ISSN 1725-2474

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 157

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

48e jaargang
28 juni 2005


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

II   Voorbereidende besluiten

 

Europees Economisch en Sociaal Comité

 

412e plenaire zitting van 15 en 16 december 2004

2005/C 157/1

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over De Europese verzekeringsovereenkomst

1

2005/C 157/2

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het thema Toerisme en sport: toekomstige uitdagingen voor Europa

15

2005/C 157/3

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Mededeling van de Commissie: Naar een Europese strategie voor nanotechnologie (COM(2004) 338 def.)

22

2005/C 157/4

Advies van het Europees Economisch en sociaal Comité over het onderwerp Europese verkeerswetgeving en regels betreffende voertuigregistratie

34

2005/C 157/5

Advies het Europees Economisch en Sociaal Comité over het thema Bevordering van het zeevervoer en van de werving en opleiding van zeevarenden

42

2005/C 157/6

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Ontwerpbeschikking van de Commissie betreffende de toepassing van artikel 86 van het Verdrag op staatssteun in de vorm van compensaties voor de openbare dienst die wordt toegekend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen en de Ontwerprichtlijn van de Commissie tot wijziging van Richtlijn 80/723/EEG betreffende de doorzichtigheid in de financiële betrekkingen tussen lidstaten en openbare bedrijven

48

2005/C 157/7

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van door de lidstaten afgegeven bewijzen van beroepsbekwaamheid van zeevarenden en tot wijziging van Richtlijn 2001/25/EG (COM(2004) 311 def. — 2004/0098 (COD))

53

2005/C 157/8

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende geharmoniseerde River Traffic Information Services op de binnenwateren in de Gemeenschap(COM(2004) 392 def. — 2004/0123 (COD))

56

2005/C 157/9

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een verordening van de Raad tot oprichting van een Communautair bureau voor visserijcontrole en houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2847/93 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid(COM(2004) 289 def. — 2004/0108 (CNS))

61

2005/C 157/0

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en het Europees Economisch en Sociaal Comité — Het Europees actieplan voor milieu en gezondheid 2004-2010(COM(2004) 416 def.)

65

2005/C 157/1

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot invoering van normen voor de humane vangst van bepaalde diersoorten (COM(2004) 532 def. — 2004/0183(COD))

70

2005/C 157/2

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 87/328/EEG wat betreft de opslag van rundersperma voor het intracommunautaire handelsverkeer(COM(2004) 563 def. — 2004/0188 (CNS))

74

2005/C 157/3

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Commissiedocument De structurele veranderingen begeleiden: een industriebeleid voor het uitgebreide Europa(COM (2004) 274 def.)

75

2005/C 157/4

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in werkgelegenheid en beroep (COM(2004) 279 def. — 2004/0084 (COD))

83

2005/C 157/5

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's Studie naar de samenhang tussen legale en illegale migratie(COM(2004) 412 def.)

86

2005/C 157/6

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement inzake de gereguleerde binnenkomst in de EU van personen die internationale bescherming behoeven en de versterking van de beschermingscapaciteit van de regio's van herkomst — Verbetering van de toegang tot duurzame oplossingen(COM(2004) 410 def.)

92

2005/C 157/7

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over Een doeltreffender gemeenschappelijk Europees asielstelsel: één uniforme procedure als volgende stap(COM(2004) 503 def. — SEC(2004) 937)

96

2005/C 157/8

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de toegang tot buitenlandse hulp(COM(2004) 313 def. — 2004/0099 COD)

99

2005/C 157/9

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan de Raad en aan het Europees Parlement over de totstandbrenging van een duurzaam landbouwmodel voor Europa via het hervormde glb — hervorming van de suikersector(COM(2004) 499 def.)

102

2005/C 157/0

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de commissie: wetenschap en technologie, sleutels tot de toekomst van Europa — richtsnoeren voor het beleid ter ondersteuning van het onderzoek in de Unie(COM(2004) 353 def.)

107

2005/C 157/1

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de wettelijke accountantscontrole van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen en tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad(COM(2004) 177 def. — 2004/0065 (COD))

115

2005/C 157/2

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's over Langere deelname aan en latere uittreding uit het arbeidsproces van oudere werknemers(COM(2004) 146 def.)

120

2005/C 157/3

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het witboek over de herziening van Verordening 4056/86 tot vaststelling van de wijze van toepassing van de communautaire mededingingsregels op het zeevervoer (COM (2004) 675 def.)

130

2005/C 157/4

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een beschikking van het Europees Parlement en de Raad betreffende de vaststelling van een communautair meerjarenprogramma ter bevordering van een veiliger gebruik van het internet en nieuwe online-technologieën(COM(2004) 91 def. — 2004/0023 (COD))

136

2005/C 157/5

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over De maritieme toegang tot Europa in de toekomst: welke ontwikkelingen zijn te verwachten en hoe kan hierop worden ingespeeld?

141

2005/C 157/6

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1260/1999 houdende algemene bepalingen inzake de Structuurfondsen, wat de verlenging van de looptijd van het PEACE-programma en de toekenning van nieuwe vastleggingskredieten betreft (COM (2004) 631 def.)

147

2005/C 157/7

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) vanwege de toetreding van de Tsjechische Republiek, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije tot de Europese Unie(COM(2004) 592 def. — 2004/0202 (COD))

149

2005/C 157/8

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Relaties tussen generaties

150

2005/C 157/9

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Coëxistentie van genetisch gemodificeerde gewassen, conventionele en biogewassen

155

2005/C 157/0

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement: Europees actieplan voor biologisch voedsel en biologische landbouw (COM(2004) 415 def.)

167

NL

 


II Voorbereidende besluiten

Europees Economisch en Sociaal Comité

412e plenaire zitting van 15 en 16 december 2004

28.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 157/1


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „De Europese verzekeringsovereenkomst”

(2005/C 157/01)

Op 17 juli 2003 besloot het Europees Economisch en Sociaal Comité om, overeenkomstig artikel 29, lid 2, van het rvo, een advies op te stellen over: „De Europese verzekeringsovereenkomst”.

De gespecialiseerde afdeling „Interne markt, productie en consumptie”, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft zijn advies op 10 november 2004 goedgekeurd; rapporteur was de heer PEGADO LIZ.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 413e zitting van 15 en 16 december 2004 (vergadering van 15 december) het volgende advies met 137 stemmen vóór en 1 stem tegen, bij 2 onthoudingen, goedgekeurd.

1.   Inleiding: doel van het initiatiefadvies en toelichting

1.1

Ondanks de gemeenschappelijke oorsprong en zeer gelijksoortige structuren variëren de belangrijkste beginselen voor sluiting en geldigheid van verzekeringsovereenkomsten van lidstaat tot lidstaat in het licht van de nationale regelingen.

1.2

De verzekeringsovereenkomst is cruciaal voor het functioneren van de interne markt omdat zij de handelsrelatie tussen aanbieders en consumenten meer zekerheid verschaft. Uiteenlopende nationale voorschriften betreffende de belangrijkste aspecten van die overeenkomst kunnen de voltooiing van de interne markt evenwel belemmeren en de grensoverschrijdende handel in dit financieel instrument in de weg staan.

1.3

Doel van dit initiatiefadvies is de aandacht van de bevoegde nationale en Europese instanties te vestigen op de noodzaak en opportuniteit van:

inventarisatie van kwesties en problemen waarop de consument en de voltooiing van de interne markt stuiten als gevolg van de huidige diversiteit van de nationale definities van en de regelingen betreffende verzekeringsovereenkomsten;

identificatie van beginselen inzake verzekeringsovereenkomsten die de lidstaten gemeen hebben en van sectoren waarin tot juridische/technische harmonisatie kan worden overgegaan;

afweging van mogelijke oplossingen en voorstellen voor modellen, formules of instrumenten die moeten worden goedgekeurd om tot een zo adequaat mogelijke regeling voor een Europese verzekeringsovereenkomst te komen.

1.4

Het was vanaf het begin van de werkzaamheden betreffende onderhavig advies van doorslaggevend belang te kunnen rekenen op de medewerking van de leden van de groep „Restatement of European Insurance Contract Law”, onder leiding van prof. F. REICHERT-FACILIDES (universiteit van Innsbruck); deze groep is samengesteld uit eminente juristen en specialisten ter zake van het verzekeringsrecht die uit 15 lidstaten afkomstig zijn.

1.4.1

Het verheugde ons dan ook zeer dat professor REICHERT-FACILIDES terstond op ons verzoek reageerde en zich bereid verklaarde om als deskundige voor de rapporteur aan onze werkzaamheden deel te nemen. Hij heeft onmiddellijk een eerste bijdrage opgesteld (position paper I).

1.4.2

Helaas is professor REICHERT-FACILIDES tijdens het opstellen van dit advies onverwachts overleden.

1.4.3

Gegeven de belangstelling die deze hoogleraar gedurende zijn gehele carrière van intensief academisch werk op het gebied van verzekeringen heeft getoond en gezien zijn „Restatement”-project is het dan ook volstrekt op zijn plaats om in dit advies naar zijn werk te verwijzen en uitdrukkelijk onze dankbaarheid voor zijn uitzonderlijke inzet te betuigen als uiting van ons verdriet en als oprecht eerbewijs te zijner nagedachtenis.

1.4.4

Daarom hebben wij een aanzienlijk deel van zijn „position paper I” in dit advies opgenomen. Dit document had hij opgesteld als basis voor de werkzaamheden betreffende dit advies en vormt een van de laatste van zijn hand.

„1.

De diversiteit van de Europese wetgeving betreffende verzekeringsovereenkomsten vormt een ernstige belemmering voor de totstandkoming van een interne verzekeringsmarkt. Dat is vanaf het begin het oordeel van de projectgroep geweest. Ook het EESC heeft hierop de aandacht gevestigd in zijn initiatiefadvies over „De consument en de verzekeringsmarkt” van 29 januari 1998 (PB C 95 van 30 maart 1998, blz. 72; cfr. bijv. par. 1.6 en 2.1.9, tweede al.). Ondertussen lijkt de Commissie zelf ook tot dit inzicht te zijn gekomen (zie Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 2003: Een coherenter Europees verbintenissenrecht — Een actieplan, COM(2003) 68 def., PB C 63 van 15 maart 2003, blz. 1, hierna genoemd „het actieplan”; cf. bijv. de par. 27, 47/48, 74).

2.

Harmonisatie van de wetgeving in het algemeen en uiteraard ook van de verzekeringswetgeving kan alleen geschieden op grond van gedegen rechtsvergelijkend onderzoek. Doel van onze werkzaamheden is tot een „restatement” te komen. Wat is dat? Het woord komt van „restate”, dat betekent „nogmaals of overtuigend tot uitdrukking brengen”. In de juristerij betekent „restatement” een specifiek onder juristen algemeen bekende Amerikaanse technische term, een hecht geheel van regels die afkomstig zijn van verschillende, maar in wezen soortgelijke bronnen die worden gesystematiseerd en geüniformiseerd als „beste oplossing”. Dit geschiedt op particuliere, niet-wetgevende, basis door het American Law Institute. De raakpunten tussen de bronnen wortelen in de op de Common Law gebaseerde (verschillende) privaatrechtelijke voorschriften van de deelstaten. De raakpunten tussen de verzekeringswetgevingen in de Europese lidstaten wortelen in hun onderwerp: verzekering. De specifieke kenmerken daarvan vergen soortgelijke regels. Een „beste oplossing” voor het verzekeringsovereenkomstenrecht kan wellicht als volgt worden gevonden. Ten eerste moet rekening worden gehouden met de essentiële functie van het verzekeringsovereenkomstenrecht, nl. het scheppen van een rechtskader voor effectief risicobeheer door de verzekeraar en derhalve het waarborgen van een goede werking van de verzekeringssector zelf. Ten tweede is het van essentieel belang dat de belangen van partijen zorgvuldig worden afgewogen. In verband hiermee moet de trend om de polishouder een relatief hoog niveau van bescherming te bieden, worden erkend.

3.

De „restatement” die onze groep voor ogen heeft, concentreert zich op dwingende bepalingen (of half-dwingende bepalingen, ten behoeve van de polishouder). Waarom? Het „levend recht” van verzekeringsovereenkomsten wordt in eerste instantie niet in wetten maar in standaardbedingen voor overeenkomsten gevonden. Inachtneming hiervan betekent niet alleen erkenning van de realiteit maar ook respect voor het principe van vrijheid van overeenkomst. Anderzijds behoudt de wetgever de essentiële taak om deze vrijheid uit beleidsoverwegingen te beknotten en om de polishouder (of derden ten gunste waarvan de verzekering werd afgesloten) te beschermen. Bijzondere aandacht dient uit te gaan naar contractuele bedingen die tot een verlies van bescherming kunnen leiden. Om dit doel te bereiken moeten in alle Europese rechtsstelsels bij wet (semi)dwingende bepalingen voor verzekeringsovereenkomsten worden vastgesteld. De problemen die hierdoor ontstaan voor de interne markt worden in het actieplan als volgt omschreven: „….In de loop van de tijd hebben de lidstaten regels ontwikkeld die betrekking hebben op de voorwaarden die al dan niet worden opgenomen in een verzekeringscontract of een andere overeenkomst betreffende financiële diensten. Voor zover deze regels onderling verschillen, kunnen zij invloed hebben op de producten die over de grenzen heen worden aangeboden.” Inderdaad: om een echte interne verzekeringsmarkt te bevorderen moeten alle beperkingen van de vrijheid om een verzekeringsovereenkomst te sluiten worden geharmoniseerd of gestroomlijnd, met als gevolg dat alle (standaard)overeenkomsten die volgens dergelijke uniforme voorschriften zijn opgesteld, in alle landen van Europa kunnen worden aangeboden en er dus één markt ontstaat. Het is precies dit doel dat de projectgroep voor ogen staat.

4.

Het rechtsvergelijkend onderzoek (dat onder 2 wordt genoemd) wordt binnen onze projectgroep gewaarborgd door de brede samenstelling ervan. De groep telt 16 rechtsdeskundigen uit landen binnen en buiten de EU, met verschillende rechtsordes die ten grondslag liggen aan het verzekeringsovereenkomstenrecht.

5.

De vraag dringt zich op of de restatement de bestaande nationale regelgeving moet vervangen of dat er een extra (op dit moment: 16e) model moet komen voor grensoverschrijdende overeenkomsten. Het probleem wordt uiteengezet in het actieplan, waarin de mogelijkheid van een zogeheten optioneel instrument wordt geopperd. Op dit onderwerp wordt hier verder niet ingegaan.

6.

Vergelijkend onderzoek op het gebied van het verzekeringsovereenkomstenrecht moet steeds worden verricht tegen de achtergrond van het algemeen verbintenissenrecht. De projectgroep houdt daarvoor de zogeheten Lando/Beale-beginselen voortdurend in het oog. Bovendien werkt de groep nauw samen met de „Study Group on a European Civil Code” (Professoren von Bar en Beale). Binnen deze organisatie draagt de groep de verantwoordelijkheid voor verzekeringsovereenkomstenrecht.”

1.5

Ter voorbereiding van dit advies is een aantal malen vergaderd met vertegenwoordigers van de Commissie die zich met het verzekeringsbedrijf en de voltooiing van de interne markt bezighouden, alsook met mensen van het Europees Assurantie Comité (EAC) en van het Europees Bureau voor consumentenunies (BEUC). Daarbij kon een eerste indruk worden opgedaan, en hebben wij reacties en suggesties mogen ontvangen.

1.6

Tevens werd besloten een enquête te houden onder een groot aantal publieke, particuliere, nationale en communautaire organisaties die representatief zijn voor de belangen in kwestie, en een hoorzitting te organiseren met de belangrijkste betrokkenen (verzekeraars, producenten, diverse beroepsgroepen en consumenten), gespecialiseerde juristen en wetenschappers uit diverse landen met uiteenlopende rechtsstelsels.

1.7

De reacties op de enquête en de tijdens de hoorzitting (16 april 2004) gemaakte opmerkingen en gedane suggesties zijn op beknopte wijze in dit advies verwerkt.

2.   Achtergrond

2.1

Het in dit advies behandelde onderwerp is niet nieuw. Reeds in zijn initiatiefadvies over „De consument en de verzekeringsmarkt (1) vestigde het Comité de aandacht op het „Voorstel voor een richtlijn van de Raad tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de verzekeringsovereenkomst (2), waarmee de Commissie in de eerste plaats streefde naar harmonisatie van een aantal basisregels voor de verzekeringsovereenkomst. Het Comité sprak er zijn teleurstelling over uit dat de Commissie indertijd niet voornemens was, de materie verder op te pakken „ofschoon zowel verzekeringsmaatschappijen als consumentenorganisaties ervan overtuigd zijn dat met name het ontbreken van een communautaire regeling voor verzekeringsovereenkomsten (en minimumvoorwaarde voor de harmonisering van het substantieve recht) debet is aan een reeks obstakels en moeilijkheden die een werkelijke totstandbrenging van de interne markt op dit gebied verhinderen. (3)

2.1.1

Verderop constateerde het Comité dat een van de belangrijkste algemeen erkende obstakels voor de totstandbrenging van de interne verzekeringsmarkt wordt gevormd door het „(ontbreken van) iedere vorm van harmonisering van het substantieve recht (…), d.w.z. er bestaan geen minimumvoorschriften voor het verzekeringsovereenkomstenrecht in de Europese Unie. (4)

2.1.2

Daarnaast wees het Comité op het volgende: „Op communautair niveau bestaat er geen enkel rechtskader waarin regels worden vastgesteld voor een minimum aan doorzichtigheid bij het afsluiten van verzekeringen in het algemeen en niet-levensverzekeringen in het bijzonder. Er wordt evenmin duidelijk gemaakt wat onder „misleidende algemene bepalingen” kan worden verstaan noch wordt een definitie gegeven van algemene begrippen zoals „goede trouw” of „contractueel evenwicht” op het gebied van verzekeringsovereenkomsten.” (5)

2.1.3

Het Comité voegde daar concreet aan toe: „De verschillende manieren waarop de diverse lidstaten deze materie hebben geregeld of, als ze dat niet hebben gedaan, het ontbreken van regelgeving (waarbij alles wordt overgelaten aan de werking van de markt waar de concurrentie verre van vlekkeloos verloopt en afspraken tussen sommige partijen nadelig uitpakken voor andere partijen), hebben ertoe geleid dat er op de interne markt vele oplossingen bestaan voor feitelijk identieke situaties. Dat geldt met name voor grensoverschrijdende transacties, die sinds de opkomst van de „informatiemaatschappij” hand over hand toenemen.” (6)

2.1.4

Ten slotte, na een analyse van kwesties die geharmoniseerd zouden kunnen/moeten worden, vestigde het Comité de aandacht van de Commissie en de lidstaten erop dat „het voorstel van de Commissie van 1979 (...) voor een richtlijn tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de verzekeringsovereenkomst in het licht van het subsidiariteitsbeginsel zou moeten worden herzien (7) en verzocht het de Commissie alles in het werk te stellen om op Europees niveau gemeenschappelijke minimumvoorschriften voor verzekeringsovereenkomsten op te stellen (voorstel voor een richtlijn) (8).

2.2

Overigens wijzen zowel consumentenorganisaties als verenigingen van verzekeraars er reeds geruime tijd op dat de regels voor verzekeringsovereenkomsten veel verder moeten worden geharmoniseerd.

2.2.1

Daarnaast vestigde de „European Consumer Law Group” in 1986 de aandacht op de noodzaak, de nationale wetgevingen inzake de verzekeringsovereenkomst tot op zekere hoogte te harmoniseren en gaf de groep een gedetailleerde opsomming van aangelegenheden die men zou moeten pogen te harmoniseren. (9)

2.2.2

Verder benadrukt ook het BEUC sinds 1994 dat er een wettelijke basis moet komen voor een regeling van de belangrijkste aspecten van de verzekeringsovereenkomst om op die manier tot een minimale gemeenschappelijke juridische basis te geraken.

2.2.3

Een soortgelijk standpunt werd in december 1998 ingenomen door diverse consumentenorganisaties.

2.2.4

Ten slotte beklemtoont het Europees Assurantie Comité (EAC) in een recent commentaar op de mededeling van de Commissie betreffende het Europees Verbintenissenrecht dat de Commissie er terecht op heeft gewezen dat de diversiteit van de nationale bepalingen inzake met consumenten gesloten verzekeringsovereenkomsten een belemmering vormt voor grensoverschrijdende verzekeringscontracten, en constateert het dat het aantal en de ingewikkeldheid van de bepalingen van de „geharmoniseerde” communautaire verworvenheden die op de verzekeringsovereenkomst van toepassing zijn serieuze problemen in de hand werken.

2.2.4.1

Voorts geeft het een serie voorbeelden van soortgelijke of om onverklaarbare redenen uiteenlopende bepalingen die onnodig meerdere malen in EG-teksten terugkomen, en sluit het af met zijn steun te betuigen aan de beoogde verbetering van het acquis communautaire op voorwaarde dat hieraan een kosten/batenanalyse voorafgaat, alle belanghebbenden uitgebreid worden gehoord en de obstakels op de interne markt centraal staan. (10)

2.3

In haar Mededelingen over „Het Europees verbintenissenrecht” (11) en „Een coherenter Europees verbintenissenrecht — een actieplan” (12) benadrukt de Commissie dat volgens diverse geraadpleegde instanties verzekeringsovereenkomsten de meeste problemen veroorzaken op het gebied van financiële diensten vanwege de „verscheidenheid van nationale regelgevingen” en stelt zij dat moet worden gestreefd naar verdere convergentie van maatregelen „om te zorgen voor een evenwicht tussen de behoefte aan meer eenvormigheid van nationale regels en de noodzaak om productinnovatie en –keuze te handhaven (hetgeen zij beschouwt) als een essentieel initiatief (…) voor het actieplan voor een betere regelgeving.”  (13)

2.4

Het Europees Parlement ten slotte betreurt in zijn resolutie over genoemd actieplan „dat er niet vroegtijdig maatregelen zijn genomen om alternatieve instrumenten te ontwikkelen in bepaalde sectoren, zoals transacties en verzekeringen ten behoeve van de consument, waarin aanzienlijke voordelen zouden kunnen worden geaccumuleerd ter ondersteuning van een behoorlijke werking van de interne markt en ter uitbreiding van het aantal transacties en de handel” en „is van mening dat het, om de grensoverschrijdende handel in de interne markt te vergemakkelijken, vroegtijdig tot prioriteit moet worden verklaard voort te gaan met de instelling van een alternatief instrument in sommige sectoren, en verzoekt de Europese Commissie dan ook met voorrang een instapinstrument voor te stellen voor de sectoren consumenten- en verzekeringsovereenkomsten, rekening houdend met een hoog niveau van consumentenbescherming en opneming van passende, bindende, wettelijke bepalingen”  (14).

3.   Reacties op de enquête en de hoorzitting van 16 april 2004

3.1

Er werden in totaal 27 reacties ontvangen op de enquête, die naar uiteenlopende instanties werd gestuurd: gaande van nationale regulerende instanties tot belangenorganisaties van verzekeraars, ondernemers, handelaren en consumenten.

3.1.1

Reacties waren afkomstig uit Duitsland, Oostenrijk, België, Slowakije, Slovenië, Finland, Frankrijk, Liechtenstein, Litouwen, Malta, Noorwegen, Polen en Zweden.

3.1.2

De leden van de projectgroep „Restatement of European Insurance Contract Law” hebben één gemeenschappelijke reactie ingezonden.

3.2

Een vrij grote meerderheid is van mening dat:

a)

het gebrek aan harmonisatie van dwingende bepalingen een obstakel vormt voor grensoverschrijdende dienstverlening op het gebied van verzekeringen (hier zijn legio voorbeelden van);

b)

deze situatie tevens tot gevolg heeft dat consumenten maar moeilijk een verzekering kunnen afsluiten bij een buitenlandse verzekeraar (veel voorbeelden);

c)

dit laatste er ook toe leidt dat verzekeringsagenten hun diensten niet gauw over de grens zullen aanbieden (tal van voorbeelden);

d)

harmonisatie van de dwingende bepalingen van verzekeringsrecht ertoe zal bijdragen dat verzekeraars, consumenten en verzekeringsagenten aan weerszijden van de grens vaker met elkaar in zee zullen gaan;

e)

de richtlijn van 1979/1980 een goed uitgangspunt is voor een discussie over deze materie, zij het in een andere vorm en aan de hand van andere parameters, zoals door sommige respondenten werd voorgesteld en toegelicht.

3.3

De hoorzitting werd bijgewoond door 46 vertegenwoordigers van 36 instanties uit 17 landen .

3.4

De reacties op de enquête en de discussies die tijdens de hoorzitting zijn gevoerd leveren een eensgezind beeld op, dat er in grote lijnen als volgt uitziet:

3.4.1

Er zijn opvallende verschillen tussen de nationale regelingen betreffende verzekeringsovereenkomsten.

3.4.2

De harmonisatie van het verzekeringsrecht in de EU laat zeer te wensen over, met alle gevolgen van dien voor de totstandbrenging van de interne markt op dit vlak.

3.4.3

Met name voor de kleine en middelgrote verzekeringnemers (particulieren en MKB) is een zekere mate van harmonisatie wenselijk dan wel noodzakelijk om ongelijkheden en discriminatie (collectieve risico's) te voorkomen.

3.4.4

Bij de harmonisatie van het verzekeringsrecht moet stap voor stap en niet al te rigide te werk worden gegaan. Harmonisatie is immers geen doel op zich maar een instrument om de interne markt tot stand te brengen, dat in principe noodzakelijk is en evenredig moet worden doorgevoerd.

3.4.5

Harmonisatie moet in de eerste plaats gericht zijn op:

dwingende bepalingen

het algemene deel van het verzekeringsrecht

3.4.6

De vorm waarin de modelovereenkomst na de harmonisatie wordt gegoten, kan optioneel zijn maar moet, zodra hierover een akkoord is bereikt, wèl tot in alle details door partijen worden aangehouden.

3.4.7

Het meest aangewezen communautair instrument voor vaststelling van een dergelijk model is een verordening; hiermee wordt volledige harmonisatie het best gegarandeerd.

3.4.8

De richtlijnvoorstellen van de Commissie uit 1979 en 1980, zoals gewijzigd naar aanleiding van voorstellen van het EP en het EESC, kunnen een uitgangspunt vormen, maar moeten grondig worden herzien in het licht van de ontwikkeling die het verzekeringsrecht sindsdien heeft ondergaan.

3.4.9

Harmonisatie volgens de eerder uitgezette lijnen kan het afsluiten van grensoverschrijdende verzekeringsovereenkomsten vergemakkelijken en bijdragen tot een verdere ontwikkeling van de interne markt op dit gebied.

3.4.10

Als rechtsgrondslag voor een dergelijk initiatief kan artikel 95 van het Verdrag worden genomen.

3.5

Voorts waren sommige deelnemers en respondenten nog van mening dat:

3.5.1

harmonisatie facultatief moet zijn en moet worden beperkt tot de fundamentele begrippen;

3.5.2

harmonisatie enkel voor grensoverschrijdende overeenkomsten en natuurlijke personen moet gelden;

3.5.3

harmonisatie geen algemeen wondermiddel is om de gebrekkige ontwikkeling van de interne verzekeringsmarkt op te lossen;

3.5.4

bijzondere aandacht moet uitgaan naar gespecialiseerde instanties als onderlinge waarborgstelsels en voorzorgs- en socialezekerheidsinstellingen.

4.   De noodzaak van een initiatief op communautair niveau

4.1   De interne markt en verzekeringen

4.1.1   Algemene opmerkingen over de betrekkingen tussen de interne markt en verzekeringen

4.1.1.1

De interne markt omvat een ruimte zonder binnengrenzen waarin het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal is gewaarborgd (artikel 14, lid 2, van het EG-Verdrag). Naargelang de omstandigheden vallen verzekeringen onder de voorschriften betreffende de vrije dienstverlening (de artikelen 49-55 van het Verdrag) of de vestigingsvrijheid. Verzekeraars die hun diensten in een andere lidstaat aanbieden of zich daar vestigen, doen met hun polissen verzekeringsproducten aldaar concurrentie aan.

4.1.1.2

Op die manier wordt de keuzevrijheid van potentiële polishouders vergroot. Idealiter vormt positieve selectie door consumenten die zich willen verzekeren de onzichtbare hand die de interne verzekeringsmarkt stuurt.

4.1.1.3

Verzekeringskwesties raken ook andere vrijheden: het vrije verkeer van premies en verzekeringsopbrengsten wordt gegarandeerd door artikel 56 van het EG-Verdrag. Verder mag de polis er niet onder lijden wanneer de houder gebruik maakt van zijn in artikel 18 van het Verdrag neergelegde recht om zijn gewone verblijfplaats in een andere lidstaat te kiezen.

4.1.2   Stand van zaken betreffende de harmonisatie van het verzekerings- en verzekeringsovereenkomstenrecht

4.1.2.1

Gegeven deze waaier aan interacties tussen verzekeringen/verzekeringsrecht en de in het Verdrag verankerde vrijheden heeft de EG belangrijke onderdelen van de regels geharmoniseerd ten behoeve van het goed functioneren van de interne markt. Het toezicht op het verzekeringswezen is in de EG en de EER in hoge mate geharmoniseerd via de zg. „drie generaties” richtlijnen op verzekeringsgebied.

4.1.2.2

Overeenkomstig de uitspraak van het Hof van Justitie (HvJ) van 4 december 1986 (15) is daarbij gekozen voor een stelsel met één vergunning en toezicht door de lidstaat van oorsprong. De harmonisatie van de regels voor verzekeringsovereenkomsten is eigenlijk beperkt gebleven tot kwesties betreffende internationaal privaatrecht en rechterlijke bevoegdheden. (16)

4.1.2.3

Het materiële verzekeringsovereenkomstenrecht is uitsluitend op bepaalde (deel)gebieden geharmoniseerd. De harmonisatie van wetgeving betreffende de verzekering egenwettelijke aansprakelijkheid in verband met motorrijtuigen (17) is inmiddels ver gevorderd. Ook bestaan er op het gebied van de rechtsbijstandverzekering gemeenschappelijke bepalingen. (18)

4.1.2.4

De overgrote meerderheid van het materiële verzekeringsovereenkomstenrecht, d.w.z. het algemeen deel dat op alle soorten verzekeringen van toepassing is, is echter nog altijd een zaak van nationale wetgeving. Dit doet onvermijdelijk de vraag rijzen of harmonisatie van het verzekeringsovereenkomstenrecht nodig is voor het goed functioneren van de interne verzekeringsmarkt. Die vraag moet met ja worden beantwoord indien blijkt dat de nationale regels van verzekeringsovereenkomstenrecht uiteenlopen en daarmee een belemmering voor de interne markt vormen.

4.2   Verzekeringsovereenkomstenrecht als een belemmering voor de interne verzekeringsmarkt

4.2.1   De huidige situatie: onvolledige interne verzekeringsmarkt

4.2.1.1

Uit empirische gegevens blijkt dat de totnogtoe door de EG genomen maatregelen (19) hebben bijgedragen tot verbetering van de interne verzekeringsmarkt maar dat er nog geen sprake van voltooiing is (20). Dit geldt bijv. voor de in artikel 49 e.v. en in richtlijnen verankerde vrijheid om groepsverzekeringsactiviteiten aan te bieden: tot op heden hebben verzekeraars en verzekeringnemers hiervan niet veel gebruik gemaakt.

4.2.2   De huidige situatie: algemene achtergrond

4.2.2.1

De bovenomschreven huidige situatie kan wellicht vanuit het toepasselijke algemene rechtskader worden verklaard. Cruciaal is dat een verzekering meestal wordt gezien als een „juridisch product” dat door een verzekeraar als contract wordt verkocht met toepasselijkheid van partijautonomie en (dwingend) recht.

4.2.2.2

Wanneer partijautonomie prevaleert, d.w.z. dat partijen zelf in het licht van hun wederzijdse preferenties de verzekeringsovereenkomst opstellen, bestaat er geen enkel probleem voor het functioneren van de interne markt.

4.2.2.3

Het verzekeringswezen is echter in hoge mate onderworpen aan, deels ook internationale, dwingende voorschriften. (21)

4.2.2.4

Verzekeraars ontwerpen hun producten in hoge mate met het toepasselijk recht in het achterhoofd, en daarom kunnen nationale verzekeringsvoorschriften een barrière voor de interne markt vormen. Dit komt duidelijk tot uiting in het Actieplan van de Commissie voor een coherenter Europees verbintenissenrecht. (22) Voorts zal het in het navolgende worden aangetoond vanuit het gezichtspunt van de verzekeraar (par. 4.2.3), de verzekeringnemer (par. 4.2.4) en tussenpersonen (par. 4.2.5).

4.2.3   De verzekeraar

4.2.3.1

Verzekeraars bieden dekking op basis van een risico-evaluatie en mede in het licht van de op een polis toepasselijke voorschriften. Kan een verzekeraar in de gehele EG onder uniforme regelingen zijn product verkopen, dan kan hij — zonder onderscheid als gevolg van verschillen in nationale wetgeving — door hem in de Gemeenschap gedekte risico's bundelen. In dat geval vormen verschillen tussen het verzekeringsrecht van de lidstaten geen obstakel voor de vrijheden van de verzekeraar.

4.2.3.2

Is evenwel de lidstaat waar de polis wordt verkocht bepalend voor het toepasselijk recht, dan beïnvloeden de verschillen tussen de nationale regels de risico-evaluatie en het functioneren van de wet van de grote getallen, waarop het verzekeringswezen is gebaseerd.

4.2.3.3

Bijgevolg zal een verzekeraar die grensoverschrijdend verkoopt zijn polissen moeten differentiëren en zijn berekeningen mede op het toepasselijke recht moeten baseren. Dit levert een substantiële belemmering voor het functioneren van de interne markt op.

4.2.3.4

Een korte blik op het IPR van de Gemeenschap dat op het verzekeringsbedrijf van toepassing is, leert dat een verzekeraar in wezen gedwongen is om polissen aan te passen aan het recht van de lidstaat waar deze worden verkocht. Overeenkomstig artikel 7, lid 1, onder a) en h), van de Tweede Richtlijn betreffende het directe verzekeringsbedrijf met uitzondering van levensverzekeringen (23) is het recht van toepassing van de lidstaat waar het risico is gesitueerd en krachtens artikel 32, lid 1, onder 1, van de Richtlijn voor het levensverzekeringsbedrijf (24) gaat het om de lidstaat waar de verbintenis moet worden uitgevoerd. De situering van het risico of de plaats waar de verbintenis moet worden nagekomen hangen doorgaans af van de gewone verblijfplaats van verzekerde. (25)

4.2.3.5

Verzekeraars kunnen dit vermijden door samen met verzekerden het recht te kiezen dat op de polis van toepassing is (zeer waarschijnlijk het recht van de lidstaat waar verzekeraar is gevestigd). Deze mogelijkheid wordt echter in hoge mate beperkt door de IPR-regels in de verzekeringsrichtlijnen. Krachtens de directe-verzekeringsrichtlijnen (niet-levensverzekering) is vrije rechtskeuze uitsluitend mogelijk bij dekking van grote risico's. (26) Wel kan de lidstaat waar het risico is gesitueerd de autonomie van partijen vergroten. (27) In alle andere gevallen laten de richtlijnen weinig ruimte voor partijautonomie (28) en bieden daarom geen oplossing voor de hierboven beschreven problemen bij grensoverschrijdende verkoop. Op het gebied van levensverzekeringen kan de lidstaat waar de verbintenis moet worden uitgevoerd partijen autonomie verlenen. (29) Voor het overige hebben zij slechts een uiterst beperkte rechtskeuze. (30)

4.2.3.6

Uit deze opmerkingen over de stand van het Europese internationale verzekeringsovereenkomstenrecht blijkt duidelijk dat verzekeraars van massarisico's doorgaans hun polis zullen moeten aanpassen aan het recht van de lidstaat waar verzekerde zijn gewone verblijfplaats heeft. (31) De problemen worden nog groter wanneer verzekerde na het afsluiten van de verzekering van gewone verblijfplaats verandert. (32)

4.2.3.7

Verzekering van grote risico's (niet-levensverzekering) vormt de enige uitzondering in het Europese internationale verzekeringsovereenkomstenrecht: hier kunnen verzekeraar en verzekerde het toepasselijk recht kiezen. Maar zelfs dan nog kan de ex artikel 9, lid 1, onder b, van de Verordening Brussel I (33) bevoegde rechter van de lidstaat waar verzekerde is gevestigd dwingend recht toepassen. (34)

4.2.3.8

Bijgevolg staan de verzekeraars zeer aarzelend tegenover grensoverschrijdende dienstverlening ter zake van in ieder geval massarisico's. Het valt niet uit te sluiten dat daarin verandering kan worden gebracht door de IPR-regels te wijzigen. Waarschijnlijk zullen genoemde belemmeringen verdwijnen als partijen vrije rechtskeuze zouden hebben of, zo niet, als het toepasselijk recht aan de hand van het recht van de lidstaat van vestiging van verzekeraar zou worden aangewezen. Een dergelijke wijziging zou echter zeer schadelijk zijn voor de basisregels in het IPR inzake verzekeringnemers- en consumentenbescherming: hierdoor zou immers vrije rechtskeuze ontstaan in de verzekeringssector, ook in situaties waarin consumenten in andere sectoren worden beschermd door art. 5 van het Verdrag van Rome. Verder is ook dan het probleem nog niet geheel opgelost: de rechter van de lidstaat van vestiging van verzekerde zal nog steeds zijn eigen dwingende conflictregels toepassen. Bovendien zal niemand zich in een andere lidstaat verzekeren wanneer hij of zij weet dat de bescherming van de eigen wetgeving wegvalt en wordt vervangen door onbekend buitenlands verzekeringsrecht (35)

4.2.4   De verzekeringnemer

4.2.4.1

Gegeven de huidige IPR-bepalingen valt zeker niet uit te sluiten dat men zich in het buitenland wil verzekeren. Men weet dat men (doorgaans) wordt beschermd door het recht van de lidstaat waar men is gevestigd en staat daarom open voor grensoverschrijdend verzekeren. Maar zelfs indien gewenst, is het niet mogelijk om het buitenlands product ook werkelijk te krijgen: gegeven de toepasselijkheid van het recht van die lidstaat van vestiging worden de afgesloten polissen omgevormd tot overeenkomsten waarvan de inhoud min of meer naar dat recht wordt bepaald. Wil men zich voorts toch in het buitenland verzekeren, dan heeft men ook nog eens te maken met verzekeraars aldaar die daar eigenlijk niet op zitten te wachten.

4.2.4.2

Zoals opgemerkt, kan deze koudwatervrees waarschijnlijk worden weggenomen door het internationale verzekeringsovereenkomstenrecht te wijzigen. (36) Door dergelijke wijzigingen zou de vrees van verzekeraars echter worden vervangen door even sterke aarzelingen bij de potentiële verzekeringnemers. Op die manier kan een interne-verzekeringsmarkt niet van de grond komen.

4.2.4.3

Er speelt nog een andere kwestie. Een verzekerde kan zich vrij op de interne markt bewegen (zie met name artikel 18 van het EG-Verdrag). Verhuizing naar een andere lidstaat kan zijn verzekeringssituatie echter nadelig beïnvloeden. In de eerste plaats kan de rechter van de nieuwe lidstaat nieuwe, internationaal dwingende regels toepassen die de in de vroegere lidstaat afgesloten verzekering raken. In de tweede plaats kunnen in de tweede lidstaat andere wettelijke voorschriften voor dekking bestaan dan in de eerste. In de derde plaats is het denkbaar dat iemand in verschillende lidstaten gesitueerde risico's via één enkele polis wil dekken.

4.2.4.4

Dat laatste is gegeven de huidige EG-regels niet optimaal te verwezenlijken en daarom zoekt men zijn heil in „paraplupolissen”, die er evenwel op neer komen dat er evenveel verzekeringen als betrokken lidstaten zijn. Het ontbreekt derhalve aan wat genoemd zou kunnen worden een „mobiele Europese polis” voor EG-burgers die tijdens hun (beroeps)leven van lidstaat verwisselen (37).

4.2.5   De tussenpersonen

4.2.5.1

Tussenpersonen (vooral verzekeringsmakelaars) spelen een cruciale rol bij de verkoop van polissen, en daarmee bij de totstandbrenging van een interne verzekeringsmarkt. Zij maken immers gebruik van de vrijheden die zij op grond van de artikelen 49-55 van het EG-Verdrag en de Richtlijn betreffende verzekeringsbemiddeling (38) genieten en leveren daarmee een substantiële bijdrage aan de totstandbrenging en werking van de interne verzekeringsmarkt. Zijn massarisico's in het geding, dan zal eerder de makelaar dan de klant pogen om in een andere lidstaat een risico te laten afdekken.

4.2.5.2

Ontbreekt het de tussenpersoon aan kennis over het buitenlands recht in kwestie, dan kan hij ook weinig aanvangen met gegevens over de verzekeringsmarkt en –producten in de andere lidstaat. Producten op die markt zijn ontworpen tegen de achtergrond van het daar geldende recht en de makelaar weet niet in hoeverre inhoud en prijs van de polis door de regels van de lidstaat van zijn (buitenlandse) cliënt zullen worden beïnvloed. Hij heeft dan ook problemen om risico's op grote schaal op buitenlandse markten onder te brengen en zal zijn heil moeten zoeken in individuele polissen. Dit gaat gepaard met dusdanig hogere kosten dat er geen sprake is van interne-marktwerking.

4.2.6   Soortgelijke problemen bij verzekeringen die via een bijkantoor worden afgesloten

4.2.6.1

Het is al vaker gezegd: bij verzekeringen is, wegens de aard van het product, een geringe geografische afstand tussen verzekeraar en cliënt dringend gewenst. In de toekomst zal wellicht blijken dat grensoverschrijdende verkoop in het assurantiebedrijf niet zo vaak voorkomt als in andere branches (vgl. de verkoop van boeken via het internet). Ter wille van de betrekkingen met de consument zullen verzekeringsmaatschappijen hun activiteiten in andere lidstaten waarschijnlijk liever via bijkantoren of dochterondernemingen laten lopen.

4.2.6.2

De aanhangers van deze inschatting zijn in principe niet tegen harmonisatie van het verzekeringsovereenkomstenrecht. Zij proberen eerder aan te tonen dat het effect beperkt zal blijven tot een bepaald aantal verzekeringsovereenkomsten die over de grenzen heen tot stand zijn gekomen of tot consumenten die mobiel zijn en zich in een andere lidstaat vestigen.

4.6.2.3

Het werkelijke effect is echter veel groter. Indien verzekeringsovereenkomsten in andere lidstaten worden afgesloten via bijkantoren („vestigingen”) of zelfs via een dochteronderneming, zullen consumenten, tussenpersonen en verzekeraars met dezelfde problemen worden geconfronteerd. Verzekeraars moeten hun producten aanpassen aan de lokale omstandigheden, óók aan het lokale rechtsstelsel. Zij moeten hun producten dus opnieuw vorm geven. Zo kan een polis die in de ene lidstaat wordt verkocht niet zonder meer door een bijkantoor in een andere lidstaat worden verkocht: een grondige aanpassing aan de andere (wettelijke) context is immers geboden. Tussenpersonen en consumenten zullen dus geen buitenlandse verzekeringsproducten op hun markt aantreffen.

4.2.6.4

Door harmonisatie van het verzekeringsovereenkomstenrecht kunnen de productontwerpkosten op de interne markt drastisch omlaag. Zo zouden verzekeraars die zich in een andere lidstaat vestigen, zich kunnen beperken tot het verstrekken van advies via hun tussenpersonen, het laten afhandelen van schadeclaims door hun regionale bijkantoren enz. Zelfs indien verzekeraars actief zijn via dochterondernemingen, zouden verzekeringsmaatschappijen de kosten en moeite van het ontwerpen van een nieuw product kunnen delen.

4.2.6.5

Zo zou de consument de vruchten kunnen plukken van de interne markt. Op een interne markt met een gestroomlijnd verzekeringsovereenkomstenrecht zouden vernieuwingen in de verzekeringssector gemakkelijker de grens kunnen oversteken en zou de Europese consument toegang krijgen tot verzekeringsproducten van buitenlandse makelij.

4.3   Een speciale kwestie: harmonisatie van het verzekeringsovereenkomstenrecht en de uitbreiding

4.3.1

Per 1 mei 2004 zijn er tien landen toegetreden, waarvan er zich acht in een overgangsfase bevinden. Als voorwaarde voor toetreding moest daar het verzekeringsrecht op één lijn met de communautaire verworvenheden worden gebracht. (39) Verder is moderne wetgeving betreffende het verzekeringsovereenkomstenrecht onmisbaar voor de verzekeringsmarkten van deze landen. Sommige nieuwe lidstaten hebben die moderne wetgeving al ingevoerd, andere landen laten echter nog op zich wachten.

4.3.2

Harmonisatie van het verzekeringsovereenkomstenrecht lijkt daarom de beste route op weg naar een grotere interne verzekeringsmarkt. Op die manier worden de nieuwe lidstaten immers geholpen om hun wetgeving te moderniseren en worden nieuwe dispariteiten tussen nationale regelingen vermeden. Het zou een goede zaak zijn indien de Commissie deze lidstaten zo snel mogelijk kan mededelen wanneer zij tot harmonisatie denkt over te gaan.

5.   Het richtlijnvoorstel van de Commissie van 1979

5.1

Zoals opgemerkt, kwam de Commissie in 1979 voor het eerst met een voorstel voor een richtlijn tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de verzekeringsovereenkomst. (40) Dit voorstel was opgesteld overeenkomstig het algemeen programma voor de opheffing van belemmeringen voor de vrije dienstverrichting. Daarin werd gestreefd naar coördinatie van de wettelijke en bestuurlijke regelingen voor de directe verzekeringen voor zover het uiteenlopen daarvan schadelijk is voor de verzekerden en derden. (41)

5.2

In het voorstel werd de coördinatie via de toenmalige richtlijnen als ontoereikend aangemerkt. Verder werd erop gewezen dat het Verdrag een verbod bevat van iedere discriminatie op dienstverleningsgebied die is gebaseerd op het feit dat een onderneming niet is gevestigd in de lidstaat waar de dienst wordt verricht.

5.2.1

Daarom vond de Commissie dat „bepaalde algemene vraagstukken dienen te worden geregeld, met name met betrekking tot het bestaan van de dekking aan de hand van de betaling van de premie, de duur van de overeenkomst en de positie van verzekerden die geen verzekeringnemers zijn.” Hetzelfde gold voor „enerzijds de handelswijze van de verzekeringnemer bij het sluiten en tijdens de looptijd van de overeenkomst, met betrekking tot de opgave van het risico en het schadegeval, en anderzijds zijn houding t.a.v. bij een schadegeval te nemen maatregelen.”

5.2.2

Voorts werd overwogen dat „de Lid-Staten voor de in deze richtlijn geregelde problemen alleen kunnen worden gemachtigd afwijkende bepalingen te kiezen, wanneer zulks uitdrukkelijk in de tekst van de richtlijn wordt voorzien”, zonder dat daardoor de doelstellingen van de richtlijn in gevaar mogen worden gebracht. Op die manier werd een belangrijke stap op weg naar totale harmonisatie op dit gebied gezet (42).

5.3

In zijn advies ter zake (43) vatte het Comité het voorstel samen en maakte het de volgende opmerkingen:

a)

de Commissie heeft zich in het beginstadium beperkt tot coördinatie van de punten die zij wezenlijk acht; later zullen echter ook andere punten moeten worden geharmoniseerd;

b)

helaas wordt geen onderscheid gemaakt tussen massarisico's enerzijds en commerciële of industriële risico's anderzijds;

c)

het is beter dat de ziektekostenverzekering buiten de reikwijdte van het voorstel valt;

d)

jammer genoeg is in het richtlijnvoorstel niets bepaald omtrent verzekeringsovereenkomsten waarbij de verzekeraar in lidstaat A is gevestigd en het risico in lidstaat B is gesitueerd en voor overeenkomsten met buiten de EG gevestigde verzekeringnemers;

e)

omwille van een adequate bescherming van de verzekerde (particulieren of MKB) moeten er specifieke regels komen voor:

1)

bedenktijd en herroeping;

2)

verbod van misleidende bepalingen;

3)

uitdrukkelijke vermelding van gevallen waarop de verzekering niet van toepassing is en van de vervaldagen;

4)

goede voorlichting van de aspirant-verzekerde.

f)

het verhaalsrecht van gelaedeerde derden dient in een ad hoc-richtlijnvoorstel of in het kader van de volgende coördinatiefase te worden geregeld.

5.4

Ook analyseerde het Comité het voorstel artikelsgewijs en plaatste het een aantal kritische kanttekeningen die nu, op weg naar wat voor nieuw initiatief dan ook, nog altijd relevant zijn.

5.5

Ook het Europees Parlement heeft zich destijds over het voorstel uitgelaten (44) en was met name van mening dat „de harmonisatie de verzekeringnemers dezelfde mate van bescherming biedt ongeacht welk recht is gekozen”.

5.5.1

Het kwam met name met een aantal amendementen, die vooral betrekking hadden op het toepassingsgebied van de richtlijn (schrapping van uitsluitingen), de belangrijkste bepalingen van de verzekeringsovereenkomst, de mededelingsplicht voor de verzekeringnemer en de gevolgen daarvan voor de geldigheid van de overeenkomst op het moment van sluiting en tijdens de looptijd, de bewijslast voor de verzekeringnemer ingeval van schade en de opzeggingsvoorwaarden.

5.5.2

Het Parlement gaf daarbij uitdrukkelijk te kennen, te streven naar „een zeer nauwkeurig evenwicht tussen de belangen van verzekeraar enerzijds en de bescherming van de verzekerde anderzijds”.

