ISSN 1725-2474

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 120

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

48e jaargang
20 mei 2005


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

II   Voorbereidende besluiten

 

Europees Economisch en Sociaal Comité

 

412e plenaire zitting van 27 en 28 oktober 2004

2005/C 120/1

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende herverzekering en houdende wijziging van Richtlijnen 73/239/EEG en 92/49/EEG van de Raad en van Richtlijnen 98/78/EG en 2002/83/EG van het Europees Parlement en de Raad(COM(2004) 273 def. – 2004/0097 (COD))

1

2005/C 120/2

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende beperkingen op het op de markt brengen en het gebruik van tolueen en trichloorbenzeen (achtentwintigste wijziging van Richtlijn 76/769/EEG van de Raad) (COM(2004) 320 def. – 2004/0111 (COD))

6

2005/C 120/3

Advies het Europees Economisch en Sociaal Comité over het thema Aanpassingsvermogen van MKB en ondernemingen van de zgn. sociale economie aan veranderingen ten gevolge van de economische dynamiek

10

2005/C 120/4

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Pan-Europese vervoerscorridors

17

2005/C 120/5

Advies van het Europees Economische en Sociaal Comité over de Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's - Snelle verbindingen voor Europa: recente ontwikkelingen in de sector elektronische communicatie (COM(2004) 61 def.)

22

2005/C 120/6

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het gewijzigd voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en van de Raad betreffende het verhogen van de veiligheid van havens (COM(2004) 393 def. - 2004/0031 (COD))

28

2005/C 120/7

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende beperkingen op het op de markt brengen en het gebruik van bepaalde polycyclische aromatische koolwaterstoffen in procesoliën voor rubberverwerking en in banden (zevenentwintigste wijziging van Richtlijn 76/769/EEG van de Raad)(COM(2004) 98 def. - 2004/0036 (COD))

30

2005/C 120/8

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2702/1999 inzake voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten in derde landen en van Verordening (EG) nr. 2826/2000 betreffende voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten op de binnenmarkt(COM(2004) 233 def. – 2004/0073 (CNS))

34

2005/C 120/9

Advies van het Economisch en Sociaal Comité over het thema Industriële reconversie en overheidssteun in de staalindustrie

37

2005/C 120/0

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Veiligheid op gezondheidsgebied: een collectieve verplichting en een nieuw recht

47

2005/C 120/1

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité: Mededeling van de Commissie Follow-up van het denkproces op hoog niveau over de mobiliteit van patiënten en de ontwikkelingen in de gezondheidszorg in de Europese Unie(COM(2004) 301 def.)

54

2005/C 120/2

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over:

60

2005/C 120/3

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Opleiding en productiviteit

64

2005/C 120/4

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een beschikking van de Raad tot wijziging van Beschikking 2002/463/EG tot vaststelling van een actieprogramma voor administratieve samenwerking op het gebied van buitengrenzen, visa, asiel en immigratie (ARGO-programma)(COM(2004) 384 def. - 2004/0122 (CNS))

76

2005/C 120/5

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een verordening van de Raad betreffende het Europees waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving(COM(2003) 808 def. – 2003/0311 (CNS))

78

2005/C 120/6

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Een doeltreffendere uitvoering van de strategie van Lissabon

79

2005/C 120/7

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Het concurrentievermogen van de Europese ondernemingen

89

2005/C 120/8

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Groenboek over publiek-private samenwerking en het gemeenschapsrecht inzake overheidsopdrachten en concessieovereenkomsten(COM(2004) 327 def.)

103

2005/C 120/9

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 92/12/EEG betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop (COM(2004) 227 def.)

111

2005/C 120/0

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een richtlijn van de Raad tot aanpassing van Richtlijn 77/388/EEG wegens de toetreding van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije(COM(2004) 295 def.)

114

2005/C 120/1

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende energie-efficiëntie bij het eindgebruik en energiediensten (COM(2003) 739 def. - 2003/0300 (COD))

115

2005/C 120/2

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake maatregelen om de continuïteit van de elektriciteitsvoorziening en de infrastructuurinvesteringen te waarborgen (COM(2003) 740 def. - 2003/0301 (COD))

119

2005/C 120/3

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Verdrag tot vaststelling van én grondwet voor Europa

123

2005/C 120/4

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Milieu als kans voor de economie

128

2005/C 120/5

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Modernisering van de sociale bescherming voor de ontwikkeling van hoogwaardige, toegankelijke en duurzame gezondheidszorg en langdurige zorg: steun aan de nationale strategieën door middel van de open coördinatiemethode(COM(2004) 304 def.)

135

NL

 


II Voorbereidende besluiten

Europees Economisch en Sociaal Comité

412e plenaire zitting van 27 en 28 oktober 2004

20.5.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 120/1


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het „Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende herverzekering en houdende wijziging van Richtlijnen 73/239/EEG en 92/49/EEG van de Raad en van Richtlijnen 98/78/EG en 2002/83/EG van het Europees Parlement en de Raad”

(COM(2004) 273 def. – 2004/0097 (COD))

(2005/C 120/01)

De Raad besloot op 10 juni 2004, overeenkomstig artikel 95 van het EG-Verdrag, het Europees Economisch en Sociaal Comité te raadplegen over bovenvernoemd voorstel.

De gespecialiseerde afdeling „Interne markt, productie en consumptie”, die met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 6 oktober 2004 goedgekeurd; rapporteur was de heer von Fürstenwerth.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 412e zitting van 27 en 28 oktober 2004 (vergadering van 27 oktober) het volgende advies uitgebracht, dat met 158 stemmen voor, 4 tegen, bij 3 onthoudingen werd goedgekeurd:

1.   Inleiding

1.1

De EU kent momenteel geen geharmoniseerde regeling voor het toezicht op herverzekeraars en captives, en er bestaan dan ook grote verschillen tussen de nationale toezichtstelsels.

1.2

Daarom kwam de Commissie op 21 april 2004 met een voorstel voor een richtlijn betreffende herverzekering en houdende wijziging van de Richtlijnen 73/239/EEG, 92/49/EEG, 98/78/EG en 2002/83/EG. Dit voorstel kent de volgende hoofdelementen:

een op harmonisatie en wederzijdse erkenning stoelende toezichtsregeling die is gebaseerd op de huidige toezichtsregels voor het directe verzekeringsbedrijf;

een versnelde procedure middels een richtlijn die voortbouwt op de bestaande regelingen voor het directe verzekeringsbedrijf;

een verplicht vergunningenstelsel;

solvabiliteitsmargevereisten die overeenkomen met die voor de directe verzekeraars, met de mogelijkheid deze marge via de comitéprocedure te verhogen.

2.   Het Commissievoorstel

2.1

Het is de bedoeling om via de richtlijn een geharmoniseerde toezichtsregeling voor herverzekeringsondernemingen en captives (1) in te voeren.

2.2

Het voorstel bevat de minimumvoorwaarden (aangaande onder meer de rechtsvorm, het „programma van werkzaamheden” en een minimumgarantiefonds) voor het verkrijgen van een vergunning. Voorts mag de herverzekeraar zich alleen bezighouden met herverzekeringswerkzaamheden en daarmee samenhangende verrichtingen. Ook worden de vennoten met een gekwalificeerde deelneming en de bestuurders gecontroleerd. Ten slotte is de vergunning voor de gehele Gemeenschap geldig.

2.3

In sommige lidstaten is zekerheidstelling van de herverzekeraar bij de directe verzekeraar wettelijk verplicht. De Commissie wil daar, met uitzondering van contractuele zekerheidstellingen, een eind aan maken. Zij streeft daarbij niet alleen naar een goed functionerende interne markt, maar wil ook internationaal het voorbeeld geven om zo de lasten die verplichte zekerheidstelling voor de Europese herverzekeraars meebrengt, wereldwijd te verlagen.

2.4

Verder stelt zij voor om de solvabiliteitsvereisten voor schadeherverzekeraars te baseren op die voor directe schadeverzekeraars. De marge zou via de comitéprocedure met maximaal 50 % verhoogd kunnen worden. Ook voor levensherverzekeraars wil de Commissie de solvabiliteitsvereisten op die van de directe levensverzekeraars baseren. Is een herverzekeraar zowel op het het gebied van schade- als levensherverzekering actief, dan dient hij met eigen middelen ervoor te zorgen dat de totale marge toereikend is. Daarnaast moeten herverzekeraars, evenals directe verzekeraars, een garantiefonds van minimaal 3 miljoen euro aanhouden. Voor captives kan een lager bedrag - 1 miljoen - worden vastgesteld.

2.5

Mocht de financiële toestand van een herverzekeraar verslechteren, bijvoorbeeld doordat er geen toereikende technische voorzieningen worden gevormd of de solvabiliteit ontoereikend is, dan beschikken de toezichthouders over bepaalde bevoegdheden. Deze stemmen overeen met die voor het directe verzekeringsbedrijf. Zo kunnen zij een „saneringsplan ten behoeve van het herstel van de financiële situatie” verlangen, alsook een „plan inzake financiering” of een „financieel saneringsplan”. Voorts kunnen zij de vergunning intrekken.

2.6

Herverzekeraars die op het moment van omzetting van de richtlijn reeds bevoegd zijn of een vergunning hebben, hoeven er geen aan te vragen om hun activiteiten voort te zetten. Zij zullen evenwel onderworpen zijn aan de materiële bepalingen van de voorgestelde regeling. Daarbij kunnen de lidstaten wel een overgangstermijn van twee jaar invoeren.

2.7

Voorgesteld wordt verder om de Commissie via de comitéprocedure bevoegd te maken voor technische aanpassingen aan de richtlijn.

2.8

Uitgaande van de voorschriften betreffende het toezicht op de herverzekeraars dienen de bepalingen van de richtlijnen inzake schade-, levensverzekering en verzekeringsgroepen als volgt te worden bijgesteld:

de toezichthouder mag een herverzekeringsovereenkomst niet verbieden om redenen die rechtstreeks verband houden met de financiële soliditeit van een EU-(her)verzekeraar;

uit den boze zijn voorschriften op grond waarvan in een stelsel van technische voorzieningen activa borg staan voor premieoverdrachten en reserves voor nog niet afgewikkelde gevallen (dus geen zekerheidstelling);

directe verzekeraars die aan herverzekering doen, zijn aan dezelfde solvabiliteitseisen onderworpen als herverzekeraars;

de Richtlijn inzake verzekeringsgroepen wordt dusdanig bijgesteld dat her- en directe verzekeraars gelijk worden behandeld.

3.   Algemene opmerkingen

3.1

Het Commissievoorstel verdient bijval: het draagt bij tot versterking van de Europese financiële markten, omdat ermee voor wordt gezorgd dat herverzekeraars en captives over voldoende kapitaal beschikken om aan hun dekkingsverplichtingen te voldoen. Op die manier wint de positie van de Europese herverzekeringsondernemingen duurzaam aan gewicht op de internationale verzekeringsmarkten.

3.2

Het Comité vestigt nadrukkelijk de aandacht op het belang van de herverzekeringsbranche voor Europa als financiële markt. In 2002 bedroeg het premie-inkomen van de 40 grootste herverzekeraars tezamen 138 601 200 000 USD. Het aandeel van de Europese herverzekeraars daarin was 58 544 000 000 USD.

3.3

Bij herverzekering gaat het in de eerste plaats om de relatie tussen de directe verzekeraar en de herverzekeraar. Maar wanneer de directe verzekeraar vanwege het wegvallen van een of meer herverzekeraars niet meer aan zijn verplichtingen kan voldoen, kan de consument daaronder te lijden krijgen. Daarom wordt middels het voorstel ook het niveau van consumentenbescherming in de EU verhoogd, omdat toereikende herverzekering ook in het belang van de consument is. Voorwaarde daarbij is wel dat er op de interne markt voldoende herverzekeringscapaciteit tegen de juiste premies voorhanden is.

3.4

Het Comité is ingenomen met de „fast track”-aanpak (versnelde procedure) van de Commissie: het toezicht op herverzekeraars zal worden gebaseerd op de toezichtsregelingen voor directe verzekeraars. Met name in het licht van het reeds lopende project Solvabiliteit II lijkt dit de juiste methode.

3.5

Zeer belangrijke factor is dat de herverzekeringsmarkt mondiaal van karakter is. Europees Parlement, Raad en Commissie worden dan ook verzocht om bij de verdere behandeling van de richtlijn vooral goed op het behoud van het internationale concurrentievermogen van de Europese herverzekeraars te letten.

3.6

Zeker ook de Europese herverzekeraars hebben na de aanslagen van 11 september 2001 blijk gegeven van financiële soliditeit. Daarom moet iedere nieuwe last voor deze sector worden voorafgegaan door een nauwkeurige kosten-batenanalyse.

3.7

De toezichtstelsels in de EU lopen momenteel uiteen en worden gekenmerkt door een combinatie van solvabiliteits-, vermogens- en zekerheidsregelingen. De Commissie stelt voor om met name de zekerheidsregelingen af te schaffen. Daarbij moet ervoor worden gezorgd dat de desbetreffende toezichthouders voldoende vertrouwen krijgen in de toekomstige toezichtsinstrumenten en de uniforme toepassing daarvan in de Unie.

4.   De vereiste solvabiliteitsmarge voor levensherverzekeringsactiviteiten (artikel 38)

4.1

Voorgesteld wordt om de solvabiliteitsmarge van levensherverzekeringsondernemingen op precies dezelfde wijze te berekenen als die van directe levensverzekeraars. Deze solvabiliteitsberekening bestaat uit twee componenten: 0,3 % van het risicosom (sum at risk) en 4 % van de wiskundige reserves. Het Comité acht dit een onevenredig zware last voor de herverzekeraars. Het Commissievoorstel:

houdt geen rekening met het bedrijfs- en risicoprofiel van levensherverzekering en resulteert erin dat de herverzekeraars veel te veel kapitaal in kas moeten houden;

leidt tot een forse benadeling van de Europese herverzekeraars ten opzichte van de internationale concurrentie (zie hieronder „Activa”), alsook tot inkrimping van de herverzekeringscapaciteit;

maakt herverzekering flink duurder;

kan tot destabilisering van de financiële markten bijdragen wanneer de directe verzekeraars vanwege de gestegen kosten afzien van de nodige herverzekering;

maakt de opbouw van particuliere kapitaaldekkingsstelsels voor pensioenen veel duurder.

4.2

Directe levensverzekeraars en levensherverzekeraars in Europa verschillen qua risicostructuur in hoge mate. Bij levensherverzekering blijft het kapitaalrisico doorgaans bij de directe levensverzekeraar liggen. Alleen al dit verschil toont aan dat de solvabiliteitsberekening voor de directe verzekeraar niet is toegesneden op de risicostructuur van levensherverzekering.

4.3

Een vergelijking met de berekeningsmethoden van de „rating agencies” leert dat de voorgestelde eisen wellicht veel te zwaar zijn. Zo zijn de solvabiliteitseisen in de VS weliswaar op het risicokapitaal gebaseerd, maar er wordt daar met een variabele gewerkt die is gebaseerd op de omvang van de respectieve portefeuilles (0,8 pro mille voor portefeuilles van meer dan 25 miljard euro – zie hieronder „Activa”). De Canadese toezichthouders en rating agencies volgen een soortgelijke methode.

4.4

Directe verzekering (verzekeraar – verzekeringsnemer) vindt nog altijd nagenoeg geheel binnen de landsgrenzen plaats, maar herverzekering is al lang een internationale business. Dit is een uitvloeisel van de noodzaak om risico's internationaal te spreiden. Daarom dienen aanbieders uit de EU dezelfde kansen te krijgen als die uit de VS, de Bermuda-eilanden en Zwitserland.

4.5

De Europese herverzekeraars moeten in de mondiale mededinging voor aanzienlijke nadelen vrezen omdat hun concurrenten aan lichtere eigenvermogenseisen zijn onderworpen. De herverzekeringsbranche zou zich dan ook wel eens kunnen verplaatsen naar centra buiten Europa als de VS en de Bermuda-eilanden. Een dergelijke delokalisatie van herverzekeringscapaciteit zou Europa als financieel centrum aanmerkelijk verzwakken. Zoals opgemerkt, valt het verder bepaald niet uit te sluiten dat de veel te zware eisen in inkrimping van de herverzekeringcapaciteit en/of stijging van de herverzekeringspremie zullen resulteren. Die stijging zal onvermijdelijk worden afgewenteld op de directe verzekeraars en daarmee op de consument. Ook zal de stijging onvermijdelijk negatief uitwerken op de dringend noodzakelijke opbouw van een via een kapitaaldekkingsstelsel gefinancierd particulier pensioen.

4.6

Volgens het Comité werkt dit alles niet bevorderlijk voor de interne markt. Vooral ook de nieuwe lidstaten hebben belang bij een goed functionerende interne herverzekeringsmarkt en vooral zij zouden worden getroffen door nadelige veranderingen in de aanbodstructuur in het herverzekeringsbedrijf.

4.7

De conclusie luidt dan ook dat het voorstel voor de berekening van de solvabiliteitsmarge van de levensherverzekeraars hun concurrentiekracht wel eens zou kunnen schaden. Daarom moeten de voorgestelde bepalingen inzake de solvabiliteit van levensherverzekeraars ingrijpend worden gewijzigd.

4.8

Het Comité stelt in het licht van het bovenstaande voor om bij de solvabiliteitsberekening voor de levensherverzekeraars die voor de schadeherverzekeraars voor ogen te houden.

4.8.1

Zowel uit risico- als uit mededingingsoogpunt is de methode voor de berekening van de solvabiliteit van schadeherverzekeraars meer dan voldoende. Die methode komt in hoge mate overeen met de buiten de EG gestelde solvabiliteitseisen, zodat concurrentienadelen voor de Europese herverzekeraars nagenoeg zouden worden uitgesloten.

4.8.2

Verder vormt de methode een goede afspiegeling van de praktijk van het levensherverzekeringsbedrijf. De levensherverzekeraar neemt vooral overlijdensrisico's over en dat heeft meer gemeen met de activiteiten van de schade(her)verzekeraar dan met die van de directe levensverzekeraar.

4.8.3

Specifieke risico's die niet in de solvabiliteitsberekening zijn meegenomen, kunnen gemakkelijk via Solvabiliteit II worden geïntegreerd.

4.8.4

Voorts is de methode voor het schade(her)verzekeringsbedrijf wetgevingstechnisch gemakkelijk in te voeren. De Commissie heeft immers in het ontwerpvoorstel voor de richtlijn (herziening 3) reeds een kant en klare tekst gepresenteerd.

4.8.5

Met genoemde methode kunnen de levensherverzekeraars voortdurend hun solvabiliteitsbehoefte bepalen, omdat de nodige gegevens reeds binnen de onderneming beschikbaar zijn en dus niet meer bij elkaar geharkt hoeven te worden. De methode lijkt met name voordelen te bieden omdat het aan informatie op/over de internationale markt ontbreekt.

4.8.6

Ook is de methode bij uitstel geschikt voor de versnelde procedure. Zij is zonder problemen in de praktijk te brengen omdat er geen verdere aanpassingen nodig zijn voor bijv. gevallen waarin bij overeenkomst zekerheidstelling is vereist.

5.   De solvabiliteitsvoorschriften voor schadeherverzekeringsactiviteiten (artikelen 37 en 55)

5.1

Voorgesteld wordt om de berekeningsvoorschriften voor de solvabiliteitsmarge van directe schadeverzekeraars eveneens toe te passen op de schadeherverzekeraars. Daarbij zouden in het kader van het Lamfalussy-procedure de solvabiliteitseisen voor schadeherverzekering met maximaal 50 % verhoogd kunnen worden.

5.2

Het Comité kan zich vinden in de voorgestelde integrale toepassing van de solvabiliteitsvoorschriften voor directe schadeverzekeraars op de schadeherverzekeraars (versnelde procedure). Wel heeft het bedenkingen bij het voorstel om de Lamfalussy-procedure uit te breiden tot de solvabiliteitseisen.

5.3

Het voorstel is namelijk via de versnelde procedure ontworpen en niet als kaderrichtlijn via genoemde procedure. De solvabiliteitseisen moeten pas in het kader van het verdergaande project Solvabiliteit II worden bijgesteld.

5.4

Het toepassen van de Lamfalussy-procedure is echter ook ten gronde niet op zijn plaats. Eigenvermogenseisen voor herverzekeraars zijn immers zeker geen uitvoeringsmaatregelen, waarvoor die procedure is bedoeld. Ook bij de langdurige onderhandelingen in het bankbedrijf (Basel II) bleek duidelijk dat eigenvermogenseisen de kern van het toekomstige toezichtstelsel vormen en absoluut geen aanvullende detailregeling.

5.5

De concrete eigenvermogenseisen moeten reeds in de richtlijn zelf worden geformuleerd en niet in latere EG-regelgeving. Dit wordt gesteund door het huidige ontwerp van de Conventie, waarin wordt bepaald dat essentialia in een richtlijn terug te vinden moeten zijn. De verwijzing van de Commissie naar uitgebreide raadpleging van betrokkenen schiet dan ook tekort.

6.   Berekeningsfactoren voor herverzekering en retrocessie (artikelen 37 en 38)

6.1

Voorgesteld wordt dat bij de berekening van de solvabiliteit (retrocessie aan andere herverzekeraars) maximaal 50 % van „het bedrag van de brutoschaden” mag uitmaken. Dit komt overeen met de huidige regeling voor de directe levens- en schadeverzekeraars. Het voorstel voor het toezicht op de herverzekeraars is echter bedoeld om de financiële soliditeit van het Europese herverzekeringsbedrijf aanzienlijk te versterken. Daarom is het gepast om volledig rekening te houden met cessies door directe verzekeraars en retrocessies door herverzekeraars voor zover partijen aan toezicht binnen de Unie zijn onderworpen.

6.2

Ook gezien de taakverzwaring voor het verzekeringsbedrijf bij het oplossen van maatschappelijke problemen verdient een verhoging van de herverzekerings- en retrocessiefactoren aanbeveling. Daarbij dient met name te worden gedacht aan de door het bedrijfsleven en luchtvaartmaatschappijen naar aanleiding van het „9/11”-terrorisme gevraagde dekking. De lage herverzekerings- en retrocessiefactoren bieden in dit verband weinig of geen uitzicht op goedkopere oplossingen: tot op heden bestaan in de lidstaten nog geen verzekeringstechnische oplossingen voor terreurrisico's.

7.   Activa (artikel 34)

7.1

Het Comité aanvaardt de in artikel 34 neergelegde regels voor kwalitatief toezicht (Prudent-Person-Principle). Gegeven de specificiteiten en vooral het internationaal karakter van herverzekering zijn deze te verkiezen boven een strikt kwantitatieve aanpak. De Unie benadert aldus de zaken op de moderne wijze die eveneens wordt aanbevolen door de International Association of Insurance Supervisors (IAIS). Toch moet worden beseft dat de kwalitatieve aanpak geen vrijbrief inhoudt, maar ondernemingen dwingt tot voortdurende controle op en verbetering van kapitaalbeleggingen.

7.2

Met het voorstel wordt beoogd, de huidige toezichtsregels (bijv. met betrekking tot zekerheidsstelling) te beperken of te elimineren. Het Comité beveelt daarom aan, de lidstaten de keuze te laten of zij voor op hun grondgebied gevestigde herverzekeraars aanvullende, kwantitatieve voorschriften voor activa wensen. Die voorschriften moeten dan wel gewettigd zijn in het licht van het Prudent-Person-Principle en de aangegane verplichtingen.

8.   Overgangstermijnen (artikel 51)

Momenteel zijn er geen uniforme EG-regels op herverzekeraars van toepassing. De Commissie wordt daarom aanbevolen om uitgebreid te bezien of verdere overgangsregelingen nodig zijn. Die kunnen bijv. betrekking hebben op eigenvermogensinstrumenten van de herverzekeraars die niet door de vermogensvereisten voor de directe verzekeraars worden bestreken.

9.   Conclusies

9.1

Onder voorbehoud van bovenstaande opmerkingen is het Comité het eens met het Commissievoorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake herverzekering en tot wijziging van Richtlijnen 73/239/EEG, 92/49/EEG, 98/78/EEG en 2002/83/EEG. Het voorstel omvat bijna alle aspecten van het toezicht op herverzekeraars. Wordt het voorstel volledig omgezet, dan betekent zulks een wezenlijke bijdrage tot de door de Commissie nagestreefde versterking en stabiliteit van de herverzekeringsmarkten in de Unie.

9.2

Het Comité heeft in dit advies de Commissie concrete aanbevelingen willen doen betreffende bepaalde aspecten van haar voorstel, zodat zij deze verder kan bespreken en onderzoeken. Het stelt voor om ook de solvabiliteitsberekening voor de levensherverzekeraars te baseren op die voor de schadeherverzekeraars. Voorts dienen de solvabiliteitseisen buiten de reikwijdte van de Lamfalussy-procedure te blijven. Onderhavige materie is belangrijk en moet daarom snel wettelijk geregeld worden.

Brussel, 27 oktober 2004

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

A.-M. SIGMUND


(1)  Een captive is een herverzekeraar die behoort tot een onderneming of groep van ondernemingen die niet als directe of herverzekeraar opereren. De activiteiten van een captive zijn ertoe beperkt, de onderneming of de groep bescherming op herverzekeringsgebied te bieden.


20.5.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 120/6


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende beperkingen op het op de markt brengen en het gebruik van tolueen en trichloorbenzeen (achtentwintigste wijziging van Richtlijn 76/769/EEG van de Raad)

(COM(2004) 320 def. – 2004/0111 (COD))

(2005/C 120/02)

Op 11 mei 2004 besloot de Raad overeenkomstig artikel 95 van het EG-Verdrag het Europees Economisch en Sociaal Comité te raadplegen over bovenvernoemd voorstel.

De afdeling „Interne markt, productie en consumptie”, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, keurde haar advies op 6 oktober 2004 goed. Rapporteur was de heer Sears.

Tijdens zijn op 27 en 28 oktober 2004 gehouden zitting (vergadering van 27 oktober) heeft het Economisch en Sociaal Comité het volgende advies uitgebracht, dat met 165 stemmen vóór en 1 stem tegen, bij 5 onthoudingen, werd goedgekeurd:

1.   Inleiding

1.1

„Bestaande” stoffen zijn stoffen die geacht worden tussen 1 januari 1971 en 18 september 1981 in Europa in de handel te zijn geweest. Van dergelijke stoffen zijn er 100 195 verzameld en geregistreerd in de Europese inventaris van bestaande chemische handelsstoffen (EINECS), die in 1990 in het Publicatieblad is bekendgemaakt (1). Stoffen die na 18 september 1981 in de handel zijn gebracht, worden als „nieuw” beschouwd; hiervan moet kennisgeving worden gedaan overeenkomstig de relevante EU-wetgeving.

1.2

De risico's voor de volksgezondheid en het milieu van de bestaande stoffen zijn stelselmatig beoordeeld overeenkomstig Verordening 793/93 (EEG) van de Raad (2). Tot op heden zijn vier prioriteitslijsten voor beoordeling opgesteld, die de bevoegde autoriteiten in de lidstaten ten uitvoer moeten leggen. De laatste lijst dateert van 25 oktober 2000 (3). Zij omvat 141 stoffen die een beperkt risico met zich meebrengen, hetzij vanwege hun specifieke structuur en bekende of verwachte biochemische interacties, hetzij omdat zij als HPV-stoffen (stoffen met een hoog productievolume) aanleiding tot bezorgdheid geven.

1.3

De lidstaten beoordelen de stoffen tijdens elke fase van de productie en het gebruik zowel op gevaar als blootstelling om vast te stellen of er al dan niet risico's voor mens en milieu aan kleven, en zo ja, welke maatregelen er vereist zijn om het risico te beperken. Als vastgesteld wordt dat er geen of zeer geringe risico's zijn bij het huidige of geplande gebruik, hoewel de stof op een prioriteitslijst voor beoordeling staat, dan zijn controlemaatregelen ofwel niet nodig ofwel waarschijnlijk gering in impact en voordeel.

1.4

Voltooide verslagen voor risicobeoordeling (RAR's) uit de lidstaten worden op hun beurt bekeken door het Wetenschappelijk Comité voor de toxiciteit, de ecotoxiciteit en het milieu (CSTEE). Als het CSTEE met de conclusies instemt en het algehele beoordelingsproces onderschrijft, dan kunnen er indien nodig maatregelen voor risicobeperking worden voorgesteld in de vorm van wijzigingen op Bijlage 1 van Richtlijn 76/769/EEG (4) van de Raad inzake het op de markt brengen en het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten. Dit voorstel is de achtentwintigste wijziging op die richtlijn.

1.5

De twee stoffen (tolueen en trichloorbenzeen) die in het voorstel centraal staan, zijn volgens de genoemde procedure beoordeeld. Beide stonden op de tweede lijst van prioritaire stoffen, die gepubliceerd is als Verordening (EG) 2268/95 van de Commissie van 27 september 1995 (5). Beide stoffen zijn ter beoordeling aan Denemarken toegewezen. Tijdens de op 12 juni 2001 respectievelijk 20 juli 2001 gehouden 24e en 25e zitting onderschreef het CSTEE in de uitgebrachte adviezen in grote lijnen de bijbehorende RAR's.

1.6

Het voorstel schetst maatregelen voor beperking van de risico's van beide stoffen, die de lidstaten binnen achttien maanden na inwerkingtreding van de richtlijn moeten invoeren. De Commissie publiceerde haar voorstel op 28 april 2004. Na de gebruikelijke procedures en als overeenstemming wordt bereikt over eventueel vereiste wijzigingen, zou de richtlijn uiterlijk in juni 2006 in de lidstaten van kracht moeten worden.

2.   Samenvatting van het Commissievoorstel

2.1

In het voorstel wordt gestreefd naar bescherming van de volksgezondheid en het milieu, alsook naar de totstandbrenging (of het behoud) van een interne markt voor beide stoffen. Naar verwachting is dit haalbaar tegen geringe of zonder kosten aangezien het gebruik in de vermelde toepassingen al is teruggelopen en er binnen afzienbare termijn waarschijnlijk alternatieven op de markt zijn.

2.2

Voor tolueen, erkend als veelzijdige HPV-stof die als belangrijke grondstof dient voor chemische samenstellingen en als oplosmiddel in vele toepassingen in de industrie en in consumptiegoederen, dienen er beperkingen te komen bij gebruik van 0,1 massaprocent of meer in kleefstoffen en spuitverf die bestemd zijn om aan het grote publiek te worden verkocht. De beperkingen dienen de gezondheid van de consument ten goede te komen en gelden niet voor industriële toepassingen.

2.3

Voor trichloorbenzeen, dat in beperktere mate wordt gebruikt als tussenproduct voor bepaalde onkruidverdelgers en als procesvloeistof in gesloten systemen, dienen er beperkingen te komen bij een gebruik van 0,1 massaprocent of meer voor alle toepassingen behalve als tussenproduct. De verkoop aan het grote publiek zal hierdoor dalen maar anderzijds wordt de gezondheid op de arbeidsplaats beter beschermd.

2.4

De twee producten waarvoor deze wijziging geldt, zijn omschreven door hun CAS-nummer 108-88-3 en 120-82-1 in de Bijlage bij het voorstel. Beperkingen op het gebruik zullen worden toegevoegd aan Bijlage 1 bij Richtlijn 76/769/EEG.

2.5

De lidstaten krijgen één jaar de tijd om de voor deze richtlijn vereiste wetgeving te publiceren, waarna binnen zes maanden controles op de naleving volgen. Deze termijn gaat in op de datum van inwerkingtreding van dit voorstel na raadpleging van het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) overeenkomstig artikel 95 van het Verdrag en met inachtneming van de co-decisieprocedure met het Europees Parlement.

3.   Algemene opmerkingen

3.1

Evenals in het geval van de zesentwintigste wijziging van Richtlijn 76/769/EEG van de Raad (beperkingen op het in de handel brengen en het gebruik van nonylfenol, nonylfenolethoxylaat en cement) (6), waarover het EESC in maart 2003 een advies uitbracht, komen in dit voorstel onderling niet-gerelateerde stoffen aan de orde die voor de duidelijkheid apart behandeld zullen worden. (De tussenliggende zevenentwintigste wijziging, over polycyclische aromatische koolwaterstoffen voor procesoliën voor rubberverwerking en in banden is gepubliceerd, maar wordt nog beoordeeld.)

4.   Tolueen

4.1

Tolueen is een heldere, kleurloze vloeistof met een duidelijk herkenbare geur. Ook bekend als methylbenzeen heeft het na benzeen de eenvoudigste aromatische structuur – een zeshoekige koolstofring, waaraan een ééndelige (alkyl) koolstofketen is verbonden. Het komt van nature voor in ruwe olie, in sommige planten en bomen en in emissies van vulkanen en bosbranden. Het kan kunstmatig in grote hoeveelheden worden verkregen uit steenkool of ruwe olie.

4.2

Volgens bronnen in het bedrijfsleven bedroeg in 2002 de wereldwijde capaciteit en het productieniveau voor kunstmatig geproduceerde tolueen 20 miljoen ton respectievelijk 14 miljoen ton. 75 % van deze capaciteit is te vinden in de VS, Azië en Japan. Het CSTEE-advies vermeldt dat de EU-productie in 1995 op 2,6 miljoen ton lag. Veel grotere hoeveelheden zijn het gevolg van de gebruikelijke productie van benzine en dragen bij tot algemene blootstelling; deze hoeveelheden zijn niet in de totaalcijfers opgenomen (7).

4.3

Tolueen wordt hoofdzakelijk gebruikt als grondstof in gesloten systemen voor de kunstmatige vervaardiging van benzeen, urethaanschuim en andere chemische producten, en, in veel kleinere hoeveelheden, als oplosdrager in verf, inkt, kleefstoffen, farmaceutische producten en cosmetica. Over de op brede schaal onderzochte gevolgen voor de gezondheid van de mens en voor het milieu bestaat onder de betrokkenen in het algemeen overeenstemming. Het spreekt vanzelf dat daadwerkelijke en onnodige of in theorie onbeheersbare blootstelling moet worden geminimaliseerd, zeker als er alternatieven met vergelijkbaar oplossend vermogen zijn.

4.4

De in dit voorstel genoemde eindgebruiken vallen onder de laatste categorie. Het gebruik van tolueen als oplosmiddel voor kleefstoffen en spuitverven voor verkoop aan het grote publiek is niet noodzakelijk en vindt ook geen steun bij de fabrikanten in Europa. De huidige verkoop voor deze twee doeleinden wordt laag of bijna nihil geacht. Het gaat hier dus om een grotendeels preventieve maatregel, die waarschijnlijk weinig gevolgen zal hebben voor de kosten van de fabrikant of voor de keuze of gezondheid van de consument.

4.5

Het EESC beseft dat een veilige omgang met grote hoeveelheden tolueen in gesloten systemen op de arbeidsplaats op de eerste plaats moet komen. Met dit voorstel wordt gegarandeerd dat het brede publiek, buiten een gecontroleerde arbeidsomgeving, nu én in de toekomst adequaat wordt beschermd tegen onnodige blootstelling. Het EESC stemt derhalve in met dit deel van het voorstel.

5.   Trichloorbenzeen

5.1

Voor trichloorbenzeen liggen de zaken aanzienlijk anders dan voor tolueen; er dienen dan ook enkele wijzigingen en verduidelijkingen in het voorstel te worden aangebracht.

5.2

„Trichloorbenzeen” is een kunstmatig vervaardigde chemische stof die niet in de natuur voorkomt, tenzij door afbreking van andere gechloreerde aromatische verbindingen. Er zijn drie verschillende isomeren, afhankelijk van de plaats van de chlooratomen aan de zeshoekige koolstofring. Elk hiervan vertoont (minimaal) verschillende fysieke eigenschappen en biochemische reacties, bijvoorbeeld gemeten naar hun LD50-waarden. Ze hebben elk een verschillend CAS- en EINECS-nummer. Verder is de algemene benaming „trichloorbenzeen” zowel in het CAS- als het EINECS-register opgenomen. Alle stoffen zijn in de VS en elders in de handel verkrijgbaar. Aangenomen wordt dat 1,3,5-trichloorbenzeen in Europa niet meer gefabriceerd wordt. De volgende details zijn aan de lijsten ontleend (8):

EINECS-nummer

201-757-1

204-428-0

203-686-6

234-413-4

CAS-nummer

87-61-6

120-82-1

108-70-3

12002-48-1

isomeer

1,2,3-

1,2,4-

1,3,5-

-

vorm

witte vlokken

heldere vloeistof

witte vlokken

heldere vloeistof

smeltpunt °C

52-55

17

63-65

-

Oraal, rat LD50 mg/kg

1830

756

800

-

VN-nummer

2811

2321

2811

-

5.3

In het RAR en het CSTEE-advies wordt specifiek gesproken over 1,2,4-trichloorbenzeen, met bovengenoemde EINECS- en CAS-nummers. Het onderhavige voorstel bevestigt uitsluitend dit CAS-nummer (en dus het ene isomeer dat onderzocht is) in de bijlage – maar niet in de titel of de tekst.

5.4

De verschillende isomeren worden in zeer zuivere vorm geproduceerd als tussenproduct in gesloten systemen voor de synthese van bepaalde onkruidverdelgers, pesticiden, verfsoorten en andere specialistische chemicaliën. Als de specifieke isomerische structuur niet zo belangrijk is, dan kan in gesloten systemen een mengeling van isomeren worden gebruikt als draagstof voor oplosmiddelen in verf, als procesregulator, als middel voor warmte-overdracht, als corrosieremmer in spuitbussen en in vloeistoffen voor metaalbewerking.

5.5

In de EU (en elders) wordt hoofdzakelijk 1,2,4-trichloorbenzeen (1,2,4-TCB) gebruikt, in verschillende graden van zuiverheid. Sinds de jaren '80 is de productie waarschijnlijk gestaag gedaald. Volgens gegevens die aan de OSPAR-commissie zijn verstrekt (commissie voor de bescherming van het mariene milieu) wordt de productie van 1,2,4-TCB in 1994 geraamd op 7 à 10 000 ton; die van 1,2,3-TCB op minder dan 2 000 ton; en van 1,3,5-TCB op minder dan 200 ton (9). In juni 2000 voegde OSPAR alle drie de isomeren afzonderlijk toe aan de lijst van gevaarlijke stoffen die prioritaire actie verlangen. Het CSTEE-advies van juli 2001 maakt ook melding van een productie van 7 000 ton in Europa in 1994/95. De productieniveaus zijn blijven afnemen en zijn naar aangenomen wordt thans ongeveer gehalveerd, waarvan het grootste deel voor de export bestemd is (10).

5.6

Momenteel wordt aangenomen dat er in de EU/OSPAR-regio nog één producent actief is. Naar verluidt is de verkoop beperkt tot de isomeren 1,2,4-TCB en 1,2,3-TCB, die uitsluitend worden gebruikt als tussenproduct, hetgeen de afnemers vóór levering schriftelijk bevestigen.

5.7

Er is een beperkt aantal andere gebruiken voor gesloten systemen bekend bij en erkend door de Commissie en het CSTEE, bijvoorbeeld als procesoplosmiddel zonder uitstoot in het externe milieu. Aangezien het voorstel is bedoeld om productie in principe toe te staan maar emissies bij gebruik in open systemen streng aan banden te leggen, lijkt het redelijk om dit toe te voegen aan de toegestane gebruiken die in de bijlage bij het voorstel zijn genoemd.

5.8

Volgens het EESC draagt dit voorstel, rekening houdend met de specifieke opmerkingen hierboven, bij tot meer bescherming op de arbeidsplaats en wordt het gevaar van blootstelling buiten de arbeidsplaats geheel uit de weg geruimd. Fabrikanten en gebruikers van trichloorbenzeen en vergelijkbare producten lijken dit voorstel allang te hebben verwacht. Derhalve zouden de gevolgen voor de kosten van fabrikanten en gebruikers slechts gering moeten zijn. Het EESC stemt daarom in met dit deel van het voorstel.

6.   Bijzondere opmerkingen

6.1

Zoals hierboven al is opgemerkt, meent het EESC dat dit voorstel gebaseerd moet worden op het relevante RAR en CSTEE-advies en daarom uitsluitend betrekking moet hebben op 1,2,4-TCB. Dit moet duidelijk uit de titel en tekst naar voren komen. Gelukkig blijft het effect van het beperkte gebruik hetzelfde, aangezien deze isomeer het hoofdbestanddeel is van gemengde TCB-isomeren die voorheen werden verkocht om te worden gebruikt in oplosmiddelen of spuitbussen.

6.2

Gebruik in andere gesloten systemen zou moeten worden toegestaan, door aan het eind van de desbetreffende beperking toe te voegen: „of in andere gesloten systemen waar geen emissie naar het milieu mogelijk is”.

6.3

Evenals bij de vorige wijzigingen van Richtlijn 76/769/EEG van de Raad betreurt het EESC het dat niet-gerelateerde producten worden vermeld in één tekst, die misschien specifieke en voortdurende aanpassingen aan de externe omstandigheden vereist. Dit is in strijd met goed, tijdig en doeltreffend beheer. Is dit het gevolg van beperkte middelen tijdens deze laatste en kritieke fase voor het bereiken van specifieke maatregelen om de risico's terug te dringen, dan dient voor deze beperkingen zo snel mogelijk een oplossing te worden gevonden.

6.4

Het EESC stelt vast dat de lijst van stoffen die prioritair moeten worden beoordeeld in oktober 2000 werd gepubliceerd. Het stelt het EESC teleur dat deze aanpak lijkt te zijn verlaten, lang voordat andere procedures zoals REACH kunnen worden uitgevoerd. Het EESC betreurt het verlies aan momentum.

6.5

Het EESC merkt op dat het CSTEE in het verleden een sleutelrol heeft vervuld en vertrouwt erop dat adequate maatregelen zijn getroffen om deze rol in de toekomst voort te zetten, ondanks de recentelijk aangekondigde wijzigingen in de structuur en het takenpakket van de wetenschappelijke comités.

6.6

Het EESC deelt de in brede kring geuite bezorgdheid over de tijd die is uitgetrokken om de stoffen volgens het huidige systeem te beoordelen. Voordat de wetgeving voor deze twee producten in werking treedt, zal er bijna 11 jaar zijn verstreken. Het duurde alleen al zes jaar voordat het CSTEE de RAR's had goedgekeurd. Als de wetgeving van kracht wordt, zijn er vrijwel geen kosten – of meetbare voordelen voor gezondheid en milieu – voor de betrokken partijen. Bij gebreke van verdere gegevens is het onmogelijk om te bepalen of dit een goede (d.w.z. de markt past zich aan onder invloed van de voortdurende risicobeoordelingen) dan wel slechte ontwikkeling is (de procedure heeft zeer weinig opgeleverd, tegen aanzienlijke kosten voor de betrokkenen) of hoe er eventuele verbeteringen zijn aan te brengen.

6.7

Het EESC meent derhalve dat, in aanvulling op andere voorstellen zoals REACH en ter waarborging van een verbetering in plaats van achteruitgang van de huidige procedures, de oorzaken van de trage vooruitgang onverwijld moeten worden bekeken. Dit dient tegelijk plaats te vinden met ander, momenteel in uitvoering zijnd onderzoek om de effecten, kosten en voordelen vast te stellen voor de betrokkenen bij deze procedures, die de volksgezondheid en het milieu ten goede komen. Dit alles in het kader van een succesvolle en concurrerende, op kennis gebaseerde Europese economie.

Brussel, 27 oktober 2004

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

A.-M. SIGMUND


(1)  PB C 146A van 15.6.1990.

(2)  PB L 84 van 5.4.1993.

(3)  PB L 273 van 26.10.2000.

(4)  PB L 262 van 27.9.1976.

(5)  PB L 231 van 28.9.1995.

(6)  PB L 178 van 17.7.2003.

(7)  PB C 133 van 6.6.2003.

(8)  Gegevens van APA (Aromatics Producers Association), lid van CEFIC (European Chemical Industry Council).

(9)  Website van het European Chemicals Bureau ( http://ecb.jrc.it)

(10)  Gegevens van Eurochlor, lid van CEFIC.


20.5.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 120/10


Advies het Europees Economisch en Sociaal Comité over het thema „Aanpassingsvermogen van MKB en ondernemingen van de zgn. „sociale economie” aan veranderingen ten gevolge van de economische dynamiek”

(2005/C 120/03)

Op 27 april 2004 heeft mevrouw Loyola de PALACIO, vice-voorzitter van de Europese Commissie, namens de Commissie het Europees Economisch en Sociaal Comité verzocht een verkennend advies op te stellen over het thema „Aanpassingsvermogen van MKB en ondernemingen van de zgn. „sociale economie” aan veranderingen ten gevolge van de economische dynamiek”.

De gespecialiseerde afdeling „Interne markt, productie en consumptie”, die met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 6 oktober 2004 goedgekeurd. Rapporteur was mevrouw FUSCO.

Het Comité heeft tijdens zijn 412e zitting op 27 en 28 oktober 2004 (vergadering van 27 oktober) het volgende advies uitgebracht, dat met 169 stemmen vóór en twee stemmen tegen, bij vijf onthoudingen, is goedgekeurd.

Opmerking vooraf

Dit advies heeft tot doel het door de Europese Commissie voorgestelde thema te bekijken vanuit het oogpunt van de bestaande en mogelijke interactie tussen enerzijds MKB – met inbegrip van micro-ondernemingen - en anderzijds ondernemingen van de zgn. „sociale economie”, te weten: coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen, (hierna OSE), alsmede de verschillende soorten door OSE gehanteerde instrumenten en modellen te bestuderen die een belangrijke impact (kunnen) hebben op dit aanpassingsvermogen van zowel MKB als OSE.

1.   Doelstellingen en regelgevingskader

1.1

De Europese Commissie heeft het EESC om dit verkennend advies verzocht daar zij van mening is dat MKB en OSE een bijzonder belangrijke rol spelen in de Lissabon-strategie. Zij zou daarbij graag zien dat in het advies wordt uiteengezet hoe een regelgevingskader en een kader voor de benodigde steunverlening kunnen worden vastgesteld.

1.2

Dit verzoek sluit aan bij de publicatie van een initiatiefadvies van het EESC over „Economische diversificatie in de toetredingslanden” - de rol van het MKB en de ondernemingen van de zgn. sociale economie, dat op 1 april 2004 met algemene stemmen is goedgekeurd (CESE 528/2004). Deze twee soorten actoren werden in dit advies reeds samen behandeld en gedefinieerd; tevens werd gewezen op het belang ervan voor economie, werkgelegenheid en sociale samenhang in de hele EU, alsmede op hun verregaande interacties en synergieën. Ook werd gepreciseerd dat het begrip „economische reconversie” veel ruimer en dynamischer is dan herstructurering. Er werd verwezen naar het rapport van de door de Europese Commissie ingestelde Gyllenhammer-groep op hoog niveau, getiteld „Omgaan met verandering”, waarin de nadruk wordt gelegd op het scheppen van werkgelegenheid en waarin de waarde wordt erkend van een strategie die gericht is op benchmarking, innovatie en sociale samenhang. Er werd een geïntegreerd programma voorgesteld met 10 punten ter bevordering van de rol van MKB en OSE bij de economische diversificatie in de toetredingslanden, dat duidelijk geïnspireerd was op verschillende goede praktijken van OSE in de EU.

1.3

Goede praktijken van OSE in de EU zouden inderdaad de grondslag kunnen vormen van interacties en synergieën tussen OSE en MKB, en zouden de weg kunnen banen voor een innovatieve aanpak op basis van de bereidheid tot samenwerking en vernieuwing, het dynamisme en het belangrijke potentieel van OSE waarvan het MKB gebruik kan maken. OSE kunnen MKB in expansie een belangrijke meerwaarde geven, daar zij alleen al dankzij hun structuur voor samenwerking, representativiteit en het nodige wederzijdse vertrouwen zorgen.

1.4

De Lissabon-strategie werd voorgesteld door de Europese Raad van maart 2000, ten einde van Europa de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie ter wereld te maken. De Raad heeft daarbij gewezen op het belang van „het scheppen van een gunstig klimaat voor het starten en ontwikkelen van innovatieve bedrijven, met name MKB-ondernemingen” en daaraan toegevoegd dat „het concurrentievermogen en de dynamiek van bedrijven rechtstreeks afhankelijk is van een regelgevend klimaat dat bevorderlijk is voor investering, innovatie en ondernemerschap”  (1). Op basis daarvan heeft de Europese Raad van Feira op 19 en 20 juni 2000 het Europees Handvest voor het Kleinbedrijf goedgekeurd. Daarin wordt o.m. gezegd dat „kleine ondernemingen de ruggengraat van de Europese economie vormen” en „een belangrijke bron van werkgelegenheid en een kweekvijver voor nieuwe bedrijfsconcepten zijn”  (2). In de Lissabon-strategie wordt er bovendien van uitgegaan dat economische groei een sleutelfactor is om de sociale samenhang in Europa te verzekeren. Volgens de Commissie liggen de uitdagingen die moeten worden aangegaan om de Lissabon-agenda te verwezenlijken dan ook op de volgende gebieden: het arbeidsaanbod en de participatiegraad moeten worden verhoogd, de technische kennis moet worden verbeterd en er moet een geordende stroom van landbouw en industrie naar de dienstensector worden gewaarborgd zonder dat de regionale verschillen in de lidstaten zelf nog toenemen (3).

