ISSN 1725-2474

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 233

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

48e jaargang
22 september 2005


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

I   Mededelingen

 

Commissie

2005/C 233/1

Wisselkoersen van de euro

1

2005/C 233/2

Ontvangstbevestiging van klacht nr. 2005/4313 — SG(2005)A/1204

2

2005/C 233/3

Voorafgaande aanmelding van een concentratie (Zaak COMP/M.3784 — Tridonicatco/Toyoda Gosei/LED JV) — Zaak die in aanmerking kan komen voor een vereenvoudigde procedure ( 1 )

3

2005/C 233/4

Voorafgaande aanmelding van een concentratie (Zaak COMP/M.3868 — DONG/Elsam/Energi E2) ( 1 )

4

2005/C 233/5

Steunmaatregelen van de staten — Italië — Steunmaatregel van de staten C 27/2005 (ex NN 69/2004) — Steun voor de aankoop van diervoeder in de regio Friuli-Venezia Giulia (artikel 6 van regionale wet nr. 14 van 20 augustus 2003 en de door de Kamer van Koophandel van Trieste opgestelde oproep tot het indienen van blijken van belangstelling — Uitnodiging overeenkomstig artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag opmerkingen te maken

5

2005/C 233/6

Bekendmaking van een registratieaanvraag overeenkomstig artikel 6, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 2081/92 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen

9

2005/C 233/7

Inleiding van een herzieningsprocedure bij het vervallen van de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op oplossingen van ureum en ammoniumnitraat uit Algerije, Belarus, Oekraïne en Rusland

14

2005/C 233/8

Bekendmaking overeenkomstig artikel 27, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad in Zaak COMP/37.749 — Samenwerkingsovereenkomst Austrian Airlines/SAS ( 1 )

18

2005/C 233/9

Steunmaatregelen van de staten — Frankrijk — Steunmaatregel van de staten C 29/2005 (ex NN 57/2005) — Werkprogramma's voor de sector groenten en fruit — Uitnodiging overeenkomstig artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag opmerkingen te maken

21

2005/C 233/0

Steunmaatregelen van de staten — Denemarken — Steunmaatregel van de staten C 10/2005 (ex NN 127/2000) — Road Combus A/S passenger transport — Uitnodiging overeenkomstig artikel 88, lid 2, van het EG-verdrag, om opmerkingen te maken ( 1 )

28

2005/C 233/1

Steunmaatregelen van de staten — Slowakije — Steunmaatregel nr. C 25/2005 (ex NN 21/2005) — Maatregel ten faveure van Frucona Košice — Uitnodiging overeenkomstig artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag opmerkingen te maken ( 1 )

47

 

III   Bekendmakingen

 

Commissie

2005/C 233/2

Uitnodiging tot het indienen van voorstellen voor OTO-werkzaamheden onder contract in het kader van het specifiek programma voor onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie Integratie en versterking van de Europese onderzoeksruimte — Thematisch prioritair gebied: Duurzame energiesystemen — Identificatie van de uitnodiging: FP6-2005-Energy-4

53

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

 


I Mededelingen

Commissie

22.9.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 233/1


Wisselkoersen van de euro (1)

21 september 2005

(2005/C 233/01)

1 euro=

 

Munteenheid

Koers

USD

US-dollar

1,2225

JPY

Japanse yen

135,95

DKK

Deense kroon

7,4591

GBP

Pond sterling

0,67505

SEK

Zweedse kroon

9,3345

CHF

Zwitserse frank

1,5519

ISK

IJslandse kroon

75,08

NOK

Noorse kroon

7,7925

BGN

Bulgaarse lev

1,9557

CYP

Cypriotische pond

0,5730

CZK

Tsjechische koruna

29,393

EEK

Estlandse kroon

15,6466

HUF

Hongaarse forint

246,29

LTL

Litouwse litas

3,4528

LVL

Letlandse lat

0,6960

MTL

Maltese lira

0,4293

PLN

Poolse zloty

3,8954

RON

Roemeense leu

3,4873

SIT

Sloveense tolar

239,48

SKK

Slowaakse koruna

38,445

TRY

Turkse lira

1,6340

AUD

Australische dollar

1,5834

CAD

Canadese dollar

1,4264

HKD

Hongkongse dollar

9,4884

NZD

Nieuw-Zeelandse dollar

1,7449

SGD

Singaporese dollar

2,0526

KRW

Zuid-Koreaanse won

1 257,95

ZAR

Zuid-Afrikaanse rand

7,7809

CNY

Chinese yuan renminbi

9,8914

HRK

Kroatische kuna

7,4435

IDR

Indonesische roepia

12 487,84

MYR

Maleisische ringgit

4,608

PHP

Filipijnse peso

68,796

RUB

Russische roebel

34,6640

THB

Thaise baht

50,171


(1)  

Bron: door de Europese Centrale Bank gepubliceerde referentiekoers.


22.9.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 233/2


Ontvangstbevestiging van klacht nr. 2005/4313 — SG(2005)A/1204

(2005/C 233/02)

1.

De Europese Commissie heeft onder nummer 2005/4313 in het klachtenregister een klacht geregistreerd over het overschrijden van de 24-uur grenswaarde voor zwevende deeltjes (PM10) van 50 μg/m3 op reeds meer dan 35 kalenderdagen in 2005 in de buurt van de „Höhenstraße” in Frankfurt/Main in Duitsland.

2.

De Commissie heeft meer dan 30 van deze klachten ontvangen. Om de betrokkenen snel antwoord te geven en tegelijkertijd spaarzaam met haar administratieve middelen om te gaan, publiceert zij de ontvangstbevestiging in het Publicatieblad van de Europese Unie en op de volgende internetsite:

http://europa.eu.int/comm/secretariat_general/sg1/receipt/

3.

De klacht zal door de Commissie worden onderzocht in het licht van de toepasselijke communautaire wetgeving. De indieners van de klachten zullen op de hoogte worden gehouden van de resultaten van dit onderzoek en van de maatregelen die de Commissie naar aanleiding daarvan zal treffen; deze zullen uiteindelijk ook in het Publicatieblad van de Europese Unie en/of op internet worden bekendgemaakt.

4.

De Commissie tracht binnen 12 maanden na de datum van registratie van de klacht door het secretariaat-generaal een beslissing te nemen over de grond van de zaak (inleiding van een inbreukprocedure of seponering van de klacht).

5.

Indien de Commissie contact moet opnemen met de Duitse autoriteiten, zal zij de identiteit van de klagers niet vermelden om hun rechten te beschermen. De klagers kunnen de Commissie evenwel toestemming geven hun identiteit bekend te maken bij haar contacten met de Duitse autoriteiten.


22.9.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 233/3


Voorafgaande aanmelding van een concentratie

(Zaak COMP/M.3784 — Tridonicatco/Toyoda Gosei/LED JV)

Zaak die in aanmerking kan komen voor een vereenvoudigde procedure

(2005/C 233/03)

(Voor de EER relevante tekst)

1.

Op 14 september 2005 ontving de Commissie een aanmelding van een voorgenomen concentratie in de zin van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (1) waarin wordt meegedeeld dat de onderneming TridonicAtco Gmbh & Co KG („Tridonic”, Oostenrijk) die deel uitmaakt van de Zumtobel groep en welke onder de uiteindelijke controle staat van KKR, en Toyoda Gosei (Japan), die deel uitmaakt van de Toyota Motor Company, in de zin van artikel 3, lid 1, sub b), van genoemde verordening gezamenlijk zeggenschap verkrijgen over een nieuw gestichte vennootschap die een gezamenlijke onderneming is.

2.

De bedrijfswerkzaamheden van de betrokken ondernemingen zijn:

voor Tridonic: verlichtingscomponenten;

voor Zumtobel: verlichtingsapparatuur;

voor KKR: investeringsmaatschappij;

voor Toyoda Gosei: productie en verkoop van automobielcomponenten en opto-electronics;

voor Toyota Motor Company: autofabrikant;

voor NewCo: ontwikkeling, productie en verkoop van hoog vermogen diodes (HB-LEDs).

3.

Op grond van een voorlopig onderzoek is de Commissie van oordeel dat de aangemelde transactie binnen het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 139/2004 kan vallen. Ten aanzien van dit punt wordt de definitieve beslissing echter aangehouden. In het licht van de Mededeling van de Commissie betreffende een vereenvoudigde procedure voor de behandeling van bepaalde concentraties krachtens Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (2) wordt vermeld dat deze zaak in aanmerking kan komen voor deze procedure.

4.

De Commissie verzoekt belanghebbende derden hun eventuele opmerkingen ten aanzien van de voorgenomen concentratie kenbaar te maken aan de Commissie.

Deze opmerkingen moeten de Commissie uiterlijk tien dagen na dagtekening van deze bekendmaking hebben bereikt. Zij kunnen per fax ((32-2) 296 43 01 of 296 72 44) of per post, onder vermelding van referentienummer COMP/M.3784 — Tridonicatco/Toyoda Gosei/LED JV, aan onderstaand adres worden toegezonden:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Concurrentie

Griffie voor concentraties

J-70

B-1049 Brussel.


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1.

(2)  PB C 56 van 5.3.2005, blz. 32.


22.9.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 233/4


Voorafgaande aanmelding van een concentratie

(Zaak COMP/M.3868 — DONG/Elsam/Energi E2)

(2005/C 233/04)

(Voor de EER relevante tekst)

1.

Op 13 september 2005 ontving de Commissie een aanmelding van een voorgenomen concentratie in de zin van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (1) waarin wordt meegedeeld dat de onderneming DONG A/S („DONG”, Denemarken) in de zin van artikel 3, lid 1, sub b), van genoemde verordening volledig zeggenschap verkrijgt over Elsam A/S („Elsam”, Denemarken), Energi E2 („E2”, Denemarken), Københavns Energy Holding A/S („KE”, Denemarken) en Frederiksberg Elnet A/S („FE”, Denemarken in de zin van artikel 3, lid 1, sub b), van genoemde verordening door de aankoop van aandelen en activa.

2.

De bedrijfswerkzaamheden van de betrokken ondernemingen zijn:

voor DONG: exploratie, productie en off-shore transport en verkoop van olie en gas, opslag en distributie van gas, gebruik van duurzame energie voor elektriciteit en warmte, de productie en verkoop van elektriciteit;

voor Elsam: de productie en (financiële en fysieke) handel in elektriciteit op de groothandelsmarkt en aan eindgebruikers, leverancier van stadsverwarming;

voor E2: de productie, groothandel en (financiële en fysieke) handel in elektriciteit, leverancier van stadsverwarming;

voor KE: verzorging van huishoudens en ondernemingen met elektriciteit;

voor FE: verzorging van huishoudens en ondernemingen met elektriciteit.

3.

Op grond van een voorlopig onderzoek is de Commissie van oordeel dat de aangemelde transactie binnen het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 139/2004 kan vallen. Ten aanzien van dit punt wordt de definitieve beslissing echter aangehouden.

4.

De Commissie verzoekt belanghebbende derden hun eventuele opmerkingen ten aanzien van de voorgenomen concentratie kenbaar te maken aan de Commissie.

Deze opmerkingen moeten de Commissie uiterlijk tien dagen na dagtekening van deze bekendmaking hebben bereikt. Zij kunnen per fax ((32-2) 296 43 01 of 296 72 44) of per post, onder vermelding van referentienummer COMP/M.3868 — DONG/Elsam/Energi E2, aan onderstaand adres worden toegezonden:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Concurrentie

Griffie voor concentraties

J-70

B-1049 Brussel.


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1.


22.9.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 233/5


STEUNMAATREGELEN VAN DE STATEN — ITALIË

Steunmaatregel van de staten C 27/2005 (ex NN 69/2004) — Steun voor de aankoop van diervoeder in de regio Friuli-Venezia Giulia (artikel 6 van regionale wet nr. 14 van 20 augustus 2003 en de door de Kamer van Koophandel van Trieste opgestelde oproep tot het indienen van blijken van belangstelling

Uitnodiging overeenkomstig artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag opmerkingen te maken

(2005/C 233/05)

De Commissie heeft Italië bij schrijven van 20 juli 2005, dat na deze samenvatting in de authentieke taal is weergegeven, in kennis gesteld van haar besluit tot inleiding van de procedure van artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag ten aanzien van de bovengenoemde steunmaatregel.

Belanghebbenden kunnen hun opmerkingen over de steunmaatregel ten aanzien waarvan de Commissie de procedure inleidt, maken door deze binnen één maand vanaf de datum van deze bekendmaking te zenden aan:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling

Directoraat H. Landbouwwetgeving

Eenheid H.2. Mededingingsvoorwaarden

Wetstraat 130 5/128

B-1049 Brussel

Fax (32-2) 296 76 72

Deze opmerkingen zullen ter kennis van Italië worden gebracht. Een belanghebbende die opmerkingen maakt kan, met opgave van redenen, schriftelijk verzoeken om vertrouwelijke behandeling van zijn identiteit.

SAMENVATTING

De maatregel heeft tot doel compensatiesteun te verlenen aan boeren in de regio Friuli-Venezia Giulia die vanwege de droogte in 2003 minder voer voor hun dieren hebben geproduceerd en het tekort tegen marktvoorwaarden moesten aankopen.

Beoordeling

Gezien de informatie waarover zij beschikt, stelt de Commissie zich vragen bij de verenigbaarheid van de steun met de gemeenschappelijke markt. De methode voor de berekening van het verliesniveau dat een boer moet bereiken om in aanmerking te komen voor de steun, en de methode voor de steunberekening stemmen namelijk niet overeen met de methoden die zijn vastgesteld in de communautaire richtsnoeren inzake staatssteun in de landbouwsector. Derhalve kan niet worden uitgesloten dat er sprake is van overcompensatie van het geleden verlies.

TEKST VAN DE BRIEF

«1.

Con la presente, ho l'onore di informarLa che la Commissione, dopo aver esaminato le informazioni fornite dalle autorità italiane, ha deciso di avviare il procedimento di cui all'articolo 88, paragrafo 2, del trattato CE, nei confronti della misura in oggetto.

Procedimento

2.

Con lettera del 2 aprile 2004, i servizi della Commissione, avendo appreso che la legge regionale 20 agosto 2003, n. 14 della Regione Friuli-Venezia Giulia conterrebbe disposizioni per la concessione di fondi alle Camere di commercio di Trieste e Gorizia per far fronte al fabbisogno di foraggio degli allevamenti colpiti dalla siccità del 2003, hanno chiesto alle autorità italiane una serie di delucidazioni al riguardo.

3.

Non essendo pervenuta alcuna risposta nel termine di quattro settimane concesso alle autorità italiane per comunicare le informazioni richieste, con lettera del 26 maggio 2004 i servizi della Commissione hanno inviato loro un sollecito.

4.

Con lettera del 10 giugno 2004, protocollata il 15 giugno 2004, la Rappresentanza permanente d'Italia presso l'Unione europea ha trasmesso ai servizi della Commissione una lettera delle autorità italiane nella quale queste ultime affermano di aver inviato alle Camere di commercio di Trieste e di Gorizia due note, datate rispettivamente 30 settembre 2003 e 12 marzo 2004, per richiamare la loro attenzione sulla necessità di pubblicare un invito a manifestare interesse per gli aiuti previsti dall'articolo 6 della summenzionata legge e di notificarlo alla Commissione.

5.

In base a tali informazioni, con lettera del 28 giugno 2004, i servizi della Commissione hanno chiesto alle autorità italiane, di comunicare loro i testi delle note specificate e degli inviti a manifestare interesse preparati dalle due Camere di commercio. Inoltre, essi hanno chiesto se fossero stati concessi aiuti e, in caso affermativo, di specificare gli importi e le modalità di concessione.

6.

Con lettera del 27 settembre 2004, protocollata il 29 settembre 2004, la Rappresentanza permanente d'Italia presso l'Unione europea ha comunicato alla Commissione i testi e le informazioni richiesti nella lettera del 28 giugno 2004.

7.

Poiché risultava chiaramente dalle suddette informazioni che l'invito a manifestare interesse della Camera di commercio di Trieste era già stato pubblicato e seguito da effetti e che, inoltre, gli aiuti che le Camere di commercio potevano versare o che avevano versato non erano contemplati dalle disposizioni del regime generale degli aiuti delle Camere di commercio, approvato dalla Commissione nell'ambito del fascicolo di aiuto N 241/01, i servizi della Commissione hanno deciso di aprire un fascicolo di aiuto non notificato con il numero NN 69/04.

8.

Con lettera del 12 novembre 2004, i servizi della Commissione hanno chiesto informazioni complementari sugli aiuti in oggetto alle autorità italiane.

9.

Lo stesso giorno, la Commissione ha ricevuto una lettera delle autorità italiane contenente informazioni che completavano quelle chieste nella lettera del 28 giugno 2004 (cfr. punto 5).

10.

Con lettera del 6 gennaio 2005, protocollata l'11 gennaio 2005, la Rappresentanza permanente d'Italia presso l'Unione europea ha trasmesso alla Commissione una lettera delle autorità italiane nella quale queste ultime chiedevano una proroga del termine che era stato loro concesso per fornire informazioni complementari sugli aiuti in oggetto, allo scopo di riesaminare la normativa regionale in materia.

11.

Con lettera del 25 gennaio 2005 i servizi della Commissione hanno concesso una proroga di un mese.

12.

Con lettera del 21 febbraio 2005, protocollata il 22 febbraio 2005, la Rappresentanza permanente d'Italia presso l'Unione europea ha trasmesso alla Commissione una lettera delle autorità italiane nella quale queste ultime precisavano che la Camera di commercio di Gorizia non aveva dato attuazione agli aiuti previsti e rinunciava a farlo (questa lettera è accompagnata da una delibera della stessa Camera di commercio che conferma tale informazione).

13.

Con lettere del 28 febbraio 2005, protocollata il 1o marzo 2005, e del 30 marzo 2005, protocollata il 31 marzo 2005, la Rappresentanza permanente d'Italia presso l'Unione europea ha trasmesso alla Commissione informazioni complementari in merito agli aiuti concessi dalla Camera di commercio di Trieste.

14.

Tenuto conto di quanto figura al punto 12, la decisione riguarderà unicamente gli aiuti concessi dalla Camera di commercio di Trieste.

Descrizione

15.

L'articolo 6 della legge regionale del Friuli-Venezia Giulia 20 agosto 2003, n. 14, stabilisce che l'amministrazione regionale è autorizzata a concedere un finanziamento straordinario di 170 000 EUR alla Camera di commercio, industria, artigianato e agricoltura di Trieste e di 80 000 EUR alla Camera di commercio, industria, artigianato e agricoltura di Gorizia, per far fronte alle eccezionali esigenze connesse all'alimentazione del bestiame delle aziende con allevamenti zootecnici colpite dalla siccità del 2003 e ricadenti in aree non servite da sistemi irrigui consortili.

16.

L'invito a manifestare interesse pubblicato dalla Camera di commercio di Trieste prevede un sostegno finanziario agli allevamenti della provincia di Trieste che sono stati colpiti dalla siccità del 2003 e che, non avendo potuto irrigare le loro superfici non servite da un sistema di irrigazione consortile, hanno subito una perdita di produzione di almeno il 20 % (nelle zone svantaggiate) o del 30 % (nelle altre zone). Tale sostegno si traduce in un aiuto all'acquisto di foraggi necessari all'alimentazione del bestiame.

17.

L'aiuto è versato dietro presentazione delle fatture relative agli acquisti di foraggi effettuati fra il 1o maggio e il 20 novembre 2003 e copre il quantitativo di foraggio necessario a soddisfare il fabbisogno nutrizionale calcolato per unità di bestiame (UB) presente nell'azienda e appartenente al conduttore. Le UB rappresentano i bovini, ovini, caprini ed equini da macello o utilizzati per il lavoro; nel caso degli animali da macello, sono interessati solo quelli allevati da conduttori a titolo principale o da coltivatori diretti iscritti presso la previdenza sociale dell'INPS (Istituto nazionale per la previdenza sociale) per il settore agricolo. Il termine „foraggio” designa qualsiasi tipo di fieno essiccato.

18.

Gli aiuti possono essere versati fino ad esaurimento del fondo creato a questo scopo e concessi a qualsiasi azienda ne faccia richiesta stabilita nella provincia di Trieste.

19.

Il quantitativo massimo di foraggio rimborsabile per UB è fissato a 15 quintali. Il prezzo di riferimento utilizzato per il calcolo dell'aiuto è fissato a 20 EUR, IVA esclusa. Qualora il numero di domande superi le previsioni, l'aiuto individuale sarà ridotto proporzionalmente per UB.

20.

Nel caso in cui gli allevamenti beneficiari chiedano e ottengano altri aiuti per le perdite dovute alla siccità del 2003, l'importo dell'aiuto previsto nell'invito a manifestare interesse sarà ridotto di conseguenza.

Valutazione

21.

Ai sensi dell'articolo 87, paragrafo 1, del trattato sono incompatibili con il mercato comune, nella misura in cui incidano sugli scambi tra Stati membri, gli aiuti concessi dagli Stati, ovvero mediante risorse statali, sotto qualsiasi forma che, favorendo talune imprese o talune produzioni, falsino o minaccino di falsare la concorrenza. In questa fase, gli aiuti previsti dalla legge regionale in oggetto sembrano corrispondere a questa definizione nel senso che favoriscono talune produzioni (le produzioni animali, in quanto l'aiuto all'acquisto di foraggi serve a permettere l'alimentazione degli animali) e possono incidere sugli scambi grazie alla posizione dell'Italia nelle suddette produzioni (a titolo di esempio, nel 2003 l'Italia ha realizzato il 15,3 % della produzione comunitaria di carne bovina, risultando così il terzo produttore di carne bovina dell'Unione).

22.

Tuttavia, nei casi previsti dall'articolo 87, paragrafi 2 e 3, del trattato, alcune misure possono, in via derogatoria, essere considerate compatibili con il mercato comune.

23.

Nella fattispecie, tenendo conto della natura degli aiuti sopra descritti, l'unica deroga che potrebbe essere invocata è quella prevista dall'articolo 87, paragrafo 3, lettera c), del trattato, in base alla quale possono essere ritenuti compatibili con il mercato comune gli aiuti destinati ad agevolare lo sviluppo di talune attività o di talune regioni economiche, sempre che non alterino le condizioni degli scambi in misura contraria al comune interesse (1).

24.

Perché questa deroga sia applicabile, la misura oggetto di esame, conseguente alla siccità del 2003, deve essere conforme alle disposizioni del punto 11.3 degli Orientamenti comunitari per gli aiuti di Stato nel settore agricolo (in appresso „gli orientamenti”) (2), relativo agli aiuti destinati ad indennizzare gli agricoltori delle perdite causate da avverse condizioni atmosferiche.

25.

Per quanto riguarda il rispetto delle suddette disposizioni (riprodotte in corsivo nel testo), la Commissione osserva quanto segue:

La Commissione autorizza la concessione di indennizzi quando il danno raggiunge una determinata soglia, fissata al 20 % della produzione normale nelle zone svantaggiate e al 30 % nelle altre zone. Qualora siano state danneggiate le colture annuali, la soglia di perdita pertinente va determinata sulla base del confronto tra la produzione lorda della coltura di cui trattasi nell'anno in questione e la produzione lorda media nelle tre campagne precedenti, escludendo gli anni in cui è stato pagato un compenso in seguito ad avverse condizioni atmosferiche (punto 11.3.2 degli orientamenti).

26.

Alla luce delle disposizioni del punto 16 supra, la Commissione constata che l'invito a manifestare interesse pubblicato dalla Camera di commercio di Trieste limita l'ambito dei potenziali beneficiari a quanti hanno subito una perdita di almeno il 20 % nelle zone svantaggiate e del 30 % nelle altre zone. Tuttavia, nel suddetto invito non figura alcun elemento che indichi su quale base le soglie di perdita in questione siano state calcolate.

27.

In questa fase e sulla base delle informazioni disponibili, la Commissione non può ritenere che le soglie di perdita siano state stabilite nel rigoroso rispetto delle disposizioni del punto 11.3 degli orientamenti e non può quindi escludere che siano stati ammessi al beneficio dell'aiuto alcuni agricoltori che non avrebbero potuto esserlo se le soglie di perdita fossero state calcolate come indicato al suddetto punto. Per il momento, quindi, essa non può che esprimere dei dubbi circa l'ammissibilità del metodo di determinazione delle soglie di perdita per la definizione dell'ambito dei beneficiari (a questo proposito, cfr. anche il punto 31).

Per evitare compensazioni eccessive, l'importo dell'aiuto pagabile non deve superare il livello medio della produzione durante il periodo normale moltiplicato per il prezzo medio nello stesso periodo, da cui si sottrae la produzione effettiva nell'anno in cui si è verificato l'evento moltiplicata per il prezzo medio in quell'anno. Dall'importo dell'aiuto vanno inoltre detratti eventuali pagamenti diretti (punto 11.3.2. degli orientamenti).

28.

In questa fase e alla luce delle disposizioni dei punti 17 e 19 supra, la Commissione constata che il metodo di calcolo dell'aiuto descritto nell'invito a manifestare interesse, pubblicato dalla Camera di commercio di Trieste, non corrisponde affatto a quello preconizzato dal punto 11.3 degli orientamenti, in quanto esso si basa semplicemente su un parametro di prezzi per unità di peso acquistato. Sulla base delle informazioni di cui può disporre, essa non è nemmeno in grado di stabilire se gli importi ottenuti attraverso l'applicazione del suddetto parametro sarebbero stati inferiori o superiori a quelli che avrebbe comportato l'applicazione della formula indicata al punto 11.3 degli orientamenti.

29.

In tali circostanze, la Commissione non può che dubitare, per il momento, dell'adeguatezza del metodo utilizzato per il calcolo dell'aiuto.

30.

Un secondo elemento che rafforza i dubbi espressi dalla Commissione risiede nella circostanza che l'invito a manifestare interesse indica che l'aiuto sarà versato sulla base delle fatture di acquisto del foraggio, ma non precisa che gli acquisti devono limitarsi al quantitativo di foraggio effettivamente perso a causa della siccità (esso specifica semplicemente che sarà preso in considerazione il fabbisogno alimentare per unità di bestiame mentre il quantitativo massimo di foraggio ammesso al rimborso viene indicato senza stabilire alcun nesso con il suddetto fabbisogno, elemento che consentirebbe di impedire che un allevatore possa approfittare della misura per acquistare quantitativi eccessivi di foraggio sapendo che, in ogni caso, verrebbe rimborsato).

31.

Un terzo elemento che rafforza i dubbi espressi dalla Commissione risiede nella circostanza che, nella lettera del 28 febbraio 2005, le autorità italiane hanno fornito una tabella contenente un elenco degli importi di aiuto che sono stati versati ad ogni beneficiario, nonché un elenco degli importi che avrebbero potuto essere versati a ciascuno di essi se fossero state applicate le disposizioni della legge italiana sulle calamità naturali (legge 185/92, che era ancora in vigore al momento in cui è stata adottata la misura d'aiuto). Oltre al fatto che la Commissione non dispone di alcuna indicazione precisa sui calcoli che sono stati effettuati sulla base della legge n. 185/92, da un raffronto fra i due elenchi in questione risulta chiaramente che alcuni agricoltori hanno ricevuto aiuti eccessivi e che altri non avrebbero potuto nemmeno essere ammessi all'aiuto. Quest'ultimo punto conferma i dubbi della Commissione non solo sul metodo di calcolo, ma anche per quanto riguarda il metodo seguito per determinare le soglie di perdita.

32.

È inoltre interessante osservare che la tabella summenzionata contiene una colonna che riporta l'importo che ciascun agricoltore potrebbe ricevere ai sensi del regolamento (CE) n. 1860/2004 della Commissione, del 6 ottobre 2004, relativo all'applicazione degli articoli 87 e 88 del trattato CE agli aiuti de minimis nei settori dell'agricoltura e della pesca (3) e che, pur tenendo conto di tale importo, alcuni agricoltori avrebbero sempre ricevuto aiuti eccessivi.

33.

Infine, per quanto riguarda la detrazione di eventuali aiuti diretti, la Commissione non ha ricevuto alcuna informazione in materia da parte delle autorità italiane (il punto 20 menziona gli altri aiuti eventualmente ottenuti in seguito alla siccità, ma non eventuali aiuti ottenuti nell'ambito della PAC). Essa non può quindi escludere, ancora una volta, che gli aiuti versati siano stati eccessivi.

Al fine di evitare compensazioni eccessive, vanno detratte dall'importo dell'aiuto eventuali somme percepite a titolo di regimi assicurativi. Occorre inoltre tener conto delle spese ordinarie non sostenute dall'agricoltore, come nel caso in cui non sia necessario effettuare il raccolto.

34.

La Commissione osserva che il punto 20 non fa alcun riferimento né a eventuali interventi di compagnie assicuratrici, né alle spese per il raccolto eventualmente non sostenute. Essa non può quindi che dubitare, in questa fase, dell'assenza di rischi di compensazione eccessiva delle perdite subite.

35.

Sulla base delle considerazioni che precedono, la Commissione, in questa fase, non è in grado di ritenere che i contributi versati agli agricoltori del Friuli, colpiti dalla siccità nel 2003, possano beneficiare della deroga prevista all'articolo 87, paragrafo 3, lettera c), del trattato, in quanto aiuti destinati ad agevolare lo sviluppo di alcune attività o regioni economiche senza alterare gli scambi in misura contraria al comune interesse.

36.