5.6

Daarop heeft de Commissie haar voorstel in het licht van de suggesties en opmerkingen van EESC en EP gewijzigd (45) en vestigde zij er voor de eerste keer de aandacht op dat „de coördinatie van de wettelijke bepalingen betreffende de verzekeringsovereenkomsten het verrichten van diensten in een lidstaat door de verzekeraars van een andere lidstaat zal vergemakkelijken”. Dit was de eerste uiting van het streven naar voltooiing van een interne markt voor financiële diensten. (46)

5.6.1

De Commissie had gedacht, de richtlijn per 1 juli 1983 in werking te laten treden, maar bij gebrek aan politieke overeenstemming tussen de lidstaten werd het voorstel nooit goedgekeurd.

5.7   Het is nu de vraag, in hoeverre het voorstel van 1979/80 aan actualiteit heeft ingeboet.

5.7.1

Uit de reacties op de enquête en de tijdens de hoorzitting van 16 april 2004 geventileerde standpunten werd een algemene consensus gedistilleerd: zelfs na 20 jaar wordt het voorstel beschouwd als een waardevolle basis en een goed uitgangspunt voor een nieuw initiatief.

5.7.2

Er werd echter ook opgemerkt dat harmonisatie van het verzekeringsovereenkomstenrecht vandaag de dag verder dient te gaan dan in 1980 en dat de voor te stellen regels moeten stoelen op een aan de hand van intensieve rechtsvergelijking te voeren discussie.

6.   Harmonisatiemethoden

6.1   De beste methoden voor rechtsvergelijking

6.1.1

Iedere poging om het Europees verzekeringsovereenkomstenrecht te harmoniseren dient vooraf gegaan te worden door rechtsvergelijking, waaraan op universitair niveau momenteel hard wordt gewerkt: op het gebied van het algemeen verbintenissenrecht zijn er inmiddels beginselen gepresenteerd. Wat het verzekeringsovereenkomstenrecht betreft, zijn er reeds de nodige onderzoeksresultaten gepubliceerd en er zullen er nog bijkomen (47). In 1999 heeft wijlen prof. Reichert/Facilides een werkgroep opgericht om de Europese bepalingen betreffende het verzekeringsovereenkomstenrecht te uniformeren en te systematiseren. De leden van de groep zijn deskundigen in het verzekeringsrecht afkomstig uit verschillende landen binnen en buiten de EG.

6.1.2

Richtsnoeren om een „beste oplossing” voor het verzekeringsovereenkomstenrecht te vinden zouden een volgende stap kunnen vormen. In de eerste plaats moet zorgvuldig worden nagedacht over de kerntaak van alle voorschriften op dit rechtsgebied: het bieden van regels op basis waarvan verzekeraars risico's kunnen dekken, zodat verzekeringen goed functioneren. In de tweede plaats dient er voor het juiste evenwicht tussen de respectieve belangen van partijen te worden gezorgd. In dit verband moet worden erkend dat het de trend van de laatste tijd is om de polishouder relatief veel bescherming te bieden.

6.1.3

Gegeven deze opmerkingen zouden de inspanningen om tot een interne verzekeringsmarkt te komen moeten worden gericht op dwingend recht. Dergelijke regels vormen een onontbeerlijk kader waarbinnen partijen met autonomie kunnen contracteren en zijn, zolang ze nog niet zijn geharmoniseerd, tegelijkertijd een barrière voor die markt. Bijgevolg valt de regelgevingsbehoefte op verzekeringsgebied samen met de harmonisatievereisten voor een interne verzekeringsmarkt.

6.2   Harmonisatie moet een hoog beschermingsniveau voor de polishouder mogelijk maken

6.2.1

Verzekeringsovereenkomstenwetgeving, in ieder geval de semi-dwingende bepalingen, strekt ertoe, de zwakkere partij te beschermen en kan daarom in functioneel opzicht als consumentenrecht worden aangemerkt. Van oudsher gaat de bescherming van de polishouder echter verder dan algemeen consumentenrecht: ook kleine ondernemers worden door verzekeringen beschermd.

6.2.2

De harmonisatie van het consumentenrecht in de EG dient de consument een hoog beschermingsniveau te bieden (zie bijv. artikel 95, lid 3, van het EG-Verdrag. Dit geldt ook voor andere regelingen die de EG op basis van andere Verdragsbepalingen mag uitvaardigen (zie bijv. artikel 47, lid 2, i.c.m. artikel 55 van het Verdrag). Bijgevolg garanderen harmonisatiemaatregelen betreffende het verzekeringsovereenkomstenrecht de polishouder een hoog beschermingsniveau.

6.3   Minimumnormen of volledige harmonisatie?

6.3.1

Uit de analyse van de huidige problemen op de interne verzekeringsmarkt blijkt duidelijk dat volledige harmonisatie van het verzekeringsovereenkomstenrecht geboden is. Bij minimale harmonisatie zouden de lidstaten immers overeenkomstig de Europese wetgeving een hogere beschermingsgraad mogen blijven hanteren, wat voor nieuwe obstakels op de interne verzekeringsmarkt zou zorgen.

6.3.2

Minimale harmonisatie zou de werking van de interne markt niet belemmeren als het huidige IPR zou worden vervangen door een regeling die bepaalt dat het recht van het land waar de verzekeraar is gevestigd van toepassing is. Dan zou elke verzekeraar zijn product volgens de eigen nationale wetgeving kunnen aanbieden (waarbij ten minste een Europees minimaal beschermingsniveau wordt gehanteerd) en dit product overeenkomstig het recht van het „thuisland” in alle andere lidstaten kunnen verkopen. De polishouder zou dan op een minimumbescherming kunnen rekenen ondanks het feit dat hij of zij aan buitenlands recht is onderworpen.

6.3.3

Maar een dergelijke wijziging van het IPR ligt niet voor de hand en is ook niet wenselijk. Ten eerste zou een dergelijke wijziging de consumenten van verzekeringsdiensten de bescherming onthouden die krachtens art. 5 van het Verdrag van Rome wordt geboden; in dit artikel wordt de „passieve” consument beschermd, zelfs in gevallen waarin grote delen van het consumentenrecht worden geharmoniseerd). Ten tweede zouden dwingende bepalingen van het recht van het land van vestiging van de polishouder in rechte worden afgedwongen, met als gevolg dat de werking van de interne markt dus altijd zal worden belemmerd. Ten derde kan een verzekeraar volgens de Verordening betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken een polishouder enkel voor de rechter dagen in het land waar deze laatste is gevestigd (zie art. 12. lid 1, met zeer weinig uitzonderingen); het ligt voor de hand dat als het initiatief bij de polishouder ligt, deze overeenkomstig art. 9, lid 1, sub b voor dezelfde rechter zal kiezen.

6.3.4

Indien het IPR zou worden gewijzigd, zou er dus een situatie ontstaan waarin de bevoegde rechtbanken dus negen van de tien keer buitenlands recht zouden moeten toepassen. Dat zou geschilbeslechting in verzekeringskwesties een stuk lastiger en duurder maken, zelfs indien het verzekeringsrecht zèlf zou worden geharmoniseerd. Deze aanpak is dan ook niet aan te bevelen. Het IPR moet in principe blijven zoals het is en het verzekeringsovereenkomstenrecht moet volledig worden geharmoniseerd. Dat wil echter niet zeggen dat het huidige IPR niet kan worden verbeterd; zo kan „euromobiele” burgers bijvoorbeeld worden toegestaan om, zolang het verzekeringsovereenkomstenrecht niet is geharmoniseerd, te kiezen tussen het recht van het land waarvan zij ingezetene zijn en het recht van het land waarvan zij de nationaliteit hebben.

6.4   Is harmonisatie van het algemeen verbintenissenrecht op de interne verzekeringsmarkt geboden?

6.4.1

Verzekeringsovereenkomstenrecht maakt systematisch deel uit van het algemeen verbintenissenrecht. Rijst de vraag of harmonisatie van het verzekeringsovereenkomstenrecht alleen kan slagen als het complete verbintenissenrecht (of althans het algemene deel daarvan) wordt geharmoniseerd. Dat blijkt niet noodzakelijk te zijn.

6.4.2

Zoals eerder opgemerkt zijn het de dwingende bepalingen die een belemmering vormen voor de interne verzekeringsmarkt en derhalve aan harmonisatie moeten worden onderworpen. Het algemeen verbintenissenrecht is echter per definitie niet dwingend. Er bestaat wèl een aantal dwingende bepalingen. Maar de nationale verschillen tussen die bepalingen zijn niet van dien aard dat de werking van de interne verzekeringsmarkt erdoor wordt verstoord als zij niet worden geharmoniseerd; ook zijn zij niet van doorslaggevende invloed op het verzekeringsproduct zelf.

6.4.3

Er zijn uitzonderingen. Deze uitzonderingen kunnen echter in het kader van de harmonisatie van de verzekeringssector worden aangepakt. Een voorbeeld van dit soort bepalingen is feitelijk al terug te vinden in de richtlijn betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (48), die ook van toepassing is op verzekeringspolissen voor particulieren (49). Met het oog op de interne verzekeringsmarkt dient enkel de werkingssfeer van een Europese verzekeringsovereenkomstrecht te worden uitgebreid tot alle massarisico's.

6.4.4

Deze argumenten beogen niet tegen harmonisatie van het algemene overeenkomstenrecht te pleiten, maar laten de Europese instellingen hierover zelf beslissen. Door harmonisatie van het algemene verbintenissenrecht wordt het in feite wel gemakkelijker om het verzekeringsovereenkomstenrecht te harmoniseren. De hier gepresenteerde argumenten trachten enkel aan te tonen dat harmonisatie van het verzekeringsovereenkomstenrecht alleen al voldoende is om het doel op eigen kracht te bereiken.

6.5   Invoering van een optioneel instrument of harmonisatie van de nationale wetgeving betreffende verzekeringsovereenkomsten?

6.5.1   Het verschil tussen harmonisatie van de nationale wetgeving en een optioneel instrument

6.5.1.1

In het actieplan voor een coherenter Europees verbintenissenrecht wordt de aandacht gevestigd op de mogelijkheid om een optioneel instrument in te voeren in plaats van het nationale verbintenissenrecht te harmoniseren of één te maken. Het belangrijkste verschil tussen beide benaderingen moet worden gezien in het feit dat een optioneel instrument het nationale verbintenissenrecht ongemoeid laat wanneer partijen geen gebruik maken van een opt-in clausule of juist wel van een opt-out clausule, afhankelijk van de aanpak die werd gekozen. Zo ontstaan twee parallelle rechtsstelsels (de Europese en de nationale) en mogen partijen hieruit een keuze maken.

6.5.1.2

Bij harmonisatie of eenmaking van het nationale verbintenissenrecht daarentegen wordt de traditionele opvatting van het nationaal verbintenissenrecht vervangen door een Europese oplossing. Partijen zouden dan niet voor hun nationale of voor het Europese model kunnen kiezen.

6.5.2   Voordelen en nadelen van de twee benaderingen

6.5.2.1

Vanuit het perspectief van de interne verzekeringsmarkt hebben beide oplossingen hetzelfde, duidelijke voordeel: zij nemen de juridische obstakels voor de grensoverschrijdende handel in polissen weg en bieden polishouders de mogelijkheid om zich vrij te bewegen binnen de Unie zonder nadelen te ondervinden van nationale verschillen in verzekeringsovereenkomstenrecht. Daarom is elk van beide mogelijkheden te verkiezen boven de huidige situatie en is de keuze eerder een kwestie van beleid dan van principe.

6.5.2.2

Harmonisatie van het nationale verzekeringsovereenkomstenrecht kan lastiger blijken te zijn dan het gebruik van een optioneel instrument. Aangezien de nationale „tradities” worden vervangen door een Europese oplossing zou in nationale juridische kringen (zowel rechtsbeoefenaars als academici) enige terughoudendheid kunnen ontstaan ten aanzien van een verzoek om harmonisatie.

6.5.2.3

Een ambivalente factor is het verband tussen de mate waarin het nationale recht wordt gehinderd en de snelheid waarmee resultaat wordt geboekt op de interne markt. Een optioneel instrument zet de nationale wetgeving niet buiten spel en kan derhalve worden beschouwd als een gematigde aanpak die dan ook een stuk acceptabeler is voor de markten. Anderzijds bestaat de angst dat een optioneel instrument tot gevolg heeft dat de spelers op de interne markt (bijv. verzekeringsmaatschappijen en makelaars) een afwachtende houding aannemen: niemand wil de spits afbijten en iedereen wacht af tot een ander eerst gaat en men kan leren van de (slechte) ervaringen van de concurrent. Of zou een optioneel instrument worden beschouwd als een pad dat naar kansen leidt en dat iedereen als eerste wil bewandelen, bijv. door de internetverkoop van verzekeringen? Harmonisatie leidt ongetwijfeld tot onmiddellijke resultaten omdat niemand de toepassing ervan kan tegenhouden. Anderzijds kan de inmenging wel als zeer, zo niet té verregaand worden ervaren.

6.5.2.4

Een technisch bezwaar tegen een optioneel instrument heeft te maken met het feit dat het harmonisatie niet volledig kan vervangen. Dit kan gemakkelijk worden aangetoond aan de hand van de verzekering voor wettelijke aansprakelijkheid motorrijtuigen. Harmonisatie van de desbetreffende nationale voorschriften is van groot belang voor de feitelijke mobiliteit van EU-burgers omdat hierdoor de bescherming van slachtoffers van ongevallen wordt gewaarborgd. Het spreekt voor zich dat de bescherming van het slachtoffer niet afhankelijk mag zijn van de keuze van partijen voor een verzekeringsovereenkomst die vóór een Europees instrument is. Een optioneel instrument kan de harmonisatie van de nationale wetgeving inzake verzekeringen voor wettelijke aansprakelijkheid motorrijtuigen dus niet vervangen.

6.5.2.5

Tot slot rijst de vraag of een optioneel instrument wel effect kan sorteren op een terrein als assurantiewetgeving, dat wordt gekenmerkt door een onbalans tussen partijen. Maken partijen een doelmatige keuze of wordt de keuze eenzijdig gemaakt door de verzekeraars via opt-in en opt-out clausules in hun algemene verzekeringsvoorwaarden?

6.5.2.6

Of het doel van een Europees verzekeringsovereenkomstenrecht wordt bereikt via harmonisatie van de nationale wetgeving of via de invoering van een optioneel instrument is niet onze grootste zorg. Wèl moet hierover zorgvuldig worden nagedacht.

6.6   Algemene verzekeringsvoorwaarden voor de hele EU?

6.6.1

Tot slot kan men zich afvragen of harmonisatie van de wetgeving kan worden vervangen door het opstellen van algemene verzekeringsvoorwaarden voor de hele EU. Als dit op grote schaal en met de steun van de EU-instellingen gebeurt, hoeft men zich inderdaad minder zorgen te maken over verzekeraars die rekening moeten houden met de geldende wetgeving in elke lidstaat (hoewel dan nog niet alle zorgen de wereld uit zijn).

6.6.2

Toch zijn de meningen hierover verdeeld. Ten eerste kunnen de algemene Europese voorwaarden weliswaar rekening houden met de verschillen tussen de nationale rechtsstelsels, maar vergen zij toch nog een aparte risicoberekening en kunnen zij nadelig zijn voor de mobiele burger in de EU.

6.6.3

Bovendien zou deze aanpak tot de vaststelling van modelvoorwaarden leiden, wat een ongunstig effect zou hebben op de mededinging op de verzekeringsmarkt. Er zij op gewezen dat een van de belangrijkste stappen op weg naar een interne verzekeringsmarkt bestond in het afschaffen van het recht van lidstaten om systematisch controle uit te oefenen op de algemene verzekeringsvoorwaarden voordat zij op de markt worden geïntroduceerd (50). Een dergelijke controle leidt tot een gebrek aan diversiteit van verzekeringsproducten, een beperkte keuze voor de consument en dus beperkte concurrentie. De vaststelling van algemene Europese verzekeringsvoorwaarden bevat structureel een soortgelijk risico.

7.   Gebieden van harmonisatie

7.1

Hierboven is aangetoond dat het de dwingende bepalingen van het verzekeringsovereenkomstenrecht zijn die moeten worden geharmoniseerd. Blijft de vraag of alle onderdelen van het verzekeringsovereenkomstenrecht of alleen de bijzondere onderdelen moeten worden geharmoniseerd.

7.2

Verzekeringsrecht bestaat doorgaans uit een algemeen gedeelte, dat regels voor alle soorten verzekeringsovereenkomsten bevat, en een bijzonder gedeelte dat specifieke regels voor bepaalde soorten verzekeringen bevat. Het is de vraag of de interne verzekeringsmarkt tot harmonisatie van de algemene bepalingen of van de specifieke bepalingen voor bepaalde soorten verzekeringen of tot harmonisatie van beide noopt.

7.3

In theorie zijn beide nodig: zowel algemene als bijzondere bepalingen van verzekeringsrecht zijn van invloed op het product en belemmeren dientengevolge de werking van de interne verzekeringsmarkt. Zo zijn bijv. de bepalingen inzake promesses, die regelmatig in het algemene gedeelte worden aangetroffen, evenveel van invloed op de risicoverhouding en de premie als bijzondere bepalingen aangaande bijv. een specifieke verzekering als levensverzekeringen. Daarom mag bij harmonisatie in principe geen onderscheid worden gemaakt tussen deze twee soorten bepalingen.

7.4

Harmonisatie kan echter stapsgewijs worden bereikt. In dat geval moet een lijst met prioriteiten worden opgesteld. Harmonisatie van het algemene gedeelte lijkt voor de hand te liggen. Voor veel soorten verzekeringen gelden, volgens de huidige nationale regels aangaande verzekeringsovereenkomsten, geen specifieke en dwingende bepalingen maar enkel algemene bepalingen. Het meest urgent is dus de harmonisatie van de algemene dwingende bepalingen (51) van verzekeringsovereenkomstenrecht. Door deze harmonisatie zou meteen een interne verzekeringsmarkt ontstaan voor alle soorten verzekeringen waarvoor geen bepalingen van bijzonder dwingend recht gelden. Zodra dit een feit is, moet de gereguleerde sector, zoals levens- en ziektekostenverzekeringen, ook worden geharmoniseerd.

7.5

Het soort bepalingen dat voor harmonisatie in dit eerste stadium in aanmerking komt:

a)

verplichtingen voorafgaand aan de overeenkomst, voornamelijk informatieverstrekking;

b)

totstandkoming overeenkomst;

c)

verzekeringspolis, aard, gevolgen en formele vereisten;

d)

looptijd van de overeenkomst, verlenging en beëindiging;

e)

verzekeringsmakelaars;

f)

risicoverzwaring;

g)

verzekeringspremie;

h)

verzekerd object;

i)

verzekering ter wille van derden.

8.   Conclusies en aanbevelingen

8.1

Verzekeringen maken tegenwoordig deel uit van het basisdienstenpakket in de handelsbetrekkingen tussen bedrijven onderling en tussen bedrijven en consumenten.

8.2

De nationale rechtsstelsels van de EU-lidstaten lopen uiteen voor wat betreft een aantal fundamentele beginselen betreffende de totstandkoming en geldigheid van algemene verzekeringsovereenkomsten.

8.3

Deze situatie leidt ertoe dat de grensoverschrijdende handel in dit financiële instrument wordt afgeremd en dat, dientengevolge, de totstandbrenging van de interne markt op dit gebied wordt belemmerd.

8.4

Door de dwingende bepalingen van het zogeheten „algemene gedeelte” van het verzekeringsrecht tot op zekere hoogte te harmoniseren kan een doorslaggevende bijdrage worden geleverd tot het uit de weg ruimen van een groot aantal obstakels en moeilijkheden die door de verzekeringsmaatschappijen, assurantiemakelaars en particuliere of institutionele verzekeringnemers worden ondervonden bij hun grensoverschrijdende verzekeringstransacties.

8.5

Dit standpunt wordt zonder uitzondering gedeeld door alle belanghebbenden die over dit onderwerp zijn geraadpleegd en gehoord.

8.6

Deze harmonisering wordt bij voorkeur geleidelijk doorgevoerd; daarbij wordt in een eerste fase een eventuele, optionele modelovereenkomst voor verzekeringen voorgesteld, die evenwel bindend is in al haar voorwaarden en onderdelen.

8.7

Hierbij moet rekening worden gehouden met de richtlijnvoorstellen van de Commissie uit 1979 en 1980, alsook met de desbetreffende overwegingen en opmerkingen van de vele belanghebbenden, vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld en de regelgevingsinstanties van de lidstaten; ook moet terdege aandacht worden besteed aan de ontwikkelingen die zich ondertussen in de sector hebben voltrokken.

8.8

Het aangewezen communautair instrument is een verordening; als rechtsgrondslag moet artikel 95 van het Verdrag worden genomen.

8.9

Naar aanleiding van de overwegingen in dit advies verzoekt het Comité de Commissie om het onderhavige dossier te heropenen en een rechtsvergelijkend onderzoek in te stellen naar de nationale praktijken op het gebied van verzekeringsovereenkomsten ten einde vast te stellen of harmonisatie van het verzekeringsovereenkomstenrecht op Europees niveau noodzakelijk, opportuun dan wel mogelijk is.

8.10

De Commissie dient hierbij oog te hebben voor de resultaten van reeds verricht wetenschappelijk onderzoek op dit terrein.

8.11

Het Comité beveelt de Commissie aan, bekendheid te geven aan de genoemde werkzaamheden en deze aan een maatschappelijke discussie te onderwerpen via met name een groenboek, als onmisbare basis voor het communautaire instrument dat hiervoor het meest geschikt wordt geacht.

8.12

Het Comité is zich ervan bewust dat enkel indien de lidstaten een duidelijke politieke bereidheid aan de dag leggen om deze inspanning tot harmonisatie van het verzekeringsovereenkomstenrecht te stimuleren, een belangrijke bijdrage kan worden geleverd aan de totstandbrenging van de interne markt voor financiële diensten.

8.13

Het Comité doet een beroep op het Europees Parlement om zich bij dit initiatief aan te sluiten en, aangezien het voorstander is van een harmonisatie van de dwingende bepalingen van het algemene gedeelte van het verzekeringsovereenkomstenrecht, hieraan de nodige prioriteit toe te kennen op zijn politieke agenda.

Brussel, 15 december 2004.

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

A.-M. SIGMUND


(1)  Rapporteur: de heer ATAÍDE FERREIRA, (PB C 95 van 30 maart 1998)

(2)  COM(79) 355 def., PB C 190 van 28 juli 1979, gewijzigd bij COM(80) 854 def., PB C 355 van 31 december 1980; de adviezen van EESC en EP werden gepubliceerd in resp. PB C 146 van 16 juni 1980 en C 265 van 13 oktober 1980. Deze documenten worden in hoofdstuk 5 van dit advies besproken.

(3)  Op. cit. par. 2.1.9

(4)  Idem par. 2.3.1.1.1

(5)  Idem par. 3.4

(6)  Idem par. 3.6.1

(7)  Idem par. 4.3.6

(8)  Aspecten waarvan werd gevonden dat ze in de richtlijn zouden moeten worden opgenomen:

„-

de informatie die vóór het sluiten van de overeenkomst minimaal moet worden verstrekt;

een lijst met sleutelbegrippen en de betekenis ervan;

een lijst met misleidende standaardbepalingen in verzekeringen;

wat er minimaal in iedere verzekeringsovereenkomst moet worden vermeld;

de contractuele verplichtingen die in iedere verzekeringsovereenkomst moeten staan;

de basisbeginselen en uitgangspunten van iedere verzekeringsovereenkomst;

een regeling voor voorlopige schadeloosstelling ingeval van wettelijke-aansprakelijkheidsverzekeringen;

het feit dat de premie in verhouding moet staan tot de waarde van het gedekte risico, d.w.z. dat bij een automatische waardedaling van het verzekerde object wegens ouderdom de premie naar evenredigheid moet afnemen;

invoering van geharmoniseerde, minimale „bedenktijden”;

de polissen moeten leesbaar en begrijpelijk zijn en de consument moet over een exemplaar van de algemene en specifieke voorwaarden kunnen beschikken voordat hij of zij in onderhandeling treedt en een verzekering afsluit.”

Idem par. 4.5. Het Comité heeft dit standpunt in latere adviezen meerdere malen bevestigd, zoals in het advies over het „Voorstel van de Commissie voor een richtlijn betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven”, par. 4.3, PB C 95 van 23 april 2003.

(9)  „ECLG – Consumer Insurance” in: Journal of Consumer Policy (1986), blz. 205-228.

(10)  Nota van het EAC van 4 juni 2003.

(11)  COM(2001) 398 def. van 11 juli 2001 (PB C 255 van 13 september 2001).

(12)  COM(2003) 68 def. van 12 februari 2003.

(13)  Zie het Actieplan: punt 74, alsook de punten 27, 47 en 48.

(14)  A5-0256/2003, goedgekeurd tijdens de EP-zitting van 2 september 2003, punten 11 en 14.

(15)  HvJ 4-12-1986, Rep. 1986, blz. 3755 (Commissie/Duitsland).

(16)  Rechterlijke bevoegdheden: Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, PB L 12 van 2001, blz. 1 (laatste wijziging: PB L 225 van 2002, blz. 13), artt. 8-14; Internationaal privaatrecht: Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst van 19 juni 1980, PB L 166 van 1980, met name artikel 1, leden 3 en 4; Richtlijnen: Tweede Richtlijn 88/357/EEG van de Raad van 22 juni 1988 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, tot vaststelling van de bepalingen ter bevordering van het vrij verrichten van diensten en houdende wijziging van Richtlijn 73/239/EEG (PB L 172 van 1980, blz. 1, laatste wijziging: PB L 228 van 1992, blz. 1), met name artikel 2, onder c) en d), en de artikelen 3, 5, 7 en 8; Derde Richtlijn 92/49/EEG van de Raad van 18 juni 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en houdende wijziging van de Richtlijnen 73/239/EEG en 88/357/EEG (Derde Richtlijn schadeverzekering), PB L 228 van 1992 (laatste wijziging: PB L 35 van 2003, blz. 1), met name artikel 1, onder a) en b) en de artikelen 27, 28, 30 en 31; Richtlijn 2002/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 betreffende levensverzekering, PB L 345 van 2002, blz. 1, met name de artikelen 32 en 33; voor het in richtlijnen vastgelegde IPR zie Reichert-Facilides/d'Oliveira (eds.), „International Insurance Contract Law in the EC”, Deventer 1993; Reichert-Facilides (eds.), „Aspekte des internationalen Versicherungsvertragsrecht im EWR”, Tübingen 1994.

(17)  Richtlijn 72/166/EEG van de Raad van 24 april 1972 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgeving der Lid-Staten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verplichting van de verzekering tegen deze aansprakelijkheid, PB L 103 van 1972, blz. 1 (laatste wijziging: PB L 8 van 1984, blz. 17); Tweede Richtlijn 84/5/EEG van de Raad van 30 december 1983 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de verzekering van de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, PB L 8 van 1984, blz. 17 (laatste wijziging: PB L 129 van 1990, blz. 33); Derde Richtlijn 90/232/EEG van de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de verzekering van de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, PB L 129 van 1990, blz. 33; Richtlijn 2000/26/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 mei 2000 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de verzekering van de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en houdende wijziging van de Richtlijnen 73/239/EEG en 88/357/EEG van de Raad (Vierde Richtlijn motorrijtuigenverzekeringen), PB L 181 van 2000, blz. 65; op 7 juni 2002 werd door de Commissie een een vijfde richtlijn voorgesteld (COM(2002) 244 def., PB C 227 E van 24-9-2002, blz. 387.

(18)  Richtlijn 87/344/EEG van de Raad van 22 juni 1987 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de rechtsbijstandverzekeringn, PB L 185 van 1987, blz. 77.

(19)  Zie par. 4.1.2

(20)  Zie EUROSTAT.

(21)  Deze zijn absoluut dwingend wanneer partijen er niet van mogen afwijken, en relatief dwingend wanneer partijen mogen besluiten tot clausules die gunstiger voor de consument zijn dan de wettelijke voorschriften.

(22)  PB C 63 van 2003, blz. 1, zie de punten 9, 47 en 48: „Dezelfde problemen stellen zich vooral bij verzekeringsovereenkomsten”.

(23)  Zie noot 20 voor het volledige artikel.

(24)  Idem

(25)  Zie artikel 2, onder d, van de Tweede Richtlijn en artikel 1, lid 1, onder g) van de Levensverzekeringsrichtlijn.

(26)  Zie artikel 7, lid 1, onder f, van de Tweede Richtlijn (zoals gewijzigd bij artikel 27 van de Derde Richtlijn; voor de definitie van grote risico's zie artikel 5, onder d en i, van de Eerste Richtlijn.

(27)  Zie artikel 7, lid 1, onder a en d, van de Tweede Richtlijn.

(28)  Zie artikel 7, lid 1, onder b, c en e, van de Tweede Richtlijn.

(29)  Zie artikel 32, lid 1, onder 2, van de Levensverzekeringsrichtlijn

(30)  Zie artikel 32, lid 2, van deze Richtlijn.

(31)  Zie de par. 9 en 48 van het Actieplan van de Commissie (PB C 63 van 15-3-2003, blz. 1): „Het opstellen van één polis die onder dezelfde voorwaarden kan worden aangeboden op de verschillende Europese markten is in de praktijk onmogelijk gebleken.”

(32)  Hoewel dit over het algemeen geen afbreuk aan het toepasselijk recht zal doen, kunnen (internationaal) dwingende regels worden toegepast door de rechter van de nieuwe lidstaat van verblijf. Overeenkomstig artikel 9, lid 1, onder b, van Verordening 44/2001 (de Executieverordening) kan verzekerde verzekeraar in zijn (nieuwe) lidstaat van vestiging in rechte betrekken. Krachtens artikel 7, lid 2, onder 2, van de Tweede Richtlijn en artikel 32, lid 4, onder 1 van de Levensverzekeringsrichtlijn (dwingende regels betreffende de lex fori) kan de rechter van die lidstaat dwingend recht toepassen.

(33)  Zie noot 20.

(34)  Toch kan verzekeraar dit vermijden door een in de artikelen 13, lid 5, juncto 14, i, onder 5, van de Verordening Brussel I toegestane rechtsmachtsclausule in te bouwen waarin de rechter van zijn lidstaat van vestiging exclusief bevoegd wordt verklaard. Al met al heeft de verzekeraar meer mogelijkheden wanneer het om grote risico's gaat.

(35)  Zie hieronder, par. 4.2.4

(36)  Zie hierboven, par. 4.2.3

(37)  Basedow, „Die Gesetzgebung zum Versicherungsvertrag zwischen europäischer Integration und Verbraucherpolitik”, in: Reichert-Facilides/Schnyder (Hg.), „Versicherungsrecht in Europa – Kernperspektiven am Ende des 20. Jahrhunderts”, ZSR 2000 (Beiheft 34) 13-30 (blz. 20)

(38)  Richtlijn 2002/92/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 december 2002 betreffende verzekeringsbemiddeling; PB L 9 van 15-1-2003, blz. 3.

(39)  Zie Heiss, „Expanding the Insurance Acquis to Accession Candidates: From the Europe Agreements to Full Membership” in: Heiss (ed.), „An Internal Insurance Market in an Enlarged European Union”, Karlsruhe 2002, blz. 11-22.

(40)  COM(79) 355 def. van 10 juli 1979, PB C 190 van 28 juli 1979, blz. 2.

(41)  PB van 15 januari 1962, titel V, C) a).

(42)  Voorgesteld werd om met name het volgende te harmoniseren:

a)

de formele structuur van de polis;

b)

het recht op een dekkingsverklaring bij het sluiten van de overeenkomst en de formele minimumvereisten;

c)

de taal waarin de overeenkomst is gesteld;

d)

de verplichting van de verzekeringnemer om bij het sluiten van de overeenkomst opgave te doen van alle omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de beoordeling en de aanvaarding van het risico, en de gevolgen van niet-nakoming van deze verplichting of van een vergissing;

e)

de verplichting van de verzekeringnemer om tijdens de looptijd van de overeenkomst opgave te doen van feiten of omstandigheden die het risico kunnen verhogen, en de gevolgen van niet-nakoming van deze verplichting;

f)

de regeling van de bewijslast bij niet-nakoming van deze verplichtingen;

g)

premieverlaging bij risicodaling;

h)

de gevolgen van het feit dat gedurende de looptijd van de overeenkomst de premie geheel of gedeeltelijk niet wordt betaald;

i)

de verplichtingen van verzekeringnemer in geval van schade;

j)

opzegging;

k)

de mogelijkheid voor partijen om van de bepalingen van de richtlijn af te wijken, mits zulks in het voordeel is van de verzekeringnemer, de verzekerde of een schadelijdende derde.

Het voorstel zou van toepassing zijn op alle soorten verzekeringen, met uitzondering van levensverzekeringen en, vanwege een aantal specificiteiten:

a)

rollend spoormaterieel;

b)

luchtvaartuigen;

c)

zee- en binnenschepen;

d)

vervoerde goederen;

e)

wettelijke aansprakelijkheid voor luchtvaartuigen en zee- en binnenschepen;

f)

krediet en borg.

(43)  Rapporteur: de heer DE BRUYN (PB C 146 van 16 juni 1980).

(44)  PB C 265 van 13 oktober 1980.

(45)  COM(80) 854 def. van 15 december 1980, PB C 355 van 31 december 1980.

(46)  Noemenswaardige punten in het nieuwe voorstel van de Commissie waren met name:

a)

de uitsluiting van de ziekteverzekering, zoals voorgesteld door het EESC;

b)

een gedetailleerde uitwerking van de opzeggingsprocedure, waarbij relatief veel aandacht wordt besteed aan de mogelijke instandhouding van gewijzigde overeenkomsten t.o.v. de eenvoudige beëindiging ervan;

c)

een betere formulering van de bewijsvoering.

(47)  Zie Basedow/Fock (ed.), „Europäisches Versicherungsvertragsrecht”, Tübingen, delen I en II 2002, deel III 2003; Reichert-Facilides (ed), „Insurance Contracts” in: International Encyclopedia of Comparative Law (binnenkort).

(48)  Richtlijn van de Raad 93/13/EEG van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB L 95 van 21-4-1993, blz. 29).

(49)  Desgewenst kan een aparte lijst met oneerlijke bedingen die kenmerkend zijn voor de verzekeringsovereenkomst worden ingevoegd; zie het initiatiefadvies van het EESC over „De consument en de verzekeringsmarkt” (CES 116/98 van 19-1-1998) en de studie die in opdracht van de Commissie (contract AO-2600/93/009263) door het Centre de Droit de la Consommation van de universiteit van Montpellier werd gecoördineerd mbt oneerlijke bedingen in bepaalde verzekeringsbranches, in navolging van wat recentelijk door de Commissie werd voorgesteld voor consumentenkrediet (COM (2002) 443 def.).

(50)  Zie art. 29 van de Derde richtlijn schadeverzekeringen; art. 34 Richtlijn levensverzekeringen.

(51)  Veel specifieke branchegerichte bepalingen in nationale verzekeringsovereenkomstrecht zijn aanvullend en vormen dus geen obstakel voor de interne markt.


28.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 157/15


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het thema Toerisme en sport: toekomstige uitdagingen voor Europa

(2005/C 157/02)

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 29 januari 2004 besloten om overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een advies op te stellen over het thema: Toerisme en sport: toekomstige uitdagingen voor Europa.

De gespecialiseerde afdeling „Interne markt, productie en consumptie”, die met de voorbereidende werkzaamheden terzake was belast, heeft haar advies op 10 november 2004 goedgekeurd; rapporteur was de heer Pesci.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 15 en 16 december 2004 gehouden 413e zitting (vergadering van 15 december) onderstaand advies met 144 stemmen vóór en 1 stem tegen, bij 2 onthoudingen, goedgekeurd.

Voorwoord

Mensen, steden en volkeren ontwikkelen zich dankzij de uitwisseling van positieve waarden, waarbij respect voor de ander het uitgangspunt vormt en waarin onderling begrip, tolerantie, openheid en de bereidheid om elkaars ervaringen en verwachtingen te delen, centraal staan.

In een samenleving die steeds dynamischer wordt, waar zich ingrijpende sociale, geopolitieke en technologische veranderingen voltrekken en waar de ontwikkeling van waarden op zijn minst gelijk op moet gaan met de ontwikkeling van allerlei materiële zaken, is het zeer belangrijk elke gelegenheid aan te grijpen om deze positieve waarden te benadrukken en te propageren.

Toerisme en sport zijn gebieden waarop dat van zichzelf uit al mogelijk is. Dit soort gebieden zijn altijd ook sociaal en cultureel en niet alleen economisch van aard en lijken in veel opzichten sterk op elkaar, aangezien op al deze gebieden fundamentele waarden te vinden zijn als drang naar nieuwe ervaringen, veranderingszin, leergierigheid en bereidheid om elkaar evenwaardig tegemoet te treden.

Toerisme en sport kunnen daarnaast bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen uit de Lissabon-strategie, waarmee ernaar wordt gestreefd om van de EU in 2010 de meest concurrerende kenniseconomie van de wereld te maken. De groeiende economische impact van toerisme en sport vormt namelijk een stuwende kracht achter de economieën van de lidstaten.

De bijdrage die toerisme en sport aan de realisering van de Lissabon-doelstellingen kunnen leveren, is nog relevanter nu de Europese grondwet is goedgekeurd, want toerisme wordt daarin voor de eerste keer aangemerkt als communautair bevoegdheidsterrein. Het EESC beschouwt dat als een eerste belangrijke stap op weg naar een Europees beleid voor de ontwikkeling, ondersteuning en coördinatie van toerisme. Het is er zeer mee ingenomen dat in de Europese grondwet ook een artikel over sport is opgenomen.

1.   Inleiding

1.1

Toerisme en sport zullen in de toekomst steeds belangrijker worden voor het sociaal-economisch welzijn in Europa. In de hele wereld is men overtuigd van het cruciale belang van de rol die toerisme en sport in dat verband spelen.

1.2

Overheden en maatschappelijke organisaties zetten steeds meer in op toerisme en sport als instrumenten die bij uitstek geschikt zijn voor de verspreiding van waarden, de afgifte van positieve signalen en de totstandkoming van een vanuit sociaal en milieuoogpunt duurzame economische ontwikkeling.

1.3

Sport heeft altijd grote groepen mensen aangetrokken. Deze delen eenzelfde passie, die hen ertoe aanzet heel grote, maar ook heel kleine sportevenementen te bezoeken.

1.4

De toeristische sector biedt vandaag de dag de keuze uit alle mogelijke sportactiviteiten. Vooral de laatste tijd zijn vele daarvan zeer populair, wat er soms toe bijdraagt dat geheel of gedeeltelijk in verval geraakte gebieden weer tot bloei komen (1).

1.5

Sommige plaatsen waar sportevenementen hebben plaatsgevonden, zijn toeristische bestemmingen geworden en omgekeerd. Zo raken sport- en toeristische voorzieningen steeds meer met elkaar verweven, wat leidt tot een nieuw aanbod van activiteiten en nieuwe groeimogelijkheden.

1.6

Dat maakt toeristische bestemmingen niet alleen aantrekkelijker voor jonge en minder jonge mensen, maar ook voor mensen met allerlei soorten handicaps, die nu eindelijk een nieuw soort, namelijk sportieve, vakantie kunnen hebben, wat hen meer voldoening geeft.

1.7

In 2002 bezochten 411 miljoen buitenlandse toeristen Europa. Meer dan 5 % van het BBP is daaraan toe te schrijven. Daarmee neemt het Europese continent ongeveer 58 % van het mondiale toerisme voor zijn rekening. De Wereldtoerismeorganisatie heeft echter becijferd dat dit aandeel door nieuwe concurrenten op de wereldtoerismemarkt tussen nu en 2020 tot 46 % zal teruglopen, hoewel het aantal toeristen dat Europa bezoekt bijna zal verdubbelen.

1.8

Ter voorbereiding van onderhavig advies heeft het EESC in Rome een openbare hoorzitting georganiseerd over het thema „Toerisme en sport: toekomstige uitdagingen voor Europa”. Daaraan werd deelgenomen door gezaghebbende vertegenwoordigers uit de Italiaanse en Europese toeristische sector en sportwereld en door het hoofd van de eenheid Toerisme en het hoofd van de eenheid Sport van de Europese Commissie. Deze hoorzitting bleek een goede gelegenheid om uitvoerig van gedachten te wisselen over tal van naar voren gebrachte suggesties en standpunten. (2)

1.9

Naar aanleiding van de uitkomsten van de hoorzitting in Rome en gelet op het feit dat de door de Wereldtoerismeorganisatie georganiseerde wereldtoerismedag dit jaar (27 september 2004) was gewijd aan het thema „Sport en toerisme: twee vitale krachten achter wederzijds begrip, cultuur en maatschappelijke ontwikkeling”, heeft het EESC een aantal ideeën geformuleerd voor een geïntegreerder toekomstig beleid op de terreinen toerisme en sport, zowel voor onderzoek als maatregelen.

1.10

In 2004 vonden in Portugal het Europees kampioenschap voetbal en in Griekenland de 27e Olympische en Paralympische Spelen plaats. In de komende vijf jaar zullen in andere Europese landen nog meer belangrijke mondiale sportevenementen worden gehouden die tot aanzienlijke toeristenstromen zullen leiden en dus een enorme economische impact zullen hebben. Door de grote groepen buitenlandse bezoekers die zich als gevolg daarvan door Europa zullen verplaatsen, zullen alle toeristische bestemmingen een unieke gelegenheid krijgen zich van hun beste kant te laten zien.

2.   Toerisme en sport: toekomstige uitdagingen voor Europa

2.1

De media uit de hele wereld zullen dus de komende jaren gedurende langere periodes hun schijnwerpers op Europa richten. Daarbij zal de EU steeds in het middelpunt van de belangstelling staan, via verschillende kanalen en op verschillende niveaus. (3) Er zal dus over Europa worden gesproken, op zijn minst in belangrijke kringen, uiteraard in sportief, maar ook in politiek, sociaal, cultureel en toeristisch opzicht.

2.2

De grote sportevenementen zullen de Europese samenlevingen economische kansen bieden. Nog belangrijker echter is dat zij worden aangegrepen om mensen na te laten denken over en te leren omgaan met culturele en sociale waarden in het licht van duurzame groei en ontwikkeling.

2.3

Het mag duidelijk zijn dat educatieve activiteiten die daartoe in het kader van de grote sportevenementen worden opgezet, de inwoners van de lidstaten en mensen uit de hele wereld kunnen bereiken. Hierbij moet speciale aandacht uitgaan naar jongeren en groepen die minder in de samenleving zijn geïntegreerd, zoals gehandicapten.

2.4

Wat betreft het concurrentievermogen van de toeristische sector, bieden de komende jaren met al hun grote mondiale sportevenementen goede kansen voor Europa, dat die zou kunnen aangrijpen om het segment van de toerismemarkt waarin de kwaliteit van de accommodatie en de duurzaamheid van het voorzieningenaanbod centraal staan, verder te ontwikkelen en te exploiteren.

2.5

De EU bestaat thans uit 25 lidstaten met alle voordelen van dien voor haar 450 miljoen inwoners. Daardoor zijn voortaan meer toeristische bestemmingen bereikbaar, zijn er meer burgers met belangstelling om te reizen en dienen meer atleten en evenementen — het liefst zo snel mogelijk — te worden opgenomen in de programma's en circuits in Europa.

3.   Toerisme en sport als strategische combinatie voor Europa

3.1

Toerisme is een sector die vrede en integratie tussen volkeren bevordert en hen de kans biedt samen te leven op basis van tolerantie en wederzijds respect.

3.2

Gebleken is dat toerisme kan bijdragen aan de verbetering van de levensomstandigheden van miljoenen mensen wereldwijd, omdat het een rechtvaardigere en solidairdere economische ontwikkeling in de hand werkt.

3.3

Toerisme is belangrijk voor de werkgelegenheid. In Europa houden zich meer dan 2 miljoen bedrijven met toerisme bezig, die samen meer dan 8 miljoen mensen in dienst hebben, de indirecte arbeidsplaatsen nog niet eens meegerekend.

3.4

De toeristische sector is dan ook zeer veelomvattend en beschikt over een groter vermogen om werkgelegenheid te creëren dan andere bedrijfstakken.

3.5

De toeristische sector is echter ook bijzonder gevoelig voor verschijnselen als economische laagconjunctuur, internationale crises en seizoensinvloeden, wat de werkgelegenheidsimpact op lange termijn weer afvlakt. Algemeen gezien bleek deze sector tot nu toe echter altijd tot op bepaalde hoogte te kunnen overleven, en wel dankzij een gevarieerd aanbod van activiteiten en diensten, dat ervoor zorgt dat de gevolgen van zowel structurele moeilijkheden als incidentele crises kunnen worden opgevangen en verwerkt.

3.6

Dé uitdaging voor de komende jaren zal erin bestaan om overal in de EU-25 te zorgen voor een blijvend stabiele sociaal-economische situatie en elke vorm van sociale uitsluiting te bestrijden. Alle burgers moeten toegang krijgen tot toerisme en sport, en ook cultuur, en concreet van de door toerisme, sport en cultuur geboden mogelijkheden kunnen profiteren. De in sociaal opzicht meest kansarme bevolkingsgroepen moeten daarbij worden geholpen.

3.7

De Europese Commissie stippelde deze weg al uit in november 2001 in een Mededeling getiteld „Een gezamenlijke aanpak voor de toekomst van het Europese toerisme” (4) en in november 2003 in een Mededeling getiteld „Basisrichtsnoeren voor een duurzaam Europees toerisme” (5). Nu dienen op basis daarvan concrete plannen te worden uitgewerkt.

3.8

Er kan echter geen kwalitatief goede toeristische sector worden ontwikkeld als daarbij geen sprake is van integratie met andere recreatieve of productiesectoren. In dit licht kan sport — met al zijn waarden, cultuurverschijnselen, regels en idealen — bij uitstek bijdragen tot duurzame groei op alle niveaus.

3.9

Sport is tegenwoordig, net als toerisme, een zeer belangrijke vorm van vrijetijdsbesteding en daarmee een katalysator voor sociale groei en economische ontwikkeling met een enorm potentieel.

3.10

De waarden die via sport worden doorgegeven, dateren al van de 8e eeuw v. Chr., toen in Griekenland de eerste Olympische Spelen plaatsvonden, en zijn ook nu nog zeer actueel. In opleidingsprogramma's voor jongeren worden ze steeds belangrijker.

3.11

De laatste jaren is de economische betekenis van sport buitensporig toegenomen. Grote sportevenementen brengen in de hele wereld grote groepen mensen van alle leeftijden op de been, aan wie waarden en een positieve boodschap worden meegegeven.

3.12

Sportevenementen stonden ook aan de wieg van nieuwe vormen van toerisme, die de mogelijkheid bieden om een traditionele vakantie te combineren met de uitoefening van een bepaalde sport. Grote sportwedstrijden hebben in dit opzicht een stimulerend effect en prikkelen mensen om nieuwe sporten te gaan beoefenen.

3.13

Toeristische infrastructuur en dienstverlening zorgen ervoor dat sport gemakkelijker kan worden beoefend, sport op zijn beurt leidt tot toerisme en de toeristische sector heeft weer veel baat bij sportevenementen die in of nabij toeristische bestemmingen worden gehouden. In dit verband hoeft alleen maar te worden gedacht aan het aantal mensen dat op reis gaat voor een wereldkampioenschap voetbal of de Olympische Spelen, en vooral aan de grote betekenis van dit soort sportevenementen voor de bekendheid en het imago van het land waar zij plaatsvinden.

3.14

In onderhavig advies wordt vooral, maar niet alleen aandacht besteed aan zeer grote sportevenementen, die in het algemeen op cultureel en sociaal-economisch vlak het meeste gewin opleveren en Europese (toeristische) bestemmingen veel bekendheid geven.

3.15

Grote sportevenementen zijn meestal — maar niet uitsluitend — gebeurtenissen die een aanzienlijke stroom toeristen op gang kunnen brengen die vervolgens ter plaatse overnachten en op die manier inkomsten voor de plaatselijke toeristische sector genereren.

3.16

Tijdens grote sportevenementen kan de aandacht worden gevestigd op waarden, gewoonten en gebruiken. Die kunnen vervolgens op andere niveaus in acht worden genomen en verder ontwikkeld, bijv. tijdens de vele kleinere, lokale sportactiviteiten (6).

3.17

De complexe relatie tussen toerisme en sport berust echter op een breder geheel van dwarsverbanden, waarin ook sociale, culturele en milieuaspecten een rol spelen. Vandaag de dag is de toerist namelijk op zoek naar steeds veelzijdigere vakanties, d.w.z. vakanties waarin hij ontspanning, cultuur en sport met elkaar kan combineren.

4.   Toerisme en sport op institutioneel niveau

4.1

De afgelopen jaren vormde de enige rechtsgrondslag voor een Europees toerismebeleid artikel 3, lid 1, sub u), van het EG-Verdrag, waarin in algemene bewoordingen wordt gesproken over maatregelen op het gebied van toerisme. Dat was een grote belemmering voor de totstandkoming van een echt Europees beleid, temeer daar toerisme in veel lidstaten een belangrijke economische sector is.

4.2

De toeristische sector is namelijk zeer veelomvattend; er zijn raakvlakken met bijna alle productie- en dienstverlenende sectoren. Dit noopt tot efficiënte schaalvergrotingen, niet alleen op het vlak van praktische uitvoering, maar ook in het besluit- en beleidsvormingsproces, waar belangrijke keuzes worden gemaakt.

4.3

Vooral sinds 1999 echter tonen de Europese instellingen weer meer belangstelling voor toerisme. (7) Het EESC volgt die ontwikkeling op de voet en is er zeer mee ingenomen dat in de Europese grondwet een specifiek artikel over toerisme is opgenomen. (8)

4.4

Die mijlpaal markeert het einde van een langdurige en soms schadelijke marginalisering van het toerisme en is dé voorwaarde voor erkenning en integratie van de toeristische sector in het EU-beleid.