1.5

Het MKB, dat ook micro-ondernemingen omvat, die hun eigen specifieke kenmerken hebben, staat voor ondernemingen die aan precieze, door de Europese Commissie vastgestelde, kwantitatieve criteria beantwoorden (4).

Soort onderneming

Aantal werknemers

Omzet

of

Balanstotaal

Middelgrote onderneming

< 250

≤ € 50 miljoen

 

≤ € 43 miljoen

Kleine onderneming

< 50

≤ € 10 miljoen

≤ € 10 miljoen

Micro-onderneming

< 10

≤ € 2 miljoen

≤ € 2 miljoen

1.6

De OSE kunnen in vier groepen worden ingedeeld: coöperaties, onderlinge waarborgmaatschappijen, verenigingen en stichtingen. Deze ondernemingen worden gekenmerkt door het feit dat hun sociale doelstellingen voorrang hebben op het streven naar maximale winst, hetgeen vaak ook gepaard gaat met een sterke band met de lokale gemeenschap en de lokale ontwikkeling. Hun basiswaarden zijn: solidariteit, sociale samenhang, sociale verantwoordelijkheid, democratisch beheer, participatie, autonomie (5).

1.7

De meeste ondernemingen van de sociale economie vallen onder de in de EU geldende standaarddefinitie van het MKB (6). Ondernemingen die wegens hun grootte niet onder deze definitie vallen, delen met het MKB over het algemeen een aantal kenmerken als een laag percentage investeringen in andere bedrijven, geen beursnotering, nabijheid van de eigenaars-aandeelhouders en een nauwe band met de lokale omgeving.

1.8

Wat de maatregelen voor het MKB betreft, hebben de Europese instellingen een regelgevingskader vastgesteld. Tot 2005 geldt de belangrijke Beschikking nr. 2000/819/EG van de Raad betreffende een meerjarenprogramma voor ondernemingen en ondernemerschap, met name voor het midden- en kleinbedrijf (MKB). Dit programma, dat ook gebruikt wordt om de in het Europees Handvest voor het Kleinbedrijf vastgestelde doelstellingen verder te verwezenlijken, beoogt het volgende:

bevordering van groei en concurrentievermogen van ondernemingen;

bevordering van ondernemerschap;

vereenvoudiging van administratie en regelgeving voor ondernemingen;

verbetering van financieringsvoorwaarden voor ondernemingen;

vergemakkelijking van de toegang van ondernemingen tot communautaire ondersteunende diensten, programma's en netwerken.

1.9

In de Mededeling van de Commissie van 21 januari 2003 [COM (2003) 26 def.] werden vijf verslagen over het EU-beleid ten aanzien van het MKB gepresenteerd: twee verslagen over de tenuitvoerlegging van het Europees Handvest voor het Kleinbedrijf in de EU en in de toetredingslanden, een verslag over de activiteiten van de Europese Unie ten behoeve van het midden- en kleinbedrijf, een verslag van de gezant voor het MKB, en het Groenboek over ondernemerschap. Het verslag over de EU-activiteiten getuigt duidelijk van de inzet van de Unie via met name de structuurfondsen, het reeds vermelde meerjarenprogramma en het 6e Kaderprogramma. Ten slotte is op basis van het Groenboek een communautair actieplan ter bevordering van het ondernemerschap en het concurrentievermogen van ondernemingen (2006-2020) opgesteld.

1.10

De Europese Commissie heeft tevens een regelgevingskader voor de OSE vastgesteld. De belangrijkste OSE, nl. de coöperaties, werden behandeld in de mededeling over de bevordering van coöperatieve vennootschappen in Europa, die op 23 februari 2004 is gepubliceerd. De mededeling beoogt de zichtbaarheid van coöperaties en het inzicht in de kenmerken ervan te vergroten, alsmede de convergentie van hun verschillende rechtsvormen in de EU-landen te bevorderen (7). Zij geeft een overzicht van de basisnormen die voor dit soort ondernemingen gelden, zoals ze zijn vastgesteld in de aanbeveling van de Internationale Arbeidsorganisatie betreffende de bevordering van coöperaties, die in juni 2002 wereldwijd werd goedgekeurd, met name door de vertegenwoordigers van de regeringen van de 25 EU-lidstaten en de meeste nationale werkgevers- en werknemersorganisaties; in de aanbeveling wordt ook verwezen naar de belangrijkste internationale arbeidsnormen, die overigens ook op werknemers van coöperaties volledig van toepassing zijn. Voorts is de Commissie recent (3/10/2003) met een werkdocument gekomen, getiteld „Onderlinge maatschappijen in een uitgebreid Europa”, waarin de basisnormen voor dit soort OSE zijn aangegeven (8).

2.   Sociaal-economisch kader

2.1

De Commissie erkent dat het MKB de grondslag vormt van de Europese industrie, daar het goed is voor 66 % van de totale werkgelegenheid en 60 % van de totale toegevoegde waarde van de EU, de landbouwsector buiten beschouwing gelaten. Regio's met een hoge concentratie van MKB als Emilia-Romagna, Baden-Württemberg en Jutland, horen tevens bij de gebieden met het hoogste BBP per inwoner en de hoogste werkgelegenheidsgraad (9).

2.2

Het EESC heeft in zijn advies „De sociale economie en de interne markt (10) het belang van de ondernemingen van de sociale economie onderstreept en erop gewezen dat zij cruciaal zijn voor pluraliteit op ondernemingsgebied en diversifiëring van de economie (11). Ook de Commissie heeft dit erkend in met name haar Mededeling over de bevordering van coöperatieve vennootschappen in Europa en het werkdocument„Onderlinge maatschappijen in een uitgebreid Europa” (zie par. 1.10). In de EU neemt het sociale en economische belang van ondernemingen en organisaties van de sociale economie toe; met ca. 9 miljoen werknemers in voltijdsequivalenten, nemen OSE 7,9 % van het totale aantal civiele werknemers in loondienst voor hun rekening (12). Bovendien is een groot deel van de civiele samenleving erbij betrokken: volgens de Europese Commissie tellen coöperaties en onderlinge maatschappijen resp. 140 en 120 miljoen leden. Geschat wordt dat ruim 25 % van de EU-burgers lid zijn van OSE en er een duidelijk omschreven sociaal-economische rol spelen: als producenten, consumenten, spaarders, bewoners van een woning, verzekerden, studenten, vrijwilligers, enz. OSE ontwikkelen zich in alle sectoren, met name in de sector van openbare nutsvoorzieningen en diensten van algemeen belang (13) als gezondheidszorg, milieubescherming, sociale dienstverlening en onderwijs (14). Zij hebben een groot potentieel om kansarmen tewerk te stellen en spelen ook een cruciale rol in het scheppen van sociaal kapitaal en sociaal welzijn, de heropleving van lokale economieën en de modernisering van lokale beheersmodellen. Sommige OSE hebben systemen uitgewerkt voor het opmaken van een maatschappelijke balans, waarbij hun impact op sociaal en milieugebied wordt geëvalueerd.

2.3

Het MKB en de OSE zijn tegen de achtergrond van de huidige verregaande industriële veranderingen een belangrijk instrument voor werkgelegenheid en herinschakeling; zij kunnen arbeidskrachten die afvloeien uit sectoren in moeilijkheden, opnieuw tewerk stellen in traditionele sectoren (ambachten) en andere opkomende sectoren als dienstverlening aan ondernemingen, nieuwe ICT, spitstechnologie, de bouwsector en openbare werken, lokale voorzieningen (met inbegrip van de gezondheidszorg) en het toerisme.

2.4

Niettemin worden MKB en OSE met bijzondere uitdagingen geconfronteerd. In het Europees Handvest voor het Kleinbedrijf wordt erkend dat kleine ondernemingen het gevoeligst zijn voor veranderingen in de bedrijfsomgeving. In het Groenboek van de Europese Commissie over „Ondernemerschap in Europa” wordt bevestigd dat „sociale” ondernemingen, die immers„bedrijfsprincipes en -efficiency moeten toepassen om sociale en maatschappelijke doelstellingen te verwezenlijken. …voor bijzondere uitdagingen staan wat betreft de toegang tot financiering, managementopleiding en advies”  (15).

2.5

MKB en OSE kunnen op uiteenlopende wijze een belangrijke rol spelen in de sociaal-economische veranderingen; een en ander heeft tal van goede voorbeelden opgeleverd op het gebied van tewerkstelling van nieuwe werknemers, ondersteuning van het innoverend vermogen van kleine en micro-ondernemingen, herinschakeling van personen die werkloos waren geworden nadat bedrijven moesten afslanken of moesten sluiten, oprichting van onderlinge sociale-verzekeringsmaatschappijen, oprichting van nieuwe ondernemingen in opkomende sectoren, ontwikkeling van diensten en toelevering, overdracht van ondernemingen in moeilijkheden aan de werknemers, ondersteuning bij de totstandbrenging van micro-ondernemingen en werkgelegenheid voor zelfstandigen, en kwalitatieve verbeteringen binnen de sector. Sociale ondernemingen kunnen bovendien aan deze reconversie een specifieke bijdrage leveren daar zij, zoals zij reeds hebben aangetoond, als leerschool voor ondernemers kunnen fungeren, en daar zij waarden promoten als maatschappelijk verantwoord ondernemerschap, democratie en burgerparticipatie, betrokkenheid – ook op financieel gebied – van de werknemers bij de onderneming, sociale integratie, en belangstelling voor lokale en duurzame ontwikkeling.

2.6

Er bestaat in de EU een belangrijke interactie tussen traditioneel MKB en OSE, die nog een groter groeipotentieel hebben. Deze interactie verloopt o.m. als volgt:

a)

Het MKB maakt in ruime mate gebruik van externe OSE-diensten. Zo helpen coöperatieve banken vaak startende ondernemingen en bevorderen zij de ontwikkeling van het traditionele MKB.

b)

Het MKB maakt gebruik van de rechtsvorm van de coöperatieve vereniging om samenwerkingsverbanden op te zetten (netwerken, groepen van ondernemingen, gemeenschappelijke ondersteuningsstructuren), om schaalvoordelen te realiseren (MKB-coöperaties voor aankoop en verkoop) en om een systeem voor het wederzijds garanderen van bankleningen in te voeren. Dergelijke samenwerkingsverbanden stellen hen in staat hun concurrentievermogen aanzienlijk te verbeteren.

c)

OSE-modellen (onderlinge waarborgfondsen, dienstverlening van algemeen belang, netwerken voor eerlijke handel, enz.) kunnen als inspiratiebron dienen voor de ontwikkeling van het MKB.

3.   Soorten goede praktijken die het overheidsbeleid kunnen inspireren en die grondiger moeten worden onderzocht

3.1   Algemene overwegingen

3.1.1

De Commissie heeft voorbeelden van goede praktijken gepubliceerd in verschillende documenten die verband houden met de activiteiten van de BEST task force in het kader van het meerjarenprogramma; het gaat daarbij om praktijken die goed een bepaalde benadering van actuele ontwikkelingen in de ondersteuning van ondernemingen illustreren en daarom de aandacht van de betrokkenen in het veld verdienen (16). Dit zijn niet noodzakelijk de beste methoden, maar zij kunnen wel worden gebruikt om veranderingen teweeg te brengen en tot betere praktijken aan te zetten en het aldus mogelijk te maken conclusies te trekken en richtsnoeren voor het EU-beleid te formuleren.

3.1.2

Het EESC is zich ervan bewust dat er de laatste jaren reeds belangrijk werk is verricht op het gebied van modelvorming voor het MKB (cf. de bovenvermelde BEST-acties). De ondervermelde soorten goede praktijken betreffen uitsluitend de bestaande of potentiële interactie tussen MKB en OSE. Ter illustratie worden in de bijlage concrete voorbeelden gegeven, die tevens aantonen hoe deze modellen kunnen worden aangepast en zich kunnen ontwikkelen naar gelang van de economische dynamiek in het kader van de interne markt en de globalisering.

3.1.3

Het is van nut om per soort te extrapoleren, teneinde voorstellen voor overheidsmaatregelen te kunnen doen die de dynamiek van MKB en OSE in het kader van de Lissabon-strategie kunnen versterken. Het gaat om goede gebruiken van OSE, die door het MKB zouden kunnen worden overgenomen, of om interacties tussen MKB en OSE waarbij het MKB sociale ondernemingen rechtstreeks inschakelt en dat nog in ruimere mate zou kunnen doen.

3.1.4

De werkhypothese, die in bepaalde gevallen reeds deels werd bewaarheid, is dat elk van deze werkwijzen aanzienlijke alternatieve kosten (opportunity cost) (17) impliceert en op middellange termijn een nettowinst voor de openbare begroting oplevert.

3.2   Goede praktijkvoorbeelden naar type

3.2.1

Scheppen en behoud van werkgelegenheid door het heropstarten en herstructureren van ondernemingen. Uit met OSE opgedane ervaringen in verschillende EU-landen blijkt dat financieringsregelingen die afgedankte werknemers helpen hun in moeilijkheden verkerende bedrijf terug op te starten of een nieuw bedrijf op te richten, in combinatie met voldoende begeleidende maatregelen, niet alleen werkgelegenheid kunnen scheppen of behouden en economische activiteiten kunnen creëren of in stand houden, maar het ook voor de staat en/of de andere geldschieters mogelijk maken het totaal van de verleende financiering, en soms nog meer, in een relatief korte tijd te recupereren (18);

3.2.2

Samenwerkingsverbanden of clusters van ondernemingen met het oog op ontwikkeling, vernieuwing en concurrentievermogen. OSE hebben regionale clusters gevormd die zich naderhand hebben geïntegreerd in horizontale of paritaire systemen of groepen, met name in Noord-Italië en Spaans Baskenland; deze (meestal kleine en middelgrote) ondernemingen zijn uitgegroeid tot zeer belangrijke economische actoren in hun respectieve regio's, waar zij ook centra voor vernieuwing op hoogtechnologisch en managementgebied hebben doen ontstaan.

3.2.3

Bundeling van middelen met het oog op schaalvoordelen. Een groot deel van de traditionele kleine en middelgrote bedrijven in bepaalde sectoren, alsmede micro-ondernemingen en zelfstandigen (zoals detailhandelaars in Italië, kappers en slagers in Frankrijk, bakkers in Duitsland) groeperen zich, meestal in de vorm van coöperaties, met het oog op gezamenlijke inkoop, verkoop of dienstverlening. Iedere onderneming blijft autonoom maar kan aldus zijn concurrentievermogen ontwikkelen, zijn markten behouden of uitbreiden, toeleveranciers en tussenpersonen vermijden, en schaalvoordelen realiseren. Voor de gemeenschap staat dit systeem garant voor behoud van werkgelegenheid en lokale ontwikkeling (19).

3.2.4

Toegang tot financiering en vermindering van het risico. Wederzijdse borgstelling maakt het voor kleine en middelgrote ondernemingen, micro-ondernemingen en zelfstandigen, die niet over voldoende garanties beschikken, mogelijk toegang tot financiering te krijgen. Een onderlinge waarborgmaatschappij die borgstelling tot doel heeft, wordt geacht uitsluitend voor de geldschieter borg te staan. Ingeval de lening niet wordt terugbetaald, draagt de maatschappij de uiteindelijke kosten door te putten uit het garantiefonds dat door de deelnemende ondernemingen van middelen wordt voorzien. Gemeenschappelijke fondsen van OSE, die bij de banken het nodige vertrouwen hebben gewekt, konden een hefboomeffect creëren op het verstrekken van bankleningen die werden aangewend voor projecten ter oprichting, herstructurering of ontwikkeling van ondernemingen (20).

3.2.5

Diensten aan de gemeenschap. OSE zijn van belang gebleken voor sociale dienstverlening, gezondheidszorg, onderwijs- en culturele diensten, met name in het kader van privatiseringen; zij paren ondernemingszin immers aan behoud van het algemeen belang dat aan deze dienstverlening ten grondslag ligt. Aldus werd aangetoond dat deze ondernemingen vaak dienstverlening bieden van betere kwaliteit en tegen een lagere prijs dan door de overheid kan worden aangeboden. In sommige gevallen gaat het daarbij om lokale publiek-private partnerschappen tussen OSE en lokale overheden met het oog op diensten van openbaar belang als centras voor werkgelegenheid, zorgcentra, thuishulp, enz.

3.2.6.

Kwalitatief hoogstaande en ethische productie- en verkoopketens. Sommige OSE hebben zich toegespitst op de afzet van producten waarvan zij permanent kunnen garanderen dat de kwaliteit goed is en dat zij vervaardigd zijn volgens een ethisch verantwoord productieproces (geen uitbuiting, eerbiediging van de arbeidsvoorschriften, billijke beloning, enz.

4.   Aanbevelingen met het oog op een actie- en onderzoeksprogramma voor het vaststellen van maatregelen op lange termijn ter bevordering van MKB en OSE op basis van wederzijdse interactie

4.1   Algemene overwegingen

4.1.1

Het cruciale belang van de samenwerking tussen MKB en OSE voor de Europese economie en de tenuitvoerlegging van de Lissabon-strategie, alsmede de goede mogelijkheden voor interactie tussen deze twee soorten actoren door gebruik van OSE-modellen en structuren, pleiten voor nieuwe gemeenschappelijke inspanningen op EU-niveau om deze bedrijfsnormen te bevorderen en te ondersteunen.

4.1.2

Het EESC is op de hoogte van de bestaande programma's ter ondersteuning van met name het MKB, maar merkt op dat er onvoldoende structuren bestaan voor ondersteuning van sociale ondernemingen en voor bevordering van gemeenschappelijke initiatieven van MKB en OSE.

4.1.3

Het wijst bovendien op het gebrek aan gedegen, uitputtende, pan-Europese en multidisciplinaire studies die de alternatieve kosten aantonen en berekenen van goede praktijken die een versterking van MKB en OSE via wederzijdse interactie bevorderen.

4.1.4

Dit gebrek belemmert aanzienlijk de ontwikkeling van overheidsmaatregelen ter bevordering van MKB en OSE via wederzijdse interactie. Een permanente follow-up en kosten-batenanalyses zijn immers absoluut noodzakelijk om dergelijke maatregelen te kunnen vaststellen.

4.2   Specifieke aanbevelingen

4.2.1   Oprichting van een Europese waarnemingspost voor OSE en lancering van een meerjarig onderzoek naar de interactie tussen OSE onderling en tussen MKB en OSE

4.2.1.1

Het EESC stelt voor een Europese waarnemingspost voor OSE in het leven te roepen, die niet alleen onderzoek moet verrichten naar OSE zelf maar ook naar de bestaande en potentiële interactie tussen MKB en OSE, alsmede naar de wijze waarop dergelijke interactie cruciaal kan zijn voor de economische ontwikkeling van MKB en OSE, de bevordering van de sociale verantwoordelijkheid van ondernemingen en de bestrijding van uitsluiting.

4.2.1.2

Deze waarnemingspost zou moeten worden ondersteund door de Europese Commissie en de regeringen van de 25 EU-lidstaten. OSE-organisaties alsmede universitaire centra voor onderzoek naar OSE zouden erbij moeten worden betrokken. Het centrum zou ook nauw moeten samenwerken met het waarnemingscentrum voor het MKB.

4.2.1.3

Het EESC zou voorts ook graag zien dat deze waarnemingspost een driejarig multidisciplinair en inter-Europees onderzoeksprogramma lanceert, teneinde goede praktijken op te sporen betreffende OSE-systemen die rechtstreeks MKB ontwikkelen of een model hanteren dat MKB kan ontwikkelen, met name op de in par. 3 genoemde gebieden.

4.2.1.4

Dit onderzoek heeft tot doel de alternatieve kosten aan te tonen en zou zich toespitsen op het berekenen van met name:

de directe micro-economische kosten-baten;

de kosten-baten bij het begin en op het eind van de economische keten;

de waarde van immateriële goederen;

de sociale kosten-baten (via sociale audit);

de multiplicatoreffecten;

het kostenverschil, ingeval het model in kwestie niet wordt toegepast (bv. de kosten van „niet-coöperatie” komen overeen met de aanvullende kosten voor de staat en de gemeenschap ingeval coöperaties plotseling niet meer zouden bestaan).

4.2.1.5

De onderzoeksresultaten van de Europese waarnemingspost voor OSE zouden openbaar moeten worden; daarvoor is een gedegen communicatie-inspanning vereist bij de Europese instellingen, de regeringen van de lidstaten en de bevolking in het algemeen.

4.2.1.6

Het EESC zal toezien op de goede ontwikkeling van het onderzoek van de waarnemingspost voor OSE en zal na drie jaar een evaluatie maken van zijn resultaten; daarbij zal het ook de mogelijke impact van deze resultaten op het EU-beleid inzake MKB en OSE nagaan.

4.2.2   Volledige deelname van MKB en OSE aan de Europese steunprogramma's voor ondernemingen

4.2.2.1

Het EESC verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat OSE de gelegenheid hebben om op voet van gelijkheid deel te nemen aan het nieuwe meerjarenprogramma voor ondernemerschap 2006-2010, alsmede initiatieven te bevorderen met het oog op interactie tussen MKB en OSE, en met name op het gebruik van coöperatieve samenwerkingsvormen tussen kleine en middelgrote bedrijven.

4.2.2.2

Het Comité zou tevens graag zien dat bevordering van de participatie van MKB en OSE aan EU-programma's voor toegang tot onderzoek, vernieuwing en wereldmarkten een van de belangrijkste Europese beleidsprioriteiten wordt.

4.2.2.3

Het is voorts van mening dat de belangstelling voor projecten ten gunste van MKB in het kader van de structuurfondsen moet worden behouden en dat er meer aandacht moet worden geschonken aan projecten m.b.t. OSE en de interactie tussen OSE en MKB, vooral wanneer dergelijke projecten nieuwe werkgelegenheid en de ontwikkeling van plattelandsgebieden bevorderen. De toegang tot de structuurfondsen mag niet afhankelijk zijn van de aard van de bedrijfsactiviteiten.

4.2.3   Conclusies van de in Istanboel gehouden OESO-conferentie van voor het MKB verantwoordelijke ministers, en uitbreiding van deze conclusies tot OSE

4.2.3.1

Het EESC stelt de Commissie tevens voor de conclusies van de in Istanboel gehouden OESO-conferentie van voor het MKB verantwoordelijke ministers over te nemen, en deze tot OSE uit te breiden. Het pleit dus voor een aanpak die meer afgestemd is op de behoeften en kenmerken van MKB en OSE, en met name voor:

verbetering van de toegang tot financiering voor MKB en OSE, nu de criteria van Basel voor bankleningen stringenter dreigen te worden voor bedrijven die risico lopen of kapitaalschaarste kennen;

bevordering van partnerschappen, netwerken en clusters tussen MKB en OSE;

voortdurende bijwerking en integratie van de gegevens over de toestand van MKB en OSE;

vermindering van de belemmeringen voor toegang van MKB en OSE tot wereldmarkten, met name door beperking van de administratieve en juridische lasten waarmee ze worden geconfronteerd;

voorkomen van bedrijfscrisissen en faillissementen en reddingsoperaties;

bevordering van onderwijs en ontwikkeling van menselijk potentieel;

bevordering van informatie- en communicatietechnologieën (21).

4.2.4   Verbetering van de sociale dialoog op subnationaal, nationaal en communautair niveau

4.2.4.1

In verschillende EU-landen en met name sommige nieuwe toetredingslanden is het MKB niet voldoende vertegenwoordigd in de nationale instanties voor sociale dialoog. Dit moet volgens het EESC veranderen, al was het maar om de doeltreffendheid van het overheidsbeleid inzake bevordering en regulering van deze ondernemingen te verbeteren en om grote ondernemingen en het MKB dezelfde mogelijkheden te bieden om hun standpunten kenbaar te maken.

4.2.4.2

In de meeste EU-landen en op communautair niveau zijn OSE helemaal niet vertegenwoordigd in de sociale dialoog. Het EESC pleit er dan ook voor dat de representatieve OSE-organisaties zowel op EU-niveau als in de verschillende lidstaten structuren vormen en zich verder versterken, teneinde bij de sociale dialoog op zowel communautair als nationaal niveau te worden betrokken. Met het standpunt van deze organisaties moet meer rekening worden gehouden bij de uitwerking van bedrijfsnormen (22).

4.2.5   Onderzoek naar mogelijkheden om de deelname van werknemers aan de besluitvorming en in het bedrijfskapitaal te bevorderen

4.2.5.1

De OSE hebben een specifieke knowhow ontwikkeld op het gebied van deelname van werknemers aan de besluitvorming en in het kapitaal van hun ondernemingen. Een deel van de coöperaties heeft met name „cooperative worker ownership”  (23) ontwikkeld, waarbij alle of het merendeel van de vennoten van de coöperatie werknemers zijn en vice versa, en waarbij elkeen een stem heeft in de besluitvorming, ongeacht het aantal (overigens nominale en niet overdraagbare) aandelen die de betrokkene in de onderneming heeft. Deze vorm van samenwerking vormt een van de belangrijkste factoren die aan de basis liggen van het welslagen van verschillende goede praktijkvoorbeelden. Een en ander appelleert aan de rechtstreekse verantwoordelijkheid van de werknemers voor de toekomst van hun onderneming en stelt deze werknemers in staat ten volle aan de ontwikkelingsstrategie ervan deel te nemen. Nu in het kader van de door de Lissabon-doelstellingen nagestreefde „kenniseconomie” steeds meer erkend wordt dat „menselijk kapitaal” van wezenlijk belang is voor een onderneming, wordt ook het moderne en innoverende karakter van deze samenwerkingsvorm geleidelijk aan duidelijker.

4.2.5.2

Het EESC stelt aan de Commissie voor deze specifieke samenwerkingsvorm door de bovenvermelde waarnemingspost en tijdens de door het Comité georganiseerde thematische seminars te laten bekijken vanuit de volgende oogpunten:

de daarmee verbonden alternatieve kosten, teneinde vast te stellen in welke mate deze ondernemingsvorm voor het traditionale MKB nuttig en bruikbaar kan zijn en welke aanpassingen daar eventueel voor nodig zijn;

het juridische en regelgevende kader.

5.   Conclusies

5.1

Het MKB vormt de basis van de economie en de werkgelegenheid in Europa en is als dusdanig van cruciaal belang voor de verwezenlijking van de doelstellingen van Lissabon. OSE spelen een steeds grotere rol in de sociale samenhang en de lokale ontwikkeling. Tot dusver is er veel te weinig aandacht geschonken aan mogelijke interacties van MKB en OSE, met name via uitgebreid gebruik van dergelijke rechtsvormen door het MKB, in het belang van beide soorten ondernemingen.

5.2

Het EESC verzoekt de Commissie dan ook de bestaande en potentiële interactie tussen MKB en OSE opnieuw te bekijken en te helpen aantonen dat deze interactie de ontwikkeling van deze twee soorten ondernemingen ten goede komt, gelet op de grondige veranderingen ten gevolge van de economische dynamiek, met name op het gebied van het beleid inzake regionale ontwikkeling, sociale samenhang en innovatie.

Brussel, 27 oktober 2004

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

A.-M. SIGMUND


(1)  Conclusies van het voozitterschap – Lissabon, 23 en 24 maart 2000, punt 14.

(2)  Europees Handvest voor het Kleinbedrijf, Luxemburg, Bureau voor officiële publicaties van de Europese Gemeenschappen, 2002. De Commissie bevestigt dat het Handvest op 23 april 2002 te Maribor werd erkend (zie http://europa.eu.int/comm/enterprise/enterprise_policy/sme-package/index.htm). Het Comité dringt er samen met het Europees Parlement op aan het Handvest kracht van wet te geven en het uitdrukkelijk in het hoofdstuk over industrie van de Europese Conventie op te nemen.

(3)  „Een strategie voor volledige werkgelegenheid en beter werk voor allen”, COM(2003) 6 def.

(4)  Aanbeveling 2003/361/EG die Aanbeveling 96/280/EG (PB L 124 van 20 mei 2003, blz. 36) vervangt en op 1 januari 2005 in werking treedt. Zowel in de huidige als in de nieuwe aanbeveling worden dezelfde definities gehanteerd. Alleen de omzet of het balanstotaal verschillen.

(5)  B. Roelants (coord.), Voorbereidend werkdocument voor de eerste conferentie over sociale economie in de landen van Midden- en Oost-Europa, 2002, blz. 34. Gemeenschappelijke noemers op basis van definities die zijn uitgewerkt door de Europese Commissie, het Comité van de Regio's, CEP-CMAF (Conférence européenne des Coopératives, Mutualités, Associations et Fondations – Europese conferentie van coöperaties, onderlinge-waarborgmaatschappijen, verenigingen en stichtingen) en FONDA (verbonden met organisaties die ten grondslag liggen aan het concept van „sociale economie”).

(6)  McIntyre et al: Small and medium enterprises in transitional economies, Houndmills: Macmillan, blz. 10.

(7)  Met name in het kader van de toepassing van de Verordening betreffende de Europese Coöperatieve Vennootschap. Zie Verordening (EG) nr. 1435/2003 van de Raad van 22 juli 2003 betreffende het statuut voor een Europese Coöperatieve Vennootschap (SCE).

(8)  Europese Commissie: werkdocument „Onderlinge maatschappijen in een uitgebreid Europa”, 3 oktober 2003, blz. 5.

(9)  Europese Commissie (2004): Een nieuw partnerschap voor samenhang – Convergentie, concurrentievermogen, samenwerking - Derde verslag over de economische en sociale samenhang, blz. 5 en 8.

(10)  Advies CES 242/2000, PB C 117 van 26 april 2000.

(11)  In een recente studie stelt de OESO dat „sociale economie” meer behelst dan de non-profitsector, daar coöperatieve ondernemingen e.d. minder gebonden zijn aan beperkingen, in die zin dat zij hun winsten wettelijk niet aan hun eigenaars/leden zouden mogen uitkeren (OECD 2003, „The non-profit sector in a changing economy”, Parijs, blz. 299).

(12)  Hierin is niet de indirecte werkgelegenheid begrepen, zoals zelfstandige arbeiders in de landbouwsector of MKB's die lid zijn van een coöperatie. CIRIEC 2000: „The enterprises and organisations of the third system: strategic challenge for employment” Universiteit van Luik.

(13)  Tang et al, 2002, blz. 44.

(14)  Zie het handvest van CEP-CMAF (Conférence Européenne Permanente des Coopératives, Mutuelles, Associations et Fondations)

(15)  Groenboek van de Europese Commissie over „Ondernemerschap in Europa” (COM(2003) 27 def., punt C ii.

(16)  DG-Ondernemingen (2002): Helping business grow – a „good practice guide” for business support organisations, blz. 11.

(17)  Alternatieve kosten zijn gemiste opbrengsten van het uitgesloten alternatief, als de middelen beperkt zijn of als gekozen moet worden tussen onderling onverenigbare projecten. De alternatieve kosten van het bouwen van een fabriek op een stuk grond zijn bijvoorbeeld de inkomsten die men derft door op dat stuk grond geen kantoorgebouw te bouwen. Zo ook vormen de inkomsten die men derft door geen fabriek te bouwen wanneer voor een kantoorgebouw werd gekozen, de alternatieve kosten van het kantoorgebouw. Alternatieve kosten zijn een belangrijke factor in de besluitvorming, ook al betreffen ze kosten die niet in de boekhouding van de betrokken organisatie zijn opgenomen. (Zie Oxford Dictionnary of Finance and Banking ; Oxford : Oxford University Press, 1997, blz. 252).

(18)  Zie ook het systeem van de „eenmalige uitkering” in Spanje. Deze maatregel houdt in dat twee jaar werkloosheidsvergoeding in één maal wordt uitgekeerd aan werknemers die van plan zijn een coöperatie of een werknemersvennootschap op te richten, of besluiten vennoten-werknemers van een dergelijke onderneming te worden; voorwaarde is wel dat zij ten minste twaalf maanden in de onderneming werkzaam zijn geweest.

(19)  Zie met name de website van de Fédération Française des Coopératives et Groupements d'Artisans http://www.ffcga.coop, en die van de Associazione Nazionale Cooperative fra Dettaglianti http://www.ancd.it

(20)  Met name het SOCODEN-fonds van de Franse productiecoöperaties, zie http://www.scop-entreprises.com/outils.htm.

(21)  Zie: Cordis Focus nr. 247, 14 juni 2004, blz. 14.

(22)  Juridische en boekhoudkundige normen, enz.

(23)  De basisnormen van dit specifieke ondernemingssysteem zijn vastgesteld in de „World Declaration of Cooperative Worker Ownership” (februari 2004) van de Internationale organisatie van productiecoöperaties in de industriële, ambachtelijke en dienstensector (CICOPA) van de Internationale Coöperatieve Alliantie, na anderhalf jaar overleg tussen de leden over de hele wereld. Deze specifieke normen voor werknemerscoöperaties vormen een aanvulling op de algemene normen voor coöperaties die zijn vastgelegd in de „Statement on the Cooperative Identity” van de Internationale Coöperatieve Alliantie, en in Aanbeveling 193/2002 van de Internationale Arbeidsorganisatie (Aanbeveling betreffende de bevordering van coöperaties).


20.5.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 120/17


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de „Pan-Europese vervoerscorridors”

(2005/C 120/04)

Op 23 januari 2003 heeft het Europees Economisch en Sociaal Comité besloten, overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde, een advies op te stellen over: „Pan-Europese vervoerscorridors”.

De afdeling „Vervoer, energie, infrastructuur, informatiemaatschappij”, die met de voorbereiding van de werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 5 oktober 2004 goedgekeurd. Rapporteur was mevrouw ALLEWELDT.

Het Comité heeft tijdens zijn 412e zitting op 27 en 28 oktober 2004 (vergadering van 27 oktober) het volgende advies uitgebracht, dat met 164 stemmen vóór en 2 stemmen tegen, bij 9 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Inleiding

1.1

De vaste studiegroep heeft in januari 2003 haar werkzaamheden weer opgenomen en het te behandelen thema uitgebreid (1) tot alle kwesties die met de ontwikkeling van de pan-Europese vervoerscorridors samenhangen. De werkzaamheden die tijdens de vorige mandaatsperiode waren verricht, hadden tijdens de zitting van december 2002 bij de voltallige vergadering veel bijval geoogst. De activiteiten m.b.t. de corridors zijn niet alleen voortgezet, de Europese Commissie heeft in de jaren 2003-2004 ook belangrijke nieuwe besluiten genomen die bepalend zijn voor de ontwikkeling van trans-Europese vervoersnetwerken (TEN-V) en tevens de werkzaamheden in de 10 Helsinki-corridors betreffen. De uitbreiding van de Europese Unie in mei 2004 en de toetredingsperspectieven van de Zuidoost-Europese landen veranderen tegelijk ook de randvoorwaarden voor het gemeenschappelijke infrastructuurbeleid en de samenwerking in de corridors.

1.2

Onderhavig initiatiefadvies heeft tot doel niet alleen verslag te doen van de activiteiten en inzichten van het Europees Economisch en Sociaal Comité m.b.t. de „pan-Europese vervoerscorridors” gedurende de afgelopen twee jaar, maar ook aanbevelingen te formuleren die aangeven wat de verdere stappen van betrokkenen zouden moeten zijn en hoe het Comité daarbij behulpzaam kan zijn.

2.   Nieuwe randvoorwaarden voor het pan-Europese verkeersinfrastructuurbeleid

2.1

Midden 2003 maakte de Commissie met het rapport van de groep deskundigen o.l.v. de heer Van Miert een begin met de herziening van TEN-V. De lijst van prioritaire projecten van 1996 werd uitgebreid en er werden nieuwe mogelijkheden voor financiering door de EU en een verbetering van de coördinering voorgesteld (2). Er bestonden plannen om het concept van de vervoerscorridors in het EU-infrastructuurbeleid te verankeren. Zo zou men zich niet langer op een algemeen, op netwerken gebaseerd EU-infrastructuurbeleid, maar voortaan op prioriteiten m.b.t. bepaalde hoofdverkeersaders concentreren. Deze aanpak van de Van Miert-groep oogste evenwel geen bijval.

2.2

Samen met commissie V „Grote bouwwerken en infrastructuurnetwerken” van de Italiaanse Raad voor economie en arbeid (CNEL) heeft het EESC de toekomst van TEN-T uitvoerig besproken in het kader van de studiegroepvergadering van september 2003 te Rome; naderhand werd ook een gemeenschappelijke verklaring afgelegd (3). Daarin wordt aangedrongen op een grotere inzet voor de totstandbrenging van een geïntegreerd verkeersnet waarop de nieuwe lidstaten doeltreffend kunnen aansluiten en dat tegelijk ook verder gaat dan dat. Intermodaal vervoer en duurzaamheid moeten voorop staan, de financiering moet gemeenschappelijk worden versterkt en bv. via een Gemeenschapsfonds voor het trans-Europese vervoersnet worden ondersteund.

2.3

Op verzoek van het Italiaanse voorzitterschap heeft het EESC een initiatiefadvies opgesteld, dat de in Rome gelanceerde discussie moet verdiepen. Onder de titel „De vervoersinfrastructuur gereedmaken voor de toekomst: planning en buurlanden - duurzame mobiliteit - financiering” (4) heeft het Comité de hoofdlijnen van zijn huidige standpunt ten aanzien van het Europese verkeersinfrastructuurbeleid samengevat. Met het oog op de toekomst pleit het EESC ervoor nieuwe financieringsvormen en -middelen uit te proberen, een grotere prioriteit toe te kennen aan milieubescherming en duurzaamheid op sociaal en milieugebied, en bij de planning en tenuitvoerlegging van het pan-Europese vervoernetwerk zowel de in de Helsinki-corridors verrichte, deugdelijk bevonden werkzaamheden voort te zetten als de nieuwe uitdagingen met nieuwe methoden aan te pakken.

2.4

De Europese Unie beschouwt de vreedzame wederopbouw van Zuidoost-Europa als een belangrijke prioriteit en wil dan ook dringend werk maken van de totstandbrenging van een goed functionerende verkeersinfrastructuur. Ter aanvulling van de reeds bestaande corridors X, V, VII, IV en VIII, die voor de regio van belang zijn, en op basis van de Verklaring van Helsinki van 1997 en de in het TINA-proces opgedane ervaringen (5) werd een vervoersconcept voor Zuidoost-Europa ontwikkeld. Het gaat hierbij om een intermodaal infrastructuurnetwerk, het zogenaamde South East Europe Core Regional Transport Network, dat via gecoördineerde samenwerking tot stand zal worden gebracht. De betrokken landen (6) hebben een „Memorandum of Understanding” voorbereid, dat o.m. expliciet naar samenwerking met de sociaal-economische belangengroeperingen in de regio en de vaste EESC-studiegroep verwijst.

2.5

De coördinering van de werkzaamheden van de stuurgroepen in de 10 Helsinki-corridors (7) en 4 vervoersgebieden (PETRAs) (8) werd opnieuw bekeken. Eenmaal per jaar nodigt de Commissie de voorzitters en hoofden van de secretariaten van de corridors, alsmede een aantal andere vertegenwoordigers van Europese of EU-instellingen uit om over de stand van de werkzaamheden en de vooruitzichten terzake van gedachten te wisselen. De vroegere G-24-wergroep „Vervoer” moet door een kleinere doeltreffendere werkstructuur worden vervangen. Tegelijk is de Commissie zich ervan bewust dat bepaalde aspecten van coördinering en technisch-organisatorische ondersteuning alleen door haar kunnen worden verzekerd. De laatste bijeenkomsten vonden in juni 2003 en op 15 maart 2004 plaats. De belangrijkste resultaten ervan zijn in de paragrafen 3 en 4 weergegeven.

2.6

De uitbreiding en het „nieuwe EU-nabuurschapsbeleid” zijn ook van invloed op de planning van het toekomstige verkeersbeleid in Europa en daarbuiten. In juni heeft een ontmoeting tussen Commissie en Europees Parlement over een gemeenschappelijke strategie plaatsgevonden, waarvoor ook vertegenwoordigers van de Europese vervoersector, met name uit de EU-buurlanden uitgenodigd waren. Besloten werd een werkgroep op hoog niveau in te stellen, die tot taak zou hebben overeenkomsten over de ontwikkeling van trans-Europese hoofdverkeersaders uit te werken, vooral in de richting van de oostelijke buurlanden, de Russische federatie, het Zwarte-Zeegebied en de Balkan. Voor het Middellandse-Zeegebied werd een project voor de totstandbrenging van een verkeersnet Europa-Middellandse Zee gelanceerd. Wat Turkije betreft, worden thans de behoeften aan verkeersinfrastructuur nagegaan.

3.   Organisatie van de werkzaamheden van de vaste studiegroep

3.1   Nieuwe ontwikkelingen en oude taken: informatie en transparantie

3.1.1

Zelfs na zeven jaar tenuitvoerlegging van de Verklaring van Helsinki en ondanks de consolidering van de samenwerking via stuurgroepen en de overkoepelende medewerking van de Europese Commissie, is er toch nauwelijks sprake van grotere transparantie en betere netwerkkoppeling van de verschillende planningsprocessen. De nieuwe richtsnoeren voor TEN-V, de corridors en vervoersgebieden, het „Core Regional Transport Network” voor Zuidoost-Europa, de werkzaamheden van ECMT en UN-ECE, alsmede diverse regionale initiatieven m.b.t. versterkte samenwerking zijn uiteindelijk alleen bij een klein aantal deskundigen bekend.

3.1.2

Het gebrek aan transparantie laat zich op het niveau van de georganiseerde civil society nog sterker gevoelen. Het is en blijft een belangrijke opdracht van de vaste studiegroep om als doorgeefluik tussen de officiële instanties en de betrokken maatschappelijke organisaties te fungeren.

3.1.3

De Commissie werkt verder aan een informatiesysteem (GIS), dat algemeen beschikbaar zou moeten zijn voor planning en effectbeoordeling. Dit informatiesysteem is tot dusver alleen intern beschikbaar, maar zou eventueel ook voor de verwerking van sociaal-economische gegevens kunnen worden ontwikkeld en zou dan bijgevolg ook voor EESC-werkzaamheden beter bruikbaar zijn. Een en ander zou met de Commissie moeten worden besproken.

3.2   Gebruik van raadplegingsprocedures: „Europese” verkeerswegen vergen een „Europese” consensus

3.2.1

Uit de door de Van Miert-groep opgemaakte balans is duidelijk naar voren gekomen dat er een grote en maar moeilijk te dichten kloof bestaat tussen de ambitieuze Europese plannen en de realisering ervan. Meer grensoverschrijdende planningsprocedures en een grotere betrokkenheid van de maatschappelijke organisaties worden terecht als stappen in de goede richting beschouwd en zijn als dusdanig ook in de nieuwe TEN-richtsnoeren opgenomen.

3.2.2

Voor een evenwichtige ontwikkeling is deelname van de maatschappelijke organisaties een absolute voorwaarde; daarbij moet met de lokale en regionale belangen rekening worden gehouden en moet bij het beheer en gebruik van de verkeerswegen worden uitgegaan van de realiteit. Infrastructuurprojecten van Europees belang zijn pas dienstig als zij duurzame belangen dienen en daarmee ook rekening houden. Deelname van bedrijfsorganisaties, vervoersondernemingen, vakbonden, milieu- en consumentenorganisaties - in grensoverschrijdend verband en op Europees niveau - is daartoe onontbeerlijk. Voor de stimulering van de aanleg van een trans-Europees vervoersnetwerk is een „Europees” maatschappelijk draagvlak vereist.

3.2.3

Het EESC heeft meermaals zijn steun aangeboden om een dergelijke consensus tot stand te brengen. Hiertoe moeten systematisch hoorzittingen op Europees niveau worden gehouden. Het EESC waarschuwt er evenwel voor dit niet louter als een verplichte vingeroefening te beschouwen, zonder te verzekeren dat ook met de resultaten rekening wordt gehouden. De samen met de EU-Commissie georganiseerde hoorzitting m.b.t. het TINA-proces in 1998 werd, ondanks de grote belangstelling en de duidelijke conclusies, in het eindverslag volledig over het hoofd gezien.

3.3   Van raadpleging tot conceptuele en praktische samenwerking

3.3.1

Tijdens de jarenlange werkzaamheden van het EESC m.b.t. het trans-Europese verkeersbeleid stond lange tijd de basiseis van participatie en raadpleging centraal. Dit basisprincipe is thans bij de betrokkenen in heel Europa goed doorgedrongen en het EESC heeft goede werkcontacten gelegd. Voor het Comité is het nu dan ook zaak conceptuele en praktische medewerking te verlenen aan de werkzaamheden van de stuurgroepen en de andere instanties.

3.3.2

Basis voor de conceptuele medewerking vormt met name het recente initiatiefadvies „De vervoersinfrastructuur gereedmaken voor de toekomst”, waarin de grondbeginselen van het Europese vervoerbeleid vanuit het oogpunt van het EESC duidelijk worden uiteengezet. De drie zwaartepunten zijn: de doelstelling van duurzaamheid, het streven naar een betere financiering en de pan-Europese ontwikkeling van de verkeersinfrastructuur. Ten aanzien van de verdere aanleg van vervoerscorridors werden prioriteiten vastgelegd, waarop de werkzaamheden van de vaste studiegroep worden afgestemd en die hieronder in het kort worden uiteengezet (9):

Er moet worden getoetst of er inderdaad betere verbinding tussen economische gebieden tot stand komen.

De intermodaliteit moet aan de hand van begrijpelijke kwaliteitscriteria verbeterd worden.

De verbinding met de binnenvaart moet bevorderd worden.

De korte vaart moet een passende plaats in de plannen krijgen.

De samenwerking in het spoorwegverkeer levert al gedeeltelijk resultaten op en moet sterker worden gepropageerd.

Er moet meer aandacht worden besteed aan de aansluiting van regionale en lokale vervoersnetwerken op de hoofdverkeersaders.

Bij de werkzaamheden i.v.m. de corridors moeten kwalitatieve en specifieke ontwikkelingsdoelstellingen systematisch worden meegenomen (veiligheid, consumentenbelangen, arbeidsvoorwaarden, met name in het wegverkeer, dienstverleningsniveau, milieugevolgen).

Het corridor-concept moet zoveel mogelijk gehandhaafd worden en territoriaal verder uitgebreid worden.

3.3.3

Deze doelstellingen zijn deels door de Commissie in de herziene TEN-richtsnoeren overgenomen. Het komt er nu dan ook op aan werk te maken van hun concrete verwezenlijking via grensoverschrijdende samenwerking. Het EESC beschikt over de mogelijkheden om via specifieke en praktijkgerichte acties daartoe bij te dragen.

3.4   Netwerkvorming van corridors en regionale samenwerking

3.4.1

Ondertussen zijn de stuurgroepen in alle corridors nagenoeg even intensief aan het werk. Tegelijkertijd kan algemeen worden vastgesteld dat er ook regionale verbindingen bestaan, zodat er thans meer sprake is van een corridor-netwerk dan van afzonderlijke verkeersaders. Samen met de initiatieven in de vervoersgebieden laat de regionale component van de samenwerking zich steeds meer gevoelen; voorbeelden hiervan zijn bv. in Zuidoost-Europa de corridors IV, V, VII en X, of in het Oostzee-gebied de corridors I en IX. Dit contrasteert met de eerder geringe activiteit in de officieel aangewezen vervoersgebieden (PETRAs).

3.4.2

De twee initiatieven, nl. de totstandbrenging van hoofdverkeersaders en de grootschalige regionale netwerkvorming, vullen elkaar aan. Bij de werkzaamheden van de vaste studiegroep moet in de toekomst meer aandacht gaan naar regionale ontwikkelingsconcepten. De band tussen vervoerbeleid, regionale ontwikkeling en de centrale thema's van de externe betrekkingen van het EESC (oostelijke buurlanden, noordelijke dimensie en Zuidoost-Europa) vormen een belangrijk aandachtspunt van het EESC, dat de afdelingen overstijgt.

3.5   Opgave voor de toekomst: nieuwe verbindingen tot stand brengen

3.5.1

De gedachtewisseling over de strategie tussen Commissie en Europees Parlement van juni 2004 is een goede zaak, maar het EESC heeft er wel steeds op gewezen dat de communautaire inspanningen met het oog op de totstandbrenging van Europese vervoerverbindingen na de uitbreiding van de EU niet mogen verminderen. In haar brief aan het EESC verzekert de Commissie dat een en ander de aanzet zal geven tot een ruimer en opener coördinatieproces, waaraan alle betrokkenen kunnen meewerken. Deze openstelling is onontbeerlijk voor het welslagen en de duurzaamheid van nieuwe vervoerplannen op Europees niveau.

3.5.2

De tot dusver opgedane ervaringen, met name de werkzaamheden van de stuurgroepen, vormen een belangrijke en onmisbare grondslag voor nieuwe plannen. Het EESC kan thans in een vroeg stadium van de infrastructuurplanning zijn specifieke bijdrage leveren – een bijdrage die in het onderhavige advies is uiteengezet en op jarenlange praktijkervaring is gebaseerd. Deze kans mag het Comité niet laten liggen.