Per questa ragione, la Commissione ha quindi deciso, a questo riguardo, di avviare il procedimento previsto dall'articolo 88, paragrafo 2, del trattato.

37.

Nell'ambito di tale procedimento la Commissione invita l'Italia a presentare le proprie osservazioni e a fornire ogni altro complemento d'informazione utile per la valutazione degli aiuti in oggetto nel termine di un mese a decorrere dalla data di ricevimento della presente. Essa invita inoltre le autorità italiane a trasmettere immediatamente copia della presente lettera ai beneficiari potenziali dell'aiuto.

38.

La Commissione desidera richiamare l'attenzione dell'Italia sul fatto che l'articolo 88, paragrafo 3, del trattato CE, ha effetto sospensivo e che, in forza dell'articolo 14 del regolamento (CE) n. 659/1999 del Consiglio, essa può imporre allo Stato membro interessato di recuperare presso il beneficiario eventuali aiuti illegalmente concessi.»


(1)  La deroga prevista dall'articolo 87, paragrafo 2, lettera b), riguarda le vere calamità naturali e non gli eventi assimilabili ad esse (la normativa comunitaria in materia di aiuti di Stato nel settore agricolo precisa che la Commissione ha sempre considerato che la siccità non poteva essere considerata in quanto tale una calamità naturale ai sensi dell'articolo 87, paragrafo 2, lettera b), del trattato).

(2)  GU C 232 del 12.8.2000, pag. 17.

(3)  GU L 325 del 28.10.2004, pag. 4.


22.9.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 233/9


Bekendmaking van een registratieaanvraag overeenkomstig artikel 6, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 2081/92 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen

(2005/C 233/06)

Naar aanleiding van deze bekendmaking kan bezwaar worden aangetekend op grond van artikel 7 of artikel 12 quinquies van de genoemde verordening. Elk bezwaar tegen deze registratieaanvraag moet binnen zes maanden na deze bekendmaking worden ingediend via de bevoegde autoriteit van een lidstaat, van een staat die lid van de WTO is, of van een overeenkomstig artikel 12, lid 3, erkend derde land. Geoordeeld wordt dat de hiernavolgende gegevens, met name die in punt 4.6, de registratieaanvraag rechtvaardigen in de zin van Verordening (EEG) nr. 2081/92; zij zijn het motief voor deze bekendmaking.

SAMENVATTING

VERORDENING (EEG) Nr. 2081/92 VAN DE RAAD

„HUILE D'OLIVE DE CORSE” OF „HUILE D'OLIVE DE CORSE — OLIU DI CORSICA”

EG-nummer: FR/00428/11.11.2004

BOB (X ) BGA ( )

Deze samenvatting is opgesteld voor informatieve doeleinden. Voor volledige informatie, met name ten behoeve van de producenten van het product met de betrokken BOB of BGA, dient de volledige versie van het productdossier te worden geraadpleegd hetzij op nationaal niveau, hetzij bij de bevoegde diensten van de Europese Commissie (1).

1.   Bevoegde dienst van de lidstaat

Naam:

Institut National des Appellations d'Origine

Adres:

138, Champs-Elysées — 75008 Paris — France

Sinds 1 januari 2005: 51, rue d'Anjou 75008 Paris — France

Tel.

01 53 89 80 00

Fax

01 42 25 57 97

2.   Groepering

2.1.   Naam: Syndicat AOC Oliu di Corsica — Huile d'olive de Corse.

2.2.   Adres:

Cutaghjolu. 20240 Ghisonaccia

Tel. 04 95 56 64 97

E-mail: oliudicorsica@free.fr

2.3.   Samenstelling: producenten/verwerkers (X) anderen ( )

3.   Productcategorie

Categorie 1.5 — Oliën en vetten

4.   Overzicht van het productdossier

(samenvatting van de in artikel 4, lid 2, voorgeschreven gegevens)

4.1.   Naam: „Huile d'olive De Corse” of „Huile d'olive de Corse — Oliu di Corsica”

4.2.   Beschrijving: Olijfolie van Corsica („Huile d'olive de Corse” of „Huile d'olive de Corse — Oliu di Corsica”) heeft een zachte smaak, nagenoeg zonder scherpe of bittere tonen. Het aroma van de olie is verfijnd en herinnert aan gedroogd fruit, gebak en de macquis.

De kleur van de olie is strogeel tot lichtgeel, met soms een groene tint.

4.3.   Geografisch gebied: Het geografisch gebied omvat het grondgebied van de volgende 297 gemeenten:

Département de Corse du sud: Afa; Ajaccio; Alata; Albitreccia; Altagene; Ambiegna; Appietto; Arbellara; Arbori; Argiusta-Moriccio; Arro; Azilone-Ampaza; Azzana; Balogna; Bastelicaccia; Belvedere-Campomoro; Bilia; Bonifacio; Calcatoggio; Campo; Cannelle; Carbini; Carbuccia; Cardo-Torgia; Cargese; Cargiaca; Casaglione; Casalabriva; Cauro; Coggia; Cognocoli-Monticchi; Conca; Corrano; Coti-Chiavari; Cuttoli-Corticchiato; Eccica-Suarella; Figari; Foce; Forciolo; Fozzano; Frasseto; Giuncheto; Granace; Grossa; Grosseto-Prugna; Guarguale; Lecci; Letia; Levie; Lopigna; Loreto-Di-Tallano; Marignana; Mela; Moca-Croce; Monacia-D'aullene; Murzo; Ocana; Olivese; Olmeto; Olmiccia; Osani; Ota; Partinello; Peri; Petreto-Bicchisano; Piana; Pianottoli-Caldarello; Pietrosella; Pila-Canale; Porto-Vecchio; Propriano; Rosazia; Salice; Sari-Solenzara; Sari-D'orcino; Sarrola-Carcopino; Sartene; Serra-Di-Ferro; Serra-Di-Scopamene; Serriera; Sollacaro; Sorbollano; Sotta; Sant'andrea-D'orcino; San-Gavino-Di-Carbini; Sainte-Lucie-De-Tallano; Santa-Maria-Figaniella; Santa-Maria-Siche; Tavaco; Ucciani; Urbalacone; Valle-Di-Mezzana; Vero; Vico; Viggianello; Villanova; Ze rubia; Zevaco; Zigliara; Zonza; Zoza.

Département de Haute Corse: Aghione; Aland; Aleria; Algajola; Altiani; Ampriani; Antisanti; Aregno; Avapessa; Barbaggio; Barrettali; Bastia; Belgodere; Bigorno; Biguglia; Bisinchi; Borgo; Brando;Cagnano; Calenzana; Calvi; Campi; Campile; Campitello; Canale-Di-Verde; Canari; Canavaggia; Casabianca; Casalta; Casevecchie; Castellare-di-Casinca; Castellare-di-Mercurio; Castello-di-Rostino; Castifao; Castiglione; Castineta; Castirla; Cateri; Centuri; Cervione; Chiatra; Chisa; Corbara; Costa; Croce; Crocicchia; Erbajolo; Ersa; Farinole; Favalello; Feliceto; Ficaja; Focicchia; Furiani; Galeria; Gavignano; Ghisonaccia; Giocatojo; Giuncaggio; Ile-Rousse; Isolaccio-Di-Fiumorbo; Lama; Lavatoggio; Lento; Linguizzetta; Loreto-Di-Casinca; Lucciana; Lugo-Di-Nazza; Lumio; Luri; Manso; Matra; Meria; Moita; Moltifao; Monacia-D'orezza; Moncale; Monte; Montegrosso; Monticello; Morosaglia; Morsiglia; Murato; Muro; Nessa; Nocario; Noceta; Nonza; Novella; Occhiatana; Ogliastro; Olcani; Oletta; Olmeta-Di-Capocorso; Olmeta-Di-Tuda; Olmo; Omessa; Ortiporio; Palasca; Pancheraccia; Parata; Patrimonio; Penta-Acquatella; Penta-Di-Casinca; Pero-Casevecchie; Piano; Piazzole; Piedicorte-Di-Gaggio; Piedicroce; Piedigriggio; Pietralba; Pietracorbara; Pietra-Di-Verde; Pietraserena; Pietroso; Pieve; Pigna; Pino; Poggio-Di-Nazza; Poggio-Di-Venaco; Poggio-D'oletta; Poggio-Marinaccio; Poggio-Mezzana; Polveroso; Popolasca; Porri; Porta; Prato-Di-Giovellina; Prunelli-Di-Casacconi; Prunelli-Di-Fiumorbo; Pruno; Quercitello; Rapaggio; Rapale; Riventosa; Rogliano; Rospigliani; Rutali; Scata; Scolca; Sermano; Serra-Di-Fiumorbo; Silvareccio; Sisco; Solaro; Sorbo-Ocagnano; Sorio; Soveria; Speloncato; Stazzona; Sant'andrea-Di-Bozio; Sant'andrea-Di-Cotone; Sant'antonino; San-Damiano; Saint-Florent; San-Gavino-D'ampugnani; San-Gavino-Di-Fiumorbo; San-Gavino-Di-Tenda; San-Giovanni-Di-Moriani; San-Giuliano; San-Martino-Di-Lota; Santa-Lucia-Di-Mercurio; Santa-Lucia-Di-Moriani; Santa-Maria-Di-Lota; Santa-Maria-Poggio; San-Nicolao; Santo-Pietro-Di-Tenda; Santo-Pietro-Di-Venaco; Santa-Reparata-Di-Balagna; Santa-Reparata-Di-Moriani; Taglio-Isolaccio; Talasani; Tallone; Tomino; Tox; Tralonca; Urtaca; Vallecalle; Valle-Di-Campoloro; Valle-Di-Rostino; Valle-D'orezza; Velone-Orneto; Ventiseri; Venzolasca; Verdese; Vescovato; Vezzani; Vignale; Ville-Di-Paraso; Ville-Di-Pietrabugno; Volpajola; Zalana; Zilia; Zuani.

Delen van de volgende gemeenten: Corte; Venaco.

Dit gebied telt een groot aantal afzonderlijke productiegebieden vanwege het zeer afwisselende reliëf op het eiland, het gebrek aan vlakke gebieden en het feit dat een deel van het grondgebied boven de 1 000 meter ligt en moeilijk te bereiken is.

De vorm van het landschap, met steile hellingen, is bepaald door de samenstelling van de bodem, hoofdzakelijk schist en graniet met enkele kalkafzettingen.

De grond in de gebieden waar olijfbomen zijn geplant, is vooral ontstaan door de afbraak van de twee belangrijkste steensoorten in de bodem. Het gemeenschappelijke kenmerk van de bodemsoorten die hierdoor zijn ontstaan, is de betrekkelijk ondiepe en dus veeleer arme en droge bovenlaag.

Corsica heeft een mediterraan klimaat met in de zomer ongeveer 5 maanden droogte, gunstige temperaturen voor olijfbomen (zachte winters, warme zomers en nauwelijks vorst op de plaatsen waar olijfbomen worden geplant), een sterk geïsoleerde ligging maar ook invloeden van zee die zorgen voor de juiste vochtigheid.

4.4.   Bewijs van oorsprong: Enkel olie waarvoor overeenkomstig de wettelijk vastgestelde voorschriften voor de erkenning van producten van de olijventeelt die in aanmerking komen voor een beschermde oorsprongsbenaming, een keurmerk werd verleend door het Institut national des appellation d'origine (Nationaal Instituut tot Bescherming van de Oorsprongsbenamingen — INAO) mag onder de beschermde oorsprongsbenaming „Huile d'olive de Corse” of „Huile d'olive de Corse — Oliu di Corsica” in de handel worden gebracht.

Elke handeling met betrekking tot de productie van de grondstof en de bereiding van de olijfolie moet worden uitgevoerd binnen het afgebakende geografische gebied.

De procedure voor de productie van de grondstof verloopt als volgt:

identificatie van een perceel door de opstelling van een lijst van percelen die, op basis van criteria met betrekking tot de inplanting van de olijfbomen en de productievoorschriften (variëteit en verzorging van de boomgaard), geschikt zijn voor de productie van de „Huile d'olive de Corse” of „Huile d'olive de Corse — Oliu di Corsica”,

een jaarlijkse oogstaangifte door de producent, waarbij melding wordt gemaakt van het productieareaal, met inachtneming van de vastgestelde maximumopbrengst, de geoogste hoeveelheid olijven en hun bestemming (conserveren, plaats van verwerking),

De verwerkingsprocedure verloopt als volgt:

verwerkingsaangifte: de verwerker doet jaarlijks aangifte van de totale hoeveelheid verwerkt product,

erkenningsaanvraag: de verwerker dient een aanvraag voor een keurmerk in aan de hand waarvan kan worden nagegaan waar en hoe de betrokken producten zijn opgeslagen.

De procedure wordt afgerond met een analytisch en organoleptisch onderzoek om na te gaan of aan alle eisen inzake kwaliteit en typische kenmerken van het product is voldaan.

Ten slotte moeten alle erkende olijventelers en verwerkers jaarlijks een voorraadaangifte indienen.

4.5.   Werkwijze voor het verkrijgen van het product: De olijven moeten worden geteeld en verwerkt in het in punt 4.3 omschreven productiegebied.

Variëteiten

De olijfolie wordt gewonnen uit olijven van de volgende variëteiten: Sabine (ook genoemd: Aliva Bianca, Biancaghja), Ghjermana, Capannace, Raspulada, Zinzala, Aliva Néra (ook genoemd: Ghjermanane du Sud), Curtinese.

Toch kunnen ook boomgaarden die vóór de datum van bekendmaking van de nationale voorschriften betreffende de benaming zijn aangeplant, en die niet voldoen aan de bepalingen inzake variëteiten, voor hun oogst nog steeds de benaming „Huile d'olive de Corse” of „Huile d'olive de Corse — Oliu di Corsica” gebruiken op voorwaarde dat de betrokken bedrijven bij het Institut national des appellations d'origine een individueel tijdschema voor de omschakeling van het bedrijf indienen. In dit tijdschema moet worden vastgelegd dat tegen 2010 ten minste 30 % van de bomen op het bedrijf tot bovengenoemde variëteiten behoren, tegen 2015 ten minste 40 %, tegen 2020 ten minste 50 % en tegen 2025 ten minste 70 %. Vanaf de oogst van 2010 mogen olijven van deze bedrijven worden gebruikt voor de vervaardiging van olijfolie met de beschermde oorsprongsbenaming indien daarbij olijven van ten minste één van bovengenoemde variëteiten worden gebruikt.

In de boomgaard mogen ook bestuivingsvariëteiten voorkomen, mits deze bomen gelijkmatig over de boomgaard zijn verdeeld en hun aantal niet meer dan 5 % bedraagt van het totale aantal bomen in de betrokken boomgaard. Bij de verwerking tot olijfolie mag maximaal 5 % van de gebruikte olijven tot deze variëteiten behoren.

Verzorging van de boomgaard

Elke boom beschikt over een oppervlakte van minimaal 24 m2 en de afstand tussen twee bomen bedraagt minimaal 4 meter.

Bij het snoeien wordt de boom verkleind door oud hout weg te nemen.

Met het oog op het onderhoud moeten tussen de bomen bepaalde gewassen worden geteeld of moet de vrije ruimte met gras worden ingezaaid en jaarlijks worden gemaaid of begraasd.

Irrigatie is tijdens de groeiperiode toegestaan tot de olijven rijp zijn.

De opbrengst van een boomgaard mag niet meer dan 8 ton olijven per hectare bedragen. Bij uitzonderlijke weersomstandigheden kan de maximaal toegestane opbrengst voor een bepaalde oogstcampagne echter worden verhoogd of verlaagd. De opbrengst mag evenwel nooit meer dan 10 ton olijven per hectare bedragen.

De olie wordt uitsluitend geperst uit olijven van bomen die ten minste vijf jaar oud zijn.

Oogst

De datum waarop de olijvenoogst begint, wordt vastgesteld bij departementaal besluit, op voorstel van het Institut National des Appellation d'Origine (nationaal instituut tot bescherming van de oorsprongsbenamingen — INAO). Bij uitzonderlijke weersomstandigheden kan het INAO evenwel afwijkingen toestaan.

De olie is afkomstig van olijven die worden geoogst wanneer zij rijp zijn. Van de totale hoeveelheid olijven die ieder oogstseizoen ter persing wordt aangeboden, moet per bedrijf maximaal 20 % uit groene olijven en minimaal 50 % uit zwarte olijven bestaan.

De olijven moeten direct van de boom worden geplukt, zonder gebruik te maken van producten om het loslaten te bevorderen, of moeten op traditionele wijze uit de boom worden geslagen, al dan niet met gebruikmaking van mechanische hulpmiddelen, waarbij ze worden opgevangen in vangnetten of andere vergaarmiddelen onder de boom.

Olijven die van de grond worden opgeraapt of die al vóór de oogst in de vangnetten of vergaarmiddelen zijn gevallen, moeten gescheiden worden bewaard van de olijven die zullen worden verwerkt tot olijfolie met oorsprongsbenaming.

De olijven moeten worden opgeslagen en vervoerd in kratten of palletkisten.

Verwerkingsvoorwaarden

Tussen de oogst en de verwerking mogen de olijven niet langer dan 9 dagen worden bewaard, waarvan maximaal 2 dagen tussen de levering aan de molen en de persing.

Voor de persing mag alleen gebruik worden gemaakt van mechanische processen waarbij de olijvenpasta tot maximaal 27 °C wordt opgewarmd.

De olijven mogen alleen worden gewassen, gedecanteerd, gecentrifugeerd en gefilterd.

Behalve water, mogen geen hulpstoffen worden gebruikt voor de oliepersing.

Het moet gaan om olijfolie van eerste persing met een maximumgehalte, uitgedrukt in oliezuur, aan vrije vetzuren van 1,5 g per 100 g.

4.6.   Verband: De olijfboom heeft een lange geschiedenis op het eiland en dankzij deze geschiedenis heeft de olijventeelt zich op het eiland kunnen ontwikkelen.

De wilde olijfboom (Olea sylvestris) is een inheemse boom op Corsica en de teelt ervan is waarschijnlijk ontwikkeld door Griekse en Romeinse beschavingen.

De talrijke eeuwenoude olijfbomen in de maquis getuigen van de rijke geschiedenis van de olijventeelt, die zijn hoogtepunt kende in de 19e eeuw. Dit valt te verklaren door de voor de olijventeelt buitengewoon gunstige bodem- en weersomstandigheden.

Het mediterrane klimaat is mild (vorstvrij) in de zones waar van oudsher olijven worden geteeld, d.w.z. niet in bergachtige streken boven de 800 meter. Typerend voor de olijventeelt op Corsica is ook de verscheidenheid aan oude en inheemse soorten die uitsluitend voor de olijventeelt worden gebruikt.

Onafhankelijk van de eigen kenmerken van de verschillende variëteiten, hebben de verzorgingsmethoden gemeenschappelijke kenmerken die verband houden met de bodem- en weersomstandigheden: de olijven vallen vanzelf en worden opgevangen in netten, de bomen zijn betrekkelijk groot en de oogst vindt laat in het jaar plaats aangezien er geen kans op vorst bestaat en de olijven langzaam groeien.

Kenmerkend voor de bereiding is dat de olijven worden geperst wanneer ze rijp zijn, wat de Corsicaanse olie een eigen, zeer zachte smaak geeft.

Doordat de oogst- en persmethoden tegenwoordig sterk zijn verbeterd, is de kwaliteit van de olie nog beter geworden, zonder dat de eigen smaak is veranderd.

Door de wisselwerking tussen natuurlijke, menselijke, omgevings- en specifieke factoren heeft alle olijfolie die de benaming „Huile d'olive de Corse” of „Huile d'olive de Corse — Oliu di Corsica” draagt, de oorspronkelijke eigenschappen die kenmerkend zijn voor alle olijventelers van het eiland.

4.7.   Controlestructuur:

Naam:

 INAO

Adres:

138, Champs-Elysées — 75008 Paris — France

Sinds 1 januari 2005: 51, rue d'Anjou 75008 Paris — France

Naam:

DGCCRF

Adres:

59, Bd V. Auriol — 75703 Paris Cedex 13

4.8.   Etikettering: De etiketten op de verpakking van olijfolie met gecontroleerde oorsprongsbenaming „Huile d'olive de Corse” of „Huile d'olive de Corse — Oliu di Corsica” moeten, naast de voor voedingsmiddelen voorgeschreven vermeldingen, het volgende vermelden:

de benaming „Huile d'olive De Corse” of „Huile d'olive de Corse — Oliu di Corsica”,

de vermelding „appellation d'origine contrôlée” of „AOC”. Mocht er op het etiket, afgezien van het adres, een andere firmanaam of merknaam voorkomen, dan moet die naam worden herhaald tussen de woorden „appellation” en „contrôlée”.

De bovenstaande vermeldingen moeten duidelijk bij elkaar op hetzelfde etiket worden geplaatst.

Daarbij moeten de letters opvallend, leesbaar, onuitwisbaar en groot genoeg zijn, zodat ze goed op het etiket naar voren komen, en duidelijk verschillen van de overige vermeldingen en afbeeldingen.

4.9.   Nationale eisen: Décret relatif à l'appellation d'origine contrôlée „Huile d'olive de Corse” ou „Huile d'olive de Corse — Oliu di Corsica” (Decreet betreffende de beschermde oorsprongsbenaming „Huile d'olive De Corse” of „Huile d'olive de Corse — Oliu di Corsica”).


(1)  Europese Commissie — directoraat-generaal Landbouw — eenheid Kwaliteitsbeleid voor landbouwproducten — B-1049 Brussel.


22.9.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 233/14


Inleiding van een herzieningsprocedure bij het vervallen van de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op oplossingen van ureum en ammoniumnitraat uit Algerije, Belarus, Oekraïne en Rusland

(2005/C 233/07)

Na de bekendmaking van het bericht (1) dat de antidumpingmaatregelen ten aanzien van oplossingen van ureum en ammoniumnitraat uit Algerije, Belarus, Oekraïne en Rusland binnenkort zouden vervallen, heeft de Commissie een verzoek ontvangen om de opening van een onderzoek op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 384/96 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (hierna „de basisverordening” genoemd) (2).

1.   Verzoek

Het verzoek werd op 20 juni 2005 ingediend door de „European Fertilizer Manufacturers Association (EFMA)” namens producenten die goed zijn voor een groot deel, namelijk meer dan 50 %, van de totale productie van oplossingen van ureum en ammoniumnitraat in de EU.

2.   Product

Het verzoek heeft betrekking op mengsels van ureum en ammoniumnitraat, opgelost in water of in ammoniakwater, ingedeeld onder GN-code 3102 80 00 (hierna „het betrokken product” genoemd), uit Algerije, Belarus, Oekraïne en Rusland. De GN-code wordt slechts ter informatie vermeld.

3.   Thans geldende maatregelen

Op het betrokken product uit Algerije, Belarus, Oekraïne en Rusland zijn momenteel definitieve antidumpingrechten van toepassing die werden vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1995/2000 van de Raad (3), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1675/2003 van de Raad (4).

4.   Motivering

Het verzoek is ingediend omdat het vervallen van de maatregelen waarschijnlijk zal leiden tot een voortzetting of herhaling van dumping en van schade voor de EU-producenten.

De bewering dat het betrokken product uit Algerije nog steeds met dumping wordt ingevoerd is gebaseerd op een vergelijking van de geconstrueerde normale waarde van dit product met de prijzen bij uitvoer naar de EU.

De aldus berekende dumpingmarge is aanzienlijk.

Om aan te tonen dat het betrokken product uit Belarus, Oekraïne en Rusland waarschijnlijk weer met dumping in de EU zal worden ingevoerd, heeft de indiener van het verzoek de prijzen bij uitvoer naar de Verenigde Staten gebruikt, daar momenteel vanuit deze drie landen geen beduidende hoeveelheden in de EU worden ingevoerd.

De indiener van het verzoek heeft de normale waarde voor Belarus en Oekraïne vastgesteld aan de hand van de prijs in het in punt 5.1 d) genoemde derde land met markteconomie overeenkomstig artikel 2, lid 7, van de basisverordening.

De bewering dat het betrokken product uit Belarus en Oekraïne waarschijnlijk weer met dumping in de EU zal worden ingevoerd, is gebaseerd op een vergelijking van de aldus vastgestelde normale waarde met de prijzen bij uitvoer uit deze landen naar de Verenigde Staten.

De bewering dat het betrokken product uit Rusland waarschijnlijk weer met dumping in de EU zal worden ingevoerd, is gebaseerd op een vergelijking van de geconstrueerde normale waarde van dit product met de prijzen bij uitvoer naar de Verenigde Staten.

Volgens de indiener van het verzoek is het waarschijnlijk dat opnieuw dumping zal optreden daar bij bovengenoemde vergelijkingen van de normale waarden en de prijzen bij uitvoer uit Belarus, Oekraïne en Rusland naar de Verenigde Staten blijkt dat er sprake is van dumping.

Voorts voert de indiener van het verzoek aan dat het waarschijnlijk is dat de dumping weer schade zal veroorzaken. Hij heeft in dit verband bewijsmateriaal verstrekt waaruit blijkt dat de invoer van het betrokken product waarschijnlijk zal toenemen als de maatregelen komen te vervallen, vanwege de onbenutte productiecapaciteit in de betrokken exportlanden en omdat de producenten/exporteurs in die landen in staat zijn over te schakelen van de productie van andere producten op de productie van het betrokken product.

Volgens de indiener van het verzoek is het voornamelijk aan de antidumpingmaatregelen te danken dat de EU-producenten geen schade meer lijden en is het waarschijnlijk dat deze producenten weer schade zullen ondervinden indien de maatregelen vervallen en weer aanzienlijke hoeveelheden tegen dumpingprijzen in de EU worden ingevoerd.

5.   Procedure

Na overleg in het Raadgevend Comité is de Commissie tot de conclusie gekomen dat er voldoende bewijsmateriaal is om een herzieningsprocedure bij het vervallen van de maatregelen in te leiden en opent zij hierbij een onderzoek overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening.

5.1.   Procedure voor het vaststellen van de waarschijnlijkheid van dumping en schade

Bij het onderzoek zal worden vastgesteld of het waarschijnlijk is dat de invoer met dumping zal worden voortgezet of zich opnieuw zal voordoen en of hierdoor schade zal ontstaan indien de antidumpingmaatregelen vervallen.

a)   Steekproeven

Daar kennelijk een groot aantal bedrijven bij deze procedure is betrokken, kan de Commissie gebruik maken van steekproeven overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening.

i)   Steekproef van importeurs

Om te kunnen beoordelen of het noodzakelijk is van een steekproef gebruik te maken en, indien dit het geval is, deze te kunnen samenstellen, verzoekt de Commissie alle importeurs, of hun vertegenwoordigers, binnen de onder punt 6 b) i) vermelde termijn en op de onder punt 7 vermelde wijze contact met haar op te nemen en haar de volgende gegevens over hun bedrijf of bedrijven te verstrekken:

naam, adres, e-mailadres, telefoon- en faxnummer en naam van een contactpersoon;

de totale omzet van het bedrijf in euro in de periode van 1 juli 2004 tot en met 30 juni 2005;

het aantal werknemers;

een nauwkeurige omschrijving van de activiteiten van het bedrijf in verband met het betrokken product;

de hoeveelheid (in ton) van het betrokken product uit Algerije, Belarus, Oekraïne en Rusland die in de periode van 1 juli 2004 tot en met 30 juni 2005 in de EU is ingevoerd en verkocht en de waarde van die verkoop in euro;

de namen en een nauwkeurige omschrijving van de activiteiten van alle verbonden bedrijven (5) die betrokken zijn bij de productie en/of verkoop van het betrokken product;

alle andere inlichtingen die de Commissie bij het samenstellen van de steekproef van nut kunnen zijn;

door het verstrekken van de hierboven gevraagde informatie, geeft het bedrijf te kennen bereid te zijn in de steekproef te worden opgenomen. Indien het bedrijf in de steekproef wordt opgenomen, betekent dit dat het een vragenlijst moet beantwoorden en dat de antwoorden ter plaatse zullen worden gecontroleerd. Indien het bedrijf zich niet bereid verklaart in de steekproef te worden opgenomen, wordt het geacht geen medewerking te verlenen aan het onderzoek. Zie punt 8 voor de gevolgen van het niet verlenen van medewerking.

Om de informatie te verkrijgen die zij voor het samenstellen van de steekproef van importeurs nodig heeft, zal de Commissie bovendien contact opnemen met de haar bekende organisaties van importeurs.

ii)   Steekproef van EU-producenten

Gezien het grote aantal EU-producenten dat het verzoek steunt, is de Commissie voornemens bij het onderzoek naar schade gebruik te maken van een steekproef.

