.71), verklaren de directoraten-generaal met betrekking tot het begrotingsjaar 2004 dat zij voldoen aan 93 % van de door de CFD vastgestelde basisvereisten. De analyse van de Rekenkamer bevestigt deze voorstelling van zaken in grote lijnen. Aangezien de basisvereisten in essentie niet zijn gewijzigd, stelt de Rekenkamer vast dat de naleving van de internecontrolenormen ten opzichte van 2003 (91 %) licht is toegenomen. Tabel 1.4 bevat de analyse door de Rekenkamer van de tenuitvoerlegging van de internecontrolenormen.

 

Tabel 1.4 — Analyse door de Rekenkamer van de invoering van de interne-controlenormen (die rechtstreeks verband houden met de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen voor de voornaamste directoraten-generaal) (stand per 31 december 2004)

Directoraat-generaal of dienst

Uitvoering van de betalingskredieten in 2004

(miljoen euro)

Norm 11

„Risicoanalyse en-management”

Norm 12

„Adequaatheid van de management-informatie”

Norm 14

„Melding van misstanden”

Norm 17

„Supervisietaken”

Norm 18

„Registreren van uitzonderingen”

Norm 20

„Registreren en corrigeren van zwakke punten van de interne controle”

Norm 21

„Auditverslagen”

Norm 22

„Interne-auditdienst”

2003

2004

2003

2004

2003

2004

2003

2004

2003

2004

2003

2004

2003

2004

2003

2004

Personeelszaken en algemeen beheer

178

A

A

A

A

A

B

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

Landbouw en plattelandsontwikkeling

47 345

A

A

A

A

A

A

B

A

A

A

A

A

A

A

A

A

EuropeAid

3 683

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

Begroting

1 420

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

Economische en financiële zaken

301

B

B

B

B

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

Humanitaire hulp

497

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

Uitbreiding

1 948

A

A

A

A

A

A

A

B

A

A

A

A

A

A

A

A

Werkgelegenheid, sociale zaken en gelijke kansen

9 208

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

Eurostat

30

B

B

B

A

A

A

B

B

B

B

B

B

A

A

A

B

Visserij en maritieme zaken

784

A

B

A

B

A

A

B

B

A

A

A

B

A

A

B

B

Informatiemaatschappij en media

1 148

B

A

B

A

A

A

A

A

A

A

B

A

A

A

A

A

Regionaal beleid

21 816

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

Onderzoek

2 448

A

A

B

B

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

Gezondheid en consumentenbescherming

365

B

A

B

A

A

A

A

A

B

B

A

A

A

A

A

B

Waardering:

A: Basisvereisten ten uitvoer gelegd.

B: Basisvereisten gedeeltelijk ten uitvoer gelegd.

1.83.

Nieuw in de richtsnoeren inzake de jaarlijkse evaluatie van het internecontrolesysteem voor het begrotingsjaar 2004 is de beoordeling door de directoraten-generaal van de doeltreffendheid van de toepassing van de internecontrolenormen. De beoordeling van de jaarlijkse activiteitenverslagen door de Rekenkamer wees echter uit dat de evaluatie zeer algemeen is en dat de terreinen die moeten worden verbeterd er niet systematisch mee kunnen worden vastgesteld (zie paragraaf 1.58). Een aantal directoraten-generaal (67) evalueerde de doeltreffendheid van zijn internecontrolesysteem niet voldoende. Van de diensten die een toereikende zelfbeoordeling uitbrachten, verklaarde het merendeel (68) dat voor een doeltreffende werking van de internecontrolenormen 11 „Risicoanalyse en -management” en/of 17 „Supervisietaken” meer inspanningen zijn vereist.

1.83.

De internecontrolenormen zijn sinds het begin van de hervorming geleidelijk ingevoerd in de directoraten-generaal. In 2004 werd de klemtoon verschoven naar de doeltreffendheid van de toepassing. Op dit gebied hebben reeds belangrijke werkzaamheden plaatsgevonden wat de belangrijkste normen betreft, te weten het toezicht en het risicomanagement.

Het gaat echter om een voortdurend proces en de Commissie erkent dat er op dit punt nog vooruitgang kan worden geboekt, dat een van de belangrijke innovaties van de circulaire over het jaarlijkse activiteitenverslag 2004 is zoals vermeld in het antwoord op paragraaf 1.60.

Naar een communautair internecontrolekader

1.84.

De Rekenkamer heeft in Advies nr. 2/2004 voorgesteld, een communautair internecontrolekader te vormen om enerzijds de reeds bestaande elementen samen te brengen en te versterken, en anderzijds nieuwe aspecten toe te voegen teneinde de doelmatigheid en doeltreffendheid van de controles te vergroten (zowel bij de instellingen als in de lidstaten dienen op alle bestuurslagen gemeenschappelijke beginselen te worden toegepast; interne controles dienen redelijke — geen absolute — zekerheid te verschaffen omtrent de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen; de kosten van controles moeten in verhouding staan tot de baten op financieel en beleidsgebied; systemen moeten worden opgebouwd rond een logische geschakelde structuur waarin de verificaties worden verricht, geregistreerd en gerapporteerd volgens een gemeenschappelijke norm, zodat alle deelnemers erop kunnen vertrouwen).

 

1.85.

De Commissie heeft zichzelf als strategisch doel gesteld, ervoor te zorgen dat de Rekenkamer redelijke zekerheid krijgt omtrent de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen (69). Verder heeft de Commissie een „tappenplan voor een geïntegreerd internecontrolekader” (70) vastgesteld als aanzet tot een proces dat eind 2005 moet leiden tot een gemeenschappelijke overeenstemming, die haar beslag moet krijgen in een interinstitutioneel akkoord met het Parlement en de Raad over de wijze waarop het bestaande internecontrolekader zodanig kan worden verbeterd dat het de Rekenkamer de redelijke zekerheid kan verschaffen die zij wenst.

 

1.86.

De Rekenkamer neemt met instemming kennis van dit initiatief alsmede van de toezegging van de Commissie dat zij overeenkomstig de aanbevelingen in Advies nr. 2/2004 van de Rekenkamer een doeltreffend gemeenschappelijk controlekader zal opzetten. Doeltreffende toezicht- en controlesystemen zijn van het grootste belang, te meer daar een groot deel van de communautaire begroting uitgaven betreft met een intrinsiek hoog risico vanwege de afhankelijkheid van door begunstigden verstrekte informatie en de uitermate gecompliceerde of onduidelijke regelgeving.

1.86.

Er zijn noodzakelijkerwijs heel wat voorwaarden die de wenselijkheid van verrichtingen en uitgaven beheersen, maar de Commissie reikt een leidraad aan en heeft de procedures zoveel mogelijk vereenvoudigd.


(1)  De „geconsolideerde verslagen over de uitvoering van de begroting en geconsolideerde financiële staten” vormen deel I van de jaarrekening van de Europese Gemeenschappen, begrotingsjaar 2004.

(2)  Zie bijlage 1, deel I, van de definitieve rekeningen van de Europese Gemeenschappen, begrotingsjaar 2004.

(3)  Zie de resolutie van het Europees Parlement (EP 353.338, paragraaf 35) en de aanbeveling van de Raad (6850/05 BUDGET 5, blz. 8) over de kwijting 2003.

(4)  De rekeningen omvatten de „geconsolideerde verslagen over de uitvoering van de begroting”, over de ontvangsten en uitgaven van het jaar, en de „geconsolideerde financiële staten”, die de balans met de activa en passiva aan het eind van het jaar omvatten.

(5)  Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1).

(6)  Zie paragraaf 1.18 van het Jaarverslag over het begrotingsjaar 2003 van de Rekenkamer.

(7)  Paragrafen 1.10 en 1.11.

(8)  Paragraaf 1.11.

(9)  Toetredingsverdrag, bijlage II, hoofdstuk 15, lid 1, sub e) (PB L 236 van 23.9.2003).

(10)  Artikel 29 van het Financieel Reglement (PB L 248 van 16.9.2002).

(11)  Verordening (EG) nr. 1259/1999 van de Raad (PB L 160 van 26.6.1999, blz. 113) en Verordening (EG) nr. 963/2001 van de Commissie (PB L 136 van 18.5.2001, blz. 4).

(12)  Zie paragraaf 1.23 en de paragrafen 1.10, sub e), en 1.14 en 1.15 van de Jaarverslagen 2002 en 2003 van de Rekenkamer.

(13)  Met inbegrip van het in paragraaf 1.17 met betrekking tot diverse debiteuren vermelde bedrag.

(14)  Waarvan 19,6 miljoen euro rente.

(15)  De voorziening voor pensioenen is opgenomen onder „Voorzieningen voor risico's en lasten”.

(16)  Mededeling van de Commissie — Modernisering van het boekhoudsysteem van de Europese Gemeenschappen (COM(2002) 755 def. van 17 december 2002).

(17)  Zie ook paragraaf 23 van de resolutie van het Europees Parlement met opmerkingen bij het besluit waarbij de Commissie kwijting wordt verleend voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 2001 (PB L 148 van 16.6.2003).

(18)  Vanaf het begin is ervan uitgegaan dat volledige integratie van alle lokale boekhoudsystemen meer tijd zou vergen dan de hiervoor uitgetrokken periode van twee jaar na goedkeuring door de Commissie.

(19)  Actie 16 (boekhoudingskader) van het actieplan (COM(2002) 426 def. van 24 juli 2002).

(20)  Actie 17 (kern van de financiële informatiesystemen) van het actieplan (COM(2002) 426 def. van 24 juli 2002).

(21)  In een latere fase van deze audit zullen gegevensgerichte controles worden verricht.

(22)  1. Groepsboekhouding, 2. Jaarrekening, 3. Uitgaven en schulden, 4. Ontvangsten en vorderingen, 5. Voorfinanciering, 6. Immateriële vaste activa, 7. Materiële vaste activa, 8. Leases, 9. Voorraad, 10. Voorzieningen, voorwaardelijke activa en verplichtingen, 11. Financiële activa en verplichtingen, 12. Personeelsbeloningen, 13. Omrekening van vreemde valuta, 14. Economisch jaarresultaat, fundamentele fouten en wijzigingen in de grondslagen voor financiële verslaglegging, 15. Informatieverschaffing over verbonden partijen.

(23)  International Public Sector Accounting Standards (IPSAS) uitgebracht door de Internationale Federatie van Accountants (IFAC), of, bij ontbreken daarvan, International Accounting Standards (IAS)/International Financial Reporting Standards (IFRS), uitgebracht door de International Accounting Standards Board (IASB).

(24)  Krachtens artikel 133, lid 2, van het Financieel Reglement mogen de toepasselijke boekhoudregels afwijken van de internationaal aanvaarde boekhoudnormen voor de overheidssector, wanneer de bijzondere aard van de activiteiten van de Gemeenschappen dat wettigt.

(25)  Zie artikel 129 van het Financieel Reglement van 25 juni 2002.

(26)  Ten aanzien van voorfinanciering en andere dan ruiltransacties waarop nog geen IPSAS-normen van toepassing zijn, is gepoogd naar de geest van de IPSAS te handelen.

(27)  De Rekenkamer heeft de controles in deze fase gericht op de verwerking en verrekening van voorfinanciering als zodanig. Verwante aspecten, zoals de beoordeling van voorfinanciering op lange termijn (actuariële methode), gegenereerde rente en de omrekening van vreemde valuta, komen in een latere fase aan bod. Verder werd het idee om wat als voorfinanciering wordt beschouwd inhoudelijk te harmoniseren door middel van boekhoudkundige correcties (bv. door voorzieningen) ten tijde van de controle nog besproken.

(28)  Krachtens artikel 61, lid 1, sub e), van het Financieel Reglement, wordt de rekenplichtige belast met „het vaststellen en valideren van de boekhoudsystemen, alsmede, waar van toepassing, het valideren van de door de ordonnateur vastgestelde systemen die tot doel hebben boekhoudkundige gegevens te verstrekken of te motiveren”. Het corresponderende artikel 57 van de uitvoeringschriften bepaalt: „Wanneer door de ordonnateur ingestelde financiële beheersystemen gegevens verstrekken aan de boekhouding van de Instelling of worden gebruikt om de gegevens van deze boekhouding te staven, moet de rekenplichtige met de invoering en de wijziging ervan instemmen.”

(29)  De directoraten-generaal Informatica, Onderwijs en cultuur, en Humanitaire hulp, de Dienst voor samenwerking EuropeAid en het Bureau voor personeelsselectie van de Europese Gemeenschappen.

(30)  Het directoraat-generaal Buitenlandse betrekkingen, het Bureau voor het beheer en de afwikkeling van de individuele rechten en het Bureau voor officiële publicaties der Europese Gemeenschappen.

(31)  Directoraten-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling, Werkgelegenheid, sociale zaken en gelijke kansen, Regionaal beleid, Onderzoek en Pers en communicatie.

(32)  Zoals het hoofdkwartier van de Verenigde Naties en de Franse, Spaanse, Zweedse en Britse overheden.

(33)  Zie paragraaf 1.8 van het Jaarverslag 2002 en paragraaf 1.25 van het Jaarverslag 2003 van de Rekenkamer.

(34)  Gemeenschappelijk landbouwbeleid, structurele acties, intern beleid, externe maatregelen, administratieve uitgaven en pretoetredingsstrategie.

(35)  Wat betreft de uitgaven worden in het Financieel Reglement (artikel 53) de volgende gevallen onderscheiden: de Commissie voert de begroting gecentraliseerd uit (administratieve uitgaven en intern beleid); het beheer van de verrichtingen wordt gedeeld met de nationale autoriteiten van de lidstaten (EOGFL-Garantie en structuurfondsen); de Commissie laat bepaalde aspecten van de acties gedecentraliseerd uitvoeren door de begunstigde staten na een controle vooraf te hebben uitgeoefend (pretoetredingsstrategie), en de Commissie voert bepaalde acties uit in gezamenlijk beheer met internationale organisaties (zie paragraaf 1.57 van het jaarverslag over het begrotingsjaar 2003 van de Rekenkamer).

(36)  Onder „andere auditors” wordt verstaan: natuurlijke of rechtspersonen die zijn verzocht, een accountantsoordeel te geven over de geheel of gedeeltelijk uit de communautaire begroting gefinancierde acties, maar hiertoe niet verplicht zijn uit hoofde van de communautaire regelgeving.

(37)  Van bepaalde instellingen (Hof van Justitie en Comité van de Regio's) heeft de Rekenkamer de jaarlijkse activiteitenverslagen niet in aanmerking kunnen nemen, aangezien deze niet waren opgesteld voordat zij haar controle afsloot (zie paragraaf 9.13).

(38)  Effect van deze voornaamste punten van voorbehoud op de verklaring van de directeur-generaal:

A: Redelijke zekerheid dat de interne-controlesystemen de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen verzekeren; geen of niet-significante beperkingen.

B: Redelijke zekerheid met beperkingen dat de interne-controlenormen de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen verzekeren (fouten < 2 % of systeemgebreken met een financieel effect < 10 % van de betrokken begroting).

C: Geen zekerheid (fouten > 2 % of systeemgebreken met een financieel effect > 10 % van de betrokken begroting).

(39)  Inhoud van de verklaringen:

A: Duidelijk en ondubbelzinnig.

B: Met onnauwkeurigheden.

C: Met significante onnauwkeurigheden of onvoldoende onderbouwd (bijvoorbeeld veronachtzaming van de problemen omtrent gedeeld beheer, dekking van het voorgaande begrotingsjaar, ontbreken van kwantificering, onbruikbare informatie).

(40)  Belang voor de controleconclusies van de Rekenkamer:

A: Voldoende bewijs voor de conclusies van de Rekenkamer.

B: Na correcties voldoende bewijs voor de conclusies van de Rekenkamer.

C: Onvoldoende bewijs voor de conclusies van de Rekenkamer (bv. door ontoereikende of onvoldoende informatie).

(41)  Evolutie:

+ verbetering

= constant niveau

– achteruitgang

(42)  Het Europees Parlement verzocht de Commissie in januari 2000, haar beheer te stroomlijnen. Hierop presenteerde de Commissie op 5 april 2000 een witboek over de hervorming van de Commissie (COM(2000) 200).

(43)  Zie: INTOSAI-controlenormen, hoofdstuk 1, paragraaf 1.0.6 d): Het ontwikkelen van adequate informatie en verslagleggingssystemen zal het verantwoordingsproces vergemakkelijken. Het management is verantwoordelijk voor de juistheid en toereikendheid qua vorm en inhoud van financiële verslagen en andere informatie. De Rekenkamer meent dat „adequate informatie” onder meer indicatoren omvat.

(44)  Met deze werkwijze, die is voorgesteld in de kwijtingsresolutie 2003 van het Europees Parlement (zie de paragrafen 65 en 66), zouden de verzoeken van de kwijtingsautoriteiten kunnen worden ingewilligd.

(45)  Jaarverslagen van de Rekenkamer over het begrotingsjaar 2002, paragrafen 1.68 t/m 1.74, en over het begrotingsjaar 2003, paragrafen 1.85 t/m 1.87.

(46)  De Rekenkamer heeft haar eigen toezichtselementen ontwikkeld voor: de tenuitvoerlegging van acties vervat in het witboek over de hervorming of in actieplannen van de syntheseverslagen, de tenuitvoerlegging van internecontrolenormen, de follow-up van punten van voorbehoud en van opmerkingen betreffende de betrouwbaarheidsverklaring, de follow-up van punten van voorbehoud van de directeuren-generaal, de beoordeling van de tenuitvoerlegging van essentiële controles, enz.

(47)  Mededeling van de Commissie: Synthese 2004 (COM(2005) 256 van 15.6.2005).

(48)  Het nieuwe horizontale actieplan bevat twaalf maatregelen met betrekking tot de volgende terreinen: governance-kwesties, activiteitsgestuurd management, financieel beheer en rapportage, en personeel.

(49)  Nota aan de directeuren-generaal en de diensthoofden — circulaire over de jaarlijkse activiteitenverslagen over 2004 (SEC(2004) 1562 van 3 december 2004).

(50)  Mededeling van de Commissie — Overzicht van de tenuitvoerlegging van activiteitsgestuurd management in de Commissie in 2002, met een verduidelijking van de methodologie voor het opstellen van de jaarlijkse activiteitenverslagen (COM(2003) 28 van 21 januari 2003).

(51)  Om de werkelijke reikwijdte van de punten van voorbehoud te kunnen beoordelen, wordt aan de directeuren-generaal gevraagd, aan te geven welk criterium zij toepassen om de materialiteitsdrempel vast te stellen. In de richtsnoeren wordt de drempel niet alleen naar aard en context van een actie, maar ook naar relatieve omvang van de begrotingsmiddelen voor de betrokken actie bepaald; de drempel wordt gesteld op 2 % van het bedrag van de actie (COM(2003) 28 van 21 januari 2003). Zoals de Rekenkamer reeds heeft opgemerkt in het jaarverslag over het begrotingsjaar 2003 (paragrafen 1.64 en 1.65), is zij van oordeel dat dit materialiteitsbegrip geen geschikt criterium is om systeemgebreken te ontdekken. De directeuren-generaal kunnen van dit criterium afwijken indien zij van mening zijn dat de context dit vereist of de tekortkoming op zich significant is. In dergelijke gevallen moet de keuze voor een nieuwe drempel of een ander materialiteitscriterium worden gemotiveerd in het jaarlijkse activiteitenverslag.

(52)  Advies nr. 2/2004 van de Rekenkamer over het model „single audit” (en een voorstel voor een communautair internecontrolekader).

(53)  Bijvoorbeeld wanneer de punten van voorbehoud van materieel belang zijn voor de begroting van het directoraat-generaal.

(54)  Bijvoorbeeld de directoraten-generaal Werkgelegenheid, sociale zaken en gelijke kansen, Ondernemingen en industrie, Visserij en maritieme zaken, Justitie, vrijheid en veiligheid, Buitenlandse betrekkingen, Eurostat en het Bureau voor het beheer en de afwikkeling van de individuele rechten.

(55)  Het verschil in het aantal punten van voorbehoud tussen 2003 en 2004 (–17) is de som van 6 nieuwe punten en het schrappen van 23 punten betreffende het begrotingsjaar 2003.

(56)  Actie 13 van de Synthese 2001.

(57)  Acties 5.4.5 „Evaluatie interne controlenormen”, 3.3.2 „Mededeling”, 5.4.1 „Interne controlenormen in delegaties”, 3.3.2 „Managementrisico-evaluatie”, 5.4.6 „Follow-up door de diensten”, 5.3.3A „Gedeeld management”, 5.3.3B „Audit in gedeeld management”, 5.3.4 „Medefinanciering”, 5.3.2A „Terugvordering”, 5.3.7 „Boekhoudingskader”, 3.3.2-3.3.3 „Coördinatie van alle voor de audits binnen de Commissie verantwoordelijke partijen en het Comité follow-up audits: overzicht audit” en 3.3.3 „Auditmethodologie” van de Synthese 2002. Acties 2 „Evaluatie van de deconcentratie” en 7 „Interoperabiliteit” van de Synthese 2001. Acties 11 en 74 „De ontwikkeling van een databank van rechtspersonen en een databank van contracten” van het witboek.

(58)  Actie 4.4 „Methodologie jaarlijkse activiteitenverslagen” van de Synthese 2002; acties 87 „Evaluatie van de vooruitgang die door de diensten van de Commissie bij het veranderingsproces is geboekt”, 93 „Betere coördinatie van de werkzaamheden van OLAF en andere diensten” en 94 „Fraudebestendigheid van wetgeving en contractbeheer” van het witboek.

(59)  Internecontrolenormen in de delegaties (actie 5.4.1 van de Synthese 2002); Gedeeld management en audit bij gedeeld management (acties 5.3.3A en 5.3.3B van de Synthese 2002), Medefinanciering (actie 5.3.4 van de Synthese 2002), Interoperabiliteit (actie 7 van de Synthese 2001), Methodologie voor het opstellen van de jaarlijkse activiteitenverslagen (actie 4.4 van de Synthese 2002).

(60)  Evaluatie van de deconcentratie (actie 2 van de Synthese 2001), managementrisico-evaluaties (actie 3.3.2 van de Synthese 2002), bepaalde aspecten in verband met de betrouwbaarheid van de rekeningen (terugvorderingen, boekhoudingskader en de ontwikkeling van een centraal facturenregister en een contractendatabank) (acties 5.3.2A en 5.3.7 van de Synthese 2002, acties 11 en 74 van het witboek).

(61)  Jaarlijks intern controleverslag 2003, uitgebracht krachtens artikel 86, lid 3, van het Financieel Reglement, een verslag over de afronding van actie 87 en een verslag over de Relex-groep.

(62)  Mededeling van de Commissie — Voltooiing van de hervorming: voortgangsverslag en maatregelen voor 2004 (COM(2004) 93 van 10 februari 2004).

(63)  Advies nr. 2/2004 van de Rekenkamer over het model „single audit” (en een voorstel voor een communautair internecontrolekader), paragraaf V.

(64)  Normen 11 „Risicoanalyse en -management”, 12 „Adequaatheid van de managementinformatie”, 14 „Melding van misstanden”, 17 „Supervisietaken”, 18 „Registreren van uitzonderingen”, 20 „Registreren en corrigeren van zwakke punten van de interne controle”, 21 „Auditverslagen” en 22 „Interne-auditdienst”.

(65)  De directoraten-generaal Economische en financiële zaken, Landbouw en plattelandsontwikkeling, Werkgelegenheid, sociale zaken en gelijke kansen, Visserij en maritieme zaken, Regionaal beleid, Onderzoek, Informatiemaatschappij en media, Uitbreiding, Begroting, Personeelszaken en algemeen beheer, Gezondheid en consumentenbescherming, en het Bureau voor humanitaire hulp, alsmede de Dienst voor samenwerking EuropeAid en Eurostat.

(66)  Het aantal basisvereisten nam af van 74 tot 71. Vier van de vereisten die zijn aangehouden voor 2004, werden aangescherpt ten opzichte van 2003.

(67)  Zoals de directoraten-generaal Mededinging, Ontwikkeling, Informatica, Werkgelegenheid, sociale zaken en gelijke kansen, Ondernemingen en industrie, Pers en communicatie, Regionaal beleid, Externe betrekkingen, Gezondheid en consumentenbescherming, Belastingen en douane-unie, het Bureau voor personeelsselectie van de Europese Gemeenschappen, Eurostat, het Bureau van Europese beleidsadviseurs, het Gemeenschappelijk centrum voor onderzoek, het Bureau voor infrastructuur en logistiek in Brussel, het Bureau voor infrastructuur en logistiek in Luxemburg, het Europees Bureau voor fraudebestrijding, het Bureau voor het beheer en de afwikkeling van de individuele rechten, en de Juridische dienst.

(68)  Zoals de directoraten-generaal Begroting, Onderwijs en cultuur, Economische en financiële zaken, Uitbreiding, Visserij en maritieme zaken, Informatiemaatschappij en media, Vertaling, Vervoer en energie, Tolken en Justitie, vrijheid en veiligheid, Onderzoek, alsmede de Dienst voor samenwerking EuropeAid en het Bureau voor officiële publicaties der Europese Gemeenschappen.

(69)  Mededeling van de Commissie, Strategische doelstellingen 2005-2009, Europa 2010: een partnerschap voor Europese vernieuwing, welvaart, solidariteit en veiligheid (COM(2005) 12 van 26 januari 2005).

(70)  Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en de Europese Rekenkamer over een stappenplan voor een geïntegreerd internecontrolekader (COM(2005) 252/4 van 15 juni 2005).


HOOFDSTUK 2

Begrotingsbeheer

INHOUD

Inleiding

Opmerkingen

Meer informatie in het verslag van de Commissie, maar onvoldoende analyse

Een ruimere begroting voor een uitgebreide Unie

De bestedingsgraad van de betalingen steeg tot 95 %

Kleiner overschot

De lopende uitgavenprogramma's hebben de verwachte bestedingsgraad bereikt

Meer niet-afgewikkelde begrotingsverplichtingen door de uitbreiding

Niet-afgewikkelde begrotingsverplichtingen zijn niet de enige juridische verbintenissen

De regel „jaar n + 2” heeft tot dusver weinig vrijmakingen opgeleverd

Inadequate budgettering over de looptijd van de uitgavenprogramma's

Conclusies en aanbevelingen

OPMERKINGEN VAN DE REKENKAMER

ANTWOORDEN VAN DE COMMISSIE

INLEIDING

2.1.

In dit hoofdstuk worden onderwerpen in verband met de uitvoering van de algemene EU-begroting in 2004 geanalyseerd.

 

2.2.

De begroting van de Europese Unie wordt op basis van voorstellen van de Commissie vastgesteld door de begrotingsautoriteit (Europees Parlement en Raad) en valt binnen het meerjarige kader van de financiële vooruitzichten. In de meeste uitgavensectoren — landbouw, structurele acties, externe maatregelen en pretoetredingsstrategie — voert de Commissie de begroting uit in samenwerking met de lidstaten en andere begunstigde landen.

 

2.3.

Binnen de begroting zijn er afzonderlijke kredieten voor vastleggingen en betalingen. De kredieten voor vastleggingen zijn de bedragen waarover de Unie beschikt om in het lopende jaar begrotingsvastleggingen te doen teneinde in het lopende jaar of daarna juridische verbintenissen (of overeenkomsten) tot besteding na te komen (1). Kredieten voor betalingen zijn bedragen die kunnen worden uitgegeven in het lopende jaar. De meeste uitgaven voor structurele acties en intern en extern beleid verlopen via programma's die gedurende een aantal jaren lopen (bijvoorbeeld van 2000 tot 2006 voor de lopende programmeringsperiode van de structuurfondsen). In die gevallen worden de juridische verbintenissen doorgaans niet aangegeven als begrotingsvastleggingen van het jaar waarin ze worden goedgekeurd, maar als min of meer gelijke jaartranches over de looptijd van de programma's (2).

 

OPMERKINGEN

Meer informatie in het verslag van de Commissie, maar onvoldoende analyse

2.4.

Nadere informatie over de begrotingsuitvoering 2004 is te vinden in het verslag van de Commissie over het begrotings- en financieel beheer — begrotingsjaar 2004 (3). In haar Jaarverslag 2003 (4) beval de Rekenkamer aan, nadere informatie te verstrekken over de cumulatieve stand van uitvoering van de communautaire programma's. Terzake werd bijkomende informatie geboden, die de informatieve waarde van het verslag verhoogt. De Rekenkamer beveelt aan, met het oog op een nuttiger presentatie de gegevens voortaan beter toe te lichten en te analyseren en de werkelijke uitvoering te toetsen aan de verwachtingen. Voor de structuurfondsen wordt die informatie per beleidsdoelstelling gepresenteerd. Het zou echter nuttig zijn ze ook per fonds te presenteren, want dit zou beter aansluiten bij de beheers- en verantwoordingsstructuur van de Commissie.

2.4.

Over de cumulatieve stand van de uitvoering van enkele van de belangrijkste meerjarenprogramma's (met name de structuurfondsen, het Cohesiefonds, Sapard en ISPA) heeft de Commissie uitvoerige informatie gegeven in de vorm van een inleidende tekst, tabellen en grafieken. In de jaarlijkse begrotingen wordt de verwachte besteding weergegeven en vergeleken met de feitelijke uitvoering. De Commissie zal onderzoeken of de extra informatie, die de Rekenkamer in haar verslag over het begrotings- en financiële beheer heeft aanbevolen te verstrekken, ter beschikking kan worden gesteld. De Commissie publiceert sinds 1977 een gedetailleerd jaarverslag over de begrotingsuitvoering van de structuurfondsen. Dit verslag omvat onder meer een grondige analyse van de cumulatieve stand van uitvoering, alsmede een analyse van de afzonderlijke fondsen. Het verslag over 2004 werd in mei 2005 gepubliceerd en is beschikbaar op de website http://europa.eu.int/comm/budget/furtherinfo/index_pg2_en.htm.

Bovendien wordt gedetailleerde informatie over de stand van uitvoering van de structuurfondsen (met de toegewezen, vastgelegde en bestede bedragen per doelstelling, fonds en lidstaat) gepubliceerd in het jaarlijkse verslag over de begrotingsuitvoering voor de structuurfondsen, dat telkens in oktober van het volgende jaar verschijnt (zie bijvoorbeeld het verslag over 2003, COM(2004) 721 def.).

2.5.

Artikel 185 van de uitvoeringsvoorschriften bij het Financieel Reglement bepaalt dat het verslag over het begrotings- en financieel beheer (5)„een getrouw overzicht […] van de verwezenlijking van de doelstellingen van het begrotingsjaar overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer” moet geven. Aan dit voorschrift is in algemene zin voldaan. Meer gedetailleerde informatie wordt opgenomen in de jaarlijkse activiteitenverslagen van de directeuren-generaal.

2.5.

Het doel van het verslag is een overzicht over de ontwikkeling van de jaarlijkse begroting en de uitvoering ervan te geven. Aanvullend hierop stelt de Commissie een aantal meer gespecialiseerde, gedetailleerde jaarverslagen op over diverse beleidsgebieden, zoals het jaarlijkse verslag over de begrotingsuitvoering voor de structuurfondsen.

Een ruimere begroting voor een uitgebreide Unie

2.6.

De begroting 2004 was oorspronkelijk opgesteld voor een EU met 15 lidstaten (6). De totale kredieten voor vastleggingen daalden met 0,3 % en de totale kredieten voor betalingen stegen met 2,3 % tegenover de definitieve begroting 2003. Door de uitbreiding was een gewijzigde begroting (7) nodig vanaf 1 mei. In de bijgestelde begroting waren de vastleggingen en betalingen respectievelijk 11,5 % en 7,8 % hoger dan in de definitieve begroting 2003. De toename van de vastleggingen is naar verhouding groter omdat het daarbij gaat om uitgaven die meer dan één jaar kunnen bestrijken (zie paragraaf 2.3).

 

2.7.

De vastleggings- en betalingskredieten bleven respectievelijk 4,3 miljard euro en 11,8 miljard euro beneden de verhoogde maxima van de financiële vooruitzichten. Voor de vastleggingen schuilt het verschil hoofdzakelijk in de landbouw (2,5 miljard euro) en de pretoetredingsstrategie (1,7 miljard euro); de andere rubrieken benaderden of overschreden enigszins (8) de limiet.

 

2.8.

Gewijzigde begrotingen die gedurende het jaar werden goedgekeurd (9) brachten een globale daling van de kredieten voor vastleggingen met 1,6 miljard euro (landbouwuitgaven lager dan voorzien) en een stijging van de kredieten voor betalingen met 2 miljard euro, hoofdzakelijk in de vorm van bijkomende kredieten voor structurele acties (zie paragraaf 2.14).

 

De bestedingsgraad van de betalingen steeg tot 95 %

2.9.

Tabel 2.1 geeft een overzicht van het begrotingsresultaat over 2004 voor zowel betalingen als vastleggingen. In 2004 werden de definitieve kredieten voor vastleggingen voor 98 % besteed (uitvoeringsgraad voor vastleggingen), iets minder dan in 2003 (99 %). De definitieve kredieten voor betalingen werden voor 95 % besteed (uitvoeringsgraad voor betalingen), meer dan in 2003 (92 %, zij het op basis van een beperkte begroting (10)) en in 2002 (86 %). De toename van de bestedingen deed zich voor in alle sectoren.

 

Kleiner overschot

2.10.

Voor 2004 bedroeg het overschot op de begroting (11) in totaal 2,7 miljard euro (zie tabel 2.2 ), en wel om de volgende redenen:

de geïnde ontvangsten lagen 1,7 miljard euro boven de begrote ontvangsten;

de uitgaven (rekening houdend met de overdracht van betalingskredieten) waren 2,1 miljard euro lager dan begroot;

er waren andere posten die leidden tot een aftrek van 1,0 miljard euro, vooral in verband met de aanpassing van de bestemmingsontvangsten.

 

Tabel 2.1 — Uitvoering van de begroting 2004 per rubriek van de financiële vooruitzichten

(miljoen euro & %)

Rubriek van de financiële vooruitzichten

Maximum financiële vooruitzichten

Begroting

Begrotingsuitvoering

Oorspronkelijke kredieten (12)

Definitieve kredieten (13)

Aangegane verplichtingen en verrichte betalingen

Uitvoeringsgraad

Naar 2005 overgedragen kredieten

% van de beschikbare definitieve kredieten

Vervallen kredieten

% van de beschikbare definitieve kredieten

(a)

(b)

(c)

(d)

(e) = (d)/(c)

(f)

(g) = (f)/(c)

(h)

(i) = (h)/(c)

Vastleggingskredieten

Gemeenschappelijk landbouwbeleid

49 305

44 761

45 122

44 760

99 %

50

0,1 %

312

0,7

Structurele acties

41 035

34 326

41 046

40 834

99 %

115

0,3 %

97

0,2

Intern beleid

8 722

7 051

9 835

9 010

92 %

619

6,3 %

206

2,1

Externe maatregelen

5 082

5 177

5 368

5 198

97 %

121

2,3 %

49

0,9

Pretoetredingsstrategie

3 455

1 732

1 837

1 718

94 %

91

5,0 %

29

1,6

Administratieve uitgaven

5 983

6 040

6 361

6 161

97 %

70

1,1 %

130

2,0

Reserves

442

442

442

182

41 %

0

0,0 %

260

58,9

Compensatie

1 410

0

1 410

1 410

100 %

0

0,0 %

0

0,0

Afronding

 

 

1

 

 

 

 

 

 

Totaal

115 434

99 529

111 422

109 273

98 %

1 066

1,0 %

1 083

1,0

Betalingskredieten

Gemeenschappelijk landbouwbeleid

 

44 761

44 308

43 579

98 %

398

0,9 %

331

0,7

Structurele acties

 

28 962

34 635

34 198

99 %

197

0,6 %

240

0,7

Intern beleid

 

6 606

8 992

7 255

81 %

1 152

12,8 %

585

6,5

Externe maatregelen

 

4 951

5 098

4 606

90 %

176

3,5 %

317

6,2

Pretoetredingsstrategie

 

2 856

3 220

3 053

95 %

58

1,8 %

109

3,4

Administratieve uitgaven

 

6 040

6 927

5 856

85 %

850

12,3 %

221

3,2

Reserves

 

442

442

182

41 %

0

0,0 %

260

58,8

Compensatie

 

0

1 410

1 410

100 %

0

0,0 %

0

0,0

Afronding

 

1

 

 

 

–1

 

 

 

Totaal

111 380

94 619

105 032

100 139

95 %

2 830

2,7 %

2 063

2,0

Bron: Jaarrekening 2004.

Tabel 2.2 — Samenstelling van het overschot 2004 (en 2003)

(miljoen euro)

 

2004

2003

Ontvangsten

 

Begroot

Geïnd

Bijdrage aan overschot

Begroot

Geïnd

Bijdrage aan overschot

Eigen middelen

94 997

95 051

54

84 011

83 633

– 378

Andere ontvangsten

6 810

8 461

1 651

8 514

9 836

1 322

Totaal

101 807

103 512

1 705

92 525

93 469

944

Uitgaven

 

Onderbesteding  (14)

Minus overdracht naar 2005  (15)

 

Onderbesteding

Minus overdracht naar 2004

 

Landbouw

729

– 398

331

717

– 331

386

Structurele acties

437

– 197

240

3 310

– 177

3 133

Intern beleid

1 737

–1 152

585

1 585

– 920

665

Externe maatregelen

492

– 176

316

613

– 113

500

Pretoetredingsstrategie

167

–58

109

559

–55

504

Administratie

1 071

– 850

221

782

– 650

132

Reserves

260

0

260

216

0

216

Compensaties

0

0

0

 

 

 

Afronding

 

1

1

–1

 

–1

Totaal

4 893

–2 830

2 063

7 781

–2 246

5 535

Wisselkoersverschillen

–50

 

 

– 109

Bestemmingsontvangsten  (16)

– 961

 

 

– 740

Overige  (17)

–18

 

 

– 146

Totaal overschot

2 739

 

 

5 484

Bron: Jaarrekening 2004.

2.11.

Het overschot van 2004 is verder gedaald ten opzichte van de 5,5 miljard euro in 2003, 7,4 miljard euro in 2002 en 15,0 miljard euro in 2001. Die daling van het overschot is grotendeels toe te schrijven aan een hogere uitvoeringsgraad voor structurele acties. Dat hangt niet alleen samen met een beter beheer door de Commissie, maar ook met het feit dat de uitvoeringsgraad is gestegen doordat de programma's van de periode 2000-2006 in 2004 meer dan halverwege gevorderd waren (zie de paragrafen 2.14 t/m 2.16).

 

2.12.

In haar Jaarverslagen over 2002 en 2003 (18) wees de Rekenkamer de onnauwkeurige ramingen van de uitgaven voor de structurele acties door de lidstaten aan als een belangrijke oorzaak van het onvermogen van de Commissie om tijdige maatregelen te treffen om de onderbesteding en het daaruit voortvloeiende overschot te beheersen. De ramingen zijn verbeterd en het foutenpercentage van de ramingen is gedaald van 50 % in 2003 naar 23 % in 2004. Toch betekent dit dat de ramingen nog steeds 6,5 miljard euro te hoog lagen en de Commissie erkent zelf dat nog verbetering mogelijk is. Anders dan in de voorgaande jaren geeft de Commissie in haar verslag over het begrotings- en financieel beheer in 2004 geen informatie of analyse betreffende de ramingen van de lidstaten.

2.12.

De Commissie heeft in het hierboven vermelde jaarlijkse verslag betreffende de begrotingsuitvoering voor de structuurfondsen nauwkeurig de betalingsramingen van de lidstaten vermeld, inclusief een vergelijking van de foutenpercentages bij de ramingen 1998-2004.

De Commissie wijst erop dat de jaarlijkse begroting voor betalingen niet direct wordt gebaseerd op de ramingen van de lidstaten, maar op de beoordeling door de Commissie zelf van de waarschijnlijke behoeften aan betalingskredieten. De ramingen van de lidstaten kunnen een belangrijk gegeven zijn voor deze beoordeling en daarom blijft de Commissie op verbetering aandringen.

2.13.

In het verleden werden aanzienlijke kredieten overgedragen en niet gebruikt (19). Van de uit 2003 overgedragen betalingskredieten zonder bestemming werd 23 % niet gebruikt (20). In totaal werd 2,8 miljard euro overgedragen naar 2005, waarvan 1,5 miljard euro uit de operationele begroting (1,2 miljard euro in 2003) en 1,3 miljard euro aan ontvangsten van derden met een bestemming (1,0 miljard euro in 2003).

 

De lopende uitgavenprogramma's hebben de verwachte bestedingsgraad bereikt

2.14.

Een groot deel van de begroting — voor structurele acties, sommige interne beleidslijnen en externe maatregelen — gaat naar meerjarige uitgavenprogramma's die in welbepaalde cycli van enkele jaren verlopen (2000-2006 voor de structuurfondsen). De Commissie en de lidstaten ondervonden aanzienlijke vertraging bij het opzetten en starten van deze programma's, vooral bij de structuurfondsen. Maar in 2004 hebben de programma's ruimschoots de geplande jaarlijkse bestedingsgraad bereikt, mede door vergoeding naar aanleiding van aanvragen van de lidstaten betreffende gedane betalingen aan begunstigden. De begrote betalingskredieten voor de structuurfondsen waren zelfs ontoereikend, zodat nog voor het einde van het jaar een gewijzigde begroting (21) ten belope van 3,7 miljard euro nodig was. Van dat bedrag was 3,3 miljard euro bestemd voor de lopende programma's.

 

2.15.

De huidige bestedingsgraad betekent slechts een beperkte daling van het niveau van de niet-afgewikkelde verplichtingen. De informatie over de stand van uitvoering van de structuurfondsen in het verslag van de Commissie over het financieel en begrotingsbeheer (zie paragraaf 2.4) toont aan dat de drie beleidsdoelstellingen voor de periode 2000-2006 eind 2004 voor circa 40 % waren gerealiseerd.

2.15.

De Commissie tracht nauwkeurig te begroten voor alle in aanmerking komende betalingsverzoeken; dit kan inhouden dat gewijzigde begrotingen moeten worden ingediend indien de verrichte betalingen de verwachtingen overtreffen.

2.16.

Ook de afsluiting van de uitgavenprogramma's van de structuurfondsen voor de voorgaande programmeringsperiode (1994-1999) is nog niet voltooid. De Commissie ondervond aanzienlijke problemen en vertragingen bij de afsluiting van deze programma's en de saldobetaling (zie de paragrafen 5.29 t/m 5.31). Van de 9,1 miljard euro aan niet-afgewikkelde begrotingsverplichtingen eind 2003 werd 3,6 miljard euro gebruikt voor betalingen en 2,3 miljard euro geannuleerd omdat dit bedrag niet zal worden besteed. Eind 2004 moesten er nog begrotingsverplichtingen ad 3,3 miljard euro worden afgewikkeld voor deze oude programma's die in 2005 of mogelijk zelfs later zullen worden afgesloten.

2.16.

Betalingsverzoeken voor deze programma's moesten uiterlijk op 31 maart 2003 worden ingediend door de lidstaten. Een groot aantal verzoeken kwam net vóór de uiterste datum aan en wegens de ongelijke kwaliteit van de bijgevoegde documentatie in verband met de afsluiting moest vaak om extra informatie worden verzocht voordat de verzoeken konden worden verwerkt. In 2004 werd aanzienlijke vooruitgang geboekt met de afsluiting. Dat blijkt uit de vermindering van de nog af te wikkelen verplichtingen (restant à liquider = RAL) met twee derde tot ongeveer 5 % van de totale RAL voor de structuurfondsen.

Meer niet-afgewikkelde begrotingsverplichtingen door de uitbreiding

2.17.

Niet-afgewikkelde begrotingsverplichtingen zijn bedragen waarvoor de Commissie een juridische verbintenis tot toekomstige betaling heeft aangegaan. Hoe groter de waarde van de niet-afgewikkelde begrotingsverplichtingen, hoe meer de betalingskredieten in de daaropvolgende jaren zullen worden aangesproken. De niet-afgewikkelde begrotingsverplichtingen stegen met 4,5 % tot 110,1miljard euro (zie tabel 2.3 ). Die stijging was toe te schrijven aan de bijkomende begrotingsverplichtingen voor de nieuwe lidstaten na de uitbreiding. De onderliggende niet-afgewikkelde begrotingsverplichtingen voor de EU van voor de uitbreiding bleven op hetzelfde peil. Het totaal van de niet-afgewikkelde begrotingsverplichtingen ten laste van gesplitste kredieten komt overeen met 2,2 jaar aan betalingen in het huidige bestedingstempo (2,5 jaar in 2003).

2.17.

De door de Rekenkamer vermelde 2,2 jaar kan worden beschouwd als een normaal cijfer, dat dicht bij het beginsel „jaar n + 2” ligt.

2.18.

Grafiek 2.1 laat de waarde van de niet-afgewikkelde verplichtingen ten laste van gesplitste kredieten sinds 1994 zien. De stijging was toe te schrijven aan de voor de programmeringsperiode 2000-2006 doorgevoerde wijziging van het systeem van jaarlijkse vastleggingen voor de structuurfondsen, maar ook aan het gecumuleerde effect van de onderbesteding van 1999 tot 2003 die leidde tot annulering van 40 miljard euro betalingskredieten (22).

 

Tabel 2.3 — Verandering saldo niet-afgewikkelde begrotingsverplichtingen 2004

(miljoen euro)

 

Per soort

Totaal

Per rubriek van de financiële vooruitzichten

Niet-gesplitste kredieten

Gesplitste kredieten

Landbouw

Structurele acties

Intern beleid

Externe maatregelen

Administratie

Reserves

Pretoetredings-strategie

Compensaties

Aanpassingen

Overgedragen verplichtingen

Overgedragen saldo

877

103 883

104 760

290

69 274

12 196

12 156

584

0

10 260

0

0

Betalingen

– 776

–41 221

–41 997

– 271

–30 969

–3 995

–3 245

– 503

0

–3 013

0

–1

Vrijmakingen

–17

–3 626

–3 643

–5

–2 624

– 501

– 436

0

0

–85

0

8

Annuleringen

–81

0

–81

–14

0

0

0

–59

0

0

0

–8

In 2004 aangegane verplichtingen

Aangegane verplichtingen

51 494

57 779

109 273

44 761

40 834

9 010

5 198

6 161

182

1 718

1 410

–1

Betalingen

–50 162

–7 981

–58 143

–43 308

–3 229

–3 260

–1 361

–5 354

– 182

–40

–1 410

1

Annuleringen

–22

0

–22

0

0

0

0

–22

0

0

0

0

Afronding

 

 

 

–1

–1

 

1

 

 

 

 

1

Naar 2005 overgedragen saldo

1 313

108 834

110 147

1 452

73 285

13 450

12 313

807

0

8 840

0

0

Bron: Jaarrekening 2004 en verslag over het begrotings- en financieel beheer.

Image

2.19.

In haar antwoorden op het Jaarverslag 2003 verklaarde de Commissie dat het niveau van de niet-afgewikkelde begrotingsverplichtingen overeenkwam met haar prognose (23). In 2002 verrichtte de Commissie een grondige analyse van het verloop van de begrotingsuitvoering van de structuurfondsen, waarbij ze de lage bestedingsgraad van 2000 tot 2002 in aanmerking nam en verrekende en een prognose maakte van het niveau van de niet-afgewikkelde begrotingsverplichtingen aan het einde van elk jaar tot 2010 (24).

 

2.20.

In werkelijkheid was het niveau van niet-afgewikkelde begrotingsverplichtingen voor de programma's van 2000-2006 eind 2004 3,7 miljard euro hoger dan de Commissie in 2002 had voorzien voor de EU 15. De niet-afgewikkelde begrotingsverplichtingen voor de programma's van 1994-1999 bedroegen 3,3 miljard euro: in haar analyse van 2002 verwachtte de Commissie dat ze volledig zouden zijn vereffend. En er was nog 2,1 miljard euro aan niet-afgewikkelde begrotingsverplichtingen in verband met de uitbreiding, die niet was verwerkt in de analyse van de Commissie.

2.20.

Het niveau van niet-afgewikkelde betalingsverplichtingen voor 1994-1999 was hoger dan geraamd ten gevolge van de vertraging bij de afsluiting van deze programma's, die toen moeilijk te voorspellen was (zie het antwoord op paragraaf 2.16). De cijfers voor 2002 waren de beste ramingen op grond van de beschikbare gegevens. De problemen bij het opstellen van deze ramingen waren grotendeels het gevolg van de grondige wijziging van het betalingssysteem voor de nieuwe programma's 2000-2006 in vergelijking met eerdere programma's.

Niet-afgewikkelde begrotingsverplichtingen zijn niet de enige juridische verbintenissen

2.21.

Door de aard van het begrotingsproces vormt het saldo van de niet-afgewikkelde begrotingsverplichtingen niet het volledige bedrag van de juridische verbintenissen, omdat voor de meeste uitgavenprogramma's specifieke regels gelden. Financieringsbesluiten die aan het begin van de programmeringsperiode worden genomen en juridische verbintenissen tot betalingen inhouden, leiden niet onmiddellijk tot begrotingsverplichtingen, maar het Financieel Reglement (25) laat toe dat ze in ongeveer gelijke jaartranches worden vastgelegd in de loop van de programmeringsperiode. Aangegane juridische verbintenissen die nog niet zijn omgezet in begrotingsverplichtingen worden in de jaarrekening vermeld buiten de balans om (26).

 

2.22.

Eind 2004 beliepen de niet-afgewikkelde begrotingsverplichtingen voor de programmeringsperiode 2000-2006 van de structuurfondsen 60 miljard euro ofwel 2,2 jaar aan betalingen in het bestedingstempo van 2004. De juridische verbintenissen die nog niet waren omgezet in begrotingsverplichtingen (zie paragraaf 2.21) waren in totaal goed voor 75 miljard euro. In totaal waren er eind 2004 voor de programmeringsperiode 2000-2006 van de structuurfondsen dus nog niet afgewikkelde juridische verbintenissen ten belope van 136 miljard euro, ofwel bijna vijf jaar aan betalingen in het bestedingstempo van 2004. Het totaal van de niet-afgewikkelde juridische verbintenissen daalde in 2004 slechts licht door de bijkomende juridische verbintenissen in verband met de uitbreiding. Om alle niet-afgewikkelde juridische verbintenissen van de programmeringsperiode 2000-2006 tegen het einde van de betalingsperiode (2010) te hebben vereffend, zal de Commissie echter een hoog bestedingstempo moeten aanhouden en/of aanzienlijke vrijmakingen realiseren volgens de regel „jaar n + 2” (zie de paragrafen 2.24 t/m 2.26).

2.22.

De Commissie is van oordeel dat de verhouding van de niet-afgewikkelde juridische verbintenissen tot de betalingen in een bepaald jaar op zichzelf geen nuttige indicator is; bij het naderen van het einde van de programmeringsperiode zijn er uiteraard relatief minder van dergelijke verbintenissen. Het totale niveau van de niet-afgewikkelde verplichtingen moet derhalve altijd worden beoordeeld in het licht van de resterende tijd voor de uitvoering van de betalingen. In dat opzicht is de Commissie het eens met de opmerkingen van de Rekenkamer in de laatste zin.

2.23.

Betreffende de lopende programmeringsperiode van de structuurfondsen kunnen de lidstaten tot eind 2008 begunstigden betalen en kan de Commissie tot 2010 aanvragen van lidstaten honoreren met terugbetalingen, inclusief saldobetalingen. De ervaring uit voorgaande perioden leert dat het bestedingstempo tegen het einde van de cyclus afneemt en dat er problemen zijn bij de afsluiting (27). Er bestaat dus een risico dat de besteding voor de lopende programma's nog verder zal uitlopen in de volgende periode en dat de start van de nieuwe programma's vertraging zal oplopen.

2.23.

Het is normaal dat een deel van de saldi voor programma's van de huidige periode zullen worden betaald in 2007-2010. Doordat de regel „jaar n + 2” wordt toegepast voor de structuurfondsen, verwacht de Commissie geen significante ophoping van niet-afgewikkelde verplichtingen aan het einde van de huidige periode.

De afsluiting van de programma’s voor 2000-2006 hoeft de start van de programma's van de volgende periode niet op te houden. De Commissie zal begrotingen voorstellen die overeenstemmen met het verwachte niveau van de in aanmerking komende betalingsverzoeken, ongeacht of deze verzoeken betrekking hebben op de programmeringsperiode 2000-2006 dan wel op die van 2007-2013.

De regel „jaar n + 2” heeft tot dusver weinig vrijmakingen opgeleverd

2.24.

De Commissie vindt (28) dat het risico van een hoog niveau van niet-afgewikkelde begrotingsverplichtingen wordt verminderd door de regel „jaar n + 2”. Die bepaalt dat verplichtingen waarvoor binnen twee jaar na het aangaan ervan geen betaling is verricht, van rechtswege komen te vervallen. In 2003 werd op grond van deze regel 31 miljoen euro geannuleerd. In 2004 was dat bedrag groter, namelijk 219 miljoen euro ofwel slechts 0,3 % van het saldo van de niet-afgewikkelde begrotingsverplichtingen voor de structuurfondsen aan het eind van het jaar.

2.24.

De Commissie blijft bij het standpunt dat de regel „jaar n + 2” het niveau van niet-afgewikkelde verplichtingen zal stabiliseren.

De voorschotten die aan het begin van de programmeringsperiode worden betaald en die 7 % van de totale toewijzing van een programma voor 2000-2006 omvatten, zorgen voor een bescherming op relatief lange termijn tegen n + 2-annuleringen, aangezien zij het niveau van terugbetalingen verlagen dat noodzakelijk is om automatische annuleringen te voorkomen. Deze bescherming wordt na enige tijd evenwel zwakker, wat kan leiden tot een toename van n + 2-annuleringen in de komende jaren.

Voorts is de regel „jaar n + 2” een stimulans voor een snellere tenuitvoerlegging en om betalingsverzoeken regelmatiger in te dienen. Het effect ervan kan derhalve niet uitsluitend op grond van het niveau van annuleringen worden beoordeeld.

2.25.

Van de op grond van deze regel geannuleerde verplichtingen betrof 76 % ESF-uitgaven in Nederland. In de praktijk werden nieuwe verplichtingen uit de prestatiereserve (29) in sommige gevallen ondergebracht bij programma's waarvoor verplichtingen waren geannuleerd, zodat het effect van de procedure verloren ging (30). Voor andere lidstaten wijst het uitblijven van annuleringen op hogere bestedingen. De Rekenkamer ontdekte echter aanwijzingen dat lidstaten aanvragen met niet-subsidiabele uitgaven indienden om annulering te voorkomen. Dit toont de ware aard van het risico waarop de Rekenkamer wees in haar Jaarverslag 2003 (31).

2.25.

De door de Rekenkamer vermelde situatie waarin extra middelen uit de prestatiereserve werden toegewezen aan een programma waarvan overeenkomstig de regel „jaar n + 2” middelen waren vrijgemaakt, ontstaat doordat de prestatiereserve uitsluitend bestemd is voor programma's van één lidstaat binnen één doelstelling, aangezien kredieten niet kunnen worden verschoven tussen doelstellingen (de bedragen zijn vastgesteld door de Europese Raad van Berlijn in 1999 en in de verordening betreffende de structuurfondsen). Daar er in Nederland één eenvoudig programmeringsdocument (EPD) voor doelstelling 3 is, moest de Commissie deze reserve wel aan dit programma toewijzen, waar zij natuurlijk werd gebruikt voor de prioriteiten waarbij beter wordt gepresteerd.

De Commissie onderzoekt de aanwijzingen die de Rekenkamer bij zijn audits in de lidstaten heeft gevonden en waaruit zou blijken dat niet-subsidiabele aanvragen worden ingediend, en zal de nodige maatregelen nemen. Zij onderzoekt dit risico in haar eigen audits.

2.26.

Hoewel de Commissie de regel „jaar n + 2” als een belangrijk instrument voor begrotingsbeheer beschouwt, geeft zij in haar verslag over het begrotings- en financieel beheer geen informatie of analyse over de werking of het effect ervan.

2.26.

Een van de doelstellingen van de regel „jaar n + 2” is het stimuleren van de uitvoering; de effecten van de regel kunnen derhalve ten dele worden afgeleid uit de gegevens over de uitvoering in het verslag betreffende het begrotings- en financiële beheer. Meer gedetailleerde gegevens met betrekking tot de structuurfondsen zijn opgenomen in het hierboven vermelde jaarlijkse verslag betreffende de structuurfondsen, dat in mei 2005 werd gepubliceerd.

Inadequate budgettering over de looptijd van de uitgavenprogramma's

2.27.

Hoewel het resultaat over 2004 voor de structuurfondsen overwegend bevredigend was, ontstaan vele van de blijvende problemen bij de uitvoering van de meerjarige uitgavenprogramma's — vertragingen, toename van de niet-afgewikkelde begrotingsverplichtingen — door de budgettering over de programmeringsperiode waarbij onvoldoende wordt gekeken of de lidstaten in staat zijn de middelen binnen de voorziene tijd op te nemen. Zoals toegelicht in paragraaf 2.21, worden de verplichtingen aangegaan in ongeveer gelijke jaartranches over de geplande looptijd van het programma. Dit weerspiegelt noch het verwachte betalingspatroon, noch de totale omvang van de juridische verbintenissen (32), zodat de verstrekte informatie gemakkelijk verkeerd kan worden geïnterpreteerd.

2.27.

De budgettering van de vastleggingen is een direct gevolg van de toewijzing van middelen, zoals besloten door de Europese Raad. De jaarlijks begrote vastleggingen geven normaal de programmering (of de herziene programmering) weer. Het beleid van de Commissie is gericht op het ramen van de feitelijk benodigde jaarlijkse betalingskredieten.

2.28.

Betalingen kunnen worden verricht binnen een periode die de geplande looptijd van het programma overtreft (tot 2010 voor de periode 2000-2006). Het betalingspatroon schommelt sterk binnen een programmacyclus, met aanvankelijk geringe betalingen terwijl de programma's (en de daaruit gefinancierde projecten) worden vastgesteld en opgestart, met een sterkere vraag in de tussenliggende jaren die weer daalt naar het einde toe. Wanneer twee cycli elkaar overlappen, is het de bedoeling van de Commissie dat de jaren met een geringe vraag aan het begin van de tweede cyclus worden gecompenseerd door betalingen van het einde van de eerste cyclus, met als resultaat een gelijkmatige en constante behoefte aan betalingskredieten.

 

2.29.

In de praktijk is de vraag om begrotingsbetalingen door de Commissie afhankelijk van aanvragen van de lidstaten, die op hun beurt weer afhangen van de capaciteit van de begunstigden om projecten uit te voeren en uitgaven te absorberen. De ongelijke vraag in de vijf jaar tot 2003 leidde tot een aanzienlijke onderbesteding (33). Deze heeft andere gevolgen voor betalingskredieten dan voor verplichtingen: ongebruikte betalingskredieten worden geannuleerd, verplichtingen blijven onafgewikkeld. Dit verschil in behandeling leidt tot een toename van de niet-afgewikkelde betalingsverplichtingen (zie paragraaf 2.18) en vervolgens tot een tijdsverloop tussen verplichtingen en betalingen.

2.29.

De toename van de niet-afgewikkelde betalingsverplichtingen is een normaal aspect van meerjarenprogrammering zoals bij de structuurfondsen. Normaal wordt verwacht dat de RAL toeneemt in de eerste jaren, vervolgens stabiliseert en dan tegen het einde van de periode weer daalt. In een systeem met gesplitste kredieten is er geen enkele reden waarom betalingen en vastleggingen in een bepaald jaar gelijk zouden moeten zijn.

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

2.30.

Het verslag van de Commissie over het begrotingsbeheer biedt nu enige aanvullende informatie over de voortgang van de bestedingsprogramma's. Toch kan de informatie nog worden verbeterd door deze uitgebreider toe te lichten, de vooruitgang te toetsen aan de verwachte prestaties en door het begrotingsbeheer en de verantwoording nauwkeuriger weer te geven. Er zou ook informatie kunnen worden verstrekt over de verwachte bestedingen door de lidstaten en de toepassing van de regel „jaar n + 2” op de structuurfondsen.

2.30.

Zoals aanbevolen in het verslag van de Rekenkamer van vorig jaar heeft de Commissie uitvoerige informatie gegeven over de cumulatieve stand en de vooruitgang van enkele van de belangrijkste meerjarenprogramma's (met name de structuurfondsen, het Cohesiefonds, Sapard en ISPA).

De Commissie is bereid om te streven naar verbetering van de verstrekte informatie, zoals in het verleden is gedaan, onder meer in het verslag van 2004. Bovendien wijst de Commissie de Rekenkamer op het uitgebreide jaarlijks verslag betreffende de begrotingsuitvoering van de structuurfondsen, dat het directoraat-generaal Begroting in mei heeft gepubliceerd.

De Commissie verwijst tevens naar haar antwoord op paragraaf 2.4.

2.31.

De verbeterde bestedingsgraad en de daaruit voortvloeiende vermindering van het overschot weerspiegelen een beter beheer door de Commissie en de toename van de bestedingen binnen de grote uitgavenprogramma's, met name die van de structuurfondsen.

 

2.32.

Het volume niet-afgewikkelde begrotingsverplichtingen bleef toenemen en bedroeg eind 2004 109 miljard euro. De toename was hoofdzakelijk het gevolg van de uitbreiding; de onderliggende niet-afgewikkelde begrotingsverplichtingen voor EU-15 verminderden licht. De regel „jaar n + 2”, waarmee de situatie in verband met de structuurfondsen onder controle moet blijven, heeft sinds de invoering ervan in het algemeen nog weinig vrijmakingen opgeleverd.

2.32.

Het niveau van de annuleringen is op zich geen goede indicator voor de doeltreffendheid van de regel „jaar n + 2”. Deze regel heeft ook gevolgen voor het stimuleren van de uitvoering (zie ook het antwoord op paragraaf 2.24).

2.33.

De niet-afgewikkelde begrotingsverplichtingen voor de structuurfondsen zijn hoger dan de Commissie in haar herziene prognose van 2002 voorzag. De Rekenkamer geeft de Commissie in overweging haar analysen bij te werken om de gevolgen voor de lopende en de volgende periode vast te stellen en uit te maken of specifieke maatregelen noodzakelijk zijn.

2.33.

Het patroon van de feitelijke besteding en het feitelijke niveau van niet-afgewikkelde verplichtingen worden geanalyseerd en bij de voorbereiding van het voorontwerp van begroting gebruikt voor het schatten van de betalingsbehoeften. Momenteel zijn er geen plannen om een herziene mededeling in te dienen.

2.34.

De EU-begrotingsgegevens bieden geen volledig beeld van de werkelijke uitgaven en evenmin voldoende duidelijke informatie over de juridische verbintenissen van de Unie. Voor de structuurfondsen is de begroting voor verplichtingen gebaseerd op gelijke jaartranches; de begroting voor betalingen wordt opgesteld overeenkomstig gelijkmatige en coherente, aanbodgestuurde bestedingsramingen, maar uitgevoerd overeenkomstig ongelijkmatige, vraaggestuurde aanvragen van de lidstaten. Zoals de Commissie reeds erkende, is zij slechts beperkt in staat de begrotingsuitvoering voor meerjarige uitgavenprogramma's actief te beheren (34).

2.34.

De jaarlijkse vastleggingskredieten voor de structuurfondsen worden rechtstreeks bepaald door de meerjarenprogrammering (d.i. aanbodgestuurd). In zekere mate geldt dit ook voor andere grote meerjarenprogramma's.

Betalingskredieten moeten evenwel vraaggestuurd zijn, met uitzondering van beperkte voorschotten. Bij het jaarlijks begroten van de betalingskredieten wordt gestreefd naar realistische ramingen van de feitelijke vraag op grond van ontwikkelingen in de uitvoering en andere informatie ter zake. De basis voor die ramingen door de Commissie van de betalingsbehoeften voor de structuurfondsen wordt in het algemeen gegeven in het voorontwerp van begroting. Door de band genomen was er in 2004 een aanzienlijke verbetering bij het begroten van de betalingen.

Het bedrag van de juridische verbintenissen waarvoor nog geen begrotingsvastleggingen zijn gedaan, wordt in de jaarrekeningen van de Gemeenschappen vermeld onder de voorwaardelijke verplichtingen.

2.35.

Aangezien ongebruikte betalingskredieten en de desbetreffende financiering niet kunnen worden overgedragen ter dekking van latere behoeften, vallen de geprogrammeerde uitgavenperiode (bv. 2000-2006) en het tijdstip van de werkelijke uitgaven niet samen. Dit brengt mee dat er aan het eind van de programmeringsperiode een hogere bestedingsgraad nodig is — hetgeen moeilijk beheersbaar is — ofwel dat de toch al hoge en stijgende niet-afgewikkelde begrotingsverplichtingen en -uitgaven nog verder toenemen, waarbij de uitgaven van de ene periode overlopen in de nieuwe periode en de start daarvan kunnen hinderen. Wordt hieraan niet specifiek aandacht besteed, dan zal dit tijdsverschil in de toekomst blijven bestaan.

2.35.

De Commissie is verplicht voldoende betalingskredieten in de begroting op te nemen, indien nodig door een gewijzigde begroting voor te stellen, zoals in 2004 het geval was voor de structuurfondsen. De uitvoering van de begroting in 2004 deed de RAL niet toenemen, behalve voor de nieuwe lidstaten, wat normaal en onvermijdelijk was voor dergelijke nieuwe maatregelen. De betalingskredieten voor de structuurfondsen worden hoofdzakelijk bepaald door de verzoeken van de lidstaten om terugbetalingen en de budgettering moet dit weergeven. De regel „jaar n + 2” beperkt het concentreren van de betalingen aan het einde van de programmeringsperiode; de Commissie deelt de bezorgdheid dat de betaling voor de programma's van de periode 2000-2006 de start van de volgende programmeringsperiode zouden kunnen hinderen, dan ook niet.

De Commissie verwijst tevens naar haar antwoord op paragraaf 2.23.


(1)  In het geval van gesplitste kredieten.

(2)  Zie paragraaf 2.21 en bijlage I voor achtergrondinformatie over de begroting.

(3)  Ook dit jaar is dit document alleen beschikbaar op de website van de Commissie — http://europa.eu.int/comm/budget/infos/publications_en.htm — hoewel artikel 29 van het Financieel Reglement voorschrijft dat het moet worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

(4)  Paragraaf 2.4.

(5)  Overeenkomstig het bepaalde in artikel 128 van het Financieel Reglement wordt dit verslag toegezonden aan het Europees Parlement, de Raad en de Rekenkamer.

(6)  Vastgesteld door het Europees Parlement op 18 december 2003 (PB L 53 van 23.2.2004).

(7)  Gewijzigde begroting nr. 1/2004 van 9 maart 2004 (PB L 128 van 29.4.2004, blz. 1).

(8)  Door toepassing van het flexibiliteitsinstrument zijn welbepaalde uitgaven die met de beschikbare maximumbedragen niet konden worden gefinancierd, toch te financieren. In de regel mag dit instrument niet worden gebruikt om twee opeenvolgende jaren dezelfde behoeften te dekken.

(9)  Exclusief gewijzigde begroting nr. 1/2004 voor uitbreiding maar inclusief de gewijzigde begrotingen nrs. 2 tot 10/2004.

(10)  Zie paragraaf 2.10 van het Jaarverslag 2003 van de Rekenkamer.

(11)  Het overschot is geen reserve die kan worden gecumuleerd en in de volgende jaren kan worden besteed om uitgaven te financieren. De onbestede ontvangsten die het overschot vormen, worden afgetrokken van de in het volgende jaar te innen eigen middelen. De ongebruikte kredieten voor betalingen die voortvloeien uit de onderbesteding, worden meestal geannuleerd en gaan dan „verloren”.

(12)  Door het Europees Parlement op 18 december 2003 definitief vastgestelde begroting voor EU-15 (PB L 53 van 23.2.2004).

(13)  Begrotingskredieten gewijzigd na verrekening van gewijzigde begrotingen (inclusief die voor de uitbreiding) en overschrijvingen, inclusief uit 2003 overgedragen kredieten, ontvangsten als gevolg van deelnemingen van derden, andere ontvangsten met een bepaalde bestemming en wederopgevoerde kredieten.

Bron: Jaarrekening 2004.

(14)  Inclusief de annulering van 276 miljoen euro aan ongebruikte overgedragen kredieten (2 074 miljoen euro in 2003).

(15)  Het overgedragen bedrag omvat 1 263 miljoen euro met betrekking tot ontvangsten van derden met een bestemming waarvoor de gebruikelijke annuleringsregels voor overdrachten niet gelden (1 044 miljoen euro in 2003).

(16)  Aanpassing voor verkregen maar niet begrote bestemmingsontvangsten.

(17)  Diverse elementen, hoofdzakelijk met betrekking tot hergebruikte overgedragen kredieten en EFTA-bijdragen.

Bron: Jaarrekening 2004.

(18)  Zie paragraaf 2.26 van het Jaarverslag 2002 van de Rekenkamer en de paragrafen 2.31 en 2.47 van het Jaarverslag 2003 van de Rekenkamer.

(19)  Zie paragraaf 2.14 van het Jaarverslag 2003 van de Rekenkamer.

(20)  Voor betalingskredieten betreffende ontvangsten met een bestemming gelden specifieke regels omdat die van een andere aard zijn. Zie paragraaf 2.37 van het Jaarverslag 2003 van de Rekenkamer.

(21)  Nr. 10/2004 (PB L 80 van 29.3.2005, blz. 1).

(22)  Zie paragraaf 2.12 van het Jaarverslag 2003 van de Rekenkamer.

(23)  Paragraaf 2.48 van het Jaarverslag 2003 van de Rekenkamer: „Dat de RAL in de periode 2000-2006 2,3 keer zo groot zijn als de huidige jaarlijkse betalingen […] komt overeen met de prognose van de Commissie”.

(24)  Grafiek 7 van de Mededeling van de Commissie — Ontwikkeling van de begrotingsuitvoering voor de structuurfondsen, en met name van de RAL. (COM(2002) 528 def. van 20.9.2002). Hetzelfde werd niet gedaan voor het Cohesiefonds, hoewel het saldo van de niet-afgewikkelde begrotingsverplichtingen hier 9,7 miljard euro bedraagt.

(25)  Artikel 76, lid 3: „Vastleggingen voor acties waarvan de tenuitvoerlegging zich over meer dan een begrotingsjaar uitstrekt, mogen slechts in jaartranches worden verdeeld wanneer het basisbesluit daarin voorziet …”.

(26)  Zie de niet in de balanstelling opgenomen verbintenissen in de jaarrekening: paragraaf 6 van de voorwaardelijke verplichtingen.

(27)  „De administratieve en financiële kosten waarmee de voltooiing van de programma's uit de periode 1994-1999 gepaard ging, hebben in belangrijke mate bijgedragen tot de vertraagde start van de programma's voor de periode 2000-2006.” COM(2002) 528 def., blz. 4.

(28)  Zie bijvoorbeeld het antwoord van de Commissie op paragraaf 2.48 van het Jaarverslag 2003 van de Rekenkamer: „Door de „N + 2” regel zullen de RAL in de komende paar jaar waarschijnlijk op een stabiel niveau blijven …”.

(29)  4 % van de aan elke lidstaat toegewezen middelen werd in reserve gehouden om ze in drie tranches van 2004 tot 2006 onder de best presterende programma's te verdelen.

(30)  Zo werd overeenkomstig de regel „jaar n + 2” in Nederland 167 miljoen euro van een programma vrijgemaakt, maar werd aan hetzelfde programma 76 miljoen euro toegewezen uit de prestatiereserve.

(31)  Paragraaf 2.35: „Er bestaat echter een risico dat de lidstaten, om te voorkomen dat verplichtingen worden geannuleerd, uitgaven declareren die niet subsidiabel zijn”.

(32)  Behalve aan het einde van het laatste jaar van een programmeringsperiode.

(33)  Zie paragraaf 2.12 en tabel 2.3 van het Jaarverslag 2003 van de Rekenkamer.

(34)  Antwoord van de Commissie op paragraaf 2.32 van het Jaarverslag 2003 van de Rekenkamer.


HOOFDSTUK 3

Ontvangsten

INHOUD

Inleiding

Specifieke beoordeling in het kader van de betrouwbaarheidsverklaring

Traditionele eigen middelen

Inleiding

Beoordeling van de toezicht- en controlesystemen

Toezicht- en controlesystemen van de Commissie

Toezicht- en controlesystemen in de lidstaten

Controlebevindingen betreffende de verrichtingen van het begrotingsjaar

Vastgestelde, maar nog niet ter beschikking van de Commissie gestelde bedragen (B-boekhouding)

Suikerheffingen

Eigen middelen BTW/BNI

Inleiding

Beoordeling van de toezicht- en controlesystemen

Toezicht- en controlesystemen van de Commissie

Toezicht- en controlesystemen in de lidstaten

Jaarlijkse activiteitenverslagen en verklaringen van de directeuren-generaal

Conclusie en aanbevelingen

OPMERKINGEN VAN DE REKENKAMER

ANTWOORDEN VAN DE COMMISSIE

INLEIDING

3.1.

De begrotingsontvangsten van de Europese Unie bestaan uit eigen middelen en andere ontvangsten. Eigen middelen vormen verreweg de belangrijkste financieringsbron voor begrotingsuitgaven (92 %), zoals blijkt uit tabel 3.1, grafiek 3.1 en grafiek 3.2 . Er zijn drie categorieën eigen middelen: traditionele eigen middelen (douanerechten, landbouw- en suikerheffingen) (13 %), eigen middelen die zijn berekend op basis van de door de lidstaten geïnde belasting over de toegevoegde waarde (15 %) en eigen middelen op basis van het bruto nationaal inkomen van de lidstaten (72 %).

 

Tabel 3.1 — Ontvangsten over de begrotingsjaren 2003 en 2004

(miljoen euro)

Soort ontvangsten en desbetreffend begrotingsonderdeel

Werkelijke ontvangsten in 2003

Evolutie van de begroting 2004

Werkelijke ontvangsten in 2004

Wijziging in % (2003-2004)

Oorspronkelijke begroting

Definitieve begroting

 

(a)

(b)

(c)

(d)

e = [(d) – (a)]/(a)

1

Traditionele eigen middelen

10 857,2

11 049,0

12 406,9

12 307,1

13,4 %

— Landbouwrechten (hoofdstuk 10)

1 011,8

839,1

1 325,6

1 313,4

29,8 %

— Heffingen op/bijdragen voor suiker en isoglucose (hoofdstuk 11)

383,2

359,9

416,9

401,6

4,8 %

— Douanerechten (hoofdstuk 12)

9 462,1

9 850,0

10 664,4

10 592,1

11,9 %

2

BTW-middelen

21 260,1

13 319,5

13 579,9

13 912,1

–34,6 %

— BTW-middelen uit het lopende begrotingsjaar (hoofdstuk 13)

21 534,9

13 319,5

13 579,9

13 679,3

 

— Saldi uit voorgaande begrotingsjaren (hoofdstuk 31)

– 274,8

0,0

0,0

232,8

 

3

BNI-middelen

51 235,2

69 444,6

69 010,2

68 982,0

34,6 %

— BNI-middelen uit het lopende begrotingsjaar (hoofdstuk 14)

50 624,3

69 444,6

69 010,2

69 214,2

 

— Saldi uit voorgaande begrotingsjaren (hoofdstuk 32)

610,9

0,0

0,0

– 232,2

 

4

Saldi en aanpassingen

280,1

0,0

0,0

– 148,0

– 152,8 %

— UK-correctie (hoofdstuk 15)

281,1

0,0

0,0

– 149,3

 

— Definitieve berekening van de UK-correctie (hoofdstuk 35)

–1,0

0,0

0,0

1,3

 

5

Overige ontvangsten

9 836,1

805,6

6 809,6

8 458,7

–14,0 %

— Overschot van het vorige begrotingsjaar (hoofdstuk 30)

7 676,8

0,0

5 693,0

5 693,0

–25,8 %

— Diverse ontvangsten (titels 4 t/m 9)

2 159,3

805,6

1 116,6

2 765,7

28,1 %

Totaal-generaal

93 468,6

94 618,7

101 806,6

103 511,9

10,7 %

Bron: Begrotingen en gewijzigde begrotingen 2004; Jaarrekening van de Europese Gemeenschappen, 2004.

Image

Image

SPECIFIEKE BEOORDELING IN HET KADER VAN DE BETROUWBAARHEIDSVERKLARING

Traditionele eigen middelen

Inleiding

3.2.

De traditionele eigen middelen worden vastgesteld en geïnd door de lidstaten overeenkomstig nationale wetten en voorschriften die moeten voldoen aan de vereisten van de communautaire regelgeving (2). De risico's voor de inning van traditionele eigen middelen zijn ontduiking van de heffing door een verkeerde voorstelling van zaken of eenvoudig door smokkel, onjuiste berekening of het niet vaststellen van rechten wegens onopgemerkte fouten of gebreken in de systemen en fouten of weglatingen in de boeking van de vastgestelde rechten door de lidstaten.

 

3.3.

Niet-aangegeven importen of importen die aan het douanetoezicht zijn ontsnapt vallen buiten het bestek van de controle van de Rekenkamer. Naast rechtstreekse controles van de douaneaangiften en boekhoudsystemen omvatten de controlewerkzaamheden van de Rekenkamer echter een beoordeling van de toezicht- en controlesystemen bij de Commissie en in de lidstaten, om na te gaan of de bestaande regelingen redelijke zekerheid bieden qua volledigheid. De werkzaamheden bestonden uit:

a)

bestudering van de organisatie van het douanetoezicht en van de nationale systemen voor de boeking van de traditionele eigen middelen in twaalf lidstaten (3). Met name onderzocht de Rekenkamer het douanetoezicht aan de landgrenzen in acht van deze lidstaten en het gebruik van elektronische inklaringssystemen in twaalf lidstaten (zie de paragrafen 3.6 tot en met 3.18);

b)

verificatie van de in 2004 voltooide berekening van de suikerheffingen;

c)

onderzoek van de rekeningen van de Commissie voor de traditionele eigen middelen, met een analyse van de instroom van rechten uit alle lidstaten ter verkrijging van redelijke zekerheid dat de geboekte bedragen volledig en correct zijn.

 

Beoordeling van de toezicht- en controlesystemen

Toezicht- en controlesystemen van de Commissie

3.4.

De Commissie kan de lidstaten verzoeken controles te verrichten met betrekking tot de vaststelling en terbeschikkingstelling van de traditionele eigen middelen en kan ook zelf dergelijke controles verrichten, hetzij in samenwerking met de autoriteiten van de lidstaat, hetzij zelfstandig (4). Naar de betrokken lidstaten worden afzonderlijke controleverslagen gezonden die tezamen met de ontvangen antwoorden worden onderzocht tijdens vergaderingen van het Raadgevend Comité voor de eigen middelen (5). Om de drie jaar wordt een algemeen verslag over het functioneren van de controles opgesteld en aan de begrotingsautoriteit voorgelegd (6).

 

3.5.

De Rekenkamer heeft de inspecties beoordeeld en rekening gehouden met de resultaten. Evenals in voorgaande jaren werd de methodiek gefundeerd en de documentatie goed bevonden. De inspecties wezen uit dat de systemen voor de inning van de eigen middelen doorgaans bevredigend zijn, maar bevestigden de nog steeds geringe betrouwbaarheid van de B-boekhouding in sommige lidstaten (zie paragraaf 3.23).

3.5.

De Commissie zal zich bij haar inspecties van de traditionele eigen middelen blijven concentreren op het beheer door de lidstaten van de B-boekhouding.

Toezicht- en controlesystemen in de lidstaten

3.6.

De toezicht- en controlesystemen voor traditionele eigen middelen in de lidstaten omvatten in de eerste plaats toezicht door de douaneautoriteiten op de wijze zoals bepaald in het communautair douanewetboek (7). De communautaire regelgeving schrijft doorgaans geen bijzondere methoden of het niveau van de douanecontrole voor, maar laat dit over aan de lidstaten.

 

Douanetoezicht aan de buitengrens te land van de Europese Unie

3.7.

De Rekenkamer heeft in acht lidstaten (8) het toezicht en de inklaring door de douane bij geselecteerde grensovergangen te land onderzocht. De controle was toegespitst op een evaluatie van het douanetoezicht en de controleprocedures die ten doel hebben, te waarborgen dat alle goederen een douanebehandeling (9) ondergaan. De procedures waarmee wordt gewaarborgd dat inkomende goederen de juiste behandeling krijgen, bleken bij de bezochte grensposten doorgaans bevredigend.

 

Inning van invoerrechten met behulp van elektronische inklaring

3.8.

De Commissie is bezig met de uitvoering van een actieplan (10) waarmee in het algemeen doeltreffender douaneprocedures worden bevorderd door een betere inzet van informatietechnologie. De computersystemen voor de indiening en inklaring van douane-aangiften maken het mogelijk, de berekening en de verantwoording van rechten alsmede diverse routinecontroles te automatiseren. Dergelijke systemen kunnen ook worden gebruikt om de aangiften en zendingen te selecteren die door de douanebeambten moeten worden gecontroleerd, terwijl de rest automatisch wordt ingeklaard; hierdoor worden verstoringen van het internationale handelsverkeer en de controlekosten sterk verminderd. De betrouwbaarheid van elektronische inklaringssystemen en de kwaliteit van de daarin opgenomen procedures voor risicoanalyse zijn zo van grote invloed op de volledigheid en juiste berekening van de traditionele eigen middelen. De systemen van de lidstaten verkeren thans in uiteenlopende ontwikkelingsstadia. In 2003 inspecteerde de Commissie elektronische inklaringssystemen, bevond deze over het geheel genomen bevredigend en beval een verdere uitbreiding van het gebruik ervan aan (11).

 

3.9.

De Rekenkamer onderzocht de elektronische inklaringssystemen in twaalf lidstaten (12) en het toezicht en de coördinatie door de Commissie. Uit de controle bleken geen ernstige tekortkomingen in de tot dusver door de Commissie ondernomen acties of in de systemen van de bezochte lidstaten. De Rekenkamer vestigt echter de aandacht op de volgende punten, waarop zij verdere actie aanbeveelt voordat kan worden afgezien van de gebruikelijke aangiften op papier.

 

3.10.

Wanneer computersystemen worden gehanteerd, moeten er uitgeteste plannen bestaan voor noodvoorzieningen in geval van rampen. In drie bezochte lidstaten bestonden er geen uitgebreide rampenplannen, maar waren er wel enige back-upprocedures en instructies opgesteld. In vier lidstaten bestond er een rampenplan, maar was dit niet getest. Deze gebreken vormen een risico voor de continuïteit van invoer en uitvoer en voor de inning van douanerechten bij defecten of andere noodsituaties.

3.10.

De Commissie stemt in met het commentaar van de Rekenkamer betreffende het belang van noodvoorzieningen. Voorzorgsmaatregelen zijn nodig om verstoring van de handel te voorkomen, om controle door de douaneautoriteiten mogelijk te maken en om de inning van traditionele eigen middelen te beschermen. De Commissie heeft in de wetgeving (artikel 353 van Verordening (EEG) nr. 2454/93, zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 837/2005) dergelijke procedures opgenomen voor het nieuwe geautomatiseerde systeem voor douanevervoer (NCTS) van de Gemeenschap. De Commissie zou ook graag willen opmerken dat handmatige systemen storingsgevoelig zijn. Waar dit is gebeurd, zijn de betalingen van de traditionele eigen middelen gecorrigeerd, zoals noodzakelijk geacht om geen inkomsten voor de begroting van de Gemeenschap verloren te laten gaan.

3.11.

In zes bezochte lidstaten mogen de ED-formulieren (13) op papier en vergezeld van een diskette worden ingezonden. De gegevens worden zonder elektronische handtekening van de diskette in het systeem ingevoerd. Juridisch gezien is slechts het conventionele papieren formulier bindend. In drie lidstaten waren er geen officieel vastgestelde en geregistreerde procedures voor de controle op de gegevensinvoer ter garantie dat de gegevens op de diskette overeenkwamen met het gedrukte formulier, of werden de procedures niet altijd gevolgd. Zodoende bestaat er een risico dat de gegevens die met de computer worden verwerkt, waaronder de bedragen aan invoerrechten, verschillen van de op de ED-formulieren vermelde gegevens.

3.11.

Als onderdeel van de regelmatige follow-up van problemen die door de Rekenkamer bij de Commissie zijn aangekaart, zal deze laatste bij de lidstaten blijven aandringen op het instellen van passende controles.

3.12.

Wanneer de aangiften niet voor 100 % kunnen worden gecontroleerd, moeten er een risicoanalyse en risicoprofielen worden gehanteerd om uit te maken of een import moet worden onderzocht. Risicoprofielen kunnen het best worden gebruikt wanneer de inklaring is gecomputeriseerd. Ter garantie van de efficiëntie en van een gelijkmatig controleniveau bij alle douaneposten heeft de Commissie een aantal instrumenten (14) voorgesteld, waaronder een gemeenschappelijke methodologie en gemeenschappelijke criteria voor het risicobeheer. De Commissie stelt tevens voor dat douanekantoren aan de grens zich concentreren op toelatings- en veiligheidscontroles. De fiscale en handelspolitieke controles moeten in de regel via audits en controles ter plaatse op basis van gemeenschappelijke risicocriteria in de gebouwen van de bedrijven worden verricht.

3.12.

Gelet op de omvang van de internationale handel en het brede scala aan taken van de douanediensten, zullen douanecontroles altijd selectief zijn. Risicoanalyse speelt niet alleen een rol bij de uniforme inning van douanerechten (en de stipte overmaking ervan aan de Commissie), maar ook bij andere taken. Deze taken en de door de Commissie voorgestelde bijbehorende instrumenten lopen uiteen van de bescherming van Europese burgers tegen bedreigingen van hun gezondheid, hun veiligheid en beveiliging, tot de inning van douanerechten.

3.13.

De Rekenkamer heeft al eerder verslag (15) uitgebracht over het gebruik van technieken voor risicoanalyse. Maar ondanks de steun en aanbevelingen van de Commissie bestaan er nog steeds verschillen tussen de lidstaten wat betreft de mate waarin zij stelselmatig gebruikmaken van risicoanalyse en risicoprofielen bij het oriënteren van de controles, ook al heeft de computerisering van de douaneprocedures dit mogelijk gemaakt.

3.13.

Naar aanleiding van de recente wijziging van het douanewetboek (Verordening (EG) nr. 648/2005 van het Europees Parlement en de Raad) werken de Commissie en de lidstaten verder samen om een communautair kader voor risicobeheer ten uitvoer te leggen.

3.14.

Bij een wijziging van het douanewetboek (16) wordt de lidstaten een verplichting opgelegd om risicobeheer te hanteren. Daarin wordt bepaald binnen welk tijdsbestek de lidstaten passende op risicoanalyse gebaseerde controles moeten hebben ingevoerd en wanneer de douanecontroles zullen worden gebaseerd op risicoanalyse met behulp van geautomatiseerde technieken voor gegevensverwerking. Om aan deze nieuwe regels te voldoen, zullen er extra inspanningen nodig zijn. Zoals de Rekenkamer gedurende haar controle constateerde, werden er in 2004 in twee lidstaten helemaal geen risicoprofielen gehanteerd, zodat beslissingen over fysieke controles of controles aan de hand van stukken hoofdzakelijk gebaseerd waren op het louter persoonlijke, subjectieve initiatief van de douanebeambte. In twee andere lidstaten werden slechts op een gedeelte van de invoer risicoanalyses verricht, waardoor goederen op basis van bepaalde vereenvoudigde procedures werden ingevoerd zonder dat de controlemaatregelen waren afgestemd op de profielen.

3.14.

De beide lidstaten waarvan de Rekenkamer had geconstateerd dat zij geen risicoanalyse toepasten, stonden op het punt dit te doen; beide landen hebben eind 2004 systemen voor controle op de invoer geïntroduceerd. Dit is een belangrijk begin, maar de goedkeuring van een basis voor risicoanalyse ten behoeve van douanecontrole heeft veel verder gaande gevolgen. Risicoanalyse moet een rol spelen bij alle soorten douanecontroles, met inbegrip van het selecteren van importeurs die toestemming krijgen om vereenvoudigde procedures toe te passen, en de frequentie en inhoud van op audits gebaseerde controles. Verwacht wordt dat de lidstaten behalve de veiligheids- en beveiligingsproblemen waarvoor specifieke doelstellingen zijn vastgesteld, in verschillend tempo een reeks maatregelen zullen goedkeuren, afhankelijk van de omvang van het douaneverkeer en de soorten douaneverkeer die zij afhandelen.

3.15.

In één lidstaat zijn de fiscale risicoprofielen bij de grenzen verminderd en vervangen door op audit gebaseerde fiscale controles in de gebouwen van de bedrijven. Deze strategie is in overeenstemming met het voorstel van de Commissie in haar mededeling van juli 2003. Deze aanpak kan echter de douanecontrole verzwakken, aangezien de frequentie van de controles bij vele bedrijven laag is.

3.15.

De Commissie zal de lidstaten herinneren aan de belangrijke rol die de frequentie van controles kan spelen bij de tenuitvoerlegging van een op audits gebaseerde controlestrategie.

3.16.

Hoewel in de lidstaten het belang van aselecte steekproeven als aanvullend element algemeen werd erkend, worden statistische aselecte steekproeven van goederen in zes van de bezochte lidstaten niet toegepast.

3.16.

De Commissie blijft haar aanbeveling herhalen dat in de selectiecriteria voor zendingen of aangiften die door de douane moeten worden gecontroleerd in het kader van het communautaire risicobeheer, een aselect element wordt opgenomen.

3.17.

De douaneautoriteiten moeten de resultaten van de douanecontroles regelmatig volgen en onderzoeken om de doeltreffendheid en efficiëntie van het systeem voor risicobeheer te beoordelen, en daarbij feedback van het inklaringsproces van de douane benutten om de analyse van en het stellen van prioriteiten voor controlewerk bij te werken.

3.18.

Bij sommige douanediensten werden gebreken geconstateerd in de registratie van de resultaten van controles aan de hand van stukken/fysieke controles en in de rapportage aan de centrale diensten. In sommige gevallen werden zonder motivering of goedkeuring door de leiding filters overgeslagen. Verder werden de risicoprofielen niet altijd naar behoren op doeltreffendheid gecontroleerd of ontbrak het aan coördinatie tussen de afdelingen die verantwoordelijk waren voor het opzetten van filters op de diverse niveaus (centraal, regionaal, lokaal). Ontoereikend toezicht op en onderzoek van het functioneren van risicoprofielen en van de resultaten van douanecontroles leiden tot een gebrek aan feedback uit het proces, dat op zijn beurt zowel een tijdige aanpassing van de risicoprofielen als een optimale prioriteitstelling voor het controlewerk van de douane in de weg staat.

3.17 en 3.18.

De Commissie is het ermee eens dat het registreren van resultaten en het evalueren en bijwerken van risicoprofielen belangrijke aspecten zijn van een deugdelijk risicobeheer en zij zal er bij de lidstaten op blijven aandringen hiertoe passende procedures in te voeren.

Controlebevindingen betreffende de verrichtingen van het begrotingsjaar

Vastgestelde, maar nog niet ter beschikking van de Commissie gestelde bedragen (B-boekhouding)

3.19.

Rechten waarvoor geen zekerheden zijn gesteld of die worden betwist waardoor zij wijzigingen kunnen ondergaan, behoeven niet ter beschikking van de Commissie te worden gesteld indien de lidstaten ze in plaats daarvan opnemen in een specifieke boekhouding (de B-boekhouding). Elke lidstaat zendt de Commissie een kwartaaloverzicht van zijn B-boekhouding toe. Het nettosaldo in de balans van de Gemeenschappen onder „door de lidstaten verschuldigde bedragen” bedraagt 739,4 miljoen euro (2003: 729,3 miljoen euro).

 

3.20.

Per 31 december 2004 bedroeg het brutosaldo voor de B-boekhouding in de rekeningen van de Commissie 1 905,0 miljoen euro, 19,4 % minder dan het overeenkomstige cijfer per 31 december 2003 (2 364,3 miljoen euro) (17) . De voornaamste reden voor deze verandering is dat de boekingen met betrekking tot de invoer van boterproducten uit Nieuw-Zeeland uit de B-boekhouding zijn verwijderd nadat de desbetreffende kwestie was geregeld (18).

 

3.21.

De Rekenkamer juicht de vaststelling van Verordening (EG, Euratom) nr. 2028/2004 van de Raad (19) toe, krachtens welke de lidstaten de bedragen aan traditionele eigen middelen die niet binnen een bepaalde termijn zijn teruggevorderd, moeten afschrijven. De verordening voert ook een voorschrift in waarbij de lidstaten een raming moeten verstrekken van het bedrag in hun B-boekhouding dat waarschijnlijk niet zal kunnen worden ingevorderd.

 

3.22.

Om te kunnen onderkennen in hoeverre terugvordering onwaarschijnlijk is, heeft de Commissie in haar balans een afschrijving ingevoerd op basis van de sinds kort door de lidstaten verstrekte informatie. De totale afschrijving ligt tussen de grenswaarden die een vergelijking met de voorgaande jaren oplevert. De meeste lidstaten hebben echter geen informatie verstrekt over de methoden die zij hebben gehanteerd om hun ramingen op te stellen. Bijgevolg kan de Rekenkamer het bedrag van de afschrijving niet bevestigen en is zij van oordeel dat de Commissie een sturende rol zou moeten spelen om een volledig coherente aanpak te waarborgen. De ramingen van het niet-invorderbare gedeelte die de lidstaten verstrekken, variëren van 10 % (12,8 miljoen euro, Verenigd Koninkrijk) tot 96 % (118 miljoen euro, Spanje) (20).

3.22.

De Commissie is van mening dat zij, door gebruik te maken van de door de lidstaten opgestelde ramingen, het door het Financieel Reglement vereiste voorzichtigheidsbeginsel heeft toegepast. De inning van douaneschulden is gebonden aan nationale wetten en procedures. Alleen de lidstaten zijn op de hoogte van de betrouwbaarheid van de gronden voor de betalingsverzoeken, van de activa waarover de debiteur beschikt en van de kans van slagen van de hun ter beschikking staande invorderingsprocedures. De Commissie heeft de lidstaten tijdens de vergadering van het Raadgevend Comité voor de eigen middelen van 9 december 2004 het achterliggende principe uitgelegd waarop zij zich bij de opstelling van hun ramingen moeten baseren. De Commissie zal de lidstaten eraan herinneren dat zij verantwoordelijk zijn voor het produceren van op realistische gegevens gebaseerde ramingen.

3.23.

Evenals in voorgaande jaren (21) brachten de controle van de Rekenkamer en de inspecties van de Commissie (zie paragraaf 3.5) in verscheidene lidstaten (België, Duitsland, Ierland, Italië, Cyprus, Polen, Slowakije, Zweden en het Verenigd Koninkrijk) systematische problemen met de B-boekhouding aan het licht, zoals te late of foutieve boekingen, omissies en onjuiste annuleringen. In 2003 schrapte Duitsland boekingen voor een totaalbedrag van 40,1 miljoen euro uit zijn B-boekhouding zonder daarvoor een volledige verklaring te geven.

3.23.

De Commissie blijft de betrokken lidstaten net zolang aan deze punten herinneren totdat zij uitleg krijgt en bereikt dat de fouten worden gecorrigeerd.

Suikerheffingen

3.24.

In de gemeenschappelijke marktordening voor de suikersector zijn de producenten financieel aansprakelijk voor de verliezen ten gevolge van de afzet van overproductie in het kader van de quotaregeling (22). Dit beginsel wordt toegepast door middel van heffingen op de productie van suiker, isoglucose en inulinestroop. De heffingen worden berekend door de Commissie (479,8 miljoen euro voor het verkoopseizoen 2002/2003) en door de lidstaten geïnd bij de fabrikanten. De lidstaten houden 25 % van de heffingen in als inningskosten (23).

 

3.25.

De Rekenkamer verrichtte een follow-up van eerdere werkzaamheden met betrekking tot de suikerheffingen en onderzocht de berekening die in september 2004 werd afgerond (voor het verkoopseizoen 1 juli 2002-30 juni 2003). De Rekenkamer constateerde dat het systeem voor de berekening van de suikerheffingen in het algemeen bevredigend functioneerde, ondanks dubbelzinnigheden in de voorgeschreven berekeningsmethode (24), die moeten worden weggenomen. Zij vestigt tevens de aandacht op de volgende punten, waarop corrigerende maatregelen worden aanbevolen:

3.25.

 

a)

het totaalbedrag aan suikerheffingen (479,8 miljoen euro) is per abuis met ongeveer 6 miljoen euro ondergewaardeerd;

a)

De correcties worden automatisch aangebracht bij de berekening van de heffingen voor 2005, waarin de berekeningen en overboekingen van de voorgaande verkoopseizoenen moeten worden verdisconteerd.

b)

wat betreft de twee voornaamste gegevensbronnen waarop de berekening is gebaseerd:

b)

 

 

i)

in de Comtext-database van Eurostat (25) deden zich onnauwkeurigheden voor wat betreft de uitgevoerde hoeveelheden inulinestroop, waardoor de Commissie genoodzaakt was, in strijd met de verordening, andere, van de lidstaten afkomstige gegevens te gebruiken;

 

i)

Verordening (EG) nr. 314/2002 wordt aangepast, met name om deze bijzondere berekeningsmethode te verduidelijken.

 

ii)

de door de lidstaten gedane mededelingen werden door de Commissie niet stelselmatig gecontroleerd. Verder heeft de Commissie nog steeds geen richtlijnen gegeven over de beste opzet van controlemechanismen voor het waarborgen van de betrouwbaarheid van deze mededelingen, zoals aanbevolen in Speciaal verslag nr. 20/2000 van de Rekenkamer (26).

 

ii)

Er zijn aanbevelingen gedaan aan het adres van de lidstaten over de opzet van hun controlemechanismen. De Commissie zal bij de opzet van controlemechanismen voor de nieuwe suikerregeling naar behoren rekening houden met de bevindingen van de audits van de Rekenkamer en van haarzelf.

3.26.

Verder is het nog steeds zo dat er met het huidige boekhoudsysteem van de Commissie geen bevredigende toetsingen tussen de ontvangsten en de uit suikerheffingen te financieren uitgaven kunnen worden verricht, zoals opgemerkt in Speciaal verslag nr. 4/91 van de Rekenkamer (27).

3.26.

Een dergelijke boekhoudkundige toetsing tussen de van de heffingen afkomstige middelen en de financiële uitgaven hoeft niet te worden gemaakt. De in de huidige regelgeving van de Raad vervatte berekeningsmethode stipuleert geen overeenstemming tussen de beide elementen. Indien daar behoefte aan bestaat, kan de vergelijking buiten het boekhoudsysteem om worden gemaakt.

Eigen middelen BTW/BNI

Inleiding

3.27.

Anders dan de ontvangsten uit traditionele eigen middelen zijn de eigen middelen BTW en BNI gebaseerd op macro-economische statistieken waarvan de onderliggende gegevens niet rechtstreeks kunnen worden gecontroleerd. Om die reden wordt bij de controle van de BTW/BNI-middelen uitgegaan van de door de lidstaten opgestelde macro-economische aggregaten (in de vorm van ramingen of definitieve cijfers) die de Commissie ontvangt, waarna wordt getracht tot een oordeel te komen over het systeem van de Commissie voor de behandeling van de gegevens tot de uiteindelijke neerslag ervan in de definitieve boekhouding. De controle betreft dus de opstelling van de jaarbegroting en de uitvoering ervan met betrekking tot de maandelijkse betalingen door de lidstaten. Verder concentreert de controle zich op de toezicht- en controlesystemen van de Commissie die ten doel hebben, zekerheid te geven dat de ontvangsten van de Europese Unie correct worden vastgesteld en geïnd. Inzake specifieke aspecten van de eigen middelen BTW/BNI worden afzonderlijke controles verricht.

 

3.28.

De afzonderlijke controles van de Rekenkamer betreffende de eigen middelen BTW en BNI hadden betrekking op controles van de Commissie op de inventarissen van de lidstaten voor het Europees Systeem van rekeningen (ESR 95) (28), de berekening van het gewogen gemiddelde BTW-tarief (GGT) in de BTW-overzichten (29) van de lidstaten en toezicht- en controlesystemen met betrekking tot de opstelling van de nationale rekeningen op de bureaus voor de statistiek in de lidstaten.

 

Beoordeling van de toezicht- en controlesystemen

Toezicht- en controlesystemen van de Commissie

3.29.

De inspectiewerkzaamheden die de Commissie in samenwerking met de lidstaten verricht, vormen een wezenlijk bestanddeel van het controlesysteem voor de eigen middelen BTW en BNI. De Rekenkamer heeft de werkzaamheden onderzocht van de eenheden die deze inspecties verrichten.

 

Eigen middelen BTW

3.30.

Met betrekking tot de eigen middelen uit de BTW leidden de inspecties ter plaatse van de Commissie tijdens het begrotingsjaar 2004 tot 28 nieuwe punten van voorbehoud (30) ten aanzien van specifieke elementen van de BTW-overzichten van de lidstaten (31). De voorbereiding en de verslaglegging over de resultaten van deze inspecties waren van goede kwaliteit. Gezien de beperkte beschikbare middelen heeft de Commissie het echter moeilijk, bij haar controlebezoeken aan de lidstaten dezelfde kwaliteit en frequentie te handhaven als die van vóór de uitbreiding (32). Verder werd weinig vooruitgang geboekt met betrekking tot de follow-up van de controlebevindingen in verband met de punten van voorbehoud (slechts zes punten van voorbehoud werden gedurende het jaar opgeheven) en dus bleven er eind 2004 107 over. Deze punten van voorbehoud hebben vaak betrekking op meerdere begrotingsjaren en vier ervan dateren van BTW-overzichten die meer dan tien jaar geleden zijn ingediend. De Commissie heeft het financiële effect ervan niet geraamd.

3.30.

De analyse van de Commissie laat zien hoe moeilijk het is om de financiële gevolgen van het maken van voorbehoud te ramen, aangezien dat voornamelijk gebeurt in gevallen waarin betrouwbare gegevens ontbreken. Over het algemeen wordt nu juist voorbehoud gemaakt om de lidstaten te dwingen naar betrouwbare kwantitatieve gegevens en een aanvaardbare methodologie te streven. Tot slot heeft de Commissie in 2003 aangekondigd bereid te zijn punten van voorbehoud ten aanzien van langlopende zaken aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen voor te leggen in gevallen waarin dit nuttig lijkt. Dit heeft zijn nut reeds bewezen bij twee lidstaten, die aan de wensen van de Commissie tegemoet zijn gekomen terwijl de inbreukprocedure nog in een voorbereidende fase verkeerde. De Commissie is zich bewust van de toegenomen werklast als gevolg van de uitbreiding en onderzoekt momenteel hoe zij haar middelen het best kan inzetten om de kwaliteit van de inspecties op peil te houden.

Controles op de berekening van het gewogen gemiddelde BTW-tarief in de door de lidstaten ingediende BTW-overzichten

3.31.

Lidstaten die uiteenlopende BTW-tarieven hanteren moeten een gewogen gemiddeld tarief (GGT) berekenen dat wordt gebruikt bij de berekening van de eigen middelen BTW door de Commissie. Elke fout in deze berekening zou de BTW-grondslag die wordt gebruikt bij de berekening van de eigen middelen, beïnvloeden en bijgevolg van invloed zijn op het bedrag aan eigen middelen BTW dat wordt betaald. De Rekenkamer heeft de controles van de Commissie op dit aspect van het systeem onderzocht, de berekening van het GGT in vijf lidstaten (33) gecontroleerd en geverifieerd in hoeverre deze in overeenstemming is met de communautaire regelgeving (34).

 

3.32.

Wat betreft de 29 specifieke punten van voorbehoud in verband met het GGT, constateerde de Rekenkamer dat een aantal daarvan al buitensporig lang (35) in behandeling is. Zodra een voorbehoud was gemaakt, beschikten de lidstaten over een onbepaalde termijn om het probleem op te lossen.

3.32.

Er is geen wettelijke sanctie die de Commissie kan opleggen om de lidstaten ertoe te dwingen gegevensbronnen of berekeningsmethoden snel te verbeteren, ook al bieden inbreukprocedures op langere termijn mogelijk een oplossing. Niettemin worden lopende punten van voorbehoud bij iedere controle opnieuw onderzocht en wordt de ontwikkeling van de discussies over ieder punt van voorbehoud in opeenvolgende controlerapporten gedocumenteerd. In het geval van Oostenrijk is belangrijke vooruitgang geboekt, waardoor het voorbehoud dat zowel door Oostenrijk als de Commissie was gemaakt, kan worden opgeheven zodra de Commissie de overeengekomen wijzigingen heeft ontvangen.

3.33.

Anderzijds heeft de Commissie geen voorbehoud gemaakt bij stelselmatige tekortkomingen (36) in de berekening van het GGT.

3.33.

In het Italiaanse voorbeeld dat de Rekenkamer in een voetnoot aanhaalt, heeft de Commissie geschatte gegevens aanvaard om van een klein aantal producten het BTW-tarief vast te stellen. Voor deze producten zijn de uitgaven bekend, maar is er geen specifieke informatie beschikbaar over de verdeling over verschillende BTW-tarieven of BTW-vrijstelling. Voor bruto-investeringen in vaste activa wordt één geschat percentage gebruikt om onderscheid te maken tussen een normaal en een verlaagd BTW-tarief. Italië kan deze taxatie alleen gedurende een beperkte periode toestaan. Bij de betrokken controle heeft de Commissie bevestigd dat er onvoldoende gegevens waren om deze berekening te voltooien. De Commissie heeft bij wijze van uitzondering slechts voor een korte periode van twee jaar, die later tot vier jaar is verlengd, een verdeling aanvaard die gebaseerd was op een ruwe schatting. De Commissie heeft in haar laatste controleverslag reeds aangekondigd dat deze praktijk niet langer zal worden aanvaard.