4.   Werkzaamheden van de vaste studiegroep m.b.t. de verschillende vervoerscorridors

4.1

In corridor II (10) is inmiddels een werkgroep met vertegenwoordigers van vakverenigingen opgericht. Op 10 en 11 april 2003 is deze voor het eerst te Moskou bijeengekomen. Verder heeft het EESC deelgenomen aan de vergadering van de stuurgroep op 15 en 16 mei 2003 te Berlijn. De resultaten die beide vergaderingen hebben opgeleverd, bieden goede perspectieven voor onze toekomstige werkzaamheden. Het grootste probleem van corridor II betreft de moeizame samenwerking met Wit-Rusland. Ondertussen heeft de tendens zich doorgezet om een noordelijke omweg te maken om Wit-Rusland en dus een groot, zeer goed ontwikkeld deel van de corridor heen. Dit is te wijten aan moeilijkheden aan de grenzen. Thans wordt er tussen de spoorwegmaatschappijen intensiever samengewerkt. Over een uitbreiding van de corridor tot Jekaterinburg werd kort geleden een voorstel gedaan. In dit verband is het van bijzonder belang de problemen in het wegverkeer en de praktische procedures aan de grensovergangen beter aan te pakken en daarvoor ook het EESC in te schakelen.

4.2

Deelname aan de werkzaamheden in corridor IV (11) heeft een permanent karakter gekregen. Tijdens de vergadering van de stuurgroep op 20 en 21 mei 2003 te Sopron (Hongarije) heeft ook de ontmoeting tussen vertegenwoordigers van spoorwegmaatschappijen en bonden van spoorwegpersoneel in corridor IV plaatsgevonden. Een en ander resulteerde in een vruchtbare gedachtewisseling over het stimuleren van het railvervoer, die moet worden voortgezet. Dit gebeurde tijdens de laatste vergadering op 10 en 11 november 2003 te Dortmund. Bij verdere besprekingen zullen technisch-organisatorische belemmeringen bij de grensovergangen en mogelijke oplossingen daarvoor bovenaan de agenda worden geplaatst. Om de continuïteit te verzekeren zal voortaan ook een vertegenwoordiger van de bonden van het spoorwegpersoneel als waarnemer in de stuurgroep zetelen. Het is thans dus zaak de economische en sociale, samen met de technisch-organisatorische aspecten van het goederenvervoer over de weg in corridor IV thematisch aan te pakken.

4.3

Het EESC zelf hecht zeer veel waarde aan de bevordering van corridor X (12). De betrekkingen met de betreffende stuurgroep werden dan ook geïntensiveerd. Tijdens de vergadering van de stuurgroep op 18 en 19 juli 2003 in Slovenië, werden mogelijke EESC-acties concreet ingevuld. Op 3 november 2003 heeft het EESC in Belgrado met groot succes een conferentie (hoorzitting) georganiseerd, die tot een gemeenschappelijke resolutie heeft geleid (13). Hieruit volgen verdere stappen tot intensivering van de samenwerking in met name het railvervoer. Werkcontacten in Sarajevo en samenwerking met de stuurgroep voor de Core Networks van Zuidoost-Europa vormen aanknopingspunten die de werkzaamheden zullen beïnvloeden. Met het oog op een evenwichtig beleid voor zeehavens en de aansluiting ervan op het vervoernetwerk in het binnenland vormt corridor V (14) een belangrijke verbindingsas.

4.3.1

Begin november 2004 is een bijzondere actie ter bevordering van betere spoorwegdiensten in samenwerking met het spoorwegpersoneel van de ARGE Korridor Xline gepland; er zal een speciale demonstratietrein worden ingelegd en er worden acties op touw gezet in Villach (Oostenrijk), Zagreb (Kroatië) en Sarajevo (Bosnië-Herzegovina) (15).

4.4

Ter bevordering van de binnenscheepvaart en corridor VII (16) (Donau) heeft het EESC een hele reeks voorstellen uitgewerkt (17). In juli 2004 is de stuurgroep voor het laatst bijeengekomen. Thans worden er in het kader van de vaste studiegroep verdere besprekingen gehouden, waarbij de huidige belemmeringen voor de ontwikkeling van de scheepvaart in corridor VII, alsmede passende regelingen om deze belemmeringen weg te nemen, centraal staan. Tegelijkertijd wordt ook gekeken naar de mogelijkheden voor een betere integratie in een multimodaal vervoersysteem en de daarmee verbonden investeringsbehoeften (18).

4.4.1

In zijn op 28 januari 2004 (19) goedgekeurde advies over „De vervoersinfrastructuur gereedmaken voor de toekomst” heeft het EESC gewezen op de noodzaak van „bijzondere stimulering van de binnenscheepvaartcorridor VII, de Donau, de aansluiting op het spoorwegvervoer en de invoering van adequate technische en sociale regelingen op het gebied van de grensoverschrijdende binnenscheepvaart”.

4.4.2

Om van de Donau een volwaardige pan-Europese vervoerscorridor te maken heeft het gemeenschappelijk raadgevend comité EU-Roemenië bovendien voorgesteld (te Boekarest op 23-24 mei 2002) de nodige stappen te zetten om de stroom beter bevaarbaar te maken en met de Zwarte Zee te verbinden, en daarvoor ook meer financiële steun te verlenen.

4.5

Sinds de hoorzitting over corridors III (20) en VI (21) in Katowice van 2001 zijn er door het EESC geen activiteiten in deze corridors op touw gezet. In een brief d.d.augustus 2004 heeft het secretariaat van corridor III een oproep gelanceerd om via voorstellen voor het werkprogramma 2003/2004 tot verdere ontwikkeling bij te dragen.

4.6

De laatste twee jaar heeft het EESC veel steun ondervonden van het nieuwe, door de Europese Federatie van Transportwerknemers (ETF) georganiseerde samenwerkingsverband tussen vakbonden van werknemers in de vervoersector, die langs de corridors en in pan-Europese context werkzaam zijn. Het ETF-project heeft een doorslaggevende bijdrage geleverd tot het welslagen van de EESC-activiteiten, via belangrijke ideeën en praktische voorstellen m.b.t. tot alle vervoersectoren, en zal de samenwerking ook in de toekomst versterken.

4.7

Ten slotte zij opgemerkt dat de voorzitter van de permanente studiegroep in samenwerking met het secretariaat van de afdeling TEN en met de steun van de bevoegde diensten van de Europese Commissie voor elk van de corridors een informatiedossier heeft opgemaakt (22).

5.   Aanbevelingen voor toekomstige werkzaamheden

5.1

De boven beschreven, nieuwe richtsnoeren voor het pan-Europese vervoerbeleid zijn door de vaste studiegroep overgenomen en in de regionale, praktische en conceptuele plannen geïntegreerd. Nog meer dan vroeger ligt de kracht van het EESC in het feit dat het verschillende belangen kan verenigen en praktische voorstellen kan formuleren. De klemtoon moet daarbij liggen op acties en aanwezigheid ter plaatse.

5.2

Met de vaste studiegroep beschikt het EESC over een soort „clearinghouse”, dat een doorgeefluik en contactpunt is voor belangstellenden binnen en buiten het Comité. De vaste studiegroep heeft als centrale taak te informeren, te bemiddelen, de EESC-activiteiten te coördineren en op verantwoordelijke wijze deel te nemen aan de overkoepelende coördineringsactiviteiten op Europees niveau; zij kan daarbij terugvallen op 13 jaar actieve deelname van het Comité aan het pan-Europese vervoerbeleid.

5.3

In de komende twee jaar moet het zwaartepunt van de EESC-activiteiten bij praktische samenwerking en deelname van plaatselijke maatschappelijke organisaties worden gelegd. Als relevante maatschappelijke organisaties hun mening en kritiek over specifieke corridors, regio's of infrastructuurprojecten kunnen uiten of eventuele voorstellen ter verbetering kunnen formuleren, kan dit een bijdrage tot de verwezenlijking van de in par. 3.3.2 uiteengezette doelstellingen van het vervoerbeleid leveren.

5.4

De samenwerking tussen EESC en de stuurgroepen voor de corridors en de EU-Commissie moet worden geïntensiveerd. Met name in het kader van de totstandbrenging van de „South East Europe Core Regional Transport Network” (zie par. 2.4) moet de nieuwe rol van de vaste studiegroep verder worden uitgewerkt.

5.5

De vaste studiegroep moet nagaan hoe er bij de totstandbrenging van de pan-Europese verkeersaders beter rekening kan worden gehouden met operationele vervoersaspecten; met name aspecten als intermodaal vervoer, milieubescherming, veiligheid, arbeidsvoorwaarden en doeltreffendheid moeten in het kader van het corridorbeleid concreet worden uitgewerkt.

5.6

Thans worden nieuwe verkeersaders in het kader van het Europese nabuurschapsbeleid gepland. De EU-Commissie streeft naar openheid in dit verband en de vaste studiegroepen moeten hiertoe een bijdrage leveren.

5.7

De werkzaamheden van de EU-Commissie en van de stuurgroepen in de corridors en de vervoersgebieden moeten beter op elkaar worden afgestemd. De Commissie heeft hierbij een belangrijke coördinerende functie te vervullen, die ook ondersteuning op technisch-organisatorisch vlak omvat. Het zou een goede zaak zijn als er meer ruimte zou zijn voor gemeenschappelijke coördinatie, met deelname van alle betrokken partijen, van de verschillende activiteiten op pan-Europees niveau en voor een grotere betrokkenheid van het Europees Parlement.

Brussel, 27 oktober 2004

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

A.-M. SIGMUND


(1)  Besluit van het bureau van 23 oktober 2002.

(2)  Zie het EESC-advies in PB C 10 van 14 januari 2004, blz. 70, voor verdere toelichting.

(3)  CESE 1043/2003 fin - ligt ter beschikking in het TEN-secretariaat.

(4)  PB C 108 van 30.04.04, blz. 35.

(5)  Transport-Infrastructure-Needs-Assessment (TINA), Infrastructuurplanning met de toetredingslanden in de tweede helft van de jaren '90.

(6)  Albanië, Bosnië-Herzegovina, Kroatië, Servië-Montenegro en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië.

(7)  Een gedetailleerde kaart van de corridors ligt ter beschikking in het TEN-secretariaat.

(8)  PETRAs: 4 vervoersgebieden overeenkomstig de Verklaring van Helsinki van 1997, nl. de Euro-Arctische Barentszregio, het Zwarte-Zeebekkengebied, het Middellandse-Zeebekkengebied en de regio Adriatische en Ionische Zee.

(9)  PB C 108 van 30.04.04, blz. 35, par. 1.8.1 tot 1.8.8.

(10)  Duitsland – Polen – Wit-Rusland - Rusland

(11)  Duitsland – Tsjechië – Oostenrijk – Slowakije – Hongarije – Roemenië – Bulgarije – Griekenland - Turkije

(12)  Oostenrijk – Kroatië – Servië – Macedonië – Slovenië – Hongarije – Servië - Bulgarije

(13)  Zie bijlage 1.

(14)  Italië - Slovenië – Hongarije – Oekraïne – Slowakije – Kroatië – Bosnië-Herzegovina

(15)  Details van de acties worden nog voorbereid en worden daarom in dit advies niet vermeld maar kunnen bij het afdelingssecretariaat TEN worden opgevraagd.

(16)  „Naar een pan-Europese regelgeving voor de binnenvaart”, PB C 10 van 14 januari 2004, blz. 49

(17)  Duitsland – Oostenrijk – Slowakije – Hongarije – Kroatië – Servië – Bulgarije – Moldavië – Oekraïne - Roemenië

(18)  Voor meer toelichting zie het werkdocument LEVAUX, dat bij het afdelingssecretariaat TEN kan worden opgevraagd.

(19)  Zie noot 4.

(20)  Duitsland – Polen - Oekraïne

(21)  Polen – Slowakije - Tsjechië

(22)  Zie bijlage 2 – niet-officiële gegevens die eventueel moeten worden aangepast.


20.5.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 120/22


Advies van het Europees Economische en Sociaal Comité over de Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's - Snelle verbindingen voor Europa: recente ontwikkelingen in de sector elektronische communicatie

(COM(2004) 61 def.)

(2005/C 120/05)

De Europese Commissie heeft op 29 maart 2004 besloten om het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 262 uit het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap te raadplegen over voornoemd voorstel

De gespecialiseerde afdeling „Vervoer, energie, infrastructuur, informatiemaatschappij”, die was belast met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden, heeft haar advies op 5 oktober 2004 goedgekeurd. Rapporteur was de heer McDonogh.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 27 en 28 oktober 2004 gehouden 412e zitting (vergadering van 27 oktober) onderstaand advies met 163 stemmen vóór en 1 stem tegen, bij 3 onthoudingen, goedgekeurd.

1.   Inleiding

1.1

Het EESC kan zich vinden in de analyse en aanbevelingen uit de Commissiemededeling „Snelle verbindingen voor Europa: recente ontwikkelingen in de sector elektronische communicatie” (COM(2004) 61 def.). Deze Mededeling verschijnt op het juiste ogenblik en getuigt van een scherpzinnige strategische aanpak en de daadwerkelijke wil om de sector elektronische communicatie in Europa door zijn volgende groeifase te loodsen.

1.2

Het EESC steunt de analyse van de Commissie en de door haar gevolgde aanpak, maar wijst in onderhavig advies ook op een aantal punten die aanleiding geven tot bezorgdheid.

2.   Achtergrond

2.1

De Commissie heeft op 3 februari 2004 de Mededeling „Snelle verbindingen voor Europa: recente ontwikkelingen in de sector elektronische communicatie” goedgekeurd. Daarmee heeft ze gehoor gegeven aan het verzoek van de Europese Raad van het voorjaar 2003 om t.a.v. de voorjaarstop van 2004 een verslag over de ontwikkelingen in de sector elektronische communicatie op te stellen. De Mededeling geeft een beknopt overzicht van deze sector in Europa, aangezien die van belang is voor de Lissabonstrategie, waartoe ook een analyse van de voornaamste factoren die van invloed zijn op de toekomstige groei behoort. Daarnaast vormt de Mededeling een oproep aan de politiek om de voor de toekomstige ontwikkeling van de sector elektronische communicatie noodzakelijke maatregelen te steunen.

2.2.

In de Lissabonstrategie wordt erkend dat informatie- en communicatietechnologie (ICT) een stuwende kracht is achter groei en verbetering van productiviteit en concurrentievermogen. ICT bevordert zowel de economische prestaties als de sociale samenhang. In onderhavige Mededeling wordt gewezen op het grote belang van de sector elektronische communicatie - die bestaat uit een dienstensegment en een apparatuursegment - voor een gezonde Europese economie en de verhoging van de productiviteit. Deze sector is in dat opzicht zo belangrijk vanwege zijn omvang, dynamiek en impact op bijna alle andere economische activiteiten. Uit recente gegevens blijkt dat de sector elektronische communicatie het meest heeft bijdragen tot de groei van de Europese arbeidsproductiviteit.

2.3

Ondanks een stormachtige groei in de jaren negentig en de ambitieuze Lissabonstrategie heeft Europa achterstand opgelopen t.o.v. de VS en een aantal Aziatische landen wat betreft productie en gebruik van ICT. Er wordt te weinig in ICT geïnvesteerd, wat de Europese concurrentiepositie schaadt. (1) Voor het slagen van het eEurope 2005-actieplan, maar ook daarna nog voor de verwezenlijking van de doelstellingen uit de Lissabonstrategie is het cruciaal dat de komende achttien maanden vooruitgang wordt geboekt in de sector elektronische communicatie. Die sector groeide eind jaren negentig hard, maar zakte in 2000 en 2001 weer in, wat voor Raad en Commissie aanleiding was om de situatie in deze sector nauwlettend in de gaten te gaan houden en daarover in de aanloop naar de Europese Raad van het voorjaar 2003 verslag uit te brengen.

2.4

Nadat de situatie in de sector elektronische communicatie zich de afgelopen twee jaar stabiliseerde, lijken de voorwaarden nu weer aanwezig voor hoge groeicijfers. Die voorwaarden zijn volgens de Commissie o.a. de verbeterde financiële situatie van de exploitanten en een voortdurende toename van de inkomsten uit diensten. Toch is duurzame groei in de sector alleen maar mogelijk als de investeringen weer aantrekken en er meer nieuwe innovatieve diensten worden geïntroduceerd.

2.5

Sinds de uiteenspatting van de internetluchtbel zijn telecomexploitanten als onderdeel van hun consolidatieplannen hun kapitaalkosten aan het terugdringen. Voor hernieuwde groei in de hele sector elektronische communicatie dient opnieuw veel te worden geïnvesteerd. Het investeringsniveau is afhankelijk van wat beleidsmakers doen: de tenuitvoerlegging van het nieuwe regelgevingskader zal investeerders meer rechtszekerheid verschaffen; de tenuitvoerlegging van de nationale breedbandstrategieën zal diensten toegankelijker maken; de bevordering van nieuwe diensten en de beschikbaarheid van innovatieve inhoud zal de vraag stimuleren; en door het opruimen van belemmeringen in de regelgeving en op technisch vlak zal de uitrol van 3G-netwerken worden bevorderd.

Daarom worden in de Mededeling vier prioritaire actieterreinen aangegeven:

a)

Aangaan van uitdagingen op het gebied van de regelgeving. Als het nieuwe regelgevingskader voor elektronische communicatie te laat of onjuist door de lidstaten wordt omgezet, wordt de concurrentie belemmerd en ontstaat onzekerheid op de markt. Tegen een aantal lidstaten die de nieuwe maatregelen niet hebben omgezet, zijn inmiddels inbreukprocedures gestart. Een van de belangrijkste prioriteiten voor 2004 blijft de volledige en doeltreffende tenuitvoerlegging van de regels door zowel de oude als de nieuwe lidstaten. Bovendien dienen de nationale regelgevingsinstanties de nieuwe maatregelen consequent toe te passen. Van bijzonder groot belang zijn de voor later dit jaar op stapel staande gemeenschappelijke richtsnoeren voor oplossingen die kunnen worden opgelegd aan exploitanten met aanmerkelijke marktmacht. Daarmee moeten regelgevers worden geholpen om de juiste investeringsprikkels te geven en ervoor te zorgen dat opkomende markten niet aan ongeschikte verplichtingen worden onderworpen.

b)

Vergroting van de breedbanddekking in gebieden met weinig dekking. De lidstaten hebben overeenkomstig het eEurope actieplan afgesproken nationale breedbandstrategieën op te stellen en alle oude en een aantal nieuwe lidstaten hebben dat inmiddels gedaan. Speciale aandacht moet worden besteed aan gebieden die het risico lopen om in de informatiemaatschappij aan de zijlijn komen te staan omdat de uitrol van breedbanddiensten daar vanwege onvoldoende vraag zinloos is op grond van de winstgevendheidscriteria van de exploitanten. Steunverlening uit EU-fondsen kan voor die gebieden, naast nationale, regionale en lokale maatregelen, een optie zijn. Er bestaan al richtsnoeren voor de benutting van de Structuurfondsen voor hulp aan dat soort gebieden. De oprichting van een „Forum voor de digitale kloof” later dit jaar zal de uitwisseling van goede praktijkvoorbeelden en innovatieve oplossingen ten goede komen. De Commissie brengt in de zomer van 2004 verslag uit van de nationale breedbandstrategieën.

c)

Stimulering van de vraag. De meerderheid van de Europese huishoudens kan een breedbandaansluiting nemen, maar slechts een fractie daarvan heeft dat daadwerkelijk gedaan. Op de breedbandmarkt draait het steeds meer om gebruik en steeds minder om uitrol. De ervaringen die zijn opgedaan in landen waar het meest gebruik wordt gemaakt van breedband, laten zien dat daadwerkelijke concurrentie op basis van netwerken van groot belang is voor het drukken van de prijzen en de bevordering van innovatieve on line diensten. Daarnaast kunnen vraagstimulerende maatregelen van de lidstaten een rol spelen. Overheden stimuleren voor steeds meer belangrijke vormen van dienstverlening - bestuurlijke dienstverlening op lokaal en nationaal niveau, volksgezondheid en onderwijs - het gebruik van ICT en bieden die diensten steeds vaker on line aan. Een dergelijk beleid dient gepaard te gaan met maatregelen op het vlak van beveiliging, digitale-rechtenbeheer en de interoperabiliteit van verschillende diensten en apparaten. De tussentijdse herziening van het eEurope actieplan, die naar verwachting in de zomer zal zijn afgerond, biedt de kans om verdere ondersteunende maatregelen te nemen.

d)

Met succes in gebruik nemen van de derde generatie van mobiele communicatiesystemen (3G). In het verslag van het Platform voor mobiele communicatie en technologie (dat bestaat uit belangrijke vertegenwoordigers van de sector) is een strategische toekomstvisie voor de mobiele dienstverlening uitgestippeld, met de nadruk op een reeks uitdagingen op commercieel vlak en t.a.v. de regelgeving. De geconvergeerde, op data gebaseerde 3G-maatschappij zal complexer zijn dan de op stemgeluid gebaseerde GSM-maatschappij. Als de ontwikkeling van 3G in goede banen wordt geleid, kan dat tot verrassende nieuwe vormen van dienstverlening leiden en kan de productiviteit in de EU een sterke impuls krijgen. De Commissie heeft in haar Mededeling van 30 juni 2004 (2) haar beleid m.b.t. de sector mobiele communicatie uiteengezet en zal samen met de betrokkenen strategische onderzoeksprioriteiten op het gebied van mobiele communicatie blijven definiëren.

2.6

De Telecomraad van 8 en 9 maart 2004 te Brussel stemde volmondig in met de oproepen in onderhavige Mededeling (COM(2004) 61 def.) en in de Mededeling over de tussentijdse evaluatie van eEurope 2005 (COM(2004) 108 def.) om tot actie over te gaan. Daarmee werd nog eens benadrukt dat de politiek zich ertoe heeft verbonden de strategische doelstellingen van Lissabon op het vlak van duurzame groei, werkgelegenheid en sociale samenhang te verwezenlijken.

Opmerkingen

3.   Algemene opmerkingen

3.1

In onderhavige Mededeling staat de sector elektronische communicatie centraal, een omvangrijke en complexe sector die van cruciaal belang is voor de Lissabonstrategie. De afgelopen jaren heeft het EESC een groot aantal adviezen uitgebracht over met deze sector samenhangende beleidsaspecten. (3) Het is ermee ingenomen dat het nu de kans krijgt zijn licht te laten schijnen over de algemene ontwikkeling van de sector elektronische communicatie, de breedbandvoorziening, de ontwikkeling van de sector mobiele communicatie en het nieuwe regelgevingskader voor het bedrijfsleven.

3.2

De Commissie heeft er zeer goed aan gedaan de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van beleid ter bevordering van de groei van de sector elektronische communicatie te ondersteunen. Het betreft hier een zeer dynamisch en snel evoluerend beleidsterrein, waarop belanghebbenden alles in het werk stellen om hun eigen, commerciële of sociale doelstellingen te bereiken en daarbij uitermate goed worden geholpen door de politiek, d.w.z. door de Raad van ministers, nationale regeringen en regionale overheden.

3.3

Gezien het complexe en dynamische karakter van elektronische communicatie en de betekenis daarvan voor de sociaal-economische ontwikkeling van de EU, is het EESC van mening dat het voor alle betrokkenen uit de betreffende sector belangrijk is regelmatig hun zegje te kunnen doen. Dan kan ook een meer omvattend en geïntegreerder beleid worden gevoerd. Het EESC is zeer te spreken over het voornemen van de Commissie om met het oog op de beleidsvorming de samenwerking met betrokkenen op gebieden zoals intellectuele-eigendomsrechten, digitale-rechtenbeheer, vertrouwens- en veiligheidskwesties, interoperabiliteit en normalisatie, spectrumbeheer en de dekking in afgelegen en plattelandsgebieden voort te zetten. Het zal zich actief blijven bezighouden met de sector elektronische communicatie en aanverwante vraagstukken.

3.4

Het EESC vindt het vooral positief dat de Commissie de nadruk legt op de behoefte aan interoperabiliteit en openheid op verschillende niveaus van technologie en diensten: tussen apparatuur en netwerk; tussen apparaten onderling; tussen netwerken onderling; en tussen inhoud en/of toepassingen. Zonder adequate interoperabiliteit en openheid van platforms zal de ontwikkeling van een massamarkt voor nieuwe technologieën ernstig worden belemmerd.

3.5

Het EESC kan zich dus vinden in onderhavige Mededeling (zie par. 1.1) en complimenteert de Commissie met het uitstekende werk dat zij op dit gebied verricht. Het stelt vast dat uitgebreid onderzoek en omvangrijke raadplegingsrondes zijn gewijd aan het creëren van een goed begrip voor de sector elektronische communicatie en aan de ontwikkeling van beleid ter bevordering van sterke en duurzame groei. Het is een pleitbezorger van het eEurope 2005-actieplan en staat volledig achter de in de Mededeling COM(2004) 61 def. voorgestelde maatregelen.

3.6

Het EESC vestigt de aandacht op een aantal onderwerpen waar het bijzonder veel belang aan hecht:

3.6.1   Regelgevingskader

3.6.1.1

Het EESC is ingenomen met het nieuwe regelgevingskader voor elektronische communicatie, waardoor wordt gezorgd voor een grotere voorspelbaarheid, meer samenhang en een geharmoniseerdere benadering van de manier waarop markten in de EU functioneren. Het nieuwe regelgevingskader betekent ook meer zekerheid en transparantie, wat een positieve invloed zal hebben op de investeringen in de sector elektronische communicatie, de concurrentie zal aanwakkeren en tot de introductie van meer innovatieve diensten zal leiden.

3.6.1.2

Het EESC is het met de Commissie eens dat een technologie-neutrale, op open normen gebaseerde en gecoördineerde aanpak met het oog op de ontwikkeling van concurrentie-op-basis-van-faciliteiten aan de aanbodkant van de sector elektronische communicatie cruciaal is voor het creëren van een dynamische en concurrerende markt. Tot tevredenheid van het EESC wordt in het nieuwe regelgevingskader eerlijke concurrentie tussen verschillende toegangstechnologieën (breedband, 3G, digitale televisie e.d.) bevorderd. Dat zal leiden tot lagere netwerkkosten, goedkopere diensten, een groter gebruiksgemak en meer mobiliteitsmogelijkheden voor de consument. Een technologie-neutrale, open-platform benadering van de sector zal ook de vraag naar diensten aanzienlijk stimuleren.

3.6.1.3

Het EESC kan zich dus vinden in de technologie-neutrale aanpak die in het nieuwe regelgevingskader wordt gevolgd, die een weerspiegeling is van de convergentie tussen vaste en mobiele diensten, on line en uitgezonden inhoud, en een heel scala aan verschillende leveringsplatforms. De Commissie dient ervoor te zorgen dat interoperabele platforms overeenkomstig Kaderrichtlijn 2002/21/EG worden opgezet.

3.6.1.4

Concurrerende prijzen voor de aansluiting van huizen of gebouwen van de consument (op het aansluitnetwerk/local loop) zijn bepalend voor het ontstaan van een echt concurrerende dienstenmarkt. Tot op heden wordt op de meeste markten de komst van nieuwe diensten en lagere prijzen belemmerd doordat de dominante exploitanten het aansluitnetwerk controleren. De Commissie moet in de gaten blijven houden of het regelgevingskader geschikt is om op alle markten het aansluitnetwerk te ontbundelen, dus los te maken uit de greep van de dominante exploitanten.

3.6.1.5

Het EESC betreurt dat de Commissie zich genoodzaakt zag tegen een aantal lidstaten inbreukprocedures te starten bij het Europese Hof van Justitie vanwege niet-omzetting van het nieuwe regelgevingskader. Het dringt er bij de Commissie op aan alles in het werk te blijven stellen om ervoor te zorgen dat het regelgevingskader in alle lidstaten, dus ook de nieuwe, volledig wordt omgezet.

3.6.1.6

Het EESC is ermee ingenomen dat binnen de Europese Groep van Regelgevers onlangs overeenstemming is bereikt over een gemeenschappelijk standpunt met betrekking tot de oplossingen voor mededingingsproblemen op de sinds kort geopende markt voor elektronische communicatie. (4) Het realiseert zich dat het doel van het regelgevingskader terugdringing van de regelgeving en bevordering van de concurrentie is. De Commissie zou daarom voor een zodanige toepassing ervan moeten zorgen dat opkomende markten en diensten worden gestimuleerd en de ontwikkeling daarvan niet wordt afgeremd. Voorts zou zij kritisch moeten kijken of de geboden oplossingen voor inbreuken doeltreffend genoeg zijn en of deze in de lidstaten consequent worden toegepast.

3.6.2.   Uitrol van breedband

3.6.2.1

Een wijdvertakte, veilige breedbandinfrastructuur is fundamenteel voor de ontwikkeling en levering van diensten en toepassingen als e-gezondheidszorg, e-handel, e-overheid en e-leren, en zal ertoe leiden dat breedband de komende jaren van levensbelang wordt voor de groei en de levenskwaliteit in Europa. Breedbandtoegang is een collectief goed, een nutsvoorziening waarvan de beschikbaarheid een recht van alle Europese burgers zou moeten zijn. Het EESC beveelt de Commissie aan breedband op te nemen in de lijst van universele diensten.

3.6.2.2

Volgens het eEurope 2005-actieplan moet tegen 2005 breedband in de EU ruim beschikbaar en het gebruik daarvan wijdverbreid zijn, maar Europa heeft met de verwezenlijking van dit ambitieuze streven inmiddels vertraging opgelopen. De doelstelling van Barcelona (5) zal niet worden gehaald, tenzij de uitrol van breedband, vooral buiten de verstedelijkte gebieden, de komende jaren veel sneller zal gaan.

3.6.2.3

Tot tevredenheid van het EESC hebben de vijftien oude lidstaten nationale strategieën voor de uitrol van breedband voorgelegd en zullen de nieuwe lidstaten dat vóór eind 2004 doen. De eerste beoordeling van die strategieën door de Commissie (6) was positief. Het EESC kijkt uit naar een gedetailleerder verslag terzake dat in juni moet verschijnen.

3.6.2.4

Het EESC is echter niet te spreken over de ruime definitie van de term „breedband” die in verschillende studies en rapporten wordt gebruikt (zo wordt in het in voetnoot 7 genoemde verslag COCOM04-20 def. zelfs een toegangscapaciteit van 144kbs aangemerkt als „breedband” en zijn in hetzelfde verslag 3G-aansluitingen meegeteld als toegangslijnen voor breedband, maar alleen in de cijfers m.b.t. Italië). Het ontbreken van een nauwkeurige definitie voor „breedband” komt in al het overleg op dit gebied de duidelijkheid helemaal niet ten goede en maakt het weinig zinvol om die term überhaupt te gebruiken. De Commissie zou dan ook een wetsvoorstel voor een precieze en veelomvattende definitie van de term „breedband” voor gebruik in de EU moeten uitwerken.

3.6.2.5

Daarnaast keurt het EESC het af dat de statistische gegevens over breedbanddekking niets zeggen over de kwaliteit van de beschikbare toegang. Het roept de Commissie op in de door haar nog op te stellen precieze definitie van „breedband” ook een minimumnorm voor de kwaliteit van de verbinding op te nemen. Alleen dan heeft het opstellen van breedbandstatistieken zin.

3.6.2.6

Het EESC realiseert zich terdege dat de digitale kloof die in Europa aan het ontstaan is, met alle mogelijke middelen moet worden gedicht. Zo'n kloof is zeer nadelig voor de minder bedeelden en werkt „e-uitsluiting” in de hand. De Raad van Ministers mag dan wel een beleidsverandering hebben goedgekeurd als gevolg waarvan de nadruk minder komt te liggen op connectiviteit en meer op ontwikkeling en daadwerkelijk gebruik van innovatieve diensten, de vaart waarmee breedband zich uitrolt en het gerealiseerde dekkingspercentage blijven het EESC zorgen baren. Het is met name ongerust over de grote verschillen in breedbanddekking tussen sommige landen en regio's, zoals blijkt uit de meest recente statistieken over breedbandpenetratie van het Comité voor communicatie van de Commissie (COCOM). (7) In de vijftien oude EU-lidstaten kan momenteel 20 % van de bevolking geen gebruik maken van breedband omdat er onvoldoende netwerkdekking is. De nadruk die de Commissie in haar Mededeling legt op de noodzaak van de uitrol van breedband in gebieden met weinig dekking, is dan ook zeer op zijn plaats. Verder vraagt het EESC de Commissie om in haar gedetailleerde bespreking van de nationale breedbandstrategieën te onderstrepen dat breedbandnetwerken zodanig dienen te worden uitgebreid dat het EU-grondgebied tijdig volledig zal zijn gedekt. Tevens zou de Commissie in toekomstige verslagen melding moeten maken van hiaten in netwerken.

3.6.2.7

Het EESC is ingenomen met de „snelstartinitiatieven” en de mogelijkheid middelen uit de Structuurfondsen te gebruiken voor de realisatie van breedbandtoegang in landelijke en commercieel minder aantrekkelijke gebieden in de EU. De Commissie moet echter de tenuitvoerlegging van de nationale breedbandstrategieën nauwlettend in de gaten blijven houden en zich blijven concentreren op kwesties als tempo, dekking en kwaliteit.

3.6.2.8

Het EESC betreurt dat de Commissie in haar Mededeling slechts spreekt over de geografische digitale kloof (gebieden met weinig dekking) en niet over de financiële digitale kloof (het gebrek aan geld om de toegang tot het netwerk te kunnen betalen). Het argument van de Commissie dat snelle diensten de kwaliteit van het bestaan verbeteren door het overbruggen van de afstand en het verbeteren van de gezondheidszorg, het onderwijs en de toegang tot openbare diensten gaat inderdaad op voor de bewoners van afgelegen gebieden, maar evengoed voor de minst bedeelden in de samenleving.

3.6.2.9

De oproep van de Commissie aan overheden om de beginselen van de regelgeving en het mededingingsrecht te respecteren als zij maatregelen nemen om de digitale kloof te dichten, bevat volgens het EESC een tegenstrijdigheid: de oorzaak van de digitale kloof is immers juist dàt de markt zich niet voor een bepaalde doelgroep interesseert. Er is dus sprake van een publieke opdracht die moet worden toevertrouwd door middel van een officieel besluit waarin de precieze aard van de openbaredienstverplichtingen is aangegeven.

3.6.3   Uitrol en ontwikkeling van 3G

3.6.3.1

Het EESC vindt het een positieve ontwikkeling dat vorig jaar oktober het Platform voor mobiele communicatie en technologie is opgericht met als doel toonaangevende mobiele-exploitanten, fabrikanten van apparatuur en onderdelen, en aanbieders van inhoud met elkaar in contact te brengen. Het is ingenomen met hun eerste verslag (8), waarin twintig maatregelen worden aanbevolen om de uitrol van mobiele netwerken en diensten in heel Europa te bevorderen en op gang te houden (die maatregelen hebben o.a. betrekking op onderzoek, standaards, inhoud, beveiliging, spectrum, internationale samenwerking en regelgeving).

3.6.3.2

Het EESC is zeer tevreden dat, als het gaat over 3G, in zojuist genoemd verslag en in verklaringen van de Commissie de nadruk ligt op de schepping van op de consument gerichte en veiligheid biedende randvoorwaarden voor een „altijd en overal” toegang („anytime, any place”-access) tot gegevens en amusementsdiensten, die dankzij een heel scala aan voor breedband geschikte apparaten razendsnel kunnen worden doorgegeven.

3.6.3.3

Het EESC kan zich volledig vinden in de opvatting van alle betrokkenen dat open en onderling verbonden netwerken en interoperabele toepassingen en diensten dé streefdoelen zijn. Het stelt het zeer op prijs dat het Platform voor mobiele communicatie en technologie van plan is in het kader van het 7e kaderprogramma voor O&TO een agenda op te stellen voor strategisch onderzoek naar een „draadloze wereld”.

3.6.3.4

De Commissie zou moeten doen wat in haar vermogen ligt om de uitrol van de nieuwe 3G-netwerken te vergemakkelijken en kosteneffectiever te maken. De lidstaten zouden vooral moeten helpen om de plannings- en milieuproblemen die de uitrol van dit belangrijke nieuwe communicatieplatform in de weg staan, snel op te lossen.

3.6.3.5

Het EESC is geschrokken van de hoge bedragen die netwerkexploitanten in sommige lidstaten hebben moeten neertellen voor 3G-licenties en vreest dat dit van negatieve invloed kan zijn op toekomstige strategieën. Het zou graag willen dat de Commissie haar kijk op deze gang van zaken uitvoerig toelicht en maatregelen voorstelt om elk mogelijk nadelig effect daarvan op het EU-beleid voor ontwikkeling en gebruik van ICT-toepassingen binnen de perken te houden.

3.6.3.6

De Commissie zou, t.b.v. de consument en met het oog op een efficiënt gebruik van middelen in de EU, in situaties waar dat functioneel is, wetgeving moeten overwegen inzake gedeeld gebruik van faciliteiten door 3G-exploitanten. Dergelijke wetgeving zou breedband toegankelijker maken en leiden tot minder negatieve milieu-effecten en lagere kosten voor de levering van diensten. De Commissie merkt op dat sommige grote exploitanten om redenen van concurrentiële aard tegen gedeeld gebruik van faciliteiten zijn, maar het EESC is van mening dat het algemeen belang van de EU in dit verband zwaarder moet wegen dan de individuele commerciële belangen van een handjevol exploitanten.

3.6.3.7

Het Platform voor mobiele communicatie en technologie vindt voor een coherente aanpak van 3G-vraagstukken een nieuw, alomvattend beleidskader noodzakelijk. In juni komt dit Platform opnieuw bijeen en het EESC is reeds benieuwd naar de Mededeling die de Commissie heeft beloofd op te stellen n.a.v. de uitkomsten van die bijeenkomst.

3.6.4   Nieuwe diensten en stimulering van de vraag

3.6.4.1

De Commissie wijst erop dat zelfs in gebieden waar de beschikbaarheid van breedband 90 % bedraagt, de benuttingsgraad laag is (gemiddeld 12 %) en steeds langzamer groeit. Dat is te wijten aan hoge prijzen, slechte kwaliteit en weinig relevante inhoud. Consumenten hebben kortom niet veel belang bij een breedbandaansluiting.

3.6.4.2

De ontwikkeling van inhoud en diensten ter bevordering van het gebruik van breedband wordt beschouwd als cruciaal voor het gebruik van ICT in de EU en is dus essentieel voor concurrentievermogen, productiviteitsgroei en werkgelegenheid. Het EESC is dan ook ingenomen met het begin dit jaar door de Commissie voorgestelde eContentplus-programma (2005-2008) (9), waarmee de voorwaarden moeten worden geschapen voor een bredere toegang en een ruimer gebruik van digitale inhoud.

3.6.4.3

Het EESC realiseert zich dat stimulering van de vraag naar de door bestaande breedband- en 3G-netwerken geboden diensten, de behoefte aan nieuwe, innovatieve diensten, concurrentie en de uitrol van netwerken allemaal onderling verband met elkaar houden. Als er sprake is van ontwikkeling op een van deze terreinen, komt dat ook de andere terreinen ten goede. In het voorafgaande kwam een aantal aanbodkwesties aan de orde. Het EESC benadrukt nu dat het ook positief staat tegenover alle mogelijke initiatieven van de Commissie voor de ontwikkeling van nieuwe, innovatieve diensten die de vraag van de consument aanwakkeren en op die manier als katalysator fungeren voor het vermogen van de nieuwe technologieën en netwerken.

3.6.4.4

Volgens het EESC zal interoperabiliteit van netwerken, platforms en apparaten de groei aanzienlijk bevorderen en in belangrijke mate bijdragen tot de acceptatie van nieuwe diensten. De Commissie zou zich derhalve in de context van het regelgevingskader en in haar contacten met alle betrokkenen uit de sector elektronische communicatie moeten inspannen voor meer interoperabiliteit.

3.6.4.5

Het EESC kan zich vinden in de oproep van de Commissie aan de lidstaten om met de uitrol van e-overheidsdiensten (m.i.v. e-gezondheidszorg, e-leren e.d.) de vaart erin te houden en in te zien dat de publieke sector in de eerste ontwikkelingsfasen van deze nieuwe diensten een belangrijke stuwende kracht achter de vraag is.

3.6.4.6

Het EESC is met name zeer te spreken over de toezegging van de Commissie om samen met de sector naar oplossingen te zoeken voor de reeds bekende problemen die de ontwikkeling van nieuwe diensten in de weg staan (bijv. op het vlak van systemen voor digitale-rechtenbeheer, interoperabiliteit, microbetalingen en mobiele betalingen). In dit verband is het ingenomen met de afgelopen voorjaar verschenen Mededeling (10) en het raadplegingsproces over intellectuele-eigendomsrechten, en wijst het de Commissie op zijn in 2003 uitgebracht advies over dat onderwerp.

3.6.4.7

Het EESC benadrukt dat de manier waarop wordt omgegaan met beveiligingskwesties van invloed is op het gebruik door de consument van nieuwe diensten. Het vertrouwen van de consument in nieuwe technologieën en diensten zal afhangen van de garanties die kunnen worden gegeven omtrent de bescherming van zijn of haar belangen.

3.6.4.8

De Commissie wordt verzocht door te gaan met de organisatie van workshops voor exploitanten, internet service-providers, aanbieders van inhoud, omroepen en de amusementsindustrie over de vraag hoe zij via nieuwe vormen van partnerschap hun activiteiten kunnen aanpassen om nieuwe business-modellen en diensten voor een convergerende, mobiele EU te ontwikkelen.

3.6.4.9

Het EESC is ook zeer tevreden over de steun die via het 6e kaderprogramma voor onderzoek en technische ontwikkeling aan O&TO wordt gegeven. De EU dient in de sector elektronische communicatietechnologieën, evenals op alle andere terreinen waar technische ontwikkeling plaatsvindt, te investeren in O&TO en innovatie, overeenkomstig de door haarzelf in de Lissabonstrategie geformuleerde doelstellingen. Aangezien de investeringen in die sector de afgelopen tijd zijn geconsolideerd of teruggelopen, dringt het EESC er nu bij alle partijen - EU, lidstaten en bedrijfsleven - op aan zich opnieuw bereid te tonen om in de toekomst van deze sector te investeren door hun O&TO-activiteiten uit te breiden en te versnellen.

3.7   Conclusie

Het EESC is tot slot ingenomen met de tussentijdse evaluatie van het eEurope 2005-actieplan (COM(2004) 108 def.) en de bevestiging dat de uitbreiding van de EU met tien nieuwe lidstaten de doelstellingen uit dat actieplan ongewijzigd laat. Het kijkt ernaar uit het aangepaste eEurope 2005-actieplan te evalueren en wacht op de opmerkingen daarover tijdens de bijeenkomst van de Raad in juni.

Brussel, 27 oktober 2004

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

A.-M. SIGMUND


(1)  Van Ark, B. and Mahony, O. (2003), EU Productivity and Competitiveness: An Industry Perspective, http://europa.eu.int/comm/enterprise/enterprise_policy/competitiveness/doc/eu_competitiveness_a_sectoral_perspective.pdf

(2)  COM(2004) 447 def., „Mobiele breedbanddiensten”.

(3)  Zie o.a. PB C 169 van 16-6-1999, blz. 30; PB C 368 van 20-12-1999, blz. 51; PB C 14 van 16-1-2001, blz. 35; PB C 123 van 25-4-2001, blz. 61; PB C 123 van 25-4-2001, blz. 36; PB C 139 van 11-5-2001, blz. 15; PB C 311 van 7-2-2001, blz. 19; PB C 48 van 21-2-2002, blz. 33;PB C 48 van 21-2-2002, blz. 27; PB C 221 van 17-9-2002, blz. 22; PB C 241 van 7-10-2002, blz. 119; PB C 61 van 14-3-2003, blz. 32; PB C 61 van 14-3-2003, blz. 184; PB C 220 van 16-9-2003, blz. 33, PB C 220 van 16-9-2003, blz. 36; PB C 80 van 30-3-2004, blz. 66.

(4)  http://erg.eu.int/doc/whatsnew/erg_0330rev1_remedies_common_position.pdf

(5)  COM(2002) 263 def., „eEurope 2005: een informatiemaatschappij voor iedereen”.

(6)  IP/04/626, „Snelle verbindingen voor Europa: Commissie inventariseert nationale breedbandstrategieën”.

(7)  COCOM04-20 def., werkdocument van het Comité voor communicatie, „Broadband Access in the EU: Situation at 1 January 2004” (Breedbandtoegang in de EU: stand van zaken op 1 januari 2004).

(8)  IP/04/23, „3rd Wave Mobile for Europe” (3G mobiele telefonie voor Europa).

(9)  COM(2004) 96 def., „Voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een meerjarenprogramma van de Gemeenschap ter verbetering van de toegankelijkheid, het nut en de exploiteerbaarheid van digitale inhoud in Europa”; EESC-advies in PB C 117 van 30 april 2004, blz. 49.

(10)  COM(2004) 261 def., „Het beheer van auteursrechten en naburige rechten in de interne markt”.


20.5.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 120/28


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het gewijzigd voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en van de Raad betreffende het verhogen van de veiligheid van havens

(COM(2004) 393 def. - 2004/0031 (COD))

(2005/C 120/06)

Op 11 juni 2004 heeft de Raad van de Europese Unie besloten, overeenkomstig artikel 80, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, het Europees Economisch en Sociaal Comité te raadplegen over bovenvernoemd voorstel.

De gespecialiseerde afdeling Vervoer, energie, infrastuctuur, informatiemaatschappij, die met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden van het Comité was belast, heeft haar advies op 5 oktober 2004 goedgekeurd. Rapporteur was de heer Bredima Savopoulou.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft dit advies tijdens zijn 412e zitting van 27 en 28 oktober 2004 (vergadering van 27 oktober 2004) met 169 stemmen vóór, bij 6 onthoudingen, goedgekeurd.

1.   Inleiding

1.1

Sinds de terreuraanslagen van 11 september 2001 en 11 maart 2004 heeft de wereld begrepen dat de strijd tegen het terrorisme van lange adem zal zijn. Het EESC werd in een vroeg stadium door commissaris De Palacio verzocht een verkennend advies te geven over veiligheid van vervoer. Het EESC gaf een reeks maatstaven (1) voor een toekomstig EU-beleid inzake veiligheid van vervoer en stelt tevreden vast dat die door de Commissie zijn overgenomen.

1.2

Naar aanleiding van een EU-Mededeling over verbetering van de beveiliging van het zeevervoer en een verordening betreffende de verbetering van de beveiliging van schepen en havenfaciliteiten, bracht het EESC een advies (2) betreffende de beveiliging van haventerminals uit.

1.3

Op 30 juni 2004 keurde het EESC nog een advies (3) goed betreffende de voorgestelde richtlijn over verbetering van de veiligheid van havens. De voorgestelde richtlijn vormt een aanvulling op de veiligheidsmaatregelen die in de verordening betreffende de verbetering van de beveiliging van schepen en havenfaciliteiten zijn opgenomen, en garandeert een adequate beveiligingsregeling voor het hele havengebied.

2.   Het voorstel van de Commissie

2.1

Na discussies in de Raad over de ontwerprichtlijn betreffende het verhogen van de veiligheid van havens stelt de Commissie een wijziging (4) voor in artikel 7, waarbij het havenveiligheidsplan inhoudt dat de bevoegde nationale autoriteiten op basis van risicobeoordelingen adequate veiligheidscontroles mogen uitvoeren op auto's en vrachtwagens die klaarstaan voor inscheping op schepen die ook passagiers vervoeren.

2.2

Het voorstel is van toepassing op roll-on-roll-off-schepen op binnenlandse en internationale routes. In het laatste geval werken de betrokken lidstaten samen aan de risicobeoordeling.

3.   Algemene opmerkingen

3.1

Het EESC staat volledig achter een evenwichtige benadering van een beveiliging die het vrije verkeer niet hindert. Het begrijpt dan ook de bezorgdheid die de Commissie uitdrukt in de nieuwe achtste overweging van de voorgestelde richtlijn.

3.2

In overeenstemming met zijn vorige adviezen is het EESC het volledig eens met de voorgestelde wijziging van de ontwerprichtlijn betreffende het verhogen van de veiligheid van havens. Hoewel er nooit absolute veiligheid kan worden bereikt, herhaalt het EESC dat de volledige logistieke vervoersketen moet worden gedekt door veiligheidsmaatregelen die elke zwakke schakel uitsluiten. Passagiersvervoer verdient prioriteit omdat mensenlevens de zwaarste tol van een terreurdaad vormen.

3.2.1

Roro-schepen zijn bijzonder kwetsbaar voor terreurdaden, vooral als zij passagiers vervoeren. Auto's op roro-schepen kunnen moderne „Trojaanse paarden” worden op het gebied van veiligheid.

3.2.2

Er moeten adequate maatregelen worden genomen om uit te sluiten dat auto's en vrachtwagens op roro-schepen een risico vormen. Die maatregelen moeten in of aan de rand van het havengebied worden genomen alvorens het schip wordt geladen en met zo weinig mogelijk hinder of onderbreking van de normale werkzaamheden.