In verband hiermee verzoekt de Commissie de EU-producenten haar binnen de onder punt 6 b) i) vermelde termijn de volgende gegevens over hun bedrijf of bedrijven te doen toekomen:

naam, adres, e-mailadres, telefoon- en faxnummer en naam van een contactpersoon;

de totale omzet van het bedrijf in euro in de periode van 1 juli 2004 tot en met 30 juni 2005;

een nauwkeurige beschrijving van de activiteiten van het bedrijf in verband met de productie van het betrokken product en de hoeveelheid (in ton) van het betrokken product in de periode van 1 juli 2004 tot en met 30 juni 2005,

de waarde (in euro) van de verkoop van het betrokken product in de EU in de periode van 1 juli 2004 tot en met 30 juni 2005,

de hoeveelheid (in ton) van het betrokken product die in de periode van 1 juli 2004 tot en met 30 juni 2005 in de EU is verkocht,

de hoeveelheid (in ton) van het betrokken product die in de periode van 1 juli 2004 tot 30 juni 2005 werd geproduceerd,

de namen en een nauwkeurige omschrijving van de activiteiten van alle verbonden bedrijven (5) die betrokken zijn bij de productie en/of verkoop van het betrokken product;

alle andere inlichtingen die de Commissie bij het samenstellen van de steekproef van nut kunnen zijn;

door het verstrekken van de hierboven gevraagde informatie, geeft het bedrijf te kennen bereid te zijn in de steekproef te worden opgenomen. Indien het bedrijf in de steekproef wordt opgenomen, betekent dit dat het een vragenlijst moet beantwoorden en dat de antwoorden ter plaatse zullen worden gecontroleerd. Indien het bedrijf zich niet bereid verklaart in de steekproef te worden opgenomen, wordt het geacht geen medewerking te verlenen aan het onderzoek. Zie punt 8 voor de gevolgen van het niet verlenen van medewerking.

iii)   Definitieve samenstelling van de steekproeven

Op- of aanmerkingen over het samenstellen van de steekproeven moeten binnen de onder punt 6 b) ii) vermelde termijn worden toegezonden.

De Commissie zal de steekproef eerst definitief samenstellen na de bedrijven te hebben geraadpleegd die zich bereid hebben verklaard daarin te worden opgenomen.

De in de steekproef opgenomen bedrijven moeten binnen de onder punt 6 b) iii) vermelde termijn een vragenlijst beantwoorden en medewerking verlenen bij het onderzoek.

Indien geen voldoende medewerking wordt verleend, kan de Commissie haar bevindingen, overeenkomstig artikel 17, lid 4, en artikel 18 van de basisverordening, op de beschikbare gegevens baseren. Zoals vermeld onder punt 8 kunnen op de beschikbare gegevens gebaseerde bevindingen voor de betrokkene minder gunstig zijn.

b)   Vragenlijsten

Om de informatie te verkrijgen die zij voor haar onderzoek nodig heeft, zal de Commissie vragenlijsten toezenden aan de in de steekproef opgenomen EU-producenten, organisaties van EU-producenten, aan de producenten/exporteurs in Algerije, Belarus, Oekraïne en Rusland, organisaties van producenten/exporteurs in die landen, aan de in de steekproef opgenomen importeurs en organisaties van importeurs die in het verzoek zijn genoemd of die medewerking hebben verleend aan het onderzoek dat tot de thans geldende maatregelen heeft geleid, en aan de autoriteiten van de betrokken exportlanden.

c)   Het schriftelijk en mondeling verstrekken van inlichtingen

Belanghebbenden wordt verzocht hun standpunt schriftelijk uiteen te zetten, andere informatie dan de antwoorden op de vragenlijst en bewijsmateriaal toe te zenden. Deze informatie en het bewijsmateriaal moeten binnen de in punt 6 a) ii) vermelde termijn door de Commissie zijn ontvangen.

Verder zal de Commissie de partijen horen die hierom verzoeken en die kunnen aantonen dat er bijzondere redenen zijn om hen te horen. Dit verzoek moet binnen de onder punt 6 a) iii) vermelde termijn worden ingediend.

d)   Selectie van een derde land met markteconomie

Bij het vorige onderzoek werd Litouwen gekozen als vergelijkbaar derde land met markteconomie voor het vaststellen van de normale waarde voor Belarus en Oekraïne. De indiener van het verzoek heeft voor dit doel nu de Verenigde Staten van Amerika voorgesteld. Eventuele op- of aanmerkingen over de keuze van dit land dienen binnen de onder punt 6 c) vermelde termijn te worden toegezonden.

5.2.   Procedure voor het beoordelen van het belang van de EU

Overeenkomstig artikel 21 van de basisverordening zal worden onderzocht of het niet tegen het belang van de EU is de antidumpingmaatregelen te handhaven indien wordt vastgesteld dat het waarschijnlijk is dat de invoer met dumping zal worden voorgezet of zich opnieuw zal voordoen en dat hierdoor schade zal ontstaan. Producenten, importeurs en representatieve organisaties van producenten, importeurs, verwerkende bedrijven en de consument in de EU die kunnen aantonen dat er een objectieve band is tussen hun activiteiten en het betrokken product, kunnen binnen de onder punt 6 a) ii) genoemde algemene termijn contact met de Commissie opnemen en inlichtingen verstrekken. Deze partijen kunnen binnen de onder punt 6 a) iii) vermelde termijn ook om een mondeling onderhoud verzoeken, onder opgave van de bijzondere redenen waarom zij gehoord willen worden. Met informatie die op grond van artikel 21 wordt verstrekt, wordt slechts rekening gehouden indien daarbij, op het moment dat deze wordt verstrekt, het nodige bewijsmateriaal is gevoegd.

6.   Termijnen

a)   Algemene termijnen

i)   Om een vragenlijst aan te vragen

Belanghebbenden die geen medewerking hebben verleend aan het onderzoek dat tot de thans geldende maatregelen heeft geleid, dienen zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen 15 dagen na de bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie, een vragenlijst aan te vragen.

ii)   Om zich aan te melden en antwoorden op de vragenlijst en andere gegevens toe te zenden

Belanghebbenden die wensen dat bij het onderzoek met hun opmerkingen rekening wordt gehouden, moeten binnen 40 dagen na de bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie, tenzij anders vermeld, contact met de Commissie opnemen, hun standpunt uiteenzetten en de antwoorden op de vragenlijst en eventuele andere gegevens doen toekomen. Er wordt op gewezen dat de meeste in de basisverordening vermelde procedurerechten slechts kunnen worden uitgeoefend indien de betrokkene zich binnen de genoemde termijn bij de Commissie aanmeldt.

iii)   Om een mondeling onderhoud aan te vragen

Binnen dezelfde termijn van 40 dagen kunnen belanghebbenden ook vragen door de Commissie te worden gehoord.

b)   Bijzondere termijn voor het samenstellen van de steekproef

i)

De in punt 5.1 a) i) en ii) bedoelde gegevens moeten uiterlijk 15 dagen na publicatie van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie door de Commissie zijn ontvangen daar zij voornemens is de bedrijven die zich bereid hebben verklaard in de steekproef te worden opgenomen binnen 21 dagen na publicatie van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie te raadplegen over de definitieve samenstelling van de steekproef.

ii)

Alle andere gegevens die voor het samenstellen van de steekproef van nut kunnen zijn, als bedoeld in punt 5.1 a) iii), moeten de Commissie bereiken binnen 21 dagen na de publicatie van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie.

iii)

De antwoorden op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen bedrijven moeten binnen 37 dagen nadat deze bedrijven is medegedeeld dat zij in de steekproef zijn opgenomen, door de Commissie zijn ontvangen.

c)   Bijzondere termijn voor de keuze van het derde land met markteconomie

Op- of aanmerkingen over het voornemen van de Commissie de Verenigde Staten te kiezen als derde land met een markteconomie (zie punt 5.1 d)) voor het vaststellen van de normale waarde voor Belarus en Oekraïne moeten binnen tien dagen na publicatie van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie door de Commissie zijn ontvangen.

7.   Schriftelijke opmerkingen, antwoorden op de vragenlijst en andere correspondentie

Alle opmerkingen en verzoeken moeten schriftelijk worden ingediend (niet elektronisch, tenzij anders vermeld) onder opgave van naam, adres, e-mailadres, telefoon- en faxnummer van de betrokkene. Alle schriftelijke opmerkingen, met inbegrip van de in dit bericht gevraagde informatie, antwoorden op de vragenlijst en correspondentie die op vertrouwelijke basis worden verstrekt, moeten van het opschrift „Limited” (6) zijn voorzien en moeten, overeenkomstig artikel 19, lid 2, van de basisverordening, vergezeld gaan van een niet-vertrouwelijke versie waarop is vermeld „FOR INSPECTION BY INTERESTED PARTIES”.

Correspondentieadres van de Commissie:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Handel

Directoraat B

Kamer: J-79 5/16

B-1049 Brussel

Fax (32-2) 295 65 05.

8.   Medewerking

Indien belanghebbenden de nodige gegevens niet binnen de gestelde termijnen verstrekken, geen toegang daartoe geven of het onderzoek ernstig belemmeren, kunnen, overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening, op grond van de beschikbare gegevens voorlopige of definitieve conclusies worden getrokken, zowel in positieve als in negatieve zin.

De Commissie kan de verstrekte informatie, indien deze onjuist of misleidend blijkt, buiten beschouwing laten en van beschikbare gegevens gebruik maken. Indien een belanghebbende geen of slechts gedeeltelijk medewerking verleent, en de bevindingen daarom op de beschikbare gegevens worden gebaseerd overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening, kan het resultaat voor hem ongunstiger zijn dan wanneer hij wel medewerking had verleend.

9.   Tijdschema

Het onderzoek zal overeenkomstig artikel 11, lid 5, van de basisverordening binnen 15 maanden na de publicatie van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie worden afgesloten.


(1)  PB C 312 van 17.12.2004, blz. 5.

(2)  PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 461/2004 van de Raad (PB L 77 van 13.3.2004, blz. 12).

(3)  PB L 238 van 22.9.2000, blz. 15.

(4)  PB L 238 van 25.9.2003, blz. 4.

(5)  Voor de betekenis van het begrip „verbonden bedrijf” zie artikel 143 van Verordening (EG) nr. 2454/93 van de Commissie houdende bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 253 van 11.10.1993, blz. 1).

(6)  Dit betekent dat het document slechts voor intern gebruik is bestemd en beschermd is in de zin van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43). Het document is vertrouwelijk op grond van artikel 19 van de basisverordening en artikel 6 van de WTO-Overeenkomst inzake de tenuitvoerlegging van Artikel VI van de GATT 1994 (Antidumpingovereenkomst).


22.9.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 233/18


Bekendmaking overeenkomstig artikel 27, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad in Zaak COMP/37.749 — Samenwerkingsovereenkomst Austrian Airlines/SAS

(2005/C 233/08)

(Voor de EER relevante tekst)

1.   Inleiding

Overeenkomstig artikel 9 van Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad (1), kan de Commissie beslissen om, in gevallen waarin zij voornemens is een beschikking tot beëindiging van een inbreuk te geven en de betrokken ondernemingen toezeggingen doen om aan de bezorgdheden tegemoet te komen die de Commissie hun in haar voorlopige beoordeling te kennen heeft gegeven, die toezeggingen bij beschikking een verbindend karakter verlenen. De beschikking kan voor een bepaalde periode worden gegeven en bevat de conclusie dat er niet langer gronden voor een optreden van de Commissie bestaan. Volgens artikel 27, lid 4, van dezelfde verordening maakt de Commissie een beknopte samenvatting bekend van de zaak en de hoofdlijnen van de toezeggingen. Belanghebbende derden kunnen hun opmerkingen meedelen binnen de door de Commissie vastgestelde periode.

2.   Samenvatting van de zaak

Op 30 december 1999 hebben Scandinavian Airlines System (SAS) en Austrian Airlines (AuA) een samenwerkingsovereenkomst aangemeld bij de Commissie met het oog op een individuele ontheffing overeenkomstig artikel 5, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 3975/87 van de Raad, artikel 81, lid 3, van het EG-Verdrag en artikel 53, lid 3, van de EER-Overeenkomst. Krachtens de overeenkomst werkten de beide partijen samen op alle routes in de hele wereld via de gezamenlijke planning van vluchtschema's en coördinatie op het gebied van prijsbeleid, routering en capaciteit. De meest verregaande samenwerking had betrekking op het verkeer tussen Oostenrijk en de Noordse landen (Noorwegen, Zweden en Denemarken), waar een Joint Traffic System (JTS) exclusief van toepassing was op alle luchtvervoersdiensten, en waarvoor de beide partijen kosten en inkomsten deelden. Ingevolge artikel 5, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 3975/87 publiceerde de Commissie op 11 juli 2000 een kennisgeving volgens welke derde partijen verzocht werden commentaar te leveren op de overeenkomst.

Bij schrijven van 4 oktober 2000 wierp de Commissie ernstige twijfels op betreffende de invloed van de overeenkomst op de mededinging. Vooral door het Joint Traffic System bestond het gevaar dat de mededinging zou worden uitgeschakeld op een aanmerkelijk deel van de markt van het luchtverkeer tussen Oostenrijk en de Noordse landen, waardoor artikel 81, lid 3, van het EG-Verdrag niet meer van toepassing zou zijn, met name op de routes Wenen-Kopenhagen en Wenen-Stockholm.

Naar aanleiding van de brief waarin de Commissie haar ernstige twijfels uitte, besloten de beide partijen aan de bezorgdheid van de Commissie betreffende het bilaterale verkeer tegemoet te komen door op 31 december 2001 de samenwerkingsovereenkomst te wijzigen en te vervangen door de „beperkte samenwerkingsovereenkomst” en een marketing- en verkoopovereenkomst. De nieuwe overeenkomst bevatte een uitzonderingsclausule voor de volledige samenwerking op het gebied van het bilaterale luchtverkeer tussen Oostenrijk en de Noordse landen. Zo werd aan de belangrijkste mededingingsproblemen die in de brief met ernstige twijfels vermeld waren, tegemoetgekomen. In de praktijk kon deze oplossing echter niet ten uitvoer worden gelegd.

Na verdere besprekingen met de diensten van de Commissie stapten de beide partijen van de uitzonderingsclausule af en sloten zij op 24 oktober 2002 de „gewijzigde samenwerkingsovereenkomst”. De nieuwe overeenkomst beoogt opnieuw een samenwerking voor het bilaterale verkeer tussen Oostenrijk en de Noordse landen. Anders dan de aanvankelijk aangemelde samenwerkingsovereenkomst leidt de „gewijzigde samenwerkingsovereenkomst” niet tot een gemeenschappelijke onderneming voor bilateraal verkeer. De voornaamste elementen van de overeenkomst zijn de volgende:

a)   Algemeen toepasbare dienstverleningsnormen

De dienstverlening is hetzelfde voor passagiers op vluchten met gezamenlijke vluchtcodes.

b)   Overeenkomst inzake gezamenlijke vluchtcodes en netwerksamenwerking

Alle door de partijen gezamenlijk overeengekomen wereldwijde vluchten vallen onder deze overeenkomst. De partijen streven naar een betere coördinatie op het vlak van verbindingen en capaciteit binnen hun respectieve luchtnetten. Op die manier kunnen betere verbindingen tot stand worden gebracht tussen hun thuismarkten en daarbuiten. Het gecombineerde netwerk zal de aansluittijden voor passagiers tot een minimum terugbrengen. Er kunnen beginselen en regels vastgelegd worden voor transitverkeer buiten de hubs van de partijen.

c)   Coördinatie van tarieven en bijzondere pro-rata's

De partijen ontwikkelen een geharmoniseerd prijsbeleid en stemmen routering en capaciteit op elkaar af. De berekening van de luchtvervoertarieven en de armslag ervan over de partijen wordt vastgesteld in een uitvoeringsovereenkomst.

d)   Marketing en verkoop

De coördinatie van de verkoop wordt overgenomen door de luchtvaartmaatschappij die op de luchthaven haar thuisbasis heeft, op basis van het geharmoniseerde beleid inzake verkoop & marketing. De partijen gaan over tot wederzijdse integratie in de programma's met betrekking tot de verkoop op de thuismarkt van elke partij respectievelijk. Ook streven de partijen ernaar call centre-diensten aan te bieden aan de andere partij.

e)   Frequent-flyer-programma's (FFP)

De partijen zijn een FFP-overeenkomst aangegaan die het de FFP-leden van de ene partij mogelijk maakt punten te verzamelen en op te nemen wanneer ze vliegen met de andere partij.

Volgens de partijen zou de gewijzigde samenwerkingsovereenkomst hen in de mogelijkheid stellen voor belangrijke verbeteringen te zorgen in de productie en distributie van hun diensten, met aanzienlijke kostenbesparingen als resultaat. De partijen voeren ook aan dat de luchtvaarttarieven tussen Kopenhagen en Wenen dankzij de grotere efficiëntie verlaagd zijn tijdens de periode van 2002 tot 2004. De consument zou eveneens voordeel halen bij gecoördineerde vluchtschema's, een groter aantal directe verbindingen en overstapmogelijkheden, doorreiscontroles en andere voordelen eigen aan een alliantie.

Ondanks het feit dat de gemeenschappelijke onderneming vervangen werd door een zeer nauwe samenwerkingsovereenkomst, brengt de gewijzigde samenwerkingsovereenkomst nog altijd dezelfde mededingingsproblemen met zich mee met betrekking tot de stedenparen Wenen — Kopenhagen en Wenen — Stockholm. Aangezien een belangrijk deel van de reizigers afhankelijk is van rechtstreekse vluchten en er geen substituten bestaan voor rechtstreekse vluchten tussen Oostenrijk en de Noordse landen, bestaat de kans dat de samenwerking tussen AuA en SAS de mededinging aan banden zal blijven leggen, in het bijzonder ten nadele van gehaaste passagiers. Wenen-Kopenhagen is het enige stedenpaar dat door de beide partijen werd aangedaan vóór de samenwerking, dus werd door de samenwerking de daadwerkelijke mededinging tussen de partijen uitgeschakeld. Op de overige routes leidt de samenwerking slechts tot uitschakeling van de mededinging af. Ook bleek uit het voorafgaande marktonderzoek niet dat geen andere vervoerder geïnteresseerd zou zijn om luchtvaartdiensten aan te bieden van dit stedenpaar.

3.   De belangrijkste elementen van de aangeboden verbintenissen

De partijen op wie de procedure van toepassing is hebben verbintenissen aangeboden om aan de bezorgdheden van de Commissie inzake de mededinging tegemoet te komen. Hierna volgt een beschrijving van de belangrijkste elementen van deze verbintenissen.

—   Verbintenissen betreffende slots

De partijen zullen een nieuwe marktdeelnemer een aantal slots voor opstijgen en landen ter beschikking stellen:

voor vluchten tussen Wenen en Kopenhagen: ten hoogste twee (2) vluchten per dag;

voor vluchten tussen Wenen en Stockholm: ten hoogste twee (2) vluchten per dag.

—   Verbintenissen betreffende interlining

De partijen komen overeen dat zij een IATA MITA-overeenkomst (Multilateral Interline Traffic Agreement ) aangaan met een nieuwe marktdeelnemer indien deze laatste niet over een bestaande interline-overeenkomst beschikt. De interline-overeenkomst zal gebaseerd zijn op de bestaande IATA-grondslagen.

—   Bijzondere pro-rata-overeenkomst

De partijen gaan op verzoek een bijzondere pro-rata-overeenkomst aan met de nieuwe marktdeelnemer, op voorwaarde dat zich op een van de betrokken routes een deel van de reisweg bevindt. De voorwaarden zijn vergelijkbaar met deze welke met betrekking tot derde vervoerders zijn aangegaan die niet tot de alliantie of tot een andere alliantie behoren.

—   Verbintenissen betreffende „Frequent Flyer Programs”

De partijen zullen de nieuwe marktdeelnemer op verzoek de mogelijkheid bieden deel te nemen aan een van hun „frequent flyer programs”.

—   Inkrimping van de frequentie

De partijen zijn bereid hun dagelijkse frequenties gedurende een beperkte periode te bevriezen.

—   Verbintenis om intermodale personenvervoerdiensten te vergemakkelijken

Op verzoek van een spoorwegmaatschappij of een andere onderneming voor vervoer te land die werkzaam is tussen Oostenrijk en Denemarken/Zweden/Noorwegen verbinden de partijen zich ertoe een intermodale overeenkomst aan te gaan op grond waarvan zij luchtvervoer van reizigers verlenen op hun routes tussen eender welke van de geselecteerde Europese stedenparen als onderdeel van een traject dat vervoer te land door de intermodale partner omvat.

4.   Uitnodiging opmerkingen te maken

Onder voorbehoud van de resultaten van het marktonderzoek is de Commissie voornemens een beschikking overeenkomstig artikel 9, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1/2003 te geven waarmee de bovengenoemde en op de website van het directoraat-generaal Concurrentie in hun geheel gepubliceerde verbintenissen verbindend worden verklaard. Overeenkomstig artikel 27, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1/2003 nodigt de Commissie belanghebbende derde partijen uit hun opmerkingen over de voorgestelde verbintenissen te maken. Deze opmerkingen dienen de Commissie te bereiken binnen één maand vanaf de datum van deze bekendmaking.

Opmerkingen kunnen naar de Commissie worden verstuurd per e-mail naar (Maria-Jose.Bicho@cec.eu.int) of naar (Fabrizia.Benini@cec.eu.int), per telefax (32-2) 296 29 11) of per post, met referentienummer COMP/37.749 — Samenwerkingsovereenkomst Austrian Airlines/SAS, naar het volgende adres:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Concurrentie,

Antitrust-griffie

J-70

B-1049 Brussel.

Tijdens het verdere verloop van de procedure kan het noodzakelijk worden of aangewezen zijn voor de partijen die de verbintenissen aangingen, een samenvatting ter beschikking te stellen van de opmerkingen die op de publicatie van het marktverkenningdocument volgden. Daarom vragen wij u vriendelijk alle vertrouwelijke informatie of bedrijfsgeheimen aan te duiden. Rechtmatige verzoeken zullen in acht worden genomen.


(1)  Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (Publicatieblad L 1, 4.1.2003, bladzijden 1-25).


22.9.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 233/21


STEUNMAATREGELEN VAN DE STATEN — FRANKRIJK

Steunmaatregel van de staten C 29/2005 (ex NN 57/2005) — Werkprogramma's voor de sector groenten en fruit

Uitnodiging overeenkomstig artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag opmerkingen te maken

(2005/C 233/09)

De Commissie heeft Frankrijk bij schrijven van 20 juli 2005 dat na deze samenvatting in de authentieke taal is weergegeven, in kennis gesteld van haar besluit tot inleiding van de procedure van artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag ten aanzien van de bovengenoemde steunmaatregel.

Belanghebbenden kunnen hun opmerkingen over de steunmaatregel ten aanzien waarvan de Commissie de procedure inleidt, maken door deze binnen één maand vanaf de datum van deze bekendmaking te zenden aan:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling

Directoraat H. Landbouwwetgeving

Eenheid: H.2. Mededingingsvoorwaarden

Kamer: Wetstraat 130 5/128

B-1049 Brussel

Fax (32-2) 296 76 72.

Deze opmerkingen zullen ter kennis van Frankrijk worden gebracht. Een belanghebbende die opmerkingen maakt, kan, met opgave van redenen, schriftelijk verzoeken om vertrouwelijke behandeling van zijn identiteit.

SAMENVATTING

De Commissie heeft vernomen dat in Frankrijk jarenlang staatssteun is verleend aan de sector groenten en fruit. Tot in 2002 is voor 15 à 50 miljoen EUR per jaar aan steun betaald.

Aan de hand van de gefinancierde maatregelen werd in crisisgevallen de impact van een overaanbod verzacht door in te grijpen op drie niveaus: op de externe markten, op de interne markt en in de verwerkingsfase.

In het eerste geval waren de maatregelen gericht op het behoud van het marktaandeel van de Franse producten via een verlaging van de uitvoerprijzen (middels uitvoersubsidies).

De op de interne markt gerichte maatregelen hadden betrekking op een verlaging van de verkoopprijzen, de tijdelijke opslag van een deel van de oogst en de bevordering van de verwerking.

Beoordeling

De Commissie betwijfelt in deze fase dat deze steun verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, aangezien hij op geen enkele communautaire bepaling inzake staatssteun in de landbouwsector gestoeld lijkt te zijn en hij bijgevolg zou kunnen worden beschouwd als exploitatiesteun, die bovendien haaks staat op de mechanismen van de gemeenschappelijke marktordening in de sector groenten en fruit.

TEKST VAN DE BRIEF

«Par la présente, la Commission a l'honneur d'informer la France qu'après avoir examiné les informations fournies par vos autorités sur la mesure citée en objet, elle a décidé d'ouvrir la procédure prévue à l'article 88, paragraphe 2, du traité CE.

I.   PROCÉDURE

(1)

Suite à une plainte, la Commission a adressé, le 31 juillet 2002, une lettre à la France pour demander des renseignements sur des aides nationales non notifiées dans le secteur des fruits et légumes que la France serait en train de payer depuis plusieurs années dans le contexte de dispositifs dénommés „plans de campagne”, „plans stratégiques” ou „plans conjoncturels”.

(2)

Une réunion a eu lieu entre les autorités françaises et les services de la Commission le 21 octobre 2002.

(3)

Par lettre du 26 décembre 2002, enregistrée le 2 janvier 2003, la France a fourni des informations confirmant que de telles aides avaient été octroyées jusqu'à l'année 2002.

(4)

Par lettre du 16 avril 2003, la Commission a demandé à la France de lui fournir un inventaire complet des aides octroyées au titre des plans de campagne, ventilé par mesure et par production, comprenant le montant d'aide destinée à chaque mesure et la durée précise des régimes.

(5)

Par lettre du 30 avril 2003, les autorités françaises ont demandé une extension du délai de réponse à la demande de renseignements de la Commission.

(6)

Par lettre du 22 juillet 2003, enregistrée le 25 juillet 2003, la France a transmis des informations concernant la nature des actions financées ainsi que des tableaux reprenant la répartition des crédits publiques affectés aux différentes productions pour la période 1998-2002.

(7)

La mesure a ensuite été incluse dans le registre des aides non notifiées sous le numéro NN 57/05.

II.   DESCRIPTION

(8)

Suite à une plainte anonyme, la Commission est entrée en possession de nombreux documents attestant de l'existence d'aides étatiques octroyées dans le secteur des fruits et légumes. Les fonds publics auraient été attribués aux Comités Économiques Agricoles pour la réalisation d'actions de soutien du marché des fruits et légumes.

II.1.   Les Comités Économiques Agricoles — composition, mission et financement

(9)

La loi française (1) fait obligation aux groupements de producteurs agricoles d'adhérer aux Comités Économiques Agricoles, organisations régies par les dispositions de l'article 552-1 et suivants du Code Rurale. La mission des Comités Économiques est d'édicter des règles communes à leurs membres afin d'harmoniser les disciplines de production, de commercialisation, de prix et de mise sur le marché des produits (2). Les règles édictées ne sont applicables qu'après approbation du ministre de l'agriculture.

(10)

Les comités économiques agrées sont habilités à percevoir, auprès de chacun de leurs membres (les groupements de producteurs), un droit d'inscription et, à titre de cotisation, une fraction des cotisations perçues par les groupements eux-mêmes (3). Ces cotisations sont rendues obligatoires par les pouvoirs publics.

(11)

Sur la base des documents en possession de la Commission, huit Comités Économiques Agricoles (Rhône-Méditerranée, Grand Sud-Ouest, Corse, Val de Loire, Nord, Nord-Est, Bretagne et Normandie) auraient bénéficié pendant de nombreuses années de fonds publics, fournis notamment par l'Office National Interprofessionnel des Fruits, des Légumes et de l'Horticulture (ONIFLHOR). Ces fonds publics apparaissent dans les comptes des Comités sous la dénomination de „Fonds de développement”, à côté des cotisations obligatoires, dénommées „Parts professionnelles”. Selon les plaignants, avant la réforme de l'OCM fruits et légumes en 1996 (4), de fonds publics alimentaient déjà une caisse nationale gérée par l'Association Française des Comités Économiques Agricoles Fruits et Légumes, basée sur les mêmes principes de fonctionnement.

II.2.   Les plans de campagne

(12)

Les fonds à la disposition des Comités Économiques ont été utilisés pour le financement de „plans de campagne”, comportant des actions sur les marchés intra- et extra-communautaires visant à faciliter la commercialisation de produits agricoles récoltés en France. Selon les informations fournies par la France, depuis le 1er janvier 2003, aucune action n'a été financée dans le cadre de ces dispositifs.

(13)

En ce qui concerne la nature exacte des actions, dans leur lettre du 26 décembre 2002, les autorités françaises ont expliqué qu'elles visaient à prévenir ou, en cas de crises, à atténuer les effets d'excédents momentanés de l'offre par rapport à la demande en agissant à trois niveaux: marchés extérieurs, marché intérieur et transformation.

(14)

Sur les marchés extérieurs, l'objectif était de maintenir les parts de marché des produits français en permettant aux exportateurs de se positionner sur les marchés stratégiques et de faire face à la concurrence sur les prix. Sur le marché intérieur, les actions financées visaient à dégager le marché soit en proposant des prix plus attractifs, soit en détruisant une partie de la récolte en surnombre ou en l'orientant vers la transformation. Les autorités françaises mentionnent aussi des actions de stockage temporaire de produits en cas de saturation du marché, ainsi qu'un soutien permettant aux entreprises de transformation d'assainir le marché du frais.

(15)

La lettre des autorités françaises du 22 juillet 2003 fournit des tableaux chiffrés qui indiquent les montants affectés aux mesures de „transformation”, „dégagement”, „qualité”, „contractualisation”, „marchés extérieurs”, „stockage”.

(16)

Les documents et informations dont la Commission dispose fournissent des indications plus précises, quoique limitées à certains produits, sur la nature des actions susceptibles d'avoir été financées dans le cadre des plans de campagne.

(17)

Par exemple, pour ce qui est de la production de pommes, une lettre parvenue à la Commission en avril 2002 fait référence à un soutien à l'exportation en dehors de la Communauté qui aurait été octroyé sous couvert d'une aide à la promotion. La mesure consisterait en réalité en l'octroi de rabais à l'acheteur, payés par les autorités françaises par caisse de pommes achetée.