4.5

Het EESC hoopt dat de EU van nu af aan echt doelgerichte en specifieke maatregelen, programma's en initiatieven op toeristisch vlak gaat uitwerken. In dat verband zou, naar het voorbeeld van de op een bepaald gebied bevoegde Europese agentschappen (9), één Europese instantie voor toerisme moeten worden opgericht.

4.6

Het is in ieder geval positief dat het optreden van de Unie op toerismegebied al in de richting gaat van een beleid waarin duurzame ontwikkeling in al zijn vormen centraal staat. (10)

4.7

Het Europese sportbeleid is gebaseerd op enkele belangrijke documenten, waaronder het Europees Sporthandvest uit 1992, het Verdrag van Amsterdam, waarin het belang van het sociale aspect van sport wordt benadrukt, en de aan het Verdrag van Nice gehechte verklaring waarin de specifieke plaats die sport inneemt tussen de communautaire bevoegdheidsterreinen, wordt onderschreven.

4.8

Onder meer dankzij de impuls die tijdens de Top van Nice is gegeven, heeft sport in de in juni 2004 goedgekeurde Europese grondwet de plaats gekregen die het toekomt, namelijk een apart artikel. (11)

4.9

Om het sociale en educatieve belang van sport te onderstrepen, heeft de Commissie 2004 uitgeroepen tot „Europees jaar van opvoeding door sport”. Op deze manier kan de aandacht worden gevestigd op sport en alles wat daarmee samenhangt en kunnen opleidingsprogramma's, voorlichtingscampagnes en ontwikkelingsprojecten voor scholen en andere instanties die zich met opvoeding bezighouden, worden gefinancierd.

4.10

In het kader van dit themajaar zijn — ook al waren daarvoor weinig middelen beschikbaar — activiteiten opgezet om de mobiliteit van leerlingen te bevorderen. Zo hebben groepen jongeren een reis gemaakt naar voor hen onbekende plaatsen, wat hun de kans bood hun ontdekkings- en reislust met de beoefening van hun favoriete sport te combineren.

4.11

Integratie van toerisme, sport en cultuur vormt de komende jaren een van de uitdagingen die Europa moet aangaan om de economie te stimuleren en sociaal welzijn voor alle burgers te bevorderen.

4.12

Dat heeft prioriteit in het licht van de reeds genoemde doelstellingen van de Lissabon-strategie, waarbij zeker ook rekening moet worden gehouden met de veranderde economische situatie in de lidstaten, teneinde duurzame en langdurige groei en ontwikkeling te kunnen garanderen.

4.13

Aan een dergelijke innovatieve strategie ter bevordering van de horizontale integratie van toerisme, sport en cultuur zou op Europees niveau concreet invulling kunnen worden gegeven tijdens speciale seminars (die o.a. in het kader van het Europees forum over toerisme of een Europees forum over sport zouden kunnen worden gehouden) en via de ondersteuning van vernieuwende initiatieven (bijv. studentenuitwisselingen, bewustmakingscampagnes om sporttoeristen bij de culturele en sociale activiteiten te betrekken die in de plaats waar het sportevenement dat zij komen bezoeken, worden georganiseerd, en cursussen voor de ontwikkeling van nieuwe vaardigheden). Het is van essentieel belang in de eerste plaats daarbij de civiele samenleving en het bedrijfsleven te betrekken.

4.14

De juridische erkenning die toerisme en sport nu in de Europese grondwet hebben gekregen, vormt een grote stap voorwaarts op weg naar de verwezenlijking van de bovengenoemde doelstellingen en in het bijzonder voor de bevordering en ontwikkeling van het concurrentievermogen van de bedrijven die in deze twee sectoren actief zijn.

5.   Veiligheid en de Olympische wapenstilstand

5.1

Zoals reeds opgemerkt zullen de komende jaren veel sportevenementen plaatsvinden die miljoenen mensen uit de hele wereld zullen aantrekken.

5.2

Bij al die belangrijke evenementen en mensenstromen en de bijbehorende grote mediabelangstelling dringt zich de vraag op hoe voor de nodige veiligheid kan worden gezorgd. In dat verband is een aanpak die getuigt van verantwoordelijkheidsgevoel vereist, maar dient niet onnodig onrust te worden gezaaid. Toch moeten wel alle (preventieve) beveiligingsmaatregelen worden genomen die voor een rustig verloop van elk sportevenement noodzakelijk zijn.

5.3

Samenwerking en het vooraf met alle betrokkenen opstellen van interventieplannen zijn in dit verband cruciaal om grote sportevenementen in goede banen te leiden.

5.4

In de plannen voor de organisatie van de sportevenementen van de komende jaren zal het veiligheidsaspect dus centraal moeten staan, met de nadruk op preventie.

5.5

De Algemene Vergadering van de Verenigde Naties heeft op 6 september 2000 een verklaring aangenomen waarin de VN-lidstaten wordt opgeroepen (punt 10) om zelfstandig en op collectieve basis en nu en in de toekomst de „Olympische wapenstilstand” te eerbiedigen en om het Internationaal Olympisch Comité (IOC) te steunen bij de bevordering — via sport en het Olympisch ideaal — van vrede en begrip tussen mensen.

5.6

Onlangs hebben de Europese Raad van Brussel (op 12 december 2003) en het Europees Parlement (op 1 april 2004) zich in soortgelijke bewoordingen uitgelaten. Het Europees Parlement heeft in het bijzonder verklaard ingenomen te zijn met de oprichting door het IOC van een internationale stichting voor de „Olympische wapenstilstand”, die via sport de vrede en het wederzijds begrip tussen mensen verder moet bevorderen.

5.7

Het EESC wil in zijn bijdrage aan de discussie over veiligheid onderstrepen dat bij alle mondiale sportevenementen van de komende jaren de „Olympische wapenstilstand” als universele boodschap moet worden uitgedragen. Het is namelijk van mening dat sport kan bijdragen aan de verspreiding van een cultuur waarin dialoog centraal staat, en dat sport mensen in de gelegenheid stelt elkaar vaker te ontmoeten.

6.   Integratie van duurzaamheid

6.1

Zoals reeds opgemerkt, heeft de complexe relatie tussen toerisme en sport sociaal-economische en milieugevolgen. Deze relatie is des te complexer bij zeer grote sportevenementen.

6.2

Bij het organiseren van dat soort evenementen moeten derhalve alle duurzaamheidsbeginselen — op sociaal-cultureel, economisch en milieugebied — in acht worden genomen. Ook als het gaat over sport en sportbestemmingen dienen de richtsnoeren voor een duurzaam toerisme te worden gevolgd. Deze werden door de Commissie geformuleerd in haar reeds genoemde Mededeling „Basisrichtsnoeren voor een duurzaam Europees toerisme” (12) en kwamen tevens aan de orde in het advies van het EESC over „Een voor iedereen toegankelijk en sociaal duurzaam toerisme” (13).

6.3

Vanuit sociaal-cultureel oogpunt moet een sportevenement mensen vooral de kans bieden om hun identiteit uit te dragen en tegelijk kennis te maken met andere culturen. Het EESC stelt daarom voor om steun te verlenen aan toeristisch/sportief getinte initiatieven en activiteiten waarbij regio's uit verschillende Europese landen zijn betrokken (naar analogie van het Interreg-programma).

6.4

Wat het sociaal-economische aspect van een sportevenement betreft, dient bij de organisatie daarvan in de eerste plaats zoveel mogelijk rekening te worden gehouden met de plaatselijke bevolking, voor wie een dergelijk evenement het meest direct gevolgen heeft. Zo moet bij de planning van diensten en infrastructuur al worden gelet op het mogelijke toekomstige gebruik daarvan door mensen uit de betreffende regio. Die moeten ook als eerste kunnen profiteren van de nieuwe banen en opleidingsmogelijkheden die de organisatie van een sportevenement met zich meebrengt.

6.5

Op het vlak van duurzaamheid, o.a. op milieugebied, zijn reeds modellen ontwikkeld waarmee de capaciteit van een bestemming en van de plaatselijke dienstverlening kan worden gemeten. Volgens het EESC moet ervoor worden gepleit om dat soort modellen ook te gaan gebruiken bij sportevenementen, ter ondersteuning van de reeds genoemde geïntegreerde aanpak waarbij aandacht wordt besteed aan sociaal-economische en milieuaspecten.

6.6

Er dienen dus modellen te worden ontwikkeld en gepromoot voor planning, organisatie en beheer van grote sportevenementen, teneinde ervoor te zorgen dat die een zo groot mogelijke meerwaarde hebben en er zoveel mogelijk profijt uit kan worden getrokken, allereerst voor en door de betreffende regio en haar inwoners, die hoe dan ook met de negatieve kanten van zo'n evenement te maken krijgen en er slechts zelden merkbaar beter van worden.

6.7

De organisatie van grote sportevenementen biedt de betreffende toeristische/sportbestemmingen de mogelijkheid om complexe vaardigheden en hoogwaardige kennis te ontwikkelen (voor de opvang van grote groepen mensen en de voorbereiding van sportwedstrijden), die ook op middellange en lange termijn nog van pas komen. Die kennis en vaardigheden kunnen bovendien worden benut bij de uitwisseling van goede praktijkvoorbeelden over geïntegreerd beheer op het vlak van toerisme en sport.

6.8

Maar de organisatie van omvangrijke evenementen vereist allereerst dat in kaart wordt gebracht waar het gebruik van allerlei middelen, diensten en openbare ruimten door de bezoekers van die evenementen kan botsen met het gebruik daarvan door de plaatselijke bevolking.

6.9

Daarnaast is het fundamenteel dat de samenwerking tussen sportondersteunende instanties, organisatoren, lokale vertegenwoordigers, consumentenorganisaties, vertegenwoordigers van maatschappelijke groeperingen, kortom alle betrokkenen, bestuurlijk in goede banen wordt geleid.

6.10

Sportevenementen dienen deel uit te maken van de (middel)langetermijnplanning van de regio's en landen waar ze plaatsvinden. Daarbij moet in het bijzonder worden gelet op de gevolgen die een sportevenement zal hebben voor het algemene imago van de betreffende toeristische/sportbestemming.

6.11

De ontwikkeling van toerisme wordt vaak belemmerd door het feit dat het seizoensafhankelijk is. Welnu, sportevenementen worden tevens benut in een beleid om het toerisme en de economie het hele jaar lang te ontwikkelen, teneinde voor zo hoog mogelijke opbrengsten te zorgen en stabiele en langdurige werkgelegenheid te garanderen.

6.12

Evaluatie van huidige en toekomstige praktijkervaringen dient te worden gestimuleerd en gesteund, teneinde een praktisch model uit te werken voor planning en beheer van sportevenementen waarin de hierboven aangestipte sociaal-economische en milieuaspecten alle aandacht krijgen. In dit verband zou met name steun kunnen worden verleend aan evaluaties van het gebruik — tijdens en ná een sportevenement — van de voor dat evenement gecreëerde diensten en aangelegde (infrastructuur)voorzieningen.

6.13

In het algemeen zou een aantal van de maatregelen en aanbevelingen uit het Europees meerjarenprogramma voor de ontwikkeling van een duurzaam toerisme kunnen worden verwerkt in een speciale „Agenda 21” voor sport en (toeristische) bestemmingen die het vaakst (sport)evenementen organiseren.

6.14

Goede ervaringen en praktijkvoorbeelden van planning en beheer van toeristische sportevenementen zouden op systematische wijze verzameld, onder de aandacht gebracht en gebundeld moeten worden om de aanstaande grote sportevenementen in de EU in alle opzichten zo soepel mogelijk te laten verlopen.

7.   Toerisme, sport en vorming

7.1

Aan de opvoedkundige en onderwijskundige doelstellingen uit het sport- en toerismebeleid moet op alle niveaus meer invulling worden gegeven.

7.2

Dat komt ook naar voren in de verklaring over sport die aan de conclusies van de Europese Raad van Nice van december 2000 is gehecht: „De Gemeenschap moet […] rekening houden met de maatschappelijke, educatieve en culturele functie van de sport […], teneinde de ethiek en de solidariteit die noodzakelijk zijn voor het behoud van de maatschappelijke rol van de sport, te eerbiedigen en te bevorderen.”

7.3

Door de positieve waarden die sport en toerisme gemeenschappelijk hebben, samen te brengen en te benutten, kan de integratie tussen volkeren, gemeenschappen en staten in belangrijke mate worden bevorderd.

7.4

Het belang van de reeks sportevenementen die vanaf 2004 plaatsvinden, is nog groter in het licht van het hier bedoelde streven om educatieve aspecten en beginselen over te brengen d.m.v. grote sportevenementen, die op enorme aandacht van burgers en overheden zullen kunnen rekenen.

7.5

De mogelijkheden daarvoor zijn met de toetreding van tien nieuwe lidstaten tot de EU alleen maar toegenomen. Door benutting van de belangrijkste communicatiekanalen kan ook in de nieuwe lidstaten kennis over de EU en haar inwoners op educatieve wijze worden verspreid en kunnen waarden als sportiviteit, eerlijkheid en competitiegeest worden uitgewisseld.

7.6

Daarnaast dienen basiswaarden als tolerantie, openheid, gastvrijheid en de bereidheid contacten aan te knopen met andere volken en bevolkingsgroepen verder te worden ontwikkeld en overgedragen. Om ervoor te zorgen dat dat overal in de EU gebeurt, dient aan dergelijke basiswaarden in het onderwijs en in alle voor werknemers uit de toeristische en sportsector bestemde scholingsprogramma's passende aandacht te worden besteed, en is intensieve uitwisseling van ervaringen nodig. Een en ander moet dan ook worden gesteund. Toeristen hebben immers bepaalde verwachtingen over hoe tijdens hun reis met bovengenoemde basiswaarden zal worden omgegaan.

7.7

Bijzondere aandacht dient tijdens sportevenementen en toeristische activiteiten te worden besteed aan het propageren van een klimaat waarin alle burgers — en vooral de zwakkeren in de samenleving, zoals jongeren, ouderen en gehandicapten — het recht hebben om sport te beoefenen en aan sportwedstrijden deel te nemen.

7.8

Dit vloeit ook voort uit bovengenoemde verklaring over sport die aan de conclusies van de Europese Raad van Nice van december 2000 is gehecht: „De beoefening van fysieke en sportieve activiteiten is voor lichamelijk of geestelijk gehandicapten een middel dat bij uitstek geschikt is voor individuele ontplooiing, revalidatie, maatschappelijke integratie en solidariteit […].”

7.9

Dergelijke maatregelen ten behoeve van de zwakkeren in de samenleving moeten in de eerste plaats worden genomen door nationale en lokale overheden, nationale sportfederaties, sportverenigingen, amateurclubs en scholen.

7.10

Juist op school namelijk kunnen positieve waarden en wederzijds begrip het meest succesvol worden gepromoot, aangezien uit de verwevenheid van sport, toerisme en vorming al vanaf het moment dat kinderen naar school gaan optimaal profijt kan worden getrokken.

7.11

Daarom stelt het EESC voor de mobiliteit en uitwisseling van scholieren/studenten te blijven bevorderen via het organiseren van sportevenementen waarbij ook tijd is om kennis op te doen en na te denken over de lokale omstandigheden en cultuur.

7.12

Voorts stelt het EESC voor dat de lidstaten intensiever gaan samenwerken, vooral op het vlak van de uitwisseling van goede praktijkvoorbeelden, zoals de beste manieren om sporttoeristen te betrekken bij de sociale en culturele activiteiten in de plaats waar zij een sportevenement bezoeken, teneinde geweld en intolerantie tegen te gaan, en te bevorderen dat mensen van elkaar leren.

7.13

Daarnaast zou moeten worden bekeken of cursussen kunnen worden opgezet ter bevordering van nieuwe vaardigheden met het oog op de organisatie van toeristische activiteiten/sportevenementen, waarin aandacht wordt besteed aan alle toeristische aspecten die samenhangen met sociale ontplooiing, integratie van duurzaamheidsaspecten, communicatie en marketing.

8.   Conclusies

8.1

Toerisme en sport bieden vaak ruimte voor de ontwikkeling en uitwisseling van positieve waarden, waarbij respect voor de ander het uitgangspunt vormt en waarin onderling begrip, tolerantie en openheid centraal staan. Toerisme en sport zijn namelijk gebieden waarop dat van zichzelf uit al mogelijk is. Zij zijn daarom in een samenleving die steeds dynamischer wordt en waar zich ingrijpende sociaal-culturele, geopolitieke en technologische veranderingen voltrekken, van zeer groot belang.

8.2

Bovendien kunnen toerisme en sport in belangrijke mate bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen uit de Lissabon-strategie. Hun groeiende economische impact kan een echte stuwende kracht worden achter de economie van de EU, zeker als elke kans om de in beide sectoren aanwezige kennis verder te verdiepen en te verspreiden, volledig wordt benut.

8.3

De opname van artikelen over toerisme en sport in de definitieve versie van de Europese grondwet vormt een historische kentering op deze twee beleidsterreinen. Het EESC hoopt nu dat op Europees niveau heel wat initiatieven zullen worden ontplooid op het gebied van toerisme en sport en beveelt aan daarbij de open-coördinatiemethode te gebruiken, zodat kennis en vaardigheden worden uitgewisseld en op Europees niveau overleg plaatsvindt.

8.4

Toerisme en sport zijn twee complexe en heterogene sectoren die niet eenvoudig gezamenlijk kunnen worden bestudeerd en in sociaal-economisch opzicht vergeleken. Daarom stelt het EESC voor een Europees waarnemingscentrum en een databank op te richten voor de verzameling, verwerking en verspreiding in de lidstaten van kennis en goede praktijkvoorbeelden op toerisme- en sportgebied met het oog op de ontwikkeling van beide sectoren.

8.5

Het EESC zou voorts graag zien dat de EU steun verleent voor studies en analyses t.a.v. toerisme en sport, zodat op Europees niveau de sociaal-economische en milieu-impact van deze strategische combinatie kan worden onderzocht.

8.6

In alle maatregelen voor de ontwikkeling van toerisme en sport moet prioriteit worden gegeven aan de bevordering van omstandigheden waaronder activiteiten op beide terreinen voor iedereen toegankelijk zijn, en aan de uitwerking van ondersteunend beleid terzake. Daarbij moet rekening worden gehouden met de zwakkeren in de samenleving (jongeren, ouderen en gehandicapten) en met de lagere inkomensgroepen. In dat verband zou een bewustmakingscampagne moeten worden opgezet om bij alle betrokkenen het besef te laten doordringen dat toegankelijkheid en duurzaamheid het concurrentievermogen ten goede komen.

8.7

Het EESC stelt tevens voor om een Europees agentschap voor toerisme op te richten dat ervoor zou moeten zorgen dat de kenmerken van de toeristische sector behouden blijven. Ook zou dit agentschap de problemen ervan in kaart moeten brengen, mogelijke ontwikkelingsplannen moeten uitstippelen en moeten zoeken naar innovatieve instrumenten voor duurzame groei die in de structurele beleidsmaatregelen van de EU kunnen worden geïntegreerd.

8.8

Toerisme en sport zijn veelomvattende, complexe sectoren met een groot ontwikkelingspotentieel. In onderhavig advies pleit het EESC voor horizontale integratie van toerisme en sport op Europees niveau, teneinde hun potentieel op sociaal-economisch en cultureel vlak te benutten. Tot slot wijst het EESC er ook op dat als in dit verband de benodigde maatregelen worden genomen, er constant op moet worden gelet of er voldoende aandacht is voor het aspect duurzaamheid, zowel in sociaal-economisch, cultureel als milieuopzicht.

8.9

Dit advies wordt door het EESC de „Verklaring van Rome over toerisme en sport” genoemd, zodat het bij elk belangrijk toeristisch of sportevenement op Europees niveau gemakkelijker herkend en onder de aandacht van de betrokkenen gebracht kan worden.

Brussel, 15 december 2004

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

A.-M. SIGMUND


(1)  Een goed voorbeeld in dit verband vormt de regio Turijn, waar in 2006 de volgende Olympische en Paralympische Winterspelen zullen plaatsvinden en waar om die reden vervallen industriezones nieuw leven wordt ingeblazen en sommige afgelegen gebieden voor het eerst economisch worden benut, wat een oppepper voor alle economische activiteit ter plaatse betekent.

(2)  Openbare hoorzitting over „Toerisme en sport: toekomstige uitdagingen voor Europa”, Rome, 22 april 2004 in het gebouw van de CNEL (de Italiaanse Raad voor economie en arbeid).

(3)  Bijv. tijdens de in voetnoot 3 genoemde sportwedstrijden.

(4)  COM(2001) 665 def.

(5)  COM(2003) 716 def.

(6)  Plaatselijke kampioenschappen, toernooien tussen scholen en op amateurniveau, decentrale of universitaire sportevenementen enz.

(7)  Van het Europees werkgelegenheidsactieplan voor de toeristische sector uit 1999 tot de Mededeling van de Commissie van 13 november 2001 getiteld „Een gezamenlijke aanpak voor de toekomst van het Europese toerisme”, de resolutie van het Europees Parlement van 14 mei 2002, de resolutie van de Raad van 21 mei 2002 over de toekomst van het Europese toerisme en de Mededeling van de Commissie van november 2003 getiteld „Basisrichtsnoeren voor een duurzaam Europees toerisme”.

(8)  Art. I-17 en art. III-281, afdeling 4.

(9)  Bijv. het Europees Bureau voor de geneesmiddelenbeoordeling, het Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk, de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en het Europees Milieuagentschap.

(10)  Het EESC heeft daaraan en in het bijzonder aan de formulering van toekomstige maatregelen een bijdrage willen leveren met zijn initiatiefadvies „Een voor iedereen toegankelijk en sociaal duurzaam toerisme” (PB C 32 van 5 februari 2004).

(11)  Artt. I-17 en III-282, afdeling 5.

(12)  COM(2003) 716 def.

(13)  PB C 32 van 5 februari 2004


28.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 157/22


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Mededeling van de Commissie: Naar een Europese strategie voor nanotechnologie

(COM(2004) 338 def.)

(2005/C 157/03)

De Europese Commissie heeft op 12 mei 2004 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig art. 262 van het EG-Verdrag te raadplegen over de Mededeling van de Commissie: „Naar een Europese strategie voor nanotechnologie”

De gespecialiseerde afdeling „Interne markt, productie en consumptie”, die met de voorbereiding van de werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 10 november 2004 goedgekeurd. Rapporteur was de heer PEZZINI.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 413e zitting van 15 en 16 december 2004 (vergadering van 15 december 2004) het volgende advies uitgebracht, dat met 151 stemmen, bij 1 onthouding, is goedgekeurd.

1.   Voorwoord

1.1

Het EESC beseft dat dit advies een tot op zekere hoogte nieuwe materie betreft, met een vaak weinig bekende of in ieder geval weinig gebruikte terminologie. Daarom leek het nuttig om een beknopte reeks definities op te nemen en de stand van het onderzoek naar en de toepassingen van nanotechnologie in de VS en in Azië te beschrijven.

1.2

Inhoud van het advies

2.

3.

4.

5.

6.

7.

8.

2.   Definities

2.1

Nano: het miljardste deel van een geheel. In dit advies, verwijzend naar afmetingen, wordt „nano” gebruikt voor het miljardste deel van een meter.

2.2

Micro: het miljoenste deel van een geheel. In dit advies gaat het om het miljoenste deel van een meter.

2.3

Nanowetenschappen: deze wetenschappen vormen een nieuwe benadering van de traditionele wetenschappen (schei- en natuurkunde, biologie, elektronica...) voor wat betreft de fundamentele structuur en het gedrag van de materie op atoom- en molecuulniveau. Het zijn in feite de wetenschappen die de mogelijkheden van de atomen in diverse disciplines bestuderen (1).

2.4

Nanotechnologie: de technologie met behulp waarvan atomen en moleculen kunnen worden bewerkt om nieuwe oppervlakken of objecten te maken die dankzij hun andere samenstelling en nieuwe schikking van atomen bijzondere eigenschappen aannemen die in het leven van alledag bruikbaar zijn (2). Het gaat dus om de technologie van het miljardste deel van een meter.

2.5

Behalve de hierboven vermelde definitie is het de moeite waard om er een uit wetenschappelijk oogpunt pregnantere versie naast te zetten. De term „nanotechnologie” verwijst naar een multidisciplinaire aanpak voor het scheppen van materialen, instrumenten en systemen aan door de beheersing van de materie op nanoschaal.

2.6

Nanomechanica: de afmetingen van een object worden belangrijk voor de bepaling van de eigenschappen daarvan als het scala aan afmetingen loopt van één nanometer tot enkele tientallen nanometers (het gaat dan om objecten van enkele tientallen tot enkele duizenden atomen). Binnen dit scala aan afmetingen zijn de fysisch-chemische eigenschappen van een object dat uit 100 ijzeratomen bestaat, radicaal anders dan van een object van 200 atomen, ook al zijn beide met dezelfde atomen tot stand gebracht. Zo zijn ook de mechanische en elektromagnetische eigenschappen van een vast lichaam dat uit nanodeeltjes bestaat, radicaal anders dan die van een traditioneel vast lichaam met dezelfde chemische samenstelling; de eigenschappen van eerstgenoemd vast lichaam worden beïnvloed door de eigenschappen van de afzonderlijke eenheden waaruit het is samengesteld.

2.7

Dit is een fundamentele wetenschappelijke en technologische nieuwigheid die de manier waarop wordt omgegaan met de totstandbrenging en bewerking van materialen verandert, op elk wetenschappelijk en technologisch terrein. Nanotechnologie is dus geen nieuwe wetenschap, naast chemie, fysica of biologie, maar een nieuwe manier om chemie, fysica of biologie te beoefenen.

2.8

Hieruit vloeit voort dat een materiaal of een systeem waaraan een nanostructuur is gegeven, opgebouwd is uit eenheden van nanometrische afmeting (uit afzonderlijke atomen opgebouwde structuren waaraan we gewend zijn, niet langer relevant), die dus bijzondere eigenschappen vertonen en zich tot complexe structuren laten verbinden. Het is dus duidelijk dat moet worden afgestapt van de paradigmata van stoffen die zijn gebaseerd op de samenvoeging van afzonderlijke atomen of moleculen en alle gelijk zijn. Daarvoor in de plaats moet een benadering worden gevolgd waarbij de afmetingen een parameter van fundamenteel belang zijn.

2.9

Om het revolutionaire karakter van nanotechnologie op zijn waarde te schatten, kunnen we haar gelijkstellen aan de ontdekking van een nieuwe tabel van Mendeljev (periodiek systeem der elementen) die heel wat groter en ingewikkelder is dan de thans bekende, of kunnen we ons voorstellen dat de beperkingen van fasediagrammen (bijv. de mogelijkheid om twee stoffen te mengen) opgeheven kunnen worden.

2.10

Het gaat dus om bottom-up technologieën, die de stap mogelijk maken van afzonderlijke functies naar een geheel. Deze technologieën vinden steeds meer toepassingen, onder meer op de volgende gebieden: gezondheid, IT, materiaalwetenschap, verwerkende industrie, energie, veiligheid, ruimtewetenschappen, optiek, akoestiek, chemie, voeding en milieu.

2.11

Dankzij deze toepassingen waarvan de burger sommige al gebruikt (3), is het geen loze kreet om te stellen dat „nanotechnologie de kwaliteit van het leven, het concurrentievermogen van de verwerkende industrie en de duurzame ontwikkeling aanzienlijk kan verbeteren (4).

2.12

Micro-elektronica. tak van elektronica die zich bezighoudt met de ontwikkeling van geïntegreerde circuits, tot stand gebracht binnen „één bereik van een halfgeleider”, van zeer geringe afmetingen. Tegenwoordig is de micro-elektronica in staat om afzonderlijke componenten te maken met een afmeting van circa 0,1 micrometer, ofwel 100 nanometer (5).

2.13

Nano-elektronica. Wetenschap die zich bezighoudt met de studie en de productie van circuits, met behulp van niet op silicium gebaseerde technologie en materialen en die uitgaan van wezenlijk andere beginselen dan de huidige (6).

2.13.1

Nano-elektronica staat op het punt om één van de hoekstenen van de nanotechnologie te worden, zoals de elektronica thans in alle wetenschappelijke sectoren en industriële processen aanwezig is (7).

2.13.2

Op het gebied van elektrische/elektronische componenten is de ontwikkeling heel snel gegaan: in enkele decennia is men, uitgaande van zekeringen, verder gegaan met halfgeleiders, chips, microchips om thans uit te komen bij de nanochip, bestaand uit onderdelen die elk slechts enkele honderden atomen omvatten. In een nanochip kan de informatie van 25 delen van de Encyclopaedia Britannia worden opgeslagen (8).

2.13.3

Wetenschappers en producenten van elektronische componenten beseften al spoedig dat de stroom informatie versnelt naarmate de chip kleiner wordt (9). Daarom is het met nano-elektronica mogelijk om informatiestromen zeer snel te beheersen, op uiterst kleine ruimtelijke afmetingen.

2.14

Scanning tunnelling microscope (STM): dit instrument, dat de uitvinders de Nobelprijs heeft opgeleverd, wordt ook wel de „de lens van de 21e eeuw” genoemd. Het dient ertoe om op atomaire schaal materie te „zien”. Werking: de naald van de microscoop beweegt parallel boven een oppervlak. De elektronen van het oppervlak (niet de atomen) verplaatsen zich door het tunneleffect van het oppervlak naar de naald. Hierdoor ontstaat een stroom waarvan de intensiteit omgekeerd evenredig is met de afstand tussen de naald en het oppervlak. Deze stroom wordt via een berekening omgezet in hoogte, zodat het mogelijk wordt de topografie van het oppervlak van het materiaal op nanometrische schaal in kaart te brengen.

2.14.1

Tunneleffect: in de klassieke mechanica kan een deeltje dat zich in een holte bevindt en dat een zekere energie heeft, er niet uit, tenzij die energie groot genoeg is om de „grenzen” van de holte te overschrijden. In de kwantummechanica is de situatie op grond van het onzekerheidsbeginsel evenwel heel anders. Als het deeltje in de holte gevangen zit, zal de onzekerheid van de positie heel klein zijn en de onzekerheid van de snelheid dus heel groot. Er is dus een bepaalde waarschijnlijkheid dat het deeltje genoeg energie heeft om uit de holte te komen, ook al zou zijn gemiddelde energie niet toereikend zijn om de hindernis te overwinnen (10).

2.15

Koolstof nanobuizen: deze zijn het resultaat van een bijzondere assemblage van koolstofatomen. Nanobuizen zijn één van de meest resistente en lichtste materialen die momenteel bekend zijn. Ze zijn zes keer lichter en honderd keer sterker dan staal. Ze hebben een diameter van enkele nanometer en een lengte van diverse micrometer of zelfs nog veel meer (11).

2.16

Autoassemblage van macromoleculen: dit is het procédé dat in laboratoria wordt gebruikt om de natuur na te bootsen: „Alles wat leeft stelt zichzelf samen”. Via dit procédé van autoassemblage worden raakvlakken gecreëerd tussen elektronische circuits en biologische weefsels en wordt afgetast in hoeverre een verbintenis tussen informatica en biologie tot stand kan worden gebracht. De doelstelling die wetenschappers overigens geen toekomstmuziek lijkt, is om doven het gehoor en blinden het zicht terug te kunnen geven (12).

2.17

Biomimetica:  (13) de wetenschap die de wetten bestudeert die ten grondslag liggen aan de samenvoeging van in de natuur bestaande moleculen. Met kennis van deze wetten is het wellicht mogelijk kunstmatige nanomotoren te creëren, uitgaande van de ook in de natuur geldende beginselen (14).

3.   Inleiding

3.1

Het EESC waardeert de duidelijkheid die uit de mededeling over de nanotechnologie naar voren komt, onderschrijft de motieven die de Commissie ertoe hebben gebracht om in een vroegtijdig stadium relevante opmerkingen over deze zaak te maken en is tot slot tevreden over de talrijke publicaties, inclusief cd-roms, voor zowel deskundigen als jongeren.

3.1.1

Vooral de vanuit een pedagogische invalshoek opgezette cd-roms zijn bij uitstek geschikte culturele media voor de verspreiding van de nodige informatie over nanotechnologie onder een breed, soms onervaren en vaak jong publiek.

3.2

Volgens het EESC moet deze materie, die nieuwe en vruchtbare ontdekkingen op talrijke gebieden in het dagelijks leven kan opleveren, aan de hand van een voor iedereen zo toegankelijk mogelijke terminologie verspreid worden. Verder dient het onderzoek naar nieuwe producten aan te kunnen sluiten bij de eisen en wensen van de consument, die gevoelig is voor alles wat met duurzame ontwikkeling te maken heeft.

3.2.1

Een bijzondere taak is daarbij ook weggelegd voor journalisten en de massamedia, vooral journalisten van gespecialiseerde vakbladen, die de eersten zijn om verslag te doen van de successen van onderzoekers die alle uitdagingen van de wetenschap aangaan om concrete resultaten te boeken.

3.2.2

e huidige indicatoren voor de ontwikkeling van nanotechnologie zijn vooral deze vier aspecten: 1) publicaties (15); 2) patenten; 3) oprichting van nieuwe ondernemingen (start-up); 4) omzetgegevens. Voor publicaties neemt de EU de eerste plaats in, met een percentage van 33 %, gevolgd door de VS met 28 %. Er zijn geen precieze percentages beschikbaar voor China, maar het is duidelijk dat ook in dit land het aantal publicaties een stijgende lijn vertoont. Wat patenten betreft, staan de VS op de eerste plaats, met 42 %, gevolgd door de EU, met 36 %. Van de 1 000 nieuw opgerichte, echte nanotech-ondernemingen floreren er 600 in de VS en 350 in de Europese Unie. Verwacht wordt dat de omzet wereldwijd van de huidige 50 miljard euro zal stijgen tot circa 350 miljard in 2010, om in 2015 uit te komen op 1 000 miljard EUR (16).

3.3

Nanotechnologie en nanowetenschappen zijn niet alleen een nieuwe benadering van materiaalwetenschappen en -behandeling, maar ook en vooral één van de meestbelovende en relevante multidisciplinaire instrumenten om op grote schaal productiesystemen te verwezenlijken en in diverse sectoren van de maatschappij zeer innovatieve en op grote schaal toepasbare uitvindingen te doen.

3.3.1

Op nanoschaal nemen traditionele materialen andere eigenschappen aan dan op macroscopische schaal, waardoor het mogelijk wordt om systemen met betere functies en prestaties tot stand te brengen. De radicale nieuwigheid van nanotechnologie is dat de fysische en chemische eigenschappen van een materiaal veranderen naarmate de afmetingen ervan worden gereduceerd. „Hierdoor zijn er productiestrategieën mogelijk die lijken op de benadering van de natuur voor het creëren van complexe systemen, met een rationeel energiegebruik, minimaal gebruik van de nodige grondstof en een minimale hoeveelheid afval”  (17).

3.3.2

De productieprocessen in verband met nanotechnologie dienen dus op een nieuwe leest te zijn geschoeid, die over het algemeen rekening houdt met deze nieuwe eigenschappen om te garanderen dat het Europese economische en sociale systeem er maximaal profijt van trekt.

3.4

De nanotechnologische benadering is van belang voor elke productiesector. De sectoren waarin momenteel nanotechnologie al in enkele productieprocessen is geïntegreerd, zijn: elektronica (18); chemie (19); farmaceutica (20); mechanica (21); de automobiel- en ruimtevaartsector (22), de verwerkende industrie (23) en de cosmetica.

3.5

De Europese Unie zou nanotechnologie goed kunnen gebruiken om een impuls te geven aan de verwezenlijking van de tijdens de Europese Raad in Lissabon overeengekomen doelstellingen voor de ontwikkeling van de kennismaatschappij en om van Europa de meest dynamische en concurrerende economie te maken, met samenhang, eerbied voor het milieu en nieuwe ondernemingen, banen voor hooggeschoolden en nieuwe beroepsprofielen.

3.6

Europa lijkt, naar het oordeel van de Commissie, op het gebied van nanotechnologie te kunnen beschikken over een gunstige uitgangspositie, die echter daadwerkelijke concurrentievoordelen voor het bedrijfsleven en de Europese samenleving moet kunnen opleveren, alsook een passend rendement voor de vereiste hoge investeringen in het onderzoek.

3.6.1

et grootste struikelblok is dat begrip moet worden gekweekt voor het strategische belang van deze technologie voor omvangrijke economische en sociale sectoren. Evenzo is het zaak erin te slagen om een daadwerkelijk geïntegreerd beleid voor nanotechnologie en –wetenschap op poten te zetten dat over ruime middelen kan beschikken en waar de particuliere en financiële sector, het bedrijfsleven en het onderwijs volledig achter staan.

4.   Samenvatting van de mededeling van de Commissie

4.1

Met deze mededeling heeft de Commissie een aanzet willen geven om binnen de instellingen een discussie op gang te brengen over een coherent initiatief voor:

het vergroten van de investeringen en de verbetering van de coördinatie van O&O-activiteiten om de industriële toepassingen van nanotechnologie beter te benutten en de wetenschappelijke expertise en het concurrentievermogen op peil te houden,

het ontwikkelen van een concurrerende O&O-infrastructuur van wereldklasse („expertisecentra”) waarbij rekening wordt gehouden met de behoeften van zowel de industrie als de onderzoeksinstellingen,

het bevorderen van de interdisciplinaire onderwijs en opleiding van onderzoekspersoneel waarbij meer aandacht wordt geschonken aan het ondernemerschap,

het scheppen van gunstige voorwaarden voor technologieoverdracht en innovatie om te garanderen dat de leidende rol van Europa op het gebied van O&O wordt omgezet in producten en processen die welvaart brengen,

het in een vroeg stadium betrekken van maatschappelijke overwegingen in het O&O-proces,

het vastberaden aanpakken van eventuele risico's voor de volksgezondheid, de veiligheid, het milieu en de consument, door de gegevens te verzamelen die nodig zijn voor de risicoanalyse, een risicoanalyse op te nemen in elke stap van de levenscyclus van nanotechnologieproducten en bestaande methoden aan te passen of zonodig nieuwe te ontwikkelen,

het combineren van bovenstaande activiteiten met passende samenwerkingsactiviteiten en internationale initiatieven.

4.2

De Commissie stelt met name voor om de volgende acties te ondernemen:

totstandbrenging van een Europese onderzoeksruimte voor nanotechnologie,

ontwikkeling van kwalitatief hoogstaande infrastructuren voor fundamenteel en toegepast onderzoek en voor universiteiten, die openstaan voor ondernemingen, met name het MKB,

stimulering van investeringen in personeel, op EU-/lidstaatniveau,

versterking van industriële innovatie, systemen voor patenten, metrologie en standaardisatie, regelgeving en aandacht voor veiligheid, gezondheid, milieu, consumenten en investeerders, met het oog op een verantwoorde ontwikkeling,

betere verstandhouding tussen wetenschap/maatschappij, uitgaande van vertrouwen en een ononderbroken en transparante dialoog,

handhaving en intensivering van sterke en gestructureerde internationale samenwerking, gebaseerd op gedeelde nomenclaturen en gedragscodes, aangevuld met gemeenschappelijke inspanningen om uitsluiting van nanotech-ontwikkelingen te voorkomen,

strategische coördinatie en uitvoering van acties in het kader van acties in het kader van geïntegreerd beleid in EU-verband, met passende financiële en personele middelen.

5.   De belangrijkste ontwikkelingen in Amerika, Azië en Oceanië

5.1

In de VS is voor het in 2001 gelanceerde nationale initiatief voor nanotechnologie (NNI — National Nanotechnologies Initiative) het programma voor fundamenteel en toegepast onderzoek dat de inspanningen coördineert van de talrijke op dit gebied werkzame Amerikaanse instituten, voor het begrotingsjaar 2005 ruim een miljard dollar uitgetrokken, waarmee het aanvankelijke budget van 2001 is verdubbeld. Deze middelen zijn met name bestemd voor: fundamenteel en toegepast onderzoek, ontwikkeling van expertisecentra en infrastructuur, en de evaluatie en analyse van de gevolgen voor de samenleving, vooral vanuit de invalshoek der ethiek en wetgeving, veiligheid en volksgezondheid, en ontwikkeling van het menselijk kapitaal.

5.1.1

Het NNI financiert rechtstreeks tien federale instituten en coördineert nog diverse andere. De nationale wetenschapsstichting (NSF), het wetenschapsbureau van het ministerie van energie (DOE), het ministerie van defensie en het nationale gezondheidsinstituut (NIH) hebben elk hun financiële middelen aanzienlijk zien toenemen, speciaal met het oog op de nanotechnologie. Vooral het DOE heeft daarin enorme bedragen geïnvesteerd, wat heeft geleid tot vijf grote infrastructuren, oftewel onderzoekscentra voor de wetenschap op nanoschaal, die openstaan voor de gehele wetenschappelijke gemeenschap. Het programma voor nanotechnologie van het ministerie van defensie heeft op zijn beurt in de loop der jaren baat gehad bij diverse bijdragen, onder andere ook afkomstig van diensten waarom door het Amerikaanse leger van de VS was verzocht.

5.1.2

Deze belangrijke ontwikkelingen werden mogelijk gemaakt door de inwerkingtreding in december 2003 van een wet die van fundamenteel belang is voor het nanotechnologiebeleid van de VS: de „21st Century Nanotechnology Research and Development Act”. Deze wet heeft onder andere geleid tot de oprichting van een nationaal coördinatiebureau voor de nanotechnologie, met de volgende taken:

aanpassing van de doelstellingen, prioriteiten en evaluatiecriteria,

zorgen voor de coördinatie van de federale instituten en andere activiteiten,

investering in O&O-programma's, nanotechnologie en aanverwante wetenschappen,

oprichting op diverse locaties van concurrerende interdisciplinaire centra voor nanotechnologisch onderzoek, met inbreng van de overheid en het bedrijfsleven,

versnelde ontwikkeling van de toepassingen in de privé-sector, inclusief activiteiten van startende ondernemingen,

waarborging van gekwalificeerd onderwijs en opleiding, door het creëren en op peil houden van een technologisch en engineeringklimaat voor de nanowetenschappen,

garanderen dat ethische, wetgevings- en milieuaspecten bij de ontwikkeling van nanotechnologie worden nageleefd; organisatie van „consensusconferences” en debatten met burgers en maatschappelijk middenveld,

bevordering van informatie-uitwisseling tussen universiteiten en bedrijfsleven, de overheid, centraal en regionaal bestuur,

ontwikkeling van een plan voor de toepassing van federale programma's, zoals het „Small Business Innovation Research Program” en het „Small Business Technology Transfer Research Program”, voor een wijdvertakte ontwikkeling van de nanotechnologie in (ook kleine) bedrijven.

5.1.3

Ter ondersteuning van de geciteerde wet heeft het nationale instituut voor standaardisatie en technologie (NIST) een speciaal programma gelanceerd voor de ontwikkeling van de fabricage in de nanotechnologie, toegespitst op: metrologie, betrouwbaarheid en kwaliteitsnormen, controle van processen, goede fabricagepraktijken. Dankzij het „Manufacturing Extension Partnership” kan ook het MKB van de resultaten van dit programma profiteren.

5.1.4

Deze wet voorziet tevens in de oprichting van een „clearinghouse” voor informatie, met de volgende taken:

het op de markt brengen van nanotechnologie en de overdracht van technologie en nieuwe concepten in producten voor de markt en in militaire toepassingen,

vaststellen van de beste praktijken van universiteiten en laboratoria, zowel van de overheid als de privé-sector, die voor commercieel gebruik geschikt zijn.

5.1.5

Ook komt er een Amerikaans centrum voor de voorbereiding op nanotechnologie, dat onderzoek naar de gevolgen van nanotechnologie voor de ethiek, wetgeving, onderwijs, milieu en werkgelegenheid moet uitvoeren, coördineren, verzamelen en verspreiden, alsmede problemen in kaart moet brengen om eventueel negatieve gevolgen te voorkomen.

5.1.6

Tot slot voorziet het in de wet geschetste bestel in de oprichting van een centrum voor de fabricage van nanomaterialen, dat tot taak heeft het onderzoek naar nieuwe fabricagetechnieken aan te moedigen, uit te voeren en te coördineren, en de resultaten ervan te verzamelen en bekend te maken. Doel daarvan is de introductie van die resultaten in het Amerikaanse bedrijfsleven vlot te doen verlopen.

5.1.7

Voor de periode 2005-2008 vermeldt de wet de volgende bedragen, die uitgetrokken worden voor de belangrijkste instituten en federale ministeries, zoals NSF, DOE, NASA en NIST (24).

5.2

Na de aankondiging van het Amerikaanse initiatief is in Azië en het Stille-Zuidzeegebied het wetenschappelijk OTO-beleid ingrijpend van koers veranderd en zijn er besluiten genomen om de regio een toppositie te laten innemen in de ontwikkeling van nanotechnologie. In tal van landen in die regio's is dit nu de „prioriteit der prioriteiten” geworden, waaraan in 2003 in totaal ruim 1,4 miljard dollar is besteed: 70 % hiervan betreft Japan, maar er zijn ook aanzienlijke investeringen gesignaleerd in China, Zuid-Korea, Taiwan, Hong Kong, India, Maleisië, Thailand, Vietnam en Singapore, waarbij Australië en Nieuw-Zeeland niet over het hoofd mogen worden gezien.

5.3

Vanaf midden jaren '80 zij in Japan diverse meerjarige programma's voor nanowetenschappen en –technologie gestart (looptijd 5-10 jaar). In 2003 is voor het O&O-programma voor nanotechnologie en -materialen 900 miljoen dollar uitgetrokken, maar sommige onderwerpen die met nanotechnologie te maken hebben, zijn ook opgenomen in programma's voor biowetenschappen, milieu en de informatiemaatschappij: dit brengt het totaal van de middelen die in 2003 voor de sector zijn uitgetrokken op bijna 1,5 miljard dollar, hetgeen voor 2004 met circa 20 % is verhoogd. De Japanse privé-sector is overigens ook sterk aanwezig met twee grote handelsfirma's als Mitsui & Co en de Mitsubishi Corporation. Grootschalige investeringen in nanotechnologie zijn gedaan door de grootste Japanse ondernemingen, zoals NEC, Hitachi, Fujitsu, NTT, Toshiba, Sony, Sumitomo Electric en Fuji Xerox.

5.3.1

China heeft in het huidige vijfjarenplan (2001-2005) voor nanotechnologie een bedrag van circa 300 miljoen dollar uitgetrokken. Volgens het Chinese ministerie voor wetenschappen en technologie zijn ongeveer 50 universiteiten, 20 instituten en ruim 100 ondernemingen in de sector actief. Als adequaat doorgeefluik voor de commerciële introductie van nanotechnologie zijn in Peking en Shanghai een engineeringcentrum en een locatie voor nanotech-industrie ingericht. Verder heeft de Chinese regering 33 miljoen dollar bestemd voor de oprichting van een nationaal onderzoekscentrum voor nanowetenschap en –technologie, met als doel de wetenschappelijke en onderzoeksinspanningen beter te coördineren.

5.3.2

In 2002 heeft de Chinese Academie van wetenschappen (CAS) Casnec (engineeringcentrum voor nanotechnologie van het CAS, met een begroting van in totaal 6 miljoen dollar) opgericht, bedoeld als platform voor een snelle marktintroductie van nanowetenschappen en -technologie. In Hong Kong zijn de twee belangrijkste financieringsbronnen voor nanotech de Grant Research Council en het Innovation and Technology Fund, met een budget van in totaal 20,6 miljoen dollar, die zijn besteed in de periode 1998-2002. Voor 2003-2004 hebben de Hong Kong University of Science and Technology (HKUST) en de Polytechnische hogeschool hun eigen centra voor nanotech met bijna 9 miljoen dollar ondersteund.

5.3.3

In Australië en Nieuw-Zeeland heeft de Australia Research Council (ARC) in vijf jaar tijd de financiële middelen voor concurrerende projecten verdubbeld, terwijl de oprichting van acht expertisecentra op stapel staat. Deze centra zullen worden verspreid over verschillende regio's en zijn bedoeld om vraagstukken als Quantum Computer Technology, Quantum Atom Optics, zonne-energie, geavanceerde fotonica en geavanceerde optische systemen verder uit te diepen.

5.3.4

Het Nieuw-Zeelandse MacDiarmid Institute for Advanced Materials and Nanotechnology coördineert in Nieuw-Zeeland het onderzoek en geavanceerde opleidingen voor materiaalwetenschap en nanotechnologie in Nieuw-Zeeland, uitgaande van nauwe samenwerking tussen universiteiten en diverse partners, waaronder Industry Research Ltd (IRL) en het Instituut voor geologische en nucleaire wetenschappen (IGNS).

5.3.5

Het MacDiarmid Institute spitst zijn activiteiten met name toe op de volgende sectoren: nano-engineering van materialen, optische elektronica (25), supergeleiders, koolstof nanobuizen, lichte materialen en complexe vloeistoffen, sensor- en beeldsystemen en nieuwe materialen voor de opslag van energie.

6.   Algemene opmerkingen

6.1

Uit de hoge vlucht die nanotechnologie wereldwijd, zowel in de VS als in Azië en in Oceanië, heeft genomen, blijkt dat het hoog tijd is voor coherente en gecoördineerde Europese actie als garantie voor de gezamenlijke communautaire en nationale financiering van fundamenteel en toegepast onderzoek, alsmede voor de versnelde omzetting daarvan in nieuwe producten, processen en diensten.