3.2.3

Veiligheidsinspecties van auto's/vrachtwagens die op roro-passagiersveren worden geladen, zijn problematisch gezien de aard van de vracht. Jarenlange ervaring heeft uitgewezen dat de meest adequate inspectie van de inhoud van deze voertuigen plaats dient te vinden vóór het inschepen in het havengebied om gesofistikeerde veiligheidsapparatuur en behoorlijk opgeleid personeel te kunnen inzetten.

3.3

Het EESC wil de aandacht vestigen op de aansprakelijkheidsaspecten van zulke inspecties. Uiteraard ligt de aansprakelijkheid t.a.v. veiligheidscontroles van auto's en vrachtwagens bij de bevoegde nationale autoriteiten, en niet bij het schip waarop deze voertuigen moeten worden geladen.

3.4

De identificatie-eisen t.a.v. zeevarenden en havenpersoneel dat bij de veiligheidscontroles betrokken is, moeten met het nodige pragmatisme worden toegepast om de commerciële activiteiten zo min mogelijk te hinderen.

3.5

Het EESC merkt op dat als gevolg van de voorgestelde wijziging, de Commissie, in samenwerking met de nationale autoriteiten, zes maanden na de inwerkingtreding van de richtlijn zal beginnen met controle op de manier waarop wordt toegezien op de tenuitvoerlegging van de overeenkomstig de richtlijn goedgekeurde nationale plannen. Het beklemtoont dat de EU-havens en havens in niet-EU-landen zo snel mogelijk moeten worden aangepast om de nieuwe veiligheidsmaatregelen (ISPS-code) voor haventerminals die vanaf 1 juli 2004 wereldwijd geldig zijn, te kunnen toepassen.

3.6

Ten slotte dringt het EESC er bij deze gelegenheid op aan dat de economische dimensie van havenveiligheid onverwijld op EU-niveau wordt aangepakt en geharmoniseerd om scheeftrekking van de concurrentie tussen havens en vervoerswijzen, vooral ten koste van roro-vervoer, te vermijden. De Commissie wordt verzocht een algemene studie over de financiële gevolgen van de beveiliging van havens uit te voeren en een communautaire regeling uit te werken om - waar nodig - de uitvoering van de maatregelen te financieren.

Brussel, 27 oktober 2004.

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

A.-M. SIGMUND


(1)  PB C 61 van 14.3.2003, blz. 174

(2)  COM(2003) 229 def. – PB C 32 van 5.2.2004, blz. 21.

(3)  COM(2004) 76 def. – PB C 241 van 28.9.2004.

(4)  COM(2004) 393 def.


20.5.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 120/30


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende beperkingen op het op de markt brengen en het gebruik van bepaalde polycyclische aromatische koolwaterstoffen in procesoliën voor rubberverwerking en in banden (zevenentwintigste wijziging van Richtlijn 76/769/EEG van de Raad)

(COM(2004) 98 def. - 2004/0036 (COD))

(2005/C 120/07)

De Raad heeft op 22 maart 2004 besloten om overeenkomstig artikel 95 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap het Europees Economisch en Sociaal Comité te raadplegen over bovenvernoemd voorstel.

De gespecialiseerde afdeling „Landbouw, plattelandsontwikkeling, milieu”, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 21 september 2004 goedgekeurd. Rapporteur was de heer Sears.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 27 en 28 oktober 2004 gehouden 412e zitting (vergadering van 27 oktober 2004) het volgende advies uitgebracht, dat met 154 stemmen vóór en 3 tegen, bij 7 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Inleiding

1.1

Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's) zijn natuurlijke stoffen die worden gevormd bij de ongecontroleerde verbranding op lage temperaturen van koolstofverbindingen. PAK's komen vrij bij bosbranden en vulkaanuitbarstingen, als mensen roken, als fossiele brandstoffen worden gebruikt voor de verwarming van gebouwen, om energie op te wekken of voor de aandrijving van machines, bij afvalverbranding en het bereiden van voedsel, en bij een groot aantal industriële processen. Van nature komen PAK's voor in ruwe olie en steenkool en, omdat ze gemakkelijk worden gevormd en stabiele stoffen zijn, accumuleren ze zich tijdens de vroege stadia van kraken en distilleren.

1.2

Bij de vorming van PAK's is sprake van partiële oxidatie die leidt tot een mengsel van verbindingen met gekoppelde onverzadigde vijf- en zeshoekige koolstofringen. Dat proces kan zich in vrijwel iedere richting herhalen. Tot nu toe zijn ongeveer 600 PAK-structuren geïdentificeerd, waarvan er slechts enkele geschikt zijn geacht of geïsoleerd om als intermediair te worden gebruikt. Geen enkele structuur is tot nu toe doelbewust in grote hoeveelheden geproduceerd. Verdere oxidatie leidt tot de vorming van roet (d.w.z. onzuivere koolstofdeeltjes), waarmee PAK's vaak worden geassocieerd.

1.3

PAK's komen altijd in niet-gedifferentieerde groepen voor, wat het niet eenvoudig maakt de specifieke eigenschappen ervan vast te stellen (maar dat is om diezelfde reden ook helemaal niet relevant). Omdat van een aantal PAK's echter kan worden aangetoond dat ze bij dieren kanker veroorzaken, is het verstandig de mengsels te bestempelen als mogelijk kankerverwekkend voor de mens. Oliën en een aantal andere preparaten waarvan bekend is dat ze PAK's bevatten, dienen daarom vergezeld te gaan van etikettering met veiligheidsvoorschriften en een omschrijving van de risico's ervan. Voorts dient met die producten op de juiste manier te worden omgegaan, zodat ze op de werkplek geen gevaar opleveren. Processen waarbij PAK's in het milieu terecht kunnen komen, moeten indien mogelijk worden beheerst of vermeden.

1.4

Een voorbeeld van zo'n proces is de verwerking van procesoliën (weekmakers) in banden voor personenauto's, vrachtwagens, motorfietsen, raceauto's en vliegtuigen. Dergelijke oliën kunnen wel 28 % van het loopvlak van banden uitmaken. Ze zorgen voor de essentiële eigenschap grip, die het karkas van een band niet hoeft te hebben. Als het loopvlak zich niet zo gedraagt als beoogd of tijdens het rijden ongelijkmatig reageert, dan heeft dat negatieve gevolgen voor veiligheid en prestatievermogen, met alle gevolgen van dien voor de bestuurder van het betreffende voertuig.

1.5

Technisch gezien moeten dergelijke procesoliën de in banden verwerkte natuurlijke en synthetische rubbers en andere materialen kunnen oplossen, duurzaam en stabiel zijn, zich goed verdelen en aan de rubbermatrix gehecht blijven. Hun werking moet dezelfde blijven bij uiteenlopende temperaturen en vochtigheidsniveaus. Ook mogen ze tijdens productie en gebruik geen gevaar opleveren. Voorts moeten ze volgens mondiaal overeengekomen specificaties worden vervaardigd en door een aantal concurrerende producenten in grote hoeveelheden beschikbaar worden gesteld tegen een prijs die lager is dan die van rubber om de totale kostprijs van banden te drukken.

1.6

Oliën met een hoog aromaatgehalte die aan zojuist genoemde vereisten voldoen, worden van oudsher aangeleverd door leidende olieproducenten onder de noemer „aromatische extracten van petroleumdestillaten” (distillate aromatic extracts, DAE's). Het benodigde oplossend vermogen hangt af van de totale aromaticiteit van de oliën, die weer wordt bepaald door de aanwezigheid van aanzienlijke concentraties PAK's. Als het loopvlak van een band slijt, moet worden aangenomen dat die PAK's daarbij vrijkomen. De vraag of dan relatief grote hoeveelheden schadelijke stoffen in het milieu terechtkomen, is omstreden. In Europa wordt momenteel echter overgestapt op het gebruik van andere oliën en die omschakeling dient tot een goed einde te worden gebracht.

1.7

Dat is des te belangrijker nu het aanbod van DAE's wereldwijd snel afneemt. Olieraffinaderijen zijn zich aan het moderniseren en concentreren zich op de productie van hoogwaardigere, volledig gehydrogeneerde producten (d.w.z. met een laag aromaatgehalte en een kleiner oplossend vermogen) en „schone” dieselolie en benzine.

1.8

Per jaar worden in Europa ongeveer 300 miljoen banden geproduceerd en de omvang van de wereldmarkt voor procesoliën voor de bandenindustrie ligt dichtbij de 1 miljoen ton. Daarom is het voor olieleveranciers, bandenfabrikanten en regelgevende instanties een grote uitdaging om die omschakeling op andere oliën op een kosteneffectieve wijze te maken en tegelijkertijd veiligheid en goede prestaties voor een lage of redelijke prijs te blijven garanderen.

1.9

Tot nu toe zijn twee soorten niet-kankerverwekkende oliën ontwikkeld, die elk uiteenlopende investeringen van de olieleveranciers vergen evenals verschillende aanpassingen van de bandenproducenten. Het gaat om mild extractiesolvaat (mild extraction solvate, MES) en bewerkt aromatisch petroleumdestillaatextract (treated distillate aromatic extract, TDAE). Niet-Europese leveranciers zullen wellicht andere oliën ontwikkelen.

1.10

Voor zover kan worden vastgesteld (want op de zeer concurrerende bandenmarkt worden geen gedetailleerde bedrijfsgegevens openbaar gemaakt), is in een aantal gevallen al overgestapt op het gebruik van andere soorten oliën, bijv. voor de productie van winter- en vrachtwagenbanden, waarvoor het minder belangrijk is dat het loopvlak op een nat wegdek grip behoudt. In het algemeen wordt er echter van uitgegaan dat zo'n omschakeling in het geval van zomerbanden (waarvan het loopvlak een hogere prestatie moet leveren), en al helemaal van banden voor raceauto's en vliegtuigen, veel meer tijd in beslag zal nemen. Bovendien is er, naast het reeds genoemde afnemende aanbod van DAE's, onvoldoende capaciteit voor de vervaardiging van MES en TDAE.

1.11

Om toch tijdig en in lijn met andere EU-wetgeving (inzake mededinging en gezondheid en veiligheid) de gewenste veranderingen door te kunnen voeren, hebben vertegenwoordigers van de sector (van CONCAWE, IISRP en het BLIC) met de Commissie en andere regelgevende instanties samengewerkt om overeenstemming te bereiken over de bij de productie te volgen aanpak en een regelgevingskader. Er is nog geen akkoord over de tests waarmee moet worden bepaald welke oliën in Europa mogen worden gebruikt en om vast te stellen of zich in alle op de markt gebrachte banden van binnen en buiten de EU (de eindproducten dus) geen oliën met een te hoog PAK-gehalte bevinden.

2.   Samenvatting van het Commissievoorstel

2.1

De Commissie kwam in juli 2003 met een algemeen voorstel om de hoeveelheden zware metalen en PAK's in de lucht terug te dringen. Het EESC heeft over dat eerste voorstel in februari 2004 advies uitgebracht. De Commissie beoogt met onderhavig voorstel, dat ze eveneens in februari 2004 publiceerde, een interne markt te creëren en te zorgen voor een hoog beschermingsniveau voor de volksgezondheid en het milieu door aan bijlage 1 van Richtlijn 76/769/EEG bepaalde PAK's toe te voegen. De door de Commissie genoemde PAK's worden niet in grote hoeveelheden geproduceerd (het zijn geen zgn. high production volume (HPV) substances) en stonden op geen van de vier prioritaire lijsten voor de beoordeling van bestaande stoffen. Ze worden als groep echter beschouwd als persistente organische verontreinigende stoffen (POP's) in de zin van het betreffende VN-ECE-Protocol en dito Verdrag.

2.2

Een van die PAK's, benzo[a]pyreen (BaP, CAS-nr. 50-32-8), wordt op grond van Richtlijn 67/548/EEG ingedeeld bij de kankerverwekkende, mutagene en voor de voortplanting van categorie 2 vergiftige stoffen en in onderhavig voorstel genoemd als kwalitatieve en kwantitatieve marker voor de aanwezigheid van andere PAK's.

2.3

Procesoliën voor rubberverwerking mogen niet op de markt worden gebracht en voor de productie van banden worden gebruikt als zij meer dan 1mg/kg BaP of meer dan 10mg/kg van alle in de bijlage genoemde PAK's tezamen bevatten.

2.4

De Commissie erkent dat een aantal technische problemen nog moet worden opgelost en stelt daarom als datum voor de algemene toepassing van de door haar voorgestelde richtlijn 1 januari 2009 voor. Dat zou 1 januari 2012 moeten worden voor raceautobanden. De datum waarop de voorgestelde richtlijn voor vliegtuigbanden zou moeten gaan gelden, moet nog worden vastgesteld. De inwerkingtreding van de voorgestelde richtlijn zou geen vertraging mogen oplopen als gevolg van het ontbreken van geharmoniseerde testmethoden (bijv. van het CEN of de ISO) om het PAK-gehalte in procesoliën en banden vast te stellen.

2.5

De Commissie merkt op dat zij het Wetenschappelijk Comité voor toxiciteit, ecotoxiciteit en milieu (CSTEE) heeft geraadpleegd over de wetenschappelijke bevindingen t.a.v. de schadelijke gezondheidseffecten van PAK's.

2.6

De lidstaten zullen één jaar de tijd krijgen om wetgeving op te stellen teneinde aan de voorgestelde richtlijn te voldoen. Die periode van één jaar zal ingaan op de datum van inwerkingtreding van de voorgestelde richtlijn. Voorafgaand aan die inwerkingtreding dient, overeenkomstig artikel 95 van het Verdrag, het EESC te worden geraadpleegd en de medebeslissingsprocedure met het Europees Parlement in acht te worden genomen.

3.   Algemene opmerkingen

3.1

Onderhavig richtlijnvoorstel, dat een aanvulling vormt op andere regelgeving t.a.v. PAK's, is gebaseerd op twee rapporten over de vermoedelijke schadelijke gezondheids- en milieueffecten van bandenafval die werden opgesteld door resp. het Duitse Umweltbundesamt (UBV; rapport van 18-3-2003) en de Zweedse nationale inspectiedienst voor chemische stoffen (KEMI; rapport van 27-3-2003). Beide rapporten werden beoordeeld door het CSTEE, waarover het in een tijdens zijn 40e plenaire vergadering van 12 en 13 november 2003 goedgekeurd advies verslag heeft uitgebracht.

3.2

Het CSTEE is het er om hierboven aangegeven redenen mee eens dat PAK's als groep als waarschijnlijk kankerverwekkend voor de mens moeten worden beschouwd en acht het aannemelijk dat PAK's tijdens het slijtageproces van banden in het milieu terechtkomen. Het kan zich echter slechts gedeeltelijk vinden in het gebruik van BaP als kwalitatieve en kwantitatieve marker voor de aanwezigheid van andere PAK's en plaatst grote vraagtekens bij de totale impact van deze vorm van emissie.

3.3

Kort gezegd komt het erop neer dat de PAK's die vrijkomen bij de slijtage van banden, minder dan 2 % uitmaken van de totale hoeveelheid PAK's waaraan de mens wordt blootgesteld, terwijl de resterende 98 % valt toe te schrijven aan de in paragraaf 1.1 genoemde processen. Dit sluit aan op herhaaldelijk gedane constateringen van de WHO dat roken en de verbranding van hout en steenkool - voor voedselbereiding en de verwarming van gebouwen - de hoofdoorzaken zijn van luchtvervuiling en daarmee samenhangende gezondheidsaandoeningen (m.i.v. kanker). Het CSTEE concludeert dan ook dat een beperking van de hoeveelheid PAK's in banden nauwelijks invloed zal hebben op de PAK-concentraties in lucht en bodem.

3.4

Derhalve gaat de bekend ogende bewering van de Commissie dat „de baten van de richtlijn zijn gelegen in een hoog beschermingsniveau voor de menselijke gezondheid en het milieu”, in dit geval nauwelijks op. Procesoliën voor rubberverwerking zijn al van de nodige etikettering voorzien. Bovendien kan dankzij de bestaande wetgeving inzake gevaarlijke stoffen op de werkplek veilig met die procesoliën worden omgegaan. Onderhavig richtlijnvoorstel zal dus niet leiden tot betere arbeidsomstandigheden en de milieuvoordelen ervan zullen minimaal zijn.

3.5

Tevens wordt met onderhavig voorstel de werkingssfeer van de oorspronkelijke Richtlijn opgerekt tot op of zelfs voorbij de beoogde grenzen ervan, net als bij de 26e wijziging van Richtlijn 76/769/EEG van de Raad, die o.a. erop was gericht om de van nature voorkomende concentraties chroom VI in cement te beperken en waarover het EESC in maart 2003 advies heeft uitgebracht. PAK's worden immers niet doelbewust geproduceerd en ook niet opzettelijk op de markt gebracht. Dat wordt in de bijlage bij het richtlijnvoorstel erkend - de aldaar genoemde beperkingen gelden terecht voor producten die PAK's bevatten - maar wordt in de titel ervan niet zo verwoord. Die zou dan ook moeten worden gewijzigd.

3.6

Voorts leiden titel en tekst van het richtlijnvoorstel tot verwarring wanneer wordt gesproken over „bepaalde PAK's” als een specifieke en significante groep stoffen. Zoals ook het CSTEE vaststelt, zijn maar van zeer weinig PAK's de eigenschappen beschreven en blijken van de PAK's waarvoor dat wel is gebeurd, er nog minder naar alle waarschijnlijkheid niet kankerverwekkend te zijn. Op grond daarvan moet worden geconcludeerd dat de hele categorie een risico vormt voor de volksgezondheid als mensen er mogelijk aan worden blootgesteld. De voorgestelde „beperkingen op het op de markt brengen en het gebruik” zouden daarom moeten gelden voor oliën met een hoog PAK-gehalte die worden gebruikt bij de productie van banden, en voor banden die deze oliën bevatten.

3.7

In het licht van het voorgaande en gezien het eerder verschenen Commissievoorstel inzake zware metalen en PAK's in de lucht, is beargumenteerd dat onderhavig richtlijnvoorstel onnodig is en weer van tafel zou moeten worden gehaald. De markt is versnipperd geraakt en er zijn ten minste twee nieuwe stoffen nodig om de tot nu toe gebruikte stof overal te vervangen. Er is onvoldoende productiecapaciteit om aan de vraag te voldoen. Bovendien blijft het twijfelachtig of de alternatieve productformules voor voldoende veiligheid zorgen. Als banden waarvan het loopvlak is vervaardigd m.b.v. oliën met een laag PAK-gehalte, niet goed blijken te zijn, zullen er echte doden vallen en niet alleen meer de hypothetische doden die als argument worden aangevoerd voor voorzorgsmaatregelen.

3.8

Het EESC heeft begrip voor die bezorgdheid, maar is er vast van overtuigd dat de voorgestelde richtlijn moet worden ingevoerd teneinde, in nauw overleg met de betreffende sectoren, te zorgen voor een geslaagde overstap op een wereldwijd gebruik van procesoliën met een laag PAK-gehalte bij de productie van banden. Die nieuwe oliën moeten m.b.t. alle veiligheidsaspecten beslist aan de huidige minimumprestatienormen voldoen. De creatie van een werkzame, concurrerende en betrouwbare interne Europese markt voor dergelijke nieuwe producten vormt zodoende een voldoende krachtige en juiste beweegreden voor onderhavig voorstel.

3.9

In dat verband is het cruciaal dat snel overeenstemming wordt bereikt over de tests waarmee moet worden bepaald welke oliën in Europa mogen worden gebruikt. In de bijlage bij het richtlijnvoorstel wordt gesuggereerd te testen op de aanwezigheid van afzonderlijke PAK's. Die methode is echter niet geschikt als wordt gewerkt met continu doorgaande, grootschalige raffinageprocessen, omdat de chemische samenstelling van bepaalde productiestromen dan telkens verschilt afhankelijk van de verwerkte ruwe oliën. In het kader van Richtlijn 67/548/EEG wordt in de olie-industrie reeds gebruik gemaakt van andere tests, zoals de door het Institute of Petroleum ontwikkelde test IP-346 (waarmee de totale concentratie PAK's kan worden vastgesteld door de hoeveelheid drie- tot zevenhoekige PAK-ringen te meten, die met het oplosmiddel DMSO kunnen worden geëxtraheerd). Dergelijke tests worden inmiddels beschouwd als aanvaardbare methodes om de kankerverwekkendheid van oliën te meten. Onderzoek dat CONCAWE voor de olie-industrie uitvoerde, staaft de stelling van het CSTEE dat door alleen maar de hoeveelheid BaP te meten slechts summiere aanwijzingen worden verkregen van de mogelijke kankerverwekkendheid van een product. Derhalve wordt ten zeerste aanbevolen de verschillende procesoliën voor rubberverwerking m.b.v. test IP-346 te definiëren en te testen.

3.10

Er moet een soortgelijke test komen om vast te stellen of zich in geïmporteerde banden geen oliën met een te hoog PAK-gehalte bevinden, teneinde de Europese bandenindustrie te beschermen (evenals het milieu, als er ten minste milieuvoordelen zijn). Een ontwerpnorm van de ISO (ISO TC 45/SC 3 N van 29 oktober 2003), waarop nog commentaar kan worden geleverd en die nog kan worden aangepast, omvat een testmethode waarmee het in rubberverbindingen verwerkte type olie kan worden bepaald. Voordat de nu voorgestelde richtlijn wordt toegepast, zouden de werkzaamheden in dat verband moeten zijn afgerond.

3.11

Op grond van het voorgaande zou het mogelijk moeten zijn de beperkingen waaraan het aanbod momenteel is verbonden, te laten verdwijnen. Het gaat dan vooral over het aanbod van TDAE, waarin meer moet worden geïnvesteerd dan in MES. Dat kost echter tijd en daarom lijkt het steeds onrealistischer te worden dat de huidige datum van 1 januari 2009, waarop bij de productie van banden voor algemene doeleinden op het gebruik van andere stoffen moet zijn overgestapt, wordt gehaald. Omdat bovendien de voordelen van onderhavig richtlijnvoorstel waarschijnlijk minimaal zullen zijn, maar de kosten en risico's aanzienlijk zullen zijn als nieuwe productformules geen succes blijken, stelt het EESC voor de oorspronkelijk genoemde termijn met twaalf maanden te verlengen tot 1 januari 2010. Zelfs dan zullen de verschillende concurrenten langdurig met elkaar in onderhandeling gaan. De Commissie zal een sleutelrol moeten blijven spelen om dit hele proces, voor zover de Europese wetgeving dat toelaat, te vergemakkelijken en uiteindelijk tot een goed einde te brengen.

4.   Bijzondere opmerkingen

4.1

Zoals hierdoor al is opgemerkt, moeten de titel van onderhavig richtlijnvoorstel en een aantal verdere formuleringen daaruit worden afgestemd op de overkoepelende doelstelling ervan, nl. de invoering van beperkingen op het op de markt brengen en het gebruik van oliën met een hoog PAK-gehalte die worden gebruikt bij de productie van banden en van banden die deze oliën bevatten.

4.2

Ook de bijlage bij het richtlijnvoorstel moet met die doelstelling overeenkomen en derhalve beperkingen vermelden op het op de markt brengen en het gebruik van bij de productie van banden gebruikte oliën die volgens de test IP-346 meer dan 3 % met DMSO extraheerbare stoffen bevatten en daarom op grond van Richtlijn 67/548/EEG als kankerverwekkend worden aangemerkt. Alle verwijzingen naar het gebruik van BaP als een marker en naar andere afzonderlijke PAK's dienen te worden geschrapt.

4.3

Er moet een internationale standaardtest worden ontwikkeld waarmee de in rubberverbindingen - m.n. banden - verwerkte oliën kunnen worden getypeerd. Die test moet in de voorgestelde richtlijn worden vermeld.

4.4

De rubber- en bandenindustrie moet voldoende tijd krijgen om de nodige aanpassingen door te voeren (waarmee reeds is begonnen), en de olie-industrie om de nodige investeringen te doen en de benodigde grondstoffen te leveren. Momenteel is de verwachting dat alle betrokkenen op 1 januari 2010 aan de nieuwe vereisten zullen kunnen voldoen. Die datum moet daarom als aanvankelijke uiterste datum in het richtlijnvoorstel worden vermeld. Voorts moet met de sector overleg worden gevoerd over uitzonderingsbepalingen voor raceauto- en vliegtuigbanden en andere typen banden waaraan zeer hoge eisen worden gesteld. Gezien het voorgaande is het moeilijk voor te stellen dat die veranderingen merkbare voordelen kunnen opleveren in het licht van de overduidelijke risico's voor alle betrokkenen van een product dat niet naar behoren functioneert.

Brussel, 27 oktober 2004

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

A.-M. SIGMUND


20.5.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 120/34


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het „Voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2702/1999 inzake voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten in derde landen en van Verordening (EG) nr. 2826/2000 betreffende voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten op de binnenmarkt”

(COM(2004) 233 def. – 2004/0073 (CNS))

(2005/C 120/08)

Op 21 april 2004 heeft de Raad besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig de artikelen 36 en 37 van het EG-Verdrag te raadplegen over bovenvernoemd voorstel

De gespecialiseerde afdeling „Landbouw, plattelandsontwikkeling, milieu”, die was belast met de voorbereidende werkzaamheden, heeft haar advies op 21 september 2004 goedgekeurd. Rapporteur was de heer L. E. Nielsen.

Tijdens zijn 412e zitting op 27 en 28 oktober 2004 (vergadering van 27 oktober) heeft het Europees Economisch en Sociaal Comité het volgende advies uitgebracht, dat met 171 stemmen voor en één stem tegen, bij zes onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Achtergrond

1.1

Tot 1999 werd cofinanciering door de EU van voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten binnen en buiten de EU apart in elke marktordening geregeld. Vervolgens werden deze sectorgerichte bepalingen vervangen door een meer horizontale strategie in de vorm van Verordening (EG) nr. 2702/99 (acties in derde landen) en Verordening (EG) nr. 2826/2000 (acties op de interne markt) ter ondersteuning van de afzetbevorderingsmaatregelen van lidstaten en bedrijven zelf. Vindt er geen verlenging plaats, dan zal eerstgenoemde verordening eind 2004 aflopen. Conform de in de verordeningen vastgelegde verplichting daartoe heeft de Commissie in maart 2004 een uitvoerig verslag over de toepassing van de verordeningen ingediend, waarin zij ook vereenvoudigingen en verbeteringen voorstelt.

1.2

Binnen de EU gaat het er na de problemen met BSE, dioxine en listeria om dat de consument meer vertrouwen in Europese voedingsmiddelen krijgt en er informatie over de controlesystemen tot waarborging van de kwaliteit en de traceerbaarheid van voedingsmiddelen wordt verstrekt. Er is daarom voornamelijk sprake van informatie over regels inzake kwaliteitsborging, veiligheid, etikettering, traceerbaarheid, systemen voor geografische aanduidingen, oorsprongsbenamingen, specificiteitcertificering, biologische productie en geïntegreerde productie, dit alles met als doel het imago van Europese producten bij de consument te verbeteren.

1.3

Ook in derde landen is het de bedoeling bekendheid te geven aan de maatregelen die de EU heeft getroffen om de kwaliteit en de veiligheid van de producten te garanderen, alsmede aan typische, met specifieke gebieden verbonden producten en aan eisen ter waarborging van de kwaliteit van biologische producten. Zowel binnen als buiten de EU wordt gebruik gemaakt van voorlichtingscampagnes, pr-activiteiten, afzetbevorderingsmaatregelen en reclame alsook deelname aan beurzen en tentoonstellingen, waarmee de weg gebaand kan worden voor campagnes van de lidstaten en van particuliere bedrijven om het marktaandeel van hun producten zelf te vergroten.

1.4

In principe ligt de financiële bijdrage van de EU aan afzetbevorderingsprogramma's op 50 %, terwijl de betrokken beroeps- en bedrijfskolomorganisaties 30 % en de lidstaten 20 % van de kosten voor hun rekening nemen, waarbij gebruik gemaakt mag worden van parafiscale heffingen. De uitgaven van de lidstaten worden beschouwd als interventiemaatregel en door de Commissie terugbetaald.

1.5

De betrokken Europese of nationale organisaties moeten zelf het initiatief tot de programma's nemen; de lidstaten zijn verantwoordelijk voor het beheer, de controle en de betaling. Om de Europese dimensie van de regeling uit te verf te laten komen gaat voorrang uit naar programma's die door twee of meer lidstaten/beroeps- of bedrijfskolomorganisaties worden ingediend. Deze programma's stuiten in de praktijk echter op problemen, omdat de administratieve regels en procedures vaak verschillen en sommige lidstaten weinig engagement tonen. Over het geheel genomen zijn de indienende organisaties overigens te veel tijd en middelen kwijt aan coördinatie, controle en administratie.

1.6

De Commissie wil met haar voorstellen iets doen aan de complicaties en administratieve rompslomp rond de programma's, die in haar verslag nader worden toegelicht. Daarnaast is het de bedoeling dat de programma's meer een echt Europese dimensie krijgen.

2.   Algemene opmerkingen

2.1

Door de wijziging van het gemeenschappelijke landbouwbeleid en de intensievere concurrentie op de markt is de behoefte aan de co-financieringsregeling onverminderd groot. Daarnaast is voortzetting van de regeling binnen én buiten de EU ook gerechtvaardigd omdat concurrerende landen eveneens steun verlenen aan voorlichtings- en afzetbevorderingsacties op hun exportmarkten.

2.1.1

Wel zijn er duidelijk vereenvoudigingen en verbeteringen geboden. Na raadpleging van de beroeps- en bedrijfskolomorganisaties en andere betrokken partijen is de Commissie nu gekomen met een uitvoerig herzieningsvoorstel om de administratieve procedures te vereenvoudigen en de regeling zo goed mogelijk te laten functioneren.

2.2

De Commissie wijst er terecht op dat het nu nog te vroeg is om de resultaten van de nieuwe regeling te evalueren. Deze is immers nog maar net ingevoerd: in 2001 voor derde landen en in 2002 voor de interne markt. Pas in 2003 werd de invoering afgerond. Het is dan ook zeker nuttig dat de Commissie eind 2006 nog een verslag over het functioneren van de regeling na de herziening zal opstellen. Dan kan ook de toepassing van de regeling in de nieuwe EU-lidstaten geëvalueerd worden.

2.3

Veel organisaties zijn dus pas nu vertrouwd aan het raken met de bepalingen en administratieve eisen van de regeling. Nogal wat programmavoorstellen waren echter uit Europees oogpunt van beperkt belang, zoals de Commissie ook al stelt. Daarom moet meer nadruk komen te liggen op programma's van dusdanige omvang dat zij in EU-verband een rol van betekenis spelen, alsook op het totstandbrengen van synergie tussen nationale en EU-activiteiten.

2.4

Zeker nu, na de uitbreiding, moet de EU in het algemeen streven naar het opstellen van zo eenvoudig mogelijke regels, zodat de regelgeving overzichtelijk blijft. Hoewel doelstellingen en inhoud van de interne en externe programma's wel verschillen, is de opdeling in twee verordeningen eigenlijk een voortvloeisel uit het verleden. De regeling moet zo spoedig mogelijk verder vereenvoudigd worden door de verordeningen samen te voegen; dit zal de gebruiksvriendelijkheid ten goede komen. De meeste bepalingen zijn hetzelfde en de verschillen zijn meestal ongegrond. Ook de veranderingen die de Commissie thans ten aanzien van de regels voor indiening van programmavoorstellen, besluitvorming en controle voorstelt, zijn hetzelfde.

2.5

Ook uit hoofde van de regeling inzake de ontwikkeling van plattelandsgebieden wordt steun toegekend voor informatie, afzetbevordering en reclame voor landbouwproducten en voedingsmiddelen. De formulering van deze bepalingen wijkt wel af van die van de onderhavige regeling. Ook al is er uiteindelijk meer duidelijkheid over de verschillende toepassingsgebieden van de regelingen verschaft, toch had de Commissie nu al moeten bekijken hoe deze overlapping ongedaan gemaakt kan worden. Er is dus geen reden om de discussie hierover uit te stellen, zoals de Commissie voorstelt.

2.6

De cofinanciering van de EU moet op dezelfde voet voortgezet worden en het budget dient vanwege de uitbreiding en de toekomstige behoeften opgetrokken te worden. De regeling kan zo bijdragen tot integratie en totstandbrenging van de interne markt voor de verschillende productgebieden, waarbij variëteiten en gastronomische diversiteit gerespecteerd worden. De Europese beroepsorganisaties moeten dus meer voorlichtingscampagnes opzetten met informatie over de kwaliteiten van de producten en variaties in consumentenvoorkeuren binnen de EU. Daarnaast moet een grotere prioriteit worden toegekend aan markten van derde landen - gelijktijdig met de geleidelijke afschaffing van de uitvoerrestituties - waarbij wordt uitgegaan van de reële mogelijkheden voor de uitvoering van effectieve programma's.

2.7

Dat de regeling vrij weinig wordt gebruikt voor de markten van derde landen komt beslist ook door de eis dat de programma's alleen betrekking mogen hebben op generieke campagnes. Daardoor stellen de grotere leden van beroepsorganisaties zich vaak terughoudend op en willen zij niet aan de programma's meebetalen. Steun aan merken en dus aan afzonderlijke bedrijven is uitgesloten. Willen de maatregelen een merkbaar effect op de exportmarkten sorteren, dan moet de Commissie echter een zekere flexibiliteit bij campagnes e.d. toestaan, in die zin dat een generieke campagne een afgewogen aantal merken mag tonen, zodat een verband tussen de boodschap van de campagne en de producten op de markt kan worden gelegd. Op deze manier worden generieke en particuliere campagnes gecombineerd, waardoor een synergie-effect opgewekt kan worden. De boodschap van de campagne op zich wordt daardoor niet beïnvloed, maar inkopers en klanten zullen de producten waarvoor reclame wordt gemaakt, gemakkelijker kunnen vinden. Ook gaat er steeds meer aandacht uit naar de herkomst van de producten binnen de EU. Wordt een markt echter al door merkartikelen gedomineerd, dan biedt afzetsteun van de EU slechts een beperkte meerwaarde; de bedrijven concurreren dan al vaak intensief met elkaar om het marktaandeel van hun merken te vergroten en beschikken daartoe vaak over aanzienlijke reclamebudgetten.

2.8

Er is geen reden om de cofinancieringpercentages tussen de lidstaten en de beroeps- en bedrijfskolomorganisaties te veranderen. Het probleem is dat sommige lidstaten weinig engagement tonen of niet aan de cofinancieringseis kunnen voldoen, waardoor de betrokken organisaties geen gebruik kunnen maken van de regelingen, tenzij de financiering door middel van parafiscale heffingen geschiedt. Ter vereenvoudiging van de administratie moeten de huidige degressieve cofinancieringpercentages voor meerjarenprogramma's worden afgeschaft en de cofinanciering van de EU op 50 % worden gesteld.

2.9

Doordat gebruik gemaakt kan worden van parafiscale heffingen als financieringsbron nemen sommige organisaties in feite al 50 % van de financiering voor hun rekening. Deze mogelijkheid moet gehandhaafd worden, maar daarbij moet wel de regel dat de lidstaten 20 % van de kosten op zich moeten nemen, worden versoepeld, zodat zij per geval kunnen bepalen hoeveel zij aan een programma willen bijdragen. Wel zouden de betrokken organisaties moeten worden verplicht tot een minimumbijdrage van bijv. 20 %.

2.10

Het zou mogelijk moeten zijn om acties ter bevordering van de afzet van bloemen en planten op markten van derde landen op dezelfde wijze te steunen als op de interne markt wordt gedaan.

2.11

De financiële bijdrage van de lidstaten valt onder de Verdragsbepalingen inzake staatssteun. Dit leidt alleen tot administratieve lasten en is in feite zinloos. Van begin af aan had een vrijstelling van de kennisgevingprocedure moeten gelden, zoals in de regeling voor plattelandsontwikkeling reeds is voorzien en nu ook voor de onderhavige regeling wordt voorgesteld.

2.12

Het is goed dat er een minimum- en een maximumbudget voor de geselecteerde programma's vastgesteld kan worden, gezien de administratieve lasten en het aanzienlijke aantal kleinschalige programma's die hun doel op de betrokken markten missen. Er moet voorrang worden gegeven aan programma's van langere duur, die over een dusdanig budget beschikken dat zij meer effect sorteren.

2.13

De nationale en particuliere certificerings- en controleregelingen voor biologische producten moeten zoveel mogelijk in de gemeenschappelijke EU-regeling voor biologische producten worden ondergebracht. Dit proces is al aardig op gang gebracht en zou zoveel mogelijk moeten worden ondersteund door voorlichtingscampagnes, om zo een echte interne markt voor biologische producten te creëren ter vervanging van de nationale en particuliere regelingen. Voorlichtingscampagnes in derde landen voor biologische producten uit de EU hebben vooralsnog niet veel opgeleverd. Totstandbrenging van de interne markt voor biologische producten is een voorwaarde om dergelijke producten in derde landen op de markt te kunnen brengen. Daarnaast zijn er ook problemen met de wederzijdse erkenning van regelingen, bijvoorbeeld tussen de EU en de VS.

3.   Bijzondere opmerkingen

3.1

Er moet worden nagegaan of de interne verdeling van taken en verantwoordelijkheden tussen lidstaten en Commissie verder kan gaan dan hetgeen thans wordt voorgesteld. Ook zou er meer gedaan kunnen worden aan vereenvoudiging en zou er een duidelijkere verdeling van de verantwoordelijkheden moeten komen, nu er tal van comités en organen worden betrokken bij het opstellen van regels en bij de selectie, uitvoering, follow-up en controle. De Commissie stelt bijvoorbeeld voor daarnaast ook nog ad hoc-werkgroepen op te richten, die bestaan uit vertegenwoordigers van lidstaten en/of specialisten op het gebied van afzetbevordering en reclame, die de Commissie kunnen helpen met het ontwikkelen van de strategie en de uitvoeringsmaatregelen.

3.2

De voorgestelde wijziging van de selectie van uitvoeringsorganisaties betekent een wezenlijke vereenvoudiging. Het is daarnaast ook wenselijk dat de betrokken organisaties afhankelijk van de aard van de campagne zelf bepaalde activiteiten binnen een programma kunnen uitvoeren en dat het uitvoeringsorgaan ook pas na goedkeuring van het voorstel door de Commissie gekozen kan worden.

3.3

Wat de overige punten van kritiek betreft, zoals de lange tijd die verstrijkt tussen de indiening van de voorstellen en het uiteindelijke besluit, de vele details die vroeg in het proces verstrekt moeten worden en de weinig transparante besluitvorming, komt de Commissie de critici met de voorgestelde wijzigingen een eind tegemoet. Wel zou zij ook moeten overwegen de zware rapportagevereisten te verlichten.

3.4

De Commissie stelt voor dat zij meer speelruimte krijgt en zelf het initiatief tot voorlichtings- en afzetbevorderingscampagnes kan nemen om zo voor een eerlijkere verdeling van de verschillende productgebieden te zorgen. Dit is zeker zinvol, gezien het overheersende aantal aanvragen op het gebied van groenten en fruit, terwijl andere sectoren niet of nauwelijks aandacht krijgen. De uitvoering hiervan in de praktijk werpt echter een aantal vragen op, bijvoorbeeld omdat in de bijlagen slechts een beperkt aantal landen en producten staat vermeld die in aanmerking voor een financiële bijdrage van de EU komen.

3.5

Het EU-logo voor biologische landbouw dient duidelijk zichtbaar afgebeeld te zijn in voorlichtings- en afzetbevorderingscampagnes, om zo meer bekendheid te geven aan de certificerings- en controleregeling van de EU en de harmonisatie van de nationale regelingen te bevorderen. Het logo toont de 12 sterren en staat symbool voor de EU. De eis dat de EU-vlag volgens bepaalde regels op het reclamemateriaal wordt afgebeeld, kan dus worden afgezwakt. De huidige eisen leiden ertoe dat op hetzelfde reclamemateriaal verschillende EU-symbolen worden gebruikt. Daarnaast worden ook nationale logo's voor biologische producten en het logo van de plaats van herkomst afgebeeld, met als gevolg dat de boodschap onduidelijk wordt. Campagnes die door het LIFE-programma worden gesteund, zouden dus niet de EU-vlag moeten afbeelden, maar het LIFE-logo, waarop de 12 sterren ook te zien zijn.

3.6

De huidige eis dat de nationale logo's voor biologische producten alleen toegestaan zijn indien er sprake is van verdergaande nationale regels, leidt tot discriminatie en belemmert de harmonisatie. In het ontwerp voor het Europese actieplan voor biologische landbouw (1) wordt voorgesteld dat nationale logo's naast het EU-logo worden afgebeeld.

3.7

Het Comité verzoekt de Commissie een gids te maken die niet alleen de betrokkenen wegwijs maakt in de procedures maar ook de overheden helpt met de controle. Het hele nieuwe communautaire afzetbevorderingsbeleid is hiermee gebaat.

3.8

Hoewel de desbetreffende regelingen nog niet lang worden toegepast, beginnen zich nu al wezenlijke behoeften af te tekenen, die met het oog op de toekomst in acht genomen moeten worden. De Commissie dient zorg te besteden aan het coördineren van de acties op de verschillende markten, om in de toekomst overlappingen of dubbele boodschappen te voorkomen. Dit zou namelijk ten koste gaan van het effect van de afzetbevorderingsmaatregelen.

4.   Conclusie

4.1

Het Comité vindt dat het Commissievoorstel, met inachtneming van bovenstaande opmerkingen over de verdere noodzakelijke vereenvoudiging ervan, goedkeuring verdient.

Brussel, 27 oktober 2004.

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

A.-M. SIGMUND


(1)  Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement - Europees actieplan voor biologisch voedsel en biologische landbouw, COM(2004) 415 def.


20.5.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 120/37


Advies van het Economisch en Sociaal Comité over het thema Industriële reconversie en overheidssteun in de staalindustrie

(2005/C 120/09)

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 28-29 januari 2004 besloten, overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een advies op te stellen over het volgende thema: „Industriële reconversie en overheidssteun in de staalindustrie”.

De Adviescommissie industriële reconversie, die was belast met de voorbereidende werkzaamheden, heeft haar advies op 9 september 2004 goedgekeurd. Rapporteur was de heer Lagerholm, co-rapporteur de heer Kormann.

Tijdens zijn 412e zitting op 27 en 28 oktober 2004 (vergadering van 27 oktober 2004) heeft het Europees Economisch en Sociaal Comité het volgende advies uitgebracht, dat met 154 stemmen voor en 3 stemmen tegen, bij 11 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Inleiding, doel en reikwijdte van het advies; definities

1.1

Centraal in dit initiatiefadvies staat het verband tussen industriële reconversie en overheidssteun, waarbij de staalindustrie als voorbeeld wordt genomen.

1.2

In dit document wordt „industriële reconversie” opgevat als het normale, doorlopende proces van een industriële sector die pro-actief reageert op de dynamische ontwikkelingen in zijn bedrijfstak om te kunnen blijven concurreren en groeikansen te creëren.

1.3

Een doorlopend industrieel reconversieproces is iets waaraan Europa zich niet kan onttrekken. Met de voortschrijdende globalisering moeten de economische structuren vroeg of laat wel aan de ontwikkelingen op de wereldmarkt worden aangepast. Daarom moet de Europese Unie een actieve rol spelen bij het vaststellen van de internationale randvoorwaarden.

1.4

De volgende gebeurtenissen vormden de aanleiding tot het opstellen van het initiatiefadvies:

het verstrijken van het EGKS-Verdrag in 2002;

de privatisering en herstructurering van de staalindustrie in Midden- en Oost-Europa in verband met de toetreding tot de EU;

de lopende OESO-onderhandelingen over een internationale overeenkomst inzake subsidies aan de staalindustrie (SSA);

de nieuwste uitgave van het scorebord van de EU voor overheidssteun;

de Mededeling van de Europese Commissie „De structurele veranderingen begeleiden: Een industriebeleid voor het uitgebreide Europa” van april 2004;

het verslag van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement „Eerste toezichtverslag over de herstructurering van de staalindustrie in de Tsjechische Republiek en Polen” (COM(2004) 443 def.);

Met de staalindustrie als voorbeeld wordt in het advies nagegaan hoe overheidssteun van invloed kan zijn op noodzakelijke structuurveranderingen.

1.5

Bedrijven die in tegenstelling tot concurrenten geen „stimulerende middelen” van de overheid krijgen om hun concurrentievermogen te handhaven, zijn vaak slechter af. Zij kunnen ernstig in hun ontwikkeling worden belemmerd en mogelijk zelfs geheel van de markt worden verdrongen. Het jarenlange herstructureringsproces van de Europese staalindustrie leert dat de politiek het vaak echter maar moeilijk kan laten om subsidies toe te kennen aan grote bedrijven met veel werknemers die door sluiting bedreigd worden. Over het algemeen betekent dit dat overcapaciteit en onrendabele activiteiten die in een vrijemarktsituatie opgegeven zouden moeten worden, in stand worden gehouden. Het noodzakelijke aanpassingsproces wordt slechts aarzelend in gang gezet.

1.6

Politiek, bedrijfsleven en vakbonden zijn het er over eens dat industriële reconversie onvermijdelijk is en dat dit proces tot stand moet komen door middel van internationale kaderovereenkomsten. Dit inzicht berust op de ervaring van de EU-staalindustrie met industriële reconversie, een proces dat al tientallen jaren duurt. Algemeen wordt erkend dat herstructureringen en consolidaties alsook een begeleidende sociale dialoog noodzakelijk zijn, willen de Europese bedrijven zich kunnen handhaven op hun afzetmarkten, die steeds meer integreren.

1.7

De Europese Commissie wijst er in haar Mededeling over het industriebeleid (eind april 2004 (1)) op dat industriële reconversie niet verward mag worden met absolute deïndustrialisatie. Deïndustrialisatie houdt in dat zowel werkgelegenheid als productie en productiviteitsgroei afnemen. Absolute deïndustrialisatie leidt tot het wegtrekken van minder productieve arbeidsplaatsen naar ontwikkelingslanden en nieuw geïndustrialiseerde landen met lagere arbeidskosten. Dit komt in de eerste plaats doordat de kostenstructuren in derde landen gunstiger zijn geworden ten opzichte van de EU.

1.8

De Europese Commissie komt in haar analyse van het industriebeleid evenwel tot de conclusie dat behalve in de mijnbouw slechts in enkele sectoren momenteel sprake is van absolute deïndustrialisatie (textielindustrie, kledingindustrie, lederwaren- en schoenindustrie, scheepsbouw en –reparatie, olieraffinaderijen, kolenindustrie en splijtstoffen). Industriële reconversie is beslist een pijnlijk proces voor de betrokken regio's, maar is uit macro-economisch oogpunt gunstig mits de veranderingen goed gepland, vastgesteld en begeleid worden.

1.9

Dat het aandeel van de industrie in de economie afneemt, is het gevolg van een langdurige structuuromslag. De meeste branches, zoals de ijzer- en staalsector, hebben het aantal arbeidsplaatsen de afgelopen decennia weliswaar fors ingekrompen, maar wisten tegelijkertijd wel een duidelijke toename van hun toegevoegde waarde en arbeidsproductiviteit te realiseren.

1.10

Het feit dat de dienstensector maatschappelijk gezien steeds belangrijker wordt, wordt vaak aangevoerd als bewijs dat zich structurele veranderingen ten nadele van de industrie voltrekken. Deze verschuiving is echter minder ingrijpend dan zij lijkt omdat beide sectoren steeds meer met elkaar vervlochten raken. Zo is de verwerkende industrie de afgelopen decennia overgegaan tot het uitbesteden van diverse activiteiten (zoals vervoer, logistiek en dataverwerking) aan externe dienstverleners. Statistische gegevens over de industriële reconversie moeten dan ook altijd zorgvuldig en uiterst voorzichtig geïnterpreteerd worden. Verkeerde conclusies op basis van oppervlakkige analyses of halve waarheden die door politieke overwegingen worden ingegeven, hebben al gauw negatieve gevolgen voor het industriebeleid.

1.11

Ook nu de Europese Unie steeds meer een kenniseconomie wordt, kan zij niet zonder de toegevoegde waarde van de industrie. Wanneer ook de toegevoegde waarde wordt meegeteld die andere sectoren creëren met hun activiteiten voor de industrie, blijkt dat de betekenis van de industrie voor de Europese Unie nog altijd even hoog is als begin jaren '90. In Duitsland bijvoorbeeld neemt de industrie zo in totaal ruim 40 % van de bruto toegevoegde waarde voor haar rekening.

1.12

Tegen de achtergrond van het soms zeer pijnlijke privatiserings- en herstructureringsproces, dat al bijna dertig jaar in beslag neemt, vindt de Europese Commissie nu dat bij toekomstige herstructureringsmaatregelen (in de landen van Midden- en Oost-Europa, maar ook in andere sectoren) uitgegaan moet worden van de ervaringen die de EU-staalindustrie met aanpassingsmaatregelen heeft opgedaan.