(18)

De plus, d'après d'autres documents, le Comité Économique fruits et légumes du bassin Rhône Méditerranée (BRM) aurait financé en 2000 des actions telles que „coûts de production”, „prix de vente”, „politique de transformation”, „export structurel”, „valorisation export”, „export lors d'un pic de production”, „marchés émergents”, „valorisation marché intérieur”. Dans les secteurs de la pêche et de la nectarine, ces aides semblent avoir été accordées sur base de la quantité produite.

(19)

Certains documents en possession de la Commission indiquent que les autorités françaises étaient informées de la nature douteuse de ces actions au regard du droit communautaire. Elles mêmes qualifiaient ces actions de „largement anti-communautaires” et signalaient la „menace d'une obligation de faire rembourser par les producteurs les sommes indûment versées” (5). Un compte-rendu du BRM rappelle aussi „le caractère confidentiel des plans stratégiques et le besoin de discrétion nécessaire compte tenu du principe anti-communautaire de ceux-ci” (6).

II.3.   Montant des aides

(20)

Dans leur lettre du 26 décembre 2002 les autorités françaises ont expliqué que le financement des actions a été assuré par les secteurs concernés en raison de 30 % ou 50 %, la part restante étant financée par les pouvoirs publics. Dans leur lettre du 22 juillet 2003, les autorités françaises ont transmis des tableaux indiquant la répartition des crédits versés au titre de plans de campagne de 1998 à 2002 pour les différents produits et actions. Le tableau ci-dessous reprend les chiffres plus significatifs fournis. Toutefois, il ne ressort pas clairement des informations transmises si les montants indiqués intègrent les cotisations obligatoires des membres des Comités Économiques, ou s'ils se réfèrent uniquement aux fonds ONIFLHOR.

(21)

Pour les plans de campagne antérieurs à 1998, les autorités françaises n'ont pas fourni de chiffres.

Montants affectés aux plans au titre des campagnes 1998-2002, ventilés par action

 

Transformation

Dégagement

Qualité

Contractualisation

Marchés extérieurs

Stockage

Total

(EUR)

1998

5 108 340

10 714 420

3 225 580

235 250

8 060 840

221 905

27 566 400

1999

13 025 110

11 885 470

5 496 140

193 160

18 580 900

1 211 970

50 392 880

2000

9 472 910

8 748 330

5 601 920

648 250

11 496 650

787 110

36 755 100

2001

7 889 590

0

6 557 590

1 121 840

3 254 140

287 500

19 110 680

2002

6 023 660

0

5 294 320

0

3 283 770

731 630

15 333 390

III.   APPRÉCIATION

III.1.   Présence d'aide au titre de l'article 87, paragraphe 1, du Traité

(22)

Selon l'article 87, paragraphe 1, du traité, sauf dérogations prévues par ce traité, sont incompatibles avec le marché commun dans la mesure où elles affectent les échanges entre États membres, les aides accordées par les États ou au moyen de ressources d'État sous quelque forme que ce soit, qui faussent ou qui menacent de fausser la concurrence en favorisant certaines entreprises ou certaines productions.

(23)

L'article 43 du règlement (CEE) no 2200 du Conseil du 28 octobre 1996 portant organisation commune des marchés dans le secteur des fruits et légumes (7) (OCM), applicable au moment de l'octroi des aides, prévoyait que, sauf dispositions contraires dudit règlement, les articles 92, 93 et 94 du traité (devenus les articles 87, 88 et 89) étaient applicables à la production et au commerce des fruits et légumes.

(24)

Pour que une mesure tombe dans le champ d'application de l'article 87, paragraphe 1, du Traité, les quatre conditions suivantes doivent être cumulativement remplies: (1) la mesure doit être financée par l'État ou par le biais de ressources d'État, (2) elle doit concerner de façon sélective certaines entreprises ou secteurs de production, (3) elle doit comporter un avantage économique pour les entreprises bénéficiaires, (4) elle doit affecter les échanges intra-communautaires et fausser ou menacer de fausser la concurrence.

(25)

À ce stade, les conditions de l'article 87, paragraphe 1, du Traité semblent être réunies.

(26)

En premier lieu, le critère du financement par le biais de ressources d'État est rempli. Les aides sont financées en partie par de ressources tirées du budget général d'État, versées sur le compte de l'ONIFLHOR et distribuées par celui-ci aux différents Comités Économiques, et en partie par des contributions professionnelles rendues obligatoires, perçues par les Comités Économiques.

(27)

En ce qui concerne les contributions professionnelles, elles semblent constituer aussi, prima facie, et à ce stade, des ressources d'État, à la lumière de la jurisprudence récente de la Cour, notamment l'arrêt Pearle (8). Il ressort de cet arrêt que, pour que une mesure financée par des cotisations professionnelles transitant par un organisme public ne tombe pas dans le champ d'application de l'articles 87, paragraphe 1, les conditions suivantes doivent être cumulativement remplies:

(a)

Les cotisations doivent être affectées obligatoirement au financement de la mesure;

(b)

L'organisme public ne doit avoir eu, à aucun moment, le pouvoir de disposer librement de ces ressources;

(c)

La mesure doit être imputable exclusivement aux membres de l'organisme professionnel en objet, et non pas faire partie d'une politique étatique.

(d)

Les coûts encourus par l'organisme en question doivent être compensés pleinement par les contributions imposées aux entreprises bénéficiaires (absence d'avantage).

(28)

Dans les documents en possession de la Commission, rien ne semble indiquer, que les contributions étaient affectées obligatoirement aux plans de campagne, ni que les Comités Économiques n'avaient eu, à moment donné, la possibilité de disposer librement de ces ressources. Par contre, le fait que l'État ait apporté une contribution de 50 %, voire de 70 % au financement des plans de campagne semble indiquer clairement que ces dispositifs faisaient partie d'une politique étatique, et dès lors, que les ressources y affectées étaient, dans leur totalité, imputables à l'État. Au vu de ce qui précède, les contributions professionnelles rendues obligatoires doivent aussi, à ce stade, être considérées comme des ressources d'État au sens de l'article 87 du Traite CE.

(29)

En deuxième lieu, les mesures bénéficient exclusivement aux producteurs de fruits et légumes des départements concernés, et sont donc sélectives.

(30)

En troisième lieu, les producteurs en question reçoivent un avantage économique sous forme de financement de différentes actions de soutien au marché (voir paragraphes 13-18 de la décision supra). Cet avantage améliore leur position concurrentielle. Selon une jurisprudence établie de la Cour de justice, l'amélioration de la position concurrentielle d'une entreprise résultante d'une aide d'État indique, en règle générale, une distorsion de concurrence vis-à-vis d'autres entreprises qui ne reçoivent pas le même soutien (arrêt 730/79 du 17 septembre 1980, Philipe Morris/Commission, Réc. 1980, p. 2671, paragraphes 11 et 12).

(31)

Il convient de rappeler que, compte tenu de l'interdépendance entre les marchés sur lesquels opèrent les opérateurs communautaires, il n' est pas exclu qu' une aide puisse fausser la concurrence intracommunautaire par renforcement de la position concurrentielle des opérateurs (Arrêt de la Cour du 10 décembre 1969. — Commission/République française, Affaires jointes 6 et 11-69, paragraphe 20), même si l'aide bénéficie des produits pour l'exportation en dehors de la Communauté (Arrêt de la Cour du 21 mars 1990, affaire C-142/87 — Belgique/Commission, paragraphe 35)

(32)

En quatrième lieu, le secteur des fruits et légumes est pleinement ouvert à la concurrence intra-communautaire. Par exemple, en 2003 les échanges intra-communautaires de légumes s'élevaient à 8 373 000 tonnes, ceux de fruits à 6 560 000 tonnes. La France est un pays producteur de fruits et légumes parmi les plus importants de l'UE, avec 4 159 000 tonnes de fruits et 6 007 000 tonnes de légumes produits en 2003 (9). L'existence d'une OCM dans le secteur souligne d'ailleurs l'importance des échanges intracommunautaires et la sensibilité du marché à toute mesure en faveur de la production dans l'un ou l'autre État membre.

(33)

À ce stade, les actions réalisées dans le cadre des „plans de campagne” semblent, dès lors, constituer des aides d'État au terme de l'article 87, paragraphe 1, du Traité, d'un montant global qui inclut les ressources transférées par l'ONIFHLOR, plus les cotisations obligatoires.

(34)

Ces aides ne peuvent être déclarées compatibles avec le marché commun que si elles peuvent bénéficier d'une des dérogations prévues par ledit traité.

III.2.   Compatibilité de l'aide

(35)

D'après les informations dont dispose la Commission, les plans de campagne prévoyaient des mesures destinées à faire face à de crises causées par un excès d'offre de produits français sur le marché communautaire, notamment par le biais d'un subventionnement des prix de vente, de subventions pour le stockage ou la destruction d'une partie de la récolte, ainsi que d'incitations financières à la transformation du produit frais. Sur les marchés hors Union Européenne, de subventions à l'exportation auraient également contribué à l'écoulement des produits français excédentaires et pouvait renforcer la position concurrentielle des opérateurs. Ces aides semblent avoir été octroyées sur la base du prix et de la quantité produite.

(36)

À ce stade, la Commission nourrit des sérieuses doutes quant à la compatibilité de ces aides avec le marché commun et estime qu'elle constituent de pures aides au fonctionnement. Comme l'a jugé la Cour de Justice et le Tribunal de Première Instance, les aides au fonctionnement, c'est-à dire les aides qui visent à soulager les entreprises de coûts qu'elles devraient normalement assumer dans la gestion ordinaire de leurs activités, faussent, en principe, la concurrence dans la mesure ou d' une part, elles ne facilitent le „développement” d'aucun secteur économique et, d'autre part, elles procurent au bénéficiaire un support financier artificiel qui fausse de façon durable le jeu de la concurrence et affecte les échanges dans une mesure contraire à l'intérêt commun. (Arrêt du Tribunal du 8 juin 1995, affaire T-459/93, Siemens/Commission, Recueil II-1675, paragraphes 48 et 77).

(37)

Il convient aussi de rappeler que les marchés agricoles dans l'Union Européenne sont réglementés de façon exhaustive par le biais d'organisations communes de marché (OCM). Les OCM ont pour tâche, inter alia, d'assurer une concurrence loyale entre les opérateurs du secteur concerné à l'intérieur de l'Union Européenne. Des mesures de soutien au marché telles que celles introduites et financées par la France, basées sur les prix et les quantités produites, semblent être en contradiction avec les buts de l'OCM des fruits et légumes, et de nature à interférer gravement avec son fonctionnement.

(38)

Tel que la Cour de Justice l'a souligné à maintes reprises (voir, par exemple, „Pigs marketing board” — affaire 83/78 du 29 novembre 1978, Recueil 1978, p. 02347, paragraphe 60) toute intervention d'un État membre dans les mécanismes de marché, à l'exclusion de celles qui sont spécifiquement prévues par un règlement communautaire, risquent d'interférer avec le fonctionnement des organisations communes de marché et de créer des avantages injustifiés pour certains groupes économiques dans la Communauté.

(39)

En particulier, dans sa jurisprudence récente, (voir arrêt C-283/03 Kuipers du 26 mai 2005, paragraphes 42, 49 et 53) la Cour a encore une fois rappelé que, dans les domaines couverts par une organisation commune, à plus forte raison lorsque cette organisation est fondée sur un régime commun des prix, les États membres ne peuvent plus intervenir, par des dispositions nationales prises unilatéralement, dans le mécanisme de la formation des prix régis, au même stade de production, par l'organisation commune.

(40)

Au cas où les mesures en question constitueraient des aides a l'exportation dans les échanges intracommunautaires, la Commission rappelle que celles-ci faussent directement les jeu de la concurrence et que la Commission les a toujours condamnées fermement (10).

(41)

À la lumière des considérations exposées ci-dessus, la Commission considère, à ce stade, que les mesures d'aides décrites risquent de ne pas pouvoir bénéficier d'aucune dérogation prévue par le traité, en ce qu'elles semblent fausser la concurrence et ne pas être justifiées au regard de l'intérêt commun.

IV.   CONCLUSION

La Commission, après avoir examiné les informations fournies par les autorités françaises, a dès lors décidé d'ouvrir la procédure prévue à l'article 88, paragraphe 2, du traité CE en ce qui concerne l'existence et la compatibilité des aides traitées dans la présente décision.

Compte tenu des considérations qui précèdent, la Commission invite la France, dans le cadre de la procédure de l'article 88, paragraphe 2, du traité CE, à présenter ses observations et à fournir toute information utile pour l'évaluation des mesures en question dans un délai d'un mois à compter de la date de réception de la présente.

En particulier, la Commission invite la France à bien vouloir lui fournir:

(a)

une description détaillée et chiffrée de toutes les mesures financées dans le cadre des plans de campagne, ventilées par départements, à partir de l'année 1992;

(b)

une description, le cas échéant, d'autres mesures qui auraient pu être financées par le biais des contributions professionnelles perçues par les Comités Économiques pendant la même période 1992-2002.

Elle invite vos autorités à transmettre immédiatement une copie de cette lettre aux bénéficiaires des aides.

La Commission rappelle à la France l'effet suspensif de l'article 88, paragraphe 3, du traité CE et se réfère à l'article 14 du règlement (CE) no 659/1999 du Conseil qui prévoit que toute aide illégale pourra faire l'objet d'une récupération auprès de son bénéficiaire.»


(1)  Notamment la loi du 6 octobre 1982, puis la loi no 2001-6 du 4 janvier 2001.

(2)  Loi no 99-574 du 9 juillet 1999 art. 59 III, IV Journal Officiel du 10 juillet 1999.

(3)  Décret no 90-879 du 28 septembre 1990, art. 4 Journal Officiel du 30 septembre 1990.

(4)  Règlement (CE) no 220/96.

(5)  Compte-rendu de la réunion Fruits et Légumes du 11 avril 2001, éléments de langage du Ministre de l'Agriculture, pièce annexe no 19.

(6)  Compte-rendu de l'Assemblée Générale de l'OP Pêches du 31 août 2000 à Nîmes, Pièce annexe no 20.

(7)  JO L 297 du 21.11.1996, p. 1-28.

(8)  Le dispositif de l'arrêt „Pearle” (Affaire C-345/02, arrêt du 15 juillet 2004) est le suivant: Les articles 92, paragraphe 1, du traité CE et 93, paragraphe 2, du traité CE (devenus 87, paragraphe 1 et 88, paragraphe 3) doivent être interprétés en ce sens que des règlements adoptés par un organisme professionnel de droit public aux fins du financement d'une campagne publicitaire organisée en faveur de ses membre et décidée par eux, au moyen de ressources prélevées auprès desdits membres et affectées obligatoirement au financement de ladite campagne, ne constituent pas une partie intégrante d'une mesure d'aide au sens de ces dispositions et n'avaient pas à être notifiés préalablement à la Commission dès lors qu'il est établi que ce financement a été réalisé au moyen de ressources dont cet organisme professionnel de droit public n'a eu, à aucun moment, le pouvoir de disposer librement.

(9)  Source: Eurostat.

(10)  Cinquième rapport sur les aides d'État dans la Communauté européenne, 1997, p. 20.


22.9.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 233/28


STEUNMAATREGELEN VAN DE STATEN — DENEMARKEN

Steunmaatregel van de staten C 10/2005 (ex NN 127/2000) — Road Combus A/S passenger transport

Uitnodiging overeenkomstig artikel 88, lid 2, van het EG-verdrag, om opmerkingen te maken

(2005/C 233/10)

(Voor de EER relevante tekst)

Bij schrijven van 2 mei 2005, dat op de bladzijden na deze samenvatting in de authentieke taal is afgedrukt, heeft de Commissie Denemarken in kennis gesteld van haar besluit tot inleiding van de procedure van artikel 88, lid 2, van het EG-verdrag ten aanzien van een deel van bovengenoemde (steun)maatregel.

De Commissie heeft besloten geen bezwaren in te brengen tegen bepaalde andere (steun)maatregelen die in de op deze samenvatting volgende brief worden beschreven.

Belanghebbenden kunnen hun opmerkingen over de (steun)maatregel met betrekking waartoe de Commissie de procedure inleidt kenbaar maken door deze binnen een maand vanaf de datum van de bekendmaking van deze samenvatting en de hierna volgende brief aan het volgende adres toe te zenden:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Vervoer en energie

Directoraat A. Algemene zaken en middelen

Gebouw DM 28, Kamer 6/100

B-1049 Brussel

Fax (32-2) 296 41 04.

Deze opmerkingen zullen aan Denemarken worden meegedeeld. Belanghebbenden die hun opmerkingen toezenden, kunnen met opgave van redenen schriftelijk verzoeken om vertrouwelijke behandeling van hun identiteit.

SAMENVATTING

1.

Procedures

Bij Beschikking SG(2001) D/287297 van 28 maart 2001 (hierna de oorspronkelijke beschikking te noemen) heeft de Commissie besloten geen bezwaren tegen de maatregelen in te brengen. Bij arrest van 16 maart 2004 heeft het Gerecht van eerste aanleg de oorspronkelijke beschikking nietig verklaard voorzover daarbij de steun die door de Deense autoriteiten aan de vennootschap Combus A/S is verleend in de vorm van een kapitaalinbreng verenigbaar met de gemeenschappelijke markt wordt verklaard” (1).

2.

Beschrijving van de maatregel waartegen de Commissie de procedure inleidt:

—   nationale rechtsgrond: Deense wet nr. 1046 van 23 december 1998.

—   autoriteit van de lidstaat die de steunmaatregel neemt: Deense regering

—   type steun: kapitaalverhoging, toekenning van een lening, diverse garanties

—   looptijd: onbepaald

—   begunstigde(n): de vennootschap Combus SA

—   doel van de steunmaatregelen: herstructureringssteun met het oog op privatisering

—   begrotingsmiddelen, herkomst van de middelen waarmee de steun wordt gefinancierd en bedragen (per jaar): ad hoc-maatregelen bestaande uit twee tranches: DKK 300 miljoen in 1999 en DKK 240 miljoen in 2001; in het verkoopcontract opgenomen waarborgen ter waarde van maximaal DKK 51 miljoen.

3.

Beoordeling van de maatregel

Combus heeft, tijdens het privatiseringsproces, in 1999 en 2001 financiële steun van de Deense overheid gekregen. Derhalve moet thans worden uitgemaakt of het in deze beide gevallen al dan niet om staatssteun gaat en of het hier steunverlening in het kader van één enkele maatregel dan wel twee afzonderlijke maatregelen betreft. Volgens het Gerecht van eerste aanleg (GEA) moet, om deze materie te kunnen beoordelen, vooral worden gelet op „de chronologie van de betrokken kapitaalinjecties, hun doel, en de situatie van de dochteronderneming ten tijde van de vaststelling van de besluiten om de betrokken kapitaalinjecties te verrichten” (2). Op grond van de haar ter beschikking staande informatie kan de Commissie niet vaststellen of beide betalingen al dan niet twee fasen van één enkele financieringsmaatregel vormen.

Deze financieringen vormen geen steunmaatregelen in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-verdrag indien de Deense staat zich heeft gedragen als een particulier investeerder in een markteconomie. De Deense regering is de mening toegedaan dat het beginsel van de rationele marktinvesteerder tevens van toepassing is op een situatie waarin de inbreng van vers kapitaal gewenst wordt geacht om de geloofwaardigheid van de regering (moedermaatschappij) op de marktplaats te beschermen, vgl. arrest van 21 maart 1991 in zaak C-303/88, Italië tegen Commissie, Rep. 1991 I, blz. 1433, par. 21, en dat het faillissement van Combus, dat zonder de betalingen in kwestie onvermijdelijk zou zijn geweest, de reputatie van de Deense overheid als professioneel investeerder zou hebben geschaad. Zij concludeert dan ook dat een particulier investeerder in haar plaats op dezelfde wijze zou hebben gehandeld.

De Commissie betwijfelt of een particulier investeerder dezelfde handelwijze zou hebben gekozen in een soortgelijke situatie. Zij vestigt de aandacht van de Deense autoriteiten op het feit dat het Hof de bezorgdheid om de reputatie van de staat als beweegreden voor een kapitaalinjectie slechts accepteert indien er terzelfder tijd, althans op lange termijn, uitzicht bestaat op een levensvatbare en rendabele onderneming, hetgeen in dit geval niet op overtuigende wijze is aangetoond. Bijgevolg kan de Commissie niet uitsluiten dat althans één van de betalingen — en misschien wel beide — ongeacht de vraag of er nu van één enkele maatregel of van twee afzonderlijke maatregelen sprake is, staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, vormt.

Een dergelijke steunmaatregel zou met de gemeenschappelijke markt verenigbaar kunnen zijn uit hoofde van Verordening (EEG) nr.1191/69 of van artikel 87, lid 3, sub c), van het EG-Verdrag, als nader aangegeven in de richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (3).

1.   Verenigbaarheid op grond van Verordening (EEG) 1191/69

Verordening 1191/69 geeft de lidstaten de keus tussen twee methoden om de openbare dienstverlening in de vervoerssector te organiseren:

hetzij door gebruik te maken van openbaredienstcontracten, als gedefinieerd in artikel 1, lid 4, en in deel V van het reglement,

hetzij door het opleggen van openbaredienstverplichtingen aan vervoersondernemingen, welke regeling wordt omschreven in artikel 1, lid 5, en in de delen II, III en IV van het reglement.

Denemarken heeft, wat het vervoer per bus betreft, voor openbaredienstcontracten gekozen.

Volgens het GEA kan bij sluiting van een openbaredienstcontract geen sprake meer zijn van compensaties voor de oplegging van een openbaredienstverplichting (4).

Indien blijkt dat de tussen de partijen in een openbaredienstcontract overeengekomen prijs te laag is, kan de voor het contract verantwoordelijke onderneming, krachtens de leden 4 tot en met 6 van artikel 14 van Verordening (EEG) nr. 1191/69, het contract met een opzegtermijn van drie maanden beëindigen. De bevoegde autoriteiten kunnen de onderneming ertoe verplichten het contract nog een jaar te blijven uitvoeren, zulks tegen betaling van een bedrag dat wordt berekend volgens de in de delen II, III en IV van de verordening vastgestelde methoden. Alleen in dit geval, kan er sprake zijn van een compensatie voor de oplegging van een openbaredienstverplichting in het kader van openbaredienstcontracten. Combus heeft zijn openbaredienstcontracten niet beëindigd, zodat het dus niet mogelijk is de delen II, III en IV van Verordening (EEG) nr. 1191/69 toe te passen en de door Combus ontvangen financieringen verenigbaar met de gemeenschappelijke markt te achten.

De Commissie sluit derhalve uit dat de financieringen met de gemeenschappelijke markt verenigbaar zijn op grond van Verordening (EEG) nr1191/69.

2.   Verenigbaarheid op grond van artikel 87, lid 3, sub c), van het EG-Verdrag, als nader aangegeven in de richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen

In par. 3.2 van de richtsnoeren worden de volgende voorwaarden gesteld waaraan moet worden voldaan alvorens herstructureringssteun mag worden verleend:

een onderneming moet als een onderneming in moeilijkheden kunnen worden beschouwd (a);

het herstructureringsplan dient binnen een redelijk tijdsbestek de levensvatbaarheid op lange termijn van de onderneming te kunnen herstellen (b);

er moeten maatregelen worden genomen om eventuele nadelige gevolgen van de steunmaatregelen voor de concurrenten zoveel mogelijk te verzachten (c);

de steun moet beperkt worden tot het strikte minimum dat nodig is om de herstructurering mogelijk te maken (d);

de Commissie moet in staat worden gesteld zich van de goede uitvoering van het herstructureringsplan te vergewissen, door middel van geregeld aan haar voor te leggen uitvoerige verslagen (e);

de herstructureringssteunmaatregelen mogen slechts één enkele maal worden toegestaan (f).

Combus is een onderneming in moeilijkheden in de zin van de richtsnoeren (a). De Deense regering heeft een herstructureringsplan voor Combus ingediend.

Het GEA stelt: „De redenering van de Commissie [in haar oorspronkelijke beschikking] moet […]worden aangemerkt als de uitdrukking van serieuze twijfel over de levensvatbaarheid van Combus in de zin van [artikel 87 van het EG-verdrag] en de richtsnoeren. De Commissie voelde zich echter niet verplicht deze twijfel te verduidelijken aangezien artikel 73 EG haar een afdoende rechtsgrondslag leek te bieden voor de goedkeuring van de betrokken steunmaatregel. Aangezien hiervoor echter geen beroep op laatstgenoemde bepaling kan worden gedaan […], is de betaling van [X] DKK in de bestreden beschikking niet meer op geldige wijze goedgekeurd […]Bijgevolg kan er niet van worden uitgegaan dat het voortbestaan van Combus verzekerd is” (5). Gezien deze conclusie van het GEA kan de Commissie alleen maar constateren dat zij twijfels heeft over de economische levensvatbaarheid van Combus nadat de geplande herstructurering is doorgevoerd (b).

De Deense autoriteiten menen dat in het onderhavige geval, bij uitzondering, geen maatregelen nodig zullen zijn om schadelijke gevolgen van de steunmaatregelen voor de concurrenten zoveel mogelijk te verzachten, aangezien de contracten van Combus geleidelijk aflopen (eind 2003 is zo'n 50 % van de contracten afgelopen; het laatste contract verstrijkt in 2006) en Arriva, de maatschappij waaraan Combus na de herstructurering is verkocht, niet het voornemen koestert een marktaandeel te handhaven dat overeenkomt met de gezamenlijke marktaandelen van Arriva en Combus ten tijde van de overname (ongeveer 50 %). De Commissie betwijfelt of de bijzondere omstandigheden in dit geval van dien aard zijn dat kan worden afgezien van maatregelen om, zoveel mogelijk, de nadelige gevolgen van de steun voor de concurrenten te verzachten, gezien met name het feit dat de concurrenten van Combus, vertegenwoordigd door de Danske Busvognmaend, besloten hebben de beschikking van de Commissie om de steunmaatregelen toe te staan aan te vechten (c).

De Commissie betwijfelt tevens of de maatregelen(en) beperkt is/zijn gebleven tot het strikt noodzakelijke minimum om de herstructurering mogelijk te maken. Volgens de Deense autoriteiten zal Arriva dank zij de steun in staat zijn een rendement van 10 % op het geïnvesteerde kapitaal te verkrijgen, hetgeen voor een dergelijke investering het aanvaardbare minimum zou zijn. De Commissie constateert dat zij in dit stadium niet over de nodige informatie beschikt om te kunnen nagaan of de overheidsbijdragen beperkt zijn gebleven tot het strikt noodzakelijke minimum om de herstructurering mogelijk te maken (d).

De Deense regering is ermee akkoord gegaan de Commissie een jaarverslag voor te leggen om deze ertoe in staat te stellen te beoordelen of het herstructureringsplan ten uitvoer wordt gelegd in overeenstemming met de door de Deense autoriteiten aangegane verbintenissen. De Commissie heeft verslagen ontvangen voor de jaren 2001 en 2002 waaruit blijkt dat het herstructureringsplan in acht is genomen (e).

Combus heeft niet eerder herstructureringssteun genoten. Indien de beide betalingen twee tranches van één en dezelfde steunmaatregel vormen, of indien de Deense staat, op het tijdstip van de eerste of de tweede betaling, gehandeld heeft als een particulier investeerder in een markteconomie, moet de Commissie constateren dat het beginsel „one time, last time” in acht genomen is. Indien beide betalingen als twee afzonderlijke maatregelen moeten worden beschouwd, en indien de Deense staat noch ten tijde van de eerste, noch ten tijde van de tweede betaling als een particulier investeerder in een markteconomie gehandeld heeft, is het beginsel „one time, last time” niet in acht genomen (f).

TEKST VAN DE BRIEF

»Kommissionen skal herved meddele Danmark, at den efter at have undersøgt de oplysninger, som myndighederne har fremsendt om den omhandlede støtte/foranstaltning, har besluttet at indlede proceduren efter EF-traktatens artikel 88, stk. 2.

1.   SAGSFORLØB

1.

de havde til hensigt at yde økonomisk støtte til det statsejede busselskab Combus A/S i forbindelse med Arriva Danmarks overtagelse af det. Som anført i brevet og drøftet på et uformelt møde den 30. juni 1999 havde den danske stat allerede i 1999 foretaget en ikke anmeldt kapitaltilførsel til Combus A/S.

2.

Forud for denne meddelelse havde Kommissionen modtaget et brev af 25. juni 1999 og en klage af 11. november 1999 fra brancheorganisationen Danske Busvognmænd (6), hvori den rejste indsigelse mod den økonomiske støtte, som Combus havde fået tidligere, og en økonomisk støtte, som muligvis ville blive ydet i nær fremtid.

3.

Kommissionen anmodede om yderligere oplysninger ved brev af 15. december 2000, og fik svar fra de danske myndigheder den 18. december 2000. Myndighederne fremsendte flere oplysninger ved brev af 8. januar 2001. Kommissionen anmodede om yderligere oplysninger den 9. januar 2001 og fik svar fra myndighederne samme dag. De danske myndigheder fremsendte flere oplysninger ved brev af 23. januar 2001 og 26. februar 2001. Den danske Konkurrencestyrelse fremsendte også oplysninger ved brev af 20. december 2000.

4.

De danske myndigheder og Kommissionens tjenestegrene afholdt møder i Bruxelles den 23. november og 19. december 2000 og i København den 4. og 15. januar 2001.