3.34.

Bij de Commissie heeft het directoraat-generaal Begroting een groot gedeelte van de controles op de berekening van het GGT aan Eurostat en sommige fiscale aspecten van de berekening aan het directoraat-generaal Belastingen en douane-unie gedelegeerd. Hun respectieve rol en verantwoordelijkheden waren ten tijde van de controle door de Rekenkamer niet officieel vastgelegd.

3.34.

Het directoraat-generaal Begroting behoudt de algehele verantwoordelijkheid voor de vaststelling van het gewogen gemiddelde BTW-tarief, maar krijgt technische ondersteuning van Eurostat voor de weging van economische sectoren en van het directoraat-generaal Belastingen en douane-unie voor de verdeling van goederen en diensten naar BTW-tarieven. Als gevolg van het commentaar van de Rekenkamer is in september 2005 een door de drie directeuren-generaal ondertekend memorandum van overeenstemming in werking getreden waarin deze rollen worden gespecificeerd en waarin ook andere samenwerkingsgebieden worden behandeld.

Eigen middelen BNI

3.35.

Ten aanzien van de eigen middelen BNI was er nog steeds te weinig rechtstreekse verificatie door de Commissie van de nationale rekeningen die ten grondslag liggen aan de in de BNI-vragenlijsten (37) opgegeven cijfers. De Commissie is echter een eenheid aan het opzetten die de verificatie van overheidsrekeningen en door de lidstaten overgelegde nationale rekeningen op zich zal nemen.

 

3.36.

Sinds 2003 schrijft de communautaire regelgeving voor dat de lidstaten een jaarverslag over de kwaliteit van de BNI-gegevens aan de Commissie moeten toezenden. Het verslag moet de informatie bevatten die noodzakelijk is om aan te tonen hoe het BNI-aggregaatcijfer is bereikt, en met name alle significante wijzigingen in de procedures en gebruikte statistische gegevens beschrijven, en de wijzigingen ten opzichte van de eerdere BNI-ramingen verklaren. Overeenkomstig artikel 2, lid 3, van Verordening (EG, Euratom) nr. 1287/2003 moeten inhoud en vorm van het verslag overeenkomen met de richtsnoeren van de Commissie (38).

 

3.37.

Uit een beoordeling van de in 2004 ingediende verslagen over de kwaliteit blijkt het volgende:

a)

sommige lidstaten hebben de richtsnoeren inzake inhoud en vorm niet gevolgd;

b)

er bestaan aanzienlijke verschillen in de hoeveelheid en precisie van de verstrekte informatie;

c)

er wordt geen informatie verstrekt over de resultaten van de onderzoeken naar de kwaliteit van het BNI en de bestanddelen ervan, hoewel zulke informatie in de richtsnoeren wordt verlangd.

3.37.

In 2004 zijn voor het eerst kwaliteitsverslagen ingediend die, in vergelijking met voorgaande jaren, tot een aanmerkelijke verbetering van de aan de hand van de vragenlijst verstrekte informatie hebben geleid. Het is niet ongebruikelijk of verbazingwekkend dat kan worden geconstateerd dat de nieuwe richtsnoeren tot op zekere hoogte verschillend werden geïnterpreteerd toen ze voor het eerst werden gebruikt. Het BNI-comité heeft tijdens zijn vergadering van juli 2005 de voorstellen van Eurostat voor uitgebreide richtsnoeren goedgekeurd, die bedoeld zijn om dit jaar tot een beter geharmoniseerd resultaat te komen.

Controles van de Commissie op de ESR 95-inventarissen

3.38.

Een belangrijk gedeelte van de toezicht- en controlesystemen van de Commissie voor de eigen middelen BNI betrof de ESR 95-inventarissen. De lidstaten moeten de BNI-rekeningen en de onderliggende nationale rekeningen, die de grondslag vormen voor de berekening van de eigen middelen BNI, overeenkomstig het ESR 95 opstellen. Daartoe moeten zij BNI-inventarissen overleggen, dat wil zeggen landspecifieke beschrijvingen van de methoden en procedures die zijn gehanteerd bij de berekening van de BNI-aggregaten en de onderliggende nationale rekeningen.

 

3.39.

Om de doeltreffendheid te evalueren van de controles ter garantie dat de lidstaten de ESR 95-voorschriften naleven, beoordeelde de Rekenkamer de wijze waarop de Commissie deze controles op BNI-inventarissen voor het ESR 95 had verricht bij de 15 lidstaten van vóór de uitbreiding (39).

 

3.40.

De BNI-inventarissen moesten eind 2000 bij de Commissie zijn ingediend. De meeste lidstaten dienden hun inventaris in de loop van 2001 in, maar Frankrijk en Luxemburg deden dat pas in 2003, respectievelijk 2004.

3.40.

De Commissie heeft er voortdurend bij Frankrijk en Luxemburg op aangedrongen dat zij hun inventarissen indienen.

3.41.

Met de vragenlijst voor de evaluatie van de BNI-inventaris (GIAQ, GNI Inventory Assessment Questionnaire) (40) heeft de Commissie de controleaanpak verbeterd doordat hiermee een systematisch en gestructureerd instrument voor het verrichten van haar controles is opgezet. De Commissie onderzocht echter niet of de in de inventarissen beschreven systemen en methoden werkelijk worden toegepast door de nationale bureaus voor de statistiek.

3.41.

De lidstaten beschrijven in veel gevallen in hun inventarissen de bestaande zwakke punten in hun rekeningen en de geplande verbeteringen. De Commissie acht het risico klein dat de in de inventarissen beschreven systemen en methoden in werkelijkheid niet worden toegepast. Deze zienswijze wordt ondersteund door het feit dat vele lidstaten hun inventarissen of uittreksels daaruit publiceren.

3.42.

De documentatie van de controles van de Commissie op inventarissen was onvolledig. Slechts de gevallen waarin de Commissie problemen of niet-afgewikkelde kwesties constateerde, waren gedocumenteerd. Een dergelijke aanpak levert geen volledig controletraject van de door de Commissie verrichte controles op, waardoor de auditmogelijkheden en de betrouwbaarheid van dergelijke controles verminderen.

3.42.

De Commissie controleert de inventarissen, waarbij zij de GIAQ als checklist gebruikt, om ervoor te zorgen dat voor alle lidstaten dezelfde onderwerpen worden behandeld. Uit de vragen die aan de lidstaten zijn toegezonden om zich voor te bereiden op de BNI-bezoeken kan makkelijk worden afgeleid dat de GIAQ bij de samenstelling daarvan wordt gebruikt. De Commissie heeft besloten dat het niet nuttig of kosteneffectief zou zijn om gedetailleerde gegevens over alle onderwerpen van de GIAQ op te stellen die niet tot een vraag in het kader van het BNI-bezoek leidden, aangezien de Commissie niet in staat zou zijn geweest de analyse van de inventarissen binnen een redelijke termijn te voltooien.

Illegale activiteiten

3.43.

Een belangrijk aspect van het BNI is volledigheid, wil men waarborgen dat er een betrouwbare grondslag bestaat voor een billijke verdeling van de eigen middelen BNI over de lidstaten. Het ESR 95 bepaalt dat alle categorieën illegale activiteiten in het BNI moeten worden opgenomen. De Commissie heeft de lidstaten verzocht, te beginnen met een schatting van sommige categorieën illegale activiteiten (41).

 

3.44.

Uit de controles van de Commissie op de inventarissen voor het ESR 95 blijkt dat slechts een paar lidstaten dergelijke schattingen in het BNI hebben opgenomen, en dan nog voor verschillende soorten illegale activiteiten. Bijgevolg zijn de BNI-schattingen niet geheel vergelijkbaar, hetgeen van invloed is op de berekening van de eigen middelen BNI, en voldoen ze niet geheel aan de ESR 95-vereisten.

3.44.

De Commissie dringt er bij de lidstaten actief op aan om illegale activiteiten in het BNI op te nemen. Dit is echter slechts verplicht vanaf het begrotingsjaar 2002 (het jaar met ingang waarvan ESR95 op eigen middelen van toepassing is). Voor deze jaren mogen op dit moment nog herzieningen worden aangebracht. De lidstaten hebben tot 2006 de tijd om in dit opzicht aan ESR95 te voldoen, voordat mogelijke punten van voorbehoud worden gemaakt.

Intermediair verbruik

3.45.

Volgens het ESR 95 moeten aankopen van geringe waarde (kleine werktuigen ter waarde van minder dan 500 euro) door ondernemingen als intermediair verbruik worden beschouwd. Afwijking van deze regel vergt een aanpassing van de betrokken lidstaat om aan het ESR-vereiste te voldoen.

 

3.46.

In twee van de acht (42) gecontroleerde lidstaten (België en Ierland) bestaat geen drempel in de regels voor de bedrijfsboekhouding en wordt geen aanpassing verricht om te voldoen aan het ESR 95. Na besprekingen met deze twee lidstaten heeft de Commissie zich hierbij neergelegd zonder verder bewijs te verlangen waaruit blijkt dat deze afwijking van het ESR 95 niet van materieel belang was.

3.46.

In zowel België als Ierland is onbekend welke drempelwaarden bedrijven in de praktijk toepassen, omdat er geen fiscale of boekhoudkundige drempel wordt gehanteerd. Omdat het in zo’n geval niet eens bekend is welk teken een mogelijke aanpassing zou moeten hebben, laat staan welke omvang, acht de Commissie het het verstandigst om geen correcties aan te brengen.

Toezicht- en controlesystemen in de lidstaten

3.47.

De communautaire regelgeving betreffende de harmonisatie van het bruto nationaal inkomen (43) schrijft voor dat bijzondere inspanningen moeten worden geleverd voor de verbetering van de wijze waarop de lidstaten het BNI berekenen en voor de verspreiding van optimale praktijken op dit gebied. Zij voorziet ook in de vaststelling van maatregelen om de BNI-gegevens vergelijkbaarder, betrouwbaarder en vollediger te maken. De Rekenkamer heeft in zeven lidstaten (44) onderzocht in hoeverre er in de bureaus voor de statistiek toezicht- en controlesystemen met betrekking tot de opstelling van de nationale rekeningen waren opgezet en werden uitgevoerd.

 

3.48.

De Rekenkamer constateert dat er tussen de lidstaten aanzienlijke verschillen zijn ten aanzien van het bestaan en de uitvoering van de volgende elementen van de toezicht- en controlesystemen met betrekking tot de opstelling van de nationale rekeningen:

a)

het verrichten van een formele en gestructureerde risicoanalyse betreffende de opstelling van de nationale rekeningen (45);

b)

het bestaan van overeenkomsten of equivalente regelingen tussen de diensten voor nationale rekeningen en de eenheden die statistische basisgegevens verstrekken, waarin de voorwaarden voor de verstrekking en kwaliteit van de gegevens zijn vastgelegd (46);

c)

het stelselmatig uitbrengen van „verslagen over de kwaliteit” bij de statistische overzichten (47);

d)

het documenteren van de toezichtcontroles van het management op de opstelling van de nationale rekeningen (45);

e)

het verrichten van interne audits betreffende de verzameling en opstelling van statistische gegevens (45) .

3.49.

De Rekenkamer wijst erop dat de verschillen met betrekking tot het bestaan en de uitvoering van de toezicht- en controlesystemen tot een uiteenlopende graad van betrouwbaarheid, vergelijkbaarheid en volledigheid van de nationale rekeningen kunnen leiden.

3.48 en 3.49.

Vanwege de verschillen tussen de lidstaten gebruikt de Commissie dezelfde gestandaardiseerde instrumenten om betrouwbaarheid, vergelijkbaarheid en volledigheid van alle voor de eigen middelen gebruikte BNI-gegevens van alle lidstaten te verifiëren, met inbegrip van zeer gedetailleerde beschrijvingen van middelen en methoden (BNI-inventarissen) met jaarlijkse bijwerkingen met behulp van de kwaliteitsverslagen. De Commissie is van mening dat deze systemen voldoende garanties bieden dat de BNI-gegevens betrouwbaar, vergelijkbaar en volledig zijn.

De Commissie zal met de lidstaten in het BNI-comité bespreken in hoeverre de nationale toezicht- en controlesystemen onderdeel van de BNI-verificatieprocedure moeten uitmaken.

Jaarlijkse activiteitenverslagen en verklaringen van de directeuren-generaal

3.50.

De Rekenkamer heeft de jaarlijkse activiteitenverslagen en de verklaringen van de directeuren-generaal van directoraat Begroting en Eurostat onderzocht. Evenals in 2003 vermeldt het jaarlijkse activiteitenverslag voor directoraat Begroting het aantal BTW-inspectiebezoeken aan lidstaten, maar zegt het verder niets over de verificatie van de gegevens over de eigen middelen BTW. Het vermeldt noch de controlewerkzaamheden in verband met de eigen middelen BNI, noch het bestaan van 107 punten van voorbehoud met betrekking tot de BTW-verklaringen van de lidstaten of tot wijzigingen in het aantal punten van voorbehoud gedurende het jaar.

3.50.

De door de directeuren-generaal opgestelde jaarlijkse activiteitenverslagen zijn door hun aard zeer selectief en in die verslagen komen activiteiten aan bod die ofwel een zekere omvang ofwel een zekere illustratieve waarde hebben. In het geval van het directoraat-generaal Begroting werd het voldoende geacht om de controles zelf te noemen, zonder gedetailleerde gegevens over de punten van voorbehoud te verstrekken, die een routine-instrument voor de verbetering van de BTW-overzichten zijn. Het directoraat-generaal Begroting zal niettemin zijn presentatie van de controles ten aanzien van de BTW-middelen herzien.

3.51.

Het jaarlijkse activiteitenverslag van Eurostat vermeldt de controles op de ESR 95-inventarissen van statistische bronnen en methoden. Volgens het verslag hebben deze ertoe geleid dat de vroegere algemene punten van voorbehoud over alle gegevens voor alle lidstaten zijn vervangen door een klein aantal specifieke punten van voorbehoud. Het verslag vermeldt echter noch het werkelijke aantal specifieke punten van voorbehoud (57), noch het feit dat er eind 2004 nog steeds een algemeen voorbehoud gold voor Duitsland en Luxemburg. Ook geeft het jaarlijkse activiteitenverslag van Eurostat niet aan in welke mate de voornaamste prioriteiten voor 2004 bij de verificatie van de door de lidstaten verstrekte BTW- en BNI-gegevens, vermeld in het statistische programma van de Commissie voor het jaar 2004, zijn verwezenlijkt.

3.51.

Het aantal punten van voorbehoud per lidstaat is klein. Bovendien is dit aantal op zich geen significante indicator, omdat elk voorbehoud een meer of minder groot numeriek gevolg op het BNI kan hebben. Eurostat stemt ermee in meer informatie over de verificatie van het BNI en de BTW te verstrekken in zijn jaarlijkse activiteitenverslag.

Conclusie en aanbevelingen

3.52.

Gelet op de reikwijdte van de controle (zie paragraaf 3.3) en met uitzondering van de in paragraaf 3.23 vermelde kwesties betreffende de B-boekhouding, leverde het door de Rekenkamer verrichte controlewerk over het geheel genomen bevredigende resultaten op ten aanzien van de betrouwbaarheid van de rekeningen over de traditionele eigen middelen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen.

3.52.

Zoals de Rekenkamer in paragraaf 3.21 van het verslag opmerkt, is de verordening betreffende de B-boekhouding eind 2004 gewijzigd. De wijzigingen zullen bijdragen tot een betrouwbaardere en accuratere B-boekhouding.

3.53.

De reikwijdte van de controle zoals uiteengezet in paragraaf 3.27 in acht genomen, is de Rekenkamer van mening dat de BTW- en BNI-middelen op basis van de door de lidstaten verstrekte gegevens op alle materiële punten correct door de Commissie zijn berekend, geïnd en in de communautaire rekeningen geboekt.

 

3.54.

De controlewerkzaamheden van de Rekenkamer betreffende de eigen middelen BNI hebben echter gebreken aan het licht gebracht die van invloed zouden kunnen zijn op de kwaliteit van de gegevens op basis waarvan de BNI-afdrachten van de lidstaten worden vastgesteld. De Rekenkamer beveelt de Commissie aan:

3.54.

De Commissie is van mening dat haar systemen voldoende garanties bieden dat de BNI-gegevens betrouwbaar, vergelijkbaar en volledig zijn. De recentelijk goedgekeurde aanbeveling van de Commissie over de onafhankelijkheid, integriteit en verantwoordingsplicht van de nationale en communautaire statistische instanties (COM(2005) 217), waarin een „Praktijkcode Europese statistieken” is opgenomen, zou hoe dan ook moeten bijdragen tot versterking van de kwaliteit van de macro-economische statistieken, met inbegrip van die betreffende het BNI.

a)

(rechtstreekse) verificaties van geselecteerde aggregaten van de nationale rekeningen te verrichten (zie paragraaf 3.35);

a)

De Commissie onderzoekt momenteel manieren waarop een meer rechtstreekse verificatie, zoals door de Rekenkamer voorgesteld, zou kunnen worden uitgevoerd.

b)

haar verificaties van de inventarissen van de lidstaten van bronnen en methoden die worden toegepast bij de opstelling van de nationale rekeningen, uit te breiden en haar systeem voor de documentatie van controles te verbeteren (zie de paragrafen 3.41 en 3.42);

b)

De Commissie zal trachten de documentatie te verbeteren binnen de beperkingen van de haar ter beschikking staande middelen.

c)

ervoor te zorgen dat alle lidstaten voldoen aan de ESR 95-vereisten met betrekking tot illegale activiteiten inzake het BNI (zie de paragrafen 3.43 en 3.44);

c)

De Commissie is hier reeds actief mee bezig.

d)

in overleg met de lidstaten te onderzoeken hoe de beste praktijken voor toezicht en controles op de opstelling van de nationale rekeningen kunnen worden uitgevoerd (zie de paragrafen 3.47 tot en met 3.49);

d)

De Commissie stimuleert de beste praktijken inzake de opstelling van de nationale rekeningen via het BNI-comité. De Commissie zal de aanbeveling van de Rekenkamer doorgeven aan het BNI-comité.

e)

een vergelijkende analyse te verrichten van de verslagen over de kwaliteit, preciezere richtlijnen te formuleren en de follow-up van de uitvoering daarvan te versterken (zie de paragrafen 3.36 en 3.37).

e)

Sinds de audit van de Rekenkamer zijn de resultaten van een vergelijkende analyse en preciezere richtsnoeren gepresenteerd en goedgekeurd door het BNI-comité van juli 2005.

3.55.

Wat betreft de controles van de Commissie op de systemen die ten grondslag liggen aan de berekening van de eigen middelen BTW:

3.55.

 

a)

constateert de Rekenkamer dat de punten van voorbehoud, met name gelet op het grote aantal daarvan (107), van invloed zijn op de juistheid van de BTW-overzichten van de lidstaten en beveelt zij de Commissie aan, deze punten van voorbehoud zo mogelijk in overleg met de lidstaten te kwantificeren (48) (zie paragraaf 3.30);

a)

Punten van voorbehoud worden over het algemeen juist gemaakt om de lidstaten te dwingen naar betrouwbare kwantitatieve gegevens en een aanvaardbare methodologie te streven. Bovendien is het sinds 2003 de praktijk van de Commissie om bepaalde punten van voorbehoud uit te splitsen om ze transparanter te maken en makkelijker op te heffen; dit heeft tot een schijnbare toename van het aantal punten geleid. De controlecyclus van twee tot drie jaar tussen bezoeken leidt tot een vertraging van het positieve effect van dit beleid.

b)

beveelt de Rekenkamer de Commissie aan, haar inspanningen ter vermindering van het aantal reeds lang bestaande punten van voorbehoud te vergroten (zie de paragrafen 3.30 en 3.32);

b)

De vermindering van het aantal lang openstaande punten van voorbehoud hangt voornamelijk af van de capaciteit van de overheden van de lidstaten om een adequaat kwaliteitsniveau te bereiken. Wanneer gegevens achterhaald raken, is het onvermijdelijk dat er nieuwe punten van voorbehoud worden gemaakt. De Commissie heeft zich in 2003 bereid verklaard de inbreukprocedure te gebruiken om waar mogelijk een einde te maken aan langdurig openstaande punten van voorbehoud.

c)

merkt de Rekenkamer op dat, nu het aantal lidstaten van 15 tot 25 is gestegen, de omvang en kwaliteit van de inspecties in de toekomst slechts zullen kunnen worden gehandhaafd indien er meer personele middelen komen, het inspectiebeleid verder wordt gerationaliseerd door het gebruik van risicoanalyse en/of de regelgeving en de procedures voor het opstellen van de BTW-overzichten worden versterkt (zie paragraaf 3.30).

c)

De Commissie verwacht in de nabije toekomst een aanmerkelijke vermindering van het aantal punten van voorbehoud voor sommige lidstaten en zal haar controle-inspanning meer inzetten op basis van risicoanalyses.


(1)  Omvat overschot van vorig begrotingsjaar en diverse ontvangsten.

(2)  Besluit 2000/597/EG, Euratom van de Raad van 29 september 2000 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (PB L 253 van 7.10.2000, blz. 42); Verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van Besluit 94/728/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (PB L 130 van 31.5.2000, blz. 1). Verordening gewijzigd bij Verordening (EG, Euratom) nr. 2028/2004 (PB L 352 van 27.11.2004, blz. 1).

(3)  Estland, Griekenland, Frankrijk, Italië, Cyprus, Letland, Litouwen, Polen, Slovenië, Slowakije, Finland en het Verenigd Koninkrijk.

(4)  Artikel 18 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad.

(5)  Het Raadgevend Comité voor de eigen middelen (RCEM), ingesteld bij artikel 20 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000, bestaat uit vertegenwoordigers van de lidstaten en van de Commissie en vormt de tussenschakel tussen de Commissie en de lidstaten voor kwesties in verband met eigen middelen. Het onderzoekt problemen met de uitvoering van het stelsel van eigen middelen en ramingen van de eigen middelen.

(6)  Het meest recente is COM(2003) 345 def.: Vierde verslag van de Commissie over de werking van het systeem voor de controle van de traditionele eigen middelen (2000-2002).

(7)  Artikel 4, leden 13 en 14, en artikel 37 van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302 van 19.10.1992, blz. 1).

(8)  Estland, Griekenland, Letland, Litouwen, Polen, Slovenië, Slowakije en Finland.

(9)  Opgemerkt zij dat de meeste goederen niet worden ingeklaard aan de grens maar, na doorvoer, op binnenlandse douaneposten.

(10)  Zie de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en het Europees Economisch en Sociaal Comité — Eenvoudige en papierloze procedures voor de douanediensten en de marktdeelnemers, COM(2003) 452 def. van 24 juli 2003.

(11)  Zie Jaarverslag 2003, paragraaf 3.9.

(12)  Duitsland, Estland, Spanje, Frankrijk, Letland, Litouwen, Hongarije, Nederland, Polen, Slowakije, Finland en het Verenigd Koninkrijk.

(13)  Het officiële model voor schriftelijke aangiften bij de douane via de normale procedure, die ten doel heeft goederen aan een douaneprocedure te onderwerpen of ze overeenkomstig artikel 182, lid 3, van het Wetboek opnieuw uit te voeren, is het enig document (ED) (Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 253 van 11.10.1993, blz. 1)).

(14)  Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal Comité — Eenvoudige en papierloze procedures voor de douanediensten en de marktdeelnemers.

(15)  Speciaal verslag nr. 13/98 over de controle van het gebruik van risicoanalysetechnieken bij douanecontroles en de inklaring van goederen.

(16)  Verordening (EG) nr. 648/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2005 houdende wijziging van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 117 van 4.5.2005, blz. 13).

(17)  De opgegeven cijfers zijn brutocijfers vóór aftrek, en wel als volgt:

Image

(18)  Zie wat betreft de oorsprong van deze boekingen Speciaal verslag nr. 4/98 over de import in de Gemeenschap tegen een verlaagd heffingspercentage van Nieuw-Zeelandse zuivelproducten en Zwitserse kaas. De uiteindelijk verrichte annuleringen vloeien voort uit de daarover gevoerde rechtszaak en werden reeds verrekend in de afschrijvingen van voorgaande jaren. Het teruggevorderde bedrag (11,6 miljoen GBP) is op de gebruikelijke wijze ter beschikking van de Commissie gesteld.

(19)  Verordening (EG, Euratom) nr. 2028/2004 van de Raad van 16 november 2004 tot wijziging van Verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 houdende toepassing van Besluit 94/728/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen (PB L 352 van 27.11.2004, blz. 1).

(20)  Verder achtten zeven lidstaten, die slechts kleine bedragen in hun B-boekhouding hadden (samen minder dan 0,1 % van het totale saldo van de B-boekhouding), de bedragen volledig terugvorderbaar.

(21)  Zie Jaarverslag 2003, paragraaf 3.40.

(22)  Verordening (EG) nr. 1260/2001 van de Raad van 19 juni 2001 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (PB L 178 van 30.6.2001, blz. 1).

(23)  Artikel 2, lid 3, van Besluit 2000/597/EG, Euratom.

(24)  Verordening (EG) nr. 314/2002 van de Commissie van 20 februari 2002 houdende uitvoeringsbepalingen voor de quotaregeling in de sector suiker (PB L 50 van 21.2.2002, blz. 40).

(25)  Comtext is de titel van een referentiedatabase van Eurostat die statistieken over extern handelsverkeer bevat.

(26)  Paragraaf 61.

(27)  Paragraaf 5.19.

(28)  Het Europees rekeningenstelsel 1995 (bijlage A van Verordening (EG) nr. 2223/96 van de Raad van 25 juni 1996 inzake het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Gemeenschap (PB L 310 van 30.11.1996, blz. 1)) wordt gebruikt om de nationale rekeningen op te stellen ten behoeve van de Gemeenschap, ook met het oog op de eigen middelen BNI (Verordening (EG, Euratom) nr. 1287/2003 van de Raad van 15 juli 2003 betreffende de harmonisatie van het bruto nationaal inkomen tegen marktprijzen („BNI-verordening”) (PB L 181 van 19.7.2003, blz. 1)).

(29)  Het BTW-overzicht is een door de lidstaten opgesteld document dat de gegevens moet bevatten aan de hand waarvan de BTW-grondslag wordt vastgesteld. Die grondslag vormt de basis voor de berekening van de eigen middelen uit BTW en is vereist voor de controle van de Commissie (artikelen 7 en 11 van Verordening (EEG, Euratom) nr. 1553/89 van de Raad van 29 mei 1989 betreffende de definitieve uniforme regeling voor de inning van de eigen middelen uit de belasting over de toegevoegde waarde (PB L 155 van 7.6.1989, blz. 9)).

(30)  Tien van de 28 betreffen een onderverdeling van bestaande punten van voorbehoud.

(31)  Punten van voorbehoud vormen een belangrijk instrument waarmee de Commissie ervoor zorgt dat er nog na de in de communautaire regelgeving gestelde tijdlimiet van vier jaar correcties in de BTW-overzichten van de lidstaten kunnen worden aangebracht.

(32)  Gemiddeld om de twee jaar.

(33)  Duitsland, Italië, Nederland, Finland en Zweden.

(34)  Zie de artikelen 3 en 4 van Verordening (EEG, Euratom) nr. 1553/89.

(35)  Bijvoorbeeld het voorbehoud betreffende de voor de jaren 1991-2001 geldende aanpassing voor kleine bedrijven voor Duitsland, dat gedurende een inspectie van 1995 werd gemaakt, vervolgens werd verlengd en in 2004 werd opgeheven (behalve wat betreft het voorbehoud voor 2000), en het voorbehoud betreffende de autocompensatie in Oostenrijk, dat in 1999 met betrekking tot de BTW-overzichten 1995-2001 werd gemaakt.

(36)  In Italië waren de methoden die werden gehanteerd voor de voorgeschreven indeling van de consumptie van huishoudens en van de uitgaven voor bruto-investeringen in vaste activa (BIVA), niet geheel betrouwbaar.

(37)  Document op basis van een gemeenschappelijk model waarmee de nationale bureaus voor de statistiek jaarlijks de BNI-cijfers aan Eurostat meedelen.

(38)  Zie de notulen van de tweede vergadering van het BNI-comité van 25 en 26 maart 2004, waarop het comité de voorgestelde structuur voor de vragenlijst en het kwaliteitsverslag van 2004 goedkeurde.

(39)  De BNI-inventarissen van de tien nieuwe lidstaten moeten in 2006 worden ingediend.

(40)  De GIAQ is een door Eurostat gebruikte standaardvragenlijst voor de controle van de BNI-inventarissen; de GIAQ bevat 277 vragen over een groot aantal onderwerpen.

(41)  Volgens een schatting van Eurostat op basis van bestaande studies belopen deze 1-2 % van het BNI.

(42)  België, Denemarken, Frankrijk, Ierland, Luxemburg, Nederland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk.

(43)  Verordening (EG, Euratom) nr. 1287/2003, met name de artikelen 2, 3 en 5.

(44)  Duitsland, Griekenland, Spanje, Frankrijk, Hongarije, Polen en het Verenigd Koninkrijk.

(45)  Dit element wordt volledig uitgevoerd in het Verenigd Koninkrijk.

(46)  Dit element wordt volledig uitgevoerd in Duitsland, Polen en het Verenigd Koninkrijk.

(47)  Vindt slechts plaats in Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk.

(48)  Zie Jaarverslag 2002, paragraaf 3.38.


HOOFDSTUK 4

Gemeenschappelijk landbouwbeleid

INHOUD

Inleiding

Specifieke beoordeling in het kader van de betrouwbaarheidsverklaring

Reikwijdte van de controle

Toezicht- en controlesystemen

GBCS

Controles na betaling in het kader van Verordening (EEG) nr. 4045/89 — Achterstand en ontoereikende informatie over de resultaten van verrichte controles

Fysieke controles van gesubsidieerde exporten van landbouwproducten — Waarde van gecontroleerde verrichtingen en onregelmatigheden onbekend

Goedkeuring van de rekeningen

De door de Rekenkamer genomen steekproef van verrichtingen

Jaarlijks activiteitenverslag van de directeur-generaal Landbouw over 2004

Enige vooruitgang ten opzichte van vorig jaar

Internecontrolenormen — Sommige normen worden niet volledig toegepast

De beoordeling door de Rekenkamer van uitgaventerreinen van het GLB

Oppervlaktesteunregelingen

Premieregelingen voor dieren

Subsidies op basis van geproduceerde hoeveelheden

Plattelandsontwikkeling

Andere uitgaven

Conclusie en aanbevelingen

Algemene conclusie

Controles na betaling

Goedkeuring van de rekeningen

Jaarlijks activiteitenverslag van de directeur-generaal Landbouw

Aanbevelingen

Nieuwe lidstaten: overgang

Erkenning van de EOGFL-betaalorganen in de nieuwe lidstaten

Sapard — Bevredigend toezicht maar enige gebreken in de beoordeling van de aanvragen

Follow-up van eerdere opmerkingen

GMO in de sector bananen

Voorfinanciering van uitvoerrestituties

Aardappel- en graanzetmeel

Voornaamste opmerkingen in speciale verslagen

Bosbouwmaatregelen in het kader van het plattelandsontwikkelingsbeleid

Agromilieu

OPMERKINGEN VAN DE REKENKAMER

ANTWOORDEN VAN DE COMMISSIE

INLEIDING

4.1.

De uitgaven voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB), dus voor het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, afdeling Garantie (EOGFL-Garantie), beliepen in 2004 in totaal 43 579 miljoen euro (in 2003: 44 379 miljoen euro). De grafieken 4.1 en 4.2 geven weer hoe het geld werd besteed. Grafiek 4.1 toont de verdeling van de uitgaven naar economische categorie (directe betalingen, uitvoerrestituties enz.), en grafiek 4.2 de verdeling over de grote landbouwsectoren (rundvlees, olijfolie, enz.).

 

4.2.

Betalingen aan landbouwers op basis van de bewerkte oppervlakte of van het aantal dieren op hun bedrijf maken het grootste deel (59 %) van de GLB-uitgaven uit. Deze betalingen zijn vooral bedoeld om de landbouwers compensatie te bieden voor de verlagingen van de GLB-prijzen.

 

4.3.

Vrijwel alle uitgaven van het GLB worden door de betaalorganen van de lidstaten gedaan. De betalingen aan landbouwers verlopen volgens onderstaande procedure:

a)

landbouwers dienen in het jaar voordat betaling verschuldigd is bij de betaalorganen aanvragen in op basis van de bewerkte oppervlakte, het aantal subsidiabele dieren in hun bezit tijdens een bepaalde verblijftijd, enz.;

b)

de betaalorganen verrichten administratieve controles op alle aanvragen, en controles ter plaatse op een steekproef van aanvragen, meestal via het geïntegreerd beheers- en controlesysteem (GBCS);

c)

elk betaalorgaan betaalt de aanvragers en geeft de verrichte uitgaven op aan de Commissie, die deze terugbetaalt aan het betaalorgaan;

d)

de rekeningen en betalingen van het betaalorgaan worden onderzocht door een onafhankelijke auditor („verklarende instantie”), die in februari van het jaar volgend op het begrotingsjaar aan de Commissie verslag uitbrengt;

e)

uiterlijk 30 april van dat jaar moet de Commissie beslissen („financiële goedkeuring”) of zij die rekeningen en controleverslagen goedkeurt, dan wel om extra werkzaamheden of meer informatie verzoekt (1);

f)

de Commissie kan dan zelf de door de betaalorganen verrichte betalingen onderzoeken. Indien die betalingen onregelmatig of de financiële controles ontoereikend waren, kan zij besluiten dat bepaalde uitgaven voor rekening van de betrokken lidstaten, en niet ten laste van de EU-begroting moeten komen (in communautair jargon: de Commissie geeft een „conformiteitsbeschikking” waarin die uitgaven worden uitgesloten van de „goedkeuring van de rekeningen”), dat wil zeggen zij vermindert haar betalingen aan de betaalorganen met eenzelfde bedrag (zie paragraaf 4.22).

 

Image

Image

SPECIFIEKE BEOORDELING IN HET KADER VAN DE BETROUWBAARHEIDSVERKLARING

Reikwijdte van de controle

4.4.

De controle had ten doel, bij te dragen tot de betrouwbaarheidsverklaring van de Rekenkamer over de algemene begroting door middel van een specifieke beoordeling voor de landbouwsector, om zekerheid te krijgen over de werking van de controlesystemen en over de wettigheid en regelmatigheid van de verrichtingen. Daartoe deed zij het volgende:

a)

zij beoordeelde het functioneren van het GBCS (het toezichtsysteem voor oppervlaktesteun en dierpremies), verificaties na betaling en fysieke controles op de gesubsidieerde landbouwexporten (de voornaamste toezichtsystemen voor andere soorten landbouwuitgaven) (zie de paragrafen 4.6 t/m 4.14);

b)

zij onderzocht de financiële goedkeuringsbeschikking voor de uitgaven van 2004 en de conformiteitsbeschikkingen van 2004 die betrekking hebben op betalingen aan begunstigden uit voorgaande jaren (zie de paragrafen 4.15 t/m 4.25);

c)

zij testte rechtstreeks een steekproef van verrichtingen (zie paragraaf 4.26);

d)

zij onderzocht het jaarlijks activiteitenverslag en de verklaring van de directeur-generaal voor landbouw en de toepassing van interne-controlenormen bij de Commissie (zie de paragrafen 4.27 t/m 4.34).

 

4.5.

In de paragrafen 4.35 t/m 4.54 wordt uiteengezet hoe de Rekenkamer de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven in het kader van het GLB beoordeelt op basis van de bovenstaande controle-informatie. Opmerkingen over de betrouwbaarheid van de rekeningen zijn opgenomen in hoofdstuk 1, paragrafen 1.12, 1.13, 1.15 en 1.16.

 

Toezicht- en controlesystemen

GBCS

4.6.

Het geïntegreerd beheers- en controlesysteem (GBCS) is het voornaamste beheers- en controle-instrument voor de regelingen oppervlaktesteun en dierpremies en bestrijkt 59 % van de landbouwuitgaven. Het GBCS omvat een gecomputeriseerde database van bedrijven en steunaanvragen, systemen voor de identificatie van percelen landbouwgrond en voor de identificatie en registratie van dieren, en een gecoördineerde reeks administratieve controles en bedrijfsinspecties. Aanvragen voor een aantal andere communautaire steunregelingen moeten verenigbaar zijn met het systeem.

 

4.7.

In 2004 zette de Rekenkamer haar onderzoek naar de werking van het GBCS voort bij vijf andere betaalorganen in vier lidstaten (4) en gaf zij follow-up aan eerdere bevindingen in Portugal na de fusie van twee betaalorganen. De GBCS-verificaties bij de vijf bezochte betaalorganen, behalve die in Griekenland, zijn doorgaans operationeel en bevredigend (zie bijlage 2 ); de werking van het GBCS is vergelijkbaar met die van de in voorgaande jaren gecontroleerde betaalorganen, hoewel de risicoanalyses, administratieve controles en inspecties ter plaatse nog voor verbetering vatbaar zijn.

4.7.

Hoewel de Commissie sommige van de in bijlage 2 bij het jaarverslag opgenomen beoordelingen van de Rekenkamer te streng vindt, bevestigen haar auditresultaten over het algemeen de bevindingen van de Rekenkamer. De verplichte invoering van de geografische informatiesystemen per 1 januari 2005 zal tot verdere verbeteringen leiden.

Verbeteringen van de in het algemeen reeds bevredigende situatie zijn ook te danken aan de wijzigingen die met ingang van 2004 in de GBCS-regelgeving zijn aangebracht bij Verordening (EG) nr. 118/2004.

4.8.

Meer dan zeven jaar na het verstrijken van de termijn voor de volledige tenuitvoerlegging kan het GBCS in Griekenland nog steeds niet de wettigheid en regelmatigheid garanderen van betalingen voor oppervlaktesteun en dierpremies (5) (zie ook paragraaf 4.28, onder b)) over het voorbehoud van de Commissie ten aanzien van de uitvoering van het GBCS in Griekenland en paragraaf 4.44 over de resultaten van de verificaties van verrichtingen door de Rekenkamer). De voornaamste redenen voor de tekortkomingen en gebreken zijn:

a)

landbouwbonden controleren de input van alle gegevens in het computersysteem. De gegevens in het systeem zijn niet beveiligd en kunnen op elk moment vóór de betaling door de landbouwbonden worden gewijzigd, hetgeen ook gebeurt. Het computersysteem registreert niet wanneer en waarom wijzigingen in de oorspronkelijke gegevens worden aangebracht. Voor de uitgaven van 2004 veranderden de landbouwbonden de gegevens bij meer dan 22 000 percelen meer dan 5 maanden nadat de aanvraagperiode was verstreken. Uit een analyse blijkt dat deze onregelmatige wijzigingen een geraamd financieel effect van ten minste 10 miljoen euro hebben, en het effect over de hele aanvraagperiode zou aanzienlijk groter kunnen zijn;

b)

de kwaliteit van de inspecties ter plaatse is gering. De inspectiebevindingen zijn zeer slecht of geheel niet gedocumenteerd, of de verslaglegging over de resultaten is onbetrouwbaar. De inspecties die het betaalorgaan overdoet met het oog op kwaliteitsbewaking konden slechts bij een derde van de eerste inspecties de resultaten bevestigen. Enige verslagen lijken niet te zijn gebaseerd op echte inspecties (6).

4.8.

Gezien de situatie ten aanzien van het GBCS in Griekenland, heeft de Commissie geregeld aanzienlijke financiële correcties toegepast (voor in totaal 384 miljoen euro in de periode 1999-2004). Bovendien heeft de Commissie in 2002 een inbreukprocedure ingeleid tegen Griekenland. Het Europees Hof van Justitie heeft Griekenland in 2004 veroordeeld.

Nadat de directeur-generaal van het directoraat-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling een voorbehoud had gemaakt in zijn jaarlijkse verklaring, is in 2003 en 2004 een specifiek actieplan opgezet dat een geïntensiveerd auditprogramma en andere toezichtmaatregelen omvatte. In 2004 zijn negen auditbezoeken aan Griekenland gebracht ter zake van maatregelen die onder het GBCS vallen of er zijdelings mee verbonden zijn. Deze acties van de Commissie en de oprichting van een nieuw betaalorgaan in Griekenland (Opekepe) hebben ertoe geleid dat goede vooruitgang is geboekt, zodat de verschillende onderdelen van het GBCS-systeem tegen eind 2004 (begrotingsjaar 2005) voorhanden waren. De Commissie zal echter doorgaan met het opsporen en beoordelen van de resterende tekortkomingen in het functioneren van het GBCS in Griekenland en met het toepassen van de nodige financiële correcties.

Wat de door de Rekenkamer vermelde tekortkomingen betreft, heeft de Commissie bij herhaling kritiek geuit op de rol van de landbouwbonden in de aanvraagprocedure en op het zwakke toezicht. Bij brief van juni 2004 heeft de Commissie de Griekse autoriteiten formeel verzocht een nieuwe procedure voor het aanvragen van steun in te voeren waarbij de afhankelijkheid van de landbouwbonden kleiner is. Dit onderwerp en de ook reeds door de Commissie geconstateerde ontoereikende kwaliteit van de controles ter plaatse zullen aan de orde worden gesteld bij de lopende onderzoeken in het kader van de goedkeuring van de rekeningen.

Controles na betaling in het kader van Verordening (EEG) nr. 4045/89 (7) — Achterstand en ontoereikende informatie over de resultaten van verrichte controles

4.9.

De lidstaten moeten jaarprogramma's van controles na betaling op handelsdocumenten voor een aantal GLB-subsidies uitvoeren, met inbegrip van uitvoerrestituties, subsidies voor verwerking en veredeling, verwerking van katoen, olijfolie en tabak en bepaalde uitgaven voor plattelandsontwikkeling, in totaal ongeveer 37 % van de landbouwuitgaven. De lidstaten moeten zich ervan vergewissen dat de verrichtingen hebben plaatsgehad en correct zijn uitgevoerd, en moeten stappen ondernemen om bedragen die door onregelmatigheden of nalatigheid verloren zijn gegaan, terug te vorderen.

 

4.10.

De Commissie analyseert de documenten die de lidstaten op jaarbasis verstrekken en kan sommige lidstaten bezoeken om de tenuitvoerlegging van de verordening ter plaatse te verifiëren. De Rekenkamer onderzocht het toezicht van de Commissie op (EEG) nr. 4045/89-controles en constateerde het volgende:

4.10.

 

a)

de analyse van door de lidstaten ingediende rapporten is van beperkte waarde, daar de bestaande verordening niet voorschrijft dat de coördinerende organen statistieken moeten overleggen in een formaat dat een zinvolle analyse mogelijk maakt (bijvoorbeeld met foutenpercentages voor uiteenlopende soorten uitgaven);

a)

De Commissie is van mening dat de door de lidstaten ingediende verslagen waardevolle informatie bevatten, hoewel zij het ermee eens is dat de verslaglegging over de toepassing van Verordening (EEG) nr. 4045/89 zou kunnen worden verbeterd. Daartoe zal zij een ontwerp-verordening tot wijziging van haar Verordening (EG) nr. 4/2004 voorleggen.

Met name zullen tabellen worden ingevoerd voor het meedelen van de bevindingen, zodat gegevens over aantal, waarde en aard terug te vinden zijn en kunnen worden geanalyseerd. Bovendien komen er nieuwe werkwijzen voor het bepalen en meedelen van de nog te verstrekken informatie, zodat op de controles die in de verslagperiode nog niet waren voltooid, kan worden teruggekomen in latere verslagen.

b)

in 2003 onderzocht de Rekenkamer de uitvoering van controles na betaling in elf lidstaten en concludeerde zij dat minder dan één op de drie geheel bevredigend was (8). De reactie van de Commissie was, in 2004 drie lidstaten te bezoeken — de eerste bezoeken sinds januari 2001 die gericht waren op een volledig onderzoek van de controles na betaling. Verder controleert de Commissie regelmatig specifieke aspecten van de controles na betaling in het kader van haar audit voor de goedkeuring van de rekeningen inzake uitvoerrestituties (goed voor ongeveer 25 % van de uitgaven die aan deze controles moeten worden onderworpen);

b)

Na de opmerkingen in het Jaarverslag 2003 van de Rekenkamer heeft de Commissie verdere maatregelen genomen om de situatie te verbeteren. Het mag dan zo zijn dat sommige van de betrokken controles niet als geheel bevredigend kunnen worden beschouwd, naar het oordeel van de Commissie kan er gezien de complexiteit van controles na de betaling vaak ruimte voor verbetering zijn zonder dat de waarde van de verrichte controles daarbij in twijfel wordt getrokken.

In 2004 heeft het directoraat-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling drie lidstaten (België, Griekenland en Portugal) bezocht voor een audit inzake de toepassing van Verordening (EEG) nr. 4045/89 die betrekking had op de algemene aspecten, te weten het jaarverslag, de risicoanalyse en het controleprogramma. In 2005 worden nog eens zes auditbezoeken aan lidstaten gebracht en daarbij wordt aandacht besteed aan de specifieke bevindingen van de Rekenkamer.

Bovendien heeft de Commissie extra nadruk op de bij Verordening (EEG) nr. 4045/89 voorgeschreven controles gelegd in het kader van de in 2005 verrichte conformiteitsaudits.

c)

de vertragingen in de afronding van de jaarlijkse programma's van controles na betaling door de lidstaten, waarop in het Jaarverslag van de Rekenkamer over 2003 werd gewezen (9), bestaan nog steeds. Eind 2004 was volgens de jaarlijkse verslagen van de lidstaten bijna 40 % van de geplande controles niet afgerond.

c)

De Commissie erkent dat in sommige lidstaten vertragingen zijn opgetreden in de uitvoering van de controles na de betaling. De meeste lidstaten plannen echter veel meer controles dan het vereiste minimumaantal. Op die basis komen de te weinig verrichte controles op minder dan 40 %.

Controles die aan het einde van de controleperiode niet zijn afgerond, moeten in de volgende controleperiode worden voortgezet en voltooid. De Commissie onderzoekt door welke oorzaken controleprogramma’s in sommige lidstaten niet tijdig volledig worden uitgevoerd, en zal zo nodig lidstaten om uitleg vragen.

Grafiek 4.3 toont het aantal controles dat is uitgevoerd en het aantal onregelmatigheden dat is ontdekt voor de laatste zes verslagleggingsperiodes, zoals gemeld door de lidstaten. Aangezien de gegevens niet voorzien in een analyse per bedrag of per soort uitgaven, is het niet mogelijk conclusies te trekken over de betekenis en de oorzaak van de variatie in de gerapporteerde frequentie van onregelmatigheden.

Grafiek 4.3 De lidstaten melden het totale bedrag dat is gemoeid met de onregelmatigheden die zijn ontdekt dankzij de bij Verordening (EEG) nr. 4045/89 voorgeschreven controles. Bij het controleprogramma 2001/2002 ging het om 23,4 miljoen euro.

Image

Fysieke controles van gesubsidieerde exporten van landbouwproducten (10) — Waarde van gecontroleerde verrichtingen en onregelmatigheden onbekend

4.11.

Uitvoerrestituties betaald aan exporteurs van landbouwproducten uit de EU dekken het verschil tussen de interne EU-prijzen en de wereldmarktprijzen en maken het mogelijk dat de overtollige EU-productie wordt afgezet op de wereldmarkt. In 2004 waren uitvoerrestituties goed voor ongeveer 3,6 miljard euro, 7,5 % van de GLB-uitgaven (8,3 % in 2003). De lidstaten moeten 5 % van de exporten fysiek controleren om te verzekeren dat ze correct worden beschreven en recht geven op de aangevraagde uitvoerrestitutie. De Commissie ziet toe op de kwaliteit en het aantal van de door de lidstaten verrichte controles.

 

4.12.

In 2004 bezocht de Commissie zeven lidstaten om de uitvoering van de fysieke controles te evalueren. De voornaamste voorlopige bevindingen van de Commissie wijzen op gebreken met betrekking tot:

a)

kwaliteit en/of frequentie;

b)

de procedures voor de selectie van zendingen;

c)

voorafgaande kennisgeving;

d)

statistieken.

Deze gebreken van uiteenlopend gewicht werden niet in alle bezochte lidstaten aangetroffen.

4.12.

Zoals de Rekenkamer vermeldt, zijn de opmerkingen van voorlopige aard. De Commissie kan haar standpunt pas definitief bepalen nadat de lidstaten hun recht op wederwoord hebben uitgeoefend.

4.13.

De Commissie was niet in staat informatie te verstrekken over de waarde van de fysiek gecontroleerde verrichtingen en de waarde van de ontdekte onregelmatigheden. In 2004 stelde de Commissie een verordening vast die de lidstaten voorschrijft, deze informatie met ingang van het verslag 2005 mee te delen. Tabel 4.1 geeft een overzicht van de aantallen gecontroleerde declaraties en ontdekte onregelmatigheden voor de periode 2001-2003.

4.13.

Nadat de Rekenkamer in haar Jaarverslag 2002 voor het eerst een aanbeveling in deze zin had gedaan, heeft de Commissie binnen een redelijke termijn gereageerd door Verordening (EG) nr. 1454/2004 aan te nemen. In die verordening is bepaald dat de lidstaten vanaf 2005 de waarde van de gecontroleerde transacties en de onregelmatigheden voor een bedrag van meer dan 200 euro moeten meedelen.

Voordien was de Commissie voor informatie over de met onregelmatigheden gemoeide bedragen afhankelijk van de betrouwbaarheid van de gegevens over onregelmatigheden die de lidstaten op grond van artikel 3 van Verordening (EEG) nr. 595/91 aan OLAF verstrekken, waarbij onregelmatigheden voor minder dan 4 000 euro niet in die gegevens hoeven te worden opgenomen.

4.14.

Het jaarlijks activiteitenverslag van de Commissie over 2004 bevat informatie over het aantal ingediende exportaanvragen, het aantal dat de lidstaten hebben gecontroleerd en het aantal aangetroffen onregelmatigheden. Er wordt niet verwezen naar de resultaten van de evaluatie door de Commissie van de uitvoering van de fysieke controles door de lidstaten, en ook niet naar de mate waarin daaruit zekerheid kan worden verkregen.

4.14.

De zekerheid die te danken is aan de bij Verordening (EEG) nr. 386/90 voorgeschreven controles, maakt een integrerend deel uit van de algehele zekerheid die de directeur-generaal heeft verkregen, zoals in het jaarlijkse activiteitenverslag is uiteengezet (paragraaf 4.2.2). Zie ook het antwoord op de paragrafen 4.29 t/m 4.31.

Goedkeuring van de rekeningen

Financiële goedkeuring

4.15.

De Rekenkamer onderzocht:

a)

de verslagen van de verklarende instanties over de 25 betaalorganen (zie tabel 4.2 ) waarvan een aantal verrichtingen werden getest (zie paragraaf 4.26), en van alle betaalorganen waarvan de rekeningen tot punten van voorbehoud leidden;

b)

de financiële goedkeuringsbeschikking van de Commissie;

c)

de uitgestelde goedkeuring van de rekeningen uit eerdere jaren door de Commissie (11).

 

Tabel 4.1 — Verordening (EEG) nr. 386/90: Aantal fysieke controles en ontdekte onregelmatigheden (12)

 

2003

2002

2001

Onregelmatigheden

Fysieke controles

Onregelmatigheden

Fysieke controles

Onregelmatigheden

Fysieke controles

Spanje

23

4 786

59

6 816

12

7 965

Duitsland

20

6 644

61

8 476

63

9 713

Frankrijk

8

3 459

19

3 642

12

4 290

Denemarken

8

1 470

22

1 631

33

1 827

Ierland

6

872

3

724

6

707

België

2

2 776

2

2 891

3

3 440

Portugal

2

494

2

363

3

505

Nederland

1

7 229

0

8 192

0

7 857

Finland

1

668

0

689

0

742

Italië

0

4 618

0

5 491

0

5 513

Griekenland

0

1 418

0

2 570

0

2 987

Verenigd Koninkrijk

0

976

0

1 131

0

1 435

Oostenrijk

0

835

0

1 016

0

1 066

Zweden

0

242

0

254

0

286

Luxemburg

0

0

0

0

0

4

Totaal

71

36 487

168

43 886

132

48 337

Bron:„Samenvatting van de jaarverslagen van de lidstaten over het jaar 2003” en „Samenvatting van de jaarverslagen van de lidstaten over het jaar 2002”, opgesteld door de Commissie, DG AGRI, D03.

Tabel 4.2 — Betaalorganen, naar in 2004 gedeclareerde uitgaven

Nr.

Lidstaat

Betaalorgaan

Gedeclareerde bedragen in miljoen euro

% van totaal

Rekeningen waarbij een voorbehoud is gemaakt

Losgekoppelde rekeningen (13)

1

Frankrijk

ONIC

4 413,80

10,19

 

 

2

Italië

AGEA

3 835,46

8,86

×

×

3

Verenigd Koninkrijk

RPA

2 854,11

6,59

 

 

4

Griekenland

OPEKEPE

2 781,44

6,42

×

 

5

Frankrijk

OFIVAL

1 897,26

4,38

 

 

6

Ierland

DAF

1 820,73

4,20

 

 

7

Spanje

Andalucia

1 709,70

3,95

 

 

8

Denemarken

EU-direktoratet

1 215,85

2,81

 

 

9

Oostenrijk

AMA

1 101,64

2,54

 

 

10

Duitsland

Bayern, Landwirtschaft

1 074,15

2,48

×

 

11

Frankrijk

ONIOL

1 000,20

2,31

 

 

12

Spanje

Castilla-Léon

940,67

2,17

 

 

13

Finland

MMM

869,36

2,01

 

 

14

Zweden

SJV

844,25

1,95

 

 

15

Spanje

Castilla-La Mancha

810,45

1,87

 

 

16

Frankrijk

CNASEA

802,45

1,85

×

 

17

Frankrijk

ONILAIT

530,51

1,23

 

 

18

Duitsland

Nordrhein-Westfalen

475,58

1,10

×

 

19

Spanje

FEGA

467,09

1,08

 

 

20

Duitsland

Baden-Württemberg

440,92

1,02

×

 

21

Duitsland

Brandenburg

380,94

0,88

 

 

22

Nederland

LASER

362,23

0,84

 

 

23

Verenigd Koninkrijk

NAWAD

278,70

0,64

 

 

24

Frankrijk

FIRS

273,94

0,63

 

 

25

België

ABKL (Vlaamse Gemeenschap)

220,88

0,51

 

 

Door de DAS 2004 bestreken betaalorganen

Subtotaal  (14)

31 402,32

72,51

 

 

26

Duitsland

Niedersachsen

795,90

1,84

 

 

27

Portugal

INGA

754,26

1,74

×

 

28

België

BIRB

617,65

1,43

 

 

29

Spanje

Extremadura

616,27

1,42

 

 

30

Verenigd Koninkrijk

SERAD

614,59

1,42

 

 

31

Spanje

Aragón

520,32

1,20

 

 

32

Nederland

PZ

448,82

1,04

 

 

33

Duitsland

Hamburg-Jonas

439,64

1,02

 

 

34

Duitsland

Mecklenburg-Vorpommern

407,74

0,94

 

 

35

Duitsland

Sachsen-Anhalt

384,88

0,89

 

 

36

Italië

Region Lombardie

359,66

0,83

 

 

37

Italië

AVEPA (Veneto)

359,44

0,83

 

 

38

Spanje

Cataluña

349,54

0,81

×

 

39

Duitsland

Schleswig-Holstein

341,16

0,79

 

 

40

Italië

AGREA

323,79

0,75

 

 

41

Duitsland

Sachsen

312,99

0,72

 

 

42

Nederland

HPA

297,38

0,69

 

 

43

Frankrijk

ONIFLHOR

282,90

0,65

×

 

44

Duitsland

Thüringen

282,21

0,65

 

 

45

Verenigd Koninkrijk

DARD

281,61

0,65

 

 

46

Frankrijk

ONIVINS

245,19

0,57

 

 

47

België

Région Wallonne

234,40

0,54

×

 

48

Duitsland

Hessen

228,27

0,53

 

 

49

Duitsland

BLE

222,59

0,51

 

 

50

Italië

ARTEA (Toscana)

187,56

0,43

 

 

51

Duitsland

Rheinland-Pfalz

187,44

0,43

 

 

52

Italië

SAISA (ex DCCC)

185,47

0,43

 

 

53

Spanje

Canarias

164,13

0,38

 

 

54

Frankrijk

ODEADOM

143,58

0,33

×

 

55

Spanje

Galicia

139,30

0,32

 

 

56

Spanje

Valencia

138,36

0,32

 

 

57

Spanje

Navarra

116,35

0,27

×

 

58

Italië

ENR

114,32

0,26

 

 

59

Spanje

Murcia

98,29

0,23

 

 

60

Portugal

IFADAP

69,97

0,16

×

 

61

Spanje

Asturias

62,84

0,15

 

 

62

Nederland

PT

58,23

0,13

 

 

63

Spanje

País Vasco

57,73

0,13

 

 

64

Spanje

Madrid

57,02

0,13

×

×

65

Nederland

DLG

56,18

0,13

 

 

66

Nederland

PVE

42,17

0,10

 

 

67

Spanje

La Rioja

41,24

0,10

 

 

68

Oostenrijk

ZA Salzburg

40,19

0,09

 

 

69

Luxemburg

Ministère de l'Agriculture

37,80

0,09

×

×

70

Spanje

Cantabria

34,22

0,08

 

 

71

Spanje

Baleares

25,57

0,06

 

 

72

Duitsland

Bayern, Umwelt

23,82

0,06

×

×

73

Duitsland

Saarland

20,23

0,05

×

 

74

Verenigd Koninkrijk

FC

17,30

0,04

 

 

75

Polen

ARR

11,42

0,03

 

 

76

Frankrijk

OFIMER

9,23

0,02

 

 

77

Ierland

DMNR

9,20

0,02

 

 

78

Duitsland

Hamburg

6,72

0,02

 

 

79

Verenigd Koninkrijk

CCW

5,63

0,01

 

 

80

Duitsland

Nordrhein-Westfalen LfEJ

4,99

0,01

 

 

81

Tsjechische Republiek

SAIF

4,94

0,01

×

 

82

Duitsland

Bremen

2,49

0,01

 

 

83

Frankrijk

ACCT/SDE

1,87

0,00

×

×

84

Spanje

FROM

1,68

0,00

 

 

85

Slowakije

APA

1,48

0,00

 

 

86

Duitsland

Berlin

1,40

0,00

 

 

87

Estland

PRIA

0,55

0,00

 

 

88

Litouwen

NPA

0,53

0,00

 

 

89

Hongarije

ARDA

0,51

0,00

×

 

90

Slovenië

AAMRD

0,07

0,00

 

 

91

Letland

RSS

0,03

0,00

 

 

 

 

Subtotaal

11 903,25

27,49

 

 

 

Totaal

43 305,57

100,00

11 507,17

3 955,97

NB: Wisselkoersen voor lidstaten buiten de eurozone: Tsjechische Republiek: 30,031; Denemarken: 7,4502; Estland: 15,6466; Hongarije: 247,25; Letland: 0,6960; Litouwen: 3,4528; Polen: 4,0876; Slowakije: 38,75; Slovenië: 239,7; Zweden: 9,1687; Verenigd Koninkrijk 0,6867.

Bron: Beknopt verslag van de Commissie over de financiële goedkeuring van de rekeningen van het EOGFL-Garantie voor 2004.

Werkzaamheden van de verklarende instanties

4.16.

Een verklarende instantie moet operationeel onafhankelijk zijn van het betaalorgaan (15). Zij moet haar verklaring baseren op een onderzoek van de procedures en op een steekproef van verrichtingen. De verklaring moet vermelden of de rekeningen waarheidsgetrouw, volledig en nauwkeurig zijn en of de internecontroleprocedures bevredigend hebben gefunctioneerd. Deze verklaring moet worden onderbouwd met een verslag over de bevindingen van de verklarende instantie. Werkzaamheden met betrekking tot de wettigheid en regelmatigheid beperken zich tot de garantie dat het betaalorgaan kan aantonen dat het de nodige administratieve structuren bezit om te verzekeren dat de aanvragen worden gecontroleerd op naleving voordat zij worden betaald. Aanvragen ingediend door begunstigden van EU-steun worden gewoonlijk niet ter plaatse gecontroleerd door de verklarende instantie.

 

4.17.

De Commissie tracht te verzekeren dat de verklarende instanties de door de betaalorganen beheerde uitgaven naar behoren controleren; zij stelt richtsnoeren voor de verklarende instanties vast (betreffende onder meer de steekproefsgewijze controle van verrichtingen) en onderzoekt hun verslagen om na te gaan of haar richtsnoeren zijn gevolgd.

 

4.18.

In haar samenvatting bij haar financiële goedkeuringsbeschikking verklaart de Commissie dat zij over het geheel genomen tevreden is met de kwaliteit en inhoud van de verslagen van de verklarende instanties, maar vermeldt zij de volgende gebieden waaraan de verklarende instanties meer aandacht moeten besteden: voorschotten en zekerheden, schulden, follow-up van gedurende voorgaande certificeringscontroles ontdekte financiële fouten, steekproefneming en evaluatie van fouten, controles van gegarandeerde maximum hoeveelheden en de audit van plattelandsontwikkeling. De Rekenkamer onderschrijft deze conclusies.

 

Beschikking tot financiële goedkeuring voor 2004

4.19.

De Commissie heeft haar financiële-goedkeuringsbeschikking op 13 mei 2005 genomen (16). Voor het op 15 oktober 2004 afgesloten begrotingsjaar ontvingen 71 betaalorganen die 32  miljard euro beheren een goedkeurende auditverklaring van hun verklarende instanties (zie tabel 4.2 ). De overige 20 organen ontvingen een verklaring onder voorbehoud of een afkeurende verklaring, zij het voor kleine bedragen. Redenen waren onder meer: ongerechtvaardigde betalingen en niet-subsidiabele uitgaven, ontdekt door de verklarende instanties, ontbrekende bewijsstukken, gebreken in de regelingen waarbij betaalorganen sommige functies aan andere organen delegeren, of onvolledige, onjuiste of misleidende informatie over vorderingen.

4.19.

De reserves en negatieve oordelen hebben in de grote meerderheid van de gevallen slechts betrekking op bepaalde aspecten en bepaalde maatregelen bij de betrokken 20 betaalorganen.

De Commissie is reeds procedures begonnen om alle onverschuldigd betaalde bedragen van materiële omvang terug te vorderen (zie ook paragraaf 4.20).

4.20.

De Commissie keurde de rekeningen van 86 van de 91 betaalorganen goed en stelde haar goedkeuring van de rekeningen van vijf betaalorganen (goed voor 4 miljard euro, 9 % van de totale gedeclareerde uitgaven) uit wegens onnauwkeurige of ontoereikende werkzaamheden door de betrokken betaalorganen (17). Zij is voornemens, financiële correcties aan te brengen voor in totaal ongeveer 7 miljoen euro, met betrekking tot 14 betaalorganen (18).

 

In voorgaande jaren niet goedgekeurde („losgekoppelde”) rekeningen van betaalorganen

4.21.

In 2004 voltooide de Commissie de werkzaamheden met betrekking tot de rekeningen die zij niet had goedgekeurd in de financiële beschikking van 2001 en 2002, in de meeste gevallen wegens ontoereikendheid van het door de verklarende instanties verrichte werk of wegens de noodzaak bepaalde gegevens te verduidelijken. Zij keurde de rekeningen goed van vier betaalorganen die voor 2001 niet waren aanvaard en van zeventien die voor 2002 niet waren aanvaard.

 

De conformiteitsbeschikkingen van 2004

4.22.

Conformiteitsbeschikkingen hebben gewoonlijk betrekking op meerdere uitgavenjaren en worden met enige jaren vertraging genomen. De correcties in de conformiteitsbeschikkingen van 2004 betreffen dus niet de GLB-betalingen aan eindbegunstigden in 2004.

4.22.

De audits die leiden tot conformiteitsbeschikkingen, worden voornamelijk toegespitst op de door de lidstaten opgezette beheers- en controlesystemen. Als die audits geen tekortkomingen aan het licht brengen of tot gevolg hebben dat vervolgens verbeteringen in de systemen worden aangebracht, zijn zij ook relevant voor de wettigheid en de regelmatigheid van de desbetreffende uitgaven in latere jaren. Zij vormen het bewijs dat het bestaan van een procedure voor de goedkeuring van de rekeningen bijdraagt tot de nagestreefde redelijke zekerheid.

4.23.

In 2004 nam de Commissie drie conformiteitsbeschikkingen met betrekking tot uitgaven die van 1998 tot 2003 (19) waren gedeclareerd, en weigerde zij 406 miljoen euro te financieren (20). Evenals in voorgaande jaren waren de meeste ervan (71 %) forfaitaire correcties (21). De correcties hebben voornamelijk betrekking op dierpremies (186 miljoen euro), groenten en fruit (70 miljoen euro) en akkerbouwgewassen (67 miljoen euro) en betreffen hoofdzakelijk Frankrijk (213 miljoen euro), Italië (63 miljoen euro), Griekenland (46 miljoen euro) en Spanje (34 miljoen euro). De voornaamste door de Commissie opgegeven redenen voor de correcties waren gebreken in het systeem voor de identificatie en registratie van vee en tekortkomingen in het aantal en/of de kwaliteit van de inspecties ter plaatse.

 

Conformiteitsbeschikkingen van de afgelopen jaren

4.24.

Tabel 4.3 laat de resultaten zien van de goedkeuringsbeschikkingen van de Commissie met betrekking tot 1991 en latere jaren. Eind 2004 was de goedkeuring voor enig jaar na 1998 nog niet afgerond. De totale correcties geven voor de onderzochte begrotingsonderdelen en lidstaten weer, welk bedrag aan uitgaven, voornamelijk wegens gebreken in de systemen van de lidstaten voor het beheer en de controle van de uitgaven, naar de mening van de Commissie niet moet worden gedragen door de begroting van de Gemeenschappen.

4.24.

De diensten van de Commissie spannen zich in om de achterstand weg te werken en bij de opstelling van het werkprogramma voor de in 2005 te verrichten audits van de landbouwuitgaven is bijzondere aandacht besteed aan de oudste gevallen die nog niet waren afgehandeld. De situatie in juni 2005 is dat 94,3 % van de in 2001 uitgevoerde audits (waarbij de financiële correcties kunnen teruggaan tot 1999) en 78,7 % van de in 2002 uitgevoerde audits (waarbij de financiële correcties kunnen teruggaan tot 2000) zijn afgesloten.

4.25.

De grafieken 4.4 en 4.5 geven de verdeling van de correcties weer over de beschikkingen die de Commissie in de periode 1999-2004 heeft genomen (22), per lidstaat en per marktsector. Deze beschikkingen hebben betrekking op uitgavenposten uit de communautaire begrotingsjaren 1996-2003.

 

Tabel 4.3 — Correcties in de beschikkingen tot goedkeuring van de rekeningen voor de begrotingsjaren 1991-2003

(miljoen euro)

 

1991

1992

1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

Gedeclareerde uitgaven

31 255,9

30 480,2

34 008,0

33 592,8

35 654,4

39 062,5

40 884,3

38 857,4

40 726,2

40 410,6

41 593,8

42 710,8

44 212,0

Totaalbedrag correcties

–1 504,1

– 788,2

– 736,6

– 307,8

– 572,8

– 790,0

– 481,4

– 329,3

– 275,6

– 380,4

– 251,7

– 147,5

–37,0

waarvan:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

a) Superheffing melk

– 979,2

– 419,7

– 230,6

–2,7

–15,1

– 215,0

– 110,2

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

b) Uitgesloten uitgaven

– 524,9

– 368,5

– 506,0

– 305,1

– 557,7

– 575,0

– 371,2

– 329,3

– 275,6

– 380,4

– 251,7

– 147,5

–37,0

Uitgesloten uitgaven als percentage van gedeclareerde uitgaven

1,7 %

1,2 %

1,5 %

0,9 %

1,6 %

1,5 %

0,9 %

0,8 %

0,7 %

0,9 %

0,6 %

0,3 %

0,1 %

Bron: Beschikkingen tot goedkeuring van de rekeningen voor de begrotingsjaren 1991-2003.

Image

Image

De door de Rekenkamer genomen steekproef van verrichtingen

4.26.

De Rekenkamer onderzocht een representatieve steekproef van betalingen uit de uitgaven van 25 betaalorganen (samen goed voor 72,5 % van de GLB-uitgaven) en uit de rechtstreekse uitgaven van de Commissie. Via deze tests trachtte de Rekenkamer rechtstreeks bewijs te vergaren dat de betalingen correct werden verricht voor een subsidiabele activiteit. Dergelijke tests verschaffen degelijk bewijs omtrent de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven voor oppervlaktesteun (zie de paragrafen 4.35 t/m 4.38) en in mindere mate dierpremies (zie de paragrafen 4.39 t/m 4.42), waarover de controleur gewoonlijk fysiek bewijs ter beschikking heeft. Daarentegen kan de controleur op terreinen als uitvoerrestituties (zie de paragrafen 4.49 en 4.50) of steun, betaald op basis van de geproduceerde hoeveelheid (zie paragraaf 4.43), slechts documenten verifiëren. De mate waarin zulke documenten betrouwbare informatie verschaffen wordt door zowel de aard van de verrichting (zie paragraaf 4.48), als het betrokken controlesysteem (zie paragraaf 4.54) beïnvloed.

 

Jaarlijks activiteitenverslag van de directeur-generaal Landbouw over 2004

Enige vooruitgang ten opzichte van vorig jaar

4.27.

Het jaarlijks activiteitenverslag bevat een verklaring van de directeur-generaal dat de controleprocedures hem zekerheid verschaffen dat de GLB-uitgaven van 2004 wettig en regelmatig zijn.

 

4.28.

Het verslag vermeldt het volgende:

a)

het directoraat-generaal Landbouw (DG AGRI) voldoet in het algemeen aan de interne-controlenormen, hoewel er op sommige gebieden nog werk aan de winkel is (23);

b)

behalve in Griekenland vormt het GBCS een uitstekend middel om een goede besteding van de communautaire middelen te garanderen;

c)

de controles na betaling verschaffen redelijke zekerheid dat de betrokken uitgaven voldoen aan de communautaire regelgeving;

d)

de certificeringsprocedure verschaft zekerheid over de volledigheid, nauwkeurigheid en betrouwbaarheid van de rekeningen van de betaalorganen en een zekere mate van zekerheid over de werking van hun interne-controlesystemen en hun vermogen om te verzekeren dat de betalingen wettig en regelmatig zijn;

e)

voor de uitgaven van 2004 zal het op zijn vroegst in 2006 zijn dat het auditwerk betreffende de controlesystemen afgesloten is en de definitieve financiële correcties vastgesteld zijn;

f)

er bestaat een risico dat er niet-subsidiabele uitgaven zijn gefinancierd, maar deze uitgaven kunnen worden gecontroleerd in latere jaren in het kader van de conformiteitsprocedures en kunnen worden onderworpen aan financiële correcties (24);

g)

de financiële correcties in het kader van de goedkeuringsprocedure dekken samen met de terugvorderingen in de lidstaten het „globale financiële risico”.

 

4.29.

De informatiebronnen waarop de directeur-generaal zijn verklaring baseert bieden slechts een beperkte dekking van en zekerheid over de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven voor 2004. De inspectieresultaten van het GBCS hebben wel betrekking op de wettigheid en regelmatigheid van de betalingen aan landbouwers, maar ze worden onvoldoende geverifieerd en gevalideerd door een onafhankelijk orgaan. Het werk van de verklarende instanties kan problemen aan het licht brengen op het niveau van de betaalorganen, maar er kan niet op worden vertrouwd om zekerheid te verschaffen over aanvragen door landbouwers en handelaren.

4.30.

Om betrouwbare informatie te verkrijgen over de wettigheid en regelmatigheid van de betalingen aan de eindbegunstigden moet de directeur-generaal:

a)

hetzij regelingen treffen opdat de verklarende instanties hun werkzaamheden kunnen uitbreiden tot de eindbegunstigden, via verruiming van hun steekproefneming tot het niveau van de landbouwers of door meer werkzaamheden te verrichten om de GBCS-inspectiestatistieken en controles na betalingen te verifiëren en valideren (25);

b)

hetzij zijn eigen personeel verplichten om op basis van een geschikte methode van steekproefneming de wettigheid en regelmatigheid van de verrichtingen voor het jaar op het niveau van de eindbegunstigden te verifiëren.

4.29 en 4.30.

De Commissie is van mening dat de directeur-generaal reeds over voldoende informatie beschikt om een redelijke zekerheid te hebben over de wettigheid en de regelmatigheid van de landbouwuitgaven.

Zoals reeds is vermeld in het antwoord op het Jaarverslag 2003 van de Rekenkamer, maken de opzet en de erkenning van de betaalorganen van de lidstaten, de jaarlijkse certificering van de rekeningen en de toepassing van de verschillende beheers- en controlesystemen, waaronder het GBCS, het mogelijk veel vertrouwen te stellen in de controle van de gedeclareerde uitgaven. Om het systeem als geheel verder te verbeteren is in de nieuwe basisverordening betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid bepaald dat het hoofd van een betaalorgaan in de toekomst een verklaring achteraf over de verkregen zekerheid inzake de wettigheid en de regelmatigheid van de door zijn betaalorgaan verrichte uitgaven (borgingsverklaring) zal moeten ondertekenen.

De informatie waarop de directeur-generaal vertrouwt, is ontleend aan een systeem dat is gebaseerd op een meerjarenaanpak. Daarom staat de Commissie niet achter de door de Rekenkamer genoemde opties.

4.31.

Het feit dat de verklaring van de directeur-generaal verband houdt met uitgaven die vervolgens kunnen worden onderworpen aan financiële correcties en niet aangeeft in welke mate de uitgaven zouden kunnen worden beïnvloed door die correcties, beperkt de zekerheid die de Rekenkamer aan zijn verklaring kan ontlenen (26). De verklaring zou onderscheid moeten maken tussen enerzijds uitgaven die gecontroleerd zijn (en zo nodig aan correcties zijn of zullen worden onderworpen) en waarvoor de directeur-generaal redelijke (of geen) zekerheid kan geven, en anderzijds uitgaven die nog verder worden gecontroleerd (en eventueel gecorrigeerd).

4.31.

De Commissie is van mening dat het niet passend zou zijn om in het jaarlijkse activiteitenverslag een onderscheid te maken tussen reeds gecontroleerde en nog verder te controleren uitgaven, zoals de Rekenkamer voorstelt. Gezien het meerjarenkarakter van de conformiteitsgoedkeuring zou een dergelijk onderscheid grotendeels op willekeur berusten. Ook zou het afbreuk doen aan het recht van de lidstaten om zich in het kader van de procedure voor de goedkeuring van de rekeningen te verdedigen.

De verklaring van de directeur-generaal en het bijbehorende jaarlijkse activiteitenverslag moeten worden gezien in het bredere kader van de in artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1258/1999 opgenomen regeling voor de goedkeuring van de rekeningen betreffende het EOGFL-Garantie. Het hele goedkeuringsproces is verdeeld in enerzijds een jaarlijkse financiële goedkeuring, en anderzijds een op verscheidene jaren betrekking hebbende conformiteitsgoedkeuring waarbij de Commissie uitgaven aan communautaire financiering kan onttrekken die zijn gedaan minder dan 24 maanden vóór de schriftelijke kennisgeving door de Commissie van de resultaten van haar audits in de betrokken lidstaat.

Onder deze omstandigheden is het niet mogelijk om op jaarbasis, en vooral in de context van het jaarlijkse activiteitenverslag van de directeur-generaal, een redelijke zekerheid over de wettigheid en de regelmatigheid van de in het kader van het gedeelde beheer verrichte landbouwuitgaven te ontlenen uitsluitend aan de auditwerkzaamheden van de diensten van de Commissie, maar moet die zekerheid mede zijn gebaseerd op de veronderstelling dat de lidstaten hun beheers- en controleverplichtingen nakomen. Als later bij de audits van de Commissie tekortkomingen worden ontdekt, wordt het risico op niet-subsidiabele uitgaven bepaald en worden passende financiële correcties toegepast.

Het feit dat de beschikkingen over de conformiteitsgoedkeuring van de rekeningen gewoonlijk enkele jaren na het jaar van de betrokken uitgaven worden gegeven, is inherent aan de procedure, die voor de lidstaten het recht inhoudt om op de bevindingen te reageren. In het jaarlijkse activiteitenverslag van de directeur-generaal over 2004 wordt dit uitdrukkelijk in herinnering gebracht.

4.32.

Momenteel is het niveau van de door het GLB gefinancierde onregelmatige betalingen niet bekend bij, of geschat door de directeur-generaal (27). Hij heeft geen betrouwbare grondslag waarop hij kan verklaren dat een bedrag, gelijk aan het totaal aan onregelmatige betalingen, waarschijnlijk zal worden teruggevorderd via de procedure voor de goedkeuring van de rekeningen (28) en via de terugvorderingsprocedures in de lidstaten. De conformiteitsbeschikkingen zijn meestal forfaitaire correcties van gebreken in de controlesystemen en vormen geen beoordeling van het effect van afzonderlijke fouten.

4.32.

De Commissie is van mening dat het totaalbedrag aan financiële correcties voor een bepaald jaar en de sancties die op nationaal niveau zijn opgelegd aan de eindbegunstigden, samen waardevolle gegevens zijn voor het schatten van de totale omvang van de onverschuldigd betaalde bedragen.

Interne-controlenormen — Sommige normen worden niet volledig toegepast

4.33.

Een van de vernieuwingen, ingevoerd in het kader van de hervorming van het financieel beheer bij de Commissiediensten, was de vereiste om te voldoen aan 24 internecontrolenormen, die concreter gestalte kregen in 72 basisvereisten. DG AGRI's zelfbeoordeling van 2004 concludeerde dat aan alle normen en basisvereisten was voldaan (zie paragraaf 4.28, onder a)).

 

4.34.

De Rekenkamer onderzocht de toepassing van acht normen (29) en constateerde dat deze bij vier ervan voor verbetering vatbaar was (30). De verslagen van de interne auditdienst van DG AGRI (zie hoofdstuk 1, paragraaf 1.81) die in 2004 werden uitgebracht, bevestigen dit.

4.34.

De Commissie stelt met nadruk dat het directoraat-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling eind 2004 voldeed aan alle basiseisen die zij voor de 24 normen voor de interne controle had vastgesteld. Uiteraard zijn op sommige gebieden nog verbeteringen mogelijk en wenselijk en het directoraat-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling heeft deze ook vermeld in zijn beoordeling van de situatie eind 2004.

De beoordeling door de Rekenkamer van uitgaventerreinen van het GLB

Oppervlaktesteunregelingen

4.35.

De uitgaven voor subsidies voor akkerbouwgewassen in de vorm van oppervlaktesteun beliepen 17 475 miljoen euro in 2004, ofwel 39 % van de GLB-uitgaven. Al deze uitgaven vallen onder het GBCS.

 

4.36.

De GBCS-inspectieresultaten betreffende opgaven van oppervlakten voor 2003 (voor betalingen in 2004) worden weergegeven in tabel 4.4 .

 

4.37.

De lidstaten deelden de Commissie mee dat zij 8,1 % van de aanvragen ter plaatste verifieerden, ofwel 11,4 % van de totale aangevraagde oppervlaktesteun. Bij de 14 lidstaten die het GBCS bevredigend hebben uitgevoerd, vertoonden de aselecte verificaties een foutenpercentage van 1,6 %. Dit levert een redelijke schatting op van de waarschijnlijke fout in betaalde aanvragen. Voor inspecties ter plaatse (31) omvatten de niet gevonden oppervlakten in de aanvragen (zie tabel 4.4 en grafiek 4.6 ) de resultaten van verificaties van zowel aselect geselecteerde aanvragen als op basis van risicoanalyse geselecteerde aanvragen. Evenals in voorgaande jaren bleken in sommige lidstaten de op basis van risicoanalyse geselecteerde verrichtingen een lager foutenpercentage te hebben dan aselect gekozen verrichtingen.

4.37.

In de eerste plaats dient erop te worden gewezen dat de totale aantallen controles ter plaatse het voorgeschreven minimumpercentage ruimschoots overtreffen. Het is juist dat in sommige lidstaten de aselecte controles doeltreffender lijken dan de controles op basis van een risicoanalyse. Zoals eerder is uitgelegd, is dit grotendeels toe te schrijven aan het feit dat sommige lidstaten de controles door middel van teledetectie in hun verslaglegging rekenen tot de aselecte controles, terwijl dergelijke controles in feite op zijn minst gedeeltelijk ook op een risicoanalyse zijn gebaseerd. Op grond van Verordening (EG) nr. 118/2004 moeten de lidstaten vanaf 2004 de controleresultaten evalueren en hun risicoanalyse aan de hand van die evaluatie verbeteren, wat het probleem uit de wereld zal helpen.

Opgemerkt wordt echter dat tot op zekere hoogte sprake is van „afnemende opbrengsten”. Dankzij de kwaliteit van het GBCS, dat onder meer een administratieve controle van alle aanvragen inhoudt, worden slechts weinig afwijkingen ontdekt, zodat het verschil tussen de resultaten van aselecte controles en die van controles op basis van een risicoanalyse marginaal is en het gevolg kan zijn van het verschil in steekproefgrootte. Bovendien baseert de Rekenkamer haar berekeningen op discrepanties qua oppervlakte, terwijl dezelfde vergelijking ten aanzien van de frequentie waarmee bij landbouwers onregelmatigheden worden geconstateerd, voor verscheidene lidstaten een ander resultaat oplevert.

Tabel 4.4 — Oppervlaktesteun, oppervlakte voedergewassen en andere teelten — Resultaten van GBCS-veldinspectie en teledetectie in 2003 betreffende in 2004 betaalde aanvragen

Lidstaat

Ingediende aanvragen

Gecontroleerde aanvragen

Aanvragen met fouten

Aantal

Oppervlakte (ha)

Gemiddelde grootte (ha)

Aantal

%

Oppervlakte (ha)

%

Gemiddelde grootte (ha)

Aantal

%

Oppervlakte (ha)

%

België

41 618

1 019 389

24

4 172

10,0

151 209

14,8

36

1 422

34,1

1 326

0,9

Denemarken

49 574

2 319 081

47

2 611

5,3

137 759

5,9

53

716

27,4

647

0,5

Duitsland

305 315

14 008 476

46

18 467

6,0

941 989

6,7

51

7 878

42,7

5 731

0,6

Griekenland

328 200

3 897 336

12

37 088

11,3

1 913 787

49,1

52

11 375

30,7

29 326

1,5

Spanje

429 069

17 889 474

42

44 994

10,5

2 077 268

11,6

46

19 972

44,4

60 579

2,9

Frankrijk

409 976

23 777 964

58

27 990

6,8

1 870 383

7,9

67

11 293

40,3

10 593

0,6

Ierland

127 532

4 686 612

37

9 092

7,1

529 153

11,3

58

1 408

15,5

1 745

0,3

Italië

588 069

7 068 768

12

45 678

7,8

1 270 819

18,0

28

20 731

45,4

43 759

3,4

Luxemburg

1 953

121 680

62

106

5,4

8 292

6,8

78

95

89,6

133

1,6

Nederland

45 914

654 439

14

3 239

7,1

54 624

8,3

17

1 212

37,4

2 280

4,2

Oostenrijk

127 059

2 465 204

19

8 680

6,8

200 402

8,1

23

4 434

51,1

2 517

1,3

Portugal

130 648

1 984 370

15

11 687

8,9

1 271 815

64,1

109

8 463

72,4

21 613

1,7

Finland

68 329

2 086 447

31

4 674

6,8

191 490

9,2

41

2 064

44,2

1 189

0,6

Zweden

58 958

2 745 792

47

4 054

6,9

204 571

7,5

50

2 280

56,2

6 377

3,1

Verenigd Koninkrijk

128 135

14 146 232

110

7 932

6,2

1 134 869

8,0

143

4 437

55,9

7 348

0,6

Totaal 2003

2 840 349

98 871 264

35

230 464

8,1

11 958 430

12,1

52

97 780

42,4

195 163

1,6

Totaal 2002

2 894 917

97 955 796

34

248 572

8,6

11 656 029

11,9

47

94 717

38,1

198 079

1,7

Totaal 2001

2 935 273

98 275 675

33

299 716

10,2

11 638 423

11,8

39

105 099

35,1

240 786

2,1

NB 1: Teledetectie houdt in gebruikmaking van satelliet- of luchtfotografie om de GBCS-toepassing te controleren.

NB 2: Tests in het jaar N zijn van belang voor betalingen in het jaar N + 1.

Bron: Door de lidstaten bij DG AGRI ingediende GBCS-statistieken.

Image

4.38.

Voor oppervlaktesteun als geheel zijn de resultaten van de tests van de Rekenkamer van verrichtingen grotendeels in overeenstemming met de resultaten van aselecte tests, verricht door de lidstaten, en de verdeling per soort lijkt op die van voorgaande jaren:

a)

de meeste betalingen waren vrij van fouten;

b)

ongeveer een op de drie was behept met relatief kleine meetfouten. Evenals in voorgaande jaren hebben fouten van deze aard en op deze schaal, hoewel frequent, geen beduidende invloed op de uitgaven als geheel;

c)

een klein aantal gevallen bevatte grotere fouten, maar het aantal en het effect van die gevallen was geringer dan in voorgaande jaren.

4.38.

De opmerkingen van de Rekenkamer stemmen in grote trekken overeen met de bevindingen van de Commissie, volgens welke in de grote meerderheid van de lidstaten sprake is van een over het algemeen bevredigende situatie.

Premieregelingen voor dieren

4.39.

Aan dierpremies werd in 2004 9 019 miljoen euro, ofwel 20 % van de GLB-uitgaven besteed. Inspectiestatistieken van het GBCS betreffende dierpremies geven het aantal door landbouwers opgegeven dieren aan waarvan de inspecteurs constateerden dat ze niet bestonden of niet voor steun in aanmerking kwamen. Statistieken voor dierpremies zijn nog steeds minder betrouwbaar dan de overeenkomstige statistieken betreffende aanvragen om oppervlaktesteun.

4.39.

De statistische gegevens die moeten worden verstrekt over de toepassing van de (zes) premieregelingen voor dieren, lopen sterker uiteen dan het geval is bij de statistieken over akkerbouwgewassen, wat het verschil in kwaliteit verklaart dat bij de verslaglegging door de lidstaten kan worden geconstateerd. Bovendien hebben verscheidene hervormingen van die premieregelingen wat markt- en controleaspecten ervan betreft het noodzakelijk gemaakt de te verstrekken gegevens geregeld te herzien.

De statistieken worden echter betrouwbaar genoeg geacht voor het bereiken van het hoofddoel ervan, namelijk na te gaan of de lidstaten de controle- en sanctievoorschriften naleven. Bovendien is de kwaliteit beter geworden en is een tijdige verslaglegging nu de norm, wat al met al een zeer belangrijke verbetering betekent vergeleken met vroeger.

4.40.

In 2003 (dat wil zeggen met betrekking tot in 2004 betaalde aanvragen) inspecteerden de lidstaten voor de grootste regeling, de zoogkoeienpremie (zie tabel 4.5 en grafiek 4.7 ) 17,3 % van de opgegeven dieren. Geconstateerd werd dat 1,4 % daarvan ontbrak of niet-subsidiabel was, een daling ten opzichte van 2002, toen 2 % niet-subsidiabel werd bevonden. Bij de schapen- en geitenpremies steeg het percentage ontbrekende dieren van 7,2 % in 2002 tot 8,2 % in 2003. Italië en Griekenland rapporteren significant hogere foutenniveaus voor schapen- en geitenpremies dan de andere lidstaten; het foutenpercentage voor de overige 13 lidstaten in 2003 was 1,8 % (2,2 % in 2003).

4.40.

De vermelde cijfers duiden op een verbetering wat de ontdekking betreft van dieren die ten onrechte of te veel zijn opgegeven. De voor Griekenland en Italië beschreven situaties zijn eveneens het gevolg van de verbetering van de controleprocedures naar aanleiding van aanbevelingen in het kader van de goedkeuring van de rekeningen.

4.41.

Over het geheel genomen vertoont het foutenpercentage dat bij de GBCS-inspecties van vee in 2003 werd aangetroffen kleine variaties van lidstaat tot lidstaat, behalve wat betreft Italië, waar het percentage niet-subsidiabel vee nog steeds zeer hoog is (10,2 % van de voor de zoogkoeienpremie opgegeven dieren en 22,3 % van de voor de speciale rundvleespremie opgegeven dieren).

4.41.

De door de Rekenkamer genoemde percentages van runderen in Italië die niet in aanmerking komen, houden wellicht verband met het feit dat deze lidstaat zijn nationale gegevensbestand nogal laat heeft geïmplementeerd: er was een hoog percentage landbouwers die niet aan de voorschriften voldeden, en nu worden die landbouwers doeltreffend opgespoord, waarbij hun ook de nodige sancties worden opgelegd.

4.42.

De directe tests van de Rekenkamer brachten geen significante fouten aan het licht.

 

Tabel 4.5 — GBCS-inspecties voor de zoogkoeienpremie — Resultaten van controles ter plaatse in 2003 betreffende in 2004 betaalde aanvragen

Lidstaat

Geïnspecteerde aanvragen

Gedeeltelijk afgewezen geïnspecteerde aanvragen

Volledig afgewezen geïnspecteerde aanvragen

Geïnspecteerde dieren

Afgewezen geïnspecteerde dieren

Totaal aantal ingediende aanvragen

Aantal

%

Aantal

%

Aantal

%

Totaal aantal in aanvragen opgegeven dieren

Aantal

%

Aantal

%

België

15 433

748

4,8

7

0,9

2

0,3

394 047

40 354

10,2

39

0,1

Denemarken

8 754

1 053

12,0

20

1,9

3

0,3

109 444

32 337

29,5

44

0,1

Duitsland

33 326

3 496

10,5

302

8,6

100

2,9

635 750

92 878

14,6

1 412

1,5

Griekenland

11 513

11 426

99,2

213

1,9

113

1,0

212 310

212 602

100,1

2 665

1,3

Spanje

62 837

5 912

9,4

319

5,4

37

0,6

1 734 717

352 008

20,3

2 323

0,7

Frankrijk

121 849

17 311

14,2

1 946

11,2

452

2,6

4 286 741

695 530

16,2

4 751

0,7

Ierland

62 861

4 655

7,4

326

7,0

32

0,7

1 105 245

121 632

11,0

1 007

0,8

Italië

58 890

6 567

11,2

184

2,8

1 037

15,8

797 680

124 429

15,6

12 699

10,2

Luxemburg

508

38

7,5

1

2,6

1

2,6

23 391

3 080

13,2

4

0,1

Nederland

4 234

652

15,4

13

2,0

11

1,7

55 347

16 041

29,0

126

0,8

Oostenrijk

61 324

6 872

11,2

468

6,8

100

1,5

397 376

63 795

16,1

996

1,6

Portugal

25 066

2 771

11,1

170

6,1

113

4,1

328 935

60 041

18,3

1 149

1,9

Finland

1 532

203

13,3

22

10,8

2

1,0

36 794

5 079

13,8

71

1,4

Zweden

9 599

616

6,4

5

0,8

1

0,2

150 902

11 173

7,4

16

0,1

Verenigd Koninkrijk

31 273

2 977

9,5

534

17,9

16

0,5

1 414 748

193 212

13,7

1 339

0,7

Totaal 2003

508 999

65 297

12,8

4 530

6,9

2 020

3,1

11 683 427

2 024 191

17,3

28 641

1,4

Totaal 2002

539 093

78 087

14,5

6 056

7,8

2 933

3,8

11 934 249

2 230 816

18,7

45 408

2,0

NB 1: Een aanvraag wordt volledig afgewezen bij ontdekking van een verschil van meer dan 20 % tussen het aantal opgegeven dieren en het vastgestelde aantal subsidiabele dieren, of bij een verschil als gevolg van opzettelijke onregelmatigheden.

NB 2: Tests in het jaar N zijn van belang voor betalingen in het jaar N + 1.

Bron: Door de lidstaten bij DG AGRI ingediende GBCS-statistieken over 2003.

Image

Subsidies op basis van geproduceerde hoeveelheden

4.43.

De EU subsidieert de productie van olijfolie, katoen en tabak (4 132 miljoen euro, ofwel 9,2 % van de GLB-uitgaven in 2004) op basis van de geproduceerde hoeveelheid en niet van het teeltareaal. Aan dit soort uitgaven zijn bijzondere risico's verbonden die de communautaire regelgeving probeert te verhelpen door te voorzien in een aantal controlemechanismen:

a)

aanvragen moeten verenigbaar zijn met GBCS-oppervlakteaangiften;

b)

verwerkers moeten aan een aantal voorwaarden voldoen (bijvoorbeeld wat betreft de kwaliteit van de weeginstallatie, gestandaardiseerde boekhoudkundige informatie);

c)

Griekenland, Spanje, Frankrijk, Italië en Portugal moeten een olijventeeltkadaster en een geografisch informatiesysteem (GIS) (34) opzetten en (Frankrijk uitgezonderd) controlebureaus voor olijfolie oprichten om controles uit te voeren bij fabrieken, producenten en telersverenigingen.

Indien deze controlemechanismen niet doeltreffend werken kan niet worden verzekerd dat betalingen correct zijn verricht.

 

4.44.

Bij de controle van de Rekenkamer is een aantal tekortkomingen geconstateerd:

4.44.

 

a)

in Griekenland konden sommige aanvragen voor olijfolie niet worden geverifieerd doordat de opgegeven percelen zich niet op de aangegeven plaats bevonden;

a, b en c)

Audits die de Commissie in het kader van de goedkeuring van de rekeningen heeft verricht, hebben soortgelijke bevindingen opgeleverd.

b)

Griekenland had nog steeds geen functionerend GIS voor olijfolie over de periode die relevant is voor de in 2004 gedane betalingen en de voorgeschreven compenserende controles ter plaatse werden niet bevredigend verricht;

 

c)

in Griekenland werden gevallen aangetroffen waarin telersverenigingen verzuimden, de nodige controles te verrichten, bijvoorbeeld inzake de afzet van olijfolie of inzake het verwerkingscertificaat ter onderbouwing van de aanvraag;

 

d)

in Andalusië werden onjuiste berekeningen aangetroffen voor de toepassing van sancties voor olijventelers die meer olijfbomen hadden opgegeven dan er in het GIS waren geregistreerd.

d)

Bij bezoeken in het kader van de goedkeuring van de rekeningen die de Commissie eerder aan verscheidene autonome regio’s in Spanje heeft gebracht, is eveneens gebleken dat een tolerantie systematisch verkeerdelijk wordt meegerekend bij de berekening van de sancties in het geval van een te hoge opgave van het aantal olijfbomen. De Commissie volgt deze dossiers op de voet.

4.45.

De bevindingen van de controlebureaus voor olijfolie in de vier betrokken lidstaten zijn weergegeven in de tabellen 4.6 en 4.7 . De werkzaamheden van de bureaus omvatten controles bij de olijfoliefabrieken (de producenten worden betaald op basis van de hoeveelheden olijfolie die de fabrieken certificeren). Wanneer de bureaus fouten en gebreken vinden (zoals onjuiste boeking of rapportage van toegenomen hoeveelheden), mogen zij een aantal strafmaatregelen voorstellen, waarvan de strengste de intrekking van de goedkeuring is. Controles bij fabrieken in 2003 (van invloed op de betalingen in 2004) leidden ertoe dat de bureaus voorstelden, de goedkeuring van 9 % van de bezochte fabrieken in te trekken. Deze voorstellen worden door de autoriteiten in de lidstaten echter vaak niet gevolgd (zie Jaarverslag 2003, paragraaf 4.39).

4.45.

Ook de Commissie vindt de kwaliteit van de controle van de olijfoliefabrieken (essentiële controle) zeer belangrijk. Het betreft niet alleen de kwaliteit van de controle zelf, maar ook de kwaliteit van de afhandeling van de voorstellen van de controlebureaus. De Commissie beschouwt het ten onrechte niet uitvoeren van voorgestelde sancties als een grond voor de toepassing van financiële correcties.

Tabel 4.6 — Controlebureaus voor olijfolie: controles van fabrieken (2002-2003) betreffende in 2004 betaalde aanvragen

Lidstaat

Aantal fabrieken

Gecontroleerde olijfoliefabrieken

Voorstellen tot intrekking van erkenning

Totaal

Grondig

Oppervlakkig (35)

Aantal

%

Aantal

%

Aantal

%

Aantal

% van gecontroleerde fabrieken

Griekenland

2 198

1 097

49,9

739

33,6

358

16,3

180

16,4

Spanje

1 686

958

56,8

825

48,9

133

7,9

73

7,6

Italië

5 762

3 124

54,2

1 852

32,1

1 272

22,1

285

9,1

Portugal

579

428

73,9

428

73,9

 (36)

 (36)

22

5,1

Totaal

10 225

5 607

54,8

3 844

37,6

1 763

17,2

560

10,0

Bron: Jaarverslagen 2002-2003 van de Griekse, Spaanse, Italiaanse en Portugese olijfoliebureaus.

Tabel 4.7 — Controlebureaus voor olijfolie: controles van producenten (2002-2003) betreffende in 2004 betaalde aanvragen

Lidstaat

Aantal producenten

Gecontroleerde producenten

Steunbetaling ingehouden of gekort

Totaal

Ter plaatse

Op stukken

Aantal

%

Aantal

%

Aantal

%

Aantal

% van gecontroleerde producenten

Griekenland

593 500

3 591

0,6

2 619

0,4

972

0,2

37

1,0

Spanje

485 000

1 324

0,3

943

0,2

381

0,1

47

3,5

Italië

932 822

2 013

0,2

432

0,0

1 581

0,2

63

3,1

Portugal

148 542

1 768

1,2

1 768

1,2

n.v.t.

0,0

271

15,3

Totaal

2 159 864

8 696

0,4

5 762

0,3

2 934

0,1

418

4,8

Bron: Jaarverslagen 2002-2003 van de Griekse, Spaanse, Italiaanse en Portugese olijfoliebureaus.

Plattelandsontwikkeling

4.46.

In 2004 beliepen de uitgaven voor plattelandsontwikkeling in het kader van het EOGFL-Garantie 5 395 miljoen euro (37) (12 % van de GLB-uitgaven). Dit bedrag omvat bestedingen voor agromilieuregelingen, compenserende bedragen voor landbouw in probleemgebieden, bosbouw, investeringen, steun voor jonge en uittredende landbouwers. Dit soort regelingen heeft vaak vrij ingewikkelde subsidiabiliteitsvoorwaarden die moeilijk en met veel kosten te controleren zijn en die daarom een groot risico op onregelmatigheden vormen.

 

4.47.

Voor uitgaven inzake plattelandsontwikkeling hebben de verklarende instanties in hun auditverklaring voorbehoud gemaakt bij de rekeningen van 12 betaalorganen (38), zij het met gering financieel effect. Redenen voor het maken van voorbehoud bij de rekeningen waren materiële fouten, niet-subsidiabele uitgaven, ontbrekende bewijsstukken; het voorbehoud betrof meestal agromilieumaatregelen en investeringen in landbouw en bosbouw. In twee gevallen is de Commissie reeds begonnen met de follow-up van de geïdentificeerde gebreken (Griekenland en Luxemburg).

 

4.48.

De meeste aanspraken op steun voor plattelandsontwikkeling hangen af van de naleving van door de begunstigden aangegane verplichtingen, zoals de inachtneming van goede landbouwmethoden, en worden berekend op basis van het aantal benutte hectaren, het aantal dieren, enz. In het speciaal verslag van de Rekenkamer over agromilieumaatregelen (zie de paragrafen 4.98 en 4.99), het omvangrijkste type uitgaven op het gebied van plattelandsontwikkeling, wordt geconcludeerd dat de verificatie van zulke uitgaven bijzondere problemen oplevert en zelden kan leiden tot redelijke zekerheid met betrekking tot de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven tegen een redelijke kostprijs.

4.48.

Door de complexiteit van de submaatregelen op agromilieugebied vergt de betrokken controle veel technische en financiële middelen. Een vollediger controle betreffende de agromilieumaatregel zou daarom onevenredig hoge extra kosten meebrengen, terwijl daarmee slechts een beperkte extra bijdrage aan de minimalisering van het risico voor de begroting en/of het milieu zou worden geleverd. Zie ook het antwoord op de paragrafen 4.98 en 4.99.

Andere uitgaven

4.49.

De niet in de paragrafen 4.35 t/m 4.48 besproken uitgaven belopen 8 674 euro. Dit bedrag omvat uitvoerrestituties (3 384 miljoen euro), subsidies voor het uit de markt nemen en opslaan van productie-overschotten, een aantal kleine subsidieregelingen en veterinaire uitgaven.

 

4.50.

De Rekenkamer onderzocht hoe de Commissie heeft toegezien op de toepassing van twee verordeningen die relevant zijn voor de uitgaven die niet onder het GBCS vallen en die hier hoofdzakelijk als andere uitgaven worden aangeduid.

 

4.51.

Het toezicht van de Commissie op controles na betaling in 2004 had uitgebreider kunnen zijn. Een aanzienlijk gedeelte van de geplande controles werd niet afgerond en de rapportage door de lidstaten over de waarde, aard en verdeling van de fouten en de waarde van de geteste verrichtingen schoot tekort. In het licht daarvan is de Rekenkamer van oordeel dat de Commissie geen toereikende grondslag had om zekerheid te verkrijgen uit de verrichte werkzaamheden (zie paragraaf 4.10).

4.51.

Ook in 2004 heeft de Commissie een nauwgezet toezicht uitgeoefend op de controles na de betaling door de door de lidstaten bezorgde documenten te analyseren en door lidstaten te bezoeken om de toepassing van de betrokken verordening ter plaatse te controleren (zie het antwoord op paragraaf 4.10).

Ermee rekening houdend

dat de controles na de betaling een extra controlemogelijkheid bieden ter aanvulling van de controles vóór de betaling (die voor het merendeel van de maatregelen reeds een redelijke zekerheid verschaffen) en

dat het grootste deel van het minimaal te verrichten aantal controles na de betaling tegen eind 2004 was uitgevoerd en

dat de lidstaten in hun jaarverslagen het aantal, de waarde en de aard van de geconstateerde onregelmatigheden en de waarde van de gecontroleerde transacties hebben meegedeeld,

had de Commissie een voldoende basis om een deel van haar zekerheid te ontlenen aan de verrichte controles na de betaling (zie ook het antwoord op paragraaf 4.52).

De kwaliteit van de verslaglegging zal verder worden verbeterd, maar is nu reeds toereikend om een oordeel mogelijk te maken over de zekerheid die de verrichte werkzaamheden verschaffen.

4.52.

Fysieke verificaties en controles aan de hand van stukken op het tijdstip van uitvoer van goederen overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 386/90 moeten ten minste 5 % bestrijken van de exporten die het meest worden gesubsidieerd. De Commissie voerde een programma van controlebezoeken aan zeven lidstaten uit en constateerde voorlopig gebreken bij de uitvoering van deze controles (zie de paragrafen 4.11 t/m 4.14). Zij heeft niet verklaard in welke mate zij daaraan zekerheid kan ontlenen.

4.52.

De autoriteiten van de lidstaten verrichten een compleet scala van fysieke controles, controles vóór de betaling en controles na de betaling en eventuele tekortkomingen bij een bepaalde vorm van controles moeten in die context worden geëvalueerd. Dit neemt niet weg dat bij elke gebleken tekortkoming van de controles een financiële correctie in het kader van de goedkeuring van de rekeningen wordt toegepast.

De directeur-generaal ontleent dus zekerheid aan het systeem voor de goedkeuring van de rekeningen als geheel. De onderwerpen voor de audits worden geselecteerd op basis van een jaarlijkse risicoanalyse die vooraf voor advies aan de Rekenkamer is voorgelegd. Het is dit geheel van audits met bijbehorend vervolgonderzoek dat de directeur-generaal zekerheid verschaft.

4.53.

Uitvoerrestituties maken minder dan 10 % van de GLB-begroting uit, maar in 2004 waren zij qua waarde goed voor ongeveer 26 % van de overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 595/91 (39) bij de Commissie gemelde GLB-onregelmatigheden. De Commissie moet derhalve haar toezicht op het systeem van controles na betaling verbeteren en haar bevindingen over de uitvoering van de fysieke verificaties, alsook de mate van zekerheid die daaraan kan worden ontleend, formuleren.

4.53.

Zoals de Rekenkamer in paragraaf 4.10, onder b), aangeeft, verricht de Commissie reeds regelmatig audits met betrekking tot specifieke aspecten van de nacontroles inzake de uitvoerrestituties.

Wat de fysieke controles betreft, acht de Commissie het niet wenselijk bekendheid te geven aan specifieke bevindingen voordat deze zijn behandeld in het kader van de goedkeuring van de rekeningen.

Dat de uitvoerrestituties een onevenredig groot aandeel hebben in de onregelmatigheden in het kader van het GLB, is op zijn minst gedeeltelijk toe te schrijven aan het feit dat het gemiddeld betaalde bedrag bij de uitvoerrestituties veel hoger is dan bij andere beleidsmaatregelen, en vooral de rechtstreekse steun, het geval is. Daardoor is bij onregelmatigheden met betrekking tot uitvoerrestituties de kans groter dat zij de drempelwaarde van 4 000 euro overschrijden en dus overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 595/91 moeten worden gemeld.

4.54.