1.13

De afgelopen decennia zijn de politieke, technische en economische omstandigheden van de EU-staalindustrie ingrijpend veranderd: de oliecrises, de interne markt, de uitbreidingen van de EU en ook de globalisering hebben diepe sporen nagelaten in een sector die als grondstofleverancier voor vele branches belangrijk is. Sinds 1975, het eerste crisisjaar, is de staalproductie ondanks alle schommelingen in conjunctuur en structuur echter nagenoeg gelijk gebleven in de EU. In bijna alle lidstaten van de EU-15 wordt ook nu nog staal geproduceerd, alleen vindt de productie nu dankzij de technische vooruitgang met slechts een derde van het aantal werknemers van toen plaats. Het aantal staatsbedrijven in de staalsector van de EU-15 is gedaald van 53 % in 1985 tot minder dan 10 % nu. Bovendien zijn staatsbedrijven thans onderworpen aan soortgelijke economische randvoorwaarden als particuliere bedrijven.

1.14

In het licht hiervan heeft de Adviescommissie industriële reconversie (CCMI) van het Europees Economisch en Sociaal Comité de interessante taak gekregen na te gaan welke rol overheidssteun in het algemeen bij structuurveranderingen speelt en in het bijzonder in de Europese staalindustrie heeft gespeeld. In dit initiatiefadvies wordt onder „staalindustrie” het volgende verstaan: alle industriële activiteiten die verband houden met de productie en afzet van staal, rekening houdend met hun belangrijke rol voor de Europese staalverwerkende industrie.

2.   Overheidssteun - algemene gevolgen

2.1

Overheidssteun is een selectief voordeel dat overheidsorganen aan geselecteerde takken van productie en uiteindelijk aan bepaalde groepen personen toekennen. Om te kunnen bepalen of maatregelen overheidssteun vormen, moet onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds maatregelen ter ondersteuning van bepaalde ondernemingen of ter vervaardiging van bepaalde goederen overeenkomstig artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag, en anderzijds algemene maatregelen die in gelijke mate toepasselijk zijn in de lidstaten en de hele economie ten goede komen. In het laatste geval is er geen sprake van overheidssteun in de zin van artikel 87, lid 1, maar eerder van algemene economische beleidsmaatregelen, waarvan alle ondernemingen in gelijke mate gebruik kunnen maken (zoals investeringsaftrekmogelijkheden).

2.2

In een markteconomie worden economische activiteiten echter gestuurd door vraag en aanbod en gecoördineerd door middel van de prijs. Daardoor kan iedere maatregel die de functie van de prijs als informatie-, sturings- en stimuleringsmechanisme beïnvloedt in principe schadelijk zijn.

2.3

Overheidssteun kan de vrije concurrentie blijvend beïnvloeden, verhindert een efficiënte allocatie van hulpbronnen en vormt een bedreiging voor de interne markt. De noodzaak een vrije en onvervalste mededinging in stand te houden, wordt dan ook erkend als een van de hoekstenen van de Europese Unie.

2.4

Steunmaatregelen (financiële steun of belastingvoordelen) zijn alleen gerechtvaardigd indien de markt niet optimaal functioneert en een reële kans bestaat dat subsidies tot een beter economisch resultaat leiden. Bij marktfalen kan overheidsingrijpen in de vorm van financiële steun voorkomen dat er verkeerde allocaties plaatsvinden. Het komt echter zelden voor dat de overheid weet hoeveel geld er bij marktfalen precies nodig is. Informatie van bedrijven die overheidssteun binnen willen slepen, dient met het nodige voorbehoud gebruikt te worden.

2.5

Probleem is ook dat de marktsituatie voortdurend verandert. Het is mogelijk dat overheidssteun die aanvankelijk gerechtvaardigd was, inmiddels economisch gezien niet meer noodzakelijk is, maar door de traagheid van het politieke proces of onder druk van belangengroeperingen uit de betrokken regio of sector nog steeds wordt toegekend.

2.6

Staatssteun leidt daarnaast vaak tot gedragsveranderingen bij de marktpartijen. Subsidies verminderen de bereidheid van ondernemingen om aanpassingen door te voeren die noodzakelijk zijn om hun concurrentievermogen te handhaven of weer op te bouwen. Ondernemingen die steun ontvangen kunnen zo een „subsidiementaliteit” ontwikkelen.

2.7

Overheidssteun kan - in ieder geval op middellange termijn - gepaard gaan met een grotere belastingdruk. Het afbouwen van overheidssteun is niet alleen essentieel om tot een gezonde begroting te komen, maar is ook uit het oogpunt van economie en regelgeving noodzakelijk. Een verkeerde aanpak van subsidies zorgt ervoor dat de structuurveranderingen afgeremd worden.

2.8

Gezien de noodzaak om de totale overheidssteun terug te dringen hebben verscheidene EU-ministerraden er in hun conclusies op aangedrongen dat de nadruk wordt verschoven van ondersteuning van afzonderlijke bedrijven of bedrijfstakken naar horizontale doelstellingen van gemeenschappelijk belang, zoals cohesie. Overheidssteun die op horizontale doelstellingen is gericht, is meestal bedoeld om marktfalen te corrigeren en leidt normaal gesproken tot minder concurrentievervalsing dan sectorgerichte en ad hoc-subsidies. Laatstgenoemde subsidies zijn hoofdzakelijk bedoeld om ondernemingen in moeilijkheden te redden of te herstructureren.

2.9

De belangrijkste horizontale doelstellingen die met overheidssteun worden nagestreefd, zijn:

onderzoek en ontwikkeling;

milieubescherming;

energiebesparing;

ondersteuning van het MKB;

scheppen van arbeidsplaatsen;

bevordering van opleiding.

Invloed van de overheid op de Europese staalindustrie

2.10

Van oudsher heeft de overheid een zeer grote invloed op de staalindustrie uitgeoefend, ingegeven door militaire en veiligheidsoverwegingen. Ter indicatie: in 1980 vond nog zo'n 60 % van de wereldwijde staalproductie plaats in bedrijven die al dan niet rechtstreeks onder toezicht van de overheid stonden.

2.11

Staalbedrijven die in handen van de overheid zijn, kunnen er doorgaans op rekenen dat de meeste verliezen worden overgenomen, waardoor hun voortbestaan in feite gegarandeerd is. De mededinging wordt hierdoor evenzeer belemmerd als door overheidssteun die wordt toegekend om de concurrentiepositie te versterken of om te voorkomen dat bedrijven die niet rechtstreeks eigendom van de overheid zijn, hun deuren moeten sluiten. De economische maatregelen om bedrijfssluitingen te voorkomen worden ook nog aangevuld met politieke maatregelen. Al met al is het mogelijk dat de aanpassingsproblemen worden afgewenteld op de sterkere bedrijven of dat er een steunlawine op gang gebracht wordt.

2.12

Naast sluitingssteun mag daarom nu alleen nog maar horizontale steun aan de Europese staalindustrie worden toegestaan. Terugkijkend op het herstructureringsproces dat tot ver in de jaren '90 slechts zeer langzaam vorderde, heeft de staalindustrie uiteindelijk aanvaard dat de sectorgerichte en ad hoc-subsidies vervangen moeten worden door horizontale steun, en gaat zij thans zelfs zover dat zij in haar steunregeling ook afziet van regionale subsidies (2).

2.13

Toezicht op alle nationale uitgaven is uitermate belangrijk in de Unie. De Europese Commissie moet in haar steunbeleid uitgaan van een transparante controle op en een transparant gebruik van overheidssteun, zoals momenteel al geldt voor de staalindustrie.

2.14

De Commissie werkt thans verder aan de herziening van haar richtsnoeren en kaderregelingen voor overheidssteun, om na te gaan of ze vereenvoudigd en verduidelijkt kunnen worden, en om eventuele tegenstrijdigheden tussen de verschillende teksten weg te nemen. De Commissie zal voorrang geven aan de herziening van de richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden, de hervorming van de communautaire regels voor regionale steun na de uitbreiding, het opstellen van een nieuwe kaderregeling voor de beoordeling van geringe bedragen aan staatssteun, en aan verduidelijkingen inzake diensten van algemeen economisch belang.

2.15

Bij de verdere ontwikkeling van het algemene EU-beleid inzake overheidssteun moet rekening worden gehouden met de internationale context en met name met de multilaterale verplichtingen. Steun die ten goede komt aan goederen en producten uit andere sectoren dan de landbouw, is onderworpen aan de WTO-overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen.

3.   EU-steunbeleid en industriële reconversie in de staalindustrie

Omzeiling van het algemene EGKS-verbod op steun

3.1

Het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (1952) was duidelijk over steunverlening door de lidstaten aan ondernemingen in de kolen- en staalindustrie: „Als zijnde onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt voor kolen en staal worden afgeschaft en zijn verboden binnen de Gemeenschap overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag: … door de staten verleende subsidies of hulp, of door deze opgelegde bijzondere lasten, in welke vorm ook” (artikel 4, sub c)). Dat iedere vorm van steunverlening door de afzonderlijke lidstaten aan ondernemingen was verboden, was een logisch gevolg van het feit dat binnen de gemeenschappelijke markt een einde aan alle nationale beschermingsmaatregelen werd gemaakt.

3.2

Na de totstandbrenging van de gemeenschappelijke markt werd echter al snel duidelijk dat overheidssteun noodzakelijk was om de voorziening van met eigen kolen opgewekte energie in Europa te waarborgen. Er werd gezocht naar een oplossing die geen aanpassing van het EGKS-Verdrag zou vergen, en uiteindelijk werd voorgesteld sommige soorten overheidssteun te beschouwen als communautaire steun, die in principe toegestaan was. Artikel 95, dat bedoeld was om eventuele onvoorziene omstandigheden na ondertekening van het Verdrag te dekken, werd hiervoor als basis gebruikt. Op basis van dit artikel mocht de Gemeenschap optreden indien dit noodzakelijk was om een of meer doelstellingen van het Verdrag te realiseren.

3.3

Een van die doelstellingen was de kolenmijnen draaiende en vooral ook de mensen daar aan het werk te houden. Van toen af aan werd steun die lidstaten hun kolenmijnen gaven om de energievoorziening te garanderen, beschouwd als communautaire steun.

3.4

In de jaren 70 namen veel lidstaten niet eens de moeite om deze uitweg te kiezen voor hun steun aan staalbedrijven; zonder op noemenswaardige bezwaren te stuiten kenden zij miljarden toe, aanvankelijk om de staalindustrie te helpen bij haar expansie en later om de bedrijven, die meestal in overheidshanden waren, draaiende te houden. Zelfs nog begin jaren '80 deed de toenmalige directeur-generaal Mededinging bij de Commissie het EGKS-verbod op steun openlijk af als achterhaald.

3.5

Vanaf 1978 boekten de particuliere staalbedrijven, die zwaar hadden te lijden onder de concurrentievervalsing als gevolg van de „steunwedloop”, steeds meer succes met hun pogingen om het subsidieverbod weer van kracht te laten worden.

3.6

De staalsteuncodes, die gebaseerd waren op artikel 95, bepaalden vanaf 1980 dat steun aan staalbedrijven alleen op strikte voorwaarden was toegestaan. Vrijwel alle steun die de lidstaten hun bedrijven al gaven, viel aanvankelijk echter onder de toegestane steunvormen. De eerste steuncode diende dus eigenlijk alleen maar om bestaande praktijken te legaliseren. Slechts geleidelijk aan werden de steunvormen die de mededinging de grootste schade toebrachten, zoals reddingssteun, exploitatiesteun en investeringssteun, volledig verboden.

3.7

Vanaf halverwege de jaren '80 waren op grond van de steuncode alleen nog steun voor onderzoek en ontwikkeling, milieusteun en sluitingssteun toegestaan. Desondanks ontvingen sommige staatsbedrijven in de staalindustrie tot halverwege de jaren '90 nog steeds overheidsgeld voor het aflossen van schulden en herstructurering, op basis van ontheffingen in het kader van artikel 95.

3.8

Ten slotte werd bepaald dat verdere „communautaire steun” alleen toegekend mocht worden indien de productiecapaciteit fors werd teruggebracht. De EU-lidstaten werden het er uiteindelijk over eens dat er geen andere uitzonderingen op het subsidieverbod toegelaten zouden worden dan die, welke in de steuncode voorzien waren.

3.9

Deze strenge regels voor steun aan de staalindustrie, die de grondleggers van het EGKS-Verdrag al in gedachten hadden en die onder de verantwoordelijkheid van de Europese Commissie kwamen toen het verdrag in 2002 verstreek, waren zeker ook te danken aan de voortdurende politieke inspanningen en juridische stappen van de staalindustrie. De zaken die het Europese Hof van Justitie werden voorgelegd, leidden weliswaar niet altijd tot het intrekken van de steunmaatregel die werd aangevochten, maar droegen er wel toe bij dat de wettelijke ruimte voor uitzonderingen op het steunverbod nauwkeurig werd vastgesteld en verder werd beperkt.

3.10

De EGKS-staalbedrijven hebben een aanzienlijke hoeveelheid steun gekregen: het gaat om een bedrag van in totaal 70 miljard euro sinds 1975! Dit bedrag valt als volgt op te splitsen:

tussen 1975 en 1980, toen de staalsteuncode van kracht werd, werd in de EU ca. 12 miljard euro aan overheidssteun uitgekeerd;

tussen 1980 en 1985, toen subsidies zonder al te grote beperkingen werden toegestaan in ruil voor capaciteitsreducties, werd zo'n 41 miljard euro aan overheidssteun door de Europese Commissie toegestaan;

tussen 1986 en 1995 werd nog eens 17 miljard euro toegekend, waarvan 7 miljard in 1994 toen op basis van artikel 95 werd besloten steun „voor de eerste en de laatste maal” toe te staan.

3.11

Volgens het meest recente scorebord van de EU voor overheidssteun gaat vandaag de dag minder dan 2 promille van de totale EU-steun naar de staalindustrie. Bovendien is dit geld vrijwel uitsluitend bestemd voor maatregelen om het milieu te beschermen. De regels en de praktijken op het gebied van steun aan de staalindustrie zijn thans duidelijk strikter dan de communautaire steunregelingen voor andere sectoren.

Ontstaan van een steunmentaliteit in de staalindustrie in de jaren 70

3.12

In de jaren '60 en de eerste helft van de jaren '70 vertoonde het wereldwijde verbruik van staal een sterke, constante groei van gemiddeld ruim 5 % per jaar. In 1974 bereikte de productie van ruwstaal in de toenmalige Europese Gemeenschap (9 lidstaten) een recordhoogte: bijna 156 miljoen ton, waarbij 87 % van de productiecapaciteit werd benut.

3.13

Een jaar later echter, in 1975, zakte de staalproductie als gevolg van de oliecrisis in, met een daling van 30 miljoen ton (19 %) in de EG. De staalprijzen kelderden nog meer dan de productie. Tegelijkertijd kregen de EGKS-staalbedrijven te maken met een forse toename van de invoer, die gepaard ging met een even duidelijke afname van hun eigen uitvoer. De daling van de staalconsumptie op de interne markt werd nog verergerd door het feit dat de staalvoorraden werden aangesproken.

3.14

Aanvankelijk zag het ernaar uit dat het slechts om een zeer scherpe conjunctuurdaling ging. Alle deskundigen dachten dan ook dat er snel weer een opleving zou volgen. Ook de economische instanties die door de Europese Commissie werden geraadpleegd, gaven aan dat zij een bijzonder krachtig en langdurig herstel verwachtten. Volgens de langetermijnprognose van de Commissie in haar „Algemene doelstellingen voor 1985”, die zij in samenwerking met producenten, consumenten en handelaren opstelde, zou de communautaire staalproductie in 1985 niet minder dan 188 miljoen ton bedragen. In werkelijkheid bedroeg de productie slechts 120 miljoen ton. De staalbedrijven gingen bij hun investeringsplannen voor de middellange en de lange termijn dus uit van volstrekt onjuiste basisgegevens. Zo ontstond overcapaciteit en raakten vraag en aanbod steeds verder van elkaar verwijderd.

3.15

Als gevolg van de afname van het economisch groeitempo in de wereld liep de investeringsactiviteit van staalafnemers sterk terug. Dit pakte bijzonder slecht uit voor de staalconsumptie, aangezien in de hooggeïndustrialiseerde landen ongeveer tweederde daarvan gerelateerd is aan investeringsactiviteiten.

3.16

De stagnatie van de wereldwijde vraag naar staal sinds 1975 is ook voor een belangrijk deel toe te schrijven aan het feit dat staal efficiënter wordt gebruikt en er dus minder staal nodig is voor de diverse doeleinden. De vraag in Europa is daarnaast afgenomen door de aanhoudende verschuiving van kwantitatieve naar kwalitatieve groei en de expansie van de tertiaire sector.

3.17

Hoewel het staalverbruik na 1975 dus stagneerde, nam de staalcapaciteit aanzienlijk toe. De nominale wereldwijde capaciteit voor ruwstaal steeg alleen al tussen 1974 en 1983 met 150 miljoen ton, terwijl de wereldwijde vraag naar staal juist met 44 miljoen ton daalde. Tegelijkertijd maakte de capaciteit in de „nieuwe” staallanden en Oostbloklanden een bijzonder sterke groei door. Vergeleken met het feitelijke staalverbruik steeg het nominale capaciteitsoverschot in 1974 tot 130 miljoen ton ter wereld en binnen tien jaar verdrievoudigde dit overschot bijna (343 miljoen ton).

3.18

Aangezien het instorten van de vraag toen nog steeds uitsluitend als een conjunctuurverschijnsel werd beschouwd, werd de capaciteit ondanks de crisismaatregelen op peil gehouden. Het lukte niet de druk van de aanbodzijde op te vangen, prijsoorlogen op de Europese staalmarkten te voorkomen of de kelderende prijzen tegen te houden. Bedrijven met hoge productiekosten en weinig reserves raakten in steeds grotere moeilijkheden. Zij vroegen om steun van de overheid en kregen die meestal ook van hun nationale regering. Zo werden de problemen van individuele bedrijven afgewenteld op de hele industrie. Het systeem van vrijwillige beperkingen dat door de pas opgerichte Europese vereniging van ijzer- en staalproducerende industrieën (Eurofer) was ingevoerd, stortte uiteindelijk in toen niet alle grote bedrijven meer meededen.

Gedwongen regulering van de markt (1980-1985)

3.19

Met de instorting van het vrijwillige Eurofersysteem zag de Commissie zich in het najaar van 1980 gedwongen te verklaren dat er sprake was van een duidelijke crisis en een voor alle fabrieken in de EG verplicht productiequotasysteem in te voeren. Vanaf toen stelde de Commissie de productiequota elk kwartaal vast. Als fabrieken zich niet aan de quota zouden houden, konden er sancties worden opgelegd. Bovendien werden voor bepaalde producten minimumprijzen bepaald. De Commissie streefde met haar beleid naar prijsstabilisatie en naar capaciteitsbeperkingen die in sociaal en regionaal opzicht aanvaardbaar waren. Elk staalbedrijf in de EG kreeg te maken met quota voor zijn productie en voor zijn afzet op de gemeenschappelijke markt. Daarnaast werden met 15 landen vrijwillige overeenkomsten gesloten om de invoer te beperken. Gezien de lage prijzen van staalproducten op de wereldmarkt was het belangrijk te voorkomen dat bij de uitvoer verliezen geleden zouden worden, die onder de voorwaarden van het crisissysteem extra EG-subsidies zouden kosten. Ongeveer 70 % van de Europese staalproductie was begin jaren 80 onderworpen aan het quotasysteem.

3.20

Het politieke doel - geleidelijke capaciteitsvermindering - werd echter niet meteen gerealiseerd. De hoop van de betrokken bedrijven op een opleving van de vraag en de uitschakeling van concurrenten, alsmede de overheidssteun en het gecontroleerde aanbod zorgden ervoor dat de zwakste bedrijven hun capaciteit niet afbouwden. De vermindering kwam pas geleidelijk op gang met de tweede staalsteuncode, waarin werd bepaald dat steun alleen verleend mocht worden indien er een herstructureringsprogramma uitgevoerd zou worden. Het verplichte quotasysteem, dat eigenlijk in 1981 afgeschaft had moeten worden, moest gezien de mededingingssituatie steeds weer gehandhaafd worden.

3.21

Om de onontkoombare capaciteitsbeperking toch door te zetten, oefende de Commissie met het EGKS-verbod op overheidssteun druk uit, terwijl zij met de staalsteuncode die toen werd ingevoerd, de praktijken legaliseerde die tot dusver illegaal waren geweest. Tegelijkertijd voerde zij echter een vergunningsregeling in, die zij koppelde aan eisen inzake capaciteitsvermindering. Deze fase in het staalbeleid duurde tot eind 1985. In ruil voor de goedkeuring van overheidssteun werd via toepassing van het quotasysteem een productiecapaciteit van ca. 44 miljoen ton ruwstaal en 32 miljoen ton warmgewalst staal ontmanteld.

Geleidelijke liberalisering van de markt (vanaf 1985)

3.22

Alleen al tussen 1983 en 1985 kregen staalbedrijven zo'n 15 miljard euro aan overheidssteun. In plaats van de mededingingsvoorwaarden te harmoniseren maakte de politiek te weinig gebruik van de kans om van de bedrijven die steun ontvingen, te verlangen dat zij hun capaciteit voldoende afbouwden. Daardoor liep de ontmanteling van overtollige capaciteit - waar de markt al lang op aandrong - vertraging op.

3.23

In 1985 verkondigde de Commissie dat de duidelijke crisis achter de rug was en koos zij eindelijk voor een radicale heroriëntering van het EG-beleid voor de staalmarkt. Kort nadat 15 miljard aan overheidssteun was toegekend, was het nu aan de markt, eerst door flexibilisering van het quotasysteem en vervolgens door een totale „liberalisering”, om een einde te maken aan de overcapaciteit, hetgeen met de dirigistische maatregelen van „Brussel” niet gelukt was. Bij haar ploselinge beleidsverandering zag de Commissie echter over het hoofd dat de miljarden aan steun, waarvoor zij zelf tot eind 1985 toestemming had verleend, pas de volgende jaren effect op het concurrentievermogen zouden hebben. Eind 1986 had zij het aantal gereguleerde producten aanzienlijk teruggebracht.

3.24

Ondanks een capaciteitssanering van ca. 40 miljoen ton en de verdwijning van tienduizenden arbeidsplaatsen werd op de markt echter nog altijd druk uitgeoefend door een overtollige productiecapaciteit van ca. 25 miljoen ton.

3.25

Toen de vraag in 1987 aan een korte opleving begon zag de Commissie zich gesterkt in haar overtuiging dat de staalindustrie niet meer in een „duidelijke crisis” verkeerde. Reguleringsmaatregelen zoals productiecertificaten en verplichte registratie van leveranties werden afgeschaft. De druk op de nationale regeringen en de Commissie nam toe, zodat achtereenvolgens de derde (1985), vierde (1989) en vijfde staalsteuncode (1992) werden opgesteld om de subsidiekraan definitief dicht te draaien. Steun mocht voortaan alleen nog worden toegekend voor onderzoek en ontwikkeling, milieubescherming, bepaalde sluitingen en regionale investeringen.

3.26

Na een korte piek zette de vraag naar staal in 1990 opnieuw een daling in, gevolgd door de staalprijzen, die ca. 20 % lager werden. Dus werd in 1992 een steeds groter beroep op de Commissie gedaan om in te grijpen. Concreet werd aangedrongen op kwartaalvooruitzichten voor de productie en de afzet van producten, vereenvoudiging van fusies, bescherming tegen invoer uit Oost-Europa en herstructureringssteun. Teneinde de overcapaciteit af te bouwen werd gepleit voor een structuurcrisiskartel, verdeling van de lasten tussen de bedrijven en een definitieve capaciteitsvermindering van 20 % voor het einde van 1996, waarbij 50 000 ontslagen zouden vallen.

3.27

De Commissie wees het voorgestelde structuurcrisiskartel en nieuwe productiequotasysteem echter af; zij kwam in 1993 met een eigen plan, dat alleen uit indirecte maatregelen bestond. De maatregelen omvatten voorfinanciering van capaciteitssluitingen door de Commissie, bevordering van fusies en van samenwerking op productievlak, tijdelijke bescherming van de staalmarkt tegen invoer uit Oost-Europa, vergroting van de markttransparantie door informatie over productie en afzet in de EU en flankerende sociale maatregelen, om bedrijven te stimuleren hun capaciteit te reduceren. Er kwam een herstructureringsproces op gang, waarbij de productiecapaciteit met nog eens 19 miljoen ton werd verminderd en ca. 100 000 arbeidsplaatsen in de ijzer- en staalindustrie van de Gemeenschap verloren gingen. Van het door de Ministerraad reeds goedgekeurde voorfinancieringsmodel werd geen gebruik gemaakt.

3.28

Ondanks de vijfde staalsteuncode hechtte de Ministerraad in december 1993 op voorstel van de Commissie zijn goedkeuring aan overheidssteun ten bedrage van bijna 7 miljard euro aan ILVA (Italië), CSI en Sidenor (Spanje), Siderurgia Nacional (Portugal) en EKO alsmede Sächsische Edelstahlwerke (Duitsland), in ruil voor capaciteitsbeperking.

In het kort

3.29

Bij artikel 4, sub c) van het EGKS-Verdrag werd overheidssteun strikt verboden. Dit heeft de lidstaten er echter slechts ten dele van weerhouden hun staalindustrie op grote schaal te steunen, met volle instemming op het hoogste Europese niveau. In de periode dat het EGKS-Verdrag van kracht was, werd meer dan 70 miljard aan belastinggeld toegekend, waardoor de noodzakelijke aanpassing aan de industriële reconversie later op gang is gekomen, maar uiteindelijk niet is uitgebleven. De Commissie heeft later in de jaren '90 bij de herstructurering van de staalindustrie van de LMOE in verband met de toetreding tot de EU ook vastgehouden aan het beproefde uitgangspunt dat overheidssteun wordt toegestaan in ruil voor beperking van de capaciteit.

3.30

De EG-lidstaten hebben in 1982 besloten de markt buiten werking te stellen en de noodzakelijke capaciteitsoffers gelijkelijk te verdelen. Dit druist in tegen artikel 2 van het EGKS-Verdrag, waarin staat dat staal geproduceerd moet worden op de plaats met de laagste productiekosten. De EU-lidstaten en de Europese Commissie spanden zich niet in om ervoor te zorgen dat onrendabele bedrijven snel van de markt zouden verdwijnen en de sociale gevolgen hiervan te verzachten, om zo vraag en aanbod weer snel met elkaar in evenwicht te brengen, maar kozen ervoor gebruik te maken van de in het EGKS-Verdrag voorziene instrumenten voor crisissituaties - en dit kwam zeker niet alle staalbedrijven ten goede. Om redenen van het sociaal, regionaal en verdelingsbeleid werd onrendabele capaciteit zo in standgehouden, terwijl rendabele - vooral particuliere - bedrijven ten onder gingen en met hen arbeidsplaatsen verdwenen die bij een benchmarking als vast beschouwd zouden zijn.

3.31

Vast staat wel dat de crisis van de EU-staalindustrie in grote trekken overwonnen is. De Europese staalindustrie heeft uiteindelijk toch de nodige herstructurering doorgevoerd om de internationale concurrentie het hoofd te kunnen bieden. Met een verlies van meer dan 550.000 arbeidsplaatsen, waarbij de afbouw voor het grootste deel op een sociaal aanvaarbare wijze heeft plaatsgevonden, heeft ze echter een zeer hoge prijs moeten betalen. Alleen dankzij de intensieve dialoog en samenwerking tussen de sociale partners kon dit proces worden volbracht. De EU-lidstaten hadden de 70 miljard euro aan overheidssteun zeker op een betere manier kunnen uitgeven.

Steun voor onderzoek en ontwikkeling bevordert het concurrentievermogen

3.32

Het EGKS-onderzoeksprogramma was de motor achter vele van de technische innovaties die de Europese staalindustrie in staat stelden zich te reorganiseren. Het EGKS-Verdrag voorzag in de mogelijkheid om middelen ter beschikking te stellen voor communautaire onderzoek, teneinde het concurrentievermogen van de industrie in het algemeen en de veiligheid op het werk te verbeteren.

3.33

Het eerste EGKS-onderzoeksproject ging reeds in 1955 van start. Onderzoekers en ingenieurs op het vlak van de meest innovatieve technologie gingen steeds meer Europees denken en samenwerken. De staalindustrie - en met haar de Europese samenleving - profiteerde van dit soort coöperatief onderzoek, waarbij inspanningen werden gecoördineerd, gemeenschappelijk onderzoek werd verricht en de resultaten aan alle betrokkenen ter beschikking werden gesteld. Zo verliep de innovatie in de staalindustrie dankzij voortdurende verbeteringen in een hoog tempo.

3.34

Ook op milieugebied - voor de samenleving van groot belang - konden dankzij EGKS-onderzoek meetbare resultaten worden geboekt. Zo werd de emissie van zwaveldioxide met 70 % en die van van roetdeeltjes met 60 % teruggebracht. De emissie van CO2 is sinds het begin van de jaren 80 gehalveerd. De Europese staalproducten verbruiken thans per ton geproduceerd staal 40 % minder energie dan 20 jaar geleden.

3.35

Op de EGKS-begroting werd in 1955 aanvankelijk slechts 7 miljoen euro per jaar uitgetrokken voor communautair onderzoek. Dit bedrag liep op tot ca. 50 miljoen per jaar in de jaren 90 voor de EU-15. Communautaire onderzoeksprojecten ter verbetering van procedures, materialen en milieu konden voor 60 % gesubsidieerd worden. Vanaf 1983 konden pilot- en onderzoeksprojecten voor 40 % gesubsidieerd worden.

3.36

Iedere euro die in het EGKS-onderzoek werd geïnvesteerd, leverde zo gemiddeld 13 euro op. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de EU-lidstaten bij het verstrijken van het EGKS-Verdrag unaniem overeenkwamen om de resterende middelen, die afkomstig waren uit bijdragen van de kolen- en staalbedrijven, uitsluitend te bestemmen voor verder onderzoek in de kolen- en staalindustrie. Volgens de richtsnoeren die zijn opgesteld, moet het jaarlijkse bedrag aan post-EGKS-renteopbrengsten, zo'n 60 miljoen euro, uitsluitend worden gebruikt voor onderzoek in de staalindustrie, waarbij de nadruk ligt op:

nieuwe en verdere ontwikkeling van productie- en bewerkingsprocessen;

ontwikkeling en gebruik van grondstoffen;

verbetering van het gebruik van hulpbronnen;

milieubescherming;

veiligheid en gezondheid op de werkplek.

Een concurrerende staalindustrie in het begin van de 21e eeuw

3.37

De staalindustrie van de EU-15 is nu, begin 21e eeuw, klaar voor de mondiale concurrentie. Zij heeft zich de afgelopen jaren in technisch, economisch, maar ook ecologisch opzicht goed opgewerkt. Sommige voormalige staatsbedrijven hebben de ontvangen financiële steun doelgericht ingezet om door middel van technologische aanpassingen en stroomlijning van hun structuren op te klimmen tot een leiderspositie in de wereld.

3.38

Het is de staalindustrie gelukt zich aan te passen aan de eisen van de globalisering en duurzame ontwikkeling. Er is in Europa duidelijk lering getrokken uit de staalcrises van de jaren '70, '80 en '90. De staalindustrie staat thans zo sterk in haar schoenen dat zij ook in economisch moeilijke tijden vrijwel niet in de rode cijfers terechtkomt.

3.39

De sterke vraag op de interne markt onderstreept de forse inspanningen die de EU-staalbedrijven leveren om kosteneffectief te produceren en tegelijkertijd de kwaliteit te verbeteren en de afstand tot de klanten te verminderen. Met hun fusies en overnames en met hun efficiëntieverbeteringen en kostenverlagingen hebben de Europese staalproducenten de basis gelegd voor een branche die de concurrentie in de 21 eeuw het hoofd kan bieden. „Reddingssteun” en „herstructureringssteun” komen in hun woordenboek niet meer voor. Met hun krachtige pleidooi om de strenge steunregels ook na het verstrijken van het EGKS-Verdrag te handhaven laten de EU-staalbedrijven duidelijk zien dat zij de subsidiementaliteit en concurrentievervalsingen als voltooid verleden tijd willen beschouwen.

3.40

Het consoliderings- en reconversieproces is echter nog lang niet afgerond. Sommige bedrijven werken nu al aan fusies met bedrijven uit andere werelddelen. Daarnaast heeft de industriële opkomst van China ingrijpende gevolgen voor het concurrentievermogen van de bedrijven. De snel groeiende vraag naar staal in China zorgt voor een gespannen vraag op de internationale grondstofmarkten. De Chinese import van ijzererts en schroot bijvoorbeeld zorgt voor tekorten op de wereldmarkten en drijft de grondstof- en de vrachtprijzen op.

3.41

Inmiddels wordt ook vaart gezet achter de structuurveranderingen in de staalindustrie van de nieuwe lidstaten. De uitdagingen waar deze landen bij de herstructurering van hun staalindustrie voor staan, zijn min of meer vergelijkbaar met de situatie waarin West-Europa zich 25 jaar geleden bevond, al heeft sindsdien een snelle globalisering van de markten plaatsgevonden. In dit verband is het noodzakelijk dat de partners in Midden- en Oost-Europa profiteren van de ervaringen die in West-Europa met de herstructurering van de staalindustrie zijn opgedaan.

3.42

In ruil voor specifieke steun (gedoogperiodes) moesten de LMOE reeds in het kader van de Europa-Akkoorden begin jaren 90 adequate herstructureringsmaatregelen treffen, de overcapaciteit fors afbouwen en aantonen dat de begunstigde ondernemingen zich al beter op de markt kunnen handhaven. Om ervoor te zorgen dat ook na de uitbreiding van de EU sprake is van een vrije en eerlijke concurrentie op de interne staalmarkt, is in de toetredingsverdragen de verplichting voor de nieuwe lidstaten opgenomen om zich aan het acquis communautaire (bijv. richtlijnen en kaderbesluiten op het gebied van mededinging en overheidssteun, belastingen, milieu en sociaal beleid) te houden. De Europese Commissie moet er streng op toezien dat de nationale regeringen van de LMOE zich bij hun steunverlening houden aan de overeengekomen strenge EU-steunregeling en dat onrendabele capaciteit met inachtneming van de reële vraag ook echt volgens plan wordt afgebouwd.

4.   De huidige EU-regeling voor overheidssteun aan de staalindustrie: een model voor internationale steunovereenkomsten?

4.1

Gezien de gevolgen in de VS van de moeilijke situatie op de mondiale staalmarkt hebben de VS in maart 2002 besloten op grond van art. 201 van het Amerikaanse handelswetboek tijdelijk invoerrechten op te leggen om de binnenlandse staalmarkt te beschermen, waarmee zij handelen in strijd met de WTO-regels. Aangezien de staalhandel vanwege onrendabele, overtollige productiecapaciteit in de wereld sterk fluctueert, kondigde de regering Bush tegelijkertijd aan dat zij zich wil inzetten voor internationale onderhandelingen over afbouw van onrendabele capaciteit en beperking van overheidssteun voor de staalindustrie in de wereld.

4.2

De EU-lidstaten en de Europese Commissie steunen elk streven naar meer discipline in de wereld op het gebied van overheidssteun aan de staalindustrie. Toen in december 2002 bij de OESO in Parijs multilaterale onderhandelingen van start gingen, kreeg de EU de gelegenheid haar beproefde beleid inzake steun aan de staalindustrie voor te stellen als basis voor een internationale staalsubsidie-overeenkomst (SSA).

4.3

Ook al lijkt de Europese staalindustrie sterk te twijfelen aan de oprechtheid van andere landen en regio's om de staalsubsidies af te bouwen en vervolgens te komen tot een goede SSA waarin een meldings- en een sanctieplicht zijn opgenomen, toch steunt het Europees Economisch en Sociaal Comité de handelwijze van de Europese Commissie. Het Comité vindt het wel verontrustend dat bij de bespreking van de subsidie- en capaciteitsproblemen niet meteen wordt gekeken naar de problemen rond protectionistische instrumenten, die vaak onrechtmarig worden ingezet en zo de markt verstoren.

4.4

Wat het toepassingsgebied van een eventuele SSA betreft, gaan de Europese producenten verder dan de meeste andere OESO-landen. Zij zijn het er namelijk over eens dat iedere overheidssteun die tot capaciteitsuitbreiding of tot behoud van onrendabele capaciteit bijdraagt, beslist verboden moet worden in de SSA. Dit geldt dus niet alleen voor specifieke subsidies aan bepaalde staalbedrijven, maar ook voor niet-specifieke, zgn. generieke subsidies.

4.5

Het Comité deelt het standpunt van de EU-staalproducenten dat overheidssteun alleen toegestaan mag worden zolang er geen sprake is van schadelijke gevolgen voor productiecapaciteit, eerlijke mededinging of handelsstromen. Daarbij pleit het Comité voor de volgende uitzonderingen in OESO-verband:

steun voor definitieve sluiting - hieronder valt steun voor ontmanteling, bodemsanering en verzachting van de sociale gevolgen van sluitingen;

beperkte, nauwkeurig omschreven subsidies voor onderzoek en ontwikkeling en voor milieubescherming, waaronder steun voor verlaging van energie/eco-heffingen. Wat milieusteun betreft moet duidelijk zijn dat financiële steun van de overheid om aan milieu-eisen te kunnen voldoen, niet toegestaan mag worden. De EU-staalindustrie verlangt dit ook niet. Wel zou beperkte steun voor vrijwillige investeringen toegestaan kunnen worden om ondernemingen te simuleren beduidend verder te gaan dan de EU-minimumeisen op milieugebied.

4.6

In de beoogde subsidie-overeenkomst moet er tevens rekening mee worden gehouden dat in ieder geval sommige ontwikkelingslanden reeds beschikken over een staalindustrie die de concurrentie prima aankan. Staalbedrijven in nieuw geïndustrialiseerde of ontwikkelingslanden profiteren van concurrentievoordelen als lage arbeidskosten, toegang tot grondstoffen, minder strenge milieu-eisen en bescherming door middel van hoge invoerrechten. Daarom mag overheidssteun aan staalbedrijven in deze economieën slechts worden overwogen indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

iedere eventuele steunverlening wordt per geval en op grond van de situatie van het bedrijf en het land in kwestie beoordeeld; er moet op worden toegezien dat de financiële middelen worden gebruikt waarvoor zij zijn toegekend;

er worden strikte tijdslimieten voor afschaffing van de steun vastgesteld;

de steun wordt verleend op basis van een goedgekeurd herstructureringsplan dat het voortbestaan van de betrokken bedrijven op lange termijn garandeert;

de steun leidt onder normale omstandigheden tot een vermindering van capaciteit, en leidt in geen geval tot capaciteitsuitbreiding.

5.   Conclusies

5.1

De ervaring met de herstructurering van de Europese staalindustrie leert dat overheidssteun een instrument is waaraan zowel voor- als nadelen kleven. Bedrijfssteun komt alleen ten goede aan bepaalde ondernemingen en leidt tot verkeerde allocaties; op deze manier wordt capaciteit die in een vrije marktsituatie opgegeven zou moeten worden, immers langer in stand gehouden. Overheidssteun in het kader van een overeengekomen herstructureringsprogramma kan echter zware sociale gevolgen verlichten en zo de aanvaarding en de gevolgen van de industriële reconversie bevorderen. Gebleken is dat dit proces in goede banen geleid kan worden door middel van een sociale dialoog.

5.2

Het is ook de vraag of met de enorme sommen belastinggeld niet iets anders en beters bereikt had kunnen worden, bijvoorbeeld op het gebied van scholing of onderzoek.

5.3

Een probleem in de crisisjaren van de staalindustrie was ook dat de juridische situatie weliswaar volkomen duidelijk leek (artikel 4, sub c, van het EGKS-Verdrag: alle overheidssteun is verboden), maar door diverse steuncodes, Ministerraadsbesluiten en arresten van het Hof op losse schroeven werd gezet en daardoor onvoorspelbaar werd.

5.4

In verband met de toetreding van eerst tien en later nog eens twee nieuwe EU-lidstaten is het dan ook des te belangrijker dat de (hopelijk) duidelijke staatssteunregels strikt nageleefd blijven worden en iedere schending, zoals door USS Kosice, onmiddellijk wordt bestraft.

5.5

De fouten die in de EU-15 zijn begaan, mogen niet opnieuw gemaakt worden.

5.6

De onderhandelingen binnen de OESO hebben alleen zin als het resultaat ervan een definitieve verbetering van de huidige situatie inhoudt, d.w.z.:

geen buitensporige concessies aan ontwikkelingslanden, nieuw geïndustrialiseerde landen en landen die zich in een overgangsproces bevinden, zoals China;

geen verbod op noodzakelijke regelgeving in de EU (bijv. beperking van de lasten voor bedrijven bij milieumaatregelen om concurrentiedistorsies te voorkomen);

geen compenserende uitvoerheffingen voor staalproducten vanwege dergelijke vrijstellingen.

Brussel, 27 oktober 2004

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

A.-M. SIGMUND


(1)  COM(2004) 274 def. Deze mededeling wordt momenteel geanalyseerd in advies CCMI 017, rapporteur: de heer Van Iersel, en in het initiatiefadvies CCMI 014 over bedrijfsverplaatsingen, rapporteur: de heer Rodríguez García-Caro.

(2)  De laatste uitzondering op het algemene subsidieverbod werd gevormd door regionale investeringssubsidies aan Griekse staalbedrijven; deze hielden op in 2000.


20.5.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 120/47


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „Veiligheid op gezondheidsgebied: een collectieve verplichting en een nieuw recht”

(2005/C 120/10)

Op 28 januari 2004 heeft het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde besloten een initiatiefadvies op te stellen over: „Veiligheid op gezondheidsgebied: een collectieve verplichting en een nieuw recht”.

De gespecialiseerde afdeling „Werkgelegenheid, sociale zaken, burgerschap ”, die met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 22 september 2004 goedgekeurd. Rapporteur was de heer BEDOSSA.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 412e zitting van 27 en 28 oktober 2004 (vergadering van 27 oktober) het volgende advies uitgebracht, dat met 164 stemmen vóór en 3 stemmen tegen, bij 7 onthoudingen, werd goedgekeurd:

1.   Inleiding

1.1

De veiligheid van de Europese burgers op gezondheidsgebied, die een elementair onderdeel van volksgezondheid is, houdt in dat de bevoegde overheidsorganen zich beter kwijten van hun collectieve verantwoordelijkheid op gezondheidsgebied (zelfs al gaat het soms om bio-terrorisme) en dat de burgers hun nieuwe recht uitoefenen om op een transparante manier geïnformeerd te worden over de beslissingen van deze organen.

1.2

„Veiligheid” en „gezondheidszorg” zijn twee termen die doorgaans met elkaar in verband worden gebracht, maar zonder dat het verband tussen beide zichtbaar is gemaakt. Daarbij is „volksgezondheid” nog steeds een concept dat niet helemaal is ingeburgerd ten gevolge van maatschappelijke inertie en een geneeskundige traditie gestoeld op individuele diagnostische en therapeutische handelingen.

1.3

De recente schokkende gebeurtenissen in Europa illustreren duidelijk dat gezondheidsrisico's niet langer een puur medische, maar ook een maatschappelijke en politieke aangelegenheid zijn geworden. Daarom is de uitwerking van een strategie voor veiligheid op gezondheidsgebied een zaak van iedereen, en meer bepaald van de beleidsverantwoordelijken: vanaf nu moeten de burgers erop kunnen vertrouwen dat hun die veiligheid wordt gegarandeerd.

1.4

Veiligheid op gezondheidsgebied ontstaat niet in het luchtledige, maar is een verrijking van en vormt een aanvulling op de traditionele domeinen van volksgezondheid, en in het bijzonder van epidemiologie, en bouwt voort op het gedachtegoed en de controlemechanismen die zich hebben ontwikkeld met betrekking tot medicatie. De noodzaak ervan dringt zich op naarmate de iatrogene effecten van alle medische handelingen duidelijk worden.

1.5

Qua methode is er geen verschil tussen dit streven naar veiligheid en geneeskunde. In beide gevallen wordt stapsgewijs voortgeschreden, waarbij opeenvolgende kansberekeningen op een bepaald tijdstip tot keuzen leiden, die afhankelijk zijn van hoe de kosten/baten-verhouding en de risico's worden ingeschat. De kwaliteit van de veiligheid is indicatief voor de kwaliteit van de gezondheidszorg.

1.6

Veiligheid op gezondheidsgebied berust dus op handelingen van medische aard, maar vergt tegelijkertijd ook dringend een echte methodologie en een engagement van de overheid voor veiligheid op gezondheidsgebied. Veiligheid bestrijkt natuurlijk een veel groter gebied, aangezien daarmee moet worden ingespeeld op de onophoudelijke medische vooruitgang.

1.7

Het concept van „veiligheid” is noodzakelijkerwijs onderhevig aan veranderingen, bijvoorbeeld wanneer voor bioterroristische aanslagen wordt gevreesd. Men kan zich niet tevreden stellen met verstarde formules: er moet worden gezocht naar een evenwicht tussen het nastreven van een onbereikbare volledige veiligheid enerzijds en verwaarlozing of bewuste niet-inmenging anderzijds. Voor een efficiënter wordende gezondheidszorg is er behoefte aan veiligheid op gezondheidsgebied; hierin bestaat het onderscheid met de armste landen ter wereld, waar het enige probleem vooralsnog is dat er nog moet worden gewerkt aan de fundamenten van de structuren voor volksgezondheid.

1.8

In de Europese Unie, die rijker is en een traditie heeft van mutualisme, is de tijd rijp voor de institutionalisering van het streven naar veiligheid. Alle middelen moeten worden ingezet om beslissingen op dit gebied te bespreken en vooral ook openbaar te maken, zodat de EU-burgers een alternatief wordt geboden voor paniek of geheimhouding; alleen zo zal Europa op het vlak van volksgezondheid als democratie tot wasdom komen.

2.   Ontstaansgeschiedenis van de communautaire aanpak

2.1

Vóór het Verdrag van Maastricht betreffende de Europese Unie (7 februari 1992) werd in de communautaire teksten slechts terloops gesproken over gezondheidsbeleid. Het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) van 25 maart 1957 omvat specifieke bepalingen met betrekking tot de bescherming van de bevolking tegen de gevaren van ioniserende stralen.

2.2

In het Verdrag van Rome (25 maart 1957) komt „gezondheidsbescherming” echter slechts indirect aan bod in artikel 30 (ex artikel 36), waarin het volgende is bepaald:

2.2.1

„De bepalingen van de artikelen 28 en 29 vormen geen beletsel voor verboden of beperkingen van invoer, uitvoer of doorvoer, welke gerechtvaardigd zijn uit hoofde van bescherming van de openbare zedelijkheid, de openbare orde, de openbare veiligheid, de gezondheid en het leven van personen, dieren of planten, het nationaal artistiek historisch en archeologisch bezit of uit hoofde van bescherming van de industriële en commerciële eigendom. Deze verboden of beperkingen mogen echter geen middel tot willekeurige discriminatie noch een verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten vormen”.

2.3

Het nieuwe artikel 118A (1), dat werd ingevoerd bij de Europese Akte (1986), betekent een uitbreiding van de bevoegdheden van de communautaire instellingen doordat de Europese Commissie voortaan ook voorstellen kan indienen met betrekking tot gezondheid, waarbij een „hoog niveau van bescherming” het uitgangspunt is.

2.4

Een andere indirecte verwijzing naar gezondheidsbescherming staat in het bij de Europese Akte ingevoerde artikel 130R (2) van het Verdrag van Rome, waarin is bepaald dat het milieubeleid van de EU vooral gericht moet zijn op „de bescherming van de gezondheid van de mens”.

2.5

Het Verdrag betreffende de Europese Unie heeft het Europese roer wat gezondheidszorg betreft volledig omgegooid door de opname daarin van een Titel X „Volksgezondheid” (3), waarin is bepaald dat door de Gemeenschap „een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid [wordt] verzekerd”. Het vierde lid van dit artikel 129 (4) stipuleert dat de Raad ter verwezenlijking van de doelstellingen van dit artikel, volgens de procedure van art. 189B (5), stimuleringsmaatregelen of aanbevelingen kan goedkeuren.

2.6

Ook elders in het Verdrag betreffende de Europese Unie wordt gezondheidsbescherming genoemd, zoals in artikel 129A (6), dat handelt over consumentenbescherming, waarin de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van consumenten uitdrukkelijk wordt vermeld.

2.7

Dankzij een precies rechtskader, dat nog zal worden verbeterd door artikel 179 van de ontwerpgrondwet voor Europa, kunnen de Europese instellingen zich nu ook met de volksgezondheid gaan bezighouden. Dat artikel 179 luidt als volgt:

1.

„Bij de bepaling en de uitvoering van het gehele beleid en optreden van de Unie wordt een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid verzekerd”.

2.

„Het optreden van de Unie, dat een aanvulling vormt op het nationale beleid, is gericht op verbetering van de volksgezondheid, preventie van ziekten en aandoeningen bij de mens, en het wegnemen van bronnen van gevaar voor de lichamelijke en geestelijke gezondheid. Dit optreden omvat: a) de bestrijding van grote bedreigingen van de gezondheid, door het bevorderen van onderzoek naar de oorzaken, de overdracht en de preventie daarvan, alsmede door het bevorderen van gezondheidsvoorlichting en gezondheidsonderwijs; ...”