5.

Ved beslutning SG(2001) D/287297 af 28. marts 2001, i det følgende benævnt „den oprindelige beslutning”, besluttede Kommissionen efter en indledende undersøgelse ikke at gøre indsigelse mod de anmeldte foranstaltninger, fordi den mente,

at der ikke var tale om statsstøtte (godtgørelse for udgifter til pensionsbidrag), eller

at de var forenelige med fællesmarkedet enten i henhold til EF-traktatens artikel 73 eller i henhold til artikel 87, stk. 3, litra c), kombineret med Fællesskabets rammebestemmelser for statsstøtte til redning og omstrukturering af kriseramte virksomheder, i det følgende benævnte „rammebestemmelserne”, eller (7)

at de var forenelige med fællesmarkedet i henhold forordning (EØF) nr. 1191/69.

6.

Beslutningen blev offentliggjort i EF-Tidende den 5. maj 2001 (8). Ved brev af 8. maj 2001, modtaget den 15. maj 2001, underrettede Kommissionen Danske Busvognmænd om beslutningen.

7.

Ved brev af 6. november 2002, modtaget af Kommissionen den 12. november 2002, og brev af 19. januar 2004, modtaget af Kommissionen den 20. januar 2004, underrettede de danske myndigheder Kommissionen om, hvordan omstruktureringsplanen for Combus var gennemført.

8.

Den 11. juli 2001 anlagde Danske Busvognmænd sag ved Retten i Første Instans med påstand om annullering af Kommissionens beslutning af 28. marts 2001. Ved dom af 16. marts 2004 annullerede Retten i Første Instans den oprindelige beslutning, „i det omfang den fastslår, at den støtte, som de danske myndigheder ydede Combus A/S i form af kapitalindskud på 300 mio. DKK og 240 mio. DKK, er forenelig med fællesmarkedet (9).

9.

Hvad angår kapitalindskuddet på 300 mio. DKK, fandt Retten, at den oprindelige beslutning „er behæftet med en fejl, i det omfang det antages, at udbetalingen af beløbet på 300 mio. DKK udgør en kompensation for forpligtelser til offentlig tjeneste i den forstand, hvori dette udtryk anvendes i artikel 2 og artikel 10-13 i forordning nr. 1191/69. […] Den anfægtede beslutning må derfor annulleres, i det omfang den godkender, at der udbetales et beløb på 300 mio. DKK på grundlag af denne forordning, uden at det er nødvendigt at tage stilling til de øvrige anbringender, som er fremført vedrørende dette punkt.” (10).

10.

Hvad angår kapitalindskuddet på 300 mio. DKK, fandt Retten for så vidt angår artikel 73, at „medlemsstaterne ikke længere er berettiget til at påberåbe sig artikel 73 EF uden for de tilfælde, som er omhandlet i den afledte fællesskabsret. For så vidt forordning nr. 1191/69 ikke finder anvendelse, og udbetalingen af beløbet på 300 mio. DKK er omfattet af artikel 87, stk. 1, EF, er det således Rådets forordning (EØF) nr. 1107/70 af 4. juni 1970 om støtte, som ydes inden for sektoren for transport med jernbane, ad landeveje og sejlbare vandveje (EFT 1970 II, s. 309), der udtømmende opregner de betingelser, hvorunder medlemsstaternes myndigheder kan tildele støtte i henhold til artikel 73 EF  (11) . Herefter må nærværende anbringende tages til følge, i det omfang det er rettet imod Kommissionens godkendelse af udbetalingen af 300 mio. DKK på grundlag af artikel 73 EF (12).

11.

Hvad angår anvendelsen af EF-traktatens artikel 87, stk. 3, litra c), kombineret med rammebestemmelserne, fandt Retten, „at den anfægtede beslutning ikke kan fortolkes således, at Kommissionens medlemmer som kollegium har givet en klar, ubetinget og endelig godkendelse af betalingen af beløbet på 240 mio. DKK i henhold til artikel 87, stk. 3, litra c), EF og rammebestemmelserne. Kommissionens argumentation må derimod forstås som udtryk for en alvorlig tvivl om, hvorvidt Combus var rentabel ifølge nævnte traktatbestemmelse og rammebestemmelserne, hvilken tvivl Kommissionen imidlertid ikke anså sig for forpligtet til at afklare, når den fandt, at artikel 73 EF udgjorde et tilstrækkeligt retsgrundlag til at godkende støtten. Da den sidstnævnte bestemmelse imidlertid ikke kan påberåbes i denne forbindelse (jf. ovenfor i præmis 100 og 101), indeholder den anfægtede beslutning ikke noget gyldigt grundlag for at godkende udbetalingen af beløbet på 300 mio. DKK. Af det anførte følger, at godkendelsen af betalingen på 240 mio. DKK i det hele må annulleres, uden at det er nødvendigt at tage stilling til de øvrige anbringender, der er fremført på dette punkt (13).

12.

Den 11. januar 2005 mødtes Kommissionens tjenestegrene med de danske myndigheder for at få yderligere oplysninger om udviklingen i Arriva/Combus-sagen, siden den oprindelige beslutning blev vedtaget.

2.   BESKRIVELSE AF STØTTEN

2.1.   Det danske busmarked

13.

Det danske marked for kollektiv bustransport er opdelt i to områder, hovedstadsområdet og resten af landet uden for hovedstadsområdet.

14.

I hovedstadsområdet har Hovedstadens Udviklingsråd, hvori amtsrådene og Københavns og Frederiksbergs Kommunalbestyrelser alle er repræsenteret, ansvaret for at forestå ruteplanlægning, fastlægge kørselsomfang, linjeføring, køreplanlægning, busterminaler, busmateriel og sørge for udførelsen af den kollektive personbefordring. Buskørslen udbydes normalt i licitation. Alternativt kan Hovedstadens Udviklingsråd beslutte at lade den udføre med egne busser.

15.

Uden for hovedstadsområdet varetages busdriften af amtsrådene og kommunalbestyrelserne. I nogle tilfælde har de oprettet amts- eller fælleskommunale trafikvirksomheder, som har pligt til at sørge for, at buskørslen bliver udført i overensstemmelse med planen. Disse transportvirksomheder eller også de respektive amtsråd og kommunalbestyrelser overlader efter udbud normalt busdriften til private og offentlige busvirksomheder. Alternativt kan de beslutte at udføre kørslen med egne busser.

16.

De lokale myndigheder har udliciteret hovedparten af den regionale bustrafik. Liberaliseringen af busmarkedet indledtes i 1990 for Hovedstadsområdet (HT) og i 1994 for resten af landet. Tabel 1 viser, hvor stor en procentdel af markedet, der var udliciteret i de enkelte amter i 1999, som var det år, hvor den danske stat iværksatte første del af de finansielle foranstaltninger til fordel for Combus.

Tabel 1. Udlicitering af amternes bustrafik (i procent) og antal operatører pr. amt i 1999

Amt/Trafikselskab

Udliciteret

Antal operatører

Hovedstadsområdet (HT)

96

8

Nordjylland

100

27

Fyn

100

1

Viborg

21

5

Bornholm

100

6

Ringkøbing

100

10

Storstrøm

100

6

Vestsjælland

100

7

Vejle

100

9

Ribe

35

1

Århus

100

15

Sønderjylland

100

13

Kilde: Konkurrencestyrelsen.

Bustrafik, som visse kommuner udfører inhouse, er ikke medtaget i beregningen.

17.

Det danske busmarked er præget af nogle få store selskaber og mange små lokale selskaber. Da de foranstaltninger, der er omhandlet i denne beslutning, blev gennemført, var Combus det eneste landsdækkende busselskab. Arriva Danmark var det næststørste selskab. Skønt det kun er repræsenteret i nogle få amter, er det den største operatør i Hovedstadsområdet, hvilket forklarer dets store markedsandel.

18.

Som det fremgår af tabel 2, havde Combus i 2000 en markedsandel på 33 % mod 40 % i 1999 (målt i procent af et selskabs antal køreplantimer), mens Arrivas markedsandel i 2000 var på 23 % (14).

Tabel 2. Markedsandele i Danmark i 2000 målt i procent af antal køreplantimer

Operatør

Markedsandel

Combus

33 %

Arriva Danmark A/S

23 %

Connex A/S

13 %

City Trafik A/S

8 %

Andre operatører

23 %

Kilde: Trafikministeriet.

Alle andre operatører har en markedsandel på under 5 %.

19.

Kontrakterne løber normalt i en periode på op til fem år, efter at busdriften er indledt. Amterne kan kræve nogle af kontrakterne forlænget med op til 3 år på samme vilkår. Der er derfor en ganske hurtig udskiftning af operatører, og der er mulighed for regelmæssige ændringer af markedsandele.

20.

Ifølge kontrakterne fastsætter de lokale myndigheder taksterne og modtager provenuet fra billetsalget. Operatørerne får udbetalt et fast beløb pr. køretime, som er identisk for alle kontakter, plus et tillæg, som er forskelligt for de enkelte kontrakter, og som fastsættes ved udbud. I 1999 og 2000 androg provenuet fra billetsalget lidt over 50 % af det beløb, som amtsrådene skulle betale busselskaberne som vederlag for busdriften. De lokale myndigheder finansierer differencen over skatterne.

21.

Det gennemsnitlige tillæg, som de lokale myndigheder udbetalte pr. køretime, faldt betydeligt i perioden 1994-2000. I gennemsnit faldt det med 18 %. Derfor faldt prisen pr. køretime (dvs. summen af grundbeløbet og tillægget) fra 383 DKK til 315 DKK (i 1994-priser), jf. tabel 3.

Tabel 3. Licitationer og gennemsnitspriser 1994-2000

År

Gennemsnitlig timebetaling til busoperatøren

(DKK)

Antal ruter — hele markedet

(Danmark)

Antal udliciterede ruter pr. år

1994

383

2 791

345

1995

368

2 786

448

1996

352

2 799

761

1997

337

2 777

237

1998

322

2 803

792

1999

322

2 799

718

2000

315

2 800

839

22.

Diagram 1 viser udviklingen i udbudspriserne (i DKK) fra 1997 til 2002 (seneste foreliggende data), som var stabil fra 2000 til 2002 efter privatiseringen af Combus.

Diagram 1: Gennemsnitlige udbudspriser i det storkøbenhavnske område og i resten af landet i 1997-2002

Image

Den øverste linje viser priserne i det storkøbenhavnske område, og den nederste linje viser priserne i resten af landet. Kilde: Trafikministeriet.

2.2.   Selskaberne

2.2.1.   Arriva plc

23.

ARRIVA PLC ER ET PRIVAT SELSKAB INDEN FOR BUSTRANSPORT, SOM HAR SÆDE I DET FORENEDE KONGERIGE OG ER BØRSNOTERET I LONDON. I 1999 HAVDE ARRIVA PLC EN ÅRSOMSÆTNING PÅ 1,5 MIA. GBP OG KNAP 31 000 ANSATTE. HOVEDAKTIVITETEN ER BUSTRAFIK I OG MELLEM BYER, LOKALTRANSPORT I LANDDISTRIKTER, EFTERSPØRGSELSBESTEMT TRANSITKØRSEL, NÆRTRAFIK SAMT EKSPRESBUSKØRSEL I ENGLAND, SKOTLAND OG WALES. DESUDEN HAR VIRKSOMHEDEN RUTEBUS-, TURISTBUS- OG EFTERSPØRGSELSBESTEMT BUSDRIFT OG HANDICAPTRANSPORT I DANMARK, NEDERLANDENE, SPANIEN OG SVERIGE. AKTIVITETERNE UDEN FOR DET FORENEDE KONGERIGE TEGNER SIG FOR 30 % AF OMSÆTNINGEN FRA BUSDRIFT, OG ARRIVA PLC ER EUROPAS TREDJESTØRSTE PRIVATE BUSOPERATØR. DERUDOVER HAR ARRIVA PLC BETYDELIGE AKTIVITETER INDEN FOR BILUDLEJNING I DET FORENEDE KONGERIGE MED 38 UDLEJNINGSSTEDER OG EN UDLEJNINGSBILPARK PÅ CA. 8 500 KØRETØJER.

24.

Med købet af Unibus i 1997 kom Arriva plc ind på det danske marked. Unibus havde da en markedsandel på ca. 8 % af de udliciterede busruter i København og var desuden den største private leverandør af specialiseret handicaptransport i København. Endvidere havde Unibus aktiviteter på Sjælland og i Jylland.

25.

I marts 1999 købte Arriva plc Bus Danmark, som blev fusioneret med Unibus og fik navnet Arriva Danmark, i det følgende benævnt „Arriva”. Arriva deltager også i et joint venture om drift af Københavns metro, som blev sat i drift i oktober 2002.

2.2.2.   Combus A/S

26.

Combus A/S, i det følgende benævnt „Combus”, var et 100 % statsejet aktieselskab, indtil det blev købt af Arriva plc i 2000. Selskabet drev en række regionale og lokale busruter i Danmark og var oprindeligt en del af DSB. Ved lov nr. 232 af 4. april 1995 („Lov om DSB Busser A/S”) (15) blev det oprettet som aktieselskab med DSB som ejer. Det nye selskab fik navnet DSB Busser A/S. Selskabets startkapital var på 65 mio. DKK, som blev tegnet ved, at DSB Busser A/S overtog DSB's busvirksomhed omfattende DSB's busmateriel og alle andre DSB-aktiver, der alene anvendtes i forbindelse med buskørsel.

27.

DSB ejede alle selskabets aktier indtil udgangen af 1996, hvor det ved en lov blev overdraget til Trafikministeriet (16). I 1997 ændrede selskabet navn til Combus A/S. I 1998 vedtog Folketinget en lov om bemyndigelse af staten til at afhænde alle sine aktier i Combus med henblik på privatisering.

28.

Pr. 31. december 1999 havde Combus en buspark på 1 270 busser mod 810 i 1995. Det gennemsnitlige antal ansatte voksede fra 1 932 i 1995 til 3 132 i 1999. I starten af 2001 havde Combus 41 kontrakter med amtsrådene om at udføre buskørsel. De fleste af disse kontakter udløber efter 2002, jf. tabel 4.

Tabel 4. Combus' kontrakter i starten af 2001

Udløbsdato

Antal kontrakter

Antal busser i kontrakterne

Gennemsnitlig kontraktpris

(løbende priser)

Samlet kontraktværdi

(i mio. DKK)

2001

4

127

344

117,9

2002

14

308

354

694,2

2003

5

128

374

542,3

2004

10

154

345

592,8,

2005

3

82

326

414,1

2006

5

104

375

628,0

I alt

41

903

2 989,2

29.

Combus har en række datterselskaber:

Combus Ejendomme ApS, som har ansvaret for ejendommene

9 selskaber med ansvar for intern leasing.

2.3.   Den danske stats økonomiske støtte til Combus

30.

Formålet med den økonomiske støtte til Combus var at løse to forskellige problemer. For det første havde Combus fra sin tid som en del af DSB overtaget et stort antal ansatte, der havde tjenestemandsstatus (2.3.1.). For det andet begyndte Combus at lide store tab mod slutningen af 1990'erne, primært på grund af en dårligt ledet ekspandering af selskabets ruter. De statslige myndigheder besluttede at løse det andet problem ved at omstrukturere selskabet med henblik på i sidste ende at sælge det til en privat investor (2.3.2).

2.3.1.   Støtte til dækning af øgede driftsomkostninger som følge af forpligtelsen til at beskæftige tjenestemænd

31.

De fleste Combus-chauffører var tidligere DSB-ansatte med tjenestemandsstatus. Ifølge dansk lov indebærer det en god pensionsordning og ret til løn i 3 år i tilfælde af opsigelse. Disse betingelser var meget mere fordelagtige end betingelserne i overenskomsterne mellem chaufførernes fagforeninger og Danske Busvognmænd. Det var derfor meget dyrere for Combus at beskæftige chauffører med tjenestemandsstatus end overenskomstansatte chauffører.

32.

Da Combus blev oprettet i 1995, havde det 1 600 ansatte, hvoraf 750 var overenskomstansatte og 850 tjenestemænd. Da det var dyrere at have de pågældende beskæftiget som tjenestemænd end som overenskomstansatte, udviste Combus' åbningsbalance et beløb på 140 mio. DKK, som blev hensat af den danske stat til dækning af selskabets merudgifter til de tjenestemandsansatte.

33.

Ved lov nr. 1046 af 23. december 1998, der bemyndigede staten til at sælge sine aktier i Combus, fik staten også hjemmel til at afholde udgiften til et engangsvederlag til de tjenestemænd, som var ansat hos Combus, og som ville opgive deres tjenestemandsrettigheder og overgå til overenskomstansættelse i selskabet. I september 1998 indgik staten en aftale med Dansk Jernbaneforbund om vilkårene for overgangen fra tjenestemandsansættelse til overenskomstansættelse. Ifølge aftalen fik tjenestemændene valget mellem at overgå til overenskomstansættelse i Combus pr. 1. april 1999 eller at vende tilbage til anden passende ansættelse i DSB. Tjenestemændene ville som kompensation for at fraskrive sig deres tjenestemandsrettigheder modtage et engangsvederlag. Ca. 550 af tjenestemændene valgte at tage mod dette tilbud, og den danske stat udbetalte 100 mio. DKK som kompensation i april 1999.

2.3.2.   Økonomisk støtte til Combus med henblik på privatisering

34.

Efter at Combus var blevet adskilt fra DSB, indledte selskabet en aggressiv ekspansionspolitik. I løbet af tre år øgedes omsætningen med over 40 % (jf. tabel 5). De kontrakter, som selskabet havde vundet ved udbud i de år, og som dannede grundlaget for ekspansionspolitikken, viste sig dog at være urentable og resulterede i store underskud. I 1998 fik selskabet et underskud på 141 mio. DKK, og i 1999 blev situationen forværret yderligere, jf. tabel 5.

Tabel 5. Overskud/underskud: Combus A/S 1995 — 2000

Mio. DKK

1995

1996

1997

1998

1999

2000

(skøn)

Omsætning

625

686

763

1 050

1 098

1 089 (17)

Overskud/underskud

32

30

5

– 141

– 175

– 118 (17)

35.

Som en reaktion på Combus' økonomiske problemer besluttede den danske stat at sælge selskabet til en privat investor. I betragtning af Combus' alvorlige økonomiske situation var Folketinget og regeringen klar over, at Combus måtte omstruktureres, før det kunne sælges, hvilket krævede, at staten tilførte Combus økonomisk støtte.

36.

Som et første skridt på vej mod denne omstrukturering og privatisering vedtog Folketinget i december 1998 en lov, der bemyndigede staten til at sælge alle sine aktier i Combus. (18). De statslige myndigheder begyndte i starten af 1999 at udarbejde en omstruktureringsplan for Combus og begyndte samtidig at se sig om efter potentielle investorer.

2.3.2.1.   Salget til Arriva

37.

Med henblik på efter omstruktureringen af Combus at sælge selskabet til en privat investor udpegede myndighederne Alfred Berg Corporate Finance (København), et datterselskab af den hollandske bank ABN AMRO Bank NV, til sin rådgiver i forbindelse med salget af hele statens aktiepost i Combus på de bedst mulige vilkår. Der blev foretaget en screening af markedet efter potentielle købere ud fra følgende fem kriterier: en eventuel køber skulle

have aktiviteter inden for offentlig transport

have en stærk økonomisk stilling

have en vis størrelse (fastsat som mere end 1 000 busser i drift)

have en betydelig omsætning (fastsat til over 1 mia. DKK)

have aktiviteter på tilsvarende markeder.

38.

Ved screeningen fandt man frem til 14 mulige købere, og disse blev opfordret til at undersøge muligheden for et eventuelt køb. Syv udviste interesse og deltog i bestyrelsens præsentationer af Combus, hvor de fik udleveret et brev, der beskrev det videre forløb. I brevet anførtes det, at de potentielle købere ville få adgang til oplysninger om selskabet samt yderligere møder med bestyrelsen, hvis de indsendte en interessetilkendegivelse inden starten af september 2000.

39.

To selskaber, Arriva og Metroline, fremsendte en sådan interessetilkendegivelse, og et konsortium af to andre selskaber, VIA GTI/Connexxion, meddelte en mere forbeholden interesse. Alle de interesserede selskaber meddelte, da de havde undersøgt Combus' situation nærmere, at en kontraktunderskrivelse ville være betinget af, at staten tilførte selskabet yderligere kapital.

40.

Ifølge et memo fra ABN AMRO Alfred Berg til de danske myndigheder var Arrivas tilbud, som gik ud på at købe Combus for den symbolske sum af 100 DKK, efter at selskabets gæld var nedskrevet med 340 mio. DKK, bedre end det eneste andet tilbud, der blev modtaget fra Metroline, som var parat til at erhverve Combus mod et vederlag på 500 mio. DKK. Efter råd fra ABN AMRO Alfred Berg konkluderede de danske myndigheder, at Arriva tilbød de bedste vilkår for at købe Combus. I november 2000 blev der indgået en hensigtserklæring om salg af Combus til Arriva Danmark mellem Trafikministeriet som sælger og Arriva Danmark som køber og Combus' kreditorer. Aftalens vilkår var som følger:

41.

Hvad angår Combus' gæld, så påtog den danske stat og Combus' kreditorer sig følgende forpligtelser:

Det ansvarlige statslån på 100 mio. DKK fra 1999 blev eftergivet.

Combus' nettogæld blev nedskrevet med yderligere 240 mio. DKK, og med henblik herpå accepterede selskabets lånekreditorer at eftergive gæld på 100 mio. DKK, og den danske stat skulle dermed indskyde yderligere 140 mio. DKK.

Den danske stat garanterede at ville betale eventuelle miljøudgifter (dog maksimalt 22,5 mio. DKK), der måtte opstå i fremtiden, men som vedrørte perioden inden salget.

Den danske stat gav ubegrænsede garantier for perioden inden salget for eventuelle tab eller krav fra tidligere tjenestemænd, skattekrav og eventuelle omkostninger i forbindelse med de forskellige kulegravninger af selskabet.

Den danske stat garanterede at ville dække de forventede tab på op til 8 mio. DKK i forbindelse med frasalg af Combus International.

42.

Endvidere skulle staten justere købesummen (dog maksimalt 35 mio. DKK), hvis selskabets balance pr. 31. december 2000 viste, at kapitalreserverne udgjorde under 31,8 mio. DKK. Det svarer til bestyrelsens forventning, da hensigtserklæringen mellem staten og Arriva blev underskrevet. Det viste sig, at selskabets kapitalreserver pr. 31. december 2000 kun udgjorde ca. 10.3 mio. DKK, hvilket indebar en ekstra udbetaling under garantien på 20,5 mio. DKK.

43.

Arriva Danmark overtog Combus' resterende gældsforpligtelser, som androg 460 mio. DKK. Arriva Danmark tilbagebetalte denne gæld umiddelbart efter købet af Combus.

44.

Ifølge salgsaftalen skulle Combus først være datterselskab af Arriva Danmark. Arriva Danmark havde dog ladet forstå, at man ville fusionere Combus og Arriva Danmark A/S med virkning fra den 1. januar 2001, og Arriva Danmark A/S blev den fortsættende juridiske person. Fusionen skulle gennemføres senest den 30. juni 2001, og Combus ville derefter ophøre med at eksistere som juridisk person.

45.

Aftalen afhang imidlertid af, at Kommissionen godkendte statsstøtten. Den 28. marts 2001 besluttede Kommissionen ikke at rejse indsigelse mod den meddelte støtte. Den 2. april 2001 underskrev parterne kontrakten, som blev indgået med tilbagevirkende kraft den 1. januar 2001.

2.3.2.2.   Omstruktureringen af Combus

46.

Efter at Folketinget i december 1998 havde besluttet at omstrukturere Combus for at sælge det til en privat investor, begyndte myndighederne at forberede omstruktureringen. De udpegede en ny bestyrelse, som begyndte at indføre omkostningsbesparende foranstaltninger.

47.

Til trods for disse foranstaltninger blev den danske stat i maj 1999 nødt til at indskyde kapital i Combus A/S, for at selskabet kunne fortsætte driften efter at have lidt alvorlige tab. Kapitaltilførslen var på 200 mio. DKK i aktiekapital og 100 mio. DKK som ansvarligt lån, dvs. i alt 300 mio. DKK.

48.

På grundlag af omstruktureringsplanen og kapitaltilførslen forventede Combus' bestyrelse, at selskabet ville få et lille underskud på ca. 25 mio. DKK i 1999 og et nulresultat i 2000. Combus kunne dog ikke leve op til budgettet for 1999. Årsregnskabet for 1999 udviste et underskud på 175 mio. DKK i stedet for som forventet 25 mio. DKK (jf. tabel 5).

49.

Der blev aftalt yderligere omstruktureringsforanstaltninger mellem Combus' fremtidige ejer, Arriva Danmark, og de danske myndigheder. Den omstruktureringsplan, som Arriva og de danske myndigheder fremlagde, indeholder følgende elementer:

a)

en markedsanalyse

b)

en beskrivelse af de omstændigheder, der førte til virksomhedens vanskeligheder, hvilket giver mulighed for at vurdere, om de foreslåede foranstaltninger kan gøre virksomheden rentabel igen

c)

en beskrivelse af de planlagte ændringer, der skal til, for at virksomheden efter omstruktureringen kan dække alle omkostninger, herunder afskrivninger og finansieringsomkostninger, og kan klare sig i konkurrencen ved egen hjælp.

50.

Markedsanalysen (a) viser, at det danske marked for kollektiv bustransport efter liberaliseringen har stabiliseret sig på ca. 2800 busruter, hvoraf ca. 88 % blev udliciteret i 2000. Markedet bliver fuldstændig liberaliseret i 2002. De priser, der blev opnået i forbindelse med udbud, faldt til stadighed fra 1990 til 1997, hvorefter de begyndte at stige lidt. I begyndelsen af 2001 forventede markedsanalytikerne en prisstigning på 5-10 % indtil 2003. Markedet domineres af fire store operatører, der tilsammen tegner sig for to tredjedele af kontrakterne (19).

51.

Ifølge en analyse fra Konkurrencestyrelsen fra 2000 er markedet ikke præget af overkapacitet. Da de regionale og lokale myndigheders tilskud til busruterne udgør 50 %, tilbyder en operatør kun at udføre buskørsel, hvis vedkommende vinder et udbud. Operatøren indgår derfor først aftaler om de busser og chauffører, der er nødvendige for at busdriften, efter at have vundet den pågældende kontrakt. Under disse forhold er der ikke stor risiko for, at der bliver overkapacitet. Derfor mener de danske myndigheder ikke, at omstruktureringen af Combus vil få negative følger for Combus' konkurrenter.

52.

Ifølge samme analyse er barriererne for markedsadgang meget lave, fordi kontrakterne udliciteres hvert femte år og busser og arbejdskraft let kan findes til konkurrencedygtige priser på markedet. Derfor mener Konkurrencestyrelsen, at køberne af busdrift har en stærk position, hvilket prisudviklingen efter liberaliseringen af markedet vidner om (kraftigt fald fra 1990-1997, derefter let stigende priser).

53.

Af beskrivelsen af de omstændigheder, der førte til Combus' vanskeligheder (b), fremgår det, at selskabets økonomiske problemer i det væsentlige skyldes en aggressiv ekspansionspolitik, hvor der blev givet meget lave tilbud i forbindelse med licitationer. Med ét stod Combus med et meget stort antal underskudsgivende busruter. Retten i Første Instans er i sin dom i Combus-sagen enig i denne analyse (20).

54.

I beskrivelsen af de planlagte ændringer (c) nævnes seks foranstaltninger, der vil kunne reducere Combus' omkostninger efter Arrivas køb af selskabet. Samtidig forventes der ifølge omstruktureringsplanen også øgede vedligeholdelses- og brændstofomkostninger samt ekstraordinære omkostninger i forbindelse med gennemførelsen af omstruktureringen.

55.

Der kan skelnes mellem ændringer i driftsomkostningerne, ændringer i finansieringsomkostningerne og ændringer i de ekstraordinære omkostninger i forbindelse med omstruktureringen. Tabel 6 indeholder en oversigt over forventede stigninger og fald i driftsomkostningerne .

Tabel 6: Forventede stigninger og fald i driftsomkostningerne (i DKK om året)

 

mio. DKK

Øgede omkostninger

Busvedligeholdelse

– 28,0

Brændstof

– 3,0

 

– 31,0

Lavere omkostninger

Sygefravær

3,5

Skader

7,0

Forsikring

2,0

Nedlæggelse af garageanlæg

3,0

Sammenlægning af hovedkontorer

39,0

 

+ 54,5

Nettoeffekt pr. år

+ 23,5

Kilde: Arriva

56.

Faldet i driftsomkostningerne opnås ved et faldende sygefravær hos de ansatte, lavere omkostninger i forbindelse med skader på busser, lavere forsikringsomkostninger, lavere administrationsomkostninger og salg af overflødig infrastruktur.

57.

Ifølge omstruktureringsplanen er Combus' ansatte hyppigere syge end Arrivas. Ved at indføre Arrivas metoder, hvor der sættes ind over for ansatte med højt sygefravær, regner Arriva med at opnå besparelser på 3,5 mio. DKK om året.

58.

For at reducere skades- og forsikringsomkostningerne regner Arriva også med at indføre sine egne metoder og forsikringskontrakter. Der forventes besparelser på 2 mio. DKK til forsikring af de ansatte og på 7 mio. DKK til forsikring af køretøjer.