6.2

Een gemeenschappelijke Europese strategie zou de volgende onderdelen moeten omvatten:

versterking van de gezamenlijke OTO-inspanningen, demonstratie en wetenschappelijke en technologische opleiding, in het kader van de totstandbrenging van een Europese ruimte voor innovatie en onderzoek,

versterking van de interactie tussen bedrijfsleven en universiteiten (voor onderzoek, onderwijs en geavanceerde opleidingen),

versnelde ontwikkeling van industriële en multisectorale toepassingen, alsook van de economische en sociale, regel- en wetgevings-, fiscale en financiële omstandigheden waaronder initiatieven van nieuwe ondernemingen en innovatieve beroepsprofielen moeten gedijen,

inachtneming van de ethische, milieu-, gezondheids- en veiligheidsaspecten tijdens de gehele levensduur van wetenschappelijke toepassingen. Aandacht voor het contact met het maatschappelijk middenveld, alsook voor de regeling van aspecten van metrologie en technische standaardisatie,

intensievere Europese coördinatie van beleid, maatregelen, structuren en netwerken van actoren, met het oog op behoud en verbetering van het huidige concurrentievermogen van de ontwikkelingen op wetenschappelijk, technologisch en toepassingsgebied,

onmiddellijke betrokkenheid van de recent toegetreden landen bij het onderzoek naar en de toepassing van nanowetenschappen, aan de hand van doelgerichte acties, de inzet van financiële middelen uit hoofde van het EFRO en ESF (26) en gemeenschappelijke door gerenommeerde onderzoekscentra in de EU beheerde programma's (27).

6.3

Door de verwezenlijking van een aanzienlijke kritische massa met een hoge meerwaarde moet het mogelijk worden om een gemeenschappelijke strategie uit te werken en verder te ontwikkelen. Verwerkende en dienstverlenende (vooral kleine) ondernemingen dienen enerzijds de vruchten te kunnen plukken van deze strategie voor de ontwikkeling van hun innovatief en concurrentievermogen, en anderzijds hún bijdrage te kunnen leveren door samen met universiteiten, publieke en particuliere onderzoekscentra en financiële instellingen transeuropese expertisenetwerken op te zetten.

6.4

De ontwikkeling van deze strategie moet gelijke tred houden met die van de maatschappij. Dit houdt in dat de strategie overtuigend moet worden gegrondvest op de belangrijke bijdrage die daarmee kan worden geleverd aan het concurrentievermogen van de Europese kenniseconomie, maar ook en vooral aan de volksgezondheid, het milieu en de veiligheid, en de kwaliteit van het bestaan van de Europese burgers. Het betekent ook dat de vraag naar nanotechnologie van de kant van burgers, ondernemingen en organisaties moet worden beïnvloed, omdat vooral concrete oplossingen moeten worden gevonden om aan die vraag te voldoen.

6.5

De inzet van de gehele maatschappij ten gunste van de invoering van nanotechnologie moet worden gewaarborgd door dat hele proces transparant en veilig te maken: vanaf het fundamentele onderzoek tot de toepassing, demonstratie en ontwikkeling van de resultaten daarvan, in de vorm van vernieuwende marktproducten en -diensten. Hiertoe dienen er duidelijke en voor iedere burger begrijpelijke afspraken te worden gemaakt, waaruit blijkt dat er sprake is van een permanente monitoring en evaluatie van de risico's gedurende de gehele levenscyclus en de verwerking van de producten die deze nieuwe technologie oplevert.

6.6

Door de totstandbrenging van een positieve relatie tussen wetenschap en samenleving met betrekking tot nanotechnologie moeten belemmeringen of stagnatie in de ontwikkeling worden voorkomen, in tegenstelling tot wat is gebeurd bij de verspreiding van andere recente, nieuwe technologieën.

6.7

Essentieel is voorts is het creëren van Europese infrastructuur en de ontwikkeling van nieuwe wetenschappelijke en academische profielen met een multidisciplinair karakter. Ook hiervoor moet het volle vertrouwen worden gewonnen van belastingplichtigen en beleidsmakers, door hen de mogelijkheden van de nanotechnologische revolutie ten volle te doen beseffen.

6.8

De ontwikkeling van nanotechnologie vormt dus niet alleen een grote intellectuele en wetenschappelijke uitdaging, maar ook en vooral een uitdaging voor de maatschappij als geheel: verschijnselen waarvan de wetenschappelijke wetten op macroniveau bekend zijn, worden gewijzigd, uitgebreid, gereduceerd of verwijderd op nanoniveau, met soms radicale gevolgen voor toepassingen in de praktijk. Zo worden nieuwe industriële technieken ontwikkeld, nieuwe benaderingen uitgewerkt, nieuwe soorten diensten verleend en nieuwe beroepen gecreëerd om die nieuwe diensten te beheren.

6.8.1

Deze omwenteling vraagt om een strategie voor de vorming en/of herkwalificatie van leidinggevend personeel dat de overgang in goede banen kan leiden, een nieuwe governance en beroepsbekwaamheid voor dit proces kan bieden en wereldwijd topdeskundigen kan aantrekken.

6.9

De opzet van de onlangs door de Commissie voorgelegde financiële vooruitzichten van de Gemeenschap voor 2007-2013 dient opnieuw tegen het licht te worden gehouden met het oog op de uitdagingen die deze nieuwe technologische revolutie met zich meebrengt. Het volstaat om eraan te herinneren dat het Amerikaanse Congres alleen al in het belastingjaar 2004 voor nanotechnologie een bedrag van meer dan 700 miljoen euro heeft uitgetrokken. In 2003 bedroegen de investeringen van de verschillende overheidsorganisaties wereldwijd, volgens ramingen van de Amerikaanse National Science Foundation (NSF) meer dan 2,3 miljard EUR, die als volgt verdeeld zijn:

circa 700 miljoen euro in de VS (waar nog 250 miljoen euro bijkomen die onder het beheer van het ministerie van defensie vallen),

720 miljoen euro in Japan,

minder dan 600 miljoen euro in Europa, Zwitserland meegerekend,

circa 720 miljoen euro in de rest van de wereld.

6.10

De toekomstige groei van de industriële productie in deze sector wordt wereldwijd geschat op circa 1 000 miljard euro, in een tijdsbestek van 10-15 jaar, met een behoefte aan nieuw hooggeschoold personeel van meer dan 2 miljoen personen.

6.10.1

Ook vanuit dit gezichtspunt wordt de geldigheid bevestigd van het axioma: nanotechnologie = vooruitgang voor de werkgelegenheidsstrategie (28): de ontwikkeling van de kennismaatschappij moet immers vooral worden afgemeten aan het vermogen om doelbewust en met fingerspitzengefühl nieuwe „lagen” voor werkgelegenheid en vooruitgang aan te boren.

6.11

Uitbreiding van de financiële en personele middelen in Europees verband en de coördinatie daarvan op communautair niveau blijken dus essentieel te zijn om de desbetreffende EU-strategie tot een groot succes te maken.

6.12

Ook in Azië en de VS is een geïntegreerde aanpak van de diverse beleidsgebieden die al dan niet rechtstreeks de ontwikkeling van deze sector beïnvloeden, noodzakelijk gebleken om actief in te spelen op de behoefte aan een nieuwe vorm van ondernemerschap en scholing, alsook een aan nieuw wettelijk, regelgevings- en technisch-normatief kader.

6.13

Zoals uit talrijke tot nu toe verrichte onderzoeken naar voren komt (29), is dankzij nanotechnologie productie, bewerking en situering van objecten mogelijk, terwijl tegelijkertijd een proactieve technologische benadering op grote schaal en tegen concurrerende bewerkings- en productiekosten gewaarborgd blijft.

6.14

Op de lange termijn zal de wetenschap instrumenten kunnen verschaffen om nano-objecten samen te stellen, die dan complexe systemen kunnen vormen en functies kunnen vervullen waartoe de afzonderlijke delen niet in staat zijn. Dit is echter de uiterste grens, met een time-to-market die nog maar moeilijk kan worden geraamd, maar die zeker adequate ondersteuning verdient.

6.15

Er zijn verschillende „intelligente” (30) materialen vervaardigd die de consument reeds ter beschikking staan:

duurzame materialen voor de automobiel- en ruimtevaartindustrie,

smeermiddelen van hoge kwaliteit,

nanodeeltjes voor de vermindering van wrijving,

oppervlaktebehandeling van mechanische onderdelen,

Zeer kleine Intelligent Stick's, met een geheugen dat reikt tot 1 000 MB (31),

flexibele cd's die meer dan 20 uur muziek kunnen opslaan,

zelfreinigend textiel, keramiek of glas (32),

glas met elektrisch afstelbare transparantie,

zeer warmtebestendig glas, ook voor uiterst hoge temperaturen,

kras- en roestbestendige staalplaten met nanostructuur,

diagnosesystemen,

bijzondere verfsoorten die geschikt zijn voor de bescherming van muren en gebouwen,

verfsoorten tegen graffiti op muren, treinstellen, e.d..

6.15.1

Veel nieuwe toepassingen zijn, naast de reeds genoemde, al bruikbaar of worden nog geperfectioneerd. Zij zullen dan ook binnenkort deel uitmaken van het dagelijks leven. Daarmee wordt een evolutie en/of revolutie in de „domotica” (33) ingeluid en tot een hogere levenskwaliteit van de burgers bijgedragen.

6.16

Dankzij de biomimetica, d.w.z. het onderzoek naar mogelijkheden om elektronische circuits met biologische weefsels te verbinden, zal het in de nabije toekomst mogelijk worden om het gehoor in gehoorgestoorde organen opnieuw te stimuleren of het zicht in slechtziende ogen te herstellen.

6.16.1

In laboratoria zijn al diverse types micromotoren (34) vervaardigd die een vooraf bepaald doel kunnen bereiken, zoals een geïnfecteerde cel die verwijderd moet worden om besmetting van andere cellen te voorkomen. Momenteel tasten de op zieke delen uitgevoerde operaties echter ook de gezonde cellen aan, wat vaak aanzienlijke schade voor de organen oplevert.

6.16.2

De op de wetenschap toegepaste techniek leidt nu al tot talrijke concrete resultaten die direct in het dagelijks leven gebruikt zouden kunnen worden, ook al zijn de kosten helaas voorlopig nog hoog. Om de toepassingsmogelijkheden betaalbaar te maken, moet de kennis daarvan tot ieders culturele bagage gaan behoren, zodat ingewortelde procedures en gewoonten, die meestal verandering in de weg staan en vertragen, kunnen worden aangepast.

6.17

De traditionele textiel-, kleding- en schoeiselindustrie blijkt in de gehele EU noodlijdend te zijn, ook omdat deze in het nauw wordt gebracht door producten uit landen waar fundamentele arbeidsnormen met voeten worden getreden en geen kosten worden gerekend voor milieubescherming of de garantie van hygiëne en veiligheid op de werkplek.

6.17.1

Intelligente en/of technische weefsels, mede ontworpen met behulp van nanotechnologische stofdeeltjes, raken steeds meer in zwang in veel Europese landen, waarbij een jaarlijkse stijging van circa 30 % valt aan te tekenen. Een speciale rol spelen in dit verband de weefsels die zijn ontworpen voor veiligheid in al haar aspecten: in het verkeer, bij vervuiling, als het gaat om chemische stoffen of allergene producten, of stoffen in de atmosfeer en andere (35).

6.18

Nanotechnologie zorgt ook voor een revolutie in de geneeskunde, vooral bij het stellen van een diagnose en het vroegtijdig genezen van ernstige tumoren of neurodegeneratie bij het ouder worden. Op de juiste wijze ingezette nanodeeltjes kunnen worden gebruikt als markers voor de zeer efficiënte diagnose van infectieve stoffen of metabolische delen, of als dragers van geneesmiddelen die vrij moeten komen in bepaalde zones of organen waar de aandoening zeer precies gelokaliseerd is. Systemen van dit type worden al in diverse experimenten gebruikt.

7.   Bijzondere opmerkingen

7.1

De nanotechnologische benadering van nieuwe materialen behelst het creëren van nieuwe functies dankzij het gebruik van componenten van nanometrische afmeting. Een overtuigend voorbeeld biedt de technologie voor productie en transformatie van zeer duurzame en efficiënte materialen voor de automobiel- en luchtvaartindustrie, een sector waarin Europa kan bogen op een gunstige positie ten opzichte van zijn belangrijkste concurrenten. Inmiddels is ruimschoots aangetoond dat systemen met nanostructuur de wrijving tussen twee oppervlakken aanzienlijk kunnen verminderen, en dus ook de slijtage ervan.

7.1.1

Een zeker niet enig voorbeeld van de diverse gebieden waar nanotechnologie commercieel wordt toegepast, is de ontwikkeling van oppervlakken en materialen met nanostructuur ter vermindering van wrijving en slijtage. Deze systemen spelen een fundamentele rol voor de ontwikkeling van nieuwe, zeer efficiënte industriële processen met geringe milieubelasting. Circa 25 % van de in de wereld gebruikte energie gaat verloren door wrijving (36), terwijl de ramingen van het verlies door slijtage van mechanische onderdelen uiteenlopen van 1,3 tot 1,6 % van het bruto binnenlands product (BBP) van een geïndustrialiseerd land. De kosten door problemen vanwege wrijving, slijtage en smering belopen zo'n 350 miljard EUR per jaar, verdeeld over de volgende sectoren: vervoer van materiaaloppervlakken (46,6 %), industriële productie, processen (33 %), levering van energie (6,8 %), luchtvaart (2,8 %), verbruik in huishoudens (0,5 %) en overige (10,3 %) (37).

7.1.2

Er moeten dus nieuwe technologische platformen in het leven worden geroepen, uitgaande van een aanpak die rekening houdt met de bijzondere kenmerken van nanotechnologie, en met name met het feit dat functies en afmetingen samenvallen, ofwel: beheersing van de afmetingen is beheersing van de functies. Het voorbeeld van smering is verhelderend: als een oppervlak nanometrische deeltjes met de juiste afmetingen bevat, zijn smeermiddelen niet meer nodig omdat die functie wordt overgenomen door de nanodeeltjes, op grond van de nieuwe afmetingen daarvan.

7.1.3

Materialen en bekledingen met nanostructuur, dus met onderdelen van nanometrische afmetingen, kunnen de hiervoor genoemde percentages aanzienlijk terugdringen. Zo kan een vermindering met 20 % van de wrijvingscoëfficient in de versnellingsbak van een auto het energieverlies terugbrengen met een percentage variërend van 0,64 % tot 0,80 %, wat alleen al voor de vervoerssector een jaarlijkse besparing van 26 miljard € oplevert.

7.1.4

De beheersing en bewerking van oppervlakken is een speerpunttechnologie voor duurzame groei. Een verslag van het Britse ministerie van handel en industrie beschrijft de stand van zaken in de aan industrie surface engineering verbonden in de periode 1995-2005 en in 2010 (38). Uit dat verslag blijkt dat met de Britse markt voor oppervlaktemodificatieprocessen in 1995 een bedrag van circa 15 miljard EUR gemoeid was, en dat deze markt garant stond voor de productie van goederen ter waarde van circa 150 miljard EUR, waarvan 7 miljard verband hield met de ontwikkeling van technologie ter bescherming van materiaaloppervlakken tegen slijtage. Voor 2005 wordt verwacht dat deze sector in Groot-Brittannië een omvang zal krijgen van circa 32 miljard EUR, terwijl de industriële processen een waarde van circa 215 miljard EUR zullen bereiken.

7.1.5

Vertaald naar de Europese markt komt men op een bedrag van 240 miljard EUR voor oppervlaktebehandeling, met een offspring voor andere productiesectoren van circa 1 600 miljard EUR.

7.2

Om profijt te trekken van de nanotechnologie (39) moet de industriële ontwikkeling gebaseerd worden op het vermogen om traditionele bewerkings- en technologische processen (top-down) gelijke tred te laten houden met innovatieve processen, die de nieuwe bestanddelen op nanoschaal tot stand kunnen brengen en bewerken en deze kunnen integreren in reeds bestaande of nieuwe platformen.

7.2.1

Een op governance gebaseerde benadering is van fundamenteel belang. Naast algemene, op de consument gerichte initiatieven, verdient het aanbeveling gerichte initiatieven te ontwikkelen voor beroepsverenigingen, lokale bestuurders en non-profitorganisaties, zodat alle maatschappelijke geledingen (economische, politieke en sociale actoren) bereikt worden. De expertisecentra zouden een centrale rol kunnen spelen bij deze acties (40), door de voorwaarden te scheppen voor een betere coördinatie tussen de lokale en Europese initiatieven en een klimaat tot stand te brengen dat openstaat voor innovatie, gebaseerd op nanotechnologie. In dit kader moeten ook de initiatieven worden gezien voor de evaluatie van de impact van nanotechnologie op gezondheid en milieu, door de acties van de EU (top-down) te leggen naast andere, op lokaal niveau gevoerde acties (bottom-up).

7.3

Het moet nog eens gezegd worden: het Europees Economisch en Sociaal Comité beseft terdege welke ruime mogelijkheden de ontwikkeling van de nanowetenschappen en van nanotechnologie biedt voor de verwezenlijking van de Lissabon-strategie. De wetenschap op een lijn krijgen, uitgaande van de op nanometrische schaal vastgestelde eenheid van de natuurlijke materie, betekent de nieuwe fundamenten leggen voor de integratie van kennis, innovatie, technologie en ontwikkeling.

7.4

Op Europees niveau lijkt de coördinatie nog tamelijk versnipperd, ondanks de met het Zesde Kaderprogramma gedane inspanningen. De pogingen lijken gericht op de rationalisering van de besteding van de middelen. Ook al wordt fundamenteel onderzoek sterk bevorderd, evenals de ontwikkeling van nieuwe industriële processen, toch lijken de stimulering en steun voor initiatieven die leiden tot een tastbare vooruitgang van de technologie voor massaproductie, nog ontoereikend. De steun voor pogingen om te komen tot een Europese governance lijkt nog minder van de grond te zijn gekomen.

7.5

Voor de lidstaten is het noodzakelijk tot daadwerkelijke coördinatie te komen, die tot nu toe ontbrak, met name wat het toegepast onderzoek aangaat. In tal van Europese landen hebben de ondernemingen, vooral het MKB, met de volgende problemen te kampen:

gebrek aan elementaire kennis van nanowetenschap en nanotechnologie,

te weinig beroepsprofielen die aansluiten op de eisen van de ondernemingen,

onvermogen om de gevolgen van de nieuwe technologieën, in termen van technologische en marktprocessen, te beoordelen,

moeilijkheden bij het vinden en beoordelen van grondstoffen waaraan een nanostructuur is gegeven,

onvermogen om nanotech-processen te integreren in de traditionele productieprocessen,

problemen bij de beoordeling van de ontwikkeling van een markt voor nano-producten,

te weinig contacten met universiteiten en expertisecentra.

7.6

Het EESC hecht groot belang aan via onderzoek tot stand gebrachte systemen die van nut zijn voor de volksgezondheid en het dagelijks leven van de burgers, waarbij het leidende beginsel steeds meer de „mimesis” is, dat wil zeggen de nabootsing der natuur.

7.7

Het EESC verheugt zich over de oprichting van het thematische netwerk „Nanoforum” (41) en hoopt dat de door dit netwerk uitgegeven publicaties vertaald en in alle lidstaten verspreid worden. De in de publicaties gehanteerde taal dient zo eenvoudig en toegankelijk mogelijk te zijn voor een breed publiek. Universiteiten en onderzoekscentra dienen de vruchten te kunnen plukken van de resultaten van het netwerk.

7.7.1

Het EESC is er tevens van overtuigd dat het door de groep op hoog niveau (42) voorgestelde „Platform voor Europese technologie voor nano-elektronica” des te meer succes zal hebben naarmate het, in strikte samenwerking met de Commissie, onnodige en dure overlappingen in het onderzoek kan vermijden.

7.8

Voorts is het EESC van mening dat de investeringen in deze sectoren in de EU vóór 2008 van de huidige drie miljard euro per jaar moeten stijgen tot acht miljard, met periodieke, door de Commissie uitgevoerde controles, van de:

toename van het marktaandeel,

publieke en particuliere investeringen in onderzoek,

toename van het aantal studenten dat nanotechnologie gaat studeren.

8.   Conclusies

8.1

Het EESC staat volledig achter de conclusies van de Raad Concurrentievermogen van 24 september 2004 over de belangrijke rol en de mogelijkheden van nanowetenschap en -technologie. Uit de tot nu toe behaalde resultaten blijkt dat verfijning van de kennis van belang is, alsook de vervaardiging van instrumenten waarmee atomen kunnen worden bewerkt om nieuwe structuren te produceren en de eigenschappen van de bestaande structuren te wijzigen.

8.2

Het EESC beveelt hiertoe de onmiddellijke toepassing aan van een gemeenschappelijke Europese, geïntegreerde en verantwoorde strategie, in het bijzonder voor: bundeling van inspanningen inzake OTO, demonstratie en wetenschappelijke en technologische opleidingen; interactie tussen ondernemingen en universiteiten; versnelde ontwikkeling van industriële en multisectorale toepassingen; bredere Europese open coördinatie van beleid, maatregelen, structuren en netwerken van actoren. Deze strategie moet vooral van meet af aan en gedurende de gehele levenscyclus van wetenschappelijke toepassingen, óók in internationaal verband, waarborgen bieden voor de eerbiediging van de ethische, milieu-, gezondheids- en veiligheidsaspecten daarvan en dient voor een deugdelijke technische standaardisatie in te staan.

8.3

Het EESC herhaalt met klem dat een dergelijke strategie stevig verankerd dient te worden in de ontwikkeling van de samenleving en een positieve bijdrage dient te leveren, niet alleen aan het concurrentievermogen van de Europese economie, maar ook en vooral aan de volksgezondheid, het milieu en de veiligheid, alsook aan de kwaliteit van het bestaan van de burgers.

8.3.1

Het EESC wijst er in dit verband op dat het belangrijk is om, vanaf het beginstadium, een verantwoorde en duurzame ontwikkeling van de nanotechnologie te waarborgen. Op die manier kan aan de gerechtvaardigde verwachtingen van het maatschappelijk middenveld op het gebied van milieu, gezondheid, ethiek, industrie en economie worden voldaan.

8.3.2

Het EESC bepleit een forse verhoging van de middelen voor fundamenteel onderzoek, aangezien technologische en industriële excellentie altijd gebaseerd zijn op wetenschappelijke expertise.

8.3.3

De in Barcelona overeengekomen 3 %-doelstelling  (43) dient gestalte te krijgen; een passend deel van deze middelen moet bestemd worden voor de nanowetenschappen, de ontwikkeling van de toepassingen ervan en de convergentie van nano-, bio-, informatie- en kennistechnologie.

8.3.4

De opzet van de onlangs door de Commissie voorgelegde financiële vooruitzichten van de Gemeenschap voor 2007-2013, dient opnieuw tegen het licht te worden gehouden met het oog op de uitdagingen van deze nieuwe nanotechnologische revolutie.

8.3.5

De gewenste middelentoename moet haar weerslag vinden in de toewijzing van adequate financiering in het Zevende Kaderprogramma. Het uiteindelijk bedrag moet in ieder geval in de buurt komen van wat hiervoor in andere landen, zoals de VS, wordt uitgetrokken.

8.4.

Het EESC is ervan overtuigd dat Europa een hoogwaardig actieplan dient te lanceren, met een roadmap en een agenda, uitgaande van een integrale aanpak, die de vereiste consensus van alle actoren van het maatschappelijk middenveld oplevert, gebaseerd op een gemeenschappelijke visie. Deze visie moet duidelijke en transparante doelstellingen omvatten, om in te spelen op de behoefte aan economische en sociale vooruitgang, bestaanskwaliteit en veiligheid en gezondheid voor iedereen.

8.5

Volgens het Comité moeten er technologische platforms komen met een grote kritische massa en een grote Europese meerwaarde, waar publieke en particuliere actoren samenkomen — uit wetenschap, bedrijfsleven, financiële kringen en bestuur — die actief zijn in de specifieke toepassingssector.

8.6

Volgens het Comité moeten er dringend Europese infrastructuren op hoog niveau komen, alsook meer expertisecentra. De locatie en specialisatie van die centra zou moeten worden vastgesteld in nauwe samenwerking tussen Europese organen en lokale overheden, zodat homogene industriezones kunnen worden aangewezen voor een territoriale of op warenkennis gebaseerde specialisatie, waar eventueel al O&O met een zekere kritische massa aanwezig is.

8.6.1

De expertisecentra zouden borg moeten staan voor het vermogen om hoogstaand onderzoek uit te voeren en over te dragen, toegespitst op toepassing en innovatie met de gebruikmaking van nanotechnologie, vooral op gebieden als nano-elektronica, nano-biotechnologie en nano-geneeskunde.

8.7

Met name op een zo gevoelig terrein is zekerheid en bescherming van de intellectuele eigendom van onderzoekers een eerste vereiste. Om van het toegepaste onderzoek op het gebied van nanotechnologie een succes te maken, moet er volgens het EESC eerst en vooral een duidelijke en bevredigende oplossing worden gevonden voor het probleem van de patentering. Het meent evenwel dat nu ook al moet worden nagedacht over de oprichting op Europees niveau van een „Nano-IPR Helpdesk” om tegemoet te komen aan de eisen van onderzoekers, ondernemingen en onderzoekscentra.

8.8

De Commissie moet zich, in samenwerking met de lidstaten, meer doen aan de bevordering van diepgaand onderzoek van universiteiten en onderzoekscentra omdat patentering zeker in een dergelijk innovatieve sector, zonder ingewikkelde en dure procedures, tot de mogelijkheden lijkt te behoren.

8.8.1

Wat de internationale samenwerking betreft, zouden de inspanningen voor veiligheid en de standaardisatie van maten en processen, in samenwerking met landen buiten de EU, moeten worden verhoogd. Bijzondere aandacht verdient China, dat op het punt staat omvangrijke investeringen te doen op het gebied van nanotechnologie. De VS en Japan voeren overigens ook een zeer agressief beleid op dit terrein (gewezen zij op de overeenkomst tussen China en de staat Californië voor de ontwikkeling van expertisecentra voor biomedische nanotechnologie).

8.8.2

Het EESC meent dat verdere inspanningen geboden zijn, onder andere aan de hand van het in december 2003 goedgekeurde groeiinitiatief, om het aantal nanotech -ondernemingen in de Unie uit te breiden. Daartoe dienen de betrekkingen tussen universiteiten, nanotech-centra voor innovatie en het bedrijfsleven voortdurend te worden bevorderd en verbeterd.

8.8.3

Er zijn gerichte acties nodig voor de ontwikkeling van industriële, op nanotechnologie gebaseerde processen (van nanotechnology naar nanomanufacturing), zowel voor grote als voor kleine ondernemingen: het Amerikaanse plan om federale programma's te gebruiken, zoals het „Small Business Innovation Research Program” en het „Small Business Technology Transfer Research Program”, te gebruiken, verdient navolging op Europees niveau om de verspreiding van nanotechnologie in het gehele bedrijfsleven, ook onder kleine bedrijven, wijd en zijd te bevorderen.

8.8.4

Een belangrijke rol is hier wellicht weggelegd voor de bedrijfsorganisaties op nationaal en lokaal niveau. Enkele acties voor „intense” bewustmaking zouden gezamenlijk kunnen worden uitgevoerd, zowel door DG Onderzoek als door DG Ondernemingen, met inbreng van alle economische en sociale actoren, in navolging van de positieve ervaringen die in Triëst (44) zijn opgedaan.

8.8.5

Volgens het EESC zou een belangrijk mechanisme in Europees verband een — nog op te richten — Europees Clearing House voor informatie (45) kunnen zijn. Dat Clearing House zou kunnen leiden tot de vergemakkelijking van:

het op de markt brengen van nanotechnologie en de overdracht van technologie en de nieuwe concepten naar marktproducten en militaire toepassingen,

de verspreiding van goede praktijken, die zijn vastgesteld in universiteiten en publieke en privélaboratoria en geschikt zijn bevonden voor commercieel gebruik.

8.9

Naast de Europese platformen zouden, daarop aansluitend, enkele wereldwijde platformen moeten worden opgericht, die de VN-landen erbij betrekken en in staat zijn om de volgende vraagstukken aan te pakken:

patenten,

gedragsregels,

omgang met sociale consensus,

milieuaspecten,

duurzame ontwikkeling,

veiligheid van de consument.

8.10

De Europese investeringsbank (EIB) zou, ook via concrete maatregelen in het kader van het Europees investeringsfonds (EIF), nieuwe kredietlijnen met gunstige voorwaarden moeten creëren, die onder het beheer moeten vallen van kredietbanken, regionale financieringsmaatschappijen die gespecialiseerd zijn in leningen aan ondernemingen, maatschappijen voor risicokapitaal en coöperaties die garanties verstrekken, om de oprichting en ontwikkeling te vergemakkelijken van ondernemingen die zich op nanotech-producten richten .

8.10.1

Een positieve ervaring die in het verleden, zij het voornamelijk op milieugebied, uitstekende resultaten heeft opgeleverd, zoals het programma Groei en milieu, kan worden herhaald om de groei te bevorderen van nieuwe, op nanotechnologie gebaseerde producten (46).

8.11

Het onderzoek en de bijbehorende spin-off voor producten dienen vooral te worden afgestemd op de behoeften van de burgers en de noodzaak van duurzame ontwikkeling. In dit kader moeten ook de initiatieven worden gezien voor de evaluatie van de impact van nanotechnologie op gezondheid en milieu, door de acties van de EU (top-down) in verband te brengen met de op lokaal niveau gevoerde en bevorderde acties (bottom-up).

8.12

De permanente dialoog met de publieke opinie moet wetenschappelijk gemotiveerd zijn. De nieuwe technologie, voortkomend uit het gebruik van atomen, dient transparant te zijn en burgers ervan te overtuigen dat er geen sprake is van gevaren voor de gezondheid of het milieu. De geschiedenis leert ons dat vrees voor nieuwe producten vaak niet zozeer is ingegeven door de werkelijkheid als wel het gevolg is van onwetendheid.

8.12.1

Ook daarom wenst het EESC dat er een permanent en nauw verband is tussen de onderzoeksresultaten en de algemeen erkende ethische principes, waartoe een internationale dialoog nodig zal zijn.

8.13

Vooral in de fase van de oprichting en ontwikkeling van technologische platformen (47), moet bijzondere aandacht uitgaan naar de nieuwe lidstaten van de Europese Unie, zodat zij massaal vertegenwoordigd kunnen zijn en nauw betrokken worden bij de Europese expertisecentra.

8.14

Het EESC meent dat de coördinatie van het onderzoek op het brede terrein van de nanowetenschappen — waarbij het fundamenteel onderzoek evenwel de bevoegdheid moet zijn van de hiertoe op te richten onafhankelijke Europese onderzoeksraad (ESR) bij de Commissie moet blijven berusten, die, in overeenstemming met het Europees Parlement en de Raad, de Europese burgers een optimale meerwaarde, inclusief een wijder verbreid en objectiever gebruik van de onderzoeksresultaten, kan garanderen.

8.15

Het EESC doet een oproep aan de Commissie om hem een tweejaarlijks verslag voor te leggen over de ontwikkeling van de nanotechnologie. Dan kan het nagaan of er met het goedgekeurde actieplan vooruitgang is geboekt en kan het eventueel wijzigingen en aanpassingen voorstellen.

Brussel, 15 december 2004

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

A.-M. SIGMUND


(1)  Vraaggesprek met commissaris BUSQUIN (samenvatting in IP/04/820 van 29 juni 2004).

(2)  Zie noot 1.

(3)  Zie par. 6.15 van de conclusies.

(4)  Zie noot 1.

(5)  Centrum voor micro e nano elettronica van de Technische Hoge School van Milaan, prof. A. Spinelli.

(6)  Idem.

(7)  De investeringen in de nano-elektronica bedragen tegenwoordig 6 miljard €, als volgt verdeeld: 1/3 voor nano en micro, 1/3 voor diagnoses, 1/3 voor materiaal (bron: Europese Commissie, DG Onderzoek).

(8)  Bron: Euopese Commissie, DG Onderzoek - 2003.

(9)  Zie par. 3.3.1.

(10)  Tullio REGGE: „Il vuoto dei fisici”, L'Astronomia, nr. 18 september-oktober 1982.

(11)  Bron: Europese Commissie, DG Onderzoek 2003.

(12)  Diverse experimenten zijn in een ver gevorderd stadium; er is reeds een „interfacedialoog” tot stand gebracht tussen een slakkenneuron en een elektronische chip.

(13)  Van het Griekse mimesis, nabootsing van de natuur.

(14)  Bijv. de zelfstandige beweging van spermatozoa.

(15)  Dit is een kwantitatief, geen kwalitatief gegeven; hier zou een grondiger evaluatie op haar plaats zijn, zoals bepleit door de Britse Royal Society.

(16)  Bron: Europese Commissie, DG Onderzoek.

(17)  Bron: Universiteit van Milaan, Faculteit Natuurkunde, Centro interdisciplinare materiali e interfacce nanostrutturate (interdisciplinair centrum voor materialen en interface-nanostructuren).

(18)  Cfr. Technology Roadmap for Nanoelectronics, Europese Commissie, IST Programme Future and emerging technologies, tweede editie 2000.

(19)  Additieven met nanostructuur voor polymeren, lakken, smeermiddelen.

(20)  Vectoren met nanostructuur van actieve bestanddelen, diagnosesystemen.

(21)  Oppervlaktebehandeling van mechanische onderdelen ter verbetering van levensduur en prestaties.

(22)  Banden, structuurmaterialen, controle- en monitoringsystemen.

(23)  Technische en intelligente weefsels.

(24)  De in de wet van 3.12.2003 genoemde, voor diverse jaren uitgetrokken bedragen, zijn als volgt verdeeld:

(a)

National Science Foundation

(1)

USD 385 000 000 voor 2005;

(2)

USD 424 000 000 voor 2006;

(3)

USD 449 000 000 voor 2007;

(4)

USD 476 000 000 voor 2008.

(b)

Department of Energy

(1)

USD 317 000 000 voor het belastingjaar 2005;

(2)

USD 347 000 000 voor het belastingjaar 2006;

(3)

USD 380 000 000 voor het belastingjaar 2007;

(4)

USD 415 000 000 voor het belastingjaar 2008.

(c)

National Aeronautics and Space Administration

(1)

USD 34 100 000 voor 2005;

(2)

USD 37 500 000 voor 2006;

(3)

USD 40 000 000 voor 2007;

(4)

USD 42 300 000 voor 2008.

(d)

National Institute of Standards and Technology

(1)

USD 68 200 000 voor 2005;

(2)

USD 75 000 000 voor 2006;

(3)

USD 80 000 000 voor 2007;

(4)

USD 84 000 000 voor 2008.

(e)

Environmental Protection Agency

(1)

USD 5 500 000 voor het belastingjaar 2005;

(2)

USD 6 050 000 voor het belastingjaar 2006;

(3)

USD 6 413 000 voor het belastingjaar 2007;

(4)

USD 6 800 000 voor het belastingjaar 2008.

(25)  Opto-elektronica: techniek die optiek en elektronica verbindt. Bestudeert apparaten die elektrische signalen in optische signalen omzetten en omgekeerd (cd-spelers, lasersystemen, enz.)

(26)  EFRO, het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling: één van de structuurfondsen die, in het kader van deel IV (lokale ontwikkelingssystemen), gebruikt kunnen worden om onderzoekinfrastructuur en –apparatuur te financieren.

ESF, het Europees Sociaal Fonds, een ander structuurfonds dat, in het kader van deel III (personele middelen), gebruikt kan worden voor de financiering van de opleiding van onderzoekers en de bijscholing van ondernemers.

(27)  De cd-roms en recente publicaties van DG Onderzoek geven een breed overzicht van de Europese onderzoekscentra en hun specialisaties. Voor nadere inlichtingen:

http://cordis.lu/nanotechnology

(28)  Zie het proces van Luxemburg (1997), van Cardiff (1998); van Keulen (1999) en van Lissabon (2000), over de benutting van de groei om de werkgelegenheid uit te breiden en te verbeteren.

(29)  Europese Commissie, DG Onderzoek.

(30)  Dit betreft oppervlakken waaraan een nanostructuur is gegeven, die andere eigenschappen vertonen dan traditionele oppervlakken.

(31)  Het betreft uiterst nuttige instrumenten die zeer talrijke gegevens, foto's en muziek kunnen opslaan.

(32)  De bijzondere structuur van het oppervlak, verrijkt met speciale soorten atomen, verhindert vuil en stof om in rechtstreeks contact te komen met de stof, het aardewerk of het glas.

(33)  Van het Latijnse domus (huis), ofwel de wetenschap die de evolutie van de woonomgeving bestudeert, in al zijn aspecten.

(34)  De universiteit van Grenoble heeft al geëxperimenteerd met tal van micromotoren, op basis van kinesine.

(35)  Zie advies CESE 967/2004 (PB C 302 van 7 december 2004) en onderzoek van de universiteiten van Gent en Bergamo (textielsector).

(36)  Bron: Oakridge National Laboratory, VS.

(37)  Idem.

(38)  A. Matthews, R. Artley en P. Holiday, 2005 Revisited: The UK Surface Engineering Industry to 2010, NASURF, Dera, 1998.

(39)  NB: Er bestaat geen industriële ontwikkeling van nanotechnologie, wèl een ontwikkeling die profijt trekt van de nanotechnologie.

(40)  Vgl. onder andere de ervaringen van de technologische groep Servitec in Dalmine, Bergamo.

(41)  Nanoforum omvat: het Institute of Nanotechnology (VK) optredend als coördinator; UDI Technologiezentrum (DE); CEA-LETI (FR); CMP Científica (ES); Nordic Nanotech (DK); Malsch TechnoValuation (NL).

http://www.nanoforum.org

(42)  Vgl. voorgaande noot: verslag „Vision 2020”, gepubliceerd op 29 juni 2004.

(43)  3 % van het Europees BNP moet door de overheid (lidstaten en EU) en vooral door de industrie voor onderzoek en ontwikkeling worden gebruikt.

(44)  Nanoforum te Triëst, in 2003, met meer dan 1 000 deelnemers.

(45)  Zie de Amerikaanse wetgeving inzake nanotechnologie van december 2003.

(46)  Het door het EIF in samenwerking met diverse Europese financiële instellingen beheerde programma Groei en milieu heeft bijgedragen (in de vorm van co-financiering en krediet tegen gunstige voorwaarden) tot verbetering van milieu-aspecten van micro-, kleine en middelgrote ondernemingen.

(47)  Zie par. 6.3.


28.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 157/34


Advies van het Europees Economisch en sociaal Comité over het onderwerp Europese verkeerswetgeving en regels betreffende voertuigregistratie

(2005/C 157/04)

Het Europees Economisch en Sociaal Comité besloot op 29 januari 2004 overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een advies op te stellen over het onderwerp: „Europese verkeerswetgeving en regels betreffende voertuigregistratie”.

De gespecialiseerde afdeling „Vervoer, energie, infrastructuur, informatiemaatschappij”, die met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 5 oktober 2004 goedgekeurd; rapporteur was de heer PEGADO LIZ.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 413e zitting op 15 en 16 december 2004 (vergadering van 15 december) het volgende advies uitgebracht, dat met 147 stemmen voor en 1 stem tegen, bij 3 onthoudingen, is goedgekeurd:

1.   Inleiding: doel van het advies en verantwoording

1.1

Tijdens zijn vergadering van 29 januari 2004 ging het EESC akkoord met het verzoek van de afdeling TEN om een initiatiefadvies op te stellen over een Europese verkeerswetgeving.

1.2

Aangezien het vrije verkeer van personen (1) een van de in het EG-Verdrag vastgelegde grondrechten is, het wegnemen van hindernissen tussen de lidstaten een van de doelstellingen van de EU is (2) die met de opname van het Verdrag van Schengen in de EU-wetgeving aan kracht heeft gewonnen (3), en vervoer een van de terreinen is waarvoor de EU een gemeenschappelijk beleid heeft (4), is de harmonisering van de verkeerswetgeving van eminent belang, vooral ook omdat dit de voltooiing van de interne markt (5) ten goede zal komen.

1.3

Het toch al omvangrijke personen- en goederenvervoer in het Europa van de 15 is in de afgelopen jaren nog eens exponentieel gegroeid.

Uit de meest recente statistische gegevens die beschikbaar zijn valt het volgende op te maken:

in 2001 waren 3,9 miljoen mensen werkzaam in de sector vervoer over land;

het vrachtvervoer per land is goed voor 45 % van het totale vervoer en is sinds 1970 met 120 % gegroeid;

het personenvervoer over de weg is goed voor 86,8 % van het totale personenvervoer en is sinds 1970 met 128 % toegenomen;

het handelsvolume (gegevens uit 2000) van het personenvervoer (55,455 miljard euro) en het vrachtvervoer (220,787 miljard euro) over de weg is goed voor 49 % (566,193 miljard euro) van het totale handelsvolume op het gebied van vervoer (gegevens over Griekenland ontbreken) (6).

1.4

Voor het vervoer over de weg van personen en goederen geldt een groot aantal uiteenlopende regels, zelfs wat de grondbeginselen en de basisregels voor het besturen van gemotoriseerde voertuigen betreft.

1.4.1

Daarnaast zijn er diverse internationale overeenkomsten met elk hun eigen toepassingsgebied en soms onderling strijdige bepalingen.

1.4.2

Bij een eenvoudige autorit door Europa is een chauffeur derhalve aan verschillende rechtsstelsels onderworpen, die uiteenlopende en zelfs tegenstrijdige regels bevatten.

1.4.3

Deze situatie is er niet beter op geworden met de toetreding van de nieuwe lidstaten, die ook elk hun eigen verkeersregels hebben.

1.5

Dit initiatiefadvies moet de Commissie ertoe aanzetten een wetsvoorstel uit te werken dat de onderlinge aanpassing van de Europese verkeersregels beoogt, zij het met eventuele uitzonderingen hierop. Zij moet aan de hand van rechtsvergelijking duidelijk maken wat, in juridisch opzicht, de verschillen zijn tussen de nationale verkeerswetgevingen en regels betreffende voertuigregistratie, en in hoeverre een eventuele harmonisatie hiervan op Europees niveau tot de mogelijkheden behoort.

1.6

Bij het opstellen van het advies is het van groot belang dat de voornaamste belanghebbenden (vertegenwoordigers van weggebruikers, van autofabrikanten en van regelgevingsinstanties) naar hun mening wordt gevraagd. Er is daarom een hoorzitting georganiseerd, die tegelijk met de tweede vergadering van de studiegroep op 17 mei 2004 heeft plaatsgevonden en waarin de sector werkzame personen acte de présence gaven.

1.6.1

Om de discussie gemakkelijker te laten verlopen en de nodige informatie te vergaren is een vragenlijst opgesteld die onder de aandacht van de leden van de studiegroep is gebracht.

2.   Achtergrond

2.1

Het idee om een universele verkeerswetgeving uit te werken is niet nieuw. In Europa waren er al eerder initiatieven in deze richting, zoals de tijdens het achtste internationale juridische verkeerscongres (7) gedane oproep om de regelgeving op dit gebied te codificeren.

2.2

Ook tijdens de 38e conferentie van de Duitse Raad van verkeersrechtbanken (januari 2000) wees werkgroep IV erop dat men diende toe te werken naar een harmonisering van de Europese verkeersregels (8).

2.3

De Commissie heeft diverse initiatieven ontplooid die in dezelfde richting gaan, maar tot nu toe is de uitwerking van een Europese verkeerswetgeving nog steeds een brug te ver geweest (9).

2.4

Bijzondere aandacht zal worden besteed aan de conclusies van een onderzoek dat onlangs is verricht voor DG energie en vervoer van de Commissie en waarin te lezen is waarom de verkeersregels en de maatregelen ter naleving hiervan via wetgevingsinitiatieven van de EU moeten worden geharmoniseerd (10).

2.5

In diverse adviezen heeft het EESC erop gewezen dat er meer aandacht moet worden besteed aan „het vrije verkeer van voertuigen in de EU” en dat de nationale overheden de verantwoordelijkheid hebben om „wettelijke bepalingen af te schaffen die het nu nog voor hun burgers moeilijk maken gebruik te maken van in een andere lidstaat geregistreerde voertuigen” (11).

3.   Kort overzicht van het verdragsrecht en de reikwijdte hiervan

3.1

De internationale verkeerswetgeving bestaat uit diverse verdragen. De belangrijkste hiervan zijn het Verdrag van Parijs uit 1926, het Verdrag van Genève uit 1949 en het Verdrag van Wenen uit 1968.

3.2

Het internationale verdrag betreffende het verkeer met motorrijtuigen werd op 24 april in Parijs door 40 landen ondertekend en was bedoeld om het internationale toerisme te bevorderen. Het is momenteel in ruim 50 landen van kracht.

3.2.1

Het verdrag had als doel om:

a)

technische minimumeisen vast te stellen voor motorrijtuigen (onder meer voor het kentekenbewijs en de lichten) en voor de identificatie ervan in het buitenland;

b)

regels vast te stellen voor de uitgifte en geldigheid van internationale certificaten voor motorrijtuigen; zonder een dergelijk certificaat mag een motorrijtuig niet rijden in het door het verdrag bestreken gebied;

c)

een aantal rijbewijzen te erkennen en criteria vast te leggen waaraan internationale rijbewijzen moeten voldoen; deze internationale rijbewijzen zijn geldig in de aangesloten landen waar de nationale rijbewijzen niet worden erkend, al moet men deze daar wel bij zich hebben;

d)

zes gevaarsborden in te voeren, die de aangesloten landen op hun wegen dienen te gebruiken;

e)

een systeem in te voeren waarmee informatie kan worden uitgewisseld over bestuurders en houders van internationale certificaten en rijbewijzen die betrokken raken bij ernstige ongevallen of nationale verkeersregels overtreden.

3.2.2

Het verdrag vergemakkelijkte de douaneformaliteiten, maar ontsloeg bestuurders niet van de plicht om op de hoogte te zijn van de verkeerswetgeving in de landen die ze aandoen en zich hieraan te houden.

3.2.3

Om in werking te kunnen treden dient het verdrag door alle staten geratificeerd te zijn en moeten deze de akte van bekrachtiging hebben neergelegd. Het is alleen van kracht in de tot het moederland behorende gebieden van de aangesloten staten; in de overige, onder enigerlei vorm van bestuur staande gebieden kan het alleen na een expliciete verklaring in werking treden.

3.3

Het Verdrag inzake het wegverkeer werd op 19 september 1949 in Genève door 17 landen gesloten en is nu van kracht in ruim 120 landen. In deze landen komt het in plaats van het verdrag uit 1926.

3.3.1

In het nieuwe verdrag werden de beginselen uit het oude verdrag aangepast aan de ontwikkelingen die de auto-industrie had doorgemaakt. Ook klonk er toenemende bezorgdheid over de veiligheid op de weg in door.

3.3.2

Het bevatte geen regels voor verkeersborden, maar legde wel vast dat de aangesloten landen dezelfde verkeerstekens moesten gaan gebruiken, zij het uitsluitend waar dat echt noodzakelijk is.

3.3.3

Het verdrag bevat slechts een gering aantal verkeersregels, en deze hebben bijna alleen maar betrekking op kruisingen, voorrang en verlichting.

3.3.4

Voor de inwerkingtreding van het verdrag golden dezelfde voorwaarden. De harmoniserende werking ervan werd gedwarsboomd door de mogelijkheid die de betrokken landen hadden om sommige bepalingen niet op zichzelf van toepassing te verklaren en eventuele wijzigingen ervan te verwerpen.

3.4

Het Verdrag inzake het wegverkeer werd op 8 november 1968 in Wenen door 37 landen ondertekend en is momenteel in ongeveer 100 landen van kracht. Na ondertekening en nederlegging van de akte van bekrachtiging is het in deze landen in de plaats gekomen van de verdragen uit 1926 en 1949.

3.4.1

Wat de regelgeving voor het wegverkeer betreft is dit verdrag het uitgebreidst: het bevat een hoofdstuk van dertig artikelen over dit onderwerp en diverse bepalingen met betrekking tot de manoeuvres die in de moderne verkeerswetgeving de belangrijkste plaats innemen. Waar de eerdere verdragen zich hadden beperkt tot kruisingen en de daar te gebruiken verkeerstekens, bevatte dit nieuwe verdrag niet alleen de beginselen waaraan bestuurders zich mede met het oog op voetgangers moeten houden bij gevaarlijke manoeuvres (zoals inhalen en afslaan), maar ook regels voor stilstaan, parkeren, het in- en uitstappen van passagiers en het rijden in tunnels, dus voor alle situaties die kenmerkend zijn voor het wegverkeer.

3.4.2

Het verdrag ging verder dan de eerdere twee en verplichtte de landen die het hadden gesloten of ondertekend om hun verkeerswetgeving ermee in overeenstemming te brengen. Het voordeel hiervan was dat automobilisten die andere aangesloten landen aandeden al vertrouwd waren met de belangrijkste daar geldende verkeersregels.

3.4.3

De landen in kwestie beschikten echter wel over de mogelijkheid om wijzigingen van het verdrag te verwerpen.

3.5

Kortom, in de inmiddels met tien landen uitgebreide EU zijn drie internationale verdragen van kracht, zij het niet altijd in dezelfde mate (12). Er is dan ook bij lange na geen sprake van een geharmoniseerde regelgeving voor het wegverkeer in de EU, helemaal niet als men beseft dat er naast die drie verdragen ook nog eens 25 voortdurend veranderende nationale wetgevingen zijn (13).

3.6

Een aantal belemmeringen is of wordt al weggenomen: grenzen zijn afgeschaft, de procedures voor de typegoedkeuring van voertuigen en onderdelen zijn gelijkgetrokken en de lidstaten hebben elkaars rijbewijzen erkend en hun regels hiervoor geharmoniseerd. Wat de verkeersregels en -tekens — de essentie van het wegverkeer — betreft blijven er echter verschillen bestaan.

3.7

Dankzij de verdragen zijn de douaneformaliteiten vereenvoudigd en kunnen EU-burgers nu in de hele EU voertuigen besturen. Burgers van derde landen die de EU bezoeken worden echter met evenveel verkeerswetgevingen geconfronteerd als er lidstaten zijn.

4.   Een aantal flagrante verschillen tussen de nationale wetgevingen

4.1

Uit een korte vergelijkende studie blijkt onomstotelijk dat er tussen de nationale verkeerswetgevingen grote verschillen bestaan die het vrije verkeer belemmeren, de veiligheid van mensen en goederen kunnen aantasten en zo kunnen leiden tot meer verkeersongelukken in Europa.