2.8

De nieuw opgerichte organen (bv. het Europees Geneesmiddelenbureau) kunnen hun invloed nog versterken doordat de Europese instellingen steeds nauwer gaan samenwerken met derde landen en met de grote internationale organisaties (m.n. de Wereldgezondheidsorganisatie, de Raad van Europa, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, het Internationaal Agentschap voor Atoomenergie inzake bescherming tegen radioactieve stralen, en het VN-bureau voor drugscontrole en misdaadpreventie in verband met drugsverslaving). Die samenwerking moet zeker worden voortgezet en uitgebreid.

3.   De beginselen voor veiligheid

3.1   De besluitvorming

3.1.1

Medici nemen besluiten in een universum vol onzekerheden: hiaten in de kennis over pathologieën en de gevolgen en risico's van behandelingen, feilbaarheid van de medische informatie over patiënten, van de gekozen bijkomende onderzoeken, van de medische apparatuur, onnauwkeurigheden in de communicatie tussen dokter en patiënt waarin emotie en ongerustheid overheersen en in het klinisch onderzoek dat van nature approximatief is.

3.1.2

Een medische handeling is vaak het resultaat van een opeenvolging van waarschijnlijkheidsberekeningen op grond waarvan besluiten worden genomen in een context vol onzekerheid: hoe meer keuzes en beslissingen aan een diagnose of behandeling voorafgaan, hoe groter het risico of zelfs de waarschijnlijkheid dat een vergissing wordt gemaakt, hoewel dit niet noodzakelijkerwijs behoeft te betekenen dat daarbij sprake is van schuld.

3.1.3

Er is geen medische beslissing of handeling zonder imponderabilia: er blijft altijd een factor over die de wetenschap nog niet volledig beheerst en waardoor risico's statistisch gezien nooit volledig kunnen worden uitgesloten. Een en ander maakt nu eenmaal onlosmakelijk deel uit van de geneeskunde.

3.1.4

De onveiligheid op gezondheidsgebied heeft niet alleen menselijke oorzaken, zoals vergissingen al dan niet met schuld van de arts, maar ook feitelijke oorzaken, zoals de dan wel bekende, maar statistisch gezien onvermijdelijke risico's gezien de stand van de wetenschap, alsook onbekende risico's die nooit kunnen worden uitgesloten.

3.1.5

Men kan onmogelijk praten over veiligheid op gezondheidsgebied zonder deze fundamentele eigenschappen van de medische besluitvorming aan te stippen. Wanneer de gezondheid of het leven op het spel staan, is het vaak moeilijk zich erbij neer te leggen dat de mogelijkheden beperkt zijn. Helaas is er geen medische handeling zonder risico's, zoals er geen leven is zonder risico's.

3.2   De afweging van baten en risico's

3.2.1

Wat geldt voor de besluiten die medici moeten nemen, geldt ook voor de publieke besluitvorming inzake volksgezondheid: geen besluit nemen, is evengoed een beslissing als elke andere handeling, waarvoor men schuld kan dragen.

3.2.2

Het komt erop aan de risico's van een therapie af te wegen tegen de risico's van een besluit om de ziekte zich zonder inmenging te laten ontwikkelen. Het irrationele afwijzen van elk risico is in de gezondheidszorg even onverantwoord als het verwaarlozen van risico's.

3.2.3

Die gewoonte om baten en risico's af te wegen, is ver verwijderd van de heersende mentaliteit in de Europese samenleving die erin geslaagd is om de natuurlijke risico's sterk terug te dringen.

3.2.4

Om te bepalen of een handeling of een product veilig is voor de gezondheid, is het belangrijk uit te gaan van een risicoschaal waarmee het kleinste risico, maar geen nul-risico kan worden bepaald. Bij de afweging van baten en risico's moeten vijf criteria in het oog worden gehouden:

hoogte van het risico

realiteit

frequentie

duur

noodzaak.

3.2.5

Omdat onzekerheid troef is, moet de overheid, die is blootgesteld aan de al dan niet convergerende druk van de publieke opinie en van de producenten van geneesmiddelen of behandelingsmethoden, dus kiezen tussen de voor de volksgezondheid meest pessimistische en daarom meest behoudende hypothese of de meest plausibele inschatting.

3.2.6

Bovendien moeten beslissingen over gezondheidsmaatregelen soms in crisissituaties worden genomen. Dan dienen de bevoegde instanties niet alleen het hoofd te bieden aan de problemen die opeens op hen afkomen, maar ook aan de dysfunctie van bepaalde systemen en aan de enorme meningsverschillen over de te nemen beslissingen.

3.2.7

Om te vermijden dat overheden in tijden van dringende nood gaan improviseren, zijn er van tevoren vastgelegde en beproefde procedures voor evaluatie, controle en interventie nodig. Daarom is het zinvol crisissituaties uit het verleden te analyseren en na te denken over een methodologie voor veiligheid op gezondheidsgebied.

3.2.8

Los van mogelijke wetenschappelijke en medische zekerheden, blijft bij de afweging van baten en risico's toch vaak een diepe kern van overtuiging een rol spelen.

4.   Medische factoren

Vijf medische factoren zijn bepalend voor de veiligheid op gezondheidsgebied, nl.:

4.1   Gezondheidsbewaking

4.1.1

Net zoals epidemiologisch toezicht onontbeerlijk is om de volksgezondheid te beschermen, moet er ook een specifieke gezondheidsbewaking zijn: een Europees centrum moet de veiligheid op gezondheidsgebied garanderen (zie par. 6.3).

4.1.2

Deze bewaking heeft tot doel om medische ongevallen en iatrogene pathologieën op te sporen, de onvoorziene of ongewenste neveneffecten van therapeutische protocollen te identificeren, controles uit te voeren en conclusies te analyseren, en de doeltreffendheid van medische-interventiesystemen te evalueren. Al deze voor de veiligheid onontbeerlijke functies vallen onder gezondheidsbewaking.

4.1.3

Deze vorm van bewaking kent internationale ontwikkelingen: onder leiding van de Wereldgezondheidsorganisatie en de Europese Unie zijn systemen voor informatie-uitwisseling en onderlinge waarschuwing opgezet.

4.1.4

In multilaterale teksten is samenwerking op alle niveaus, in alle specialismes en op alle continenten uitgewerkt. Hierdoor kunnen onverwijld de gepaste maatregelen worden genomen om de veiligheid op gezondheidsgebied te garanderen.

4.2   De keuze van therapeutische strategieën

4.2.1

De kwaliteit en veiligheid van een gekozen therapeutische strategie hangen voornamelijk af van de stand van de wetenschap, en bijgevolg van de kennis daarvan waarover de arts beschikt.

De eerste belangrijke factor die bijdraagt tot de verbetering van deze kennis zijn natuurlijk het medisch en farmaceutisch onderzoek, alsook de therapeutische of diagnostische vooruitgang als gevolg daarvan.

De medische basisopleiding is de tweede belangrijke factor als een strategie voor veiligheid op gezondheidsgebied moet worden gekozen: de basisopleiding moet overeenstemmen met de wetenschappelijke evoluties en met de evoluties in de structuur van de gezondheidszorg.

De derde factor is de medische bij- en nascholing: zoals in alle hoogtechnologische en risicosectoren is o.m. het beschikken over de meest recente informatie doorslaggevend voor de veiligheid.

De laatste factor die bijdraagt tot de veiligheid van therapeutische keuzes is de medische evaluatie, die het raakpunt vormt tussen wetenschap, vorming en dagelijkse praktijk van gezondheidswerkers.

Die medische evaluatie kan worden omschreven als het geheel van procedures voor kwaliteitscontrole in de gezondheidszorg.

De evaluatie van de technieken en strategieën voor diagnose en behandeling komt neer op de evaluatie van de instrumenten waarover gezondheidswerkers kunnen beschikken: de medische technologieën, de diagnosemethodes, de medicijnen, en alle procedures en diensten.

Deze kwaliteitsevaluatie waartoe dus ook de kwaliteit van de zorgverlening moet worden gerekend, wordt door de Wereldgezondheidsorganisatie als volgt omschreven:

Kwaliteitsgarantie in de gezondheidszorg houdt in dat alle patiënten een combinatie van diagnostische en therapeutische handelingen wordt geboden waarmee het beste resultaat voor hun gezondheid wordt bereikt, overeenkomstig de huidige stand van de wetenschap, tegen de laagste prijs voor hetzelfde resultaat, en met zo weinig mogelijk iatrogene risico's, met als doel de grootst mogelijke tevredenheid van de patiënt over de procedures, resultaten en menselijke contacten in de gezondheidszorg.

Door die evaluatie moeten tenslotte referenties worden uitgewerkt, d.w.z. dat aanbevelingen moeten worden gedaan die gebaseerd zijn op een al dan niet brede consensus in de orde van artsen of in verenigingen van specialisten. Via dergelijke „consensusconferenties” kunnen op den duur richtlijnen worden uitgewerkt.

4.3   De uitvoering van verzorgende en medische handelingen

4.3.1

Alle bevoegde instanties controleren of de verplichtingen worden nagekomen, en een uitgebreide en zich voortdurend ontwikkelende jurisprudentie verduidelijkt welke middelen gezondheidswerkers moeten inzetten en wat gewetensvolle, aandachtige zorgverlening in overeenstemming met de huidige stand van de wetenschap inhoudt.

4.3.2

Vanzelfsprekend is de manier waarop medische handelingen worden verricht, die erg variabel is naargelang het soort handeling en de bestaande „natuurlijke” risico's, belangrijk voor de veiligheid op gezondheidsgebied.

4.3.3

Alleen door de vergelijking van de moeilijkheden die inherent zijn aan de uitvoering van de medische handelingen, d.w.z. voor een deel van de – marginale – risico's die statistisch gezien kunnen worden uitgesloten, kan worden bepaald aan welke veiligheidsmaatregelen moet worden voldaan. Aan de hand van een afweging van baten en risico's kan dus worden bepaald wat de „standaardgraad van veiligheid” is, d.w.z. een mate van veiligheid die zowel aanvaardbaar als te verwachten is.

4.4   De organisatie en werking van de zorgstructuren

De kwaliteit van de organisatie en werking van de zorgsystemen bepaalt in sterke mate de veiligheid op gezondheidsgebied.

Teneinde die veiligheid te verzekeren, zijn alle publieke en private instellingen verplicht om van bepaalde middelen gebruik te maken, waarvoor regelingen gelden en vergunningen worden afgegeven. Het gezondheidssysteem moet tegemoet kunnen komen aan de behoeften van de bevolking en garanderen dat de gezondheidszorg op de meest veilige manier wordt georganiseerd.

4.5   Het gebruik van medisch materiaal

4.5.1

Voor middelen en goederen die in de gezondheidszorg voor preventie, diagnose of behandeling worden gebruikt, bestaan strikte wettelijke voorschriften, de zogenaamde „topische regelgeving” voor:

medicijnen

medische apparatuur

producten van menselijke oorsprong

reagentia voor laboratoria

stoffen en onderdelen van het menselijke lichaam die voor therapeutische doeleinden worden gebruikt (rechtsgrondslag).

4.5.2

De veiligheidsregels die hierop van toepassing zijn, vormen een ware veiligheidsgarantie.

5.   Voorstellen en aanbevelingen van het EESC

5.1   Administratieve factoren

5.1.1

In de gezondheidszorg van de lidstaten van de Europese Unie wordt nog geen rekening gehouden met de beginselen voor veiligheid op gezondheidsgebied.

5.1.2

Die veiligheid kan niet met een wiskundige berekening of volgens een vast recept worden bereikt, maar steunt op het voorzorgsbeginsel en een kritische ingesteldheid.

5.1.3

Ook vergt die veiligheid een bewustmaking en aanpassing over de grenzen heen. Geloven dat een soort verdedigingslinie mogelijk is waardoor de volgende epidemie kan worden afgeweerd, is een illusie. Gezondheidsrisico's kunnen allerlei vormen aannemen, zijn steeds weer anders en komen meestal totaal onverwacht. Het gedrag bij ziekten evolueert, virussen muteren, ziektekiemen verspreiden zich.

5.2   Duidelijk afgebakende bevoegdheden

5.2.1

Bij gebrek aan een specifieke rechtsgrondslag voor de bescherming van de volksgezondheid, worden in sommige Europese landen oneigenlijke of onduidelijke regels toegepast. Zo worden vooral soms abusievelijk regels van de sociale zekerheid toegepast, waarmee gezondheidsoverwegingen en economische belangen met elkaar worden verward: hoewel terecht moet worden stilgestaan bij de kosten van de gezondheidszorg en een zo rationeel mogelijk gebruik van de beperkte middelen moet worden nagestreefd, is het gevaarlijk deze twee door elkaar te halen.

5.2.2

De efficiëntie, kwaliteit en onschadelijkheid van een middel of therapie beoordelen is iets anders dan besluiten dat deze al dan niet moeten worden vergoed. De besluitvorming inzake gezondheidszorg wordt bemoeilijkt doordat meerdere instanties over de beslissing gaan.

5.2.3

Bevoegdheden vastleggen is verantwoordelijkheden bepalen en derhalve aanduiden wie gezaghebbend is op gezondheidsgebied en wie daarvoor de morele, administratieve en/of rechterlijke verantwoordelijkheid op zich neemt. Deze verantwoordelijkheden kunnen alleen ten volle worden gedragen als er in de wetteksten geen lacunes of onduidelijkheden zijn die aanleiding geven tot conflicten en maatregelen die de te maken keuzes ondermijnen.

5.3   Een erkend bestuurslichaam voor volksgezondheid

5.3.1

Europees bestuur op gezondheidsgebied is nog maar nauwelijks van de grond gekomen en de juridische onderbouwing daarvan is nog heel zwak. Door de beperktheid van de middelen ontbreekt ook iedere medische legitimiteit. Hierin moet verbetering komen.

5.3.2

Om efficiënt te zijn, moeten publieke acties daarvoor legitimiteit hebben, en een bestuurlijke overheid voor de volksgezondheid kan alleen de veiligheid op gezondheidsgebied garanderen als ze beschikt over een dubbele legitimiteit: zowel de bevoegde instanties van elke EU-lidstaat moet die overheid erkennen als de publieke opinie, d.w.z. de consumenten.

5.3.3

Wetenschappelijke en medisch-technische geloofwaardigheid vereist meer middelen, meer hooggeschoold technisch personeel en meer samenwerking tussen alle Europese en nationale instellingen.

5.3.4

Voor een dergelijke overheid zijn vijf cruciale functies geïdentificeerd: aanbevelen, toezicht houden, controleren, taxeren en evalueren.

5.3.5

De oprichting van een Europees netwerk voor de volksgezondheid is een bewijs dat bij alle Europese overheden de wil bestaat om de actoren van de volksgezondheid te verenigen en de in elk van de EU-lidstaten bestaande instrumenten voor gezondheidsbewaking coherenter en doeltreffender te maken.

5.4   De noodzaak van een externe expertise

5.4.1

Hoe uitmuntend de technische en wetenschappelijke kwaliteiten van de diensten die voor de veiligheid op gezondheidsgebied instaan, ook zijn, toch moet het traditionele en achtenswaardige beginsel van hoor en wederhoor worden toegepast.

5.4.2

Door een beroep te doen op onafhankelijke deskundigen wordt tegemoet gekomen aan de wens om de Europese organen te laten profiteren van de grootste of meest gespecialiseerde vakkundigheid op dit gebied. Dankzij deze dialoog kan de informatie die al vóór de besluitvorming beschikbaar is, verder worden verfijnd en aangevuld.

5.4.3

Op erg gevoelige of uiterst gespecialiseerde gebieden lijkt het zelfs onontbeerlijk om buitenlandse deskundigen met wereldfaam aan te trekken. Die openstelling aan de wereld kan tot gevolg hebben dat tussen alle betrokken landen een consensus wordt bereikt, waardoor wordt vermeden dat vertraging wordt opgelopen die voor iedereen (zieken en allerhande betrokkenen) alleen maar schadelijk zou zijn.

5.4.4

Door die openstelling kan de EU uitstijgen boven de kleingeestigheden die het gevolg zijn van culturele gewoonten in de gezondheidszorg of van het soort opleiding dat de artsen in de verschillende landen genieten.

5.5   De scheiding van de functies van deskundige, besluitvormer en beheerder

5.5.1

De bevoegdheid om in de gezondheidszorg al dan niet te verbieden of al dan niet toe te staan, die de facto bij de besluitvormer ligt, kan alleen maar rechtmatig worden uitgeoefend als daarbij rekening wordt gehouden met alle gegevens over de desbetreffende volksgezondheidsproblematiek.

5.5.2

Baten en risico's moeten steeds worden afgewogen. Zo'n afweging mag niet puur wetenschappelijk zijn en mag niet worden afgedwongen door de beheersinstantie of door een betrokkene die een materieel of intellectueel belang heeft bij de bekendmaking daarvan.

5.5.3

Net zoals de taakverdeling tussen deskundigen en besluitvormers moet worden verhelderd, moeten ook de betrekkingen tussen deskundigen en beheersinstanties transparant zijn. Hierbij dient een strikte ethiek van deskundigheid te worden bekrachtigd en gerespecteerd. Dit is niet altijd even vanzelfsprekend, vooral als het gaat om een erg gespecialiseerd probleem waar maar weinig deskundigen in thuis zijn, die dan bovendien ook nog vaak nauwe banden zijn aangegaan met de betrokken instellingen of bedrijven.

5.5.4

Met het oog op de transparantie die de besluitvorming over veiligheid op gezondheidsgebied moet kenmerken, dienen deskundigen aan de gezondheidsinstanties kenbaar te maken of zij speciale banden onderhouden met organen, ondernemingen of personen die belang hebben bij de uitkomst van de expertises.

5.5.5

De Europese Gemeenschap is begonnen met het uitwerken van dergelijke procedures: een veralgemening van procedures die de door de deskundigen zelf gewenste transparantie moeten garanderen, waarborgt een zo groot mogelijke objectiviteit van de expertises.

5.6   Transparentie van de besluitvorming

5.6.1

Het is met nieuwe gezondheidsbedreigingen als met nieuwigheden in het algemeen: ze brengen zekerheden aan het wankelen en zetten gewoonten op hun kop.

5.6.2

De intellectuele reactie daarop moet steeds dezelfde zijn: „l'écoute des silences (7).

5.6.3

Ongeacht de kwaliteit van het ingevoerde bewakingsysteem, kan nooit worden uitgesloten dat de samenleving weigert om een gevaar onder ogen te zien.

5.6.4

Een publiek debat is onontbeerlijk. Patiënten, alsook artsen die niet tot de kring van deskundigen behoren, moeten hun mening kunnen geven, klemmende vragen kunnen stellen en alarm kunnen slaan.

5.6.5

Aan dit soort inspraak moet structuur worden gegeven, om onnodige paniek te voorkomen.

5.6.6

Dit „pluralisme in de gezondheidszorg”, dat onontbeerlijk is om de kans te vergroten dat nieuwe drama's worden voorkomen, vooronderstelt dat de besluitvorming steeds transparanter wordt. Zonder het medisch of industrieel geheim in gevaar te brengen, moeten de resultaten van expertises, alsook de motieven voor beslissingen inzake gezondheidszorg, openbaar worden gemaakt.

5.7   Gedragscode voor communicatie omtrent veiligheid op gezondheidsgebied

5.7.1

Hoewel communicatie in de gezondheidszorg gemeengoed is geworden, blijven hieraan eigenschappen kleven, die vooral erg expliciet naar voren komen als het gaat om de veiligheid op gezondheidsgebied.

5.7.2

Communicatie omtrent deze thema's komt vaak neer op praten over ziekte of dood. Transparantie en juiste dosering zijn dan ook geboden als het erom gaat deze delicate opdracht van de gezondheidszorg tot een goed einde te brengen.

5.7.3

Transparantie is onontbeerlijk als garantie voor vertrouwen. Alleen door transparantie kan de ongerustheid worden voorkomen die het gevolg is van uitgelekte informatie, die vooral sensatie veroorzaakt vanwege de waas van geheimzinnigheid eromheen.

5.7.4

Transparantie is net zo goed een plicht voor overheidsdiensten en medische instellingen als informatieverstrekking een plicht is voor een arts. Aangezien het gaat om risico's die ieders gezondheid bedreigen, is het hun „plicht om de waarheid te vertellen”.

5.7.5

Maar deze morele plicht moet worden vervuld in de juiste dosering. Hoewel informatie vaak in noodsituaties wordt verstrekt, moet ze begrijpelijk en wetenschappelijk onderbouwd zijn; verwarring, sensatiezucht en paniek zaaien dienen te worden voorkomen. Daartoe moeten er functioneringsregels worden vastgelegd in overleg met de media, gezondheidswerkers, patiëntenverenigingen en de overheid. Geheimhouding is niet het enige alternatief voor paniek.

5.8   Routine-communicatie

5.8.1

Informatie over hun gezondheidstoestand kan bij patiënten altijd heftige emoties losmaken.

5.8.2

Er bestaat een kwalitatief onderscheid tussen informatie bestemd voor artsen en informatie voor het grote publiek.

5.8.3

Het eerste soort informatie gaat ervan uit dat de doelgroep wetenschappelijke voorkennis heeft. Ze wordt verspreid langs geheel eigen kanalen: cursussen, lezingen, congressen, industriële en vakverenigingen.

5.8.4

Wil men verkeerde interpretaties of paniek voorkomen, dan mag er bij communicatie met het grote publiek niet worden verondersteld dat de nodige medische kennis aanwezig is om de reikwijdte van de verspreide informatie naar behoren in te schatten. Er moet worden gestreefd naar een evenwicht tussen de onontbeerlijke verspreiding van informatie over nieuwe of traditionele behandelingen enerzijds, en het risico dat deze informatie verkeerd kan worden begrepen anderzijds.

5.8.5

De verstrekte informatie kan bij de bevolking onnodige paniek of overdreven reacties veroorzaken, of valse hoop wekken. Voorlichting draagt ertoe bij dat de bevolking meer te weten komt over gezondheid, waardoor het beleid inzake hygiëne, risicopreventie en preventieve gezondheidszorg aan doeltreffendheid wint.

5.9   Crisiscommunicatie

5.9.1

In medische noodsituaties of in het geval van een ernstige bedreiging van de volksgezondheid worden aan de voorlichting drie eisen gesteld:

Ten eerste moet de hoeveelheid informatie die wordt gegeven, nauwgezet zijn afgestemd op de ernst van het gezondheidsrisico.

De tweede eis houdt verband met het feit dat de informatie de bevolking niet alleen meer kennis moet bijbrengen, maar ook gedragsveranderingen teweeg moet brengen. Informatie moet dus doelgericht zijn, d.w.z. enerzijds ongelukken voorkomen of de schaal van ongelukken beperken, zonder onnodige ongerustheid te veroorzaken, en anderzijds het recht van de burgers om te weten wat er gebeurt, respecteren en erop toezien dat de media zich houden aan hun ethische plicht om alarmerende, sensationele berichtgeving te vermijden.

Ten derde moet bij de verstrekking van cruciale informatie ook rekening worden gehouden met de verschillende doelgroepen en met de volgorde waarin zij moeten worden bereikt.

5.9.2

De pers is in alle gevallen van doorslaggevend belang voor het welslagen van de crisiscommunicatie. Soms moeten de media aanvaarden dat het grote publiek niet mag worden geïnformeerd zolang de gezondheidswerkers zelf nog niet over alle informatie beschikken. Ook daarom is het nodig om gespecialiseerde journalisten op te leiden die in staat zijn om de situatie te begrijpen en daarvan op een correcte manier verslag uit te brengen.

5.9.3

Dit is een moeilijke opgave, omdat bijvoorbeeld het kwantificeren van de ongewenste effecten, hun imputatie, de invloed van de media op het aantal meldingen, en de globale inschatting van het risico moeizame en complexe analyses vereisen, terwijl het grote publiek onmiddellijk informatie wil ontvangen in eenvoudige, gevoelige bewoordingen.

6.   Conclusie

6.1

Het Europees Economisch en Sociaal Comité is zich bewust van de ernst van de opeenvolgende crises die de wereld tijdens de voorbije twee decennia hebben doen opschrikken (de razendsnelle opkomst van AIDS, de catastrofes met besmet bloed, de volksgezondheidscrises ten gevolge van SARS en legionellose, de dreiging van bioterroristische miltvuuraanslagen) en stelt daarom voor om regelmatig Europese volksgezondheidscongressen op hoog niveau te houden.

6.2

De bedoeling zou zijn om tijdens deze conferenties de vereiste collectieve maatregelen te bespreken, precieze informatie over de crises uit te wisselen, een gecoördineerde respons uit te werken, de van buitenaf komende risico's te evalueren, en ertoe bij te dragen dat snel diagnoses kunnen worden gesteld en adequate oplossingen kunnen worden gevonden.

6.3

Het Europees Economisch en Sociaal Comité dringt erop aan dat het toekomstige Europees Centrum voor ziektepreventie en –bestrijding (aangevraagd door de Europese Raad van Stockholm) reeds nu een ruim en sterk mandaat krijgt om pertinente en permanente rapporten op te stellen in het domein van volksgezondheid en om de Europese lidstaten aan te zetten tot het nemen van de nodige maatregelen, met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel.

6.4

Het Europees Economisch en Sociaal Comité beschouwt zichzelf als het ideale forum om het Europese maatschappelijk middenveld van de problematiek bewust te maken en zonodig te waarschuwen.

6.5

Het Europees Economisch en Sociaal Comité vraagt dat alle betrokkenen zich actief inzetten voor de volksgezondheid: nu de crises in de volksgezondheid steeds meer een mondiaal karakter krijgen, moet de mogelijkheid bestaan om ervaringen uit te wisselen.

6.6

Het Europees Economisch en Sociaal Comité pleit voor een uitgebreid voorlichtingsbeleid op Europese schaal, met als consequentie dat alle actoren en persdiensten die op dit gebied een specifieke verantwoordelijkheid dragen, een speciale opleiding krijgen.

6.7

Het Europees Economisch en Sociaal Comité onderstreept dat zijn aanbevelingen onderling samenhangen en dat de tenuitvoerlegging ervan veel inspanningen vereist van de lidstaten, nl.:

versterking van de bestuurlijke capaciteiten, met grensoverschrijdende aanpassingen, en een bestuur dat overal wordt erkend en geaccepteerd;

ondersteuning van dat bestuur door de toekenning van bevoegdheden en rechtsinstrumenten;

transparantie van de besluitvormingsprocedures en consolidatie van een door alle partijen nageleefde gedragscode inzake communicatie omtrent veiligheid op gezondheidsgebied;

vergroting van de samenwerking en opname in een wereldwijd netwerk van alle instellingen voor gezondheidsbewaking en toezicht (Europese Unie, Wereldgezondheidsorganisatie, Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, Raad van Europa, en grote nationale organisaties zoals die van de VS in Atlanta - Center of diseases, enz.).

Brussel, 27 oktober 2004

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

A.-M. SIGMUND


(1)  Thans: art. 138 (nvdv)

(2)  Thans: art. 174 (nvdv)

(3)  Thans titel XIII (nvdv)

(4)  Thans art. 152 (nvdv)

(5)  Thans art. 251 (nvdv)

(6)  Thans art. 153 (nvdv)

(7)  „L'écoute des silences”, titel van een boek waarin Thierry Gaudin zijn theorie over technologische vernieuwing uiteen zet, vrij te vertalen als „tussen de regels lezen” (tegenstelling tussen wat met zoveel woorden wordt gezegd en de verzwegen impliciete tegenstrijdigheden die tot innovatie aanzetten) (nvdv).


20.5.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 120/54


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité: Mededeling van de Commissie „Follow-up van het denkproces op hoog niveau over de mobiliteit van patiënten en de ontwikkelingen in de gezondheidszorg in de Europese Unie”

(COM(2004) 301 def.)

(2005/C 120/11)

Procedure

De Europese Commissie heeft op 20 april 2004 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig de bepalingen van art. 262 van het EG-Verdrag te raadplegen over bovenvernoemd voorstel.

De gespecialiseerde afdeling „Werkgelegenheid, sociale zaken en burgerschap”, die met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 22 september 2004 goedgekeurd; rapporteur was de heer BEDOSSA.

Het Comité heeft tijdens zijn 412e zitting van 27 en 28 oktober 2004 (vergadering van 27 oktober) het volgende advies uitgebracht dat met 170 stemmen vóór, drie stemmen tegen, bij zes onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Inleiding

De gezondheidsstelsels en het gezondheidsbeleid in de lidstaten van de Europese Unie zijn steeds meer onderling verweven, en nationale gezondheidsautoriteiten vergelijken onvoldoende geldende, al dan niet Europese systemen (en wanneer zij al een vergelijking maken, doen zij dit impliciet), alvorens beslissingen te nemen.

1.1

Voor deze ontwikkeling zijn er verschillende redenen, die met elkaar samenhangen.

Eerst en vooral heeft het publiek in Europa, en ook daarbuiten, steeds hogere verwachtingen.

De recente uitbreiding van de Europese Unie maakt dat de toetredingslanden hun burgers steeds modernere gezondheidsdiensten moeten aanbieden.

Belangrijke technologische innovaties maken het mogelijk nieuwe praktijken en therapieën te hanteren die de burgers steeds hoogwaardiger gezondheidszorgen verstrekken.

Europese burgers kunnen door de nieuwe informatietechnieken waarover ze beschikken, de diagnose- en behandelingsmethoden in de verschillende EU-lidstaten vrijwel meteen met elkaar vergelijken, waardoor zij, terecht en om begrijpelijke redenen, ook meer eisen zullen gaan stellen ten aanzien van de middelen waarmee de beste resultaten kunnen worden bereikt.

1.2

Dit doet onvermijdelijk problemen rijzen voor het gezondheidsbeleid, wat zowel kwaliteit en toegankelijkheid van grensoverschrijdende zorg, als informatiebehoeften van patiënten, gezondheidswerkers en beleidsmakers betreft.

1.3

Om bovenstaande redenen is het noodzakelijk nu reeds een evaluatie te maken van het nationale gezondheidsbeleid dat aan al deze eisen tegemoet moet komen, gelet op de geleidelijk toenemende Europese verplichtingen die de Europese burger nieuwe rechten verlenen.

1.4

Deze nieuwe situatie verklaart het debat, dat wordt gevoerd tussen enerzijds degenen die het standpunt verdedigen dat deze nieuwe vrijheid tot een gevaarlijke destabilisering van de geldende gezondheidsstelsels zal leiden en van mening zijn dat beperking van patiëntenmobiliteit het gemakkelijker maakt kosten en prioriteiten van de systemen te controleren, en anderzijds degenen die juist pleiten voor patiëntenmobiliteit, die ook interoperabiliteit van systemen, gebruik van dezelfde indicatoren, uitwisseling van goede praktijken en een efficiëntere bundeling van middelen mogelijk maakt. Het streven zou zonder meer moeten zijn dat deze laatste redenering wordt gevolgd, met alle gevolgen van dien voor de harmonisering van de nationale stelsels.

2.   Achtergrond

2.1

In zijn initiatiefadvies van 16 juli 2003 (1) heeft het Europees Economisch en Sociaal Comité gezondheid gedefinieerd „als een hoog goed in onze samenleving. Deze constatering geldt zowel op het niveau van de burgers en hun gezinnen als op het niveau van de staat”. Het Comité concludeerde dat „het graag zou zien dat de gehele problematiek van de gezondheidszorg een apart beleidsterrein wordt, met inachtneming van het bestaande politieke en juridische kader van de Unie”.

2.2

In dat advies heeft het EESC argumenten ontwikkeld en denksporen en analysemethoden voorgesteld die het ook heeft teruggevonden in de twee vorige mededelingen van 20 april 2004 die de Europese Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's heeft gepresenteerd.

2.3

De thans voorliggende mededeling was voorts noodzakelijk geworden door de publicatie op 9 februari 2004 van de ontwerprichtlijn betreffende diensten, waarvan de delen over sociale bescherming en gezondheidszorg door hun onduidelijke formulering veel stof hebben doen opwaaien. Beide onderdelen van de richtlijn moeten nauwkeuriger worden geformuleerd om voldoende rekening te kunnen houden met het bijzondere karakter van deze diensten, die de burger bescherming bieden en een gelijke behandeling waarborgen.

2.4

De Commissie is tegelijkertijd met deze twee mededelingen gekomen omdat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, sinds het arrest Kroll van 28 april 1998 tot het arrest Leichte van 18 maart 2004, voor een uitgebreide jurisprudentie heeft gezorgd, die het de Europese burgers thans mogelijk maakt zich in een andere EU-lidstaat te laten verzorgen; het Hof heeft tevens de voorwaarden verduidelijkt waaronder gezondheidsuitgaven kunnen worden terugbetaald.

2.5

Vanaf 1 juni 2004 kan dit recht op terugbetaling worden aangetoond met de toekomstige Europese ziekteverzekeringskaart (2), die in de plaats komt van het formulier E111.

2.6

De uiteenlopende situatie en context op gezondheidsgebied in de verschillende EU-lidstaten kunnen ertoe leiden dat burgers naar de meest doeltreffende systemen op zoek gaan, met als gevolg dat de Europese referentiecentra op gezondheidsgebied overstelpt raken en lam worden gelegd, terwijl ook de instrumenten voor sociale bescherming overbelast dreigen te raken omdat zij niet berekend zijn op stromen van patiënten die uit andere landen komen. In dit verband kan de nieuwe verordening 1408/71 nieuwe complexe situaties doen ontstaan.

2.7

Het is dus zaak een Europees beleid te ontwikkelen dat de meest ambitieuze doelstellingen nastreeft, zelfs wanneer dit zou betekenen dat daarvoor de prerogatieven van de nationale zorgstelsels moeten worden aangepast.

2.8

De nauwgezette analyse in het EESC-initiatiefadvies van 16 juli 2003 stemt in ruime mate overeen met het denkproces op hoog niveau dat door de Europese Commissie is gelanceerd. De thema's van de aanbevelingen worden in het ontwerpadvies vermeld en geanalyseerd: Europese samenwerking, informatiebehoeften van patiënten, gezondheidswerkers en beleidsmakers, toegang tot kwalitatief hoogstaande gezondheidszorg, verzoening van het nationale gezondheidsbeleid met de Europese verplichtingen, enz.

3.   Algemene opmerkingen

3.1

In de mededeling over „patiëntenmobiliteit” is een aantal concrete voorstellen opgenomen, die verschillende gebieden bestrijken en ertoe strekken de doelstelling van een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van de mens, zoals in het Verdrag wordt verlangd, in het communautaire beleid te integreren.

3.2

Het Gemeenschapsrecht verleent burgers het recht zich in een andere lidstaat te laten behandelen en die behandeling vergoed te krijgen. De jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie en het voorstel voor een richtlijn betreffende diensten op de interne markt verduidelijken de voorwaarden waaronder patiënten de behandeling in een andere lidstaat dan die waar zij verzekerd zijn, vergoed kunnen krijgen. In de praktijk is het voor de burger echter niet altijd eenvoudig om deze rechten te doen gelden.

3.3

Daarom moet een Europese strategie worden uitgestippeld waarmee het volgende beoogd wordt.

3.3.1

De Europese samenwerking moet worden bevorderd om de beschikbare middelen beter te benutten.

Rechten en plichten van patiënten: de Europese Commissie zal maatregelen nemen om verder onderzoek te doen naar de mogelijkheid om op Europees niveau een consensus te bereiken over de individuele en sociale rechten en plichten van de patiënt.

Gezamenlijk benutten van vrije capaciteit en transnationale zorg: de Europese Commissie zal werkzaamheden ondersteunen ter evaluatie van de bestaande grensoverschrijdende gezondheidsprojecten, met name Euregio-projecten, en zal bekijken hoe netwerkvorming tussen deze projecten kan worden bevorderd om beste praktijken uit te wisselen.

3.3.2

Teneinde een helder en transparant kader voor de inkoop van gezondheidszorg op te zetten, waarvan de bevoegde instanties in de lidstaten kunnen uitgaan wanneer zij met elkaar overeenkomsten aangaan, zal de Europese Commissie de lidstaten vragen informatie over bestaande regelingen te verstrekken, en passende voorstellen terzake te formuleren.

Gezondheidswerkers: de Commissie zal de lidstaten verzoeken om via de structuren voor de erkenning van beroepskwalificaties actuele en volledige statistieken te verstrekken over het verkeer van gezondheidswerkers. De Commissie zal met de Raad en het Parlement verder werken aan eenvoudige en transparante erkenningprocedures.

De Commissie zal samen met de lidstaten de voorbereidende werkzaamheden voortzetten om te zorgen voor een adequate vertrouwelijke uitwisseling van informatie met betrekking tot het vrije verkeer van gezondheidswerkers.

De Commissie verzoekt de lidstaten om de problemen in verband met de huidige en toekomstige tekorten aan gezondheidswerkers in de Unie te bestuderen.

Europese referentiecentra: de Europese Commissie zal, vooraleer voorstellen te formuleren, een oproep doen in het kader van het volksgezondheidsprogramma om in te schrijven op een aanbesteding die erop gericht is de referentiecentra in kaart te brengen.

Evaluatie van gezondheidstechnologie: de Commissie zal zorgen voor een coördinatiemechanisme voor de evaluatie van gezondheidstechnologie. Zij zal met het oog daarop specifieke voorstellen presenteren.

3.3.3

Aan de informatiebehoeften van patiënten, gezondheidswerkers en beleidsmakers moet tegemoet worden gekomen.

Informatiestrategie over de zorgstelsels: de Europese Commissie zal, voortbouwend op de resultaten van het volksgezondheidsprogramma, een kader voor gezondheidsinformatie op EU-niveau uitwerken, waarin vanuit het perspectief van beleidsmakers, patiënten en gezondheidswerkers met name de verschillende informatiebehoeften en de wijze van verstrekking van die informatie worden vastgelegd, rekening houdend met de werkzaamheden die ook door de WHO en de OESO op dit gebied zijn verricht.

Grensoverschrijdende zorg - motieven en omvang: teneinde na te gaan waarom patiënten naar het buitenland gaan, om welke specialismen het gaat, van welke aard bilaterale overeenkomsten zijn, enz., stelt de Commissie voor hiernaar in het kader van het volksgezondheidsprogramma een specifieke studie te laten uitvoeren. Dit aspect zal tevens worden onderzocht in een onderzoekproject, getiteld „Europa voor patiënten”.

Gegevensbescherming: de Europese Commissie zal met de lidstaten en met de nationale autoriteiten voor gegevensbescherming samenwerken om grotere bekendheid te geven aan de voorschriften voor gegevensbescherming die van toepassing zijn op de gezondheidszorg.

e-gezondheid: de Commissie wordt verzocht de vaststelling van Europese beginselen voor de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van al degenen die betrokken zij bij de aanbieding van gezondheidsdiensten op het internet, te overwegen; zij zal deze kwestie bestuderen in het kader van haar algemene actieplan inzake e-gezondheid, zoals uiteengezet in de mededeling „e-Health - making healthcare better for European citizens: an action plan for a European e-Health area”.

3.3.4

De rol van de Unie in de verwezenlijking van gezondheidsdoelstellingen moet worden versterkt.

Betere integratie van de gezondheidsdoelstellingen in alle Europese beleidsonderdelen en activiteiten: de Europese Commissie zal samenwerken met de lidstaten, teneinde informatie te verzamelen en hun standpunt te vernemen over de wijze waarop de verschillende toegangsmogelijkheden voor de gezondheidszorg in andere lidstaten functioneren en de effecten daarvan, met name ten aanzien van de toegangsmogelijkheden die voortvloeien uit Europese regelgeving.

De Commissie zal bovendien op bestaande gezondheidseffectbeoordelingsprojecten voortbouwen om ervoor te zorgen dat bij de algemene effectbeoordeling van toekomstige Commissievoorstellen ook rekening wordt gehouden met het effect op de gezondheid en de gezondheidszorg.

Invoering van een mechanisme ter ondersteuning van de samenwerking op het gebied van gezondheidsdiensten en medische zorg: de Commissie wordt verzocht de ontwikkeling te overwegen van een permanent mechanisme op EU-niveau ter ondersteuning van de Europese samenwerking op het gebied van de gezondheidszorg en ter controle van het effect van de EU op de zorgstelsels; met het oog daarop heeft zij een Groep op hoog niveau inzake gezondheidsdiensten en medische zorg in het leven geroepen.

3.3.5

Er moet worden ingespeeld op de uitbreiding door te investeren in gezondheid en gezondheidsinfrastructuur.

3.3.5.1

In het denkproces is de Commissie, de lidstaten en de toetredende landen verzocht om te overwegen hoe investeringen in gezondheid en de ontwikkeling van gezondheidsinfrastructuur en van vaardigheden als prioritaire gebieden voor financiering in het kader van de bestaande communautaire financiële instrumenten kunnen worden opgenomen, met name in doelstelling 1-regio's. In feite ondersteunt de Unie al investeringen in gezondheid in de „oude” lidstaten, waar dit door de betrokken landen en regio's als een prioriteit is aangemerkt. De uitvoering van deze aanbeveling hangt dus af van de vraag of de betrokken regio's en landen investeringen in gezondheid en gezondheidsinfrastructuur als prioriteit voor Europese steun hebben aangemerkt. De Commissie zal er, via de Groep op hoog niveau inzake gezondheidsdiensten en medische zorg en de geëigende structuren voor de financiële instrumenten in kwestie, samen met de lidstaten voor zorgen dat bij de opstelling van algemene plannen het nodige gewicht aan gezondheid wordt toegekend. De behoefte aan Europese investeringen in de gezondheidsinfrastructuur moet ook aan de orde komen in het kader van de nieuwe financiële vooruitzichten voor de Unie vanaf 2006.

4.   Bijzondere opmerkingen

4.1

Vrij verkeer van patiënten in de lidstaten brengt een aantal problemen met zich, waarvan de gevolgen gemeten, geëvalueerd, geanalyseerd en in aanmerking genomen moeten worden. Eerst en vooral is een grondige kennis van de verschillende sociale beschermingsstelsels noodzakelijk; daarbij moet zo goed mogelijk en op dynamische wijze - d.w.z. door huidige en toekomstige ontwikkelingen te beschrijven – een lijst worden opgesteld van de criteria die aan de instelling van deze stelsels ten grondslag liggen.

4.2

Preventie is ongetwijfeld een van de prioritaire doelstellingen, daar een dergelijk beleid aanzienlijke besparingen kan en moet opleveren en de beste aanpak van het gezondheidsbeleid vormt; de resultaten van een goed preventiebeleid op het gebied van bijvoorbeeld verkeersveiligheid, verspreiding van aids of tabaksgebruik kunnen maar moeilijk worden betwist. De gecombineerde werking van preventiebeleid op deze gebieden zorgt voor spectaculaire resultaten.

4.3

Aan deze, zij het onvolledige, lijst kunnen nog preventiemaatregelen worden toegevoegd op gebieden die thans in het centrum van de belangstelling van alle betrokkenen, gezondheidswerkers, media en beleidsmakers staan, nl. gebruik van verslavende middelen (drugs, alcohol, medicijnen), bevordering van een gezonde levensstijl (lichamelijke beweging, voeding, ontspanning), arbeidsongevallen en beroepsziekten.

4.4

Door de individuele, sociale en familiale risicofactoren te evalueren, kan men een idee krijgen van het aantal te voorkomen vroegtijdige sterftegevallen, alsmede van de kosten die daaruit voortvloeien.

4.5

Technologische vooruitgang op het gebied van medicijnen en onderzoekstechnieken moet leiden tot effectieve vervanging van oude technieken door nieuwe.

4.6

Het gaat er vooral om, efficiëntere regelingen tot stand te brengen die de samenleving uiteindelijk minder kosten, ook al stuiten deze noodzakelijke vernieuwingen op sociale, culturele en/of corporatistische tegenkantingen.

4.6.1

Het is zaak onderzoek te bevorderen naar meer gerichte en doeltreffender acties die de initiatieven van sociale en beroepskringen moeten aanmoedigen, teneinde het gemeenschappelijke gezondheidsbeleid te verbeteren.

4.7

Voor een goede planning van het patiëntenverkeer moet de Unie patiënten uitstekende verzorgings- en medische centra kunnen aanbieden, die niet allemaal geconcentreerd zijn in de rijkste landen die enorm in hun zorgstelsels hebben geïnvesteerd. De Europese Unie moet bijdragen tot de ontwikkeling van instrumenten voor evaluatie, certificering en erkenning, die het mogelijk maken optimaal gebruik te maken van deze nieuwe technologieën en therapieën; de doeltreffendheid van medische of verzorgingscentra van welke aard ook, moet op deze accreditatie- of certificeringprocedures gebaseerd zijn.

4.8

Op basis van deze op kwaliteit gerichte aanpak moet de Europese Unie dit netwerk van centra op zijn grondgebied in kaart kunnen brengen; deze centra zullen onderdak bieden aan wetenschappers en hoog gekwalificeerde deskundigen, die voor het bestaan van de referentiecentra zo belangrijk zijn. Terecht mag worden gehoopt dat dergelijke centra spoedig ook in nieuwe lidstaten van de EU-25 zullen ontstaan, vooral wanneer de Europese Unie werk wil gaan maken van een instrument voor waarneming, analyse en uitwisseling m.b.t. nationale beleidslijnen, met inachtneming van de basisbeginselen van de Verdragen, met name inzake subsidiariteit en nationale bevoegdheid.

4.9

Voortbouwend op deze redenering mag ook ongetwijfeld de harmonisering van de indicatoren voor de volksgezondheid niet uit het oog worden verloren. Deze harmonisering is van nut voor een beter begrip van de gezondheidsdoelstellingen die de Europese Unie wil verwezenlijken: relevante sterfte-indicatoren, te voorkomen mortaliteit, ziektegevallen, en te voorkomen ziektegevallen, die in alle EU-lidstaten niet noodzakelijk op dezelfde wijze worden geïnterpreteerd.

4.10

De verschillen wijzen erop dat de verkregen resultaten kunnen worden verbeterd door de gezondheidszorg op hetzelfde niveau te brengen als in de best presterende lidstaat. Zo is het percentage personen die vijf jaar longkanker hebben overleefd, thans in Frankrijk niet hetzelfde als in Polen. De behandeling van bloedziekten (leukemieën) levert in Engeland niet dezelfde resultaten op als in Frankrijk en hangt af van de gehanteerde protocollen.

4.11

De informatie van patiënten, gezondheidswerkers en beleidsmakers is een basisdoelstelling van de Europese Commissie.

4.12

Wat de patiënten betreft, kan gezondheidsopvoeding helpen het begrip dat de Europese burger zich van gezondheid vormt, met name t.a.v. verwachtingen en gedrag, te verduidelijken. Thans wordt gezondheid beschouwd als een absoluut goed, en ze is in ieder geval een gesteldheid die door alle bevoegde instanties moet worden beschermd. Om aan deze behoefte te voldoen worden steeds meer middelen uitgetrokken voor de volksgezondheid, en niet alleen voor zorg maar in vele gevallen ook voor preventie en milieu, zulks om te voorkomen dat de sociale beschermingsstelsels ontwricht raken.

4.13

Gezondheidsbescherming is een recht geworden en een nieuw machtsmiddel dat de Europese burger zich toeeigent (3).

4.14

Technologische oplossingen, respect voor het privé-leven, beheer van het gedeeld medisch dossier, vrijheid van informatie en gegevensbescherming zijn andere kwesties die zo transparant mogelijk moeten worden besproken, zodat alle betrokkenen zich ervan bewust worden; deze discussie moet bovendien permanent worden gevoerd daar de ontwikkelingen elkaar snel opvolgen en er dringende en/of moeilijke beslissingen moeten worden genomen. Elk van deze thema's is van groot belang voor de drie groepen betrokkenen van de gezondheidszorgdriehoek.

4.15

Verzoening van de nationale doelstellingen met de Europese verplichtingen: bij een vergelijkende analyse van zorgstelsels zijn moeilijke strategische overwegingen aan de orde, die ertoe moeten strekken de Europese samenwerking op het gebied van gezondheidszorg te ondersteunen en de impact van de Europese Unie op de gezondheidsstelsels na te gaan. Zo moet bv. dieper worden ingegaan op horizontale thema's met mogelijk vérstrekkende gevolgen: goede praktijken en doeltreffendheid in de gezondheidssector, vergrijzing en gezondheid, gezondheid in de nieuwe EU-lidstaten, evaluatie van de impact van verschillende factoren op de gezondheid, enz.

4.16

Voorts moet dringend worden gezocht naar middelen om rechtszekerheid te bieden en patiënten het recht te garanderen in een EU-lidstaat een hoogwaardige behandeling te krijgen; de EU moet daartoe met passende voorstellen komen (verduidelijking van de toepassing van de jurisprudentie, vereenvoudiging van de regels ter coördinatie van socialezekerheidsstelsels, vergemakkelijking van intracommunautaire samenwerking).

4.17

Het meest onverwachte maar tevens ook belangrijkste nieuws dat de Commissie in haar mededeling brengt, betreft de inschakeling van het cohesiefonds en de structuurfondsen van de Europese Unie ter bevordering van investeringen in de gezondheidssector, de ontwikkeling van gezondheidsinfrastructuur en medische vaardigheden, die prioritaire gebieden voor financiering in het kader van de communautaire financiële instrumenten zijn geworden.