59.

Sammenlægningen af de to virksomheders hovedkontorer vil ifølge Arrivas skøn medføre, at administrationsomkostningerne falder med 39 mio. DKK fra 2002.

60.

Endelig påtænker Arriva at sælge fire garageanlæg, der bliver overflødige på grund af fusionen, hvorved de årlige omkostninger kan reduceres med 3 mio. DKK. Omkostningerne forventes altså nedbragt med i alt 23,5 mio. DKK om året.

61.

Arriva forventer en stigning i vedligeholdelsesomkostningerne, der ifølge Combus' oplysninger var på 70 000 DKK pr. bus i 2000. Arriva forventer, at omkostningerne bliver på 120 000 DKK pr. bybus og på 80 000 DKK pr. regionalbus, hvilket svarer til en samlet omkostningsstigning på 28 mio. DKK. Endvidere forventer Arriva, at brændstofomkostningerne stiger med 3 mio. DKK om året.

62.

Hvad angår nedbringelsen af finansieringsomkostningerne , så har Arriva i kontrakten om køb af Combus forpligtet sig til at afvikle og refinansiere hele Combus' gæld. Da den danske stat og de private banker ifølge købekontrakten eftergiver en del af Combus' gæld, reduceres de årlige renteudgifter med 13,5 mio. DKK.

63.

Arriva anslår de ekstraordinære omstruktureringsomkostninger til 35,6 mio. DKK for perioden 2001/02. Heraf vedrører ca. 15 mio. DKK de afskedigelser, som er nødvendige for at reducere de indirekte omkostninger. Resten skal gå til integration af de to selskabers IT-systemer (5 mio. DKK), køb af nye chaufføruniformer (7,2 mio. DKK), juridisk og økonomisk rådgivning i forbindelse med fusionen og omstruktureringen (7 mio. DKK) og til dækning af andre mindre udgifter (2,5 mio. DKK).

64.

Arriva agter også at reducere omkostningerne, efterhånden som Combus' underskudsgivende kontrakter udløber. Arriva har endvidere til hensigt at foretage hensættelser med henblik på, at kontrakterne i København og Ålborg udløber, da der er risiko for, at disse bybusser ikke vil kunne anvendes på andre ruter bagefter, fordi de er forældede (for København en hensættelse på 45 mio. DKK) eller for specielle til at kunne anvendes i en anden by (for Ålborg en hensættelse på 18 mio. DKK).

65.

Ifølge omstruktureringsplanen skulle Combus blive rentabel igen fra 2006. Tabel 10 indeholder et overslag over Combus' omsætning og overskud/underskud for perioden 2000-2007.

Tabel 7. Overslag over omsætning og overskud/underskud for perioden 2000-2007

Mio. DKK

2000

2001

2002

2001

2004

2005

2006

2007

Omsætning

1 089

1 055

934

824

696

440

206

60

Overskud/underskud

– 118

– 66

– 59

– 53

– 43

– 21

+ 6

+ 2

2.4.   Arrivas/Combus' udvikling efter privatiseringen

66.

Kontrakten om salget af Combus blev underskrevet af de involverede parter, dvs. Arriva, den danske stat og Combus' private långivere, den 2. april 2001. Den blev indgået med tilbagevirkende kraft den 1. januar 2001. Arriva integrerede hurtigt Combus i sit skandinaviske datterselskab. I maj 2001 solgte Arriva ca. halvdelen af Combus' ruter og busser til Connex, der er den næststørste private operatør på det danske busmarked, for 223 mio. DKK.

67.

Arriva og Connex har drevet ruterne og busserne siden da. I 2004 havde de hver en markedsandel på omkring 33 % af det danske busmarked. De underskudsgivende kontrakter, som de overtog fra Combus, viste sig at give de underskud, som man havde forventet ved privatiseringen.

2.5.   Oversigt over den danske stats støtte til Combus

68.

Tabel 8 indeholder en oversigt over den danske stats støtte til Combus.

Støttetype

År

Beløb

Hensættelse i åbningsbalancen til tjenestemænd

1995

140 mio. DKK

Engangsvederlag til tjenestemænd for at overgå til overenskomstansættelse

1999

100 mio. DKK

Kapitalforhøjelse

1999

200 mio. DKK

Ansvarligt lån

1999

100 mio. DKK

Eftergivelse af ansvarligt lån

2001

100 mio. DKK

Kapitalforhøjelse

2001

140 mio. DKK

Garanti for kapitalreserve

2001

20,5 mio. DKK

Garanti for miljøomkostninger

2001 og følgende år

Indtil 22,5 mio. DKK

Garanti for salg af Combus International

2001 og følgende år

Indtil 8 mio. DKK

3.   RETLIG VURDERING

69.

Ifølge traktatens artikel 87, stk. 1 „er statsstøtte eller støtte, som ydes ved hjælp af statsmidler under enhver tænkelig form, og som fordrejer eller truer med at fordreje konkurrencevilkårene ved at begunstige visse virksomheder eller visse produktioner, uforenelig med fællesmarkedet i det omfang, den påvirker samhandelen mellem medlemsstaterne”.

70.

Ved den retlige vurdering skal der skelnes mellem den støtte, som Combus fik udbetalt som godtgørelse for selskabets øgede driftsomkostninger som følge af forpligtelsen til at beskæftige buschauffører med tjenestemandsstatus, og den støtte, der blev udbetalt til omstrukturering af Combus i forbindelse med privatiseringen. Hvad angår den førstnævnte, noterer Kommissionen sig, at Retten i Første Instans ikke annullerede den oprindelige beslutning fra 2001 for så vidt angår denne del af støtten. Den retlige vurdering begrænser sig derfor til den sidstnævnte.

3.1.   Finansiering til omstrukturering af Combus med henblik på privatisering

71.

Som led i privatiseringen modtog Combus som allerede nævnt økonomisk støtte fra den danske stat i 1999 (21) og i 2001 (22). Spørgsmålet er nu, om de to betalinger skal betragtes som én finansiering eller som to forskellige finansieringer.

72.

Retten finder, at der blandt de elementer, der har relevans for bedømmelsen af, om to betalinger skal betragtes som to selvstændige investeringer eller som to trancher af samme investering, kan nævnes „bl.a. den tidsmæssige rækkefølge af kapitalindskuddene (a), disses formål (b) samt datterselskabets situation på det tidspunkt, hvor beslutningerne om de enkelte indskud blev truffet (c. (23).

73.

Hvad angår den tidsmæssige rækkefølge (a), kan det på grundlag af oplysningerne fra den danske stat ikke afgøres, om de to finansieringer blev givet som led i et samlet forløb, eller om de derimod skal betragtes som to finansieringer, der ikke hænger tidsmæssigt sammen.

74.

Hvad angår formålet (b) kan det på grundlag af oplysningerne fra den danske stat ikke afgøres, om der var en fælles logisk baggrund for de to finansieringer, eller om der var forskellige formål med dem.

75.

Hvad angår Combus' situation på det tidspunkt, hvor den danske stat besluttede at udbetale første og anden tranche (c), må det fastslås, at virksomheden i 1999 og 2001 var i alvorlige økonomiske vanskeligheder, som hovedsagelig skyldtes, at den årene forinden havde indgået underskudsgivende kontrakter om bustransport.

76.

Konklusionen er, at Kommissionen ikke mener at have de nødvendige oplysninger til med sikkerhed at kunne afgøre, om de to betalinger skal betragtes som to trancher, der indgår i samme omstruktureringsforanstaltning, eller om de skal betragtes som to separate betalinger.

77.

Det er nu nødvendigt først at analysere, om disse betalinger skal betragtes som støtte. I bekræftende fald må det dernæst undersøges, om den er forenelig med fællesmarkedet.

3.1.1.   Er der tale om støtte efter EF-traktatens artikel 87, stk. 1?

78.

I det foreliggende tilfælde har den danske stat tilført finansiering i form af en kapitalforhøjelse (i 1999 og 2001), et ansvarligt lån (i 1999), eftergivelse af gæld (i 2001) og garantier til køberen (i 2001). Da der er virksomheder med sæde i andre medlemsstater, som er aktive på det danske bustransportmarked, påvirker støtten samhandelen mellem medlemsstaterne.

79.

Det skal undersøges, om finansieringen begunstiger Combus. I den forbindelse er to forhold af betydning. For det første betragtes finansieringen ikke som en fordel, hvis formålet kun er at kompensere Combus for forpligtelserne til offentlig tjeneste. For det andet, hvis støtten ikke skal kompensere Combus for forpligtelserne til offentlig tjeneste, betragtes støtten heller ikke som en fordel for Combus i forhold til konkurrenterne, hvis den danske stat har opført sig som en privat markedsøkonomisk investor.

3.1.1.1.   Kompensation for forpligtelser til offentlig tjeneste

80.

Domstolen fandt i Altmark-dommen, at offentlige tilskud, som har til formål at muliggøre virksomhed med rutetransport i byer, forstæder eller regioner, dog ikke falder ind under denne bestemmelse [EF-traktatens artikel 87], for så vidt som sådanne tilskud skal anses for at være en kompensation, der er et vederlag for de af de begunstigede virksomheder leverede ydelser til opfyldelse af forpligtelser til offentlig tjeneste  (24). Domstolen opstillede dernæst fire betingelser, som alle skal være opfyldt, for at et offentligt tilskud kan betragtes som vederlag for udførelse af offentlig tjeneste.

81.

I Combus-dommen fandt Retten i Første Instans, at mindst to af disse betingelser ikke var opfyldt. Der var ikke pålagt Combus nogen forpligtelser til offentlig tjeneste, og grundlaget for beregningen af den omtvistede kompensation blev ikke fastlagt på forhånd og var ikke objektiv og gennemsigtig (25). Den danske stats støtte til Combus må derfor nødvendigvis betegnes som statsstøtte i henhold til „Altmark”-dommen.

3.1.1.2.   Overholdelse af det markedsøkonomiske investorprincip

82.

I to meddelelser fra 1984 (26) og 1993 (27) har Kommissionen redegjort for, hvordan den anvender det markedsøkonomiske investorprincip. Ifølge Domstolens retspraksis skal der „foretages en vurdering af, om en privat investor af en størrelse, der kan sammenlignes med organer, som forestår forvaltningen af den offentlige sektor, under tilsvarende omstændigheder kunne tænkes at ville have indskudt en kapital af den omhandlede størrelse, navnlig under hensyn til de oplysninger, som var tilgængelige, og den forventede udvikling på datoen for kapitalindskudde.” (28). Stadig ifølge Domstolens retspraksis „kan en privat virksomhed rimeligvis fremskaffe den nødvendige kapital til at sikre sig, at en virksomhed, der er kommet i forbigående vanskeligheder, kan overleve og på ny kan blive rentabel, efter omstændighederne efter en rekonstruktion (29). Domstolen præciserede endvidere, „at der vel skal foretages en sammenligning mellem de indgreb, som iværksættes af en offentlig investor, når denne forfølger visse formål mht. økonomisk politik, og den fremgangsmåde, der følges af en privat investor, men denne sidste behøver ikke nødvendigvis være en almindelig investor, som placerer kapital til forrentning på kortere eller længere sigt, men skal dog i det mindste være et privat holdingselskab eller en privat koncern af virksomheder, som følger en global eller sektorbestemt strukturpolitik, og som lader sig lede af mere langsigtede rentablilitetsudsigter. (30).

83.

På baggrund af de to meddelelser og Domstolens retspraksis skal det undersøges, om en privat investor, der er ejer af en virksomhed, som kan sammenlignes med Combus, ville have handlet på samme måde som den danske stat, da den tilførte finansiering i 1999 og 2001.

84.

Hvad angår finansieringen i 1999, er de danske myndigheder af den opfattelse, at „the principle of the rational market investor would lead to the result that the capital injection was a proper commercial decision”. Til støtte for den analyse bemærker de danske myndigheder, at Combus' bestyrelse forventede et underskud på 25 mio. DKK i 1999, balancerende regnskaber i 2000 og overskud fra 2001.

85.

Kommissionen noterer sig, at bestyrelsens forventninger forekom optimistiske i betragtning af de underskud, Combus havde haft siden 1997, og betingelserne i de kontrakter, som var indgået siden da med de regionale og lokale myndigheder. En privat investor ville ikke have baseret sin beslutning om at investere udelukkende på bestyrelsens forventninger. De oplysninger, som de danske myndigheder har udleveret, indeholder ikke andre elementer, der dokumenterer, at en privat investor ville have handlet på samme måde som de danske myndigheder. Kommissionen tvivler derfor på, at de danske myndigheder opførte sig som en privat markedsøkonomisk investor.

86.

Hvad angår finansieringen i 1999 og i 2001 mener de danske myndigheder endvidere, at „the principle of the rational market investor also applies to a situation, where injection of fresh capital is based upon considerations of protecting the credibility of the Government (parent company) in the market, cf. judgement of March 21, 1991 in case C-303/88, Italy v. Commission, Rep. 1991 I, page 1433, para. 21.” I den dom, som de danske myndigheder nævner, anerkender Domstolen, at en privat markedsøkonomisk investors beslutning kan „være begrundet ikke blot i muligheden for herved at opnå en indirekte økonomisk gevinst, men også i andre overvejelser, f.eks. ønsket om at bevare koncernens image eller omlægge dens virksomhed.” Men Domstolen præciserer dernæst: „når en offentlig investors kapitalindskud foretages uden skelen overhovedet til selv langsigtede rentabilitetsmuligheder, må der imidlertid antages at være tale om støtte efter betydningen i traktatens artikel 92.”

87.

De danske myndigheder forklarer i deres anmeldelse, at Combus' konkurs ikke kunne have været afværget uden finansieringen, hvilket ville have skadet statens omdømme som markedsinvestor. Ifølge myndighederne ville et moderselskab ikke acceptere, at et datterselskab, der havde lidt store tab, blev erklæret for konkurs, især ikke hvis datterselskabet allerede var blevet omorganiseret flere gange og kreditorerne var gået med til at reducere deres fordringer. De konkluderer derfor, at en privat investor i deres sted ville have opført sig på samme måde.

88.

Kommissionen har sine tvivl med hensyn til, om en privat investor ville have opført sig på den måde i en tilsvarende situation. Den gør de danske myndigheder opmærksom på, at Domstolen kun accepterer hensynet til statens omdømme som begrundelse for en kapitaltilførsel, hvis der samtidig er udsigt til, at virksomheden bliver rentabel nok til at overbevise en privat investor i samme situation om at påtage sig risikoen ved forehavendet, hvilket der indtil nu overhovedet ikke er blevet fremlagt dokumentation for.

89.

Kommissionen mener dog, at en privat investor kunne have opført sig som den danske stat gjorde, hvis det viste sig, at det ville være mindre bekosteligt at omstrukturere virksomheden med henblik på salg end at lade den gå konkurs. Denne beregning skal foretages udelukkende med udgangspunkt i, at virksomheden er statsejet, og i omkostningerne og fordelene i forbindelse med de to scenarier — det vil altså sige uden at medregne omkostningerne forbundet med det offentliges forpligtelser — som ville skulle afholdes af staten, også selv om virksomheden var privat. De danske myndigheder har imidlertid endnu ikke givet tilstrækkelige oplysninger til, at dette kan påvises.

90.

Kommissionen har således sine tvivl med hensyn til, om den danske stat opførte sig som en fornuftig investor i forbindelse med kapitalindskuddene i 1999 og/eller 2001. Kommissionen kan derfor ikke udelukke, at den danske stats finansieringer af Combus helt eller delvis må betragtes som statsstøtte efter artikel 87, stk. 1.

3.1.2.   Er støtten forenelig med fællesmarkedet?

91.

Hvis den danske stats finansieringer skal betragtes som statsstøtte efter artikel 87, stk. 1, vil støtten kunne være forenelig med fællesmarkedet i henhold til forordning (EØF) nr. 1191/69 eller i henhold til EF-traktatens artikel 87, stk. 3, litra c), som specificeret i rammebestemmelserne for statsstøtte til redning og omstrukturering af kriseramte virksomheder.

3.1.2.1.   Er støtten forenelig i henhold til EF-traktatens artikel 73 som specificeret i forordning (EØF) nr. 1191/69?

92.

I henhold til EF-traktatens artikel 73 „er støtteforanstaltninger, som modsvarer behovet for en samordning af transportvæsenet, eller som udgør godtgørelse for visse forpligtelser, der har sammenhæng med begrebet offentlig tjenesteydelse, forenelige med denne traktat.”

93.

I „Altmark”-dommen fastslog Domstolen, „at medlemsstaterne ikke længere er berettigede til at påberåbe sig traktatens artikel 77 [nu artikel 73] uden for de tilfælde, som omhandles i den afledte fællesskabsret (31). Retten i Første Instans bekræftede denne argumentation i Combus-dommen. På grundlag af EF-traktatens artikel 73 vedtog Rådet forordning (EØF) nr. 1191/69, 1192/69 og 1107/70. Forordning (EØF) nr. 1191/69 giver medlemsstaternes myndigheder mulighed for inden for området for transport med jernbane, ad landeveje og sejlbare vandveje at vedtage alle de foranstaltninger, der er omfattet af forordningen, herunder de hertil nødvendige finansieringsforanstaltninger.

94.

I henhold forordning (EØF) nr. 1191/69 kan medlemsstaterne vælge mellem to metoder til at organisere offentlig tjeneste på transportområdet: enten kan de indgå kontrakter om offentlig tjeneste, jf. forordningens artikel 1, stk. 4, og afdeling V, eller de kan pålægge transportvirksomheder forpligtelser til offentlig tjeneste, jf. forordningens artikel 1, stk. 5, og afdeling II, III og IV. Ifølge Retten indeholder de nævnte bestemmelser „en sektorbestemt undtagelse fra det principielle forbud mod statsstøtte […] og overlader ikke Kommissionen noget skøn med hensyn til godkendelse af de støtteforanstaltninger, som omfattes af denne undtagelse (32).

95.

De danske myndigheder har på bustransportområdet valgt at indgå kontrakter om offentlig tjeneste. Ifølge Retten i Første Instans „medfører de kontraktlige forbindelser, der opstår mellem transportvirksomheden og den kompetente myndighed efter en licitation, i medfør af artikel 14, stk. 1 og 2, i forordning nr. 1191/69 en særlig finansieringsordning, som ikke giver plads for nogen kompensation efter de i forordningens afdeling II, III og IV fastsatte metoder (33) Indgåelsen af en kontrakt om offentlig tjeneste udelukker altså muligheden for at yde kompensation for pålæggelsen af en forpligtelse til offentlig tjeneste.

96.

Viser det sig, at den pris, der er aftalt mellem de to parter i en kontrakt om offentlig tjeneste, er for lav, har den virksomhed, der har indgået kontrakten, i henhold til artikel 14, stk. 4-6, i forordning (EØF) nr. 1191/69 mulighed for at afbryde kontrakten. Myndighederne kan pålægge virksomheden at opretholde den pågældende tjenesteydelse i endnu et år mod et vederlag, som beregnes efter de metoder, som er fastsat i forordningens afdeling II, III og IV. Kun i denne situation må der ydes kompensation for, at der pålægges en forpligtelse til offentlig tjeneste under kontraktordningen.

97.

Combus afbrød ikke kontrakterne om offentlig tjeneste, som selskabet havde indgået med de forskellige regionale og lokale myndigheder. Derfor kan artikel 73 ikke anvendes sammen med afdeling II, III og IV i forordning (EØF) nr. 1191/69 til at erklære støtten til Combus forenelig med fællesmarkedet.

3.1.2.2.   Er støtten forenelig i henhold til EF-traktatens artikel 87, stk. 3, litra c), som specificeret i rammebestemmelserne for statsstøtte til redning og omstrukturering af kriseramte virksomheder?

98.

I EF-traktatens artikel 87, stk. 3, litra c), hedder det: „Som forenelig med fællesmarkedet kan betragtes støtte til fremme af udviklingen af visse erhvervsgrene eller økonomiske regioner, når den ikke ændrer samfundsvilkårene på en måde, der strider mod den fælles interesse.” Med henblik på anvendelsen af denne artikel har Kommissionen bl.a. vedtaget rammebestemmelserne for statsstøtte til redning og omstrukturering af kriseramte virksomheder.

99.

Kommissionen vedtog en første udgave af disse rammebestemmelser i 1994 (34) De blev afløst første gang i 1999 (35) og anden gang i 2004 af nye rammebestemmelser på området (36). Med hensyn til, hvornår disse rammebestemmelser skal anvendes, er der fastsat følgende i punkt 103 og 104 i rammebestemmelserne fra 2004:

Hvad angår anmeldt støtte: „Anmeldelser, der indgår til Kommissionen før den 10. oktober 2004, vil blive vurderet på grundlag af de på anmeldelsestidspunktet gældende kriterier.

Hvad angår ikke anmeldt støtte: „Kommissionen vil undersøge, om rednings- eller omstruktureringsstøtte, der er ydet uden Kommissionens forudgående godkendelse og derfor er i strid med traktatens artikel 88, stk. 3, er i overensstemmelse med fællesmarkedet på grundlag af disse rammebestemmelser, hvis al støtten eller en del heraf er blevet ydet efter rammebestemmelsernes offentliggørelse i Den Europæiske Unions Tidende. I alle andre tilfælde vil den foretage undersøgelsen på grundlag af de rammebestemmelser, der anvendes på det tidspunkt, hvor støtten blev ydet.

Punkt 100 og 101 i rammebestemmelserne fra 1999 er affattet på samme måde.

100.

Støtten til Combus må betragtes som ikke anmeldte foranstaltninger, fordi den første finansiering blev givet i maj 1999 uden Kommissionens forudgående godkendelse. Hele finansieringen kom til udbetaling, før rammebestemmelserne fra 2004 trådte i kraft. Da den anden finansiering først kom til udbetaling, efter at rammebestemmelserne fra 1999 var trådt i kraft, nemlig i 2001, er det rammebestemmelserne fra 1999, der skal anvendes og ikke dem fra 1994. Hvis de to betalinger skal betragtes som to separate trancher, skal rammebestemmelserne fra 1994 anvendes på den første tranche, mens rammebestemmelserne fra 1999 skal anvendes på den anden tranche.

101.

I afsnit 3.2 i rammebestemmelserne fra 1999 fastsættes følgende betingelser for, at en omstruktureringsstøtte kan godkendes:

Virksomheden skal kunne anses for at være kriseramt.

Omstruktureringsplanen skal inden for en rimelig tidshorisont kunne gøre virksomheden rentabel på længere sigt.

Der bør træffes foranstaltninger for mest muligt at afbøde støttens skadelige virkninger for konkurrenterne.

Støtten skal begrænses til det strengt nødvendige minimum, så omstruktureringen kan gennemføres.

Kommissionen skal på grundlag af regelmæssige og detaljerede rapporter være i stand til at sikre sig, at omstruktureringsplanen gennemføres tilfredsstillende.

Der må kun ydes omstruktureringsstøtte én gang.

102.

Hvad den første betingelse angår, så findes der ingen fællesskabsdefinition på en kriseramt virksomhed . Ifølge punkt 5 i rammebestemmelserne betragtes et selskab med begrænset ansvar, hvilket Combus er, under alle omstændigheder som kriseramt, når over halvdelen af den tegnede kapital er forsvundet og over en fjerdedel af denne kapital er gået tabt i løbet af de sidste 12 måneder. Ifølge årsregnskabet for 1997 var den tegnede kapital på 65 mio. DKK og aktiekapitalen på 186 mio. DKK. Ifølge årsregnskabet for 1998 var den tegnede kapital på 65 mio. DKK og aktiekapitalen på 47 mio. DKK. I 1999 havde Combus et månedligt underskud på 14 mio. DKK. Derfor var aktiekapitalen forsvundet, da de danske myndigheder i maj 1999 besluttede at tilføre ny kapital i form af en kapitalforhøjelse på 200 mio. DKK og et ansvarligt lån på 100 mio. DKK. Eftersom over halvdelen af den tegnede kapital var forsvundet, da den første støttetranche til omstrukturering blev udbetalt, og over en fjerdedel af denne kapital var gået tabt i løbet af de sidste 12 måneder, må Combus betragtes som en kriseramt virksomhed efter rammebestemmelserne.

103.

For at der kan ydes omstruktureringsstøtte, skal der iværksættes en omstruktureringsplan , der inden for en rimelig tidshorisont og på basis af en realistisk vurdering skal kunne gøre virksomheden rentabel på længere sigt.

104.

Punkt 32-34 i rammebestemmelserne indeholder minimumsbetingelserne for, at Kommissionen kan godkende en omstruktureringsplan. Planen skal bl.a. indeholde følgende elementer:

en markedsanalyse

en beskrivelse af de omstændigheder, der førte til virksomhedens vanskeligheder, hvilket giver mulighed for at vurdere, om de foreslåede foranstaltninger kan gøre virksomheden rentabel igen

en beskrivelse af de planlagte ændringer, der skal til, for at virksomheden efter omstruktureringen kan dække alle omkostninger, herunder afskrivninger og finansieringsomkostninger, og kan klare sig i konkurrencen ved egen hjælp.

105.

De danske myndigheder fremlagde en omstruktureringsplan for Combus, der indeholder disse elementer, som er beskrevet i afsnit 2 i denne beslutning.

106.

Hvad angår Combus' rentabilitet fastslog Retten i Første Instans i Combus-dommen, at „Kommissionens argumentation [i den oprindelige beslutning] må forstås som udtryk for en alvorlig tvivl om, hvorvidt Combus var rentabel ifølge [EF-traktatens artikel 87] og rammebestemmelserne, hvilken tvivl Kommissionen imidlertid ikke anså sig for forpligtet til at afklare, når den fandt, at artikel 73 EF udgjorde et tilstrækkeligt retsgrundlag til at godkende støtten. Da den sidstnævnte bestemmelse imidlertid ikke kan påberåbes i denne forbindelse […], indeholder den anfægtede beslutning ikke noget gyldigt grundlag for at godkende udbetalingen af beløbet på 300 mio. DKK. Det kan derfor ikke under nogen omstændigheder anses for godtgjort, at Combus var rentabel (37).

107.

Kommissionen noterer sig, at de kontrakter om offentlig tjeneste, som Combus vandt i forbindelse med licitationer, samtidig var hovedårsagen til selskabets økonomiske vanskeligheder på grund af de unormalt lave tilbud. Det ville altså have været en udvej at afbryde disse kontrakter for at gøre virksomheden rentabel igen. De danske myndigheder forklarer i den forbindelse, at der ifølge dansk lovgivning ikke var mulighed herfor. Kommissionen gør dog de danske myndigheder opmærksom på, at der ifølge artikel 14 i forordning (EØF) nr. 1191/69, som gælder umiddelbart og har forrang for national lovgivning, er mulighed herfor.

108.

Endelig bemærker Kommissionen, at Combus ifølge de danske myndigheders skøn (jf. tabel 7) uden støtte vil få et akkumuleret underskud på 360 mio. DKK i perioden 2000-2005, mens støtten i 2001 kun var på 291 mio. DKK.

Tabel 7. Overslag over overskud/underskud på Combus-ruter for perioden 2000-2007

Mio. DKK

2000

2001

2002

2001

2004

2005

2006

2007

Omsætning

1089

1055

934

824

696

440

206

60

Overskud/underskud uden statsstøtte

– 118

– 66

– 59

– 53

– 43

– 21

+ 6

+ 2

Kilde: De danske myndigheder.

109.

På grundlag af ovenstående kan Kommissionen kun bekræfte, at den nærer tvivl om, hvorvidt Combus bliver rentabelt efter omstruktureringen.

110.

Hvad angår den tredje betingelse, som går ud på, at der skal træffes foranstaltninger for mest muligt at afbøde støttens skadelige virkninger for konkurrenterne , så mener de danske myndigheder, at det i det foreliggende tilfælde undtagelsesvis ikke er nødvendigt med sådanne foranstaltninger af følgende to årsager:

Combus' kontrakter udløber efterhånden: Ved udgangen af 2003 udløber ca. 50 % af kontrakterne, målt i kontraktværdi. Den sidste kontrakt udløber i 2006.

Arriva regner ikke med at bevare en markedsandel svarende til Arriva Danmarks og Combus' markedsandele tilsammen på købstidspunktet (ca. 50 %), men påtænker at sælge en del af Combus til Connex.

111.

Ifølge Kommissionen ville det have været mest logisk at afbryde alle eller i hvert fald en stor del af de underskudsgivende kontrakter om offentlig tjeneste, som Combus havde indgået, for at reducere støttens skadelige virkninger for konkurrenterne. I så fald ville de øvrige busselskaber have kunnet overtage Combus' markedsandele, hvilket ville være sket, hvis Combus var gået konkurs.

112.

Kommissionen bemærker, at Combus ikke afbrød kontrakterne om offentlig tjeneste, som selskabet havde indgået med de forskellige regionale og lokale myndigheder. De danske myndigheder forklarer i den forbindelse, at der ifølge dansk lovgivning ikke var mulighed herfor. Kommissionen gør dog de danske myndigheder opmærksom på, at der ifølge artikel 14 i forordning (EØF) nr. 1191/69, som gælder umiddelbart og har forrang for national lovgivning, er mulighed herfor.

113.