4.2

In het overzicht hieronder zijn de inzichten verwerkt uit het al eerder genoemde, voor de Commissie verrichte onderzoek, waarin uitvoerig wordt ingegaan op deze zaken (14).

4.3

Een aantal verontrustende en veelzeggende voorbeelden van verschillen in regelgeving voor alledaagse verkeerssituaties (er zouden nog tal van andere genoemd kunnen worden):

Maximumsnelheid buiten de bebouwde kom op wegen met gescheiden rijbanen

B

120 km/u

PT

90 km/u

UK

70 mijl/u (112km/u)

Zware overtredingen

B

+ 10 km/u

PT

+ 30 km/u

Alcohol

SE

0,2

UK

0,8

Lichte voertuigen moeten voorzien zijn van een EHBO-doos

EL

ja

FR

nee

Tegelijk rood en oranje licht: de bestuurder moet zich gereedmaken om op te trekken

DK/FI

ja

NL/ES

nee

Fietsers op een rotonde hebben voorrang

DE

ja

PT

nee

Bussen hebben voorrang bij het verlaten van een halte

ES

ja

IT

nee

Overdag moet buiten de bebouwde kom met de lichten aan worden gereden

IT

ja

LU

nee

Bestuurders mogen alleen „hands-free” bellen

BE

ja

IE

nee

Bord „verboden te parkeren”

IE

witte achtergrond en rode rand

overige landen

blauwe achtergrond en rode rand

Passagiers mogen niet uitstappen aan de wegkant

PT

ja

IE

nee

4.4

Uit bovengenoemd onderzoek blijkt bovendien dat er meer van zulke verschillen bestaan, bijvoorbeeld met betrekking tot de eisen voor het halen van een rijbewijs, verkeersborden en -lichten, de verplichte veiligheidsuitrusting, het oversteken van voetgangers, voorrangsregels, het gebruik van de lichten, het in- en uitstappen van passagiers, het gebruik van speciale rijstroken, inhalen, de classificatie van voertuigen, bandentypes, het slepen van andere voertuigen, en de vormgeving van verkeersborden en -lichten. In totaal zijn er 46 verschillen vastgesteld met betrekking tot de essentiële, voor het dagelijks wegverkeer geldende regels.

4.5

Naast de op zichzelf al sterk uiteenlopende formulering van de belangrijkste verkeersregels bestaan er wat de interpretatie en toepassing hiervan betreft zelfs nog grotere verschillen tussen de lidstaten. Dit komt niet alleen doordat de houding tegenover overtredingen niet overal hetzelfde is, maar ook doordat de straffen voor deze overtredingen enorm verschillen.

5.   Samenvatting van de hoorzitting van 17 mei 2004

5.1

In aanwezigheid van diverse belangenorganisaties voor automobilisten, de auto-industrie, de veiligheid op de weg, en het bestuur van AIT-FIA en TIS.PT, het bedrijf dat het eerder genoemde onderzoek (15) heeft gecoördineerd, vond op 17 mei 2004 een openbare hoorzitting plaats. De deelnemers schiepen duidelijkheid over een aantal aspecten die van belang waren voor het huidige advies, waarin de standpunten van de voornaamste belanghebbenden van het maatschappelijk middenveld zijn verwerkt.

Naast hun mondelinge bijdragen leverden diverse instellingen ook de hun eerder toegezonden vragenlijst in.

5.2

Uit de verschillende bijdragen valt op te maken dat er brede steun is voor het initiatief van de EESC om de verkeersregels tot op zekere hoogte te harmoniseren. Een aantal deelnemers voelde ook veel voor een onderlinge afstemming van de procedures voor de registratie en inschrijving van voertuigen.

5.3

In dit verband werd met name op het volgende gewezen:

a)

voor de uitvoering van het EU-kaderbesluit van 8 mei 2003 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op geldelijke sancties voor inbreuken op de verkeerswetgeving is een harmonisatie van de Europese verkeersregels noodzakelijk;

b)

daarnaast moet rekening worden gehouden met de wettelijke procedures voor de vaststelling en uitvoering van boetes en de in dit verband bestaande beroepsmogelijkheden in de verschillende lidstaten;

c)

elementaire verkeersregels verschillen sterk van lidstaat tot lidstaat, met alle gevaren van dien voor automobilisten die de grens overgaan;

d)

de grootste verschillen (naast de verschillen die genoemd worden in het onderzoek van TIS.PT) hebben betrekking op:

het alcoholpromillage;

snelheidslimieten;

verkeersborden en -agenten en wegmarkeringen;

boetes voor verkeersovertredingen en de procedureregels terzake;

de vereiste veiligheidsvoorzieningen.

e)

bij de onderlinge afstemming van de verkeersregels moet stapsgewijs te werk worden gegaan;

f)

een totale harmonisering lijkt niet meteen mogelijk, tenzij het gaat om elementaire aspecten;

g)

deze aspecten dienen onder meer het volgende te omvatten:

de verkeersveiligheid

de verplichte uitrusting van auto's (bijvoorbeeld reservelampen, gevarendriehoeken, handsfree telefoonsets en airbags);

verkeersborden en wegmarkering;

rijvaardigheidscriteria;

een uniform rijbewijs met strafpunten;

de aard van sancties voor zware overtredingen;

h)

het kader voor deze onderlinge afstemmingen van verkeerswetgevingen moet het Verdrag van Wenen zijn;

i)

eventuele voorstellen moeten altijd vooraf worden gegaan door dezelfde soort kosten/batenanalyses als al verricht zijn voor een aantal vervoerssectoren of voor een aantal verkeersveiligheidsinitiatieven (16);

j)

bijzondere aandacht dient uit te gaan naar een effectieve toepassing van en een effectief toezicht op verkeersregels en naar een goed boetesysteem.

5.4

Volgens de deelnemers dienen eventuele initiatieven altijd geflankeerd te worden door het volgende:

a)

uniformisering van de automatische betaalsystemen bij tolwegen en -bruggen (17);

b)

standaardisering van het toegestane gewicht en de toegestane afmetingen van voertuigen en de in dit verband geldende restricties;

c)

een minimumopleidingsniveau voor bestuurders, al naar gelang het voertuigype;

d)

als onderdelen van deze minimumopleiding: degelijke EHBO-vaardigheden;

e)

vaststelling van minimumkwaliteitsnormen voor de aanleg van infrastructuur;

f)

voorlichtingscampagnes voor het verkeer en voor de preventie van ongelukken op diverse onderwijsniveaus, waaronder het volwassenenonderwijs.

6.   Reikwijdte van een Europese verkeerswetgeving

6.1

Na de hierboven behandelde hoorzitting was duidelijk dat men wil toewerken naar een harmonisering van de verkeerswetgeving; deze harmonisering moet echter niet beperkt blijven tot het verkeer, maar dient ook betrekking te hebben op de weginfrastructuur en de veiligheid.

6.2

Sinds haar oprichting heeft de EU wat het wegverkeer betreft bepaald niet stilgezeten, getuige het rijbewijs, de typegoedkeuring van voertuigen en hun onderdelen, regels voor het vervoer, autoverzekeringen enzovoort. De bedoeling is nu om de verkeersregels te harmoniseren, wat ook de verkeersveiligheid weer ten goede zou kunnen komen, omdat de weggebruikers dan overal weten waar ze aan toe zijn.

6.3

Zoals gezegd is het Verdrag van Wenen de meest gedetailleerde tekst over het wegverkeer. Het is door de meeste landen ondertekend, waarmee deze zich ertoe hebben verbonden om hun eigen wetgeving ermee in overeenstemming te brengen. Juist omdat het in de Europese landen zo bekend is en op zoveel instemming kan rekenen, vormt het verdrag een goede basis voor een meer diepgaande discussie over de Europese verkeerswetgeving.

6.4

Het voorstel is dus om die regels te harmoniseren die de kern vormen van de moderne Europese verkeerswetgevingen, namelijk (dit is geen uitputtende opsomming):

a)

algemene regels voor het besturen van een voertuig, positie op de weg, aantal rijstroken en ventwegen, kruisingen, verbindingswegen en rotondes, afstand tussen stoeprand en trottoir, snelheid en afstand tussen voertuigen;

b)

tekens van bestuurders;

c)

rijsnelheid (niet per se snelheidslimieten);

d)

voorrang, algemene regel, op kruispunten, verbindingswegen, rotondes en tussen voertuigen;

e)

inhalen;

f)

verandering van richting;

g)

achteruit rijden;

h)

keren;

i)

stoppen en parkeren;

j)

capaciteit en afmetingen van voertuigen, vervoer van personen en goederen, in- en uitstappen van passagiers, laden en lossen;

k)

verlichting van voertuigen en gebruik van lichten;

l)

verkeer met spoed en op specifieke wegen (bijvoorbeeld snelwegen en dergelijke, overwegen en voor bepaalde voertuigen bestemde wegen, al dan niet met speciale rijstroken);

m)

alcohol en psychofarmaca;

n)

gebruik van veiligheidsvoorzieningen (riemen en kinderzitjes);

o)

verplichte documenten;

p)

gedrag bij ongelukken of pech;

q)

eensluidende omschrijving van en regels voor de verschillende weggebruikers, met name motorfietsen, bromfietsen, quats, driewielige motoren, fietsen, in-line skaters of skateboarders, maar ook gehandicapten;

r)

overstekende voetgangers en door de bestuurders aan de dag te leggen voorzichtigheid;

s)

speciale regels waaraan bestuurders zich moeten houden ten opzichte van het openbaar vervoer en van speciale voertuigen;

t)

vervoer van dieren.

6.5

Verkeerstekens moeten de verkeersregels aanvullen, concretiseren of aangeven wanneer deze niet gelden. Zij kunnen de veiligheid van het wegverkeer in belangrijke mate vergroten. Ook verkeersborden moeten gelijkgeschakeld worden, wat hun vorm, inhoud, locatie en waarde met betrekking tot de verkeersregels betreft. Dit zou hun zichtbaarheid ten goede moeten komen en er bovendien voor moeten zorgen dat hun aantal binnen de perken blijft.

6.6

Dit is echter niet genoeg. Ook de tekens van verkeersagenten, lichtsignalen, signalen van bestuurders en de op het wegdek aangebrachte tekens moeten worden gelijkgeschakeld.

6.7

Bestuurders die zich niet houden aan de verkeersregels begaan een overtreding. In dit verband moeten ook controles — vooral wat snelheid en het gebruik van alcohol en psychofarmaca betreft — op dezelfde leest worden geschoeid. De lidstaten moeten het dan wel eerst eens worden over welke verrichtingen een overtreding vormen. Anders kan het gebeuren dat een handeling in de ene lidstaat wel een overtreding vormt en in de andere lidstaat niet. Kortom, er moet één Europese lijst van overtredingen worden opgesteld.

6.8

Er moet dus worden gekeken hoe een Europese verkeerswetgeving op een eenvoudige en uniforme manier kan worden geïnterpreteerd. De procedures met betrekking tot verkeersovertredingen moeten namelijk snel zijn, anders boeten de regels aan efficiëntie in. (In feite wordt gezocht naar een vereenvoudigde versie van de procedure waarbij het Hof van Justitie prejudiciële vragen krijgt voorgelegd.)

7.   Eén Europese voertuigregistratie

7.1

Ook de eisen, instrumenten en procedures voor het inschrijven van voertuigen verschillen enorm van lidstaat tot lidstaat. Daarom is tijdens de hoorzitting nagegaan of het mogelijk is toe te werken naar één Europese voertuigregistratie. Diverse deelnemers vonden dit een goede oplossing.

7.2

In dit verband zijn de voors en tegens van zo'n centrale registratie tegen elkaar afgewogen, waarbij belangrijke aspecten als accijnzen, belastingen en andere kosten én het bezit/gebruik van een voertuig aan de orde zijn gekomen. Verder is ingegaan op de voordelen van een soortgelijke oplossing voor de intracommunautaire handel in voertuigen, de preventie van fraude en autodiefstal en de bestraffing van verkeersovertredingen begaan door automobilisten uit andere lidstaten.

7.3

Er is een basis om toe te werken naar één Europese registratie voor voertuigen, en niet voor degenen die deze besturen of bezitten. Hierbij moet gebruik worden gemaakt van de ervaringen die in het kader van autoverzekeringen zijn opgedaan met het informatiesysteem dat kentekennummers en namen van eigenaars bevat (3e richtlijn).

7.4

Een en ander maakt het gemakkelijker om in welke lidstaat dan ook een voertuig te kopen en te laten verzekeren en registreren, wat een belangrijke impuls zal geven aan de grensoverschrijdende handel in voertuigen, aan de mobiliteit van de bevolking en het toerisme en aan de ontwikkeling van de interne markt (18).

7.5

Eén Europese voertuigregistratie is zeer wenselijk en kan zonder veel extra kosten worden verwezenlijkt. Dan zouden wel eerst de nationale registraties beter op elkaar afgestemd moeten worden. Aan een en ander zijn grote voordelen verbonden: men weet precies wie de eigenaar van een voertuig is, er heerst rechtszekerheid bij de handel in voertuigen, er is een betere preventie van diefstal en fraude mogelijk, en ook zijn er eenvoudiger regels mogelijk voor controles en boetes voor in welke lidstaat dan ook begane overtredingen.

8.   Rechtsgrondslag en geschikt EU-instrument

8.1

Voor de uitvoering van het hier behandelde initiatief lijkt een op minimale harmonisatie gerichte richtlijn in deze fase het beste instrument.

8.2

Bij de keuze van de rechtsgrondslag moet er rekening mee worden gehouden dat dit initiatief gunstig is voor de interne markt en het vrije verkeer van burgers in de EU ten goede zal komen.

9.   Conclusies en aanbevelingen

A)   Met betrekking tot een Europese verkeerswetgeving

9.1

Een zekere mate van harmonisering van de verschillende verkeerswetgevingen is niet alleen goed voor de interne markt — omdat de autoverkoop erdoor zal aantrekken — maar ook voor de verkeersveiligheid.

9.2

Een dergelijke harmonisering kan bovendien de verkeersveiligheid danig vergroten en ongelukken helpen voorkomen, wat in concreto het vrije verkeer van Europese burgers ten goede komt.

9.3

Er is een basis om toe te werken naar één Europese registratie voor voertuigen, waarbij wel rekening moet worden gehouden met de diverse in dit advies uiteengezette standpunten en moeilijkheden.

9.4

Momenteel lijkt een op minimale harmonisatie gerichte richtlijn het beste instrument, waarbij het Verdrag van Wenen als basis kan dienen. Als eerste stap op weg naar een Europese verkeerswetgeving zou deze richtlijn betrekking moeten hebben op de belangrijkste verkeersregels en -borden, de voorwaarden voor de afgifte van rijbewijzen, overtredingen en boetes.

B)   Met betrekking tot één Europese voertuigregistratie

9.5

Wat de verkeersveiligheid betreft zou de invoering van één Europese voertuigregistratie, waardoor voertuigen beter traceerbaar worden, dan ook een goede zaak zijn.

9.6

Een bindend EU-instrument kan de basis leggen voor één registratiesysteem, waarbij de ervaringen die inmiddels zijn opgedaan met de samenwerking tussen de betrokken nationale instanties van groot belang zijn.

9.7

De Commissie doet er dan ook goed aan om alvast voor de verschillende te harmoniseren gebieden een kosten/baten-analyse uit te voeren.

C)   Algemene conclusies

9.8

Via een Groenboek zou de Commissie een openbare discussie over het onderwerp van dit advies moeten aanzwengelen, zodat zij een goed beeld krijgt van de manier waarop het brede scala van belanghebbenden over een en ander denkt.

9.9

De Commissie doet er goed aan om verder te gaan met haar onderzoek naar een steeds grotere harmonisatie van alle aspecten die met het autorijden te maken hebben en naar steeds veiliger wagens.

9.10

De lidstaten zouden steeds nauwer moeten gaan samenwerken op het gebied van verkeersregels, preventie van ongelukken, eerste hulp en schadeloosstelling van slachtoffers.

9.11

Het EESC hoopt dat het Europees Parlement zijn volle steun geeft aan dit initiatief en dringt er bij de Commissie en de Raad op aan om de genoemde doelstellingen te verwezenlijken.

Brussel, 15 december 2004.

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

A.-M. SIGMUND


(1)  art 39 e.v. van het EG-Verdrag

(2)  art. 2, 4e streepje van het EU-Verdrag en artikel 61 e.v. van het EG-Verdrag

(3)  Protocol nr. 2 van het EU-Verdrag

(4)  art. 70 e.v. van het EU-Verdrag

(5)  art. 95 e.v. van het EU-Verdrag

(6)  Zie „Energy and Transport in figures”, DG's Energie en Vervoer in samenwerking met EUROSTAT (2003)

(7)  Dott. Argante Righetti, Procuratore Pubblico, Bellinzona – Ticino, Criteri di applicazione delle norme di circolazione per i veicoli stranieri in caso di difformità fra la Convenzione di Ginevra e la legislazione interna degli Stati aderenti, Automobile Club di Perugia, 8-10 september 1961.

(8)  Deze kwestie moet behandeld worden tijdens de vijfde Europese conferentie over de Europese verkeerswetgeving in oktober 2004 óf tijdens het eerste Europese verkeerscongres, dat van 24 tot en met 26 november 2004 in Lissabon zal plaatsvinden en als thema heeft: mobiliteit in het uitgebreide Europa: uitdagingen voor en verantwoordelijkheden van de verkeerssector

(9)  In dit verband zijn van belang: de Akte van de Raad van 17 juni 1998 tot vaststelling van de overeenkomst betreffende ontzegging van de rijbevoegdheid (PB C 216 van 10-7-1998), Verordening (EG) nr. 2411/98 van 3 november 1998 (PB 299 van 10-11-1998) inzake de erkenning van het onderscheidingsteken van de lidstaat van inschrijving van motorvoertuigen, de Richtlijnen 1999/37/EG en 2003/127/EG van 29 april 1999 en 23 december 2003 inzake de kentekenbewijzen van voertuigen (PB L 138 van 29-4-1999 en PB L van 16-1-2004), de Resolutie van de Raad van 26 juni 2000 betreffende de vergroting van de verkeersveiligheid (PB C 218 van 31-7-2000), de Aanbeveling van de Commissie van 6 april 2004 inzake handhaving op het gebied van verkeersveiligheid (PB L 111 van 17-4-2004), de Beschikking van de Commissie van 23 december 2003 inzake de technische voorschriften voor de toepassing van Richtlijn 2003/102/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van voetgangers en andere kwetsbare weggebruikers (PB L 31 van 4-2-2004), Richtlijn 2004/11/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot wijziging van Richtlijn 92/24/EEG van de Raad betreffende snelheidsbegrenzers of soortgelijke begrenzingssystemen voor bepaalde categorieën motorvoertuigen (PB L 44 van 14-2-2004), Beschikking van de Commissie van 2 april 2004 betreffende de toepassing van Richtlijn 72/166/EEG van de Raad wat betreft de controle op de verzekering tegen de aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (PB L 105 van 14-4-2004), het voorstel voor een richtlijn van 21 oktober 2003 over een Europees rijbewijs (COM(2003) 621 def.), het Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de vaststelling van gemeenschappelijke regels voor bepaalde soorten goederenvervoer over de weg (COM(2004) 47 def. van 2-2-2004) en het voorstel voor een verordening inzake de toegang tot het Schengeninformatiesysteem voor de instanties die in de lidstaten belast zijn met de afgifte van kentekenbewijzen van voertuigen (COM(2003) 510 def. van 21-8-2003). De Reglementen 39, 60, 62, 71, 73, 78, 101 en 103 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (UN/ECE) hebben betrekking op dezelfde materie (PB L 95 van 31-3-2004)

(10)  „Comparative Study of Road Traffic Rules and corresponding enforcement actions in the Member States of the European Union”, opgesteld door TIS.PT, Consultores em Transportes, Inovação e Sistemas, S.A in februari 2004

(11)  Zie EESC-advies PB C 110 van 30.4.2004 (rapporteur: Barros Vale) over het Voorstel voor een verordening tot wijziging van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen van 14 juni 1985 betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, voor wat betreft de toegang tot het Schengeninformatiesysteem voor de instanties die in de lidstaten belast zijn met de afgifte van kentekenbewijzen van voertuigen (COM(2003) 510 def.), EESC-advies PB C 112 van 30.4.2004 (rapporteur: Simons) over het Voorstel voor een richtlijn betreffende het rijbewijs en EESC-advies PB C 108 van 30.4.2004 (rapporteur: Ranocchiari) over de Mededeling van de Commissie inzake informatie- en communicatietechnologie voor veilige en intelligente voertuigen

(12)  Als gevolg van een aantal bilaterale verdragen, zoals het verdrag uit 1926 tussen Portugal en Duitsland, het verdrag uit 1949 tussen Portugal en België, en het verdrag uit 1968 tussen Duitsland en België; met de nieuwe lidstaten meegerekend is het beeld nog gecompliceerder. Andere verdragen: dat van 1926 tussen Duitsland, Ierland en Nederland; dat van 1949 tussen Nederland, Portugal en Zweden; dat van 1968 tussen Finland, Italië, Oostenrijk en Letland. De oorzaak van deze diversiteit is dat sommige landen wel en andere niet het meest recente instrument ondertekenen. Als twee of meer landen het meest recente instrument ondertekenen verliezen de eerdere verdragen hun geldigheid; deze blijven echter wél van toepassing op de landen die het meest recente verdrag niet ondertekenen.

(13)  In Portugal wordt bijvoorbeeld de laatste hand gelegd aan een algemene herziening van de verkeerswetegving, en in Italië is men hier net mee begonnen

(14)  Het in noot 9 genoemde onderzoek

(15)  zie de paragrafen 2, 3 en 4

(16)  bijvoorbeeld het rapport „Cost Effective EU Transport Safety Measures” (2003) van de European Transport Safety Council en het eindrapport „Cost-Benefit Analysis of Road Safety Improvements” van ICF Consulting Ltd London van 12 juni 2003

(17)  Richtlijn 2004/52/EG van 29 april 2004 betreffende de interoperabiliteit van elektronische tolheffingssystemen voor het wegverkeer in de Gemeenschap

(18)  Een aantal leden van de studiegroep opperde de mogelijkheid om nu al een transnationale regeling voor de aanschaf en regsitratie van voertuigen in te voeren voor personen die zich vanwege hun beroep genoodzaakt zien om tijdelijk of met regelmatige tussenpozen in een andere lidstaat te verblijven.


28.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 157/42


Advies het Europees Economisch en Sociaal Comité over het thema Bevordering van het zeevervoer en van de werving en opleiding van zeevarenden

(2005/C 157/05)

Op 29 januari 2004 heeft het Europees Economisch en Sociaal Comité besloten overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een advies op te stellen over het thema „Bevordering van het zeevervoer en van de werving en opleiding van zeevarenden”.

De gespecialiseerde afdeling „Vervoer, energie, infrastructuur, informatiemaatschappij”, die was belast met de voorbereidende werkzaamheden, heeft haar advies op 5 oktober 2004 goedgekeurd; rapporteur was de heer Chagas.

Tijdens zijn 413e zitting op 15 en 16 december 2004 (vergadering van 15 december 2004) heeft het Europees Economisch en Sociaal Comité het volgende advies uitgebracht, dat met 137 stemmen voor en 1 stem tegen, bij 5 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Inleiding

1.1

In 1996 organiseerden de Commissie en het Iers voorzitterschap van de Raad van Ministers van de Europese Unie een internationale conferentie in Dublin onder de titel: „Is the European Union Seafarer an endangered species?” (Worden zeevarenden uit de Europese Unie met uitsterven bedreigd?). Tijdens de conferentie werd algemeen erkend dat de Europese zeevarenden van vitaal belang zijn voor de maritieme industrie van Europa. Er werden voorstellen gedaan om te komen tot oprichting van een pool van hoog gekwalificeerde zeevarenden. In datzelfde jaar presenteerde de Commissie een analyse van de situatie in haar Mededeling „Op weg naar een nieuwe maritieme strategie” (1). De bezorgdheid kwam ook tot uiting in een resolutie van 24 maart 1997 betreffende een nieuwe strategie ter verbetering van het concurrentievermogen van de communautaire scheepvaart (2). De Raad van Ministers van de Europese Unie steunde de mededeling van de Commissie en erkende onder meer dat concrete maatregelen nodig zijn om de werkgelegenheid van zeevarenden uit de EU te bevorderen.

1.2

In haar Mededeling inzake de opleiding en rekrutering van zeevarenden (3) stelde de Commissie vast dat het aanbod van goed opgeleid personeel, met name officieren, de afgelopen 20 jaar scherp gedaald is. Sinds het begin van de jaren '80 is de EU-vloot fors gekrompen en is het aantal EU-zeevarenden sterk afgenomen. De geregelde personenvervoer- en veerdiensten in de EU vormen hierop een uitzondering: deze markt wordt nog steeds voornamelijk bediend door schepen en zeevarenden uit de EU. De scheepvaartindustrie, lidstaten en Commissie hebben het probleem van het afnemende aantal zeevarenden uit de EU en het tekort aan goed gekwalificeerd personeel meermalen aan de orde gesteld, maar maatregelen om de neerwaartse tendens tot stand te brengen c.q. te keren hebben nauwelijks resultaat opgeleverd.

1.3

Er zijn diverse studies en onderzoeksprojecten opgezet met betrekking tot de afname van het aantal EU-zeevarenden, zoals:

de „study on the maritime professions in the European Union” (1996, gefinancierd door de Commissie),

de FST/ECSA-studie (1998, gefinancierd door de Commissie) (4),

het METHAR-onderzoeksproject (5) en het METNET-onderzoeksproject (6) (beide gefinancierd door de Europese Commissie krachtens het OTO-programma betreffende vervoer van het vierde resp. het vijfde kaderprogramma).

1.4

Het „BIMCO/ISF 2000 Manpower Update Report” (7) (april 2000) is waarschijnlijk de tot dusver meest omvangrijke studie inzake de vraag naar en het aanbod van zeevarenden wereldwijd in de koopvaardij. Het rapport wijst uit dat er momenteel wereldwijd een tekort is aan 16 000 officieren, 4 % van het totale aantal. Voor 2010 wordt, afhankelijk van groei, kwalificatieniveau van de bemanning, verloop en opleiding, na een gevoeligheidsanalyse ofwel een overschot van ca. 11 % ofwel een tekort van 24 % voorspeld. Naar verwachting zal een „update report” in 2005 op een tekort wijzen. Volgens de FST/ECSA-studie van 1998 (8) heeft Europese Unie met hetzelfde probleem te kampen, maar in nog ernstiger mate: het tekort wordt geraamd op ca. 13 000 officieren in 2001 en zal naar schatting oplopen tot zo'n 36 000 in 2006.

1.5

Een recente studie (9) die in het Verenigd Koninkrijk (VK) werd verricht door de Universiteit van Cardiff in opdracht van het ministerie van Vervoer, de Chamber of Shipping en The Marine Society heeft uitgewezen dat er een aanzienlijk tekort bestaat aan goed gekwalificeerde zeevarenden die binnen de scheepvaart functies aan wal kunnen vervullen in het VK.

1.6

De Commissie heeft erkend dat de korte vaart een onlosmakelijk deel van het vervoerssysteem uitmaakt (10). Ofschoon in het kader van de richtsnoeren voor staatssteun aan het zeevervoer initiatieven zijn ondernomen om de korte vaart een grotere rol te laten spelen, zijn belangrijke concrete verbeteringen met betrekking tot de werkgelegenheid van zeevarenden uit de EU uitgebleven. Het geregistreerde tonnage daalt in sommige lidstaten niet meer en in een aantal lidstaten is het zelfs weer toegenomen. Het aantal zeevarenden uit de EU blijft echter teruglopen.

2.   Aanbevelingen van de Commissie over de werving en opleiding van zeevarenden en de bevordering van het zeevervoer (11)

2.1

Zonder voorbij te gaan aan het feit dat de hoofdverantwoordelijkheid voor werkgelegenheid en opleiding bij de lidstaten ligt, heeft de Commissie de volgende prioritaire acties aanbevolen:

a)

de bestaande communautaire en internationale wetgeving betreffende leef- en arbeidsomstandigheden alsmede de kwaliteit van werkzaamheden aan boord van schepen wordt correct geïmplementeerd, om zo capabel personeel door middel van betere sociale voorwaarden aan te trekken en te behouden;

b)

de sociale partners treffen regelingen om de toenemende concurrentie van goedkope arbeidskrachten uit derde landen bij de geregelde personenvervoer- en veerdiensten binnen de Europese Unie het hoofd te bieden, als aanvulling op de oplossing die de Commissie zelf heeft aangedragen;

c)

lidstaten en sociale partners organiseren gecoördineerde bewustmakingscampagnes op nationaal en Europees niveau, die gericht zijn op het oppoetsen van het imago van de scheepvaartindustrie en op het informeren van jonge mensen over de mogelijkheden en implicaties van een maritieme loopbaan;

d)

reders gaan na hoe de leef- en arbeidsomstandigheden, waaronder gages en de roulering tussen verblijf op zee en aan wal, verbeterd kunnen worden;

e)

in de EU wordt een hoogwaardig maritiem opleidingsstelsel in stand gehouden en de lidstaten en de sociale partners zorgen voor voldoende opleidingsplaatsen aan boord;

f)

lidstaten en sociale partners onderzoeken en benutten de communautaire instrumenten voor financiële steun aan de maritieme opleiding;

g)

de Gemeenschap kan de inspanningen van de industrie om het huidige tekort aan zeevarenden uit de EU te bestrijden steunen door het sponsoren van een aantal ad-hoconderzoeksprojecten uit hoofde van het zesde kaderprogramma.

2.1.1

In zijn advies (12) wees het Comité erop dat alle partijen tot wie de mededeling van de Commissie over de opleiding en rekrutering van zeevarenden is gericht, zorgvuldig kennis moeten nemen van de hierin opgenomen aanbevelingen. Verder moeten de lidstaten de mogelijke overheidssteun in het zeevervoer en andere bestaande EU-steuninstrumenten optimaal benutten. Ook moeten de leef- en arbeidsomstandigheden aan boord verbeterd worden, relevante internationale normen geratificeerd en toegepast worden en waar nodig maatregelen worden getroffen om het sociale prestige en de arbeidsvreugde van zeevarenden te verhogen. Tot slot moeten lidstaten en sociale partners samenwerken om het beroep van zeevarende te bevorderen.

2.2

Zonder voorbij te gaan aan het feit dat de hoofdverantwoordelijkheid voor zeevervoer bij de lidstaten ligt, heeft de Commissie de volgende prioritaire acties aanbevolen, die vooral — maar niet uitsluitend — op de korte vaart zijn gericht:

a)

wettelijke acties, waaronder tenuitvoerlegging van de richtlijn betreffende bepaalde formaliteiten voor schepen die aankomen in en/of vertrekken uit havens van de lidstaten van de Gemeenschap (IMOFAL), tenuitvoerlegging van Marco Polo, normalisering en harmonisering van intermodale laadeenheden, de „autosnelwegen van de zee” en verbetering van de milieuprestatie van de scheepvaart;

b)

technische acties, waaronder een gids voor douaneprocedures voor de kustvaart, het vaststellen en opheffen van belemmeringen voor het succesvoller maken van de korte vaart, onderlinge aanpassing van nationale toepassingen en automatisering van de communautaire douaneprocedures, en onderzoek en technologische ontwikkeling;

c)

operationele acties, waaronder administratieve „one-stop shops”, zorg voor de vitale rol van de „Focal Points voor de korte vaart”, zorg voor het goed functioneren en begeleiding van „centra voor de bevordering van de korte vaart”, bevordering van het imago van de korte vaart als een succesvol vervoersalternatief, en verzameling van statistische informatie.

2.2.1

Het Europees Economisch en Sociaal Comité betuigde zijn instemming met de Mededeling van de Commissie in een advies (13) over het actieprogramma ter bevordering van de korte vaart. Het wees er wel op dat bepaalde knelpunten moeten verdwijnen, zodat de korte vaart kan overschakelen op intermodaliteit. Voorts toonde het zich bezorgd over een aantal gerelateerde kwesties en drong het erop aan dat voortdurend toezicht op de desbetreffende maatregelen wordt uitgeoefend.

3.   Aanbevelingen van de Raad inzake de werving en opleiding van zeevarenden en de bevordering van het zeevervoer

3.1

De Raad onderschreef (14) de algemene structuur en de beleidsaanwijzingen die in de Mededeling van de Commissie „Opleiding en rekrutering van zeevarenden” (15) zijn vervat. Hij erkende daarmee tevens de belangrijke plaats van de scheepvaart binnen de wereldwijde en de intracommunautaire handel. Voorts stelde hij dat zeevervoer de meest doeltreffende, milieuvriendelijke en goedkope vorm van vervoer is.

3.2

De Raad erkende het concurrerende karakter van de scheepvaart, maar wees er wel op dat schepen die niet aan de normen voldoen (substandaard schepen), moeten worden bestreden door in de internationale wetgeving internationale normen op te nemen dan wel lacunes weg te werken. Bovendien moet de bestaande wetgeving, waaronder de voorschriften inzake de leef- en werkomstandigheden van zeevarenden als fundamentele elementen van de scheepsveiligheid, toegepast en nageleefd worden.

3.3

De Raad benadrukte dat de menselijke factor wezenlijk is voor kwaliteitsscheepvaart en stelde dat de publieke opinie positief beïnvloed moet worden, door beroepen op zee een beter imago te geven en aantrekkelijker te maken.

3.4

De Raad stelde tevens dat de communautaire richtsnoeren inzake staatssteun in de maritieme sector een positief effect hebben op de handhaving van het concurrentievermogen van de vloot van de lidstaten en de vermeerdering van het aantal schepen in de registers van de lidstaten.

3.5

Gezien het belang van het zeevervoer formuleerde de Raad onder meer de volgende specifieke aanbevelingen en opmerkingen:

a)

de communautaire richtsnoeren voor staatssteun in de maritieme sector moeten spoedig worden herzien om de handhaving van het concurrentievermogen en de Europese knowhow inzake de zeevaart te bevorderen en de werkgelegenheid van de Europese zeevarenden te stimuleren;

b)

de lidstaten moeten het imago van de zeevaart verbeteren;

c)

de kwaliteitszeevaart moet verder worden bevorderd door strengere handhaving van de rechtsinstrumenten van de IMO en IAO alsook, in het kader van de controle op vlaggenstaten en havenstaten, van de communautaire wetgeving;

d)

er moet worden nagegaan hoe, bij wijze van aanmoediging voor de kwaliteitsscheepvaart, een Europees systeem voor de beloning van kwaliteit ingesteld kan worden ter erkenning van kwalitatief hoogstaande operatoren, waarbij onder meer aan de normen voor veiligheid, leef- en werkomstandigheden voor zeevarenden, veiligheid en milieubescherming moet worden voldaan;

e)

de Raad toonde zich ingenomen met het voornemen van de Commissie om een verslag over de mogelijke ontwikkeling van specifieke procedures voor de erkenning van bevoegdheidscertificaten in de Gemeenschap, in overeenstemming met de vereisten van het STCW-Verdrag;

f)

de sociale partners moeten bijdragen tot de inspanningen van de lidstaten en de Commissie om een baan op zee voor jongeren aantrekkelijk te maken, onder meer door aantrekkelijke werk- en salarisvoorwaarden te scheppen; dit betekent dat ook de werkgelegenheid van vrouwen aan boord en aan wal bevorderd moet worden;

g)

de reders moeten zorgen voor voldoende en blijvende werkgelegenheid voor EU-burgers aan boord van hun schepen en in hun bedrijven; zij moeten loopbaancontracten met jonge officieren sluiten waarin hun een carrière wordt geboden met mobiliteit, promotie en toekomstig werk aan land in het verschiet, en zij moeten de werk- en leefomstandigheden aan boord verbeteren door gebruik te maken van moderne technologie en moderne communicatiemiddelen;

h)

overeenkomsten inzake arbeidsnormen, zoals die van de IAO, zijn belangrijk.

4.   Adviezen van het Europees Parlement over de werving en opleiding van zeevarenden en de bevordering van het zeevervoer

4.1

Het Europees Parlement heeft zich bij diverse gelegenheden uitgesproken over de bevordering van het zeevervoer en van het beroep van zeevarende. Vooral de resolutie over de verbetering van de veiligheid op zee (P5_TA_PROV(2004)0350), die het Parlement onlangs naar aanleiding van het ongeval met de tanker Prestige langs de kust van Galicië (Spanje) heeft uitgebracht, bevat een aantal voorstellen voor maatregelen die de scheepvaart in de EU al dan niet rechtstreeks een forse impuls zouden geven, met alle gunstige gevolgen voor reders en zeevarenden uit de EU van dien.

4.2

Het gaat onder meer om de volgende interessante aanbevelingen:

4.2.1

„[Het EP] pleit voor een omvattend en coherent Europees maritiem beleid, gericht op de totstandkoming van een Europese ruimte van veiligheid op zee; is van oordeel dat de hoekstenen voor dit beleid onderstaande maatregelen moeten zijn:

een verbod op goedkope vlaggen en vaartuigen die niet aan de normen voldoen;

verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden aan boord en van de zeevaartopleidingen …;”

4.2.2

„[Het EP] onderstreept dat het voor de veiligheid op zee onontbeerlijk is dat zeelui opgeleid zijn, hun arbeidsomstandigheden en werktijd acceptabel en hun vergoeding degelijk en dat een einde wordt gemaakt aan de overbelasting die op vele schepen bestaat; verzoekt de Commissie via wetgeving te werken aan harmonisatie en een opwaardering van het beroep in kwestie op Europese schaal en in deze zin op te treden binnen de IMO.”

4.2.3

„[Het EP] verlangt maatregelen om beroepszeelieden een waardiger bestaan te bieden teneinde deze beroepen aantrekkelijker te maken voor jongeren in het algemeen en Europese jongeren in het bijzonder.”

5.   Algemene op- en aanmerkingen

5.1

De scheepvaart speelt een essentiële rol in het beleid van de EU ten behoeve van een duurzame ontwikkeling. Het belang van het zeevervoer werd aangegeven in het Witboek van de Commissie „Het Europese vervoersbeleid tot het jaar 2010: tijd om te kiezen” (16) en omschreven in een beleidsdocument over wetgeving en doelstellingen van de Europese Unie voor het zeevervoer (17).

5.2

Een groot gedeelte van de im- en exporthandel van de EU wordt per schip vervoerd: 40,7 % van de waarde van de handel en 69,9 % van het gewicht van de goederen (18). Voor insulaire lidstaten liggen deze percentages nog een stuk hoger. De zeevaart is daarmee de belangrijkste vervoerswijze voor de handel tussen de EU en derde landen.

5.3

Ook een deel van de intracommunautaire handel wordt verscheept: 12 % van de waarde van de handel en 19,7 % van het gewicht van de goederen (19). Voor sommige regio's en voor afgelegen eilanden liggen deze percentages nog een stuk hoger. Met name de economieën van het VK en Ierland zijn volledig afhankelijk van zeevervoer.

5.4

Een gezonde en krachtige scheepvaartindustrie draagt bij tot het behoud van andere transportwijzen. Bovendien is een succesvolle scheepvaartindustrie van belang voor het behoud en de bloei van de hele maritieme sector. Het is met name wenselijk dat goed opgeleide, zeer capabele zeevarenden binnen de maritieme sector terechtkomen in onderdelen als dienstverlening, financiën, recreatie en fabricage. Hoewel substitutie in zekere mate mogelijk is, zijn alternatieve opleidingsmethoden niet altijd wenselijk of haalbaar.

5.5

Er moet onderscheid worden gemaakt tussen matrozen en officieren. Reders lijken meer geneigd te zijn om officieren uit de EU aan te nemen, ondanks hun hogere arbeidskosten.

5.6

Veel officieren uit de EU zijn op zee werkzaam in riskante of waardevolle sectoren en bezetten in de hele scheepvaartindustrie hogere functies op allerlei verschillende schepen. Zowel binnen scheepvaartmaatschappijen als in het management van vloten binnen en buiten de EU wordt op grote schaal gebruik gemaakt van hun ervaring.

5.7

Vele matrozen uit de EU zijn op schepen die in de EU geregistreerd staan, vervangen door zeevarenden van buiten de EU. Zij vinden steeds vaker alleen nog werk op gespecialiseerde schepen, bijvoorbeeld in de offshore-energiewinning. Dit is het gevolg van maatregelen van reders om de arbeidskosten terug te dringen teneinde concurrerend te blijven en/of hun rentabiliteit te verbeteren.

5.8

Zeehavens zijn als hubs van grote betekenis voor de bevordering van de handel en economische ontwikkeling van lidstaten. De Organisatie van de zeehavens van de Europese Gemeenschap wijst in haar jaarverslag aan de hand van statistische gegevens ook op de belangrijke functie van zeehavens als hubs (20). Zeehavens in de EU bezetten bepaalde posten met hooggekwalificeerde en ervaren zeevarenden. Terwijl bijv. loodsen en havenmeesters een gemakkelijk te identificeren groep vormen, vervullen ervaren zeelieden uiteenlopende functies binnen het havenbeheer en logistieke activiteiten.

5.9

Gespecialiseerde scheepvaartdiensten vormen een belangrijke inkomstenbron in de EU. Naast het beheer en de exploitatie van vloten valt daarbij ook te denken aan meer indirecte terreinen als makelaardij, wetgeving en financiële dienstverlening.

5.10

De productie van scheepsuitrusting, waaronder veiligheidsvoorzieningen voor schepen en de recreatiesector, is een belangrijke industrietak in de EU. Sommige voormalige zeevarenden hebben hier werk gevonden in ontwikkeling- en verkoopafdelingen.

5.11

De scheepsbouw gaat weliswaar zwaar gebukt onder de concurrentie — met name van het Verre Oosten — maar speelt in sommige lidstaten nog altijd een belangrijke economische rol. De industrie richt zich nu vooral op de bouw van oorlogsschepen, cruiseschepen en zeer gespecialiseerde schepen. Ook scheepsreparatie en leveringen voor de offshore-energiewinning zijn belangrijke activiteiten.

5.12

Hooggekwalificeerde en ervaren zeelieden zijn ook gewild bij regelgevende organen van de EU-lidstaten. Zij zijn nodig bij de scheepsinspectie in het kader van de vlaggenstaat- en havenstaatcontrole, om zo de veiligheid op zee en de bescherming van het mariene milieu te waarborgen.

5.13

Zeevaartscholen in de Gemeenschap bieden onderdanen uit derde landen zeer goede opleidings- en scholingsmogelijkheden. Op deze manier dragen zij bij tot een veilige zeevaart, de veiligheid op zee en de bescherming van het mariene milieu.

5.14

Hooggekwalificeerde en ervaren EU-zeelieden zijn nodig bij de duurzame ontwikkeling van de maritieme infrastructuur en in dienstverlenende subsectoren. Het gezamenlijke voorstel van ECSA/ITF voor een project (21) om de carrièremogelijkheden in de zeevaartindustrie in kaart te brengen is aanvaard; de conclusies ervan zouden in de loop van 2005 beschikbaar moeten zijn.

5.15

Er is onvoldoende bewijs voor dat jongeren in de EU niet aan een loopbaan in de scheepvaartindustrie willen beginnen. Doelgerichte promotiecampagnes die jongeren kansen binnen de scheepvaartindustrie bieden, blijken vele sollicitanten aan te trekken.

6.   Maritieme beroepen

6.1

Het is een feit dat het zeeliedenbestand aan het vergrijzen is en er momenteel onvoldoende nieuwe mensen worden geworven om het huidige aantal zeevarenden uit de EU op peil te houden. Dit geldt met name voor hogere officieren, die niet alleen werken op schepen die onder EU-vlag varen, maar ook in trek zijn op schepen die onder buitenlandse vlag varen. Gezien de tijd die het vergt om mensen op te leiden en de nodige ervaring te laten opdoen wordt de situatie in sommige lidstaten onderhand nijpend.

6.2

De aantrekkingskracht van een loopbaan op zee lijkt aanzienlijk van lidstaat tot lidstaat te verschillen. Dit kan het gevolg zijn van uiteenlopende economische omstandigheden, geografische ligging of cultuur.

6.3

Er wordt wel gesteld dat jongeren steeds minder bereid zijn om lange tijd op zee te verblijven, omdat zij dat sociaal en financieel onaantrekkelijk vinden. Er zijn echter weinig beroepen waarin mensen zo lang vrij krijgen om zich te ontspannen en op vakantie te gaan.

6.4

In het Verenigd Koninkrijk is gebleken dat goede promotiecampagnes met betrekking tot een loopbaan in de scheepvaartindustrie ertoe leiden dat voldoende jongeren zich voor de beschikbare opleidingsplaatsen inschrijven.

6.5

Het is van levensbelang voor de maritieme industrie dat bij promotiecampagnes om jongeren voor maritieme beroepen te interesseren, van „een loopbaan in de scheepvaart” en niet van „een loopbaan op zee” wordt gesproken. Zo wordt gerefereerd aan de ruimere carrièremogelijkheden in de scheepvaart en kan de weerstand van jongeren en ouders tegen een maritieme loopbaan verminderd worden.

6.6

Zeevaartscholen moeten niet alleen voldoen aan het STCW-verdrag en de ISM-code, maar moeten er daarnaast ook voor zorgen dat hun opleidingen en cursussen actueel blijven en beantwoorden aan de behoeften van de industrie en dat zij de studenten leren omgaan met technologische veranderingen.

6.7

De visserij en de marine vormen een nuttige, zij het beperkte bron van extra arbeidskrachten voor de scheepvaart. Aangezien de visserij afneemt en de marine in de EU wordt ingekrompen, kunnen zij steeds minder zeevarenden leveren voor een baan op zee of aan wal in de scheepvaartindustrie. Een inkrimping van de EU-vissersvloot zal gezien de vergrijzing in deze sector waarschijnlijk geen grote aantallen zeevarenden opleveren.

6.8

Het behoud van matrozen uit de EU is ook belangrijk voor het behoud van de Europese vakbekwaamheid op maritiem vlak. Daarnaast zijn deze matrozen ook van belang omdat uit hun midden kandidaten gerekruteerd kunnen worden om opgeleid te worden tot officier.

7.   Maritiem vervoer

7.1

Een aantal lidstaten heeft initiatieven ondernomen om de korte vaart te bevorderen. In sommige gevallen zijn deze initiatieven nog maar net van de grond gekomen en is het nog niet duidelijk in hoeverre zij vruchten afwerpen. Het lijkt er echter op dat de lidstaten nauwelijks met elkaar samenwerken. Dankzij initiatieven als het aanwijzen van „autosnelwegen van de zee” kan de scheepvaart zich meer profileren. Het is noodzakelijk dat alle lidstaten met elkaar samenwerken om de mogelijkheden van het vervoer over zee optimaal te benutten.

7.2

De richtsnoeren inzake steunmaatregelen ten behoeve van de scheepvaart zijn weliswaar van essentieel belang om onvervalste concurrentie tussen lidstaten en een groter concurrentievermogen te waarborgen, maar men kan zich afvragen of dergelijke maatregelen wel zinvol zijn, aangezien het aantal schepen en zeevarenden uit de EU blijft dalen.

7.3

Er zijn aanwijzingen dat sommige lidstaten de mogelijkheden die de richtsnoeren bieden niet optimaal benutten. Bovendien lijkt de wil te ontbreken om veranderingen door te voeren in die gevallen waarin beperkingen bestaan of worden verondersteld te bestaan.

7.4

Het Comité erkent dat het de taak van de lidstaten is om de scheepvaart te bevorderen, maar wijst erop dat de ontwikkeling van de scheepvaart belemmerd lijkt te worden doordat centrale coördinatie totaal ontbreekt. Als gevolg hiervan hebben initiatieven als Marco Polo en de „autosnelwegen van de zee”, die de korte vaart moeten bevorderen, tot dusverre nog geen effect kunnen sorteren.

8.   Aanbevelingen

8.1

De Commissie dient de nodige maatregelen te treffen en aanbevelingen te doen teneinde:

a)

de huidige maatregelen van de lidstaten ter bevordering van het vervoer over zee te evalueren;

b)

de huidige maatregelen van de lidstaten ter bevordering van de werving en opleiding van zeevarenden te evalueren;

c)

te schatten hoeveel zeevarenden uit de EU nodig zijn om de maritieme infrastructuur en aanverwante industrieën in stand te houden;

d)

na te gaan of de in de richtsnoeren inzake staatssteun opgenomen bepalingen met betrekking tot het eerste certificaat goed functioneren en toereikend zijn en daarnaast onderzoek te doen naar de mogelijkheid voor personeel aan boord om het tweede en derde STCW-certificaat te behalen;

e)

ervoor te zorgen dat prioriteiten worden gesteld, in die zin dat op schepen uit de EU de voorkeur wordt gegeven aan het werven, opleiden en aanhouden van burgers uit de EU als zeevarenden.

8.2

De lidstaten dienen de nodige maatregelen te treffen en aanbevelingen te doen teneinde:

a)

ervoor te zorgen dat de fundamentele IAO-Verdragen en geconsolideerde verdragen, IMO-verdragen — zoals gewijzigd — en EU-richtlijnen worden geïmplementeerd en nageleefd en dat er adequate arbeids- en leefomstandigheden geboden kunnen worden;

b)

financiële steun te verlenen ten behoeve van opleiding door optimaal gebruik te maken van de richtsnoeren inzake staatssteun; zo nodig gebeurt dit via het belasting- en socialezekerheidsstelsel;

c)

vast te stellen welke andere maatregelen nodig zijn om de werving en opleiding van zeevarenden uit de EU te bevorderen;

d)

samen met de sociale partners succesvolle promotiecampagnes op te zetten om jongeren voor een loopbaan in de scheepvaart te interesseren;

e)

ervoor te zorgen dat er genoeg geld beschikbaar is voor goede scholen die gespecialiseerde opleidingen in de scheepvaart verzorgen;

f)

verdere steun van de maritieme sector ten behoeve van de opleiding van zeevarenden aan te moedigen;

g)

te zorgen voor de noodzakelijke vervoersinfrastructuur om de inzet van scheepvaart te vergemakkelijken en te bevorderen;

h)

het gebruik van de zeevaart als milieuvriendelijke vervoerswijze te bevorderen;

i)

te zorgen voor een adequaat aanbod van schepen om in de strategische en economische behoeften te kunnen voorzien;

j)

te voorkomen dat er maatregelen worden ingevoerd die het beroep van zeevarende in de criminele sfeer trekken en ervoor te zorgen dat maatregelen die zeevarenden, met name kapiteins, criminaliseren, worden afgeschaft.