4.18

Het Europees Economisch en Sociaal Comité stemt volmondig in met dit besluit; hiermee wordt een nieuw perspectief geopend voor de ontwikkeling en het succes van de Europese Unie, met name in het kader van de Lissabon-strategie.

4.19

Het Comité gaat in principe ook akkoord met de aanpak van de Commissie inzake gezondheidszorgberoepen. De ontwikkeling van de gezondheidsstelsels hangt nauw samen met de ontwikkeling van beroepen en vaardigheden. De zorgsector vergt hooggekwalificeerd personeel en een aanbod van levenslang voortgezette opleiding.

4.20

Het EESC heeft tot taak de bewustwording te bevorderen van het cruciale belang van de gezondheidsproblematiek voor de Europese Unie, haar samenhang en haar vermogen om tot een kenniseconomie uit te groeien.

4.21

De problemen i.v.m. de bevordering van de mobiliteit van gezondheidswerkers moeten worden geanalyseerd en er moet vooraf op worden ingespeeld, zonder de nationale systemen te destabiliseren. Het Comité hoopt in dit verband dat de ontwerprichtlijn over kwalificaties en vaardigheden, die een cruciaal en nuttig document is en onontbeerlijk is voor de voltooiing van de interne markt, binnenkort zal worden goedgekeurd.

4.22

De voorgestelde regelingen zijn nuttig en goed uitgewerkt. Het EESC is overigens van mening dat het ook zeer nuttig zal zijn de gedragscodes van gezondheidswerkers te harmoniseren, wat op veel steun zal kunnen rekenen.

4.23

Een en ander moet een oplossing bieden voor het tekort aan gezondheidswerkers dat voor de komende jaren wordt aangekondigd. Investeringen in gezondheidsberoepen lonen de moeite en zijn rendabel en nuttig, wil men de burgers van de Europese Unie kwalitatief hoogstaande gezondheidszorg aanbieden.

4.23.1

Gezondheid en gezondheidszorg moeten worden verbeterd dankzij informatie- en communicatietechnologieën.

4.24

Het Europees Economisch en Sociaal Comité is van mening dat deze sector de beste argumenten kan leveren om de gezondheidsstelsels in de Europese Unie te hervormen en kwalitatief te verbeteren. Verschillende elementen zijn daarvoor reeds voorhanden, nl.:

Het geïnformatiseerde en gedeelde medisch dossier waardoor iedere burger recht op sociale bescherming, recht op gezondheid en een betere kennis van zijn gezondheid verwerft. Bovendien kunnen met dit systeem eindelijk ook misbruiken, buitensporige nutteloze uitgaven, onverenigbaarheid van bepaalde medicijnen en „medisch nomadisme” worden voorkomen en worden de procedures voor opvang, registratie en informatie van patiënten vereenvoudigd;

e-gezondheid, wat belooft een groot succes te worden, voor het raadplegen op afstand van specialisten en gezondheidswerkers en voor weldoordachte voorlichting van de patiënt;

gebruik van gezondheidskaarten, waardoor het mogelijk is de rechten van een patiënt en zijn situatie op het gebied van sociale bescherming meteen te verifiëren;

alle andere huidige en toekomstige toepassingen, die van nut zijn voor een beter beheer van de stelsels, om gezondheids- en volksgezondheidsstrategieën uit te stippelen, om krachtige databanken tot stand te brengen, om de productiviteit van instellingen te evalueren en gedetailleerde informatie over het gebruik van gezondheidsdiensten te verkrijgen.

4.25

Informatienetwerken zijn nu reeds beschikbaar, zodat hiermee op het verzoek van patiëntenverenigingen is ingegaan. Wat de relatie patiënt-arts betreft, moet er echter voor worden gezorgd dat aan de bescherming van het beroepsgeheim niet wordt geraakt.

5.   Voorstellen van het Europees Economisch en Sociaal Comité

5.1

Gelet op het enorme belang van het gezondheidsbeleid, heeft het Europees Economisch en Sociaal Comité in zijn advies van 16 juli 2003 voorstellen geformuleerd, die kennelijk door de Europese Commissie ter harte zijn genomen en als een rode draad haar argumentatie onderbouwen.

5.2

Samenwerking tussen de lidstaten moet het mogelijk maken gemeenschappelijke doelstellingen te definiëren die in nationale plannen moeten worden omgezet; door de vaststelling van relevante indicatoren moet de ontwikkeling van het gezondheidsbeleid in elke EU-lidstaat nauwlettend kunnen worden gevolgd.

5.3

Het Comité herinnert eraan dat een waarnemingscentrum of agentschap onontbeerlijk wordt als instrument om informatie over het nationale gezondheidsbeleid te verzamelen, te analyseren en uit te wisselen; dit is volledig in overeenstemming met de Verdragen en de beginselen van subsidiariteit en nationale bevoegdheid. Centrale thema's zijn in dit verband: de verbetering van de kwaliteit van de gezondheidszorg, de inspanningen van overheid en beheerders om de doeltreffendheid van zowel openbare als particuliere verzorgingsinstellingen te verbeteren, de totstandbrenging van centra van uitmuntendheid en hun koppeling in een netwerk dat zowel arm als rijk Europa overspant.

5.4

Er moet een krachtig en duurzaam werkgelegenheidsbeleid komen om op het verwachte tekort aan gezondheidswerkers te anticiperen, zonder de vraag af te wachten.

5.5

Het is zaak een informatiebeleid op gezondheidsgebied te ondersteunen, op basis van de resultaten van gezondheidsprogramma's; daarbij moeten de informatiebehoeften van de betrokkenen (patiënten, gezondheidswerkers en overheid) worden vastgesteld, rekening houdend met de werkzaamheden van bv. ook de WHO en de OESO.

5.6

Het Europees Economisch en Sociaal Comité kan er alleen maar mee instemmen dat de Commissie gebruik wil maken van een open coördinatiemethode (EESC-advies van juli 2003); werkwijze en doelstellingen dienen daarbij zeer duidelijk van tevoren te zijn vastgelegd en moeten bv. verwijzen naar zeer belangrijke kwesties als:

uitwisseling van goede praktijken (accreditatie), kwaliteitsnormen, gelijkwaardigheid van vaardigheden, wederzijdse erkenning van praktijken waarvan, gelet op de grote verschillen tussen de nationale stelsels, moet worden aangegeven welke kostenvermindering zij mogelijk maken;

relevante indicatoren van structuren en praktijken;

betere beschikbaarheid van gezondheidsproducten, rekening houdend met de noodzaak van innovatie, het afweren van bedreigingen van de volksgezondheid als aids, tuberculose en malaria in de armste landen, alsmede het tegengaan van verspilling;

coördinatie van nationale systemen om een dumpingeffect en grensoverschrijdende hersenvlucht te voorkomen;

de noodzakelijke totstandbrenging van een interne markt voor medicijnen.

6.   Conclusie

6.1

Het Europees Economisch en Sociaal Comité is zich er terdege van bewust dat de drie laatste mededelingen het resultaat zijn van een denkproces binnen de vijf betrokken directoraten-generaal van de Europese Commissie.

6.2

Een en ander wijst erop dat de Europese Commissie begrijpt wat er, in het licht van de voltooiing van de interne markt en de uitbreiding, met het gezondheidsbeleid op het spel staat.

6.3

Dit is een van de zeldzame keren dat vijf directoraten-generaal van de Commissie hun politieke wil, vaardigheden en middelen bundelen ter verwezenlijking van de doelstelling die erop gericht is de verschillende EU-landen de middelen te geven hun gezondheids- en sociale beschermingsbeleid, ten bate van alle burgers van de Europese Unie, op elkaar af te stemmen.

6.4

Het EESC zou dan ook graag zien dat er binnen het Comité een Task force wordt opgericht (hetgeen een lichte maar permanente structuur is) om de ontwikkeling van dit beleid te volgen en het Comité in staat te stellen zijn standpunt, knowhow en ervaring in te brengen m.b.t. dit gevoelige onderwerp dat alle burgers van de Europese Unie na aan het hart ligt.

Brussel, 27 oktober 2004.

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

A.-M. SIGMUND


(1)  Initiatiefadvies over „Gezondheidszorg” – rapporteur: de heer BEDOSSA – PB C 234 van 30 september 2003.

(2)  Zie het EESC-advies over de Europese ziekteverzekeringskaart– rapporteur: de heer DANTIN – PB C 220 van 16.9.2003.

(3)  Over „Gezondheidsbescherming: maatschappelijke verplichting en nieuw recht” wordt thans een initiatiefadvies voorbereid - rapporteur is de heer BEDOSSA (SOC/171)


20.5.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 120/60


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over:

het Voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende een specifieke procedure voor de toelating van onderdanen van derde landen met het oog op wetenschappelijk onderzoek,

het Voorstel voor een aanbeveling van de Raad tot vergemakkelijking van de toelating van onderdanen van derde landen met het oog op wetenschappelijk onderzoek in de Europese Gemeenschap en

het Voorstel voor een aanbeveling van de Raad tot vergemakkelijking van de afgifte door de lidstaten van eenvormige visa voor kort verblijf aan onderzoekers die onderdaan zijn van een derde land en die zich met het oog op wetenschappelijk onderzoek verplaatsen in de Europese Gemeenschap

(COM(2004) 178 def. – 2004/0061 (CNS))

(2005/C 120/12)

Op 7 april 2004 heeft de Raad besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité, overeenkomstig artikel 262 van het Verdrag ter oprichting van de Europese Gemeenschap, te raadplegen over het bovenvernoemd voorstel

De gespecialiseerde afdeling „Werkgelegenheid, sociale zaken, burgerschap”, die belast was met de voorbereidende werkzaamheden, heeft zijn advies goedgekeurd op 22 september 2004. Rapporteur was mevrouw King.

Tijdens zijn 412e zitting van 27 en 28 oktober 2004 (vergadering van 27 oktober 2004) heeft het Europees Economisch en Sociaal Comité het volgende advies uitgebracht, dat werd goedgekeurd met 181 stemmen vóór en 1 stem tegen, bij drie onthoudingen:

1.   Inhoud van het Commissiedocument

1.1

Het onderwerp van deze mededeling is een voorstel voor een richtlijn en twee voorstellen voor aanbevelingen over de toelating van onderdanen van derde landen tot de Europese Gemeenschap met het oog op wetenschappelijk onderzoek.

1.2

Deze voorstellen behoren tot de strategie van Lissabon, op grond waarvan de Europese Unie het onderzoek wil ontwikkelen om tegen 2010 de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie ter wereld te kunnen worden. Men heeft berekend dat de Europese Unie 700 000 onderzoekers extra nodig heeft om dat doel te bereiken. De volgende samenhangende maatregelen worden voorgesteld:

wetenschap aantrekkelijker maken voor schoolgaande jongeren;

loopbaanperspectieven voor onderzoekers in de Europese Unie verbeteren, en

mogelijkheden op het gebied van opleiding en mobiliteit vergroten.

1.3

Hoewel deze 700 000 extra onderzoekers vooral EU-onderdanen zullen zijn, kan dit streefcijfer niet worden bereikt zonder daarnaast onderzoekers uit derde landen aan te trekken. Vandaar dat deze mededeling van de Commissie specifiek gericht is op het toelaten tot Europa van hooggekwalificeerd onderzoekstalent uit derde landen door:

de komst en het verblijf van onderzoekers uit derde landen te vergemakkelijken, en

de hinderpalen voor hun mobiliteit in Europa weg te nemen.

1.4

De Commissie erkent ook de noodzaak om de mobiliteit van Europese onderzoekers naar andere delen van de wereld te bevorderen, want dit is uiterst belangrijk voor de verwerving en overdracht van kennis.

2.   Algemene opmerkingen

2.1

Het EESC verwelkomt deze mededeling over de toelating van onderdanen uit derde landen met het oog op wetenschappelijk onderzoek in de Europese Gemeenschap.

2.2

Aangezien het streefdoel van de Commissie – 700 000 extra onderzoekers tegen 2010 – in de eerste plaats EU-onderdanen betreft, wijst het EESC de Commissie op zijn eerdere advies (1) over de mededeling van de Commissie betreffende de problemen waar onderzoekers in de Europese onderzoekruimte tijdens hun carrière mee worden geconfronteerd. Hierin worden voorstellen gedaan en initiatieven aanbevolen om deze problemen op te lossen (2).

2.3

Met betrekking tot de samenhangende maatregelen die erop gericht zijn om wetenschap aantrekkelijk te maken voor schoolgaande jongeren, wordt in dit advies aangetoond dat het belang van natuurwetenschappen wordt onderschat in de lesroosters. Vandaar de aanbeveling om op scholen meer aandacht te besteden aan het onderwijs in natuurwetenschappen, techniek en wiskunde, en dit op een leervriendelijke manier te doen. Men zou zich ook meer specifiek tot meisjes moeten richten, omdat deze nog ondervertegenwoordigd zijn in de bètavakken. Het ziet er sterk naar uit dat kandidaten voor hoger onderwijs overwegend kiezen voor alfavakken. Zonder dringende en precieze bijsturing dreigt hierdoor op termijn de onderzoekscapaciteit van de Europese Unie te worden ondermijnd.

2.4

Wat de tweede samenhangende maatregel betreft, die erop gericht is om de loopbaanperspectieven voor onderzoekers in de Europese Unie te verbeteren, haakt dit eerdere advies in op het dilemma waarmee onderzoekers die in academische milieus of openbaar gefinancierde onderzoeksinstellingen werken, worden geconfronteerd, namelijk enerzijds salariëring volgens de loonschalen van de openbare sector en anderzijds niet dezelfde werkzekerheid of andere voordelen van bijv. ambtenaren of leraren. In feite hebben deze onderzoekers nauwelijks of helemaal geen werkzekerheid, omdat ze bij elke verandering van baan en nieuwe fase in hun loopbaan aangewezen zijn op een nieuw contract van tijdelijke duur.

2.5

De laatste verwijzing naar zijn eerdere advies die het EESC wil maken, betreft de mobiliteit van Europese onderzoekers. Het EESC erkent dat een carrière in de Europese onderzoekruimte mobiliteit en flexibiliteit binnen de EU vereist. Dit mag echter niet ten koste gaan van de leefomstandigheden en de sociale voordelen van de onderzoeker en diens gezin. Bovendien moet de Commissie optreden tegen een eenzijdige braindrain, waarbij de beste jonge onderzoekers uit de EU wegtrekken, vooral naar de VS. De huidige problemen met het verkrijgen van visa voor de VS zijn allicht maar van tijdelijke aard en hoger-onderwijsinstellingen in de VS zetten de Amerikaanse overheid steeds meer onder druk om de toelatingsformaliteiten in te korten, zodat ze meer buitenlanders kunnen aanwerven.

2.6

Met betrekking tot de mededeling van de Commissie over het toelaten van onderdanen uit derde landen met het oog op wetenschappelijk onderzoek in de Europese Gemeenschap, erkent het EESC dat het wegnemen van de hinderpalen voor mobiliteit van onderzoekers uit derde landen van vitaal belang is, als de Europese Unie aantrekkelijker wil worden voor onderzoekers uit de hele wereld en in het bijzonder als ze zich wil handhaven in de internationale concurrentieslag om toponderzoekers.

2.7

Het EESC is het er met de Commissie over eens dat de internationale dimensie van wetenschap steeds belangrijker wordt door de globalisering van de economie waarin het meer en meer op kennis aankomt. Het EESC vindt echter dat het thema globalisering explicieter in de mededeling had moeten worden uitgewerkt door vergelijkende gegevens op te nemen over de middelen die landen als Japan en de VS besteden aan opleiding, mobiliteit en loopbaanontwikkeling van onderzoekers.

2.8

Het EESC maakt zich ook zorgen over de leeftijdsstructuur van de huidige generatie onderzoekers in de EU. Veel onderzoekers naderen de pensioengerechtigde leeftijd en er is onvoldoende gezorgd voor nieuwe aanwas. Als hier niet dringend iets aan wordt gedaan, blijft het streefdoel van de EU buiten bereik. Deze situatie heeft ook te maken met de vergrijzing en een dalend geboortecijfer in Europa. In een aantal EU-landen verwacht men zelfs een bevolkingsafname na 2010. Dat maakt het streefdoel van 700 000 extra onderzoekers tegen 2010 wellicht te hoog gegrepen, zelfs indien rekening wordt gehouden met een sterke toestroom uit derde landen.

2.9

Het EESC beseft dat deze mededeling alleen betrekking heeft op toelatingen, zodat reeds in de EU verblijvende onderzoekers uit derde landen, onder wie vooraanstaande vakspecialisten, niet onder de voorgestelde richtlijn en aanbevelingen vallen. Daarom stuurt het Comité aan op een nieuwe richtlijn die oplossingen biedt voor de specifieke problematiek van deze groep die geen toegang heeft tot hoogwaardige banen. Een en ander zou het streefdoel van 700 000 extra onderzoekers beter haalbaar maken. Van de onderzoekers in kwestie heeft een aantal de status van vluchteling in de EU en het valt te betreuren dat te weinig gebruik wordt gemaakt van hun talenten en de bijdrage die ze zouden kunnen leveren. Er bestaat geen systematische vorm van ondersteuning voor dergelijke onderzoekers in de EU buiten de bijdragen van vrijwilligersorganisaties en liefdadigheidsinstellingen. Reeds een bescheiden subsidie voor deze groep zou het aantal onderzoekers in de EU met minstens 40 000 (3) kunnen doen toenemen. Vandaar dat het Comité de Commissie sterk aanbeveelt een proces in gang te zetten om deze onderzoekers te identificeren en als zodanig te erkennen, zodat ze gemakkelijker aan een baan op hun vakgebied kunnen komen.

2.10

Het EESC neemt kennis van de definitie van „onderzoeker” die de Commissie hanteert, maar verwijst nogmaals naar de definitie die het zelf aanbeveelt in zijn eerdere advies CESE 305/2004, paragraaf 5.1.1.7: „Deskundigen die werken aan de ontwikkeling of het scheppen van nieuwe kennis, producten, processen, methoden en systemen, alsook aan het beheer van hiermee samenhangende projecten en die op grond van opleiding en ervaring hiertoe in staat zijn”. Deze definitie heeft het voordeel dat het recht doet aan eventuele leidinggevende capaciteiten van de onderzoeker.

3.   Bijzondere opmerkingen

3.1   Voorstellen in het verlengde van het Europees onderzoeksbeleid

3.1.1

Het EESC vindt de afgifte van een specifieke verblijfstitel voor onderzoekers uit derde landen niet het enige cruciale punt dat aandacht verdient. Andere punten zijn de immigratiestatus van de onderzoeker en de status van onderzoekers binnen de EU, zoals besproken in advies CESE 305/2004. Het Comité hecht ook veel belang aan het vrije verkeer van onderzoekers binnen de EU. Onderzoekers moeten ongeacht hun immigratiestatus werk kunnen vinden.

3.1.2

Het EESC merkt op dat verblijfstitels voor onderzoekers werkvergunningen overbodig zouden maken en verwelkomt het desbetreffende voorstel als bijdrage om het proces te stroomlijnen.

3.2   Voorstellen ter aanvulling van de instrumenten van het EU-immigratiebeleid

3.2.1

De aanbeveling van de Commissie voor een gecontroleerde heropening van de legale immigratiekanalen aan de hand van verschillende criteria en voor vast omschreven categorieën migranten, valt toe te juichen. Het EESC dringt er evenwel op aan deze criteria ondubbelzinning en nauwkeurig te omschrijven. Sommige toegelaten migranten zullen aanspraak willen maken op asiel en bescherming onder de Conventie van Genève van 1951. Behalve dat zij toegelaten worden als een migrant, kunnen zij bij aankomst meteen ook een aanvraag indienen voor een vluchtelingenstatus. Het Comité vindt het begrijpelijk dat de Commissie in dit stadium geen expliciet standpunt over deze problematiek kan geven, maar verwacht wel dat er in de nabije toekomst een oplossing komt.

3.2.2

Het EESC gaat akkoord met de aanbevelingen inzake korte-termijnvisa ten bate van een vrij verkeer van onderzoekers uit derde landen in de Schengenzone. Als onderzoekers al vijf jaar legaal in een EU-lidstaat verblijven, vindt het Comité ook dat zij recht hebben op een verblijfstitel in alle andere EU-landen.

3.2.3

Het verheugt het EESC dat de Commissie het recht van onderzoekers uit derde landen om gezinsleden te laten overkomen, erkent als een essentieel aspect van het mobiliteitsprobleem.

3.2.4

Het EESC merkt op dat bovengenoemde kwestie ook al wordt behandeld in de afzonderlijke richtlijn 2003/86 van 22 september 2003 over het recht op gezinshereniging en dat deze mededeling een aanvulling vormt op het voorstel COM(2002) 548 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op studie, beroepsopleiding of vrijwilligerswerk.

3.3   De centrale rol van de onderzoeksinstellingen

3.3.1

Het EESC beseft dat de gastovereenkomst geïnspireerd is op het model van het gastprotocol in Frankrijk. De rolverdeling tussen de onderzoeksinstelling en de immigratie-instanties van de lidstaten komt erop neer dat enerzijds hooggekwalificeerde onderdanen van derde landen gemakkelijker tot de EU worden toegelaten en anderzijds voldaan wordt aan de veiligheidsvoorschriften van de EU-lidstaten.

3.3.2

Verder is het goed als de lidstaten bevoegd zijn om na te gaan of een gastovereenkomst voldoet aan de vereisten van artikel 5(2). Het EESC verwelkomt een dergelijke maatregel omdat hierdoor misbruik wordt tegengegaan.

3.4   Onderzoeksinstellingen verantwoordelijk maken

3.4.1

Het EESC vindt dat de Commissie er een onvolledige definitie van „onderzoeksinstelling” op na houdt. Hieronder zouden zowel openbare of privé-instellingen die onderzoeksbeurzen toekennen, als instellingen die zelf onderzoek verrichten, moeten vallen.

3.4.2

Het EESC verheugt zich over de herbevestiging van de doelstelling van de Europese Raad van Barcelona om de investeringen in onderzoek en technologische ontwikkeling tegen 2010 te verhogen tot 3 % van het BBP, waarbij tweederde van deze investeringen uit de privésector moet komen.

3.4.3

Het EESC raadt de Commissie dringend aan om de privésector te raadplegen over dit voorstel in zijn geheel en over de aanbeveling dat het de onderzoeksinstelling is die de gastovereenkomst opstelt op grond waarvan een onderzoeker tot een lidstaat wordt toegelaten, in het bijzonder.

3.5   Een brede definitie van het begrip „onderzoeker”, op basis van de behoeften van de Europese Unie

3.5.1

Het EESC sluit zich aan bij de aanbeveling van de Commissie om de procedure niet te beperken tot personen die in hun land van herkomst al de status van onderzoeker hebben.

3.5.2

Het EESC vraagt zich wel af waarom er beperkingen moeten zijn t.a.v. het doel van de toelating. Er zijn immers gevallen waarin de persoon volgens de richtlijn voldoet aan de minimumvereisten voor een onderzoeker, maar eigenlijk niet om toelating tot een lidstaat verzoekt voor het uitvoeren van een specifiek onderzoeksproject. Zulke onderzoekers zoeken bijvoorbeeld een functie die overeenstemt met een kwalificatie die ze in de EU hebben verkregen.

3.5.3

Het EESC is het ermee eens dat de vereisten m.b.t. de kwalificaties van kandidaat-gastonderzoekers en de wetenschappelijke waarde van het geplande onderzoek duidelijk en ondubbelzinnig omschreven worden. Hoewel dit eigenlijk buiten het bestek van onderhavige mededeling valt, wil het EESC toch opmerken dat er een zekere speelruimte moet worden ingebouwd bij de beoordeling van de kwaliteiten van onderzoekers, zodat de EU direct kan inspelen op veranderingen in onderzoeksvereisten. Aangezien er constant nieuwe technologieën worden ontwikkeld, moet de EU onderzoekers aanwerven die zulke technieken verder kunnen ontwikkelen en verbeteren.

3.5.4

Het EESC wijst de Commissie op een eerder advies (4) waarin nog een andere hinderpaal voor mobiliteit wordt gesignaleerd, namelijk het gebrek aan transparantie op het gebied van kwalificaties en bevoegdheden. Dit laatste heeft ertoe geleid dat vele kwalificaties niet worden erkend, met name van personen uit ontwikkelingslanden. Onderzoekers worden gedwongen zich opnieuw te kwalificeren of postdoctorale opleidingen te volgen om onderzoeker in de EU te worden. Het Comité stelt voor om hier gebruik te maken van het Actieplan van de Commissie ter bevordering van de mobiliteit in de EU (5). Dit houdt in dat er instrumenten moeten worden gebruikt en ontwikkeld om de transparantie en overdraagbaarheid van kwalificaties te ondersteunen, en dat er een algehele informatiesite voor Europese Mobiliteit dient te komen.

3.6   Een verblijfstitel die los staat van de status van onderzoeker

3.6.1

Het EESC verwelkomt het voorstel om onderzoekers uit derde landen een uniforme status voor de hele EU te verlenen.

3.6.2

Het EESC verwelkomt ook de aanbeveling dat onderzoekers die op basis van een arbeidscontract zijn aangenomen, in de lidstaten geen werkvergunning hoeven aan te vragen.

3.7   Mobiliteit van onderzoekers in de Europese Unie

3.7.1

Het EESC verheugt zich over de aanbeveling van de Commissie om ter bevordering van de mobiliteit de toelatingsprocedure te vereenvoudigen, zodat onderdanen van derde landen zich in verschillende lidstaten zonder verdere toelatingsproblemen aan een onderzoeksproject kunnen wijden.

3.7.2

Het EESC stelt vast dat dit ook geldt voor onderdanen van derde landen die al geruime tijd in het gastland verblijven.

3.8   Keuze van de rechtsgrond van het voorstel voor een richtlijn

3.8.1

Het EESC steunt de gekozen rechtsgrond, maar betreurt het dat de richtlijn niet bindend is voor Denemarken en het Verenigd Koninkrijk. Het Comité stelt vast dat Ierland heeft besloten zich aan de richtlijn te houden en hoopt dat het Verenigd Koninkrijk dit voorbeeld zal volgen. Het Comité dringt er met klem op aan na te denken over een oplossing voor deze kwestie, want de onderzoeksbasis, met name in het VK, is dusdanig dat de EU-inspanningen om het geplande aantal onderzoekers aan te trekken niet veel zoden aan de dijk zullen zetten als genoemde landen niet meedoen.

3.9   Overige punten

3.9.1

Het EESC vindt dat het aantrekken van potentiële onderzoekers door de EU een zaak is die veel aandacht verdient, en dat de „braindrain” uit sommige derde landen een probleem is waar grondig over moet worden nagedacht. Een en ander staat immers niet los van elkaar. Vooral de opleiding van onderzoekers in het VK moet onder de loep worden genomen. Sommige potentiële onderzoekers zouden behoefte kunnen hebben aan een extra opleiding of een verlenging van de studieduur. Veel van hen zouden dan na beëindiging van hun studie snel op zoek kunnen gaan naar een onderzoeksfunctie in de EU. In de richtlijn moet met dergelijke gevallen rekening worden gehouden.

3.9.2

Het EESC is zeer bezorgd over de gevolgen van een „braindrain” uit bepaalde ontwikkelingslanden en hecht veel waarde aan een debat over de manier waarop het aantal onderzoekers wereldwijd kan worden uitgebreid. Er zij op gewezen dat sommige regeringen onderzoekers juist aanmoedigen naar het buitenland te gaan om daar ervaring op te doen die dan ten goede kan komen aan het eigen land. Onder het Nederlandse voorzitterschap zal in Den Haag een conferentie worden gehouden met als titel „Brain Gain - The Instruments”. Op deze conferentie zal de impact van braindrain en „brain gain” („hersenwinst”) voor ontwikkelingslanden worden geëvalueerd en tegen eind 2004 zal de Commissie een rapport hierover voorleggen. Het EESC vindt dit een stap in de goede richting.

3.9.3

Een van de onderwerpen uit de vorige mededeling van de Commissie over onderzoekers (COM(2003) 436 def.) waar het EESC nader op wil ingaan, is de man/vrouw verhouding. De ondervertegenwoordiging van vrouwelijke onderzoekers, in het bijzonder in het management en kaderfuncties, verdient nader onderzoek. Dit geldt met name voor onderzoekers uit derde landen. Het EESC herinnert aan de aanbeveling van de Commissie voor een gedragscode bij aanwerving van onderzoekers die gebaseerd is op goede ervaringen die vooral op het gebied van gelijke-kansenbeleid zijn opgedaan. Het Comité vindt dat vrouwelijke onderzoekers in ernstige mate te maken hebben met ongelijke behandeling, wat wel blijkt uit het feit dat zich niet voldoende vrouwelijke onderzoekers aanbieden voor banen en dat ze, als ze wel solliciteren, op lagere posten worden ingezet dan waarvoor ze gekwalificeerd zijn. Er is behoefte aan meer transparantie in de aanwerving en aan een groter aandeel vrouwelijke sollicitanten.

Brussel, 27 oktober 2004

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

A.-M. SIGMUND


(1)  PB C 110 van 30.4.2004, blz. 3, rapporteur: Wolf.

(2)  COM(2003) 436 def.

(3)  Dit aantal is een schatting, gebaseerd op de statistische gegevens die op dit moment ter beschikking staan.

(4)  CESE 658/2004 van 28 april 2004, rapporteur Dantin.

(5)  COM(2002) 72 def.


20.5.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 120/64


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „Opleiding en productiviteit”

(2005/C 120/13)

In het kader van het Nederlandse voorzitterschap en zijn schrijven van 22 april 2004 verzoekt de heer A. Nicolaï, Nederlands staatssecretaris voor Europese Zaken, het Europees Economisch en Sociaal Comité, overeenkomstig artikel 262 van het EG-Verdrag, een advies uit te brengen over: „Opleiding en productiviteit”.

De gespecialiseerde afdeling „Werkgelegenheid, sociale zaken, burgerschap”, die met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 22 september 2004 goedgekeurd. Rapporteur was de heer ΚΟRYFIDIS.

Het Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 412e zitting van 27 en 28 oktober 2004 (vergadering van 28 oktober) het volgende advies uitgebracht, dat met 81 stemmen vóór en 1 stem tegen, bij 1 onthouding, werd goedgekeurd.

1.   Inhoud van het advies

1.1

De inhoud van dit verkennend advies, waarom het Nederlandse voorzitterschap het EESC heeft verzocht, wordt door het volgende bepaald:

het programma van het voorzitterschap, met name het onderdeel: „Een sociaal Europa, open voor verandering”  (1);

het besluit van de Europese Raad van Brussel (2) (25 en 26 maart 2004) om de Lissabon-uitdaging aan te gaan en met name de oproep aan het EESC om: „zich te beraden op middelen en methoden voor een doeltreffender uitvoering van de strategie van Lissabon” (3);

het streven tijdens het tweede halfjaar 2004 naar een overeenkomst tussen de 25 lidstaten over de nieuwe Agenda voor sociaal beleid (2006-2010) (4);

het vergelijkend onderzoeken en integreren van de doelstellingen van Lissabon en Göteborg (5) in de hiervoor genoemde overeenstemming;

het opsporen, vaststellen en uiteenzetten van de oorzaken van de problemen bij de toepassing van de beleidsmaatregelen voor levenslang leren en van wijzen om de doeltreffendheid van de maatregelen voor bij- en nascholing te verhogen.

1.1.1

Het algehele kader van het door het voorzitterschap voorgestelde sociaal en werkgelegenheidsbeleid zal aan bod komen tijdens een conferentie op hoog niveau, waarvan het thema luidt: „More People to Work: policies to activate Europe's labour potential” en die zal plaatsvinden op 25 en 26 oktober 2004 te Amsterdam.

1.1.2

Tijdens deze conferentie komt de vraag aan de orde welke structurele veranderingen vereist zijn op de vier beleidsterreinen (6), hoe participatie kan worden versterkt en sociale cohesie kan worden behouden.

1.1.3

Tot slot verzoekt het Nederlandse voorzitterschap het EESC om zich op de volgende vragen te concentreren:

wat zijn de belangrijkste hindernissen bij de tenuitvoerlegging van nationale en communautaire beleidsmaatregelen inzake bij- en nascholing in elke lidstaat en in de gehele EU, en hoe dienen deze te worden aangepakt?

welk middel is het meest doeltreffend voor een betere bij- en nascholing?

hoe beïnvloedt de taakverdeling tussen de diverse betrokkenen in het opleidingsproces (bijv. overheid, sociale partners, maar ook werknemers en werkgevers) de opzet en het welslagen van bij- en nascholing? Welke verdeling van taken en verantwoordelijkheden biedt de meeste kans van slagen?

2.   Inleiding

2.1

Ηet EESC hecht veel belang aan het verzoek van het Nederlandse voorzitterschap om onderhavig advies op te stellen. Van nog groter belang acht het de inhoud en de draagwijdte van het verzoek, aangezien deze verband houden met de bredere doelstellingen en de problemen van de Unie op het gebied van duurzame ontwikkeling, en met name werkgelegenheid, productiviteit en economische groei.

2.2

Zonder voorbij te gaan aan de opdracht om zich te richten op de door het Nederlandse voorzitterschap voorgestelde onderwerpen, meent het EESC dat het belangrijk is om deze aanpak in een breder kader te plaatsen (7), waarbij de zienswijze van het EESC tot uiting komt over alle ontwikkelingen van de Unie op genoemde gebieden en in bepaalde omstandigheden.

3.   Afbakening van begrippen (8)

3.1

Onder het begrip (beroeps)opleiding dient te worden verstaan verwerving, vernieuwing en actualisering van vooral technische kennis en vaardigheden.

3.2

De initiële opleiding is de fase waarin de eerste basiskennis en -vaardigheden worden verworven voor het later uit te oefenen beroep. In tal van lidstaten wordt deze opleiding aangevuld met het leerlingwezen, dat diverse vormen van leren combineert met het werken in een bedrijfsomgeving.

3.3

Na- en bijscholing hebben betrekking op leerprocessen die van belang zijn voor de arbeidsmarkt of het bedrijfsleven, en voortbouwen op reeds voorhanden kwalificaties en ervaring; zij zijn erop gericht kennis en vaardigheid te actualiseren, uit te breiden en voor andere of nieuwe beroeps- en ondernemingstaken op te leiden. Nascholing is in de eerste plaats bedoeld voor personen die in het actieve beroepsleven staan, d.w.z. die over een initiële opleiding (eventueel ook als werknemers die hun beroep in de praktijk hebben geleerd, zonder officieel diploma) beschikken en ofwel een betrekking hebben, ofwel als werkzoekende geregistreerd zijn (en in dit verband deelnemen aan initiatieven voor professionele bij- of nascholing). Voorts kan een ieder gebruik maken van het veelzijdige aanbod van algemene en beroepsgerichte opleidingen, dat zowel van overheidswege als door particulieren en in de meest uiteenlopende vormen wordt aangeboden.

3.4

De Europese beroepsopleidingstelsels lopen in de lidstaten sterk uiteen. Ze zijn ook binnen elke lidstaat heel verschillend want ze worden steeds aangepast aan de eisen van het beroepsleven en de arbeidsmarkt. Zowel voor de interpretatie als in het woordgebruik is een nauwkeurige en direct overdraagbare afbakening van het begrip beroepsopleiding een voortdurende uitdaging. Over het algemeen van belang is evenwel de samenstelling van de aangeboden beroepsopleidingen die het midden houden tussen opleidingen in onderwijsinstellingen en leerplaatsen in bedrijven. Het zwaartepunt kan in de initiële opleiding alsook in de nascholing op verschillende aspecten liggen, afhankelijk van kwalificatieniveau, bedrijfs- en beroepstak. Evenzo geldt dit voor het type aangeboden opleiding, dat seminars, modulen en cursussen van verschillende duur kan omvatten, alsook uitgebreide professioneel gerichte leergangen. Voorts worden door beroepsopleidings- en kwalificatiesystemen, opleidingsinstellingen en werkgevers niet-formele en informele leerprocessen erkend (9).

3.5

Onder het begrip levenslang leren wοrdt verstaan „alle leeractiviteiten die gedurende het hele leven ontplooid worden om kennis, vaardigheden en competenties vanuit een persoonlijk, burgerlijk, sociaal en/of werkgelegenheidsperspectief te verbeteren”  (10). Levenslang leren heeft ten gevolge van de besluiten van de Raad van Lissabon een bijzondere politieke betekenis gekregen, en wel als kernbegrip voor de algemeen erkende behoefte aan grondige vernieuwing van het Europese onderwijsmodel met het oog op de overschakeling naar een op kennis gebaseerde economie en maatschappij (11). Voor de verwezenlijking van de doelstellingen van Lissabon zijn een adequate en consequente ontwikkeling resp. verandering van de structuren, werk-, les- en leermethoden van de huidige algemene en beroepsopleidingstelsels van centraal belang. Vanaf 2007 zal de nieuwe generatie van communautaire actieprogramma's voor algemene en beroepsopleidingen dan ook onder één gemeenschappelijke noemer vallen, namelijk het levenslang leren (12).

3.5.1

In veel opzichten is levenslang leren in de praktijk nog niet volledig gerealiseerd, zowel met het oog op aanbodstructuren, toegangsmogelijkheden en vraag vanuit de maatschappij, als wat betreft de deelname van de bevolking in al haar geledingen. De Europese agentschappen CEDEFOP en ETF hebben al heel wat werk verzet om de lidstaten in het algemeen en meer in het bijzonder de diverse belanghebbenden, alsook de relevante actoren uit het onderwijs de gelegenheid te geven om onderling ideeën, inlichtingen en ervaringen uit te wisselen (13). In de praktijk staan nu evenwel enkele belangrijke onderwerpen op het programma, onder meer:

hoe kan levenslang leren de algemene noemer worden van elk (formeel en informeel) leerproces;

hoe kan levenslang leren geïntegreerd worden in de opbouw van de kennismaatschappij en –economie;

hoe kan levenslang leren gecombineerd worden met duurzame ontwikkeling en de huidige uitdagingen van globalisering;

hoe kan levenslang leren met name als hefboom gaan werken voor de ontwikkeling van productie, maatschappij en cultuur op plaatselijk niveau;

hoe kan er een Europese ruimte voor levenslang leren tot stand worden gebracht;

hoe kunnen de diverse resultaten hiervan worden geëxploiteerd en gecertificeerd;

hoe dient ten slotte een en ander gefinancierd te worden.

3.5.2

Zoals hiervoor uiteengezet is, wordt in het kader van de inspanningen om levenslang leren te institutionaliseren een nieuwe verdeling van taken en bevoegdheden omschreven, alsook een nieuw kader voor samenwerking op alle niveaus, met name op lokaal niveau, waar, met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van Lissabon, behoefte is aan intensieve samenwerking tussen autoriteiten, sociale partners en meer in het algemeen het maatschappelijk middenveld.

3.6

Officieel, en ook volgens de Commissie (14), komt arbeidsproductiviteit overeen met de hoeveelheid arbeid die vereist is voor de productie van een bepaald goed. Macro-economisch gezien wordt arbeidsproductiviteit gemeten aan de hand van het bruto binnenlands product per werknemer (BBP) van een land (15). Verhoging van de productiviteit is de belangrijkste bron voor economische groei (16).

4.   Het beleid van de Unie inzake beroepsopleidingen

4.1

De Unie „voert inzake beroepsopleiding een beleid waardoor het optreden van de lidstaten wordt versterkt en aangevuld, onder volledige eerbiediging van de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de inhoud en de opzet van de beroepsopleiding” (17). De in 2002 in Kopenhagen genomen besluiten vormen een kwalitatieve sprong naar voren voor de verdere ontwikkeling van dit beleid, dat eveneens gericht is op coherentie en synergie met het agendapunt van de Lissabon-strategie „Algemene en beroepsopleiding 2010” (18). Een verdere stap in de goede richting is het gezamenlijk tussentijds verslag van de Raad en de Commissie (april 2004) over de uitvoering van het gedetailleerd werkprogramma voor de follow up inzake de doelstellingen voor de onderwijs- en opleidingsstelsels in Europa (19).

4.1.1

De Europese agentschappen CEDEFOP en ETF ondersteunen de ontwikkeling van beroepsopleidingen op specifieke wijze. In het bijzonder vullen zij de omzetting van de Europese richtsnoeren inzake beroepsopleidingen aan met de verzameling, verspreiding en uitwisseling van informatie, ervaringen, voorbeelden van goede praktijken, in opdracht uitgevoerd onderzoek en verslagen, alsook met de verwerking en analyse van relevant onderzoek en praktijkervaringen. Het Europese informatienetwerk Eurydice (20) verbindt systemen en actoren van algemene opleidingsstelsels op soortgelijke wijze. Deze drie organisaties kennen een constructieve samenwerking, die zich met de toenemende betekenis van levenslang leren – dat meer samenwerking en vervlechting tussen algemene en beroepsopleiding meebrengt – gestaag uitbreidt.

4.1.2

Het programma Leonardo da Vinci (21) is bedoeld om het EU-beleid voor beroepsopleiding in de praktijk te brengen. Dit programma „draagt bij tot de bevordering van een Europa van de kennis via de ontwikkeling van een Europese samenwerkingsruimte op het gebied van onderwijs en beroepsopleiding. Het biedt ondersteuning aan het beleid van de lidstaten inzake levenslang leren en bij het opdoen van kennis, vaardigheden en bekwaamheden die bevorderlijk kunnen zijn voor een actief burgerschap en een goede inzetbaarheid” (22). De concrete invulling van het programma is in handen van de lidstaten.

4.1.3

Met het oog op de ontwikkeling en concretisering van levenslang leren moet met name worden gewezen op de actie „Grundtvig” binnen het lopende programma Socrates II, die gericht is op de bevordering van een geïntegreerd opleidingsinitiatief dat het gehele spectrum van volwassenenonderwijs bestrijkt (23).

4.2

Aangetekend dient te worden dat de nationale onderwijs- en beroepsopleidingstelsels in principe opgezet en ontwikkeld zijn op grond van de concrete behoeften – naar gelang van het geval en van het tijdstip – van de arbeidsmarkt. Bijgevolg verliep de ontwikkeling ervan traag, overeenkomstig de ontwikkeling van de markt. Tegelijkertijd vertonen ze om dezelfde reden onderling ook grote verschillen. Deze verschillen leiden thans tot problemen op het vlak van coördinatie, assimilatie van goede praktijken en wederzijds begrip van desbetreffende begrippen en concepten.

4.3

In 2004 trok de Europese Unie 194.533.900 euro voor beroepsopleidingen uit, waarvan 163 miljoen euro voor het programma Leonardo da Vinci. Ter vergelijking: de uitgaven voor onderwijs, ongeacht vorm of niveau, met uitzondering van beroepsopleidingen, belopen 268 848 500,00 euro; de totale begrotingsmiddelen van DG Onderwijs en cultuur bedragen daarentegen 783 770 054,00 euro, tegenover 92 370 071 153,00 euro voor de totale begroting van de Gemeenschap (EU-begroting 2004) (24).

4.3.1

Deze in vergelijking met de economische en politieke betekenis van beroepsopleidingen schamele begroting wordt weerspiegeld op nationaal niveau. De relevante actoren op alle beslissingsniveaus zijn het er algemeen over eens dat de totale middelen waarover de sector onderwijs in totaal kan beschikken, onvoldoende zijn om de eigen doelstellingen waar te maken.

4.4

Verder valt te constateren dat het gemiddelde percentage EU-burgers dat een voortgezette beroepsopleiding volgt, laag is (8,4 %) (25). In dit kader wil de Unie tegen 2010 dit percentage opkrikken tot 12,5 % van de beroepsbevolking (leeftijdscategorie 25-64 jaar) (26).

4.5

Professionele na- en bijscholing die vruchten afwerpt en toekomstgericht is, maakt integraal deel uit van de succesvolle concrete verwezenlijking van levenslang leren. Het staat vast dat de huidige systemen, inclusief leerprocessen en –resultaten niet aan de eisen voldoen, zowel wat kwantiteit als kwaliteit betreft. Dit algemene oordeel biedt echter ruimte voor uitzonderingen in bepaalde bedrijfstakken en contexten waar het aanbod van professionele nascholing hoogwaardig en effectief is. Voorbeelden hiervan zijn enerzijds inservicevorming die tegemoet komt aan de specifieke behoefte van een bepaalde onderneming, en anderzijds sectoraal aangeboden onderwijs (27) dat ontwikkeld is door of in samenwerking met de Europese sociale partners.

5.   Het EU-beleid ter verhoging van de productiviteit

5.1

Uit alle gegevens van relevante onderzoeken van de Europese Commissie van de laatste jaren komt naar voren dat de productiviteit in de Unie zich negatief ontwikkelt. „Tijdens de tweede helft van de jaren negentig, en na een periode van aanzienlijke vertraging, versnelde in de Verenigde Staten zowel de groei van de arbeidsproductiviteit (van gemiddeld 1,2 % in de periode 1990-1995 naar 1,9 % in de periode 1995-2001) als de groei van de werkgelegenheid (van 0,9 % naar 1,3 %). In de EU vertraagde de groei van de arbeidsproductiviteit (van gemiddeld 1,9 % in de eerste helft van het decennium tot 1,2 % in de periode 1995-2001), maar de groei van de werkgelegenheid nam stevig toe (van een daling van 0,6 % in de eerste helft van het decennium tot 1,2 % in de periode 1995-2001).”  (28)

5.2

Er bestaan aantoonbaar zeer grote verschillen in productiviteit tussen de afzonderlijke lidstaten. De Europese Commissie tracht in de Mededeling „Productiviteit, de sleutel tot het concurrentievermogen van de Europese economieën en ondernemingen”  (29) zowel de oorzaken als de gevolgen aan te tonen die dit voor de Lissabon-doelstellingen kan hebben. In deze mededeling, waar de ver uiteenlopende verschillen tussen de lidstaten aan de orde komen en uiteen worden gezet, wordt benadrukt dat „een stijging van de economische groei (…) niet mogelijk (is) zonder een verbetering van de productiviteit. Vooruitgang op het gebied van ICT en innovatie en de ontwikkeling van een beroepsbevolking die beter beantwoordt aan de behoeften van de industrie kunnen beschouwd worden als factoren die van doorslaggevend belang zijn voor het verbeteren van de productiviteit van ondernemingen”  (30).

5.3

Volgens het EESC is groei van de productiviteit de sleutel voor de toekomst van de Unie in het algemeen. Het meent tevens dat alle gemeenschappelijke pogingen om de productiviteit te verhogen in het kader en op basis van het Europees sociaal model kunnen en moeten plaatsvinden. Het is verder van oordeel dat deze pogingen gericht moeten zijn op alle Europese burgers, die hiervoor open moeten staan; de inspanningen moeten op de middellange en lange termijn betrekking hebben, stelselmatig zijn en bestaan uit een combinatie van op kennis gebaseerd beleid en acties. Tot slot staat het EESC op het standpunt dat de synergie tussen sociale partners en, in het algemeen, het maatschappelijk middenveld en de overheden, met name op plaatselijk niveau van cruciaal belang is bij de ontwikkeling van voornoemde inspanningen.

6.   Verband tussen opleiding en productiviteit

6.1

In een breder perspectief en wat de grond van de problematiek betreft, meent het EESC dat het volgende volstrekt duidelijk moet zijn:

productiviteit is een zaak die deels maar duidelijk beïnvloed wordt door het gegeven dat: „het investeringsniveau, de organisatie van de werkplek, participatiebeleid, creatie van innovatiestimulerende arbeidsmilieus, nieuwe vormen van samenwerking tussen universiteiten en ondernemingen en nieuwe manieren om risicokapitaal beschikbaar te stellen, (…) deel uit (zouden) moeten maken van een bredere benadering van de productiviteitsgroei in de Unie” (31). Bijgevolg hangt een toename van productiviteit niet alleen af van een verbetering van opleidingsstelsels.

Opleidingen kunnen tegenwoordig op doeltreffende wijze de productiviteit beïnvloeden (en bijgevolg het concurrentievermogen en de verwezenlijking van de Lissabon-doelstellingen), daar zij ingebed zijn in een breder, algemeen kader van onderwijsbeleid (32): een kader dat een zij het elementair, maar functioneel systeem voor onderlinge communicatie omvat (op regionaal, nationaal en Unieniveau); een kader ook waar alle vormen van onderwijs en opleiding elementen zijn van levenslang leren; een kader ten slotte dat gestructureerd is en, wat zowel doelstellingen als inhoud betreft, gericht is op een omgeving die gekenmerkt wordt door een hoge en pluriforme mobiliteit (33).

Productiviteit en opleiding dienen samen te worden bekeken en te worden gecombineerd op alle niveaus, waaronder het niveau van de werkplek, waarop de meeste besluiten inzake financiering van en toegang tot professionele na- en bijscholing worden genomen. Evaluatie en combinatie moeten tot slot ook gezamenlijk gebeuren, zelfs in die gevallen waar de problemen op het eerste gezicht van persoonlijke aard lijken.

Steun van de kant van de Unie voor regio's die achterlopen met de ontwikkeling van moderne opleiding, met name in de nieuwe lidstaten, is hierbij van groot belang.

6.2

In het geschetste kader moeten de stelsels en initiatieven op het gebied van initiële beroepsopleiding en zeker de professionele bij- en nascholing zodanig worden verbeterd dat ze efficiënter functioneren dan in de huidige omstandigheden (34).