De Rekenkamer ontdekte gebreken in de subsidies voor rozijnen en krenten (Griekenland, ook behandeld in de jaarverslagen over 2002 en 2003) en noten (Spanje).

4.54.

De Commissie heeft in het verleden financiële correcties toegepast wegens tekortkomingen ten aanzien van de steun voor rozijnen en krenten en zo nodig zal zij dat ook in de toekomst doen.

De gevallen die betrekking hebben op noten, zullen door de Commissie worden onderzocht.

Conclusie en aanbevelingen

Algemene conclusie

4.55.

Evenals in voorgaande jaren vond de Rekenkamer telkens weer bewijzen dat de GLB-uitgaven, in hun geheel beschouwd, en op basis van alle beschikbare bronnen van bewijs, nog steeds significante fouten bevatten. De Rekenkamer erkent dat met de voornaamste categorieën van GLB-uitgaven uiteenlopende risico's en gebreken gepaard gaan.

4.55.

Uit deze opmerking, gecombineerd met het gestelde in de paragrafen 4.38 en 4.42, concludeert de Commissie dat de situatie bevredigend is wat de met behulp van het GBCS beheerde en gecontroleerde landbouwuitgaven betreft. De door de Rekenkamer geconstateerde risico’s doen zich hoofdzakelijk voor bij de overige GLB-maatregelen (zie paragraaf 4.57). Momenteel bestrijkt het GBCS circa 60 % van de GLB-uitgaven. Op te merken valt dat de in 2003 en 2004 doorgevoerde hervormingen van het GLB het totale risico nog verder zullen verkleinen doordat zij de werkingssfeer van het GBCS uitbreiden tot circa 80 % van de uitgaven.

Over de fouten dient de volgende algemene opmerking te worden gemaakt: door het krappe tijdschema voor de opstelling van het jaarverslag van de Rekenkamer worden de conclusies van de Rekenkamer over de individuele gevallen getrokken voordat alle lidstaten op de bevindingen van de Rekenkamer hebben geantwoord. Waar nodig in samenwerking met de betrokken lidstaten verrichten de diensten van de Commissie een grondige analyse van de door de Rekenkamer geconstateerde fouten, waarvan sommige niet leiden tot een financiële correctie in het kader van de goedkeuring van de rekeningen.

4.56.

Het resultaat van de werkzaamheden van de Rekenkamer toont aan dat het GBCS (25 000 miljoen euro), mits correct toegepast, een doeltreffend controlesysteem is ter beperking van het risico van onregelmatige uitgaven. Hoewel de elementen waaruit het GBCS bestaat in Griekenland officieel zijn ingevoerd, doen er zich ernstige gebreken voor in het functioneren van het systeem, zodat dit niet betrouwbaar is (1 000 miljoen euro).

4.56.

De Commissie is het met de Rekenkamer eens dat het GBCS een doeltreffend controlesysteem is om het risico op onrechtmatige uitgaven te beperken.

In Griekenland vertoont de toepassing van het GBCS nog steeds belangrijke tekortkomingen. Aan die tekortkomingen wordt de nodige aandacht besteed in het kader van het actieplan dat voorziet in een uitbreiding van het programma van in het kader van de goedkeuring van de rekeningen in Griekenland te verrichten audits — zie ook het antwoord op paragraaf 4.8.

4.57.

Alle andere uitgaven (19 500 miljoen euro), die niet kunnen worden geverifieerd via het GBCS, vormen een groter risico omdat de systemen die beschikbaar zijn om ze te controleren niet zo doeltreffend zijn.

4.57.

Bij de overige uitgaven mag dan sprake zijn van een groter inherent risico, op te merken valt dat vele van de betrokken regelingen worden beheerd op een wijze die compatibel is met het GBCS. Bovendien is er voor de uitgaven in het kader van die regelingen een extra controlemogelijkheid, namelijk de nacontrole op grond van Verordening (EEG) nr. 4045/89.

Controles na betaling

4.58.

Gezien de beperkte reikwijdte van het toezicht door de Commissie (er werden slechts drie lidstaten bezocht om te controleren of de uitvoering in 2004 volledig was) en het aantal nog niet afgeronde controles, en aangezien de gebreken reeds werden gemeld in het Jaarverslag 2003 van de Rekenkamer (40), kan de Rekenkamer niet instemmen met de grondslag van de verklaring van de Commissie in het jaarlijks activiteitenverslag 2004 dat op basis van de ontvangen informatie en van de jaarlijks ter plaatse afgelegde bezoeken ter evaluatie van de uitvoering van de verordening kan worden geconcludeerd dat de 4045-controles redelijke zekerheid verschaffen dat de uitgaven in de sectoren die onder de verordening vallen voldoen aan de communautaire regelgeving.

4.58.

Zoals gezegd in het antwoord op paragraaf 4.10, is de Commissie van mening dat zij alle verplichtingen die Verordening (EEG) nr. 4045/89 haar oplegt, is nagekomen. De voorstellen voor een toe te passen risicoanalyse, de jaarprogramma’s, de jaarverslagen, de verzoeken om onderlinge bijstand en de antwoorden daarop, de overzichten van de betalingen aan in andere lidstaten gevestigde ondernemingen en andere soorten gegevens/verslagen zijn ontvangen en geanalyseerd. Naast de door de Rekenkamer genoemde drie auditbezoeken zijn voor 2005 nog eens zes auditbezoeken gepland. Voorts zijn vanaf 2001 regelmatig auditbezoeken afgelegd om specifieke aspecten van de toepassing van Verordening (EEG) nr. 4045/89 ten aanzien van de uitvoerrestituties te onderzoeken. Alle vragen en verzoeken om informatie van de lidstaten zijn beantwoord.

Om de bovengenoemde redenen en tevens gezien:

het feit dat de controles na de betaling een extra controlemogelijkheid bieden ter aanvulling van de controles vóór de betaling (die voor het merendeel van de maatregelen reeds een betrekkelijk volledige zekerheid verschaffen) en

het feit dat het grootste deel van het minimaal te verrichten aantal controles na de betaling tegen eind 2004 was uitgevoerd en

het feit dat de lidstaten in hun jaarverslagen het aantal, de waarde en de aard van de geconstateerde onregelmatigheden en de waarde van de gecontroleerde transacties hebben meegedeeld,

is de Commissie van mening dat de controles op grond van Verordening (EEG) nr. 4045/89 bijdragen tot de algehele zekerheid wat de wettigheid en de regelmatigheid van de in 2004 verrichte uitgaven betreft.

Goedkeuring van de rekeningen

4.59.

De verslagen van de verklarende instanties verschaffen zekerheid dat de financiële informatie die wordt verstrekt door de betaalorganen (en is opgenomen in de rekeningen van de Commissie) materieel correct is (41). De financiële-goedkeuringsbeschikking van de Commissie voor 2004 had in het algemeen een hechte basis in de werkzaamheden van de verklarende instanties inzake de betrouwbaarheid van de rekeningen. Zij heeft de beschikkingen tot uitstel van de goedkeuring van de rekeningen correct behandeld (zie de paragrafen 4.19 t/m 4.21).

 

4.60.

De werkzaamheden van de verklarende instanties (als omschreven in Verordening (EG) nr. 1663/95) zijn echter niet bedoeld om rechtstreekse zekerheid te verschaffen — en doen dit ook niet — dat de informatie die de aanvragers verstrekken en die de betaalorganen hanteren om de verschuldigde betaling te berekenen, correct is en dat de betalingen dus wettig en regelmatig zijn. De Rekenkamer houdt staande dat de verklaring (of enig ander gedeelte van de controleketen) betrekking moet hebben op de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven op het niveau van de begunstigden (42) — de huidige regelingen verschaffen de Rekenkamer beperkte zekerheid, daar de verklarende instanties de ontvangers van de steun doorgaans niet controleren.

4.60.

Zoals reeds is vermeld in het antwoord op het jaarverslag 2003 van de Rekenkamer, maken de opzet en de erkenning van de betaalorganen van de lidstaten, de jaarlijkse certificering van de rekeningen en de toepassing van de verschillende beheers- en controlesystemen, waaronder het GBCS, het mogelijk veel vertrouwen te stellen in de controle van de gedeclareerde uitgaven.

Om het systeem als geheel verder te verbeteren is in de nieuwe basisverordening betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid bepaald dat het hoofd van een betaalorgaan in de toekomst een verklaring achteraf over de verkregen zekerheid inzake de wettigheid en de regelmatigheid van de door zijn betaalorgaan verrichte uitgaven (borgingsverklaring) zal moeten ondertekenen.

4.61.

De conformiteitsbeschikkingen van de Commissie, waarbij zij uitgaven kan uitsluiten van communautaire financiering, waren voor enig jaar na 1998 nog niet afgerond (zie paragraaf 4.24).

4.61.

Zoals gezegd in het antwoord op paragraaf 4.24, is de situatie in juni 2005 dat 94,3 % van de in 2001 uitgevoerde audits (waarbij de financiële correcties kunnen teruggaan tot 1999) en 78,7 % van de in 2002 uitgevoerde audits (waarbij de financiële correcties kunnen teruggaan tot 2000) zijn afgesloten.

Jaarlijks activiteitenverslag van de directeur-generaal Landbouw

4.62.

Ondanks de aangebrachte verbeteringen verstrekt het verslag beperkte informatie en zekerheid over de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven voor 2004. Daar het verslag niet kan aangeven in welke mate de uitgaven zouden kunnen worden beïnvloed door financiële correcties achteraf, beperkt het de zekerheid die de Rekenkamer eraan kan ontlenen. Het verslag vermeldt niet dat onregelmatige betalingen worden teruggevorderd via de procedure voor de goedkeuring van de rekeningen en via de terugvorderingsprocedures in de lidstaten.

4.62.

Het jaarlijkse activiteitenverslag en de jaarlijkse verklaring van het directoraat-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling zijn gebaseerd op de zekerheid die kan worden ontleend aan de bestaande systemen en het functioneren daarvan. De hele keten van controles waaraan de in het kader van het gedeelde beheer verrichte uitgaven voor het GLB worden onderworpen, is in het activiteitenverslag nader toegelicht. Deze opzet biedt een redelijke zekerheid dat aan het einde van het hele proces eventuele ernstige tekortkomingen zullen zijn ontdekt en ten aanzien van de betrokken lidstaten passende financiële correcties zullen zijn toegepast. Op die basis is het dat de directeur-generaal zijn verklaring over de verkregen zekerheid kan afgeven.

Wanneer de jaarlijkse verklaring wordt ondertekend, kunnen alle in het kader van het gedeelde beheer verrichte uitgaven nog steeds worden onderworpen aan audits met het oog op de goedkeuring van de rekeningen en zijn dus nog steeds financiële correcties van die uitgaven mogelijk. Dit aspect van het gedeelde beheer is in overeenstemming met de EU-regelgeving en mag niet worden beschouwd als een factor die de directeur-generaal beperkingen oplegt bij het afgeven van de jaarlijkse verklaring.

Nog meer zekerheid zal worden geboden door de jaarlijkse verklaringen van de betaalorganen waarin de nieuwe verordening betreffende de financiering van het GLB voorziet, en ook door andere maatregelen zoals door de Commissie voorgesteld in haar mededeling COM(2005) 252 def. over een stappenplan voor een geïntegreerd internecontrolekader.

Aanbevelingen

4.63.

De Commissie moet trachten:

4.63.

 

a)

de controles van de GLB-uitgaven te verbeteren op die gebieden waar nog steeds ernstige tekortkomingen bestaan;

a)

De Commissie stelt alles in het werk om de tekortkomingen die nog voortduren, zoals die bij de toepassing van het GBCS in Griekenland, aan te pakken. In dit verband dient erop te worden gewezen dat de hervormingen van het GLB in 2003 en, voor de mediterrane producten, 2004 het totale risico hebben verkleind door uitbreiding van de onder het GBCS vallende soorten uitgaven.

b)

zoals vorig jaar aangestipt, de vorm van de verslaglegging over de resultaten van alle toezichtsystemen te verbeteren. Met name de controles na betaling moeten een waardevoller instrument worden bij de identificatie van onregelmatige GLB-betalingen door de gebreken in de van de lidstaten verlangde gegevens aan te pakken, met name door per begrotingsonderdeel de waarde van de geteste verrichtingen en de ontdekte onregelmatigheden te vermelden (zie paragraaf 4.10, onder a)). Zij moet de kwaliteit van de verrichte controles beoordelen en indien nodig verdere bezoeken aan lidstaten programmeren (zie paragraaf 4.10, onder b)) en passende maatregelen nemen om de voltooiing van voorgenomen programma's te verzekeren (zie paragraaf 4.10, onder c));

b)

In de eerste plaats erkent de Commissie dat de verslaglegging over de toepassing van Verordening (EEG) nr. 4045/89 voor verbetering vatbaar is. Daartoe zal zij een ontwerp-verordening tot wijziging van haar Verordening (EG) nr. 4/2004 voorleggen. Nieuwe tabellen zullen worden ingevoerd om de waarde van de gecontroleerde transacties en van de ontdekte onregelmatigheden mee te delen, waarbij ervoor zal worden gezorgd dat duidelijke gegevens over het aantal, de waarde en de aard van de onregelmatigheden voorhanden zijn met het oog op analyse ervan.

In de tweede plaats wordt de kwaliteit van de verrichte controles reeds op regelmatige basis door de Commissie beoordeeld. Het directoraat-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling heeft in de periode 2001-2004 27 auditbezoeken afgelegd waarbij ook aandacht is besteed aan de overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 4045/89 verrichte controles betreffende de uitvoerrestituties. Na het jaarverslag 2003 van de Rekenkamer heeft de Commissie verdere maatregelen genomen ter verbetering van het toezicht op de verrichte controles: voor onderzoek betreffende de algemene aspecten heeft zij drie auditbezoeken in 2004 en zes auditbezoeken in 2005 geprogrammeerd, terwijl het ook haar bedoeling is om in 2005 tien auditbezoeken af te leggen waarbij aandacht zal worden besteed aan conformiteitsaspecten.

Ten slotte zullen in de beoogde verordening tot wijziging van Verordening (EG) nr. 4/2004 van de Commissie nieuwe werkwijzen voor het bepalen en meedelen van de nog te verstrekken informatie worden aangegeven, zodat aan de controles die in de verslagperiode nog niet waren voltooid, de nodige aandacht kan worden besteed in latere verslagen. De Commissie gaat in dit verband ook na door welke oorzaken controleprogramma’s in sommige lidstaten niet tijdig volledig worden uitgevoerd, en zal zo nodig lidstaten om uitleg verzoeken.

c)

te verzekeren dat de controle- en toezichtsystemen zekerheid verschaffen over de wettigheid en regelmatigheid van de verrichtingen op het niveau van de eindbegunstigde;

c)

De Commissie is van mening dat de bestaande beheers- en controlesystemen, bezien in de context van een meerjarenproces zoals het hoort, reeds een redelijke zekerheid verschaffen omtrent de wettigheid en de regelmatigheid van de transacties op het niveau van de eindbegunstigde. Het hele goedkeuringsproces is verdeeld in enerzijds een jaarlijkse financiële goedkeuring, en anderzijds een op verscheidene jaren betrekking hebbende conformiteitsgoedkeuring waarbij de Commissie uitgaven aan communautaire financiering kan onttrekken die zijn gedaan minder dan 24 maanden vóór de schriftelijke kennisgeving door de Commissie van de resultaten van haar audits in de betrokken lidstaat.

Onder deze omstandigheden is het niet mogelijk om op jaarbasis een redelijke zekerheid over de wettigheid en de regelmatigheid van de in het kader van het gedeelde beheer verrichte landbouwuitgaven te ontlenen uitsluitend aan de auditwerkzaamheden van de diensten van de Commissie, maar moet die zekerheid mede zijn gebaseerd op de veronderstelling dat de lidstaten hun beheers- en controleverplichtingen nakomen. Als later bij de audits van de Commissie tekortkomingen worden ontdekt, wordt het risico op niet-subsidiabele uitgaven bepaald en worden passende financiële correcties toegepast.

d)

het niveau van de onregelmatigheden correct te schatten en te verzekeren dat de desbetreffende bedragen worden teruggevorderd via de verschillende procedures;

d)

Wat de verlangde schatting van de omvang van de onregelmatigheden betreft, is de Commissie van mening dat het totaalbedrag aan financiële correcties voor een bepaald jaar en de sancties die op nationaal niveau zijn opgelegd aan de eindbegunstigden, samen waardevolle gegevens zijn voor het schatten van de totale omvang van de onverschuldigd betaalde bedragen.

Voor de terugvordering van de als gevolg van onregelmatigheden verloren gegane bedragen zijn de lidstaten verantwoordelijk. In het kader van de toepassing van artikel 8 van Verordening (EG) nr. 1258/1999 volgt de Commissie de voortgang van de nationale terugvorderingsprocedures.

e)

in de betrouwbaarheidsverklaring van de directeur-generaal onderscheid te maken tussen enerzijds uitgaven die gecontroleerd zijn (en zo nodig onderworpen aan correcties) en waarvoor de directeur-generaal redelijke (of geen) zekerheid kan verschaffen, en anderzijds uitgaven die nog verder worden gecontroleerd (en eventueel gecorrigeerd);

e)

De Commissie is van mening dat het niet passend zou zijn om in het jaarlijkse activiteitenverslag onderscheid te maken tussen reeds gecontroleerde en nog verder te controleren uitgaven, zoals de Rekenkamer voorstelt. Gezien het meerjarenkarakter van de conformiteitsgoedkeuring zou een dergelijk onderscheid grotendeels op willekeur berusten. Ook zou het afbreuk doen aan het recht van de lidstaten om zich in het kader van de procedure voor de goedkeuring van de rekeningen te verdedigen.

f)

de redenen te blijven onderzoeken waarom bij GBCS-oppervlaktecontroles de aselecte tests een hoger foutenniveau blijven vertonen dan tests op basis van risicoanalyse. Zij zou ook de effecten van de in 2004 in de risicoanalyse aangebrachte wijzigingen moeten analyseren.

f)

De met ingang van 1 januari 2004 in de betrokken verordening aangebrachte wijzigingen zullen verbetering in de situatie brengen en de Commissie blijft bij haar audits op de gebruikelijke wijze aandacht aan deze kwestie besteden.

Het door de Rekenkamer beschreven effect blijft tot sommige lidstaten beperkt en is soms toe te schrijven aan het feit dat controles door middel van teledetectie tot de aselecte controles worden gerekend. Bovendien worden, wanneer wordt gekeken naar het aantal landbouwers bij wie onregelmatigheden worden geconstateerd, wel degelijk meer fouten ontdekt bij controles op basis van een risicoanalyse dan bij aselecte controles.

Gezien de afnemende aantallen onregelmatigheden en het feit dat daadwerkelijk 100 % van de aanvragen aan een administratieve controle wordt onderworpen, valt echter slechts een marginaal verschil te verwachten tussen de resultaten van aselecte controles en die van controles op basis van een risicoanalyse.

NIEUWE LIDSTATEN: OVERGANG

Erkenning van de EOGFL-betaalorganen in de nieuwe lidstaten

4.64.

De toetredende landen moesten per 1 mei 2004 EOGFL-betaalorganen hebben opgezet en erkend.

 

4.65.

De nieuwe lidstaten moesten een bevoegd gezag aanwijzen dat verantwoordelijk zou zijn voor de erkenning van het betaalorgaan. De instantie die de controle voor de erkenning verricht moet rapporteren over de administratieve en boekhoudkundige voorwaarden, met inbegrip van die welke zijn vastgesteld ter bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap in verband met betaalde voorschotten, verkregen garanties, interventievoorraden en te innen bedragen. Op basis van dit verslag beslist het bevoegd gezag van de lidstaat of er een voorlopige of definitieve erkenning wordt verleend.

 

4.66.

Van de elf betaalorganen hebben er zeven een erkenning verkregen (43), maar twee daarvan slechts voor een beperkte tijd (44), en vier hebben een voorlopige status.

 

4.67.

De Commissie is niet nagegaan of deze betaalorganen voldoen aan de erkenningscriteria. De uitgaven voor 2004 waren te verwaarlozen (19,5 miljoen euro), maar waarschijnlijk zullen er tijdens het EOGFL-jaar 2005 aanzienlijke bedragen ten laste van het Fonds worden gebracht. Het is dan ook belangrijk dat de Commissie haar werkzaamheden zo snel mogelijk afrondt.

4.67.

Alle nieuwe lidstaten zijn opgenomen in het auditwerkprogramma van de Commissie voor 2005 en in de periode juni-november 2005 zullen auditbezoeken worden gebracht aan al die landen. Alle nieuwe betaalorganen zullen dus aan een audit zijn onderworpen voordat de procedure voor de goedkeuring van de rekeningen over het begrotingsjaar 2005 van start gaat.

Vanaf 2003 is de Commissie groot belang gaan hechten aan de ontwikkeling van de vereiste structuren en is zij zich zeer proactief gaan bezighouden met de gang van zaken in elk van de nieuwe lidstaten (toen nog kandidaat-lidstaten). Zo zijn auditbezoeken afgelegd en is veel informatie schriftelijk uitgewisseld. Vergaderingen werden gehouden tussen de diensten van de Commissie en elk van de nieuwe lidstaten. Over de maatregelen die moesten worden genomen om geconstateerde problemen te verhelpen, werden verslagen opgesteld.

4.68.

Zoals blijkt uit tabel 4.8 geven de rapporten inzake de erkenning aan dat vijf betaalorganen een bevredigend nalevingsniveau hebben bereikt. Twee organen vertonen aanzienlijke gebreken op twee gebieden, en vier schieten tekort op ten minste vier gebieden.

 

Tabel 4.8 — Samenvatting van gebreken, vastgesteld in de verslagen over de erkenning van betaalorganen in de nieuwe lidstaten (45)

Lidstaat

EOGFL-uitgaven in 2004

(miljoen euro)

Betaalorgaan

Schriftelijke procedures

Scheiding van functies

Betalings-controles en -procedures

Boekhoud- procedures (46)

Computer-beveiliging

Interne audit

Gedelegeerde organen (47)

Cyprus

Organisatie voor betalingen in de landbouw van Cyprus

×

×

×

×

×

×

×

Tsjechische Republiek

4,70

Rijksinterventiefonds voor de landbouw (SZIF)

Geen grote problemen

Estland

0,50

Landbouwregistratie- en informatiebureau (PRIA)

×

 

×

 

 

 

 

Hongarije

0,50

Bureau voor landbouw en plattelandsontwikkeling (MVH)

×

 

×

×

×

 

×

Letland

0,50

Dienst voor plattelandssteun (LAD)

×

×

×

×

 

 

 

Litouwen

0,50

Nationaal betaalorgaan (NMA)

Geen grote problemen

Polen

10,80

Bureau voor herstructurering en modernisering van de landbouw (ARiMR)

×

×

 

 

×

×

×

Polen

Landbouwmarktbureau (ARR)

Geen grote problemen

Malta

Afdeling „Betaalorgaan” binnen het ministerie voor platteland en milieu

 

 

 

 

×

 

×

Slowaakse Republiek

1,40

Betaalorgaan voor de landbouw (PPA)

Geen grote problemen

Slovenië

0,10

Bureau voor landbouwmarkten en plattelandsontwikkeling

Geen grote problemen

Bron: Door de bevoegde autoriteiten aan de Rekenkamer verstrekte verslagen over erkenning.

Sapard — Bevredigend toezicht maar enige gebreken in de beoordeling van de aanvragen

4.69.

Het speciaal toetredingsprogramma voor landbouw en plattelandsontwikkeling (Special Accession Programme for Agriculture and Rural Development, Sapard) (48) heeft ten doel, de tien begunstigde landen van Midden en Oost-Europa (49) te helpen omgaan met de problemen van de structurele aanpassing in hun landbouwsectoren en plattelandsgebieden, en bij te dragen tot de uitvoering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en aanverwante beleidsterreinen (zie hoofdstuk 8).

 

4.70.

De periode voor het sluiten van contracten voor de landen die op 1 mei 2004 toetraden tot de EU eindigde in 2004. Er zullen echter betalingen blijven plaatsvinden voor de projecten waarvoor in de voorgaande jaren contracten zijn gesloten. Gedurende deze laatste periode voor het sluiten van contracten (50) werd een groot aantal aanvragen op korte tijd verwerkt wegens de lage uitvoeringsgraad in de eerste jaren (51). Bijgevolg vertonen de kwaliteit van deze beoordelingen en de desbetreffende betaalaanvragen een hoger risico.

4.70.

Bij de overgang van Sapard naar het programma voor de periode na de toetreding heeft de Commissie de nieuwe lidstaten erop attent gemaakt dat het belangrijk is voldoende deskundig personeel te handhaven voor het verdere beheer van Sapard. De Commissie is zich van het mogelijke gevaar bewust en zal er bij haar audits rekening mee houden, maar heeft tot dusver geen aanwijzingen voor het ontstaan van financiële risico’s.

4.71.

Elk Sapard-land moet de Commissie jaarlijks een door een verklarende instantie opgesteld certificaat over de rekeningen en een auditverslag voorleggen, die de basis vormen van de jaarlijkse beschikking van de Commissie over de goedkeuring van de rekeningen. Op 28 september 2004 keurde de Commissie de Sapard-rekeningen over 2003 goed voor zeven landen (Tsjechische Republiek, Estland, Letland, Litouwen, Hongarije, Slovenië en Slowakije), maar stelde zij haar beschikking over de rekeningen van Polen, Bulgarije en Roemenië uit. De beoordeling door de Rekenkamer van de beschikking van de Commissie heeft niet geleid tot enige belangwekkende bevinding.

4.71.

De Commissie heeft om aanvullende auditwerkzaamheden door de verklarende instanties van de betrokken landen verzocht. Wanneer dat is gebeurd en de resultaten als bevredigend worden beschouwd, zal de Commissie ook de Sapard-rekeningen van die landen goedkeuren.

4.72.

De Rekenkamer heeft de analyse onderzocht die de Commissie verricht van de jaarlijkse uitvoeringsverslagen die de Sapard-landen moeten indienen. Uit deze beoordeling bleek dat de voorgeschreven termijnen voor deze analyses niet altijd in acht werden genomen.

4.72.

De Commissie geeft meer aandacht aan de naleving van de termijnen.

4.73.

De Rekenkamer bezocht twee Sapard-landen, Hongarije en Slovenië, om een steekproef van betalingen voor 20 projecten te verifiëren en de procedure, beschrijvingen en checklists te beoordelen die de betaalorganen van Sapard hanteren. Ondanks de fouten die de Rekenkamer aantrof (zie de volgende paragraaf) bevatten de Sapard-systemen de sleutelconcepten (scheiding van functies, interne audit, enz.); de procedures waren goed gedocumenteerd en de systemen, zoals beschreven en erkend, functioneerden in de praktijk doorgaans goed.

 

4.74.

Het onderzoek van de betalingen met betrekking tot de voornaamste ten tijde van de audit uitgevoerde maatregelen, bracht de volgende — slechts geringe financiële gevolgen hebbende — gebreken en fouten aan het licht, waarvan sommige lijken op die welke zijn gesignaleerd bij andere Sapard-landen (52):

a)

een aantal belangrijke cijfers in het business plan werden niet gestaafd door bewijsstukken;

b)

in het projectdossier was het bewijsmateriaal met betrekking tot de verificaties van de totale subsidiabele kosten ontoereikend;

c)

de door de autoriteiten gedurende de controlebezoeken ter plaatse werkelijk verrichte werkzaamheden werden niet duidelijk onderbouwd of waren niet geschikt, hetgeen in één geval leidde tot een betaling voor een investering die slechts gedeeltelijk was voltooid;

d)

niet-inachtneming van de procedure inzake drie prijsoffertes (53)  (54).

 

4.75.

Enige facturen voor zaken met een hoge waarde, die nadien werden vergoed door het Sapard-orgaan, werden door de begunstigde contant betaald. Er kon niet worden uitgemaakt of de betalingen werkelijk door de begunstigde waren gedaan. Contante betalingen zijn moeilijker aan te tonen dan andere vormen van betaling en vormen daardoor een groter risico.

4.75.

De betrokken lidstaat meent adequaat bewijs te hebben ontvangen dat de betrokken betaling aan de leverancier werkelijk heeft plaatsgevonden. Toegegeven wordt echter dat bij contante betalingen een groter risico bestaat.

4.76.

Op basis van het verrichte auditwerk en behoudens bevindingen in de paragrafen 4.73 t/m 4.75, herhaalt de Rekenkamer haar oordeel (55) dat de toezicht- en controlesystemen van Sapard in de praktijk doorgaans goed werkten.

 

FOLLOW-UP VAN EERDERE OPMERKINGEN

GMO in de sector bananen

4.77.

In november 2002 publiceerde de Rekenkamer een speciaal verslag (56) over de gemeenschappelijke marktordening (GMO) in de sector bananen. De Rekenkamer merkte op dat de definitie van de doelstellingen van de GMO en de beschrijving van het verwachte effect niet duidelijk genoeg waren, hetgeen het meten van het effect en de doeltreffendheid ervan moeilijk maakte, en dat het onmogelijk was een oordeel te vormen over de kosteneffectiviteit van het systeem voor compenserende steun. Ook werden er gebreken aangetroffen in de documentatie betreffende steunbetalingen en in controles van importen.

4.77.

Zoals de Commissie reeds heeft vermeld in haar antwoord op het speciaal verslag van de Rekenkamer uit 2002, is zij van mening dat de doelstellingen van de gemeenschappelijke marktordening (GMO) voor bananen aansluiten bij de in artikel 33 van het Verdrag omschreven doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en dat de GMO voor bananen vergelijkbaar is met de andere GMO’s wat het detailleringsniveau in de definitie en de kwantificering van de doelstellingen betreft.

Bij de voorbereiding van het bestek voor de thans aan de gang zijnde evaluatie van de GMO is door het stuurcomité een systematisch overzicht van de doelstellingen met gedetailleerde definities ervan opgesteld.

De doelstellingen van de GMO zullen grondiger worden geanalyseerd en eventueel opnieuw worden bekeken in het kader van de effectbeoordeling die de Commissie in de tweede helft van 2005 wil gaan ondernemen.

4.78.

De Rekenkamer beval de Commissie aan, een grondige evaluatie van de GMO te verrichten, en een volledige analyse van de risico's, kosten en voordelen in verband met de diverse mogelijke opties, met het oog op de overgang naar een louter op tarieven gebaseerd systeem, dat is gepland voor 1 januari 2006. De Raad steunde (57) de aanbevelingen van de Rekenkamer in de verwachting dat de algehele evaluatie tegen 2004 zou zijn voltooid, en de Commissie nam deze taak op zich in haar actieplan voor de kwijtingsprocedure 2001 (58).

4.79.

De algehele evaluatie was door de Commissie nog niet afgerond ten tijde van de follow-up-audit van de Rekenkamer in april 2005. Bijgevolg heeft de geplande grondige evaluatie van de oogmerken en doelstellingen van de GMO niet plaatsgehad sinds het speciaal verslag van de Rekenkamer uit 2002. Door de vertraging in de evaluatie is de Commissie verstoken gebleven van belangrijke managementinformatie aan de hand waarvan zij de kosteneffectiviteit van de compenserende steun zou kunnen beoordelen, en was het haar onmogelijk, de omvang van de bijdrage van de maatregelen van de Structuurfondsen aan de GMO te evalueren en het effect van de steunmaatregelen voor telers uit ACS-landen te analyseren.

4.78 en 4.79.

De evaluatie is aanbesteed in 2003 en het contract is eind augustus 2004 ondertekend. Het evaluatieverslag, waaraan nu de laatste hand wordt gelegd, zal betrekking hebben op het functioneren en de impact van de GMO, waarbij ook de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de steun voor de communautaire productie zullen worden beoordeeld. Dat evaluatieverslag en het verslag van de Rekenkamer zullen de basis vormen voor de voorgenomen effectbeoordeling. Het is de bedoeling van de Commissie om, rekening houdend met al die elementen en met de resultaten van het publieke debat dat zij wil gaan voeren, in de loop van 2006 hervormingsvoorstellen bij het Parlement en de Raad in te dienen.

4.80.

De Commissie bracht in februari 2005 verslag (59) uit bij de begrotingsautoriteiten, zoals voorgeschreven in artikel 32 van kaderverordening (EEG) nr. 404/93 (60). Maar de inhoud en de analyse van haar verslag werden beperkt door het ontbreken van de evaluatieresultaten. Het verslag bevatte ook geen voorstellen of alternatieven ten aanzien van de werking van de verordening.

4.80.

Artikel 32 van Verordening (EEG) nr. 404/93 verplichtte de Commissie ertoe om uiterlijk op 31 december 2004 bij het Europees Parlement en de Raad een verslag over het functioneren van de GMO voor bananen in te dienen. De Commissie heeft het wenselijk geacht een zuiver feitelijk verslag in te dienen in afwachting dat de evaluatie en de internationale onderhandelingen over het vanaf 1 januari 2006 toe te passen invoertarief zouden zijn afgerond.

4.81.

Om te kunnen overschakelen op een louter op tarieven gebaseerd systeem voor de import van bananen in de EU, dat gepland is voor uiterlijk 1 januari 2006 (61), heeft de Commissie gevolg gegeven aan de aanbeveling van de Rekenkamer, een grondige analyse van het effect van de overgang op alle betrokken partijen te verrichten ten tijde van het bovenvermelde onderzoek. In januari 2005 stelde de Commissie de WTO in kennis van haar plan om een nieuw gemeenschappelijk douanetarief van 230 euro/ton in te voeren (ter vervanging van het bestaande tarief van 75 euro/ton voor hoeveelheden in de huidige contingenten A en B, tot een hoeveelheid van 2 653 000 ton voor niet-ACS-landen). In maart 2005 verzochten de vier voornaamste handelspartners van de EU om arbitrage van de WTO over het voorgestelde nieuwe tarief. De arbitrageprocedure is nog aanhangig.

 

4.82.

De bananensteunregeling voor communautaire producenten kent één van de hoogste steunniveaus per hectare (gemiddeld meer dan 8 800 euro/ha (62)). De Rekenkamer rapporteerde dat de kosten van het tariefcontingentensysteem voor de consumenten twee à driemaal hoger waren dan de totale steun die aan de EU-producenten werd betaald. Maar de vertragingen in de evaluatie hebben de toezeggingen van de Commissie met betrekking tot vrijwel alle opmerkingen van de Rekenkamer nadelig beïnvloed. Dit is te meer van belang, daar er niet veel tijd meer over is voor de verplichte invoering van het alleen op tarieven gebaseerde systeem.

4.82.

De Commissie geeft toe dat de evaluatie niet volgens het oorspronkelijke tijdschema is uitgevoerd.

De Commissie zal echter wel beschikken over degelijke evaluatieresultaten die ongetwijfeld een stimulerende rol zullen spelen in de discussies die zij in de tweede helft van 2005 wil gaan voeren.

4.83.

De Commissie reageerde op de door de Rekenkamer vastgestelde controlegebreken bij de compenserende steun door de betrokken lidstaten financiële correcties op te leggen. Maar in de follow-up-beoordeling van haar actieplan 2001 (63) vond de Commissie dat de problemen met de importcontrole zich nog steeds voordeden, en gaf zij de lidstaten instructies deze op te lossen. Dit is niet in overeenstemming met de aanbeveling van de Rekenkamer en de daarop volgende conclusie van de Raad dat „de Commissie in overleg met de lidstaten instructies uitwerkt inzake de door hen te verrichten controles”.

4.83.

Om het controlesysteem te verbeteren en rekening te houden met de belangen van de bonafide handelaren werkt de Commissie momenteel aan een voorstel tot wijziging van de voorschriften inzake de controle van het gewicht van in de Gemeenschap in het vrije verkeer te brengen verse bananen. Er is overleg gepleegd met de verschillende betrokken diensten van de Commissie en er wordt gebruik gemaakt van de informatie die is verkregen in de op 13 juli 2005 gehouden vergadering van het Comité douanewetboek. Het is de bedoeling dat dit voorstel vóór het najaar van 2005 wordt aangenomen.

4.84.

Derhalve herhaalt de Rekenkamer haar aanbeveling aan de Commissie, de aangekondigde grondige evaluatie en herbestudering van de GMO te voltooien, en uitvoerig overleg te plegen met de communautaire producenten en consumenten, alsmede met haar voornaamste handelspartners, teneinde de doelstellingen van de GMO beter te definiëren en het beheer ervan te verbeteren.

4.84.

Evenals de Rekenkamer acht de Commissie het wenselijk de evaluatie van de GMO aan te vullen met een effectbeoordeling. Het is de bedoeling daar in de tweede helft van 2005 mee te beginnen.

Voorfinanciering van uitvoerrestituties

4.85.

Subsidies voor de uitvoer van bepaalde landbouwproducten („uitvoerrestituties”) worden tot vier maanden vóór de datum van export betaald aan de exporteurs („voorgefinancierd”). De betrokken producten moeten onder douanetoezicht worden geplaatst en onderworpen aan een complex systeem van verificaties die zijn opgezet om te verzekeren dat goederen waarvoor reeds uitvoerrestituties zijn betaald fysiek worden uitgevoerd.

 

4.86.

In Speciaal verslag nr. 1/2003 kritiseerde de Rekenkamer de voorfinanciering als omslachtig, moeilijk te controleren en niet dienstig voor haar oorspronkelijke doel, namelijk landbouwproducten van oorsprong uit de Gemeenschap voorrang te verlenen. Zij concludeerde met het verzoek aan de Commissie, de regeling te herzien en opheffing ervan in overweging te nemen. Vervolgens verzocht het Parlement in zijn kwijtingsbesluit (64) de Commissie een voorstel in te dienen voor de afschaffing van de voorfinanciering in december 2004.

 

4.87.

De Commissie reageerde op de aanbevelingen van de Rekenkamer door twee nieuwe verordeningen in te voeren die horizontale regels vaststelden, en nog eens drie nieuwe sectorspecifieke verordeningen in verband met voorfinanciering (65). De verordeningen schaften het systeem niet af, maar wijzigden slechts de uitvoeringsvoorschriften voor een „testfase”.

4.88.

Sinds het verslag van de Rekenkamer is het bedrag aan restituties dat als voorfinanciering is betaald, gedaald van ongeveer 600 miljoen euro tot 188 miljoen euro, of ongeveer 5 % van de totale restituties, als gevolg van een wijziging in de marktvoorwaarden en een aanzienlijke daling van de restitutietarieven in de sector granen.

4.89.

In een interne analyse naar aanleiding van het verslag van de Rekenkamer accepteert de Commissie dat in de sectoren granen en verwerkt rundvlees alternatieven voor voorfinanciering zouden kunnen worden toegepast. De Commissie rechtvaardigt de handhaving van voorfinanciering echter voor „verse” (in werkelijkheid ingevroren) rundvlees als een manier om het hogere speciale restitutietarief te betalen dat van toepassing is op dergelijke exporten en voert aan dat de controle op rundvleesexporten in gevaar zou komen door de afschaffing van het systeem en dat de restitutietarieven zonder voorfinanciering zouden moeten worden opgetrokken om bedrijven compensatie te bieden, en er dus extra kosten voor de EU-begroting zouden ontstaan.

4.90.

De Rekenkamer is van oordeel dat een systeem dat is gebaseerd op het doen van betalingen tot vier maanden voordat uitvoer plaatsvindt teneinde een speciaal restitutietarief te betalen aan een beperkt aantal handelaren en efficiënte controle te verwezenlijken, volstrekt ondeugdelijk is.

4.91.

De Commissie heeft binnen de gestelde termijn geen gevolg gegeven aan het verzoek van het Parlement om voorstellen in te dienen voor de afschaffing van de voorfinanciering.

4.87 t/m 4.91.

De Commissie heeft kennis genomen van de kritiek op de voorfinancieringsregeling die de Rekenkamer in haar speciaal verslag heeft geuit, en heeft uitvoering gegeven aan een actieplan om de betrokken tekortkomingen te verhelpen. De voorfinanciering is feitelijk beperkt tot de twee sectoren waar deze nog steeds nodig wordt geacht, namelijk rundvlees en granen. Voorts is de periode van voorfinanciering verkort, zijn enkele andere vereenvoudigingen doorgevoerd en zijn sommige controlemaatregelen herzien.

De Commissie heeft meegedeeld dat de gewijzigde regeling na een proefperiode opnieuw zal worden bezien. Zoals de Rekenkamer in paragraaf 4.89 aangeeft, hebben de diensten van de Commissie in 2004 een tussenanalyse verricht. Daarin zijn alternatieven voor de voorfinanciering genoemd, maar is ook opgemerkt dat bij het nemen van een besluit over een eventuele afschaffing rekening moet worden gehouden met de alternatieve controlesystemen die zouden moeten worden ingevoerd.

De Commissie is haar analyse van het functioneren van de huidige voorfinancieringsregeling aan het afronden om dan een definitief voorstel over de toekomst van die regeling te kunnen doen.

Aardappel- en graanzetmeel

4.92.

Het systeem van steunverlening voor de productie van graan- en aardappelzetmeel heeft ten doel, het concurrentievermogen van de Europese zetmeelverwerkende non-food-industrie veilig te stellen, en wordt aangevuld door specifieke rechtstreekse steunmaatregelen voor de productie van aardappelzetmeel. In Speciaal verslag nr. 8/2001 concludeerde de Rekenkamer dat de administratieve controles in de gecontroleerde lidstaten over het geheel genomen bevredigend waren (66), maar dat ze niet voldoende waren onderbouwd door fysieke controles. Zij deed ook een aantal aanbevelingen ter correctie van de gebreken die zij bij de uitvoering van de steunregeling had vastgesteld.

4.92.

Omdat niet elk jaar voor elke maatregel audits kunnen worden verricht, wordt op basis van een jaarlijkse risicoanalyse beslist welke audits de Commissie zal uitvoeren. Het speciaal verslag van de Rekenkamer dateert van juli 2001. In het in 2003 opgestelde werkprogramma voor de in 2004 met het oog op de goedkeuring van de rekeningen te verrichten audits is een onderzoek in de sector aardappelzetmeel opgenomen, zulks op basis van een risicoanalyse waarin rekening is gehouden met allerlei risicofactoren inclusief bevindingen van de Rekenkamer. Tijdens de in 2004 afgelegde auditbezoeken is ook aandacht besteed aan de door de Rekenkamer aan de orde gestelde punten. De procedures tot goedkeuring van rekeningen naar aanleiding van die auditbezoeken aan twee lidstaten verlopen volgens plan en verkeren momenteel in de bilaterale fase.

4.93.

In het kader van de kwijtingsprocedure 2000 erkende de Raad (67) dat de zetmeelsteunregeling geen noemenswaardige moeilijkheden opleverde, en steunde hij de meeste aanbevelingen van de Rekenkamer. Het Europees Parlement verlangde met name dat de Commissie voorspelbare en transparante criteria zou omschrijven voor de berekening van de productierestituties voor aardappel- en graanzetmeel (68).

4.93.

De Commissie heeft de aanbevelingen van het Parlement betreffende de berekening van de productierestituties opgevolgd. De voor de berekening van de productierestituties voor graan- en aardappelzetmeel te gebruiken parameters en methode zijn gepreciseerd in Verordening (EG) nr. 1548/2004 van de Commissie.

4.94.

Een evaluatie (69) in 2002 behandelde het gebrek aan informatie en analyse over het effect van productierestituties op het concurrentievermogen van de non-food-zetmeelindustrie van de EU, en over het door de Rekenkamer geconstateerde effect van rechtstreekse ondersteuning van de inkomens van zetmeelaardappelproducenten. Deze evaluatie diende als basis voor wijzigingen in de steunregeling in het kader van de GLB-hervorming. De GLB-hervorming van 2003 liet de componenten van de regeling in wezen ongewijzigd, maar maakte een gedeeltelijke ontkoppeling van rechtstreekse steun aan zetmeelaardappelproducenten mogelijk.

4.94.

De Commissie had er in haar voorstellen tot hervorming van het GLB voor gepleit de betaling voor zetmeelaardappelen volledig te ontkoppelen en ook de aan de producenten te betalen minimumprijs af te schaffen. De Raad heeft er echter de voorkeur aan gegeven slechts 40 % van die rechtstreekse steun te ontkoppelen.

4.95.

Zoals aanbevolen door de Rekenkamer vereenvoudigde en verduidelijkte de Commissie met ingang van september 2004 haar methode voor de berekening van de maandelijkse productierestitutie. Afgezien daarvan heeft de Commissie slechts weinig aanbevelingen in acht genomen:

4.95.

 

a)

de controles van de nationale autoriteiten bij de aardappelmeelfabrikanten zijn door de Commissie nog niet duidelijk omschreven, te meer daar het aantal aardappelmeelproducenten is toegenomen van 17 (EU-15) tot 39 (EU-25);

a)

De Commissie heeft in 2004 audits verricht in Duitsland en Nederland. Deze audits maken het mogelijk een aantal punten op te helderen in het kader van de goedkeuring van de rekeningen.

Bovendien is in het kader van de hervorming met ingang van 2004 een controle op de aannemelijkheid van de aanvragen door vergelijking met de beteelde arealen ingevoerd. Dit betekent een verdere verbetering van het controlesysteem.

b)

er bestaan geen betrouwbare gegevens over het structurele nadeel dat de aardappelmeelproducenten ondervinden ten opzichte van de graanzetmeelproducenten, en daarom is de compenserende premie sinds 1995 onveranderd gebleven.

b)

Wegens de oligopolistische structuur van de aardappelmeelindustrie beschouwen de aardappelmeelbedrijven hun kostenstructuur als zeer gevoelige informatie die zij dan ook vertrouwelijk houden. Daardoor heeft de Commissie slechts beperkte toegang tot gegevens over het structurele nadeel dat de aardappelmeelproducenten ondervinden. Aangezien er voor de verschillende soorten zetmeel ook geen officiële prijsnoteringen zoals beursnoteringen bestaan, beschikte de Commissie niet over een basis om een wijziging van de compenserende premie voor de aardappelmeelbedrijven voor te stellen, zodat deze premie ongewijzigd is gehandhaafd.

VOORNAAMSTE OPMERKINGEN IN SPECIALE VERSLAGEN

Bosbouwmaatregelen in het kader van het plattelandsontwikkelingsbeleid (70)

4.96.

De controle van de Rekenkamer leidde tot de volgende conclusies in verband met bosbouwmaatregelen gefinancierd uit middelen voor plattelandsontwikkeling:

4.96.

 

a)

de programmadoelstellingen zijn vaak tegenstrijdig en het is moeilijk uit te maken in hoeverre ze zijn bereikt;

a)

De aanpak die sinds 2000 wordt toegepast op grond van Verordening (EG) nr. 1257/1999 inzake plattelandsontwikkeling, is coherent met de bosbouwstrategie van de EU, waarin het algemene referentiekader en de algemene beginselen (duurzaamheid en multifunctionaliteit) voor de bosbouwacties in de Europese Unie zijn bepaald. Voor de toekomstige programmeringsperiode heeft de Commissie een strategischer aanpak van de plattelandsontwikkeling voorgesteld en heeft zij de EU-prioriteiten voor de drie beleidszwaartepunten van die aanpak (concurrentiekracht, een duurzaam landbeheer en de plattelandseconomie in ruimere zin) nader uitgewerkt in de door haar voorgestelde strategische richtsnoeren.

b)

het beheer wordt gedeeld door de Commissie en de lidstaten. Er is geen duidelijke verantwoordelijkheid inzake de beoordeling in hoeverre de gefinancierde projecten bijdragen tot het welslagen van de bosbouwstrategie van de EU;

b)

Door middel van de programma’s voor plattelandsontwikkeling wordt ervoor gezorgd dat de individuele projecten die door het EOGFL worden medegefinancierd, passen in de bosbouwstrategie. De Commissie vergewist zich ervan dat die programma’s in overeenstemming zijn met de bosbouwstrategie. De op het programma voor plattelandsontwikkeling gebaseerde individuele projecten worden goedgekeurd door de nationale of regionale autoriteiten.

Voor elk programma voor plattelandsontwikkeling wordt de aan de uitvoering van de bosbouwstrategie van de EU geleverde bijdrage beoordeeld in de door de lidstaat opgestelde evaluatieverslagen. De aldus door de lidstaten verstrekte informatie wordt door de Commissie samengevat. Het voorstel voor de toekomstige kaderregeling voor plattelandsontwikkeling (document COM(2004) 490 def.) dat de Commissie in juli 2004 heeft ingediend, voorziet in zwaardere evaluatie-eisen.

c)

in tegenstelling met de vereisten van de betrokken verordening zijn bosbouwmaatregelen vaak niet gebaseerd op nationale of subnationale bosbouwprogramma's;

c)

Aan het begin van de lopende programmeringsperiode hadden slechts enkele lidstaten reeds een nationaal bosplan opgesteld. Onder die omstandigheden leek het verantwoord gebruik te maken van de door Verordening (EG) nr. 1257/1999 geboden mogelijkheid om het programma voor plattelandsontwikkeling of het operationele programma te accepteren als gelijkwaardig instrument. De laatste jaren hebben de lidstaten echter vooruitgang geboekt bij de opstelling en uitvoering van hun nationale bosplannen.

d)

het bestaande systeem voor de uitvoering van bosbouwmaatregelen is ingewikkeld. Dit levert voor zowel de beherende autoriteiten als de begunstigden moeilijkheden op. De geconstateerde gebreken betroffen met name onduidelijke criteria voor de selectie van de projecten, gebrekkige verificaties ter plaatse van de aanvragen en onbevredigende controleprocedures voor openbare aanbestedingen;

d)

De Commissie beseft dat de regeling ingewikkeld is en daarom heeft zij voor de periode na 2006 belangrijke vereenvoudigingen voorgesteld (document COM(2004) 490 def.). Er komt een enkel financierings- en programmeringssysteem, zodat het niet langer nodig zal zijn aan uiteenlopende regels van onderscheiden Fondsen te voldoen.

De auditdiensten van de Commissie toetsen de selectiesystemen aan richtsnoeren. Als de gehanteerde selectiecriteria niet doorzichtig of niet objectief zijn, worden in dat verband aanbevelingen gericht tot de lidstaat en worden in sommige gevallen financiële correcties toegepast. De auditdiensten van de Commissie besteden bijzondere aandacht aan de toepassing van correcte procedures bij openbare aanbestedingen.

e)

het risico bestaat dat bebossingsmaatregelen van gemeenten in een later stadium mislukken: gemeenten ontvangen geen steun voor de verzorging van zaailingen en jonge aanplant;

e)

De gemeenten dragen zelf een bepaalde verantwoordelijkheid voor het onderhoud van hun eigen bossen. De autoriteiten die projecten goedkeuren, dienen van gemeenten voldoende bewijs te verlangen dat de uitvoering van de nodige onderhoudswerkzaamheden is gegarandeerd.

f)

uitbreiding van het bosareaal door gesubsidieerde bebossing van landbouwgrond is zeer duur, voornamelijk wegens de compensatie van de inkomensderving van de landbouwers gedurende 20 jaar. De resultaten hadden goedkoper kunnen worden bereikt.

f)

De bebossing van landbouwgrond lijkt inderdaad duur, maar is gerechtvaardigd als langetermijninvestering in ecologische stabiliteit en in hernieuwbare natuurlijke hulpbronnen.

Dat beboste grond gedurende een groot aantal jaren geen inkomsten oplevert, betekent de grootste kostenpost voor een landbouwer die aan de bebossingsregeling deelneemt. Daarom is compensatie over een lange periode noodzakelijk om de bebossing van landbouwgrond aantrekkelijk te maken voor landbouwers. Niettemin stond in het oorspronkelijke voorstel van de Commissie voor de kaderregeling voor plattelandsontwikkeling voor de periode na 2006 dat de compensatie voor gederfde inkomsten beperkt bleef tot tien jaar. Het met de lidstaten bereikte compromis is vijftien jaar.

4.97.

De Rekenkamer beval de Commissie aan, diverse aspecten van de steunregeling opnieuw te bekijken. Met name moest de Commissie opnieuw bezien hoe steun voor de bosbouw doelgerichter en tegen geringere kosten kan worden ingezet, waarbij rekening wordt gehouden met de verschuivingen in de behoeften van de bevolking en met het feit dat het accent in de communautaire regelgeving thans op de voordelen voor het milieu ligt.

4.97.

Het voorstel voor de kaderregeling voor plattelandsontwikkeling voor de periode na 2006 bevat verscheidene bepalingen om de maatregel gerichter (bv. strategie, aanwijzing van in aanmerking komende gebieden) en kosteneffectiever (bv. lagere steunmaxima, kortere looptijd) te maken.

Agromilieu (71)

4.98.

Steun voor agromilieu (AM) wordt betaald aan landbouwers die zich ertoe verbinden, landbouw te bedrijven op een manier die verder gaat dan de gebruikelijke goede landbouwmethoden en bevorderlijk wordt geacht voor het milieu. De controle van de Rekenkamer had tot doel te beoordelen of de Commissie afdoende zekerheid heeft dat de landbouwmethoden en -technieken waarvoor AM-steun wordt betaald, verifieerbaar zijn en ook behoorlijk worden geverifieerd, en dat de ontvangers van AM-betalingen dus voldoen aan hun verplichting op een milieuvriendelijke wijze te werken.

4.99.

Bij de controle werden zowel bij de Commissie als op het niveau van de lidstaten aanzienlijke gebreken geconstateerd in de controleregelingen voor AM-uitgaven. De Rekenkamer concludeerde dat de verificatie van landbouwmilieumaatregelen veel meer middelen vergt dan de verificatie van de uitgaven voor GLB-marktondersteuning en andere maatregelen voor plattelandsontwikkeling, en zelden kan leiden tot redelijke zekerheid tegen een redelijke kostprijs. De Rekenkamer beval de Commissie, de Raad en het Parlement aan, voor AM in de nieuwe, in 2007 beginnende uitgavenprogrammeringsperiode te overwegen hoe er rekening kan worden gehouden met het beginsel dat een maatregel die niet afdoende kan worden gecontroleerd, ook niet mag leiden tot de betaling van overheidsmiddelen.

4.98 en 4.99.

De lidstaten beschikken over systemen voor de controle betreffende de agromilieumaatregel en in alle lidstaten zijn die controlesystemen onderzocht. Desalniettemin kan de toepassing ervan tekortkomingen vertonen. De voor de goedkeuring van de rekeningen verantwoordelijke dienst van de Commissie voert in 2005/2006 een auditprogramma uit om na te gaan hoe de controle betreffende de agromilieumaatregel in de lidstaten wordt verricht.

Een vergelijking tussen de agromilieumaatregel en de maatregelen van de eerste pijler wat de benodigde controlemiddelen betreft moet in een bredere context worden gezien. Bij de beoordeling van de controlemiddelen die nodig zijn voor de agromilieumaatregel, moet rekening worden gehouden met de nagestreefde doeleinden. De Commissie is het ermee eens dat de controle betreffende de agromilieumaatregel arbeidsintensief en kostbaar is. Een systeem dat voor voldoende controle zorgt maar daarbij binnen de proporties blijft, is wat nodig is voor de agromilieumaatregel, die de Commissie beschouwt als een centraal onderdeel van het GLB dat van wezenlijk belang is voor de integratie van de milieuoverwegingen in dat beleid.

Voor de volgende programmeringsperiode heeft de Commissie een controlesysteem voorgesteld dat zoveel mogelijk aansluit bij de controlesystemen voor de randvoorwaarden die de lidstaten moeten opzetten voor de betalingen in het kader van de eerste pijler.

Ter versterking van het beginsel van een gedeeld beheer heeft de Commissie bovendien een meer heldere verdeling van de verantwoordelijkheden tussen de lidstaten en de Commissie voorgesteld. Meer in het algemeen is het wenselijk de rollen en verantwoordelijkheden in het kader van het gedeelde beheer verder te verduidelijken zoals de Commissie heeft voorgesteld in haar mededeling over een stappenplan voor een geïntegreerd internecontrolekader (document COM(2005) 252 def.).


(1)  De Commissie kan in dit stadium uitgaven uitsluiten op basis van de bevindingen van de verklarende instanties (zie paragraaf 4.3, onder f)).

(2)  Overige: steun voor productie, verwerking of verbruik betaald aan producenten, producentenverenigingen of verwerkers, en administratieve uitgaven.

(3)  Interventie: openbare en particuliere opslag, maatregelen voor het uit de markt nemen van groenten en fruit, verplichte en vrijwillige distillatie.

(4)  Duitsland (Thüringen, Saarland), Griekenland, Spanje (Castilia y Leon) en het Verenigd Koninkrijk (Schotland).

(5)  In 2003 bedroegen de GBCS-uitgaven in Griekenland 868 miljoen euro (dit cijfer omvat niet de uitgaven voor tabak, katoen, olijfolie, die indirect door het GBCS worden gedekt).

(6)  Oppervlaktesteun: in één onderzocht rapport verklaart de lokale inspecteur, 85 percelen in één dag te hebben opgemeten zonder afwijkingen te hebben ontdekt. Een ander lokaal inspectieteam van twee inspecteurs verklaart, 223 percelen met behulp van GPS in één dag te hebben gemeten en geen afwijkingen te hebben ontdekt. In aanvraagjaar 2003 verklaarde een team van twee inspecteurs, de oppervlakte van 653 percelen te hebben nagemeten, wederom zonder afwijkingen te ontdekken. De ervaring met het opmeten van arealen en afwijkingen leert dat deze resultaten onwaarschijnlijk zijn.

Schapenpremies: inspecties brachten aanzienlijke verschillen aan het licht in een kudde van 470 schapen, waarvan werd beweerd dat het aantal van 2002 tot 2004 gelijk gebleven was. De verschillen werden verklaard door verliezen (70, 192 en 239 dieren verloren in respectievelijk 2002, 2003 en 2004) als gevolg van natuurlijke omstandigheden (ziekte en wolven). De verliezen werden onderbouwd door certificaten van het lokale veterinaire bureau. De landbouwer kon echter geen bewijs leveren van de wijze waarop hij zijn kudde op peil hield.

(7)  Verordening (EEG) nr. 4045/89 van de Raad (PB L 388 van 30.12.1989, blz. 18).

(8)  Jaarverslag 2003, paragraaf 4.15, onder b).

(9)  Jaarverslag 2003, paragraaf 4.15, onder a).

(10)  Verordening (EEG) nr. 386/90 van de Raad (PB L 42 van 16.2.1990, blz. 6).

(11)  In het kader van haar cyclisch onderzoek van diverse aspecten van de functies van de betaalorganen onderzocht de Rekenkamer ook het onderzoek van de Commissie dat in 2002 van start ging naar de wijze waarop de betaalorganen bepaalde functies aan andere instanties delegeren. De verslagen van de Commissie wijzen op twee veel voorkomende gebreken: de betaalorganen oefenen geen adequaat toezicht uit op de gedelegeerde organen en de rol van de gedelegeerde organen is niet gespecificeerd. Met name ontdekte de Commissie wijdverbreide gebreken met betrekking tot het beheer van de gedelegeerde organen door AGEA (Italië): de gebreken bestonden ook in 2003 en 2004 nog.

(12)  Aantal krachtens Verordening (EEG) nr. 595/91 gemelde gevallen waarmee meer dan 4 000 euro is gemoeid.

Bron:„Samenvatting van de jaarverslagen van de lidstaten over het jaar 2003” en „Samenvatting van de jaarverslagen van de lidstaten over het jaar 2002”, opgesteld door de Commissie, DG AGRI, D03.

(13)  Losgekoppeld van de financiële goedkeuringsbeschikking van 13 mei 2005.

(14)  De Rekenkamer onderzocht de verslagen en certificaten van deze 25 betaalorganen waarvoor een steekproef van verrichtingen werd genomen ter controle.

NB: Wisselkoersen voor lidstaten buiten de eurozone: Tsjechische Republiek: 30,031; Denemarken: 7,4502; Estland: 15,6466; Hongarije: 247,25; Letland: 0,6960; Litouwen: 3,4528; Polen: 4,0876; Slowakije: 38,75; Slovenië: 239,7; Zweden: 9,1687; Verenigd Koninkrijk 0,6867.

Bron: Beknopt verslag van de Commissie over de financiële goedkeuring van de rekeningen van het EOGFL-Garantie voor 2004.

(15)  Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1663/95.

(16)  De termijn van 30 april werd overschreden wegens moeilijkheden met de vertaling.

(17)  De voornaamste redenen voor het niet-goedkeuren van deze rekeningen waren: verzuim van de verklarende instanties om het financiële effect van alle geïdentificeerde fouten te becijferen (Bayern-Umwelt (DE), AGEA (IT), ontoereikende audit door de verklarende instanties voor Luxemburg, een beperking van de reikwijdte voor Madrid (ES) en het niet verrichten van controles ter plaatse door SDE (FR).

(18)  De verklarende instanties constateerden materiële fouten (meer dan 1 % van de gedeclareerde uitgaven) die van invloed waren op hetzij de gehele rekening, hetzij specifieke gebieden bij zeven betaalorganen (Navarra, Baden-Württemberg, Bayern-Umwelt, IFADAP, Région Wallonne, Onivins en SDE). De Commissie kwam tot dezelfde conclusie bij drie andere betaalorganen (La Rioja, Odeadom en Onifhlor). Verder is de Commissie voornemens correcties aan te brengen op basis van financiële fouten bij vier andere betaalorganen (Andalucia, Canarische Eilanden, Forestry Commission en SERAD).

(19)  Beschikkingen van de Commissie 2004/136/EG (PB L 40 van 12.2.2004, blz. 31), 2004/457/EG (PB L 156 van 30.4.2004, blz. 47) en 2004/561/EG (PB L 250 van 24.7.2004, blz. 21).

(20)  Deze conformiteitsbeschikkingen werden gecompenseerd met uitgaven van het jaar 2004.

(21)  De forfaitaire correcties worden als volgt toegepast: 2 % als de essentiële controles bevredigend zijn, maar de secundaire geheel of gedeeltelijk ondoeltreffend; 5 % als de essentiële controles zijn verricht maar de bij verordening voorgeschreven aantallen, frequentie of stiptheid niet zijn aangehouden en het risico van verlies voor het Fonds aanzienlijk is; 10 % als één of meer essentiële controles niet functioneren, zodat onmogelijk is vast te stellen of een aanvraag subsidiabel en regelmatig is, waardoor er een groot risico van verlies voor het Fonds ontstaat.

(22)  1999 was het eerste jaar waarin de Commissie conformiteitsbeschikkingen heeft genomen overeenkomstig de in 1996 ingevoerde herziene procedure voor de goedkeuring van de rekeningen.

(23)  Jaarlijks activiteitenverslag 2004, afdeling 3.2.1.1.

(24)  Jaarlijks activiteitenverslag 2004, paragraaf 4.2.2.

(25)  Het kritieke aspect bij de controle van de wettigheid en regelmatigheid van de verrichtingen is het bestaan en de nauwkeurigheid van de door de begunstigden verstrekte informatie, waarvan veel slechts kan worden geverifieerd door fysieke inspecties bij de eindbegunstigden. Een dergelijk bereik zou een sterkere en duidelijker keten inzake verantwoordingsplicht voor GLB-uitgaven vormen. Het zou de Commissie grotere zekerheid verschaffen over de wettigheid en regelmatigheid van de verrichtingen. Zie Advies nr. 2/2004 van de Rekenkamer over het model „single audit”, paragrafen 21, 41 en 42, en Advies nr. 1/2005 over de financiering van het GLB, paragraaf 24.

(26)  Zie Advies 2/2004 over het model „single audit”, paragrafen 57 en 58.

(27)  Om het niveau van de onregelmatigheden te schatten zou een geschikte methode van steekproefneming duidelijk moeten worden omschreven (Advies nr. 2/2004 over het model „single audit”, paragraaf 48), en de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven zou moeten worden geverifieerd op het niveau van de begunstigde (Advies nr. 1/2005 over de financiering van het GLB, paragraaf 24).

(28)  Conformiteitsbeschikkingen hebben ten doel, uitgaven uit te sluiten van communautaire financiering wanneer de Commissie heeft geconstateerd dat ze niet overeenkomstig de communautaire regelgeving zijn gedaan (Verordening (EG) nr. 1258/1999 van de Raad, artikel 7, lid 4). Deze beschikkingen zijn (meestal) forfaitaire correcties voor slecht functionerende essentiële elementen van de controlesystemen.

(29)  ICN 11 (risicoanalyse), ICN 12 (managementinformatie), ICN 14 (melding van misstanden), ICN 17 (supervisietaken), ICN 18 (registreren van uitzonderingen), ICN 20 (zwakke punten van de interne controle), ICN 21 (auditverslagen) en ICN 22 (interne-auditdienst).

(30)  ICN 11 (risicoanalyse) — er was geen actieplan opgesteld om de risico's met betrekking tot 2004 aan te pakken.

ICN 12 (managementinformatie) — de rapportage over „kwalitatieve aspecten”, zoals de uitvoering van het jaarlijks beheersplan, is nog niet bevredigend.

ICN 17 (supervisietaken) — doeltreffend toezicht op de financiële activiteiten door de ordonnateurs is twijfelachtig en er is geen bewijs over procedures voor controles achteraf.

ICN 18 (registreren van uitzonderingen) — de registratievoorschriften zijn door de betrokken eenheden niet in acht genomen.

(31)  Percentage van de oppervlakten, opgegeven door de geïnspecteerde landbouwer.

(32)  Percentage gecontroleerde aanvragen.

(33)  Niet in de geïnspecteerde aanvragen aangetroffen percentage oppervlakten.

(34)  Het geografische informatiesysteem koppelt perceelidentificatie, kadasters en luchtfoto's met het oog op de administratieve controles van het aantal en de plaats van olijfbomen.

(35)  Oppervlakkige controles zijn voornamelijk controles aan de hand van stukken.

(36)  Portugal verricht geen oppervlakkige controles.

Bron: Jaarverslagen 2002-2003 van de Griekse, Spaanse, Italiaanse en Portugese olijfoliebureaus.

(37)  De totale uitgaven voor plattelandsontwikkeling, inclusief het EOGFL-Oriëntatie, beliepen 8 805 miljoen euro.

(38)  De 12 betrokken betaalorganen zijn: de regio's Catalonië en Madrid (Spanje), AGEA (Italië), Bayern-Umwelt en Saarland (Duitsland), Ministère de l'Agriculture (Luxemburg), INGA en IFADAP (Portugal), Opekepe (Griekenland), Région Wallonne (België), CNASEA en SDE (Frankrijk).

(39)  PB L 67 van 14.3.1991, blz. 11.

(40)  Jaarverslag 2003, paragrafen 4.15 en 4.16.

(41)  De materialiteitsdrempel is bepaald op 1 % van de door het betaalorgaan opgegeven uitgaven. De verklarende instanties hanteerden statistische steekproefneming om 26 000 verrichtingen op het niveau van het betaalorgaan te onderzoeken.

(42)  Advies nr. 1/2005 over de financiering van het GLB, paragraaf 24.

(43)  Tsjechische Republiek, Litouwen, ARR (Polen), Slovenië en Slowakije.

(44)  Estland, Malta.

(45)  In verband met de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1663/95 van de Commissie van 7 juli 1995, getiteld „Richtsnoeren inzake criteria voor de erkenning van betaalorganen” en richtsnoer nr. 1 van de Commissie (document VI/5168/96 rev. 1).

(46)  Inclusief voorschotten en zekerheden, alsmede vorderingen.

(47)  Volgens punt 4 van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1663/95 mogen het toestaan van betalingen en/of de taken van de technische dienst (d.w.z. betreffende inspecties van landbouwbedrijven) onder specifieke voorwaarden aan andere instanties gedelegeerd worden.

Bron: Door de bevoegde autoriteiten aan de Rekenkamer verstrekte verslagen over erkenning.

(48)  Verordening (EG) nr. 1268/1999 van de Raad (PB L 161 van 26.6.1999, blz. 87), uitgevoerd bij Verordening (EG) nr. 2222/2000 van de Commissie (PB L 253 van 7.10.2000, blz. 5).

(49)  Tsjechische Republiek, Estland, Letland, Litouwen, Hongarije, Polen, Slovenië, Slowakije, Bulgarije en Roemenië.

(50)  Zo was in één land dat steun van Sapard kreeg als gevolg van personeelsgebrek en het onverwacht hoge aantal ontvangen aanvragen, 50 % van de aanvragen bij het verstrijken van de termijn nog niet in behandeling genomen.

(51)  Jaarverslag 2003, paragraaf 8.47.

(52)  Jaarverslag 2003, paragraaf 8.33.

(53)  Volgens de meerjarige financieringsovereenkomst (afdeling B, artikel 4, lid 2, sub e)) moeten de kosten voor diensten, leveringen en werken boven een vooraf bepaald bedrag, en waarvoor de begunstigde niet van minimaal drie leveranciers een prijsopgave heeft ontvangen, als niet-subsidiabel worden beschouwd.

(54)  De onder de aandacht gebrachte bevindingen bevatten het ontbreken van drie geldige offertes; offertes afkomstig van minder dan drie leveranciers; aanvaarding zonder rechtvaardiging van de offerte die niet het laagst was.

(55)  Jaarverslag 2003, paragraaf 8.43.

(56)  Speciaal verslag nr. 7/2002.

(57)  Aanbeveling van de Raad van 7 maart 2003 inzake de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting — SN 1376/03, bijlage 7.

(58)  SEC(2002) 1378 def., blz. 12 en 13.

(59)  COM(2005) 50 def.

(60)  PB L 47 van 25.2.1993, blz. 1.

(61)  Verordening (EEG) nr. 404/93 van de Raad, artikel 16, lid 1.

(62)  Document van de Raad 14 217/04 van 4 november 2004, tabel 2. Volgens Speciaal verslag nr. 7/2002 van de Rekenkamer was het 11 200 euro/ha in 2000.

(63)  COM(2004) 247 def., blz. 13.

(64)  Kwijtingsbesluit 2002 van het Europees Parlement, afdeling III, punt 149.

(65)  Verordeningen van de Commissie (EG) nr. 444/2003 (PB L 67 van 12.3.2003, blz. 3) en (EG) nr. 2010/2003 (PB L 297 van 15.11.2003, blz. 13) met betrekking tot horizontale regels. Voor specifieke sectoren: Verordeningen van de Commissie (EG) nr. 456/2003 (rundvlees) (PB L 69 van 13.3.2003, blz. 18), (EG) nr. 500/2003 (granen) (PB L 74 van 20.3.2003, blz. 19) en (EG) nr. 740/2003 (verwerkte goederen) (PB L 106 van 29.4.2003, blz. 12).

(66)  De Rekenkamer controleerde de systemen in drie lidstaten die goed zijn voor 70 % van de uitgaven (Duitsland, Frankrijk en Nederland).

(67)  Aanbeveling van de Raad van 5 maart 2002 inzake de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting 2000 — SN 1651/02.

(68)  Kwijtingsbesluit 2000 van het Europees Parlement, paragraaf 59 van de resolutie (PB L 158 van 17.6.2002, blz. 16).

(69)  Evaluation of the Community Policy for Starch en Starch products (2002), LMC International, Oxford.

(70)  Speciaal verslag nr. 9/2004.

(71)  Speciaal verslag nr. 3/2005.

BIJLAGE 1

Evolutie wat betreft de voornaamste opmerkingen — Landbouw

 

2003 en voorgaande jaren

2004

Opmerkingen

Antwoord van de Commissie

Opmerkingen

Nog te nemen maatregelen

Internecontrolenormen

Volgens het verslag waren veertien van de internecontrolenormen per 31 december 2003 volledig doorgevoerd. In februari 2004 hoefden er nog maar vier ten dele doorgevoerd te worden (4.23).

Geen antwoord.

In zijn zelfbeoordeling 2004 concludeerde DG AGRI dat aan alle normen en basisvereisten was voldaan (4.28, onder a), en 4.33).

De Rekenkamer onderzocht de toepassing van acht normen en constateerde dat deze bij vier ervan voor verbetering vatbaar was (4.34).

Het directoraat-generaal Landbouw dient er voor te zorgen dat deze vier normen volledig worden doorgevoerd (4.28, onder a), 4.33 en 4.34).

Oppervlaktesteunregelingen

Het bij aselecte controles geconstateerde totale foutenpercentage ligt bij 2,4 %, tegenover 1,5 % bij controles op basis van risicoanalyse (4.26).

Het is opmerkelijk dat bij sommige lidstaten aselecte controles een hoger foutenpercentage opleveren dan controles op basis van risicoanalyse (4.27).

In de GBCS-verordening zijn wijzigingen aangebracht wat de risicoanalyse betreft, waarbij met name voor de lidstaten de verplichting is ingevoerd om jaarlijks te onderzoeken hoe doelmatig de gehanteerde risicofactoren zijn (4.26 en 4.27).

Evenals in voorgaande jaren bleken in sommige lidstaten de op basis van risicoanalyse geselecteerde verrichtingen een lager foutenpercentage op te leveren dan aselect gekozen verrichtingen (4.37).

De Commissie dient ervoor te zorgen dat de verschillende steekproeven die de lidstaten nemen vergelijkbaar zijn. De Commissie dient beter acht te slaan op de verschillen tussen de resultaten van aselecte en op risicoanalyse gebaseerde tests, en bij inconsistenties om een verklaring te vragen (4.37).

Dierpremieregelingen

In het algemeen varieert het bij de GBCS-inspecties van dieren ontdekte foutenpercentage nog steeds aanzienlijk per jaar en per lidstaat (4.32).

(zie ook de paragrafen 4.11 en 4.12)

Zoals gezegd in het antwoord op paragraaf 4.11.d), worden de controlestatistieken onderzocht en aan een audit ontworpen in het kader van het jaarlijks werkprogramma (4.32).

(zie ook de paragrafen 4.11 en 4.12)

Statistieken voor dierpremies zijn nog steeds minder betrouwbaar dan de overeenkomstige statistieken betreffende aanvragen om oppervlaktesteun (4.39).

De Commissie dient te analyseren waarom de resultaten van de in de lidstaten verrichte inspecties van jaar tot jaar variëren, en om een verklaring te vragen voor afwijkende resultaten (4.39).

Subsidies op basis van geproduceerde hoeveelheden

a)

in Griekenland had personeel van regionale bureaus niet altijd toegang tot de GBCS-database, hetgeen doeltreffende controles ter plaatse belemmert (4.35, onder b));

b)

Griekenland noch Spanje had een functionerend GIS voor olijfolie over de periode waarop de betalingen uit 2003 betrekking hadden en Spanje verzuimde het aantal inspecties ter plaatse uit te voeren dat vereist is om dit te compenseren (4.37).

a)

Met de tekortkomingen van het GBCS in Griekenland wordt rekening gehouden bij de goedkeuring van de rekeningen;

b)

het GIS voor de olijventeelt is een van de onderdelen van het controlesysteem voor de productiesteun voor olijfolie en is pas sinds het verkoopseizoen 2003/2004 verplicht (4.37).

Verrichtingen betreffende olijfolie vertonen een aantal tekortkomingen:

a)

in Griekenland konden sommige aanvragen niet worden geverifieerd doordat de opgegeven percelen zich niet op de opgegeven plaats bevonden;

b)

Griekenland had nog steeds geen functionerend olijfolie-GIS over de periode die relevant is voor de in 2004 gedane betalingen;

c)

in Griekenland werden gevallen aangetroffen waarin telersverenigingen verzuimden, de nodige controles te verrichten, bijvoorbeeld inzake de afzet van olijfolie;

d)

in Andalusië was sprake van onjuiste berekeningen voor de toepassing van sancties voor olijventelers die meer olijfbomen hadden opgegeven dan in het GIS waren geregistreerd (4.44).

De Commissie moet zich ten opzichte van de producerende landen strenger opstellen wat betreft de kwaliteit van de controles, de omvang van de op te leggen sancties en de stelselmatige tenuitvoerlegging van besluiten tot intrekking van de erkenning van fabrieken die de regels niet naleven. Ook dient de Commissie te staan op volledige operationaliteit van het olijventeeltkadaster in Griekenland (4.44 en 4.45).

Een essentieel onderdeel van het werk van de bureaus betreft de controles van olijfoliefabrieken. Als de bureaus in de fabrieken verschillen ontdekken, kunnen zij een reeks sancties voorstellen, waarvan de zwaarste is de erkenning van de fabriek in te trekken. In 2002 (controles in verband met uitgaven in 2003) stelden de bureaus deze maatregel voor ten aanzien van een op de tien geïnspecteerde fabrieken. In de praktijk leggen de ministeries van landbouw van de lidstaten dikwijls een lichtere straf op (4.39).

De Commissie bewaakt de kwaliteit van het toezicht dat de lidstaten houden op het werk van de controlebureaus (4.39).

De werkzaamheden van de bureaus omvatten controles bij de olijfoliefabrieken. Wanneer de bureaus fouten en gebreken vinden, mogen zij een aantal strafmaatregelen voorstellen, waarvan de strengste de intrekking van de goedkeuring is. Controles bij fabrieken in 2003 (van invloed op de betalingen in 2004) leidden ertoe dat de bureaus voorstelden, de goedkeuring van 9 % van de bezochte fabrieken in te trekken. Deze voorstellen worden door de autoriteiten in de lidstaten echter vaak niet gevolgd (4.45).

Overige uitgaven

Wat betreft de krachtens Verordening (EEG) nr. 4045/89 verrichte controles concludeerde de Rekenkamer het volgende:

a)

de coördinerende organen in de lidstaten stelden in het algemeen controleplannen op overeenkomstig de verordening, maar eind 2003 was slechts de helft van alle voor de betrokken periode geplande controles voltooid;

b)

een vijfde van de door de Rekenkamer onderzochte controles was volstrekt onbetrouwbaar;

c)

de jaarverslagen van de coördinerende organen geven de statistieken over de resultaten van onderzoeken weer in een formaat dat zich niet leent voor zinnige analyse en vergelijking;

d)

de Commissie had geen inspectieprogramma opgezet om te waarborgen dat de verrichte controles doeltreffend zijn (4.15).

(zie ook paragraaf 4.46, onder a))

a)

Volgens de jaarverslagen van de lidstaten waren 2 469 controles voltooid, wat neerkomt op 63 % van de 3 907 controles die voor de periode waren gepland;

b)

de Commissie zal met de betrokken elementen rekening houden bij haar toekomstige werkzaamheden met betrekking tot de controles op grond van Verordening (EEG) nr. 4045/89;

c)

de ontvangen informatie wordt door de diensten van de Commissie geanalyseerd en verwerkt om in bepaalde opzichten vergelijkingen tussen de lidstaten te kunnen maken;

d)

in eerdere jaren zijn inspectieprogramma's opgezet op basis van een risicoanalyse en momenteel is een nieuwe inspectieronde aan de gang (4.15).

De Rekenkamer onderzocht het toezicht op (EEG) nr. 4045/89-controles en constateerde het volgende:

a)

de bestaande verordening schrijft niet voor dat de coördinerende organen statistieken moeten overleggen in een formaat dat een zinvolle analyse mogelijk maakt;

b)

in 2003 concludeerde de Rekenkamer dat minder dan één op de drie controles na betaling geheel bevredigend was. De reactie van de Commissie in 2004 was, drie lidstaten te bezoeken; de eerste bezoeken sinds 2001;

c)

de vertragingen in de afronding van de jaarlijkse programma's van controles na betaling door de lidstaten bestaan nog steeds. Eind 2004 was bijna 40 % van de geplande controles niet afgerond.

Aangezien de gegevens niet voorzien in een analyse per bedrag of per soort uitgaven, is het niet mogelijk, conclusies te trekken over de betekenis en oorzaak van de variatie in de gerapporteerde frequentie van onregelmatigheden. (4.10)

(zie ook paragraaf 4.51)

De Commissie dient de nodige maatregelen te nemen om de diverse verschafte statistieken en gegevens te standaardiseren, zodat ze kunnen worden vergeleken. Ook dient de Commissie haar onderzoeken in de lidstaten te intensiveren en er beter op toe te zien of de lidstaten de uiterste termijnen voor de afronding van hun inspectieprogramma's in acht nemen (4.10 en 4.51).

Wat betreft de krachtens Verordening (EEG) nr. 386/90 verrichte controles van uitvoerrestituties concludeerde de Rekenkamer dat alle lidstaten het aantal uitgevoerde controles aan de Commissie opgaven, maar dat verscheidene het aantal ontdekte fouten niet meedeelden. De resultaten vermelden noch het aantal afgewezen steunaanvragen, noch het soort uitvoerrestituties dat het meest in het geding is (4.46, onder b)).

De Commissie heeft inmiddels stappen gezet om een begin te maken met het verzamelen van gegevens over de bedragen die zijn gemoeid met de aan fysieke controles onderworpen exporten. (4.46, onder b))

De Commissie was niet in staat informatie te verstrekken over de waarde van de fysiek gecontroleerde verrichtingen en de waarde van de ontdekte onregelmatigheden. In 2004 stelde de Commissie een verordening vast die de lidstaten voorschrijft, deze informatie met ingang van het verslag 2005 mee te delen. De Rekenkamer hoopt dat deze verordening ertoe leidt dat de geschetste tekortkomingen doeltreffend worden verholpen (4.13, 4.52 en 4.53).

Met het oog op eventuele niet-uitvoer van goederen, de vervanging van exporten, het wijzigen van bestemming en carrouselhandel (herinvoer van gesubsidieerde producten) is het bijzonder belangrijk, dat de Commissie beter toeziet op de controles ter plaatse die verplicht zijn voor uitvoerrestituties (4.13, 4.52 en 4.53).

De Rekenkamer constateert andermaal ernstige fouten voor rozijnen en krenten (Griekenland), waarvan melding is gemaakt in het jaarverslag 2002 (4.45).

De Commissie heeft in het verleden financiële correcties toegepast wegens tekortkomingen ten aanzien van de subsidies voor krenten en rozijnen, en zo nodig zal zij dit ook in de toekomst doen (4.45).

De Rekenkamer constateerde andermaal ernstige fouten in subsidies voor rozijnen en krenten (Griekenland, ook behandeld in de jaarverslagen over 2002 en 2003) (4.54).

De Commissie dient met name actie te ondernemen met betrekking tot de procedure voor de goedkeuring van de rekeningen en erop toe te zien dat regionale afwijkingen van de voorwaarden betreffende minimumopbrengst en -productie deugdelijk worden gemotiveerd (4.54).

Plattelandsontwikkeling

Dikwijls kent dit soort regelingen relatief ingewikkelde subsidiabiliteitsvoorwaarden die in sommige gevallen gedurende meerdere jaren moeten worden gecontroleerd (4.41).

 

Voor uitgaven inzake plattelandsontwikkeling hebben de verklarende instanties in hun auditverklaring voorbehoud gemaakt bij de rekeningen van 12 betaalorganen, zij het met een gering financieel effect. Redenen voor het maken van voorbehoud bij de rekeningen waren materiële fouten, niet-subsidiabele uitgaven en ontbrekende bewijsstukken; meestal betroffen zij agromilieumaatregelen en investeringen in landbouw en bosbouw (4.47).

De Commissie dient de nodige aandacht te besteden aan de geconstateerde fouten en passende maatregelen te nemen om de onderliggende gebreken te verhelpen (4.47 en 4.48).

De verklarende instanties hebben een verklaring onder voorbehoud afgeven voor de rekeningen van drie bureaus die zich op maatregelen voor plattelandsontwikkeling toeleggen. Fouten die van invloed zijn op de uitgaven voor plattelandsontwikkeling spelen een rol bij de verklaring onder voorbehoud voor nog vijf andere bureaus (4.42).

Aan de door de verklarende instanties gemelde fouten met betrekking tot de uitgaven voor plattelandsontwikkeling zal de nodige aandacht worden besteed in het kader van de procedure voor de goedkeuring van de rekeningen, en als blijkt dat die fouten een risico opleveren voor het Fonds, zullen financiële correcties worden voorgesteld (4.42).

De meeste aanspraken op steun voor plattelandsontwikkeling hangen af van de naleving van door de begunstigden aangegane verplichtingen, zoals de inachtneming van goede landbouwmethoden. In haar speciaal verslag over agromilieumaatregelen concludeert de Rekenkamer dat de verificatie van zulke uitgaven bijzondere problemen doet rijzen en dat de verificatie zelden kan leiden tot redelijke zekerheid tegen een redelijke kostprijs (4.48).

BIJLAGE 2

GBCS-controle-elementen

Bron: Rekenkamer — beoordeling van GBCS-systemen bij betaalorganen.

 

 

Oppervlaktesteun

Dierpremies

Lidstaat

Betaalorgaan

Administratieve procedures en controles om te zorgen voor correcte betaling

Risicoanalyse en selectieprocedures voor inspecties

Inspectiemethodologie en verslaglegging over afzonderlijke resultaten

Voorbereiding en betrouwbaarheid van statistieken over inspecties en resultaten

Administratieve procedures en controles om te zorgen voor correcte betaling

Risicoanalyse en selectieprocedures voor inspecties

Inspectiemethodologie en verslaglegging over afzonderlijke resultaten

Voorbereiding en betrouwbaarheid van statistieken over inspecties en resultaten

ES

Castilla y León

 

1

2

 

3

1

 

 

PT

Ifadap/INGA

4

1

5

 

6

1

7

 

UK

Scotland, Seerad

8

1

 

 

9

 

10

11

DE

Saarland

12

1

 

 

13

14

 

15

DE

Thüringen

16

 

 

 

17

 

 

 

 

Het GBCS wordt in Griekenland nog steeds niet op een betrouwbare wijze toegepast (zie paragraaf 4.56)

 

 

 

 

EL

Griekenland, Opekepe

18

19

20

21

22

23

24

25


 

A

Werkt goed. Weinig of geringe verbeteringen nodig

 

B

Werkt, maar verbeteringen noodzakelijk

 

C

Werkt niet als bedoeld


1

Ontoereikende evaluatie van de doeltreffendheid van afzonderlijke risicocriteria. Hoewel Verordening (EG) nr. 118/2004 van de Commissie van 23.1.2004 dit pas vanaf het verkoopseizoen 2004 (betaaljaar 2005) verplicht stelt, acht de ERK deze evaluatie een essentieel element van risicoanalyse. Sommige lidstaten analyseren geen significante fouten.

2

Geen onderbouwing van de procedures voor kwaliteitscontrole en de resultaten ervan; de niet-inachtneming van de resultaten van de aanvankelijke teledetectiecontrole is slecht gedocumenteerd.

3

Anomalieën met betrekking tot gegevens over verplaatsingen van dieren op de database voor runderen; discrepanties tussen de regionale en centrale databases voor runderen.

4

Tijdens inspecties vastgestelde permanente oorzaken van niet-subsidiabiliteit van percelen zijn niet in de database ingevoerd voor gebruik in toekomstige administratieve kruiscontroles.

5

Onvoldoende kwaliteitscontroles bij de contractanten belast met teledetectie: zes van de acht opnieuw door de controleurs gemeten percelen bevestigden niet de resultaten van de oorspronkelijke teledetectie.

6

Runderen uit andere lidstaten die bestemd zijn voor onmiddellijke slacht zijn niet geregistreerd in de database voor runderen.

7

Aan de database voor runderen ontleende informatie voor gebruik tijdens inspecties bleek onvolledig (voor inspecties wat betreft de slachtpremie) of achterhaald (in het algemeen voor alle inspecties).

8

Hoewel de EU-verordeningen daarin niet voorzien, worden er toleranties voor de oppervlakte (2 % of maximaal 2 hectaren) toegepast voor administratieve controles.

9

Een te hoog bedrag aan extensiveringspremie werd betaald als gevolg van betalingen vóór de afronding van kruiscontroles.

10

Er was een groot aantal fouten in de ingevoerde gegevens over inspectieresultaten (47 % van alle onderzochte inspectierapporten). Bij 23 % van de inspecties van runderen en 40 % van de inspecties van schapen vond de aankondiging meer dan 48 uur voordien plaats.

11

Het aantal verrichte inspecties was te hoog opgegeven (gerapporteerd controlepercentage was 15,2 % in plaats van 13,3 %).

12

Het register van de percelen is niet stelselmatig bijgehouden. Ontoereikende kwaliteitscontrole bij het gedelegeerde orgaan.

13

Ontoereikend toezicht op de correcties die moeten worden aangebracht in de database voor runderen om discrepanties tussen de resultaten van de inspecties ter plaatse en de gegevens in de database voor runderen weg te nemen.

14

Meer dan 70 % van de dierinspecties was toegespitst op de zone betreffende controle door middel van teledetectie van oppervlaktesteun. Bij de risicoanalyse werden niet alle in de EU-wetgeving voorgeschreven risicoparameters in aanmerking genomen. De doeltreffendheid van de risicoanalyse is niet geëvalueerd.

15

Kleine verschillen tussen de bij de Commissie ingediende gegevens en de aan de controleurs verstrekte onderliggende gegevens.

16

Hoge foutenpercentages aanvaard bij de invoer van gegevens; aanvragen worden niet automatisch geblokkeerd in het EDP-systeem wanneer zij voor inspecties worden geselecteerd; ontoereikend controlespoor in gevallen die worden behandeld als kennelijke fouten.

17

Aanvraagdossiers worden niet automatisch geblokkeerd in het EDP-systeem wanneer zij voor inspecties worden geselecteerd; ontoereikend toezicht op de correcties die moeten worden aangebracht in de database voor runderen om discrepanties tussen de resultaten van de inspecties ter plaatse en de gegevens in de database voor runderen weg te nemen.

18

De procedure voor de registratie van aanvragen is onbetrouwbaar en wordt stelselmatig gebruikt om de toepassing van boeten voor een te late aanvraag te vermijden; het systeem voor de identificatie van landbouwpercelen is onvolledig en onbetrouwbaar; de supervisie op maximale oppervlakten vindt niet plaats op perceelniveau maar slechts ondoelmatig op blokniveau. De landbouwbonden hebben een monopolie bij de invoer van gegevens (gegevens over aanvragen en controles) en spelen een essentiële rol bij de behandeling van door het systeem gegenereerde foutenlijsten. Zij kunnen te allen tijde de aanvraaggegevens in het EDP-systeem wijzigen of aanvullen; aanzienlijke aantallen wijzigingen en correcties worden door de bonden tijdens de gehele procedure aangebracht zonder enig controlespoor.

19

De voor teledetectie geselecteerde regio's zijn bekend bij de landbouwbonden.

20

De inspecties ter plaatse zijn van slechte kwaliteit; zij zijn slecht gedocumenteerd; de inspecties zijn niet onderworpen aan een kwaliteitscontrole op lokaal niveau; bij vele inspecties bestaan er ernstige twijfels over de realiteit ervan; het afstappen van de omtrek wordt als een geldige meetmethode beschouwd; het systeem van dubbele perceelreferentie leidt tot situaties waarin EDP-kruiscontroles uitsluitend gebaseerd zijn op de gedigitaliseerde referentiecode, terwijl de inspecties worden verricht op basis van oude cartografische referenties van de percelen; voorts is er geen verband tussen de beide referentiesystemen. De slechte kwaliteit van de inspecties wordt bevestigd door de inspecties die het betaalorgaan zelf heeft overgedaan en de inspecties die de controleurs hebben overgedaan.

21

Gerapporteerde cijfers over het aantal te laat ingediende aanvragen en de resultaten van teledetectie waren grotendeels fout.

22

Achterhaalde database voor runderen, die het effect van zowel de administratieve controles als de inspecties reduceert. Ontoereikende controle op de ontvangst van aanvragen en de invoer van gegevens door landbouworganisaties, die de gegevens over aanvragen en inspecties, gebruikt voor de behandeling van de betaling, kunnen wijzigen. Significante fouten bij de invoer van gegevens over aanvragen en inspecties door de landbouworganisaties. Onvolledige administratieve controles op centraal niveau en ontoereikende administratieve controles op lokaal niveau. Onvoldoende controle op afzonderlijke dierquota; systematische overbetaling van extensiveringspremie; incorrecte toepassing van bepaalde boeten.

23

Gerapporteerd werd dat alle aanvragen betreffende runderen in 2003 zijn gecontroleerd. Dit ambitieus werkprogramma droeg bij tot de slechte kwaliteit van de controles.

24

De inspecteurs hadden niet stelselmatig toegang tot de database voor runderen om hun inspecties voor te bereiden. De inspecties maakten het niet mogelijk verschillen tussen de aantallen dieren op het bedrijf en in de database voor runderen te identificeren en te verklaren. Bij de inspecties werden vaak fouten niet ontdekt die wel bij administratieve controles waren vastgesteld. 69 % van de te hoge declaraties voor de speciale runderpremie en de zoogkoeienpremie die werden ontdekt bij inspecties die het betaalorgaan overdeed, waren niet ontdekt bij de aanvankelijke inspecties.

25

Aanzienlijke inconsistenties bij de statistieken betreffende de zoogkoeienpremie en de slachtpremie (bv. het aantal als geïnspecteerd gerapporteerde dieren was groter dan het aantal opgegeven dieren). Incorrecte statistieken betreffende de slachtpremie.


HOOFDSTUK 5

Structurele acties

INHOUD

Inleiding

Financiering en doelen van de structurele acties

Beheers- en controlesystemen voor structurele acties: de voornaamste verordeningen en procedures

Specifieke beoordeling in het kader van de betrouwbaarheidsverklaring

Doel en reikwijdte van de controle

Controle van de beheers- en controlesystemen

Toepassing van de interne-controlenormen: vooruitgang geboekt, maar verdere inspanningen nodig

Toepassing van operationele programma's: verbeteringen in de systemen in de huidige periode nodig met het oog op naleving van de verordeningen

Afsluiting van de programma's 1994-1999: vertragingen en systeemgebreken bij de naleving van de verordeningen

Resultaten van gegevensgerichte controles van projecten

Werk van andere controleurs

Jaarlijkse activiteitenverslagen en verklaringen van de directeuren-generaal: betere informatie maar inadequate punten van voorbehoud

Follow-up van opmerkingen uit eerdere betrouwbaarheidsverklaringen: nog door de Commissie te nemen maatregelen

Conclusies en aanbevelingen

Conclusies

Aanbevelingen

De tenuitvoerlegging van het pretoetredingsinstrument voor structuurbeleid: de Commissie heeft tekortkomingen in de beheers- en controlesystemen vastgesteld

Follow-up van opmerkingen in Speciaal verslag nr. 3/2002 over het Communautair Initiatief Werkgelegenheid — Integra

Follow-up van opmerkingen in Speciaal verslag nr. 4/2002 over lokale acties voor werkgelegenheid

OPMERKINGEN VAN DE REKENKAMER

ANTWOORDEN VAN DE COMMISSIE

INLEIDING

Financiering en doelen van de structurele acties

5.1.

Structurele acties ondersteunen de economische en sociale ontwikkeling van de Europese Unie en de kandidaat-lidstaten. Ze worden gefinancierd uit de vier structuurfondsen: het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds (ESF), de afdeling Oriëntatie van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL-Oriëntatie) en het Financieringsinstrument voor de Oriëntatie van de Visserij (FIOV), alsmede uit het Pretoetredingsinstrument voor structuurbeleid (ISPA) en het Cohesiefonds.

 

5.2.

Uit de structuurfondsen worden programma's voor sociaal-economische ontwikkeling (1) in de lidstaten gecofinancierd en uit het Cohesiefonds projecten ter verbetering van het milieu en ter ontwikkeling van de vervoersinfrastructuur in de lidstaten waarvan het bruto nationaal inkomen per hoofd van de bevolking minder dan 90 % van het gemiddelde in de Unie bedraagt (2). ISPA ondersteunt de ontwikkeling van projecten op het gebied van vervoer en milieubescherming in kandidaat-lidstaten (3).

 

5.3.

Elk programma of project moet worden goedgekeurd door de Commissie en is voorzien van een indicatief financieringsplan dat het bedrag van de steun van de Gemeenschap en de bijdrage van de (kandidaat-)lidstaat vermeldt. De bijstand wordt verleend in het kader van meerjarige periodes die overeenkomen met de financiële vooruitzichten. De uitgaven uit de communautaire begroting voor 2004 betreffen hoofdzakelijk lopende betalingen voor de huidige programmeringsperiode (2000-2006) en saldobetalingen voor de voorgaande programmeringsperiode (1994-1999).

 

5.4.

Voor de periode 1994-1999 gaf de Commissie haar goedkeuring aan 1 104 programma's van de structuurfondsen en 920 projecten van het Cohesiefonds. Voor de periode 2000-2006 zijn er 606 programma's van de structuurfondsen, 1 163 projecten van het Cohesiefonds en 72 ISPA-projecten (4). De uitgevoerde acties kunnen sterk verschillen. Ze betreffen onder meer grote infrastructurele projecten (EFRO, Cohesiefonds en ISPA), individuele beroepsopleiding (ESF), afzet van landbouwproducten (EOGFL-Oriëntatie) en de aanpassing van de visserij-inspanning (FIOV).

 

Image

Image

5.5.

Voor de periode 2000-2006 zijn de totale uitgaven voor de structuurfondsen begroot op 230 463 miljoen euro, voor het Cohesiefonds op 28 154 miljoen euro en voor ISPA op 6 149 miljoen euro (7) (tegen prijzen van 2004). De meeste uitgaven zijn gericht op de drie prioritaire beleidsdoelstellingen van de structuurfondsen:

doelstelling 1: ontwikkeling en structurele aanpassing van de regio's met een ontwikkelingsachterstand;

doelstelling 2: economische en sociale omschakeling van de zones die in structurele moeilijkheden verkeren;

doelstelling 3: aanpassing en modernisering van het beleid en de stelsels op het gebied van onderwijs, opleiding en werkgelegenheid.

 

5.6.

De bijdragen uit de structuurfondsen (8) over de programmeringsperiodes tot en met 1994-1999 werden betaald in de vorm van voorschotten (overeenkomstig de voortgang van de uitvoering blijkens de door de lidstaten ingediende uitgavendeclaraties) en saldobetalingen, waarvan laatstgenoemde de „afsluiting” van de programma's vormen. In de programmeringsperiode 2000-2006 neemt de communautaire financiering de vorm aan van één enkele voorschotbetaling, die 7 % (verhoogd tot 16 % voor de nieuwe lidstaten) beloopt van de totale bijdrage aan het programma, gevolgd door vergoedingen van de jaarlijkse regelmatig door de lidstaten gedeclareerde uitgaven en een eenmalige saldobetaling bij de afsluiting van het programma. De periodieke vergoedingen worden „tussentijdse betalingen” genoemd. Elke betaling van de Commissie voor de structuurfondsen heeft betrekking op een bepaald fonds en een bepaald programma.

 

5.7.

Voor de structurele acties geldt „gedeeld beheer”. Dit betekent dat de Commissie de communautaire begroting uitvoert onder haar eigen verantwoordelijkheid, maar het beheer en de controle van de acties deelt met de lidstaten (9). Zodoende zijn de lidstaten in eerste aanleg verantwoordelijk voor het beheer van verrichtingen en de controle van uitgaven en voor het verzekeren van de juistheid en wettigheid van de onderliggende transacties met behulp van de door de nationale controle-instanties geverifieerde systemen. De Commissie tracht zekerheid te verkrijgen met behulp van de certificering van de gedeclareerde uitgaven door de nationale betalingsautoriteit en de verklaring van het onafhankelijke controleorgaan ter afsluiting van het programma, de jaarlijkse controleverslagen van de lidstaten en de op doeltreffendheid en conformiteit van de nationale systemen gerichte controlewerkzaamheden van haar eigen diensten.

 

Beheers- en controlesystemen voor structurele acties: de voornaamste verordeningen en procedures

5.8.

De in de periode 1994-1999 voor beheers- en controlesystemen vereiste basiselementen zijn vastgelegd in het Financieel Reglement (10) en de kaderverordeningen (11). Verordening (EG) nr. 2064/97 van de Commissie, die in werking trad in november 1997, introduceerde een reeks specifieke vereisten voor de beheers- en controleregelingen inzake de uitgaven voor structurele acties in de programmeringsperiode 1994-1999 (12). De hoofdpunten zijn:

a)

de verplichting voor de lidstaten, beheers- en controlesystemen in te voeren die bevredigende zekerheid bieden omtrent de deugdelijkheid van de betalingsaanvragen (uitgavendeclaraties); ze omvatten met name:

i)

een toereikend controlespoor om de bij de Commissie ingediende uitgavendeclaraties te kunnen aansluiten op de boekhouding van de lidstaten, en de toewijzing van communautaire middelen te kunnen verifiëren;

ii)

een minimum aan verificaties (steekproef van ten minste 5 %) bovenop de dagelijkse controles van verrichtingen, teneinde de effectiviteit van de beheers- en controlesystemen, maar ook de naleving van de communautaire voorschriften en de juistheid van de uitgavendeclaraties na te gaan;

iii)

een verklaring van een persoon of organisatie die functioneel onafhankelijk is van de uitvoerende dienst, bij de afsluiting van elk programma door de lidstaten aan de Commissie toe te zenden; deze verklaring moet de conclusies van de verificaties uit de voorgaande jaren samenvatten en een algemene conclusie bevatten inzake de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen bij de laatste uitgavendeclaratie;

b)

de verplichting voor de Commissie, in samenwerking met de lidstaten ervoor te zorgen dat de financiële-controledoelstellingen van Verordening (EG) nr. 2064/97 worden bereikt.

 

5.9.

De nieuwe kaderverordening van de Raad, Verordening (EG) nr. 1260/1999 (13), ten uitvoer gelegd bij de Verordeningen (EG) nr. 438/2001 (14) en (EG) nr. 448/2001 (15) van de Commissie, handhaafde en ontwikkelde deze beginselen voor de periode 2000-2006. Er zijn met name bepalingen aan toegevoegd om de lidstaten te verplichten, beheers- en betalingsautoriteiten een leidraad aan te reiken (16) en te voorzien in een duidelijke omschrijving, toewijzing en scheiding van functies. De lidstaten dienen tevens de eerste verantwoordelijkheid te nemen voor het aanbrengen van eventuele noodzakelijke financiële correcties. Er is een duidelijker onderscheid aangebracht tussen de tijdens de uitvoering van projecten verrichte controles (dagelijkse beheerscontroles) en de steekproefcontroles tot toetsing van de doeltreffendheid van de systemen en de juistheid van de uitgavendeclaraties (de onafhankelijke 5 %-steekproefcontroles) (zie paragraaf 5.11). Voorts is de Commissie uitdrukkelijk ertoe gehouden, zich ervan te vergewissen dat de beheers- en controlesystemen aan de normen uit de regelgeving voldoen, en regelmatig de werking van de systemen te beoordelen. Het wetgevingskader als geheel vormt een stevige basis voor het beheer en de controle van de uitgaven voor structurele acties.

 

5.10.

De voornaamste inherente risico's voor de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven voor structurele acties ontstaan door het door de Commissie en de lidstaten gedeelde beheer, de verscheidenheid aan organen en instanties die een rol spelen in het beheersproces, het grote aantal programma's, die elk enkele duizenden — gedurende een periode van jaren uitgevoerde — projecten kunnen omvatten, en de ruimte voor mogelijke tekortkomingen in de beheers- en controlesystemen. Voorts zijn er aan de subsidiabiliteit van uitgaven een groot aantal voorwaarden verbonden, die niet altijd duidelijk zijn, hetgeen leidt tot het risico van uiteenlopende interpretaties.

5.10.

De Commissie is het ermee eens dat er een inherent risico is aan gedeeld beheer, waarbij bevoegdheden aan de lidstaten worden gedelegeerd en vervolgens binnen de lidstaten taken en functies worden gesubdelegeerd. In de verordeningen betreffende de structuurfondsen wordt dit risico opgevangen doordat de lidstaten verplicht worden efficiënte beheers- en controlesystemen in te stellen en toe te passen. Voorts oefent de Commissie haar bevoegdheden uit om de werking van die systemen te verifiëren en indien nodig betalingen te schorsen en financiële correcties vast te stellen. De mededeling over een stappenplan voor een geïntegreerd internecontrolekader (COM(2005) 252) bevat nog andere maatregelen om het gedeelde beheer te versterken.

Noodgedwongen worden aan de subsidiabiliteit van de verrichtingen en de uitgaven tal van voorwaarden verbonden en de voorschriften van de Commissie bevatten gemeenschappelijke bepalingen op een aantal belangrijke gebieden. De Commissie geeft richtsnoeren over kwesties inzake subsidiabiliteit, zowel in het algemeen als naar aanleiding van gerichte vragen.

5.11.

In kort bestek spelen de Commissie en de lidstaten in de beheers- en controlesystemen voor de periode 2000-2006 de volgende rol:

a)

de beheersautoriteit in de lidstaat ontvangt aanvragen van potentiële begunstigden (17) voor communautaire en nationale cofinanciering voor een project;

b)

de beheersautoriteit in de lidstaat keurt de projecten goed of af;

c)

voor elk goedgekeurd project declareert de begunstigde periodiek de projectuitgaven om aanspraak te maken op de cofinanciering;

d)

de beheersautoriteit verifieert of de projectuitgaven wettig en regelmatig zijn en voor cofinanciering in aanmerking komen („dagelijkse beheerscontroles”);

e)

de betalingsautoriteit vergewist zich ervan dat de uitgaven voldoen aan alle gestelde voorwaarden voordat zij de geconsolideerde declaraties certificeert en aan de Commissie toezendt;

f)

organen (18) in de lidstaat die onafhankelijk zijn van de met uitvoering en betalingsprocedures belaste diensten, verrichten audits van de beheers- en controlesystemen en steekproefcontroles van de uitgavendeclaraties; zij bestrijken daarbij ten minste 5 % van de totale subsidiabele uitgaven van elk programma („onafhankelijke controles”);

g)

bij de afsluiting van elk programma dient een orgaan (eventueel het onder f) genoemde) in de lidstaat, dat onafhankelijk is van de uitvoerende dienst, bij de Commissie een verklaring in waarin een oordeel wordt gegeven over de deugdelijkheid van de aanvraag om saldobetaling, alsmede over de wettigheid en de regelmatigheid van de verrichtingen;

h)

op basis van de door de lidstaten verstrekte systeembeschrijvingen en jaarlijkse controleverslagen, alsmede haar eigen controlewerkzaamheden beoordeelt de Commissie de werking van de beheers- en controlesystemen in de lidstaten teneinde zich ervan te vergewissen dat die aan de normen in de verordeningen voldoen.