Kommissionen bemærker endvidere, at det planlagte salg af en del af Combus til Connex fandt sted i maj 2001. Ifølge de oplysninger, som Kommissionen ligger inde med, drejede det sig om salg af aktiver, herunder kontrakter om offentlig tjeneste, ansatte, busser og infrastrukturer, til en positiv pris, der naturligvis tilfaldt Combus. Endvidere blev salgsaftalen indgået direkte med Connex, og konkurrenterne havde derfor ikke mulighed for at byde. På grundlag af de foreliggende oplysninger kan Kommissionen på nuværende tidspunkt ikke se, hvordan dette salg kan betragtes som en modydelse, der skal begrænse de skadelige virkninger for Combus'/Arrivas konkurrenter.

114.

Endelig synes det i forbindelse med argumentet om, at kontrakterne udløber efterhånden, at være blevet overset, at det er situationen på tidspunktet for støttens indførelse, som er afgørende. Man ville endvidere kunne forstille sig salg af et antal kontrakter svarende til dem, som støttemodtageren har for øjeblikket.

115.

Derfor tvivler Kommissionen på, om de danske myndigheder med udgangspunkt i sagens særlige omstændigheder havde grundlag for at undlade at træffe foranstaltninger for mest muligt at afbøde støttens skadelige virkninger for konkurrenterne, således som det ellers kræves i rammebestemmelserne.

116.

Hvad angår den fjerde betingelse, som går ud på, at støtten skal begrænses til det strengt nødvendige minimum , vil støtten ifølge de danske myndigheders omstruktureringsplan give Arriva mulighed for at opnå et afkast af den investerede kapital på 10 %. Ifølge Arriva er dette det absolutte minimum for en sådan investering.

117.

På grundlag af de oplysninger, som de danske myndigheder har givet, kan Kommissionen ikke på nuværende tidspunkt kontrollere, om støtten er begrænset til det strengt nødvendige minimum, og udtrykker derfor sin tvivl på dette område.

118.

Kommissionen bemærker, at Combus blev solgt til Arriva efter en forhåndsudvælgelse og forhandlinger om omstrukturering, hvilket ville kunne have bidraget til at dokumentere, at støtten blev begrænset til et minimum, hvis forhåndsudvælgelsen havde været transparent og åben for alle konkurrenterne, således at der mellem den danske stat og Arriva kunne havet været aftalt en pris, som afspejlede Combus' reelle markedsværdi. For øjeblikket har Kommissionen ikke tilstrækkelige oplysninger herom. For at kunne analysere udbuddet har Kommissionen især brug for følgende oplysninger:

De selskaber, der tilkendegav at være interesseret i at byde på Combus, hvilke betingelser fik de helt præcist oplyst, og hvor stor en offentlig støtte fik de helt præcist lovning på?

Hvordan så Arrivas og Metrolines tilbud ud i detaljer?

Hvilke former for offentlig støtte blev der forhandlet alene med Arriva?

Kommissionen bemærker i øvrigt, at en vigtig forudsætning for at kunne vurdere, om den pris, som Arriva betalte, var markedsprisen, er at vide, hvad salgsaftalen, der blev indgået mellem Arriva og Connex, helt præcist indeholder. Dette salg, der fandt sted i maj 2001, omfattede 50 % af Combus' aktiver som allerede nævnt. Salgsprisen var på 223 mio. DKK, mens Arriva, hvis man medregner de finansielle forpligtelser, som den danske stat påtog sig, da Combus blev solgt til Arriva, betalte en negativ pris på 291 mio. DKK for Combus. I den forbindelse bemærker Kommissionen også, at salgsaftalen medfører salg af halvdelen af Combus' kontrakter om offentlig tjeneste. Kommissionen undrer sig over, at dette salg er tilladt i henhold til dansk lovgivning, når lovgivningen ifølge de danske myndigheder ikke tillader, at kontrakterne ophæves.

119.

Kommissionen henleder de danske myndigheders opmærksomhed på, at støttemodtagerne ifølge punkt 40 i rammebestemmelserne selv skal yde et bidrag til omstruktureringsplanen. Den bemærker, at Arriva overtog en del af Combus' gæld. Den opfordrer de danske myndigheder til at oplyse, hvilke andre bidrag Combus og/eller Arriva eventuelt har ydet.

120.

Hvad angår den femte betingelse, har de danske myndigheder indvilliget i at udarbejde en årlig rapport til Kommissionen, så den kan vurdere, om omstruktureringsplanen gennemføres i overensstemmelse med de danske myndigheders tilsagn. Kommissionen har modtaget en sådan rapport for 2001 og 2002, der viser, at omstruktureringsplanen er blevet overholdt.

121.

Endelig hvad den sjette betingelse angår, skal det kontrolleres, om omstruktureringsstøtten overholder princippet om „ engangsstøtte ” („one time, last time”). Ifølge de oplysninger, som de danske myndigheder har givet, har Combus ikke tidligere modtaget omstruktureringsstøtte. For at kunne kontrollere, om denne betingelse er overholdt, er det nødvendigt at undersøge (jf. punkt 72 til 78), om de foranstaltninger, der blev truffet til fordel for Combus i 1999 og 2001, skal betragtes som separate foranstaltninger eller kun én foranstaltning, og om foranstaltningerne skal betragtes som støtte eller investering.

3.2.   Opsummering af de forhold, med hensyn til hvilke Kommissionen nærer tvivl

122.

Af ovennævnte årsager nærer Kommissionen alvorlig tvivl med hensyn til følgende forhold:

(a)

den danske stats overholdelse af det markedsøkonomiske investorprincip i betragtning af Combus' økonomiske situation og udsigter på det tidspunkt, hvor støtten blev ydet,

(b)

muligheden for at gøre Combus rentabel igen på længere sigt

(c)

begrundelsen for at undlade at træffe foranstaltninger for mest muligt at afbøde støttens skadelige virkninger for konkurrenterne

(d)

begrænsningen af støtten til et minimum

(e)

overholdelsen af „engangsstøtte”-princippet.

123.

På baggrund af ovenstående opfordrer Kommissionen efter proceduren i EF-traktatens artikel 88, stk. 2, Danmark til senest en måned efter modtagelsen af dette brev at fremsætte sine bemærkninger og fremlægge alle de oplysninger, der er nødvendige for at vurdere støttens/foranstaltningens forenelighed med fællesmarkedet. Kommissionen opfordrer de danske myndigheder til straks at fremsende kopi af dette brev til den potentielle støttemodtager.

124.

Kommissionen meddeler herved Danmark, at interesserede parter vil blive underrettet ved offentliggørelse af dette brev og et fyldestgørende resumé heraf i Den Europæiske Unions Tidende. Kommissionen underretter ligeledes interesserede parter i de EFTA-lande, der har undertegnet EØS-aftalen, ved offentliggørelse af en meddelelse i EØS-tillægget i Den Europæiske Unions Tidende, samt EFTA-Tilsynsmyndigheden ved fremsendelse af kopi af nærværende brev. Alle interesserede parter vil blive opfordret til at fremsætte deres bemærkninger senest en måned efter datoen for offentliggørelsen.«


(1)  (Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 16 maart 2004, Danske Busvognmaend, zaak T-157/01, overweging 119 (hierna Combus-arrest genoemd).

(2)  Arrest van de Gerecht van eerste aanleg van 15 september 1998, zaak T-11/95 „BP Chemicals Limited tegen de Commissie van de Europese Gemeenschappen”, Rep. 1998 II-3235 ; overweging 171.

(3)  PB C 288 van 9.10.1999, blz. 2. De versie van 1999 is hier van toepassing krachtens de overgangsbepalingen van de richtsnoeren van 2004, PB C 244 van 1.10.2004, blz. 1, paragraaf 103 en 104.

(4)  Voornoemd Combus-arrest, overweging 79.

(5)  Voornoemd Combus-arrest, overwegingen 114 en 115.

(6)  Denne brancheorganisation repræsenterer over 90 % af det antal virksomheder, der udfører regional kollektiv bustransport i Danmark.

(7)  EFT C 288 af 9.10.1999, s. 2.

(8)  EFT C 133 af 5.5.2001, s. 21.

(9)  Dom af 16. marts 2004 afsagt af Retten i Første Instans, Danske Busvognmænd, sag T-157/01, dommens konklusion (i det følgende benævnt „Combus-dommen”).

(10)  Combus-dommen, præmis 83 og 99.

(11)  Dom i sagen Altmark Trans mod Regierungspräsidium Magdeburg, præmis 107 og 108.

(12)  Combus-dommen, præmis 100 og 101.

(13)  Combus-dommen, præmis 114 ff.

(14)  I 2004 efter salget af Combus til Arriva og det efterfølgende salg af en del af Combus til Connex havde både Connex og Arriva hver en markedsandel på ca. 33 % afdet danske busmarked, mens ca. 100 offentlige og private små operatører måtte deles om de resterende 34 %.

(15)  Lov nr. 232 af 4. april 1995.

(16)  Lov nr. 1232 af 27. december 1996.

(17)  Arrivas skøn.

(18)  Lov nr. 1046 af 23. december 1998.

(19)  Combus 28 %, Arriva 25 %, City-Trafik 7 %, Linjebus 10 %.

(20)  Dommens præmis 87.

(21)  Støtten bestod som allerede nævnt i en kapitalforhøjelse på 200 mio. DKK og et ansvarligt lån på 100 mio. DKK.

(22)  Støtten bestod som allerede nævnt i en eftergivelse af det ansvarlige lån på 100 mio. DKK og en kapitalforhøjelse på 140 mio. DKK og i garantier i aftalen om salg af selskabet for mindst 51 mio. DKK.

(23)  Dom af 15. september 1998 afsagt af Retten i Første Instans i sag T-11/95 „BP Chemicals Ltd mod Kommissionen for De Europæiske Fællesskaber,” offentliggjort i Sml. 1998 II, s. 3235; præmis 171.

(24)  Domstolens dom C-280/00, præmis 95.

(25)  Dommens præmis 98.

(26)  Anvendelse af EØF-traktatens artikel 92 og 93 på offentlige andele, EF-Bulletin 91984.

(27)  Meddelelse til medlemsstaterne fra Kommissionen, EFT C 307 af 13. november 1993, s. 3.

(28)  Domstolens dom af 16. maj 2002, C-482/99, præmis 56.

(29)  Domstolens dom af 10. juli 1986, 40/85, Belgien mod Kommissionen, præmis 14.

(30)  Domstolens dom af 21. marts 1991, C-305/89, Italien mod Kommissionen, „Alfa Romeo”-sagen, præmis 20.

(31)  Dom C-280/00, præmis 107.

(32)  Combus-dommen, præmis 85.

(33)  Combus-dommen, præmis 79.

(34)  EFT C 368 af 23.12.1994, s. 12.

(35)  EFT C 288 af 9.10.1999, s. 2.

(36)  EFT C 244 af 1.10.2004, s. 2.

(37)  Combus-dommen, præmis 114 og 115.


22.9.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 233/47


STEUNMAATREGELEN VAN DE STATEN — SLOWAKIJE

Steunmaatregel nr. C 25/2005 (ex NN 21/2005) — Maatregel ten faveure van Frucona Košice

Uitnodiging overeenkomstig artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag opmerkingen te maken

(2005/C 233/11)

(Voor de EER relevante tekst)

De Commissie heeft Slowakije bij schrijven van 5 juli 2005, dat na deze samenvatting in de authentieke taal is weergegeven, in kennis gesteld van haar besluit tot inleiding van de procedure van artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag ten aanzien van de bovengenoemde steunmaatregel.

Belanghebbenden kunnen hun opmerkingen over de steunmaatregel ten aanzien waarvan de Commissie de procedure inleidt, kenbaar maken door deze binnen één maand vanaf de datum van deze bekendmaking te zenden aan:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Concurrentie

Griffie Staatssteun

SPA 3 6/5

B-1049 Brussel

Faxnr. (32-2) 296 12 42.

Deze opmerkingen zullen ter kennis van Slowakije worden gebracht. Een belanghebbende die opmerkingen maakt, kan, met opgave van redenen, schriftelijk verzoeken om vertrouwelijke behandeling van zijn identiteit.

TEKST VAN DE SAMENVATTING

PROCEDURE

Bij schrijven van 15 oktober 2004 heeft de Commissie een klacht ontvangen over beweerdelijk onrechtmatige staatssteun ten faveure van de Slowaakse onderneming Frucona Košice as. Bij schrijven van 4 januari 2005, dat op 17 februari 2005 werd geregistreerd, heeft de Slowaakse Republiek de Commissie in kennis gesteld van mogelijk onrechtmatige staatssteun en heeft zij de Commissie gevraagd reddingssteun goed te keuren voor een onderneming in moeilijkheden.

BESCHRIJVING VAN DE BEGUNSTIGDE ONDERNEMING EN VAN DE STEUNMAATREGELEN

De begunstigde van de kwestieuze maatregel is Frucona Košice as, die actief is in de productie van gedistilleerd en dranken op basis van gedistilleerd, alcoholvrije dranken, groenten en fruit in blik, en azijn. De onderneming valt onder de definitie van kleine en middelgrote ondernemingen.

De bewuste maatregel bestaat in een kwijtschelding van een belastingschuld door de bevoegde belastingdienst op basis van een crediteurenakkoord in het kader van wet nr. 328/91 betreffende het faillissement en het crediteurenakkoord. Deze procedure is een vorm van collectieve insolventieprocedure onder toezicht van de rechtbank. Zij bestaat in een overeenkomst tussen de onderneming die schulden heeft, en haar crediteuren; op basis van deze overeenkomst voldoet de schuldenaar de crediteuren ten dele en kunnen deze de rest van hun vorderingen afschrijven.

In het kader van een dergelijke procedure die Frucona in maart 2004 heeft ingeleid, heeft de belastingdienst ermee ingestemd 65 % van zijn vorderingen af te schrijven. De vorderingen bedragen in totaal 640 793 831 SKK (zo'n 16 miljoen EUR); het schuldbedrag dat werd afgeschreven, bedroeg 416 515 990 SKK (10,4 miljoen EUR). De particuliere crediteuren die bij dit crediteurenakkoord betrokken waren, stemden ermee in hun vorderingen tegen dezelfde voorwaarden af te schrijven. De toezichthoudende rechter heeft deze overeenkomst bij beschikking van 14 juli 2004 bevestigd.

Klaagster voert aan dat de belastingdienst de voldoening had kunnen krijgen van veel meer dan de 35 % van zijn vorderingen waarmee de belastingdienst in het crediteurenakkoord heeft ingestemd. Klaagster benadrukt met name dat een fiscaal beslag en een faillissementsprocedure in een betere uitkomst voor de belastingdienst had geresulteerd. Op basis daarvan voert klaagster aan dat de belastingdienst niet aan het beginsel van de particuliere crediteur heeft voldaan, zodat de kwestieuze kwijtschelding onrechtmatige staatssteun is die bovendien onverenigbaar is met het EG-Verdrag.

Slowakije betwist de conclusie niet dat de bewuste maatregel staatssteun is, maar het verzoekt deze steun goed te keuren als reddingssteun voor een onderneming in moeilijkheden.

BEOORDELING

Staatssteun

De Commissie doet opmerken dat de belastingdienst en de particuliere crediteuren op dezelfde voorwaarden het crediteurenakkoord met Frucona hebben geaccepteerd. De Commissie doet echter ook opmerken dat de belastingdienst over andere juridische instrumenten beschikte waarmee deze zijn rechten als crediteur had kunnen afdwingen. De belastingdienst had met name een fiscale beslagprocedure of een faillissementsprocedure kunnen inleiden. In de faillissementsprocedure had de belastingdienst, doordat hij een preferente crediteur was, een positie als afzonderlijke crediteur gehad. De opbrengsten uit de verkoop van de zekergestelde activa in de faillissementsprocedure zouden uitsluitend zijn gebruikt om de vorderingen van de belastingdienst te voldoen. Als een afzonderlijke crediteur die binnen een afzonderlijke groep stemt, had de belastingdienst de mogelijkheid gehad zijn veto uit te spreken tegen Frucona's voorstel voor een crediteurenakkoord, en had hij een fiscale beslagprocedure of een faillissementsprocedure kunnen inleiden.

Op basis van de informatie die in deze fase beschikbaar is, betwijfelt de Commissie dat de belastingdienst als particuliere crediteur heeft gehandeld. Zij vraagt zich dus met name af of de kwestieuze maatregel de mededinging niet verstoort door Frucona een voordeel te verlenen dat de onderneming op de particuliere markt niet had kunnen krijgen. De Commissie betwijfelt dat de kwestieuze maatregel geen staatssteun vormt.

Afwijkingen uit hoofde van artikel 87, leden 2 en 3, van het EG-Verdrag

De Commissie heeft de maatregel als steun voor een onderneming in moeilijkheden getoetst aan de communautaire richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (versie van 1999) (PB C 288 van 9.10.1999, blz. 2). De Commissie betwijfelt dat de kwestieuze maatregel als reddingssteun verenigbaar kan worden verklaard, aangezien het geen tijdelijke steun, doch een niet-terugvorderbare subsidie betreft. Voorts betwijfelt de Commissie dat de maatregel als herstructureringssteun verenigbaar kan worden verklaard. Met name betwijfelt zij dat Frucona een herstructureringsplan heeft ingediend dat erin kan resulteren dat de levensvatbaarheid van de onderneming op de lange termijn wordt hersteld en dat de steun tot het noodzakelijke minimum is beperkt.

TEKST VAN DE BRIEF

„Komisia oznamuje Slovensku, že po preskúmaní informácií poskytnutých vašimi orgánmi o vyššie uvedenom opatrení sa rozhodla začať konanie stanovené v článku 88 ods. 2 Zmluvy o ES.

I.   KONANIE

1)

Listom z 15. októbra 2004 zaevidovanom 25. októbra 2004 dostala Komisia sťažnosť týkajúcu sa údajnej nezákonnej štátnej pomoci v prospech Frucony Košice, a. s.. Sťažovateľ zaslal dodatočné informácie 3. februára 2005. Stretnutie so sťažovateľom sa konalo 24. mája 2005.

2)

Komisia na základe informácií poskytnutých sťažovateľom požiadala Slovensko listom zo 6. decembra 2004, aby ju informovalo o spornom opatrení. Slovensko odpovedalo listom zo 4. januára 2005 zaevidovaným 17. januára 2005, v ktorom informovalo Komisiu o možnej nezákonnej pomoci poskytnutej Frucone a požiadalo Komisiu o schválenie pomoci ako pomoci na záchranu pre spoločnosť vo finančných ťažkostiach. Slovensko predložilo dodatočné informácie listom z 24. januára 2005 zaevidovaným 28. januára 2005.

3)

Komisia požiadala o doplňujúce informácie listom z 9. februára 2005, na ktorý dostala odpovede listom zo 4. marca 2005 zaevidovaným 10. marca 2005.

4)

Stretnutie so slovenskými orgánmi sa konalo 12. mája 2005.

II.   OPIS

1.   Príslušný podnik

5)

Príjemcom finančnej pomoci je Frucona Košice, a. s., ktorá pôsobí vo výrobe alkoholu, nápojov na báze liehu, nealkoholických nápojov, konzervovaného ovocia a zeleniny a octu. Spoločnosť sa nachádza v regióne oprávnenom na regionálnu pomoc podľa článku 87 ods. 3 písm. a) Zmluvy o ES.

6)

Frucona zamestnáva [menej než 200] (1) osôb a v roku 2003 dosiahla obrat 360 miliónov Sk (9 miliónov EUR) a v roku 2004 720 miliónov Sk (18 miliónov EUR). Obrat v rôznych segmentoch výroby Frucony je uvedený v tabuľke č. 1. Podľa slovenských orgánov Frucona spĺňa kritériá malého a stredného podniku.

Tab. 1: Obrat v rôznych segmentoch výroby [v tisícoch Sk]

 

2002

2003

2004

Zelenina

 61 869

53 287

29 000

Nealkoholické nápoje

 63 702

65 134

44 994

Alkoholické nápoje

167 852

203 610

72 645

Jablčné víno

1 224

90

0

Ostatné produkty/služby

39 080

37 856

572 938

Spolu

333 727

359 977

719 577

2.   Uplatňované vnútroštátne právne predpisy

7)

Sporným opatrením je odpísanie daňového dlhu príslušným Daňovým úradom Košice IV (ďalej len „daňový úrad”) v rámci tzv. vyrovnania s veriteľmi. Tento postup upravuje zákon č. 328/91 o konkurze a vyrovnaní (ďalej len „zákon o konkurze”).

8)

Vyrovnanie s veriteľmi (ďalej „vyrovnacie konanie”) je konanie, ktoré spolu s konkurzným konaním má za cieľ usporiadať finančnú situáciu spoločností v úpadku. Spoločnosť je v úpadku vtedy, keď má niekoľkých veriteľov a nie je schopná vyrovnať svoje záväzky do 30 dní od dátumu splatnosti. V konkurznom konaní spoločnosť zanikne a jej aktíva sa buď predajú novému majiteľovi, alebo sa spoločnosť zlikviduje. Oproti tomu vo vyrovnacom konaní spoločnosť v úpadku pokračuje v činnosti bezo zmeny majiteľa. Súd uznesením povolí vyrovnanie, ak sú splnené všetky procesné a materiálne predpoklady. Zároveň súd vyzve veriteľov, aby prihlásili svoje pohľadávky v predpísanej lehote.

9)

Na základe dohody medzi veriteľmi a spoločnosťou v úpadku (ďalej len „vyrovnanie”) potvrdenej súdom zaplatí spoločnosť časť svojho dlhu a zvyšok sa odpíše.

10)

Tzv. oddelení veritelia, ktorých pohľadávky sú zabezpečené, a to napríklad záložným právom, majú privilegované postavenie v hlasovaní o návrhu spoločnosti v úpadku na vyrovnanie. Podľa zákona o konkurze, na prijatie návrhu vyrovnania musia všetci oddelení veritelia hlasovať v jeho prospech, zatiaľ čo hlas ostatných veriteľov sa pokladá za rozhodujúci, ak súhlasí kvalifikovaná väčšina veriteľov. Oddelení veritelia hlasujú zvlášť v prvej skupine veriteľov a majú právo vetovať návrh.

11)

Z dostupných informácií vyplýva, že keď vyrovnanie nadobudne právoplatnosť, nasleduje realizačná fáza, v ktorej dlžník musí zaplatiť časť dlhu tak, ako sa dohodol s veriteľmi, a prípadní verejní veritelia musia podniknúť ďalšie procesné kroky na uskutočnenie odpisov.

12)

Tak isto sa ukazuje, že spoločnosť musí v návrhu na vyrovnanie opísať opatrenia určené na jej reorganizáciu a na zabezpečenie plynulého financovania jej činnosti po vyrovnaní.

13)

Dostupné informácie naznačujú, že oddelení veritelia majú privilegované postavenie aj v konkurznom konaní. Výnosy z predaja zabezpečených aktív v konkurznom konaní by sa mali použiť výhradne na splatenie pohľadávok oddelených veriteľov. Ak z tohto predaja nemožno pokryť všetky pohľadávky oddeleného veriteľa, tieto sa spoja v druhej skupine s pohľadávkami ostatných veriteľov. V druhej skupine sa veritelia uspokojujú pomerne.

14)

Podľa zákona č. 511/92 o správe daní a poplatkov a o zmenách v sústave územných finančných orgánov (ďalej len „zákon o správe daní”) má spoločnosť možnosť požiadať daňové orgány o odklad platenia daní. Na odloženú sumu sa účtuje úrok a odložený dlh musí byť zabezpečený.

15)

Zákon o správe daní upravuje daňové exekučné konanie, účelom ktorého je vymôcť daňové pohľadávky štátu prostredníctvom napríklad predaja nehnuteľnosti, hnuteľných aktív alebo podniku ako celku.

3.   Sporné opatrenie

16)

Frucona v roku 2003 využila inštitút odkladu platenia spotrebnej dane z alkoholu v zmysle zákona o správe daní.

17)

Podľa informácií poskytnutých slovenskými orgánmi odsúhlasil daňový úrad rôznymi správnymi rozhodnutiami odklad platby dane splatnej mesačne za obdobie od novembra 2002 do novembra 2003. Celkový odložený dlh predstavoval 477 015 759 Sk (11 miliónov EUR). Pred odsúhlasením odkladu týchto platieb daňový úrad v súlade so zákonom zabezpečil každú zo svojich pohľadávok záložným právom v celkovej výške 397 476 726 Sk (10 miliónov EUR).

18)

Keď Frucona nezaplatila spotrebnú daň za mesiac január 2004 splatnú 25. februára 2004, prišla v dôsledku toho o licenciu na výrobu a spracovanie liehu.

19)

Frucona 8. marca 2004 podala na príslušný krajský súd návrh na vyrovnanie. Krajský súd povolil vyrovnacie konanie uznesením z 29. apríla 2004, keďže všetky potrebné právne požiadavky boli splnené. Veritelia hlasovali v prospech návrhu na vyrovnanie predloženého Fruconou na pojednávaní dňa 9. júla 2004. Vyrovnanie bolo potvrdené 14. júla 2004 uznesením dohliadajúceho krajského súdu.

20)

Daňový úrad napadol toto potvrdzujúce uznesenie súdu. Najvyšší súd uznesením z 25. októbra 2004 rozhodol, že odvolanie nebolo prípustné, a vyhlásil, že uznesenie súdu potvrdzujúce vyrovnanie sa stalo právoplatným a vykonateľným 23. júla 2004.

Veritelia sa s Fruconou dohodli na tomto vyrovnaní: 35 % dlhu splatí Frucona do jedného mesiaca od nadobudnutia právoplatnosti vyrovnania a zvyšných 65 % dlhu jej veritelia odpustia. Všetci veritelia boli teda uspokojení za rovnakých podmienok. Daňový úrad ako jediný verejný veriteľ súhlasil s odpísaním 416 515 900 Sk (10,6 miliónov EUR). Konkrétne sumy pre jednotlivých veriteľov sú uvedené v nasledujúcej tabuľke.

Tab. 2: Stav dlhov Frucony Košice pred a po vyrovnacom konaní [v Sk]

Veriteľ

Dlh pred vyrovnaním

Dlh po vyrovnaní (2)

Odpísaná suma

Verejný

Daňový úrad

640 793 831

224 277 841

416 515 990

Súkromný

Tetra Pak, a. s.

[…] (2)

[…]

[…]

MTM-obaly, s.r.o.

[…]

[…]

[…]

Merkant družstvo

[…]

[…]

[…]

Vetropack, s.r.o.

[…]

[…]

[…]

SPOLU

 

644 591 511

225 607 029

418 984 482

21)

Vo vyrovnacom konaní vystupoval daňový úrad ako oddelený veriteľ a ako taký hlasoval v prospech vyrovnania zvlášť. Daňový úrad mal privilegované postavenie vďaka skutočnosti, že jeho pohľadávky boli zabezpečené v súvislosti s odkladom daňového dlhu Frucony v roku 2003 (pozri odsek 17). Všetci ostatní veritelia hlasovali v prospech navrhovaného vyrovnania. Ich pohľadávky boli bežné obchodné pohľadávky nezabezpečené žiadnym spôsobom.

22)

Frucona vo svojom návrhu na vyrovnanie v súlade s požiadavkami zákona o konkurze opísala reorganizačné opatrenia týkajúce sa výroby, distribúcie a personálu (vrátane prepúšťania). V organizačnej a personálnej oblasti Frucona plánovala nasledujúce opatrenia: vytvorenie univerzálnej výrobnej skupiny pre všetky výrobné činnosti, reorganizácia svojich dopravných zariadení vylúčením vozidiel s najnižšou zostatkovou hodnotou a reorganizácia obchodných činností. Tieto opatrenia malo sprevádzať prepustenie [do 50] (3) zamestnancov od marca do mája 2004. Ďalších 50 zamestnancov malo v tomto období pracovať na 60 %.

23)

Vo výrobnej a technickej oblasti sa v návrhu Frucony uvádzalo, že keďže spoločnosť prišla o licenciu na výrobu liehu, príslušné výrobné zariadenia sa od apríla 2004 prenajmú. Spoločnosť plánuje znížiť resp. zrušiť výrobu niektorých nerentabilných nealkoholických nápojov a akémukoľvek zavedeniu nového produktu v tejto kategórii bude predchádzať analýza ziskovosti tejto výroby.

24)

Frucona navyše spomína nasledujúce opatrenia: reštrukturalizácia nákladov, ktorá by mala vyplývať z nižších výrobných nákladov po zrušení výroby liehu a zo zrušenia časti vlastnej dopravy spoločnosti; predaj starého zariadenia do šrotu. Frucona plánovala predať aj administratívnu budovu, obchod a rekreačné zariadenie za 8 miliónov Sk (200 000 EUR) a spomenula možnosť predať alebo prenajať zariadenie na výrobu octu.

25)

Frucona plánovala intenzívny predaj svojich zásob hotových produktov (4).

26)

Podľa návrhu na vyrovnanie mala Frucona dostať od súkromnej banky pôžičku na financovanie časti dlhu, ktorý navrhla splatiť veriteľom vo vyrovnacom konaní. Celková výška vlastných prostriedkov spoločnosti na financovanie vyrovnania predstavovala 210 miliónov Sk (5,25 miliónov EUR).

III.   ARGUMENTY STRÁN

1.   Sťažovateľ

27)

Sťažovateľ tvrdí, že správanie daňového úradu v tomto prípade, mimo i v rámci vyrovnacieho konania, nezodpovedá správaniu súkromného veriteľa, a preto odpis daňovej pohľadávky predstavuje štátnu pomoc, ktorá nie je kompatibilná so spoločným trhom, a to ani ako pomoc na záchranu, ani ako pomoc na reštrukturalizáciu.