8.3

Het Europees Parlement en de Raad dienen:

a)

voorstellen van de Commissie voor maatregelen om het vervoer over zee te bevorderen, te vergemakkelijken;

b)

voorstellen van de Commissie voor maatregelen om de werving en opleiding van zeevarenden te bevorderen, te vergemakkelijken;

c)

toezicht te houden op de inspanningen van de Commissie met betrekking tot maatregelen om de zeevaart te bevorderen;

d)

toezicht te houden op de inspanningen van de Commissie met betrekking tot maatregelen om de werving en opleiding van zeevarenden te bevorderen.

8.4

Reders dienen de nodige maatregelen te treffen om:

a)

te zorgen voor goede arbeids- en leefomstandigheden, om zo de werving en opleiding van capabele zeevarenden uit de EU te bevorderen;

b)

capabele mensen te werven en een goede opleiding te geven;

c)

te zorgen voor voldoende opleidingsplaatsen en posten om de toevoer van hogere officieren uit de EU te waarborgen;

d)

na te gaan hoe de scheepvaart een grotere rol kan spelen in de handel tussen de lidstaten en in de handel met derde landen.

8.5

Vakbonden dienen de nodige maatregelen te treffen om:

a)

carrières in de scheepvaart te bevorderen;

b)

de professionaliteit van zeevarenden uit de EU te waarborgen;

c)

bij te dragen aan de bevordering van de scheepvaart, waaronder de korte vaart.

Brussel, 15 december 2004

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

A.-M. SIGMUND


(1)  COM(96) 81 def. van 8.4.1997

(2)  PB C 109 van 8.4.1997, blz. 1

(3)  COM(2001) 188 def. van 6.4.2001, EESC-advies in PB C 80 van 3.4.2002, blz. 9

(4)  Bron: gezamenlijke studie van de Federatie van de bonden voor het vervoerspersoneel (FST) en van de Associatie van de reders van de Europese Gemeenschap (ECSA): „Improving the Employment Opportunities for EU Seafarers: An Investigation to Identify Seafarers Training and Education Priorities” (1998)

(5)  METHAR: Harmonization of European Maritime Education and Training Schemes

(6)  METNET: Thematic Network on Maritime Education, Training and Mobility of Seafarers

(7)  BIMCO (Baltic and International Maritime Council)/ISF (International Shipping Federation) 2000 Manpower Update – The World-wide Demand for and Supply of Seafarers – april 2000

(8)  zie voetnoot 4

(9)  „The UK economy's requirements for people with experience of working at sea 2003” van de Universiteit van Cardiff in opdracht van het ministerie van Vervoer, de Britse koopvaardijkamer en The Marine Society

(10)  COM(2003) 155 def. van 7.4.2003

(11)  Zie voetnoot 3

(12)  Advies EESC in PB C 80 van 3.4.2002, blz. 9

(13)  Advies EESC in PB C 32 van 5.2.2004, blz. 67

(14)  2515e vergadering van de Raad op 5.6.2003, 9686/03 (pers 146)

(15)  zie voetnoot 3

(16)  COM(2001) 370 def.

(17)  Maritime Policy „European Union legislation and objectives for sea transport” – Europese Commissie 2002

(18)  EU Energy and Transport in Figures Statistical Pocketbook 2003 – Europese Commissie

(19)  zie voetnoot 16

(20)  Jaarverslag 2003 van de Organisatie van de zeehavens van de Europese Gemeenschap

(21)  Voorstel voor een gezamenlijk project van ECSA en ITF over het in kaart brengen van de carrièremogelijkheden in de zeevaartindustrie, 2004


28.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 157/48


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Ontwerpbeschikking van de Commissie betreffende de toepassing van artikel 86 van het Verdrag op staatssteun in de vorm van compensaties voor de openbare dienst die wordt toegekend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen en de Ontwerprichtlijn van de Commissie tot wijziging van Richtlijn 80/723/EEG betreffende de doorzichtigheid in de financiële betrekkingen tussen lidstaten en openbare bedrijven

(2005/C 157/06)

Op 19 maart 2004 heeft de Commissie besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 262 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap te raadplegen over de voornoemde ontwerpen.

De gespecialiseerde afdeling „Vervoer, energie, infrastructuur, informatiemaatschappij”, die met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 5 oktober 2004 goedgekeurd. Rapporteur was de heer HERNÁNDEZ BATALLER, co-rapporteur de heer BURANI.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft dit advies tijdens zijn op 15 en 16 december 2004 gehouden 413e zitting (vergadering van 15 december) met 140 stemmen vóór en 0 stemmen tegen, bij 9 onthoudingen, goedgekeurd.

1.   Inleiding

1.1

Overeenkomstig art. 3, sub g), van het EG-Verdrag omvat het optreden van de Gemeenschap „een regime waardoor wordt verzekerd dat de mededinging binnen de interne markt niet wordt vervalst”. Van essentieel belang in deze regeling is dat er doeltreffend wordt gecontroleerd om tegen te gaan dat er concurrentievervalsing ontstaat als gevolg van staatssteun.

1.2

Tijdens opeenvolgende Europese Raden is er steeds op gewezen dat het verlenen van staatssteun goed in de gaten moet worden gehouden. In de conclusies van de Europese Raad van Stockholm van 24 maart 2001 wordt hierover het volgende gezegd: „Het niveau van de staatssteun in de Europese Unie moet worden teruggedrongen en het systeem moet transparanter worden gemaakt. Daartoe (…) moeten de lidstaten tegen 2003 een neerwaartse trend in hun staatssteun ten opzichte van het BBP kunnen aantonen, rekening houdend met de noodzaak de steun om te buigen naar horizontale doelstellingen van gemeenschappelijk belang, met inbegrip van cohesiedoelstellingen.”

1.3

De Europese Commissie heeft een voorstel ingediend ter regulering van staatssteun in de vorm van compensaties voor de openbare dienst die wordt toegekend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen. Dit voorstel bestaat uit een beschikking, een communautaire kaderregeling terzake en een wijziging van Richtlijn 80/723/EEG betreffende de doorzichtigheid in de financiële betrekkingen tussen lidstaten en openbare bedrijven (1).

1.4

Doel van dit voorstel is de Verdragsbepalingen, met name die betreffende mededinging, toe te passen op de financiële compensaties die lidstaten voor bepaalde diensten van algemeen economisch belang (DAEB's) verlenen om de specifieke kosten voortvloeiende uit de verplichting tot openbare dienstverlening, geheel of gedeeltelijk voor hun rekening te nemen.

1.4.1

In het voorstel wordt evenwel onderscheid gemaakt tussen verschillende soorten compensaties, waardoor het toepassingsgebied ervan wordt beperkt. Zo zijn de nieuwe bepalingen niet van toepassing op compensaties die voldoen aan de vier criteria welke door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in de arresten Altmark (2) en Enirisorse (3) zijn vastgesteld. Ten eerste moet de begunstigde onderneming daadwerkelijk belast zijn met de uitvoering van openbaredienstverplichtingen en moeten die verplichtingen duidelijk omschreven zijn. Ten tweede moeten de parameters op basis waarvan de compensatie wordt berekend, vooraf op objectieve en doorzichtige wijze worden vastgesteld. Ten derde mag de compensatie niet hoger zijn dan nodig is om de kosten van de uitvoering van de openbaredienstverplichtingen, rekening houdend met de opbrengsten alsmede met een redelijke winst, geheel of gedeeltelijk te dekken. In de vierde plaats ten slotte, wanneer de met de uitvoering van openbaredienstverplichtingen te belasten onderneming niet is gekozen in het kader van een regelconforme openbare-aanbestedingsprocedure, moet de noodzakelijke compensatie worden vastgesteld op basis van de kosten die een gemiddelde, goed beheerde onderneming die adequaat is uitgerust om zich van haar taak te kunnen kwijten, met inachtneming van een redelijke winst, zou hebben gemaakt om deze verplichtingen uit te voeren. Naar het oordeel van het Hof van Justitie vallen dergelijke compensaties niet onder de Verdragsbepalingen inzake staatssteun.

1.4.2

Evenmin is het voorstel van toepassing op de de minimis-financiële steun uit hoofde van Verordening (EG) nr. 69/2001 van de Commissie van 12 januari 2001 (4) en op steun voor bepaalde openbare omroepen (5).

1.4.3

Overeenkomstig hetgeen is bepaald in art. 73 van het EG-Verdrag en in de Verordeningen (EEG) nr. 1191/69 (6) en 1107/70 (7) van de Raad, zijn ook bepaalde steunmaatregelen op het gebied van het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren van de werkingssfeer van de voorgestelde beschikking uitgesloten, met name in het geval van ondernemingen waarvan de activiteiten uitsluitend bestaan uit de exploitatie van stads-, voorstads- en streekvervoerdiensten.

1.4.4

Tot slot worden, op basis van overwegingen van de Commissie zelf in het licht van de specifieke doelstellingen van het gemeenschappelijk vervoersbeleid, ook de compensaties voor de openbare dienst in de sectoren van het lucht- en zeevervoer van het toepassingsgebied uitgesloten (8). Een uitzondering vormt het zeevervoer wanneer het bij de openbare dienst gaat om het verzorgen van verbindingsdiensten naar eilanden waarbij jaarlijks minder dan 100 000 passagiers worden vervoerd.

1.4.5

Bijgevolg vallen onder het toepassingsgebied van de voorgestelde beschikking (art. 1), naast verbindingsdiensten naar eilanden, de voor openbare dienstverlening verleende compensaties in de vorm van staatssteun die wordt toegekend aan ondernemingen welke in alle onder het EG-Verdrag vallende sectoren werkzaam zijn, en aan de volgende voorwaarden voldoen:

1)

Een jaaromzet die, alle werkzaamheden bijeengenomen, vóór belasting in totaal minder dan „een nog vast te stellen plafond” (9) heeft bedragen gedurende de twee boekjaren voorafgaande aan het boekjaar waarin de verlening van de DAEB's is toegewezen, en waarbij het jaarlijkse compensatiebedrag voor de betrokken dienst minder dan „een nog vast te stellen plafond” (10) bedraagt. Waar het om kredietinstellingen gaat, wordt dit plafond vervangen door „een nog vast te stellen drempel” op basis van het balanstotaal;

2)

de compensaties toegekend aan ziekenhuizen die DAEB's verlenen;

3)

de compensaties toegekend aan sociale huisvestingsmaatschappijen die DAEB's verlenen.

1.4.6

Dat de beschikking op deze terreinen van toepassing is, laat onverlet dat staatssteun onder bepaalde omstandigheden verenigbaar is met art. 86, lid 2, van het EG-Verdrag. Zo stelt de Commissie voor, een onderscheid te maken tussen steun waarvan het hoge bedrag aanzienlijke mededingingsdistorsies kan meebrengen, en steun waarvan het bedrag bescheidener is.

1.4.7

Met de wijziging van de vigerende Richtlijn 80/723/EEG en de nieuwe definitie van „onderneming die tot het voeren van een gescheiden boekhouding is verplicht” wordt het nog noodzakelijker dat er transparantie is in de relaties tussen de lidstaten en de openbare bedrijven of bedrijven die openbaredienstverplichtingen hebben. Krachtens die definitie geldt de plicht tot het voeren van een gescheiden boekhouding, ongeacht de juridische kwalificatie die aan de compensaties voor de openbare dienst wordt gegeven, eveneens voor bedrijven die compensaties voor openbare dienstverlening ontvangen en die zich daarnaast ook met andere activiteiten dan DAEB's bezighouden.

1.4.8

Tot slot zijn de voorgestelde bepalingen van toepassing onverminderd striktere specifieke bepalingen in verband met de openbaredienstverplichtingen die in sectorale communautaire regelgeving zijn vervat, en onverminderd de communautaire bepalingen op het gebied van overheidsopdrachten.

1.4.9

Hoe dan ook is het voorstel van toepassing op diensten die DAEB's vormen in de zin van art. 86, lid 2, van het EG-verdrag. DAEB's worden in het voorstel echter niet gedefinieerd.

1.4.10

Concreter zijn andere bepalingen uit het voorstel, zoals die betreffende verenigbaarheid en vrijstelling van de aanmeldingsverplichting, de vereisten voor de publieke opdracht en de berekening van de compensatie.

1.4.11

Zo wordt in art. 2 van de voorgestelde beschikking bepaald dat compensaties die aan de vastgestelde voorwaarden voldoen, verenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt en vrijgesteld zijn van de verplichting tot voorafgaande aanmelding als bedoeld in art. 88, lid 3, van het Verdrag.

1.4.12

Op grond van art. 4 van het beschikkingsvoorstel moet de publieke opdracht worden toevertrouwd door middel van een officieel besluit (van wettelijke, bestuursrechtelijke of contractuele aard) waarin de precieze aard van de openbaredienstverplichtingen, de betrokken ondernemingen en het betrokken grondgebied zijn aangegeven.

1.4.13

Dit laatste aspect wordt zeer kernachtig behandeld in zowel art. 5 van de beschikking als in de punten 12 t/m 23 van de desbetreffende communautaire kaderregeling. In hoofdzaak wordt bepaald dat het bedrag van de compensatie niet hoger mag zijn dan hetgeen nodig is om de kosten van de uitvoering van openbaredienstverplichtingen te dekken, rekening houdend met de opbrengsten en met een redelijke winst uit de uitvoering van die verplichtingen.

1.4.14

De aan de DAEB's toegerekende kosten kunnen alle variabele kosten wegens het verstrekken van de DAEB's omvatten, plus een passende bijdrage in de vaste kosten en een passende vergoeding voor het eigen kapitaal voorzover dit wordt gebruikt voor de DAEB's (11). De kosten die aan activiteiten buiten de DAEB zijn verbonden, mogen onder geen beding aan de DAEB's worden toegerekend. Algemeen gesproken dient de berekening van de kosten „plaats te vinden in overeenstemming met algemeen aanvaarde boekhoudkundige beginselen.”

1.4.15

De inkomsten dienen minstens alle met de DAEB's behaalde inkomsten te omvatten. Onder „redelijke winst” dient te worden begrepen een vergoeding op het kapitaal waarmee rekening wordt gehouden met het risico voor de onderneming, of het ontbreken daarvan door het optreden van de staat (12).

1.4.16

Tot slot dient de staat regelmatig na te gaan dat er geen overcompensatie plaatsvindt, d.w.z. compensatie die voor de werking van de DAEB's niet noodzakelijk is. Deze vormt immers staatssteun die onverenigbaar is met de interne markt. Echter, wanneer het bedrag van deze overcompensatie het jaarcompensatiebedrag met niet meer dan 10 % overschrijdt, mag de overcompensatie naar het volgende jaar worden overgedragen. Daar de kosten bij bepaalde DAEB's bovendien jaarlijks sterk kunnen variëren, kan een overcompensatie van meer dan 10 % noodzakelijk blijken voor de werking van de DAEB's. In dat geval moet de staat op vaste, aan elke sector aangepaste tijdstippen, doch in ieder geval minstens om de drie jaar, de balans opmaken en dient de overcompensatie welke aan het eind van die periode wordt vastgesteld, te worden terugbetaald.

2.   Algemene opmerkingen

2.1

Met onderhavig voorstel komt de Commissie tegemoet aan haar tijdens de Europese Raad van Laken (december 2001) gedane toezegging om de rechtszekerheid op het gebied van compensaties voor de openbare dienst te vergroten en om concreet een communautaire kaderregeling voor te stellen voor staatssteun die verleend wordt aan met het beheer van DAEB's belaste ondernemingen (13).

2.2

Er heerst rechtsonzekerheid ten aanzien van de voorschriften die van toepassing zijn op de financiering van de diensten van algemeen belang en meer specifiek t.a.v. de toepassing van voorschriften inzake staatssteun, ondanks het eerder aangehaalde feit dat het Hof van Justitie in zijn rechtspraak (arresten Altmark en Enirisorse) aanvullende wettelijke criteria op dit gebied heeft aangegeven waaraan moet worden voldaan.

2.3

Toch is het zaak dat er nadere toelichting komt bij genoemde criteria en vooral bij de kostenberekeningsmethodes (transparantie, parameters) en de aard van de openbaredienstverplichtingen waarvoor compensatie kan worden verleend (14).

2.4

In dit opzicht komt het voorstel vooral gelegen voor de ondernemingen. Zolang de kaderregeling in kwestie immers niet in werking is getreden, kan iedere staatssteun die zij als DAEB-verleners ontvangen en die niet bij de Commissie is aangemeld, ongeacht de omvang ervan, onwettig zijn.

2.5

Derhalve zouden zij geen verweer hebben in geval van bij de nationale rechter aanhangig gemaakte zaken waarin de wettigheid van die steun wordt betwist.

2.6

Nadere toelichting is temeer noodzakelijk daar er met name twee gebieden bestaan (financiering en gunning van contracten) waarop de bevoegdheid van de lidstaten om DAEB-taken te definiëren en in te vullen geregeld botst met bepaalde basisnormen van het Gemeenschapsrecht.

2.7

Zo kunnen de lidstaten in ruime mate zelf beslissen of, en zo ja hoe, zij de aanbieding van DAEB's financieren. Zolang er van communautaire harmonisatie namelijk geen sprake is, reikt hun speelruimte tot de grenzen die zijn afgebakend door de noodzaak zich aan de Europese mededingingswetgeving te houden (15), waarbij zij aangetekend dat zij wel hun maatschappelijke taken moeten verrichten en voor volledige inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel moeten zorgen, dat immers een bindende vereiste van constitutionele aard is dat door zowel de Unie als de lidstaten moet worden geëerbiedigd, en dat er niet toe mag leiden dat er getornd wordt aan het communautaire acquis.

2.8

Ter wille van de „goede praktijken” en overeenkomstig het protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zou de Commissie moeten nagaan hoe zij expliciet kan uitleggen waarom elk van de voorstellen wordt ingediend (rechtsgrondslag, noodzaak, evenredigheid) en waarom dit op communautair niveau moet gebeuren (subsidiariteit, kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren).

2.9

Om deze en andere redenen kan het Commissievoorstel echter positief worden beoordeeld. In hoofdzaak wordt er hierin bij de overheden van de lidstaten op aangedrongen, basisvereisten na te leven. Zo moeten er bij het gunnen van overheidsopdrachten transparante procedures worden gevolgd en moeten mogelijke inbreuken op de vrije mededinging die veroorzaakt worden door ondernemingen die hun DAEB-taak niet naar behoren vervullen, goed in de gaten worden gehouden (16).

2.10

Het EESC is voorstander van een wetgevingsvoorstel waarmee de door het Hof van Justitie naar voren gebrachte criteria worden uitgebreid, teneinde de compensaties voor openbaredienstverlening te verwijderen uit de Verdragsbepalingen inzake staatssteun.

3.   Bijzondere opmerkingen

3.1

Niettemin wil het Comité bij bepaalde inhoudelijke en vormaspecten van het Commissievoorstel een aantal kanttekeningen plaatsen.

3.2

De drie voornaamste doelstellingen van het voorstel kunnen als volgt worden samengevat: 1) er moet voor gezorgd worden dat staatssteun van een „betrekkelijk beperkt bedrag” die verstrekt wordt aan ondernemingen welke belast zijn met het verlenen van DAEB's, verenigbaar is met de interne markt; 2) worden er voor het verlenen van DAEB's compensaties gegeven die dit bedrag overstijgen, dan moet de rechtszekerheid worden vergroot door een communautair kader te scheppen waarmee criteria voor de evaluatie van die compensaties worden vastgesteld; 3) er moeten criteria op een rij worden gezet waarmee kan worden bepaald of dergelijke compensaties staatssteun vormen.

3.3

Het EESC vindt dat de bepalingen van het voorstel moeten gelden voor alle duidelijk omschreven en bestendige compensaties voor openbaredienstverlening die overeenkomen met de veroorzaakte meerkosten en dit bedrag niet overstijgen, waarbij de gesteunde onderneming een gescheiden boekhouding voert. Dit alles onder voorbehoud van controle achteraf en sancties door de Commissie en het Hof van Justitie.

3.4

Het toepassingsgebied van het voorstel is echter niet goed afgebakend, vooral in het geval van de ontwerpbeschikking, waar het is vastgesteld aan de hand van weinig homogene criteria die bepaalde situaties of sectoren ofwel uitsluiten (zie par. 1.4.2 t/m 1.4.4 van dit advies), ofwel in algemene zin afbakenen aan de hand van meer kwantitatieve dan kwalitatieve criteria (par. 1.4.5).

3.5

Sommige juridische concepten uit de voorgestelde bepalingen zijn onvoldoende precies. Zo dient de berekening van de kosten van de DAEB's „plaats te vinden in overeenstemming met algemeen aanvaarde boekhoudkundige beginselen” en wordt bepaald dat het voorstel van toepassing is op „diensten die diensten van algemeen economisch belang in de zin van artikel 86, lid 2, van het Verdrag vormen”. Zoals bekend wordt dit begrip noch in de Verdragen, noch in het afgeleide Gemeenschapsrecht gedefinieerd.

3.6

Het EESC vindt dat alle cabotagediensten naar eilanden, net als de overige vervoerswijzen van de werkingssfeer moeten worden uitgesloten, tenzij de Commissie overtuigend kan aantonen dat opname ervan in de werkingssfeer noodzakelijk is.

3.7

In dit verband zou het, gezien de uitgesproken technische en instrumentele aard van de doelstellingen van het voorstel, redelijk zijn de Commissie te verzoeken het begrip DAEB beter af te bakenen van andere begrippen die in de grondwetstradities van de lidstaten de voorkeur lijken te hebben, zoals het begrip openbare dienstverlening en dienst van algemeen belang (17). Volgt men de in algemene bewoordingen gestelde definitie van het begrip DAEB die de Commissie hanteert, dan vallen activiteiten van enorm maatschappelijk belang zoals de financiering van onderzoek ter verbetering van de volksgezondheid of de consumentenbescherming, daar niet onder (18).

3.8

Het is dus zaak de begrippen „diensten van algemeen belang” en „diensten van algemeen economisch belang” op supranationaal niveau juridisch te verduidelijken. Minder dringend daarentegen is dat op hetzelfde niveau sociale diensten worden gedefinieerd, o.a. omdat dergelijke diensten voor het Gemeenschapsrecht alleen relevant zouden zijn als zij met economische voordelen voor de verlener ervan gepaard gaan. En mocht dit het geval zijn, dan zouden zij automatisch onder een van beide bovengenoemde begrippen vallen.

3.9

Daarnaast wordt in het voorstel geen aandacht besteed aan het in kaart brengen van de financieringsvormen voor DAEB's, zoals op solidariteit berustende financiering waarbij zich problemen voordoen ten aanzien van de toegang tot bepaalde nationale markten (bv. de verzekeringsmarkt). Ook worden geen criteria vastgesteld voor de beoordeling van goede praktijken op communautair niveau; één van de voordelen hiervan zou zijn dat er opheldering wordt gegeven over de wettigheid van het zgn. „afromen” (19).

3.10

Wat de inachtneming van de basisvoorschriften voor de interne markt betreft, wordt in het voorstel geen onderscheid gemaakt tussen sectoren en wordt de reactie van de ondernemingen niet in aanmerking genomen; overal gelden dezelfde criteria.

3.11

Daarbij wordt er ten onrechte van uitgegaan dat situaties, hoe verschillend ook, op gelijke wijze moeten worden behandeld. Drinkwatervoorziening, stadsriolering en afvalrecycling worden dan over één kam geschoren met gas- en stroomlevering, terwijl deze sectoren niet onder dezelfde voorwaarden functioneren (waar het gaat om milieu, infrastructuur, enz.) en ook de desbetreffende markten onvergelijkbaar zijn; sommige markten zijn lokaal of regionaal afgebakend, andere nationaal, transnationaal of internationaal. Het is dus niet verstandig om op deze verschillende sectoren dezelfde supranationale financieringsregels toe te passen.

3.12

Ook zijn niet alle sectoren voor DAEB-verleners even aantrekkelijk. De verlening van sommige diensten vereist bepaalde infrastructuur en voorzieningen, hetgeen normaal gesproken extra kosten met zich meebrengt. Bij gebrek aan winstvooruitzichten op korte en middellange termijn kan het zelfs gebeuren dat men er niet in slaagt particuliere investeringen aan te trekken.

3.13

Bovendien wordt het voorstel, dat art. 86, lid 3, van het EG-verdrag als rechtsgrondslag heeft, gekenmerkt door dezelfde asymmetrie als die welke er in de Verdragen bestaat tussen de mededingingsvoorschriften, waarin DAEB's als uitzonderingen gelden op art. 86, lid 2, van het EG-verdrag, en de positieve erkenning van DAEB's in art. 16 van het EG-verdrag en art. 36 van het Handvest van de grondrechten. Deze zienswijze doet afbreuk aan het feit dat DAEB's als zodanig een waardevolle rol vervullen, daar zij tot het beleid van de EU (sociale en territoriale samenhang) bijdragen en er borg voor staan dat de burgers kunnen genieten van grondrechten, zoals het recht op vrij verkeer.

3.14

De problemen die het voorstel oproept, raken dus het wezen van de door de Commissie gehanteerde wetgevingsaanpak, althans waar het gaat om het instrumentele oogmerk en de doeltreffendheid van de voorschriften. Wat het eerste aspect betreft, doet de aanpak denken aan de bekende typologie uit de groepsvrijstellingenverordeningen, die in het communautaire regelgevingssysteem voor de mededinging op de interne markt op brede schaal gebruikt wordt. Wanneer uiteenlopende situaties aldus op één hoop worden gegooid, dreigt het gevaar van een verhulde harmonisatie, waarbij via regelgeving wordt geprobeerd een alom toepasbare kant-en-klare oplossing te vinden voor de complexe realiteit van de DAEB's, terwijl er juist behoefte is aan een juridische aanpak met meer diepgang, waarbij gedetailleerder op de zaken wordt ingegaan.

3.15

Daarmee zijn we aanbeland bij het tweede aspect, nl. de doeltreffendheid van de voorschriften. Ondanks duidelijke verzoeken van het Comité (20) is er van tevoren geen voorstel voor een kaderrichtlijn ingediend waarin de fundamentele doelstellingen en wetgevingsbeginselen aangaande DAEB's zijn vastgelegd en een toelichting wordt gegeven bij de in de Verdragen en sectorspecifieke richtlijnen gebruikte begrippen en bij de voorwaarden waaronder de afzonderlijke dienstverleners activiteiten mogen ontplooien (21). Daarom levert het voorstel in kwestie op zich niet het niveau van rechtszekerheid op dat voor deze sector van de interne markt nodig is.

3.16

Blijft de vermelde juridische infrastructuur uit, dan zijn er talloze geschillen over toepassing en interpretatie te verwachten, met als uiteindelijk resultaat dat de bevoegde rechtsprekende organen het niet meer kunnen bolwerken. Tenuitvoerlegging van de regeling kan dan leiden tot schendingen van het subsidiariteitsbeginsel, dat in de huidige context van het integratieproces sterker wordt beschermd, bv. dankzij art. I-9 van het door de Conventie opgestelde Ontwerpverdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa en het daaraan gehechte subsidiariteitsprotocol.

3.17

Het EESC hoopt dat de inwerkingtreding van de geplande kaderregeling het streven naar meer economische, sociale en territoriale samenhang niet bemoeilijkt. Steunmaatregelen ter stimulering van de economische ontwikkeling van regio's met een abnormaal lage levensstandaard en hoge werkloosheid, en ter bevordering van de ontwikkeling van bepaalde activiteiten of bepaalde economische regio's, moeten in stand worden gehouden, al moeten ze wel bijgestuurd worden in de richting van de cohesiedoelstellingen, zoals in het Verdrag is bepaald.

3.18

Wellicht is het zaak het communautaire staatssteunbeleid op nieuwe leest te schoeien. Immers, de betrekkingen tussen de Commissie en de regionale/lokale overheden, waarmee de Commissie rechtstreeks te maken heeft bij alle zaken die verband houden met de steun die zij verlenen, dreigen alsmaar complexer te worden.

Brussel, 15 december 2004

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

A.-M. SIGMUND


(1)  Ontwerprichtlijn tot wijziging van Richtlijn 2000/52/EG (PB L 193 van 29-7-2000, blz. 75)

(2)  Arrest van 24 juli 2003 in zaak C-280/00, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie

(3)  Arrest van 27 november 2003 in de zaken C-34/01 t/m C-38/01, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie

(4)  PB L 10 van 13-1-2001, blz. 30. Het gaat hierbij om aan een onderneming verleende financiële steun waarvan het bedrag over een periode van drie jaar het plafond van 100 000 EUR niet overschrijdt. Er zij op gewezen dat genoemde verordening niet van toepassing is op de transportsector of werkzaamheden die verband houden met de verwerking of afzet van de in bijlage I van het Verdrag opgenomen producten.

(5)  In concreto die welke genoemd worden in de punten 49 t/m 56 van de Commissiemededeling uit PB C 320 van 15-11-2001.

(6)  PB L 156 van 28-6-1969. Laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 1893/91 (PB L 169 van 29-6-1991, blz. 1).

(7)  PB L 130 van 15-6-1970. Laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 543/97 (PB L 84 van 26-3-1997, blz. 6).

(8)  Voor deze sectoren zijn er evenwel regels vastgelegd, nl. in Verordening (EEG) nr. 2408/92 van de Raad van 23 juli 1992 (PB L 240 van 24-8-1992, blz. 8) betreffende de toegang van communautaire luchtvaartmaatschappijen tot intracommunautaire luchtroutes, laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 284 van 31-10-2003, blz. 1), en in Verordening (EEG) nr. 3577/92 van de Raad van 7 december 1992 (PB L 364 van 12-12-1992, blz. 7) betreffende cabotage in het zeevervoer.

(9)  Deze bedragen zullen definitief worden vastgelegd in het licht van de uitkomsten van de raadpleging die de Commissie over de inhoud van het voorstel organiseert.

(10)  Deze laatste drempel kan worden bepaald aan de hand van een jaargemiddelde, dat de contante waarde vertegenwoordigt van de compensaties die tijdens de duur van het contract of over een periode van vijf jaar worden toegekend.

(11)  Zie het arrest van het Hof van Justitie van 3 juli 2003 in gevoegde zaken C-83/01 P, C-93/01 P en C-94/01 P, Chronopost SA, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie

(12)  Krachtens art. 5, lid 4, van de beschikking moet aan het bepalen van de redelijke winst speciale aandacht worden geschonken wanneer er sprake is van de toekenning van uitsluitende of bijzondere rechten. Bovendien kan de lidstaat in kwestie hierbij stimulerende criteria invoeren die aan de kwaliteit van de aangeboden dienst zijn gekoppeld.

(13)  COM(2001) 598 def.

(14)  Werkdocument van de diensten van de Commissie „Verslag van de publieke raadpleging over het Groenboek over diensten van algemeen belang”, Brussel, 15 maart 2004, SEC(2004) 326, blz. 27-28

(15)  Zo kunnen de lidstaten diverse financieringsmechanismen toepassen, zoals directe financiële ondersteuning via de overheidsbegroting, toekenning van bijzondere of exclusieve rechten, bijdragen van marktdeelnemers, bepaling van een gemiddeld tarief en op solidariteit berustende financiering van de DAEB - zie COM(2004) 374, blz. 14

(16)  Zie het verslag van het Europees Parlement over het Groenboek over diensten van algemeen belang, Brussel, 17 december 2003, doc. A5-0484/2003 def., PE 323.188, blz. 11-13, en het advies van het Comité van de Regio's over het Groenboek over diensten van algemeen belang, PB C 73 van 23 maart 2004, blz. 7, in het bijzonder de blz. 10-11

(17)  Deze kwestie is door het Europees Economisch en Sociaal Comité meermaals ter sprake gebracht, het meest recent in zijn advies van 11 december 2003 inzake het „Groenboek over diensten van algemeen belang”, PB C 80 van 30 maart 2004, blz. 66

(18)  Zie bijlage 1 („Definities van termen”) van het „Witboek over diensten van algemeen belang”, COM(2004) 374 def., blz. 23

(19)  Bij gelijkstelling van tarieven en kruisfinanciering tussen winstgevende en verliesgevende diensten kunnen vooral in geliberaliseerde sectoren vraagtekens worden geplaatst.

(20)  PB C 241 van 7 oktober 2002, par. 4.4

(21)  Zie de paragrafen 3.1 t/m 3.5 van bovengenoemd EESC-advies van 11 december 2003


28.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 157/53


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van door de lidstaten afgegeven bewijzen van beroepsbekwaamheid van zeevarenden en tot wijziging van Richtlijn 2001/25/EG

(COM(2004) 311 def. — 2004/0098 (COD))

(2005/C 157/07)

Op 6 mei 2004 heeft de Raad besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 80, lid 2, van het EG-Verdrag te raadplegen over voornoemd voorstel

De gespecialiseerde afdeling „Vervoer, energie, infrastructuur, informatiemaatschappij”, die was belast met de voorbereidende werkzaamheden, heeft haar advies op 24 november 2004 goedgekeurd. Rapporteur was de heer Chagas.

Tijdens zijn 413e zitting op 15 en 16 december 2004 (vergadering van 15 december) heeft het Europees Economisch en Sociaal Comité het volgende advies uitgebracht, dat met 140 stemmen voor, bij 4 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Achtergrond

1.1

Op 26 april 2004 heeft de Commissie een voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van door de lidstaten afgegeven bewijzen van beroepsbekwaamheid van zeevarenden en tot wijziging van Richtlijn 2001/25/EG (1) gepubliceerd. Doel is een vereenvoudigde procedure in te voeren voor de erkenning van diploma's die door de lidstaten zijn afgegeven.

1.2

De vereisten inzake opleiding, diplomering en wachtdienst voor zeevarenden zijn vastgelegd in het Verdrag van de Internationale Maritieme Organisatie betreffende de Normen voor Zeevarenden inzake Opleiding, Diplomering en Wachtdienst van 1978, zoals gewijzigd (STCW-Verdrag). In dit verdrag zijn onder andere specifieke criteria vastgesteld voor de erkenning van diploma's van zeevarenden die door de partijen zijn afgegeven voor kapiteins, officieren of radio-operators.

1.3

Deze internationale vereisten werden in de communautaire wetgeving omgezet door Richtlijn 2001/25/EG (2) van het Europees Parlement en de Raad van 4 april 2001, laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2003/103/EC (3) inzake het minimumopleidingsniveau van zeevarenden (de Richtlijn). De diploma's voor zeevarenden die door de lidstaten worden afgegeven, moeten dus aan deze normen voldoen.

1.4

Wat de erkenning van diploma's tussen de lidstaten betreft, bepaalt de richtlijn dat voor de erkenning van diploma's van zeevarenden die al dan niet onderdanen van lidstaten zijn de bepalingen gelden van de Richtlijnen 89/48/EEG (4) en 92/51/EEG (5) betreffende een algemeen stelsel van erkenning van beroepsopleidingen. In het kader van dit algemene stelsel is een procedure vastgesteld voor de erkenning van de beroepsbekwaamheid van zeevarenden, die de vergelijking inhoudt van de gevolgde opleiding en de desbetreffende kwalificaties. In geval van wezenlijke verschillen tussen de opleiding en kunnen er voor de betrokken zeevarenden specifieke compensatiemaatregelen worden vastgesteld. Paradoxaal is dat erkenning van diploma's van andere EU-lidstaten moeilijker is dan erkenning van diploma's van derde landen.

1.5

De Commissie stelt voor dat alle diploma's die door een lidstaat in overeenstemming met de richtlijn voor zeevarenden zijn afgegeven, automatisch door de andere lidstaten worden aanvaard. De voorgestelde maatregel is vooral bedoeld om te waarborgen dat alle zeevarenden die in een lidstaat zijn gekwalificeerd en over dergelijke diploma's beschikken, op schepen mogen werken die onder de vlag van een lidstaat varen, zonder dat er verdere voorwaarden worden gesteld.

1.6

Daarnaast stelt de Commissie voor de vereisten van het STCW-Verdrag ten aanzien van de taalvaardigheden van zeevarenden over te nemen in communautaire wetgeving. Dit zou de communicatie tussen de bemanningsleden aan boord te goede komen en het vrije verkeer van zeevarenden vergemakkelijken.

1.7

De Commissie wil Richtlijn 2001/25/EG daarom wijzigen en aanvullen en stelt het volgende voor:

de lidstaten moeten maatregelen treffen om frauduleuze praktijken rond diploma's van zeevarenden te voorkomen en te bestraffen;

er wordt regelmatig nagegaan of de lidstaten voldoen aan de vereisten van Richtlijn 2001/25/EG.

2.   Algemene opmerkingen

2.1

Het Europees Economisch en Sociaal Comité erkent dat er een procedure ingevoerd moet worden voor de erkenning van diploma's van zeevarenden die in overeenstemming met de minimumeisen van Richtlijn 2001/25/EG, zoals gewijzigd, zijn afgegeven.

2.2

Om internationale verplichtingen na te kunnen komen moet er daarnaast voor worden gezorgd dat de vigerende voorschriften te allen tijde volledig in acht worden genomen.

2.3

In zijn conclusies van 5 juni 2003 wijst het Comité erop dat de Raad nadruk legt op de noodzaak om de mobiliteit van zeevarenden binnen de Unie te bevorderen (6).

2.4

Wederzijdse erkenning van diploma's door de lidstaten valt niet onder de desbetreffende bepalingen van het STCW-Verdrag, maar onder het algemene stelsel voor de erkenning van beroepsopleidingen, dat nogal wat belemmeringen oplevert.

2.5

De procedure die onlangs is ingevoerd voor erkenning van diploma's die buiten de Unie zijn afgegeven, is eenvoudiger. Zeevarenden met een diploma dat door een lidstaat is afgegeven, kunnen hierdoor benadeeld worden. De voorgestelde wijzigingen, die in overeenstemming zijn met internationale eisen, zouden dit mogelijke nadeel teniet moeten doen.

2.6

Bepaalde lidstaten behouden de functie van kapitein en van eerste stuurman voor aan hun eigen onderdanen, zoals door het Hof van Justitie is bevestigd (arresten in de zaken C-47/02 en C-405/01). Daarmee wordt bevestigd dat lidstaten mogelijk het vrije verkeer van zeevarenden belemmeren en zo functies aan hun eigen onderdanen voorbehouden. Van alle lidstaten hanteren Nederland en het Verenigd Koninkrijk de minste beperkingen ten aanzien van het aannemen van onderdanen uit andere landen.

2.7

Het is noodzakelijk dat aan boord een gemeenschappelijke werktaal wordt gehanteerd die alle zeevarenden begrijpen en waarin zij kunnen communiceren. Dit is vooral belangrijk in geval van nood en om de sociale omstandigheden aan boord te verbeteren.

2.8

De Commissie wijst terecht op de toename van het aantal frauduleuze praktijken, zoals blijkt uit een recente studie in opdracht van de Internationale Maritieme Organisatie (7). Het Comité dringt er bij de lidstaten op aan alles in het werk te stellen om fraude rond het behalen en afgeven van diploma's alsook vervalsing van diploma's te voorkomen.

2.9

Het Comité erkent dat er een beter, eenvoudiger stelsel voor de wederzijdse erkenning van diploma's tussen lidstaten ingevoerd moeten worden, maar wijst erop dat procedures ter bestrijding van fraude met diploma's noodzakelijk blijven. Het gastland moet de nodige procedures hanteren om ervoor te zorgen dat een zeevarende met een diploma van een andere lidstaat kan werken op een schip van het gastland.

2.10

Het gastland mag van alle diplomahouders verwachten dat zij over een zekere talenkennis beschikken. Daarnaast zou het echter ook moeten kunnen verlangen dat zij voldoende op de hoogte zijn van zijn maritieme wetgeving. Dit maakt een „document van erkenning” noodzakelijk.

2.11

Het Europees Agentschap voor Maritieme Veiligheid heeft de belangrijke taak ervoor te zorgen dat de lidstaten de voorschriften op uniforme wijze in acht nemen en dat de administratieve rompslomp zoveel mogelijk wordt beperkt. Alleen zo kan de professionaliteit van zeevarenden met een diploma dat door een EU-lidstaat is afgegeven, worden gegarandeerd.

2.12

Dit agentschap speelt een belangrijke rol, maar is wel onderhevig aan beperkingen. Het Comité wijst de Commissie erop dat er voldoende geld, personeel en technische middelen vrijgemaakt moeten worden.

2.13

Er kunnen problemen ontstaan als een onbeperkt aantal zeelieden uit lidstaten op schepen van een andere lidstaat mag aanmonsteren. Het EESC erkent dat dit in overeenstemming is met het vrije verkeer van werknemers en in sommige gevallen ook noodzakelijk is, maar wijst op het gevaar dat de banen van zeevarenden in bepaalde lidstaten op de tocht komen te staan als het aantal afgegeven diploma's in het geheel niet wordt beperkt. Dit kan uiteindelijk zijn weerslag hebben op het voortbestaan en de ontwikkeling van de maritieme vakbekwaamheid in de EU.

2.14

Om het voortbestaan en de ontwikkeling van de maritieme vakbekwaamheid te waarborgen, moeten lidstaten en sociale partners in onderlinge samenwerking een uitgebalanceerd werkgelegenheidsstelsel opzetten.

2.15

Helaas heeft de Commissie — net als eerder in het kader van de erkenning van diploma's van onderdanen van derde landen — nog steeds geen plaats ingeruimd voor bepalingen die erop gericht zijn alle zeevarenden op schepen die onder EU-vlag varen, hetzelfde socialebeschermingsniveau te bieden.

3.   Bijzondere opmerkingen

3.1   Artikel 1

De richtlijn is van toepassing op de beroepen in de zeevaart die worden uitgeoefend door onderdanen van een lidstaat en onderdanen van een derde land die houder zijn van een door een lidstaat afgegeven bewijs van beroepsbekwaamheid. Het is belangrijk dat het toepassingsgebied niet wordt uitgebreid tot diploma's die oorspronkelijk zijn afgegeven door een derde land en door een lidstaat worden aanvaard.

3.2   Artikel 3

In lid 2 staat dat alle zeevarenden die in het bezit zijn van een passend vaarbevoegdheidsbewijs of enig ander bewijs van beroepsbekwaamheid overeenkomstig lid 1, dienst kunnen doen op schepen die onder de vlag van een andere lidstaat varen. Dit zou echter alleen mogelijk moeten zijn indien een formeel document van erkenning wordt afgegeven. Een dergelijk document is noodzakelijk om fraude rond diploma's te voorkomen en dient ook als bewijs dat de zeevarende over genoeg talenkennis en kennis van maritieme wetgeving van het gastland beschikt.

3.3   Artikel 4

Zeevarenden moeten voldoende talenkennis verwerven, zoals vastgelegd in de secties A-II/1, A-III/1, A-IV/2 en A-II/4 van het STCW-Verdrag. De situatie is echter onduidelijk, omdat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat aan deze bepaling wordt voldaan terwijl het overeenkomstig het STCW-Verdrag aan het gastland is om erop toe te zien dat zeevarenden over voldoende talenkennis beschikken. Als aan een en ander is voldaan, kan door het gastland erkenning worden verleend.

3.4   Artikel 5

Het Comité is verheugd over de voorschriften om fraude te voorkomen. Het gebruik van vervalste diploma's kan niet alleen de veiligheid op zee in gevaar brengen, maar ook ernstige schade toebrengen aan het mariene milieu en afbreuk doen aan de status van het beroep van zeevarende. Fraude kan mede worden voorkomen door een document van erkenning af te geven.

3.5   Artikel 6

Het Comité is ingenomen met de taak van het Europees Agentschap voor Maritieme Veiligheid om ervoor te zorgen dat de lidstaten het nodige doen om frauduleus gebruik van diploma's te voorkomen en te bestraffen.

3.6   Artikel 7

Het Comité is verheugd dat de Commissie, bijgestaan door het Agentschap, uiterlijk om de vijf jaar zal nagaan of de lidstaten de in Richtlijn 2001/25/EG vastgelegde bepalingen inzake opleiding en certificering in acht nemen.

4.   Conclusie

4.1

Zonder afbreuk te doen aan de hierboven opgenomen opmerkingen steunt het EESC het Commissievoorstel.

4.2

Het Comité begrijpt dat er een eenvoudiger stelsel ingevoerd moet worden voor de erkenning van diploma's die door de lidstaten worden afgegeven. Het automatisch erkennen van diploma's ontslaat de lidstaten echter niet van de verplichting om ervoor te zorgen dat de zeevarenden over voldoende talenkennis en kennis van de maritieme wetgeving van het gastland beschikken en om fraude rond diploma's te voorkomen. Het gastland dient dan ook te zorgen voor de nodige procedures.

4.3

Het EESC erkent dat een goed, betrouwbaar systeem voor de erkenning van door de lidstaten afgegeven diploma's wenselijk is, maar toont zich ook bezorgd omdat de Commissie geen aandacht schenkt aan de toekomstige werkgelegenheid van EU-burgers noch aan het behoud en de ontwikkeling van de Europese vakbekwaamheid.

4.4

Het EESC neemt kennis van de rol die de Commissie, bijgestaan door het Europees Agentschap voor Maritieme Veiligheid, bij het toezicht op de naleving van de procedures zal spelen en dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat daarvoor op nationaal en Europees niveau voldoende middelen ter beschikking worden gesteld.

4.5

Met het oog op de veiligheid op zee en de bescherming van het mariene milieu hecht de Commissie belang aan maritieme onderwijs- en opleidingsprogramma's, maar zij verzuimt daarnaast aanvullende maatregelen te treffen om te voorkomen dat onderdanen van derde landen of onderdanen uit de EU worden uitgebuit op schepen van de lidstaten. Het Comité vindt dit zorgwekkend.

Brussel, 15 december 2004

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

A.-M. SIGMUND


(1)  Richtlijn 2001/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 april 2001 inzake het minimumopleidingsniveau van zeevarenden

(2)  Zie voetnoot 1

(3)  Richtlijn 2003/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 tot wijziging van Richtlijn 2001/25/EG inzake het minimumopleidingsniveau van zeevarenden

(4)  Richtlijn 89/48/EEG van de Raad betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hoger-onderwijsdiploma's waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten

(5)  Richtlijn 92/51/EEC van de Raad betreffende een tweede algemeen stelsel van erkenning van beroepsopleidingen, ter aanvulling van Richtlin 89/48/EEG

(6)  Over de bevordering van de scheeepvaartindustrie en het beroep van zeevarende binnen de Unie

(7)  „A Study on Fraudulent Practices associated with Certificates of Competency and Endorsements”, Seafarers International research Centre (SIRC), 2001.


28.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 157/56


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het „Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende geharmoniseerde River Traffic Information Services op de binnenwateren in de Gemeenschap”

(COM(2004) 392 def. — 2004/0123 (COD))

(2005/C 157/08)

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 8 juni 2004 besloten, overeenkomstig artikel 71 van het EG-Verdrag, te raadplegen over voornoemd voorstel.

De afdeling „Vervoer, energie, infrastructuur, informatiemaatschappij”, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 24 november 2004 goedgekeurd. Rapporteur was de heer SIMONS.

Het Comité heeft tijdens zijn op 15 en 16 december 2004 gehouden 413e zitting (vergadering van 15 december) het volgende advies uitgebracht, dat met 144 stemmen vóór, bij 1 onthouding, is goedgekeurd.

1.   Inleiding

1.1

De Europese Commissie heeft op 25 mei 2004 een voorstel ingediend voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende geharmoniseerde „River Information Services” (RIS) op de binnenwateren in de Gemeenschap. Doel is de ontwikkeling van de binnenvaart in goede banen te leiden via integratie en harmonisatie van de nationale telematicadiensten die de afgelopen jaren in de verschillende lidstaten in gebruik zijn genomen of nog in gebruik zullen worden genomen.

1.2

Het voorstel voor een richtlijn is ingegeven door de politieke wens om andere wijzen van vervoer dan het wegtransport te bevorderen, zodat er een oplossing kan worden gevonden voor de problemen die zich de laatste jaren hebben voorgedaan door een gebrek aan integratie van het vervoersbeleid. Dit gebrek aan integratie wordt gezien als oorzaak van de ernstige problemen waarmee het Europese vervoerssysteem momenteel te kampen heeft.

De binnenvaart beschikt over voldoende capaciteit, zowel infrastructureel als scheepsbouwkundig, om ter ontlasting van het wegtransport een aanmerkelijk groter deel van het totale goederenvervoer in Europa voor haar rekening te nemen. Via de grensoverschrijdende binnenwateren en de talloze binnenlandse waterwegen in Europa kan de binnenvaart een omvangrijk deel van het Europese grondgebied vervoersmatig bestrijken. Kenmerkend voor de binnenvaartsector is dat er op meerdere gebieden wordt geïnnoveerd. Omdat de binnenvaart meer bekendheid heeft gekregen als alternatief voor het wegvervoer, is deze sector er inmiddels al in geslaagd nieuwe markten te veroveren.