 

5.12.

Naast de specifieke vereisten voor de structuurfondsen heeft de Commissie te maken met andere vereisten, die zijn bedoeld ter verbetering van haar algemene controleomgeving. Alle directoraten-generaal moeten voldoen aan een reeks interne-controlenormen.

 

SPECIFIEKE BEOORDELING IN HET KADER VAN DE BETROUWBAARHEIDSVERKLARING

Doel en reikwijdte van de controle

5.13.

De controle moest bijdragen aan de betrouwbaarheidsverklaring van de Rekenkamer over de algemene begroting door middel van een specifieke beoordeling van de structurele acties als geheel. Met dat doel onderzocht de Rekenkamer met name de beheers- en controlesystemen bij de Commissie en in een aantal geselecteerde lidstaten en analyseerde zij in hoeverre de in deze systemen opgenomen interne controles zekerheid bieden over de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen. Op basis van een aselecte steekproef van programma's en projecten uit de vorige (1994-1999) en de huidige (2000-2006) programmeringsperiode verrichtte de Rekenkamer verificaties van de onderliggende verrichtingen (gegevensgerichte controles) als onafhankelijke controle om meer bewijzen te verzamelen inzake de werking van de fondsen. De Rekenkamer onderzocht:

de interne-controleomgeving bij de Commissie (interne-controlenormen);

of voor de in 2004 verrichte betalingen de beheers- en controlesystemen betreffende de programmeringsperiodes 1994-1999 en 2000-2006 overeenkomstig de toepasselijke verordeningen functioneerden;

of programma's uit de programmeringsperiode 1994-1999 overeenkomstig de toepasselijke verordeningen waren afgesloten;

de jaarlijkse activiteitenverslagen en de verklaringen van de directeuren-generaal;

de actie die de Commissie heeft ondernomen naar aanleiding van de eerdere opmerkingen van de Rekenkamer.

 

Controle van de beheers- en controlesystemen

Toepassing van de interne-controlenormen: vooruitgang geboekt, maar verdere inspanningen nodig

Onderzoek door de Rekenkamer

5.14.

Bij deze controle is de werking van de interne controles bij de Commissie onderzocht, in het bijzonder van de essentiële controles betreffende de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven. De controle had betrekking op de toepassing van de interne-controlenormen door de directoraten-generaal belast met structurele acties (zie tevens de paragrafen 1.80 t/m 1.83).

 

5.15.

De Rekenkamer is nagegaan hoe de directoraten-generaal belast met structurele acties toepassing hebben gegeven aan de acht (van de in totaal 24) interne-controlenormen die van bijzonder belang zijn voor de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven (19).

 

Onvolledige toepassing van de interne-controlenormen

5.16.

Bij de directoraten-generaal Regionaal beleid (DG REGIO) en Werkgelegenheid, sociale zaken en gelijke kansen (DG EMPL) was de toepassing van de normen in het algemeen bevredigend. Er zouden echter maatregelen kunnen worden genomen met het oog op een doeltreffender toepassing van norm 11 (Risicoanalyse en -beheer) en met betrekking tot norm 17 (Supervisietaken) zijn er gebreken vastgesteld, zoals hierna uiteengezet.

5.16.

De directoraten-generaal hebben de hieronder beschreven stappen gezet om de efficiëntie van het risicobeheer te verbeteren en zij zijn om de onderstaande redenen van mening dat de toepassing van norm 17 in overeenstemming is met de basisvereisten.

5.17.

De interne-auditeenheden bij beide directoraten-generaal merkten bijvoorbeeld op dat er nog meer moet worden gedaan om het personeel bewust te maken van acties ter vermindering van risico's en ter constatering en melding van tekortkomingen. De Rekenkamer meent dat zowel DG REGIO als DG EMPL onvoldoende controles ter plaatse van projecten heeft verricht om (voor 2000-2006) een gedegen oordeel te kunnen vellen over de werking van de beheers- en controlesystemen. DG EMPL heeft een geautomatiseerd systeem ingevoerd voor de follow-up van aanbevelingen naar aanleiding van zijn controles. De Rekenkamer wijst erop dat de praktische toepassing van dit geautomatiseerde systeem dient te worden verbeterd.

5.17.

Wat norm 11 betreft, heeft het directoraat-generaal Regionaal beleid een actieplan vastgesteld om het middenkader bij te staan bij het opsporen en beperken van de risico’s en om meer bekendheid te geven aan de geldende procedures, vooral die voor het melden en het corrigeren van tekortkomingen bij de interne controle. Begin 2004 is ook een risicobeoordeling gemaakt en een actieplan ten uitvoer gelegd om de bij die beoordeling geconstateerde risico’s te beperken.

Nog betreffende die norm blijkt uit onderzoek van het interneauditteam van het directoraat-generaal Werkgelegenheid, sociale zaken en gelijke kansen dat het personeel, na de genomen maatregelen, steeds meer op de hoogte is van de internecontrolenormen.

In verband met norm 17 is de beoordeling door het directoraat-generaal Regionaal beleid en het directoraat-generaal Werkgelegenheid, sociale zaken en gelijke kansen van de werking van de beheers- en controlesystemen niet uitsluitend gebaseerd op de auditwerkzaamheden ter plaatse van de diensten van de Commissie, maar ook op hun administratieve controles van de systeembeschrijvingen, op de auditactiviteiten van de lidstaten en op de nationale jaarlijkse controleverslagen.

Beide directoraten-generaal verrichten, als onderdeel van hun systeemaudits, administratieve controles van een groot aantal projectdossiers op het niveau van de verantwoordelijke instanties, waarbij ook proceduretests worden uitgevoerd op een steekproef van verrichtingen.

In 2004 heeft het directoraat-generaal Regionaal beleid geen audits verricht op projecten van de periode 2000-2006, maar in de eerste onderzoeksfase systeemevaluaties uitgevoerd. Deze evaluaties worden in een tweede fase, in 2005, aangevuld met projectaudits. Wat het Europees Sociaal Fonds (ESF) betreft, is het directoraat-generaal Werkgelegenheid, sociale zaken en gelijke kansen van oordeel dat zijn auditmethodologie het mogelijk maakt de beschikbare hulpbronnen efficiënt te gebruiken en zich zo een mening te vormen over een zo groot mogelijk aantal systemen waarbij een groot aantal projecten betrokken is (zie ook het antwoord op paragraaf 5.42).

5.18.

Het directoraat-generaal Visserij en maritieme zaken (DG FISH) had ultimo 2004 nog niet volledig voldaan aan de basisvereisten betreffende de toepassing van vijf van de interne-controlenormen (de normen 11, 12, 17, 20 en 22). Het directoraat-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling (DG AGRI) concludeerde in zijn zelfbeoordeling over 2004 dat aan alle normen en basisvereisten was voldaan. Bij onderzoek van acht van deze normen ontdekte de Rekenkamer dat vier hiervan voor verbetering vatbaar waren (zie de paragrafen 4.33 en 4.34).

5.18.

Het directoraat-generaal Visserij en maritieme zaken gaat akkoord met de opmerkingen van de Rekenkamer over de onvolledige inachtneming van de basisvereisten voor vijf internecontrolenormen en heeft al maatregelen genomen om de situatie te verhelpen.

Toepassing van operationele programma's: verbeteringen in de systemen in de huidige periode nodig met het oog op naleving van de verordeningen

Onderzoek door de Rekenkamer

5.19.

In het kader van de specifieke beoordeling van de uitgaven voor structurele acties onderzocht de Rekenkamer de werking van de beheers- en controlesystemen voor de programmeringsperiodes 1994-1999 en 2000-2006 op basis van een aselecte steekproef van 15 programma's van de structuurfondsen en één project van het Cohesiefonds (programma's 1994-1999: 3 EFRO, 2 ESF, 1 EOGFL-Oriëntatie, en 1 Cohesiefonds: programma's 2000-2006: 5 EFRO (met inbegrip van 1 Interreg III A communautair initiatief), 3 ESF en 1 EOGFL-Oriëntatie), waarvoor de Commissie in 2004 betalingen verrichtte (in België, Frankrijk, Duitsland, Griekenland (2), Spanje (3), Italië (3), Portugal, Finland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk (2)). Zoals hiervoor is opgemerkt (paragrafen 5.8 en 5.9) zijn de vereisten in de regelgeving voor de beheers- en controlesystemen voor de programma's 2000-2006 ten opzichte van de periode 1994-1999 verscherpt.

5.19.

De Commissie onderzoekt de bevindingen van de Rekenkamer in deze gevallen, rekening houdend met de antwoorden van de autoriteiten van de betrokken lidstaten en zo nodig met aanvullende informatie. Zodra zij dit onderzoek zal hebben afgerond, zal zij alle nodige maatregelen nemen. De Commissie is van mening dat de perioden 1994/1999 en 2000/2006 met het oog op het trekken van de conclusies van elkaar moeten worden onderscheiden. De vereisten voor de twee perioden verschillen aanzienlijk; zo is de scheiding tussen de beheers- en de betalingsautoriteiten pas in de periode 2000-2006 ingevoerd. In vele gevallen zijn de structuren voor de huidige periode door de lidstaten gewijzigd.

Sommige vereisten uit de regelgeving worden niet in acht genomen

5.20.

De controle van de Rekenkamer bracht bij alle programma's in de steekproef voor beide programmeringsperiodes, 1994-1999 en 2000-2006, aan het licht dat de lidstaten vereisten uit de regelgeving inzake de beheers- en controlesystemen niet in acht hebben genomen. Sinds de voorgaande programmeringsperiode heeft de Commissie diverse maatregelen genomen om voor de uitgaven in 2000-2006 tot doeltreffender beheers- en controlesystemen te komen. Er is echter nog steeds sprake van grote onvolkomenheden, zoals blijkt uit de resultaten van de beoordeling van de geselecteerde programma's 2000-2006 (zie bijlage 1 ). De volgende bevindingen zijn illustratief voor het soort problemen dat de Rekenkamer voor beide periodes constateerde.

5.20.

De Commissie merkt op dat voor sommige aspecten van de beheers- en controlesystemen, en meer bepaald de terugvorderingsprocedures en de onafhankelijkheid van de afsluitingsinstantie, de regelingen over het algemeen toereikend waren. Voorts wijst zij erop dat in het in paragraaf 5.37 vermelde verslag positieve conclusies zijn getrokken over het controlespoor en de onafhankelijke controles.

Onduidelijke omschrijving, toewijzing en scheiding van functies

5.21.

Bij vier van de 16 gecontroleerde programma's constateerde de Rekenkamer problemen betreffende de omschrijving, toewijzing en scheiding van functies. In twee gevallen werden de controles die ten grondslag lagen aan de certificering van de uitgaven door de betalingsautoriteit verricht door een afdeling die niet onafhankelijk was van de ordonnateursdienst (20). Bij een ander programma bracht de eenheid die belast was met de 5 %-steekproefcontroles verslag uit aan het afdelingshoofd dat tevens verantwoordelijk was voor het beheer en de betaling van steun (21). In weer een ander programma was hetzelfde afdelingshoofd verantwoordelijk voor het beheers- en het betalingsteam (22). Zonder toezicht op een behoorlijke tenuitvoerlegging van deze basiselementen van beheer en controle neemt het risico toe dat er uitgaven gedeclareerd en gecertificeerd worden, die niet wettig en regelmatig zijn.

5.21.

De Commissie wijst erop dat twee programma’s betrekking hadden op de periode 1994/1999 en twee op de periode 2000/2006. Zij is van mening dat de structuur van het programma voor West-Schotland voor 1997-1999 voldeed aan de minimumvereisten die voor de periode 1994/1999 waren vastgesteld.

Voor Puglia (voetnoot 18) heeft het directoraat-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling tijdens zijn controlebezoek in maart 2004 soortgelijke problemen inzake de scheiding van de functies aangetroffen. In het jaarlijkse activiteitenverslag over 2004 van dit directoraat-generaal werd voorbehoud gemaakt voor de uitgaven in Puglia en deze kwestie wordt samen met de Italiaanse autoriteiten onderzocht op basis van aan de Commissie meegedeelde gegevens.

Geen toereikend controlespoor uitgezet

5.22.

De Rekenkamer heeft bij zeven programma's problemen met het controlespoor vastgesteld. In één programma was het controlespoor bij drie van de tien onderzochte projecten gebrekkig (23) en in een ander bij drie van de acht gecontroleerde projecten (24). In één geval werd er bij twee projecten een onderbreking in het controlespoor ontdekt; voor hetzelfde programma werden er — de vereisten uit de verordening ten spijt — geen uitgavenstaten bijgehouden (25). In een ander geval stelde de Rekenkamer bij twee onderzochte programma-acties een gebrek aan aansluiting vast tussen betalingen door de beheersautoriteit en de uitgaven voor projecten (26). Bij drie projecten in één programma werden, in strijd met het voorschrift in de regelgeving, facturen en betalingsbewijzen niet bewaard en kon bewijs van de uitgaven uitsluitend worden verkregen door middel van het interne boekhoudsysteem van de begunstigde zelf (22). Bij één programma constateerde de Rekenkamer in de meeste gecontroleerde projecten problemen met betrekking tot het controlespoor (27). Bij een ander programma sloten het aan de Commissie opgegeven gecertificeerde bedrag en het totaal in de boekhouding van het programma niet aan (28). Zonder een toereikend controlespoor ontbreekt een duidelijke basis voor het certificeren van uitgaven door de lidstaat.

5.22.

De Commissie wijst erop dat vier gevallen betrekking hebben op de periode 1994/1999 en drie op de periode 2000/2006.

Voor het Belgische programma voor 2000/2006 (1999BE053DO002) heeft de beheersautoriteit sinds de audit van de Rekenkamer de aan de Commissie gedeclareerde uitgaven gereconstrueerd voor één van de drie betrokken dossiers. De twee andere projecten worden onderzocht. Wat het Finse programma voor 1994/1999 (956001FI8) betreft, is het systeem ontoereikend geacht na een speciale audit van de sociale uitkeringen die de Commissie in november 2002 heeft verricht. Daarop is Finland begonnen zijn systeem voor de huidige periode te wijzigen. De diensten van de Commissie hebben toezicht gehouden op de vorderingen en sindsdien is de situatie verbeterd.

Inzake het Spaanse programma voor 1994/1999 (940112ES1) heeft de te lage aangifte van de lidstaat geen enkele negatieve financiële impact gehad op de begroting van de Gemeenschap.

Geen toereikende controles verricht

5.23.

In negen gevallen uit de steekproef van de Rekenkamer is geconstateerd dat de dagelijkse beheerscontroles van de verrichtingen niet functioneerden of tekortkomingen vertoonden. De steekproef van de Rekenkamer bevatte twee gevallen waarin deze controle niet functioneerde en er geen bewijs voorhanden was van dagelijkse beheerscontroles (29). In deze gevallen ontdekte de Rekenkamer bij een controle van afzonderlijke projecten een aantal fouten. In een ander geval hadden de beheersautoriteiten bij hun controles ter plaatse de feitelijke tenuitvoerlegging van de gefinancierde activiteiten niet geverifieerd (24). In dit geval was er geen bewijs dat de gecofinancierde diensten waren geleverd. Uit deze bevindingen blijkt hoe belangrijk het is, controles te verrichten op het terrein van de begunstigden, en zich niet uitsluitend op gecentraliseerde controles op stukken te baseren.

5.23.

De Commissie wijst erop dat twee gevallen betrekking hebben op de periode 1994/1999 en zeven op de periode 2000/2006. Wat het Griekse programma betreft, is de Commissie nu, na haar onderzoek van het beheers- en controlesysteem in Griekenland, tevreden dat de genomen maatregelen op adequate wijze garanderen dat procedures voor beheerscontroles worden ingesteld die aan de verordeningen voldoen.

In verband met het Zweedse programma voor 2000/2006 (1999SE161DO002) zal de Commissie zich ervan vergewissen dat de verbeteringen ook betrekking hebben op de verificatie van de werkelijke uitvoering van de verrichtingen.

5.24.

In zes gevallen werden tekortkomingen in dagelijkse beheerscontroles geconstateerd. In één geval waren er onvoldoende dagelijkse controles verricht (22). In drie andere gevallen was de controle qua inhoud en diepgang ontoereikend en werden subsidiabiliteitsaspecten van de uitgaven niet naar behoren bestreken (30). In een van deze gevallen, een afgesloten programma waarvoor de laatste uitgaven waren gecertificeerd, werd een aantal fouten ontdekt (21). In twee andere gevallen vond geen controle plaats van activiteiten die door derden waren uitgevoerd; de Rekenkamer trof geen bewijs aan dat deze uitgaven subsidiabel waren (31).

5.24.

Wat het Belgische programma voor 2000/2006 (1999BE053DO002) betreft zal de Commissie zich ervan vergewissen dat de begunstigde wel degelijk, op basis van zijn analytische boekhouding, alle details over de werkelijke, in de interne facturatie vermelde kosten aan de beheersautoriteit heeft voorgelegd. De beheersautoriteit heeft namelijk de subsidiabiliteit en de rechtmatigheid van die uitgaven geverifieerd.

5.25.

Voor de gecontroleerde programma's 2000-2006 werd voldoende vooruitgang geboekt bij de 5 %-controles, behalve in één geval waarin de controles qua dekking een achterstand vertoonden (24). De Rekenkamer constateerde echter in elf programma's uit haar steekproef ook tekortkomingen in de onafhankelijke controles. In zeven gevallen was de steekproef gebaseerd op een onvolledige of onduidelijke risicoanalyse en hadden de controles niet altijd betrekking op alle subsidiabiliteitsaspecten (32). In een ander geval ontbraken controledocumenten op basis waarvan de controleurs van de Rekenkamer de toepassing van de steekproefmethodologie en de verrichte controlewerkzaamheden konden verifiëren (33). Vertragingen bij het melden van de controleresultaten werden in twee gevallen waargenomen (34). Bij één programma bestreken de controles de hele programmeringsperiode in onvoldoende mate en werd bij de steekproefneming geen rekening gehouden met risicoanalyse (35).

5.25.

De Commissie wijst erop dat zes van de elf gevallen betrekking hebben op de periode 1994/1999 en vijf op de periode 2000/2006.

Voordat de Commissie de saldobetaling voor het programma Industria e Servizi voor 1994-1999 heeft verricht, heeft zij, nadat zij had opgemerkt dat voor projecten met een waarde van minder dan 3 miljard LIT geen audits waren uitgevoerd, om audits van die projecten verzocht en bij de saldobetaling heeft zij voor alle projecten van die categorie financiële correcties toegepast op basis van het gemeten gemiddelde foutenpercentage.

5.26.

Controles van de betalingsautoriteit vóór de certificering van uitgavenstaten bleken in zeven gevallen niet te functioneren of tekortkomingen te bevatten. In één geval certificeerde de betalingsautoriteit uitgaven uitsluitend op basis van de door de beheersautoriteit uitgevoerde controles, zonder aanvullende verificaties te verrichten (23). In twee andere gevallen had de betalingsautoriteit geen overzicht over de dagelijkse beheerscontroles waaraan het betrokken programma was onderworpen (36). In een ander geval werden uitgaven gecertificeerd zonder dat de betalingsautoriteit beheerscontroles en systeemcontroles had verricht (37). Voor één programma beschikte de met de uitvoering van controles belaste eenheid binnen de betalingsautoriteit niet over formeel omschreven werkprocedures en waren er onvoldoende controles verricht (38). Bij weer een ander programma was de dekking van de door de verklarende instantie verrichte controles niet gespecificeerd en bevatten de checklists niet alle subsidiabiliteitsaspecten (39). In een ander geval was er geen bewijs dat er enige controle was verricht (25).

5.26.

Wat het Griekse Interreg-programma betreft is dit probleem nu verholpen door de maatregelen waarnaar in het antwoord op paragraaf 5.23 is verwezen. De betalingsautoriteit verlangt nu gegevens over de beheerscontroles en de onafhankelijke audits van de projecten voordat zij de uitgaven voor de projecten certificeert.

In verband met het Italiaanse programma voor 2000/2006 (1999IT161PO011) worden voortaan kwartaalverslagen over deze controles aan de betalingsautoriteit voorgelegd.

5.27.

Indien er op de verschillende niveaus geen toereikende controles worden verricht, neemt het risico toe dat er bij de Commissie uitgaven worden gedeclareerd die niet wettig en regelmatig zijn.

5.27.

Met het oog op de afsluitende verklaring beoordeelt de onafhankelijke instantie bij het afsluiten van de programma’s of de controles toereikend zijn. De Commissie heeft ook maatregelen genomen om dit risico te ondervangen in de procedures voor de afsluiting van de programma’s voor 1994/1999.

Afsluiting van de programma's 1994-1999: vertragingen en systeemgebreken bij de naleving van de verordeningen

Onderzoek door de Rekenkamer

5.28.

De Rekenkamer heeft de handelwijze van de Commissie bij de afsluiting van de programma's van de programmeringsperiode 1994-1999 onderzocht. Het onderzoek is verricht bij de Commissie en omvatte de zes programma's van de structuurfondsen en één project van het Cohesiefonds uit de steekproef van de Rekenkamer (zie paragraaf 5.19), alsmede een aanvullende steekproef van 23 afgesloten programma's (40). Op basis van een steekproef van controleverslagen van alle met structurele acties belaste directoraten-generaal heeft de Rekenkamer tevens de door de Commissie verrichte controlewerkzaamheden onderzocht. Een steekproef van nog niet-afgesloten programma's is onderzocht om de redenen voor de vertraging vast te stellen.

 

Tekortkomingen en vertragingen bij de afsluiting van programma's

5.29.

Bij haar onderzoek van de handelwijze van de Commissie in 2004 bij de saldobetalingen voor de programma's 1994-1999 constateerde de Rekenkamer dat DG REGIO en DG EMPL programma's hadden afgesloten, hoewel de door de lidstaten verstrekte afsluitende verklaringen geen gedetailleerde informatie bevatten over de toegepaste methodologie (41). Het gaat met name om het gebruik van de risicoanalyse en de representativiteit van steekproeven voor het minimum van de 5 %-controles die de autoriteiten van de lidstaten verrichten voordat zij de definitieve uitgaven voor de programma's certificeren.

5.29.

De Commissie is van mening dat de afsluitingsprocedure over het algemeen naar behoren is uitgevoerd, ondanks bepaalde vertragingen. Het onderzoek van de op grond van artikel 8 gegeven verklaringen was maar een onderdeel van de strategie van de Commissie voor de afsluiting van de programma’s voor 1994-1999. Vóór de afsluitingsprocedure had de Commissie in alle lidstaten systeemaudits verricht. Zij heeft ook algemene richtsnoeren gegeven over deze vereisten en over de afsluitingsprocedure.

Wat het programma voor Lotharingen voor 1997-1999 betreft, had de lidstaat bijna 20 % van de uitgaven gecontroleerd. Bij het programma voor Zuid-Limburg werden 24 van de 100 projecten door de nationale auditinstantie gecontroleerd in een eerste systeemevaluatie en 12 % van de uitgaven werd aan grondige controles onderworpen. In beide gevallen was het directoraat-generaal Regionaal beleid verheugd dat het een gegronde basis voor de afsluiting had.

Gelet op de gegevens waarover het directoraat-generaal Werkgelegenheid, sociale zaken en gelijke kansen beschikte (met name afkomstig van de grondige, met behulp van checklists gemaakte analyse van de afsluitingsdocumenten, en van de resultaten van de audit van de Commissie) is het van mening dat het over voldoende elementen beschikte om de betrokken programma's af te sluiten.

5.30.

De Rekenkamer merkte vorig jaar op dat de wisselende kwaliteit van de door de lidstaten ingediende afsluitende documentatie bijdroeg tot de trage voortgang bij de afsluiting van de programma's 1994-1999 (42). Ook in 2004 deden zich vertragingen voor, deels doordat de lidstaten traag reageerden op informatieverzoeken van de Commissie (in het bijzonder over de afronding van voldoende onafhankelijke controles van de beheers- en controlesystemen en uitgavendeclaraties), maar ook omdat de Commissie in een aantal gevallen verzuimde, tijdig actie te ondernemen (43).

5.30.

Zoals reeds gezegd in haar antwoord op de paragrafen 5.37 en 5.67 van het verslag van de Rekenkamer over 2003, heeft de Commissie de documentatie in verband met de afsluiting grondig gecontroleerd, het OLAF geraadpleegd om zich ervan te vergewissen dat alle gevallen van onregelmatigheid waren opgelost, en zo nodig om nadere gegevens of verdere auditwerkzaamheden verzocht. In sommige gevallen heeft dit de afsluiting onvermijdelijk vertraagd, vooral wanneer de lidstaten de afsluitingsvoorstellen van de Commissie waarmee financiële correcties gemoeid waren, betwistten.

Voor het directoraat-generaal Werkgelegenheid, sociale zaken en gelijke kansen hebben vier van de aangehaalde gevallen betrekking op afgesloten programma’s waarvoor de vertraging te wijten is aan vereisten in verband met de adequate behandeling van de onregelmatigheden.

Wat betreft de sluiting van de vijf FIOV-programma’s waarnaar de Rekenkamer in voetnoot 48 verwijst, is één programma reeds afgesloten, zal voor twee programma’s binnenkort het afsluitingsvoorstel aan de betrokken lidstaten worden toegestuurd en is voor de overige twee programma’s de afsluitingsprocedure lopende.

Bij de genoemde EFRO-gevallen ging het om complexe kwesties waarvoor met de nationale autoriteiten van gedachten moest worden gewisseld en die op de lange baan werden geschoven wegens de omvang van het totale werkvolume tijdens de afsluitingsprocedure.

5.31.

Tabel 5.1 bevat informatie over de afgesloten programma's voor elk van de structuurfondsen per 31 december 2004 en 31 maart 2005. Hieruit blijkt dat DG AGRI in 2004 137 programma's heeft afgesloten, zodat ultimo 2004 nog 158 van zijn 388 programma's open stonden. DG FISH sloot drie programma's af, waardoor er nog 41 van de 52 open staan. In 2004 sloot DG EMPL 335 programma's af (op een totaal van 786), voor 264 moet dit nog gebeuren. DG REGIO sloot in dat jaar 317 programma's af (op een totaal van 944); 333 programma's staan nog open (44).

5.31.

De tabellen geven de programma’s weer die volledig zijn afgesloten, in die zin dat zowel de saldobetaling als de eindannulering is gemaakt. Bij de als betalingen opgegeven bedragen gaat het alleen om betalingen die voor volledig afgesloten programma’s zijn verricht, en niet om die voor programma’s waarvoor de eindannulering nog niet is gemaakt. Als een lidstaat de door de Commissie vastgestelde verschuldigde saldobetaling betwist, kan de Commissie de eindannulering niet maken totdat dit geregeld is, wat in sommige gevallen betekent dat moet worden gewacht tot het einde van de formele procedure op grond van artikel 24 van Verordening (EEG) nr. 4253/88. Het totale bedrag aan niet-afgewikkelde verplichtingen voor de periode 1994-1999 — het nettobedrag aan betalingen voor nog openstaande programma’s, die niet in tabel 5.1 zijn opgenomen — is in 2004 met twee derden verminderd en bedroeg aan het einde van het jaar 3,3 miljard euro, of ongeveer 5 % van het oorspronkelijk in het budget opgenomen bedrag (zie de paragrafen 2.16 en 2.20 van het verslag over 2004).

Tabel 5.1a — Structurele acties: Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling: programma's 1994-1999, afgesloten per 31 december 2004 en 31 maart 2005

Begrotingsterrein (45)

Totaal

Afgesloten vóór 2004

Afgesloten per 31 december 2004

Afgesloten per 31 maart 2005

Aantal programma's

Geplande communautaire bijdrage (euro)

Aantal programma's

In totaal betaalde communautaire bijdrage (euro)

Aantal programma's

In totaal betaalde communautaire bijdrage (euro)

Aantal programma's

In totaal betaalde communautaire bijdrage (euro)

Doelstelling 1

181

57 571 255 951

44

12 221 092 714

94

37 550 653 114

103

40 455 135 472

Doelstelling 2 94-96

84

5 165 903 927

70

3 504 374 582

79

4 194 775 934

82

4 581 143 406

Doelstelling 2 97-99

73

7 157 716 211

13

841 930 911

48

3 132 569 307

51

3 410 651 545

Doelstelling 3

0

0

0

0

0

0

0

0

Doelstelling 4

0

0

0

0

0

0

0

0

Doelstelling 5 a)

0

0

0

0

0

0

0

0

Doelstelling 5 b)

84

3 302 548 791

25

1 050 903 786

62

2 458 401 459

68

2 787 738 557

Doelstelling 6

2

355 453 472

1

149 180 357

2

333 854 319

2

333 854 319

Communautaire initiatieven

520

9 223 064 769

141

1 177 790 541

326

3 916 629 881

355

4 187 134 731

Totaal

944

82 775 943 121

294

18 945 272 891

611

51 586 884 014

661

55 755 658 030

Bron: Tabel opgesteld door de Rekenkamer op basis van door de Commissie verstrekte gegevens.

Tabel 5.1b — Structurele acties: Europees Sociaal Fonds: programma's 1994-1999, afgesloten per 31 december 2004 en 31 maart 2005

Begrotingsterrein (46)

Totaal

Afgesloten vóór 2004

Afgesloten per 31 december 2004

Afgesloten per 31 maart 2005

Aantal programma's

Geplande communautaire bijdrage (euro)

Aantal programma's

In totaal betaalde communautaire bijdrage (euro)

Aantal programma's

In totaal betaalde communautaire bijdrage (euro)

Aantal programma's

In totaal betaalde communautaire bijdrage (euro)

Doelstelling 1

102

22 806 888 948

20

4 263 436 869

59

9 800 246 487

59

9 800 246 487

Doelstelling 2 94-96

82

1 597 251 132

70

1 225 350 076

79

1 341 684 839

80

1 359 322 253

Doelstelling 2 97-99

72

2 112 708 834

10

109 292 853

43

732 343 850

45

785 221 571

Doelstelling 3

56

13 221 222 835

10

802 312 390

30

6 568 750 561

34

7 079 666 326

Doelstelling 4

16

2 614 128 525

3

121 340 718

11

1 324 982 251

11

1 324 982 251

Doelstelling 5 a)

0

0

0

0

0

0

0

0

Doelstelling 5 b)

83

1 057 483 760

5

51 049 826

54

489 410 848

58

530 457 498

Doelstelling 6

2

177 902 801

1

104 798 749

2

161 300 249

2

161 300 249

Communautaire initiatieven

373

4 664 895 421

68

568 697 469

244

1 497 206 934

252

1 510 102 428

Totaal

786

48 252 482 256

187

7 246 278 950

522

21 915 926 019

541

22 551 299 063

Bron: Tabel opgesteld door de Rekenkamer op basis van door de Commissie verstrekte gegevens.

Tabel 5.1c — Structurele acties: Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, afdeling Oriëntatie: programma's 1994-1999, afgesloten per 31 december 2004 en 31 maart 2005

Begrotingsterrein (47)

Totaal

Afgesloten vóór 2004

Afgesloten per 31 december 2004

Afgesloten per 31 maart 2005

Aantal programma's

Geplande communautaire bijdrage (euro)

Aantal programma's

In totaal betaalde communautaire bijdrage (euro)

Aantal programma's

In totaal betaalde communautaire bijdrage (euro)

Aantal programma's

In totaal betaalde communautaire bijdrage (euro)

Doelstelling 1

69

14 301 716 000

4

565 075 313

34

4 721 652 121

34

4 721 652 121

Doelstelling 2 94-96

0

0

0

0

0

0

0

0

Doelstelling 2 97-99

0

0

0

0

0

0

0

0

Doelstelling 3

0

0

0

0

0

0

0

0

Doelstelling 4

0

0

0

0

0

0

0

0

Doelstelling 5 a)

66

5 544 906 000

30

421 287 186

43

1 728 707 188

43

1 728 707 188

Doelstelling 5 b)

84

3 163 701 000

21

693 559 284

46

1 772 582 355

48

1 790 545 748

Doelstelling 6

2

288 794 000

0

0

1

211 137 456

1

211 137 456

Communautaire initiatieven

167

1 156 618 000

38

132 882 889

106

534 783 853

106

534 783 853

Totaal

388

24 455 735 000

93

1 812 804 672

230

8 968 862 973

232

8 986 826 366

Bron: Tabel opgesteld door de Rekenkamer op basis van door de Commissie verstrekte gegevens.

Tabel 5.1d — Structurele acties: programma's 1994-1999, afgesloten per 31 december 2004 en 31 maart 2005 — FIOV

Begrotingsterrein (48)

Totaal

Afgesloten vóór 2004

Afgesloten per 31 december 2004

Afgesloten per 31 maart 2005

Aantal programma's

Geplande communautaire bijdrage (euro)

Aantal programma's

In totaal betaalde communautaire bijdrage (euro)

Aantal programma's

In totaal betaalde communautaire bijdrage (euro)

Aantal programma's

In totaal betaalde communautaire bijdrage (euro)

Doelstelling 1

18

1 797 039 031

1

32 744

3

127 659 610

5

199 177 066

Doelstelling 2 94-96

0

0

0

0

0

0

0

0

Doelstelling 2 97-99

0

0

0

0

0

0

0

0

Doelstelling 3

0

0

0

0

0

0

0

0

Doelstelling 4

0

0

0

0

0

0

0

0

Doelstelling 5 a)

12

850 431 000

2

23 715 837

2

23 715 837

3

46 725 040

Doelstelling 5 b)

0

0

0

0

0

0

0

0

Doelstelling 6

2

8 260 000

1

3 523 447

1

3 523 447

1

3 523 447

Communautaire initiatieven

20

127 103 242

4

2 245 131

5

14 058 058

8

15 527 939

Totaal

52

2 782 833 273

8

29 517 159

11

168 956 952

17

264 953 492

Bron: Tabel opgesteld door de Rekenkamer op basis van door de Commissie verstrekte gegevens.

Het programma van afsluitende controles van de Commissie

5.32.

De Rekenkamer stelde vast dat de Commissie er erg lang over deed (in sommige gevallen meer dan acht maanden) om de controleresultaten aan de lidstaten te rapporteren (49). Door dergelijke vertragingen loopt de tijd op die de Commissie nodig heeft om noodzakelijke voorstellen voor passende financiële correcties te doen en vervolgens onregelmatige uitgaven terug te vorderen.

5.32.

De diensten van de Commissie streven ernaar binnen een redelijke termijn de auditverslagen aan de lidstaten toe te sturen. Alle door de Rekenkamer genoemde EFRO-gevallen hebben betrekking op afsluitingsaudits waarvoor niet alle documentatie ter plaatse beschikbaar was, zodat die pas enkele weken na het bezoek ter plaatse kon worden overgelegd. In sommige FIOV-gevallen was de termijn die nodig was om de auditresultaten mee te delen, het gevolg van lange besprekingen met de nationale autoriteiten voordat het auditverslag kon worden bekendgemaakt.

5.33.

DG EMPL heeft afsluitende procedures in vier lidstaten aan een beperkt onderzoek onderworpen. In één geval (50) sloot DG EMPL het programma af met een minimale financiële correctie, hoewel de nationale controle-instantie ernstige tekortkomingen had ontdekt.

5.33.

In de auditstrategie van het directoraat-generaal Werkgelegenheid, sociale zaken en gelijke kansen voor 2004 is, gelet op de voor audits ter beschikking zijnde hulpbronnen, prioriteit gegeven aan de programma’s voor de periode 2000-2006, aangezien die audits een preventief effect hebben.

Vanaf 2005 worden afsluitingsaudits verricht voor de resterende lidstaten.

In verband met het genoemde Belgische geval is het directoraat-generaal Werkgelegenheid, sociale zaken en gelijke kansen van mening dat de forfaitaire correctie die de lidstaat heeft toegepast, voldoende was voor de problemen die zijn geconstateerd in de jaren waarvoor de onafhankelijke instantie van de lidstaat een audit heeft verricht.

5.34.

Aan het eind van 2004 had DG REGIO in alle lidstaten van de EU 15 controles achteraf verricht van 56 programma's, samen goed voor 35 % van de EFRO-bijdrage. In negen lidstaten werden belangrijke foutenpercentages in programma's geconstateerd. De Rekenkamer acht de kwaliteit van deze controles bevredigend.

 

Resultaten van gegevensgerichte controles van projecten

Onderzoek door de Rekenkamer

5.35.

Om aanvullend bewijs over de werking van de fondsen te verkrijgen heeft de Rekenkamer in de lidstaten 167 projecten van de voor controle geselecteerde programma's (zie paragraaf 5.19) aan gegevensgerichte controles onderworpen.

 

Diverse problemen ontdekt door de Rekenkamer

5.36.

De hierboven geschetste gebreken in de beheers- en controlesystemen (paragrafen 5.20 t/m 5.27) leiden tot een verhoogd risico wat betreft de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende uitgaven. De problemen die de Rekenkamer bij haar controles van projecten heeft geconstateerd, zijn zeer divers. Het meest komen onder meer de volgende gevallen voor: declaratie van niet in aanmerking komende uitgavenposten (51), dubbele declaratie van uitgaven (52), niet-inachtneming van voorschriften inzake staatssteunregelingen (53) en gunning van overheidsopdrachten (54), ontoereikende bewijsstukken voorhanden op de projecten (55), en toewijzing van vaste kosten aan projecten zonder toepassing van een behoorlijk gemotiveerde en billijke methode (56).

5.36.

De Commissie onderzoekt de bevindingen van de Rekenkamer in deze gevallen, rekening houdend met de antwoorden van de lidstaten. In vele gevallen kan zij nog geen standpunt innemen en zal zij haar analyse voltooien en indien nodig aanvullende informatie inwinnen. Zij zal de nodige maatregelen nemen en onder meer correcties toepassen in de gevallen die financiële consequenties hebben.

Werk van andere controleurs

5.37.

In december 2004 bracht een werkgroep over de structuurfondsen van het Contactcomité van de Presidenten van de hoge controle-instanties van de EU-lidstaten en de Europese Rekenkamer een verslag uit over de parallelle controle van de beheers- en controlesystemen voor uit de structuurfondsen toegekende bijstand (57). De resultaten waren bedoeld voor gebruik door de lidstaten bij de ontwikkeling van hun eigen beheers- en controlesystemen. De werkgroep, met leden uit negen lidstaten (58), verrichtte in 2003-2004 parallelle controles om te onderzoeken hoe in hun landen twee specifieke vereisten uit de regelgeving (59) inzake de beheers- en controlesystemen voor de programmeringsperiode 2000-2006 werden toegepast. Het ging om het uitzetten van een toereikend controlespoor (artikel 7) en het uitvoeren van onafhankelijke steekproefcontroles van verrichtingen (artikelen 10 t/m 12).

 

5.38.

De voornaamste conclusies van de werkgroep waren onder meer:

5.38.

 

in de meeste landen is er een toereikend controlespoor zoals omschreven in de verordening. Hoewel bij onderzoek van afzonderlijke projecten een aantal gebreken werd vastgesteld, ging het doorgaans niet om stelselmatige gebreken maar om afzonderlijke fouten bij projecten. De belangrijkste geconstateerde tekortkomingen waren het ontbreken van een volledige documentatie van uitgevoerde onderzoeken en het ontbreken van een omschrijving van het verschil tussen onregelmatigheden en eenvoudige fouten;

Verordening (EG) nr. 1681/94 met betrekking tot het melden van onregelmatigheden is gewijzigd om het begrip „onregelmatigheid” duidelijk te definiëren.

in de meeste landen voldeden de uitvoering en verslaglegging van de onafhankelijke steekproefcontroles aan de verordening. Waar dit niet het geval was, verklaarde de werkgroep dat de betrokken autoriteiten passende maatregelen hadden genomen om ervoor te zorgen dat de vereiste controles aan het eind van de programmeringsperiode zijn verricht. De onafhankelijkheid van de organisaties die de controles uitvoerden was in alle onderzochte programma's gewaarborgd. De uitvoering van de controles verliep echter betrekkelijk traag;

De Commissie is het eens met de beoordeling, die door haar eigen auditwerkzaamheden wordt gestaafd.

de relevante voorschriften zijn dubbelzinnig en daardoor vatbaar voor tegengestelde interpretaties. Voorts heeft de werkgroep haar zorg uitgesproken over de toegenomen bureaucratie bij de tenuitvoerlegging van de bepalingen voor de programmeringsperiode 2000-2006, die heeft geleid tot meer personele en andere kosten.

De Commissie beantwoordt vragen van de lidstaten over de interpretatie van de regelgeving en geeft richtsnoeren. In de richtsnoerennota’s die binnenkort zullen verschijnen, komen onder meer de afsluiting van de programma’s voor 2000-2006 en de certificeringsfunctie aan bod. De concrete toepassing van het controlekader in de periode 2000-2006 is een zaak van de lidstaten. De strengere voorschriften kunnen tot een behoefte aan extra personeelsleden en tot andere kosten leiden, maar dit alles zou in verhouding moeten staan tot de voordelen die een beter algemeen beheer en een betere algemene controle opleveren. Een gedeelte van deze kosten kan uit de middelen voor technische bijstand worden gefinancierd.

Jaarlijkse activiteitenverslagen en verklaringen van de directeuren-generaal: betere informatie maar inadequate punten van voorbehoud

5.39.

De Rekenkamer onderzocht de informatie die de met structurele acties belaste directeuren-generaal aanboden in hun jaarlijkse activiteitenverslagen en desbetreffende verklaringen voor 2004. De Commissie erkent opnieuw het risico dat de beheers- en controlesystemen in de lidstaten niet strikt genoeg worden toegepast om te garanderen dat de onderliggende verrichtingen voor de programmeringsperiode 2000-2006 wettig en regelmatig zijn.

 

5.40.

De directeur-generaal van DG REGIO verklaart redelijke zekerheid te hebben omtrent de wettigheid en regelmatigheid van uitgaven. Hij bevestigt de twee punten van voorbehoud in 2003 ten aanzien van de beheers- en controlesystemen in Griekenland, voor respectievelijk het EFRO en het Cohesiefonds. Voor het EFRO in Griekenland is in december 2004 de procedure gestart die leidt tot het staken van tussentijdse betalingen.

 

5.41.

Een verbetering ten opzichte van vorig jaar is, dat de punten van voorbehoud van DG REGIO zijn gekwantificeerd, in het bijzonder wat betreft de betalingen in 2004. De punten van voorbehoud zijn gebaseerd op documentaire controles van de bij de Commissie ingediende systeembeschrijvingen en op audits in de lidstaten. Er zij op gewezen dat DG REGIO in 2004 slechts acht systeemcontroles van programma's uit de periode 2000-2006 heeft verricht (in plaats van de geplande 15), met beperkte gegevensgerichte controles bij de projecten.

5.41.

Sommige audits die het directoraat-generaal Regionaal beleid voor de programma’s voor 2000/2006 had gepland, moesten worden overgeheveld naar 2005 omdat het directoraat aan het einde van het jaar met een specifiek personeelsgebrek te kampen had en alle hulpbronnen moesten worden ingezet voor de voltooiing van de afsluitingsaudits van de programma’s voor 1994-1999. In het kader van de systeemaudit voor 2000-2006 zal in de tweede, in 2005 beginnende auditfase een grondige toetsing plaatsvinden via audits ter plaatse op een steekproef van projecten. De zekerheid die de directeur-generaal in een bepaald jaar geeft, is niet alleen gebaseerd op de auditwerkzaamheden die in de loop van het betrokken jaar zijn uitgevoerd, maar ook op de zekerheid die de voorgaande jaren via de auditwerkzaamheden in het kader van de auditstrategie van het directoraat-generaal is verkregen en op de zekerheid die kan worden geput uit de auditwerkzaamheden van de lidstaten.

5.42.

De eind 2004 door DG EMPL in de lidstaten verrichte audits bestrijken 70 % van de totale ESF-bijdrage aan de programma's (EU-15, periode 2000-2006). Het DG had echter onvoldoende projectcontroles verricht ter onderbouwing van de conclusies over de werking van de beheers- en controlesystemen. De verklaring van de directeur-generaal bevat een voorbehoud voor de beheers- en controlesystemen waarin ernstige gebreken werden vastgesteld. Deze vaststelling in de verklaring vormt een verbetering ten opzichte van vorig jaar, al is zij niet gekwantificeerd.

5.42.

Bij de systeemaudits van het directoraat-generaal Werkgelegenheid, sociale zaken en gelijke kansen wordt ook systematisch een groot aantal projectdossiers geverifieerd op het niveau van de verantwoordelijke instanties. Deze toetsing maakt het mogelijk zich een precies beeld te vormen van de wijze waarop de beschikkingen tot goedkeuring van de projecten worden gegeven en van de wijze waarop de uitgavendeclaraties worden geanalyseerd en gecontroleerd. De door dit directoraat-generaal gevolgde auditmethodologie beoogt een efficiënt gebruik van de beschikbare hulpbronnen en stelt het in staat een mening te vormen over een zo groot mogelijk aantal systemen waarbij een groot aantal projecten betrokken is.

Dat de auditwerkzaamheden van het directoraat-generaal Werkgelegenheid, sociale zaken en gelijke kansen gegrond zijn, blijkt uit het feit dat de lidstaten de gevraagde verbeteringen in de systemen hebben aangebracht en dat aanzienlijke financiële correcties zijn toegepast (door de lidstaten zelf of waar nodig door de Commissie); hierdoor kon de betrouwbaarheidsgraad worden verhoogd. Zo zijn, zonder rekening te houden met de nog lopende procedures, voor de periode 2000-2006 correcties toegepast voor een bedrag van 266 miljoen EUR.

Het directoraat-generaal Werkgelegenheid, sociale zaken en gelijke kansen heeft er in zijn jaarlijkse verklaring op gewezen dat de financiële gevolgen van de punten van voorbehoud ten aanzien van de tekortkomingen in de systemen van de lidstaten, moeilijk kunnen worden gekwantificeerd. Toch is dit directoraat-generaal, uitgaande van de richtsnoeren van de Commissie (C(2001) 476), van mening dat de tekortkomingen die bij zijn systeemaudits zijn geconstateerd, een potentieel risico inhouden van ten hoogste 261 miljoen EUR, d.i. 3,4 % van de in 2004 voor het ESF verrichte betalingen. Formele besluiten tot schorsing van de betalingen en/of tot het toepassen van financiële correcties zullen kunnen worden genomen na afloop van de procedures op tegenspraak die met de lidstaten zullen worden gevoerd. In tal van gevallen heeft de lidstaat zijn systemen verbeterd en/of zelf de nodige financiële correcties toegepast. De systeemtekortkomingen die het directoraat-generaal Werkgelegenheid, sociale zaken en gelijke kansen heeft opgespoord en de stand van de uitvoering van de correctiemaatregelen hebben ertoe geleid dat de directeur-generaal het voorbehoud in zijn verklaring handhaaft.

5.43.

Bij DG FISH constateerde de Rekenkamer dat de informatie in het jaarlijkse activiteitenverslag gedetailleerder en duidelijker was dan in voorgaande jaren. Het verslag bevatte echter geen volledige informatie over de status van de maatregelen die vereist zijn om gevolg te geven aan de aanbevelingen naar aanleiding van audits van zowel de Rekenkamer als de eenheid interne audit van het DG.

5.43.

Het directoraat-generaal Visserij en maritieme zaken aanvaardt de opmerkingen van de Rekenkamer en zal er rekening mee houden met het oog op de verdere verbetering van de toekomstige jaarlijkse activiteitenverslagen.

5.44.

Bij DG AGRI wordt evenals in 2003 voorbehoud gemaakt wat betreft de uitgaven van het EOGFL-Oriëntatie voor 2000-2006. Hoewel het DG vooruitgang heeft geboekt bij het oplossen van de problemen die destijds tot het voorbehoud leidden en er voor de uitgaven van het EOGFL-Oriëntatie geen algemeen voorbehoud meer geldt, is er voor een bepaald aantal programma's nog steeds onvoldoende grond om zekerheid te geven over de uitgaven in 2004. Het verslag van de directeur-generaal geeft duidelijk aan op welk bedrag het voorbehoud betrekking heeft.

 

5.45.

Evenals in 2003 maakten de met structurele acties belaste directeuren-generaal geen enkel voorbehoud voor de programmeringsperiode 1994-1999 (60), hoewel bijvoorbeeld de controles achteraf van DG REGIO voor deze periode wijzen op een significant foutenpercentage in negen lidstaten (paragraaf 5.34).

5.45.

De Commissie is van mening dat het gerechtvaardigd was geen voorbehoud te maken, aangezien in de directoraten-generaal strenge procedures zijn gevolgd en er afsluitingsaudits zijn of worden verricht om de betrouwbaarheid van de afsluitingsverklaringen te verifiëren. Als er na afloop van de in samenwerking met de lidstaten voltooide follow-up van de auditresultaten een significant foutenpeil wordt vastgesteld, worden voor de betrokken programma’s financiële correcties toegepast.

Follow-up van opmerkingen uit eerdere betrouwbaarheidsverklaringen: nog door de Commissie te nemen maatregelen

5.46.

De Rekenkamer heeft de maatregelen beoordeeld die de Commissie heeft genomen naar aanleiding van opmerkingen die zijn gemaakt bij recente specifieke beoordelingen in het kader van de betrouwbaarheidsverklaring. Bijlage 2 geeft een indicatie van de maatregelen die de Commissie nog dient te treffen met betrekking tot de belangrijkste opmerkingen van de Rekenkamer. Wat betreft de specifieke problemen die de Rekenkamer bij controles van projecten heeft vastgesteld, heeft de Commissie over het algemeen weliswaar een bevredigende follow-up aan deze problemen gegeven, maar draalde zij in sommige gevallen erg lang met het nemen van een definitief besluit of het starten van de nodige invorderingsprocedures (61). Een van deze gevallen heeft te maken met een bevinding van de Rekenkamer in haar betrouwbaarheidsverklaring voor 1998.

5.46.

In bijlage 2 geeft de Commissie uitvoerig antwoord op de opmerkingen van de Rekenkamer over de follow-up door de Commissie van de vorige algemene opmerkingen.

De toestand betreffende de follow-up van de individuele gevallen waarbij de Rekenkamer in haar audits voor de betrouwbaarheidsverklaring (déclaration d'assurance (DAS)) van de vorige jaren fouten had ontdekt, is als volgt. Voor het genoemde geval uit de DAS 1998 had de lidstaat voordien aangegeven dat de vereiste maatregelen waren genomen en dit werd bij de eindafsluiting van het programma in 2004 door de Commissie gecontroleerd om de zaak te kunnen sluiten. Voor de overige drie gevallen met betrekking tot het EFRO heeft de Commissie haar standpunt meegedeeld. Of de zaken zullen kunnen worden gesloten, wordt bepaald door de vraag of de lidstaat al dan niet passende maatregelen zal nemen, en hiervan zal dan weer afhangen of het nodig is een besluit tot financiële correctie te nemen.

Voor het programma OP 94IT16002 — Italë (Sardinië) is de procedure op grond van artikel 24 van Verordening (EEG) nr. 4253/88 lopende.

Conclusies en aanbevelingen

Conclusies

5.47.

De Commissie heeft haar inspanningen om haar interne-controle-omgeving te verbeteren voortgezet. Voor de toepassing van de interne-controlenormen moeten echter nog enige maatregelen worden getroffen (zie de paragrafen 5.14 t/m 5.18).

5.47.

De Commissie neemt maatregelen om de efficiëntie zo nodig te verbeteren.

5.48.

De Rekenkamer constateerde bij alle programma's in haar steekproef voor zowel de periode 1994-1999 als de periode 2000-2006 enige tekortkomingen in de beheers- en controlesystemen. Evenals in het jaarverslag over 2003 wijzen de bevindingen van de Rekenkamer voor de periode 2000-2006 dit jaar uit dat de meeste onderzochte systemen in meer of mindere mate moeten worden verbeterd om volledig te voldoen aan de elementaire vereisten uit de regelgeving betreffende doeltreffende dagelijkse beheerscontroles en/of onafhankelijke steekproefcontroles van verrichtingen (62). De Rekenkamer ontdekte ook talrijke fouten op het gebied van wettigheid en regelmatigheid in de gedeclareerde uitgaven naar aanleiding waarvan de Commissie in 2004 betalingen heeft verricht (zie de paragrafen 5.19 t/m 5.27, 5.35 en 5.36).

5.48.

De met de structuurfondsen belaste ’directoraten-generaal hebben het risico van de tekortkomingen in de systemen van de lidstaten voor de periode 1994/1999 ondervangen door hun respectieve strategieën voor de afsluiting van de programma’s, en met name hun behandeling van de door onafhankelijke instanties afgegeven afsluitingsverklaringen. De auditstrategie van de Commissie voor 2000/2006 is er vooral op gericht om de efficiënte werking van de belangrijkste elementen van de controlesystemen in de lidstaten te verifiëren. Ook zijn in sommige programma’s of regio’s tekortkomingen in de dagelijkse beheerscontroles en vertragingen bij de onafhankelijke audits geconstateerd. Zo hebben 49 van de 103 gecontroleerde ESF-programma’s in de EU 15 geleid tot aanbevelingen betreffende de uitvoering van de beheerscontroles. In dergelijke gevallen heeft de Commissie het nodige gedaan om ervoor te zorgen dat de nationale autoriteiten actieplannen ten uitvoer legden om de problemen te verhelpen, onder meer door reeds gedeclareerde onregelmatige uitgaven uit te sluiten wanneer zulks gerechtvaardigd was. De Commissie wendt haar bevoegdheden aan om zo nodig betalingen te schorsen en correcties toe te passen. Zij zal in 2005, op basis van haar auditwerkzaamheden, een nota over deugdelijke praktijken bij de beheerscontroles uitgeven, die tot doel heeft deze belangrijke controle nog efficiënter te maken.

5.49.

De afsluiting van programma's van de structuurfondsen en van projecten van het Cohesiefonds uit de programmeringsperiode 1994-1999 was een lang en bewerkelijk proces dat eind 2004 nog steeds niet was afgerond. De lidstaten reageerden traag op informatieverzoeken van de Commissie, maar in een aantal gevallen verzuimde de Commissie eveneens om tijdig actie te ondernemen. De Rekenkamer constateerde dat de Commissie sommige programma's afsloot, hoewel de door de lidstaten ingediende afsluitende verklaringen geen volledige informatie bevatten (zie de paragrafen 5.28 t/m 5.34).

5.49.

De Commissie is van mening dat de afsluitingsprocedure over het algemeen naar behoren is uitgevoerd, ondanks bepaalde vertragingen. Het grondige onderzoek van de afsluitingsdocumenten en de andere onderdelen van de afsluitingsstrategie hebben het risico op onregelmatige saldobetalingen verminderd. De hieruit getrokken lessen zullen de Commissie en de lidstaten van pas komen voor de afsluiting van de huidige generatie programma’s. De gevallen waarbij tekortkomingen worden geconstateerd, moeten worden gezien in de context van het grote aantal af te sluiten programma’s en van de complexiteit van de procedure.

5.50.

Hoewel de informatie in de jaarlijkse activiteitenverslagen en verklaringen van de met structurele acties belaste directeuren-generaal enige verbeteringen te zien geeft, is verdere inspanning vereist, met name wat betreft het bereik en het effect van de punten van voorbehoud (zie de paragrafen 5.39 t/m 5.45).

5.50.

De betrokken directoraten-generaal werken samen om een meer samenhangende en beter gedocumenteerde aanpak voor de punten van voorbehoud te ontwikkelen.

5.51.

De actie die de Commissie heeft ondernomen om gevolg te geven aan eerdere opmerkingen van de Rekenkamer was over het algemeen bevredigend, hoewel er enige vertragingen zijn vastgesteld (zie paragraaf 5.46).

 

Aanbevelingen

5.52.

Structurele acties vallen onder gedeeld beheer, zodat voor de noodzakelijke verbeteringen op het gebied van beheer en controle een gezamenlijke inspanning van de Commissie en de lidstaten is vereist. De Commissie dient, in samenwerking met de lidstaten, met name:

5.52.

Op 15 juni 2005 heeft de Commissie haar goedkeuring gehecht aan een mededeling over „een stappenplan voor een geïntegreerd internecontrolekader” van de Gemeenschap, die was opgesteld om eventuele lacunes in de huidige en toekomstige regelgeving op te sporen en aan te geven wat moet worden gedaan om de beheers- en controlesystemen voor met name uitgaven in het kader van gedeeld beheer efficiënter te maken. Het „stappenplan” zal in het najaar van 2005 met de kwijtingverlenende autoriteit worden besproken zodat „gemeenschappelijke overeenstemming” over de vereiste actie kan worden bereikt.

te zorgen voor een strengere aanpak van de controle betreffende de wettigheid en regelmatigheid van uitgaven. Het is vooral belangrijk dat de eerstelijnscontroles (de dagelijkse beheerscontroles) strikt worden toegepast;

De Commissie spitst haar auditwerkzaamheden toe op dit belangrijke element van de nationale systemen. Zij verwijst naar de voorgestelde compilatie van deugdelijke praktijken op dit gebied (zie paragraaf 5.48).

ervoor te zorgen dat de lessen die zijn getrokken uit de afsluiting van programma's uit de periode 1994-1999 worden toegepast op de periode 2000-2006 en volgende periodes. Hiertoe dienen de lidstaten ervoor te zorgen dat er tijdig toereikende afsluitende documenten worden ingediend en dat de met structurele acties belaste DG's het onderzoek van de aanvragen voor saldobetaling coherent en doeltreffend aanpakken.

De Commissie is het ermee eens dat er lessen moeten worden getrokken en geeft daartoe richtsnoeren voor de afsluiting van de programma’s voor de periode 2000/2006. Toch was er reeds een nauwe coördinatie tussen de directoraten-generaal bij de afsluiting van de programma’s voor de periode 1994-1999. De Commissie verwijst naar haar antwoord op paragraaf 5.49.

5.53.

De Commissie dient tevens verdere inspanningen te leveren om tot een effectievere uitvoering van haar toezichthoudende taak te komen. Zij zou beter in staat zijn tot een behoorlijk toezicht op de uitgaven voor structurele acties, indien er op het gebied van beheer en controle meer coördinatie plaatsvond tussen de verantwoordelijke DG's.

5.53.

De voorbije jaren heeft de Commissie aanzienlijke vorderingen gemaakt bij de coördinatie van beheers- en controlevraagstukken binnen de Commissie zelf en met de lidstaten en zij zal op de ingeslagen weg voortgaan. Zo is er bijvoorbeeld voor 2005 een gezamenlijke auditstrategie voor de met de structuurfondsen belaste directoraten-generaal, worden er gezamenlijke audits verricht in de nieuwe lidstaten en zijn de kwaliteit en de tijdigheid van de jaarlijkse controleverslagen verbeterd. Deze maatregelen dragen allemaal bij tot het realiseren van het concept van „één enkele audit”.

5.54.

De Rekenkamer stelt vast dat de Commissie in 2004 voorstellen voor nieuwe kaderverordeningen voor de programmeringsperiode 2007-2013 heeft gedaan. De Rekenkamer heeft een advies over deze voorstellen uitgebracht (63). Indien de verordeningen en de uitvoeringsbepalingen daarbij inzake de beheers- en controlesystemen vóór de programmeringsperiode worden vastgesteld (hetgeen voor de periodes 1994-1999 en 2000-2006 niet het geval was), zouden de systemen nog vóór de goedkeuring van de programma's en het aangaan van betalingsverplichtingen kunnen worden ingevoerd en beoordeeld.

5.54.

De Commissie heeft in juli 2004 voorstellen ingediend voor verordeningen van de Raad betreffende de structuurfondsen en het Cohesiefonds. Zij wilde zeker zijn dat het nieuwe kader ruim vóór het begin van de nieuwe periode functioneel zal zijn. De ontwerpverordening van de Commissie is reeds aan de lidstaten voorgelegd, maar kan niet worden goedgekeurd voordat de algemene verordening van de Raad is vastgesteld.

De tenuitvoerlegging van het pretoetredingsinstrument voor structuurbeleid: de Commissie heeft tekortkomingen in de beheers- en controlesystemen vastgesteld

5.55.

De Rekenkamer heeft de tenuitvoerlegging van het pretoetredingsinstrument ISPA onderzocht. Het onderzoek is uitgevoerd bij de Commissie. Het betalingsbeheer van de Commissie werd onderzocht op basis van een beoordeling van de door de Commissie uitgevoerde controles en een beoordeling van de door de kandidaat-lidstaten ingediende uitgavendeclaraties voor acht geselecteerde betalingen uit 2004 (Bulgarije vijf, Roemenië drie betalingen). Het onderzoek van de Rekenkamer gaf geen aanleiding tot bijzondere opmerkingen.

 

5.56.

De Rekenkamer stelt vast dat de Commissie de betalingen aan Roemenië in 2004 meermaals heeft onderbroken en dat de directeur-generaal het in 2003 voor Roemenië gemaakte voorbehoud handhaaft wegens belangrijke tekortkomingen in de opzet en werking van de beheers- en controlesystemen.

 

FOLLOW-UP VAN OPMERKINGEN IN SPECIAAL VERSLAG NR. 3/2002 OVER HET COMMUNAUTAIR INITIATIEF WERKGELEGENHEID — INTEGRA

5.57.

In het speciaal verslag onderzocht de Rekenkamer de effectiviteit van beheersprocessen, namelijk de doelgerichtheid en selectie van projecten, alsmede het toezicht, de evaluatie en de verspreiding van informatie met betrekking tot het Communautair Initiatief Integra.

 

5.58.

Een hoofdconclusie van het verslag van de Rekenkamer was dat er op het gebied van evaluatie en toezicht stelselmatige tekortkomingen bestonden. Zodoende kon niet worden vastgesteld in hoeverre het Integra-initiatief had geleid tot nieuwe kennis inzake de bestrijding van uitsluiting van de arbeidsmarkt en of die kennis op doeltreffende wijze onder de beleidsmakers was verspreid.

5.58.

De Commissie heeft stappen ondernomen om ervoor te zorgen dat het toezicht op en de evaluatie van experimentele programma’s als Integra worden verbeterd. In Equal, het vervolgprogramma van Integra, zijn geharmoniseerde criteria ontwikkeld voor evaluatie en toezicht, met inbegrip van de follow-up via thematische netwerken en groepen. Het specifieke doel van deze criteria is de validering van de resultaten van het programma. De Commissie en de lidstaten zijn een duidelijk en realistisch tijdschema voor de evaluaties overeengekomen, dat moet garanderen dat de vereiste resultaten op tijd worden geleverd en dat deze resultaten onder de aandacht worden gebracht van de belangrijkste personen die voor de beleidsvorming op de betrokken gebieden verantwoordelijk zijn.

5.59.

Het in 2003 gepubliceerde definitieve beoordelingsverslag over Integra bevestigde de bevindingen van de Rekenkamer betreffende tekortkomingen in de evaluatiestructuren van het programma en het ontbreken van een afdoende feedbackmechanisme. Deze tekortkomingen leidden er volgens de beoordeling vermoedelijk toe dat er kennis verloren ging bij de uitwisseling daarvan tussen de uitvoerende organisaties.

5.59.

De Commissie had zich, via haar permanente procedures voor feedback en toezicht op en evaluatie van de uitvoering van de programma’s in het kader van de structuurfondsen, zelfs al vóór het einde van de looptijd van Integra rekenschap gegeven van de tekortkomingen die inherent waren aan de opzet van dit communautaire initiatief. In haar opzet van het communautaire initiatief Equal (2000-2006) heeft de Commissie stappen ondernomen om de punten die in de vorige programma’s als zwak zijn aangemerkt, te verbeteren. Het Equal-initiatief is zo opgezet dat de lidstaten moeten beschrijven welke lessen zij uit het werkgelegenheidsprogramma hebben getrokken.

FOLLOW-UP VAN OPMERKINGEN IN SPECIAAL VERSLAG NR. 4/2002 OVER LOKALE ACTIES VOOR WERKGELEGENHEID

5.60.

In het speciaal verslag onderzocht de Rekenkamer het beheer door de Commissie van het EU-beleid inzake het scheppen van lokale werkgelegenheid en haar financiële beheer van innovatieve projecten op dit gebied.

 

5.61.

De belangrijkste aanbevelingen van de Rekenkamer:

a)

op alle niveaus van beleidsvoering moet een globale beoordeling komen van de waarschijnlijke toegevoegde waarde van een lokaal werkgelegenheidsbeleid;

b)

door de Commissie beheerde acties op het gebied van innovatieve projecten moeten worden gerationaliseerd, en de procedures voor financieel beheer moeten worden verscherpt om te waarborgen dat de financiering regelmatig en kosteneffectief is.

 

5.62.

De Commissie heeft een aantal uitgebreide evaluaties en studies verricht naar het EU-beleid inzake lokale werkgelegenheid. In 2003 bracht zij een studieverslag uit over de beschikbaarheid van prestatie-indicatoren voor de lokale werkgelegenheid, en in 2004 verrichtte zij een horizontale evaluatie van de lokale-werkgelegenheidsontwikkeling, waarbij de meerwaarde van het EU-beleid inzake lokale werkgelegenheid werd beoordeeld.

 

5.63.

Ook zijn er aanvullende maatregelen genomen ter verscherping van de procedures voor het financieel beheer van innovatieve acties. Deze omvatten onder meer een groter aantal controlebezoeken aan projecten door de Commissie in 2003, en een rationalisering van de financiering op dit terrein.

 

5.64.

De Rekenkamer meent dat deze acties een bevredigende follow-up van haar aanbevelingen zijn en dat zij een positieve bijdrage zullen leveren aan de kosteneffectiviteit van de communautaire financiering van het beleid voor het scheppen van lokale werkgelegenheid.

5.64.

De Commissie is verheugd over de positieve opmerkingen van de Rekenkamer met betrekking tot de follow-up van het speciale verslag over de lokale acties voor werkgelegenheid.


(1)  Programma's zijn nationaal of regionaal en bestaan uit een aantal maatregelen in het kader waarvan potentiële begunstigden financiering kunnen aanvragen.

(2)  In de EU 15: Griekenland, Spanje, Ierland (tot 31 december 2003) en Portugal. Sinds 1 mei 2004 ook: Cyprus, Tsjechische Republiek, Estland, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije.

(3)  In 2004: Bulgarije en Roemenië. Voor de nieuwe lidstaten zijn voormalige ISPA-projecten overgeheveld naar het Cohesiefonds.

(4)  In Bulgarije en Roemenië.

(5)  ISPA uitgezonderd.

(6)  ISPA uitgezonderd.

(7)  Van dit bedrag wordt 2 787 miljoen euro (tegen huidige prijzen) in de vorm van door ISPA gefinancierde toewijzingen aan acht nieuwe lidstaten voor de periode 2000-2003 thans krachtens het Toetredingsverdrag beheerd als kredieten van het Cohesiefonds.

(8)  Voor het Cohesiefonds en ISPA is het betalingssysteem gebaseerd op een eenmalig voorschot, tussentijdse betalingen naar aanleiding van feitelijke uitgaven, en een saldobetaling.

(9)  Hierbij zijn vier directoraten-generaal van de Commissie betrokken: het directoraat-generaal Regionaal beleid (DG REGIO) voor het EFRO, het Cohesiefonds en ISPA; het directoraat-generaal Werkgelegenheid, sociale zaken en gelijke kansen (DG EMPL) voor het ESF; het directoraat-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling (DG AGRI) voor het EOGFL-Oriëntatie, en het directoraat-generaal Visserij en maritieme zaken (DG FISH) voor het FIOV. DG REGIO speelt een coördinerende rol in zaken die alle fondsen aangaan, zoals de ontwikkeling van beheersinitiatieven of de verstrekking van technische richtlijnen aan de lidstaten.

(10)  Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (PB L 356 van 31.12.1977, blz. 1).

(11)  Verordening (EEG) nr. 2081/93 van de Raad van 20 juli 1993 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2052/88 betreffende de taken van de Fondsen met structurele strekking, hun doeltreffendheid alsmede de coördinatie van hun bijstandsverlening onderling en met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten (PB L 193 van 31.7.1993, blz. 5); Verordening (EEG) nr. 2082/93 van de Raad van 20 juli 1993 houdende wijziging van Verordening (EEG) nr. 4253/88 tot vaststelling van toepassingsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 2052/88 met betrekking tot de coördinatie van de bijstandsverlening uit de onderscheiden Structuurfondsen enerzijds en van die bijstandsverlening met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten anderzijds (PB L 193 van 31.7.1993, blz. 20).

(12)  Verordening (EG) nr. 2064/97 van de Commissie van 15 oktober 1997 tot vaststelling van de voorwaarden ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 4253/88 van de Raad wat de financiële controle door de lidstaten op door de structuurfondsen medegefinancierde verrichtingen betreft (PB L 290 van 23.10.1997, blz. 1). Voor de systemen van het Cohesiefonds geldt Verordening (EG) nr. 1164/94 van de Raad van 16 mei 1994 tot oprichting van een Cohesiefonds (PB L 130 van 25.5.1994, blz. 1).

(13)  Verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad van 21 juni 1999 houdende algemene bepalingen inzake de Structuurfondsen (PB L 161 van 26.6.1999, blz. 1).

(14)  Verordening (EG) nr. 438/2001 van de Commissie van 2 maart 2001 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad met betrekking tot de beheers- en controlesystemen voor uit de structuurfondsen toegekende bijstand (PB L 63 van 3.3.2001, blz. 21). Voor ISPA-systemen geldt Verordening (EG) nr. 1267/1999 van de Raad van 21 juni 1999 tot instelling van een pretoetredingsinstrument voor structuurbeleid (PB L 161 van 26.6.1999, blz. 73).

(15)  Verordening (EG) nr. 448/2001 van de Commissie van 2 maart 2001 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad met betrekking tot de procedure inzake financiële correcties betreffende uit de structuurfondsen toegekende bijstand (PB L 64 van 6.3.2001, blz. 13).

(16)  Verordening (EG) nr. 1260/1999 verplicht lidstaten specifiek tot het aanwijzen van beheers- en betalingsautoriteiten. Een beheersautoriteit is een nationale, regionale of lokale publieke of particuliere autoriteit of instantie door de lidstaat aangewezen voor het beheer van een programma (doorgaans een departement van een nationaal ministerie of een afdeling van een regionale of lokale autoriteit). Een betalingsautoriteit is een lokale, regionale of nationale autoriteit of instantie die door de lidstaten aangewezen is voor het opstellen en toezenden van de betalingsaanvragen en voor het ontvangen van de betalingen van de Commissie (bijvoorbeeld een afdeling buiten de beheersautoriteit in de nationale, regionale of lokale autoriteit).

(17)  Aanvragers kunnen particulieren of verenigingen, particuliere of publieke ondernemingen, en lokale, regionale of nationale instanties zijn.

(18)  Zoals een financiële dienst of een eenheid Interne audit binnen een nationale, regionale of lokale autoriteit.

(19)  Norm 11 „Risicoanalyse en -management”; norm 12 „Managementinformatie”; norm 14 „Melding van misstanden”; norm 17 „Supervisietaken”; norm 18 „Registreren van uitzonderingen”; norm 20 „Registreren en corrigeren van zwakke punten van de interne controle”; norm 21 „Auditverslagen”; norm 22 „Interne-auditdienst”.

(20)  2000-2006: Zweden (Södra Skogslän) ESF doelstelling 1 1999SE161DO002; Italië (Puglia) EOGFL-Oriëntatie doelstelling 1 1999IT161PO009.

(21)  1994-1999: Verenigd Koninkrijk (Western Scotland) EFRO doelstelling 2 97UK16004.

(22)  1994-1999: Spanje (Asturias) EFRO doelstelling 1 94ES16002.

(23)  2000-2006: België ESF doelstelling 3 1999BE053DO002.

(24)  2000-2006: Zweden (Södra Skogslän) ESF doelstelling 1 1999SE161DO002.

(25)  2000-2006: Verenigd Koninkrijk (North-East England) EFRO doelstelling 2 2000GB162DO004.

(26)  1994-1999: Spanje (Valencia) EOGFL-Oriëntatie doelstelling 1 94ES06019.

(27)  1994-1999: Finland ESF ADAPT 956001FI8.

(28)  Spanje ESF 940112ES1.

(29)  2000-2006: Verenigd Koninkrijk (North-East England) EFRO doelstelling 2 2000GB162DO004; Griekenland EFRO Interreg III A 2000CB16OPC013.

(30)  1994-1999: Verenigd Koninkrijk (Western Scotland) EFRO doelstelling 2 97UK16004;

2000-2006: Duitsland (Sachsen) EFRO doelstelling 1 1999DE161PO006; Italië (Puglia) EOGFL-Oriëntatie doelstelling 1 1999IT161PO009.

(31)  2000-2006: Italië (Sicilia) ESF doelstelling 1 1999IT161PO011; België ESF doelstelling 3 1999BE053DO002.

(32)  1994-1999: Spanje (Valencia) EOGFL-Oriëntatie doelstelling 1 94ES06019; Verenigd Koninkrijk (Western Scotland) EFRO doelstelling 2 97UK16004; Spanje (Asturias) EFRO doelstelling 1 94ES16002; Italië (Industria e Servizi) EFRO doelstelling 1 94IT16030;

2000-2006: Griekenland EFRO Interreg III A 2000CB16OPC013; Italië (Puglia) EOGFL-Oriëntatie doelstelling 1 1999IT161PO009; Frankrijk (Réunion) EFRO doelstelling 1 1999FR161DO001.

(33)  1994-1999: Finland ESF 956001FI8 (ADAPT 1995-1999).

(34)  2000-2006: Portugal (Norte) EFRO doelstelling 1 1999PT161PO017; België ESF doelstelling 3 1999BE053DO002.

(35)  1994-1999: Spanje ESF 940112ES1.

(36)  2000-2006: Italië (Sicilia) ESF doelstelling 1 1999IT161PO011; Zweden (Södra Skogslän) ESF doelstelling 1 1999SE161DO002.

(37)  2000-2006: Griekenland EFRO Interreg III A 2000CB16OPC013.

(38)  2000-2006: Frankrijk (Réunion) EFRO doelstelling 1 1999FR161DO001.

(39)  2000-2006: Duitsland (Sachsen) EFRO doelstelling 1 1999DE161PO006.

(40)  3 EFRO, 10 ESF, 5 FIOV, 5 EOGFL-Oriëntatie.

(41)  Oostenrijk ESF 955501AT5; Italië ESF 940016I1; Spanje ESF 940127ES1; Spanje ESF 940112ES1; Verenigd Koninkrijk ESF 98001UK4; Verenigd Koninkrijk ESF 979203UK8; Nederland ESF 972005NL2; Nederland (Zuid-Limburg) EFRO doelstelling 2 1997-1999 970713006; Frankrijk (Lorraine) EFRO doelstelling 2 1997-1999 970313012.

(42)  Rekenkamer — Jaarverslag over het begrotingsjaar 2003, paragrafen 5.29 t/m 5.39 en 5.67.

(43)  DG FISH: Spanje 94ES14101; Italië 94IT14101; Verenigd Koninkrijk doelstelling 1 94EU16002, 94UK16003; Frankrijk doelstelling 5a 94FR14105. DG REGIO: Portugal 94PT161PO007; Speciaal steunprogramma vrede en verzoening 1995EU161PC005; Luxemburg 97L162DO001. DG EMPL: Verenigd Koninkrijk 972103UK2, 979203UK8; Frankrijk, 949701F8, 942601F1; Nederland 972005NL2; Portugal 942000P1.

(44)  Wanneer meerdere fondsen bijdragen aan hetzelfde programma, wordt elk fondsdeel van het programma apart afgesloten. Daardoor corresponderen de cijfers niet met het totale aantal programma's vermeld in paragraaf 5.4.

(45)  Sindsdien zijn de doelstellingen van de structurele acties voor de programmeringsperiode 2000-2006 anders ingedeeld.

Bron: Tabel opgesteld door de Rekenkamer op basis van door de Commissie verstrekte gegevens.

(46)  Sindsdien zijn de doelstellingen van de structurele acties voor de programmeringsperiode 2000-2006 anders ingedeeld.

Bron: Tabel opgesteld door de Rekenkamer op basis van door de Commissie verstrekte gegevens.

(47)  Sindsdien zijn de doelstellingen van de structurele acties voor de programmeringsperiode 2000-2006 anders ingedeeld.

Bron: Tabel opgesteld door de Rekenkamer op basis van door de Commissie verstrekte gegevens.

(48)  Sindsdien zijn de doelstellingen van de structurele acties voor de programmeringsperiode 2000-2006 anders ingedeeld.

Bron: Tabel opgesteld door de Rekenkamer op basis van door de Commissie verstrekte gegevens.

(49)  Voor de controles door DG FISH betreffende Finland (95FI14105, 95FI16002), Zweden (96SE14115) en het Verenigd Koninkrijk (94UK16002, 94UK16005, 95UK16005); DG REGIO: Frankrijk (Haute Normandie) 97FR16010 EPD doelstelling 2 1997-1999, Spanje (Andalucia) 1994ES161PO001 1994-1999, Nederland (Flevoland) 940713001 EPD doelstelling 1 1994-1999) en het Verenigd Koninkrijk (Greater Manchester) 97UK16008 EPD doelstelling 2 1997-1999.

(50)  België ESF 943010B3.

(51)  Declaratie van niet in aanmerking komende uitgavenposten:

Declaratie van kosten die losstaan van de betrokken programma's of projecten:

1994-1999: Griekenland Cohesiefonds 970961015; Spanje (Asturias) EFRO doelstelling 1 94ES16002; Finland ESF 956001FI8 (ADAPT 1995-1999); Spanje (Valencia) EOGFL-Oriëntatie doelstelling 1 94ES06019; Spanje ESF 940112ES1;

2000-2006: Italië (Puglia) EOGFL-Oriëntatie doelstelling 1 1999IT161PO009; Italië (Sicilia) ESF doelstelling 1 1999IT161PO011; Zweden (Södra Skogslän) ESF doelstelling 1 1999SE161DO002; België ESF doelstelling 3 1999BE053DO002; Duitsland (Sachsen) EFRO doelstelling 1 1999DE161PO006.

Declaratie van uitgaven die buiten de subsidiabele periode zijn gedaan:

1994-1999: Verenigd Koninkrijk (Western Scotland) EFRO doelstelling 2 97UK16004; Spanje (Asturias) EFRO doelstelling 1 94ES16002; Italië (Industria e Servizi) EFRO doelstelling 1 94IT16030;

2000-2006: Portugal (Norte) EFRO doelstelling 1 1999PT161PO017; Frankrijk (Réunion) EFRO doelstelling 1 1999FR161DO001.

Declaratie van terugvorderbare BTW:

1994-1999: Spanje (Valencia) EOGFL-Oriëntatie doelstelling 1 94ES06019;

2000-2006: Verenigd Koninkrijk (North-East England) EFRO doelstelling 2 2000GB162DO004.

Declaratie van uitgaven hoewel eindbegunstigden de middelen niet aan projecten hadden betaald:

1994-1999: Verenigd Koninkrijk (Western Scotland) EFRO doelstelling 2 97UK16004; Spanje (Asturias) EFRO doelstelling 1 94ES16002; Italië (Industria e Servizi) EFRO doelstelling 1 94IT16030;

2000-2006: Duitsland (Sachsen) EFRO doelstelling 1 1999DE161PO006.

Geen rekening gehouden met mogelijk genereren van ontvangsten of andere inkomsten:

1994-1999: Verenigd Koninkrijk (Western Scotland) EFRO doelstelling 2 97UK16004; Finland ESF 956001FI8 (ADAPT 1995-1999); Spanje (Valencia) EOGFL-Oriëntatie doelstelling 1 94ES06019; Spanje ESF 940112ES1;

2000-2006: Italië (Puglia) EOGFL-Oriëntatie doelstelling 1 1999IT161PO009; Portugal (Norte) EFRO doelstelling 1 1999PT161PO017; Verenigd Koninkrijk (North-East England) EFRO doelstelling 2 2000GB162DO004.

(52)  Uitgaven tweemaal gedeclareerd:

1994-1999: Italië (Industria e Servizi) EFRO doelstelling 1 94IT16030; Spanje ESF 940112ES1;

2000-2006: Verenigd Koninkrijk (North-East England) EFRO doelstelling 2 2000GB162DO004; Italië (Puglia) EOGFL-Oriëntatie doelstelling 1 1999IT161PO009.

(53)  Niet-naleving van voorschriften inzake staatssteunregelingen:

1994-1999: Verenigd Koninkrijk (Western Scotland) EFRO doelstelling 2 97UK16004;

2000-2006: Italië (Puglia) EOGFL-Oriëntatie doelstelling 1 1999IT161PO009.

(54)  Niet-naleving van communautaire voorschriften inzake gunning van overheidsopdrachten:

1994-1999: Spanje (Asturias) EFRO doelstelling 1 94ES16002; Verenigd Koninkrijk (Western Scotland) EFRO doelstelling 2 97UK16004; Griekenland Cohesiefonds 970961015;

2000-2006: Verenigd Koninkrijk (North-East England) EFRO doelstelling 2 2000GB162DO004; Griekenland EFRO Interreg III A 2000CB16OPC013; Duitsland (Sachsen) EFRO doelstelling 1 1999DE161PO006.

(55)  Ontoereikende bewijsstukken in bewaring bij projecten:

1994-1999: Spanje (Valencia) EOGFL-Oriëntatie doelstelling 1 94ES06019; Verenigd Koninkrijk (Western Scotland) EFRO doelstelling 2 97UK16004; Spanje (Asturias) EFRO doelstelling 1 94ES16002; Italië (Industria e Servizi) EFRO doelstelling 1 94IT16030; Finland ESF 956001FI8 (ADAPT 1995-1999); Spanje ESF 940112ES1;

2000-2006: Verenigd Koninkrijk (North-East England) EFRO doelstelling 2 2000GB162DO004; Griekenland EFRO Interreg III A 2000CB16OPC013; Italië (Sicilia) ESF doelstelling 1 1999IT161PO011; Duitsland (Sachsen) EFRO doelstelling 1 1999DE161PO006; België ESF doelstelling 3 1999BE053DO002; Portugal (Norte) EFRO doelstelling 1 1999PT161PO017; Zweden (Södra Skogslän) ESF doelstelling 1 1999SE161DO002.

(56)  Toewijzing van indirecte kosten aan projecten zonder toepassing van een naar behoren gemotiveerde en billijke methode:

1994-1999: Verenigd Koninkrijk (Western Scotland) EFRO doelstelling 2 97UK16004; Finland ESF 956001FI8 (ADAPT 1995-1999); Spanje ESF 940112ES1;

2000-2006: Verenigd Koninkrijk (North-East England) EFRO doelstelling 2 2000GB162DO004; Italië (Sicilia) ESF doelstelling 1 1999IT161PO011; Zweden (Södra Skogslän) ESF doelstelling 1 1999SE161DO002; Duitsland (Sachsen) EFRO doelstelling 1 1999DE161PO006; België ESF doelstelling 3 1999BE053DO002.

(57)  „Report on the Parallel Audit of the Management and Control Systems for Assistance Granted under the Structural Funds”, gepubliceerd op de websites van de hoge controle-instanties van de deelnemende lidstaten.

(58)  Denemarken, Duitsland, Spanje, Italië, Nederland, Portugal, Finland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk.

(59)  Krachtens Verordening (EG) nr. 438/2001 van de Commissie van 2 maart 2001.

(60)  Jaarverslag over het begrotingsjaar 2003, paragraaf 5.62.

(61)  EFRO: Duitsland (Bayern) doelstelling 5b 1994-1999 (DAS 1998), Italië (Piemonte) EPD 1994-1996 (DAS 2000), OP Algarve (DAS 2001); Griekenland Competitiveness OP 2000-2006 (DAS 2001); EOGFL-Oriëntatie: Italië (Sardinia) 94IT16002 (DAS 2000).

(62)  Jaarverslag over het begrotingsjaar 2003, paragrafen 5.14 t/m 5.27, 5.47 t/m 5.56 en 5.67 t/m 5.69.

(63)  Advies nr. 2/2005.

BIJLAGE 1

Structurele acties

Beheers- en controlesystemen

Beoordeling door de Rekenkamer van de tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 438/2001 van de Commissie wat betreft de beheers- en controlesystemen in de bezochte lidstaten

Voornaamste controlegebieden

1

2

3

4

5

6

7

8

9

Lidstaat/Regio/Fonds

Duidelijke omschrijving en toewijzing, en adequate scheiding van functies

(artikel 3)

Bevredigende dagelijkse procedures voor verificatie van de wettigheid en regelmatigheid van gecofinancierde verrichtingen

(artikel 4)

Toereikend controlespoor

(artikel 7)

Toereikende terugvorderings-procedures

(artikel 8)

Waarborging van betrouwbaarheid van certificaten betreffende uitgavenstaten

(artikel 9)

Voortgang van controles die ten minste 5 % van de totale subsidiabele uitgaven moeten betreffen

(artikel 10)

Adequate organisatie van 5 %-controles

(artikelen 10-12)

Onafhankelijkheid en normen voor accountantsonderzoek van instantie die bij afsluiting van programma verklaring afgeeft

(artikel 15)

Onderzoek van beheers- en controlesystemen ter voorbereiding op af te geven verklaring bij afsluiting programma

(artikel 16)

België ESF

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Italië (Sicilia) ESF

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Zweden ESF

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Duitsland (Sachsen) EFRO

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Frankrijk (Réunion) EFRO

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Verenigd Koninkrijk (N-E England) EFRO

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Portugal (Norte) EFRO

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Griekenland EFRO-Interreg

 

 

 

(1)

 

 

 

 

 

Italië (Puglia) EOGFL-Oriëntatie

 

 

 

 

 

 

 

 

(ng)


(a)

 

Werkt goed, weinig of geringe verbeteringen nodig

(b)

 

Werkt, maar verbeteringen noodzakelijk

(c)

 

Werkt niet

Voor bijzonderheden zie de paragrafen 5.19-5.27.

(1)

Procedures niet getest aangezien deze niet in werking hoefden te zijn.

(ng)

Niet getest.

BIJLAGE 2

Follow-up van de voornaamste opmerkingen in recente betrouwbaarheidsverklaringen

Voornaamste opmerking van de Rekenkamer

Korte beschrijving door de Rekenkamer van de actie die de Commissie heeft ondernomen

Toelichting van de Rekenkamer

Antwoord van de Commissie

Tekortkomingen in beheer en controle, fouten die steeds weer optreden bij betalingen

De tekortkomingen in de beheers- en controlesystemen hebben nog steeds hun weerslag op de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven. Essentiële elementen van de systemen voldoen niet aan de vereiste normen (adequate scheiding van functies, verrichten van doeltreffende dagelijkse beheerscontroles en het organiseren van onafhankelijke steekproefcontroles om te toetsen of de systemen doeltreffend en de uitgavendeclaraties juist zijn). Deze tekortkomingen in de systemen worden bevestigd door de fouten die worden aangetroffen in de afzonderlijke projecten, bij programma's uit de programmeringsperiodes 1994-1999 én 2000-2006.

(Jaarverslag 2001, paragrafen 3.56-3.64; Jaarverslag 2002, paragrafen 5.22-5.32; Jaarverslag 2003, paragrafen 5.12-5.27 en 5.41-5.56)

De Commissie beoordeelt de tenuitvoerlegging van de beheers- en controlesystemen door de lidstaten, met inbegrip van audits van beperkte aantallen programma's. De Commissie heeft enige richtlijnen gegeven en haar bevoegdheden gebruikt om betalingen op te schorten in gevallen waarin door tekortkomingen in de systemen de kans bestaat dat Gemeenschapsgelden oneigenlijk worden gebruikt.

De Commissie en de lidstaten dienen te zorgen voor de ontwikkeling van meer gedegen beheers- en controlesystemen. Met name de controle van uitgaven vereist een strengere aanpak.

Voor de programma’s van de periode 1994-1999 worden de systeemtekortkomingen ondervangen in het kader van de afsluitingsstrategie (zie hieronder). Voor die van de huidige periode gaat de Commissie door met haar inspanningen om de nodige verbeteringen aan te brengen. Zij doet dit via haar eigen auditwerkzaamheden, die worden gecoördineerd met die van de lidstaten, en via actieplannen. Daarnaast wendt zij haar bevoegdheid aan om betalingen te schorsen en financiële correcties toe te passen. Zij zorgt ook voor de verspreiding van deugdelijke praktijken, bijvoorbeeld op het belangrijke gebied van de beheerscontroles waarnaar de Rekenkamer verwijst. Het is gepland dat in 2005 voorbeelden worden gegeven van deugdelijke praktijken voor deze controles.

Vertragingen en problemen bij de afsluiting van programma's uit de periode 1994-1999

De afsluiting van programma's uit de vorige periode vormde een lang en moeizaam proces. De door de lidstaten bij de Commissie ingediende afsluitende documentatie was van wisselende kwaliteit, zodat er dikwijls om aanvullende informatie moest worden verzocht. De Commissie heeft definitieve betalingen verricht, terwijl niet alle vereisten uit de verordeningen in acht waren genomen.

(Jaarverslag 2002, paragrafen 5.36-5.38; Jaarverslag 2003, paragrafen 5.28-5.39)

De Commissie heeft de afsluitende documenten gecontroleerd en in een aantal gevallen audits verricht die tot voorstellen voor financiële correcties leidden. Een aanzienlijk aantal programma's diende eind 2004 nog te worden afgesloten.

De audit van de Rekenkamer wees uit dat de controles van de Commissie het risico niet uitsluiten dat de Gemeenschap niet-subsidiabele uitgaven cofinanciert. De Commissie dient ervoor te zorgen dat de door de lidstaten ingediende documentatie tijdig wordt onderzocht. De Commissie en de lidstaten dienen bij de afsluiting van de programma's 2000-2006 de lessen uit het afsluitingsproces van 1994-1999 toe te passen.

De afsluitingsstrategie van de Commissie – met onder meer aan de afsluiting voorafgaande rechtmatigheidscontroles, het toetsen van de bij de saldobetalingsaanvragen gevoegde verklaringen van de onafhankelijke instantie, en audits achteraf van afgesloten programma’s, gevolgd door financiële correcties – heeft het risico van onverschuldigde betalingen aanzienlijk verminderd. De afsluitingsprocedure is naar behoren en meestal binnen een redelijke termijn uitgevoerd, gelet op het aantal programma’s en op de complexiteit van de gecontroleerde zaken. Toch kunnen lessen worden getrokken, die bij de volgende afsluiting zullen worden toegepast. Momenteel wordt een richtsnoerennota opgesteld.

Beperkte zekerheid van de Commissie omtrent de werking van de beheers- en controlesystemen

De met structurele acties belaste directeuren-generaal bevestigen dat de interne systemen bij de Commissie redelijke zekerheid over de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen verschaffen, maar zij kunnen niet volledig instaan voor de werking van de beheers- en controlesystemen in de lidstaten.

Voor de periode 1994-1999 maakten de directeuren-generaal geen enkel voorbehoud met betrekking tot de vier structuurfondsen. Dit strookt niet met de door de Commissie bevestigde opmerkingen van de Rekenkamer, die wijzen op talrijke tekortkomingen in de systemen.

De Commissie heeft op de opmerkingen van de Rekenkamer dikwijls geantwoord dat bij de afsluiting van de programma's 1994-1999 toereikende controles zouden worden verricht. De Commissie is echter van plan, onderliggende uitgaven te controleren na het verrichten van saldobetalingen. Slechts in uitzonderlijke gevallen zal de Commissie controles in de lidstaten verrichten vóór betaling.

(Jaarverslag 2002, paragrafen 5.10-5.14 en 5.21; Jaarverslag 2003, paragrafen 5.40 en 5.57-5.62)

De Commissie heeft haar beoordeling van de systemen en haar programma van audits in de lidstaten voortgezet.

De zekerheid van de Commissie is verbreed, maar de beheers- en controlesystemen bieden onvoldoende zekerheid over de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven.

De met de structuurfondsen belaste directoraten-generaal hebben ervoor gekozen zekerheid te verkrijgen via auditwerkzaamheden die in overeenstemming met hun auditstrategieën worden verricht, en via een verhoogde samenwerking met de nationale auditinstanties. Er worden procedures toegepast om tekortkomingen te verhelpen en onregelmatige uitgaven te corrigeren.

De zekerheid van de Commissie betreffende de programma’s voor de periode 1994-1999 is gebaseerd op de reeds genoemde algemene afsluitingsstrategie. De Commissie verricht audits na de afsluiting en past financiële correcties toe voor programma’s waarin niet-subsidiabele uitgaven zijn opgespoord. Systematisch programma-audits uitvoeren voordat de betalingen worden verricht, zou niet verenigbaar zijn geweest met haar verplichting tot het verrichten van de betalingen. In alle gevallen zijn evenwel administratieve controles van de afsluitingsdocumenten uitgevoerd.

Beperkte follow-up door de Commissie van controlebevindingen van de Rekenkamer

Er zijn verbeteringen vastgesteld, maar de follow-up die de Commissie geeft aan de controlebevindingen van de Rekenkamer is niet altijd tijdig, passend en volledig. Het onderzoek van de Commissie gaat zelden verder dan de door de Rekenkamer onderzochte steekproeven, zelfs wanneer er bewijs is dat ontdekte fouten effect op het hele systeem kunnen hebben.

(Jaarverslag 2002, paragrafen 5.44-5.52; Jaarverslag 2003, paragrafen 5.63-5.65)

De follow-upactie van de Commissie is verbeterd, hoewel er zich nog vertragingen voordoen.

De Commissie dient te zorgen voor een brede follow-up en onnodige vertragingen te vermijden.

De Commissie heeft computerapplicaties in gebruik genomen om toezicht te houden op de follow-up. Zij moeten mede garanderen dat die follow-up ruim wordt opgevat en op tijd plaatsvindt.


HOOFDSTUK 6

Intern beleid, met inbegrip van onderzoek

INHOUD

Inleiding

Specifieke beoordeling in het kader van de betrouwbaarheidsverklaring

Controledoelstellingen en reikwijdte van de controle

Beoordeling van de toezicht- en controlesystemen

Risicoanalyses

Toepassing van de internecontrolenormen van de Commissie

Beoordeling van geselecteerde werkterreinen

Analyse van de financiële audits achteraf van de Commissie op het gebied van IB

Resultaten van de verificatie van de onderliggende verrichtingen op IB-gebied

Beoordeling van de jaarlijkse activiteitenverslagen en de verklaringen van de directeuren-generaal

Follow-up van eerdere opmerkingen in het kader van de DAS

Conclusies en aanbevelingen

Follow-up van Speciaal verslag nr. 11/2003 „Life”

OPMERKINGEN VAN DE REKENKAMER

ANTWOORDEN VAN DE COMMISSIE

INLEIDING

6.1.

Het begrotingsterrein intern beleid, inclusief onderzoek („IB”) bestrijkt een groot scala van activiteiten die bijdragen tot de ontwikkeling van de interne markt; hiervoor zijn in 2004 9 010 miljoen euro aan verplichtingen aangegaan (zie grafiek 6.1 ) en 7 255 miljoen euro aan betalingen verricht (zie grafiek 6.2 ). Meer dan de helft van deze kredieten had betrekking op onderzoek en technologische ontwikkeling (OTO).

6.2.

De meeste IB-acties worden rechtstreeks door de Commissie beheerd (1). Over het algemeen wordt het IB uitgevoerd via diverse meerjarenprogramma's waarbij aan particuliere begunstigden en overheidsinstanties subsidies worden verleend voor de voltooiing van specifieke acties. Sommige acties, zoals onderzoek, zijn ingewikkeld van aard. De subsidies worden gewoonlijk betaald via voorschotten en vervolgens tussentijdse betalingen en saldobetalingen.

Image

Image

SPECIFIEKE BEOORDELING IN HET KADER VAN DE BETROUWBAARHEIDSVERKLARING

Controledoelstellingen en reikwijdte van de controle

6.3.

Met het oog op een bijdrage tot de betrouwbaarheidsverklaring van de Rekenkamer over de algemene begroting werd tijdens de controle beoordeeld in hoeverre de interne controles van de Commissie zekerheid verschaffen over de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen. De controle was gericht op (2):

a)

het functioneren van geselecteerde toezicht- en controlesystemen:

acht van de 24 internecontrolenormen van de Commissie voor drie directoraten-generaal: Onderzoek, Informatiemaatschappij en media en Gezondheid en consumentenbescherming,

de beheers- en controlesystemen van het zesde kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling (KP6) (3), van het Europees Vluchtelingenfonds (EVF) op het gebied van justitie, vrijheid en veiligheid (4) en van de communautaire acties op het gebied van volksgezondheid en consumentenbescherming (directoraat-generaal Gezondheid en consumentenbescherming) (5),

verslagen over de financiële audits achteraf van de Commissie;

b)

verificatie van een steekproef van in 2004 geautoriseerde verplichtingen en betalingen;

c)

de jaarlijkse activiteitenverslagen en verklaringen van de directeuren-generaal (6).

Beoordeling van de toezicht- en controlesystemen

Risicoanalyses

6.4.

De betalingen op het gebied van IB zijn hoofdzakelijk gebaseerd op de vergoeding van de door de begunstigde gedeclareerde kosten. In een dergelijk systeem bestaat het voornaamste inherente risico voor de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen in te hoge kostendeclaraties door de begunstigden, die tot te hoge betalingen kunnen leiden wanneer ze niet worden ontdekt tijdens de interne controles van de Commissie. Dit risico wordt vergroot door een veelheid aan contractbepalingen, onvoldoende duidelijke definities van de subsidiabele kosten en een gebrek aan sanctiemechanismen.

6.4.

In de jaarlijkse activiteitsverslagen van de directeuren-generaal wordt het probleem van de frequente fouten in de kostendeclaraties van de begunstigden bevestigd. Deze fouten kunnen in sommige gevallen leiden tot te hoge declaraties en in andere tot te lage declaraties. In dit verband worden verder specifieke maatregelen getroffen.

Met betrekking tot KP6, moet ook een vereenvoudiging van de regelgeving tot een verbetering van de situatie in de toekomst leiden (zie paragraaf 6.44).

6.5.

De door de Commissie verrichte controles bestaan hoofdzakelijk uit controles van de kostendeclaraties vóór de betaling (controles vooraf) en financiële audits bij de eindbegunstigden na de betaling (financiële audits achteraf). Grondige controles vooraf zouden het risico van te hoge betalingen kunnen verminderen. Het risico van niet-ontdekking blijft groot, daar sommige soorten fouten slechts via financiële audits achteraf kunnen worden opgespoord.

6.5.

Ingevolge actie 1 van het syntheseverslag over 2001 van de Commissie, werden de controles vooraf verscherpt. Meer bepaald kan op grond van een risicoanalyse worden geëist dat de begunstigde bewijsstukken indient tot staving van zijn kostendeclaratie. In het kader van hetzelfde actieplan werd het aantal audits achteraf opgevoerd, wat niet alleen het risico op fouten in de ingediende declaraties vermindert, maar ook een preventief effect heeft. In dit verband wordt ook gewezen op de invoering van de controlecertificaten.

Toepassing van de internecontrolenormen van de Commissie

Reikwijdte van de controle

6.6.

De toepassing en het functioneren van de internecontrolenormen zijn van essentieel belang voor het IB-terrein, aangezien de meeste betrokken middelen rechtstreeks door de Commissie zelf worden beheerd.

6.7.

De Rekenkamer heeft de uitvoering van acht (7) van de 24 normen bij de directoraten-generaal Onderzoek, Informatiemaatschappij en media en Gezondheid en consumentenbescherming onderzocht. De controle had ten doel, na te gaan of was voldaan aan de in de internecontrolenormen opgenomen minimumvereisten (basisvereisten).

Verdere verbeteringen in de toepassing van de internecontrolenormen noodzakelijk

6.8.

Over het algemeen was bij de directoraten-generaal Onderzoek, Informatiemaatschappij en media en Gezondheid en consumentenbescherming voldaan aan de basisvereisten voor de acht geselecteerde normen, maar verdere verbeteringen zijn met name in de volgende gevallen noodzakelijk:

6.8.

 

De controle bij het directoraat-generaal: Onderzoek wees uit dat norm 11, „Risicomanagement”, in 2004 nog niet ten volle in acht werd genomen. Maar er zijn wel stappen gezet om de naleving van deze norm in 2005 te vergemakkelijken.

In 2004 heeft het directoraat-generaal Onderzoek, overeenkomstig internecontrolenorm 11, een risicoanalyse van zijn activiteiten verricht en meer bepaald een analyse van de beheersrisico’s door de ex-post verificateurs bij iedere directie en een risicoanalyse door de interne auditfunctie met het oog op de opstelling van haar jaarlijks auditwerkprogramma. Deze twee analyses worden in 2005 nog aangevuld met een analyse van de strategische risico’s, die in 2004 is aangevat.

De controle bevestigde de opmerking in het Jaarverslag 2003 (8) met betrekking tot de ontoereikende inachtneming van norm 12, „Adequaatheid van de managementinformatie”. In de managementinformatie die bij het directoraat-generaal Onderzoek beschikbaar is, ontbreken een aantal gegevens over KP6 die de Rekenkamer als essentieel beschouwt ter garantie van een goed toezicht op een dergelijk programma (bijvoorbeeld basisgegevens over contractbeheer) (9).

Het directoraat-generaal Onderzoek heeft maatregelen genomen om die situatie in 2005 te verbeteren. Het heeft een werkgroep opgericht die een overzicht moet maken van de scoreborden die bij het directoraat-generaal en de directoraten zijn opgesteld en aanbevelingen moet doen voor de verbetering en harmonisatie van de bestaande instrumenten. Bovendien zijn de contractgegevens van KP6 sinds maart 2005 opgenomen in het maandelijkse scorebord.

Bij het directoraat-generaal Gezondheid en consumentenbescherming werd norm 22, „Interneauditdienst”, niet in acht genomen. Bij de eenheid Interne audit waren in 2004 een tijdlang twee van de drie posten vacant, hetgeen een belemmering vormde voor de uitvoering van het jaarlijkse auditwerkprogramma.

De geplande auditprogramma’s hadden inderdaad te lijden onder personeelsgebrek. Het directoraat-generaal Gezondheid en consumentenbescherming heeft de noodzakelijke maatregelen genomen om de gevolgen te beperken, maar enkele aanpassingen van het auditprogramma waren onvermijdelijk.

Het directoraat-generaal Gezondheid en consumentenbescherming voldeed slechts gedeeltelijk aan norm 18, „Registreren van uitzonderingen”, doordat de bestaande procedure beperkt was tot uitzonderingen met betrekking tot de financiële en contractuele procedures.

Het directoraat-generaal Gezondheid en consumentenbescherming zal nadere richtsnoeren opstellen voor de behandeling van uitzonderingen op niet-financiële procedures, met name wat betreft het ordonnateursniveau, de formele vereisten voor de registratie en de follow-up van activiteiten.

Beoordeling van geselecteerde werkterreinen

6.9.

De Rekenkamer onderzocht de beheers- en controlesystemen voor het KP6, voor het EVF en voor de communautaire acties op het gebied van volksgezondheid en consumentenbescherming (zie bijlage 2 ). Het functioneren van de belangrijkste controles werd geverifieerd op basis van een steekproef van verrichtingen (10) (zie de paragrafen 6.25 t/m 6.35).

KP6

Gemeenschappelijk IT-systeem nog niet volledig operationeel

6.10.

Het gebruik van een gemeenschappelijk IT-systeem is een essentiële factor voor de doeltreffendheid van de interne controles van de Commissie (11). De Commissie heeft in 2002 de ontwikkeling van een dergelijk systeem voor de diverse stadia van het beheer van de OTO-werkzaamheden onder contract ter hand genomen (evaluatie van het voorstel, onderhandelingen en selectie, contract- en projectbeheer). In 2004, twee jaar voor het eind van de programmeringsperiode voor KP6, was er geen gemeenschappelijk of geïntegreerd IT-systeem volledig operationeel, ondanks de verklaarde wil van de Commissie, zo'n systeem in te voeren (12). Deze (reeds in 2003 geconstateerde (13)) situatie is van invloed op het efficiënte functioneren van de interne controles van alle beheersterreinen van KP6, met name die welke verband houden met de goedkeuring van verplichtingen en betalingen en de opstelling van beheersindicatoren met betrekking tot internecontrolenorm 12. Dit werd bevestigd door een voorstel voor een punt van voorbehoud in een van de verklaringen van de ordonnateurs in verband met het IT-systeem en door de moeite die de Commissie had met het verstrekken van nadere gegevens over KP6-acties.

6.10.

Bij de ontwikkeling van het IT-systeem voor KP6 moet er rekening mee worden gehouden dat de behoeften inzake interne integratie van bedrijfsprocessen binnen ieder directoraat-generaal en de behoeften inzake externe, het directoraat-generaal overschrijdende integratie uiteenlopen. In de zomer van 2004 zijn alle onderzoeksdirectoraten-generaal tot overeenstemming gekomen over een gemeenschappelijke beheersstructuur voor het toezicht op de ontwikkeling van het IT-systeem voor KP6.

De uiteenlopende behoeften en bedrijfsprocessen van de onderzoeksdirectoraten-generaal hebben echter tot nog toe geresulteerd in een geïntegreerd systeem in plaats van een gemeenschappelijk systeem.

De Commissie is van mening dat de ontwikkeling van een geïntegreerd IT-systeem belangrijk is voor het beheer van indirecte OTO-werkzaamheden en zal haar inspanning op dit gebied voortzetten, met name wat betreft de processen die invloed hebben op de betrekkingen met indieners van voorstellen en contractanten en die van belang zijn voor rapportering en managementinformatie.