28)

Sťažovateľ informoval Komisiu o rôznych právnych nástrojoch, ktoré podľa jeho názoru mohol daňový úrad využiť s cieľom dosiahnuť čo najvyššie uspokojenie svojich pohľadávok, ale tak neurobil. Sťažovateľ tvrdí, že predtým ako Frucona navrhla vyrovnanie, daňový úrad mohol začať konkurzné konanie, v ktorom by boli jeho pohľadávky uspokojené osobitne a prednostne z predaja zabezpečených aktív (privilégium oddeleného veriteľa). Alternatívne mohol daňový úrad začať daňové exekučné konanie, ktoré by mu umožnilo predať aktíva Frucony.

29)

Okrem toho mohol daňový úrad podľa sťažovateľa odmietnuť navrhované vyrovnanie. Keďže mal právo samostatného hlasu, jeho postavenie bolo teda rozhodujúce. Ak by daňový úrad nesúhlasil s návrhom Frucony, vyrovnacie konanie by sa ukončilo a daňový úrad by mohol iniciovať konkurz alebo daňovú exekúciu.

2.   Slovenské orgány

30)

Slovensko nepopiera, že sporné opatrenie predstavuje štátnu pomoc, a žiada jeho schválenie ako pomoc na záchranu pre spoločnosť vo finančných ťažkostiach.

31)

Slovenské orgány však objasnili, že daňový úrad podnikol úvodné procesné kroky podľa zákona o správe daní s cieľom začať daňové exekučné konanie. Podanie návrhu na vyrovnanie na krajský súd 8. marca 2004 však začatiu exekučného konania zabránilo.

IV.   HODNOTENIE

1.   Štátna pomoc v zmysle článku 87 ods. 1 Zmluvy o ES

32)

Článok 87 ods. 1 Zmluvy o ES vyhlasuje akúkoľvek pomoc poskytnutú členským štátom alebo zo štátnych prostriedkov v akejkoľvek forme, ktorá narušuje alebo hrozí narušením hospodárskej súťaže tým, že zvýhodňuje určité podniky alebo výrobu určitých tovarov za nezlúčiteľnú so spoločným trhom, pokiaľ ovplyvňuje obchod medzi členskými štátmi.

33)

Odpis verejného dlhu predstavuje použitie štátnych prostriedkov. Spoločnosť je činná hlavne v oblasti výroby nápojov, v ktorej sa medzi členskými štátmi obchoduje.

34)

Zostáva určiť, či sporné opatrenie narúša hospodársku súťaž tým, že príjemcovi poskytuje podporu, ktorú by na súkromnom trhu nedostal. Inými slovami, Komisia musí určiť, či sa štát vo vyrovnacom konaní správal ako súkromný veriteľ.

35)

V tomto kontexte Komisia poznamenáva, že Slovensko nepopiera, že predmetné opatrenie predstavuje štátnu pomoc.

36)

Z dostupných informácií je jasné, že predmetné vyrovnanie obsahuje rovnaké podmienky vyrovnania pre súkromných veriteľov i daňový úrad: 35 % pohľadávok sa má splatiť veriteľom do jedného mesiaca a 65 % pohľadávok sa odpíše.

37)

Zdá sa však, že právna situácia daňového úradu a ostatných veriteľov nebola rovnaká. Po prvé, daňový úrad mal na rozdiel od súkromných veriteľov právo na vlastný návrh začať špeciálne daňové exekučné konanie, a tým uspokojiť svoje pohľadávky v maximálnom rozsahu prostredníctvom, napríklad, predaja nehnuteľnosti, strojného zariadenia, alebo predaja podniku ako celku. V tejto súvislosti Komisia poznamenáva, že hodnota zabezpečených aktív predstavovala 397 476 726 Sk (10 miliónov EUR), pričom daňový úrad vyrovnal svoje pohľadávky vo výške 224 277 841 Sk (5,6 milióna EUR).

38)

Po druhé, pohľadávky daňového úradu za obdobie od novembra 2002 do novembra 2003 boli zabezpečené záložným právom na aktívach Frucony vytvoreným v súvislosti s odkladom platby dlhu Frucony na toto obdobie. Výnos z predaja zabezpečených aktív v konkurznom konaní by sa použil výlučne na splatenie pohľadávok daňového úradu ako jediného oddeleného veriteľa. Pohľadávky daňového úradu nepokryté v prvej skupine by sa zaplatili spolu s pohľadávkami súkromných veriteľov z toho, čo by zostalo z aktív spoločnosti po predaji zabezpečených aktív. Veritelia v druhej skupine sú uspokojení pomerne. V tejto súvislosti Komisia pozoruje, že zatiaľ čo pohľadávky daňového úradu predstavovali 640 miliónov Sk (16 miliónov EUR), súhrn pohľadávok štyroch súkromných veriteľov predstavoval 3,8 milióna Sk (95 000 EUR), čo zodpovedá 0,6 % celkových pohľadávok. Vzhľadom na tento pomer sa zdá, že keďže výnosy z ďalšieho predaja by sa rozdelili pomerne, daňový úrad by profitoval najviac aj v druhej skupine. Uspokojenie súkromných veriteľov v druhej skupine by bolo minimálne.

39)

Po tretie, daňový úrad po začatí vyrovnacieho konania mohol zabrániť vyrovnaniu odmietnutím hlasovať v jeho prospech.

40)

Z uvedeného sa zdá, že zatiaľ čo súkromní veritelia mali záujem hlasovať pre navrhované vyrovnanie, lebo im zabezpečovalo vyšší výnos (pokrytie 35 % ich pohľadávok), daňový úrad by dosiahol vyšší výnos, ak by použil konkurzné konanie alebo daňovú exekúciu.

41)

Na základe informácií dostupných v tomto štádiu Komisia pochybuje, že daňový úrad konal ako súkromný veriteľ. Komisia preto pochybuje, že sporné opatrenie nenarušilo hospodársku súťaž, a to udelením výhody, ktorú by Frucona nemohla získať na trhu.

2.   Výnimka podľa článku 87 ods. 2 a ods. 3 Zmluvy o ES

42)

Primárnym cieľom sporného opatrenia je pomôcť spoločnosti v ťažkostiach. V takýchto prípadoch možno uplatniť výnimku článku 87 ods. 3 písm. c) Zmluvy o ES, ktorá umožňuje povoliť štátnu pomoc na podporu rozvoja niektorých hospodárskych sektorov, ak táto pomoc negatívne neovplyvňuje podmienky obchodovania do takej miery, ktorá by bola v rozpore so spoločným záujmom, a ak sú splnené príslušné podmienky.

43)

Vzhľadom na výrobné portfólio príjemcu Komisia hodnotila, či sa v tomto prípade uplatňujú špeciálne pravidlá vzťahujúce sa na sektor poľnohospodárstva. Po porovnaní obratu spoločnosti za roky 2002 – 2004 v rôznych segmentoch jej výrobného sortimentu (pozri tab. 1) Komisia došla k záveru, že väčšina produktov Frucony nie sú produkty spadajúce pod prílohu I Zmluvy o ES. Preto sa uplatňujú všeobecné pravidlá štátnej pomoci.

44)

Pomoc na záchranu a reštrukturalizáciu spoločností v ťažkostiach sa v súčasnosti upravuje usmernením Spoločenstva o štátnej pomoci na záchranu a reštrukturalizáciu firiem v ťažkostiach (5) (ďalej len „nové usmernenie”), ktoré nahrádza predchádzajúce znenie prijaté v roku 1999 (6) (ďalej len „usmernenie z roku 1999”).

45)

Prechodné ustanovenia nového usmernenia stanovujú, že nové usmernenie sa uplatňuje na hodnotenie akejkoľvek pomoci na záchranu alebo reštrukturalizáciu poskytnutej bez povolenia Komisie (nezákonná pomoc), ak je niektorá časť pomoci alebo celá pomoc poskytnutá po 1. októbri 2004, teda po dni uverejnenia nového usmernenia v Úradnom vestníku Európskej únie (bod 104, prvý pododsek). Ak však bola pomoc nezákonne poskytnutá pred 1. októbrom 2004, zisťovanie sa vedie na základe usmernenia platného v čase, keď bola pomoc poskytnutá (bod 104, druhý pododsek).

46)

Komisia poznamenáva, že schválenie vyrovnania daňovým úradom nadobudlo právoplatnosť 23. júla 2004 (7). Pomoc bola teda nezákonne poskytnutá pred 1. októbrom 2004. Preto sa uplatňuje usmernenie z roku 1999, ktoré platilo v čase poskytnutia pomoci.

2.1.   Oprávnenosť podniku

47)

Podľa bodu 5 písm. c) usmernenia z roku 1999 sa podnik pokladá za podnik v ťažkostiach, ak podľa domáceho práva spĺňa kritériá na to, aby sa stal predmetom konania vo veci kolektívnej platobnej neschopnosti.

48)

Frucona bola predmetom vyrovnacieho konania, ktoré je prístupné platobne neschopným spoločnostiam v súlade s definíciou zákona o konkurze. Frucona je preto oprávnená na pomoc na záchranu alebo reštrukturalizáciu.

2.2.   Pomoc na záchranu

49)

Pomoc na záchranu je svojím charakterom dočasná pomoc, ktorá by mala umožniť udržať podnik v ťažkostiach nad vodou na čas potrebný na vypracovanie plánu reštrukturalizácie alebo likvidácie. Tato pomoc pozostáva z podpory likvidity vo forme úverových záruk alebo pôžičiek (bod 23 písm. a) usmernenia z roku 1999). Komisia poznamenáva, že sporným opatrením je v tomto prípade odpísanie dlhu, čo zodpovedá nenávratnému grantu.

50)

Podľa bodu 23 písm. d) sa k pomoci musí najneskôr šesť mesiacov od povolenia opatrenia na záchranu priložiť plán reštrukturalizácie alebo plán likvidácie, alebo dôkaz, že celá pomoc bola splatená.

51)

Komisia poznamenáva, že Frucona vo svojom návrhu na vyrovnanie adresovanom krajskému súdu opísala niektoré opatrenia, ktoré plánuje vykonať na svoju reorganizáciu a na zabezpečenie plynulého financovania svojej činnosti po vyrovnaní. Tieto opatrenia sú opísané v odseku 23 a nasl.

52)

Komisia má pochybnosti, či tieto opatrenia možno pokladať za plán reštrukturalizácie, a to z nižšie uvedených dôvodov.

53)

Na základe uvedeného Komisia pochybuje, či sporné opatrenie je zlučiteľné so spoločným trhom ako pomoc na záchranu.

2.3.   Pomoc na reštrukturalizáciu

Životaschopný plán reštrukturalizácie

54)

Ako je uvedené vyššie, Frucona by bola oprávnená aj na pomoc na reštrukturalizáciu. Podľa bodu 31 usmernenia z roku 1999 je takáto pomoc podmienená realizáciou plánu reštrukturalizácie, ktorý Komisia musí schváliť v prípade všetkých opatrení individuálnej pomoci.

55)

Zdá sa, že opis reorganizačných opatrení je zákonnou požiadavkou pre začatie vyrovnacieho konania súdom. Komisia má však pochybnosti, či schválenie vyrovnania daňovým úradom bolo podmienené realizáciou opatrení navrhovaných Fruconou. Inými slovami, nič v spise nenaznačuje existenciu príčinného spojenia medzi poskytnutím pomoci daňovým úradom a opatreniami navrhovanými príjemcom.

56)

Navyše sú navrhované opatrenia formulované len veľmi všeobecne a žiadnym spôsobom neanalyzujú okolnosti, ktoré doviedli spoločnosť do ťažkostí, ani finančnú situáciu spoločnosti a jej finančné perspektívy. Niektoré opatrenia nie sú skutočné reštrukturalizačné opatrenia, lebo súvisia len s tým, že spoločnosť musela po strate potrebnej výrobnej licencie prestať vyrábať lieh a súvisiace produkty (predaj zásob, prenájom výrobných zariadení tretej osobe). Iné opatrenia predstavujú skôr činnosti súvisiace s normálnym chodom podniku než racionalizačné opatrenia (predaj starého zariadenia). Štrukturálne opatrenia ako predaj nehnuteľností alebo ukončenie niektorých neziskových činností sú opísané len veľmi stručne, bez akéhokoľvek náznaku časového harmonogramu.

57)

Slovenské orgány netvrdia, že tieto opatrenia predstavujú plán reštrukturalizácie. Listom z 20. októbra 2004 informoval daňový úrad Fruconu, že daňový odpis sa pokladá za formu štátnej pomoci, a požiadal Fruconu o predloženie „investičného projektu”. Frucona odmietla poskytnúť taký plán s odôvodnením, že požiadala o vyrovnanie so svojimi veriteľmi a nie o štátnu pomoc. Je preto sporné, že daňový úrad v čase, keď súhlasil s navrhovaným vyrovnaním (9. júla 2004), pokladal opatrenia navrhnuté Fruconou za plán reštrukturalizácie, ktorého realizácia by bola nevyhnutnou podmienkou poskytnutia pomoci.

58)

Podľa bodu 11 usmernenia z roku 1999 finančná reštrukturalizácia musí zvyčajne sprevádzať fyzickú reštrukturalizáciu. Reštrukturalizácia sa však nemôže obmedzovať na úhradu dlhu alebo pokrytie minulých strát. Jediným konkrétnym opatrením, ktoré Frucona navrhuje, je reštrukturalizácia dlhu.

59)

Komisia pochybuje, že opatrenia opísané v návrhu Frucony na vyrovnanie predstavujú skutočné reštrukturalizačné opatrenia, ktoré v primeranej lehote a na základe reálnych predpokladov týkajúcich sa budúcich prevádzkových podmienok povedú k dlhodobej životaschopnosti spoločnosti.

Pomoc obmedzená na minimum

60)

Podľa bodu 40 usmernení z roku 1999 musí byť výška a intenzita pomoci prísne obmedzená na minimum potrebné na uskutočnenie plánovanej reštrukturalizácie. Od príjemcov sa očakáva značný príspevok na reštrukturalizáciu z vlastných zdrojov.

61)

Keďže Komisia nemá žiadne iné informácie, je toho názoru, že celkové náklady na reštrukturalizáciu predstavujú 644 591 511 Sk (16 miliónov EUR), čo je celková suma dlhu Frucony. Komisia poznamenáva, že Frucona navrhuje pokryť 35 % svojho dlhu, čo činí 225 607 029 Sk (5,6 milióna EUR), z vlastných prostriedkov a z pôžičky od súkromnej banky, spolu vo výške 210 miliónov Sk (5,25 miliónov EUR). Rozdiel medzi potrebami a vlastnými prostriedkami financovania budú musieť slovenské orgány vysvetliť.

62)

Komisia má pochybnosti, či je vlastný príspevok príjemcu na reštrukturalizačné náklady značný.

2.4.   Záver

63)

Na základe uvedeného a informácií dostupných v toto štádiu Komisia pochybuje, či je sporné opatrenie zlučiteľné so spoločným trhom ako pomoc na záchranu alebo reštrukturalizáciu. Okrem toho sa zdá, že nie je možné uplatniť žiadnu inú výnimku predpokladanú Zmluvou o ES.

V.   ROZHODNUTIE

64)

Vzhľadom na uvedené sa Komisia rozhodla začať konanie podľa článku 88 ods. 2 Zmluvy o ES vo veci sporného opatrenia z dôvodu pochybností, či predstavuje štátnu pomoc, a ak áno, či je kompatibilné so spoločným trhom.

65)

Vzhľadom na uvedené dôvody Komisia v rámci konania stanoveného v článku 88 ods. 2 Zmluvy o založení ES vyzýva Slovensko, aby v lehote jedného mesiaca odo dňa prijatia tohto listu predložila svoje pripomienky a poskytla všetky informácie, ktoré sú potrebné na zhodnotenie pomoci. Žiada tiež Vaše úrady, aby čo najrýchlejšie doručili kópiu tohto listu potenciálnemu príjemcovi pomoci.

66)

Komisia pripomína Slovensku, že článok 88 ods. 3 Zmluvy o ES má odkladný účinok a odkazuje na článok 14 nariadenia Rady (ES) č. 659/1999, ktorý stanovuje, že vo všetkých prípadoch protiprávnej pomoci môže byť táto od príjemcu vymáhaná. V tejto súvislosti Komisia žiada Slovensko, aby sa zdržalo výkonu ďalších procesných krokov, ktoré by boli právne potrebné podľa vnútroštátnych právnych predpisov na zrealizovanie odpisu (pozri odsek 11).”


(1)  Dôverná informácia.

(2)  Suma, ktorú je Frucona Košice povinná splatiť svojim veriteľom.

(3)  Dôverná informácia.

(4)  Vzhľadom na stratu licencie na výrobu liehu a nápojov na báze liehu a podľa informácií poskytnutých sťažovateľom sa tento predaj zrejme týkal hlavne liehu.

(5)  Ú. v. EÚ C 244, 1.10.2004, s. 2.

(6)  Ú. v. ES C 288, 9.10.1999, s. 2.

(7)  Posledný dátum, kedy možno pomoc pokladať za poskytnutú. Možné sú aj iné skoršie dátumy (pozri odsek 19).


III Bekendmakingen

Commissie

22.9.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 233/53


Uitnodiging tot het indienen van voorstellen voor OTO-werkzaamheden onder contract in het kader van het specifiek programma voor onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie „Integratie en versterking van de Europese onderzoeksruimte”

Thematisch prioritair gebied: „Duurzame energiesystemen”

Identificatie van de uitnodiging: FP6-2005-Energy-4

(2005/C 233/12)

1.

Overeenkomstig Besluit nr. 1513/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2002 betreffende het zesde kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie ter bevordering van de totstandbrenging van de Europese onderzoeksruimte en van innovatie (2002-2006) (1) heeft de Raad op 30 september 2002 het specifiek programma voor onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie „Integratie en versterking van de Europese onderzoeksruimte” (2002-2006) (2) (hierna „het specifiek programma” genoemd) vastgesteld.

Overeenkomstig artikel 5, lid 1, van het specifiek programma heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen (hierna „de Commissie” genoemd) op 9 december 2002 een werkprogramma (3) vastgesteld (hierna „het werkprogramma” genoemd) waarin een uitvoerige beschrijving wordt gegeven van de doelstellingen en de wetenschappelijke en technologische prioriteiten van bovengenoemd specifiek programma, alsmede een tijdschema voor de tenuitvoerlegging ervan.

Overeenkomstig artikel 9, lid 1, van de Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende de regels inzake de deelneming van ondernemingen, onderzoekscentra en universiteiten en de regels inzake de verspreiding van de onderzoeksresultaten ter uitvoering van het zesde kaderprogramma van de Europese Gemeenschap (2002-2006) (4) (hierna „de regels voor deelneming” genoemd) dienen voorstellen voor OTO-acties onder contract te worden ingediend onder de voorwaarden van de uitnodigingen tot het indienen van voorstellen.

2.

De onderhavige uitnodiging tot het indienen van voorstellen voor OTO-werkzaamheden onder contract (hierna „uitnodiging” genoemd) omvat het onderhavige algemene tekstdeel en specifieke voorwaarden in de bijlagen. De bijlage vermeldt in het bijzonder de sluitingsdatum voor het indienen van de voorstellen voor OTO-acties onder contract, een indicatieve datum voor de afronding van de beoordelingen, het indicatieve budget, de instrumenten en gebieden die onder de uitnodiging vallen, de beoordelingscriteria voor voorstellen voor OTO-acties onder contract, het minimumaantal deelnemers en alle van toepassing zijnde beperkingen.

3.

Natuurlijke of rechtspersonen die voldoen aan de voorwaarden in de regels voor deelneming en niet onder een van de uitsluitingsgevallen vallen in de regels voor deelneming en in artikel 114, lid 2, van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (5) (hierna „de indieners” genoemd) worden, onder de in de regels voor deelneming en in de uitnodiging vermelde voorwaarden, opgeroepen voorstellen voor OTO-acties onder contract in te dienen bij de Commissie.

In het kader van de onderhandelingen over de werkzaamheden onder contract zal worden gecontroleerd of de indieners aan de deelnamevoorwaarden voldoen. Indieners moeten evenwel vooraf een verklaring hebben ondertekend dat zij niet in een van de in artikel 93, lid 1, van het Financieel Reglement bedoelde situaties verkeren. Tevens moeten zij de Commissie de informatie hebben verstrekt als bedoeld in artikel 173, lid 2, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het financieel reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (6).

De Europese Gemeenschap voert een gelijkekansenbeleid en moedigt in dit verband in het bijzonder vrouwen aan voorstellen voor OTO-werkzaamheden onder contract in te dienen of hieraan mee te werken.

4.

De Commissie verstrekt de indieners gidsen met informatie over de opstelling en indiening van een voorstel voor OTO-werkzaamheden onder contract. De Commissie stelt ook richtsnoeren betreffende de beoordelings- en selectieprocedures voor voorstellen ter beschikking (7). Deze gidsen en richtsnoeren alsook het werkprogramma en andere informatie over de uitnodiging kunnen bij de Commissie worden aangevraagd op de volgende adressen:

European Commission

The FP6 Information Desk

Directorate General RTD

B-1049 Brussels

e-mailadres: www.cordis.lu/fp6

5.

Voorstellen voor OTO-werkzaamheden onder contract kunnen uitsluitend in elektronisch vorm worden ingediend via de webapplicatie Electronic Proposal Submission System (EPSS) (8). In uitzonderlijke omstandigheden kan een coördinator de Commissie evenwel vragen of het voorstel vóór de uiterste indieningsdatum op papier mag worden ingediend. Dit verzoek dient schriftelijk te gebeuren op een van de volgende adressen:

European Commission

The Priority 6.1.ii Information Desk

Directorate General RTD

CDMA 5/186

B-1049 Brussels

e-mail adres: rtd-energy@cec.eu.int

Het verzoek dient vergezeld te gaan van een verklaring van de reden waarom om een uitzondering wordt verzocht. Indieners van een voorstel die wensen gebruik te maken van de mogelijkheid om een voorstel op papier in te dienen moeten er zelf voor zorgen dat deze verzoeken om vrijstelling en de desbetreffende procedures tijdig worden afgerond opdat de termijn van de uitnodiging kan worden gehaald.

Alle voorstellen voor OTO-acties onder contract moeten uit twee delen bestaan: de formulieren (deel A) en de inhoud (deel B).

Voorstellen voor OTO-werkzaamheden onder contract kunnen off line of on line worden opgesteld en vervolgens on line worden ingediend. Deel B van de voorstellen voor OTO-werkzaamheden onder contract kan alleen worden ingediend in PDF („portable document format”, compatibel met Adobe versie 3 of hoger met „embedded fonts” (vast bepaald lettertype). Gecomprimeerde („gezipte”) bestanden worden uitgesloten.

De EPSS-softwaretool (voor gebruik off line of on line) is beschikbaar via de Cordis website www.cordis.lu.

Voorstellen voor OTO-acties onder contract die on line ingediend worden en onvolledig of onleesbaar zijn of virussen bevatten, worden uitgesloten.

Versies van voorstellen voor OTO-werkzaamheden onder contract die worden ingediend op een wisbaar elektronisch opslagmedium (bv. CD-rom, diskette), per e-mail of per fax worden uitgesloten.

Elk voorstel voor OTO-werkzaamheden onder contract dat met toestemming op papier is ingediend maar onvolledig is, wordt uitgesloten.

Verdere bijzonderheden betreffende de verschillende procedures voor de indiening van voorstellen zijn te vinden in bijlage J van de richtsnoeren betreffende de beoordelings- en selectieprocedures voor voorstellen.

6.

Voorstellen voor OTO-acties onder contract moeten de Commissie uiterlijk bereiken op de sluitingsdatum en op het in de desbetreffende uitnodiging vermelde tijdstip. Voorstellen voor OTO-acties onder contract die na deze datum en dit tijdstip worden ontvangen, worden uitgesloten.

Voorstellen voor OTO-acties onder contract die niet voldoen aan de in de uitnodiging vermelde voorwaarden betreffende het minimum aantal deelnemers worden uitgesloten.

Dit geldt ook voor alle bijkomende toelatingscriteria in het werkprogramma.

7.

Bij opeenvolgende indieningen van hetzelfde voorstel voor een OTO-actie onder contract onderzoekt de Commissie de laatst vóór de sluitingsdatum en het in de betrokken uitnodiging gespecificeerde tijdstip ontvangen versie.

8.

Indien in de relevante uitnodiging daarin is voorzien, kunnen voorstellen voor OTO-werkzaamheden onder contract in het kader van een toekomstige beoordeling worden behandeld.

9.

Indieners worden verzocht de relevante identificatiecode van de uitnodiging in alle correspondentie betreffende de uitnodiging (bv. bij een verzoek om informatie of bij indiening van een voorstel voor OTO-werkzaamheden onder contract) te vermelden.


(1)  PB L 232 van 29.8.2002, blz. 1.

(2)  PB L 294 van 29.10.2002, blz. 1.

(3)  Besluit van de Commissie C(2002) 4789, zoals gewijzigd bij C(2003) 577, C(2003) 955, C(2003) 1952, C(2003) 3543, C(2003) 3555, C(2003) 4609, C(2003) 5183, C(2004) 433, C(2004) 2002, C(2004) 3324, C(2004) 4178, C(2004) 5286, C(2005) 27, C(2005) 961, C(2005) 2076, C (2005) 2747, C (2005) 3244 en C(2005) 3390, alle niet gepubliceerd.

(4)  PB L 355 van 30.12.2002, blz. 23.

(5)  PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.

(6)  PB L 357 van 31.12.2002, blz. 1.

(7)  C(2003) 883 van 27.3.2003, zoals voor het laatst gewijzigd bij C(2004) 1855 van 18.5.2004.

(8)  Het EPSS is een hulpmiddel om indieners te helpen bij het opstellen en indienen van voorstellen langs elektronische weg.


BIJLAGE

1.   Specifiek programma: Integratie en versterking van de Europese onderzoeksruimte

2.   Thematische prioriteit/gebied: Prioritair thematisch onderzoeksgebied „Duurzame ontwikkeling, veranderingen in het aardsysteem en ecosystemen, 1) Duurzame energiesystemen, ii) Onderzoeksactiviteiten met effecten op middellange en langere termijn”

3.   Benaming van de uitnodiging: Thematische uitnodiging op het gebied van „Duurzame ontwikkeling, veranderingen in het aardsysteem en ecosystemen, 1) Duurzame energiesystemen, ii) Onderzoeksactiviteiten met effecten op middellange en langere termijn”

4.   Identificatie van de uitnodiging: FP6-2005-Energy-4

5.   Publicatiedatum:

6.   Sluitingsdatum: 10 januari 2006 om 17.00 uur (Brusselse tijd)

7.   Indicatief totaalbudget: 20 miljoen EUR

Er zal concurrentie zijn tussen voorstellen die betrekking hebben op verschillende onderzoeksthema's of op hetzelfde onderzoeksthema, zodat voor sommige thema's misschien geen steun wordt verleend. Hoewel kwaliteit bij de selectie van de voorstellen de doorslaggevende factor zal zijn, zal het budget naar verwachting gelijk verdeeld worden tussen de gebieden „Hernieuwbare-energietechnologieën” en de rest van het middellangetermijnprogramma voor duurzame energiesystemen.

8.   Gebieden en instrumenten:

Gebied

Instrument (1)

Zie punt 6.1.3.2.6. van het Werkprogramma voor uitvoeriger informatie over de thema's waarop deze uitnodiging betrekking heeft

IP, STREP, CA en SSA, zoals omschreven in punt 6.1.3.2.6. van het Werkprogramma

9.   Minimumaantal deelnemers (2):

Instrument

Minimumaantal deelnemers

IP, STREP en CA

3 onafhankelijke juridische entiteiten uit 3 verschillende LS of GS, met ten minste 2 LS of GKLS

SSA

1 juridische entiteit van 1 LS of GS

10.   Voor deelnemers geldende restricties: Geen

11.   Consortiumovereenkomsten:

Deelnemers aan IP's zijn verplicht een consortiumovereenkomst aan te gaan.

Deelnemers aan STREP, CA en SSA worden aangemoedigd, maar zijn niet verplicht, een consortiumovereenkomst te sluiten

12.   Beoordelingsprocedure:

Voor de beoordeling wordt een procedure in één fase gevolgd.

Er kan via een beoordeling op afstand worden gewerkt.

De voorstellen worden niet anoniem geëvalueerd

13.   Evaluatiecriteria: Zie bijlage B van het werkprogramma voor de toepasselijke criteria (waaronder hun afzonderlijke weging en drempelwaarde en de totale drempelwaarde) voor elk instrument en de toepassing daarvan

14.   Indicatieve termijnen voor de beoordeling en de sluiting van het contract:

Evaluatieresultaten: zullen naar schatting binnen ongeveer 4 maanden na de sluitingsdatum beschikbaar zijn.

Ondertekening van de contracten: verwacht wordt dat de eerste contracten in het kader van deze uitnodiging vóór eind 2006 uitvoerbaar zullen zijn


(1)  IP = Geïntegreerd project; STREP = Specifiek gericht onderzoeksproject; CA = Coördinatieactie; SSA = Specifieke ondersteunende actie.

(2)  LS = lidstaat van de EU; GS (inclusief GKLS) = geassocieerde staten; GKLS = geassocieerde kandidaat-lidstaten

Elke in een lidstaat of geassocieerde staat gevestigde juridische entiteit die is samengesteld uit het vereiste aantal deelnemers, kan de enige deelnemer zijn aan werkzaamheden onder contract.