1.3

Aan de positie van de binnenvaart in de interne markt is door het EESC al eerder aandacht geschonken in diverse (initiatief)adviezen. Ook is ze ter sprake gekomen in het kader van de werkzaamheden en conclusies van verschillende comités. (1) Omdat het er in de eerste plaats op aankomt de nationale en internationale infrastructuurknelpunten uit de weg te ruimen, heeft het Comité de EU-lidstaten al herhaaldelijk opgeroepen met name maatregelen te nemen ter instandhouding van hun waterwegen. Een adequate instandhouding van de waterwegen wordt door het Comité gezien als een absolute noodzaak; anders heeft het eigenlijk nauwelijks zin over te gaan tot de invoering van geavanceerde RIS. Tekortkomingen op dit gebied zijn reeds nu de oorzaak van een aantal knelpunten, waardoor de positie van de binnenvaart in de toekomst in gevaar kan komen. (2)

1.4

De in het witboek uitgestippelde strategie houdt in dat de Commissie de sector zal helpen zich aan te passen aan de nieuwe marktbehoeften. De Commissie is met name voorstander van de ontwikkeling van moderne informatie- en communicatietechnologieën om het beheer van het verkeer en vervoer op de binnenwateren te verbeteren.

1.5

De Europese Commissie gaat ervan uit dat toepassing van het RIS-concept op Europees niveau zal leiden tot compatibiliteit en interoperabiliteit tussen de oude en nieuwe RIS-systemen. Het is de bedoeling dat hierdoor de Europese fabrikanten van apparatuur worden aangemoedigd om RIS-hardware en -software tegen een redelijke en betaalbare prijs te produceren.

1.6

De ontwikkeling en toepassing van RIS wordt gesteund door de internationale Riviercommissies, de Centrale Commissie voor de Rijnvaart en de Donaucommissie. De Centrale Commissie voor de Rijnvaart heeft in dit verband haar goedkeuring gehecht aan de in de richtlijn opgenomen richtsnoeren en technische specificaties, zoals uitgewerkt door de Permanent International Association of Navigation Congresses (PIANC), en van toepassing verklaard op de Rijn.

2.   De gebruikers van RIS en de betekenis ervan voor de binnenvaart

2.1

In het voorstel voor een richtlijn wordt gesteld dat het concept van de River Information Services de meest ingrijpende verandering is die deze sector de laatste decennia heeft doorgemaakt. De bedoeling ervan is informatiediensten op te zetten ter ondersteuning van de planning en het beheer van het verkeer en het vervoer op de binnenwateren. Hiertoe zullen de op nationaal niveau ontwikkelde „stand-alone”-telematicadiensten worden geïntegreerd tot een interoperationeel concept.

2.2

In het voorstel wordt ervan uitgegaan dat toepassing van RIS vruchten zal afwerpen voor de totale Europese binnenvaartsector, waarbij de impuls die de binnenvaart krijgt door invoering van deze informatiediensten, des te interessanter wordt in het licht van de toetreding van de LMOE tot de Europese Unie.

Tegelijkertijd is het de bedoeling van RIS dat de bevoegde officiële instanties zich hierdoor gemakkelijker zullen kunnen kwijten van hun taken, vooral met betrekking tot het verkeersbeheer en het toezicht op het vervoer van gevaarlijke goederen. Als de betrokkenen beter geïnformeerd zijn en er in noodgevallen sneller kan worden gereageerd, zal dit de veiligheid en het milieu ten goede komen.

2.3

Toepassing van geharmoniseerde River Traffic Information Services zal naar verwachting voordelen opleveren voor zowel verkeersgerelateerde als vervoersgerelateerde diensten. Dit betekent dat én de nationale instanties én de binnenvaart er de vruchten van zouden plukken. De richtlijn heeft dus zowel publiekrechtelijke als privaatrechtelijke implicaties.

2.4

Omdat er bij de toepassing van het systeem verschillende doelstellingen en uitgangspunten van publiekrechtelijke en privaatrechtelijke aard in het geding zijn, moet er speciale controle worden uitgeoefend op de informatieverstrekking en op deze diensten en moet oneigenlijk gebruik worden voorkomen. Er dienen bij het benutten van gegevens voor publiekrechtelijke doeleinden beslist waarborgen te komen voor de bescherming van de privacy in de elektronische communicatie.

3.   Voordelen van RIS voor de toekomstige ontwikkeling van de binnenvaart

3.1

In het voorstel voor een richtlijn wordt ervan uitgegaan dat invoering van RIS ertoe zal bijdragen dat er meer goederen over het water zullen worden vervoerd en de binnenvaart beter wordt geïntegreerd in intermodale systemen, en dat dit positieve maatschappelijke gevolgen met zich mee zal brengen. In het voorstel wordt ervan uitgegaan dat RIS in vier opzichten een strategisch voordeel oplevert:

verhoging van het concurrentievermogen;

optimaal gebruik van de infrastructuur;

verbetering van de veiligheid, en

betere bescherming van het milieu.

3.2

Wat de verhoging van het concurrentievermogen betreft zou het EESC er met klem op willen wijzen dat dit voor de sector als geheel zou moeten gelden. De voorgenomen invoering van RIS mag er niet toe leiden dat de concurrentiepositie van de binnenvaart in de nieuwe en toekomstige lidstaten, die door de economische situatie in deze landen toch al verzwakt is, er nog verder op achteruit gaat. Hiermee moet in het bijzonder rekening worden gehouden bij het vrijmaken van middelen voor de invoering van deze diensten. (3)

3.3

Doordat de reisplanning efficiënter kan worden opgezet, verwacht de Commissie dat de wachttijden korter zullen worden en er minder rendementsverlies ten gevolge van een gedwongen aanpassing van snelheden zal optreden. Daarnaast voorziet RIS in informatie-interfaces met alle schakels van de toeleveringsketen. Hierdoor wordt het mogelijk de binnenvaart te integreren in intermodale vervoersketens.

3.4

Naast aandacht voor het verbeteren van de concurrentiepositie van de binnenvaart tegenover andere wijzen van vervoer, zal men ook nog meer de nadruk moeten leggen op de traditionele voordelen ervan, te weten veiligheid en milieuvriendelijkheid. Reeds nu geldt de binnenvaart als de veiligste wijze van vervoer. (4)

3.5

Op het gebied van milieubescherming zal de binnenvaart ook zonder extra maatregelen haar huidige voorsprong op andere wijzen van vervoer kunnen behouden. Uit een recent verschenen studie over de milieuprestaties van de binnenvaart (5) kan worden geconcludeerd dat de binnenvaart de milieuprestaties van de hele transportketen kan helpen verbeteren. Dit zal het weer gemakkelijker maken om de Kyotodoelstellingen inzake de vermindering van de uitstoot van uitlaatgassen te halen.

3.6

Ook de op 28 juni 2004 genomen beslissing van de milieuministers om het zwavelgehalte van brandstoffen voor binnenschepen in 2010 te beperken tot 0,1 %, is er een bewijs van dat het milieu bij de binnenvaart hoog in het vaandel staat. Een hoog zwavelgehalte in brandstof levert gevaar op voor de gezondheid van de mens en kan bodem- en waterverzuring in de hand werken. De binnenvaartsector zal zijn best doen ervoor te zorgen dat deze risico's worden geminimaliseerd, wat de reputatie ervan als de meest milieuvriendelijke wijze van vervoer alleen maar zal versterken. Reeds op dit moment ligt het zwavelgehalte van veruit de meeste brandstoffen die door de Europese binnenvloot worden gebruikt, onder de 0,2 %.

Zowel door motoren in te bouwen die weinig gas uitstoten als door milieuvriendelijke brandstof te gebruiken, draagt de binnenvaart er zorg voor dat de milieu-prestaties van de sector, vergeleken met die van andere wijzen van vervoer, hoog blijven.

De onbetwistbare positieve effecten van invoering van RIS, waardoor het energieverbuik in de binnenvaart zal worden teruggedrongen, kunnen ertoe bijdragen dat de binnenvaart haar milieudoelstellingen gemakkelijker zal kunnen verwezenlijken.

4.   De ontwerprichtlijn en het toepassingsgebied ervan

4.1

Op grond van de richtlijn dienen de lidstaten gunstiger voorwaarden te scheppen voor de invoering en het gebruik van geharmoniseerde River Traffic Information Services en te zorgen voor een regelgevingskader waardoor een en ander wettelijk wordt verankerd en verder kan worden ontwikkeld. Het streven is erop gericht reeds voorhanden technologieën zo snel mogelijk op elkaar af te stemmen (artikel 1).

4.2

Het voorstel om het toepassingsgebied te beperken tot waterwegen van klasse IV en hoger is naar de mening van het EESC gerechtvaardigd. Het is een goede zaak dat met deze verwijzing naar de in Europa gebruikelijke classificatie van waterwegen gekozen is voor een dynamische aanpak.

4.3

De richtlijn bevat specifieke voorschriften over de gegevens die de lidstaten moeten verstrekken t.a.v. het uitvoeren van de reis, het ter beschikking stellen van elektronische navigatiekaarten en het doorgeven van berichten aan schippers en bevoegde instanties.

De aan de lidstaten opgelegde verplichting om alleen maar elektronische navigatiekaarten ter beschikking te stellen voor Europese binnenwateren die overeenkomstig de in Europa gebruikelijke classificering tot klasse Va of hoger behoren, is discutabel, als men kijkt naar de aard van het waterwegennet in Duitsland, België, Tsjechië en Polen (artikel 4).

4.4

In de richtlijn wordt niet bepaald dat particuliere gebruikers, i.c. de binnenschippers, in principe verplicht zijn de voor deelname aan RIS benodigde apparatuur te installeren. Niettemin worden de lidstaten opgeroepen passende maatregelen te nemen om te bewerkstelligen dat de gebruikers en hun vaartuigen voldoen aan de in de richtlijn geformuleerde apparatuurvoorschriften. Om ervoor te zorgen dat de binnenschippers hieraan gehoor geven en aangespoord worden gebruik te maken van deze diensten, moeten de lidstaten naar de mening van het EESC hun niet alleen de benodigde gegevens verschaffen, maar ook stimulansen bieden voor het aanbrengen van de apparatuur aan boord van hun schepen.

Omwille van de transparantie en op grond van het principe van de vrije keuze kan het gebruik van de nieuwe diensten beter niet verplicht worden gesteld. Daarentegen moeten de lidstaten bij het nemen van maatregelen m.b.t. de invoering van RIS toch denken aan methoden en stimulansen die gericht zijn op een optimale benutting van het systeem door binnenschippers, zodat de in de richtlijn geformuleerde doelstellingen kunnen worden verwezenlijkt.

4.5

De technische specificaties voor planning, toepassing en gebruik van de diensten zijn vastgelegd in de zg. RIS-richtsnoeren. Om de uniformiteit van de systemen te waarborgen dienen deze naar de mening van het EESC aan te sluiten op de bestaande richtsnoeren en specificaties van op dit gebied reeds werkzame internationale organisaties.

4.6

Bij het benutten van gegevens die beschikbaar komen via RIS, moet bijzondere aandacht worden geschonken aan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de binnenschippers. Wat de gegevensbeveiliging betreft moet speciaal worden gelet op gevoelige data, die naar de mening van het EESC niet mogen worden doorgezonden naar de officiële instanties.

4.7

Voor de uitvoering en omzetting van de ontwerprichtlijn wordt de Commissie bijgestaan door een comité (overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden). Om te waarborgen dat omzetting van de richtlijn plaatsvindt in overeenstemming met de doelstellingen en de beoogde bevordering van de binnenvaart, dient dit comité, dat is samengesteld uit vertegenwoordigers van de EU-lidstaten, naar de mening van het EESC bij zijn werkzaamheden ook overleg te plegen met vertegenwoordigers van organisaties uit de sector (artikel 11).

5.   Omzetting van de richtlijn

5.1   Draagvlak bij de gebruikers

De wijze waarop de richtlijn wordt ingevoerd en omgezet, is volgens het EESC van bijzonder belang. De gestandaardiseerde RIS dienen adequate informatie te verschaffen die bijdragen tot de bevordering van de scheepvaart. Op grond van onderzoeken waarin het gebruik van telematica wordt nagegaan, valt te concluderen dat de binnenvaart nog niet over voldoende mogelijkheden beschikt om over te schakelen op het gebruik van RIS.

Om het draagvlak onder de gebruikers te vergroten en naleving van de richtlijn door de binnenschippers te bevorderen, is het naar de mening van het EESC beslist nodig flankerende maatregelen te nemen, waardoor gemakkelijker kan worden voldaan aan de eisen betreffende de installatie van apparatuur. Het EESC staat dan ook achter het gezamenlijke idee van de Nederlandse en Oostenrijkse ministeries van Verkeer om de Europese Commissie een gemeenschappelijk voorstel voor de praktische doorvoering van RIS voor te leggen. Het EESC wil dat desbetreffende projecten in de huidige en toekomstige lidstaten worden gefinancierd via de hiervoor in aanmerking komende communautaire steunprogramma's, met name in de economisch zwakkere regio's.

De RIS kunnen alleen efficiënt functioneren als er zoveel mogelijk binnenschippers aan meedoen. Bij het uitzetten van de hoofdlijnen van het betreffende beleid zal naar de mening van het EESC aandacht moeten worden geschonken aan deze noodzakelijke voorwaarden.

5.2   Kosten

Zoals in de toelichting op de ontwerprichtlijn wordt gesteld, moeten leveranciers van apparatuur worden aangemoedigd om RIS-hardware en -software tegen een redelijke en betaalbare prijs te fabriceren. De Europese Commissie verwacht dat invoering van River Traffic Information Services zal leiden tot comptabiliteit en interoperabiliteit tussen de oude en nieuwe RIS-systemen. De Commissie zal zich naar de mening van het EESC nog meer inspanningen moeten getroosten om een en ander te stimuleren en te bewaken. Regelmatige voorlichtingscampagnes en publicaties kunnen in dit opzicht nuttig zijn.

Afgezien van de hoge kosten van RIS-hardware en -software hebben de binnenschippers zich tot nu toe ook laten afschrikken door de hoge kosten van de transmissie van gegevens en internetcommunicatie via GSM. Het is daarom volgens het EESC zaak om in het kader van de tenuitvoerlegging van de richtlijn voorrang te geven aan de communicatiesystemen die het beste voldoen aan de eisen van de binnenvaart en kosteneffectief geëxploiteerd kunnen worden.

6.   Overwegingen die ten grondslag liggen aan de onderstaande aanbevelingen

6.1

Verwezenlijking van haar groeipotentieel is de grootste economische uitdaging waarvoor de Europese Unie zich gesteld ziet. Hiertoe is het nodig om duurzame groeiconcepten te ontwikkelen en te ondersteunen. Het goederenvervoer neemt een prominente plaats in op de interne markt, maar ziet zich ten gevolge van een incoherent verkeers- en vervoersbeleid geconfronteerd met ernstige moeilijkheden. Deze zijn vooral terug te voeren zijn op congestie in het wegvervoer, een gebrekkige samenwerking tussen spoorwegmaatschappijen en het ontbreken van een vrije markttoegang.

6.2

De toekomst van Europa ligt mede op het water. Zee en waterwegen zijn van groot belang voor onze maatschappij. De helft van de totale bevolking in de EU woont hetzij in de buurt van een kust, hetzij aan de oever van een van de vijftien grootste rivieren in Europa. Door de uitbreiding van de Unie zal de rol van de binnenvaart op de interne markt alleen maar toenemen. Veel van de nieuwe lidstaten beschikken over waterwegen die worden benut voor het vervoer van goederen. Binnen het kader van het door de Europese Commissie uitgestippelde beleid kan er voor de binnenvaart, als aparte sector en als onderdeel van de intermodale vervoersketen, een belangrijke rol zijn weggelegd bij de integratie van de nieuwe lidstaten en het verwezenlijken van hun economische groeipotentieel.

6.3

Het goederenvervoer kan alleen goed functioneren als de infrastructuur perfect in orde is. Voorwaarden voor de bevordering van vormen van intermodaal goederenvervoer en vergroting van de rol van de binnenvaart zijn een adequate instandhouding van de bestaande waterweginfrastructuur en het uit de weg ruimen van knelpunten. Voor het EESC is een adequate instandhouding van de waterwegen een absolute noodzaak, zonder welke het eigenlijk nauwelijks zin heeft over te gaan tot de invoering van geavanceerde RIS. Tekortkomingen op dat gebied veroorzaken reeds nu knelpunten, waardoor de positie van de binnenvaart in de toekomst gevaar kan lopen. Het EESC roept de lidstaten daarom op de nodige maatregelen te treffen en middelen hiervoor vrij te maken.

7.   Algemene aanbevelingen

7.1

Op grond van het bovenstaande valt het toe te juichen dat wordt overgegaan tot de invoering van een rechtskader voor geharmoniseerde River Traffic Information Services op de binnenwateren in de Gemeenschap. Mits hiervoor een breed draagvlak wordt gevonden, kunnen geharmoniseerde RIS op de binnenwateren bijdragen tot de verwezenlijking van een „modal shift” in de richting van de binnenvaart als alternatieve wijze van vervoer met veel groeipotentieel en voordelen op het gebied van veiligheid en milieu.

Verwezenlijking van haar groeipotentieel is de grootste economische uitdaging waarvoor de Europese Unie zich gesteld ziet. Hiertoe is het nodig duurzame groei te bevorderen. Het goederenvervoer neemt een prominente plaats in op de interne markt, maar ziet zich in de gehele EU geconfronteerd met grote problemen. Vooral de congestie in het wegvervoer vormt een bedreiging voor de economische ontwikkeling in de Unie. De oplossing ligt in een modal shift en in duurzame ontwikkeling. Er zullen betere voorwaarden moeten worden geschapen voor het gebruik van intelligente vervoersoplossingen.

De economische ontwikkeling in Europa is aldus gebaat bij een krachtig en evenwichtig vervoersbeleid, wat erkend zal moeten worden door de Europese beleidsmakers.

Om dit alles te verwezenlijken is er een adequaat rechtskader nodig en zal de ontwikkeling van de binnenvaart moeten worden uitgeroepen tot politieke prioriteit.

Wat dit betreft kan men een voorbeeld nemen aan het succesvolle beleid t.a.v. het zeevervoer over korte afstanden. Ook deze sector heeft een groter aandeel van de transporten voor zijn rekening kunnen nemen. Met gerichte maatregelen en behoudens voldoende politieke ondersteuning kan in de binnenvaart eenzelfde resultaat worden bereikt.

7.2

Het is gunstig voor de economie als het vervoer over de weg ontlast wordt, de binnenvaart wordt geïntegreerd in de intermodale vervoersketen en zuiniger kan worden omgesprongen met natuurlijke hulpbronnen dankzij een nog effectievere benutting van de scheepsruimte. Dit zet kracht bij aan het argument dat er op Europees niveau maatregelen moeten worden genomen ter bevordering van het gebruik van telematica in de binnenvaart, en dat invoering van de geharmoniseerde RIS een noodzaak is. Om de in de ontwerprichtlijn voorgestelde maatregelen effectief te kunnen uitvoeren, zullen er volgens het EESC een aantal stappen moeten worden ondernomen die noodzakelijk zijn als wordt overgegaan tot invoering van RIS. De volgende aanbevelingen worden gedaan:

de technische richtsnoeren waartoe andere op dit gebied werkzame internationale organisaties reeds hebben besloten, moeten in de richtlijn worden overgenomen;

de lidstaten dienen elektronische navigatiekaarten ter beschikking te stellen voor waterwegen van klasse IV en hoger (overeenkomstig de in Europa gebruikelijke classificatie);

oneigenlijk gebruik van de gegevens moet worden voorkomen, en

de sector moet worden geraadpleegd in het kader van het door de Commissie opgerichte comité ter uitvoering van de richtlijn.

8.   Bijzondere opmerkingen

8.1

Er zullen flankerende maatregelen ter uitvoering van de richtlijn aan boord van binnenschepen moeten worden genomen.

De binnenvaart beschikt nog niet over voldoende mogelijkheden om over te gaan tot het gebruik van River Traffic Information Services. RIS kunnen alleen doelmatig functioneren als zoveel mogelijk schippers er gebruik van maken. Als de hoofdlijnen van het beleid worden vastgelegd, moet daarbij ruimte worden gelaten voor doelgerichte maatregelen ter vervulling van deze voorwaarde. Genoemde maatregelen moeten erop gericht zijn dat:

er een voorstel voor het praktisch doorvoeren van RIS wordt opgesteld;

de binnenschippers worden aangemoedigd tot het aanbrengen van de benodigde apparatuur aan boord van hun schepen en daarbij moeten worden ondersteund, zodat het systeem efficiënt kan worden benut en de doelstellingen uit de richtlijn kunnen worden gehaald;

kosteneffectieve communicatiesystemen, die het best beantwoorden aan de behoeften van de binnenvaart, worden bevorderd, en

de productiekosten van RIS-hardware en -software binnen de perken worden gehouden.

8.2

Het EESC beveelt deze maatregelen aan, zodat de ontwerprichtlijn op een doeltreffende manier in praktijk kan worden gebracht.

Brussel, 15 december 2004

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

A-M. SIGMUND


(1)  DI CESE 48/2002: de tijdens de 5e vergadering van het GRC EU/Roemenië van 23 en 24 mei 2002 te Boekarest goedgekeurde gemeenschappelijke conclusies t.a.v. „De optimalisering van de Donau als pan-Europese TEN-corridor” (rapporteur: Bredima-Savopoulou); het EESC-advies over de „Verwezenlijking van de gestructureerde sociale dialoog bij de pan-Europese vervoerscorridors” (PB C 85 van 8-4-2002, rapporteur: Alleweldt); het EESC-advies over „De toekomst van het trans-Europese netwerk van waterwegen” (PB C 80 van 3-3-2002, rapporteur: Levaux), en het EESC-advies „Naar een pan-Europese regelgeving voor de binnenvaart” (PB C 10 van 14-1-2004, rapporteur: Simons).

(2)  In Nederland bijv. is voor 2004 een investeringsstop m.b.t. de instandhouding van waterwegen ingesteld, hoewel er minimaal 35 miljoen euro nodig zal zijn om bestaande knelpunten uit de weg te ruimen en nieuwe te voorkomen. De benodigde middelen worden pas in 2007 vrijgemaakt.

Wat Duitsland betreft wordt voor de periode 2000-2020 de behoefte aan vervangingsinvesteringen geraamd op ruim 11 miljard euro. Dit komt neer op een jaarlijks bedrag van meer dan 500 miljoen euro voor de instandhouding van waterwegen, terwijl in het nieuwe nationale verkeerswegenplan voor de periode 2001-2015 wordt uitgegaan van slechts 440 miljoen euro per jaar (zie Planco-rapport: „Potenziale und Zukunft der deutschen Binnenschiffahrt”, november 2003).

(3)  De Donaulanden nemen inmiddels allemaal deel aan LEAD-projecten ter harmonisering van River Traffic Information Services (zie COMPRIS: Consortium. Operational Management Platform 2002-2005). Bij deze projecten zijn 44 partners uit 11 landen, waaronder Slowakije, Hongarije, Roemenië en Bulgarije, betrokken. De verwachting is dat de scheepvaart op de Donau dankzij RIS verregaand zal worden gemoderniseerd (Via Donau: „Strategy and achievements on the implementation of RIS in the Danube region”, 13.10.2004).

(4)  EU Energy and Transport in figures, Statistical Pocketbook 2003, Part 3: Transport, chapter 6: Safety.

(5)  Royal Haskoning: „Environmental Performance of Inland Shipping”, 27 januari 2004.


28.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 157/61


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het „Voorstel voor een verordening van de Raad tot oprichting van een Communautair bureau voor visserijcontrole en houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2847/93 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid”

(COM(2004) 289 def. — 2004/0108 (CNS))

(2005/C 157/09)

Op 14 mei 2004 heeft de Raad besloten, overeenkomstig artikel 37 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, het Europees Economisch en Sociaal Comité te raadplegen over voornoemd voorstel

De gespecialiseerde afdeling Landbouw, plattelandsontwikkeling, milieu, die belast was met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden, heeft haar advies goedgekeurd op 16 november 2004. Rapporteur was de heer SARRÓ IPARRAGUIRRE.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 413e zitting van 15 en 16 december 2004 (vergadering van 15 december 2004) het volgende advies met 138 stemmen vóór en 3 stemmen tegen, bij 7 onthoudingen, goedgekeurd:

1.   Inleiding

1.1

De hervorming van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB), die op 1 januari 2003 van kracht werd, is in hoofdzaak gericht op de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden. In dit verband zijn een aantal regels opgesteld die zowel door de communautaire visserijsector als door de lidstaten moeten worden nageleefd.

1.2

In hoofdstuk V van Verordening 2371/2002 (1) legt de Raad een communautair controle- en handhavingssysteem vast. Ook worden hier de bevoegdheden van zowel de lidstaten als de Commissie duidelijk afgebakend en een aantal regels vastgesteld voor de samenwerking en de coördinatie tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en derde landen, om zo de naleving van de voorschriften van het GVB te verzekeren.

1.3

De toepassing van de regels van het GVB door de lidstaten vereist een solide operationele controle- en inspectiestructuur op Gemeenschapsniveau, voldoende controle- en inspectiemiddelen en een adequate strategie voor het gecoördineerd inzetten van deze middelen, zo stelt de Commissie.

1.4

Met deze nieuwe ontwerpverordening (2) beoogt de Commissie een Communautair bureau voor visserijcontrole (het Bureau) in het leven te roepen. Bedoeling is dat dit gespecialiseerde technische EU-orgaan toeziet op de uniforme en doeltreffende toepassing van de regels van het GVB door de lidstaten, zorgt voor de operationele coördinatie van de visserijcontroles en -inspecties van de lidstaten organiseert en de samenwerking tussen de lidstaten steunt.

1.5

De Commissie stelt dan ook voor dat het Bureau de volgende taken op zich neemt: de coördinatie van de controles en inspecties die de lidstaten moeten uitvoeren uit hoofde van de controle- en inspectieverplichtingen van de Gemeenschap; de coördinatie van de gezamenlijke inzet van de nationale controle- en inspectiemiddelen; het bijstaan van de lidstaten bij de verslaglegging over de visserijactiviteiten en de controles en inspecties aan de Commissie en aan derden, en het bijstaan van de lidstaten bij het vervullen van hun taken en verplichtingen in het kader van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid.

1.6

Voorts zou het Bureau tegen betaling en op contractbasis diensten kunnen verlenen aan de lidstaten, bijstand kunnen verlenen bij het opleiden van inspecteurs, samen met de lidstaten controle- en inspectiemateriaal kunnen aankopen en de coördinatie op zich kunnen nemen van gezamenlijke proefprojecten voor controle en inspectie.

1.7

In de verordening wordt bepaald dat het Bureau een orgaan is van de Gemeenschap dat rechtspersoonlijkheid heeft en over eigen personeel beschikt. De raad van bestuur bestaat uit één vertegenwoordiger uit iedere lidstaat met vaartuigen die op levende mariene hulpbronnen vissen, vier vertegenwoordigers van de Commissie, en vier door de Commissie benoemde vertegenwoordigers van de visserijsector zonder stemrecht. Ook wordt een uitvoerend directeur aangewezen.

1.8

Het Bureau haalt zijn inkomsten uit een bijdrage van de Gemeenschap, de kosten die aan de lidstaten in rekening worden gebracht voor geleverde diensten, en de opbrengst van publicaties, opleidingsactiviteiten en andere geleverde diensten.

1.9

Het Bureau zou operationeel moeten worden in 2006. Voor het eerste jaar wordt een budget van 4,9 miljoen euro uitgetrokken en zal het Bureau 38 personeelsleden krijgen. Vanaf 2007 worden de middelen opgetrokken tot 5,2 miljoen euro en zal het personeelsbestand worden uitgebreid tot 49 personen. Het Bureau zal zijn zetel hebben in Spanje.

2.   Algemene opmerkingen

2.1

In haar mededeling aan de Raad en het Europees Parlement „Naar een uniforme en effectieve uitvoering van het gemeenschappelijk visserijbeleid” (3) plant de Commissie de oprichting van een gezamenlijke inspectiestructuur voor de visserij, die zou worden voorafgegaan door een in overleg met de lidstaten op te stellen haalbaarheidsstudie. Het Comité betreurt dan ook dat nu een voorstel voor een verordening ter tafel ligt, terwijl de haalbaarheidsstudie achterwege is gebleven.

2.2

Het Comité is ingenomen met het voorstel van de Commissie om een Communautair bureau voor visserijcontrole op te richten en kan zich vinden in de doelstellingen, te weten een doeltreffende uitvoering van het GVB en uniforme inspectie en rechtshandhaving voor de hele EU. Het is het met de Commissie eens dat het GVB op efficiënte en uniforme wijze moet worden uitgevoerd, maar wijst er wel op dat de sector de desbetreffende regels dan moet aanvaarden en begrijpen. Het is daarom van belang dat de sector van meet af aan wordt betrokken bij de besluitvorming. Een eerste stap is het samen opstellen van de wetenschappelijke adviezen aan de hand waarvan de strategie en de maatregelen voor het behoud van de visbestanden worden uitgestippeld. Het Bureau zou zich dus ook moeten bezighouden met de vraag hoe de wetenschappelijke adviezen nog verbeterd kunnen worden en zou de sector ertoe moeten aansporen mee te werken aan de opstelling van deze adviezen. Dit aspect zou moeten worden toegevoegd aan de opsomming van de taken van het Bureau (artikel 4 van het voorstel voor een verordening).

2.3

Aangezien het Bureau het eerste orgaan zal zijn dat zich exclusief bezighoudt met visserij, zou in de verordening rekening moeten worden gehouden met een mogelijke toekomstige uitbreiding van de bevoegdheden van het Bureau.

2.4

Zo zou het Bureau de lidstaten en de Commissie technisch en wetenschappelijk advies kunnen verstrekken over de doeltreffende uitvoering van het GVB, en m.n. over de efficiëntie van de voorgestelde controle- en inspectiemaatregelen en het toezicht daarop. Ook zou het kunnen bijdragen aan de opleiding van inspecteurs en gespecialiseerd controlepersoneel door een speciaal opleidingscentrum op te richten. Ten slotte zou het Bureau het zijne kunnen bijdragen aan het broodnodige streven naar harmonisatie van de sancties in de verschillende lidstaten.

2.5

In het voorstel wordt bepaald dat de operationele coördinatie van het Bureau betrekking heeft op de controle en inspectie van visserijactiviteiten op het grondgebied van de lidstaten, in communautaire wateren of buiten de communautaire wateren door vaartuigen van de Gemeenschap, en wel tot het eerste punt van verkoop van visserijproducten. Het Comité pleit evenwel voor een verruiming van het toepassingsgebied van de operationele coördinatie. Enerzijds zouden de controle en inspectie niet beperkt mogen blijven tot het eerste verkooppunt, maar uitgebreid moeten worden tot de hele voedselketen, d.w.z. van het moment dat de vis wordt gevangen tot het moment dat hij op het bord van de consument belandt. Anderzijds zou het Bureau ook bevoegd moeten zijn voor de coördinatie van de controle op de visserijproducten van schepen die de vlag van een derde land voeren, m.n. waar het gaat om illegale, niet aangegeven en niet gereglementeerde visserij.

2.6

Het Comité is bijzonder ingenomen met de mogelijkheid dat het Bureau zowel de Gemeenschap als de lidstaten bijstaat in hun betrekkingen met derde landen en met de regionale visserijorganisaties; positief is daarnaast ook dat het derde landen rechtstreeks steunt, aangezien het deze helpt bij de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in hun eigen en in internationale wateren. Het Bureau dient dan ook te kunnen beschikken over de nodige financiële middelen om deze taken te kunnen vervullen, wat een duurzame ontwikkeling van de visserij zeker ten goede zal komen.

2.7

Het Comité staat ten volle achter het voorstel in artikel 6 van de ontwerpverordening om met het oog op de organisatie van de operationele coördinatie van gezamenlijke controles en inspecties een communautair visserijcontrolecentrum op te richten. Wel dient nader te worden aangegeven welke taken dit centrum zou moeten vervullen, om overlapping met de bevoegdheden van de lidstaten te voorkomen. Van kapitaal belang is dat het Bureau, als het eenmaal functioneert, de in art. 33 vermelde eisen inzake vertrouwelijkheid naleeft.

2.8

De gezamenlijke inzetplannen (hoofdstuk III van het Commissievoorstel) zijn in de ogen van het EESC van fundamenteel belang voor een efficiënte, uniforme en evenwichtige toepassing van het controlebeleid door de verschillende lidstaten. Het gaat akkoord met de voorstellen van de Commissie inzake de inhoud, de goedkeuring, de tenuitvoerlegging en de beoordeling van deze inzetplannen. De lidstaten moeten er samen met het Bureau zorg voor dragen dat de plannen tot een goed einde worden gebracht.

2.9

De jaarlijkse beoordeling van de doeltreffendheid van de gezamenlijke inzetplannen is noodzakelijk om na te gaan of de verschillende vloten de bestaande voorschriften inzake behoud en controle naleven.

2.10

Ook het voorstel tot oprichting van een informatienetwerk tussen de Commissie, het Bureau en de bevoegde autoriteiten van de lidstaten draagt de goedkeuring van het Comité weg. Wel moeten het Bureau en de Commissie zelf er nauwlettend op toezien dat de gegevens die zo worden verkregen en doorgegeven vertrouwelijk blijven, zoals ook in art. 17, lid 2, van de verordening van de lidstaten wordt geëist.

2.11

Wat de interne structuur en de werking van het Bureau aangaat, is in de verordening bepaald dat het Bureau een orgaan van de Gemeenschap met rechtspersoonlijkheid is. Het Comité is het hier volledig mee eens. Het Bureau moet immers ten dienste staan van de hele Gemeenschap, de werking ervan moet volledig transparant zijn, en het mag zich niet laten beïnvloeden door de specifieke belangen van de Commissie of de lidstaten. Het baart het Comité in dit verband zorgen dat niet duidelijk is aangegeven hoe het Bureau zijn personeelsleden zal aanwerven, of het nu gaat om ambtenaren die door de Commissie of de lidstaten tijdelijk worden toegewezen of om gedetacheerde ambtenaren.

2.12

Het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen, de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen en de regels die gezamenlijk door de instellingen van de Europese Gemeenschappen zijn vastgesteld ter uitvoering van dat statuut en die regeling, zijn van toepassing op het personeel van het Bureau. Deze bepaling is bijzonder nuttig, aangezien zo de contractuele én de niet-contractuele aansprakelijkheid van het Bureau en zijn personeelsleden bij de uitoefening van hun functies duidelijk vastliggen. Ook is het logisch dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen bevoegd is voor geschillen over door het Bureau gesloten overeenkomsten of over schadevergoeding.

2.13

Zoals in elke particuliere of openbare onderneming is de raad van bestuur, die wordt omschreven in artikel 25, ook bij het bureau de hoeksteen. Zorgwekkend is wel dat de raad van bestuur al te zeer afhankelijk is van de Commissie, die over tien stemmen beschikt, terwijl de lidstaten waarvan vaartuigen betrokken zijn bij de visserij op levende mariene hulpbronnen maar over elk één stem beschikken. Alle lidstaten samen beschikken dus over maximaal 20 stemmen, wat betekent dat de Commissie zonder problemen haar wil zal kunnen opleggen. Het Comité pleit ervoor dat elke vertegenwoordiger van de Commissie, net als de lidstaten, één stem krijgt.

2.14

Verder zou de Commissie vier vertegenwoordigers van de visserijsector zonder stemrecht deel willen laten uitmaken van de raad van bestuur. Het Comité vindt dit veel te weinig en meent dat ten minste acht vertegenwoordigers van de visserijsector in de raad zitting zouden moeten hebben. Bovendien zou uitdrukkelijk moeten worden bepaald dat deze vertegenwoordigers aangewezen worden door de Europese werkgevers- en werknemersorganisaties, en dat zij wel stemrecht hebben. De minimumcriteria waaraan de vertegenwoordigers van de visserijsector moeten voldoen om deel te kunnen uitmaken van de raad van bestuur, zouden in de verordening moeten worden vastgelegd. Ten slotte moet worden vermeld dat ook de vertegenwoordigers van de sector plaatsvervangers voor de raad van bestuur kunnen aanwijzen.

2.15

De Commissie stelt voor dat de raad van bestuur wordt bijeengeroepen door de voorzitter en eenmaal per jaar een gewone vergadering houdt. Daarnaast komt de raad van bestuur op initiatief van de voorzitter of op verzoek van de Commissie of van een derde van de in de raad van bestuur vertegenwoordigde lidstaten bijeen. Het Comité zou deze formulering willen veranderen in: „een derde van de leden van de raad van bestuur”. Het kan immers ook in het belang van de vertegenwoordigers van de sector zijn de raad bijeen te roepen.

2.16

In art. 27, lid 4, bepaalt de Commissie dat de raad van bestuur, wanneer het gaat om een vertrouwelijke kwestie of een belangenconflict, kan besluiten specifieke agendapunten te bespreken zonder dat de vertegenwoordigers van de visserijsector daarbij aanwezig zijn. Deze bepaling dient te worden geschrapt. Het gaat niet aan de deelname van de vertegenwoordigers van de visserijsector aan de vergaderingen van de raad van bestuur in zo sterke mate te beperken.

2.17

Het behoort tot de taken van de raad van bestuur om het algemeen verslag van het Bureau over het voorafgaande jaar goed te keuren en het werkprogramma van het Bureau voor het komende jaar vast te stellen en toe te zenden aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie, de Rekenkamer en de lidstaten. Met het oog op meer transparantie en nauwere samenwerking met de visserijsector stelt het Comité voor dat dit verslag ook zou worden toegezonden aan het Raadgevend comité voor de visserij en de aquacultuur van de EU.

2.18

In art. 29 wordt bepaald dat de vertegenwoordigers van de visserijsector die zitting hebben in de raad van bestuur een verklaring moeten afleggen omtrent hun belangen, waarin zij hetzij verklaren dat zij geen belangen hebben die afbreuk zouden kunnen doen aan hun onafhankelijkheid, hetzij al hun directe en indirecte belangen vermelden die afbreuk zouden kunnen doen aan hun onafhankelijkheid. Een dergelijke verklaring is volgens het Comité onlogisch en overbodig. Elke vertegenwoordiger van de sector die werkzaam is in de visserij en verkozen kan worden, heeft immers rechtstreekse belangen in de visserij die afbreuk kunnen doen aan zijn onafhankelijkheid. Een dergelijk vereiste zou moeten gelden voor alle leden van de raad van bestuur.

2.19

Ook is het Comité niet gelukkig met de wel erg vergaande beslissingsbevoegdheid van de Commissie inzake de selectie, de benoeming, de taakomschrijving en het ontslag van de uitvoerend directeur. In art. 31 van het voorstel zou daarom moeten worden aangegeven dat de raad van bestuur, op voorstel van de Commissie en met een meerderheid van tweederde van zijn leden, de uitvoerend directeur kan benoemen en ontslaan. De lijst van drie kandidaten voor de post van uitvoerend directeur zou van te voren aan het RCVA moeten worden voorgelegd, zodat dit comité een niet-bindend advies kan uitbrengen.

2.20

Het Bureau zou ten minste de eerste jaren van zijn bestaan in hoofdzaak moeten worden gefinancierd door de in de algemene EU-begroting vastgelegde bijdrage van de Gemeenschap. De andere twee inkomstenbronnen, nl. de vergoeding voor de aan de lidstaten geleverde diensten en de opbrengst van publicaties en opleidingsactiviteiten, zullen immers pas na verloop van tijd iets opleveren. Het Comité pleit dan ook voor meer flexibiliteit in de eerste drie begrotingsjaren van het Bureau; het voorstel van de Commissie is in dit verband al te strikt.

2.21

Het Comité staat achter de voorgestelde regeling voor uitvoering en controle van de begroting, m.n. de bepalingen inzake de controle van de voorlopige jaarlijkse rekeningen van het Bureau door de Rekenkamer en de onverkorte toepassing op het Bureau van Verordening (EG) nr. 1073/1999 (4) ter bestrijding van fraude, corruptie en andere onwettige activiteiten. De toetreding van het Bureau tot het Interinstitutioneel Akkoord van 25 mei 1999 betreffende de interne onderzoeken verricht door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) is van kapitaal belang.

2.22

De ontwerpverordening wijzigt artikel 34 quater van Verordening (EEG) nr. 2847/93 (5) tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid, waarin werd bepaald dat de looptijd van de door de Commissie vastgestelde controle- en inspectieprogramma's niet meer dan twee jaar mocht bedragen, en dat het aan de lidstaten was om de nodige maatregelen te nemen, zowel wat de menselijke als de materiële middelen betrof. In het voorstel wordt de looptijd uitgebreid tot drie jaar, of tot de in het herstelplan vastgelegde periode, en wordt bepaald dat de controle- en inspectieprogramma's door de lidstaten worden uitgevoerd op basis van gezamenlijke inzetplannen. Het Comité kan zich vinden in deze wijziging.

2.23

Om de voorgestelde termijnen en de bepaling van artikel 40 inzake het begin van de werkzaamheden van het Bureau te kunnen respecteren, zou de verordening op 1 januari 2005 in werking moeten treden, zodat het Bureau op 1 januari 2006 van start kan gaan.

3.   Conclusies

3.1

Het Comité feliciteert de Commissie met haar voorstel om een bureau voor visserijcontrole op te richten, dringt erop aan dat de nodige budgettaire middelen beschikbaar worden gesteld om de doelstellingen te bereiken, stelt voor om een uitbreiding van de bevoegdheden van het Bureau mogelijk te maken en wijst erop dat de vastgelegde termijnen moeten worden nageleefd.

3.2

Voorts dringt het Comité erop aan dat de Commissie m.n. de volgende aanbevelingen in aanmerking neemt:

3.2.1

De mogelijkheid van een uitbreiding van de bevoegdheden van het Bureau moet in de verordening worden opgenomen:

Het Bureau zou zich ook moeten bezighouden met de vraag hoe de wetenschappelijke adviezen nog verbeterd kunnen worden en zou de sector ertoe moeten aansporen mee te werken aan de opstelling van deze adviezen.

Het Bureau zou de lidstaten en de Commissie technisch en wetenschappelijk advies kunnen geven over de doeltreffende uitvoering van het GVB, en m.n. over de efficiëntie van de voorgestelde controle- en inspectiemaatregelen en het toezicht daarop.

Het Bureau zou kunnen bijdragen aan de opleiding van inspecteurs en gespecialiseerd controlepersoneel door een speciaal opleidingscentrum op te richten.

De sancties in de verschillende lidstaten moeten op elkaar af worden gestemd; het Bureau zou hiertoe kunnen bijdragen.

3.3

Het toepassingsgebied van de operationele coördinatie moet worden uitgebreid. Enerzijds zouden de controle en inspectie niet beperkt mogen blijven tot het eerste verkooppunt, maar moeten zij worden uitgebreid tot de hele voedselketen, d.w.z. van het moment dat de vis wordt gevangen tot het moment dat hij op het bord van de consument belandt. Anderzijds zou het Bureau ook bevoegd moeten zijn voor de coördinatie van de controle op de visserijproducten van schepen die de vlag van een derde land voeren, m.n. waar het gaat om illegale, niet aangegeven en niet gereglementeerde visserij.

3.4

Het Bureau moet ten dienste staan van de hele Gemeenschap, de werking ervan moet volledig transparant zijn, en het mag zich niet laten beïnvloeden door de specifieke belangen van de Commissie of de lidstaten.

3.5

De lidstaten, de Commissie en de vertegenwoordigers van de sector moeten evenwichtig vertegenwoordigd zijn in de raad van bestuur.

3.6

Het door de Commissie voorgestelde aantal vertegenwoordigers van de visserijsector in de raad van bestuur is erg beperkt en zou minstens tot acht moeten worden uitgebreid. Ook moet uitdrukkelijk worden bepaald dat deze vertegenwoordigers aangewezen worden door de Europese werkgevers- en werknemersorganisaties, en dat zij stemrecht hebben.

3.7

Het Bureau moet de in art. 33 vermelde eisen inzake vertrouwelijkheid strikt naleven.

3.8

Artikel 27, lid 4, van het voorstel moet worden geschrapt.

3.9

De belangenverklaring die de vertegenwoordigers van de sector conform artikel 29 moeten afleggen, is onlogisch en overbodig. Een dergelijke vereiste zou moeten gelden voor alle leden van de raad van bestuur.

3.10

Ten slotte zouden de taken van het Communautair Visserijcontrolecentrum nader moeten worden omschreven.

Brussel, 15 december 2004

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

A.-M. SIGMUND


(1)  Verordening (EG) ) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (PB L 358 van 31-12-2002)

(2)  COM(2004) 289 def. van 28.04.2004

(3)  COM(2003) 130 def. van 21.03.2003

(4)  PB L 136 van 31-05-1999

(5)  PB L 261 van 20-10-1993


28.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 157/65


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de „Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en het Europees Economisch en Sociaal Comité — Het Europees actieplan voor milieu en gezondheid 2004-2010”

(COM(2004) 416 def.)

(2005/C 157/10)

De Commissie heeft op 10 juni 2004 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 262 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap te raadplegen over voorvernoemde Mededeling

De gespecialiseerde afdeling „Landbouw, plattelandsontwikkeling, milieu”, die met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 16 november 2004 goedgekeurd. Rapporteur was de heer Braghin.

Het Comité heeft tijdens zijn op 15 en 16 december 2004 gehouden 413e zitting (vergadering van 15 december) het volgende advies uitgebracht, dat met 146 stemmen vóór en 2 stemmen tegen is goedgekeurd.

1.   Samenvatting van het advies

1.1

Het Comité beschouwt de problematiek rond milieu en gezondheid als een strategisch vraagstuk van prioritair belang. Het had gehoopt dat de Commissie met een gestructureerd en volledig pakket maatregelen zou komen met bijbehorende uitvoeringstermijnen, maar acht het voorgestelde actieplan in deze zin ontoereikend. Bijgevolg verzoekt het de Raad en het Europees Parlement om er bij de Commissie op aan te dringen een concreter actieplan voor te leggen waarin deze thema's op geïntegreerde wijze worden aangepakt, doelstellingen beter worden gedefinieerd en duidelijkere aanwijzingen worden gegeven voor de uitwerking van adequate Europese en nationale beleidsmaatregelen.

1.2

Tegen deze achtergrond stelt het voor dat het overleg tussen de verschillende betrokken autoriteiten, steeds ook met deelname van deskundigen en belanghebbenden, met hernieuwd elan wordt voortgezet, in het bijzonder om:

op een rij te zetten welke mogelijkheden er nu reeds zijn om de specifieke onderzoeksprogramma's rond de thematiek in kwestie, alsmede de maatregelen die zijn voorgesteld in het actieprogramma betreffende volksgezondheid en in het communautaire programma op het gebied van milieu, te doen aansluiten op de vastgestelde doelstellingen;

de problematiek rond milieu en volksgezondheid onverwijld te beschouwen als een prioritair aandachtsterrein in het onlangs op gang gebrachte debat over het zevende kaderprogramma, alsook in het toekomstige debat over het nieuwe actieprogramma inzake volksgezondheid;

aan te geven hoeveel financiële middelen er binnen deze programma's moeten worden uitgetrokken voor de drie hoofddoelstellingen die als prioritair zijn aangemerkt (en door het EESC volledig worden onderschreven) en voor de 13 genoemde acties;

wetenschappelijke methoden voor risicobeoordeling te ontwikkelen en deze methoden te harmoniseren en te testen, teneinde de te bereiken eindresultaten en doelstellingen op een solide wetenschappelijke grondslag te baseren;

samenwerkings- en benchmarkingsactiviteiten te stimuleren en te ontplooien, zodat sneller alle gegevens kunnen worden verzameld die nodig zijn om doeltreffend te kunnen optreden en zodat werkwijzen die op nationaal, regionaal of lokaal niveau succesvol zijn gebleken, ook elders kunnen worden toegepast;

de taken en verantwoordelijkheden van de betrokken autoriteiten duidelijker af te bakenen en daarbij efficiënte procedures vast te stellen om samen te werken en de acties en voorgestelde middelen te coördineren.

1.3

Het EESC vindt dat er meer gestreefd moet worden naar concrete stappen die uitstijgen boven een hoofdzakelijk op kennis gebaseerde aanpak, zodat er een echt actieplan tot stand wordt gebracht met duidelijke, waar mogelijk kwantitatieve doelstellingen. Het verzoekt de Commissie haast te maken met de tenuitvoerlegging van het actieplan en de vaststelling van de doelstellingen en maatregelen die met name de tweede fase van het actieplan betreffen.

1.4

Tot slot dringt het EESC er bij alle EU-instellingen en lidstaten op aan hun politieke verantwoordelijkheid op te nemen om ervoor te zorgen dat er in de huidige discussie over de financiering van de EU en haar beleid in de periode 2007-2013 rekening wordt gehouden met de basisdoelstellingen die in onderhavige Mededeling worden uiteengezet, en dat de Commissie tijdig de beschikking krijgt over de gegevens die nodig zijn om de middelen doelgerichter in te zetten, uitgaande van de gestelde prioriteiten, die overigens breed worden onderschreven.

2.   Samenvatting van de Commissiemededeling

2.1

De Commissie heeft in juni 2003 een Europese strategie voor milieu en gezondheid (het zgn. SCALE-initiatief (1)) gepresenteerd waarin wordt voorgesteld een communautair systeem te ontwikkelen voor de integratie van informatie over de toestand van het milieu, het ecosysteem en de gezondheid van de mens. Dit maakt de evaluatie van de algehele milieueffecten op de gezondheid van de mens efficiënter, doordat rekening wordt gehouden met bijvoorbeeld cocktaileffecten, gecombineerde blootstelling en cumulatieve effecten. Het uiteindelijke doel van de voorgestelde strategie is de ontwikkeling van een „oorzaak/gevolg-kader” dat de nodige informatie oplevert voor de formulering van communautair beleid om de bronnen en de effect-routes van gezondheid-stressoren aan te pakken.

2.2

In de strategie wordt bijzondere aandacht besteed aan kinderen omdat ze vaker dan volwassenen worden blootgesteld aan milieufactoren en er ook gevoeliger voor zijn. De uitdaging is om het recht van kinderen om in gezonde omstandigheden op te groeien en te leven, in de praktijk toe te passen.