Er bestaan specifieke workflow-instrumenten, zowel op het centrale als het lokale niveau, voor de goedkeuring van KP6-betalingsverplichtingen en -betalingen.

De opmerking over internecontrolenorm 12 betreft het directoraat-generaal Onderzoek en wordt behandeld in paragraaf 6.8.

De verplichting, controlecertificaten te verstrekken

6.11.

Een van de belangrijkste door KP6 ingevoerde wijzigingen ter vermindering van het risico van fouten bij de eindbegunstigden is het voorschrift dat de bij de Commissie gedeclareerde kosten moeten worden gecertificeerd door een externe controleur (14). Deze certificaten maken deel uit van de controlesystemen van de Commissie. De door de Rekenkamer verrichte controles brachten niet-subsidiabele kosten (15) aan het licht waarop niet was gewezen in de desbetreffende controlecertificaten die bij de Commissie waren ingediend ter onderbouwing van de betalingsaanvraag.

6.11.

Het hoofddoel van controlecertificaten is om de Commissie bijkomende zekerheid te bieden over de vraag of gedeclareerde kosten werkelijk gemaakt en exact zijn. In de praktijk sluiten zij echter niet alle fouten uit. Wellicht zal de doeltreffendheid van de controlecertificaten bij het opsporen van fouten toenemen naarmate men er meer ervaring mee krijgt. De Commissie is van plan dat verbeteringsproces te versnellen via gerichte informatie aan de begunstigden en controleurs en een doorlopende evaluatie van de bijdrage van controlecertificaten tot het algemene controlesysteem.

EVF

Verplichte verificaties van acties door een lidstaat niet verricht

6.12.

De lidstaten moeten door middel van verificaties van ten minste 20 % van de totale subsidiabele uitgaven garanderen dat de actie overeenkomstig de geldende communautaire regelgeving wordt beheerd en dat de middelen hun ter beschikking worden gesteld overeenkomstig de beginselen van goed financieel beheer (16). In strijd met de voorschriften terzake werden in één bezochte lidstaat de verificaties van de bewijsstukken niet gevolgd door controles ter plaatse van de acties. Dit bevestigt de opmerkingen in het Jaarverslag 2003 (17) over „in de lidstaten aangetroffen tekortkomingen in de controlesystemen”.

6.12.

De Commissie helpt de lidstaten de controlesystemen van het Europees Vluchtelingenfonds (EVF) te verbeteren, met name via monitoringbezoeken en controles ter plaatse. Daarnaast zal de Commissie specifieke werkvergaderingen organiseren over controlesystemen en goede beheerspraktijken: programmering van de acties, follow-up van projecten, controle op de uitgaven, enz.

De Commissie is van mening dat de organisatie van inspectiebezoeken een goede benadering is, al is dit niet uitdrukkelijk voorgeschreven in de regelgeving over het EVF. Sinds de start van het programma voor 2004 controleert de betrokken lidstaat alle projecten via een controle ter plaatse.

Delegatie van taken in één lidstaat niet conform het Financieel Reglement

6.13.

Zoals de Commissie reeds had ontdekt gedurende een controlebezoek aan een lidstaat, waren bepaalde kerntaken van het beheer van de EVF-acties door de nationale overheid aan een particuliere firma (18) gedelegeerd. Dit is niet in overeenstemming met het Financieel Reglement wat betreft de delegatie van taken aan derden. De door de Commissie aanbevolen corrigerende maatregelen liepen vertraging op.

6.13.

Tijdens een monitoringbezoek heeft de Commissie vastgesteld dat buitensporig veel taken werden gedelegeerd. Dit werd onmiddellijk gesignaleerd aan de nationale autoriteiten. In de aanbestedingsprocedure voor de vernieuwing van het contract werd strikter omschreven welke taken mogen worden gedelegeerd.

Niet-subsidiabiliteit van uitgaven

6.14.

Vorig jaar (19) trof de Rekenkamer gebreken aan in het beheer van de repatriëringsmaatregelen die verband hielden met de niet-inachtneming van subsidiabiliteitscriteria. Dit jaar deden zich nog meer problemen voor die de niet-inachtneming van de subsidiabiliteit van de doelgroepen betroffen en die slechts kunnen worden opgelost door wijzigingen in de rechtsvoorschriften (zie paragraaf 6.34).

6.14.

In het algemeen heeft de Commissie getracht de lidstaten te begeleiden zodat zij de bestaande regelgeving over de subsidiabiliteit van de doelgroepen exact toepassen. Daarnaast blijft de Commissie waakzaam bij de controle van de kostendeclaraties. Zo werd, na een controle achteraf in een lidstaat, een financiële correctie toegepast omdat de uitgaven niet subsidiabel waren.

De Commissie is van mening dat de subsidiabiliteitscriteria in acht zijn genomen voor asielzoekers wier aanvraag werd afgewezen (zie paragraaf 6.34).

Overigens werd het juridische kader met betrekking tot het begrip „land van oorsprong” verduidelijkt in Richtlijn 2004/83/EG van de Raad en in de nieuwe rechtsgrond voor het EVF2 die in december 2004 werd aangenomen.

Communautaire acties op het gebied van volksgezondheid en consumentenbescherming

6.15.

Een groot deel van het budget voor het volksgezondheidsprogramma (20) wordt besteed aan de cofinanciering van projecten die zijn geselecteerd naar aanleiding van jaarlijkse uitnodigingen tot het doen van voorstellen. Op het gebied van consumentenbescherming (21) wordt jaarlijks een uitnodiging gedaan tot het doen van voorstellen voor specifieke projecten. Het leeuwendeel van het jaarbudget wordt echter uitgevoerd via rechtstreeks gesloten contracten voor studies en diensten, en samen met de lidstaten uitgevoerde acties. Voor beide terreinen is het directoraat-generaal Gezondheid en consumentenbescherming verantwoordelijk.

Analyse van de procedures

6.16.

Het beheer en de controle van de uitvoering van deze activiteiten worden meestal verricht door de afzonderlijke directoraten. Op het centrale niveau van het directoraat-generaal vindt echter op basis van steekproeven nog een extra verificatie vooraf van de financiële verrichtingen plaats. Een „Comité inzake overheidsopdrachten” geeft adviezen over de conformiteit van de aanbestedingsprocedures en een team voor financiële controle achteraf verricht audits bij de eindbegunstigden. De functie „interne audit” dient de directeur-generaal van advies over de kwaliteit van het beheer en de internecontroleprocedures.

6.17.

De Rekenkamer heeft de in 2004 ingevoerde procedures onderzocht en toereikend bevonden. Tijdens de controle van de onderliggende verrichtingen werden echter fouten ontdekt (zie paragraaf 6.29) die erop wijzen dat de procedures in het verleden niet constant en consequent werden toegepast. Het Financieel Reglement werd niet ten volle nageleefd, vooral wat het volgende betreft:

6.17.

Zie paragraaf 6.29.

Het Financieel Reglement bepaalt dat alle betalingen moeten worden geverifieerd. Wat betreft de voorschotbetalingen wees niets erop dat de ordonnateur stelselmatig verificaties vooraf verrichtte.

De financiële kanalen bij het directoraat-generaal Gezondheid en consumentenbescherming zijn overeenkomstig het Financieel Reglement opgezet, waarbij rekening is gehouden met de risico’s die inherent zijn aan de verschillende financiële verrichtingen. In het geval van voorschotbetalingen is het de verantwoordelijke ordonnateur die persoonlijk de nodige verificaties verricht alvorens hij de uitgave goedkeurt. Deze controles zullen beter worden gedocumenteerd.

De procedures omvatten niet de in het Financieel Reglement voorgeschreven raming van de als rente op voorfinancieringen te ontvangen bedragen (zie paragraaf 6.28).

De Commissie heeft het probleem van de proportionaliteit erkend en stelt voor, het bestaande Financieel Reglement en de uitvoeringsvoorschriften te wijzigen om drempelbedragen voor voorfinancieringen in te voeren. Als die drempelbedragen niet overschreden worden, hoeft geen raming van te ontvangen bedragen te worden gemaakt of hoeft de werkelijk opgelopen rente niet te worden teruggevorderd. Intussen zal het directoraat-generaal Gezondheid en consumentenbescherming de procedures met betrekking tot de raming van renteopbrengsten in overeenstemming brengen met het Financieel Reglement.

Analyse van de financiële audits achteraf van de Commissie op het gebied van IB

6.18.

In de programma's inzake intern beleid worden de meeste subsidies rechtstreeks aan de eindbegunstigde betaald en is er geen cofinanciering door andere overheidsinstanties. Daarom moet er zekerheid worden verkregen door financiële audits achteraf bij de begunstigden. Deze audits, die worden verricht door hetzij de auditdiensten van de diverse directoraten-generaal, hetzij namens de Commissie door externe accountantskantoren (EA's), zijn gericht op de door de begunstigden ter terugbetaling ingediende kostendeclaraties. Bovendien verlangt de Commissie voor sommige begrotingsterreinen dat de begunstigden een certificaat van een onafhankelijke controleur (zie paragraaf 6.11) ter onderbouwing van de kostendeclaraties overleggen (22).

6.19.

De controle van de Rekenkamer omvatte:

een analyse van de ontwikkeling van het aantal, de resultaten en de reikwijdte van de audits in vergelijking met voorgaande jaren;

een analyse van de controlebevindingen bij een steekproef van auditverslagen van de EA's;

een beoordeling van een steekproef van controleverslagen van de Commissie met betrekking tot indirecte onderzoekscontracten en door het directoraat-generaal Milieu gefinancierde maatregelen.

Ontwikkeling van de uitgevoerde audits

6.20.

Uit de analyse van de Rekenkamer is het volgende gebleken:

6.20.

 

in 2004 is het aantal auditwerkzaamheden weliswaar bij sommige directoraten-generaal gestegen, maar in het algemeen afgenomen ( tabel 6.1 ) van 552 voltooide audits in het voorgaande jaar tot 496 (hetgeen overeenkomt met 2 % van de lopende contracten), maar de terugvorderbare bedragen zijn wel gestegen (23);

De situatie verschilt sterk van het ene directoraat-generaal tot het andere, omdat onder hoofdstuk 6 tal van uiteenlopende beleidsmaatregelen vallen. Er wordt op gewezen dat er in 2004 het grootste deel van het jaar geen externeauditcapaciteit voor de OTO-kaderprogramma’s voorhanden was. Er loopt thans een nieuw contract voor externeauditwerkzaamheden.

uit audits die vijf directoraten-generaal de afgelopen zes jaar hebben verricht valt af te leiden dat het na een financiële audit terugvorderbare bedrag positief lijkt te zijn gecorreleerd aan het aantal gecontroleerde contracten (zie grafiek 6.3 ). Daarom is het vermeldenswaard dat het doel dat de Commissie zichzelf heeft gesteld, namelijk 10 % van alle contractanten in het kader van KP5 te controleren, niet is bereikt (zie tabel 6.2 ) (24).

Het auditprogramma voor KP5 wordt verder ten uitvoer gelegd en de vastgestelde streefdatum is eind 2007. De Commissie verricht nog steeds op grote schaal audits achteraf. De Commissie bevestigt echter dat zij haar algemene doelstelling om voor 10 % van alle KP5-contractanten een audit uit te voeren, wellicht zal moeten bijstellen, ook al is het streefcijfer door sommige ’directoraten-generaal reeds overschreden. Het aantal KP5-contractanten dat uiteindelijk voor een audit in aanmerking komt, ligt immers aanzienlijk hoger dan verwacht.

Tabel 6.1 — Terrein Intern beleid — Controles door (of namens) de Commissie afgerond in 2004  (25)

Directoraat-generaal

Aantal afgeronde controles

Aantal gecontroleerde contracten

Aantal openstaande contracten

Waarde van gecontroleerde contracten

(miljoen euro)

Waarde van openstaande contracten

(miljoen euro)

Aanpassingen van de subsidiabele kosten ten gunste van de Commissie als gevolg van de audits (exclusief aanpassingen ten gunste van de contractanten)

2003

2004

2003

2004

2003

2004

2003

2004

2003

2004

2003

2004

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bedragen (miljoen euro)

% waarde van de gecontroleerde contracten

Bedragen (miljoen euro)

% waarde van de gecontroleerde contracten

AGRI — Landbouw

12 (27)

5

19

6

268

245

29,78

16,18

52,87

42,54

0,75

2,5

0,00 (30)

0,0

EAC — Onderwijs en cultuur

126

75

173

80

19 424

15 884

95,46

31,20

743,88

740,30

2,43

2,5

1,40

4,5

EMPL — Werkgelegenheid en sociale zaken

17

25

19

27

1 559

1 639

7,11

11,53

125,90

139,56

0,18

2,6

0,14

1,2

TREN — Energie en vervoer

25

59

37

89

1 630

1 508

52,92

504,00

2 061,65

1 860,00

2,53 (32)

4,8

14,91 (33)

3,0

ENTR — Ondernemingen en industrie

28

43

41

64

1 463

1 684

39,66

38,12

162,46

221,96

0,02

0,0

1,00

2,6

ENV — Milieu

23

42

52

73

1 711

1 748

35,68

20,25

352,65

385,87

0,21

0,6

0,57

2,8

FISH — Visserij en maritieme zaken (26)

31

18

64

41

216

238

74,20

12,23

233,43

270,01

3,90

5,3

1,16 (28)

9,5

JLS — Justitie, vrijheid en veiligheid

8

8

30

47

923

901

3,62

19,93

95,88

117,00

0,80

22,1

1,62

8,1

SANCO — Gezondheid en consumentenbescherming (31)

0

8

0

12

nb

522

0,00

4,60

123,60

153,90

0,00

0,0

0,20

4,3

INFSO — Informatiemaatschappij en media

74

95

197

230

2 859

2 320

64,69

115,37

3 040,00

1 745,00 (29)

4,49

6,9

8,20

7,1

RTD — Onderzoek

208

118

258

167

8 229

7 696

181,35

263,40

3 045,00

3 451,39

3,05

1,7

2,79

1,1

Totaal

552

496

890

836

38 282

34 385

584,47

1 036,81

10 037,31

9 127,53

18,36

3,1

31,99

3,1

Bron: Europese Commissie.

Tabel 6.2 — Directoraten-generaal die de OTO-kaderprogramma’s beheren Overzicht van afgesloten KP5-controles (2001-2004)

Verantwoordelijk directoraat-generaal

Totaal aantal afgesloten KP5-controles

Totaal aantal gecontroleerde KP5-contracten

2001

2002

2003

2004

Totaal

2001

2002

2003

2004

Totaal

DG RTD

Intern

1

25

19

12

57

1

28

23

18

70

Extern

1

88

177

100

366

1

105

218

142

466

Totaal DG

2

113

196

112

423

2

133

241

160

536

DG INFSO

Intern

0

4

2

2

8

0

4

2

2

8

Extern

0

8

58

91

157

0

10

159

225

394

Totaal DG

0

12

60

93

165

0

14

161

227

402

DG TREN

Intern

0

0

1

0

1

0

0

1

0

1

Extern

0

7

7

41

55

0

17

13

58

88

Totaal DG

0

7

8

41

56

0

17

14

58

89

DG ENTR (34)

Intern

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Extern

0

5

21

34

60

0

5

25

51

81

Totaal DG

0

5

21

34

60

0

5

25

51

81

DG FISH

Intern

1

15

20

16

52

1

17

24

30

72

Extern

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Totaal DG

1

15

20

16

52

1

17

24

30

72

Totaal intern

2

44

42

30

118

2

49

50

50

151

Totaal extern

1

108

263

266

638

1

137

415

476

1 029

Totaal

3

152

305

296

756

3

186

465

526

1 180

N.B.: Totaal aantal KP5-contractanten (EG en Euratom): 23 375. Doelstelling van de Commissie is dus 2 337 afgesloten controles.

Het aantal van 23 375 moet echter worden verfijnd, aangezien contractanten er meerdere keren in kunnen voorkomen.

Het bevat een groot aantal minder belangrijke contractanten, d.w.z. contractanten met een bijdrage van minder dan 20 000 euro.

Bron: Commissie.

Image

Door externe accountantskantoren verrichte audits: reikwijdte en tijdsduur

6.21.

De resultaten van de audits die EA’s namens de Commissie hebben uitgevoerd, zijn onderzocht om te beoordelen of ze een geldige bron van informatie voor de beoordeling van de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen vormen. Bij de betrokken directoraten-generaal (de directoraten-generaal Onderzoek, Energie en vervoer, Informatiemaatschappij en media en Ondernemingen en industrie) werd een steekproef van 31 auditdossiers onderzocht.

6.22.

De contractuele opdracht van de EA’s blijft beperkt tot het verifiëren van de kostendeclaraties bij de begunstigden. Andere kwesties die van invloed zijn op de wettigheid en regelmatigheid van de verrichtingen, zoals het bereiken van contractuele doelstellingen of de tijdige levering van contractueel overeengekomen prestaties door de begunstigde, die soms door de externe controleur zouden kunnen worden geverifieerd, worden niet aan dergelijke audits onderworpen.

6.22.

Op het bereiken van de (wetenschappelijke/technische) doelstellingen wordt toezicht gehouden door de verantwoordelijke wetenschappers van de Commissie, die de periodieke verslagen van de begunstigden beoordelen. De wetenschappelijke evaluatie gebeurt tevens door een panel van onafhankelijke deskundigen dat nagaat of de wetenschappelijke projectresultaten overeenstemmen met de contractbepalingen. Financiële controleurs hebben niet de vereiste deskundigheid om wetenschappelijke projectresultaten te beoordelen. Zij moeten dan ook slechts nagaan of de gedeclareerde bedragen in overeenstemming zijn met de financiële bepalingen van het contract.

6.23.

De analyse van een steekproef van auditverslagen heeft uitgewezen dat er tussen het begin en de afronding van een audit gemiddeld 416 dagen verstreken. Al is een zeker tijdsverloop voor de voltooiing van het auditproces onvermijdelijk, soms is de geconstateerde tijdsduur buitensporig lang (van 94 tot 770 dagen) (35) (zie tabel 6.3 ). Nu vrijwel alle audits fouten in de kostendeclaraties aan het licht brachten, maakt een zo lange tijdsduur een tijdige terugvordering van ten onrechte verkregen subsidies of, omgekeerd, een tijdige betaling door de Commissie aan de begunstigden onmogelijk.

6.23.

De procedure bij de start van gegroepeerde audits bestaat erin dat de Commissie aan alle contractanten meedeelt dat er namens de Commissie een audit zal worden verricht door een extern accountantskantoor. Het eigenlijke veldwerk begint meer dan drie maanden later (gemiddeld 100 dagen) afhankelijk van de planning van de externe accountantskantoren. Die tijd moet worden afgetrokken van de aan de audit bestede tijd. Na afronding van het verslag volgt een periode van 30 dagen waarin met de contractant wordt overlegd (artikel 26, lid 3, van bijlage II van het KP5-modelcontract). Het tijdsverloop tussen de aanvang en de afronding van een audit varieert bijgevolg van twaalf tot 15 maanden (365 tot 450 dagen). In uitzonderlijke gevallen, wanneer een ingewikkelde audit moet worden verricht en contractuele problemen moeten worden opgelost, of wanneer nieuwe kostendeclaraties worden ingediend, kan dit verder uitlopen.

In het algemeen worden gegroepeerde audits die worden verricht via externe accountantskantoren afgerond in negen tot twaalf maanden (270 tot 365 dagen), overeenkomstig het contract met de externe accountantskantoren. De contractuele regelingen met de accountants bieden de mogelijkheid om boetes op te leggen wanneer de opdracht niet binnen de vastgestelde termijn is afgerond (1,5 % van de contractwaarde voor iedere maand vertraging). De Commissie heeft die boetes systematisch toegepast.

Tabel 6.3 — Aantal dagen benodigd voor de voltooiing van de financiële audits van de Commissie

DG

Aantal controles in de steekproef

Gemiddeld aantal dagen

Totale tijdsduur

Vanaf de kennisgeving aan de contractant tot aan het auditverslag

Vanaf het auditverslag tot aan het uitvoeringsbesluit (36)

Totaal

Min

Max

INFSO

10

357

149

506

355

770

RTD

12

334

47

381

247

605

TREN

7

244

148

392

301

475

ENTR

2

168

101

269

94

443

4 DG's

31

310

106

416

94

770

Bron: Analyse van de Rekenkamer.

Ontoereikende follow-upprocedures voor financiële audits achteraf bij het directoraat-generaal Milieu

6.24.

De analyses door de Rekenkamer van auditverslagen en -dossiers bij het directoraat-generaal Milieu, opgesteld door de auditeenheid van dit directoraat-generaal, geven aanleiding tot de volgende opmerkingen (37):

6.24.

 

De invorderingsopdrachten worden te laat gegeven: in 2003 bevalen de eigen controleurs van de Commissie de terugvordering van 391 000 euro aan. Tegen november 2004 was slechts 54 % van dit bedrag werkelijk teruggevorderd van de begunstigden, gedeeltelijk wegens een lopend OLAF-onderzoek. Hoewel het gemiddelde tijdsverloop tussen de ontvangst van het definitieve auditverslag en de opstelling van een invorderingsopdracht terugliep van 152 dagen in 2003 tot 138 dagen in 2004, is dit nog steeds buitensporig lang. De begunstigden betaalden daarentegen gemiddeld binnen 50 dagen nadat de invorderingsopdracht was gegeven.

De eindverslagen van audits achteraf worden naar de operationele eenheden gestuurd, die de begunstigde in kennis stellen van het resultaat van de audit en hem verzoeken zijn verdere opmerkingen te geven of aanvullende stukken over te leggen. Pas wanneer de begunstigde heeft geantwoord, neemt de gesubdelegeerde ordonnateur een beslissing over het al dan niet geven van een invorderingsopdracht. Zoals het Financieel Reglement voorschrijft, moet de begunstigde ook een voorafgaande schriftelijke kennisgeving ontvangen voordat de invorderingsopdracht wordt gegeven en de debetnota wordt verstuurd. Rekening houdend met die overlegperiode is een tijdspanne van meerdere weken tussen de ontvangst van het auditverslag en het nemen van corrigerende maatregelen onvermijdelijk.

Ontoereikend toezicht op de contracten: uit de meeste onderzochte dossiers van de Commissie bleek nergens dat de technische eenheden over de follow-upacties feedback hadden gezonden naar de auditeenheden. Wanneer de technische eenheden problemen constateren of in de auditverslagen documenteren, duurt het lang voordat de betrokken diensten besluiten tot een adequate actie, zoals een verificatie bij de begunstigde, verlaging van de saldobetaling of het afgeven van een invorderingsopdracht. In één geval werd de beslissing om een controle ter plaatse te verrichten pas 16 maanden na de saldobetaling genomen.

Er wordt erkend dat een formeler en duidelijker procedure voor de follow-up van auditresultaten bij het directoraat-generaal Milieu moet worden vastgelegd.

Sinds eind 2004 werkt de auditeenheid voor controles achteraf met een monitoringschema en -methode die de technische eenheden eraan moeten herinneren om informatie door te sturen over de maatregelen die zij op grond van de auditverslagen hebben genomen.

Voor het geval dat een audit bij opdrachtnemers die via meerdere contracten EU-middelen ontvangen, fouten aan het licht brengt die als systematisch kunnen worden beschouwd, is niet voorzien in procedures om de andere betrokken diensten van de Commissie te informeren of audits van de andere contracten te gaan verrichten (38).

Nu de hervorming van het boekhoudsysteem aan de gang is (en met name een register van contracten en juridische entiteiten is opgesteld), valt het te overwegen om op het niveau van de Commissie een meer algemeen netwerk voor informatie-uitwisseling op te zetten.

Resultaten van de verificatie van de onderliggende verrichtingen op IB-gebied

6.25.

De dossiers van de Commissie zijn beoordeeld aan de hand van een algemene steekproef van 107 betalingen (39) en acht verplichtingen die op het IB-terrein waren geselecteerd; bij 25 tussentijdse en saldobetalingen in de steekproef werd de audit uitgebreid tot het niveau van de eindbegunstigde. De bevindingen bevestigen de in de systemen geconstateerde gebreken (zie de paragrafen 6.9 t/m 6.17).

Bij de Commissie waren de fouten frequent, maar niet van materieel belang

6.26.

Het onderzoek van de dossiers van de Commissie wees uit dat zich bij 58 van de 107 betalingen problemen inzake de wettigheid en regelmatigheid voordeden (40). De meeste onregelmatigheden werden reeds vorig jaar geconstateerd (41) en de meest voorkomende hebben betrekking op:

Meer dan een maand uitgestelde betalingen

6.27.

Bij 20 % van de betalingen werd het Financieel Reglement niet nageleefd: ze werden te laat verricht en de vertraging bedroeg in de meeste gevallen meer dan een maand (42). De Commissie heeft het bedrag aan rente over de te late betalingen niet geraamd en voor deze verplichting geen voorziening in haar boekhouding opgenomen.

6.27.

De Commissie erkent dat de betalingstermijnen vaak te lang zijn en moeten worden verkort. Voor tal van gevallen die de Rekenkamer vermeldt in voetnoot 31 heeft zij echter de achterliggende redenen verduidelijkt.

De Commissie heeft beslist dit probleem aan te pakken en er zijn reeds maatregelen genomen, die zowel de interne financiële kanalen als de werkwijze van de betrokkenen betreffen. Dat er geen voorziening moet worden aangelegd voor rente wegens laattijdige betaling blijkt uit het bijzonder kleine bedrag waarop aanspraak is gemaakt.

Niet-naleving van het Financieel Reglement met betrekking tot de rente over voorfinancieringen

6.28.

Het Financieel Reglement schrijft voor dat de rente over middelen die eigendom van de Europese Gemeenschappen zijn, moet worden geraamd en in de communautaire begroting opgenomen (43). Bij de meeste programma's worden de voorlopige ramingen niet consequent of helemaal niet verricht. Bovendien is de huidige definitie van rente in de contracten te vaag om de diensten van de Commissie in staat te stellen de opgelopen rente naar behoren te ramen (44).

6.28.

De Commissie heeft het probleem van de proportionaliteit erkend en stelt voor, het bestaande Financieel Reglement en de uitvoeringsvoorschriften te wijzigen om drempelbedragen voor voorfinancieringen in te voeren. Als die drempelbedragen niet overschreden worden, hoeft geen raming van te ontvangen bedragen te worden gemaakt of hoeft de werkelijk opgelopen rente niet te worden teruggevorderd. Daarnaast meent de Commissie dat de definitie van rente voldoende duidelijk is en dat de begunstigden de rente dienen op te geven.

Niet-inachtneming van de procedures voor de toekenning van subsidies

6.29.

Van de 43 onderzochte procedures voor de toekenning van subsidies waren er vier niet regelmatig wegens de samenstelling van het evaluatiecomité, de niet-subsidiabiliteit van de begunstigde, het ontbreken van een door de instelling genomen financieringsbesluit of het verlenen van subsidie zonder enige uitnodiging tot het indienen van voorstellen. In vijf andere gevallen met betrekking tot de toekenning van subsidies voor acties op het gebied van volksgezondheid kon niet worden uitgemaakt of voor de gefinancierde projecten binnen de termijn complete voorstellen waren ingediend, en in zes gevallen waren de procedure en de resultaten van de evaluatie van het voorstel niet afdoende gedocumenteerd.

6.29.

Wat de sector Onderzoek betreft, maakt de Rekenkamer bezwaar tegen de toewijzing van een beurs aan een aanvrager die voortijdig heeft verklaard in het bezit van zijn diploma te zijn. Deze situatie wordt momenteel rechtgezet.

Wat de sector volksgezondheid betreft, hebben de door de Rekenkamer geïdentificeerde tekortkomingen betrekking op subsidies die in 2000, 2001 en 2002 in het kader van de vorige acht afzonderlijke programma's voor de volksgezondheid zijn verleend. Besluit nr. 1786/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad heeft de acht programma's vervangen door een communautair actieprogramma op het gebied van de volksgezondheid (2003-2008). Tegelijk zijn de regels en procedures voor de financiering van acties aanzienlijk verbeterd en zijn de nodige maatregelen getroffen om dit soort problemen voortaan te vermijden.

Groot aantal fouten bij de eindbegunstigden

Evenals in voorgaande jaren overdeclareren de begunstigden de kosten (45)

6.30.

Gemiddeld werden de kosten voor de zeven KP5-acties die bij de eindbegunstigden werden gecontroleerd en waarmee in totaal ongeveer 6 miljoen euro was gemoeid, meer dan 12 % te hoog opgegeven ten gevolge van niet-subsidiabele uitgaven of ontbrekende bewijsstukken betreffende de uitgaven. Dit percentage overdeclaratie ligt hoger dan het bij de audits van de Commissie geconstateerde gemiddelde percentage (3,1 %) (zie tabel 6.1 ). Bij KP5 brachten de 286 financiële audits van de Commissie een gemiddeld overdeclaratiepercentage van 4,6 % aan het licht.

6.30.

De Commissie accepteert de opmerkingen van de Rekenkamer voor twee van de zeven door de Rekenkamer gecontroleerde acties; zij zal hiervoor corrigerende maatregelen treffen. Over vier acties wordt nog met de begunstigden overlegd. In één geval is de Commissie het niet met de uitleg van de Rekenkamer eens.

6.31.

Wanneer overdeclaraties van kosten werden ontdekt, constateerde de Rekenkamer ook dat de door de Commissie uitgevoerde controles op de kostendeclaraties die de begunstigden vóór de betaling hadden ingediend, in de meeste gevallen niet meer inhielden dan een eenvoudige rekenkundige verificatie, in plaats van een aansluiting van de kostendeclaraties met een steekproef van bewijsstukken (zoals werktijdregistraties of bijgevoegde facturen). Laatstgenoemd type controles van geselecteerde documenten zou het mogelijk hebben gemaakt, inconsequenties of zelfs fouten in de kostendeclaraties op te sporen. Dit zou het de begunstigden ook gemakkelijker maken, te voldoen aan hun verplichting om hun uitgaven goed te onderbouwen.

6.31.

De betalingen worden verricht op basis van de door de begunstigden ingediende kostendeclaraties. Sommige directoraten-generaal voeren al plausibiliteitscontroles op deze declaraties uit en verlangen bewijsstukken voor een deel van de kosten.

Ter verdere verbetering van de bureaucontroles op onderzoeksgebied zijn het directoraat-generaal Informatiemaatschappij en media en het directoraat-generaal Ondernemingen en industrie in 2003 een proefproject inzake grondige bureaucontroles gestart. Dit project is in 2004 uitgevoerd en wordt in 2005 geëvalueerd, met name vanuit het oogpunt van de kosten-batenverhouding. Bij deze grondige bureaucontroles werd meer informatie gevraagd, bijvoorbeeld tijdkaarten en bewijsstukken voor uurtarieven en reiskosten. Op die manier kon meer zekerheid worden verkregen, hoewel bereik en omvang van bureaucontroles per definitie beperkt zijn.

Voor het project in rekening gebrachte personeelskosten vaak niet gemotiveerd

6.32.

Bij de meeste IB-programma's vormen personeels- en aanverwante kosten de hoofdmoot van de terugbetaalde uitgaven:

6.32.

 

Bij OTO-acties moeten de begunstigden de voor het project in rekening gebrachte tijd registreren en certificeren. In 50 % van de gevallen die de Rekenkamer heeft onderzocht, voldeed het door de begunstigde opgezette systeem niet aan de contractbepalingen of bestond het niet eens. Behalve dat er relevante auditinformatie ontbreekt, betekent dit ook dat er belangrijke informatie ontbreekt voor het verifiëren van de noodzaak van de uitgaven die zijn gedaan om de in de werkbeschrijving opgenomen werkzaamheden te verrichten. Of er een tijdregistratiesysteem bestaat wordt hoofdzakelijk via controle achteraf bij de begunstigden geverifieerd.

In de contracten is vastgelegd dat alle kostendeclaraties die bij de Commissie voor vergoeding worden ingediend, afdoende moeten worden gedocumenteerd. Bij KP5 is het gebruikelijk dat de auditdiensten van de Commissie eventuele sancties laten afhangen van de ernst van de niet-naleving van de contractbepalingen.

Op het gebied van volksgezondheid en consumentenbescherming konden de meeste ter plaatse gecontroleerde begunstigden (vier van de vijf) geen afdoende bewijzen overleggen dat alle gedeclareerde personeelsuitgaven ook werkelijk waren gedaan en voor het project relevant waren. Dit is gedeeltelijk te wijten aan het ontbreken van een uitdrukkelijke bepaling in de subsidieovereenkomsten waarin de begunstigden worden verplicht, de tijd te registreren en rekeningen bij te houden waarin de kosten aan een specifiek project worden toegewezen. Bijgevolg is het bedrag aan personeelskosten dat bij de Commissie wordt gedeclareerd en door haar wordt gecofinancierd, vaak slechts een schatting.

Als de begunstigden aan de strengere eis moeten voldoen om een analytische boekhouding bij te houden, zou dat de administratieve lasten voor sommigen van hen aanzienlijk verzwaren, zonder dat de Commissie daardoor per se meer zekerheid verkrijgt. Bij wijze van alternatief investeert het directoraat-generaal Gezondheid en consumentenbescherming meer in de beschrijving en analyse van de voorgestelde projecten. De projecten worden nu onderverdeeld in werkpakketten die gemakkelijker geëvalueerd en op elkaar afgestemd kunnen worden. Dit verhoogt de nauwkeurigheid en zorgt ervoor dat de voor de projecten overeengekomen budgetten beter aansluiten op de schattingen van de middelen die voor het welslagen van de projecten noodzakelijk worden geacht.

Andere kwesties

KP6

6.33.

De controle van verrichtingen bij de Commissie en de eindbegunstigden wees uit dat zich door gebreken in het controlesysteem de volgende fouten voordeden:

6.33.

 

De Commissie bracht betalingen betreffende acties van eerdere kaderprogramma's (KP4 en KP5) ten laste van operationele begrotingsmiddelen van KP6. Dit is in strijd met het beginsel van specialiteit van de begroting (46). De meeste ontdekte gevallen (47) waren gefinancierd met de begrotingsmiddelen die afkomstig waren van bijdragen aan KP6 van landen die niet tot de Europese Economische Ruimte behoren.

Hoewel begrotingsonderdelen voor KP6 gewoonlijk alleen mogen worden gebruikt voor de financiering van KP6-acties, zijn deze onderdelen in een aantal gevallen met goede reden gebruikt voor uitgaven in verband met contracten voor eerdere kaderprogramma's. De meeste van deze verrichtingen zijn betaalbaar gesteld in de eerste helft van 2003 (eerste uitvoeringsjaar voor KP6). Zo nodig kan dit in sommige directoraten-generaal aan de hand van lokale codes worden gecontroleerd.

Er zijn duidelijke instructies beschikbaar, met name via internecontrolenorm 15. De controlelijsten voor betalingsverplichtingen voorzien in een controle van het begrotingsonderdeel, het begrotingsjaar, het begrotingsartikel en van eventuele andere onderverdelingen voor de indeling van de uitgaven. In sommige directoraten-generaal zijn de operationele directoraten nog eens attent gemaakt op de regels betreffende de specialiteit van begrotingsonderdelen.

De coördinator van een onderzoeksactie droeg zijn contractuele verplichtingen zonder enige rechtsgrond en zonder de goedkeuring van de Commissie over aan een derde, zodat de daarmee verband houdende kosten (48) niet subsidiabel zijn.

De Commissie zal een zorgvuldig onderzoek instellen naar de wetenschappelijke en administratieve gevolgen van het verzoek van de coördinator om een derde bij het contract te betrekken, zodra zij dit verzoek heeft ontvangen. Dit zou echter tot gevolg hebben dat de overeenkomstige kosten subsidiabel zijn. Er kan dan een controle ter plaatse worden overwogen om de gedeclareerde onderliggende uitgaven nader te controleren.

Op het ogenblik van de betaling was deze situatie voor de Commissie niet vast te stellen, aangezien bij tussentijdse betalingen geen controlecertificaat verlangd wordt. Waarschijnlijk was deze situatie bij de definitieve betaling wel aan het licht gekomen, omdat dan een controlecertificaat verplicht is.

EVF

6.34.

De audit van de betalingen op nationaal niveau bracht niet-subsidiabele uitgaven aan het licht:

6.34.

 

De door een nationale instantie gesloten contracten voor repatriëringsmaatregelen betroffen ook asielzoekers die alle beroepsprocedures hadden doorlopen en wier aanvraag en beroep uiteindelijk waren afgewezen door de lidstaat waar zij om asiel hadden verzocht. Deze personen behoren niet tot de in Besluit 2000/596/EG van de Raad (49) gespecificeerde doelgroepen, zodat de desbetreffende uitgaven niet in aanmerking komen voor EVF-steun.

De Commissie is van mening dat de uitgaven in verband met de vrijwillige terugkeer van afgewezen asielzoekers voor medefinanciering uit het EVF in aanmerking komen.

In strijd met de rechtsvoorschriften volgens welke slechts uitgaven voor vrijwillige terugkeer naar het land van oorsprong subsidiabel zijn, werd uit een nationaal programma om specifieke redenen soms ook vrijwillige terugkeer naar derde landen gefinancierd.

In een aantal van de door de Rekenkamer genoemde gevallen wordt het begrip „land van oorsprong” in de rechtsgrond voor het EVF zo uitgelegd dat ook specifieke situaties hieronder vallen waarin geen sprake is van „land van nationaliteit” in de strikte betekenis. Dit is het geval bij staatlozen, waar een dergelijke strikte interpretatie zinloos is. Bovendien is in het Verdrag van Genève een nieuw begrip geïntroduceerd, namelijk het land waar de vluchteling eerder zijn gewone verblijfplaats had. Ook andere specifieke omstandigheden die nauw met de bescherming van personen verband houden, kunnen een ruimere interpretatie rechtvaardigen, zoals bijvoorbeeld bij vluchtelingen uit het voormalige Joegoslavië.

Volksgezondheid en consumentenbescherming

6.35.

Uit op gegevens gerichte controles van de acties in de steekproef bleek dat in zes gevallen de begunstigde de contractbepalingen inzake rapportage niet had nageleefd: hij diende de rapporten te laat in, of zonder de voorgeschreven bijzonderheden binnen de contractuele termijnen te verstrekken (rapporten vormen immers één der startseinen voor de betalingen van de Commissie).

6.35.

Dergelijke vertragingen worden door het directoraat-generaal Gezondheid en consumentenbescherming meestal geaccepteerd, op voorwaarde dat redelijke zekerheid kan worden geboden dat uitstel de uiteindelijke kwaliteit van het rapport ten goede komt. Wanneer rapporten worden ontvangen waarvan de kwaliteit niet naar behoren is, wordt geen betaling verricht totdat de noodzakelijke verbeteringen zijn aangebracht.

Beoordeling van de jaarlijkse activiteitenverslagen en de verklaringen van de directeuren-generaal

Reikwijdte van de controle

6.36.

De Rekenkamer heeft de jaarlijkse activiteitenverslagen en de verklaringen van elf directeuren-generaal onderzocht (50). Bij drie directoraten-generaal (51) verrichtte zij een grondiger analyse van de samenhang van de informatie in de jaarlijkse activiteitenverslagen 2004 met de resultaten van de verrichte audits betreffende de toezicht- en controlesystemen.

Gebreken in de formulering van punten van voorbehoud door de directeuren-generaal blijven bestaan

6.37.

De analyse bevestigde een verdere verbetering in de structuur, presentatie en kwaliteit van de verslagen en de verklaringen van de directeuren-generaal.

6.38.

Alle op het gebied van intern beleid actieve directoraten-generaal verklaarden redelijke zekerheid te hebben dat de ingevoerde internecontroleprocedures de nodige garanties boden wat betreft de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen.

6.39.

Van de elf directoraten-generaal namen er zes (52) één of meer punten van voorbehoud in hun verklaring op. De Rekenkamer bevond elk gemaakt voorbehoud gerechtvaardigd en de redenen ervoor waren doorgaans goed uitgelegd. Maar bij twee directoraten-generaal die geen voorbehoud maakten, is de Rekenkamer van mening dat de volgende punten van voorbehoud gerechtvaardigd zouden zijn geweest:

6.39.

 

Naar aanleiding van de analyse van het verslag van het directoraat-generaal Onderwijs en cultuur, is de Rekenkamer van mening dat voorbehoud had moeten worden gemaakt bij de zekerheid die het directoraat-generaal kan geven met betrekking tot door de nationale agentschappen in de lidstaten beheerde programma's (53). De controle van ongeveer een derde van alle nationale agentschappen voor programma’s van het directoraat-generaal Onderwijs en cultuur (54) bracht aan het licht dat bij ongeveer de helft van de gecontroleerde nationale agentschappen gebreken en herhaalde moeilijkheden voorkwamen, die een actieplan noodzakelijk maken. Bij ongeveer 10 % van de gecontroleerde nationale agentschappen werden aanzienlijke en duidelijke tekortkomingen ontdekt die de Commissie ertoe hebben gebracht, maatregelen te treffen om haar financiële belangen te vrijwaren. Meer dan 50 % van het budget van het directoraat-generaal Onderwijs en cultuur wordt uitgevoerd via indirect gecentraliseerd beheer.

Op basis van de systeemaudits die in 2004 overeenkomstig het actieplan betreffende het voorbehoud van 2003 werden ingevoerd, heeft de directeur-generaal van het directoraat-generaal Onderwijs en cultuur het niet nuttig geacht het eerdere principiële voorbehoud, dat voornamelijk betrekking had op de onzekerheid die uit het ontbreken van dergelijke controles voortvloeide, in 2004 te handhaven.

Voorts hebben de agentschappen waar bij de audits van 2004 (die met opzet de agentschappen omvatten waar de kans op gebreken als hoog werd ingeschat) zwakke punten aan het licht waren gekomen, geprobeerd hun werkwijze te verbeteren. Wat de drie agentschappen met aanzienlijke gebreken betreft, hebben de Commissie en de agentschappen zelf voor het eind van het begrotingsjaar ad-hocmaatregelen getroffen.

Gelet op deze reactie en de omvang van de begroting voor de drie agentschappen met aanzienlijke gebreken zag het directoraat-generaal, onder verwijzing naar de resultaten van de controles in het jaarlijkse activiteitenverslag, geen reden het voorbehoud van 2003 te handhaven.

In haar bijdrage aan het verslag over 2004 had de interneauditfunctie van het directoraat-generaal Gezondheid en consumentenbescherming een voorbehoud aanbevolen inzake het risico van fouten in het beheer van subsidies op het gebied van de volksgezondheid. De noodzaak van een dergelijk voorbehoud is bevestigd door controles van de Rekenkamer op de communautaire acties op het gebied van volksgezondheid en consumentenbescherming, waaruit bleek dat er veel fouten voorkwamen in het beheer van subsidies op het gebied van de volksgezondheid (55). Daarom is de Rekenkamer van mening dat voorbehoud had moeten worden gemaakt of dat ten minste de redenen waarom dit voorbehoud niet is gemaakt, in het jaarlijkse activiteitenverslag hadden moeten worden uiteengezet.

Het directoraat-generaal Gezondheid en consumentenbescherming is zorgvuldig nagegaan of de bevindingen van de interneauditfunctie bij haar controle van het subsidiebeheer gegrond waren. Daarbij kwam het tot de conclusie dat er belangrijke verbeteringen waren of nog werden aangebracht en dat de feiten bekend en de situatie voldoende onder controle was, ook al waren sommige punten in 2004 nog niet opgelost. Terwijl de Rekenkamer vooral kijkt of de onderliggende verrichtingen wettig en regelmatig zijn, baseren de directeuren-generaal hun mening op de mate waarin alle verschillende controlesystemen samen waarborgen dat de voornaamste risico's (effect en waarschijnlijkheid) voldoende worden beheerst, zodat zij de Commissie geen schade kunnen berokkenen.

Follow-up van eerdere opmerkingen in het kader van de DAS

6.40.

Ten aanzien van de controles achteraf van de eindbegunstigden die deelnemen aan OTO-kaderprogramma's, herbezint de Commissie zich op haar voornemen om het doel om in 2006/2007 10 % van de KP5-contractanten te controleren, te bereiken (zie paragraaf 6.20) en is zij een gemeenschappelijke KP6-auditaanpak gaan volgen. Voor KP6 moeten nog meetbare auditdoelstellingen worden omschreven en er moet nog een KP6-auditkadercontact met een EA worden gesloten (zie bijlage 1.1.a ).

6.40.

De Commissie verwijst naar haar opmerking in paragraaf 6.20, maar vestigt er tevens de aandacht op dat een belangrijk deel van de controles van KP5-contracten nog niet is afgerond, aangezien de onderzoeksdirectoraten-generaal voor 2005 in totaal zo'n 280 aanvullende audits hebben ingeleid. Deze audits worden uitgevoerd door het externe accountantskantoor waarmee eind 2004 een raamcontract voor de financiële controle werd gesloten.

De taak van de externeauditdiensten voor KP6 is door de invoering van controlecertificaten anders dan voor KP5. Bij de externe audit moeten in de eerste plaats de werking en betrouwbaarheid van het controlecertificatensysteem en de follow-up van specifieke auditverzoeken door operationele diensten worden gecontroleerd en hoeft niet, zoals bij KP5, zekerheid te worden geboden ten aanzien van de kostendeclaraties van een vastgesteld aantal contractanten. De Commissie zal bij haar auditdoelstelling voor KP6 met deze ontwikkeling rekening moeten houden.

6.41.

Wat betreft het TEN-T-programma houden essentiële aspecten waarover voorheen opmerkingen zijn gemaakt, verband met audits achteraf van TEN-T-programma's en de verificatie van de subsidiabiliteit van kosten. Het directoraat-generaal Energie en vervoer zou verdere maatregelen moeten treffen om zijn auditdoelstelling te bereiken, modellen voor kostendeclaraties of financiële voortgangsverslagen te definiëren en duidelijk onderscheid te maken tussen de reikwijdte van de twee voornaamste steunvormen, namelijk studies en werkzaamheden (zie de bijlagen 1.1.b en  1.2 ).

6.41.

Het directoraat-generaal Energie en vervoer heeft 50 % van de totale bedragen in verband met definitieve betalingen gecontroleerd, wat ruimschoots meer is dan de nagestreefde 35 %.

Ten gevolge van de risicobeoordeling en de geografische dekking die aan de auditselectie ten grondslag lagen, werd het doel om 20 % van de in 2003 afgesloten projecten te controleren, niet volledig gehaald in 2004.

Dit doel zal voor 2005 opnieuw onder de loep worden genomen en zo nodig worden aangepast.

Het directoraat-generaal Energie en vervoer heeft inmiddels een standaardformulier voor te certificeren kostendeclaraties en een formulier voor de technische en financiële evaluatie ontwikkeld. Deze zijn als bijlage bij de financieringsbesluiten voor 2005 gevoegd.

De aanvraagformulieren en het ontwerp van de nieuwe TEN-verordening (COM(2004) 475, artikel 2, punten 5 en 6) bevatten een duidelijke definitie van werkzaamheden en studies.

Conclusies en aanbevelingen

6.42.

De beoordeling van de toezicht- en controlesystemen heeft uitgewezen dat ondanks de geboekte vooruitgang nog niet alle basisvereisten van de internecontrolenormen op het gebied van IB geheel operationeel zijn (zie de paragrafen 6.6 t/m 6.8) en dat er specifieke gebreken voorkomen in de systemen van KP6, EVF en het directoraat-generaal Gezondheid en consumentenbescherming (zie de paragrafen 6.9 t/m 6.17).

6.42.

De Commissie streeft naar een homogene tenuitvoerlegging van het EVF in de lidstaten. Bovendien betreffen de door de Rekenkamer naar voren gebrachte punten slechts één lidstaat; er zijn al maatregelen getroffen om de situatie recht te zetten.

De Commissie blijft streven naar verbetering van haar beheerssystemen en met name naar een betere toepassing van de internecontrolenormen (zie de paragrafen 6.6 t/m 6.9).

6.43.

De in de toezicht- en controlesystemen ontdekte en uit de resultaten van de op gegevens gerichte controles van de Rekenkamer blijkende gebreken wijzen op het belang van audit achteraf als een doeltreffend element van het internecontrolesysteem van de Commissie. Het is dan ook niet verantwoord, het aantal audits te verminderen, hetgeen op sommige IB-terreinen in 2004 het geval was (zie paragraaf 6.20). Ook verloopt de follow-up van de audits, met name de terugvordering van communautaire middelen, zoals reeds in voorgaande jaren bericht, vaak te langzaam (zie de paragrafen 6.23 en 6.24).

6.43.

De Commissie moet haar doel om in totaal 10 % van de KP5-contractanten te controleren, opnieuw bekijken, aangezien het uiteindelijke aantal voor een audit in aanmerking komende KP5-contractanten veel hoger is dan verwacht (zie het antwoord op paragraaf 6.20). Er wordt nauwlettend op toegezien dat tijdig corrigerende maatregelen worden genomen.

6.44.

Evenals in voorgaande jaren bracht de controle van verrichtingen op het gebied van intern beleid voor 2004 een groot aantal fouten bij de begunstigden aan het licht, die de wettigheid en regelmatigheid van de verrichtingen beïnvloedden. Op dat gebied is geen grote verbetering geconstateerd, hetgeen ook overeenkomt met de auditbevindingen van de Commissie. Op alle door de Rekenkamer onderzochte terreinen van het intern beleid constateerde zij gevallen van overdeclaratie van kosten, declaraties van niet-subsidiabele uitgaven en niet-naleving van betalingstermijnen. Deze fouten vloeien vaak voort uit ingewikkelde voorschriften en richtlijnen, of uit instructies die niet duidelijk of gedetailleerd genoeg zijn (zie de paragrafen 6.25 t/m 6.35).

6.44.

Het is te laat om het wettelijke en financiële kader voor de in dit verband onderzochte KP5-projecten te veranderen. Toch heeft de Commissie getracht het beheer van projecten door haar diensten en door contractanten te verbeteren, in het bijzonder in de interdienstengroep die in het kader van het actieplan naar aanleiding van het activiteitenverslag over 2001 is opgericht. Voor KP6 en KP7 zijn vereenvoudigingen ingevoerd of voorgesteld. Er is vooruitgang geboekt en de verdere ontwikkelingen worden nauwlettend gevolgd.

6.45.

In 2004 verbeterde de structuur, presentatie en inhoud van de jaarlijkse activiteitenverslagen ten opzichte van 2003. De punten van voorbehoud in de verklaringen van de directeuren-generaal waren gerechtvaardigd. In twee gevallen (zie de paragrafen 6.36 t/m 6.39) hadden er meer punten van voorbehoud moeten worden gemaakt.

6.45.

In het eerste geval leek er, gezien de follow-up van het actieplan in verband met het voorbehoud van 2003, geen reden meer om in 2004 een voorbehoud over een beheersmethode te handhaven, hoewel in het hoofdgedeelte van het verslag van 2004 wel naar behoren hierop wordt ingegaan. Wat het tweede geval betreft, was de directeur-generaal van mening dat de geconstateerde situatie voldoende onder controle was en daarom geen voorbehoud benodigde.

Algemene conclusie

6.46.

Hoewel op sommige gebieden vooruitgang wordt geboekt, verschaffen de controlebevindingen betreffende de toezicht- en controlesystemen en de resultaten van de controles van de onderliggende verrichtingen op het gebied van intern beleid niet voldoende zekerheid over de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen. Evenals in voorgaande jaren wordt deze conclusie onderbouwd door de auditbevindingen van de Commissie zelf en de punten van voorbehoud van de directeuren-generaal.

6.46.

De Commissie blijft ernaar streven het aantal fouten in de declaraties van de begunstigden te verminderen en de gevolgen ervan te beperken. In het kader van de mededeling van de Commissie over een stappenplan voor een geïntegreerd internecontrolekader wordt verder gewerkt aan een verbetering van de interne controles. Het voorstel van de Commissie beoogt onder meer een vereenvoudiging van de systemen voor KP7.

6.47.

De Rekenkamer beveelt de Commissie aan, haar inspanningen voort te zetten om het risico van fouten te verminderen, en wel door:

6.47.

In antwoord op deze aanbevelingen wil de Commissie, zoals zij al in haar mededeling over een stappenplan voor een geïntegreerd internecontrolekader heeft aangekondigd, vóór het eind van het jaar een actieplan voorleggen ter overbrugging van de kloof die volgens haar bestaat tussen het huidige controlekader en de algemene beginselen die de Rekenkamer in haar advies nr. 2/2004 over het „single audit”-model heeft uiteengezet.

in de regelgeving een vereenvoudiging van de systemen voor de terugbetaling van uitgaven aan te brengen door het gebruik van betalingen ineens, betalingen volgens eenheidsschalen, of forfaitaire betalingen uit te breiden (56);

In het algemeen beogen de voorstellen voor een herziening van het Financieel Reglement en de uitvoeringsvoorschriften ervan een vereenvoudiging van de regels en procedures, met name voor kleine subsidies. De herziening van het Financieel Reglement en de uitvoeringsvoorschriften moet op 1 januari 2007 in werking treden.

Bij de voorwaarden voor deelneming aan KP7 kan gebruik worden gemaakt van de nieuwe mogelijkheden die door het herziene Financieel Reglement worden geboden:

de procedures en instructies voor de verschillende programma's te vereenvoudigen;

Verduidelijking van de procedures maakt deel uit van het streven van de Commissie naar vereenvoudiging.

de uit de audits achteraf gebleken fouten te benutten om de beheers- en controlesystemen te verbeteren;

De betrokken directoraten-generaal zullen hun inspanningen op dit gebied voortzetten.

snel op te treden wanneer uit de audits blijkt dat er mogelijkheden tot terugvordering zijn;

De ingevoerde procedures voorzien in een snelle terugvordering van ten onrechte verrichte betalingen. Hierover zal regelmatig worden gerapporteerd in beheersverslagen.

een doeltreffende toepassing van de internecontrolenormen te verzekeren.

Er zal doorlopend op worden toegezien dat de internecontrolenormen daadwerkelijk worden toegepast. De diensten van de Commissie zullen ernaar streven dit te bereiken, zonder dat de administratieve belasting buitensporig wordt verhoogd.

FOLLOW-UP VAN SPECIAAL VERSLAG NR. 11/2003 „LIFE”

6.48.

Speciaal verslag nr. 11/2003 behandelde met name het beheer van de tweede fase van het financieel instrument voor het milieu (Life II, 1996-1999) (57).

6.49.

De voornaamste aanbevelingen van de Rekenkamer luidden:

de programmadoelstellingen beter te omschrijven en het verband met de communautaire milieustrategie te verduidelijken;

de beheersorganisatie te verbeteren door op grote schaal gebruik te maken van externe deskundigen, de complementariteit met andere communautaire maatregelen te versterken en de subsidiabiliteitsregels opnieuw te bezien;

het toezicht, de controle en de evaluatie te versterken door beter gebruik te maken van externe controleurs en strategieën toe te passen voor de verspreiding van de resultaten.

6.50.

De meeste aanbevelingen van de Rekenkamer zijn gevolgd, maar:

6.50.

 

de doelstellingen van de programma's moeten nog steeds beter worden omschreven;

De Raad en het Europees Parlement hebben op 15 september 2004 Verordening (EG) nr. 1682/2004 vastgesteld waardoor de looptijd van het Life III-programma tot 31 december 2006 is verlengd. De doelstellingen van het programma zijn in deze verordening duidelijker uiteengezet (58).

het aantal gecontroleerde Life-contracten is in de jaren na de publicatie van het speciaal verslag toegenomen, maar de controlebezoeken zijn nog steeds financieel van aard en niet gericht op de resultaten;

de Commissie moet nog steeds een praktijk inzake goed financieel beheer invoeren voor de evaluatie van de projectresultaten.

(tweede en derde streepje) De Commissie is van oordeel dat het hoofddoel van controlebezoeken de financiële controle is, waarbij wordt geverifieerd of de gedeclareerde kosten subsidiabel zijn en afdoende zijn gedocumenteerd. De technische resultaten van projecten worden al geëvalueerd door de uit externe deskundigen bestaande teams voor technische bijstand en door personeelsleden van de Commissie. De Commissie test momenteel evenwel een door haar ontwikkelde scorekaart voor de beoordeling van projecten op basis van een aantal specifieke criteria. Dit model, dat bedoeld is om de betere projecten eruit te lichten, wordt — vooral voor communicatiedoeleinden — door de externe controleteams gebruikt bij de opstelling van het eindverslag.


(1)  De voornaamste uitzondering is het Europees Vluchtelingenfonds, waarvoor het beheer wordt gedeeld met de lidstaten; zie Jaarverslag 2003, paragraaf 6.15.

(2)  Daar op het gebied van intern beleid de voornaamste door de Europese Unie gefinancierde programma's rechtstreeks door de Commissie worden beheerd, controleren de nationale controle-instanties dit beleidsterrein in het algemeen niet.

(3)  KP6 steunt directe en indirecte OTO-acties die gericht zijn op geselecteerde wetenschapsterreinen en de ontwikkeling en coördinatie van het nationale onderzoeksbeleid in de Europese Unie bevorderen. Vijf directoraten-generaal van de Commissie (de directoraten-generaal Onderzoek, Informatiemaatschappij en media, Energie en vervoer, Ondernemingen en industrie, en Visserij en maritieme zaken) beheren KP6 gezamenlijk. In 2004 werd het totale budget van KP6, dat is bestemd voor de periode 2002-2006, opgetrokken van 17 500 tot 19 235 miljoen euro, na de uitbreiding van de Europese Unie tot 25 leden. Het programma wordt geregeld door Besluit nr. 1513/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 232 van 29.8.2002, blz. 1) en Besluit 2002/668/Euratom van de Raad (PB L 232 van 29.8.2002, blz. 34).

(4)  De door het directoraat-generaal Justitie, vrijheid en veiligheid uitgevoerde programma's vallen onder begrotingstitel 18 (Ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid). De vastleggingskredieten bedroegen in 2004 511 miljoen euro.

(5)  Het directoraat-generaal Gezondheid en consumentenbescherming is verantwoordelijk voor de uitvoering van communautaire activiteiten op het gebied van volksgezondheid en consumentenbescherming, voedselveiligheid en veterinaire en fytosanitaire maatregelen.

(6)  Het directoraat-generaal Onderzoek, het directoraat-generaal Informatiemaatschappij en media, het directoraat-generaal Energie en vervoer, het directoraat-generaal Gezondheid en consumentenbescherming, het directoraat-generaal Ondernemingen en industrie, het directoraat-generaal Werkgelegenheid, sociale zaken en gelijke kansen, het directoraat-generaal Onderwijs en cultuur, het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek, het directoraat-generaal Justitie, vrijheid en veiligheid, het directoraat-generaal Milieu, het directoraat-generaal Concurrentie en het directoraat-generaal Interne markt en diensten.

(7)  Internecontrolenorm (ICN) 11 „Risicoanalyse en -management”, ICN 12 „Adequaatheid van de managementinformatie”, ICN 14 „Melding van misstanden”, ICN 17 „Supervisietaken”, ICN 18 „Registreren van uitzonderingen”, ICN 20 „Registreren en corrigeren van zwakke punten van de interne controle”, ICN 21 „Auditverslagen” en ICN 22 „Interneauditdienst”.

(8)  Zie Jaarverslag 2003, paragraaf 6.5, eerste streepje.

(9)  Zie de aanbevelingen van de Rekenkamer in Speciaal verslag nr. 1/2004 over het beheer van OTO-werkzaamheden onder contract binnen het vijfde kaderprogramma (KP5), paragraaf 135.

(10)  Bij KP6: een steekproef van 14 betalingen, zodanig geselecteerd dat alle subprogramma's en diensten worden bestreken. Bij het EVF: een steekproef van betalingen voor acht lidstaten, waarbij de verificatie voor tussentijdse betalingen in drie lidstaten werd uitgebreid tot de eindbegunstigde. Bij het directoraat-generaal Gezondheid en consumentenbescherming: een steekproef van 20 betalingen op het niveau van de Commissie, waarbij de verificatie in vijf gevallen werd uitgebreid tot de eindbegunstigde.

(11)  Zie aanbevelingen van de Rekenkamer in haar Speciaal verslag nr. 1/2004 over het beheer van OTO-werkzaamheden onder contract binnen het vijfde kaderprogramma (KP5), paragrafen 124 t/m 126.

(12)  Zie Jaarverslag 2003, paragraaf 6.9, en Speciaal verslag nr. 1/2004, paragrafen 82 t/m 85.

(13)  Zie Jaarverslag 2003, paragraaf 6.9.

(14)  Artikel 14 van Verordening (EG) nr. 2321/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende de regels inzake de deelneming van ondernemingen, onderzoekscentra en universiteiten en de regels inzake de verspreiding van de onderzoeksresultaten ter uitvoering van het zesde kaderprogramma van de Europese Gemeenschap (2002-2006) (PB L 355 van 30.12.2002, blz. 23). Het betrokken communautaire fonds betaalt de certificeringskosten volledig terug.

(15)  In 2004 werden ongeveer tien controlecertificaten afgegeven voor KP6. De niet-subsidiabele kosten betreffen de twee door de Rekenkamer onderzochte gevallen. Verder zien de controleurs in één van deze twee gevallen over het hoofd dat de vooruitbetaling in onderlinge fondsen was geïnvesteerd en dat de rente daarover niet was meegedeeld. De bedragen waren niet echt significant, maar het verzuim wijst op een beperking van het certificeringsproces.

(16)  Artikel 18 van Beschikking 2000/596/EG van de Raad van 28 september 2000 tot instelling van een Europees Vluchtelingenfonds (PB L 252 van 6.10.2000, blz. 12) en artikel 5 van Beschikking 2002/307/EG van de Commissie van 18 december 2001 houdende bepalingen voor de toepassing van Beschikking 2000/596/EG van de Raad met betrekking tot de beheers- en controlesystemen alsmede met betrekking tot de procedures inzake financiële correcties in het kader van door het Europees Vluchtelingenfonds medegefinancierde acties (PB L 106 van 23.4.2002, blz. 11).

(17)  Zie Jaarverslag 2003, paragraaf 6.16.

(18)  Gedelegeerd werden onder meer de volgende taken: ondertekening van contracten, terugvordering van middelen, betalingen zonder voorafgaande toestemming van de nationale instantie, hetgeen in strijd is met artikel 57 van het Financieel Reglement: taken die contractueel aan andere privaatrechtelijke externe entiteiten of organen dan die welke met een openbare dienstverleningstaak zijn belast, kunnen worden toevertrouwd, zijn: technische expertises en administratieve, voorbereidende of bijkomende taken die geen overheidstaak of de uitoefening van een discretionaire beoordelingsbevoegdheid inhouden.

(19)  Zie Jaarverslag 2003, paragrafen 6.12 t/m 6.26.

(20)  Het huidige volksgezondheidsprogramma, met een totaal budget van 312 miljoen euro voor de periode 2003-2008, vervangt acht verschillende actieprogramma's van vóór 2003. De projecten hebben ten doel, de voorlichting over kwesties inzake volksgezondheid te verbeteren, het vermogen om te reageren op risico's voor de gezondheid te bevorderen en in te spelen op factoren die de gezondheid bepalen.

(21)  Het kaderbesluit voor de financiering van communautaire acties ter ondersteuning van het consumentenbeleid voorziet in een budget van 72 miljoen euro voor de jaren 2004-2007.

(22)  Deze maatregel wordt toegepast op het zesde kaderprogramma voor onderzoek en op het programma Life. Op het gebied van OTO is het certificaat normaliter slechts noodzakelijk voor de verzoeken in het kader van KP6 om saldobetaling van elke tranche van de contracten. In 2004 waren slechts zeer weinig saldobetalingen in het kader van KP6 verricht.

(23)  Exclusief de 95,5 miljoen euro aan terugvorderingen voor veterinaire maatregelen in 2003.

(24)  Zie Jaarverslag 2003, paragraaf 6.43.

(25)  In deze tabel gehanteerde definities:

Aantal afgeronde controles: aantal financiële audits met betrekking tot afzonderlijke begunstigden waarover in 2004 een definitief controleverslag werd uitgebracht.

Aantal openstaande contracten: aantal in het jaar ondertekende contracten die nog niet waren afgerond plus het totale aantal aan het begin van het jaar openstaande contracten die gedurende het jaar niet waren afgerond. Afgerond contract = contract waarvan de bepalingen zijn nagekomen, alle financiële en technische beoordelingen zijn afgesloten en de saldobetaling heeft plaatsgehad.

Met het woord „contract” wordt gedoeld op contracten (werkzaamheden voor gezamenlijke rekening of via openbare aanbesteding gegunde contracten) alsmede op subsidies (waarvoor een financieringsovereenkomst is gesloten).

Waarde van de gecontroleerde contracten: de werkelijke waarde van uitsluitend de ter plaatse gecontroleerde contracten voor de gecontroleerde contractant (niet de totale waarde van het contract, maar het aandeel van de gecontroleerde deelnemer daarin, en slechts de ter plaatse bij de contractant gecontroleerde contracten en niet al diens contracten met de Commissie).

(26)  Met inbegrip van onderzoeksmaatregelen, maatregelen voor het inwinnen van informatie (DG FISH is deze maatregelen in 2004 gaan controleren) en visserijcontrolemaatregelen.

(27)  Het aantal controles omvat 2 audits van „Idea” (identificatie van dieren) in Nederland en Spanje van begrotingsonderdeel B1-3 6 0.

(28)  De bedragen zijn ten tijde van de verslaglegging indicatief.

(29)  Het bedrag komt overeen met de uitstaande bedragen voor openstaande contracten.

(30)  De bedragen die in 2004 werden teruggevorderd naar aanleiding van controles in 2003 worden meegedeeld in 2005, wanneer de definitieve controleverslagen zullen worden uitgebracht.

(31)  Omvat slechts de terreinen volksgezondheid en consumentenbescherming. De waarde van de gecontroleerde contracten is het bedrag van de EU-financiering. Terugvorderbare bedragen zijn het EU-gedeelte van de niet-subsidiabele kosten.

(32)  DG TREN: Dit bedrag komt overeen met het cijfer vóór de toepassing van het cofinancieringspercentage. Het terugvorderbare bedrag na de toepassing van het cofinancieringspercentage is 0,82 miljoen euro.

(33)  DG TREN: Dit bedrag komt overeen met het cijfer vóór de toepassing van het cofinancieringspercentage. Het terugvorderbare bedrag na de toepassing van het cofinancieringspercentage is 7,1 miljoen euro.

Bron: Europese Commissie.

(34)  17 door DG ENTR in 2003 afgesloten controles (van 20 KP5-contracten) zijn in 2004 overgedragen naar en afgesloten door DG INFSO. Het aantal door DG ENTR in 2003 afgesloten controles (samen met het aantal gecontroleerde contracten) is dienovereenkomstig gewijzigd.

N.B.: Totaal aantal KP5-contractanten (EG en Euratom): 23 375. Doelstelling van de Commissie is dus 2 337 afgesloten controles.

Het aantal van 23 375 moet echter worden verfijnd, aangezien contractanten er meerdere keren in kunnen voorkomen.

Het bevat een groot aantal minder belangrijke contractanten, d.w.z. contractanten met een bijdrage van minder dan 20 000 euro.

Bron: Commissie.

(35)  Soortgelijke opmerkingen zijn reeds gemaakt in paragraaf 6.52 van het Jaarverslag van de Rekenkamer over 2002 betreffende het directoraat-generaal Onderzoek, en in paragraaf 6.33 van het Jaarverslag 2003, betreffende de controles van het directoraat-generaal Onderwijs en cultuur.

(36)  Deze tijdsduur omvat de periode van hoor en wederhoor met de contractant. Het uitvoeringsbesluit vormt de basis voor het treffen van corrigerende maatregelen; de auditresultaten worden ter uitvoering aan de operationele eenheden doorgegeven.

Bron: Analyse van de Rekenkamer.

(37)  De analyse had betrekking op een steekproef van 58 in 2003 en 2004 vastgestelde verslagen, inclusief 90 projecten. De desbetreffende contracten werden gesloten tussen 1994 en 2003 (waarvan de meeste tussen 1998 en 2001).

(38)  Zoals reeds opgemerkt in paragraaf 6.33 van het Jaarverslag 2003 voor door het directoraat-generaal Onderwijs en cultuur verrichte audits. Dit gebrek bestaat eveneens bij de audits die externe kantoren in de voor onderzoek verantwoordelijke directoraten-generaal verrichten.

(39)  Een algemene steekproef van 67 betalingen op het gebied van IB plus specifieke steekproeven met in totaal 40 extra betalingen: voor KP6 (vier betalingen), op het gebied van rechtvaardigheid, vrijheid en veiligheid (16 betalingen waarvan acht voor het EVF), voor volksgezondheid en consumentenbescherming (20 betalingen).

(40)  In de algemene steekproef van 67 betalingen betroffen de gemaakte opmerkingen: te late betalingen door de Commissie (15 gevallen), te late betalingen door de coördinator van het project aan de andere deelnemers (vijf), niet door de controles van de Commissie ontdekte fouten (tien), geen raming van de rente over voorfinancieringen (negen), kwesties inzake de gunningsprocedure (vijf), kwesties inzake het contract of de beschikking van de Commissie (vier), …

(41)  Jaarverslag 2003, paragrafen 6.20 en 6.22.

(42)  In de algemene steekproef van 67 betalingen waren de vertragingen bij de 15 te late betalingen als volgt gespreid: minder dan een maand (zes gevallen), meer dan een maand (drie), meer dan twee maanden (twee), meer dan drie maanden (twee), meer dan vijf maanden (twee).

(43)  Artikel 5, lid 4, van het Financieel Reglement en artikel 4, lid 3, van de uitvoeringsvoorschriften van het Financieel Reglement.

(44)  Dit werd ook bevestigd door de analyse van de toezicht- en controlesystemen voor het KP6.

(45)  Zie Jaarverslag 2003 van de Rekenkamer, paragrafen 6.23 en 6.26.

(46)  Voor begrotingsmiddelen worden specifieke doelstellingen vastgesteld. Zie de artikelen 21 t/m 26 van het Financieel Reglement.

(47)  26 gevallen voor het directoraat-generaal Energie en vervoer voor een bedrag van 10 miljoen euro.

(48)  Deze beliepen 270 000 euro.

(49)  Artikel 3 van Besluit 2000/596/EG.

(50)  Het directoraat-generaal Onderzoek, het directoraat-generaal Informatiemaatschappij en media, het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek, het directoraat-generaal Energie en vervoer, het directoraat-generaal Ondernemingen en industrie, het directoraat-generaal Justitie, vrijheid en veiligheid, het directoraat-generaal Onderwijs en cultuur, het directoraat-generaal Milieu, het directoraat-generaal Gezondheid en consumentenbescherming, het directoraat-generaal Concurrentie en het directoraat-generaal Interne markt en diensten.

(51)  Het directoraat-generaal Onderzoek, het directoraat-generaal Informatiemaatschappij en media en het directoraat-generaal Gezondheid en consumentenbescherming.

(52)  Het directoraat-generaal Onderzoek, het directoraat-generaal Informatiemaatschappij en media, het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek, het directoraat-generaal Justitie, vrijheid en veiligheid, het directoraat-generaal Ondernemingen en industrie en het directoraat-generaal Energie en vervoer.

(53)  Voor sommige gedeelten van de programma's Socrates, Leonardo en Jeugd delegeert de Commissie de uitvoering aan nationale agentschappen in de lidstaten. Deze procedure wordt „indirect gecentraliseerd beheer” genoemd.

(54)  „Jaarlijks activiteitenverslag 2004” van het directoraat-generaal Onderwijs en cultuur, blz. 37. Het directoraat-generaal Onderwijs en cultuur maakte in het jaarlijkse activiteitenverslag 2003 voorbehoud en verklaarde dat het niet kon voldoen aan het vereiste van artikel 35 van de uitvoeringsvoorschriften van het Financieel Reglement om controles vooraf op de internecontrolesystemen van de nationale agentschappen te verrichten op het gebied van indirect gecentraliseerd beheer. Dit voorbehoud werd niet gehandhaafd in het jaarlijkse activiteitenverslag 2004. Het actieplan ter ondervanging van dit voorbehoud voorzag in een audit van alle nationale agentschappen over de periode 2004-2006. Ongeveer één derde is in de loop van 2004 gecontroleerd.

(55)  In acht van de elf gecontroleerde verrichtingen bleken fouten voor te komen.

(56)  Zie ook Advies nr. 3/2005 over een ontwerp-verordening (EG) van de Commissie tot wijziging van de uitvoeringsvoorschriften van het Financieel Reglement, paragraaf 13. Zie ook Jaarverslag 2003, paragraaf 6.59.

(57)  De huidige fase van Life III is met twee jaar verlengd tot 31 december 2006: Verordening (EG) nr. 1682/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 15 september 2004 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1655/2000 betreffende het financieringsinstrument voor het milieu (Life) (PB L 308 van 5.10.2004, blz. 1).

(58)  In artikel 1, punt 2, onder b), is bijvoorbeeld bepaald dat de Commissie richtsnoeren zal vaststellen waarin „de prioritaire sectoren en doelstellingen voor de demonstratieprojecten [worden] vastgesteld”.

BIJLAGE 1

Intern beleid (met inbegrip van onderzoek) — Beoordeling van de voornaamste, al eerder gesignaleerde aspecten

Opmerkingen

In 2004 getroffen maatregelen

Te treffen maatregelen

1.a Toezicht- en controlesystemen — audits achteraf van eindbegunstigden die deelnemen in OTO-kaderprogramma's

In 1998 formuleerden de vijf directoraten-generaal die de OTO-kaderprogramma's beheren, gezamenlijk een controleaanpak, waarbij zij zich voor KP5 ten doel stelden, 10 % van de contractanten te controleren (zie Jaarverslagen 2001, 2002 en 2003, paragraaf 6.30). Deze controles worden voor een groot deel namens de Commissie door externe accountantskantoren verricht.

De Rekenkamer stelde vast dat:

Nu het totale aantal KP5-contractanten 23 375 bedraagt, ligt de doelstelling dus bij 2 337 gecontroleerde contractanten.

 

de door de Commissie gehanteerde definitie van „te controleren populatie” ertoe leidt dat aanmerkelijk minder dan 10 % van de OTO-werkzaamheden onder contract of van de kostendeclaraties gedurende de programmeringsperiode worden gecontroleerd (zie Jaarverslag 2002);

Doordat het uiteindelijke aantal te controleren KP5-contractanten aanzienlijk hoger is dan voorzien, heeft de Commissie aangegeven dat zij zich opnieuw moet bezinnen op het globale doel, binnen nu en 2006/2007 10 % van de KP5-contractanten te controleren.

 

de Commissie niet in staat is, de door haarzelf nagestreefde reikwijdte van de controle te realiseren (zie de Jaarverslagen 2001, 2002, 2003);

In 2004 317 audits afgesloten, waarvan er 296 verband hielden met indirecte OTO-acties voor KP5. Totaal aantal afgesloten KP5-controles (756) nog steeds onder de doelstelling.

Auditwerkzaamheden van de Commissie moeten worden versterkt om auditdoelstelling voor KP5 te halen.

de Commissie geen gemeenschappelijke controleaanpak voor KP6 heeft vastgesteld;

Vaststelling van een gemeenschappelijke auditaanpak voor KP6 in 2004. Definitie van meetbare, in redelijkheid haalbare auditdoelstellingen voor KP6 uitgebleven.

Commissie moet meetbare doelstellingen voor KP6 definiëren die in redelijkheid te verwezenlijken zijn.

de continuïteit van de controlewerkzaamheden van de Commissie afhankelijk is van de al dan niet geboden mogelijkheid om financiële controles achteraf uit te besteden (kadercontract met extern accountantskantoor loopt af in 2003).

Gunningsprocedure voor een nieuw kadercontract (voor indirecte OTO-acties voor KP5. Kadercontract met externe accountantskantoren ondertekend in november 2004. Gunning van contract voor de audit van indirecte OTO-acties voor KP6 nog in uitvoering.

Voor KP6 moet een nieuw kadercontract worden gesloten om te voorzien in adequate externe steun voor de Commissie bij de uitvoering van haar auditaanpak voor KP6.

1.b Toezicht- en controlesystemen — audits achteraf van eindbegunstigden die deelnemen aan TEN-vervoersacties

Door de Commissie worden regelmatige controles ter plaatse voor het toezicht op TEN-T-acties verricht. Naast deze controles zijn er echter geen financiële en technische controles achteraf (in voorkomend geval uitgevoerd door DG TREN of externe deskundigen) (zie Jaarverslagen 2001 en 2002).

De Rekenkamer stelde vast dat:

 

 

TEN-T-acties niet onder het controleprogramma van het directoraat-generaal Energie en vervoer vielen.

DG TREN heeft een specifiek kadercontract voor de audit van TEN-T-acties opgesteld. DG TREN heeft een auditplanning opgesteld en de audit is afgesloten voor 8 TEN-T-financieringsbesluiten. De audit van 24 besluiten is aan de gang en de audit van nog eens 20 besluiten is gepland.

De door DG TREN genomen initiatieven worden toegejuicht. DG TREN zou de Rekenkamer vooraf moeten informeren over zijn auditplanning en moeten waarborgen dat de auditors die het externe accountantskantoor vertegenwoordigen voldoende gekwalificeerd zijn om hun werkzaamheden te verrichten. De nodige maatregelen moeten worden genomen om te garanderen dat de doelstelling van DG TREN wordt gehaald om elk jaar ten minste 20 % van de projecten en 35 % van de totale kosten van de in het voorgaande jaar afgeronde projecten te controleren.

2. Toezicht- en controlesystemen — Verificatie van de subsidiabiliteit van kosten van TEN-vervoersacties

Voor TEN-T-acties worden subsidiabele en niet-subsidiabele kosten omschreven in de rechtsgrondslag en de beschikkingen van de Commissie (Jaarverslagen 2001 en 2002). De Rekenkamer stelde vast dat:

deze definities onvoldoende specifiek zijn om de werkelijk door de begunstigde gemaakte kosten te kunnen vaststellen;

deze definities afwijken van die welke worden toegepast op soortgelijke, uit hoofde van structuurmaatregelen gefinancierde infrastructuurprojecten;

in het gebruik van verschillende financieringspercentages voor studies en werkzaamheden schuilt het risico dat begunstigden de financiering kunnen opdrijven door kosten ten onrechte aan studies toe te wijzen, en

het ontbreken van standaardformulieren voor kostendeclaraties compliceert de verificatiewerkzaamheden van de Commissie.

In 2004 werd een nieuw modelbesluit van de Commissie vastgesteld, met daarin:

een definitie van subsidiabele en niet-subsidiabele uitgaven;

een gewijzigde definitie van studies en werken;

 

een tabel met de uitsplitsing van de geraamde subsidiabele uitgaven gedurende de periode van geprogrammeerde activiteiten die door de begunstigden zou kunnen worden gebruikt voor de rapportage van gemaakte kosten.

Afgezien van de in 2004 getroffen maatregelen moeten modelformulieren voor kostendeclaraties of financiële-voortgangsverslagen worden opgenomen in de modellen van financieringsbesluiten die de begunstigden verplicht zijn te gebruiken. De definitie van studies en werken moet verder worden verbeterd, daar de huidige definitie de reikwijdte van studies en werken niet duidelijk afbakent.

BIJLAGE 2

Toezicht- en controlesystemen

Beleidsterrein: Intern beleid (met inbegrip van onderzoek)

Systeem: Zesde kaderprogramma (KP6) voor onderzoek en technologische ontwikkeling, Europees Vluchtelingenfonds (EVF) en volksgezondheid en consumentenbescherming (SANCO)

A

Werkt goed, weinig of geringe verbeteringen nodig.

B

Werkt net goed genoeg, maar verbeteringen wenselijk/noodzakelijk.

C

Werkt, maar niet bevredigend.

KP6

Commissie

Tussenniveau

Begunstigde

Algehele beoordeling

Opzet

B

B

B

Praktische omzetting in procedurele fasen

inachtneming van normen

rekening houden met ervaring

B

C

B

Feitelijk functioneren

inachtneming van normen

rekening houden met ervaring

C

C

C

Resultaten

verbeterend effect

preventief effect

B

C

B

Algehele beoordeling

B

C

B


EVF

Commissie

Tussenniveau

Begunstigde

Algehele beoordeling

Opzet

B

B

B

B

Praktische omzetting in procedurele fasen

inachtneming van normen

rekening houden met ervaring

B

B

B

B

Feitelijk functioneren

inachtneming van normen

rekening houden met ervaring

C

B

C

C

Resultaten

verbeterend effect

preventief effect

B

B

C

B

Algehele beoordeling

B

B

C

B


SANCO

Commissie

Tussenniveau

Begunstigde

Algehele beoordeling

Opzet

B

B

B

Praktische omzetting in procedurele fasen

inachtneming van normen

rekening houden met ervaring

B

B

B

Feitelijk functioneren

inachtneming van normen

rekening houden met ervaring

B/C (1)

B/C (1)

B/C (1)

Resultaten

verbeterend effect

preventief effect

B/C (1)

B/C (1)

B/C (1)

Algehele beoordeling

B/C (1)

B/C (1)

B/C (1)


(1)  B voor consumentenbescherming; C voor volksgezondheid.


HOOFDSTUK 7

Externe maatregelen

INHOUD

Inleiding

Specifieke beoordeling in het kader van de betrouwbaarheidsverklaring

Reikwijdte en aard van de controle

Toezicht- en controlesystemen

Toepassing van internecontrolenormen

ECHO

EuropeAid op centraal niveau

Toezicht- en controlesystemen bij de delegaties

Controle van de verrichtingen

Controle van de verrichtingen bij de delegaties

Controle van de verrichtingen bij de uitvoerende organisaties

Analyse van de jaarlijkse activiteitenverslagen en de verklaringen van de gedelegeerde ordonnateurs

Conclusies

Aanbevelingen

Follow-up van eerdere opmerkingen

Speciaal verslag nr. 3/2001 over het beheer door de Commissie van de internationale visserijovereenkomsten

Doel van de overeenkomsten

Kosten-batenverhouding

Voornaamste opmerkingen in speciale verslagen

Speciaal verslag nr. 10/2004 over de deconcentratie van het externesteunbeheer van de Europese Gemeenschap ten gunste van de delegaties van de Commissie

Speciaal verslag nr. 4/2005 over het beheer door de Commissie van de economische samenwerking in Azië

OPMERKINGEN VAN DE REKENKAMER

ANTWOORDEN VAN DE COMMISSIE

INLEIDING

7.1.

Dit hoofdstuk heeft betrekking op de externesteunmaatregelen die uit de algemene begroting worden gefinancierd. De voornaamste aandachtsgebieden zijn financiële en technische samenwerking met Azië, Latijns-Amerika, de mediterrane landen, de westelijke Balkanlanden, het Gemenebest van Onafhankelijke Staten, voedselhulp/voedselzekerheid, humanitaire hulp en cofinanciering van niet-gouvernementele organisaties (NGO's). De directoraten-generaal Buitenlandse betrekkingen en Ontwikkeling zijn verantwoordelijk voor het formuleren van beleidslijnen voor ontwikkelingssamenwerking en van land- en regionale strategieën en meerjarenprogrammering, terwijl de Dienst voor samenwerking EuropeAid (EuropeAid) verantwoordelijk is voor de uitvoering van ontwikkelingssamenwerking. Het directoraat-generaal Humanitaire hulp (ECHO) is verantwoordelijk voor zowel het uitstippelen van het beleid en de strategie als de uitvoering van de humanitaire hulp. Dit hoofdstuk heeft geen betrekking op de hulp die wordt verleend via het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF), dat buiten de algemene begroting om wordt gefinancierd (1). Tabel 2.1 laat zien hoe de middelen voor rubriek 4 van de financiële vooruitzichten in 2004 werden besteed (vastleggingen: 5 198 miljoen euro; betalingen: 4 606 miljoen euro).

 

7.2.

In 2004 werd het deconcentratieproces, waarbij functies en taken van het hoofdkantoor van de Commissie werden overgedragen aan haar delegaties (zie de paragrafen 7.48 t/m 7.51), afgerond wat betreft de thematische programma's (2). Gedurende 2004 werd het reorganisatieproces van EuropeAid in Brussel voortgezet, waarbij met name aandacht is besteed aan de ondersteuning van en het toezicht op de delegaties in het kader van het gedeconcentreerde systeem.

 

SPECIFIEKE BEOORDELING IN HET KADER VAN DE BETROUWBAARHEIDSVERKLARING

Reikwijdte en aard van de controle

7.3.

Met de specifieke beoordeling werd in het algemeen beoogd, tot een conclusie te komen inzake de wettigheid en regelmatigheid van verrichtingen op het gebied van externe maatregelen (rubriek 4 van de financiële vooruitzichten van de algemene begroting). De controle omvatte een onderzoek van de toezicht- en controlesystemen die de wettigheid en regelmatigheid van verrichtingen moeten waarborgen, ondersteund door toetsingen van verrichtingen bij de delegaties en de uitvoerende organisaties, en een beoordeling van de jaarlijkse activiteitenverslagen van de directeur-generaal van EuropeAid en de directeur-generaal van ECHO.

 

7.4.

Voor door de Rekenkamer gecontroleerde projecten doet de Commissie vooruitbetalingen aan diverse uitvoerende instanties, zoals NGO's, ministeries, internationale organisaties, enz. Met name in de frequentere inschakeling van deze intermediaire organisaties voor het financiële beheer en voor de financiële verslaglegging van projecten en in het ontbreken van nationale ordonnateurs onderscheidt de uitvoering van de activiteiten zich van die van de EOF's.

 

7.5.

Deze controle werd verricht op het hoofdkantoor van de Commissie, bij vijf delegaties (Bosnië, Cambodja, Kazachstan, de Filipijnen en Syrië) en bij 17 uitvoerende organisaties. De in paragraaf 7.1 genoemde gebieden werden aan onderzoek en toetsing onderworpen. Wederopbouwhulp voor Kosovo en een aantal landen van de voormalige Federale Republiek Joegoslavië wordt aan een afzonderlijke jaarlijkse controle van het Europees Bureau voor wederopbouw onderworpen.

 

7.6.

Wat betreft de toezicht- en controlesystemen richtte de Rekenkamer haar onderzoek op de internecontrolenormen met betrekking tot de risicoanalyses van de desbetreffende diensten, de informatiestructuren en de verslaglegging in het kader van financieel toezicht en financiële controle en de interneauditfunctie bij EuropeAid en ECHO.

 

7.7.

Een aantal van de door de delegaties opgestelde beheersverslagen over externe maatregelen, waarmee rekening wordt gehouden bij de opstelling van het jaarlijks activiteitenverslag van EuropeAid, werd de Rekenkamer laat toegezonden.

7.7.

De Commissie zal proberen een oplossing te vinden voor de technische en administratieve moeilijkheden die zich bij het doorsturen van deze verslagen naar de Rekenkamer voordoen.

7.8.

De Rekenkamer ondervond aanzienlijke vertraging bij de organisatie van een van haar controlebezoeken in Cambodja, doordat de uitvoerende organisatie, een VN-agentschap, onwillig was om te erkennen dat de Rekenkamer krachtens de controleclausule in de financiële en administratieve kaderovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Naties recht op toegang tot informatie heeft. Derhalve kon slechts een beperkte hoeveelheid werk worden verricht.

7.8.

De Commissie is op de hoogte van het misverstand. Zij heeft de zaak bij het betrokken agentschap aangekaart, zodat de Rekenkamer nu gemakkelijker toegang zal krijgen.

Toezicht- en controlesystemen

Toepassing van internecontrolenormen

7.9.

In 2002 voltooiden EuropeAid en ECHO het kader voor de toepassing van de internecontrolenormen (ICN), zoals de Commissie die op 13 december 2000 heeft omschreven (3). De invoering van deze normen werd ondersteund door het uitvaardigen of bijwerken van instructies en richtlijnen en door uitgebreide cursusprogramma's, met name inzake de administratieve en financiële procedures. In 2004 is de vereiste tot naleving van de ICN ook voor de delegaties gaan gelden. Volgens EuropeAid waren op 31 december 2004 alle op de delegaties afgestemde basisvereisten ingevoerd. De controle van de Rekenkamer bevestigt de opmerking van de directeur-generaal in het jaarlijkse activiteitenverslag, dat er nog steeds verbeteringen nodig zijn op het hoofdkantoor van de Commissie en bij de delegaties (zie de paragrafen 7.17 t/m 7.27).

 

ECHO

Risicobeoordeling

7.10.

ECHO heeft een bevredigende beoordeling van het eigen risico uitgevoerd, met als terechte conclusie dat het geen controle had over vele risico's op het gebied van humanitaire hulp, met uitzondering van de kwaliteit van de uitvoerende partners. Evenals in voorgaande jaren werden de inspanningen om de risico's te beperken toegespitst op de procedure voor de selectie van uitvoerende partners, alsmede op een systeem ter controle van de geselecteerden.

 

Controle van de uitvoerende partners

7.11.

ECHO volgt een alomvattende aanpak voor de controle van de uitvoerende partners. De controles hadden betrekking op aspecten zoals de organisatie, procedures en interne controles van de uitvoerende partners en op de systemen voor boekhouding en financiën, de managementcultuur en de systemen voor de werving van personeel. Aanvullend zijn de uitgaven voor door de partners uitgevoerde projecten grondig onderzocht.

 

7.12.

In 2004 rondde ECHO 130 controles af; 70 hiervan werden verricht op het hoofdkantoor van uitvoerende partners. Deze 70 aan externe controleurs uitbestede controles betroffen 344 projecten die tussen 1998 en 2003 waren voltooid. De overige 60 controles werden ter plaatse verricht en betroffen projecten (28 verslagen), subsidies (19 verslagen) en kantoren van ECHO (13 verslagen). De Rekenkamer beoordeelde aanvankelijk 20 controleverslagen, waarvan er 13 waren uitbesteed. Vervolgens controleerde de Rekenkamer de kwaliteit van deze externe controles door middel van een bezoek aan de Europese hoofdkantoren van drie uitvoerende partners en toetsing van telkens twee projecten. Dit heeft geleid tot de volgende opmerkingen:

7.12.

 

a)

de meest frequente bevinding die de externe controleurs meldden, was gebrek aan staving van uitgaven met bewijsstukken. Dit was de meest voorkomende reden voor de afwijzing van door de uitvoerende partner gedane uitgaven. De bezoeken van de Rekenkamer aan uitvoerende partners bevestigden het gebrek aan bewijsstukken als voornaamste bron van fouten, maar wezen ook uit dat dit bij opname in de steekproef niet altijd wordt gerapporteerd door de externe controleur;

a)

De opmerking van de Rekenkamer is gebaseerd op een van de eerste audits die is uitgevoerd door een externe auditor met wie op dat ogenblik nog maar pas een contract was gesloten. Sindsdien heeft de Commissie de punten die door de externe auditors moeten worden gemeld, voortdurend herzien en verduidelijkt.

b)

de externe controleur trof één geval van niet-inachtneming van de aanbestedingsregels aan, maar de meeste controles waren niet gericht op grondige toetsing van aanbestedingen. Bij toetsing bij uitvoerende partners constateerde de Rekenkamer met betrekking tot vier van de zes gecontroleerde projecten fouten in aanbestedingen.

b)

Tot midden 2004 ging de Commissie bij het toetsen van de aanbestedingsprocedures alleen na of er een winnende inschrijving was. Om deze intussen aan het licht gebrachte tekortkoming te verhelpen heeft de Commissie haar auditcontroles uitgebreid, zodat nu ook inschrijvingen van organisaties die zonder succes hebben ingeschreven, onder de loep worden genomen.

7.13.

De uitvoerende partners hebben zich ertoe verbonden, ter verbetering van hun internecontrolesystemen de aanbevelingen op te volgen die ECHO in zijn controleprogramma heeft gedaan. Kosten ten belope van in totaal 0,5 miljoen euro zijn door de Commissie beoordeeld als niet-subsidiabele uitgaven; hiervoor zijn terugvorderingsopdrachten gegeven. Uit deze resultaten blijkt dat controles van uitvoerende organisaties een doeltreffend instrument kunnen zijn van de toezicht- en controlesystemen van ECHO.

 

7.14.

De aard van de opmerkingen uit deze controleverslagen en van de fouten die de Rekenkamer aantrof bij haar eigen toetsing van de uitgaven komt grotendeels overeen met die van haar controlebevindingen betreffende verrichtingen bij uitvoerende organisaties (zie de paragrafen 7.31 en 7.32).

 

De eenheid Interne audit

7.15.

Een eenheid Interne audit is verantwoordelijk voor zowel ECHO als EuropeAid. In 2004 verrichtte zij evaluaties van de werkdruk bij de eenheden van ECHO (zie ook paragraaf 7.22).

 

EuropeAid op centraal niveau

Follow-up van de opmerkingen over 2003

7.16.

In haar jaarverslag over 2003 (paragrafen 7.18, 7.19 en 7.21 t/m 7.23) merkte de Rekenkamer op dat niet alle directoraten controles van hun delegaties verrichtten, dat de centrale diensten niet doorlopend beschikten over de informatie betreffende controles die door de delegaties waren ingesteld, dat de eenheid Interne audit onvoldoende middelen had om het soort werk te verrichten dat de directeur-generaal zou ondersteunen bij het opstellen van zijn jaarlijkse verklaring, dat niets wees op samenwerking tussen de centrale diensten bij verificaties achteraf en dat de informatie over invorderingen en niet-vereffende voorschotten niet stelselmatig werd nagezien door EuropeAid. De belangrijkste verbetering in 2004 was het feit dat de volledige verantwoordelijkheid voor controles achteraf werd opgenomen door de eenheid Programmering, interne controle en controle achteraf (zie paragraaf 7.23). Voor de overige aspecten zijn verdere verbeteringen nodig, zoals in de volgende paragrafen wordt uitgelegd. Zie tabel 7.1 .

7.16.

Sinds 2003 heeft de Commissie nieuwe stappen gezet om haar algemene auditstrategie verder te ontwikkelen en haar algemene strategie inzake toezicht en controle duidelijker te omschrijven, met inbegrip van de rol en de taken van de diensten bij de zetel en bij de delegaties.

De reorganisatie van de diensten van EuropeAid in maart 2005 was gericht op de verdere versterking van de rol ervan, die geleidelijk geëvolueerd is naar supervisie, coördinatie en ondersteuning van het gedeconcentreerde beheer in de delegaties van de Commissie. Voorts hebben de toezicht- en controlesystemen van de Commissie tot doel te garanderen dat onze partners aan de contractuele vereisten voldoen. Daarnaast is de Commissie van plan de functies van haar beheersinformatiesysteem verder te ontwikkelen.

Tabel 7.1

a) Beoordeling door de Rekenkamer van de toezicht- en controlesystemen in 2004

 

DG Humanitaire hulp (ECHO)

Dienst voor samenwerking EuropeAid

Delegaties

Algemeen concept

A

B

Procedures en handleidingen

A

A

A

Werking in de praktijk

A

B (4)

B (4)

Interne audits

B (5)

B (5)

B (5)

Managementrapportage

A

B (4)

B


b) Beoordeling door de Rekenkamer van de externe controles bij de organisaties die door EuropeAid gefinancierde projecten uitvoeren

Kwaliteit van de controles

A

Hoeveelheid controles

B (6)

Taakomschrijving

B (7)

Betrokkenheid van de Commissie bij de aanwijzing van controleurs

B (7)

Betrekken van aanbestedingsprocedures in de reikwijdte van de controle

B (7)

Rapportage over de resultaten van de beoordeling van boekhoudsystemen

C

Bewijs van gebruikmaking en follow-up van controleverslagen

B


Verklaring van de indicatoren

Waardering van de toezichtsystemen en -controles

Werkt goed: weinig of geringe verbeteringen nodig

A

Werkt, maar verbeteringen noodzakelijk

B

Werkt niet als bedoeld

C


c) Voornaamste terreinen van de follow-up door de Rekenkamer in 2004

 

DG Humanitaire hulp (ECHO)

Dienst voor samenwerking EuropeAid

Delegaties

Uitvoering risicoanalyse

Voerde de analyse uit zoals in voorgaande jaren.

Zelfbeoordeling 2004 afgerond in januari 2005.

Rapportagesystemen

Hanteerde goede normen.

Rapportagesystemen gaan er ten opzichte van 2003 op vooruit, maar moeten verder worden ontwikkeld:

module CRIS-Audit niet gekoppeld aan beheersinformatie;

beheersverslagen over externe maatregelen onvolledig.

De delegaties rapporteerden driemaal gedurende het jaar.

Concept externe audits en controles

Volledig toegepast.

Strategiedocument in 2004.

Uitvoering externe audits en follow-up

Audits en follow-up daarvan uitgevoerd. Er moeten duidelijker instructies worden gegeven.

Meer audits uitgevoerd; taakomschrijvingen en follow-up voor verbetering vatbaar.

Risicobeoordeling

7.17.

De in januari 2005 afgeronde beoordeling van het eigen risico over 2004 voor het jaarlijkse beheersplan bevatte een algemene lijst met essentiële risico's bij EuropeAid. Hierbij werd er echter niet van uitgegaan dat de uitvoerende organisaties het niveau vormen waarop de grootste financiële risico's bestaan (zie paragraaf 7.32).

7.17.

Dit is niet de enige vorm van risicobeoordeling door EuropeAid.

Het financiële risico op het niveau van de uitvoerende organisaties wordt afgewogen bij de aanwijzing en financiering van de projecten en de programma’s, op het ogenblik dat een analyse wordt gemaakt van de voorwaarden waaraan moet worden voldaan voor een geslaagde uitvoering van het betrokken project of programma, en van de zich hierbij voordoende beperkingen. Daarbij wordt ook gekeken naar duurzaamheidsaspecten (capaciteit van de eindbegunstigde). Via regelmatig toezicht kan de Commissie maatregelen nemen om deze projecten te verbeteren of bij te sturen.

Informatie en verslaglegging

7.18.

De meeste financiële informatie die voor het toezicht wordt gebruikt, wordt verkregen van het gemeenschappelijk Relex-informatiesysteem (CRIS) van EuropeAid. De financiële informatie betreft hoofdzakelijk besluiten, overeenkomsten, verplichtingen en betalingen op het niveau van de Commissie.

 

7.19.

Verder dienen de delegaties, waaraan het beheer en de uitvoering van de ontwikkelingsacties grotendeels is overgedragen, het hoofdkantoor van EuropeAid te voorzien van beheersverslagen over externe maatregelen, die onder meer zaken op het gebied van interne controle bestrijken. De Rekenkamer beoordeelde een steekproef van 13 beheersverslagen over 2004; in slechts vijf daarvan kwamen de internecontrolenormen aan de orde, terwijl één verslag informatie over de bevindingen naar aanleiding van door de delegatie ingestelde controles bevatte.

7.19.

Wat de tenuitvoerlegging van de internecontrolenormen in de delegaties betreft, wordt met het oog op de verslagen over het beheer van de externe steun (de „EAMR’s”) aan de delegaties gevraagd de belangrijkste punten van de betrokken periode aan te wijzen en aan te geven welke initiatieven moeten worden genomen. De delegaties wordt niet gevraagd alle resultaten van de uitgevoerde audits aan het hoofdkantoor mee te delen, maar alleen die belangrijke elementen onder de aandacht te brengen die kunnen bijdragen tot de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen.

Financieel toezicht

7.20.

De financiële eenheden van de vier geografische directoraten die gedeconcentreerde acties beheren (8), verrichtten meer of minder uitgebreide controles van hun delegaties in de vorm van een onderzoek van hun financiële systemen voor de verwerking van verrichtingen, hun systeem voor het sluiten van overeenkomsten en hun toezicht- en controlesystemen, aangevuld door een controle van de door de delegaties verwerkte verrichtingen. Slechts twee directoraten hadden een programma voor regelmatige controle van delegaties. Zoals opgemerkt in het jaarverslag van het voorgaande jaar, zouden alle directoraten deze aanpak moeten gaan volgen.

7.20.

Zoals aangegeven in het antwoord op paragraaf 7.18 van het verslag van vorig jaar is bij alle delegaties een systematische verificatie verricht voordat de deconcentratie geacht werd operationeel te zijn (2001-2004). Om te voldoen aan de uiteenlopende behoeften van de diensten inzake toezicht op de naar de delegaties gedeconcentreerde activiteiten, kan gebruik worden gemaakt van diverse combinaties van controles, inspecties en audits.

EuropeAid is van plan de beste praktijken voor deze beoordelingen op grotere schaal toe te passen, en daarbij voort te bouwen op de reeds opgedane ervaring.

Controle van de uitvoerende organisaties

7.21.

In 2004 startten de diverse directoraten van EuropeAid in het kader van het controleprogramma 2004 143 controles. De meeste controles waren begin 2005 nog in uitvoering. Deze controles kwamen bij de namens de delegaties verrichte controles die los van het jaarlijkse controleprogramma of rechtstreeks in opdracht van de uitvoerende organisaties waren uitgevoerd. In de meeste gevallen beschikten de centrale diensten niet doorlopend over de informatie betreffende controles die de delegaties waren begonnen. CRIS-Audit, een module voor de opslag van alomvattende informatie over controles, is opgenomen in het financiële informatiesysteem CRIS van EuropeAid, maar de gegevens zijn niet volledig en dienen met spoed te worden gekoppeld aan de desbetreffende informatie over projecttoezicht, zodat de vereisten van wettigheid en regelmatigheid doorlopend kunnen worden bewaakt.

7.21.

De delegaties moeten in hun EAMR’s verslag uitbrengen over de audits waartoe zij het initiatief hebben genomen; door dit systeem heeft de zetel in 2004 regelmatig informatie ontvangen.

Nu is het mogelijk de gegevens van CRIS-audit te koppelen aan de overeenkomstige projectinformatie.

De eenheid Interne audit

7.22.

In 2004 werkte de eenheid Interne audit haar onderzoeken van de internecontrolenormen bij, waarbij zij zeer behartigenswaardige aanbevelingen deed over het verrichten van meer gedetailleerde risicoanalyses en verbeteringen van de toezicht- en controlesystemen; ook bracht de eenheid twee verslagen over specifieke zaken uit. De eenheid voltooide tevens evaluatieverslagen over de werkdruk bij twee delegaties. Zoals reeds is vermeld in het jaarverslag over 2003 is het, wegens de zeer geringe beschikbare personele middelen, de vraag of deze evaluaties wel moeten worden uitgevoerd door de eenheid Interne audit. Deze eenheid zou bij voorrang de systemen ter garantie van de wettigheid en regelmatigheid van de verrichtingen moeten beoordelen en de directeur-generaal moeten bijstaan bij het opstellen van een goed onderbouwde jaarlijkse verklaring, met name wat betreft de kwaliteit van de controleprocedures en de rapportagesystemen, zowel op het hoofdkantoor als bij de delegaties.

7.22.

In de mededeling van de Commissie betreffende de interne auditcapaciteiten zijn drie doelstellingen vooropgesteld: twee houden verband met risicobeheersing en het interne-controlesysteem, en de derde betreft aanbevelingen om de efficiëntie en de doeltreffendheid van de activiteiten te verbeteren en een zuinig gebruik van de middelen te waarborgen.

De beoordelingen van de werklast die door de interne auditcapaciteiten zijn uitgevoerd, beantwoorden aan deze derde doelstelling. In haar zelfbeoordeling beschouwt EuropeAid het beheer van de personele middelen als een risico en in de mededeling over deconcentratie van januari 2004 wordt van de interne auditcapaciteiten van Relex verlangd dat zij samen een audit verrichten van de beoordelingen van de werklast in de gedeconcentreerde delegaties om ervoor te zorgen dat het personeelsbestand de toegenomen werklast aankan.

Verificaties achteraf

7.23.

De eenheid Programmering, interne controle en controle achteraf voerde controles achteraf uit op basis van een steekproef van door EuropeAid verrichte betalingen uit de eerste negen maanden van 2004. De geringe foutenfrequentie die is geconstateerd, werd bevestigd door het werk dat de Rekenkamer zelf aan dit soort verrichtingen heeft besteed (zie paragraaf 7.29).

 

Controles van verrichtingen

7.24.

Het hoofdkantoor van EuropeAid en de delegaties verrichten verificaties en controles van op hun niveau verwerkte verrichtingen. In bepaalde gevallen, waarin de betalingsaanvragen vergezeld gaan van een verslag van een externe controleur die de betrokken uitgaven certificeert, of aan een controle ter plaatse door personeel van de Commissie zijn onderworpen, beoordeelt de Commissie of de onderliggende verrichtingen van de uitvoerende organisaties substantieel wettig en regelmatig zijn. In andere gevallen verlaat de Commissie zich op documenten die de uitvoerende organisaties verstrekken en gaat zij na of de betalingsaanvraag in het kader van het contract of de financieringsovereenkomst en het uitgetrokken budget plausibel is.

7.24.

De toezicht- en controlesystemen van de Commissie hebben tot doel te garanderen dat de contractpartners aan de contractbepalingen voldoen, zoals voorgeschreven in de financiële reglementen.

Externe audits bieden een onafhankelijke waarborg inzake de kwaliteit van de beheerssystemen die voor de projectuitvoering zijn opgericht, en inzake de subsidiabiliteit van de verrichte uitgaven. De financieringsovereenkomsten en de contracten bevatten bepalingen betreffende de audits (certificering van de rekeningen voor bepaalde soorten uitgaven of voor alle uitgaven).

Aanvullende controles en audits bij de contractpartners worden uitgevoerd op basis van risicobeoordelingen, aangezien een grondig onderzoek van hun algemene interne-controlesystemen in vele gevallen buiten verhouding zou zijn, naast de normale controles inzake de wettigheid en regelmatigheid van de betalingen.

Er zijn financiële procedures en controles opgezet met de bedoeling een evenwicht te vinden tussen het risiconiveau en de verrichte controles, daarbij rekening houdend met de verschillende wijzen van beheer.

Toezicht- en controlesystemen bij de delegaties

7.25.

De Rekenkamer bezocht vijf delegaties (Bosnië, Cambodja, Kazachstan, de Filipijnen en Syrië) om de toezicht- en controlesystemen te beoordelen en een aantal verrichtingen te controleren waarvoor EuropeAid de gedelegeerde ordonnateur was. Het onderzoek van de toezicht- en controlesystemen bij de delegaties wees uit dat de gehanteerde procedures doorgaans toereikend waren om te garanderen dat de door de Commissie verwerkte verrichtingen wettig en regelmatig waren.

 

7.26.

In de regel bevatten de financieringsovereenkomsten voor de projecten bepalingen over het inschakelen van externe controleurs en procedures hiervoor. In de financieringsovereenkomsten waarvan de Rekenkamer de externecontroleverslagen heeft beoordeeld, waren dergelijke bepalingen vaag geformuleerd. Zodoende kon de uitvoerende organisatie vrijelijk kiezen uit allerlei benaderingen voor de selectie van externe controleurs en het bepalen van de doelstellingen.

7.26.

De voorbije jaren heeft het gebruik van gestandaardiseerde contractuele documenten (contracten, documenten betreffende subsidies en financieringsovereenkomsten) ertoe bijgedragen het niveau van de door de Commissie verrichte controles te verhogen. Ook de contractbepalingen voor de certificeringsaudits zijn verbeterd. Om bijvoorbeeld de controle over de selectie van de auditoren door de begunstigden en de uitvoerende organisaties te verbeteren is de Commissie voornemens passende voorwaarden met betrekking tot de basiscriteria voor de selectie van auditoren in te voegen in de standaardtaakomschrijving voor audits. Deze criteria zullen door de begunstigden en de uitvoerende organisaties in acht moeten worden genomen wanneer zij auditoren selecteren en met hen contracten sluiten.

7.27.

In de door de Rekenkamer bezochte landen werden 14 externecontroleverslagen (13 uitbesteed door uitvoerende organisaties en een door de Commissie) van de projecten beoordeeld; twaalf hiervan hadden betrekking op projecten die door de Rekenkamer ter plaatse waren gecontroleerd. Voor twee van de 14 externe controles ontbrak een schriftelijke taakomschrijving. Wat betreft de overige twaalf wees het onderzoek van de Rekenkamer — samen met de resultaten van de verificaties die werden verricht bij sommige projecten die aan deze externe controles waren onderworpen — uit dat de externecontroleverslagen voldeden aan de vereisten in de desbetreffende specifieke taakomschrijvingen. Echter, in slechts één taakomschrijving, voor een door een uitvoerende organisatie uitbestede controle, werd uitdrukkelijk verklaard dat moest worden gecontroleerd of aan de voorwaarden voor financiering door de Europese Unie was voldaan. Uiteraard werden de bevindingen van deze controle bevestigd door het werk van de Rekenkamer zelf, terwijl de Rekenkamer bij acht van de twaalf externecontroleverslagen van projecten die zij ter plaatse heeft gecontroleerd, fouten ontdekte die de externe controleurs niet hadden gemeld.

7.27.

EuropeAid geeft een herziene versie uit van de Praktische handleiding voor contractprocedures in het kader van de externe steun van de EG. De herziene standaardsubsidieovereenkomst zal taakomschrijvingen ten behoeve van de begunstigden bevatten. Deze taakomschrijvingen gaan met name over de inachtneming van de contractbepalingen, waaronder die betreffende aanbestedingen en subsidiabiliteit. Deze standaardtaakomschrijvingen moeten worden onderscheiden van de taakomschrijvingen voor door de Commissie geïnitieerde audits, die per geval kunnen worden opgesteld.

Controle van de verrichtingen

Controle van de verrichtingen bij de delegaties

7.28.

Bij elke bezochte delegatie werd een steekproef van verrichtingen op dat niveau gecontroleerd. Deze omvatte 30 betalingen (van in totaal 8,4 miljoen euro) en tien aanbestedingen (van in totaal 12,7 miljoen euro).

 

7.29.

De controlewerkzaamheden van de Rekenkamer met betrekking tot de betalingen aan uitvoerende organisaties brachten slechts een gering aantal fouten aan het licht.

 

Controle van de verrichtingen bij de uitvoerende organisaties

7.30.

De Rekenkamer heeft 17 door de uitvoerende organisaties beheerde projecten bezocht en daarbij een steekproef van in totaal 237 verrichtingen gecontroleerd op wettigheid en regelmatigheid en op het functioneren van de internecontrolesystemen.

 

7.31.

De controles door de Rekenkamer van de projecten brachten bij drie van de 17 ter plaatse bezochte uitvoerende organisaties gebreken in de interne controles aan het licht die waren ontstaan doordat het ontbrak aan een behoorlijke functiescheiding tussen de goedkeuring en de boeking van betalingen.

7.32.

Ten aanzien van elf van de gecontroleerde projecten werden bij de onderzochte verrichtingen fouten ontdekt die qua frequentie of materieel belang voor de uitgaven significant waren. De meest voorkomende types waren niet-inachtneming van de verplichte procedures voor het sluiten van overeenkomsten (aangetroffen in acht van de 17 ter plaatse gecontroleerde projecten), ontoereikende bewijsstukken (vijf van de 17) en niet-subsidiabele uitgaven (vier van de 17).

7.31 en 7.32.

De voorbije jaren heeft de Commissie maatregelen genomen om de tekortkomingen bij de toepassing van de contractprocedures door de uitvoerende organisaties te verhelpen. Zij heeft standaardcontracten ingevoerd, evenals auditverslagen die de auditors ertoe verplichten te controleren of de begunstigden de toepasselijke voorschriften in acht nemen. Momenteel herziet de Commissie de vorm van de auditverslagen en werkt zij aan een betere taakomschrijving voor de auditors.

Analyse van de jaarlijkse activiteitenverslagen en de verklaringen van de gedelegeerde ordonnateurs

7.33.

De Rekenkamer heeft de jaarlijkse activiteitenverslagen en de verklaringen van de directeur-generaal van EuropeAid en de directeur-generaal van ECHO nagezien. Het onderzoek was toegespitst op de gedeelten van de verslagen die betrekking hadden op de follow-up door de Commissie van de aanbevelingen van de Rekenkamer en de interne auditors van de Commissie, en van de acties in het actieplan van de Commissie (bijlage bij haar Synthese van de jaarlijkse activiteitenverslagen 2003 (9)), alsmede op de internecontrolenormen. De Rekenkamer onderzocht of en in hoeverre de mededelingen van de directeuren-generaal betreffende de controleprocedures ter garantie van de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen gegrond en op voldoende bewijsstukken gebaseerd waren.

 

7.34.

De Rekenkamer constateerde dat de informatie in de verslagen nauwkeurig was en de verrichte werkzaamheden betreffende de follow-up van de actieplannen en de tenuitvoerlegging van de internecontrolenormen getrouw weergaf. Zowel ECHO als EuropeAid heeft de nodige maatregelen genomen om de in 2003 geconstateerde tekortkomingen te verhelpen en de naleving van de internecontrolenormen aan te vullen en te verbeteren.

 

7.35.

Sinds januari 2004 moesten de delegaties aan het hoofdkantoor verslag uitbrengen van verrichte externe controles, aspecten betreffende wettigheid en regelmatigheid, alsmede over de getroffen relevante maatregelen. In de door de Rekenkamer gecontroleerde steekproef werd dit echter niet altijd consequent gedaan (zie paragraaf 7.19).

7.35.

De Commissie verwijst naar haar antwoord op paragraaf 7.19.

7.36.

Het jaarlijkse activiteitenverslag van EuropeAid bevat een beschrijving van de internecontrolesystemen — waarbij het accent vooral ligt op de verrichtingen tussen de Commissie en de uitvoerende organisaties — die doorgaans naar behoren functioneren. In 2004 is een methodiek voor het controleren van uitvoerende organisaties opgezet. De praktische toepassing hiervan vergt echter tijd; zo kan met name aan het gebruik en de follow-up van de controleresultaten nog geen zekerheid worden ontleend met betrekking tot de wettigheid en regelmatigheid van de door deze organisaties beheerde verrichtingen.

7.36.

EuropeAid heeft haar auditfunctie in 2004 verbeterd. Deze dienst heeft een algemene auditstrategie opgesteld voor zowel EuropeAid als de delegaties, risicocriteria vastgesteld op basis waarvan wordt bepaald welke audits moeten worden verricht, standaardtaakomschrijvingen opgesteld voor de auditors, en CRIS-audit geïnstalleerd, een computersysteem voor de ondersteuning van en het toezicht op de audits.

De follow-up van de auditresultaten is één van de taken van de leidinggevenden in de delegaties en de zetel. De audits zijn een onderdeel van de volledige projectbeheerscyclus.

Voorts wordt met de resultaten van vorige audits rekening gehouden bij de beslissing om al dan niet het project op te nemen in het jaarlijkse auditplan, dat op basis van risicobeoordeling wordt opgesteld.

Dit neemt niet weg dat de Commissie doorgaat met het ontwikkelen en toepassen van de auditmethodologie waarnaar de Rekenkamer verwijst.

7.37.

De directeur-generaal van EuropeAid verklaart dat hij op basis van zijn eigen oordeel en van de informatie waarover hij beschikte, redelijke zekerheid had verkregen dat de ingevoerde controleprocedures de nodige waarborgen bieden betreffende de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen. De controle door de Rekenkamer bevestigt deze mededeling wat betreft de systemen die de wettigheid en regelmatigheid garanderen van de betalingen van het hoofdkantoor en de delegaties aan de uitvoerende organisaties. De Rekenkamer constateerde echter dat de systemen voor het toezicht op de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven die ten grondslag liggen aan de financiële verslagen van de uitvoerende organisaties, nog steeds ontoereikend zijn en dienen te worden verbeterd (zie paragraaf 7.27).

7.37.

In 2004 waren alle noodzakelijke toezicht- en controlesystemen operationeel om de directeur-generaal in staat te stellen een redelijke zekerheid te verkrijgen over de wettigheid en de regelmatigheid van de verrichtingen van EuropeAid in 2004.

Wat het gebruik van de auditresultaten betreft, zijn externe audits niet de enige bron waaruit zekerheid kan worden geput over de wettigheid en de regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen. Er zijn andere bronnen, zoals facultatieve controles vooraf, transactiecontroles achteraf, controlebezoeken ter plaatse en toezichtverslagen.

Deze controles worden toereikend geacht voor het garanderen van de algemene betrouwbaarheid in het kader van de verklaring van de directeur-generaal.

7.38.

De verklaring van de directeur-generaal van ECHO bevat een voorbehoud met betrekking tot de niet-inachtneming van de contractuele procedures door een humanitaire organisatie. De verklaring verschaft voldoende informatie over het onderliggende probleem en preciseert wat het financiële effect zou kunnen zijn.

 

Conclusies

7.39.

De Commissie heeft haar toezicht- en controlesystemen in 2004 verder verbeterd, overeenkomstig een aantal aanbevelingen die de Rekenkamer in haar jaarverslag over 2003 deed, zoals weergegeven in tabel 7.1 . De effecten van deze verbeteringen hebben nog niet volledig doorgewerkt tot op het niveau van de uitvoerende organisaties. De controle van de Rekenkamer heeft bij de delegaties weinig fouten aan het licht gebracht die van invloed zijn op verrichtingen (zie paragraaf 7.29). Maar evenals in vorige jaren werden bij de organisaties die de projecten uitvoeren, gebreken in de interne controles (zie paragraaf 7.31) en qua frequentie en financieel effect vrij significante fouten ontdekt (zie paragraaf 7.32). De meest voorkomende fout was dat er niet voor werd gezorgd dat procedures voor het sluiten van overeenkomsten, met inbegrip van aanbestedingen, voldeden aan de vereisten van de Commissie. Dit wijst op de noodzaak van een alomvattende aanpak van het toezicht op en de controle en audit van deze organisaties.

7.39.

De Commissie neemt er akte van dat de Rekenkamer van oordeel is dat de Commissie haar controlesysteem verder heeft verbeterd en constateert dat de audit van de Rekenkamer op het niveau van de delegaties (paragraaf 7.29) de gegevens van de Commissie bevestigt.

De voorbije jaren heeft de Commissie maatregelen genomen om de tekortkomingen bij de toepassing van de contractprocedures door de uitvoerende organisaties te verhelpen.

7.40.

De jaarlijkse activiteitenverslagen van ECHO en van EuropeAid bevatten beschrijvingen van hun internecontrolesystemen. ECHO heeft het risico van onwettige of onregelmatige verrichtingen beperkt door middel van een operationeel systeem voor de controle van projecten, hoewel er aan externe controleurs duidelijker instructies zouden moeten worden gegeven (zie de paragrafen 7.11 t/m 7.14). Wat betreft EuropeAid verschaffen het verslag en de verklaring de Rekenkamer echter geen zekerheid (zie paragraaf 7.36), omdat essentiële elementen van de toezicht- en controlesystemen inzake de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen bij de uitvoerende organisaties verder moeten worden verbeterd om geheel operationeel te worden.

7.40.

Wat het directoraat-generaal Humanitaire hulp (ECHO) betreft, bevestigt de Commissie de conclusie van de Rekenkamer dat het systeem van operationele audits het risico van onwettige of onregelmatige verrichtingen beperkt. De Commissie herziet en verduidelijkt voortdurend de punten die door de externe auditors moeten worden gemeld.

In verband met EuropeAid is de Commissie het ermee eens dat alle onderdelen van het systeem voor interne controle kunnen en moeten worden verbeterd. In 2004 waren evenwel alle noodzakelijke toezicht- en controlesystemen operationeel om de directeur-generaal in staat te stellen een redelijke zekerheid te verkrijgen over de wettigheid en regelmatigheid van de verrichtingen van EuropeAid in 2004.

De Rekenkamer erkent dat EuropeAid op dit gebied gestaag vordert. Audits vormen een aanvullende waarborg, naast de conformiteitscontroles en de „reality checks” die, vóór de betaling, volledig door de diensten van de Commissie worden verricht. Een aanvullende waarborg wordt eveneens geboden door onder meer het jaarlijkse auditplan, transactiecontroles achteraf, controlebezoeken ter plaatse en toezichtverslagen.

Aanbevelingen

7.41.

Gelet op het bovenstaande beveelt de Rekenkamer het volgende aan:

7.41.

 

a)

de Commissie dient de VN-agentschappen erop te wijzen dat de Rekenkamer recht heeft op toegang tot door deze agentschappen beheerde projecten (zie paragraaf 7.8);

a)

De VN is eraan herinnerd dat de Rekenkamer, in het kader van haar audits van de Commissie, door de VN uitgevoerde acties mag controleren op grond van de controleclausule.

b)

de risicobeoordeling van EuropeAid dient het niveau van de uitvoerende organisaties te bestrijken (zie paragraaf 7.17);

b)

Op projectniveau is het plannings- en toezichtsinstrumentarium dat bij de Commissie wordt gebruikt, toereikend om naar behoren rekening te houden met de risico’s en om het nodige te doen om die risico’s, wanneer zij zich voordoen, te beheren en te beperken.

Zie ook het antwoord op paragraaf 7.17.

c)

de door de delegaties verschafte informatie, met inbegrip van de resultaten van projectcontroles, vereist een systematischer verificatie en follow-up door middel van controles van het hoofdkantoor (zie de paragrafen 7.19 en 7.20);

c)

EuropeAid is van plan voort te bouwen op de reeds opgedane ervaring en de beste praktijken op grotere schaal toe te passen.

d)

informatie over alle controles, zelfs die welke door uitvoerende organisaties zijn uitbesteed, dienen in CRIS te worden vastgelegd en aan de desbetreffende projectbeheersinformatie te worden gekoppeld (zie paragraaf 7.21);

d)

Nu is het mogelijk de gegevens van CRIS-audit te koppelen aan de overeenkomstige projectinformatie (zie paragraaf 7.21).

e)

de taakomschrijvingen voor de controles van projecten dienen de vereisten beter te specificeren en moeten controles omvatten van de inachtneming van de vereisten die de Commissie stelt aan procedures voor het sluiten van overeenkomsten, met inbegrip van aanbestedingen, en de subsidiabiliteit van uitgaven (zie de paragrafen 7.11 t/m 7.12 en 7.32). Dit zou de door de Commissie te verrichten kwaliteitstoetsing van externe controles vereenvoudigen.

e)

Naar aanleiding van haar auditcontroles en haar risicoanalyse van de systemen van de uitvoerende partners heeft de Commissie (het directoraat-generaal Humanitaire hulp (ECHO)) haar auditactiviteiten geconcentreerd. Zij heeft vooral aandacht geschonken aan de controle van de door de uitvoerende partners gevolgde aanbestedingsprocedures. De Commissie zal onderzoeken hoe zij de reeds uitgebreide toetsing van de op haar projecten verrichte kwaliteitscontroles nog kan verbeteren en zal de externe auditors nadere instructies geven over de te verrichten toetsing.

EuropeAid geeft een herziene versie uit van de Praktische handleiding voor contractprocedures in het kader van de externe steun van de EG. De herziene standaardsubsidieovereenkomst zal taakomschrijvingen ten behoeve van de begunstigden bevatten. Deze taakomschrijvingen gaan met name over de inachtneming van de contractbepalingen, waaronder die over aanbestedingen en subsidiabiliteit.

FOLLOW-UP VAN EERDERE OPMERKINGEN

Speciaal verslag nr. 3/2001 over het beheer door de Commissie van de internationale visserijovereenkomsten

7.42.

In juli 2001 publiceerde de Rekenkamer Speciaal verslag nr. 3/2001 over het beheer door de Commissie van de internationale visserijovereenkomsten. De voornaamste opmerkingen en aanbevelingen, die de Raad overnam in de kwijtingsprocedure (10), betroffen:

a)

het doel van de overeenkomsten: de Rekenkamer heeft erop gewezen dat de beoordeling van sommige overeenkomsten wordt bemoeilijkt door de verstrengeling van het commerciële doel met aspecten op het gebied van ontwikkelingshulp. Ook is een gebrek aan samenhang en een tekort aan coördinatie vastgesteld tussen de internationale overeenkomsten en het onderdeel structuur van het gemeenschappelijk visserijbeleid;

b)

kosten-batenverhouding: de Rekenkamer beval aan, een systeem in te voeren voor een permanente follow-up en een grondige analyse van de kosten-batenverhouding van de overeenkomsten; voorts betreurde zij het dat de vismogelijkheden niet altijd volledig worden benut.

 

Doel van de overeenkomsten

Verstrengeling van commercieel doel en aspecten op het gebied van ontwikkelingshulp

7.43.

De Commissie heeft haar oordeel over de visserijovereenkomsten na de publicatie van het speciaal verslag bijgesteld (11). Zoals aangegeven in haar mededeling, meent de Commissie dat er meer samenhang moet worden aangebracht tussen de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid (12) en het Europees ontwikkelingsbeleid (13). De Commissie heeft een ontwerp-standaardovereenkomst opgesteld overeenkomstig haar nieuwe aanpak, maar er heeft zich nog geen gelegenheid voorgedaan, deze op te nemen in een overeenkomst met een niet-lidstaat.

7.43.

De Commissie heeft al onderhandelingen afgerond over visserijprotocollen die in overeenstemming zijn met het nieuwe beleid inzake visserijpartnerschapsovereenkomsten (bijv. met de Seychellen), en over nieuwe kaderovereenkomsten met een visserijprotocol (bijv. met Micronesië, de Salomonseilanden en de Comoren). Deze overeenkomsten worden nu in het kader van de wetgevingsprocedure behandeld bij de Raad en het Europees Parlement.

7.44.

Het Parlement (14) en de Raad (15) hebben echter twee concepten ontwikkeld die niet uitdrukkelijk in de mededeling worden vermeld: het voorzien van de communautaire markt en het bijdragen aan werkgelegenheid in de Europese Unie. Zodoende blijft de kans op een gebrek aan samenhang, waarop is gewezen in het speciaal verslag, bestaan.

7.44.

De visserijpartnerschapsovereenkomsten maken integraal deel uit van het gemeenschappelijk visserijbeleid en dragen als zodanig bij tot de verwezenlijking van de doelstellingen die zijn vastgesteld in artikel 33 van het Verdrag.

Coördinatie met het onderdeel structuur

7.45.

Wijzigingen in de verordeningen (16) inzake structurele bijstand hebben mogelijke bronnen van inconsistentie weggenomen door een einde te maken aan alle vormen van steun voor de modernisering van schepen en voor het oprichten van gemengde vennootschappen.

 

Kosten-batenverhouding

Invoering van een beoordelingssysteem

7.46.

De Commissie heeft een studie (17) laten uitvoeren die haar moest ondersteunen bij de invoering van een beoordelingssysteem voor visserijovereenkomsten. De Commissie heeft een operationeel beoordelingssysteem opgezet, dat evenwel nog niet voltooid is. Bovendien heeft zij geen actieplan opgesteld ter verbetering van de evaluatie van de bestanden buiten Gemeenschapswateren (zij had toegezegd dit voor eind 2002 te presenteren (18)) en evenmin een nieuwe algemene beoordeling van de visserijovereenkomsten uitgebracht, zoals aangekondigd in haar verslag aan de Raad (19).

7.46.

Het actieplan ter verbetering van de beoordeling van de bestanden buiten de communautaire wateren zal worden opgesteld zodra betere wetenschappelijke gegevens beschikbaar zijn. Voorts zal de Commissie de betrokken partijen raadplegen.

De Commissie neemt evenwel in de onderhandelingen over de visserijovereenkomsten en visserijprotocollen systematisch bepalingen op die meer gewicht moeten geven aan wetenschappelijke gegevens en beoordelingen van de bestanden.

Daadwerkelijk gebruik van de vismogelijkheden

7.47.

De opmerking in het speciaal verslag over onderbenutting had voornamelijk betrekking op de overeenkomsten met Groenland en Senegal.

7.47.

 

a)

De Commissie stelde de Raad voor, in de overeenkomst met Groenland een mechanisme op te nemen dat de overdracht van onbenutte quota tussen lidstaten mogelijk maakt (20). De Raad heeft dit voorstel niet aangenomen (21).

 

b)

In het speciaal verslag is met betrekking tot dezelfde overeenkomst vermeld dat veel van de in theorie beschikbare vismogelijkheden niet langer bestaan. Na onderhandelingen in 2003 zijn de te hoge cijfers voor de Groenlandse visbestanden uit de overeenkomst geschrapt. De Unie betaalt echter nog steeds hetzelfde bedrag voor het visrecht.

b)

Het belangrijkste punt bij de herziening van het vierde protocol was het schrappen van de theoretische visserijmogelijkheden. Sommige quota zijn geschrapt en andere zijn toegevoegd of verhoogd.

In de conclusies van de Raad van 24 februari 2003 is bepaald dat de financiële bijdrage ongewijzigd moet blijven en gebaseerd moet zijn op de werkelijke visserijmogelijkheden voor de communautaire vissersvaartuigen. Daarnaast wordt erop gewezen dat Groenland moet worden bijgestaan bij de herstructurering van zijn sectoraal visserijbeleid via een aanpak waarbij met begrotingssteun wordt gewerkt.

c)

De overeenkomst met Senegal biedt nu extra flexibiliteit in het beheer van vergunningen, hetgeen de benuttingsgraad ten goede zou moeten komen.

 

VOORNAAMSTE OPMERKINGEN IN SPECIALE VERSLAGEN

Speciaal verslag nr. 10/2004 over de deconcentratie van het externesteunbeheer van de Europese Gemeenschap ten gunste van de delegaties van de Commissie

7.48.

In mei 2000 besloot de Commissie, gedurende een periode van drie jaar taken en bevoegdheden inzake steunbeheer ten gunste van haar 78 delegaties te deconcentreren ter versnelling en verbetering daarvan. Sinds medio 2004 is bijna elke delegatie verantwoordelijk voor de voorbereiding van projecten, het sluiten van overeenkomsten, en de financiële en technische uitvoering; zij hebben hiervoor aanzienlijke extra personele en technische middelen ontvangen. De rol van de centrale diensten verschuift van rechtstreeks projectbeheer naar toezicht op en ondersteuning van delegaties.

 

7.49.

Het beheer van het deconcentratieproces door de Commissie kan als redelijk geslaagd worden beschouwd, althans wat de delegaties zelf betreft. In het planningsproces ontbrak echter een aantal elementen waarmee dit proces beter had kunnen worden gestuurd, en op een aantal probleemgebieden is verdere aandacht geboden.

7.49.

Het gebruikte plannings- en toezichtsinstrumentarium maakte het mogelijk naar behoren rekening te houden met specifieke situaties (bijv. regionale delegaties, omvang/complexiteit van de portefeuille, factoren die de indienstneming van personeel vergemakkelijken/bemoeilijken, enz.) en heeft bewezen efficiënt en geschikt te zijn voor het beheer van het deconcentratieproces.

7.50.

Wat betreft de resultaten van de deconcentratie, dienen de financiële procedures nog steeds te worden versneld, geharmoniseerd en vereenvoudigd. Doordat in een vroeg stadium een volledige reeks prestatie-indicatoren voor het toezicht op het deconcentratieproces ontbrak, is het moeilijk, de voortgang bij de verwezenlijking van de hoofddoelstellingen te meten.

7.50.

Deconcentratie was maar één element van het volledige hervormingspakket. Op de resultaten van de hervorming wordt nauwlettend toegezien, en de Raad en het Parlement worden regelmatig op de hoogte gehouden. De resultaten van de deconcentratie kunnen niet los worden gezien van de resultaten van de rest van het pakket. Toch is de deconcentratie niet alleen grotendeels voltooid binnen de beoogde termijn; zij heeft evenmin geleid tot kwaliteitsverlies of een tempovertraging, waarvoor vele waarnemers hadden gevreesd. Bijvoorbeeld nam het aantal jaren dat vóór de hervorming nodig was om een project op te stellen, uit te voeren en te voltooien, sinds 2000 voortdurend toe. Nu is deze tendens omgebogen en worden de projecten sneller voltooid.

7.51.

De belangrijkste aanbevelingen van de Rekenkamer luiden:

7.51.

 

a)

er dienen geschikte indicatoren te worden ingevoerd, die betrekking hebben op de snelheid en de kwaliteit van de steun;

a)

Vanaf het begin van de hervorming zijn indicatoren vastgesteld die voornamelijk op financiële data zijn gebaseerd. Momenteel worden aanvullende indicatoren ontwikkeld, waarmee verbeteringen in snelheid en kwaliteit van de steunverlening zullen worden gemeten.

b)

de feitelijke deconcentratiekosten dienen te worden getoetst aan de geraamde kosten;

b)

Volgens de Commissie zal eind 2005, na de voltooiing van het deconcentratieproces, een vergelijking met de oorspronkelijke ramingen kunnen worden gemaakt op basis van de gegevens van het toezicht op de kosten.

c)

wervingsprocedures, salarissen en overige arbeidsvoorwaarden dienen personeel aan te trekken met de gewenste expertise;

c)

De voorbije jaren zijn grote inspanningen geleverd om het personeelsbeheer in de externe dienst te verbeteren. Andere maatregelen die in het kader van de administratieve hervorming van 2002 waren gepland, worden nu geleidelijk uitgevoerd. Er wordt gestreefd naar efficiëntere wijzen om vacatures in als „moeilijk” bekend staande landen in te vullen. De Commissie erkent evenwel dat er nog verbeteringen nodig zijn, en daar wordt momenteel over nagedacht.

d)

de toezichthoudende en ondersteunende rol van het hoofdkantoor van de Commissie dient te worden ontwikkeld, met name door de financiële informatiesystemen te verbeteren en te voorzien in de nog steeds bestaande behoefte aan opleiding.

d)

De reorganisatie van EuropeAid begin 2005 had tot doel de toezichthoudende en ondersteunende rol van de zetel te verbeteren. Bovendien zal de versterking van de rol van CRIS (Common Relex Information System) als plannings- en beheersinstrument de capaciteit van EuropeAid op deze gebieden verder vergroten. Er worden grote inspanningen geleverd om het personeel van de delegaties degelijke opleiding te geven. Zo worden ter plaatse meer opleidingssessies georganiseerd en worden de elektronische leermodules verder ontwikkeld.

Speciaal verslag nr. 4/2005 over het beheer door de Commissie van de economische samenwerking in Azië

7.52.

De economische samenwerking van de Europese Unie in Azië is geregeld in Verordening (EEG) nr. 443/92 van de Raad en wordt op twee verschillende manieren ten uitvoer gelegd: door middel van bilaterale projecten tussen de Commissie en individuele begunstigde landen, alsmede regionale programma's voor subregio's, of door programma's die heel Azië bestrijken („programma's voor heel Azië”).

 

7.53.

Zowel de beleidsmatige als de operationele strategie bleek zeer breed te zijn, hetgeen leidt tot sterk uiteenlopende projecten op tal van verschillende gebieden. De indicatoren voor impact en output zijn meer gericht op een aantal aspecten van het proces dan op het resultaat van de uitgaven. Hierdoor is de algemene impact moeilijk meetbaar en is er slechts een smalle basis voor de beoordeling van de doeltreffendheid van de uitgaven.

7.53.

Met de hervorming van de externe steun in 2000 en de invoering van de nationale en regionale strategiedocumenten in combinatie met de strategische mededelingen over Azië streeft de Commissie ernaar haar ontwikkelingsuitgaven, met inbegrip van die voor economische samenwerking, doelgerichter te maken.

De Commissie gaat akkoord met de Rekenkamer dat de omschrijving van en het toezicht op de indicatoren voor verbetering vatbaar is. In het kader van de voorbereiding van haar nationale en regionale strategiedocumenten en bijbehorende indicatieve programma's voor 2005-2006 heeft de Commissie dit vraagstuk behandeld.

7.54.

Bij de bilaterale projecten hebben zich zowel tussen de identificatiefase en het begin van de projecten als gedurende de tenuitvoerlegging grote vertragingen voorgedaan. Het niveau van toezicht was niet altijd toereikend. De projecten voor heel Azië, waarvoor een zware en complexe aanvraagprocedure gold, leverden positieve resultaten op en werden in het algemeen goed bewaakt. Voor veel van de bilaterale projecten alsmede voor de projecten voor heel Azië was de duurzaamheid twijfelachtig.

7.54.

Zowel de vertragingen die tussen de vaststelling en de start van de projecten werden opgelopen als de vertragingen bij de uitvoering van de projecten hebben betrekking op bilaterale projecten die vóór de hervorming van de externe steun van de EG zijn opgesteld. Deze hervorming, in het kader waarvan EuropeAid is opgericht (januari 2001) en het beheer van de steun naar de delegaties van de Commissie is gedeconcentreerd, en het nieuwe Financieel Reglement (januari 2003) hebben ervoor gezorgd dat projectvertragingen in de toekomst beperkt en beheersbaar zullen blijven.

Bij het ontwerpen van projecten is het thans verplicht om een toezicht-, audit- en evaluatieplan op te stellen. Daarnaast wordt het toezicht sinds 2000 systematisch door onafhankelijke deskundigen uitgeoefend. In het kader van dit toezicht is gebleken dat voor de projecten op het vlak van economische samenwerking in Azië behoorlijke resultaten werden geboekt op het gebied van de duurzaamheid.

7.55.

De Rekenkamer geeft de Commissie in overweging, een duidelijke strategie uit te zetten waarin de specifieke aard van de economische samenwerking en de doelstellingen ervan wordt erkend, en die indicatoren bevat voor een adequaat toezicht en voortgangsbeoordeling; de Commissie dient de procedures voor goedkeuring en uitvoering, toezicht en beoordeling van de bilaterale projecten te verbeteren, de aanvraagprocedures voor de programma's voor heel Azië opnieuw te bezien en het succesvolle systeem voor het houden van toezicht op de projecten voor heel Azië uit te breiden naar andere projecten.

7.55.

De Commissie is stellig van mening dat economische samenwerking een integraal onderdeel moet blijven van haar ontwikkelingsacties in het kader van één enkele ontwikkelingsstrategie. Zij is dan ook van oordeel dat economische samenwerking een onlosmakelijk onderdeel is van haar ontwikkelingshulp. De Commissie geeft er zich evenwel rekenschap van dat de indicatoren voor economische samenwerking verder ontwikkeld zouden moeten worden.

Het verplichte gebruik van het logisch kader heeft geresulteerd in een versterking van het toezicht op en de evaluatie van de projecten. In alle financieringsovereenkomsten voor projecten wordt nu systematisch bepaald dat een evaluatie moet plaatsvinden. Het sinds 2002 ingevoerde systeem van resultaatgericht toezicht zorgt voor gestandaardiseerde toezichtgegevens over projecten en programma's.

De lopende herziening van de Praktische handleiding voor contractprocedures van AIDCO zal leiden tot een vereenvoudiging (binnen de door het Financieel Reglement afgebakende grenzen) van de aanvraagprocedure voor subsidies en tot een precisering van de rol die de delegaties bij de evaluatie vervullen.


(1)  Zie het afzonderlijke verslag over de EOF's.

(2)  Programma's die worden gefinancierd uit thematisch georiënteerde begrotingslijnen (bijvoorbeeld voedselhulp en NGO-cofinanciering).

(3)  Supporting the reform of financial management — a new framework for authorising officers (SEC(2000) 2203), een document over de ondersteuning van de hervorming van het financiële beheer met een nieuwe regeling voor ordonnateurs.

(4)  De meeste elementen werken, maar sommige belangrijke elementen moeten nog worden verbeterd.

(5)  De eenheid interne audit concentreerde zich op systeemanalyse en heeft nog geen systemen getest.

(6)  Desondanks is het aantal controles ten opzichte van 2003 gestegen.

(7)  Bij externe controles die de Commissie heeft opgezet zijn de taakomschrijving en de betrokkenheid bij de aanwijzing van de controleurs bevredigend, maar waar de controles zijn opgezet door de uitvoerende organisaties zijn er verbeteringen noodzakelijk.

(8)  Azië; Europa, de Kaukasus en Centraal-Azië; het Middellandse-Zeegebied en het Midden-Oosten; Latijns-Amerika.

(9)  Synthese van de jaarlijkse activiteitenverslagen over 2003 van de directoraten-generaal en diensten (COM(2004) 418 def. van 9 juni 2004).

(10)  Aanbeveling van de Raad van 5 maart 2002 betreffende de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 2000 (SN 1651/02).

(11)  Mededeling van de Commissie over een geïntegreerd kader voor partnerschapsovereenkomsten op visserijgebied met derde landen (COM(2002) 637 def. van 23 december 2002).

(12)  Namelijk om de communautaire aanwezigheid in de verre visserij te handhaven en de communautaire visserijbelangen te beschermen.

(13)  Namelijk het stimuleren van de capaciteiten van de ontwikkelingslanden om hun maritieme hulpbronnen zo te exploiteren dat de lokale meerwaarde toeneemt en om de gunstigste prijs te krijgen voor toelatingsrechten in hun exclusieve economische zone voor buitenlandse vaartuigen.

(14)  Resolutie van het Europees Parlement van 9 oktober 2003 waarbij het verslag van de Commissie visserij over de mededeling van de Commissie werd goedgekeurd.

(15)  Raad van de Europese Unie, nota 11485/04 van 15 juli 2004 van het Comité van permanente vertegenwoordigers (Coreper) aan de Raad, goedgekeurd door de Raad tijdens diens 2 599e zitting van 19 juli 2004.

(16)  Verordening (EG) nr. 2369/2002 van de Raad van 20 december 2002 houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2792/1999 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen en voorwaarden voor de structurele acties van de Gemeenschap in de visserijsector (PB L 358 van 31.12.2002, blz. 49).

(17)  Study identifying criteria and indicators for the evaluation of bilateral fisheries agreement (Oceanic Development, december 2003).

(18)  Mededeling van de Commissie betreffende de hervorming van het gemeenschappelijk visserijbeleid (de „Roadmap”) (COM(2002) 181 def. van 28 mei 2002).

(19)  Verslag van de Commissie aan de Raad — Door de Commissie genomen maatregelen naar aanleiding van de opmerkingen bij de aanbeveling van de Raad — Voortgangsverslag over het begrotingsjaar 2000 (COM(2002) 772 van 23 december 2002).

(20)  Voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de sluiting van het Protocol houdende wijziging van het Vierde Protocol tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de visserij zoals bedoeld in de Visserijovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap, enerzijds, en de regering van Denemarken en de plaatselijke regering van Groenland, anderzijds (COM(2003) 609 van 16 oktober 2003).

(21)  Verordening (EG) nr. 1245/2004 van de Raad van 28 juni 2004 betreffende de sluiting van het Protocol houdende wijziging van het Vierde Protocol tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de visserij zoals bedoeld in de Visserijovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap, enerzijds, en de regering van Denemarken en de plaatselijke regering van Groenland, anderzijds (PB L 237 van 8.7.2004, blz. 1).


HOOFDSTUK 8

Pretoetredingsstrategie

INHOUD

Inleiding

Specifieke beoordeling in het kader van de betrouwbaarheidsverklaring

Reikwijdte van de controle van de programma's Phare en Turkije

Beoordeling van de toezicht- en controlesystemen

Directoraat-generaal Uitbreiding

Verbeteringen in opzet van projecten noodzakelijk

Begrotingsvastleggingen voor Bulgarije en Roemenië

Systeem van afsluitende controles

Opmerkingen over de werking van de toezicht- en controlesystemen op het niveau van de EG-delegatie

De toepassing van de beheers- en controlesystemen in de nieuwe lidstaten en de kandidaatlanden

De werking van de systemen voor de controle van de overeenkomsten inzake nationale cofinanciering

Nieuwe verslagleggingsvereisten werden ingevoerd maar …

… de einddeclaraties komen te laat

Noodzaak van beter overzicht

Regels om in aanmerking te komen voor parallelle cofinanciering

Onvoldoende verificatie van de parallelle cofinanciering op nationaal niveau

Conclusies over de toezicht- en controlesystemen

Gegevensgerichte controle van verrichtingen — Betalingen op het niveau van de uitvoering

Jaarlijks activiteitenverslag en verklaring van de directeur-generaal Uitbreiding

Conclusies en aanbevelingen

Conclusies over de programma's Phare en Turkije naar aanleiding van de controle van de Rekenkamer

Aanbevelingen: verdere verbetering is nodig

Algemene conclusie over de pretoetredingsstrategie

OPMERKINGEN VAN DE REKENKAMER

ANTWOORDEN VAN DE COMMISSIE

INLEIDING

8.1.

Rubriek 7 van de financiële vooruitzichten bevat de kredieten voor de pretoetredingsinstrumenten (Phare, ISPA en Sapard) voor tien landen in Midden- en Oost-Europa (1) en het programma inzake pretoetredingssteun voor Turkije. Voor de acht landen in Midden- en Oost-Europa die op 1 mei 2004 lidstaten werden, zijn na de toetreding geen nieuwe vastleggingen gedaan (behalve voor Sapard, met vastleggingen tot eind 2004). De betalingen zullen echter nog op zijn minst tot 2006 doorgaan.

 

8.2.

Het programma Phare (2) en het programma inzake pretoetredingssteun voor Turkije (3), uitgevoerd door het directoraat-generaal Uitbreiding, verlenen steun voor institutionele versterking en investeringen. De programma's worden hoofdzakelijk (4) uitgevoerd in gedecentraliseerd beheer, waarbij op de aankoop- en gunningsbesluiten controle vooraf (DIS (5)) of alleen controle achteraf (EDIS (6)) wordt toegepast. Bij gedecentraliseerd beheer worden de betalingen aan contractanten en begunstigden gedaan door de nationale autoriteiten, met controle achteraf door de Commissie.

 

8.3.

Sapard (7) heeft een vergelijkbare doelstelling op het gebied van landbouw en plattelandsontwikkeling. Over de controle van dit instrument wordt verslag uitgebracht in hoofdstuk 4 (Gemeenschappelijk landbouwbeleid, zie de paragrafen 4.69 t/m 4.76). De conclusies zijn verwerkt in de algemene conclusie over de pretoetredingsstrategie in paragraaf 8.37.

 

8.4.

ISPA (8) werd opgezet om de toetreding te vergemakkelijken op het gebied van milieu en vervoer. Over de controle van dit instrument wordt verslag uitgebracht in hoofdstuk 5 (Structurele acties, zie de paragrafen 5.55 en 5.56). De conclusies zijn verwerkt in de algemene conclusie over de pretoetredingsstrategie in paragraaf 8.37.

 

8.5.

De uitgaven in 2004 voor de pretoetredingsstrategie beliepen in totaal 3 053 miljoen euro. De grafieken 8.1 en 8.2 tonen de verdeling van de middelen die in 2004 werden vastgelegd (1 718 miljoen euro) en besteed (zie de paragrafen 2.4 t/m 2.29 voor opmerkingen inzake het begrotingsbeheer).

 

Image

Image

SPECIFIEKE BEOORDELING IN HET KADER VAN DE BETROUWBAARHEIDSVERKLARING

Reikwijdte van de controle van de programma's Phare en Turkije

8.6.

De Rekenkamer:

a)

beoordeelde de toezicht- en controlesystemen en richtte zich specifiek op de werking van de systemen voor de controle van de overeenkomsten inzake nationale cofinanciering (zie de paragrafen 8.7 t/m 8.29);

b)

verrichtte gegevensgerichte controles van geselecteerde verrichtingen in Bulgarije, de Tsjechische Republiek, Polen, Roemenië en Turkije (zie paragraaf 8.30);

c)

onderzocht het jaarlijkse activiteitenverslag en de verklaring van de directeur-generaal Uitbreiding (zie de paragrafen 8.31 en 8.32).

 

Beoordeling van de toezicht- en controlesystemen

Directoraat-generaal Uitbreiding

8.7.

Het directoraat-generaal Uitbreiding is onder meer verantwoordelijk voor de programmering en vastlegging van uitgaven, betalingen aan de Nationale Fondsen (9), toezicht op de hele projectcyclus, inclusief de nationale cofinanciering, beoordelingen en afsluitende controles. Het directoraat-generaal is ook verantwoordelijk voor de voorafgaande controles van opdrachten in het kader van gedecentraliseerd beheer. De controle van de Rekenkamer gaf aanleiding tot opmerkingen over de programmering en de begrotingsvastleggingen (zie de paragrafen 8.8 en 8.9), cofinanciering (zie de paragrafen 8.20 t/m 8.26) en de afsluitende controles (zie de paragrafen 8.10 t/m 8.13).

 

Verbeteringen in opzet van projecten noodzakelijk

8.8.

De projecten uit de programmeringsjaren 2000 en 2001, waarop de meeste in 2004 uitgevoerde betalingen betrekking hebben, lijden in sommige gevallen aan een tekortschietende opzet, ingewikkelde doelstellingen en onduidelijke en niet-afdwingbare voorwaarden, hetgeen het risico van fouten in de uitvoering verhoogt. De Commissie heeft de projectformulieren dan ook vaak moeten wijzigen (10).

 

Begrotingsvastleggingen voor Bulgarije en Roemenië

8.9.

De begrotingsvastleggingen voor de nationale Phare-programma's in Bulgarije en Roemenië werden verhoogd van 360 miljoen euro in 2003 tot 578 miljoen euro in 2004 (+60 %), overeenkomstig hun draaiboeken voor de toetreding (11). Wanneer de Commissie vastleggingen toestaat voor goedgekeurde programma's in gedecentraliseerd beheer, moet zij zich ervan vergewissen dat de betrokken lidstaten een doeltreffend interne-controlesysteem hebben ingevoerd (12). Het directoraat-generaal Uitbreiding is op de hoogte van verscheidene tekortkomingen in de beheerscapaciteit van de nationale autoriteiten en in het jaarlijkse activiteitenverslag 2004 (zie de paragrafen 8.31 en 8.32) wordt een voorbehoud gemaakt wegens leemten in de capaciteit van Roemenië en Bulgarije om steeds grotere steunbedragen te beheren en te benutten. Het is echter niet logisch aanzienlijk grotere begrotingsvastleggingen toe te staan in een jaar waarin het noodzakelijk werd gevonden een voorbehoud te maken in verband met de beheerscapaciteit (13).

8.9.

De verhoging van de begrotingsvastleggingen voor Bulgarije en Roemenië is het resultaat van een besluit van de regeringsleiders van de lidstaten op de top van Kopenhagen, dat erop gericht is meer vaart te zetten achter de voorbereidingen op toetreding van deze landen. Omdat de Commissie op de hoogte is van tekortkomingen in de beheers- en controlecapaciteit van de uitvoerende instanties, heeft zij als voorwaarde gesteld dat hierin eerst verbetering moet worden gebracht alvorens deze bedragen kunnen worden verhoogd. Het is derhalve zeer wel mogelijk dat deze toewijzingen worden verlaagd wanneer niet aan de voorwaarden wordt voldaan. In hoofdstuk 28 van haar periodieke monitoringverslagen (financiële controle) volgt de Commissie bovendien nauwgezet de ontwikkelingen in verband met de absorptiecapaciteit van deze landen.

Systeem van afsluitende controles

8.10.

In 2001 heeft het directoraat-generaal Uitbreiding een strategie van afsluitende controles ingevoerd. Het systeem met afsluitende controles is een van de belangrijke instrumenten om de wettigheid en regelmatigheid van de Phare-verrichtingen te verzekeren.

 

8.11.

De follow-up van de controles is verbeterd, maar er treedt nog enige vertraging op. De afsluitende controles gaan niet diep genoeg in op uitgaven die zijn opgegeven als parallelle nationale cofinanciering (14). Dit is onbevredigend gezien de risico's en problemen die bij de controle van de Rekenkamer aan het licht zijn gekomen (zie de paragrafen 8.20 t/m 8.28).

8.11.

Zoals vermeld in paragraaf 8.28, werd niet vastgesteld dat er op dit gebied ook daadwerkelijk belangrijke risico’s bestaan.

8.12.

Het aantal controleverslagen waaraan follow-up werd gegeven, steeg van 18 in 2003 tot 57 in 2004, maar het verrichten van de afsluitende controles vorderde in 2004 minder snel dan in 2003 (15). Het resultaat van die controles was echter in 2004 niet anders dan in de voorgaande jaren: in de onderliggende verrichtingen werden geen grote onregelmatigheden aangetroffen.

 

8.13.

De instructies van de Commissie aan de gecontracteerde controleurs aangaande de verslagleggingscriteria waren niet duidelijk genoeg. Dit maakte het controlewerk minder relevant. Het veroorzaakte ook vertraging bij de follow-upprocedure in gevallen waarin de gerapporteerde bevindingen niet duidelijk genoeg waren om de ordonnateur in staat te stellen een besluit te nemen over eventuele terugvordering.

8.13.

In het referentiekader van het contract in kwestie zijn wel degelijk instructies vermeld. Voorts worden bij de aanvang van elke afzonderlijke opdracht verdere specifieke details verstrekt met, in voorkomend geval, vermelding van specifieke risico’s waar de controleurs met name op moeten letten. De gecontracteerde controleurs komen bovendien eenmaal per maand bijeen om de stand van zaken bij elke controle te bespreken.

Om de ordonnateur in staat te stellen een besluit te nemen inzake eventuele terugvordering, werden in 2004 richtsnoeren opgesteld over de wijze waarop de bevindingen van audits moeten worden behandeld.

Opmerkingen over de werking van de toezicht- en controlesystemen op het niveau van de EG-delegatie

8.14.

De EG-delegaties geven vooraf hun goedkeuring voor de aanbestedingen en gunningen in verband met de met DIS beheerde programma's. Deze functie was jarenlang het essentiële controlemiddel ter waarborging van de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen. Het goedkeuren vooraf door de EG-delegaties functioneert meestal behoorlijk. Maar wanneer contracten te snel worden gesloten, hetgeen in Bulgarije en Roemenië niet ongewoon is, komt de kwaliteit van de voorafgaande goedkeuring in het gedrang.

8.14.

De bezorgdheid van de Rekenkamer over Bulgarije en Roemenië komt ook tot uiting in het voorbehoud in de betrouwbaarheidsverklaring van de directeur-generaal. Wat de kwaliteit van de voorafgaande goedkeuring betreft, is dit niet een incidenteel gebeuren maar een proces dat soms over de gehele aanbestedingsprocedure plaatsvindt en wordt afgesloten met de ondertekening van het contract. Zoals vermeld in paragraaf 8.29, blijven de controles van de Commissie dan ook doeltreffend.

8.15.

Hoeveel werk er is gemoeid met de voorafgaande goedkeuring door de Commissie hangt af van de kwaliteit van de beheerscapaciteit van het kandidaatland. In Bulgarije en Roemenië is het een zware opgave voor de EG-delegaties om de tekortkomingen van die landen op het gebied van de projectvoorbereiding en aanbestedingsdossiers te compenseren.

8.15.

De delegaties in Bulgarije en Roemenië hebben inderdaad een zware werklast waarbij er echter wel op moet worden gewezen dat de Commissie er bij de nationale autoriteiten op heeft aangedrongen dringend corrigerende maatregelen te nemen met betrekking tot het gedecentraliseerd uitvoeringssysteem (DIS), met inbegrip van voorafgaande goedkeuring voor besluiten inzake aanbestedingen en guning van opdrachten.

De toepassing van de beheers- en controlesystemen in de nieuwe lidstaten en de kandidaatlanden

8.16.

In de loop van 2004 verrichtte het directoraat-generaal Uitbreiding verificaties als laatste fase van het EDIS-proces vóór het besluit van de Commissie om af te zien van de controle vooraf van de aanbestedingen en gunningen. Deze verificaties, die naar behoren overeenkomstig de kaderregeling werden verricht, wezen eerst op een aantal gebreken. Die werden echter verholpen voordat de Commissie een besluit nam over EDIS.

 

8.17.

EDIS werd toegekend aan negen van de tien nieuwe lidstaten in 2004 (16). De tenuitvoerlegging van EDIS was een belangrijke stap op weg naar verbetering van de beheerscapaciteit en de controlesystemen in de nieuwe lidstaten.

 

8.18.

Bulgarije en Roemenië hebben actieplannen opgesteld met het doel, EDIS in januari 2006 operationeel te hebben.

 

8.19.

In oktober 2003 werden de voor het DIS-beheer ingevoerde systemen in Turkije voor het eerst erkend. De Commissie had al meer dan vijf jaar ervaring met de tenuitvoerlegging van pretoetredingsstrategie in kandidaatlanden. Toch bewijst het resultaat van het erkenningsproces in Turkije, zoals blijkt uit de huidige situatie, dat er geen lering uit werd getrokken, hoewel de met de toepassing van DIS in Phare-landen opgedane ervaring werd overgedragen. De start van het eerste met DIS beheerde programma liep vertraging op, vooral omdat de eenheid voor uitbesteding en financiering en andere organen personeelsproblemen kenden die hadden kunnen worden verlicht indien de autoriteiten lering hadden getrokken uit de opgedane ervaring.

 

De werking van de systemen voor de controle van de overeenkomsten inzake nationale cofinanciering

8.20.

De Rekenkamer onderzocht de werking van de ingevoerde beheersystemen voor de controle van de overeenkomsten inzake nationale cofinanciering op basis van een selectie van tien projecten in vijf landen (17) uit het Phare-programma voor 2000.

 

Nieuwe verslagleggingsvereisten werden ingevoerd maar …

8.21.

Het directoraat-generaal Uitbreiding heeft de verslagleggingsvereisten inzake nationale cofinanciering verbeterd. De nationale autoriteiten moeten nu de overeengekomen en via de Nationale Fondsen uitgegeven bedragen certificeren, ze vergelijken met de in de financieringsmemoranda overeengekomen ramingen en, waar nodig, verschillen tussen die bedragen verklaren. De einddeclaraties moeten nu het totale bedrag van de nationale cofinanciering vermelden, uitgesplitst in gezamenlijke en parallelle cofinanciering.

 

… de einddeclaraties komen te laat

8.22.

De nationale autoriteiten komen echter te laat met hun einddeclaraties en het directoraat-generaal Uitbreiding onderneemt niet genoeg om hen aan die verplichting te herinneren.

8.22.

De nationale autoriteiten hebben de einddeclaraties bij de Commissie ingediend die binnen een redelijke termijn hadden kunnen zijn verzonden. Het feit dat de Commissie strengere eisen is gaan stellen aan de verslaglegging zou wellicht tot vertraging kunnen hebben geleid.

Noodzaak van beter overzicht

8.23.

Het directoraat-generaal Uitbreiding registreert niet systematisch de wijzigingen van de projectformulieren. Het is niet mogelijk de cofinanciering doeltreffend te verifiëren zonder de laatste versie van het projectformulier. De tussentijdse verslaglegging over de parallelle cofinanciering is onvolledig en het directoraat-generaal Uitbreiding is niet in staat de totaalbedragen van de overeengekomen parallelle cofinanciering te berekenen.

8.23.

Binnen de delegaties worden bijgewerkte formulieren gebruikt voor het controleren van de medefinancieringsaangiften in de financieringsverzoeken van de nationale ordonnateur.

Vóór de programmering van 2003 en met name in 2000 en 2001 toen de minimale medefinanciering zich nog in de invoeringsfase bevond, werd niet noodzakelijkerwijs een onderscheid gemaakt tussen parrallelle en gezamenlijke medefinanciering om het beheer van de krappe overheidsfinanciën van de pretoetredingslanden te vergemakkelijken. Landen hadden derhalve het recht een keuze te maken uit beide vormen of deze tijdens de uitvoering zelfs te combineren, mits was voldaan aan alle overige wettelijke vereisten (zoals de minimumregel van 25 % voor investeringsprojecten). Omdat parallelle financiering aan het eind van een project kan worden verleend, is het mogelijk dat in het tussentijdse verslag geen opmerkingen zijn gemaakt. Sedert 2003 heeft parallelle medefinanciering vrijwel geheel plaats moeten maken voor gezamenlijke medefinanciering, die automatisch bij elke gezamenlijke betaling wordt gecontroleerd. Betalingen in het kader van parallelle medefinanciering worden echter eveneens telkens gecontroleerd en ten slotte is er een algemene controle alvorens wordt overgegaan tot de definitieve uitbetaling. Na de risicobeoordeling kan een verdere controle plaatsvinden bij de afsluiting van de rekeningen.

Regels om in aanmerking te komen voor parallelle cofinanciering

8.24.

Anders dan bij de structuurfondsen heeft de Commissie hier geen duidelijke regels vastgesteld waarin wordt omschreven welke uitgaven aan nationale bijdragen voor vergoeding in aanmerking komen. Maar de financieringsmemoranda geven aan dat belastingen, douanerechten en invoerheffingen niet kunnen worden gefinancierd uit Phare (18), hetgeen inhoudt dat zulke uitgaven ook niet in aanmerking komen voor nationale cofinanciering. Deze regel wordt gevolgd bij gezamenlijke cofinanciering, waar de nationale bijdrage volgens dezelfde regels wordt beheerd als de Phare-middelen.

8.24.

De regels en praktijken met betrekking tot medefinanciering voor Phare zijn meer dan een decennium lang geëvolueerd. Bij parallelle medefinanciering zijn bijdragen in natura bijvoorbeeld toegestaan, terwijl dit per definitie is uitgesloten bij gezamenlijke medefinancieringsregelingen. Voorts zouden de Phare-landen een controversiële oplegging van de meest recente medefinancieringsvoorschriften met terugwerkende kracht aanvechten.

8.25.

Parallelle cofinanciering wordt beheerd door de begunstigde ministeries of autoriteiten en maakt geen deel uit van het normale Phare-rapportagesysteem. In juni 2004 zond het directoraat-generaal Uitbreiding aan de nationale ordonnateurs een nota met de mededeling dat BTW in aanmerking kwam voor parallelle cofinanciering mits dit in de einddeclaraties vermeld en naar behoren gemotiveerd werd. Volgens dezelfde nota kunnen uitgaven in het kader van parallelle cofinanciering maximaal een jaar na het verstrijken van de financieringsmemoranda worden ingediend.

8.25.

Om de regels te versoepelen die meer beperkend zijn dan die welke van toepassing zijn op de lidstaten, werden bij de richtsnoeren met betrekking tot de beginselen van medefinanciering van de Commissie van september 2002 ook de subsidiabliteitsregels van de structuurfondsen als richtsnoer aangehouden (die onder bepaalde voorwaarden wel BTW toestaan). Na de toetreding was de Commissie derhalve van oordeel dat zij geen juridische middelen had om aan te vechten dat BTW die was betaald uit hoofde van parallelle nationale medefinanciering, niet subsidiabel was. Deze richtsnoeren werden in juni 2004 verder uitgewerkt en de nationale ordonnateurs ontvingen een schrijven waarin duidelijkheid werd verschaft over onder meer de subsidiabiliteit van de BTW en andere belastingen en rechten. De subsidiabiliteit van de BTW werd uiteindelijk afgestemd op de regels die worden toegepast bij de structuurfondsen, omdat de meeste begunstigden ondertussen lidstaten waren geworden.

8.26.

Het feit dat het directoraat-generaal Uitbreiding BTW accepteert als subsidiabele uitgaven in het kader van de parallelle cofinanciering, is juridisch niet te verantwoorden. De Phare-verordening sluit BTW uit van communautaire financiering; die uitsluiting zou haar doel missen indien BTW in aanmerking kwam voor cofinanciering.

8.26.

De Commissie is van oordeel dat de BTW, in overeenstemming met de Phare-verordening, in het kader van de medefinanciering in sommige gevallen als een subsidiabele uitgave kan worden beschouwd, omdat de Commissie vindt dat in deze verordening de voorschriften worden vastgesteld die uitsluitend van toepassing zijn op de communautaire financiering.

Onvoldoende verificatie van de parallelle cofinanciering op nationaal niveau

8.27.

De Nationale Fondsen verzamelen gegevens over parallelle cofinanciering wanneer zij hun verzoeken om middelen opstellen. Die gegevens worden echter niet geverifieerd, zodat uitblijvende cofinanciering en niet-subsidiabele uitgaven lange tijd onopgemerkt kunnen blijven.

8.27.

Deze kwestie werd in september 2002 onderzocht. In juni 2004 werden de nationale ordonnateurs instructies gestuurd waarin het formaat van de aangifte inzake medefinanciering werd gewijzigd zodat zij op hun niveau strenger kunnen controleren.

8.28.

De controle door de Rekenkamer van de als parallelle nationale cofinanciering gemelde uitgaven bracht verscheidene gevallen aan het licht waarin BTW was meegerekend, enkele gevallen waarin de uitgaven waren gedaan buiten de subsidieperiode, genoemd in de financieringsmemoranda, en één geval met een niet-subsidiabele bijdrage in natura. Het effect hiervan op de EU-begroting was marginaal. In Bulgarije en Roemenië kon de tussentijdse verslaglegging over uitgaven in de vorm van parallelle cofinanciering echter niet worden gecontroleerd wegens de ontoereikendheid van het controletraject en de bewijsstukken. In Turkije werd hetzelfde probleem aangetroffen bij een MEDA-programma (19) met een aanvaarde bijdrage in natura.

8.28.

In het financiële memorandum wordt bij de termijnen voor het afsluiten van contracten en uitbetalingen verwezen naar de „EG-subsidie” (artikel 3 bepaalt dat de EG-subsidie beschikbaar is voor het afsluiten van contracten tot … en de termijn voor uitbetaling is …) De nationale autoriteiten kunnen derhalve aanvoeren dat deze data alleen van toepassing zijn op de EU-bijdrage en niet op hun eigen bijdrage. Dit punt werd opgehelderd door te verklaren dat de termijnen die van toepassing zijn op medefinanciering, identiek zijn aan die welke gelden voor Phare en dat parallelle medefinanciering tot één jaar na het eind van de uitbetalingsperiode die is vastgesteld in het financiële memorandum, aanvaardbaar zou zijn (op voorwaarde dat een briefwisseling plaatsvindt tussen de Commissie en de nationale ordonnateur).

Conclusies over de toezicht- en controlesystemen

8.29.

In de loop der jaren zijn de toezicht- en controlesystemen verbeterd. Voor de nieuwe lidstaten blijkt het over het algemeen bevredigende niveau van de toezicht- en controlesystemen uit het feit dat na een grondige beoordeling en verificatie EDIS werd toegekend. In Bulgarije, Roemenië en Turkije zijn de toezicht- en controlesystemen op nationaal niveau vrij gebrekkig. Het voornaamste element in de toezicht- en controlesystemen van de Commissie blijft dus een doeltreffende toepassing van de goedkeuring vooraf door de EG-delegaties. In het algemeen bieden de toezicht- en controlesystemen redelijke zekerheid over de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen, behalve waar het gaat om de eisen inzake de parallelle cofinanciering.

 

Gegevensgerichte controle van verrichtingen — Betalingen op het niveau van de uitvoering

8.30.

In totaal werden 13 projecten waarvoor de Commissie in 2004 betalingen deed, geselecteerd voor gegevensgerichte controle van betalingen in de Tsjechische Republiek, Polen, Bulgarije, Roemenië en Turkije (20). In het algemeen waren de betalingen wettig en regelmatig en werden slechts enkele formele fouten ontdekt zoals te late betaling en kleine overtredingen van de aanbestedingsregels. Deze bevindingen bevestigen het oordeel van de Rekenkamer over de toezicht- en controlesystemen (zie paragraaf 8.29).

 

Jaarlijks activiteitenverslag en verklaring van de directeur-generaal Uitbreiding

8.31.

De in eerdere jaren genoemde punten van voorbehoud werden niet herhaald. Wel maakte de directeur-generaal Uitbreiding een nieuw voorbehoud in verband met tekortkomingen in de beheersystemen en leemten in de capaciteit van Bulgarije en Roemenië om stijgende steunbedragen te beheren en te besteden.

 

8.32.

De Rekenkamer is het eens met de beoordeling van de Commissie. Zij is echter van mening dat als men wil wijzen op toekomstige beheersrisico's, dit niet moet gebeuren met een voorbehoud inzake de verklaring over de activiteiten van 2004, maar in het kader van de risicobeoordeling in het jaarlijks activiteitenverslag.

8.32.

Zoals uiteengezet in de de tekst van het voorbehoud, is de reden voor dit voorbehoud in 2004 het feit dat de risico’s betrekking hebben op het goede financiële beheer in de toekomst van begrotingsvastleggingen die in 2004 zijn gedaan en derhalve zijn opgenomen in de verklaring van de directeur-generaal in 2004. Hoewel de Rekenkamer van oordeel is dat het voorbehoud is gemaakt ten aanzien van de toekomst, is de directeur-generaal van mening dat het risico van 2004 geldt voor de vastleggingen van dat jaar, hoewel dit risico (in de vorm van eventuele annulering) waarschijnlijk pas in de volgende jaren merkbaar zal zijn.

Conclusies en aanbevelingen

Conclusies over de programma's Phare en Turkije naar aanleiding van de controle van de Rekenkamer

8.33.

De Rekenkamer concludeerde dat de Commissie haar interne-controleomgeving in verband met de programma's Phare en Turkije verder heeft verbeterd. De invoering van EDIS was een belangrijke stap op weg naar verbetering van de beheerscapaciteit en de controlesystemen in de nieuwe lidstaten. Maar het directoraat-generaal Uitbreiding is zich ervan bewust dat de controlesystemen in Bulgarije en Roemenië nog tekortkomingen vertonen.

 

8.34.

Bij de controle werden in de onderzochte verrichtingen geen materiële fouten ontdekt, hetgeen overeenkomt met de controleresultaten van het voorgaande jaar. In de toezicht- en controlesystemen werden echter nog steeds de volgende tekortkomingen opgemerkt:

8.34.

De Commissie is het hiermee eens, maar benadrukt dat de tekortkomingen die werden belicht ondertussen zijn gecorrigeerd:

a)

de instructies van de Commissie inzake de verslagleggingscriteria aan de gecontracteerde controleurs waren niet duidelijk genoeg en als nationale parallelle cofinanciering opgegeven uitgaven werden niet grondig genoeg onderzocht in de controle;

a)

de instructies voor verslaglegging en de wijze waarop parallelle medefinanciering moet worden beoordeeld, zijn nu aangepast;

b)

ondanks de overdracht van de ervaring die was opgedaan met de invoering van DIS in Phare-landen hebben de Turkse autoriteiten daaruit onvoldoende lering getrokken;

 

c)

de einddeclaraties worden met vertraging ingediend, de subsidiëringsregels worden verkeerd toegepast, de tussentijdse verslaglegging is onvolledig en het controletraject voor ter parallelle cofinanciering opgegeven uitgaven is ontoereikend.

c)

de nationale autoriteiten hebben de relevante eindaangiften binnen een redelijke termijn ingediend. De eisen voor medefinanciering alsmede voor de controles en verslaglegging zijn strenger gemaakt. De tussentijdse verslaglegging met betrekking tot parallelle medefinanciering, die niet vóór het eind van een project moet worden ingediend, is per definitie onvolledig;

Aanbevelingen: verdere verbetering is nodig

8.35.

De Commissie moet het projectontwerp verbeteren, ervoor zorgen dat de ervaring met eerdere kandidaatlanden wordt toegepast ten aanzien van nieuwe kandidaatlanden en de controle van de parallelle cofinanciering versterken, onder meer door deze aan afsluitende controles te onderwerpen en de subsidiëringsregels aan te passen aan de regelgeving. De Commissie moet zich blijven inspannen om de beheers- en controlesystemen in Bulgarije en Roemenië te verbeteren door middel van het EDIS-proces.

8.35.

Zoals hierboven in meer detail werd uiteengezet, heeft de Commissie rekening gehouden met de opmerkingen van de Rekenkamer. De Commissie heeft bijvoorbeeld de nodige richtsnoeren opgesteld, toezicht gehouden op de toepassing van de regels voor verslaglegging, de beste praktijken meer verspreid en informatie en opleidingen gegeven, bijvoorbeeld door middel van de studiebijeenkomst over „opgedane ervaringen” die in 2005 plaatsvond.

ALGEMENE CONCLUSIE OVER DE PRETOETREDINGSSTRATEGIE

8.36.

Het oordeel van de Rekenkamer over de pretoetredingsinstrumenten wordt voor Phare en Turkije besproken in dit hoofdstuk (zie de paragrafen 8.33 en 8.34), voor Sapard in hoofdstuk 4 (zie paragraaf 4.76) en voor ISPA in hoofdstuk 5 (zie de paragrafen 5.55 en 5.56).

 

8.37.

Uit de resultaten van de werkzaamheden van de Rekenkamer blijkt dat de toezicht- en controlesystemen voor alle pretoetredingsinstrumenten (Phare, Turkije, Sapard en ISPA) bij de centrale diensten van de Commissie, de delegaties en de verklarende instanties in essentie in orde waren en in de praktijk goed werkten. Toch bestaan er voor alle programma's nog in uiteenlopende mate risico's op het niveau van de uitvoeringsorganen in de kandidaatlanden (zie de paragrafen 8.29, 4.76, 4.77 en 5.56). De controle van de Rekenkamer wees niet op materiële fouten in de onderliggende verrichtingen.

 


(1)  Tsjechische Republiek, Estland, Letland, Litouwen, Hongarije, Polen, Slovenië, Slowakije, Bulgarije en Roemenië.

(2)  Polen, Hongarije en herstructurering in het Oosten, Verordening (EEG) nr. 3906/89 van de Raad (PB L 375 van 23.12.1989, blz. 11).

(3)  Verordening (EG) nr. 2500/2001 van de Raad van 17 december 2001 betreffende financiële pretoetredingssteun voor Turkije (PB L 342 van 27.12.2001, blz. 1. Verordening gerectificeerd in PB L 285 van 23.10.2002, blz. 26).

(4)  Van alle Phare-betalingen voor Turkije in 2004 betrof ongeveer 80 % programma's in gedecentraliseerde uitvoering, 8 % gecentraliseerde uitvoering, 7 % uitvoering in gezamenlijk beheer (vooral ontmanteling van nucleaire installaties via de EBWO) en de laatste 5 % wordt beheerd door de EG-delegatie in Turkije (deconcentratie) om eerdere samenwerkingsprogramma's met Turkije af te ronden (hoofdzakelijk MEDA).

(5)  Gedecentraliseerd uitvoeringssysteem.

(6)  Uitgebreid gedecentraliseerd uitvoeringssysteem waarbij de Commissie afziet van haar controle vooraf van de aanbestedingen en gunningen.

(7)  Speciaal toetredingsprogramma op het gebied van landbouw en plattelandsontwikkeling, Verordening (EG) nr. 1268/1999 van de Raad (PB L 161 van 26.6.1999, blz. 87).

(8)  Pretoetredingsinstrument voor structuurbeleid, Verordening (EG) nr. 1267/1999 van de Raad (PB L 161 van 26.6.1999, blz. 73).

(9)  In alle kandidaat-lidstaten zijn Nationale Fondsen opgericht die de geldstromen van de drie pretoetredingsinstrumenten moeten kanaliseren, zowel de van de Commissie afkomstige ontvangsten als de middelen die aan de uitvoeringsorganen worden doorbetaald.

(10)  Voor tien van de 16 gecontroleerde Phare-projecten waren de projectformulieren gewijzigd.

(11)  Mededeling COM(2002)624 van 13.11.2002.

(12)  Artikel 164 van het Financieel Reglement.

(13)  De directeur-generaal Uitbreiding heeft corrigerende maatregelen aangekondigd, onder meer een herbeoordeling van de toewijzing van middelen voor de periode 2004-2006 op basis van een in 2005 te verrichten beoordeling van het beheersysteem.

(14)  Bij gezamenlijke cofinanciering wordt elk projectonderdeel gelijktijdig gecofinancierd en verrichten de partners hun betalingen tegelijkertijd. De andere vorm is parallelle cofinanciering, waarbij de partners verschillende onderdelen van het project financieren, eventueel op verschillende tijdstippen, en de desbetreffende betalingen afzonderlijk worden verricht.

(15)  Twaalf ontwerp-controleverslagen werden uitgebracht in 2004, tegenover 49 in 2003. Er werden 32 nieuwe controles begonnen in 2004, tegenover 34 in 2003.

(16)  Voor Polen werd EDIS toegekend in maart 2005.

(17)  Tsjechische Republiek (2), Polen (3), Slovenië (2), Bulgarije (1) en Roemenië (2).

(18)  Artikel 13, lid 1, van de algemene voorwaarden van de financieringsmemoranda.

(19)  Verordening (EG) nr. 1488/96 van de Raad (PB L 189 van 30.7.1996, blz. 1).

(20)  In totaal werden 60 betalingen gecontroleerd: Tsjechische Republiek (7), Polen (6), Bulgarije (23), Roemenië (17) en Turkije (7).


HOOFDSTUK 9

Administratieve uitgaven

INHOUD

Administratieve uitgaven van de instellingen en communautaire organen

Inleiding

Specifieke beoordeling in het kader van de betrouwbaarheidsverklaring

Inleiding

Toezicht- en controlesystemen

Opmerkingen over verrichtingen

Jaarlijkse activiteitenverslagen en verklaringen van de gedelegeerde ordonnateurs

Specifieke opmerkingen

Parlement

Raad

Commissie

Hof van Justitie

Rekenkamer

Europees Economisch en Sociaal Comité

Comité van de Regio's

Europese Ombudsman en Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming

Algemene conclusies en aanbevelingen

Voornaamste opmerkingen in speciale verslagen

Speciaal verslag nr. 1/2005 over het beheer van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF)

Speciaal verslag nr. 5/2005 over de uitgaven van het Parlement, de Commissie en de Raad voor vertolking

Agentschappen en andere gedecentraliseerde organen

De Europese Scholen

OPMERKINGEN VAN DE REKENKAMER

 

ADMINISTRATIEVE UITGAVEN VAN DE INSTELLINGEN EN COMMUNAUTAIRE ORGANEN

Inleiding

9.1.

In rubriek 5 van de financiële vooruitzichten, „Administratieve uitgaven”, zijn de huishoudelijke begrotingsmiddelen van de instellingen en andere organen opgenomen. Deze begrotingsmiddelen staan onder direct beheer van elke instelling of orgaan en dienen voor de betaling van salarissen, toelagen en pensioenen van hun leden en personeelsleden, alsmede van huur, aankopen en diverse administratieve uitgaven. De uitgaven in 2004 bedroegen 5 856 miljoen euro en worden nader gespecificeerd in tabel 9.1 . Dit hoofdstuk bevat een specifieke beoordeling in het kader van de betrouwbaarheidsverklaring en specifieke opmerkingen over de instellingen, de gedecentraliseerde organen en de Europese Scholen.

 

Tabel 9.1 — Betalingen per instelling

(miljoen EUR)

 

2003

2004

Europees Parlement

986

1 166

Raad

410

507

Commissie

3 546

3 721

Hof van Justitie

148

216

Rekenkamer

84

84

Europees Economisch en Sociaal Comité

91

92

Comité van de Regio's

46

63

Europese Ombudsman

4

5

Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming

1

Totaal

5 305

5 856

Specifieke beoordeling in het kader van de betrouwbaarheidsverklaring

Inleiding

9.2.

De doelstelling van de DAS-controle 2004 inzake administratieve uitgaven was, de Rekenkamer in staat te stellen tot het beoordelen van de betrouwbaarheid van de geconsolideerde rekeningen voor het jaar dat werd afgesloten op 31 december 2004 (behandeld in hoofdstuk 1) en van de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen. Tabel 9.2 geeft de follow-up weer van opmerkingen uit eerdere jaarverslagen.

9.2.

ANTWOORD VAN DE COMMISSIE

De Commissie publiceert een jaarlijks verslag over de follow-up van de aanbevelingen van de Rekenkamer. Het verslag met betrekking tot het jaarverslag over 2003 van de Rekenkamer zal in het najaar van 2005 verschijnen.

9.3.

Uit eerdere controles van de Rekenkamer blijkt dat de geconstateerde fouten merendeels formeel van aard en niet aan ernstige gebreken in de controlesystemen te wijten zijn. Door de vaststelling van een nieuw Statuut en een nieuw systeem voor de berekening van de salarissen van het personeel en door de toepassing van nieuwe systemen in het kader van het nieuwe Financieel Reglement zijn in 2004 echter specifieke risico's ontstaan (zie de paragrafen 9.5 en 9.6).

9.3.

ANTWOORD VAN DE COMMISSIE

De gefaseerde invoering van een nieuw systeem voor de betaling van de salarissen in 2003 en begin 2004 heeft inderdaad een nieuw risico doen ontstaan, maar dit geldt voor elke nieuwe applicatie (zie het antwoord op paragraaf 9.5). De diensten van de Commissie hebben dit risico beperkt door een groot aantal manuele controles uit te voeren van de resultaten van de verschillende voorlopige berekeningen van de maandelijkse betaling en door geconstateerde fouten onmiddellijk door de informatici te laten corrigeren voor de definitieve maandelijkse berekening en de opdracht tot betaling van de salarissen. Het aantal achteraf geconstateerde fouten was zeer gering.

Tabel 9.2 — Follow-up van opmerkingen uit eerdere jaarverslagen

Opmerkingen

Getroffen maatregelen

Verdere maatregelen noodzakelijk?

Antwoord van het Parlement

Machtigingen tot periodieke overschrijving

Jaarverslag 2003, paragraaf 9.14:

De interne voorschriften van het Parlement voor de uitvoering van zijn afdeling van de begroting bieden de mogelijkheid, betalingen te verrichten via machtiging tot periodieke overschrijving. Nadat de betaling is verricht „dient de ordonnateur een verrekeningsopdracht in met het oog op de aanwijzing van het bedrag op de begroting” (artikel 11, lid 4, van de interne voorschriften). Om in overeenstemming te zijn met het Financieel Reglement, moeten uitgaven betaalbaar zijn gesteld en toegestaan alvorens betaling plaatsvindt.

Geen maatregelen getroffen: in 2004 was het interne voorschrift dat de mogelijkheid biedt, via machtiging tot periodieke overschrijving betalingen te verrichten, nog steeds van kracht.

Ja, alle betalingen moeten worden verricht overeenkomstig het bepaalde in het Financieel Reglement.

Na een wijziging in artikel 10 van de op 27 april 2005 herziene Interne Voorschriften voor de uitvoering van de begroting van het Europees Parlement is „betaling via incassomachtiging alleen mogelijk indien daartoe in het contract met de schuldeiser expliciet is voorzien”.

Aanvullende pensioenregeling voor leden van het Europees Parlement

Jaarverslag 2002, paragrafen 9.17 en 9.20:

Bij voortzetting van de aanvullende pensioenregeling voor leden van het Europees Parlement moet zo spoedig mogelijk een toereikende rechtsgrondslag worden gecreëerd.

De aanvullende pensioenregeling blijft bestaan en er is geen toereikende rechtsgrondslag gecreëerd.

Ja, er moet een rechtsgrondslag worden gecreëerd.

Het goedgekeurde statuut van de leden dat in 2009 in werking zal treden, voorziet in een uniforme pensioenregeling voor de leden van het Europees Parlement, waardoor de aanvullende pensioenregeling op termijn zal verdwijnen.

In de regeling moeten duidelijke regels worden opgenomen om de aansprakelijkheid en verantwoordelijkheid van het Europees Parlement en de deelnemers aan de regeling vast te leggen in geval van een tekort.

Dergelijke regels zijn niet vastgesteld.

Ja, er moeten passende regels worden vastgesteld.

Naar de regeling in kwestie is in het voorjaar van 2005 een actuariële studie verricht, op grond waarvan de nodige maatregelen kunnen worden getroffen om het fonds in evenwicht te houden. De resultaten van de studie zouden eveneens kunnen worden aangegrepen om de respectieve bevoegdheden en verantwoordelijkheden van het Parlement en de vereniging zonder winstoogmerk naar Luxemburgs recht die het pensioenfonds beheert, te herzien voor de periode van nu tot de inwerkingtreding van het statuut van de leden.

Toezicht- en controlesystemen

9.4.

In 2004 bleven alle instellingen hun toezicht- en controlesystemen verbeteren om te voldoen aan de vereisten van het nieuwe Financieel Reglement. Geen enkele instelling had de internecontrolenormen (hierna „ICN's” genoemd) echter volledig ingevoerd (1).

9.4.

ANTWOORD VAN DE RAAD

De internecontrolenormen (ICN's) voor de Raad zijn op 20 juli 2005 aangenomen.

9.4.

ANTWOORD VAN DE COMMISSIE

De Commissie heeft haar internecontrolenormen in 2000 goedgekeurd en verricht een jaarlijkse follow-up van de uitvoering van de bijbehorende basisvereisten; op de genoemde uitvoering wordt geregeld toezicht gehouden, zowel wat betreft naleving als wat betreft doeltreffendheid. Zoals de Rekenkamer in paragraaf 1.87 vermeldt, werd 93 % van de basisvereisten nageleefd, hetgeen in een steeds veranderende omgeving als een vrijwel volledige naleving kan worden beschouwd.

9.4.

ANTWOORD VAN DE HOF VAN JUSTITIE

De administratie van het Hof erkent dat sommige van de internecontrolenormen in 2004 nog niet ten volle zijn toegepast. De aantrekking van nieuw, gekwalificeerd personeel zal tot een spoedige verbetering van de situatie moeten leiden.

9.4.

ANTWOORD VAN HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ

Gepland was de belangrijkste maatregelen ter uitvoering van de internecontrolenormen in 2004 en 2005 te nemen. Zij hebben betrekking op personeelsbeheer (beschrijving van alle posten, actualisering van de beschrijving van aanwervingprocedures), het gebruik van prestatie-indicatoren (waarvoor om interinstitutioneel overleg werd verzocht) en systematisch gebruik van een driemaandelijks uitgavenplan. Dit alles werd opgenomen in het op 8 november 2004 door de secretaris-generaal goedgekeurde geconsolideerde actieplan.

9.5.

In 2004 gebruikten alle instellingen de NAP („Nouvelle Application Paie”), een nieuwe computerapplicatie voor de berekening van de personeelsbezoldiging, die is gecreëerd en wordt beheerd door het bureau Salarisadministratie van de Commissie. De NAP vertoonde in 2004 diverse technische gebreken, hetgeen een nieuw risico deed ontstaan en in vele gevallen resulteerde in de foutieve berekening van diverse elementen van de personeelsbezoldiging. De opvallendste fouten werden vóór de betaling manueel gecorrigeerd. Ten aanzien van één van die elementen werden in maart 2005 de NAP-programma's verbeterd en de in 2004 betaalde bedragen herberekend en zo nodig gecorrigeerd. Deze correcties leidden tot terugvorderingen die voor alle instellingen samen in totaal ongeveer 1,9 miljoen euro bedroegen. Manuele gegevens die in de NAP werden ingevoerd uit de computersystemen die de situaties registreren waaraan personeelsleden specifieke rechten kunnen ontlenen, vormden nog een ander specifiek foutenrisico. De controles werden echter niet dienovereenkomstig versterkt.

9.5.

ANTWOORD VAN HET EUROPEES PARLEMENT

De bijna gelijktijdige introductie van het nieuwe Financieel Reglement, het nieuwe statuut en de nieuwe bezoldigingsapplicatie (NAP) heeft weliswaar tot grote problemen geleid, maar het is belangrijk om de werkelijke aard van de problemen te kennen. Met name het statuut gaf aanleiding tot vele interpretatieproblemen. Pas toen deze problemen waren opgelost (normaal gesproken op het niveau van de hoofden van administratie), kon de NAP definitief worden aangepast. De tijd die deze procedure in beslag heeft genomen, verklaart grotendeels de genoemde terugvorderingen. De puur technische kinderziekten van de NAP waren weliswaar vervelend en tijdrovend voor de betrokken diensten, maar werden snel opgespoord en verholpen. Hoewel de manuele invoer van bezoldigingsgegevens ook een risico vormt, is de procedure niet nieuw en vereiste derhalve geen speciale controlemaatregelen naast de reeds bestaande. Niettemin geeft de NAP het Parlement aanleiding om de ex-postcontrole op de uitbetaling van de salarissen te verscherpen.

9.5.

ANTWOORD VAN DE RAAD

Het secretariaat-generaal van de Raad (SGR) wenst op zijn beurt te onderstrepen dat het de controles wél heeft versterkt toen de oude salarisapplicatie werd vervangen door de NAP. Het SGR betreurt dat de conclusie inzake de controle de aandacht van de lezer zou kunnen afleiden van het feit dat een gebrekkige computerapplicatie werd ingevoerd op het moment waarop het statuut ingrijpend werd gewijzigd.

9.5.

ANTWOORD VAN DE COMMISSIE

De gefaseerde invoering van de NAP („nouvelle application paie”) in 2003 en begin 2004 heeft een nieuw risico doen ontstaan, wat inherent is aan de invoering van een nieuwe computerapplicatie.

De diensten van de Commissie hebben dit risico beperkt door een groot aantal manuele controles uit te voeren van de resultaten van de verschillende voorlopige berekeningen van de maandelijkse betaling en door geconstateerde fouten onmiddellijk door de informatici te laten corrigeren voor de definitieve maandelijkse berekening en de opdracht tot betaling van de salarissen. Het aantal achteraf geconstateerde fouten was zeer gering.

De wijzigingen van het statuut werden pas op 22 maart 2004 door de Raad goedgekeurd, zodat er maar zeer weinig tijd was voor het vaststellen van de gedetailleerde beheersregels en voor het aanpassen van de NAP. Toch heeft de Commissie bij de betaling van de salarissen van mei 2004 de meeste bij de hervorming ingevoerde wijzigingen kunnen toepassen. Sommige aspecten konden niet vanaf de inwerkingtreding van de hervorming in hun definitieve vorm worden toegepast omdat de algemene uitvoeringsbepalingen of de beheersregels nog niet volledig vaststonden. Daarom zijn voorlopige modules ingevoerd om de gevolgen voor de ontvangers te beperken. De in maart 2005 in de NAP aangebrachte wijzigingen, die hebben geleid tot de genoemde regularisatie van 1,9 miljoen EUR, vloeiden bijvoorbeeld voort uit werkzaamheden waarvoor de voorwaarden in november 2004 zijn vastgesteld en die dus niet eerder konden worden uitgevoerd.

Door de invoering van de NAP moesten de controles op de kwaliteit van de in het betalingssysteem opgenomen gegevens worden verschoven naar de systemen voor het beheer van de rechten die de gegevens voortaan automatisch via een interface aan de NAP doorgeven. In 2003 zijn de bestaande controles geëvalueerd en gereorganiseerd om op het niveau van de beheerssystemen te garanderen dat vanaf 1 januari 2004 het in het Financieel Reglement opgenomen beginsel van inleiding en verificatie vooraf wordt geëerbiedigd.

9.5.

ANTWOORD VAN DE HOF VAN JUSTITIE

De problemen in verband met de introductie van het computerprogramma NAP. Deze introductie vond gelijktijdig plaats met de herziening van het ambtenarenstatuut, in omstandigheden die verre van optimaal waren en die tot een aanzienlijke verhoging van de werklast van de afdeling Salarisadministratie heeft geleid. Andere instellingen hebben, evenals het Hof van Justitie, met problemen te kampen gehad in verband met het functioneren van dit computerprogramma. Deze problemen zijn herhaaldelijk kenbaar gemaakt bij de met het beheer van dit programma belaste diensten van de Commissie en zijn regelmatig in vergaderingen met deze diensten besproken. Veel van deze problemen zijn thans in grote lijnen opgelost.

Met betrekking tot de gegevensoverdracht naar het NAP-programma moet worden opgemerkt dat dit bij het Hof geschiedt door het personeel van de afdeling Salarisadministratie en wel rechtstreeks op basis van de verschillende besluiten van de administratie waaruit de betrokken rechten voortvloeien. Binnen deze sectie wordt hierop een systematische controle verricht. Het invoeren van de gegevens geschiedt dus niet op basis van de gegevens die reeds in het personeelssysteem Centurio zijn ingevoerd.

9.5.

ANTWOORD VAN HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ

Bij het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) worden gegevens niet met de hand in de NAP ingevoerd. Personeelsgegevens worden door een persoon in het personeelsbeheerssysteem gecodeerd en door een tweede persoon geldig verklaard. Vervolgens worden de gegevens automatisch direct van dit computersysteem in de NAP ingevoerd. Ook worden via de NAP verrichte individuele betalingen elektronisch, en niet met de hand, in het boekhoudinformatiesysteem ingevoerd. Verder geldt voor deze betalingen hetzelfde als voor alle andere betalingen: nadat er een dubbele elektronische handtekening is aangebracht, worden zij elektronisch en zonder hercodering naar de bank verzonden.

9.6.

Het gewijzigde Statuut, dat op 1 mei 2004 in werking trad, bepaalt dat tijdens dienstreizen gemaakte verblijfkosten na overlegging van bewijsstukken worden vergoed tot een per land vastgesteld maximum (artikel 13 van bijlage VII van het Statuut). In strijd met dit voorschrift voorzagen alle instellingen behalve het Hof van Justitie, de Rekenkamer en de Ombudsman in hun interne voorschriften in de betaling van een forfaitair bedrag, tussen 30 en 60 % van het maximaal toe te kennen bedrag, aan personeelsleden die geen enkel bewijs van gemaakte verblijfkosten overleggen. Het gewijzigde Statuut stelt ook nieuwe, lagere schalen voor dagvergoedingen vast. Twee instellingen handhaafden echter het vóór mei 2004 vigerende systeem en bleven de afgeschafte schalen voor dagvergoedingen hanteren (2).

9.6.

ANTWOORD VAN HET EUROPEES PARLEMENT

De spreiding van de werkzaamheden van het Parlement over drie plaatsen leidt tot speciale problemen met dienstreizen. Een daarvan is dat het Parlement niet in staat was de nieuwe regels per 1 mei in te voeren. Hoewel de nieuwe in 2005 geïntroduceerde regels voorzien in forfaitaire bedragen, is het Parlement van mening dat het nieuwe systeem een goed evenwicht is tussen statutaire en praktische vereisten en in overeenstemming is met het daarover uitgebrachte juridisch advies.

9.6.

ANTWOORD VAN DE RAAD

Het SGR zal, samen met de andere instellingen, nagaan of het mogelijk is zijn interne voorschriften over de vergoeding van verblijfkosten zonder bewijsstukken te wijzigen.

9.6.

ANTWOORD VAN DE COMMISSIE

De betaling van een forfaitair bedrag in plaats van een variabele betaling op basis van bewijsstukken werd beschouwd als een maatregel ter uitvoering van een bepaling van het statuut die, binnen de beoordelingsmarge, rekening houdt met de kosteneffectiviteit. De Commissie zal echter onderzoeken of een dergelijke regel zinvol is.

9.6.

ANTWOORD VAN HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ

De regeling van het EESC voor dienstreizen is in hoge mate op die van de Commissie afgestemd. Paragraaf 4.2 luidt in beide regelingen hetzelfde. Het EESC wil artikel 13, lid 1, van bijlage VII van het Statuut op dezelfde wijze als de Commissie blijven toepassen, teneinde de samenhang tussen de regelingen van de instellingen te waarborgen.

9.7.

Er werden gebreken geconstateerd in de controlesystemen betreffende de overmaking van een gedeelte van de bezoldiging van personeelsleden met toepassing van een wegingscoëfficiënt. In diverse gevallen werden overmakingen toegestaan die niet waren onderbouwd met afdoende bewijs van het recht van de ambtenaar op de aangevraagde overmaking (3). Het aantal aangetroffen gevallen was in sommige instellingen groot (4).

9.7 en 9.8.

ANTWOORD VAN DE COMMISSIE

De genoemde fouten werden bij andere instellingen geconstateerd en niet bij de Commissie.

9.7.

ANTWOORD VAN DE HOF VAN JUSTITIE

Deze paragraaf heeft betrekking op de gevallen waarin de gevolgen van een uit de gezinssituatie van de ambtenaar voortvloeiende wijziging van de rechten van die ambtenaar niet onmiddellijk zijn verdisconteerd in het recht op overmaking van een gedeelte van zijn bezoldiging. De administratie van het Hof verricht terzake evenwel periodieke controles en gaat, indien nodig, tot correcties over door middel van terugvordering van het onverschuldigd betaalde.

9.7.

ANTWOORD VAN HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ

De documenten ten behoeve van overmaking van een gedeelte van het salaris met wegingscoëfficiënt naar het buitenland vormen voorwerp van systematische ex-postonderzoeken die momenteel worden uitgevoerd. Daarbij worden eventueel noodzakelijke correcties op basis van de nieuwe statutaire voorschriften aangebracht.

9.8.

Bij sommige instellingen werd een gebrek aan controleprocedures betreffende pensioenbetalingen geconstateerd. Pensioenen betaald aan gepensioneerde personeelsleden met verblijfplaats in sommige lidstaten worden verhoogd met een wegingscoëfficiënt. Er was de laatste jaren echter geen verificatie verricht om de werkelijke verblijfplaats van voormalige ambtenaren na te gaan (5).

9.8.

ANTWOORD VAN DE RAAD

Op basis van een risicobeoordeling heeft het SGR in maart 2005 een enquête verricht betreffende pensioenbetalingen aan personen die in het Verenigd Koninkrijk verblijven; deze leidde tot correcties door de administratie die op hun beurt in twee rechtszaken resulteerden.

9.8.

ANTWOORD VAN HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ

Na 2002 werd besloten om de verblijfplaats van gepensioneerden om de twee jaar te verifiëren. Voor eind 2004 was een controle gepland, maar deze liep vertraging op vanwege de werklast die samenhing met de „hervormingen” (nieuwe berekeningen, nieuwe overmakingen, enz.). Gedurende deze periode onderhield het EESC nauwe contacten met de gepensioneerden door hun nieuwsbrieven te sturen, op de aankomst ervan toe te zien en, indien noodzakelijk, op individuele basis te corresponderen. Tussen juli en oktober 2005 zal de volledige officiële controle zijn afgerond. Per 31 augustus 2005 was meer dan 80 % van de gepensioneerden gecontroleerd.

9.9.

Behalve bij de Europese Ombudsman en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming werden hier en daar gebreken geconstateerd in de toezicht- en controlesystemen voor aanbestedingen.

9.9.

ANTWOORD VAN HET EUROPEES PARLEMENT

Het Parlement neemt nota van de opmerking van de Rekenkamer en zet zijn inspanningen om de procedures te verbeteren voort.

9.9.

ANTWOORD VAN DE RAAD

Volgens het SGR is er geen argument voor de uitspraak van de Rekenkamer dat zij hier en daar gebreken heeft geconstateerd in de toezicht- en controlesystemen voor aanbestedingen. Het SGR heeft een rond het directoraat-generaal A, directoraat 4, eenheid Coördinatie aankopen, geconcentreerde interne organisatie opgezet die ervoor zorgt dat er competitieve aanbestedingsprocedures worden gevolgd in strikte overeenstemming met de voorschriften en in een streven naar de meest kostenbesparende oplossing.

In het kader van haar jaarlijkse audit heeft de Rekenkamer één opmerking over een aanbestedingsdossier gemaakt, die verband hield met de interpretatie van de financiële verordening, maar die geen betrekking heeft op de kwaliteit van het internecontrolesysteem.

9.9.

ANTWOORD VAN DE COMMISSIE

Voor de Commissie hebben alle betrokken diensten corrigerende maatregelen genomen:

De jaarlijkse instructies aan de delegaties zullen worden herzien, zodat alle delegaties voldoende informatie van tevoren aan het hoofdkwartier verstrekken.

Er zijn twee extra controles ingevoerd, een vooraf en een achteraf, als aanvulling op het controlesysteem in het kader van de aanbestedingsprocedure op informaticagebied;

In 2005 zijn maatregelen genomen met betrekking tot kantooraanbestedingen om ervoor te zorgen dat artikel 126 van de uitvoeringsvoorschriften van het Financieel Reglement wordt nageleefd, is de planning van de aanbestedingen voor 2005-2006 gemaakt en zijn gedurende het gehele jaar controles achteraf uitgevoerd.

9.9.

ANTWOORD VAN DE HOF VAN JUSTITIE

De administratie van het Hof zal zich inspannen om de controles op het gebied van aanbestedingen verder te verbeteren en managers op dit gebied op te leiden.

9.9.

ANTWOORD VAN HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ

Ten aanzien van de planning van aanbestedingen en operationeel contractbeheer waren tekortkomingen onder meer te wijten aan teveel decentralisatie van bevoegdheden aan de verschillende operationele diensten, die echter onvoldoende specialisten in huis hebben. Begin 2004 werd voorgesteld om een nieuwe eenheid op te richten en die te belasten met de coördinatie van financiële en contractuele activiteiten binnen alle gezamenlijke diensten van het EESC en het Comité van de Regio’s (CvdR). Deze diensten beheren het overgrote deel van de aanbestedingsactiviteiten van het EESC. De eenheid werd officieel op 1 november 2004 opgericht en werd na een periode van aanwerving in februari 2005 volledig operationeel. Speciaal voor aanbestedingen en contractbeheer binnen de gezamenlijke diensten omvat de eenheid twee nieuwe posten. Verder zij erop gewezen dat de bepaald niet geringe gevolgen die de uitbreiding en de verhuizing van de Comités voor de verschillende operationele diensten meebrachten, eveneens hebben bijgedragen tot de vastgestelde zwakke punten.

Opmerkingen over verrichtingen

9.10.

De controle van de Rekenkamer had betrekking op bezoldigingen van het personeel, overmakingen van een deel van het salaris, verhoogd met een wegingscoëfficiënt, naar bankrekeningen in andere lidstaten dan die van de standplaats, indienstnemingen, toelagen voor leden van instellingen en uitgaven voor aanbestedingscontracten.

 

9.11.

Er werden verscheidene gevallen met een financieel effect op lange termijn betreffende de bezoldiging van personeelsleden ontdekt, waarin de uitgaven niet gerechtvaardigd waren:

9.11 en 9.12.

ANTWOORD VAN DE COMMISSIE

Zie het antwoord op de paragrafen 9.7 en 9.8.

9.11.

 

a)

inschaling van personeelsleden die niet overeenkwam met de bepalingen van het Statuut of de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen (6), en toekenning van de specifieke salarisverhoging voor hoofden van eenheden aan personeelsleden die geen leidinggevende taken hadden (4);

a)

ANTWOORD VAN HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ

Wat de inschaling van personeelsleden betreft, wijst de Rekenkamer op een omissie in verband met de herindeling van een tijdelijk functionaris op basis van de overgangsbepalingen van de nieuwe statutaire regelingen. Die vergissing is inmiddels rechtgezet. Bovendien is bij een ex-postcontrole gebleken dat er sprake was van een geïsoleerd geval.

Aangaande de benoeming van hoofden van eenheden bevat het statuut geen enkele bepaling betreffende het minimumaantal personeelsleden dat een eenheid zou moeten omvatten. Het EESC, een kleine instelling, kent de volgende managementopties: ter verhoging van de individuele motivatie en de collectieve efficiëntie zijn de hoofden van de eenheden volledig verantwoordelijk en verantwoording schuldig voor de organisatie en ontwikkeling van de activiteiten in hun sector en hun personeelsbeheer. Krachtens EESC-besluit 442/04 A moet een personeelslid om tot hoofd van een eenheid te kunnen worden benoemd:

belangrijke verantwoordelijkheden hebben bij de definiëring, ontwikkeling en uitvoering van EESC-beleid dan wel dergelijke verantwoordelijkheden op gevoelige gebieden hebben, of

belangrijke verantwoordelijkheden hebben op het gebied van financieel of personeelsbeheer dan wel ordonnateurstaken in de zin van het Financieel Reglement uitvoeren op belangrijke terreinen of met betrekking tot grote bedragen, of

een administratieve eenheid leiden die uit minstens negen personeelsleden bestaat.

Gegeven de aard en reikwijdte van hun verantwoordelijkheden werden de hoofden van de internecontroledienst en de juridische dienst dus volledig in overeenstemming met deze bepalingen tot hoofd van een eenheid benoemd.

b)

overmaking van een deel van het salaris met wegingscoëfficiënten, die werd toegestaan zonder de noodzakelijke onderbouwing voor het geheel of een gedeelte van het overgemaakte bedrag (7).

b)

ANTWOORD VAN DE RAAD

De Rekenkamer maakt dezelfde opmerking als in paragraaf 9.7. Aangezien het SGR elk jaar systematisch nieuwe bewijsstukken vraagt, is het bovendien niet correct te concluderen dat de weinige door de Rekenkamer geconstateerde gevallen een financieel effect op lange termijn betreffende de bezoldiging van personeel zouden hebben.

 

ANTWOORD VAN DE HOF VAN JUSTITIE

Verwezen zij naar het antwoord in paragraaf 9.7.

 

ANTWOORD VAN HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ

Zie de opmerkingen van het EESC betreffende paragraaf 9.7.

9.12.

De aard en het soort geconstateerde fouten bevestigden de hiervoor genoemde gebreken in het functioneren van de toezicht- en controlesystemen en verschaften aanwijzingen over de noodzakelijke verbeteringen.

 

Jaarlijkse activiteitenverslagen en verklaringen van de gedelegeerde ordonnateurs

9.13.

In 2004 werden er verbeteringen aangebracht in de presentatie van de jaarlijkse activiteitenverslagen en verklaringen van de gedelegeerde ordonnateurs. Sommige ervan bevatten punten van voorbehoud en de meeste maakten melding van een aantal gebreken in de toezicht- en controlesystemen. Bij sommige instellingen kon de Rekenkamer de jaarlijkse activiteitenverslagen niet in aanmerking nemen daar zij niet waren ingediend voordat de controle van de Rekenkamer was afgesloten (8).

9.13.

ANTWOORD VAN DE COMMISSIE

De Commissie neemt nota van de evaluatie van de Rekenkamer met betrekking tot de verbeteringen in de presentatie van de jaarlijkse activiteitenverslagen van haar diensten voor 2004, die allemaal op tijd zijn verschenen.

In de jaarlijkse activiteitenverslagen van de diensten van de Commissie waren een paar punten van voorbehoud en opmerkingen opgenomen in verband met de totale administratieve uitgaven. De Commissie is van mening dat de gemelde gebreken in de toezicht- en controlesystemen niet van materieel belang zijn voor de wettigheid en de regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen.

9.13.

ANTWOORD VAN DE HOF VAN JUSTITIE

Met betrekking tot de jaarlijkse activiteitenverslagen moet eraan worden herinnerd, dat de uiterste datum van 15 juni, zoals voorzien in artikel 60, lid 7, van het Financieel Reglement, om aan de begrotingsautoriteit een samenvatting van de jaarlijkse activiteitenverslagen over te leggen, uitsluitend voor de Commissie geldt. De gedelegeerde ordonnateur van het Hof heeft het door hem opgestelde jaarlijkse activiteitenverslag op 21 juni 2005 aan zijn instelling overgelegd. Mocht de Rekenkamer de wens kenbaar maken om voortaan op een bepaalde datum over het jaarlijkse verslag te kunnen beschikken, dan is het Hof gaarne bereid hieraan tegemoet te komen.

Specifieke opmerkingen

9.14.

De volgende afdeling bevat specifieke opmerkingen met betrekking tot elk van de instellingen.

 

Parlement

9.15.

Op het Parlement zijn de paragrafen 9.6 en 9.9 van toepassing. In een aantal gevallen werkte de validatie van uitgaven voor aanbestedingen niet zoals bedoeld. In één van de gevallen was het betaalde bedrag 0,7 miljoen euro te hoog opgegeven.

9.15.

ANTWOORD VAN HET EUROPEES PARLEMENT

Voor de genoemde paragrafen 9.6 en 9.9 wordt verwezen naar het antwoord aldaar. Het genoemde bedrag vloeit voort uit een verlaging van de BTW-grondslag voor het erfpachtcontract voor het DA-D5-gebouw, waarin de Belgische autoriteiten na lange onderhandelingen hebben toegestemd. Op politiek niveau werd pas vlak voor de ondertekening van het contract een akkoord over de grondslag bereikt. Er moest gewacht worden op de kennisgeving van de bevoegde fiscale autoriteit, enkele dagen na de betaling die moest geschieden bij de tekening van het contract, voordat de onderneming een creditnota en een nieuwe factuur kon doen uitgaan. Bijgevolg is het bedrag van 701 537,76 EUR behandeld als een voorschot, overeenkomstig de bepalingen in het contract met de onderneming.

9.16.

Evenals in het verleden (zie de paragrafen 9.21 en 9.22 van het Jaarverslag 2002) werden ook in de toezicht- en controlesystemen met betrekking tot de betaling van toelagen aan leden van het Parlement gebreken geconstateerd. De gehanteerde procedures garandeerden niet dat het door voormalige parlementsleden uit bepaalde activiteiten verkregen inkomen (bezoldigde functie bij een internationale instelling, lidmaatschap van een nationale of regionale regering, enz.) was afgetrokken van de overbruggingstoelage bij beëindiging van het mandaat.

9.16.

ANTWOORD VAN HET EUROPEES PARLEMENT

Met betrekking tot de secretariaatsvergoeding zijn in 2004 wijzigingen in de KVL-regeling goedgekeurd, gericht op een betere controle, met name bij dienstverleningsovereenkomsten. In juli 2005 heeft het College van quaestoren de bijbehorende uitvoeringsvoorwaarden vastgesteld, zodat de beherende dienst deze nu kan gaan toepassen. Met betrekking tot de overbruggingstoelage is het Parlement zich bewust van een nog altijd aanwezig risico. Er zijn reeds maatregelen getroffen en nog andere zijn in de maak om dit risico verder te verkleinen.

Raad

9.17.

Op de Raad zijn de paragrafen 9.4, 9.6, 9.7, 9.8, 9.9 en 9.11 van toepassing. De Raad heeft geen minimumnormen voor interne controle ingevoerd (artikel 60, lid 4, van het Financieel Reglement) en geen dienstorders met een omschrijving van de taken, rechten en verplichtingen van de rekenplichtige en de beheerder van de voorschotkas (artikel 44 van de uitvoeringsvoorschriften) opgesteld.

9.17.

ANTWOORD VAN DE RAAD

De reacties van het SGR op de paragrafen 9.4, 9.6, 9.8, 9.9 en 9.11 staan hierboven. Daarnaast moet worden vermeld dat de Raad onlangs een handvest heeft opgesteld met een omschrijving van de taken, rechten en verplichtingen van de rekenplichtige, alsook een handboek voor het beheer van de voorschotkas.

9.18.

Vóór 31 december 1997 ter compensatie van overwerk toegekend extra vakantieverlof wordt bij de pensionering betaald indien de ambtenaar het extra verlof niet heeft opgenomen. Daar personeelsleden van de categorieën A en B geen recht hebben op compensatie voor overwerk, zijn dergelijke betalingen niet in overeenstemming met artikel 56 van het Statuut. Eind 2004 bedroeg het totale vakantieverlof ter compensatie van overwerk dat vóór 31 december 1997 was verleend en nog niet was opgenomen, ongeveer 11 800 dagen. In september 2004 werd een totaalbedrag van ongeveer 95 000 euro betaald voor extra vakantieverlof dat A- en B-ambtenaren die in die maand met pensioen gingen, niet hadden opgenomen.

9.18.

ANTWOORD VAN DE RAAD

Het SGR is voornemens de hoeveelheden vóór 31 december 1997 verleende verlofdagen ter compensatie van overwerk voor personeelsleden van de categorieën A en B geleidelijk af te bouwen; de recentste maatregel in dit proces is bekendgemaakt in mededeling 80/05 van 17 mei 2005 aan het personeel. Sedert begin 2005 zijn deze hoeveelheden verminderd met 2 500 dagen tot een aantal van 9 317,5 op 7 september 2005.

Commissie (9)

9.19.