2.3

Aan het SCALE-initiatief is deelgenomen door meer dan 150 deskundigen, verdeeld over 9 specifieke werkgroepen, en door evenzovele vertegenwoordigers van de lidstaten, afkomstig van nationale instanties, onderzoekscentra, universiteiten, volksgezondheids- en milieudiensten, bedrijven en maatschappelijke organisaties, die in overleg- en coördinatiegroepen en tijdens regionale conferenties, fora en informele bijeenkomsten in de lidstaten hebben bijgedragen tot het formuleren van aanbevelingen.

2.4

Dit in onderhavige Mededeling (2) toegelichte actieplan voor de periode 2004-2010 is ontworpen om de EU de wetenschappelijk gefundeerde informatie te verschaffen die nodig is om alle 25 EU-lidstaten te helpen bij het terugdringen van de negatieve invloed van bepaalde milieufactoren op de gezondheid en om de samenwerking tussen de actoren op het vlak van milieu, gezondheid en onderzoek te bevorderen.

2.5

De voorstellen uit het actieplan hebben betrekking op de volgende drie hoofdthema's:

het verbeteren van de informatieketen om het verband tussen vervuilingsbronnen en de gevolgen ervan voor de gezondheid beter te begrijpen (acties 1-4);

het overbruggen van de kenniskloof door onderzoek te versterken en nieuwe problemen inzake milieu en gezondheid aan te pakken (acties 5-8);

het herzien van het beleid en het verbeteren van de communicatie (acties 9-13).

2.6

Met het actieplan wordt vooral gestreefd naar een beter begrip van de verbanden tussen milieufactoren en ademhalingsziekten, neurologische ontwikkelingsstoornissen, kanker en hormoonontregeling, ziekten die bij kinderen steeds vaker voorkomen. Hiertoe worden gerichte onderzoeksacties opgezet om de kennis van de relevante oorzakelijke verbanden te verfijnen en te verbeteren, en om de gezondheidssituatie in de gaten te houden teneinde een beter beeld te krijgen van de verspreiding van deze ziekten in de Gemeenschap.

2.7

Een ander belangrijk aspect op informatiegebied is het toezicht op de blootstelling aan risicofactoren in het milieu. Het gaat hier ook om aspecten zoals voedingsmiddelen, de huiselijke omgeving, en gedragingen die als risicofactoren voor de gezondheid kunnen gelden, met inbegrip van bepaalde leefwijzen.

2.8

Wat de uitvoering van het actieplan betreft, zal de Commissie bevorderen dat er wordt samengewerkt met het Europees Milieuagentschap, de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid, alsmede met de voornaamste betrokken partijen (lidstaten, nationale, regionale en lokale overheden, instanties op het gebied van gezondheid, milieu en onderzoek, de industrie, de landbouw en andere belanghebbenden) en met internationale organisaties, zoals de WHO, de OESO en organen van de Verenigde Naties.

2.9

In 2007 zal de Commissie een halftijdse evaluatie van het actieplan uitvoeren. Voor de tenuitvoerlegging van de acties zal de Commissie gebruik maken van de bestaande initiatieven en programma's waaraan reeds middelen zijn toegewezen, zoals het volksgezondheidsprogramma, het zesde kaderprogramma voor onderzoek en de werkingsbegroting van de desbetreffende diensten.

3.   Knelpunten in het toepassingsgebied van het actieplan

3.1

Het EESC stelt met voldoening vast dat de Commissie en de lidstaten steeds meer belang hechten aan milieu- en gezondheidsvraagstukken. Het is het ermee eens dat de Unie behoefte heeft aan een duidelijke strategie en een efficiënt actieplan om milieu- en gezondheidsproblemen op een geïntegreerde manier te kunnen aanpakken en een adequaat beleid, zowel op nationaal als op EU-niveau, te kunnen opzetten teneinde het welzijn en de kwaliteit van het bestaan van de bevolking te verbeteren en een duurzaam ontwikkelingsproces op gang te brengen.

3.1.1

Aan de presentatie van het onderhavige actieplan is een jaar van intensieve voorbereiding in allerlei werkgroepen voorafgegaan. Het EESC kan deze grondige voorbereiding alleen maar kan toejuichen en spreekt ook zijn waardering uit voor de kwaliteit van het werk dat de diverse betrokkenen, en met name de deskundigen in de diverse technische werkgroepen, hebben geleverd. De tijd was evenwel te kort om deze uitermate complexe en nog vrij onbekende materie diepgaand te bestuderen. Het actieplan vormt dan ook geen volledig en gestructureerd geheel van maatregelen met bijbehorende uitvoeringstermijnen.

3.1.2

De bevoegdheidsverschillen tussen de Commissie en de lidstaten op het vlak van milieu en gezondheid hebben het vaststellen van de respectieve verantwoordelijkheden en het uitwerken van concrete maatregelen — met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel — er vast niet gemakkelijker op gemaakt. Het EESC is dan ook van oordeel dat de Commissie en de lidstaten hun inspanningen nog beter moeten coördineren om sneller de benodigde basiskennis te verwerven, een betere uitwisseling van informatie te bewerkstelligen en een adequaat budget voor de uitvoering van de geplande maatregelen beschikbaar te stellen.

3.1.3

Het EESC beschouwt het voorgestelde actieplan meer als een eerste aanzet dan als een eindpunt. Het wil dan ook de volgende kanttekeningen plaatsen.

3.2

Om te beginnen moet worden gezorgd voor een adequate financiering. Het actieplan voorziet niet in een specifiek budget voor de financiering van maatregelen die in het kader van het actieplan worden uitgevoerd. De bedoeling is dat deze worden ingepast in bestaande initiatieven en in door de Unie gefinancierde programma's, zoals het communautaire volksgezondheidsprogramma, het zesde milieu-actieprogramma (dat overigens alleen in deel II wordt vermeld) of het zesde kaderprogramma voor onderzoek.

3.2.1

Een dergelijke aanpak kan financiële versnippering en onnodig dubbel werk helpen tegengaan, maar maakt de strategische prioriteiten afhankelijk van de opzet en structuur van programma's die in een heel andere context tot stand zijn gekomen en waarmee wellicht heel andere doelstellingen worden nagestreefd dan met het voorgestelde actieplan.

3.2.2

Streven naar een goede gezondheid van de bevolking, en met name naar een goede gezondheid van de zwakkeren in de samenleving (in de eerste plaats kinderen, voor wie het SCALE-initiatief in feite is bedoeld omdat kinderen een van de meest kwetsbare bevolkingsgroepen vormen, maar in de toekomst ook bejaarden en werknemers die sterk zijn blootgesteld aan risicofactoren), is een doelstelling van prioritair en strategisch belang. Het EESC is dan ook van oordeel dat voor elk van de drie sleutelthema's en de daarbij behorende doelstellingen zo spoedig mogelijk een concreet budget moet worden vastgelegd en dat daarmee terdege rekening moet worden gehouden in het lopende debat over de begroting voor de periode 2007-2013 en de concrete verdeling van de beschikbare begrotingsmiddelen.

3.3

Een zeer gevoelig liggende kwestie is verder de samenwerking met andere juridisch en financieel autonome instanties en organisaties. Nogal wat onderdelen van het actieplan zullen worden uitgevoerd binnen het ruimere kader van internationale samenwerkingsprojecten, wat de reikwijdte van de initiatieven in kwestie zal vergroten, maar anderzijds het nadeel inhoudt dat de doelstellingen dan noodgedwongen ruimer zullen uitvallen en dat minder snel resultaten zullen worden geboekt. De coördinatie- en samenwerkingsmechanismen garanderen namelijk niet dat de samenwerkende partijen precies dezelfde koers zullen varen. Bovendien zal het niet gemakkelijk zijn om te bepalen wie voor welk onderdeel van het initiatief in kwestie verantwoordelijk zal zijn.

3.3.1

Het grote aantal betrokken partijen en hun sterk uiteenlopende bevoegdheden en capaciteiten (met enerzijds organisaties als de WHO en het Milieuagentschap en anderzijds regionale en zelfs lokale overheden) maken de samenwerking er bepaald niet eenvoudiger op, met het gevaar dat het een eeuwigheid duurt om concrete doelstellingen vast te leggen en te bepalen op welke manier een en ander het beste kan worden aangepakt.

3.3.2

Het EESC pleit voor een duidelijke omschrijving van de taken en verantwoordelijkheden van de diverse partijen (en met name van de Commissie cq. de nationale, regionale en lokale overheden) en voor een heldere verdeling van de taken op basis van de aard van het initiatief en van de in de Verdragen neergelegde bevoegdheidsverdeling. Op dit cruciale punt laat de voorgestelde Mededeling het afweten. Het Comité kan deze lacune, waarover het in een eerder advies al zijn bezorgdheid heeft uitgesproken (3), alleen maar betreuren.

3.4

In de beschrijving van de specifieke acties (deel II) worden geen concrete doelstellingen vermeld, maar wordt alleen aangegeven wat de behoeften zijn en — in het gunstigste geval — wat de Commissie en de andere betrokken partijen kunnen doen om in de behoeften te voorzien of om de vastgestelde kennisachterstand weg te werken. Het is helaas niet voor het eerst dat het EESC vaststelt dat de Commissie geen concrete doelstellingen — naar het voorbeeld van de zgn. Millenniumdoelstellingen — formuleert (4). Het beschouwt dit als een aanzienlijke leemte in het actieplan, die het welslagen ervan ernstig in gevaar kan brengen.

3.5

De beschrijving van de diverse acties is vrij gedetailleerd wat de eerste twee of drie jaar betreft, maar een stuk minder nauwkeurig of zelfs ronduit vaag wat de daaropvolgende vier jaar aangaat. Dit is verontrustend omdat het actieplan juist is bedoeld als praktische vertaling van de in 2003 goedgekeurde strategie, die uit de aard der zaak een langetermijnstrategie is. Deze lacune kan niet worden gerechtvaardigd met het argument dat het budget voor de periode in kwestie nog niet is vastgelegd. Als men wil dat de politieke besluitvormers zich bij het vaststellen van dit budget laten leiden door het belang van deze strategie, dan moet men duidelijk aangeven welke doelstellingen men wil bereiken.

3.6

Het EESC vindt één enkele mid term review, in 2007, onvoldoende. Het pleit voor twéé evaluaties, één in 2006 en één in 2008.

3.6.1

Bij de eerste evaluatie kunnen nog een aantal (niet in de Mededeling vermelde) aflopende programma's en/of acties uit de periode vóór de goedkeuring van het actieplan worden geëvalueerd en kunnen bovendien ook al de resultaten van de acties van de eerste twee jaar ná de goedkeuring van het actieplan worden beoordeeld. Hieruit kan dan de nodige lering worden getrokken bij het opzetten van de acties op basis van de begroting voor de periode na 2007.

3.6.2

De tweede evaluatie kan dan worden benut om tijdig, op basis van een specifieke evaluatie, de volgende uitvoeringsfasen van het actieplan voor te bereiden. Na een grondige evaluatie van de bereikte resultaten en de tegengekomen problemen kan dan eventueel ook het werkterrein worden uitgebreid tot andere risicogroepen (b.v. bejaarden).

4.   Bijzondere opmerkingen

4.1

De eerste groep acties is gericht op het „verbeteren van de informatieketen door geïntegreerde informatie over milieu en gezondheid te ontwikkelen”, met als doel te komen tot „een beter begrip van het verband tussen vervuilingsbronnen en gevolgen voor de gezondheid”. Het EESC betreurt dat de behoefte aan informatie nog zo groot is, ondanks het „communautair actieprogramma inzake met de milieuverontreiniging samenhangende ziekten” (5) en het „communautair actieprogramma voor gezondheidsmonitoring” (6), en dat de Mededeling niet vergezeld gaat van evaluatierapporten over de resultaten van deze twee programma's en over de specifieke lacunes die in de eerste uitvoeringsfase van het actieplan uit de wereld moeten worden geholpen.

4.1.1

In de acties 1 en 2 („ontwikkelen van milieugerelateerde gezondheidsindicatoren” en „ontwikkelen van geïntegreerd toezicht op het milieu, met inbegrip van levensmiddelen, om relevante menselijke blootstelling te kunnen bepalen”) heeft het cognitieve aspect de overhand. Het is evenwel niet duidelijk wat er in de tweede uitvoeringsfase met deze nieuw verworven kennis gedaan gaat worden. Ook al komt het er in de eerste plaats op aan meer inzicht te verwerven, de Commissie had duidelijk moeten aangeven dat het uiteindelijk de bedoeling is de vergelijkbaarheid en toegankelijkheid van de gezondheidsinformatie te verbeteren om de bestaande databanken interoperabel te kunnen maken en te kunnen integreren. Zij had ook al concrete voorstellen kunnen doen met betrekking tot de praktische uitvoering en financiering van een en ander (uitvoering van methodologische studies, aaneenkoppeling van de bestaande databanken en, op lange termijn, oprichting van een Europese databank).

4.1.1.1

Met het oog op de integratie van de milieu- en de gezondheidsmonitoring beveelt het EESC aan zo spoedig mogelijk te bepalen op welke terreinen onderzoek (zowel klinisch-epidemiologisch als experimenteel) moet worden gedaan om een beter inzicht te krijgen in het verband tussen bepaalde milieufactoren en bepaalde ziektes en aandoeningen.

4.1.2

De beschrijving van actie 3 („biomonitoring”, d.w.z. het opsporen van schadelijke milieu-effecten, ziektes, dysfuncties of genetische aanleg met behulp van biologische merkers) heeft meer weg van een inventaris van — weliswaar volkomen reële — problemen dan van een lijst van op te zetten acties. Het EESC beveelt dan ook aan zo spoedig mogelijk het mandaat en de doelstellingen van de multidisciplinaire coördinatiewerkgroep vast te leggen, zodat de Unie en de lidstaten over een efficiënt en vooral geloofwaardig coördinatie-instrument beschikken.

4.1.2.1

Het EESC adviseert om op basis van de bevindingen van de technische werkgroepen te bepalen welke aspecten voorrang dienen te krijgen en op welke manier de werkzaamheden van gespecialiseerde onderzoekscentra het best worden gecoördineerd om zo goed mogelijke resultaten te behalen. Verder pleit het ervoor om via cohortonderzoeken (met name bij moeders en kleine kinderen) de biologische merkers op een adequate manier te evalueren.

4.1.3

Met betrekking tot actie 4 („verbeteren van de coördinatie en de gezamenlijke activiteiten op het gebied van milieu en gezondheid”) stelt de Commissie een soortgelijke oplossing voor: oprichting van een raadgevende groep en bevordering van de uitwisseling van informatie tussen de verantwoordelijke overheden. Het EESC is evenwel van oordeel dat de oprichting van een raadgevende groep volstrekt onvoldoende is om tot een regelmatige uitwisseling van informatie over best practices te komen. Het hoopt dan ook dat lidstaten met afzonderlijke ministeries voor milieu- en gezondheidsvraagstukken zo spoedig mogelijk een instantie in het leven roepen die verantwoordelijk is voor de hele milieu- en gezondheidsproblematiek en die over voldoende bevoegdheden en middelen beschikt om de diverse initiatieven op deze terreinen te coördineren. Verder dringt het erop aan dat de Commissie een efficiënter coördinatie-instrumentarium voorstelt en ook haar eigen coördinatiestructuren stroomlijnt.

4.2

De tweede groep acties is gericht op het „overbruggen van de kenniskloof door het onderzoek op het vlak van milieu en gezondheid te versterken”. Uit de voorgestelde acties blijkt duidelijk dat de Commissie niet zozeer denkt aan het opzetten van concrete onderzoeksprojecten alswel aan het consolideren van de reeds verworven basiskennis. Zo komt actie 5 in de praktijk neer op het analyseren van de resultaten van het door de GCO's verrichte onderzoek en het onderzoek dat in het kader van de lopende onderzoeksprogramma's wordt verricht, alsmede op het organiseren van conferenties. Actie 6 („toespitsen van het onderzoek op ziektes, aandoeningen en gevallen van blootstelling”) komt in feite neer op het analyseren van de oorzaken en de ontwikkeling van ziektes en aandoeningen — waarbij geen concrete onderzoeksthema's geworden gesuggereerd — en het oprichten van een Europees onderzoeksnetwerk. Actie 7 ten slotte heeft betrekking op het ontwikkelen van methodes voor risicobeoordeling, rekening houdend met de complexe interacties en de externe kosten, alsmede het ontwikkelen van een methode voor het harmoniseren en testen van deze methodes.

4.2.1

Het EESC beveelt aan zo spoedig mogelijk iets te doen aan het tekort aan grootschalige epidemiologisch gegevens, en met name aan wetenschappelijke gegevens over neurologische gedragsstoornissen in Europa. Vooral over dergelijke stoornissen bij kinderen zijn er nog te weinig gegevens beschikbaar, maar er zijn wel duidelijk aanwijzingen dat een aantal milieufactoren hierbij een bepalende, zij het niet exclusieve, rol spelen.

4.2.2

Verder is het EESC van oordeel dat het interdisciplinaire onderzoek op het gebied van milieu en gezondheid moet worden ondergebracht bij de prioritaire onderzoeksterreinen van het zevende kaderprogramma. Het dringt er ook op aan in het kader van de specifieke programma's voldoende middelen uit te trekken om de nog ontbrekende kennis te kunnen opbouwen en methodes en instrumenten voor een efficiënt optreden op het gebied van milieu en gezondheid te kunnen ontwikkelen.

4.2.3

In het kader van actie 8 („ervoor zorgen dat potentiële risico's op het vlak van milieu en gezondheid worden geïdentificeerd en aangepakt”) worden concretere doelstellingen aangegeven. Deze actie heeft tot doel de prognoses te verbeteren en de gezondheidssector voor te bereiden op extreme klimaatveranderingen en andere wereldwijde milieudreigingen. Het EESC onderschrijft de voorgestelde doelstellingen, ook al is er geen direct verband met de hoofddoelstelling van het SCALE-initiatief, nl. het beschermen van de gezondheid van kinderen. Het hoopt dat deze actie op middellange termijn uitmondt in een adequaat programma met een eigen budget, zodat de maatregelen in kwestie niet, zoals in het huidige voorstel, onderdeel vormen van een onsamenhangend geheel en het zonder een eigen budget moeten stellen.

4.3

De acties 9 en 10, die tot doel hebben de communicatie te verbeteren via maatregelen op het gebied van (o.m.) onderwijs en opleiding, bieden enkele nuttige aanknopingspunten, maar vormen geen voldoende solide basis voor het uitwerken van een communicatie- en opleidingsstrategie die de verantwoordelijke instanties — in dit geval de nationale overheden — echt houvast biedt en de nodige veranderingen in het gedragspatroon van de burgers teweeg kan brengen. In dit verband heeft het EESC in een eerder advies het volgende verklaard: „Het zal noodzakelijk blijken om de bevolking te informeren en zich van haar actieve steun te verzekeren. Hierbij is voor de sociale partners en het maatschappelijk middenveld een cruciale rol weggelegd.” (7).

4.3.1

Onder de acties 11, 12 en 13 ten slotte (herziening en aanpassing van het beleid ter verkleining van de risico's die rechtstreeks samenhangen met als prioritair aangemerkte ziektes, nl. ademhalingsziekten, neurologische ontwikkelingsstoornissen, kanker en hormoonontregeling) vallen initiatieven als het opzetten van proefprojecten, het bevorderen van het opzetten van netwerken, het coördineren van lopende initiatieven of gewoonweg „het volgen van de ontwikkelingen op het vlak van elektromagnetische velden”. Het gaat hier meer om een lijst van goede intenties dan om een concrete en uitputtende lijst van maatregelen om risicofactoren in kaart te brengen. Het EESC is van oordeel dat de desbetreffende voorstellen in geen verhouding staan tot de ernst van de mogelijke gezondheidsschade (zie in dit verband de Mededeling „Een Europese strategie voor milieu en gezondheid”) en niet geschikt zijn om binnen een redelijke termijn een behoorlijk beleid ter verkleining van gezondheidsrisico's uit te werken.

4.3.2

Het EESC beveelt met name aan het onderzoek naar factoren die van invloed zijn op de luchtkwaliteit in woningen en kantoren (actie 12) als urgent te beschouwen en een concrete termijn — in een niet te verre toekomst — vast te leggen voor het bijeenbrengen van de benodigde wetenschappelijke gegevens voor de herziening van de aanbeveling uit 1999 over elektromagnetische velden. Als er geen concrete doelstellingen en geen concrete termijnen voor het afsluiten van het onderzoek worden vastgesteld, vreest het dat deze acties niet eens tot een behoorlijke coördinatie van de thans lopende EU-initiatieven en tot een gecoördineerde aanpak met de lidstaten zullen leiden.

Brussel, 15 december 2004

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

A.-M. SIGMUND


(1)  Mededeling van de Commissie - Een Europese strategie voor milieu en gezondheid (COM(2003) 338 def.). Het EESC heeft hierover advies uitgebracht op 10 december 2003 tijdens zijn 404e zitting (Rapporteur: Ehnmark - PB C 80 van 30 maart 2004).

(2)  Mededeling van de Commissie – Het Europees actieplan voor milieu en gezondheid 2004-2010, COM(2004) 416 def. van 9 juni 2004, deel I en II

(3)  Advies over de Mededeling „Een Europese strategie voor milieu en gezondheid”, rapporteur: Ehnmark, par. 6.4, PB C 80 van 30 maart 2004 (zie voetnoot 1)

(4)  Ibidem, par. 5.3

(5)  PB C 19 van 21 januari 1998

(6)  PB C 174 van 17 juni 1996

(7)  PB C 80 van 30.3.2004


28.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 157/70


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot invoering van normen voor de humane vangst van bepaalde diersoorten

(COM(2004) 532 def. — 2004/0183(COD))

(2005/C 157/11)

De Raad heeft op 14 september 2004 besloten om het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 175 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap te raadplegen over voornoemd voorstel

De afdeling Landbouw, plattelandsontwikkeling en milieu, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 16 november 2004 goedgekeurd. Rapporteur was de heer Donnelly.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 15 en 16 december 2004 gehouden 413e zitting (vergadering van 16 december) het volgende advies uitgebracht, dat met 60 stemmen vóór en 1 stem tegen, bij 6 onthoudingen, werd goedgekeurd:

I.   INLEIDING

1.   De wildklemverordening

1.1

In 1989 keurde het Europees Parlement een resolutie goed waarin werd opgeroepen tot een verbod op het gebruik van wildklemmen in de EU en op bont en bontproducten uit landen waar de wildklem gebruikt wordt.

In reactie hierop diende de Commissie een voorstel voor een desbetreffende verordening in, dat door de Raad in 1991 werd goedgekeurd (1). De verordening behelst een verbod op het gebruik van de wildklem in de EU vanaf 1 januari 1995 en op de invoer van pelzen van 13 genoemde soorten uit derde landen, tenzij aan één van de volgende voorwaarden is voldaan:

er zijn passende administratieve of wettelijke bepalingen van kracht die het gebruik van de wildklem verbieden of

de voor de 13 genoemde soorten gebruikte vangmethoden (bijlage I van de EU-verordening) voldoen aan internationaal overeengekomen normen voor humane vangst.

1.2

Het is opmerkelijk dat het Europees Parlement in zijn advies opriep tot een verbod op de verkoop van wildklemmen en tot een geleidelijk verbod op de verkoop van bont en bontproducten afkomstig van met wildklemmen gevangen dieren. De Raad heeft in zijn overwegingen in 1991 dit advies naast zich neergelegd.

1.3

Hoewel het gebruik van wildklemmen in de EU sinds 1995 verboden is, is dit niet het geval in landen die bontproducten uitvoeren die afkomstig zijn van met wildklemmen gevangen dieren.

In zijn advies uit 1990 (2) benadrukte het EESC het belang van consistentie over dit onderwerp. Verder ondersteunde het niet alleen een Europees verbod op wildklemmen, maar stelde het ook een internationaal verbod voor.

2.   De overeenkomst

2.1

Na de communautaire wetgeving inzake wildklemmen werd het hoog tijd om op internationaal niveau vangstnormen vast te stellen. Via onderhandelingen tussen de EU, Canada, Rusland en de VS kwam het tot een overeenkomst, die echter uitsluitend door Canada, Rusland en de EU werd ondertekend. De VS konden bij deze overeenkomst geen partij zijn aangezien de bevoegdheid op dit gebied binnen de VS gedecentraliseerd is. De VS zegden evenwel toe een lichtere versie van de overeenkomst ten uitvoer te leggen.

2.2

De bereikte overeenkomst beoogde te voorkomen dat Europa eventueel een verbod zou opleggen op de invoer van bontproducten van in het wild gevangen dieren in landen die de wildklemmen niet hadden verboden.

2.3

Naar het oordeel van het Europees Parlement was de overeenkomst volstrekt ontoereikend en had deze afgewezen moeten worden. In plaats daarvan had er een verbod moeten komen op de invoer van bont en bontproducten die afkomstig waren van in het wild levende dieren die in de overeenkomst werden genoemd.

2.4

De overeenkomst bevat bepaalde normen die moeten worden nageleefd bij de vangst van dieren. De Europese Gemeenschap ratificeerde de overeenkomst in 1997. De in de overeenkomst opgenomen normen voor humane vangst zijn een weergave van reeds in Rusland, Canada en de VS gehanteerde normen. De opname van de term „humaan” was zeer omstreden, aangezien deze normen een hoge mate van lijden voor de gevangen dieren toelaten.

2.5

Wetenschappelijke adviezen (inclusief het advies van het Wetenschappelijk en Veterinair Comité van de Commissie) bevestigden dat de in de overeenkomst opgenomen humane vangmethoden een onaanvaardbaar niveau van lijden niet uitsloten.

2.6

Het Wetenschappelijk Comité benadrukte dat de essentiële criteria die moeten worden aangelegd om de mate van mededogen te beoordelen de volgende waren: de tijd die nodig is om het dier ongevoelig voor pijn te maken en de hoeveelheid pijn en stress die het dier in deze periode aangedaan wordt. Het Comité concludeerde dat, wil een dodelijke klem „humaan” zijn, deze het dier onmiddellijk ongevoelig voor pijn dient te maken, of hoogstens binnen enkele seconden. In de overeenkomst staat in plaats hiervan een maximum tijdslimiet van 5 minuten; bijgevolg werd de term 'humaan' ongeschikt geacht.

2.7

Het Wetenschappelijk Comité kwam tevens tot de slotsom dat de in de overeenkomst opgenomen letselschaal geen deugdelijke wetenschappelijke basis had in vergelijking met andere wijdverbreide methoden voor de beoordeling van gebrekkig welzijn.

2.8

Momenteel hebben de EU en Canada de overeenkomst geratificeerd (Rusland dus nog niet). Daarom is de inwerkingtreding van de overeenkomst nog hangende. Canada en de EU hebben evenwel besloten om in afwachting daarvan hoe dan ook de bepalingen van de overeenkomst al toe te passen.

3.   Kern van het Commissievoorstel

3.1

Het Commissievoorstel voor een richtlijn tot invoering van normen voor de humane vangst van bepaalde diersoorten (3) beoogt de omzetting van de overeenkomst betreffende normen voor de humane vangst in communautaire wetgeving, zoals voorzien in de Besluiten 98/142/EG en 98/487/EG van de Raad.

3.2

Het voorstel geldt voor 19 wildsoorten (5 ervan komen in de EU voor), zoals omschreven in bijlage 1.

3.3

Het voorstel bevat diverse verplichtingen en vereisten voor vangmethoden, het gebruik van klemmen, vallenzetters, onderzoek, sancties en certificering. De tekst bevat verder een lange reeks mogelijke uitzonderingen en twee bijlagen (bijlage II en III) inzake humane vangstnormen en het testen van de vangmethoden.

3.4

Uit het voorstel blijkt dat lidstaten strikte wetgeving voor dit onderwerp mogen invoeren; de EU-wetgving uit 1991 inzake het verbod op het gebruik van de wildklem blijft van kracht. De implementatie en controle op de naleving vallen onder de bevoegdheid van de lidstaten en de door hen aangewezen autoriteiten. In het voorstel wordt geen begrotingslijn genoemd: de lidstaten zullen derhalve zelf financiële middelen moeten uittrekken voor de betrokken kosten.

II.   OPMERKINGEN

4.   Het gebruik van de term „normen voor humane vangst”

4.1

Volgens het EESC is het gebruik van de term „humaan” (4) in het voorstel twijfelachtig. Artikel 2 omschrijft „vangmethoden” maar bevat geen omschrijving van „normen voor humane vangst”. In feite wordt in de tekst van de overeenkomst (waarop het voorstel geïnspireerd is) in de preambule erkend dat er geen internationale vangstnormen zijn, en wordt het woord „humaan” in het algemeen in verband gebracht met normen die „de in vallen gevangen dieren een voldoende welzijnsniveau (te) garanderen”.

4.2

Tijdens de onderhandelingen over de overeenkomst tekende het Wetenschappelijk en Veterinair Comité van de Commissie (5) aan dat de in de tekst opgenomen normen niet als „humaan” konden worden opgevat (zoals hierboven opgemerkt), aangezien de maximumduur die werd toegestaan om het dier ongevoelig te maken voor pijn veel langer was dan aanvaardbaar (onmiddellijke dood). Bijzondere nadruk werd gelegd op verdrinkingsvallen: de schatting is immers dat het maximaal 15 minuten duurt voordat onder water gevangen semi-aquatische zoogdieren sterven.

4.3

Het Comité stelt daarom voor om het woord „humaan” in de definitieve versie van de EU-wetgeving te vervangen door een alternatieve term die meer op zijn plaats is, ten minste totdat de vangstnormen aan de eerder beschreven normen voldoen.

5.   Vallen

5.1

Het voorstel heeft betrekking op twee types vallen: letale vallen en levendvallen. De normen voor de letale vallen in het voorstel voldoen zonder meer niet aan wetenschappelijke normen waarover in de Gemeenschap overeenstemming bestaat, die onmiddellijke dood aanbevelen of hoogstens een tijdsduur van 30 seconden voordat de dood intreedt. Voor de levendvallen (vallen gebruikt voor de vangst van levende dieren) bevat het voorstel geen specificaties noch een motivering van het doel van het levend vangen van dieren. Voorts worden in het voorstel geen welzijnsnormen genoemd voor het doden van levend gevangen dieren. Dit betekent dat niet vaststaat hoe een in een levendval gevangen dier nadien moet worden gedood.

Bovendien garandeert het voorstel niet dat toegestane vangmethoden eventueel tot de dood of vangst van onbedoelde diersoorten leiden. Op grond van de vangstnormen zou dit risico zo veel mogelijk moeten worden uitgebannen.

6.   Tests

6.1

In het voorstel zijn technische bepalingen opgenomen voor het beproeven van de vangmethoden, die het gebruik van levende dieren niet uitsluiten. Er zijn minimumvereisten opgesteld, zowel voor proeven in een omheind gebied als voor proeven in het vrije veld. Ook kunnen door een partij bij de overeenkomst uitgevoerde proeven worden erkend door andere partijen.

6.2

Willen de resultaten deugdelijk zijn, dan moeten de proeven worden uitgevoerd onder dezelfde omstandigheden als die waarin de vallen gebruikt zullen worden. Parameters die gebaseerd zijn op resultaten van proeven in omheinde gebieden komen dus niet in aanmerking voor de beoordeling van het welzijn van in het wild levende dieren. Op grond hiervan zouden er dus helemaal geen proeven op dieren moeten worden uitgevoerd; uitsluitend de reeds beschikbare proeven met computersimulaties zouden in aanmerking moeten komen.

7.   Afwijkingen

7.1

Het voorstel bevat een lange lijst van eventuele afwijkingen die, indien toegepast, de bedoeling van het voorstel geheel zouden ondermijnen. Volgens het EESC moeten afwijkingen in verband met openbare veiligheid en de gezondheid van mens en dier worden toegestaan. Mochten er problemen zijn, dan dient de overheid degenen die ter plaatse werkzaam zijn (landbouwers bijv.) onmiddellijk te informeren en bij hen advies in te winnen. Het EESC houdt enige slagen om de arm voor wat betreft de andere voorgestelde afwijkingen.

7.2

Aangezien het geen sinecure is om in de natuur, waar de vallen gebruikt worden, doeltreffend te inspecteren en het systeem te doen naleven, zouden de door de Commissie voorgestelde afwijkingen (behalve de hiervoor genoemde) slechts bijdragen aan ondermijning van de transparantie en verantwoordelijkheid van partijen bij de overeenkomst.

8.   Vallenzetters

8.1

Het voorstel voorziet in de opzet van een system van vergunningen en opleidingen voor vallenzetters. Op de vergunningen wordt evenwel niet verder ingegaan en controle op door vallenzetters gebruikte vangmethoden is eigenlijk onuitvoerbaar daar dit in de natuur zou moeten worden gedaan. Het EESC bepleit de invoering van een strikt, op communautair niveau te harmoniseren, vergunningensysteem.

9.   Certificering

9.1

In het Commissievoorstel krijgen de lidstaten de bevoegdheid om gebruikte vangmethoden te certificeren; tevens wordt wederzijdse erkenning van deze certificering tussen lidstaten voorgesteld.

Hoewel dit systeem in de EU probleemloos zou kunnen worden ingevoerd, dient er ook een internationaal certificeringsysteem te komen. De partijen bij de overeenkomst zouden eigenlijk een standaard certificerings- en traceerbaarheidssysteem moeten invoeren. Dit systeem zou bijdragen aan een transparante en doeltreffende tenuitvoerlegging van de overeenkomst.

10.   Sancties

10.1

In het voorstel is sprake van de eventuele toepassing van administratieve sancties in geval van overtreding van de wetgeving. Daar sommige EU-lidstaten echter in geval van overtreding van wetten inzake dierenwelzijn het strafrecht toepassen, verdient het volgens het EESC aanbeveling om sancties overeenkomstig de nationale systemen op te leggen.

11.   Conclusies

11.1

Het EESC meent dat de in het voorstel vervatte normen voor humane vangst niet als humaan kunnen worden opgevat, daar zij niet meer zijn dan een afspiegeling van de normen van de Overeenkomst. Van laatstgenoemde is vastgesteld dat zij achterblijven bij de bestaande normen voor dierenwelzijn in de EU-wetgeving. Het Comité pleit daarom voor vervanging van het woord „humaan” in de definitieve wetstekst door een term die meer op zijn plaats is.

11.2

Het EESC meent dat uitsluitend onmiddellijk dodelijke vallen in aanmerking moeten komen en dat de gebruikte toepassingen van levendvallen duidelijk moeten worden aangegeven. Worden voorts levend gevangen dieren gedood, dan dient de methode zoveel mogelijk overeen te komen met de wetgeving inzake dierenwelzijn.

11.3

Naar het oordeel van het EESC moeten verdrinkingsvallen worden verboden. Zoals het Wetenschappelijk en Veterinair Comité van de Commissie vaststelde, gaat het om een wrede methode omdat het dier onder water langzaam stikt.

11.4

Het EESC tekent aan dat, ook al bevat het voorstel bepalingen voor het beproeven van vallen, er geen wetenschappelijke basis is om parameters die gebaseerd zijn op resultaten van in omheinde omgevingen uitgevoerde tests toe te passen op in het wild levende dieren. Derhalve beveelt het EESC aan om geen dieren voor proeven te gebruiken, maar in plaats hiervan gebruik te maken van de reeds beschikbare computersimulatie.

11.5

Het EESC meent dat de bij dit onderwerp betrokken actoren zich op grond van de meeste afwijkingen in het voorstel in bepaalde gevallen wellicht geheel aan de toepassing van de wetgeving zouden kunnen onttrekken. Het bepleit daarom dat de afwijkingen die door de bevoegde autoriteiten worden overwogen, verband houden met openbare veiligheid en/of de gezondheid van mens en dier. Dit is een belangrijk aspect gelet op het feit dat controles en inspecties in de natuur moeilijk uitvoerbaar zijn.

11.6

Volgens het EESC dient er in de EU een transparant vergunningensysteem te komen voor vallenzetters. De invoering van opleidings- en vergunningseisen voor vallenzetters wordt in het voorstel volledig een zaak van de overheden in de lidstaten. Het EESC vreest dat dit zal leiden tot een ongeharmoniseerd systeem, dat de invoering van welzijnsnormen in de EU in de weg zou staan.

11.7

Naar het oordeel van het EESC is een effectieve tenuitvoerlegging van de overeenkomst gebaat bij een doeltreffend certificerings- en traceerbaarheidssysteem tussen de partijen.

11.8

Het EESC bepleit dat er in geval van overtreding van de voorgestelde wetgeving sancties worden opgelegd op grond van de nationale wetgeving voor dierenwelzijn.

11.9

Volgens het EESC moet de uitvoering van de in het voorstel vervatte bepalingen strikter worden. In het voorstel staat dat vallen met ingang van 2009 dienen te voldoen aan de voorgestelde normen, en de vangmethoden vanaf 2012. Het EESC meent dat alle bepalingen zo snel mogelijk in werking moeten treden.

Brussel, 16 december 2004

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

A.-M. SIGMUND


(1)  Verordening 3254/91 van de Raad, PB L 308 van 9.11.1991.

(2)  Advies over het voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de invoer van bepaalde bontsoorten, PB C 168 van 10.7.1990, blz. 32.

(3)  COM(2004) 532 def.

(4)  In februari 1994 besloot de door de Internationale Organisatie voor normalisatie opgerichte werkgroep „humane vangstnormen” het woord „humaan” uit de omschrijving van de normen te verwijderen. Tijdens deze bijeenkomst werd overeengekomen alle verwijzingen naar „humaan” en „mededogen” te schrappen. Binnen de ISO kon er geen overeenkomst worden bereikt over vangstnormen. In de onderhandelingen met de ISO wezen Europese dierenartsen er op dat een vereiste tijdsduur van meer dan 15 seconden om een dier te doden, niet als humaan kan worden beschouwd; verdrinkingsvallen kwamen in elk geval niet in aanmerking. Met onder andere deze opmerkingen is bij het opstellen van de definitieve tekst geen rekening gehouden.

In het advies van het Wetenschappelijk en Veterinair Comité van de Europese Commissie (1994) luidt de conclusie dat een „humane” val het dier onmiddellijk gevoelloos moet maken voor pijn, en dat er meer aandacht besteed moet worden aan het ontwerp van vallen om rekening te houden met het gedrag van niet-doelsoorten (om vangst of verwonding hiervan te voorkomen). Het Comité stelde vast dat de voorgestelde letselschaal geen wetenschappelijke basis had en dus niet als criterium voor mededogen kan worden gebruikt.

(5)  Advies van het Wetenschappelijk Comité overeenkomstig de CITES-verordening, 1995; advies van het Wetenschappelijk Comité, DG Landbouw, 1994.


28.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 157/74


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het „Voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 87/328/EEG wat betreft de opslag van rundersperma voor het intracommunautaire handelsverkeer”

(COM(2004) 563 def. — 2004/0188 (CNS))

(2005/C 157/12)

Op 20 september 2004 heeft de Raad besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 37 van het EG-Verdrag te raadplegen over voornoemd voorstel

De gespecialiseerde afdeling „Landbouw, plattelandsontwikkeling, milieu”, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 16 november 2004 goedgekeurd. Rapporteur was de heer Leif E. Nielsen.

Tijdens zijn 413e zitting op 15 en 16 december 2004 (vergadering van 15 december) heeft het Europees Economisch en Sociaal Comité het volgende advies uitgebracht, dat met 139 stemmen voor, bij 7 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Samenvatting van het Commissiedocument

1.1

Richtlijn 88/407/EEG van de Raad bevat de veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer in en de invoer van sperma van raszuivere fokrunderen. Die richtlijn is in 2003 gewijzigd (1) om de opslag van sperma niet alleen in spermacentra (met eigen spermawinning), maar ook in spermaopslagcentra (zonder winning) toe te staan, hoewel het EESC in zijn advies ernstige bezwaren daartegen heeft opgeworpen.

1.2

Om „verwarring met het toepassingsgebied en de definities” uit te sluiten stelt de Commissie nu voor de regels van Richtlijn 87/328/EEG betreffende de toelating van raszuivere fokrunderen tot de voortplanting in die zin te wijzigen dat rundersperma niet alleen in een „centrum voor kunstmatige inseminatie” (spermacentrum) maar ook in een „spermaopslagcentrum” verzameld, behandeld en opgeslagen mag worden.

2.   Algemene opmerkingen

2.1

De Commissie had moeten weten dat Richtlijn 87/328/EEG als gevolg van de wijziging van Richtlijn 88/407/EEG ook aangepast had moeten worden en had de noodzakelijke samenhang van de EU-wetgeving meteen tot stand moeten brengen. Zo had de huidige verwarring en onzekerheid qua toepassingsgebied en definities alsook deze extra wetgevingsprocedure voorkomen kunnen worden.

2.2

De voorgestelde nieuwe formulering van artikel 4 van Richtlijn 87/238/EEG wekt bovendien de indruk dat erkende opslagcentra ook rundersperma mogen verzamelen en behandelen, waarmee zij dus een soort „parallel systeem van spermacentra” zouden vormen. Dit zou zinloos zijn en blijkt bij nadere bestudering van de teksten ook niet het geval te zijn. Artikel 4 dient daarom zodanig geformuleerd te worden dat er geen misverstanden kunnen ontstaan.

3.   Conclusie

3.1

Het EESC erkent dat opslagplaatsen voor de distributie van rundersperma ondanks zijn tegenstand in 2002 bij Richtlijn 2003/43/EG zijn toegelaten en dat de voorgestelde wijziging, die destijds meteen al doorgevoerd had moeten worden, noodzakelijk is om de samenhang van de EU-wetgeving te waarborgen. De gewijzigde tekst kan echter aanleiding geven tot misverstanden en zou daarom nauwkeuriger geformuleerd moeten worden.

Brussel, 15 december 2004

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

A.-M. SIGMUND


(1)  Richtlijn 2003/43/EG, PB L 143 van 11.6.2003, blz. 23


28.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 157/75


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Commissiedocument „De structurele veranderingen begeleiden: een industriebeleid voor het uitgebreide Europa”

(COM (2004) 274 def.)

(2005/C 157/13)

Op 20 april 2004 heeft de Europese Commissie besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 262 van het EG-Verdrag te raadplegen over de mededeling: De structurele veranderingen begeleiden: een industriebeleid voor het uitgebreide Europa

De Adviescommissie industriële reconversie, die was belast met de voorbereidende werkzaamheden heeft haar advies op 2 december 2004 goedgekeurd; rapporteur was de heer Van Iersel en corapporteur was de heer Legelius.

Tijdens zijn 413e zitting op 15 en 16 december 2004 (vergadering van 15 december 2004) heeft het Europees Economisch en Sociaal Comité het volgende advies uitgebracht, dat met 142 stemmen voor en 1 stem tegen, bij 9 onthoudingen, is goedgekeurd:

Samenvatting

Na vele jaren staat het industriebeleid weer hoog op de Europese agenda. Uiteraard is er het afgelopen decennium wel sprake geweest van specifieke beleidsmaatregelen en van thematische benaderingen op industriegebied, maar daarbij ontbrak het uit oogpunt van het Europese bedrijfsleven soms aan coördinatie en evenwicht. Als gevolg van de veranderende context in de wereld — waarin de Verenigde Staten, China, India een grote rol spelen — moet er opnieuw worden nagedacht en meer worden gedaan. Het is nu tijd voor een herwaardering van de industrie en voor een verheldering van de complexe verbanden tussen industrie en diensten.

In de visie van het Comité vormt de noodzaak van brede bewustwording een belangrijke uitdaging. Het grote publiek moet gaan beschikken over transparante gegevens en analyses, wat zal leiden tot een grotere consensus en publieke steun. Het Comité kan zich helemaal vinden in de drie pijlers van het industriebeleid: „betere regelgeving”, een geïntegreerde benadering op EU-niveau en een sectorgericht beleid met specifieke en daarop afgestemde maatregelen. „Betere regelgeving” betekent dat bestaande en nieuwe maatregelen voortdurend zorgvuldig worden beoordeeld. Een geïntegreerde benadering betekent dat het EU-beleid en het nationale beleid effectief op elkaar worden afgestemd. Nieuw in het Commissiedocument is vooral de nadruk op een sectorgericht beleid en maatwerkbenaderingen. Ondanks bepaalde gemeenschappelijke kenmerken verschilt het beeld per sector. De Commissie heeft een aantal sectoranalyses uitgevoerd en heeft er nog meer gepland. Het EESC steunt deze praktijk als basis voor het industriebeleid „nieuwe stijl”.

Het industriebeleid kan helpen om de Europese economie tot de voorhoede op het gebied van concurrentie, kennis en duurzaamheid te laten doorstoten, het doel van de Lissabonstrategie. Dan moeten de analyses en het beleid wel beter worden afgestemd op de dynamiek van de verschillende betrokken sectoren en bedrijven. Marktconformiteit en liberalisering moeten de pijlers vormen van het industriebeleid „nieuwe stijl”, dat daarnaast echter ook sectorspecifieke kenmerken omvat, zoals permanent overleg met het bedrijfsleven, regelgeving, opheffing van non-tarifaire belemmeringen, O&O, handel en gericht human resources management. Daarnaast moeten ook technologieplatforms worden opgericht, die kunnen leiden tot nieuwe samenwerkingsverbanden binnen de particuliere sector of tussen de publieke en de particuliere sector in Europa, bijv. tussen universiteiten, onderzoekscentra en bedrijven.

Een betere coördinatie binnen de Commissie (bijv. onder auspiciën van DG Ondernemingen) en in de Ministerraad is wenselijk om het industriebeleid zichtbaar te maken en synergieën te bereiken. Ook een actieplan voor de middellange termijn van de Commissie en de Raad Concurrentievermogen is uitermate welkom. Het EESC dringt erop aan, dat het industriebeleid „nieuwe stijl” betrokken wordt bij de voorbereiding van de tussentijdse herziening van de Lissabonstrategie in maart 2005.

1.   Inleiding

1.1

Het industriebeleid heeft bij de Europese integratie van meet af aan op de agenda gestaan. Het EGKS-Verdrag bevatte reeds specifieke doelstellingen en instrumenten voor de kolen- en staalindustrie. Het EEG-Verdrag ging uit van een meer algemene benadering, waarin de totstandkoming van de interne markt altijd, zoals ook vandaag centraal heeft gestaan.

1.2

Op EU-niveau is een specifiek industriebeleid gevoerd, waarbij milieu-, O&O- of sociale doelstellingen werden beoogd. Mettertijd werden het sectorgericht beleid vervangen door een thematisch beleid. Daarbij ontbrak het uit oogpunt van het Europese bedrijfsleven echter soms aan coördinatie en aan een evenwichtige benadering.

1.3

Naast een algemeen beleid werd in zekere mate ook een sectorgericht beleid gevoerd in het streven naar liberalisering van de markt, bijv. op het vlak van energie en telecommunicatie. Er werden enkele Europese industrieprojecten opgezet, zoals Galileo.

1.4

Gezien de permanente industriële reconversie en globalisering moeten zowel het bedrijfsleven als de overheid verdere aanpassingen doorvoeren teneinde het Europese concurrentievermogen te verbeteren. In juli van dit jaar publiceerde de Europese Commissie een indrukwekkende analyse van de situatie en de vooruitzichten van de Europese industrietakken in internationaal perspectief (1). In andere delen van de wereld is sprake van een sterke dynamiek, die mogelijk van invloed is op de investeringsstrategieën van Europese ondernemingen. Voor de meeste sectoren geldt dat het technologisch peil in Europa flink omhoog moet om concurrerend te kunnen blijven.

1.5

In het kader van de Lissabonstrategie hebben de Europese Raad en andere Raadsformaties, zoals Ecofin en de Raad Concurrentievermogen, zich gebogen over een aantal mededelingen en concrete voorstellen van de Commissie om voor de industrie betere voorwaarden te schepen op micro- en macroniveau. In deze documenten draait het vooral om een horizontale beleidsbenadering. De term „industriebeleid” werd jarenlang eenvoudigweg niet in de mond genomen, omdat die te sterk deed denken aan de tijd van overheidsinterventie en overheidssteun, die de totstandbrenging van een goed functionerende interne markt met gelijke concurrentievoorwaarden in de weg stonden. Inmiddels zijn deze interventiemaatregelen geleidelijk afgeschaft.

1.6

Er wordt nu gestudeerd op nieuwe ideeën voor een industriebeleid. In dit verband heeft de Commissie in 2002 de mededeling „Een industriebeleid voor het uitgebreide Europa” uitgebracht (2).

1.7

De Europese Raad gaf de Raad Concurrentievermogen in het voorjaar van 2003 opdracht zich „op gezette tijden op horizontale en sectorale vraagstukken” te beraden (3).

1.8

De Commissie bracht in april 2004 een tweede Mededeling over het industriebeleid uit, dat centraal staat in dit advies (4).

1.9

Naar aanleiding van deze initiatieven en van het resultaat van het overleg dat tot nog toe is gevoerd, verklaarde Commissaris Liikanen in mei 2004 dat het industriebeleid van de EU, in tegenstelling tot hetgeen medio jaren 90 werd verwacht, weer bovenaan de Europese politieke agenda staat (5).

1.10

Het EESC is verheugd dat op het juiste moment een andere houding ten aanzien van het industriebeleid wordt ingenomen. Het is het ermee eens dat specifieke aandacht voor industriële belangen en voor afzonderlijke sectoren wenselijk is, zonder daarbij in de fouten van het verleden te vervallen. Relevante kennis en ervaring, waarover de CCMI beschikt, kunnen een ondersteunende rol spelen in de toekomst. Met een adequaat industriebeleid en sectorgerichte maatregelen zal het aanzienlijk gemakkelijker worden om de doelstellingen van de Lissabonstrategie te realiseren.

2.   Standpunten van de Commissie in een veranderende economische context

2.1

Alles staat tegenwoordig in het teken van de veranderende wereldeconomie. Dit vereist nieuwe benaderingen. De Commissie vindt dat het industriebeleid in de toekomst op de volgende drie pijlers moet berusten:

de industrie mag niet gebukt gaan onder wet- en regelgeving; zowel bestaande als nieuwe maatregelen moeten daarom zorgvuldig worden afgewogen;