Op de Commissie is paragraaf 9.9 van toepassing. De Rekenkamer heeft ook enige gebreken in het functioneren van een aantal toezicht- en controlesystemen bij het Publicatiebureau geconstateerd, waar verschillen zijn waargenomen tussen de hoeveelheden papier die in de voorraadlijst waren opgenomen en de hoeveelheden die in werkelijkheid waren opgeslagen; ook waren er niet-geleverde exemplaren van een publicatie betaald en was niet verzocht om prijsherzieningen waarin de contracten voorzagen in geval van daling van de marktprijzen van papier of grondstoffen.

9.19.

ANTWOORD VAN DE COMMISSIE

Het Publicatiebureau is het eens met de opmerking van de Rekenkamer over de verschillen tussen de in het voorraadbeheerssysteem opgenomen hoeveelheden en de hoeveelheden die daadwerkelijk op twee verschillende plaatsen in voorraad waren. Deze verschillen zijn het gevolg van verkeerde invoer in het voorraadbeheerssysteem. Momenteel wordt nieuwe software ontwikkeld voor het beheer van de voorraad, waarvan het grootste deel nu weer naar het hoofdgebouw van het Publicatiebureau is overgebracht.

Het Publicatiebureau stemt in met de opmerkingen van de Rekenkamer over de discrepantie van 1,4 % die in de geleverde hoeveelheden voor een publicatie werd aangetroffen, en het zal ervoor zorgen dat de informatiecircuits worden verbeterd om herhaling van dergelijke fouten te voorkomen.

Het Publicatiebureau aanvaardt de opmerkingen van de Rekenkamer over prijsherzieningen; hierop zal voortaan worden gelet.

Hof van Justitie

9.20.

Op het Hof van Justitie zijn de paragrafen 9.4, 9.7, 9.9, 9.11 en 9.13 van toepassing. Het Hof van Justitie stelde de internecontrolenormen in maart 2004 vast. Vijf ervan werden echter niet ten uitvoer gelegd. In één geval, betreffende de indexering van huur, leidden het ontbreken van bewijsstukken bij de opdrachten tot betaling van huur en ontoereikende follow-up van het huurcontract ertoe dat het Hof van Justitie de verhuurder in september 2004 716 000 euro aan achterstallige huur moest betalen wegens niet-indexering van de huur sinds 1999.

9.20.

ANTWOORD VAN DE HOF VAN JUSTITIE

Wat de internecontrolenormen betreft, zij verwezen naar het antwoord in paragraaf 9.4.

De opmerkingen over de huurindexering geven aanleiding tot de volgende antwoorden. Tot 1999, met uitzondering van de jaren 1983, 1984 en 1994 waarin de huursom was bevroren, heeft het Hof de voor de huur van het Paleis verschuldigde bedragen aangepast als gevolg van een brief van de diensten van de eigenaar, te weten de Luxemburgse staat (10). Voorafgaand aan deze brief werd, bij de opstelling van het voorontwerp van begroting voor elk begrotingsjaar, een raming gemaakt van de in het betrokken jaar verschuldigde huursom op basis van de verwachte ontwikkeling van het bij de huurherziening gehanteerde index-cijfer.

Na de ontruiming van het Paleis in 1999 is een tweede aanhangsel bij de huurovereenkomst van het Paleis van 5 juni 1973 gevoegd in verband met de ingebruikneming van vervangende ruimte (bâtiment T). Deze nieuwe overeenkomst kent dezelfde voorwaarden als de huurovereenkomst van het Paleis.

Vanaf 2001 zijn brieven aan de Luxemburgse autoriteiten gericht, waarin deze autoriteiten zijn verzocht om in het licht van deze nieuwe situatie hun standpunt te bepalen inzake de toepassing van artikel III van de huurovereenkomst, dat voorziet in een aanpassing van de huursom overeenkomstig de ontwikkeling van het indexcijfer. Pas bij brief van 28 september 2004 heeft de Ontvanger van de Domeinen hierop gereageerd door betaling te verlangen van de huursom die was verschuldigd als gevolg van de aanpassing aan de ontwikkeling van dit indexcijfer, en wel voor de periode 1999-2004.

9.21.

De interne auditor vervult de functie van hoofd van de „eenheid Verificatie” die controles vooraf op de verrichtingen van de ordonnateur uitvoert. Een dergelijke betrokkenheid bij de uitvoering van financiële verrichtingen is onverenigbaar met de taken van een onafhankelijke interne auditor. Sinds zijn aanstelling in 2003 heeft de interne auditor geen enkele in zijn werkprogramma opgenomen audit afgerond.

9.21.

ANTWOORD VAN DE HOF VAN JUSTITIE

De controles vooraf en de interne audits worden uitgevoerd door verschillende personen. Gelet op de omvang van het Hof is besloten om de interne controleurs onder de administratieve verantwoordelijkheid van één enkele ambtenaar te plaatsen, ook wel interne auditor genoemd. Deze administratieve verantwoordelijkheid doet geenszins afbreuk aan de onafhankelijkheid van de interne auditor bij het verrichten van zijn audittaken.

In 2004 heeft de dienst Interne audit te lijden gehad onder een tekort aan gekwalificeerd personeel, waardoor de geplande audittaken niet volledig konden worden uitgevoerd. Gestage pogingen om deze situatie te verhelpen, hebben in december 2004 geresulteerd in de aanstelling van een auditor in de hoedanigheid van hulpfunctionaris en in juni 2005 in de aanstelling van een auditor in de hoedanigheid van tijdelijk functionaris. Tot slot is uit een reservelijst een ambtenaar van categorie A* gerecruteerd, die het team in september 2005 is komen versterken. De dienst is thans volledig in staat zijn activiteiten te verrichten.

Rekenkamer

9.22.

De Rekenkamer wordt gecontroleerd door een onafhankelijk extern accountantskantoor dat een „verklaring betreffende de juistheid en getrouwheid van de financiële verantwoording per 31 december 2004” heeft afgegeven, vergezeld van een verslag over de administratieve en boekhoudprocedures, de kwaliteit van het financiële beheer en het internecontrolesysteem. Het verslag vermeldt dat naar het oordeel van de accountant „de geldende internecontroleregels verzekeren dat de operationele doelstellingen genoegzaam worden gerealiseerd, dat betrouwbare financiële staten worden opgesteld en dat de regelgeving wordt nageleefd”. De verklaring en het verslag zullen in het Publicatieblad worden bekendgemaakt.

 

Europees Economisch en Sociaal Comité

9.23.

Op het Europees Economisch en Sociaal Comité zijn de paragrafen 9.6, 9.7, 9.8, 9.9 en 9.11 van toepassing. De internecontrolenormen zijn goedgekeurd in juli 2004. Nog niet alle maatregelen die noodzakelijk zijn om deze volledig na te leven, zijn getroffen.

9.23.

ANTWOORD VAN HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ

Zie de opmerkingen van het EESC betreffende deze punten en paragraaf 9.4.

Comité van de Regio's

9.24.

Op het Comité van de Regio's zijn de paragrafen 9.6, 9.7, 9.9, 9.11 en 9.13 van toepassing. De internecontrolenormen werden pas in november 2004 goedgekeurd, maar niet alle maatregelen die nodig zijn om deze volledig na te leven, zijn getroffen. De interneauditfunctie werd vervuld door een tijdelijk personeelslid, dat werkzaam was op basis van hernieuwbare contracten van korte duur. In mei 2005 werd een ambtenaar tot intern auditor benoemd.

9.24.

ANTWOORD VAN HET COMITÉ VAN DE REGIO'S

Het Comité van de Regio's (CvdR) heeft in 2004 al het mogelijke gedaan om een nieuwe interne controleur en de andere voor de dienst Interne controle benodigde personeelsleden aan te werven. Er waren echter maar zeer weinig ambtenaren met de juiste achtergrond die op de vacatures reageerden, waardoor het indertijd onmogelijk was de vacante posten definitief te bezetten.

Europese Ombudsman en Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming

9.25.

De controle gaf geen aanleiding tot opmerkingen.

 

Algemene conclusies en aanbevelingen

9.26.

Alle instellingen hebben verbeteringen aangebracht om hun toezicht- en controlesystemen aan te passen aan de vereisten van het nieuwe Financieel Reglement. Maar de in 2003 geconstateerde risico's in verband met de uitvoering van het Financieel Reglement (11), samen met de risico's als gevolg van de invoering van het nieuwe Statuut en gecomputeriseerde systemen voor de berekening van salarissen en pensioenen (zie paragraaf 9.6), zijn in 2004 door de toezicht- en controlesystemen niet afdoende ondervangen.

9.26.

ANTWOORD VAN HET EUROPEES PARLEMENT

Volledige naleving van de vereisten van het nieuwe Financieel Reglement zal enige tijd in beslag nemen. De introductie van de NAP en het nieuwe statuut verhoogde het risico in 2004, maar er ontstonden voornamelijk problemen als gevolg van kinderziekten in de nieuwe salarisapplicatie of als gevolg van de interpretatie van bepalingen uit het statuut en de betrokken diensten hadden weet van deze moeilijkheden. Het laatste probleem gaf weliswaar aanleiding tot een groot aantal terugvorderingen, maar het overblijvende aantal serieuze fouten bleek laag te zijn, vooral dankzij de uitvoerige controle op besluiten van het tot aanstelling bevoegde gezag. Niettemin moeten de toezicht- en controlesystemen en vooral de controle achteraf op de salarisbetaling verder worden aangescherpt.

9.26.

ANTWOORD VAN DE COMMISSIE

De gefaseerde invoering van een nieuw systeem voor de betaling van de salarissen in 2003 en begin 2004 heeft inderdaad een nieuw risico doen ontstaan, maar dit is inherent aan de invoering van een nieuwe computerapplicatie. De diensten van de Commissie hebben dit risico beperkt door een groot aantal manuele controles uit te voeren van de resultaten van de verschillende voorlopige berekeningen van de maandelijkse betaling en door geconstateerde fouten onmiddellijk door de informatici te laten corrigeren voor de definitieve maandelijkse berekening en de opdracht tot betaling van de salarissen. Het aantal achteraf geconstateerde fouten was zeer gering.

Door de invoering van het nieuwe systeem voor de betaling van de salarissen moesten de controles op de kwaliteit van de in het betalingssysteem opgenomen gegevens worden verschoven naar de systemen voor het beheer van de rechten die de gegevens voortaan automatisch via een interface aan het betalingssysteem doorgeven. In 2003 zijn de bestaande controles geëvalueerd en gereorganiseerd om op het niveau van de beheerssystemen te garanderen dat vanaf 1 januari 2004 het in het Financieel Reglement opgenomen beginsel van inleiding en verificatie vooraf wordt geëerbiedigd.

9.27.

De Rekenkamer heeft vele fouten ontdekt die meestal formeel van aard waren. De geconstateerde fouten met betrekking tot de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen waren niet van materieel belang voor de administratieve uitgaven als geheel.

9.27.

ANTWOORD VAN DE COMMISSIE

De Commissie merkt op dat de geconstateerde vormfouten niet van materieel belang waren voor de administratieve uitgaven. Desalniettemin zal de Commissie maatregelen blijven nemen om herhaling ervan te voorkomen.

9.28.

Naar aanleiding van haar controle is de Rekenkamer van oordeel dat er ter ondervanging van de geconstateerde risico's op de volgende terreinen verbeteringen in de toezicht- en controlesystemen moeten worden aangebracht:

9.28.

 

a)

documentatie van de procedures;

a)

ANTWOORD VAN DE COMMISSIE

Naar aanleiding van eerdere opmerkingen van de Rekenkamer heeft de Commissie een specifieke actie ondernomen om haar administratieve procedures op het gebied van personeelsbeheer te documenteren. De resultaten zullen te zien zijn op de nieuwe website „Personnel and Administration”, die vanaf eind 2005 geleidelijk on line komt.

a) en b)

ANTWOORD VAN HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ

Het EESC merkte reeds ten aanzien van het jaarverslag van de Rekenkamer over 2003 (paragraaf 9.40, onder b)) op dat er al veel procedures bestaan en dat deze inderdaad zijn gedocumenteerd. In de gids van het EESC voor risicoanalyse wordt het opstellen van schriftelijke procedures gekwalificeerd als een standaardmaatregel om risico's te verminderen. Er is in dit verband dus sprake van duurzaamheid. In het eind 2004 goedgekeurde geconsolideerde actieplan is gepland om in 2005 verscheidene procedures te beschrijven.

b)

omschrijving van de aard van de bewijsstukken aan de hand waarvan kan worden gecontroleerd of de uitgaven overeenkomstig de contractbepalingen of de verordeningen en regels zijn verricht;

b)

ANTWOORD VAN DE COMMISSIE

Met deze aanbeveling is al rekening gehouden bij de opstelling van nieuwe specifieke overeenkomsten, bijvoorbeeld de kaderovereenkomst voor de installatie van extra kabels en aansluitingen in het Jean Monnet-gebouw. De kosten van diensten zijn nauwkeuriger gespecificeerd om het door de Rekenkamer bedoelde risico te voorkomen.

c)

inschaling van het personeel overeenkomstig het nieuwe Statuut;

c) en d)

ANTWOORD VAN DE COMMISSIE

Zie het antwoord op de paragrafen 9.7 en 9.8. De Commissie ziet toe op de juiste toepassing van de nieuwe bepalingen.

c)

ANTWOORD VAN HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ

Zie de opmerkingen van het EESC betreffende paragraaf 9.11.

d)

bezoldiging, met name betaling van toelagen en overmaking van een gedeelte van de bezoldiging van het personeel met toepassing van een wegingscoëfficiënt.

d)

ANTWOORD VAN HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ

Zie de opmerkingen van het EESC betreffende paragraaf 9.7.

 

9.28.

ANTWOORD VAN HET COMITÉ VAN DE REGIO'S

Het CvdR zal de door de Europese Rekenkamer in paragraaf 9.28 van het ontwerp van auditverslag geformuleerde aanbevelingen volledig opvolgen. Het zal zich blijven inspannen om de bestaande documentatie van de procedures te verbeteren en daarbij bijzondere aandacht schenken aan de controles achteraf van de rechtmatigheid van uitgaven.

Voornaamste opmerkingen in speciale verslagen

Speciaal verslag nr. 1/2005 over het beheer van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF)

9.29.

Het Speciaal verslag van de Rekenkamer, vergezeld van de antwoorden van de Commissie, is gepubliceerd in Publicatieblad C 202 van 18 augustus 2005.

 

Speciaal verslag nr. 5/2005 over de uitgaven van het Parlement, de Commissie en de Raad voor vertolking

9.30.

De controle van de Rekenkamer had tot doel na te gaan of bij het Parlement, de Commissie en de Raad een goed financieel beheer van de tolkendiensten werd gevoerd.

9.30.

ANTWOORD VAN HET EUROPEES PARLEMENT

De door het Parlement gewenste integrale meertaligheid leidt tot belangrijke kosten die met name voortvloeien uit politieke besluiten over de organisatie van de werkzaamheden (vergaderroosters en plaatsen van werkzaamheden) en de noodzaak om snel te kunnen inspelen op politieke situaties waar planning soms moeilijk is. Niettemin heeft het Parlement met het oog op een betere inzet van vertolkingsdiensten een kader vastgelegd in een gedragscode van 1999 die in 2004 is herzien.

Anderzijds zetten de diensten van het Parlement zich in voor een betere beheersing van de kosten van de inzet van freelance tolken en met name van hun reiskosten, waaraan de oprichting van een interinstitutionele dienst die is belast met alle betalingen aan de hulptolken, een positieve bijdrage levert. Voorts zullen de diensten van het Parlement die gebruikmaken van vertolking, de beste praktijken in de andere instellingen bestuderen teneinde te komen tot een betere planning van de werkzaamheden, een en ander met inachtneming van de hierboven genoemde politieke imperatieven.

9.30.

ANTWOORD VAN DE RAAD

Het SGR wijst erop dat niet alleen door het verder vooruit denken door de organisatoren van vergaderingen verdere besparingen bij de vertolking kunnen worden gerealiseerd. Volgens het speciaal verslag van de Rekenkamer kan ook op andere manieren worden bespaard, zoals door lagere kosten voor freelance tolken of betere interinstitutionele samenwerking.

9.31.

Uit de controle is gebleken dat de kwaliteit van de vertolking meestal voldoet aan de behoeften en verwachtingen, maar dat er een aantal maatregelen moet worden genomen om de kosten te drukken en om te voorkomen dat er aangevraagde maar niet benutte tolkdiensten worden geboden. Hoewel de gecontroleerde instellingen erin zijn geslaagd de hoeveelheid tolkwerk te beperken, zou er nog meer kunnen worden bespaard door te late annuleringen en aanvragen kort voor de vergadering, alsmede de ongelijke spreiding van vergaderingen over de week en het jaar en de hoge reiskosten van de freelance conferentietolken te vermijden. Dat zijn aspecten waarop de tolkenafdelingen weinig vat hebben; besparingen kunnen alleen worden gerealiseerd indien de organisatoren van vergaderingen verder vooruitdenken.

9.31.

ANTWOORD VAN DE COMMISSIE

Commissie zal haar kostenbeheersingsbeleid voortzetten door middel van een op echte behoeften gerichte aanpak en zij zal trachten het opvoeren van aangevraagde maar niet gebruikte tolkendiensten terug te dringen. De Commissie zal er ook naar streven het gebruik van personele middelen te verbeteren door samen te werken met de tolkendiensten van de andere instellingen en zij zal, zolang deze nog niet hebben ingestemd met nieuwe onderhandelingen over de huidige overeenkomsten, trachten de kosten van hulpconferentietolken, met name de reiskosten, terug te dringen.

AGENTSCHAPPEN EN ANDERE GEDECENTRALISEERDE ORGANEN

9.32.

Over de controle van de agentschappen en andere gedecentraliseerde organen van de Unie (AGO's) worden specifieke jaarverslagen uitgebracht (12). Het budget van de AGO's beliep in totaal 872,3 miljoen euro in 2004, tegen 778 miljoen euro in 2003. Het aantal statutaire posten bij alle AGO's tezamen is gestegen van 2 009 in 2003 tot 2 233 in 2004. De voornaamste gegevens over de AGO's zijn weergegeven in tabel 9.3  (13).

 

Tabel 9.3 — EU-agentschappen en andere gedecentraliseerde organen — voornaamste gegevens

Agentschappen en andere gedecentraliseerde organen van de Europese Unie

Standplaats

Jaar van oprichting

Begroting (miljoen EUR)

Statutaire posten

2004

2003

2004

2003

Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding

Thessaloniki

1975

16,6

14,7

88

83

Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden

Dublin

1975

18,1

16,8

91

88

Europees Milieuagentschap

Kopenhagen

1990

33,6

27,5

115

111

Europese Stichting voor opleiding

Turijn

1990

18,4

17,2

104

104

Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving (14)

Lissabon

1993

12,2

10,5

77

63

Europees Geneesmiddelenbureau

Londen

1993

99,1

84,2

314

287

Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie

Luxemburg

1994

29,8

29,0

181

158

Communautair Bureau voor plantenrassen

Angers

1994

11,3

11,1

38

35

Harmonisatiebureau voor de interne markt

Alicante

1994

190

157,4

675

675

Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk

Bilbao

1995

10,7

14,6

38

33

Europees Waarnemingscentrum voor racisme en vreemdelingenhaat

Wenen

1997

7,9

6,6

34

30

Europees Bureau voor wederopbouw (15)

Thessaloniki

2000

374,6

358,6

114

120

Eurojust

Den Haag

2002

9,3

8,1

76

53

Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart

Keulen (16)

2002

11,3

4,7

95

80

Europees Agentschap voor maritieme veiligheid

Lissabon (16)

2002

13,3

4,5

55

40

Europese Autoriteit voor voedselveiligheid

Parma (16)

2002

29,1

12,6

138

49

Europees Agentschap voor netwerk- en informatiebeveiliging (17)

Heraklion (16)

2003

Europees Spoorwegbureau (17)

Valenciennes

2003

Totaal

885,3

778,1

2 233

2 009

9.33.

Er werden gevallen van niet-naleving van het beginsel van jaarperiodiciteit van de begroting geconstateerd, met name onvoldoende gemotiveerde overdrachten van begrotingsmiddelen. De Rekenkamer constateerde ook enkele gevallen van niet-naleving van het specialiteitsbeginsel (onregelmatige of onvoldoende gemotiveerde overschrijvingen van begrotingsmiddelen) en het beginsel van begrotingswaarachtigheid (in de begroting opgenomen bedragen die niet overeenkomen met de vereisten van het begrotingsjaar).

9.33 en 9.34.

ANTWOORD VAN DE COMMISSIE

De agentschappen en „andere gedecentraliseerde organen” zijn onafhankelijk en hebben een afzonderlijke kwijtingsprocedure voor hun administratieve uitgaven. De opmerkingen van de Rekenkamer hebben dan ook voornamelijk betrekking op de agentschappen zelf. Wanneer zij daar behoefte aan hebben, kan de Commissie de agentschappen bijstaan bij het begrijpen en interpreteren van de regelgeving en het invoeren van een intern controlesysteem.

9.34.

De Rekenkamer constateerde dat de in de AGO's ontwikkelde internecontrolesystemen in sommige gevallen voor verbetering vatbaar waren, met name wegens het ontbreken van een bevredigende risicoanalyse.

 

9.35.

Wat betreft de procedures voor de indienstneming van personeel en voor overheidsopdrachten constateerde de Rekenkamer een aantal gebreken: procedures voor de selectie van de sollicitanten of contractanten waren niet correct of niet naar behoren gemotiveerd; besluiten betreffende de toelating of afwijzing van sollicitaties en offertes waren niet goed onderbouwd. Verder bleek uit een onderzoek door de Rekenkamer van de dossiers van afzonderlijke personeelsleden dat de stukken tot staving van toelagen en financiële rechten niet stelselmatig werden bijgewerkt.

9.35.

ANTWOORD VAN DE COMMISSIE

De agentschappen moeten zich houden aan de bepalingen van het algemene Financieel Reglement op het gebied van de plaatsing van overheidsopdrachten.

Aangezien 2004 het tweede jaar was waarin het nieuwe Financieel Reglement en de uitvoeringsvoorschriften van toepassing waren, maakten verschillende agentschappen, met name de pas opgerichte, een overgangsperiode door. De Commissie heeft de agentschappen en autoriteiten gedurende deze periode ten volle gesteund. Verschillende, maar niet alle agentschappen hebben van de aangeboden diensten gebruikgemaakt.

9.36.

Bijna één op de drie AGO's presenteerde zijn jaarrekening volgens het baten-lastenstelsel. De andere zijn doorgaans goed op weg om de rekeningen in 2005 aan de hand van deze boekhoudmethode overeenkomstig het Financieel Reglement op te stellen. Bij de AGO's die de rekeningen volgens het baten-lastenstelsel opstellen, werden problemen geconstateerd met de identificatie van overdrachten, die als lasten van het begrotingsjaar moesten worden beschouwd.

9.36.

ANTWOORD VAN DE COMMISSIE

De EG-boekhoudregels die in december 2004 door de rekenplichtige van de Commissie zijn goedgekeurd, zijn van toepassing op alle organen die onder artikel 185 van het Financieel Reglement vallen.

Om ervoor te zorgen dat de AGO's (agentschappen en andere gedecentraliseerde organen) voorbereid zullen zijn op de boekhouding op transactiebasis en de consolidatievereisten, blijft de Commissie ze regelmatig advies geven. De Commissie heeft de AGO's van specifieke documentatie voorzien om ze te helpen na te gaan welke aanpassingen moeten worden aangebracht, met name een IPSAS-vragenlijst, het toekomstige rapportagepakket voor consolidatie en een handleiding en formulier met betrekking tot de openingsbalans op 1 januari 2005. Het communicatieproces zal in het tweede halfjaar 2005 verder worden geïntensiveerd om te zorgen voor een succesvolle eerste consolidatie van de AGO's.

9.37.

Het toezicht op de vaste activa is bij de verschillende AGO's van uiteenlopende kwaliteit. Bij sommige is nog geen geschikt toezichtsysteem vastgesteld, terwijl bij andere de vereisten van het ingevoerde systeem niet voldoende worden nageleefd. Dit resulteert in discrepanties tussen de boekhouding en de fysieke inventaris.

9.37.

ANTWOORD VAN DE COMMISSIE

De Commissie benadrukt dat de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de opstelling van de jaarrekening bij de rekenplichtige van elk AGO berust.

DE EUROPESE SCHOLEN

9.38.

Met betrekking tot de controle van de Europese Scholen is er een specifiek jaarverslag, dat niet wordt gepubliceerd in het Publicatieblad; het wordt de raad van bestuur en de directeuren van de Europese Scholen toegezonden. De begroting van de Scholen bedroeg 222,1 miljoen euro, hoofdzakelijk gefinancierd uit subsidies van de Commissie (118,4 miljoen euro) en uit bijdragen van de lidstaten (47,3 miljoen euro). De voornaamste gegevens over de Europese Scholen zijn weergegeven in tabel 9.4 .

 

Tabel 9.4 — Europese scholen: voornaamste gegevens

Europese school

Land

Jaar van oprichting

Begroting (18)  (19)

(miljoen EUR)

Subsidie van de Commissie (19)

(miljoen EUR)

Aantal leerlingen (20)

2004

2003

2004

2003

2004

2003

Bureau

België

1957

7,9

7,2

5,7

6,1

Luxemburg I

Luxemburg

1953

34,6

31,9

20,3

19,1

3 101

3 753

Luxemburg II

Luxemburg

2004

2,7

1,2

827

Brussel I (Ukkel)

België

1958

26,0

24,3

17,0

15,8

2 394

2 289

Brussel II (Woluwe)

België

1974

27,1

25,0

17,7

15,9

2 917

2 769

Brussel III (Elsene)

België

1999

24,2

22,7

15,7

15,0

2 773

2 592

Mol

België

1960

10,9

10,7

6,4

6,5

643

641

Varese

Italië

1960

15,8

15,3

7,8

7,5

1 317

1 323

Karlsruhe

Duitsland

1962

11,8

11,5

3,9

4,1

1 074

1 091

München

Duitsland

1977

18,6

16,4

1

1,0

1 504

1 455

Frankfurt

Duitsland

2002

8,8

6,1

4,2

2,9

809

633

Alicante

Spanje

2002

9,9

6,2

5,7

3,4

950

858

Bergen

Nederland

1963

11,5

11,9

6,3

6,4

664

695

Culham

Verenigd Koninkrijk

1978

12,3

12,3

5,5

6,1

889

884

Totaal

222,1

201,5

118,4

109,8

19 862

18 983

NB: De totalen kunnen afwijkingen vertonen door afrondingen.

9.39.

Voor het begrotingsjaar 2004 bracht de controle van de Rekenkamer geen kwesties van materieel belang aan het licht die in het jaarverslag van de Rekenkamer moeten worden behandeld.

9.39.

ANTWOORD VAN DE COMMISSIE

De Commissie neemt nota van de opmerking van de Rekenkamer.


(1)  De Raad heeft geen ICN's ingevoerd, het Hof van Justitie heeft verscheidene ICN's niet ten uitvoer gelegd, bij de andere instellingen worden de vastgestelde ICN's nog niet volledig nageleefd.

(2)  Het Parlement tot februari 2005 en het Comité van de Regio's tot augustus 2004.

(3)  Hof van Justitie, Europees Economisch en Sociaal Comité, Comité van de Regio's en Raad.

(4)  Europees Economisch en Sociaal Comité en Comité van de Regio's.

(5)  Raad en Europees Economisch en Sociaal Comité.

(6)  Raad, Europees Economisch en Sociaal Comité en Comité van de Regio's.

(7)  Europees Economisch en Sociaal Comité, Comité van de Regio's, Hof van Justitie en Raad.

(8)  Hof van Justitie en Comité van de Regio's.

(9)  De volgende diensten van de Commissie zijn verantwoordelijk voor het merendeel van de administratieve uitgaven: directoraat-generaal Personeelszaken en algemeen beheer, directoraat-generaal Vertaling, directoraat-generaal Tolken, directoraat-generaal Pers en communicatie, directoraat-generaal Buitenlandse betrekkingen, Bureau voor infrastructuur en logistiek - Luxemburg, Bureau voor infrastructuur en logistiek - Brussel, Bureau voor het beheer en de afwikkeling van individuele rechten, Europees bureau voor personeelsselectie, Publicatiebureau.

(10)  Deze werkwijze is niet ongewoon wanneer men bijvoorbeeld in aanmerking neemt dat de huurovereenkomst voor het gebouw GEOS in punt 5.1, vierde alinea, ervan bepaalt: „De ten gevolge van de indexering verschuldigde bedragen worden door de huurder aan de verhuurder betaald 45 dagen na de datum van ontvangst van het verzoek om indexering”.

(11)  Jaarverslag over het begrotingsjaar 2003, paragraaf 9.68.

(12)  Publicatie in het Publicatieblad is in voorbereiding.

(13)  In 2004 werden de begrotingen van het Europees Spoorwegbureau en van het Europees Agentschap voor netwerk- en informatiebeveiliging rechtstreeks door de Commissie beheerd. Daarom wordt er geen specifiek jaarverslag uitgebracht.

(14)  Met inbegrip van de Phare-programma's.

(15)  Inclusief de ter beschikking van lokaal personeel gestelde posten waren er in 2004 in totaal 309 posten (in 2003: 321).

(16)  In 2004 was Brussel het hele jaar of een gedeelte daarvan de voorlopige standplaats van dit orgaan.

(17)  In 2004 was de Commissie verantwoordelijk voor het beheer van de begroting van dit orgaan. Er is geen specifiek verslag uitgebracht over de uitvoering van deze begroting.

(18)  Totale ontvangsten en uitgaven zoals opgenomen in de begroting van elke Europese school en het Bureau, met inbegrip van alle wijzigingen in de aanvankelijk vastgestelde begrotingen.

(19)  Bron: Europese scholen.

(20)  Bron: Jaarverslag 2005 van de Secretaris-generaal voor de Raad van bestuur van de Europese scholen.

NB: De totalen kunnen afwijkingen vertonen door afrondingen.


HOOFDSTUK 10

Financiële instrumenten en bankactiviteiten

INHOUD

Inleiding

Toezicht van de Commissie op haar financiële deelnemingen

Overzicht van door financiële instellingen voor rekening van de Commissie beheerde activa

Het Garantiefonds voor externe acties

De Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal in liquidatie

OPMERKINGEN VAN DE REKENKAMER

ANTWOORDEN VAN DE COMMISSIE

INLEIDING

10.1.

De financiële instrumenten van de Gemeenschap met betrekking tot bankactiviteiten zijn:

leningen verstrekt uit begrotingsmiddelen of opgenomen middelen;

rentesubsidies uit begrotingsmiddelen;

garanties voor leningen opgenomen of verstrekt door derden;

bezit van aandelen in organen van algemeen belang (1), en

participatie in speciale verrichtingen, zoals het verstrekken van risicodragend kapitaal.

 

10.2.

Deze financiële instrumenten worden in de lidstaten en, in sterkere mate, buiten de Unie in het kader van het extern beleid gehanteerd. De voornaamste doelstellingen ervan zijn de economische ontwikkeling aan te zwengelen, de infrastructuur te verbeteren en werkgelegenheid te creëren, met name in het midden- en kleinbedrijf (MKB) door middel van maatregelen ter vergemakkelijking van hun toegang tot financiële middelen. De Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal in liquidatie is bij soortgelijke verrichtingen betrokken.

 

10.3.

De controle van de Rekenkamer had betrekking op:

het toezicht door de Commissie op haar financiële deelnemingen;

het overzicht van de activa die financiële instellingen namens de Commissie in handen hebben;

de werking van het Garantiefonds voor externe acties (zie tabel 10.1 ), en

de activiteiten van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal in liquidatie (EGKS i.l.) (zie tabel 10.2 ).

 

Tabel 10.1 — Stand van het Garantiefonds (2)

(miljoen euro)

Begrotingsjaar

Totaal uitstaande garanties per 31 december (3)

Totale middelen van het Fonds (4) per 31 december

Dekking (%)

1994

6 017

294,2

4,9

1995

5 882

300,9

5,1

1996

6 715

557,4

8,3

1997

7 960

861,8

10,8

1998

9 834

1 280,7

13,0

1999

12 052

1 313,1

10,9

2000

14 069

1 431,6

10,2

2001

15 577

1 774,4

11,4

2002

15 358

1 645,5

10,7

2003

15 211

1 592,1

10,5

2004

12 068

1 273,3 (5)

10,6

Bron: Commissie.

Tabel 10.2 — Balans EGKS i.l. (ontwikkeling sinds het verstrijken van het EGKS-Verdrag) en nog af te wikkelen verplichtingen van de operationele begroting van de EGKS per 31 december 2004

Balans van de EGKS i.l. per 31 december 2004

 

31 december 2004

31 december 2003

31 december 2002

23 juli 2002

miljoen euro

%

miljoen euro

%

miljoen euro

%

miljoen euro

%

Activa

Leningen en voorschotten aan banken

103,38

4,82

133,43

6,49

113,57

4,75

155,62

6,36

Leningen en voorschotten aan cliënten

315,35

14,71

361,66

17,59

628,95

26,33

682,42

27,87

Obligaties en andere vastrentende effecten

1 488,96

69,46

1 485,91

72,25

1 551,46

64,94

1 528,90

62,44

Aandelen en andere effecten met variabele opbrengst

7,09

0,33

15,75

0,77

18,77

0,79

28,00

1,14

Andere activa

171,68

8,01

3,28

0,16

3,31

0,14

6,02

0,25

Vooruitbetalingen en transitorische activa

57,07

2,66

56,46

2,75

73,04

3,06

47,57

1,94

Totaal activa

2 143,53

100,00

2 056,49

100,00

2 389,10

100,00

2 448,53

100,00

Passiva

Verplichtingen aan derden

456,34

21,29

468,33

22,77

764,13

31,98

801,68

32,74

Operationele EGKS-begroting

109,24

5,10

222,46

10,82

342,56

14,34

400,92

16,37

Voorzieningen voor verplichtingen en lasten

213,22

9,95

247,15

12,02

554,74

23,22

586,01

23,93

Budget voor de financiering van onderzoek met betrekking tot kolen en staal

296,30

13,82

293,00

14,25

240,00

10,05

240,00

9,80

Reserves en overschot

1 068,43

49,84

825,55

40,14

487,67

20,41

419,92

17,15

Totaal verplichtingen

2 143,53

100,00

2 056,49

100,00

2 389,10

100,00

2 448,53

100,00


Niet-afgewikkelde verplichtingen van de operationele begroting per 31 december 2004

(miljoen euro)

 

Bedragen per 23 juli 2002

Bedragen per 31 december 2002

Bedragen per 31 december 2003

Betalingen 2004

Annuleringen 2004

Bedragen per 31 december 2004

Wederaanpassing

132,61

121,24

75,76

22,24

9,78

43,74

Onderzoek

180,83

158,71

99,11

44,25

6,22

48,64

Rentesubsidies (Artikel 56)

16,84

16,05

11,21

0,25

9,99

0,97

Sociale maatregelen Kolen (RECHAR)

70,64

46,56

36,39

17,54

2,96

15,89

Totaal

400,92

342,56

222,47

84,28

28,95

109,24

Bron: Financiële staten EGKS i.l. per 31 december 2004.

TOEZICHT VAN DE COMMISSIE OP HAAR FINANCIËLE DEELNEMINGEN

10.4.

De EU beschikt over deelnemingen in twee financiële instellingen, te weten het Europees Investeringsfonds (EIF) (6) en de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBWO) (7). Deze twee deelnemingen in kapitaal in verwante organisaties bedroegen per 31 december 2004 in totaal 277,5 miljoen euro (8).

 

10.5.

De Rekenkamer controleerde het toezicht van de Commissie (9) op haar twee financiële deelnemingen in financiële instellingen door na te gaan:

a)

of de door de Commissie getroffen toezichtmaatregelen (in financieel opzicht maar ook ten aanzien van toekomstige risico's) geschikt zijn om een efficiënte, effectieve en economische follow-up van haar deelnemingen in kapitaal te waarborgen;

b)

of de toezicht- en beheersinformatie de Commissie redelijke zekerheid biedt dat de activiteiten die verband houden met haar deelnemingen in verwante organisaties in overeenstemming zijn met het EU-beleid en niet in strijd zijn met de toepasselijke EU-wetgeving.

 

10.6.

De Commissie benoemt twee leden (10) (en twee plaatsvervangende leden) voor de raad van bestuur van het EIF die worden gekozen door de algemene vergadering van het EIF, en een ander (geen plaatsvervangend lid) als lid van de controlecommissie van het EIF. De gedragsregels van het EIF staan hun normaal gesproken niet toe, informatie vrij te geven buiten het EIF aan anderen dan degenen die hen bijstaan in de vervulling van hun taak als bestuursleden. Er is geen bewijs voorhanden dat andere diensten van de Commissie waar nodig worden geïnformeerd en geraadpleegd om na te gaan of het beleid of de regelgeving van de Gemeenschap in acht wordt genomen.

10.6.

De activiteiten van het Europees Investeringsfonds (EIF) zijn hoofdzakelijk gericht op de ondersteuning van het midden- en kleinbedrijf (MKB). De Commissie is in de raad van bestuur van het EIF vertegenwoordigd door hogere ambtenaren van de drie directoraten-generaal die deze sector het beste kennen en er het nauwst bij betrokken zijn (Ondernemingen en industrie, Economische en financiële zaken en Regionaal beleid). Deze diensten stemmen hun standpunten vóór elke vergadering van de raad van bestuur nauw op elkaar af. Andere diensten worden af en toe informeel op ad-hocbasis over specifieke onderwerpen (zoals staatssteun) geraadpleegd, maar de Commissie acht een systematische raadpleging van deze diensten overbodig.

Wat de inachtneming van de communautaire doelstellingen betreft, is de Commissie van oordeel dat met de instelling medio 2005 van een compliancefunctie in het EIF (op verzoek van de raad van bestuur en met de sterke steun van de vertegenwoordigers van de Commissie) een nieuwe belangrijke stap is gezet in de richting van het bieden van meer zekerheid dat het Gemeenschapsbeleid in acht wordt genomen.

10.7.

Ten aanzien van de deelneming in het EIF wordt volledig uitgegaan van de verslagen (11) die de aandeelhouders tijdens de algemene vergadering van het EIF ter beschikking zijn gesteld. De Rekenkamer werd geen bewijs overgelegd van verder toezicht of zaken van materieel belang die zich hebben voorgedaan.

10.7.

Wat de financiële verslagen over het EIF betreft, heeft de Commissie het volste vertrouwen in de werkzaamheden van de onafhankelijke interne en externe accountants en de auditcommissie van het EIF. De accountants hebben overigens geen wezenlijke opmerkingen gemaakt over de jaarrekening van het EIF.

De gewone algemene aandeelhoudersvergadering keurt het jaarverslag en de daarmee samenhangende jaarrekening goed en is bevoegd voor alle aangelegenheden in verband met benoemingen. Over alle buitengewone beslissingen moet door de Commissie een besluit worden genomen nadat formeel overleg tussen haar diensten heeft plaatsgevonden. Alle besluiten van de aandeelhouders en alle uit het jaarverslag van de auditcommissie voortvloeiende aanbevelingen worden opgevolgd door de raad van bestuur.

10.8.

Tussen het EIF en de betrokken organen van de EIB bestaat een hechte samenwerking. De EIF-operaties worden afgestemd op het EIB-bedrijfsplan. Er is niets dat wijst op een soortgelijke coördinatie en samenwerking binnen de Commissie. Ter waarborging van de verantwoordingsplicht zou de Commissie moeten kunnen aantonen dat zij voor het beheer van de financiële instelling (EIF) dezelfde informatie verkrijgt als de belangrijkste aandeelhouder, de EIB.

10.8.

De EIB is meerderheidsaandeelhouder met een deelneming van ongeveer 60 % en moet daarom voldoen aan bijzondere groepsverplichtingen, waarmee de Commissie met een deelneming van 30 % niet wordt geconfronteerd. Deze verplichtingen hebben betrekking op het bedrijfsplan en het consolidatieproces.

Het bedrijfsplan van het EIF wordt eerst getoetst en goedgekeurd door de raad van bestuur van het EIF voordat het in het groepsplan van de EIB wordt opgenomen. Het ontwerpplan wordt bijzonder nauwgezet bestudeerd door de medewerkers van de door de Commissie aangewezen leden van de raad van bestuur vooraleer in de raad van bestuur een standpunt ter zake wordt ingenomen.

Ten behoeve van het consolidatieproces stellen de boekhoudkundige diensten van het EIF bepaalde financiële gegevens beschikbaar voor de EIB, waarbij rekening wordt gehouden met de zeer specifieke kenmerken van de consolidatie van de rekeningen van de EIB-groep. De Commissie is zich niet bewust van andere verschillen in de behandeling van aandeelhouders.

10.9.

Wat de deelneming in de EBWO (12) betreft, heeft de Commissie één lid (13) en één plaatsvervangend lid binnen de raad van bestuur van de EBWO, die de verantwoordelijke Commissaris en de directeur-generaal van het directoraat-generaal Economische en financiële zaken regelmatig verslag uitbrengen over de stand van zaken en de ontwikkelingen.

 

10.10.

Volgens de Commissie heeft deze EU-deelneming in de EBWO onder meer tot doel, te waarborgen dat het EU-beleid in acht wordt genomen, bijvoorbeeld ten aanzien van milieunormen die niet wettelijk bindend zijn in niet-EU-lidstaten. Op het niveau van het directoraat-generaal Economische en financiële zaken vindt er regelmatig follow-up plaats. Het toezichtproces binnen de Commissie is operationeel en zorgt er ook voor dat wordt nagegaan of communautair beleid en regelgeving worden nageleefd en in acht genomen bij het werk van het lid van de raad van bestuur dat afkomstig is van de Commissie.

10.10.

De EU heeft alle belang bij de verwezenlijking van de doelstellingen die de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBWO) dient na te streven, namelijk de bevordering van de overgang naar een markteconomie en het stimuleren van de ontwikkeling van de particuliere sector. Met haar deelneming in de EBWO zorgt de Europese Unie er tevens voor dat de EU-wetgeving, zoals die op milieugebied, wordt nageleefd en dat de EBWO de toepassing van de internationale normen bevordert in derde landen, die niet aan de EU-wetgeving onderworpen zijn.

10.11.

Hoewel het toezicht door hetzelfde directoraat-generaal wordt uitgeoefend, is de beschikbare informatie over het toezicht op de EBWO gedetailleerder dan die voor het EIF en omvat deze de resultaten van het overleg met andere diensten.

10.11.

De Commissie is van mening dat bij het toezicht op haar deelnemingen in de EBWO en het EIF rekening moet worden gehouden met het specifieke rechtskader van elke instelling.

Zoals in paragraaf 10.6 met betrekking tot het EIF is opgemerkt, acht de Commissie het niet noodzakelijk andere diensten dan die met vertegenwoordigers in de raad van bestuur systematisch te raadplegen.

10.12.

De controle wees uit dat de toezicht- en beheersinformatie inzake de EBWO de Commissie redelijke zekerheid biedt dat de activiteiten van de EBWO in overeenstemming zijn met het EU-beleid en niet in strijd zijn met toepasselijke EU-wetgeving. Om de Commissie dezelfde mate van zekerheid te bieden ten aanzien van de EIF-deelneming, dient de toezicht- en beheersinformatie inzake het EIF te worden verbeterd.

10.12.

Zoals in de paragrafen 10.6 en 10.11 wordt aangegeven, valt het door de Rekenkamer geconstateerde verschil tussen het EIF en de EBWO grotendeels te verklaren door het feit dat in de raad van bestuur van het EIF hogere ambtenaren zitting hebben van de drie diensten die het nauwst bij de EIF-activiteiten betrokken zijn. Het lidmaatschap van deze hogere ambtenaren van de raad van bestuur biedt de beste zekerheid dat de communautaire belangen worden beschermd.

Het feit dat het EIF medio 2005 een compliancefunctie heeft ingesteld met als specifieke opdracht passende regelingen te treffen om ervoor te zorgen dat de EIF-activiteiten in overeenstemming zijn met het EU-beleid en de EU-wetgeving, maakt het mogelijk deze zekerheid nog te vergroten. De Commissie zal nauw met het EIF samenwerken om de doeltreffendheid van deze nieuwe functie te helpen waarborgen.

Voorts zal de Commissie nagaan of het nodig is het in paragraaf 10.6 bedoelde ad-hocraadplegingsproces te verduidelijken in de interne procedures van de bevoegde dienst.

OVERZICHT VAN DOOR FINANCIËLE INSTELLINGEN VOOR REKENING VAN DE COMMISSIE BEHEERDE ACTIVA

10.13.

Naast de kapitaaldeelname van de Commissie vereisen ook activa die onder beheer van financiële instellingen zijn gesteld, nauwlettend toezicht. Deze activa werden verschaft voor maatregelen die financiële instellingen namens de Commissie uitvoeren met het oog op de tenuitvoerlegging van bepaald EU-beleidslijnen (14).

 

10.14.

De Rekenkamer is nagegaan of de Commissie beschikt over een volledig en bijgewerkt overzicht van de activa die de financiële instellingen namens de Commissie onder zich hebben.

 

10.15.

Met name met de volgende financiële instellingen zijn er overeenkomsten gesloten: de EIB, de EBWO, het EIF, de Ontwikkelingsbank van de Raad van Europa en de Duitse Kreditanstalt für Wiederaufbau (KfW). Volgens de Commissie beliepen de bedragen (15) die onder toezicht van het directoraat-generaal Economische en financiële zaken op rekeningen voor gelden van derden en op bijzondere rekeningen werden aangehouden, ultimo 2004 in totaal 360,9 miljoen euro.

 

10.16.

De controle wees het volgende uit:

10.16.

 

a)

de Commissie beschikt over informatie inzake alle bij de EBWO aangehouden rekeningen, maar heeft geen volledig overzicht van de namens alle directoraten-generaal door het EIF en de EIB aangehouden rekeningen;

 

b)

een bijdrage aan een bankverrichting die de Kreditanstalt für Wiederaufbau in Bosnië-Herzegovina uitvoert en waarvoor 44,25 miljoen euro werd betaald, was door de Commissie niet als activa geboekt en was derhalve ook niet in de rekeningen opgenomen;

b)

de bedragen in kwestie zijn opgenomen in de rubriek „financiële intermediairs” van de definitieve jaarrekening van 2004.

c)

in totaal 16 miljoen euro aan EU-financiering is aan het Europees Agentschap voor wederopbouw (EAW) verstrekt voor bankverrichtingen in Kosovo, Montenegro en Servië, en wordt door KfW beheerd ten behoeve van woningbouwkredieten en financiering voor de plattelandsgemeenschap en het midden- en kleinbedrijf. De Commissie noch het EAW heeft deze bedragen in de voorlopige rekeningen van 2004 opgenomen.

c)

de bedragen in kwestie zijn opgenomen in de rubriek „financiële intermediairs” van de definitieve jaarrekening van 2004.

Hoewel deze laatste zaken zijn rechtgezet en derhalve niet van invloed zijn op de betrouwbaarheid van de rekeningen, illustreren zij dat het ontbreekt aan een volledig overzicht van bovengenoemde rekeningen.

 

10.17.

De Commissie heeft geen volledig overzicht van de bestaande activa die financiële instellingen namens de Commissie onder zich hebben.

10.17.

Het behoort tot de verantwoordelijkheid van elke ordonnateur om ervoor te zorgen dat op de activa die hij beheert, regelmatig en adequaat toezicht wordt gehouden. Het beheer van en het toezicht op deze activa worden derhalve uitgeoefend door elk individueel verantwoordelijk directoraat-generaal, dat er ook op toe moet zien dat de activa correct en volledig in het boekhoudsysteem worden ingebracht. Op basis van de informatie die door de directoraten-generaal wordt verstrekt, stelt het directoraat-generaal Begroting de jaarrekening op. De jaarrekening biedt derhalve een overzicht van de diverse activa van de Commissie, met inbegrip van die welke bij financiële instellingen worden aangehouden. De Commissie geeft echter geen overzicht per financiële instelling, maar per categorie in de balans opgenomen activa, zoals de boekhoudregels voorschrijven.

10.18.

Een dergelijk overzicht zou verzekeren dat regelmatig en adequaat toezicht op de activa wordt uitgeoefend. Hiervoor zou de bij het directoraat-generaal Economische en financiële zaken aanwezige deskundigheid dienstig zijn met het oog op de harmonisatie van de desbetreffende overeenkomsten en op de waarborging van meer transparantie voor de begrotingsautoriteiten.

10.18.

Het behoort al tot de verantwoordelijkheid van elke ordonnateur om ervoor te zorgen dat op de activa onder zijn beheer regelmatig en adequaat toezicht wordt uitgeoefend (zie artikel 60 van het Financieel Reglement). Ordonnateurs zijn ook reeds verplicht deze informatie in het boekhoudsysteem in te brengen, zodat zij in de jaarrekening kan worden vermeld.

Met de invoering van het nieuwe boekhoudsysteem in 2005 beschikken de ordonnateurs voortaan over betere hulpmiddelen om toezicht uit te oefenen op de activa waarvoor zij verantwoordelijk zijn. Tegelijkertijd is de informatie beter gecentraliseerd in het systeem, waardoor een beter beeld wordt gegeven van de algemene situatie en tevens zou moeten worden vermeden dat de door de Rekenkamer beschreven situatie zich voordoet.

HET GARANTIEFONDS VOOR EXTERNE ACTIES

10.19.

De communautaire begroting staat met name bloot aan kredietrisico in verband met de garanties voor leningen aan derde landen. Het Garantiefonds voor externe acties (16) heeft ten doel, de crediteuren van de Gemeenschap terug te betalen (17) ingeval een begunstigde in gebreke blijft, en een rechtstreeks beroep op de communautaire begroting te vermijden.

 

10.20.

Het directoraat-generaal Economische en financiële zaken verzorgt het administratief beheer van het Fonds en de EIB is verantwoordelijk voor het beheer van de financiële middelen. De controle van de Rekenkamer was gericht op het financieel beheer van het Fonds over het begrotingsjaar 2004 (18).

 

10.21.

Tabel 10.1 geeft de ontwikkeling van het Fonds gedurende de tien jaar tot eind 2004 weer. Het betrokken streefbedrag (19) beliep eind 2004 in totaal 1 086 miljoen euro. Het aan de begroting te restitueren overschot bedroeg derhalve 187 miljoen euro.

 

10.22.

De Rekenkamer stelde vast dat het Garantiefonds gedurende 2004 naar tevredenheid is beheerd.

 

10.23.

Het directoraat-generaal Economische en financiële zaken dient de verificaties inzake de van de EIB ontvangen gegevens formeel te omschrijven en te documenteren, met name ten aanzien van de uitstaande bedragen van aan derden verstrekte leningen met garanties van de Gemeenschap.

10.23.

De Commissie voert momenteel besprekingen met de EIB om in de toekomst een auditcertificaat met betrekking tot het uitstaande bedrag van de door het Garantiefonds gedekte leningen te ontvangen. Het procedurehandboek zal dan worden bijgewerkt om met de reeds uitgevoerde documentcontroles rekening te houden.

DE EUROPESE GEMEENSCHAP VOOR KOLEN EN STAAL IN LIQUIDATIE

10.24.

Het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal verstreek op 23 juli 2002. De activa en passiva van de EGKS werden overgedragen aan de Europese Gemeenschap (20): de nettowaarde ervan, die wordt aangeduid als de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal in liquidatie (EGKS i.l.), wordt toegewezen aan onderzoek in sectoren die verwant zijn aan de kolen- en staalindustrie.

 

10.25.

De controle van de Rekenkamer had ten doel, redelijke zekerheid te verkrijgen over de juiste toepassing van de wetgeving die geldt voor de EGKS i.l.

 

10.26.

Evenals in voorgaande jaren zijn de rekeningen van de EGKS i.l. onderzocht door een extern controleur, die een goedkeurende verklaring heeft afgegeven (21).

 

10.27.

Tabel 10.2 geeft de ontwikkeling van de balans en de uitstaande verplichtingen van de operationele begroting van de EGKS i.l. weer. De financiële verrichtingen van de EGKS i.l. worden afgewikkeld met inachtneming van de desbetreffende wetgeving, met inbegrip van de door de Raad vastgestelde financiële meerjarenrichtsnoeren die strikte regels vastleggen voor het beheer van de activa van de EGKS i.l.

 

10.28.

De Rekenkamer heeft redelijke zekerheid verkregen inzake de juiste toepassing van de bepalingen die gelden voor de EGKS i.l. De Rekenkamer merkt echter op dat de Commissie de financiële meerjarenrichtsnoeren volledig dient na te leven ten aanzien van de beperkingen in verband met de vervaldag en met de maximale waardering van alle waardepapieren.

10.28.

De Commissie houdt zich al sinds de inwerkingtreding van de richtsnoeren aan alle beperkingen in verband met de vervaldag en met de maximale waardering van de gedane investeringen en heeft strenge procedures ingesteld om de naleving ervan te waarborgen. Voordat de richtsnoeren in werking zijn getreden, is de Commissie met een tegenpartij met een AAA-rating een speciale afdekkingstransactie aangegaan ter dekking van twee opgenomen leningen op lange termijn. Dit was nodig om de belangen van de EGKS te beschermen nadat in 1998 was overgegaan tot de herschikking van een belangrijke infrastructuurlening, waarbij alle leningnemers gelijk zijn behandeld en die aanleiding heeft gegeven tot de omzetting van drie van de tranches van de EGKS-lening in diverse instrumenten.


(1)  Zoals de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBWO).

(2)  Krachtens Verordening (EG) nr. 2728/94 van de Raad moeten de middelen van het Garantiefonds een toereikend niveau voor potentiële betalingen (streefbedrag) bereiken, dat met ingang van 1999 op 9 % van het gegarandeerde bedrag is gesteld. Het Fonds wordt aan het begin van een begrotingsjaar voorlopig gefinancierd met betalingen uit de begroting. Aan het eind van een begrotingsjaar kunnen de middelen van het Fonds het streefbedrag overschrijden. In dat geval vinden er terugbetalingen plaats.

(3)  Met inbegrip van achterstallige rente per 31 december.

(4)  Na aftrek van vergoedingen voor de EIB die per 31 december niet waren betaald.

(5)  Na de uitbreiding werd bij Verordening (EG) nr. 2273/2004 van de Raad van 22 december 2004 het streefbedrag van het Fonds verminderd met een bedrag van 338,8 miljoen euro dat werd overgeboekt naar de EU-begroting met valutadatum 10 januari 2005.

Bron: Commissie.

(6)  Van de deelneming van 600 miljoen euro (30 % van het maatschappelijk kapitaal dat in totaal 2 000 miljoen euro bedraagt) werd 20 % (120 miljoen euro, per 31 december 2004 in de geconsolideerde balans van de Gemeenschappen gewaardeerd op 176 miljoen euro) afgeroepen.

(7)  Van de deelneming van 600 miljoen euro (3 % van het maatschappelijk kapitaal van in totaal 20 000 miljoen euro) werd 26,25 % afgeroepen (van 157,5 miljoen euro werd 138,9 miljoen euro betaald en de resterende 18,6 miljoen euro dient in de periode 2005-2009 te worden betaald).

(8)  Naast deze deelnemingen valt een deelneming van de Gemeenschap in „de Gemeenschappelijke Onderneming Galileo” van 282 miljoen euro (per 31 december 2004 afgeroepen bedrag wordt per 31 december 2004 in de geconsolideerde balans van de Gemeenschappen gewaardeerd op 192,7 miljoen euro) onder de deelneming van 520 miljoen euro (90 % van het kapitaal van in totaal 575 miljoen euro). Bovendien omvat de geconsolideerde balans van de Commissie andere financiële vaste activa voor een totaalbedrag van 1 810,9 miljoen euro die niet zijn opgenomen in de toezichtcontrole.

(9)  Op de deelneming van de EU in het Europees Investeringsfonds is een tripartiete overeenkomst tussen de Rekenkamer, de Commissie en het EIF van toepassing. De overeenkomst werd met een periode van twee jaar verlengd tot 25 september 2005. Zij kan stilzwijgend worden verlengd met nog eens twee jaar.

(10)  De in 2004 fungerend voorzitter van de raad van bestuur van het EIF werd benoemd door de Commissie. Hij bekleedt thans geen functie binnen de hiërarchie van de Commissie, omdat hij met pensioen is gegaan.

(11)  Bijvoorbeeld het jaarverslag en het verslag van de controlecommissie.

(12)  Overeenkomst tot oprichting van de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBWO), ondertekend op 29 mei 1990 in Parijs (basisdocumenten van de EBWO: april 1991).

(13)  Het door de Commissie benoemde lid van de raad van bestuur van de EBWO is in Londen gevestigd.

(14)  Tussen de Commissie en de financiële instellingen worden overeenkomsten gesloten waarin voorschriften worden vastgelegd inzake de nadere bijzonderheden van het mandaat (bv. procedures, verslagleggingsvereisten en de financiële middelen uit de algemene begroting).

(15)  Lopende rekeningen, deposito's op vaste termijn en beleggingen van kasmiddelen.

(16)  Verordening (EG, Euratom) nr. 2728/94 van de Raad (PB L 293 van 12.11.1994, blz. 1), gewijzigd bij Verordening (EG, Euratom) nr. 1149/1999 (PB L 139 van 2.6.1999, blz. 1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG, Euratom) nr. 2273/2004 (PB L 396 van 31.12.2004, blz. 28).

(17)  Hoofdzakelijk de EIB, maar ook externe Euratom-leningen en leningen in het kader van macro-financiële bijstand aan derde landen.

(18)  Het door de Rekenkamer verrichte controlewerk is gebaseerd op een tripartiete overeenkomst tussen de Rekenkamer, de EIB en de Commissie die is gesloten in januari 1996.

(19)  Als streefbedrag is gesteld 9 % van het uitstaande bedrag aan gegarandeerde leningen.

(20)  Protocol gehecht aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

(21)  In het „Financieel Verslag van de EGKS in liquidatie per 31 december 2004” (blz. 19) concludeerde de extern controleur dat de financiële staten de activa en de financiële positie van de EGKS i.l. per 31 december 2004 alsmede de resultaten van het op die datum eindigende begrotingsjaar getrouw weergeven.


30.11.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 301/249


JAARVERSLAG OVER DE ACTIVITEITEN GEFINANCIERD UIT HET ZESDE, ZEVENDE, ACHTSTE EN NEGENDE EUROPEES ONTWIKKELINGSFONDS (EOF'S)

(2005/C 301/02)

INHOUD

 

Inleiding

Hoofdstuk I

Uitvoering van het zesde, zevende, achtste en negende EOF

Hoofdstuk II

Betrouwbaarheidsverklaring van de Rekenkamer voor de EOF's

Hoofdstuk III

Follow-up van eerdere opmerkingen

Hoofdstuk IV

Voornaamste opmerkingen in de speciale verslagen die de Rekenkamer sinds de laatste kwijtingsprocedure heeft uitgebracht


JAARVERSLAG OVER DE ACTIVITEITEN GEFINANCIERD UIT HET ZESDE, ZEVENDE, ACHTSTE EN NEGENDE EUROPEES ONTWIKKELINGSFONDS (EOF)

INHOUD

Inleiding

Hoofdstuk I — Uitvoering van het zesde, zevende, achtste en negende EOF

Te late toezending van het verslag van het financieel beheer

Nadere toelichting nodig bij belangrijke thema's

Noodzaak dat beter wordt aangegeven welke maatregelen zullen worden getroffen

Noodzaak van betere communicatie over het financieel beheer

Conclusies

Hoofdstuk II — Betrouwbaarheidsverklaring van de Rekenkamer voor de EOF's

Betrouwbaarheidsverklaring van de Rekenkamer inzake het zesde, zevende, achtste en negende Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) voor het begrotingsjaar 2004

Toelichting bij de betrouwbaarheidsverklaring

Betrouwbaarheid van de rekeningen

Wettigheid en regelmatigheid van de verrichtingen

Ontwikkelingen in de werking van de toezicht- en controlesystemen

Hoofdstuk III — Follow-up van eerdere opmerkingen

Uit het EOF gefinancierde infrastructuurwerken

Het standpunt van de kwijtingverlenende autoriteit

Follow-up door de Commissie

Conclusie

Hoofdstuk IV — Voornaamste opmerkingen in de speciale verslagen die de Rekenkamer sinds de laatste kwijtingsprocedure heeft uitgebracht

Speciaal verslag nr. 10/2004 over de deconcentratie van het externe-steunbeheer van de EG ten gunste van de delegaties van de Commissie

Speciaal verslag nr. 2/2005 over de begrotingssteun uit het EOF aan de ACS-staten: het beheer door de Commissie van het onderdeel: „hervorming van de overheidsfinanciën”

OPMERKINGEN VAN DE REKENKAMER

ANTWOORDEN VAN DE COMMISSIE

INLEIDING

1.

De Europese ontwikkelingsfondsen (EOF's) zijn ontstaan uit internationale overeenkomsten of akkoorden (1) tussen de lidstaten van de Europese Unie en de staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan (ACS), en uit besluiten van de Raad betreffende de associatie van landen en gebieden overzee (LGO).

 

2.

De Commissie is, samen met de ACS-staten, verantwoordelijk voor en belast met het beheer van het grootste deel van de EOF's, namelijk de subsidies. Sinds 1 april 2003 is de EIB de enige verantwoordelijke voor de uitvoering van het andere deel — de investeringsfaciliteit — dat niet meer in aanmerking wordt genomen bij de betrouwbaarheidsverklaring van de Rekenkamer en de kwijtingsprocedure van het Europees Parlement (2)  (3)  (4).

 

3.

De financiële toewijzing voor elk van de vier in 2004 nog lopende EOF's wordt, afgezien van de thans onder de uitsluitende verantwoordelijkheid van de EIB beheerde instrumenten, voornamelijk besteed aan:

a)

programmeerbare steun (5) bestemd voor de tenuitvoerlegging van ontwikkelingsprojecten (ongeveer de helft van de toewijzingen);

b)

programmeerbare steun (5) bestemd als begrotingssteun voor begunstigde staten (bijna een kwart van de toewijzingen);

c)

niet-programmeerbare steun bestemd voor specifieke samenwerkingsterreinen, zoals humanitaire en spoedhulp, de steun voor exportinkomsten (Stabex en Sysmin of, tegenwoordig, FLEX), of voor financiële acties, zoals risicodragend kapitaal (6) of de steun voor schuldendelging (iets meer dan een kwart van de toewijzingen).

 

4.

Na de programmeringsfase worden de EOF-middelen in twee keer ter beschikking gesteld. Op verzoek van een ACS-staat neemt de Commissie, als hoofdordonnateur, financieringsbesluiten (in de boeken opgenomen als financiële vastleggingen) na een positief advies van het EOF-comité (7), bestaande uit vertegenwoordigers van de lidstaten. Vervolgens omschrijven de Commissie en de ACS-staat in het kader van de financieringsovereenkomsten de voorwaarden voor de uitvoering van die besluiten door de nationale ordonnateur (8) van het betrokken land. Deze sluit contracten (in de boeken opgenomen als individuele juridische verbintenissen) en geeft betalingsopdrachten, die door de Commissie zullen worden gecontroleerd en uitgevoerd overeenkomstig de procedures ter uitvoering van het EOF.

 

5.

Begrotingssteun is niet onderworpen aan dit beheersysteem. De Commissie blijft de enige ordonnateur. Financieringsovereenkomsten vormen juridische verbintenissen en geven aanleiding tot betalingen zonder het sluiten van andere juridische verbintenissen. Nadat de Commissie zich ervan heeft verzekerd dat aan de voorwaarden van de Overeenkomst van Cotonou en de financieringsovereenkomst is voldaan, gaat zij — alleen door haar handtekening te plaatsen — over tot een eerste overdracht van middelen ten gunste van de begrotingen van de begunstigde landen. Na de overdracht gaan die middelen op in de begrotingen van de ACS-staten waar voor de besteding en de controle ervan de wetgeving en procedures van de begunstigde landen gelden. De Commissie en de belangrijkste andere internationale kapitaalverschaffers beoordelen de in het beheer van de overheidsfinanciën in die staten aangebrachte verbeteringen en de resultaten wat betreft vermindering van de armoede. Alvorens over te gaan tot uitbetaling van volgende tranches, vergewist de Commissie zich ervan dat er is voldaan aan de in de financieringsovereenkomst vastgestelde voorwaarden.

 

6.

In 2000 besloot de Commissie een aanzienlijk deel van haar verantwoordelijkheden en middelen (behalve met name de goedkeuring van financieringsvoorstellen, de beslissing begrotingssteun uit te betalen en het beheer van intra-ACS-projecten) over te dragen aan haar delegaties in de ACS-staten. Aldus zou ongeveer 80 % van de EOF-betalingen worden gedeconcentreerd. Eind 2004 waren er van de 44 delegaties in ACS-staten nog slechts vier die nog niet waren verzelfstandigd.

6.

Vanaf juli 2005 zijn alle ACS-delegaties verzelfstandigd.

HOOFDSTUK I — UITVOERING VAN HET ZESDE, ZEVENDE, ACHTSTE EN NEGENDE EOF (9)

Te late toezending van het verslag van het financieel beheer

7.

Het verslag van het financieel beheer over het begrotingsjaar 2004 betreffende het zesde, zevende, achtste en negende EOF werd door de Commissie naar de Rekenkamer gezonden op 7 juli 2005, dus na de tijdslimiet van 31 mei, vastgelegd in de artikelen 102 en 135 van het financieel reglement van toepassing op het negende EOF.

7.

De Commissie zal proberen de termijn in acht te nemen.

Nadere toelichting nodig bij belangrijke thema's

8.

Het verslag geeft de belangrijkste kenmerken weer van het beheer van de EOF's in het begrotingsjaar 2004. Het vergelijkt hetgeen in 2004 is verwezenlijkt met de doelstellingen en resultaten van het voorgaande jaar wat betreft de financiële vastleggingen, de juridische verbintenissen en de betalingen (zie de tabellen 1 en 2 ), en beschrijft specifiek de feiten die invloed hebben gehad op het financieel beheer in alle door de Commissie beheerde sectoren. De leesbaarheid en nauwkeurigheid van dit verslag zijn nog voor verbetering vatbaar en de informatieve waarde ervan zou toenemen indien bepaalde gegevens beter waren toegelicht. Met name de volgende punten waren van belang voor het financieel beheer van het EOF in 2004 en hadden moeten zijn behandeld in het verslag:

8.

Het verslag bevat nu 35 bladzijden, inclusief de 8 bijlagen die betrekking hebben op de verzoeken van de Rekenkamer en het Europees Parlement om aanvullende informatie en analysen in het kader van de jaarlijkse kwijtingsprocedures. Wel geeft de Commissie in de onderstaande antwoorden aan dat zij in het verslag over het volgende jaar op bepaalde punten aanvullende informatie zal verstrekken.

a)

de belangrijkste factoren waardoor de middelen van het negende EOF toenamen (105 miljoen euro extra voor de Democratische Republiek Congo);

a)

Het verslag van het financieel beheer belicht de voornaamste gebeurtenissen. De details zijn te vinden in de financiële staten waarbij het verslag gevoegd is (voor de verhoging van de middelen van het negende EOF voor de Democratische Republiek Congo: zie opmerking 1 bij de rekeningen).

b)

het hoge niveau van de betalingen (2 414 miljoen euro netto in 2004) dat evenals in voorgaande jaren deels werd bereikt met behulp van de instrumenten voor snelle uitkering van grote bedragen (begrotingssteun, schuldenverlichting, enz.);

b)

Tabel 16 van het verslag bevat de cijfers over begrotingssteunbetalingen. Sectie 2.2 laat de ontwikkelingen zien in de besteding van begrotingssteun. De recordbetalingen in 2004 hangen samen met het verbeterde beheer van de instrumenten. Procentueel gezien vielen de begrotingssteun, schuldverlichting en dergelijke in 2004 lager uit dan in 2003. In 2004 is in het kader van HIPC, Stabex, het Wereldgezondheidsfonds en macro-economische begrotingssteuninstrumenten ongeveer 724 miljoen euro (bruto) uitgekeerd. De desbetreffende cijfers voor de jaren daarvoor zijn: 976 miljoen euro (2003), 567  miljoen euro (2002) en 1 021  miljoen euro (2001).

Tabel 1 — Gecumuleerde besteding van de EOF-middelen per 31 december 2004

(miljoen euro)

 

 

Situatie eind 2003 (12)

Begrotingsuitvoering in de loop van 2004 (12)

Situatie eind 2004 (12)

Totaalbedrag

Uitvoeringsgraad % (11)

6e EOF

7e EOF

8e EOF

9e EOF

Totaalbedrag

6e EOF

7e EOF

8e EOF

9e EOF

Totaalbedrag  (12)

Uitvoeringsgraad % (11)

A —

Middelen  (10)

43 408,7

 

–32,2

–58,4

– 172,3

656,0

393,1

7 439,4

10 867,7

11 590,6

13 904,1

43 801,8

 

B —

Besteding

 

1. Financiële vastleggingen

33 317,0

76,8

–32,2

–58,4

– 172,3

2 638,1

2 375,2

7 439,4

10 867,7

11 590,6

5 794,5

35 692,2

81,5

 

2. Individuele juridische verbintenissen

27 566,9

63,5

28,7

121,4

848,7

1 747,5

2 746,3

7 378,3

10 418,5

9 775,2

2 741,2

30 313,2

69,2

 

3. Betalingen  (11)

23 504,1

54,1

30,0

244,5

1 191,9

947,6

2 413,9

7 312,1

9 849,6

7 531,1

1 225,2

25 918,0

59,2

C —

Nog te betalen (B1-B3)

9 812,9

22,6

 

 

 

 

 

127,3

1 018,1

4 059,5

4 569,3

9 774,1

22,3

D —

Beschikbaar saldo (A-B1)

10 091,7

23,2

 

 

 

 

 

0,0

0,0

0,0

8 109,6

8 109,6

18,5

Bron: Rekenkamer, op basis van de EOF-jaarrekening per 31 december 2004.

Tabel 2 — Begrotingsuitvoering in de begrotingsjaren 2000-2004

(miljoen euro)

 

2000

2001

2002

2003 (13)

2004 (13)

1. Financiële vastleggingen

3 757,4

1 554,2

1 768,4

3 395,8

2 375,2

2. Individuele juridische verbintenissen

2 296,2

2 263,4

2 142,9

2 742,7

2 746,3

3. Betalingen

1 547,7

2 067,9

1 852,7

2 293,1

2 413,9

Bron: Rekenkamer.

c)

voorgestelde oplossingen voor het terugkerende probleem van de kastekorten;

c)

Het tot eind 2007 geldende financieel reglement voor het negende EOF laat geen ingrijpende wijzigingen toe. Voor de periode daarna (na het negende EOF) heeft de Commissie voorgesteld het EOF te „budgetteren”. Het EOF wordt jaarlijks in drie tranches gefinancierd. In vergelijking met de algemene begroting verdrievoudigt dit het risico op dergelijke kastekorten.

Voor de beschikbaarstelling van de noodzakelijke financiële middelen zijn de Commissie en de lidstaten gezamenlijk verantwoordelijk. Binnen de voorgeschreven termijnen moeten de lidstaten een beslissing nemen over de bijdragen en deze betalen. Een deel van het tekort aan het eind van 2003 en het tekort over 2004 waren te wijten aan de te late betaling door de lidstaten van de bijdragen.

De Commissie heeft maatregelen getroffen om de uitkeringsprognoses te verbeteren. In 2005 zijn de afroepen voor bijdragen dan ook aangepast.

d)

de steeds grotere bedragen die gemoeid zijn met activiteiten die worden ondernomen met grote internationale organisaties (ongeveer 300 miljoen euro aan nieuwe juridische verbintenissen in 2004);

d)

De Commissie zal deze informatie in het volgende verslag van het financiële beheer opnemen.

e)

de administratiekosten van het EOF, die niet zichtbaar worden gemaakt, hoewel de algemene begroting van de Unie per activiteit wordt ingedeeld zodat het mogelijk is een overzicht van de beheerskosten te maken, en hoewel de Commissie ermee had ingestemd deze mogelijkheid te bestuderen (14).

e)

In haar follow-upverslag over de kwijting 2003 gaat de Commissie nader in op deze kwestie. De administratieve kosten van ontwikkelingshulp aan de ACS-landen (EOF en begrotingsonderdelen) zijn voor het grootste deel opgenomen onder beleidsgebied 21 „Ontwikkeling en betrekkingen met de ACS-landen” van de algemene EU-begroting. In 2004 bedroegen de kosten van dit beleidsgebied in totaal 238,9 miljoen euro. Dit bedrag omvat ook de uitgaven aan personeel op het hoofdkantoor en bij de delegaties, aan extern personeel en aan gebouwen en dergelijke.

Daar de EOF-werkzaamheden vast deel uitmaken van andere Commissiewerkzaamheden die verband houden met ontwikkelingshulp en politieke betrekkingen met ontwikkelingslanden, kunnen de totale administratieve kosten die ten laste komen van de algemene begroting, niet goed worden uitgesplitst naar EOF-werkzaamheden en overige werkzaamheden.

Bovendien konden sinds de start van het negende EOF sommige administratieve kosten rechtstreeks worden gefinancierd uit het EOF. In totaal gaat het om een bedrag van 233 miljoen euro over de gehele EOF-periode van vijf jaar.

Noodzaak dat beter wordt aangegeven welke maatregelen zullen worden getroffen

9.

In het sinds september 2004 beschikbare eindverslag van het adviesbureau dat van de Commissie opdracht kreeg tot een inventarisatie van de Stabex-middelen, wordt in verband met de stand van deze middelen gezegd dat van de totale overdracht van 2 164 miljoen euro per 31 december 2002 nog geen gegevens waren verstrekt inzake overdrachten ten belope van 46,5 miljoen euro aan negen landen, en dat slechts enkele van de overige 36 landen in staat waren geweest volledige en betrouwbare gegevens te verstrekken. Een groot deel van de gevraagde informatie zal nooit beschikbaar zijn. In het verslag wordt niet aangegeven welke maatregelen de Commissie zal treffen als antwoord op deze punten van voorbehoud (zie ook paragraaf 16 over de betrouwbaarheid van de rekeningen). In haar Jaarverslag over 2003 heeft de Rekenkamer trouwens gewezen op het grote belang van het verslag over de besteding van de middelen dat de ontvangende ACS-staat de Commissie krachtens artikel 212 van de herziene Overeenkomst van Lomé moet toezenden. In het verslag is er geen enkele aanwijzing over enige actie van de Commissie om te zorgen dat deze verslagen worden opgesteld.

9.

Er zijn maatregelen getroffen. Daarover zal in het verslag over 2005 uitvoerig worden bericht. De delegaties van de Commissie moeten ervoor zorgen dat de jaarverslagen van de ACS-landen in een bepaald formaat worden opgesteld. Als het eigen personeel van de nationale ordonnateur niet in staat is een verslag op te stellen, worden daarvoor doorgaans lokale accountants aangetrokken. Natuurlijk is kwaliteitscontrole een belangrijk onderdeel van deze werkzaamheden. Voor de Commissie heeft de afwerking van alle „primaire” Stabex-vastleggingen prioriteit, hetgeen ook inhoudt: goedkeuring van nieuwe FMO's (kaders van wederzijdse verplichtingen), herziening van huidige FMO's en opheffing van vroegere of achterhaalde FMO's. Dit lukt alleen als de 43 landen die Stabex-middelen ontvangen, een betrouwbare jaarrekening over de besteding van deze middelen indienen.

10.

Op 1 januari 2005 moest het EOF ter naleving van de IPSAS (15) zijn overgeschakeld op de boekhouding op basis van het baten-lastenstelsel. Naast de nuttige en gedetailleerde technische gegevens die de Commissie vermeldt in haar driemaandelijkse voortgangsverslagen aan het Europees Parlement en de Raad, had dit verslag over het financieel beheer kort moeten vermelden welke maatregelen in de loop van 2004 waren genomen met het oog op die belangrijke schakeldatum, met name voor de opstelling van de openingsbalans van het begrotingsjaar 2005.

10.

In sectie 5.1.1.2 van het verslag van het financieel beheer over 2004 wordt deze kwestie aangestipt. In het verslag over 2005 zal nader worden ingegaan op de vooruitgang bij het ABAC-project (project inzake boekhouding op basis van periodetoerekening).

Noodzaak van betere communicatie over het financieel beheer

11.

In het verslag over het financieel beheer worden de in de jaarrekening opgenomen financiële gegevens besproken. In de bestaande praktijk (artikelen 102 en 135 van het financieel reglement voor het negende EOF) heeft het verslag reeds op 31 mei zijn definitieve vorm, gebaseerd op de voorlopige rekeningen per 30 april. De definitieve versie van de rekeningen verschijnt op 31 oktober. Het kan dus blijken dat de financiële gegevens in het verslag over het financieel beheer niet meer aansluiten bij de gepubliceerde definitieve rekeningen. De Rekenkamer geeft in overweging, de eindversie van het verslag te baseren op de definitieve rekeningen en het tegelijk met de EOF-jaarrekening te publiceren.

11.

Op grond van de termijnen in het financieel EOF-reglement wordt dit verslag niet gevoegd bij de definitieve, maar bij de voorlopige rekeningen.

Het verslag van het financieel beheer is in wezen een beheersverslag waarin de EOF-doelstellingen voor het desbetreffende jaar worden afgezet tegen de uiteindelijke resultaten.

Conclusies

12.

De Rekenkamer stelt hoofdzakelijk het volgende vast:

12.

 

a)

een aantal belangrijke gegevens moet in het verslag over het financieel beheer worden opgenomen, aangevuld of in een breder verband geplaatst;

a)

Het verslag van het financieel beheer belicht de voornaamste gebeurtenissen. De details zijn te vinden in de financiële staten.

b)

de Commissie heeft in het verslag niet aangegeven welke belangrijke maatregelen nog moeten worden genomen op grond van de Stabex-inventarisatie in de ACS-staten;

b)

De Commissie heeft instructies gegeven en de prioriteiten kenbaar gemaakt aan haar delegaties, die moeten samenwerken met de nationale ordonnateurs van de 43 Stabex-landen om aan de noodzakelijke gegevens te komen. Ze moeten er ook voor zorgen dat de nog uit te keren Stabex-middelen correct worden besteed. Gezien de uiteenlopende kwaliteit van de ontvangen informatie kan moeilijk een algemeen beeld worden geschetst van de tot dusver bereikte resultaten.

c)

het zou beter zijn als het verslag over het financieel beheer aansloot op de definitieve gegevens en op hetzelfde moment als de definitieve jaarrekening verscheen.

c)

Zie het antwoord onder paragraaf 11.

HOOFDSTUK II — BETROUWBAARHEIDSVERKLARING VAN DE REKENKAMER VOOR DE EOF'S

Betrouwbaarheidsverklaring van de Rekenkamer inzake het zesde, zevende, achtste en negende Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) voor het begrotingsjaar 2004

I.

De Europese Rekenkamer („de Rekenkamer”) heeft de rekeningen van het zesde, zevende, achtste en negende EOF en de onderliggende verrichtingen voor het op 31 december 2004 afgesloten begrotingsjaar onderzocht. Deze rekeningen omvatten de financiële staten, de overzichten van de financiële uitvoering en de door de Europese Investeringsbank (EIB) verschafte financiële staten en gegevens (16). Krachtens de financiële reglementen dient de Rekenkamer aan het Europees Parlement en de Raad een verklaring voor te leggen over de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen ten aanzien van het gedeelte van de EOF-middelen waarvan de Commissie de financiële uitvoering verzorgt (17). De Rekenkamer heeft de controle overeenkomstig haar controlebeleidslijnen en -normen verricht. Deze berusten op de algemeen aanvaarde internationale controlenormen, aangepast aan de EOF-context. Dit verschafte de Rekenkamer een deugdelijke grondslag voor de navolgende oordelen.

II.   Betrouwbaarheid van de rekeningenBehoudens de gevolgen van problemen betreffende:

a)

de onvolledigheid van de activa, aangezien de Commissie onvoldoende heeft onderzocht welk deel van de nog af te wikkelen voorschotten door de debiteuren aan het EOF moet worden terugbetaald (zie paragraaf 14);

b)

de onvolledigheid van de voorzieningen voor dubieuze vorderingen, die niet het echte niveau van oninbare vorderingen weergeven (zie paragraaf 15);

c)

de onbetrouwbaarheid van het saldo van de Stabex-middelen als vermeld in een verslag bij de financiële staten (832 miljoen euro) (zie paragraaf 16);

is de Rekenkamer van oordeel dat de financiële-uitvoeringsoverzichten van het begrotingsjaar 2004 en de financiële staten per 31 december 2004 een getrouw beeld geven van de ontvangsten en uitgaven van het zesde, zevende, achtste en negende EOF voor het begrotingsjaar en van hun financiële positie aan het eind van het jaar.

III.   Wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingenAnalyse van de toezicht- en controlesystemenDe Rekenkamer onderzocht de toepassing van de interne-controlenormen van de Commissie en toetste de doeltreffendheid van de toezicht- en controlesystemen. Hoewel er vooruitgang is geboekt, zijn op de volgende punten nog verbeteringen nodig:

a)

risicobeheer (zie de paragrafen 20 t/m 22);

b)

controlekader (zie de paragrafen 23 t/m 33);

c)

verantwoordingsplicht voor de interne controle van de delegaties (zie de paragrafen 34 en 35);

d)

activiteitenverslag van de directeur-generaal van EuropeAid (zie paragraaf 36).

Controle van de verrichtingenDe Rekenkamer onderzocht een aantal verrichtingen aan de hand van stukken, beschikbaar bij de centrale diensten en delegaties van de Commissie en op basis van controles ter plaatse tot op het niveau van de uitvoerende organisaties in de begunstigde ACS-staten. Het onderzoek had tot doel de naleving van de regelgeving en het bestaan van de werken, leveringen en diensten te verifiëren. Wat betreft de uitgaven voor begrotingssteun hield de controle op na de betaling van de steun aan de begroting van de begunstigde staten. De Rekenkamer stelde vast dat frequentie en financieel effect van de ontdekte fouten niet significant zijn (zie de paragrafen 37 t/m 41).Conclusie over de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingenDe Rekenkamer is van oordeel dat de ontvangsten, de aan de EOF's toegewezen bedragen, de verplichtingen en betalingen van het begrotingsjaar over het geheel genomen wettig en regelmatig zijn.

28 september 2005

Hubert WEBER

President

Europese Rekenkamer

12, rue Alcide De Gasperi, L-1615 Luxemburg

Toelichting bij de betrouwbaarheidsverklaring

Betrouwbaarheid van de rekeningen

13.

De opmerkingen in paragraaf II van de betrouwbaarheidsverklaring zijn gebaseerd op de volgende bevindingen.

 

14.

Het totaal van de afgegeven en eind 2004 nog niet afgewikkelde invorderingsopdrachten ten belope van 18 miljoen euro omvat niet alle vorderingen. Daar de Commissie niet alle aan de begunstigden betaalde voorschotten voldoende heeft onderzocht (18), kan zij de in te vorderen bedragen niet vaststellen. De waarde van de nog te onderzoeken niet afgewikkelde voorschotten (19) was eind 2004 niet vastgesteld door de Commissie (20).

14.

Overeenkomstig het financieel reglement heeft de Commissie de nog in te vorderen voorschotten systematisch geanalyseerd en gemonitord. Deze monitoringwerkzaamheden komen in een apart hoofdstuk in het beheersverslag aan de orde.

De Commissie zal nog meer inspanningen verrichten om te achterhalen welke bedragen gemoeid zijn met de nog in te vorderen voorschotten.

15.

Het saldo van de voorzieningen voor dubieuze vorderingen in de rekeningen (0,03 miljoen euro) komt niet overeen met het werkelijke aandeel van de oninbare vorderingen (21) in de afgegeven invorderingsopdrachten ten belope van 18 miljoen euro. De invoering van de boekhouding op basis van het baten-lastenstelsel in 2005 maakt het nog noodzakelijker, oninbare vorderingen en desbetreffende voorzieningen vast te stellen (20).

15.

De Commissie is het eens met de opmerking van de Rekenkamer en wil deze werkzaamheden voor het begrotingsjaar 2005 uitvoeren.

16.

In 2004 voltooide de Commissie de inventarisatie van de Stabex-middelen. Hoewel deze middelen reeds aan de ACS-staten toebehoren, worden zij vermeld in een bij de financiële staten (22) gevoegd verslag omdat de Commissie ze mede beheert en betalingen van de plaatselijke bankrekeningen goedkeurt. Uit de inventarisatie van de Stabex-middelen bleek dat van sommige ACS-staten geen nadere informatie moet worden verwacht en dat voor andere ACS-staten de vereiste informatie in de vorm van bankafschriften of betalingsoverzichten misschien niet beschikbaar zal komen, hoofdzakelijk wegens het tijdsverloop. Bijgevolg heeft de Commissie een onbekend deel van het aangegeven banksaldo ten belope van 832 miljoen euro niet aan de hand van betrouwbare documenten geverifieerd.

16.

De Commissie probeert via haar delegaties aan de hand van de Stabex-jaarverslagen in standaardformaat een beter inzicht te krijgen in de besteding van de Stabex-middelen om een beter algemeen beeld te kunnen schetsen. Nu de inventarisatie van de Stabex-middelen is voltooid, wordt overeenkomstig het beleid van de Commissie om bevoegdheden aan haar delegaties in de ACS-landen over te dragen, een landsgewijze aanpak gevolgd om meer helderheid te brengen in de situatie en alle overige Stabex-middelen vast te leggen en uit te keren.

Wettigheid en regelmatigheid van de verrichtingen

17.

De opmerkingen in paragraaf III van de betrouwbaarheidsverklaring zijn gebaseerd op:

a)

beoordeling van de toezicht- en controlesystemen bij de centrale diensten van de Commissie in Brussel (hoofdkantoor) — met name bij EuropeAid — en bij vier delegaties (Ouagadougou, Conakry, Abuja en Georgetown) (23);

b)

gedetailleerde controle van verrichtingen aan de hand van stukken en onderzoek ter plaatse;

c)

onderzoek van het jaarlijks activiteitenverslag en de verklaring van de directeur-generaal van EuropeAid, evenals van de procedure voor de opstelling daarvan.

 

18.

De Rekenkamer beklemtoont dat gevallen van opzettelijke onregelmatigheid en corruptie buiten de controleomgeving van de Commissie uiteraard niet systematisch opspoorbaar zijn met de controlebeleidslijnen en -normen van de Rekenkamer.

 

Evaluatie van de toezicht- en controlesystemen

Algemene verbetering van de toezicht- en controlesystemen

19.

De invoering van de interne-controlenormen bij het hoofdkantoor en de delegaties van de Commissie werd in 2004 gestaag voortgezet en droeg bij tot een beter functioneren van de toezicht- en controlesystemen. Toch is nog verbetering nodig op de onderstaande gebieden (zie de paragrafen 20 t/m 36).

 

Het risicobeheer is verbeterd maar nog te algemeen

20.

Jaarlijks wordt ongeveer 2,5 miljard euro uitgegeven via talloze organisaties. Deze uiterst ingewikkelde structuur omvat vijf directoraten-generaal (Externe betrekkingen, EuropeAid, ECHO, Ontwikkeling en Begroting (24)), 44 delegaties (nagenoeg alle gedeconcentreerd (25)), 76 partnerlanden die tot de armste landen ter wereld behoren en structurele administratieve tekortkomingen (26) vertonen en duizenden uitvoeringsorganen met uiteenlopende beheerscapaciteiten (particuliere contractanten, NGO's, internationale organisaties, plaatselijke beheersdiensten, enz.).

20.

De Commissie is zich ervan bewust dat het beheer van het EOF een aantal risico's met zich brengt. Met het opzetten van betere controle- en monitoringsystemen en met regelmatige audits kunnen deze risico's tot een minimum worden teruggebracht.

21.

EuropeAid heeft zich ingespannen om zijn operationeel en financieel risicobeheer te verbeteren door de relevante instructies van de Commissie te volgen. In 2003 verrichtte de dienst een algemene risicobeoordeling van de externe maatregelen (inclusief het EOF) en het hogere kader maakte een beoordeling van het eigen risico. Zo ontdekte EuropeAid risico's in verband met zijn reorganisatie (die medio maart 2005 inging) en met de uitvoering van zijn infrastructuurprojecten.

 

22.

Toch zijn er specifieke financiële risico's (projectportefeuille en personeelsbekwaamheid, bekwaamheid van de nationale ordonnateur, bekwaamheid van de beheerders van de projecten) die niet door elke delegatie voldoende worden onderkend. Delegaties worden wel ingelicht over zulke risico's maar krijgen geen instructies inzake de aanpak en melding ervan. Het gevaar dat resterende specifieke risico's (27) optreden, wordt dus misschien niet voldoende onderkend en aangepakt.

22.

De Commissie heeft al stappen gezet om de risico's waarop de Rekenkamer wijst, in kaart te brengen. Met name heeft zij in 2004 een gestandaardiseerde methodiek ingevoerd voor een zelfbeoordeling door de delegaties van de risico's, die vanaf 2005 moet worden verricht. Bovendien omvat het proces van vaststelling en financiering van een project of programma een analyse van de voorwaarden die van belang zijn voor een geslaagde uitvoering daarvan. Daarbij wordt ook gekeken naar duurzaamheidsaspecten (capaciteit van de eindbegunstigde). Via periodieke monitoring en tussentijdse evaluaties van projecten kan de Commissie maatregelen nemen om deze projecten te verbeteren of bij te sturen.

Bij controlemissies vóór de deconcentratie worden alle noodzakelijke voorwaarden, inclusief de capaciteit van de desbetreffende delegatie, aan een onderzoek onderworpen. Indien nodig versterkt de Commissie de capaciteit van de NCI's via specifieke maatregelen.

Het controlekader heeft een beter risicobeheer nodig

23.

De waarborging van de wettigheid en regelmatigheid van verrichtingen staat of valt grotendeels met het doeltreffend functioneren van de volgende systemen: het technisch en financieel toezicht door de ACS-staten, de delegaties en EuropeAid, de controles vooraf en achteraf bij EuropeAid, de door de delegaties en EuropeAid en de interne-auditfunctie van EuropeAid ingestelde controles. Met een verbeterd risicobeheer zou het mogelijk zijn een coherenter en adequater controlekader op te zetten.

23.

De Commissie blijft werken aan een verdere versterking en verbetering van de werking en de interne samenhang van haar risicobeheersingsaanpak.

Zij is van oordeel dat de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen kan worden gewaarborgd met de EOF-controlesystemen zoals beschreven door de Rekenkamer. Met dit controlekader kan worden ingegrepen bij eventuele tekortkomingen bij de lokale autoriteiten. Overigens heeft de Rekenkamer-controle van de verrichtingen bevestigd dat het niet om grote fouten gaat.

Verbeteringen van het technisch en financieel toezicht

24.

Bij deconcentratie wordt de eerste verantwoordelijkheid voor het technisch en financieel toezicht op projecten overgedragen aan de delegaties en blijft EuropeAid verantwoordelijk voor het algehele toezicht. Dat toezicht omvat een verscheidenheid van activiteiten, van onderzoek van stukken op kantoor en ter plaatse tot analyse van gegevens in het boekhoudsysteem en beoordeling van het beheer op alle niveaus. De delegaties en EuropeAid beschikken daarvoor over vele instrumenten: verslagen over het beheer van de externe steun (EAMR), een database (CRIS), jaarlijkse seminars voor het hoofdkantoor en de delegaties in de zes geografische gebieden, dagelijkse contacten tussen de delegaties en de geografische coördinatoren op het hoofdkantoor, controlelijsten, dienstreizen van personeel van het hoofdkantoor naar de delegaties en omgekeerd.

 

25.

Dankzij deze instrumenten is het toezicht over het geheel genomen voldoende. Wel zou die doeltreffendheid verbeteren indien de taakverdeling tussen het hoofdkantoor en de delegaties duidelijker en gedetailleerder was.

25.

De reorganisatie van EuropeAid begin 2005 beoogt een sterkere monitorende en ondersteunende rol van het hoofdkantoor.

Toereikende secundaire controle vooraf

26.

In de tweede helft van 2003 heeft EuropeAid een facultatieve controle vooraf ingesteld. Deze omvat onderzoek van de dossiers met betrekking tot een dagelijkse steekproef van betalingen en vastleggingen, willekeurig geselecteerd uit die welke na afloop van de standaardverificaties (28) onder het gezag van de ordonnateur gereed zijn om te worden goedgekeurd. Deze secundaire controle is ondergebracht bij de directie die verantwoordelijk is voor de ACS-landen, hetgeen in veruit de meeste gevallen onafhankelijkheid ten opzichte van de ordonnateur garandeert, behalve voor verrichtingen waarbij de directeur zelf ordonnateur is, met name die inzake begrotingssteun. Deze controle moet bijdragen aan een effectieve overgang van volledig gecentraliseerde financiële controle naar volledig gedecentraliseerde controle (onder de bevoegdheid van de ordonnateur) en tot de instelling van een doeltreffende controle achteraf. Na de reorganisatie van EuropeAid werd de facultatieve controle vooraf in 2005 stopgezet.

 

27.

De controle vooraf betrof 6 % van de verrichtingen van 2004 en leidde tot de ontdekking van diverse soorten fouten bij 6 % daarvan, waartegen corrigerende maatregelen konden worden genomen. Die fouten werden niet ingedeeld naar potentieel effect, maar lijken in de meeste gevallen te zijn ontstaan doordat minder belangrijke interne procedures werden veronachtzaamd. De Rekenkamer onderzocht een willekeurige steekproef van 23 verrichtingen die bij de secundaire controle vooraf waren bekeken en constateerde dat de controle doeltreffend was, afgezien van gevallen van minder belang.

 

De controle achteraf moet beter worden gedocumenteerd

28.

EuropeAid stelde in juni 2004 een controle achteraf in om reeds verwerkte verrichtingen te verifiëren. Deze controle, die slechts nazicht van bewijsstukken inhoudt, heeft als doel dat 3 % van de betalingen wordt bekeken, inclusief de vereffening van voorschotten (29), teneinde eenmalige en terugkerende fouten te ontdekken, mogelijke procedureverbeteringen te vinden en extra zekerheid te bieden dat de betalingen wettig en regelmatig zijn. Qua reikwijdte is deze controle gerichter dan de facultatieve controle vooraf.

 

29.

Wegens personeelsgebrek was eind januari 2005 pas driekwart van het pakket voor 2004 gecontroleerd ofwel 1 % van de betalingsverrichtingen in plaats van de geplande 3 %.

29.

Hoewel het aantal gecontroleerde financiële verrichtingen achterbleef bij het streefcijfer van 3 %, bestreken deze controles wel 14 % van het totale bedrag aan verrichtingen in 2004.

30.

De Rekenkamer onderzocht een steekproef van 51 van de verrichtingen die aan controle achteraf waren onderworpen en constateerde dat de controle voldoende doeltreffend was, behoudens gevallen van minder belang. Toch zou de controle meer zekerheid hebben geboden indien ook financiële vastleggingen waren gecontroleerd en gedetailleerde checklists waren opgesteld, zodat werd gewaarborgd dat de controles consistent en gedocumenteerd waren.

30.

De keuze voor een gecentraliseerd systeem van transactiecontroles achteraf en de vaststelling van de kenmerken ervan vloeien voort uit een inschatting van het nog aanwezige risico en uit de samenhang van deze controles met de andere componenten van het controlesysteem.

In de invoeringsprocedure is vastgelegd dat de controle zelf én alle uitvoerende stappen in een dossier worden beschreven.

Audit als onderdeel van de managementcontrole

31.

Fouten in de naleving van de regelgeving, met niet-subsidiabele uitgaven tot gevolg, komen met name voor op het niveau van het projectbeheer, omdat dit in de meeste gevallen wordt verricht door de overheden van de ACS-staten, waar de beheerscapaciteit gering is. Audits in de vorm van certificering van de rekeningen zijn een essentieel instrument om zulke fouten te ontdekken en systeemgerichte controles zijn van essentieel belang om de projectbeheerders te vertellen hoe ze het financieel beheer kunnen verbeteren en het risico op toekomstige fouten verminderen. Audits kunnen worden ingesteld door de projectbeheerder zelf, door de nationale ordonnateur, de delegatie of het hoofdkantoor; in de eerste twee gevallen worden ze gefinancierd uit het project, in de laatste twee uit de administratieve middelen van het EOF (30). Steeds vaker bepalen de financieringsovereenkomsten met ACS-staten dat de projectbeheerder en de nationale ordonnateur audits kunnen instellen, vooral met het oog op certificering van de rekeningen van het ontwerpprogramma. Bovendien bepalen de nieuwe algemene contractvoorwaarden (31) dat de delegaties en het hoofdkantoor projectmiddelen kunnen gebruiken om audits van projecten van het negende EOF op te zetten.

 

32.

EuropeAid verbeterde in 2004 zijn auditfunctie. De dienst creëerde een complete controlestrategie die door zowel EuropeAid als de delegaties zou worden toegepast op projecten van het negende EOF, stelde risicocriteria vast om de te verrichten controles te selecteren, publiceerde standaardopdrachten voor de controleurs, bracht aan delegaties zes dienstbezoeken ter ondersteuning van de controle, stelde twee activiteitenverslagen op en installeerde CRIS-Audit, een geautomatiseerd systeem voor het ondersteunen en bewaken van de controles. De controles die EuropeAid in 2004 afrondde (32), wezen uit dat 2 % van de uitgaven niet-subsidiabel was. Latere controles op grond van specifieke vermoedens van onregelmatigheid wezen op een hoog percentage niet-subsidiabele uitgaven of ontbrekende documentatie. Deze controles dragen bij tot een beter inzicht in de wettigheid en regelmatigheid in de uitvoering van het EOF.

32.

EuropeAid heeft zijn werkzaamheden op het gebied van rapportage en consolidatie van informatie over audits voortgezet. Ook wordt een centraal beheerd monitoringsysteem opgezet.

33.

Er bestaat echter geen gecentraliseerd overzicht van de reikwijdte en tijdigheid van de door de delegaties en de nationale ordonnateurs verrichte controles. Er is ook geen centraal toezicht op de follow-up van al die controles en het is niet mogelijk op doeltreffende wijze gevallen op te sporen waarin te weinig actie werd ondernomen naar aanleiding van een controle, bijvoorbeeld wanneer controleurs te hoge betalingen ontdekken en er geen invorderingsopdracht volgt. De risicoanalyse die leidt tot controle steunt hoofdzakelijk op kwalitatieve criteria. CRIS-Audit had sommige van deze tekortkomingen kunnen verhelpen, zeker inzake de reikwijdte van de controle en follow-up. Als proeffase was 2003 genoemd, maar CRIS-Audit brengt nog steeds niet alle verwachte resultaten.

33.

Het dekkingspercentage van het auditprogramma 2004, dat op een risicoanalyse berust en centraal wordt beheerd, bedraagt meer dan de 5 % van het bedrag aan betalingen die in de methodiek van EuropeAid wordt aanbevolen. Het auditprogramma 2004 van het hoofdkantoor omvatte 35 audits. De desbetreffende programma's van de delegaties omvatten in totaal 426 audits.

De follow-up van de audits en de eventuele invorderingsopdracht vallen na de deconcentratie onder de verantwoordelijkheid van de delegatie. Wel gaat EuropeAid steekproefsgewijs na of deze audits kwalitatief wel goed genoeg zijn en een follow-up (in de vorm van een eventuele invorderingsopdracht) krijgen.

CRIS-audit bevond zich in 2003 inderdaad in een proeffase, werd in april 2004 operationeel en kwam voor de gebruikers vanaf juni 2004 beschikbaar. De delegaties in de ACS-landen zullen volledig gebruik kunnen maken van de module zodra het EOF-boekhoudsysteem is gemigreerd naar CRIS.

Het afleggen van verantwoording met betrekking tot de interne controle van de delegaties moet beter overeenkomen met de eisen van het financieel reglement

34.

Overeenkomstig het principe van de lijnverantwoordelijkheid heeft de directeur-generaal van EuropeAid de bevoegdheden en verantwoordelijkheid voor de financiële tenuitvoerlegging van het EOF gedelegeerd aan een directeur. In het kader van de deconcentratie heeft deze op zijn beurt de meeste bevoegdheden en verantwoordelijkheid, behalve die waar het gaat om besluiten over de betaling van begrotingssteun, overgedragen aan de hoofden van de delegaties. Volgens hetzelfde principe zijn de hoofden van de delegaties rekenschap verschuldigd aan die directeur, en deze weer aan de directeur-generaal van EuropeAid (zie de artikelen 21, lid 1, en 25 van het financieel reglement). Die verantwoordingsplicht betreft onder meer het doeltreffend functioneren van het internecontrolesysteem, dat is gebaseerd op de internecontrolenormen van de Commissie.

 

35.

De delegaties verrichten een beoordeling van hun eigen interne controle, maar in strijd met het genoemde principe van lijnverantwoordelijkheid zijn de hoofden van de delegaties terzake niet verantwoordingsplichtig jegens de directeur van EuropeAid, maar wel jegens een directeur van het directoraat-generaal Externe betrekkingen, waaraan alle personeelsleden van de delegaties hiërarchisch en administratief verbonden zijn. De reden hiervoor is dat de interne controle van een delegatie niet alleen de beleidsuitgaven (het grootste deel), maar ook de huishoudelijke uitgaven betreft en dat het personeel van de delegaties instructies kan krijgen van andere directoraten-generaal, met name Ontwikkeling en Handel. Aangezien EuropeAid verantwoordelijk is voor de uitvoering van de interne controle binnen de delegaties maar niet belast is met de verslaglegging daarover, zullen tekortkomingen op dit gebied dus wellicht niet genoeg worden aangepakt.

35.

Dankzij de verdeling van verantwoordelijkheden over verschillende directoraten-generaal zorgt de huidige zelfbeoordelingsregeling inzake interne controles voor een uniforme en samenhangende reeks instructies aan de delegaties.

Het directoraat-generaal Externe betrekkingen heeft met steun van de centrale financiële dienst besloten tot invoering van de zelfbeoordelingsmethodiek voor de interne controle van de delegaties. Deze was gebaseerd op de werkzaamheden van een dienstenoverschrijdende groep waarvan ook EuropeAid deel uitmaakte. De resultaten van de zelfbeoordeling worden met het oog op een follow-up toegezonden aan alle betrokken diensten (directoraat-generaal Externe betrekkingen, EuropeAid, directoraat-generaal Ontwikkeling enz.).

De jaarlijkse zelfbeoordeling is niet het enige element waarop de verantwoording berust die het hoofd van de delegatie als gesubdelegeerd ordonnateur moet afleggen aan de bevoegde directeur bij EuropeAid.

Overeenkomstig het charter van gesubdelegeerde ordonnateurs moeten hoofden van delegaties het hoofdkantoor periodiek informeren over de werkzaamheden en de besteding van middelen waarvoor zij gesubdelegeerde bevoegdheden bezitten, en over problemen bij beheers- en controlemechanismen die zij hebben opgezet om zich van hun taak te kwijten.

EuropeAid monitort de interne controle bij de delegaties en is verantwoording schuldig voor de aanpak van mogelijke tekortkomingen bij de verlening van externe hulp.

Het activiteitenverslag van de directeur-generaal van EuropeAid vermeldt significante tekortkomingen van de interne controle niet

36.

Evenals in voorgaande jaren bij het EOF het geval was, heeft de directeur-generaal van EuropeAid verklaard redelijke zekerheid te hebben verkregen over de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen. Ten aanzien van het activiteitenverslag waren echter de belangrijkste tekortkomingen van de interne controle, zoals die welke de audit van de Rekenkamer aan het licht bracht (zie de paragrafen 19 t/m 35), het vermelden waard geweest, evenals die welke de delegaties signaleerden in hun verslagen over het beheer van de externe steun (EAMR). In 2004 waren er 52 van dergelijke verslagen. De delegaties vestigden de aandacht onder meer op de ontoereikende audits en follow-up en op de tekortkomingen in de beheerscapaciteit van de nationale ordonnateurs, in combinatie met een hogere werkdruk voor het delegatiepersoneel. De procedure voor het samenvoegen van deze zaken leidde nochtans niet tot een adequate en volledige vermelding ervan in het activiteitenverslag van de directeur-generaal van EuropeAid, zodat het mogelijk is dat met het effect ervan op de interne controle niet volledig rekening is gehouden in dit activiteitenverslag.

36.

De bevoegde ordonnateursdienst op het hoofdkantoor onderwerpt EAMR's periodiek aan een follow-up. Zo nodig worden corrigerende maatregelen overeengekomen met de delegaties en worden deze ten uitvoer gelegd. Gesubdelegeerde ordonnateurs op het hoofdkantoor (de directeuren) brengen verslag uit over de follow-up van de voornaamste door de delegaties aan de orde gestelde kwesties en wijzen in voorkomend geval op problemen die speciale aandacht van de directeur-generaal van EuropeAid vereisen.

Controle van verrichtingen

37.

De steekproef van 74 betalingen met de bijhorende financiële vastleggingen, geselecteerd uit die waarop controle vooraf (23) en achteraf (51) was verricht (zie de paragrafen 27 en 30), werd door de Rekenkamer ook gebruikt om, uitsluitend aan de hand van stukken, de wettigheid en regelmatigheid te onderzoeken. Een andere niet-mathematische steekproef van 26 betalingen met de bijhorende financiële vastleggingen werd eveneens door de Rekenkamer getrokken uit de verrichtingen in zes ACS-staten in 2004 en ter plaatse op wettigheid en regelmatigheid gecontroleerd tot op het niveau van het uitvoeringsorgaan, teneinde ook het bestaan van de werken, leveringen en diensten te verifiëren.

 

De fouten in de afzonderlijke juridische verbintenissen en betalingen zijn niet van materieel belang

38.

De fouten die werden ontdekt bij de controle van de wettigheid en regelmatigheid van de juridische verbintenissen en betalingen zijn niet van materieel belang qua frequentie en financieel effect. Ze gaan gepaard met een reeks vaker voorkomende fouten bij de toepassing van procedures. Samen bevestigen ze de hierboven beschreven tekortkomingen van de interne controle en geven ze aan waar nog verbetering nodig is.

39.

Met betrekking tot de afzonderlijke financiële vastleggingen werden de volgende soorten fouten aangetroffen: afwijking van de regel van openbare inschrijving zonder behoorlijke goedkeuring vooraf; contracten ondertekend na de in de financieringsovereenkomst bepaalde termijn of niet behoorlijk ondertekend; programmaramingen met onnauwkeurige subsidiabiliteitscriteria.

40.

Met betrekking tot de betalingen kwamen de volgende soorten fouten voor: voorgeschoten bedragen voor het beheer van de programmaramingen werden tijdelijk geïnvesteerd zonder goedkeuring; niet-subsidiabele uitgaven; te late betaling met het risico dat achterstalligheidsrente wordt gevraagd; uitgaven voor subsidies zonder bewijsstukken.

38 t/m 40.

Daar EuropeAid zich ervan bewust is dat de tenuitvoerlegging van het EOF met grote risico's gepaard gaat, onderwerpt het zijn risicoaanpak en financiële circuits periodiek aan een herevaluatie om de kwaliteit en doeltreffendheid van de interne controle te verbeteren. De doeltreffendheid ervan wordt bevestigd door het geringe aantal fouten dat de Rekenkamer heeft geconstateerd.

Verrichtingen voor begrotingssteun

41.

Wat betreft de begrotingssteun laat het juridisch kader van de EOF's heel wat ruimte voor interpretatie en ontheffingen. Daarom wordt bij de controle van de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen door de Rekenkamer nagegaan of de toepasselijke voorwaarden behoorlijk zijn beoordeeld door de Commissie. De eerste beoordelingen bij de goedkeuring van de financiële vastleggingen zijn nog niet voldoende geformaliseerd overeenkomstig de afzonderlijke criteria die zijn opgesomd in artikel 61, lid 2, van de Overeenkomst van Cotonou. Die vormvereisten zijn van essentieel belang, vooral voor de doorzichtigheid, betrouwbaarheid en doeltreffendheid, want anders kan nadien niet worden nagegaan of het beheer is verbeterd, hetgeen een voorwaarde vormt voor verdere bijstand.

41.

De voorwaarden die de Commissie hanteert, berusten voor een deel op objectief verifieerbare en meetbare indicatoren. Dit beperkt de discretionaire ruimte.

Er zal worden getracht de subsidiabiliteit van het begunstigde land in de zin van artikel 61, lid 2, van de Overeenkomst van Cotonou in de financieringsovereenkomsten te verduidelijken. Momenteel bevatten alle financieringsvoorstellen een bijlage over de voornaamste punten bij het beheer van de overheidsfinanciën en de ter zake nog op te lossen problemen. Feitelijk is dan ook rekening gehouden met de criteria in dit artikel, maar het is juist dat een en ander kan worden geëxpliciteerd.

Ontwikkelingen in de werking van de toezicht- en controlesystemen

42.

Alle bovenstaande opmerkingen dienen te worden opgenomen in een tabel met indicatoren die het mogelijk moeten maken de ontwikkeling van de werking van de toezicht- en controlesystemen te beoordelen (zie tabel 3 ).

42.

De Commissie wil graag de volgende opmerkingen maken:

punt 1.2 van tabel 3: overeenkomstig het financieel reglement heeft de Commissie de nog in te vorderen voorschotten aan een analyse onderworpen en systematisch gemonitord. Na invoering van de boekhouding op basis van periodetoerekening zal zij de voorzieningen voor dubieuze debiteuren berekenen.

Tabel 3 — DAS 2004 voor de EOF's: Uit de controlewerkzaamheden voortvloeiende indicatoren

1

EVOLUTIE BETREFFENDE DE VOORNAAMSTE OPMERKINGEN

 

2002

2003

2004

Opmerkingen

Te nemen maatregelen

Opmerkingen

Te nemen maatregelen

Opmerkingen

Te nemen maatregelen

1.1

Uitvoering van de begrotingssteun

Bij gebrek aan informatie over de kwaliteit van het financieel beheer van de overheidsinstanties in de ACS-staten kan de Rekenkamer geen oordeel geven over het gebruik van de begrotingssteun

Betere informatie over het financieel beheer van de overheidsinstanties in de ACS-staten

De Commissie heeft meer informatie verschaft over haar follow-up van het beheer van de overheidsfinanciën in de ACS-staten, met name in haar verslag over het financieel beheer in het begrotingsjaar 2003

De communicatie over dit belangrijke onderwerp blijven verbeteren

Middelen worden nu door de Commissie uitbetaald op basis van onderzoek naar de realisatie van de voorwaarden (deels volgens prestatie-indicatoren)

Geen verdere maatregelen vereist

1.2

Vereffening van voorschotten en diverse invorderingen en voorziening voor dubieuze vorderingen

Voorschotten en terug te vorderen bedragen blijken niet op betrouwbare wijze uit de rekeningen

Op te vullen leemte

De vereffening van voorschotten van meer dan 18 maanden (400 miljoen euro) en de terugvordering van uitstaande bedragen (27,5 miljoen euro) zijn zeer slecht geregeld

Verbeteren van de procedures voor vaststelling, registratie en follow-up van te vereffenen voorschotten en terug te vorderen bedragen

De vereffening van voorschotten van meer dan 18 maanden en de terugvordering van uitstaande bedragen zijn slecht geregeld. De voorziening voor dubieuze vorderingen weerspiegelt niet het niveau van de oninbare vorderingen

Verbetering van het toezicht op nog niet vereffende voorschotten. Berekening en aanpassing van de voorziening voor dubieuze vorderingen

1.3

Inventarisatie en gebruik van de Stabex-middelen

Geen informatie in de rekeningen over het gebruik van de Stabex-middelen

Op te vullen leemte, want de Commissie is medeverantwoordelijk voor het gebruik van deze middelen

De Commissie kan het gebruik van de Stabex-middelen niet verifiëren (artikel 212 van Lomé IV) en voor bankovermakingen ontbreken toereikende autorisaties

Alle verslagen over het gebruik van Stabex-middelen verkrijgen van de nationale ordonnateurs en de interne controle van de bankovermakingen verbeteren

De inventarisatie van de Stabex-middelen is voltooid maar de informatie over de beschikbare bedragen op de bankrekeningen is niet betrouwbaar (832 miljoen euro). De informatie over het gebruik van de Stabex-middelen is ontoereikend

Verder onderzoek om betrouwbaardere cijfers te verkrijgen voor de banktegoeden. Verslagen over de besteding van de middelen opvragen

1.4

Risicobeheer

niet beoordeeld

niet beoordeeld

niet beoordeeld

niet beoordeeld

Het risicobeheer door de centrale diensten is te algemeen om het bestaande risico te kunnen bepalen, vooral in de ACS-landen

Verbetering van het risicobeheer zodat specifieke risico's worden ontdekt

1.5

Controle achteraf

niet beoordeeld

niet beoordeeld

niet beoordeeld

niet beoordeeld

Het aantal gecontroleerde verrichtingen bleef beperkt door het gebrek aan personeel. De controles zijn wel doeltreffend genoeg, maar niet behoorlijk gedocumenteerd

Betere documentatie van controles

1.6

Audit als onderdeel van managementcontrole

niet beoordeeld

niet beoordeeld

niet beoordeeld

niet beoordeeld

Er is geen centraal overzicht van de reikwijdte van de controles en geen centraal toezicht op de follow-up van de controles

Verbeter de functionaliteit van CRIS-Audit, het geautomatiseerde systeem ter ondersteuning en bewaking van controles

2

TOEZICHT- EN CONTROLSYSTEMEN

 

2002

2003

2004

ONDERZOEK VAN FINANCIËLE CONTROLES

 

Frequentie (a)

Frequentie (a)

Frequentie (a)

2.1

Uit de taakomschrijving blijkt niet duidelijk welke uitgaven niet subsidiabel zijn

vaak

incidenteel

incidenteel

2.2

Het controleverslag bevat geen duidelijke cijfers over de gecontroleerde uitgaven en het bedrag van subsidiabele en niet-subsidiabele uitgaven

vaak

incidenteel

incidenteel

2.3

Onvoldoende actie tot terugvordering van door externe controleurs ontdekte niet-subsidiabele uitgaven

vaak

vaak

incidenteel

INTERNE-CONTROLESYSTEMEN IN BRUSSEL

 

Waardering van toezicht- en controlesystemen (b)

Waardering van toezicht- en controlesystemen (b)

Waardering van toezicht- en controlesystemen (b)

2.4

Werkelijk niveau van de uitvoering van een selectie van interne-controlenormen die van belang zijn voor de onderliggende verrichtingen

B

B/A

B/A

 

INTERNE-CONTROLESYSTEMEN IN DEACS-LANDEN (DELEGATIES EN NATIONALE AUTORITEITEN)

 (33)

 (34)

 (35)

2.5

Algemene beoordeling van aanbestedingen

B

B/A

B/A

2.6

Algemene beoordeling van betalingen

B

B/A

B/A

2.7

Algemene beoordeling van controles

B

B

B

2.8

Algemene beoordeling van invorderingen

C

C

C/B

2.9

Algemene beoordeling van de boekhouding

B

B/A

B/A

2.10

Algemene beoordeling voor de bezochte landen

B

B

B

(a) Frequentie (gevallen)

zelden

incidenteel

vaak

(b) Waardering van de toezicht- en controlesystemen

A. Werkt goed. Weinig of geringe verbeteringen nodig

B. Werkt, maar verbeteringen noodzakelijk

C. Werkt niet als bedoeld

Bron: Rekenkamer.

 

punt 1.6 van tabel 3: het dekkingspercentage van het auditprogramma 2004 dat op een risicoanalyse berust en centraal wordt beheerd, bedraagt meer dan de 5 % van het bedrag aan betalingen die in de methodiek van EuropeAid wordt aanbevolen. Het auditprogramma 2004 van het hoofdkantoor omvatte 35 audits. De desbetreffende programma's van de delegaties omvatten in totaal 426 audits.

HOOFDSTUK III — FOLLOW-UP VAN EERDERE OPMERKINGEN

Uit het EOF gefinancierde infrastructuurwerken

43.

In Speciaal verslag nr. 8/2003 (36) over de uitvoering van door het EOF gefinancierde infrastructuurwerken wees de Rekenkamer op de noodzaak het toezicht op de uitvoering van de overeenkomsten voor werken te verbeteren en met name de geconstateerde afwijkingen tussen die overeenkomsten en de feitelijke uitvoering te verkleinen. Met dat doel gaf zij de Commissie in overweging:

a)

de verantwoordelijkheid van de adviesbureaus die de studies uitvoeren waarop de overeenkomsten zijn gebaseerd, beter te onderbouwen en te versterken;

b)

meer belang te hechten aan wijzigingen tijdens de uitvoering van de werken, en problemen en klachten in verband met de uitvoering sneller aan te pakken;

c)

haar centrale diensten te reorganiseren zodat in het kader van de deconcentratie meer steun wordt geboden aan de delegaties;

d)

meer aandacht te besteden aan begeleidende maatregelen die een effect hebben op de rentabiliteit en duurzaamheid van de werken, en de algemene voorwaarden inzake de uitvoering van de overeenkomsten voor werken opnieuw onder de loep te nemen (37).

 

Het standpunt van de kwijtingverlenende autoriteit

44.

Het Europees Parlement nam nota van de aanbevelingen van de Rekenkamer, en de Raad (38) uitte zijn tevredenheid over het feit dat de Commissie reeds was begonnen daaraan gevolg te geven. Het deed de specifieke aanbeveling, de steun aan de ACS-staten te verhogen (vooral om de gevormde infrastructuur in stand te houden) en de controle op de voorbereidende studies te verbeteren wat betreft de financiële aansprakelijkheid van de adviesbureaus, strenger toezicht en specifiekere opdrachtomschrijvingen.

 

Follow-up door de Commissie

45.

Uit het door de Commissie uitgebrachte verslag van het financieel beheer over het begrotingsjaar 2003 betreffende het zesde, zevende, achtste en negende Europese Ontwikkelingsfonds en uit een beperkt onderzoek op dit gebied door de Rekenkamer blijkt dat de Commissie voornemens was gevolg te geven aan de voornaamste aanbevelingen van de Rekenkamer.

 

46.

De Commissie geeft de adviesbureaus nu meer verantwoordelijkheid door eenzelfde bureau de werkzaamheden te laten plannen en bewaken. Ze besloot ook alle studies af te ronden voordat de financieringsvoorstellen aan het EOF-comité worden voorgelegd. Sommige delegaties waren echter terughoudend met het volgen van deze nieuwe aanpak, omdat deze de boekhoudkundige vastlegging van de verrichtingen vertraagt. Toch besloten de centrale diensten de delegaties tot naleving van deze regel te verplichten door verschillende financieringsbesluiten uit te stellen voor projecten waarvoor de studies nog niet waren voltooid. Hierdoor daalde het bedrag van de vastleggingen.

47.

Het is nog te vroeg om te kunnen nagaan of de aanbeveling tot een snelle aanpak van geschillen is gevolgd: het geautomatiseerde beheerssysteem CRIS bevat geen informatie en de centrale diensten hebben op dit terrein geen toezicht uitgeoefend.

48.

De reorganisatie van de diverse afdelingen van EuropeAid kreeg vorm in de op 16 maart 2005 ingevoerde nieuwe regelingen. Een dienst Infrastructuur is als eerste verantwoordelijk voor het verlenen van advies en ondersteuning aan de delegaties. Deze reorganisatie is een nuttige aanvulling van de ten einde lopende decentralisatie en samen met de geboden opleiding moet deze het uitvoeren van aanbevelingen van de Rekenkamer vergemakkelijken.

49.

Wat betreft de door de Raad overgenomen aanbeveling van de Rekenkamer inzake begeleidende maatregelen (onderhoud, controle van asdruk, verkeersveiligheid en milieu) is het zo dat de Commissie geen nieuwe regels heeft ingevoerd omdat ze vond dat de maatregelen reeds waren genomen. Hoewel de middelen van de wegenfondsen (speciale fondsen voor het onderhoud van wegen) niet altijd toereikend waren, werden ze meestal wel ter beschikking gesteld; het is een proces dat door de Commissie wordt gecontroleerd, met name in het kader van de begrotingssteun. Deze fondsen krijgen echter te maken met ernstige organisatorische problemen, bijvoorbeeld waar ze meer dienen om de infrastructuur te financieren dan om deze te onderhouden.

46 t/m 49.

Na het speciaal verslag van de Rekenkamer van juli 2003 over de infrastructuurwerken heeft de Commissie de delegaties in februari 2004 verzocht vier maatregelen te treffen om herhaling van de door de Rekenkamer beschreven problemen te voorkomen: 1) studies afronden vóór indiening van het financieringsvoorstel bij het EOF-comité; 2) één consultant aanhouden voor de organisatie en controle van werkzaamheden; 3) indien nodig, een beroep doen op de opschortingsclausule; 4) klachten van ondernemingen één voor één afhandelen.

50.

De laatste aanbeveling van de Rekenkamer strekte tot herziening van de voorschriften, waardoor het met name mogelijk zou worden, in de oproepen tot inschrijving voor werken een opschortingsclausule op te nemen voordat de financieringsvoorstellen aan het EOF-comité worden voorgelegd. Feit is dat de bestaande voorschriften (39) toepassing van een opschortingsclausule beperken tot uitzonderlijke en naar behoren gemotiveerde gevallen. De in 2002 begonnen herziening was eind 2004 nog steeds niet voltooid.

50.

De herziene Overeenkomst van Cotonou van juni 2005 bevat een nieuw artikel, artikel 19b, dat in de richting gaat die de Rekenkamer heeft aanbevolen (aanbestedingsprocedure met opschortingsclausule).

Conclusie

51.

Aanvankelijk had de Commissie wel vastgesteld welke maatregelen vooral nodig waren om de aanbevelingen van de Rekenkamer uit te voeren. Zij moet er onverwijld voor zorgen dat alle maatregelen waartoe is besloten werkelijk worden toegepast en een meer concrete invulling geven aan de aanbeveling van de Raad dat de begunstigde landen institutionele steun moeten krijgen om hun administratieve en technische capaciteit te consolideren.

51.

De Commissie kan zich geheel vinden in deze aanbeveling en neemt de hierboven beschreven maatregelen of heeft deze al genomen. Bij de opzet van een project wordt systematisch nagegaan of rekening moet worden gehouden met maatregelen voor institutionele ondersteuning. Als daarvoor goede redenen bestaan, hetgeen heel vaak het geval is, worden deze systematisch meegenomen in het project.

HOOFDSTUK IV — VOORNAAMSTE OPMERKINGEN IN DE SPECIALE VERSLAGEN DIE DE REKENKAMER SINDS DE LAATSTE KWIJTINGSPROCEDURE HEEFT UITGEBRACHT

Speciaal verslag nr. 10/2004 over de deconcentratie van het externe-steunbeheer van de EG ten gunste van de delegaties van de Commissie

52.

Dit speciaal verslag wordt samengevat in hoofdstuk 7 van het jaarverslag van de Rekenkamer over de activiteiten in het kader van de algemene begroting.

 

Speciaal verslag nr. 2/2005 over de begrotingssteun uit het EOF aan de ACS-staten: het beheer door de Commissie van het onderdeel: „hervorming van de overheidsfinanciën”

53.

De Commissie verleent begrotingssteun aan bepaalde ACS-staten, mits er hervormingen worden doorgevoerd om hun financiële beheerssystemen te verbeteren. De Commissie heeft instrumenten ontworpen om een eerste diagnose te verkrijgen van de kwaliteit van het beheer van de overheidsfinanciën en de voorgestelde hervormingen, maar ook om de wijzigingen in het beheer en de voortgang van deze hervormingen te kunnen evalueren.

 

54.

Deze instrumenten voor analyse en follow-up, die de Commissie in coördinatie met de andere donoren — met name de Wereldbank en het IMF — hanteert, leveren haar tamelijk volledige informatie op, waardoor zij passende maatregelen kan treffen. Maar de instrumenten zorgen niet genoeg voor meer overtuigende diagnoses en follow-uprapporten; bovendien wordt de toepassing ter plaatse te weinig gecoördineerd met de andere donoren.

54.

 

1)

De Commissie heeft toegezegd rekening te houden met de aanbevelingen van de Rekenkamer inzake het onderdeel overheidsfinanciën in de financieringsvoorstellen, en van de halfjaarlijkse verslagen van de delegaties meer dynamische analyse-instrumenten te maken.

2)

Coördinatie met de andere donoren, op centraal én lokaal niveau, is een punt dat permanent de aandacht heeft van de Commissie. Op initiatief van de Commissie is een groot aantal gezamenlijke kaders opgezet waarbinnen de donoren van begrotingssteun ter plaatse nauw samenwerken.

55.

De Rekenkamer beveelt de Commissie aan haar methodologische gids voor de begrotingssteun bij te werken en aan te vullen, ook wat betreft de follow-uprapporten; duidelijker aan te tonen dat de begunstigde landen voor de steun in aanmerking komen; voor overheidsfinanciën prestatie-indicatoren met een sterker stimulerend effect te hanteren; het nieuwe instrument voor de evaluatie van de kwaliteit van het beheer van de overheidsfinanciën te voltooien en alles in het werk te stellen om het bij de diverse donoren ingang te doen vinden; de lokale samenwerking tussen donoren te versterken, en haar betrekkingen met de parlementen en de hoge controle-instanties van de begunstigde landen te versterken.

55.

 

1)

De gids wordt momenteel grondig herzien en geactualiseerd. Dit geldt met name voor de halfjaarlijkse verslagen en de analyse van de overheidsfinanciën in de financieringsvoorstellen (zie antwoord onder paragraaf 41). Dit laatste omvat ook de subsidiabiliteitscriteria.

2)

De Commissie hecht groot belang aan het stimulerend effect van de gekozen voorwaarden en indicatoren voor de overheidsfinanciën en andere sectoren.

3)

Eind juni 2005 is de laatste hand gelegd aan het PEFA-analysekader (Public expenditure financial accountability). De Commissie zal alles in het werk stellen om ervoor te zorgen dat dit kader in een breder verband toepassing vindt en in de plaats treedt van andere diagnosehulpmiddelen.

4)

Geïntensiveerde lokale coördinatie: zie het antwoord onder het vorige punt.

5)

De Commissie is zich bewust van de belangrijke rol die de parlementen en hoge controle-instanties spelen. Er moet nagegaan worden of de Commissie deze instellingen kan benaderen. Daarbij moet wel behoedzaam te werk worden gegaan en rekening worden gehouden met de soevereiniteit van de landen, met de nationale regelgeving waarin een evenwichtige verdeling van bevoegdheden tussen de instellingen is vastgelegd, en met de Overeenkomst van Cotonou.


(1)  De Overeenkomst van Yaoundé I dateert uit 1964. Het recentste akkoord (Cotonou) dateert van 23 juni 2000 en werd herzien te Luxemburg op 25 juni 2005.

(2)  Artikelen 96, 103 en 112 van het Financieel Reglement van 27 maart 2003 van toepassing op het negende EOF (PB L 83 van 1.4.2003, blz. 1); de Rekenkamer heeft in haar Advies nr. 12/2002 over het voorstel voor deze verordening (PB C 12 van 17.1.2003) gewezen op het feit dat deze artikelen de reikwijdte van de kwijting van het Europees Parlement beperken.

(3)  Zo bedraagt de oorspronkelijke toewijzing in het kader van het negende EOF 13 800 miljoen euro; voor 2 200 miljoen euro hiervan is de EIB verantwoordelijk.

(4)  Toch behoudt de Rekenkamer de algehele verantwoordelijkheid voor de EOF-controle. Door de EIB beheerde verrichtingen controleert zij overeenkomstig de Tripartiete Overeenkomst tussen de EIB, de Commissie en de Rekenkamer (artikel 112 van voornoemd reglement).

(5)  De programmeerbare steun wordt vastgelegd in het kader van nationale en regionale indicatieve programma's (NIP's en RIP's) en van binnen de ACS-staten gefinancierde projecten en programma's.

(6)  In het kader van het zesde, zevende en achtste EOF blijft de EIB deze verrichtingen onder verantwoordelijkheid van de Commissie uitvoeren.

(7)  Voor bedragen kleiner dan 8 miljoen euro is in principe geen positief advies van het Comité vereist.

(8)  De functie van nationaal ordonnateur wordt in de regel uitgeoefend door de minister van Financiën van de ACS-staat.

(9)  Dit hoofdstuk omvat de resultaten van een korte beoordeling door de Rekenkamer van het verslag over het financieel beheer over het begrotingsjaar 2004.

(10)  Oorspronkelijke toewijzing voor het 6e, 7e, 8e en 9e EOF, rente, diverse middelen, overdrachten van eerdere EOF's.

(11)  Als percentage van de middelen.

(12)  Terwille van de consistentie met de financiële staten en het door de Commissie uitgebrachte overzicht van de financiële uitvoering werden de verrichtingen buiten beschouwing gelaten die de EIB nu autonoom beheert (eind 2003: toewijzing ad 2 245 miljoen euro, financiële vastleggingen ad 366 miljoen euro, afzonderlijke juridische verbintenissen ad 140 miljoen euro en betalingen ad 4 miljoen euro).

Bron: Rekenkamer, op basis van de EOF-jaarrekening per 31 december 2004.

(13)  Terwille van de consistentie met de financiële staten en het door de Commissie uitgebrachte overzicht van de financiële uitvoering werden de verrichtingen buiten beschouwing gelaten die de EIB nu autonoom beheert (eind 2003: financiële vastleggingen ad 366 miljoen euro, afzonderlijke juridische verbintenissen ad 140 miljoen euro en betalingen ad 4 miljoen euro).

Bron: Rekenkamer.

(14)  Antwoord van de Commissie op het verslag betreffende de Europese Ontwikkelingsfondsen in het Jaarverslag over het begrotingsjaar 2003.

(15)  International Public Sector Accounting Standards, de internationale normen voor overheidsboekhouding.

(16)  Overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 96, lid 1, 100, 101 en 125, lid 2, van het financieel reglement van toepassing op het negende EOF; concreet betreft het enerzijds door de rekenplichtige opgestelde balansen en bijbehorende staten en anderzijds beheersrekeningen met tabellen opgesteld door de hoofdordonnateur en de rekenplichtige samen. Deze staten worden voor elk van de vier EOF's in algemene, geconsolideerde vorm ingediend. De onderhavige verklaring heeft geen betrekking op de door de EIB verschafte financiële staten en gegevens (zie voetnoot 13).

(17)  Overeenkomstig artikel 103, lid 3, van voornoemd financieel reglement; in samenhang met artikel 1 van ditzelfde reglement houdt dit in dat de verklaring geen betrekking heeft op het deel van de middelen van het negende EOF, dat wordt beheerd door en onder de verantwoordelijkheid valt van de EIB.

(18)  De Commissie onderzocht de niet afgewikkelde voorschotten tijdens controlebezoeken in vier landen en gaf naar aanleiding daarvan in totaal 115 invorderingsopdrachten ten belope van 10 miljoen euro.

(19)  Voorschotten voor projecten, waarvan het gebruik normaal gesproken uiterlijk 18 maanden na het ingaan van het project of het contract door de begunstigden had moeten zijn verantwoord. Eind 2003 was het te onderzoeken bedrag 400 miljoen euro.

(20)  Evenals in 2003 maakte de directeur-generaal Begroting in zijn verklaring een voorbehoud ten aanzien van het EOF 2004 in verband met de onjuiste weergave van de activa en passiva alsmede met de financiële positie van het EOF (zie ook paragraaf 1.9 van hoofdstuk 1, onderdeel Algemene begroting).

(21)  Met inbegrip van 2,6 miljoen euro voor invorderingsopdrachten ouder dan twee jaar, waar de Commissie duidelijk moeite heeft om 1,5 miljoen euro in te vorderen.

(22)  Jaarrekening 2004, Overzicht van de financiële uitvoering (versie 22 augustus 2005), tabel 4.2.5.

(23)  Deze zijn verantwoordelijk voor zes landen: Burkina Faso, Guinea, Nigeria, Guyana, Trinidad en Tobago, Suriname.

(24)  DG Externe betrekkingen is verantwoordelijk voor de personele en materiële middelen van de delegaties, DG Ontwikkeling voor de programmering van de bijstand (het bepalen van het onder de ACS-staten te verdelen bedrag), EuropeAid en ECHO (humanitaire hulp) voor de tenuitvoerlegging van de bijstand, en DG Begroting is de boekhouder en betaalmeester van het EOF.

(25)  Een delegatie is verzelfstandigd wanneer EuropeAid hieraan de bevoegdheid heeft overgedragen om afzonderlijke financiële vastleggingen en betalingen te verrichten. Dat gebeurde voor acht delegaties in 2002, voor zeven in 2003, 24 in 2004 en vijf in 2005.

(26)  In verscheidene landen doen zich moeilijkheden voor bij de dialoog en samenwerking met de plaatselijke autoriteiten, ten dele wegens hun geringe capaciteit.

(27)  Een resterend risico is het risico dat de beheersdoelstellingen niet worden gerealiseerd nadat controle is verricht. Het management beoordeelt of het risiconiveau aanvaardbaar is, rekening houdend met het potentiële financiële effect van het risico en de kosten die noodzakelijk zijn om het risico nog te verlagen (internecontrolenorm nr. 11).

(28)  Deze standaardverificaties omvatten ook het initiëren en verifiëren van verrichtingen in verband met operationele en financiële aspecten (artikel 24, lid 1, van het financieel reglement van 27 maart 2003, van toepassing op het negende EOF).

(29)  De vereffening van voorschotten is de procedure waarbij de vooruitbetaling van een bedrag aan de projectbeheerders wordt vereffend en definitief gemaakt op basis van bewijsstukken voor de werkelijke uitgaven.

(30)  Middelen ter dekking van het beheer van het EOF door de Commissie (Intern Akkoord, artikel 1, 2, sub a, iii (PB L 317 van 15.12.2000, blz. 355)).

(31)  Besluit nr. 2/2002 van de ACS-EG-Raad van ministers, punt 9 van de bijlage: „Opdrachten voor audit […] worden altijd door de Commissie gesloten, die optreedt namens en voor rekening van de betrokken ACS-staat […]” (PB L 320 van 23.11.2002, blz. 1).

(32)  Tegen juni 2005 waren 33 controles afgerond van de 35 die waren opgenomen in het controleplan voor 2004.

(33)  Oeganda, Malawi, Ghana, Zimbabwe, Madagaskar en Zambia.

(34)  Kenia, Papoea-Nieuw-Guinea, Salomonseilanden, Senegal, Mali en Mauritanië.

(35)  Burkina Faso, Guinea, Nigeria, Guyana, Trinidad en Tobago, Suriname.

Bron: Rekenkamer.

(36)  PB C 181 van 31.7.2003.

(37)  Besluit 3/90 van de ACS-EEG-Raad van Ministers van 29 maart 1990 tot vaststelling van de algemene voorschriften, algemene voorwaarden en de bemiddelings- en arbitrageprocedures inzake uit het EOF gefinancierde overeenkomsten voor werkzaamheden, leveringen en diensten, en betreffende de toepassing daarvan.

(38)  Document nr. 14530/03 van de Raad, vastgesteld op 17 november 2003 (notulen nr. 14882/03 van 10.2.2004).

(39)  Artikel 5 van Besluit nr. 2/2002 van de ACS-EG-Raad van Ministers van 7 oktober 2002 betreffende de tenuitvoerlegging van de artikelen 28, 29 en 30 van bijlage IV van de Overeenkomst van Cotonou.


Image


BIJLAGEN BIJ HET JAARVERSLAG OVER DE UITVOERING VAN DE BEGROTING

BIJLAGE I

Financiële gegevens

INHOUD

OPMERKINGEN VOORAF

Bronnen van de financiële gegevens

Munteenheid

Gebruikte afkortingen en tekens

BASISGEGEVENS BETREFFENDE DE BEGROTING

1.

Ontstaan van de begroting

2.

Rechtsgrondslag

3.

Begrotingsbeginselen, neergelegd in de Verdragen en het Financieel Reglement

4.

Inhoud en structuur van de begroting

5.

Financiering van de begroting (begrotingsontvangsten)

6.

De verschillende soorten begrotingskredieten

7.   Uitvoering van de begroting

7.1.

Verantwoordelijkheid voor de uitvoering

7.2.

Ontvangsten

7.3.

Uitgaven

7.4.

Geconsolideerde staten over de begrotingsuitvoering en vaststelling van het saldo van het begrotingsjaar

8.

Indiening van de rekeningen

9.

Externe controle

10.

Kwijting en te nemen maatregelen

GRAFIEKEN

OPMERKINGEN VOORAF

BRONNEN VAN DE FINANCIËLE GEGEVENS

De in deze bijlage opgenomen financiële gegevens zijn ontleend aan de jaarrekeningen van de Europese Gemeenschappen (1), alsmede aan verschillende andere door de Commissie verstrekte financiële staten. De geografische verdeling vond plaats aan de hand van de landencodes van het boekhoudinformatiesysteem van de Commissie (Sincom2). Zoals de Commissie beklemtoont zijn alle per lidstaat verdeelde gegevens, ongeacht of het om ontvangsten of uitgaven gaat, het resultaat van rekenkundige bewerkingen die een onvolledig beeld geven van het profijt dat elke lidstaat van de Unie trekt. Zij moeten dus voorzichtig worden geïnterpreteerd.

MUNTEENHEID

Alle financiële gegevens zijn in miljoenen euro's weergegeven. De totalen zijn afgerond op basis van elke exacte waarde en hoeven dus niet per se overeen te komen met de som van de afgeronde cijfers.

GEBRUIKTE AFKORTINGEN EN TEKENS

Afd.

Afdeling van de begroting

AT

Oostenrijk

BE

België

BK

Betalingskredieten

BNI

Bruto nationaal inkomen

BTW

Belasting over de toegevoegde waarde

CY

Cyprus

CZ

Tsjechische Republiek

DE

Duitsland

DK

Denemarken

EE

Estland

EEG

Europese Economische Gemeenschap

EG

Europese Gemeenschap(pen)

EGA of Euratom

Europese Gemeenschap voor Atoomenergie

EL

Griekenland

ES

Spanje

EU

Europese Unie

EU-25

Alle 25 lidstaten van de Europese Unie tezamen

EVA

Europese Vrijhandelsassociatie

FI

Finland

FR

Frankrijk

F.R.

Financieel Reglement van 25 juni 2002

G

Grafiek waarnaar wordt verwezen in een andere grafiek (bijv.: G III)

GK

Gesplitste kredieten

HU

Hongarije

IE

Ierland

IT

Italië

KVB

Kredieten voor betalingen

KVV

Kredieten voor vastleggingen

LT

Litouwen

LV

Letland

LU

Luxemburg

MT

Malta

NGK

Niet-gesplitste kredieten

NL

Nederland

PB

Publicatieblad van de Europese Unie

PL

Polen

PT

Portugal

SE

Zweden

SI

Slovenië

SK

Slowakije

T.

Titel van de begroting

UK

Verenigd Koninkrijk

VK

Vastleggingskredieten

0,0

Tussen nul en 0,05

Geen gegevens voorhanden

%

Percentage

BASISGEGEVENS BETREFFENDE DE BEGROTING

1.   ONTSTAAN VAN DE BEGROTING

De begroting omvat de uitgaven van de Europese Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom). Tevens omvat zij de administratieve uitgaven van de samenwerking op het gebied van „justitie en binnenlandse zaken” en van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, alsmede elke andere uitgave die de Raad ten laste van de begroting meent te moeten brengen om de uitvoering van deze beleidsvormen mogelijk te maken.

2.   RECHTSGRONDSLAG

Voor de begroting gelden de financiële bepalingen van de Verdragen van Rome (2)  (3) (artikelen 268-280 EG en artikelen 171-183 Euratom), en de financiële reglementen (4).

3.   BEGROTINGSBEGINSELEN, NEERGELEGD IN DE VERDRAGEN EN HET FINANCIEEL REGLEMENT

Alle ontvangsten en alle uitgaven van de Gemeenschap dienen in één begroting te worden opgenomen (eenheid en waarachtigheid). De begroting wordt vastgesteld voor één begrotingsjaar (jaarperiodiciteit). De ontvangsten en uitgaven moeten in evenwicht zijn (begrotingsevenwicht). De opstelling, uitvoering en rekening en verantwoording van de begroting geschieden in euro (rekeneenheid). De ontvangsten moeten zonder onderscheid dienen voor de financiering van alle uitgaven, en moeten evenals de uitgaven voor het volle bedrag in de begroting en in de jaarrekening worden opgenomen; ontvangsten en uitgaven mogen niet met elkaar worden gecompenseerd (universaliteit). De kredieten worden gespecificeerd per titel en hoofdstuk; de hoofdstukken worden onderverdeeld in artikelen en posten (specialiteit). De begrotingskredieten worden aangewend volgens het beginsel van goed financieel beheer, dat zuinigheid, efficiëntie en doeltreffendheid inhoudt (goed financieel beheer). De begroting wordt opgesteld, uitgevoerd en aan rekening en verantwoording onderworpen met inachtneming van het transparantiebeginsel (transparantie). Op deze algemene beginselen bestaan enkele uitzonderingen.

4.   INHOUD EN STRUCTUUR VAN DE BEGROTING

De begroting omvat een „samenvattende staat van de ontvangsten en de uitgaven” en afdelingen, verdeeld in „staten van ontvangsten en uitgaven” van elke instelling. De acht afdelingen zijn: afdeling I — Parlement; afdeling II — Raad; afdeling III — Commissie; afdeling IV — Hof van Justitie; afdeling V — Rekenkamer; afdeling VI — Economisch en Sociaal Comité; afdeling VII — Comité van de Regio's; afdeling VIII — Europese Ombudsman en Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming.

Binnen elke afdeling worden de ontvangsten en uitgaven naar hun aard of bestemming ondergebracht in begrotingsonderdelen (titels, hoofdstukken, artikelen en eventueel posten).

5.   FINANCIERING VAN DE BEGROTING (BEGROTINGSONTVANGSTEN)

De begroting wordt voornamelijk gefinancierd door de eigen middelen van de Gemeenschappen: landbouwrechten, suiker- en isoglucoseheffingen, douanerechten, eigen middelen afkomstig uit de BTW en op basis van het BNI (5).

Naast de eigen middelen bestaan er nog andere ontvangsten, die van geringe betekenis zijn (zie grafiek I).

6.   DE VERSCHILLENDE SOORTEN BEGROTINGSKREDIETEN

Ter dekking van de voorziene uitgaven onderscheidt de begroting de volgende soorten begrotingskredieten:

a)

gesplitste kredieten (GK), die zijn bestemd ter financiering van meerjarige activiteiten op bepaalde begrotingsterreinen. Zij omvatten vastleggingskredieten (VK) en betalingskredieten (BK):

met de vastleggingskredieten kunnen tijdens het begrotingsjaar juridische verplichtingen worden aangegaan voor werkzaamheden waarvan de uitvoering zich uitstrekt over meer dan één begrotingsjaar;

met de betalingskredieten kunnen uitgaven worden gefinancierd die voortvloeien uit verplichtingen die zijn aangegaan in het lopende en vorige begrotingsjaren;

b)

niet-gesplitste kredieten (NGK), waarmee verplichtingen kunnen worden aangegaan en betalingen verricht voor uitgaven betreffende jaarlijkse activiteiten tijdens elk begrotingsjaar.

Het is dan ook van belang om voor eenzelfde begrotingsjaar de volgende twee totalen vast te stellen:

a)

het totaal van de kredieten voor vastleggingen (KVV) (6) = niet-gesplitste kredieten (NGK) + vastleggingskredieten (VK) (6);

b)

het totaal van de kredieten voor betalingen (KVB) (6) = niet-gesplitste kredieten (NGK) + betalingskredieten (BK) (6).

De begrotingsontvangsten dienen ter dekking van de kredieten voor betalingen. De vastleggingskredieten behoeven niet door ontvangsten te worden gedekt.

Uit onderstaand vereenvoudigd schema (met fictieve bedragen) blijkt in welke mate deze verschillende soorten kredieten van invloed zijn voor ieder begrotingsjaar.

Image

7.   UITVOERING VAN DE BEGROTING

7.1.   Verantwoordelijkheid voor de uitvoering

De Commissie voert de begroting onder haar eigen verantwoordelijkheid uit, overeenkomstig het Financieel Reglement en binnen de grenzen van de toegewezen begrotingskredieten. Zij verleent de andere instellingen de nodige bevoegdheden voor de uitvoering van de begrotingsafdelingen die op hen betrekking hebben (7). Het Financieel Reglement omschrijft nauwkeurig de uitvoeringsprocedures en met name de verantwoordelijkheid van de ordonnateurs, de rekenplichtigen, de beheerders van voorschotkassen en de interne auditors van de instellingen. Op de twee belangrijkste specifieke terreinen (EOGFL-Garantie en Structuurfondsen) wordt het beheer over de middelen van de Gemeenschap met de lidstaten gedeeld.

7.2.   Ontvangsten

De geraamde ontvangsten worden in de begroting opgenomen onder voorbehoud van eventuele wijzigingen via gewijzigde begrotingen.

De begrotingsuitvoering van de ontvangsten bestaat in de vaststelling van de rechten en de inning van de aan de Gemeenschappen verschuldigde bedragen (eigen middelen en andere ontvangsten). Voor deze uitvoering gelden speciale bepalingen (8). De werkelijke ontvangsten van een begrotingsjaar worden gedefinieerd als de som van de bedragen, geïnd op grond van de vastgestelde rechten van het lopende begrotingsjaar, en de nog in te vorderen bedragen op grond van de rechten van voorgaande begrotingsjaren.

7.3.   Uitgaven

De geraamde uitgaven worden in de begroting opgenomen.

De begrotingsuitvoering van de uitgaven, dat wil zeggen het beloop en de besteding van de kredieten, kan als volgt worden samengevat:

a)

kredieten voor vastleggingen:

i)

beloop van de kredieten: de totale, in een begrotingsjaar beschikbare kredieten voor vastleggingen zijn als volgt samengesteld: oorspronkelijke begroting (NGK en VK) + gewijzigde begrotingen + bestemmingsontvangsten + overschrijvingen + uit het voorgaande begrotingsjaar overgedragen vastleggingskredieten + niet-automatische overdrachten van het voorgaande begrotingsjaar, waarvoor nog geen verplichtingen zijn aangegaan + van voorgaande begrotingsjaren vrijgemaakte en wederopgevoerde vastleggingskredieten;

ii)

besteding van de kredieten: de definitieve kredieten voor vastleggingen zijn tijdens het begrotingsjaar beschikbaar voor het aangaan van verplichtingen (bestede kredieten voor vastleggingen = bedrag van de aangegane verplichtingen);

iii)

overdrachten van kredieten van het begrotingsjaar naar het volgende begrotingsjaar: de niet-bestede kredieten van het begrotingsjaar kunnen naar het volgende begrotingsjaar worden overgedragen op besluit van de betrokken instelling. De als bestemmingsontvangsten beschikbare kredieten worden van rechtswege overgedragen;

iv)

annulering van kredieten: het saldo wordt geannuleerd;

b)

kredieten voor betalingen:

i)

beloop van de kredieten: de totale, in een begrotingsjaar beschikbare kredieten voor betalingen zijn als volgt samengesteld: oorspronkelijke begroting (NGK en BK) + gewijzigde begrotingen + bestemmingsontvangsten + overschrijvingen + uit het vorige begrotingsjaar overgedragen kredieten in de vorm van automatische overdrachten (of overdrachten van rechtswege) of van niet-automatische overdrachten;

ii)

besteding van de kredieten van het begrotingsjaar: de kredieten voor betalingen van het begrotingsjaar zijn tijdens het begrotingsjaar beschikbaar voor het verrichten van betalingen. Zij omvatten niet de uit het voorgaande begrotingsjaar overgedragen kredieten (bestede kredieten voor betalingen = bedrag van de betalingen ten laste van de kredieten van het begrotingsjaar);

iii)

overdrachten van kredieten van het begrotingsjaar naar het volgende begrotingsjaar: de niet-bestede kredieten van het begrotingsjaar kunnen naar het volgende begrotingsjaar worden overgedragen op besluit van de betrokken instelling. De als bestemmingsontvangsten beschikbare kredieten worden van rechtswege overgedragen;

iv)

annulering van kredieten: het saldo wordt geannuleerd;

v)

totaal van de tijdens het begrotingsjaar verrichte betalingen: betalingen ten laste van kredieten voor betalingen van het begrotingsjaar + betalingen ten laste van uit het voorgaande begrotingsjaar overgedragen kredieten voor betalingen;

vi)

uit hoofde van een begrotingsjaar gedane werkelijke uitgaven: uitgaven, opgenomen in de geconsolideerde staten over de begrotingsuitvoering (zie paragraaf 7.4) = betalingen ten laste van de kredieten voor betalingen van het begrotingsjaar + naar het volgende begrotingsjaar overgedragen kredieten voor betalingen van het begrotingsjaar.

7.4.   Geconsolideerde staten over de begrotingsuitvoering en vaststelling van het saldo van het begrotingsjaar

Bij de afsluiting van elk begrotingsjaar worden de geconsolideerde staten over de begrotingsuitvoering opgesteld. Daarin wordt het saldo van het begrotingsjaar vastgesteld, dat door middel van een gewijzigde begroting wordt opgenomen in de begroting van het volgende begrotingsjaar.

8.   INDIENING VAN DE REKENINGEN

De rekeningen van een begrotingsjaar worden uiterlijk op 1 oktober van het volgende begrotingsjaar voorgelegd aan het Parlement, de Raad en de Rekenkamer; deze rekeningen worden ingediend in de vorm van financiële staten en overzichten van de begrotingsuitvoering en gaan vergezeld van een verslag over het begrotings- en financieel beheer.

9.   EXTERNE CONTROLE

Sinds 1977 wordt de externe controle van de begroting verricht door de Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen (9). De Rekenkamer onderzoekt de rekeningen van alle ontvangsten en uitgaven van de begroting. Zij legt aan het Europees Parlement en aan de Raad een verklaring voor waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen wordt bevestigd. Zij onderzoekt de wettigheid en regelmatigheid van de ontvangsten en uitgaven en gaat na of een goed financieel beheer werd gevoerd. De controles kunnen worden verricht vóór afsluiting van het betrokken begrotingsjaar, en wel aan de hand van stukken en, zo nodig, ter plaatse bij de instellingen van de Gemeenschappen, in de lidstaten en in derde landen. De Rekenkamer stelt een jaarverslag op over ieder begrotingsjaar en kan voorts op ieder gewenst moment opmerkingen maken over bepaalde aangelegenheden en op verzoek van elke instelling van de Gemeenschappen adviezen uitbrengen.

10.   KWIJTING EN TE NEMEN MAATREGELEN

Sinds 1977 zijn de volgende bepalingen van toepassing (10): op aanbeveling van de Raad verleent het Parlement de Commissie uiterlijk op 30 april van het tweede jaar dat volgt op het betrokken begrotingsjaar, kwijting voor de uitvoering van de begroting. Daartoe onderzoeken de Raad en het Parlement de door de Commissie ingediende rekeningen, alsmede het jaarverslag en de speciale verslagen van de Rekenkamer. De instellingen dienen de nodige maatregelen te nemen naar aanleiding van de opmerkingen in de kwijtingsbesluiten en moeten van de genomen maatregelen verslag uitbrengen.

GRAFIEKEN

BEGROTING VOOR HET JAAR 2004 EN BEGROTINGSUITVOERING IN HET JAAR 2004

G I

Begroting 2004 — Geraamde ontvangsten en definitieve kredieten voor betalingen

G II

Begroting 2004 — Kredieten voor vastleggingen

G III

In 2004 beschikbare kredieten voor vastleggingen en de besteding daarvan

G IV

In 2004 beschikbare kredieten voor betalingen en de besteding daarvan

G V

Eigen middelen in 2004 — Werkelijke ontvangsten per lidstaat

G VI

In 2004 verrichte betalingen, per lidstaat

HISTORISCHE GEGEVENS BETREFFENDE DE UITVOERING VAN DE BEGROTING (2000-2004)

G VII

Beloop en besteding van de kredieten voor betalingen in de periode 2000-2004, per rubriek van de financiële vooruitzichten

Image

Image

Grafiek III

In 2004 beschikbare kredieten voor vastleggingen en besteding daarvan

(miljoen euro en %)

Afdelingen (Afd.) en titels (T.) overeenkomend met de begrotingsnomenclatuur 2004 en rubrieken van de financiële vooruitzichten

Financiële vooruitzichten

Definitieve kredieten

Besteding der kredieten

Bedrag (14)

Best.gr. (%)

Aangegane verplichtingen

Best. graad (%)

Overdrachten naar 2005 (15)

Best.gr. (%)

Annuleringen

Best.gr. (%)

(a)

(b)

(b)/(a)

(c)

(c)/(b)

(d)

(d)/(b)

(e) = (b) – (c) – (d)

(e)/(b)

 

Begrotingsnomenclatuur

 

 

 

 

 

 

 

 

 

I

Parlement (Afd. I)

 

1 311,0

 

1 275,9

97,3

7,4

0,6

27,6

2,1

II

Raad (Afd. II)

 

562,7

 

540,1

96,0

12,3

2,2

10,3

1,8

III

Commissie (Afd. III)

 

109 025,1

 

106 982,7

98,1

1 043,0

1,0

999,4

0,9

III.1

Economische en financiële zaken (T. 01)

 

482,2

 

431,4

89,5

1,3

0,3

49,5

10,3

III.2

Ondernemingen (T. 02)

 

334,5

 

285,5

85,4

25,0

7,5

24,0

7,2

III.3

Concurrentie (T. 03)

 

86,5

 

83,9

97,0

0,9

1,1

1,6

1,9

III.4

Werkgelegenheid en sociale zaken (T. 04)

 

10 900,2

 

10 779,1

98,9

90,0

0,8

31,1

0,3

III.5

Landbouw en plattelandsontwikkeling (T. 05)

 

48 861,6

 

48 470,9

99,2

77,5

0,2

313,2

0,6

III.6

Energie en vervoer (T. 06)

 

1 424,0

 

1 344,7

94,4

46,6

3,3

32,7

2,3

III.7

Milieu (T. 07)

 

365,8

 

344,6

94,2

7,1

1,9

14,0

3,8

III.8

Onderzoek (T. 08)

 

3 658,3

 

3 513,9

96,1

142,8

3,9

1,6

0,0

III.9

Informatiemaatschappij (T. 09)

 

1 334,3

 

1 249,0

93,6

77,8

5,8

7,6

0,6

III.10

Eigen onderzoek (T. 10)

 

530,9

 

328,8

61,9

201,9

38,0

0,3

0,0

III.11

Visserij (T. 11)

 

975,3

 

943,3

96,7

3,9

0,4

28,2

2,9

III.12

Interne markt (T. 12)

 

74,0

 

67,1

90,7

0,8

1,0

6,1

8,3

III.13

Regionaal beleid (T. 13)

 

26 639,7

 

26 557,9

99,7

10,3

0,0

71,5

0,3

III.14

Belastingen en douane-unie (T. 14)

 

112,3

 

96,3

85,8

5,8

5,2

10,1

9,0

III.15

Onderwijs en cultuur (T. 15)

 

1 176,7

 

1 063,6

90,4

101,6

8,6

11,6

1,0

III.16

Pers en communicatie (T. 16)

 

181,9

 

155,7

85,6

1,6

0,9

24,6

13,5

III.17

Gezondheidszorg en consumentenbescherming (T. 17)

 

583,7

 

571,4

97,9

6,8

1,2

5,6

1,0

III.18

Justitie en binnenlandse zaken (T. 18)

 

536,9

 

512,4

95,4

6,3

1,2

18,3

3,4

III.19

Externe betrekkingen (T. 19)

 

3 808,5

 

3 704,3

97,3

81,9

2,1

22,3

0,6

III.20

Handel (T. 20)

 

77,0

 

71,8

93,2

0,8

1,0

4,4

5,7

III.21

Ontwikkeling en betrekkingen met de ACS-staten (T. 21)

 

1 246,4

 

1 196,3

96,0

38,4

3,1

11,7

0,9

III.22

Uitbreiding (T. 22)

 

1 426,1

 

1 289,9

90,4

89,4

6,3

46,9

3,3

III.23

Humanitaire hulp (T. 23)

 

536,6

 

536,2

99,9

0,2

0,0

0,2

0,0

III.24

Fraudebestrijding (T. 24)

 

55,1

 

51,3

93,2

0,0

0,0

3,7

6,8

III.25

Beleidscoördinatie en juridisch advies van de Commissie (T. 25)

 

206,9

 

199,4

96,4

3,0

1,4

4,6

2,2

III.26

Administratie (T. 26)

 

726,1

 

700,1

96,4

13,0

1,8

13,1

1,8

III.27

Begroting (T. 27)

 

1 474,4

 

1 471,2

99,8

0,6

0,0

2,6

0,2

III.28

Audit (T. 28)

 

9,6

 

9,3

96,4

0,1

0,9

0,3

2,6

III.29

Statistiek (T. 29)

 

136,9

 

111,9

81,7

8,0

5,8

17,1

12,5

III.30

Pensioenen (T. 30)

 

841,8

 

841,7

100,0

0,1

0,0

III.31

Reserves (T. 31)

 

221,0

 

221,0

100,0

IV

Hof van Justitie (Afd. IV)

 

236,3

 

221,3

93,7

2,9

1,2

12,1

5,1

V

Rekenkamer (Afd. V)

 

97,4

 

86,1

88,4

0,3

0,3

11,0

11,3

VI

Economisch en Sociaal Comité (Afd. VI)

 

107,7

 

95,6

88,8

0,3

0,3

11,8

10,9

VII

Comité van de Regio's (Afd. VII)

 

73,9

 

64,1

86,7

0,1

0,1

9,7

13,2

VIII

Eur. Ombudsman en Toezichthouder voor gegevensbescherming (Afd. VIII)

 

7,7

 

6,7

86,4

1,1

13,6

Totaal-generaal kredieten voor vastleggingen

115 434,0

111 421,8

96,5

109 272,6

98,1

1 066,3

1,0

1 082,9

1,0

 

Financiële vooruitzichten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1

Landbouw

49 305,0

45 122,3

91,5

44 760,5

99,2

49,8

0,1

311,9

0,7

2

Structurele acties

41 035,0

41 045,6

100,0

40 833,5

99,5

115,5

0,3

96,7

0,2

3

Intern beleid

8 722,0

9 835,4 (14)

112,8

9 009,9

91,6

619,1

6,3

206,4

2,1

4

Externe maatregelen

5 082,0

5 368,4 (14)

105,6

5 198,4

96,8

121,2

2,3

48,8

0,9

5

Administratieve uitgaven

5 983,0

6 361,2 (14)

106,3

6 161,2

96,9

70,1

1,1

129,8

2,0

6

Reserves

442,0

442,0

100,0

181,9

41,1

260,1

58,9

7

Pretoetredingsstrategie

3 455,0

1 837,4

53,2

1 717,5

93,5

90,6

4,9

29,3

1,6

8

Compensatie

1 410,0

1 409,5

100,0

1 409,5

100,0

Totaal-generaal kredieten voor vastleggingen

115 434,0

111 421,8

96,5

109 272,6

98,1

1 066,3

1,0

1 082,9

1,0

Totaal-generaal kredieten voor betalingen

111 380,0

105 032,1

94,3

100 139,4

95,3

2 829,9

2,7

2 062,7

2,0


Grafiek IV

In 2004 beschikbare kredieten voor betalingen en besteding daarvan

(miljoen euro en %)

Afdelingen (Afd.) en titels (T.) overeenkomend met de begrotingsnomenclatuur 2004 en rubrieken van de financiële vooruitzichten

Definitieve kredieten (16)

Besteding der kredieten

In 2004 verrichte betalingen

Best. graad (%)

Overdrachten naar 2005

Best.gr. (%)

Annuleringen

Best.gr. (%)

(a)

(b)

(b)/(a)

(c)

(c)/(a)

(d) = (a) – (b) – (c)

(d)/(a)

 

Begrotingsnomenclatuur

 

 

 

 

 

 

 

I

Parlement (Afd. I)

1 524,5

1 166,4

76,5

314,4

20,6

43,7

2,9

II

Raad (Afd. II)

630,4

506,8

80,4

105,8

16,8

17,8

2,8

III

Commissie (Afd. III)

102 328,4

98 003,9

95,8

2 371,2

2,3

1 953,3

1,9

III.1

Economische en financiële zaken (T. 01)

427,6

348,7

81,6

14,0

3,3

64,9

15,2

III.2

Ondernemingen (T. 02)

335,5

246,4

73,5

40,5

12,1

48,6

14,5

III.3

Concurrentie (T. 03)

86,5

77,2

89,3

7,4

8,6

1,9

2,2

III.4

Werkgelegenheid en sociale zaken (T. 04)

9 404,5

9 286,0

98,7

24,5

0,3

93,9

1,0

III.5

Landbouw en plattelandsontwikkeling (T. 05)

47 837,8

47 445,8

99,2

75,9

0,2

316,2

0,7

III.6

Energie en vervoer (T. 06)

1 268,8

1 008,4

79,5

71,9

5,7

188,5

14,9

III.7

Milieu (T. 07)

334,4

252,1

75,4

42,9

12,8

39,5

11,8

III.8

Onderzoek (T. 08)

3 079,5

2 605,8

84,6

459,7

14,9

14,0

0,5

III.9

Informatiemaatschappij (T. 09)

1 445,8

1 248,3

86,3

166,2

11,5

31,3

2,2

III.10

Eigen onderzoek (T. 10)

527,1

320,6

60,8

203,5

38,6

3,1

0,6

III.11

Visserij (T. 11)

1 069,4

841,0

78,6

52,8

4,9

175,6

16,4

III.12

Interne markt (T. 12)

71,3

56,4

79,1

7,7

10,8

7,1

10,0

III.13

Regionaal beleid (T. 13)

22 099,6

21 880,1

99,0

152,9

0,7

66,7

0,3

III.14

Belastingen en douane-unie (T. 14)

98,2

81,3

82,7

7,5

7,7

9,4

9,6

III.15

Onderwijs en cultuur (T. 15)

1 180,6

989,2

83,8

171,6

14,5

19,9

1,7

III.16

Pers en communicatie (T. 16)

172,3

136,7

79,3

15,3

8,9

20,3

11,8

III.17

Gezondheidszorg en consumentenbescherming (T. 17)

852,6

447,2

52,5

361,6

42,4

43,8

5,1

III.18

Justitie en binnenlandse zaken (T. 18)

520,6

436,2

83,8

19,4

3,7

65,0

12,5

III.19

Externe betrekkingen (T. 19)

3 690,3

3 316,8

89,9

152,2

4,1

221,4

6,0

III.20

Handel (T. 20)

76,3

65,8

86,2

6,7

8,8

3,8

4,9

III.21

Ontwikkeling en betrekkingen met de ACS-staten (T. 21)

1 109,3

975,7

88,0

80,8

7,3

52,8

4,8

III.22

Uitbreiding (T. 22)

2 175,6

1 987,3

91,3

60,7

2,8

127,6

5,9

III.23

Humanitaire hulp (T. 23)

535,5

514,1

96,0

5,2

1,0

16,2

3,0

III.24

Fraudebestrijding (T. 24)

57,8

43,7

75,6

4,6

7,9

9,5

16,5

III.25

Beleidscoördinatie en juridisch advies van de Commissie (T. 25)

212,9

185,4

87,1

20,4

9,6

7,1

3,3

III.26

Administratie (T. 26)

983,5

801,5

81,5

118,0

12,0

64,0

6,5

III.27

Begroting (T. 27)

1 474,8

1 460,2

99,0

12,0

0,8

2,6

0,2

III.28

Audit (T. 28)

9,6

8,6

89,5

0,8

7,9

0,3

2,6

III.29

Statistiek (T. 29)

127,7

97,3

76,2

13,1

10,3

17,3

13,5

III.30

Pensioenen (T. 30)

841,8

840,1

99,8

1,6

0,2

0,1

0,0

III.31

Reserves (T. 31)

221,0

221,0

100,0

IV

Hof van Justitie (Afd. IV)

245,2

216,3

88,2

15,9

6,5

13,0

5,3

V

Rekenkamer (Afd. V)

103,0

84,2

81,8

7,2

7,0

11,5

11,2

VI

Economisch en Sociaal Comité (Afd. VI)

113,4

92,3

81,4

8,8

7,8

12,3

10,8

VII

Comité van de Regio's (Afd. VII)

79,0

63,2

80,0

5,7

7,2

10,1

12,8

VIII

Eur. Ombudsman en Toezichthouder voor gegevensbescherming (Afd. VIII)

8,2

6,2

75,4

0,9

10,8

1,1

13,8

Totaal-generaal kredieten voor betalingen

105 032,1

100 139,4

95,3

2 829,9

2,7

2 062,7

2,0

 

Financiële vooruitzichten

 

 

 

 

 

 

 

1

Landbouw

44 308,3

43 579,4

98,4

397,9

0,9

331,0

0,7

2

Structurele acties

34 635,1

34 198,3

98,7

197,0

0,6

239,7

0,7

3

Intern beleid

8 992,1

7 255,2

80,7

1 152,1

12,8

584,8

6,5

4

Externe maatregelen

5 098,0

4 605,8

90,3

175,6

3,4

316,6

6,2

5

Administratieve uitgaven

6 927,2

5 856,4

84,5

849,6

12,3

221,2

3,2

6

Reserves

442,0

181,9

41,1

260,1

58,9

7

Pretoetredingsstrategie

3 219,9

3 052,9

94,8

57,8

1,8

109,2

3,4

8

Compensatie

1 409,5

1 409,5

100,0

Totaal-generaal kredieten voor betalingen

105 032,1

100 139,4

95,3

2 829,9

2,7

2 062,7

2,0

Image

Image

Image


(1)  Voor het begrotingsjaar 2004: definitieve jaarrekening betreffende de verrichtingen in het kader van de begroting 2004 (SEC(2005)1158).

(2)  Verdrag van Rome (25 maart 1957): Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap (EEG).

(3)  Verdrag van Rome (25 maart 1957): Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom).

(4)  Voornamelijk het Financieel Reglement (F.R.) van 25 juni 2002 (PB L 248 van 16.9.2002).

(5)  Voornaamste rechtsvoorschriften betreffende de eigen middelen: Besluit 2000/597/EG, Euratom van de Raad van 29 september 2000 (PB L 253 van 7.10.2000); Verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad van 22 mei 2000 (PB L 130 van 31.5.2000); Verordening (EEG, Euratom) nr. 1553/89 van de Raad van 29 mei 1989 (PB L 155 van 7.6.1989); Zesde Richtlijn van de Raad van 17 mei 1977, gemeenschappelijk BTW-stelsel; uniforme grondslag (PB L 145 van 13.6.1977); Richtlijn 89/130/EEG, Euratom van de Raad van 13 februari 1989 betreffende de harmonisatie van de opstelling van het BNI (PB L 49 van 21.2.1989), Verordening (EG, Euratom) nr. 1287/2003 van de Raad van 15 juli 2003 betreffende de harmonisatie van het bruto nationaal inkomen tegen marktprijzen (PB L 181 van 19.7.2003).

(6)  Belangrijk is het verschil tussen „kredieten voor vastleggingen” en „vastleggingskredieten” en tussen „kredieten voor betalingen” en „betalingskredieten”. De beide termen „vastleggingskredieten” en „betalingskredieten” worden uitsluitend gebruikt waar het gaat om gesplitste kredieten.

(7)  Zie de artikelen 274 EG, 179 Euratom en 50 van het F.R.

(8)  Zie de artikelen 69-74 van het F.R. en Verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad van 22 mei 2000 (PB L 130 van 31.5.2000).

(9)  Zie de artikelen 246, 247 en 248 EG, 160 A, 160 B en 160 C Euratom en de artikelen 139-147 van het F.R.

(10)  Zie de artikelen 276 EG en 180 ter Euratom.

(11)  Na gewijzigde begrotingen.

(12)  Na gewijzigde begrotingen en overschrijvingen van de ene naar de andere begrotingslijn.

(13)  Ontvangsten met best. en wederopg. kredieten, overgedr. kredieten en nieuwe aanwending.

(14)  Definitieve begrotingskredieten na overschrijvingen tussen begrotingsonderdelen, kredieten betreffende bestemmingsontvangsten of daarmee gelijkgestelde kredieten en uit het voorgaande jaar overgedragen kredieten. Bijgevolg overschrijden de beschikbare kredieten de limiet die was vastgesteld voor enkele rubrieken van de financiële vooruitzichten.

(15)  Inclusief kredieten overeenkomend met bestemmingsontvangsten of daarmee gelijkgestelde kredieten.

(16)  Definitieve begrotingskredieten na verrekening van overschrijvingen tussen begrotingsonderdelen, kredieten betreffende bestemmingsontvangsten of daarmee gelijkgestelde kredieten en uit het voorgaande jaar overgedragen kredieten.

(17)  Voor het Verenigd Koninkrijk wordt op het brutobedrag van de eigen middelen (16 954,5 miljoen euro) een correctie (5 272,1 miljoen euro) toegepast. De financiering van deze correctie wordt opgebracht

door de andere lidstaten. Deze correctie is alleen op de componenten BTW en BNP van de bruto eigen middelen toegepast, naar evenredigheid van de respectieve bedragen daarvan.

(18)  De geografische verdeling komt niet overeen met een verdeling van de betalingen ten behoeve van de lidstaten, maar is gebaseerd op de uitgaventoewijzing naar gelang van de gegevens in het geautomatiseerde boekhoudsysteem van de Commissie (Sincom2).

(19)  De bedragen onder Diversen bestaan hoofdzakelijk uit de uitgaven in verband met projecten buiten de Unie, waaraan derde landen deelnemen. Ook vallen daaronder de uitgaven waarbij geen geografische verdeling kon worden aangebracht.

(20)  Beschikbare kredieten = Kredieten voor betalingen van het begrotingsjaar + uit het vorige begrotingsjaar overgedragen kredieten.

BIJLAGE II

Verslagen en adviezen die de Rekenkamer sinds 2000 heeft uitgebracht

Krachtens het bepaalde in de Verdragen is de Rekenkamer gehouden een jaarverslag uit te brengen. Op grond van de Verdragen en andere geldende regelingen moet zij ook specifieke jaarverslagen uitbrengen over bepaalde organen en activiteiten van de Gemeenschappen. Voorts is bij de Verdragen aan de Rekenkamer de bevoegdheid verleend over bijzondere kwesties opmerkingen te maken en op verzoek van een instelling adviezen uit te brengen. Onderstaande lijst bevat de verslagen en adviezen die de Rekenkamer sinds 2000 heeft uitgebracht.

Titel

Publicatie

Jaarverslag en betrouwbaarheidsverklaringen

Drieëntwintigste jaarverslag, over het begrotingsjaar 1999:

Verslag en betrouwbaarheidsverklaring over de activiteiten in het kader van de algemene begroting

Verslag en betrouwbaarheidsverklaring over de activiteiten in het kader van het zesde, zevende en achtste EOF

PB C 342 van 1.12.2000

Vierentwintigste jaarverslag, over het begrotingsjaar 2000:

Verslag en betrouwbaarheidsverklaring over de activiteiten in het kader van de algemene begroting

Verslag en betrouwbaarheidsverklaring over de activiteiten in het kader van het zesde, zevende en achtste EOF

PB C 359 van 15.12.2001, PB C 92 van 17.4.2002 en PB C 36 van 15.2.2003

Vijfentwintigste jaarverslag, over het begrotingsjaar 2001:

Verslag en betrouwbaarheidsverklaring over de activiteiten in het kader van de algemene begroting

Verslag en betrouwbaarheidsverklaring over de activiteiten in het kader van het zesde, zevende en achtste EOF

PB C 295 van 28.11.2002

Zesentwintigste jaarverslag, over het begrotingsjaar 2002:

Verslag en betrouwbaarheidsverklaring over de activiteiten in het kader van de algemene begroting

Verslag en betrouwbaarheidsverklaring over de activiteiten in het kader van het zesde, zevende en achtste EOF

PB C 286 van 28.11.2003

Zevenentwintigste jaarverslag, over het begrotingsjaar 2003:

Verslag en betrouwbaarheidsverklaring over de activiteiten in het kader van de algemene begroting

Verslag en betrouwbaarheidsverklaring over de activiteiten in het kader van het zesde, zevende, achtste en negende EOF

PB C 293 van 30.11.2004

Achtentwintigste jaarverslag, over het begrotingsjaar 2004:

Verslag en betrouwbaarheidsverklaring over de activiteiten in het kader van de algemene begroting

Verslag en betrouwbaarheidsverklaring over de activiteiten in het kader van het zesde, zevende, achtste en negende EOF

In dit PB

Speciale verslagen

Eigen middelen

Speciaal verslag nr. 17/2000 over de controle van de betrouwbaarheid en vergelijkbaarheid van de BNP's van de lidstaten door de Commissie

PB C 336 van 27.11.2000

Speciaal verslag nr. 23/2000 over de waardebepaling van geïmporteerde goederen voor de douane (douanewaarde)

PB C 84 van 14.3.2001

Gemeenschappelijk landbouwbeleid

Speciaal verslag nr. 1/2000 over klassieke varkenspest

PB C 85 van 23.3.2000

Speciaal verslag nr. 8/2000 over de communautaire maatregelen voor de afzet van botervet

PB C 132 van 12.5.2000

Speciaal verslag nr. 11/2000 over de steunregeling voor olijfolie

PB C 215 van 27.7.2000

Speciaal verslag nr. 14/2000 over de maatregelen voor een milieuvriendelijker gemeenschappelijk landbouwbeleid

PB C 353 van 8.12.2000

Speciaal verslag nr. 20/2000 over het beheer van de gemeenschappelijke marktordening voor suiker

PB C 50 van 15.2.2001

Speciaal verslag nr. 22/2000 over de evaluatie van de gewijzigde procedure voor de goedkeuring van de rekeningen

PB C 69 van 2.3.2001

Speciaal verslag nr. 4/2001 over de controle van het EOGFL-Garantie — de implementatie van het geïntegreerd beheers- en controlesysteem (GBCS)

PB C 214 van 31.7.2001

Speciaal verslag nr. 6/2001 over de melkquota

PB C 305 van 30.10.2001

Speciaal verslag nr. 7/2001 over uitvoerrestituties — bestemming en het in de handel brengen

PB C 314 van 8.11.2001

Speciaal verslag nr. 8/2001 over de productierestituties voor aardappel- en graanzetmeel, en de steun voor aardappelmeel

PB C 294 van 19.10.2001

Speciaal verslag nr. 14/2001 over de follow-up van speciaal verslag nr. 19/98 van de Rekenkamer over BSE

PB C 324 van 20.11.2001

Speciaal verslag nr. 5/2002 over de regelingen inzake de extensiveringspremie en het extensiveringsbedrag in de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees

PB C 290 van 25.11.2002

Speciaal verslag nr. 6/2002 over de controle van het beheer door de Commissie van de steunregeling voor oliehoudende zaden van de EU

PB C 254 van 22.10.2002

Speciaal verslag nr. 7/2002 over het financieel beheer van de gemeenschappelijke marktordening in de sector bananen

PB C 294 van 28.11.2002

Speciaal verslag nr. 1/2003 over de voorfinanciering van uitvoerrestituties

PB C 98 van 24.4.2003

Speciaal verslag nr. 4/2003 over plattelandsontwikkeling: steun voor probleemgebieden

PB C 151 van 27.6.2003

Speciaal verslag nr. 9/2003 over het systeem voor de vaststelling van subsidiebedragen voor export van landbouwproducten (uitvoerrestituties)

PB C 211 van 5.9.2003

Speciaal verslag nr. 12/2003 over het financieel beheer van de gemeenschappelijke marktordening voor gedroogde voedergewassen

PB C 298 van 9.12.2003

Speciaal verslag nr. 13/2003 over de productiesteun voor katoen

PB C 298 van 9.12.2003

Speciaal verslag nr. 14/2003 over de beoordeling van het landbouwinkomen door de Commissie (artikel 33, lid 1, onder b), van het EG-Verdrag)

PB C 45 van 20.2.2004

Speciaal verslag nr. 2/2004 over pretoetredingssteun: „Is Sapard goed beheerd?”

PB C 295 van 30.11.2004

Speciaal verslag nr. 3/2004 — Terugvordering van onregelmatige betalingen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid

PB C 269 van 4.11.2004

Speciaal verslag nr. 6/2004 — De instelling van de identificatie- en registratieregeling voor runderen in de Europese Unie

PB C 29 van 4.2.2005

Speciaal verslag nr. 7/2004 over de gemeenschappelijke marktordening (GMO) voor ruwe tabak

PB C 41 van 17.2.2005

Speciaal verslag nr. 8/2004 over het beheer en de controle door de Commissie van de maatregelen ter bestrijding van mond- en klauwzeer en de desbetreffende uitgaven

PB C 54 van 3.3.2005

Speciaal verslag nr. 9/2004 over bosbouwmaatregelen in het kader van het plattelandsontwikkelingsbeleid

PB C 67 van 18.3.2005

Speciaal verslag nr. 3/2005 over plattelandsontwikkeling: Verificatie van de agromilieu-uitgaven

PB C 279 van 11.11.2005

Structurele acties

Speciaal verslag nr. 3/2000 over het Europees Sociaal Fonds en het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (afdeling Oriëntatie) — Maatregelen ter bevordering van de werkgelegenheid van jongeren

PB C 100 van 7.4.2000

Speciaal verslag nr. 7/2000 over het Internationaal Fonds voor Ierland en het speciale steunprogramma voor vrede en verzoening in Noord-Ierland en de aangrenzende graafschappen van Ierland (1995-1999)

PB C 146 van 25.5.2000

Speciaal verslag nr. 15/2000 met betrekking tot het Cohesiefonds

PB C 279 van 2.10.2000

Speciaal verslag nr. 1/2001 over het communautair initiatief URBAN

PB C 124 van 25.4.2001

Speciaal verslag nr. 10/2001 over de financiële controle van de structuurfondsen, Verordeningen (EG) nr. 2064/97 en (EG) nr. 1681/94 van de Commissie

PB C 314 van 8.11.2001

Speciaal verslag nr. 12/2001 over bepaalde structuurmaatregelen ten behoeve van de werkgelegenheid: effect van de EFRO-steun op de werkgelegenheid en ESF-maatregelen ter bestrijding van langdurige werkloosheid

PB C 334 van 28.11.2001

Speciaal verslag nr. 3/2002 over het Communautair Initiatief Werkgelegenheid — Integra

PB C 263 van 29.10.2002

Speciaal verslag nr. 4/2002 over lokale acties voor werkgelegenheid

PB C 263 van 29.10.2002

Speciaal verslag nr. 7/2003 over de uitvoering van de programmering van de acties in de periode 2000-2006 in het kader van de structuurfondsen

PB C 174 van 23.7.2003

Speciaal verslag nr. 4/2004 over de programmering van het communautair initiatief voor trans-Europese samenwerking Interreg III

PB C 303 van 7.12.2004

Intern beleid

Speciaal verslag nr. 9/2000 over de trans-Europese Netwerken (TEN) — Telecommunicatie

PB C 166 van 15.6.2000

Speciaal verslag nr. 10/2000 inzake door het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek gegunde overheidsopdrachten

PB C 172 van 21.6.2000

Speciaal verslag nr. 9/2001 over het programma voor opleiding en mobiliteit van onderzoekers

PB C 349 van 10.12.2001

Speciaal verslag nr. 2/2002 over de communautaire actieprogramma's Socrates en Jeugd voor Europa

PB C 136 van 7.6.2002

Speciaal verslag nr. 11/2003 over het financieel instrument voor het milieu (LIFE)

PB C 292 van 2.12.2003

Speciaal verslag nr. 1/2004 over het beheer van OTO-werkzaamheden onder contract binnen het vijfde kaderprogramma (KP5) op het gebied van onderzoek en technologische ontwikkeling (1998-2002)

PB C 99 van 23.4.2004

Externe maatregelen

Speciaal verslag nr. 2/2000 over de steun van de Europese Unie aan Bosnië-Herzegovina in het kader van het herstel van de vrede en de rechtsstaat

PB C 85 van 23.3.2000

Speciaal verslag nr. 4/2000 over herstelmaatregelen voor ACS-landen ter voorbereiding van normale ontwikkelingshulp

PB C 113 van 19.4.2000

Speciaal verslag nr. 12/2000 over het beheer door de Commissie van de steun van de Europese Unie voor de ontwikkeling van de mensenrechten en de democratie in derde landen

PB C 230 van 10.8.2000

Speciaal verslag nr. 16/2000 over de mededingingsprocedures voor overeenkomsten inzake diensten van de programma’s Phare en Tacis

PB C 350 van 6.12.2000

Speciaal verslag nr. 18/2000 betreffende het programma om de Russische federatie van landbouwproducten te voorzien

PB C 25 van 25.1.2001

Speciaal verslag nr. 19/2000 over het beheer door de Commissie van het steunprogramma voor de Palestijnse gemeenschap

PB C 32 van 31.1.2001

Speciaal verslag nr. 21/2000 over het beheer van de externehulpprogramma's van de Commissie (met name ten aanzien van landenprogrammering, projectvoorbereiding en de rol van delegaties)

PB C 57 van 22.2.2001

Speciaal verslag nr. 2/2001 over het beheer van de humanitaire noodacties voor de slachtoffers van de crisis in Kosovo (ECHO)

PB C 168 van 12.6.2001 en PB C 159 van 3.7.2002

Speciaal verslag nr. 3/2001 over het beheer door de Commissie van de internationale visserijovereenkomsten

PB C 210 van 27.7.2001

Speciaal verslag nr. 5/2001 over de tegenwaardefondsen van de steun voor structurele aanpassing, die wordt bestemd voor begrotingssteun (zevende en achtste EOF)

PB C 257 van 14.9.2001

Speciaal verslag nr. 11/2001 over het Tacis-programma voor grensoverschrijdende samenwerking

PB C 329 van 23.11.2001

Speciaal verslag nr. 13/2001 over het beheer van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB)

PB C 338 van 30.11.2001

Speciaal verslag nr. 1/2002 over macrofinanciële bijstand (MFB) aan derde landen en structurele aanpassingsfaciliteiten (SAF) in de mediterrane landen

PB C 121 van 23.5.2002

Speciaal verslag nr. 2/2003 over de uitvoering van het voedselzekerheidsbeleid in ontwikkelingslanden ten laste van de algemene begroting van de Europese Unie

PB C 93 van 17.4.2003

Speciaal verslag nr. 5/2003 over de financiering uit Phare en ISPA van milieuprojecten in de kandidaat-lidstaten

PB C 167 van 17.7.2003

Speciaal verslag nr. 6/2003 over twinning als voornaamste instrument ter ondersteuning van de institutionele versterking in de kandidaat-lidstaten

PB C 167 van 17.7.2003

Speciaal verslag nr. 8/2003 over de uitvoering van door het EOF gefinancierde infrastructuurwerken

PB C 181 van 31.7.2003

Speciaal verslag nr. 10/2003 over de doeltreffendheid van het beheer door de Commissie van de ontwikkelingshulp aan India wat betreft de gerichtheid op de armen en het bereiken van duurzame resultaten

PB C 211 van 5.9.2003

Speciaal verslag nr. 15/2003 over de controle van uit het EOF gefinancierde programma's voor microprojecten

PB C 63 van 11.3.2004

Speciaal verslag nr. 5/2004 over de Phare-steun ter voorbereiding van de kandidaat-lidstaten op het beheer van de structuurfondsen

PB C 15 van 20.1.2005

Speciaal verslag nr. 10/2004 over de deconcentratie van het externe-steunbeheer van de EG ten gunste van de delegaties van de Commissie

PB C 72 van 22.3.2005

Speciaal verslag nr. 2/2005 over de begrotingssteun uit het EOF aan de ACS-staten: het beheer door de Commissie van het onderdeel: „hervorming van de overheidsfinanciën”

PB C 249 van 7.10.2005

Speciaal verslag nr. 4/2005 over het beheer door de Commissie van de economische samenwerking in Azië

PB C 260 van 19.10.2005

Administratieve uitgaven

Speciaal verslag nr. 5/2000 over de uitgaven voor gebouwen van het Hof van Justitie (bijgebouwen Erasmus en Thomas More, bijgebouw C)

PB C 109 van 14.4.2000

Speciaal verslag nr. 13/2000 over de uitgaven van de fracties van het Europees Parlement

PB C 181 van 28.6.2000

Speciaal verslag nr. 3/2003 over de regeling invaliditeitspensioenen van de Europese instellingen

PB C 109 van 7.5.2003

Speciaal verslag nr. 1/2005 over het beheer van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF)

PB C 202 van 18.8.2005

Speciaal verslag nr. 5/2005 over de uitgaven van het Parlement, de Commissie en de Raad voor vertolking

Publicatie in voorbereiding

Financiële instrumenten en bankactiviteiten

Speciaal verslag nr. 6/2000 over de toekenning door de Gemeenschap van rentesubsidies voor leningen die de Europese Investeringsbank in het kader van haar tijdelijke leningsfaciliteit aan kleine en middelgrote ondernemingen verstrekt

PB C 152 van 31.5.2000

Specifieke jaarverslagen

Jaarrekening van de EGKS

Verslag over de jaarrekening van de EGKS per 31 december 1999

PB C 281 van 4.10.2000

Verslag over de jaarrekening van de EGKS per 31 december 2000

PB C 185 van 30.6.2001 en PB C 363 van 19.12.2001

Verslag over de jaarrekening van de EGKS per 31 december 2001

PB C 158 van 3.7.2002

Verslag over de jaarrekening van de EGKS per 23 juli 2002

PB C 127 van 29.5.2003

Jaarverslag met betrekking tot de EGKS

Jaarverslag 1999 met betrekking tot de EGKS

PB C 347 van 4.12.2000

Jaarverslag 2000 met betrekking tot de EGKS

PB C 366 van 20.12.2001

Jaarverslag en betrouwbaarheidsverklaring 2001 met betrekking tot de EGKS

PB C 302 van 5.12.2002

Jaarverslag en betrouwbaarheidsverklaring met betrekking tot de EGKS voor het per 23 juli 2002 afgesloten begrotingsjaar

PB C 224 van 19.9.2003

Voorzieningsagentschap van Euratom

Verslag over de jaarrekening 1999 van het Voorzieningsagentschap van Euratom

Niet in het PB gepubliceerd

Verslag over de jaarrekening van het Voorzieningsagentschap van Euratom voor het begrotingsjaar 2000

Niet in het PB gepubliceerd

Verslag over de jaarrekening van het Voorzieningsagentschap van Euratom voor het begrotingsjaar 2001

Niet in het PB gepubliceerd

Verslag over de jaarrekening van het Voorzieningsagentschap van Euratom voor het begrotingsjaar 2002

Niet in het PB gepubliceerd

Verslag over de jaarrekening van het Voorzieningsagentschap van Euratom betreffende het begrotingsjaar 2003

Niet in het PB gepubliceerd

Joint European Torus (JET)

Verslag over de jaarrekening 1999 van de „Joint European Torus (JET), Joint Undertaking”

Niet in het PB gepubliceerd

Verslag over de jaarrekening 2000 van de „Joint European Torus (JET), Joint Undertaking”

Niet in het PB gepubliceerd

Verslag over de jaarrekening 2001 van de „Joint European Torus (JET), Joint Undertaking”

Niet in het PB gepubliceerd

Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden (Stichting Dublin)

Verslag over de jaarrekening van de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden (Stichting Dublin) betreffende het per 31 december 1999 afgesloten begrotingsjaar

PB C 373 van 27.12.2000

Verslag over de jaarrekening van de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden (Stichting Dublin) betreffende het per 31 december 2000 afgesloten begrotingsjaar

PB C 372 van 28.12.2001

Verslag over de jaarrekening van de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden betreffende het begrotingsjaar 2001

PB C 326 van 27.12.2002

Verslag over de jaarrekening van de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden betreffende het begrotingsjaar 2002

PB C 319 van 30.12.2003

Verslag over de jaarrekening van de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden betreffende het begrotingsjaar 2003

PB C 324 van 30.12.2004

Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding (Cedefop — Thessaloniki)

Verslag over de jaarrekening van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding (Cedefop — Thessaloniki) betreffende het per 31 december 1999 afgesloten begrotingsjaar

PB C 373 van 27.12.2000

Verslag over de jaarrekening van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding (Cedefop — Thessaloniki) betreffende het per 31 december 2000 afgesloten begrotingsjaar

PB C 372 van 28.12.2001

Verslag over de jaarrekening van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding betreffende het begrotingsjaar 2001

PB C 326 van 27.12.2002

Verslag over de jaarrekening van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding betreffende het begrotingsjaar 2002

PB C 319 van 30.12.2003

Verslag over de jaarrekening van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding betreffende het begrotingsjaar 2003

PB C 324 van 30.12.2004

Europese Scholen

Verslag over de jaarrekening van de Europese Scholen betreffende het per 31 december 1999 afgesloten begrotingsjaar

Niet in het PB gepubliceerd

Verslag over de jaarrekening van de Europese Scholen betreffende het per 31 december 2000 afgesloten begrotingsjaar

Niet in het PB gepubliceerd

Verslag over de jaarrekening van de Europese Scholen betreffende het begrotingsjaar 2001

Niet in het PB gepubliceerd

Verslag over de jaarrekening van de Europese Scholen betreffende het begrotingsjaar 2002

Niet in het PB gepubliceerd

Verslag over de jaarrekening van de Europese Scholen betreffende het begrotingsjaar 2003

Niet in het PB gepubliceerd

Europees Monetair Instituut en Europese Centrale Bank

Verslag van de Rekenkamer over de doelmatigheidscontrole bij de Europese Centrale Bank voor het begrotingsjaar 1999

PB C 47 van 13.2.2001

Verslag over de doelmatigheidscontrole bij de Europese Centrale Bank voor het begrotingsjaar 2000

PB C 341 van 4.12.2001

Verslag over de doelmatigheidscontrole bij de Europese Centrale Bank voor het begrotingsjaar 2001

PB C 259 van 25.10.2002

Verslag over de doelmatigheidscontrole bij de Europese Centrale Bank betreffende het begrotingsjaar 2002

PB C 45 van 20.2.2004

Verslag over de doelmatigheidscontrole bij de Europese Centrale Bank betreffende het begrotingsjaar 2003

PB C 286 van 23.11.2004

Beheer van de „Schengen-contracten”

Specifiek jaarverslag over de financiële verantwoording van het beheer door de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger van de Raad van de contracten die deze sluit als vertegenwoordiger van bepaalde lidstaten met betrekking tot de installatie en de werking van de Help Desk Server van de Management Unit en van het Sirene-netwerk fase II („Schengen-contracten”) over het tijdvak 3 mei-31 december 1999

Niet in het PB gepubliceerd

Specifiek jaarverslag over de financiële verantwoording van het beheer door de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger van de Raad van de contracten die deze sluit als vertegenwoordiger van bepaalde lidstaten met betrekking tot de installatie en de werking van de Help Desk Server van de Management Unit en van het Sirene-netwerk fase II („Schengen-contracten”) betreffende het per 31 december 2000 afgesloten begrotingsjaar

Niet in het PB gepubliceerd

Verslag over de financiële verantwoording van het beheer door de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger van de Raad van de contracten die deze sluit als vertegenwoordiger van bepaalde lidstaten met betrekking tot de installatie en de werking van de Help Desk Server van de Management Unit en van het Sirene-netwerk fase II („Schengen-contracten”) betreffende het per 31 december 2001 afgesloten begrotingsjaar

Niet in het PB gepubliceerd

Verslag over de financiële verantwoording 2002 betreffende de „Schengen-contracten”

Niet in het PB gepubliceerd

Beheer van de „SISNET-contracten”

Specifiek jaarverslag over de financiële verantwoording van het beheer door de plaatsvervangend secretaris-generaal van de Raad van de overeenkomsten die deze sluit namens bepaalde lidstaten met betrekking tot de installatie en de werking van de communicatie-infrastructuur voor de Schengenomgeving „Sisnet”, betreffende het per 31 december 2000 afgesloten begrotingsjaar

Niet in het PB gepubliceerd

Verslag over de financiële verantwoording van het beheer door de plaatsvervangend secretaris-generaal van de Raad van de overeenkomsten die deze sluit namens bepaalde lidstaten met betrekking tot de installatie en de werking van de communicatie-infrastructuur voor de Schengenomgeving „Sisnet”, betreffende het per 31 december 2001 afgesloten begrotingsjaar

Niet in het PB gepubliceerd

Verslag over de financiële verantwoording 2002 betreffende „Sisnet”

Niet in het PB gepubliceerd

Verslag over de financiële verantwoording 2003 betreffende „Sisnet”

Niet in het PB gepubliceerd

Verslag over de financiële verantwoording 2004 betreffende „Sisnet”

Niet in het PB gepubliceerd

Communautair Bureau voor plantenrassen (CBPR-Angers)

Verslag over de jaarrekening van het Communautair Bureau voor plantenrassen (CBPR-Angers) betreffende het per 31 december 1999 afgesloten begrotingsjaar

PB C 373 van 27.12.2000

Verslag over de jaarrekening van het Communautair Bureau voor plantenrassen (CBPR-Angers) betreffende het per 31 december 2000 afgesloten begrotingsjaar

PB C 372 van 28.12.2001

Verslag over de jaarrekening van het Communautair Bureau voor plantenrassen betreffende het begrotingsjaar 2001

PB C 326 van 27.12.2002

Verslag over de jaarrekening van het Communautair Bureau voor plantenrassen betreffende het begrotingsjaar 2002

PB C 319 van 30.12.2003

Verslag over de jaarrekening van het Communautair Bureau voor plantenrassen betreffende het begrotingsjaar 2003

PB C 324 van 30.12.2004

Europees Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (BHIM-Alicante)

Verslag over de jaarrekening van het Europees Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (BHIM-Alicante) betreffende het per 31 december 1999 afgesloten begrotingsjaar

PB C 373 van 27.12.2000

Verslag over de jaarrekening van het Europees Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (BHIM-Alicante) betreffende het per 31 december 2000 afgesloten begrotingsjaar

PB C 372 van 28.12.2001

Verslag over de jaarrekening van het Europees Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt betreffende het begrotingsjaar 2001

PB C 326 van 27.12.2002

Verslag over de jaarrekening van het Europees Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt betreffende het begrotingsjaar 2002

PB C 319 van 30.12.2003

Verslag over de jaarrekening van het Europees Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt betreffende het begrotingsjaar 2003

PB C 324 van 30.12.2004

Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk (EAVG-Bilbao)

Verslag over de jaarrekening van het Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk (EAVG-Bilbao) betreffende het per 31 december 1999 afgesloten begrotingsjaar

PB C 373 van 27.12.2000

Verslag over de jaarrekening van het Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk (EAVG-Bilbao) betreffende het per 31 december 2000 afgesloten begrotingsjaar

PB C 372 van 28.12.2001

Verslag over de jaarrekening van het Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk betreffende het begrotingsjaar 2001

PB C 326 van 27.12.2002

Verslag over de jaarrekening van het Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk betreffende het begrotingsjaar 2002

PB C 319 van 30.12.2003

Verslag over de jaarrekening van het Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk betreffende het begrotingsjaar 2003

PB C 324 van 30.12.2004

Europees Milieuagentschap (EMA-Kopenhagen)

Verslag over de jaarrekening van het Europees Milieuagentschap (EMA-Kopenhagen) betreffende het per 31 december 1999 afgesloten begrotingsjaar

PB C 373 van 27.12.2000

Verslag over de jaarrekening van het Europees Milieuagentschap (EMA-Kopenhagen) betreffende het per 31 december 2000 afgesloten begrotingsjaar

PB C 372 van 28.12.2001

Verslag over de jaarrekening van het Europees Milieuagentschap betreffende het begrotingsjaar 2001

PB C 326 van 27.12.2002

Verslag over de jaarrekening van het Europees Milieuagentschap betreffende het begrotingsjaar 2002

PB C 319 van 30.12.2003

Verslag over de jaarrekening van het Europees Milieuagentschap betreffende het begrotingsjaar 2003

PB C 324 van 30.12.2004

Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving (EWDD-Lissabon)

Verslag over de jaarrekening van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving (EWDD-Lissabon) betreffende het per 31 december 1999 afgesloten begrotingsjaar

PB C 373 van 27.12.2000

Verslag over de jaarrekening van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving (EWDD-Lissabon) betreffende het per 31 december 2000 afgesloten begrotingsjaar

PB C 372 van 28.12.2001

Verslag over de jaarrekening van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving voor het begrotingsjaar 2001

PB C 326 van 27.12.2002

Verslag over de jaarrekening van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving voor het begrotingsjaar 2002

PB C 319 van 30.12.2003

Verslag over de jaarrekening van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving betreffende het begrotingsjaar 2003

PB C 324 van 30.12.2004

Europees Bureau voor de geneesmiddelenbeoordeling (EMEA-Londen)

Verslag over de jaarrekening van het Europees Bureau voor de geneesmiddelenbeoordeling (EMEA-Londen) betreffende het per 31 december 1999 afgesloten begrotingsjaar

PB C 373 van 27.12.2000

Verslag over de jaarrekening van het Europees Bureau voor de geneesmiddelenbeoordeling (EMEA-Londen) betreffende het per 31 december 2000 afgesloten begrotingsjaar

PB C 372 van 28.12.2001

Verslag over de jaarrekening van het Europees Bureau voor de geneesmiddelenbeoordeling betreffende het begrotingsjaar 2001

PB C 326 van 27.12.2002

Verslag over de jaarrekening van het Europees Bureau voor de geneesmiddelenbeoordeling betreffende het begrotingsjaar 2002

PB C 319 van 30.12.2003

Verslag over de jaarrekening van het Europees Bureau voor de geneesmiddelenbeoordeling betreffende het begrotingsjaar 2003

PB C 324 van 30.12.2004

Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie (VBOU-Luxemburg)

Verslag over de jaarrekening van het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie (VBOU-Luxemburg) betreffende het per 31 december 1999 afgesloten begrotingsjaar

PB C 373 van 27.12.2000

Verslag over de jaarrekening van het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie (VBOU-Luxemburg) betreffende het per 31 december 2000 afgesloten begrotingsjaar

PB C 372 van 28.12.2001

Verslag over de jaarrekening van het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie betreffende het begrotingsjaar 2001

PB C 326 van 27.12.2002

Verslag over de jaarrekening van het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie betreffende het begrotingsjaar 2002

PB C 319 van 30.12.2003

Verslag over de jaarrekening van het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie betreffende het begrotingsjaar 2003

PB C 324 van 30.12.2004

Europese Stichting voor Opleiding (ESO-Turijn)

Verslag over de jaarrekening van de Europese Stichting voor opleiding (ESO-Turijn) betreffende het per 31 december 1999 afgesloten begrotingsjaar

PB C 373 van 27.12.2000

Verslag over de jaarrekening van de Europese Stichting voor opleiding (ESO-Turijn) betreffende het per 31 december 2000 afgesloten begrotingsjaar

PB C 372 van 28.12.2001

Verslag over de jaarrekening van de Europese Stichting voor opleiding betreffende het begrotingsjaar 2001

PB C 326 van 27.12.2002

Verslag over de jaarrekening van de Europese Stichting voor opleiding betreffende het begrotingsjaar 2002

PB C 319 van 30.12.2003

Verslag over de jaarrekening van de Europese Stichting voor opleiding betreffende het begrotingsjaar 2003

PB C 324 van 30.12.2004

Europees Waarnemingscentrum voor racisme en vreemdelingenhaat (EWRV-Wenen)

Verslag over de jaarrekening van het Europees Waarnemingscentrum voor racisme en vreemdelingenhaat (Wenen) betreffende het per 31 december 1999 afgesloten begrotingsjaar

PB C 373 van 27.12.2000

Verslag over de jaarrekening van het Europees Waarnemingscentrum voor racisme en vreemdelingenhaat (EWRV-Wenen) betreffende het per 31 december 2000 afgesloten begrotingsjaar

PB C 372 van 28.12.2001

Verslag over de jaarrekening van het Europees Waarnemingscentrum voor racisme en vreemdelingenhaat betreffende het begrotingsjaar 2001

PB C 326 van 27.12.2002

Verslag over de jaarrekening van het Europees Waarnemingscentrum voor racisme en vreemdelingenhaat betreffende het begrotingsjaar 2002

PB C 319 van 30.12.2003

Verslag over de jaarrekening van het Europees Waarnemingscentrum voor racisme en vreemdelingenhaat betreffende het begrotingsjaar 2003

PB C 324 van 30.12.2004

Europees Bureau voor wederopbouw (Thessaloniki)

Verslag over de financiële verantwoording van het Europees Bureau voor wederopbouw en de implementatie van de steun voor Kosovo voor het jaar 2000

PB C 355 van 13.12.2001

Verslag over de jaarrekening van het Europees Bureau voor wederopbouw betreffende het begrotingsjaar 2001

PB C 326 van 27.12.2002

Verslag over de jaarrekening van het Europees Bureau voor wederopbouw betreffende het begrotingsjaar 2002

PB C 319 van 30.12.2003

Verslag over de jaarrekening van het Europees Bureau voor wederopbouw betreffende het begrotingsjaar 2003

PB C 41 van 17.2.2005

Europees Agentschap voor maritieme veiligheid

Verslag over de jaarrekening van het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid betreffende het begrotingsjaar 2003

PB C 324 van 30.12.2004

Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart

Verslag over de jaarrekening van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart betreffende het begrotingsjaar 2003

PB C 324 van 30.12.2004

Europese Autoriteit voor voedselveiligheid

Verslag over de jaarrekening van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid betreffende het begrotingsjaar 2003

PB C 324 van 30.12.2004

Eurojust

Verslag over de jaarrekening van Eurojust betreffende het begrotingsjaar 2002

PB C 319 van 30.12.2003

Verslag over de jaarrekening van Eurojust betreffende het begrotingsjaar 2003

PB C 324 van 30.12.2004

Conventie

Verslag over de rekeningen, opgesteld door de secretaris-generaal van de Conventie over de toekomst van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2002 (21 februari-31 december 2002)

PB C 122 van 22.5.2003

Verslag over de rekeningen, opgesteld door de secretaris-generaal van de Conventie over de toekomst van de Europese Unie voor het per 31 december 2003 afgesloten begrotingsjaar

PB C 157 van 14.6.2004

Gemeenschappelijke onderneming Galileo

Verslag over de rekeningen van de gemeenschappelijke onderneming Galileo betreffende het per 31 december 2003 afgesloten begrotingsjaar

Niet in het PB gepubliceerd

Verslag over de rekeningen van de gemeenschappelijke onderneming Galileo betreffende het per 31 december 2004 afgesloten begrotingsjaar

Niet in het PB gepubliceerd

Adviezen

Advies nr. 1/2000 over een voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van het Financieel Reglement van 21 december 1977 tot scheiding van de functie van interne audit en de functie van financiële controle vooraf (artikel 24, vijfde alinea, van het Financieel Reglement)

PB C 327 van 17.11.2000

Advies nr. 2/2000 betreffende een voorstel tot wijziging van het financieel reglement van toepassing op het Communautair Bureau voor plantenrassen (CBPR-Angers)

Niet in het PB gepubliceerd

Advies nr. 1/2001 over een voorstel voor een verordening van de Raad houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1258/1999 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en van verscheidene andere verordeningen betreffende het gemeenschappelijk landbouwbeleid

PB C 55 van 21.2.2001

Advies nr. 2/2001 over een voorstel voor een verordening van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen

PB C 162 van 5.6.2001

Advies nr. 3/2001 van de Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen over een voorstel voor een verordening van de Raad tot vaststelling van bijzondere maatregelen inzake beëindiging van de dienst door ambtenaren van de Commissie van de Europese Gemeenschappen naar aanleiding van de hervorming van de Commissie

PB C 162 van 5.6.2001

Advies nr. 4/2001 van de Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen over een voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (Euratom, EGKS, EEG) nr. 549/69 ter bepaling van de categorieën van ambtenaren en overige personeelsleden van de Europese Gemeenschappen waarop de bepalingen van de artikelen 12, 13, tweede alinea, en 14 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Gemeenschappen van toepassing zijn (onderwerp: belasting van de ontvangers van de vergoeding wegens beëindiging van de dienst)

PB C 162 van 5.6.2001

Advies nr. 5/2001 over een voorstel tot wijziging van het financieel reglement van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (BHIM-Alicante)

Niet in het PB gepubliceerd

Advies nr. 6/2001 over een ontwerp voor een verordening van de Commissie tot wijziging van Verordening nr. 3418/93 van de Commissie van 9 december 1993 houdende uitvoeringsvoorschriften betreffende een aantal bepalingen van het Financieel Reglement van 21 december 1977

Niet in het PB gepubliceerd

Advies nr. 7/2001 van de Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen over een voorstel voor een verordening van de Raad houdende wijziging van Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 tot vaststelling van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen

Niet in het PB gepubliceerd

Advies nr. 8/2001 over een voorstel voor een verordening van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken in het kader van het beheer van de communautaire programma's worden gedelegeerd

PB C 345 van 6.12.2001

Advies nr. 9/2001 over een voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de strafrechtelijke bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap (2001/0115 (COD — COM(2001) 272 def.)

PB C 14 van 17.1.2002

Advies nr. 1/2002 over een voorstel tot wijziging van het financieel reglement van het Europees Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (BHIM-Alicante)

Niet in het PB gepubliceerd

Advies nr. 2/2002 over een gewijzigd voorstel voor een verordening van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen

PB C 92 van 17.4.2002

Advies nr. 3/2002 betreffende een voorstel voor het financieel reglement van toepassing op de begroting van Eurojust

Niet in het PB gepubliceerd

Advies nr. 4/2002 betreffende een gewijzigd voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (Euratom, EGKS, EEG) nr. 549/69 ter bepaling van de categorieën van ambtenaren en overige personeelsleden van de Europese Gemeenschappen waarop de bepalingen van de artikelen 12, 13, tweede alinea, en 14 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Gemeenschappen van toepassing zijn

PB C 225 van 20.9.2002

Advies nr. 5/2002 betreffende een gewijzigd voorstel voor een verordening van de Raad tot vaststelling van bijzondere maatregelen inzake beëindiging van de dienst door ambtenaren van de Commissie van de Europese Gemeenschappen naar aanleiding van de hervorming van de Commissie

PB C 236 van 1.10.2002

Advies nr. 6/2002 betreffende een voorstel voor een verordening van de Raad tot vaststelling van bijzondere maatregelen inzake beëindiging van de dienst door ambtenaren van het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie

PB C 236 van 1.10.2002

Advies nr. 7/2002 betreffende een voorstel voor een verordening van de Raad tot vaststelling van bijzondere maatregelen inzake beëindiging van de dienst door ambtenaren en tijdelijke functionarissen van de politieke fracties van het Europees Parlement

PB C 236 van 1.10.2002

Advies nr. 8/2002 betreffende een voorstel voor een herzien financieel reglement van toepassing op de begroting van het Europees Bureau voor wederopbouw

Niet in het PB gepubliceerd

Advies nr. 9/2002 over de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid

PB C 285 van 21.11.2002

Advies nr. 10/2002 over een voorstel van de Commissie tot wijziging van de oprichtingsbesluiten van de communautaire organen als gevolg van de goedkeuring van het nieuwe Financieel Reglement

PB C 285 van 21.11.2002

Advies nr. 11/2002 over een ontwerp van verordening van de Commissie houdende de financiële kaderregeling van de in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad (Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen) bedoelde organen

PB C 12 van 17.1.2003

Advies nr. 12/2002 over het voorstel voor een verordening van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op het negende Europees Ontwikkelingsfonds krachtens de op 23 juni 2000 te Cotonou ondertekende ACS-EG-partnerschapsovereenkomst

PB C 12 van 17.1.2003

Advies nr. 13/2002 over een ontwerp-verordening van de Commissie houdende uitvoeringsvoorschriften van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (uitgebracht krachtens artikel 279 van het EG-Verdrag)

PB C 12 van 17.1.2003

Advies nr. 14/2002 van de Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen over een voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van het sStatuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen

PB C 21 van 28.1.2003

Advies nr. 1/2003 over een voorstel voor een verordening van het begrotingscomité van het Europees Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) tot vaststelling van de financiële bepalingen van toepassing op het Bureau („financieel reglement”)

Niet in het PB gepubliceerd

Advies nr. 2/2003 over een voorstel voor een verordening van de raad van bestuur van het Communautair Bureau voor plantenrassen tot vaststelling van de financiële bepalingen van toepassing op het Bureau („financieel reglement”)

Niet in het PB gepubliceerd

Advies nr. 3/2003 over het ontwerp-financieel reglement van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid

Niet in het PB gepubliceerd

Advies nr. 4/2003 over een ontwerp van financieel reglement van toepassing op het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie

Niet in het PB gepubliceerd

Advies nr. 5/2003 van de Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen over een voorstel voor een verordening van de Raad tot instelling van tijdelijke bijzondere maatregelen betreffende de aanwerving van ambtenaren van de Europese Gemeenschappen naar aanleiding van de toetreding van Cyprus, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Malta, Polen, Slovenië, Slowakije en Tsjechië

PB C 224 van 19.9.2003

Advies nr. 6/2003 over het ontwerp van financieel reglement voor het Europees Bureau voor de geneesmiddelenbeoordeling

Niet in het PB gepubliceerd

Advies nr. 7/2003 over een voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 houdende toepassing van Besluit 2000/597/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen

PB C 318 van 30.12.2003

Advies nr. 8/2003 over een voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een communautair actieprogramma ter bevordering van acties op het gebied van de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap

PB C 318 van 30.12.2003

Advies nr. 9/2003 over een ontwerp-verordening van de Commissie houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd

PB C 19 van 23.1.2004

Advies nr. 10/2003 over een voorstel voor een verordening van de Raad houdende wijziging van Verordening (EG, Euratom) nr. 2728/94 tot instelling van een Garantiefonds

PB C 19 van 23.1.2004

Advies nr. 1/2004 over een gewijzigd voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen

PB C 75 van 24.3.2004

Advies nr. 2/2004 over het model „single audit” (en een voorstel voor een communautair internecontrolekader)

PB C 107 van 30.4.2004

Advies nr. 1/2005 over het voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid

PB C 121 van 20.5.2005 en PB C 167 van 7.7.2005

Advies nr. 2/2005 over het voorstel verordening van de Raad houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds

PB C 121 van 20.5.2005

Advies nr. 3/2005 over een ontwerp-verordening van de Commissie tot wijziging van Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen

PB C 124 van 23.5.2005

Advies nr. 4/2005 over een voorstel voor een besluit van de Raad betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen en een voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de uitvoeringsmaatregelen voor de correctie van begrotingsonevenwichtigheden overeenkomstig de artikelen 4 en 5 van het besluit van de Raad van (…) betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen

PB C 167 van 7.7.2005

Advies nr. 5/2005 over de op 16 september 2004 door de raad van bestuur van het Communautair Bureau voor plantenrassen vastgestelde ontwerp-wijziging van het financieel reglement van het Bureau

Niet in het PB gepubliceerd

Advies nr. 6/2005 over een voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1073/1999 en (Euratom) nr. 1074/1999 betreffende de door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) verrichte onderzoeken

PB C 202 van 18.8.2005

Advies nr. 7/2005 over een ontwerp-verordening van de Commissie tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1653/2004 wat betreft de functie van rekenplichtige van een uitvoerend agentschap

PB C 249 van 7.10.2005