6.2.1

De ontwikkeling van een modern systeem voor de actualisering van kennis, vaardigheden en kwalificaties veronderstelt een nooit eerder geziene combinatie van richtsnoeren, kennis, doelstellingen, functioneel kader en stimuli. In concreto gaat het om het volgende:

zich vertrouwd maken met de nieuwe mondiale waarden (o.a. inzake ruimtelijke ordening, economie, technologie, cultuur en bevolking);

gedegen algemene en bijzondere kennis van de wetten en de manier waarop de mondiale markt werkt, en van de nieuwe vormen van mondiale politiek en economisch bestuur;

afstemming op de behoeften en eisen van de kennismaatschappij en -economie door ontwikkeling van innoverende, aantrekkelijke en flexibele programma's;

besef van de nieuwe scheidslijnen die het nieuwe wereldwijde productiesysteem toont, en van de noodzaak om naar oplossingen hiervoor te zoeken;

de vorm en het kader van mededinging opnieuw formuleren, als instrument voor mobiliteit en innovatie, binnen en buiten de Unie;

de redenen voor deelname aan opleidingsinitiatieven opnieuw formuleren, met name door concreet te maken hoe de zo gecreëerde meerwaarde verdeeld kan worden;

besef van de drie dimensies van het begrip duurzaamheid en de bevordering hiervan in het persoonlijke en collectieve leven (35).

6.2.2

De bovenstaande voorwaarden zijn niet in elke vorm en elk type beroepsopleiding en professionele bijscholing toepasbaar. Hiertoe zijn systematische opleidingsinitiatieven (36) vereist die diverse aspecten omvatten en voor de langere termijn ontworpen zijn (leren + onderwijs), om zo uit te monden in een opleidingscultuur (socialisatie) waarin kennis als drijvende kracht van vooruitgang, en synergie de motor zijn van de duurzame ontwikkeling.

6.3

Een logisch antwoord op de eerste twee vragen van het Nederlandse voorzitterschap is volgens het EESC dus het volgende:

6.3.1

Gelet op hun huidige aard en manier van functioneren kunnen de Europese stelsels voor beroepsopleiding, zowel wat de initiële opleiding als de bij- en nascholing aangaat, moeilijk voldoen aan de eisen van de kennismaatschappij en van duurzame economische ontwikkeling. De moeilijkheden waarmee deze systemen te kampen hebben, zijn onder andere:

de oriëntatie : de stelsels waren en blijven grotendeels gericht op het oplossen van specifieke problemen van een productieomgeving met een zeer beperkte mobiliteit;

het actiegebied : gelet op deze oriëntatie moeten de Europese beroepsvormings- en opleidingssystemen het specifieke beter integreren in het algemene, en moeten ze oog hebben voor het geheel, zoals de globalisering van de economie thans vereist;

de mobiliteit van het systeem : de oriëntatie en het actiegebied van de systemen staan elke vorm van mobiliteit ook deels in de weg, zowel intern als extern: mobiliteit voor de verspreiding van nieuwe ideeën, de ontwikkeling van netwerken, het stimuleren van innovatie, de uitstippeling van beleidsmaatregelen naar aanleiding van de problemen;

het contact met de huidige stand van kennis : afgezien van het individueel vermogen van verstrekkers van initiële opleidingen en na- en bijscholingen om kennis op te nemen en concreet toe te passen, bestaat er binnen de genoemde systemen in de regel nog steeds geen verplichting om aandacht te schenken aan wetenschappelijke, technologische, productieve of andere ontwikkelingen;

de band met de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt : de onderwijs- en opleidingsstelsels beantwoorden in de regel niet aan de behoeften van de arbeidsmarkt daar zij doorgaans te weinig aandacht schenken aan bepaalde nieuwe kwalificaties en ruimere, zowel sociale als persoonlijke vaardigheden;

de coördinatie : de coördinatie van de systemen loopt in vele lidstaten mank. Dit betekent dat elk systeem voor aanvullende beroepsvorming en -opleiding volledig gescheiden van de rest van het onderwijssysteem functioneert, gescheiden van soortgelijke systemen in EU-verband, en natuurlijk ook losstaat van de economische en sociale omgeving.

6.3.2

Voorts bestaan er nog specifieke tekortkomingen met betrekking tot strategieën, middelen en onderwijspraktijken, waardoor de Europese vormings- en opleidingsstelsels inert zijn. Met name kan worden gewezen op de volgende lacunes:

de omzetting in de praktijk van levenslang leren dient zo snel mogelijk te worden voortgezet, op alle bevoegde niveaus van politiek en praktijk;

sterkere sociale cohesie en meer mobiliteit zijn essentiële Europese onderwijsdoelstellingen; de bevoegde instanties en betrokkenen dienen de verwezenlijking hiervan voorrang te verlenen;

in veel opleidingen schort het aan contact met de praktijk; de voorbereiding op de arbeidsmarkt lijdt hieronder;

de inhoud van opleidingen is vaak te zeer gericht op marktsituaties op korte termijn; op de lange termijn resulteert dit in verkeerde ontwikkelingen wat arbeidsmarktvereisten betreft;

door niet op elkaar afgestemde diploma's en kwalificaties, alsook onvoldoende kennis van vreemde talen blijven er tussen de lidstaten zeer grote belemmeringen voor mobiliteit bestaan.

7.   Probleemstellingen en overwegingen bij de strijd om productiviteit in Europa

7.1

De voorgaande vaststellingen leiden tot de ernstige conclusie dat de strijd om productiviteit in Europa op het verkeerde niveau en op het verkeerde moment gestreden wordt. De inspanningen hadden al moeten worden geleverd op het niveau van basisonderwijs en –opleiding, voor het verwerven van basisbekwaamheden  (37) en moeten even intensief worden voortgezet in het kader van levenslang leren (38) (zie ook hiervoor, par. 3.5).

7.2

De volgende voorstellen hebben dan ook betrekking op alle onderwijsinitiatieven – los van de vraag wier ervoor bevoegd is - en zijn ingebed in één logica, die een grootschalige en gecoördineerde campagne vereist om alle Europese algemene en beroepsopleidingssystemen zo snel mogelijk aan te passen aan de huidige situatie op Europees en wereldvlak. In concreto betekent dit het volgende:

7.2.1

Een algemenere nieuwe en kritische benadering van de structuren van en de betrekkingen tussen de Europese algemene en beroepsopleidingssystemen. Een dergelijke nieuwe benadering zal bevorderlijk zijn voor de ontwikkeling van een hoger niveau van communicatie, samenwerking en partnerschap tussen de subsystemen van de verschillende onderwijsvormen en een doeltreffend weerwoord bieden op de uitdagingen van de globalisering en de daarmee gepaard gaande mobiliteit. Een nieuwe benadering ook die ingegeven wordt door het besef van de plaats en de rol van Europa als mondiale partner in de nieuwe vormen van wereldwijde politieke en economische governance.

7.2.1.1

Het Comité benadrukt dat deze nieuwe benadering de klassieke humanistische dimensie van de Europese eigenheid op het gebied van onderwijs en cultuur niet in het gedrang mag brengen. Integendeel, het moet deze cultiveren en bevorderen.

7.2.1.2

In het kader van deze nieuwe kritische benadering mag beroepsopleiding niet als een losstaand geheel worden beschouwd, en natuurlijk evenmin geïsoleerd worden aangepakt. Zij moet – evenals de onderwijsvormen, inclusief niet-formele en informele leerprocessen – ingebed worden in een alomvattend netwerk van levenslang leren. Het gaat hier om een systeem dat aan de behoefte van burgers aan algemene en beroepsopleidingen tegemoet komt en rechtstreeks en in elk opzicht samenhangt met de overkoepelende doelstelling „duurzame ontwikkeling”.

7.2.2

Een tweede standpunt van het EESC betreft het Europese perspectief en de deelname aan het voornoemde proces van het opnieuw kritisch benaderen van structuren van en betrekkingen tussen Europese algemene en beroepsopleidingssystemen.

7.2.2.1

Gezien de omvang en de urgentie van de problemen en met name de hoge kosten voor de oplossing ervan, zijn volgens het EESC onverwijld maatregelen en onderzoek op Europees niveau nodig.

7.2.2.2

Deze maatregelen en onderzoeksinspanningen mogen vanzelfsprekend niet uitmonden in een aantasting in enigerlei vorm van de bestaande structuren van de Europese algemene en beroepsopleidingssystemen. Hun veelzijdigheid is van onschatbare waarde en verdient versterking.

7.2.2.3

Genoemde maatregelen en onderzoeken kunnen alternatieven en goede praktijken aanreiken voor de aanpassing van de Europese algemene en beroepsopleidingssystemen aan de nieuwe omstandigheden, alsook proefprojecten en nieuwe modellen voorstellen, om de onderwijssystemen af te stemmen op de Lissabon-doelstellingen, de overige grote doelstellingen van de Unie en de manier waarop de nieuwe, wereldwijde kennis moet worden benaderd, onderzocht, op de voorgrond geplaatst en benut.

7.2.2.4

In dit verband heeft de Unie, met name wat betreft de productiviteit en de gevolgen ervan, en steeds op basis van het acquis communautaire, een rol te spelen, die ze in het licht moet stellen en bevorderen, vooral op lokaal en regionaal niveau.

7.2.2.5

De inbreng van de Unie bij de nieuwe kritische benadering van de structuren van en betrekkingen tussen de Europese algemene en beroepsopleidingssystemen heeft nog een ander, uiterst belangrijk aspect. De kosten van dit onderzoek kunnen immers drastisch teruggedrongen worden, als de Unie, in plaats van de lidstaten en met hun samenwerking de taak op zich neemt goede en alternatieve praktijken op te sporen, te identificeren en te bevorderen. Zij kan tevens, door gebruik te maken van de open-coördinatiemethode, het geheel van inspanningen meer mobiliteit en dynamiek νerlenen, teneinde de gemeenschappelijke doelstellingen te verwezenlijken.

7.2.3

Ηet derde standpunt van het EESC betreft de vraag hoe het leerproces, ongeacht de vorm, gecombineerd kan worden met de duurzaamheid van economisch, sociaal en milieubeleid. Dit is het meest complexe, maar tegelijkertijd het meest concrete standpunt van het EESC. Het is gebaseerd op relevante ervaring en kan beschouwd worden als een goede praktijk (39).

7.2.3.1

Aan dit standpunt ligt het principe ten grondslag dat omvangrijke problemen, zoals overleven, duurzame ontwikkeling, productiviteit, concurrentievermogen of de verwezenlijking van de kennismaatschappij niet ver van de alledaagse werkelijkheid opgelost worden, via geïsoleerde procedures en beslissingen van bovenaf. Evenmin zijn zij op te lossen als afzonderlijke problemen via fragmentarische ingrepen. De oplossing ligt veeleer op het niveau van de samenleving, via geïntegreerd handelen en bewuste, persoonlijke en collectieve deelname. Daarom wordt in het centrale voorstel van het EESC over productiviteit, behalve op het Europese, nationale en sectorale, op het lokale niveau gewezen, op geïntegreerd beleid voor duurzame ontwikkeling en een krachtige versterking van alle vormen van samenwerking, die tussen sociale partners  (40) , en in het algemeen tussen het maatschappelijk middenveld en de lokale overheden worden ontwikkeld met het oog op de verwezenlijking van gemeenschappelijke doelstellingen  (41).

7.2.3.2

In het voorstel worden kennis, knowhow en innovatie als essentiële elementen genoemd die de coherentie van de samenwerking, maar ook van de gemeenschappelijke doelstellingen moeten waarborgen.

7.2.3.3

Drijvende kracht voor het welslagen van dit voorstel zijn de individuele of commerciële haalbaarheid, het vertrouwd raken met lopende initiatieven wereldwijd, maar ook de wederzijdse steun voor individuele en collectief ondernomen inspanningen.

7.2.3.4

Instrument voor de verwezenlijking van dit voorstel is de invoering van het levenslang leren als middel dat buiten de starre structuren van de bestaande nationale algemene en beroepsopleidingssystemen kan worden ontwikkeld, en zonder de polarisatie die het interne concurrentiegerichte productiesysteem van nature met zich meebrengt.

7.2.3.5

In elk geval en onafhankelijk van de diensten die het levenslang leren als geïntegreerd leer- en onderwijssysteem nu en in de toekomst kan aanbieden, dient er zonder uitstel werk te worden gemaakt van een systeem van (politieke en sociale) prikkels en invloed zodat de Europese algemene en beroepsopleidingssystemen hier en nu (42) hun doeleinden afstemmen op de Lissabon-doelstellingen. Met deze aanpassing komen zij met name tegemoet aan het volgende:

de eisen van de kenniseconomie, de nieuwe economie en de geglobaliseerde markt;

de eisen van de arbeidsmarkt, die bepaald worden door de wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen;

de behoefte aan een cultuur van ondernemerschap, een collectief productiedenken en een geest van maatschappelijke legitimatie en waardering van innovatie in het algemeen en van innoverende productie-initiatieven in het bijzonder.

7.2.3.6

De hier genoemde prikkels moeten leiden tot een gunstig en aantrekkelijk klimaat voor beroepsopleidingen en levenslang leren, een klimaat dat met name het resultaat is van intensievere samenwerking tussen onderwijsinstellingen onderling en vooral tussen onverwijsinstellingen, ondernemingen, maatschappelijk middenveld en lokale overheden, ter bevordering van procedures en acties die de doelstellingen van Lissabon ten goede komen.

8.   Verdeling van bevoegdheden en de financieringskwestie

8.1

De verdeling van bevoegdheden als onderdeel van een veelzijdig proces van verwezenlijking van gemeenschappelijke doelstellingen –met name in het kader van de globalisering-is een complexe aangelegenheid, die verband houdt met zowel objectieve als subjectieve factoren. Hiertoe behoren onder andere:

de erkenning en aanvaarding door de betrokkenen van het functionele kader;

de erkenning en aanvaarding van de gemeenschappelijke doelstellingen en van de noodzaak om deze te verwezenlijken;

de begeleidende omstandigheden en de evenwichtigheid van het uitvoeringsproces;

de prikkels om de specifieke doelstellingen te verwezenlijken;

de kans van slagen van alle inspanningen.

8.1.1

Tegen deze achtergrond veronderstelt de deelname van individuen, groepen van personen, ondernemingen of van een lokale gemeenschap aan een (na)scholingsproces – en zeker aan een proces voor levenslang leren, duidelijke doelstellingen, middelen en prikkels. De hieruit voortvloeidende verantwoordelijkheden komen derhalve niet alleen ten laste van de mensen van de onderwijs- en opleidingssector. Ze hebben tevens een politieke en sociale pendant en kunnen als volgt ingedeeld worden:

8.1.1.1

De politieke verantwoordelijkheid behelst in de eerste plaats de schepping van een soepel en transparant functioneel kader, met betrekking tot de voorwaarden en de grenzen van de economisch, sociaal en elke andere vorm van functioneren. Onder de politieke verantwoordelijkheid valt ook de uitstippeling van preventief beleid, de versterking van geselecteerde vormen van politiek en economisch bestuur en de financiering van dit beleid.

8.1.1.2

De verantwoordelijkheden van het maatschappelijk middenveld, de sοciale partners, maar ook van de lokale en regionale overheden voor de stimulering van een geïntegreerd beleid voor levenslang leren zijn eveneens aanzienlijk. Het gaat hier in feite om verantwoordelijkheden in verband met de popularisering van doelstellingen, methoden en middelen voor de schepping van een leerklimaat. Het betreft voorts verantwoordelijkheden voor bepaalde vormen van samenwerking en totstandbrenging van geïntegreerde acties. Het gaat ten slotte om verantwoordelijkheden voor het bedenken en waarborgen van prikkels tot deelname aan geselecteerde, eventueel gemeenschappelijk overeengekomen maatregelen en acties.

8.1.1.3

De verantwoordelijkheden van ondernemingen hebben een economisch en sociaal aspect. Het is hun taak om de voorwaarden en de grenzen van hun duurzaamheid te bepalen. Zij zijn het ook die voortdurend hun behoeften aan vaardigheid en kennis moeten peilen en zelfstandig of in samenwerking met andere actoren in hun omgeving speciale opleidingsprogramma's moeten opzetten. Met name het MKB, dat nauw in verbinding staat met zijn werkomgeving, heeft advies en ondersteuning nodig van het sociale en economische milieu waartoe het behoort, omdat het hem moeilijk valt om zelf geïntegreerde opleidingsactiviteiten te ontplooien. Tegelijkertijd treedt zodoende de dimensie van sociale verantwoordelijkheid van ondernemingen op de voorgrond. Dit aspect is des te belangrijker gelet op de globalisering van de economie, zowel voor de duurzaamheid van de ondernemingen als voor de sociale inbedding ervan.

8.1.1.4

Tot slot zijn er de ruime verantwoordelijkheden van elk individu voor deelname aan een proces van levenslang leren. Deze houden verband met de verandering van opvattingen, met een andere benadering van de huidige verschijnselen en feiten, de veranderde relatie tot leren en kennis, met kortom een andere levenswijze en een nieuwe manier om vrije tijd te creëren en in te vullen. Bijgevolg –met name in het geval van oudere werknemers- dienen deze verantwoordelijkheden voor deelname aan processen van levenslang leren gepaard te gaan met concrete verplichtingen en dwingender prikkels. Deze combinatie van verplichtingen en prikkels heeft zonder twijfel betrekking op het gebruik van vrije tijd door het individu, alsmede op zijn inbreng in de meerwaarde die een gevolg is van innovatie en nieuwe technologieën.

8.2

Ook het vraagstuk van de financiering van opleidingen, en zeker de financiering van levenslang leren, is een complexe aangelegenheid.

8.2.1

Volgens artikel 14 van het handvest van de grondrechten van de Europese Unie heeft elke EU-burger „recht op onderwijs en op toegang tot beroepsopleiding en bijscholing”. Daarom is het een taak van de overheid – en wel op alle niveaus en voor alle instanties – de voorwaarden te scheppen om deze rechten te doen gelden. De verzekering van de hiertoe vereiste financiële middelen is een centraal onderdeel van deze taak.

8.2.2

Afgezien van de verplichtingen van de overheid zal de drijvende kracht voor duurzaamheid evenwel in de regel hoofdzakelijk uitgaan van het concurrentievermogen van de economie –voornamelijk naar buiten toe- en van de in dit kader tot stand gekomen partnerschappen.

8.2.2.1

Verantwoordelijkheid van overheidswege voor de financiering van het onderwijs sluit geenszins medeverantwoordelijkheid van werkgevers en ondernemingen uit. Deze medeverantwoordelijkheid betreft in het algemeen niet de beroepsopleidingen, noch verdere kwalificatie en voortgezette opleidingen, maar inservicevorming voor de verwerving van specifieke, op het bedrijf afgestemde vaardigheden. Ondernemingen moeten hun werknemers voortdurend opleiden zodat ze kunnen inspelen op de modernisering op technologisch en organisatorisch vlak en op de expansiebehoeften van de onderneming. Een en ander moet derhalve zowel voor de ondernemingen als voor de werknemers vergemakkelijkt en versterkt worden door middel van verschillende door de sociale partners voorgestelde en goedgekeurde stimulansen. De sociale partners hebben al naar dergelijke stimulansen verwezen in het tweede gezamenlijke follow-upverslag 2004, in de context van inspanningen voor het levenslang ontwikkelen van vaardigheden en kwalificaties. Punt twee van het eerste hoofdstuk luidt: Nationale verslagen geven een staalkaart van de verschillende instrumenten die de sociale partners gebruiken om middelen te vinden ter bevordering van efficiënte investeringen in de levenslange ontwikkeling van vaardigheden. Sommige instrumenten worden toegepast in samenwerking met Europese of nationale overheden (inzet van EU-subsidies, belastingprikkels, oprichting van nieuwe fondsen, enz.). Andere instrumenten zijn specifieker gericht op de individuele steunverleningvoor de ontwikkeling van vaardigheden.

8.2.2.2

In ieder geval moeten investeringen in voor de concurrentie relevant leren en kennisverwerving worden bekeken in het kader van duurzame en productieve partnerschappen tussen lokale, regionale, nationale en sectorale actoren en instanties. Zulke investeringen blijven niet beperkt tot ondersteuning van de overheid, maar boren ook een aantal middelen van uiteenlopende oorsprong aan. Samen dragen alle bestedingen van middelen, uitgaven en activiteiten bij tot een duurzaam kwalificeringproces

8.2.3

De principiële onderwijstaak van de overheid, die ook voor beroepsopleidingen geldt, moet bovendien op een gedifferentieerde en specifieke wijze worden uitgeoefend. Ten eerste hebben bepaalde EU-regio's en bevolkingsgroepen bijzondere economische steun nodig en ten tweede verdienen bepaalde sectoren en bedrijfstakken – het MKB niet in de laatste plaats – speciale aandacht.

8.2.3.1

Instanties voor onderwijsfinanciering op elk niveau moeten beseffen dat zij innovatie een warm hart moeten toedragen, alsook gevoeliger moeten worden voor de noden van ondernemingen, vooral van het MKB.

8.2.3.2

Een dergelijke, specifieke aanpak voor de financiering van levenslang leren moet natuurlijk transparant zijn en op het juiste niveau beginnen, d.w.z. met medewerking en instemming van de sociale partners en het maatschappelijk middenveld.

8.2.4

Met name moet erop worden gewezen dat er dringend behoefte bestaat aan een rationeler middelenverdeling voor de financiering van opleiding en levenslang leren. Dit beheer geldt zowel voor de bestedingswijzε van de middelen als voor de doeltreffendheid ervan als investeringen.

8.2.4.1

Ηet EESC stelt voor dat er een verslag van hoog niveau wordt uitgewerkt, dat gebaseerd is op relevant onderzoek en het volgende omvat:

inventarisatie van de bronnen en manieren van financiering van opleiding en levenslang leren op alle niveaus;

vaststelling en evaluatie van het kwaliteitsniveau;

vaststelling en evaluatie van de relatie met de officiële onderwijssystemen;

analyse en vergelijking van de doeltreffendheid ervan als investeringen.

8.2.4.2

Dergelijk onderzoek kan wellicht problemen aan het licht brengen die nu nog verborgen zijn. In ieder geval kan het wijzen op goede praktijken die een leidraad kunnen opleveren van algemene richtsnoeren voor de verdere ontwikkeling van beroepsopleidingen, in het kader en het vooruitzicht van een geïntegreerd systeem voor levenslang leren.

9.   Een voorbeeld van een goede praktijk: een geïntegreerd proces voor duurzame ontwikkeling op plaatselijk niveau

9.1

ΑDΕDΥ, de algemene federatie van Griekse ambtenarenvakbonden, stelde onlangs een programma voor levenslang leren op, getiteld: „Levenslang leren als individueel recht in het kader van het Europees sociaal model van de 21e eeuw”. Het mede door DG Onderwijs en cultuur gefinancierde programma duurde twee jaar en werd in januari 2004 afgesloten. Bij het programma waren de overheden van drie regio's betrokken (Kozani, Κalamata/Μessinia en Chalkida/Εvvia).

9.2

Ηet was de bedoeling van het initiatief om regionale vakbondslieden, en in het algemeen regionale vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld en van lokale overheden te wijzen op de noodzaak tot lokale samenwerking en partnerschappen met het oog op de verwezenlijking van de Lissabon-doelstellingen, met levenslang leren als ontwikkelingsinstrument.

9.3

Wat de resultaten van het programma betreft, zijn in alle drie de gevallen gemeenschappelijke actieplannen (43) unaniem overeengekomen, met de volgende inhoud:

erkenning van het nieuwe politieke, technologische, economische, sociale en culturele functionele kader dat dag na dag gevormd wordt door de globalisering van de economie en de moderne technische vooruitgang;

aanvaarding van samenwerking en partnerschappen op lokaal niveau tussen lokale overheden en het maatschappelijk middenveld, om op basis hiervan functionele problemen aan te pakken die voortvloeien uit de nieuwe omstandigheden, maar ook om gemeenschappelijk overeengekomen specifieke en kwantificeerbare doelstellingen van duurzame ontwikkeling te verwezenlijken;

inschakeling van het concept levenslang leren als instrument voor duurzame ontwikkeling (vanuit economisch, sociaal en milieu-oogpunt), maar ook als instrument om moderne en betrouwbare globale kennis te scheppen en te verwerven;

oprichting en beheer van een multifunctioneel centrum voor leren, duurzame ontwikkeling en onderwijs (naar gelang van het geval).

10.   Aanbevelingen

10.1

Ηet EESC wil het Nederlandse voorzitterschap in het kader van zijn algemene zienswijze op de huidige productiviteitsproblematiek, zijn opvatting over de grenzen van onderwijs en opleiding, maar ook in het besef van wat momenteel haalbaar is, op de volgende punten wijzen, die voor bij- en nascholing van belang zijn:

10.1.1

In theorie is bij- en nascholing voor volwassenen bedoeld. Tot voor enkele jaren kwam nascholing met succes tegemoet aan de behoefte aan eenvoudige vaardigheden, op een moment en in sectoren waar zich technologische ontwikkelingen voordeden. Hieruit wordt duidelijk waarom deze vorm van nascholing meer in de secundaire productiesector tot bloei kwam.

10.1.2

In de huidige omstandigheden gaan technologische en andere ontwikkelingen sneller, hebben ze ontegenzeggelijk een bredere reikwijdte en zijn ze vooral complexer. Om ze te volgen en te assimileren zijn niet eenvoudigweg vaardigheden maar bekwaamheden  (44) vereist. Bijgevolg is bij- en nascholing zoals ze thans aangeboden wordt, ontoereikend en ondoeltreffend. Zij streeft iets na wat buiten haar bestek ligt en wat zij niet kan waarmaken.

10.1.3

Tegelijk met het veranderde tempo van de technologische ontwikkelingen heeft de reikwijdte ervan eisen doen ontstaan op het gebied van nascholing -modern van inhoud en vorm- voor een veel bredere leeftijdscategorie van werknemers en vanzelfsprekend in alle productiesectoren. Geprobeerd werd om aan deze eisen te voldoen: deels door opleidingspraktijken oude stijl, die echter geen resultaat opleverden, omdat ze geen soelaas boden voor de huidige, objectieve behoeften. Een uitzondering vormen wellicht bepaalde pogingen van de sociale partners op sectoraal niveau.

10.1.4

Momenteel bevindt de bij- en nascholing in Europa zich op dit punt. Er bestaat dus een grote behoefte aan ontwikkeling, maar hierin kan niet worden voorzien ten gevolge van infrastructuur, cultuur en/of gebrek aan relevante goede praktijken en ervaring.

10.1.5

Om deze situatie het hoofd te bieden, moeten de volgende vragen beantwoord worden:

wat betekent na- en bijscholing vandaag?

voor wie is zij bedoeld (leeftijdscategorie en sector)?

hoe kan zij doeltreffender ontwikkeld worden?

hoe kan zij gefinancierd worden?

10.1.5.1

De antwoorden op de eerste twee vragen zijn theoretisch van aard en zijn al gegeven in het kader van de agenda van Lissabon, het levenslang leren en het streven naar een kennismaatschappij en -economie. De derde vraag is evenwel nog onbeantwoord. De Europese Raad (45) trachtte herhaaldelijk om met zijn besluiten de vereiste mobiliteit te bewerkstelligen voor de nakoming van de desbetreffende - soms gedetailleerde - verplichtingen, maar zonder noemenswaardige resultaten.

10.1.6

De Europabrede netwerkvorming van vele ondernemingen en de mobiliteit van werknemers vereisen een Europese dimensie in het beroepsbeleid. Ondanks de zeer uiteenlopende onderwijssystemen dienen de EU-staten zich als „onderwijsruimte” te beschouwen. De volgende punten zijn voor het EESC van bijzonder belang:

de opname van bij- en nascholing als leerproces na de scholingsperiode in een geïntegreerd programma voor levenslang leren van de Unie, dat onmiddellijk in moet gaan (46), en in het licht van de geformuleerde Europese onderwijsdoelstellingen de bevoegde instanties kan aanzetten tot toekomstgerichte hervormingen van nationale systemen voor beroepsopleidingen, met het oog op op de bevordering van de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt. Hoofddoel van dit programma is de Europese dimensie van levenslang leren te ondersteunen, alsmede initiële beroepsopleidingen op de behoefte aan het voortdurend actualiseren van kennis af te stemmen;

de functionele en creatieve verbinding van voornoemd programmanet, en integratie ervan in het algemene streven naar duurzame ontwikkeling;

de zo decentraal en individueel mogelijke totstandbrenging van bovengenoemde verbinding, in het kader van Europese richtsnoeren, relevante nationale strategieën en vooral in het kader van samenwerking tussen het maatschappelijk middenveld, overheidsdiensten en alle onderwijssectoren;

sterkere betrokkenheid hiertoe van de sociale partners en met name optimaal gebruik van de samenwerking tussen hen, op Europees, nationaal, lokaal en sectoraal gebied;

versterking en optimale inzet van de in principe op lokaal niveau gesloten partnerschappen, tussen overheden en maatschappelijk middenveld;

de afstemming van de lesinhoud zowel op de bestaande behoeften van de arbeidsmarkt als op een zo breed mogelijk onderwijsspectrum;

levenslang leren mogelijk maken door leerbekwaamheid als onderwijsdoelstelling vast te stellen. Leerbekwaamheid is de beste garantie voor inzetbaarheid op de arbeidsmarkt;

groter aanbod van economische kennis tijdens de schoolopleiding met het oog op het vormen van volledige persoonlijkheden, waarbij de aandacht met name uit moet gaan naar persoonlijke verantwoordelijkheid, kritisch denken en zelfstandigheid;

bevordering van de inzetbaarheid, via het leerlingwezen (praktijklessen, bijv. in bedrijven);

vreemdetalenonderwijs ter bevordering van mobiliteit en uitwisseling tussen lidstaten, dat op alle niveaus dient te worden gestimuleerd;

gerichte ontwikkeling van personeel, met name ook van oudere werknemers, in de zin van goed bedrijfs- en personeelsbeheer, door het uitstippelen van plannen voor na- en bijscholing in ondernemingen;

intensievere pogingen om diploma's voor beroepsopleidingen en beroepskwalificaties op elkaar af te stemmen resp. wederzijds te erkennen.

10.1.7

Ηet perspectief van versterkte Europese samenwerking op onderwijsgebied om de achterstand in de verwezenlijking van de Lissabon-doelstellingen zo algemeen en uniform mogelijk aan te pakken, veronderstelt specifieke beleidskeuzen:

toereikende middelen om het grote aantal verschillende werknemers te bereiken en om het hele door de omstandigheden vereiste opleidingsspectrum te bestrijken;,

zoeken naar het nodige gemotiveerd onderwijzend personeel in Europa;

totstandbrenging van een modern leerkader- en klimaat;

bewustwording, actieve betrokkenheid en deelname van overheden op alle niveaus, sociale partners en het maatschappelijk middenveld in het algemeen;

duidelijker afbakening van de rol en verantwoordelijkheden van zowel ontvangers als aanbieders van onderwijs, alsook van de controlemechanismen van het gehele proces op lokaal, nationaal en Europees niveau;

tot slot actieve inzet voor de bevordering van het gehele initiatief en de implicaties van inhoud en doelstelllingen ervan.

10.1.8

Volgens het EESC zijn de grootste struikelblokken voor de verwezenlijking van voornoemd voorstel de vereiste middelen en de operationele terbeschikkingstelling van lokale krachten (overheidsdiensten en maatschappelijk middenveld).

10.1.8.1

In een vroeger advies heeft het EESC gesteld dat „investeringen van Europees belang voor de verwezenlijking van de in Lissabon overeengekomen doelstellingen bij de berekening van het overheidstekort niet dienen te worden meegeteld” (47). De middelen die zijn toegewezen voor levenslang leren zouden naar het oordeel van het EESC in dit verband positieve resultaten opleveren, zowel voor de totstandbrenging van het Europa van de kennis als voor de bevordering van duurzame ontwikkeling.

10.1.8.2

Verplaatsing naar lokaal niveau van het zwaartepunt van levenslang leren en duurzame ontwikkeling zou een nieuwe dynamiek ontketenen, een grotere mobiliteit opleveren en het gehele proces meer transparantie verlenen.

10.1.8.3

Een beter gecoördineerd, geïntegreerd en doeltreffender proces voor de opzet, bevordering en controle van de uitvoering en efficiëntie van de desbetreffende Europese onderwijsbesluiten zou de voorwaarden scheppen voor een ommekeer om de achterstand in te halen die de Unie heeft opgelopen op het gebied van productiviteit en de verwezenlijking van de doelstellingen van Lissabon.

10.1.8.4

Τot slot zou een beter gebruik en een betere coördinatie van de klassieke onderwijstrajecten, d.w.z. gezin, school en arbeidsplaats, bovengenoemde aanpak aanzienlijke dynamiek verlenen, die tegenwoordig vereist is voor de realisatie van de grote doelstelling, nl. om tegen 2010 Europa tot de meest dynamische kenniseconomie ter wereld uit te laten groeien.

Brussel, 28 oktober 2004

De voorzitter

van het Εuropees Economisch en Sociaal Comité

A.-M. SIGMUND


(1)  Zie het programma van het Nederlandse voorzitterschap.

(2)  Zie de Conclusies van het voorzitterschap-hoofdstuk ΙΙΙ.

(3)  Zie punt 45 van de hiervoor genoemde conclusies.

(4)  De Commissie zal de nieuwe sociale agenda in het eerste halfjaar van 2005 presenteren.

(5)  Opgemerkt zij dat de tussentijdse evaluatie van de Lissabon-strategie tijdens de Voorjaarstop (maart 2005) zal plaatsvinden.

(6)  De door het Nederlands voorzitterschap nagestreefde structurele veranderingen zijn toegespitst op vier beleidsgebieden (efficiënt afstemmen van werk op sociaal en gezinslevensversterking van het systeem van sociale zekerheid, bevordering van veranderingen in het beroepsleven, opleiding en productiviteit .

(7)  De werkzaamheden van het EESC worden ondertussen gekenmerkt door een aanpak waarbij deelaspecten in een algemene context worden geplaatst. Goede voorbeelden hiervan zijn het recente advies PB C 110 van 30.4.2004 (Hornung_Draus-Greif) en het advies PB C 117 van 30.4.2004 (Ribbe-Ehnmark).

(8)  De publicaties van het CEDEFOP bevatten uitvoeriger informatie over begrippen op het gebied van beroepsopleiding; zie met name het CEDEFOP-glossarium, alsook de rapporten over onderzoek naar beroepsopleidingen en over het beleid inzake beroepsopleidingen (www.cedefop.eu.int en www.trainingvillage.gr). De bijlage bij het advies is een aanvulling hierop.

(9)  Zie voor de begrippen SEC (2000) 1832 (Memorandum voor levenslang leren) en COM (2001) 678 def. (Een Europese ruimte voor levenslang leren realiseren).

(10)  COM (2001) 678 def.

(11)  Zie voor de begripsafbakening SEC (2000) 1832, alsook de Mededeling van de Europese Commissie (1997) Voor een Europa van de kennis.

(12)  COM (2004) 156 def.

(13)  Zie hiertoe de desbetreffende publicaties van CEDEFOP onder het overkoepelende begrip Getting to work on lifelong learning (www.trainingvillage.gr), alsook relevante studies en rapporten van ETF over de situatie in de nieuwe lidstaten en kandidaat-lidstaten (www.etf.eu.int).

(14)  Zie SCADPlus: Productiviteit: de sleutel tot het concurrentievermogen van de Europese economieën en ondernemingen. Opgemerkt zij dat naast „arbeidsproductiviteit” nog andere begrippen worden gebruikt, die niet precies dezelfde inhoud hebben. Hiertoe behoren o.a. economische, ondernemings-, nationale, individuele, kapitaalsproductiviteit enz.

(15)  Zie COM (2002) 262 def. (samenvatting) SCADPlus: Productiviteit: de sleutel tot het concurrentievermogen van de Europese economieën en ondernemingen.

(16)  Vgl. COM (2002) 262 def. (samenvatting) SCADPlus: Productiviteit: de sleutel tot het concurrentievermogen van de Europese economieën en ondernemingen.

(17)  Art. ΙΙΙ-183 van de te ratificeren Grondwet, SEC (2000) 1832 en de Mededeling van de Europese Commissie 1997, Voor een Europa van de kennis (COM(97) 563. Opgemerkt zij dat de bevoegdheden van de Unie voor wat betreft de beroepsopleiding bepaald worden door de volgende passage: „De Unie voert inzake beroepsopleiding een beleid…”. Voor wat betreft opleidingen geldt het volgende: „De Unie draagt bij tot de ontwikkeling van onderwijs van hoog gehalte…”.

(18)  http://europa.eu.int/comm/education/copenhagen/copenahagen_declaration_en.pdf

(19)  Zie hiertoe: „Onderwijs en opleiding 2010” KERNBOODSCHAPPEN VAN DE RAAD EN DE COMMISSIE VOOR DE EUROPESE RAAD (PB C 104 van 30.4.2004).

(20)  www.eurydice.org

(21)  Eerdere programma's voor beroepsopleiding: Comett (1986-1989 en 1990-1994), Iris (1988-1993 en 1994-1998), Petra (1988-1991 en 1992-1994), Eurotecnet en Force.

(22)  Artikel 1, lid 3, van het besluit van de Raad (1999/382) tot vaststelling van een communautair actieprogramma inzake beroepsopleiding (Leonardo da Vinci).

(23)  http://europa.eu.int/comm/education/programmes/socrates/grundtvig/overview_en.html

(24)  De begroting van DG Onderwijs en cultuur beloopt 0,85 % van de totale begroting van de Unie. De middelen die beschikbaar zijn voor beroepsopleidingen vormen 0,25 % van de begroting van dit DG en 0,002 % (tegen 0,003 % voor alle andere vormen en niveaus van onderwijs) van de totale EU-begroting (alle gegevens zijn afkomstig van of zijn gebaseerd op de algemene EU-begroting voor 2004.

(25)  In een Eurostat-enquête (CVTS 2/Data 1999/EDITION 2002) hierover worden bij een steekproef in de lidstaten en op sectoraal niveau zeer belangrijke opmerkingen over de kwantitatieve en kwalitatieve onderdelen van beroepsonderwijs geformuleerd.

(26)  Opgemerkt zij dat het oorspronkelijke voorstel van de Commissie als volgt luidde: „Tegen 2010 moet het EU-gemiddelde voor participatie in levenslang leren minstens 15 % van de volwassen bevolking op beroepsactieve leeftijd (de leeftijdscategorie van de 25- tot 64-jarigen) bedragen en mag het percentage in geen enkel land lager liggen dan 10 % .” De Europese Raad van 5 mei 2003 heeft dit voorstel ten slotte gewijzigd zoals hierboven wordt aangegeven (bron: http://europa.eu.int/scadplus/leg/el/cha/c11064.htm).

(27)  Opleidingen op sectoraal niveau lijken voor het verwerven van internationale kwalificaties en bekwaamheden van bijzonder belang te zijn. De actoren op dit niveau zijn goed op de hoogte van de problemen en uitdagingen die de globalisering en de ontwikkeling van nieuwe technologieën met zich meebrengen en bevinden zich in een goede positie om oplossingen voor te stellen en uit te werken (Leonardo da Vinci – EAC/11/04, punt ΙΙΙ).

(28)  COM (2002) 262 def., punt 2 (tweede paragraaf).

(29)  COM(2002) 262 def.

(30)  Zie http://europa.eu.int/scadplus/leg/de/lvb/n26027.htm (conclusies).

(31)  Zie par. 4.4 van PB C 85 van 8.4.2003 (Sirkeinen-Ehnmark).

(32)  Zie PB C 311 van 7.11.2001, met name par. 3.4.1 (Κοryfidis-Rodríguez García Caro-Rupp).

(33)  Het centrale probleem van de Europese (beroeps)opleidingssystemen is tegenwoordig dat zij helemaal niet sporen met hun omgeving. In een omgeving die gekenmerkt wordt door zeer grote mobiliteit functioneren de Europese (beroeps)opleidingssystemen in de regel alsof er volledige windstilte heerst.

(34)  Zie voor nadere inlichtingen: Eurostat, Continuing vocational training survey (CVTS2) Data 1999. Zie ook de gegevens van het gezamenlijk tussentijds verslag van de Raad en de Commissie over de uitvoering van het gedetailleerd werkprogramma voor de follow up inzake de doelstellingen voor de onderwijs- en opleidingsstelsels in Europa (PB C 104 van 30.4.2004).

(35)  Zie par. 7.2.3.

(36)  Zie voor de termen „onderwijs, opvoeding, leren en socialisatie” (bijlage).

(37)  Basisbekwaamheden: alle competenties die de basis- en algemene vaardigheden aanvullen en iemand in staat stellen: om gemakkelijker nieuwe kennis op te doen; zich aan te passen aan nieuwe technologieën of organisatorisch nieuwe omgevingen en/of om mobiel te zijn op de arbeidsmarkt, ook binnen de eigen loopbaan (bron: Tweede rapport over onderzoek naar het beroepsonderwijs in Europa-samenvatting-CEDEFOP-publicatie).

(38)  De Europese Raad van 25 en 26 maart 2004 vermeldt in zijn conclusies (punt 39) het volgende: „Hij erkent tevens dat levenslang leren positieve effecten heeft op de productiviteit en op het arbeidsaanbod; hij staat achter de aanneming van een geïntegreerd programma in de loop van 2005 en de invoering van nationale strategieën in alle lidstaten in de loop van 2006”.

(39)  Voor nadere details: zie het bijgevoegde actieplan voor de ontwikkeling van een „lokaal, multifunctioneel centrum voor leren, duurzame ontwikkeling en onderwijs”.

(40)  Kenmerkend en positief zijn de prioriteiten die de sociale partners op Europees niveau in maart 2002 hebben vastgesteld in het kader van hun werkzaamheden voor het levenslang ontwikkelen van vaardigheden en kwalificaties, die alle steun verdienen.

(41)  De Europese Raad van 25 en 26 maart 2004 vermeldt hierover in de conclusies (punt 43) het volgende: „Steun voor en inzet ten behoeve van veranderingen is niet een zaak van regeringen alleen. Om deze steun te verwerven roept de Europese Raad de lidstaten op, partnerschappen voor hervorming tot stand te brengen waarbij de sociale partners, het maatschappelijk middenvelden de overheidsinstanties betrokken worden, een en ander in overeenstemming met nationale regelingen en tradities”.

(42)  Nadere details zijn te vinden in een studie en analyse van de Vereniging van de Griekse industrie over de behoeften van ondernemingen in de periode 2005-2007, die in juni jl. gepubliceerd is. http://www.fgi.org.gr/frames/frames.asp

(43)  In bijlage (slechts beschikbaar in het Grieks en het Engels) gaat het laatste actieplan uit de regio Evvia (Chalkida). Beide andere actieplannen zijn vergelijkbaar van inhoud.

(44)  Bekwaamheid: de aangetoonde individuele mogelijkheid om know how, vaardigheden en kwalificaties of kennis toe te passen om in te spelen op zowel gebruikelijke als nieuwe arbeidsomstandigheden en –eisen (bron: Tweede rapport over onderzoek naar het beroepsonderwijs in Europa-samenvatting-CEDEFOP-publicatie)

(45)  Kenmerkend is de passage in de conclusies van de Europese Raad van 25 en 26 maart 2004 (punt 10): „Volgens de EuropeseRaad is het belangrijkste probleem thans dat de reeds gedane toezeggingen beter moeten worden nagekomen”.

(46)  Gewezen wordt op het standpunt van de Europese Raad van 25 en 26 maart 2004, dat als volgt luidt: „Hij (de Raad) erkent tevens dat levenslang leren positieve effecten heeft op de productiviteti en op het arbeidsaanbod; hij staat achter de aanneming van een geïntegreerd programma in de loop van 2005 en de invoering van nationale strategieën in alle lidstaten in de loop van 2006”.

(47)  Zie PB C 110 van 30.4.2004, par. 5 (rapporteur: Florio).


20.5.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 120/76


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het „Voorstel voor een beschikking van de Raad tot wijziging van Beschikking 2002/463/EG tot vaststelling van een actieprogramma voor administratieve samenwerking op het gebied van buitengrenzen, visa, asiel en immigratie (ARGO-programma)”

(COM(2004) 384 def. - 2004/0122 (CNS))

(2005/C 120/14)

De Raad heeft op 10 juni 2004 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig art. 262 van het EG-Verdrag te raadplegen over bovenvernoemd voorstel.

De gespecialiseerde afdeling „Werkgelegenheid, sociale zaken, burgerschap”, die met de voorbereiding van de werkzaamheden was belast, heeft haar advies goedgekeurd op 22 september. Rapporteur was de heer PARIZA CASTAÑOS.

Tijdens zijn 412e zitting op 27 en 28 oktober 2004 (vergadering van 27 oktober 2004) heeft het Europees Economisch en Sociaal Comité het volgende advies uitgebracht, dat met 172 stemmen vóór en twee stemmer tegen, bij vijf onthoudingen, werd goedgekeurd:

1.   Inleiding

1.1

In het Verdrag van Amsterdam werd een nieuwe pijler aan het communautair beleid toegevoegd met als doel een Europese ruimte voor vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid tot stand te brengen. Hieronder vallen beleidsterreinen als controle aan de buitengrenzen, visa, asiel en immigratie.

1.2

In oktober 1999 formuleerde de Europese Raad van Tampere diverse voorstellen voor een gemeenschappelijk migratie- en asielbeleid in de EU.

1.3

Zo werd in Tampere o.m. voorgesteld de samenwerking en wederzijdse technische bijstand op het gebied van grenscontroles tussen de lidstaten te versterken; dit voorstel werd door de Europese Raad van Sevilla (2002) en die van Thessaloniki (2003) bekrachtigd.

2.   Het voorstel van de Commissie

2.1

Het ARGO-programma beoogt de administratieve samenwerking op het gebied van buitengrenzen, visa, asiel en immigratie te bevorderen. Het programma werd goedgekeurd door de Raad op 13 juni 2002, de dag waarop ook een plan voor het beheer van de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie werd vastgesteld.

2.2

Behalve bevordering van de administratieve samenwerking beoogt dit programma ook de uniforme toepassing van het EU-recht te stimuleren, een doelmatiger toepassing van de Europese regels te bewerkstelligen, de Europese dimensie van de organisatie van de dienstverlening te waarborgen en de doorzichtigheid van de goedgekeurde maatregelen te verbeteren.

2.3

Om deze doelstellingen te bereiken wordt op een viertal terreinen concreet actie ondernomen: buitengrenzen, visumbeleid, asielbeleid en immigratiebeleid.

2.4

Op het gebied van de buitengrenzen wordt beoogd ervoor te zorgen dat de lidstaten bij de uitvoering van grenscontroles de in het Gemeenschapsrecht vervatte beginselen en bepalingen in acht nemen, met name het Schengen-acquis; verder wordt gestreefd naar een gelijkwaardig niveau van bescherming en bewaking aan de buitengrenzen en naar een verhoging van de doeltreffendheid van de controles.

2.5

Op het gebied van visa wordt beoogd ervoor te zorgen dat de lidstaten bij de verstrekking van visa de in het Gemeenschapsrecht vervatte gemeenschappelijke beginselen en uitvoeringsbepalingen in acht nemen, dat een gelijkwaardig niveau van controle en veiligheid bij het verstrekken van visa wordt bevorderd, dat de aanvraagprocedures worden geharmoniseerd, en dat zowel de voorwaarden voor visumaanvragen als de door de lidstaten toegepaste uitzonderingsregelingen gelijk worden getrokken; bovendien moet ook de consulaire samenwerking worden verbeterd.

2.6

Op asielgebied wordt gestreefd naar een gemeenschappelijke asielprocedure en een uniforme status in de gehele Gemeenschap voor degenen aan wie asiel is verleend, alsook naar een adequate procedure om vast te stellen welke staat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielaanvraag, en naar harmonisatie van de nationale regels door minimumnormen voor asielprocedures in te voeren.

2.7

Op het gebied van immigratie wordt beoogd gemeenschappelijke regels op te stellen betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf voor onderdanen van derde landen, en een Europese langlopende verblijfstitel in te voeren. Het gaat erom het pad te effenen voor legale economische immigratie en van illegale immigratie te bestrijden.

2.8

De Europese Raad van Sevilla verzocht de Commissie de kwesties in verband met de verdeling van de financiële lasten voor het beheer van de buitengrenzen te onderzoeken. De Commissie is van mening dat voor een adequate oplossing zal moeten worden gewacht op de financiële vooruitzichten na 2006. Het voorstel voor wijziging van het ARGO-programma heeft dan ook slechts een tijdelijk karakter, totdat de begrotingslijnen voor de toekomst zijn uitgezet.

2.9

Tijdens de evaluatie van het eerste jaar van ARGO (2003) heeft de Commissie geconstateerd dat het programma onderbenut is gebleven. De beschikbare middelen zijn nog niet voor de helft gebruikt, omdat de nationale overheidsinstanties er niet in zijn geslaagd om samen met andere lidstaten de schouders te zetten onder de projecten die door het programma worden gepromoot en gefinancierd.

2.10

Met de voorgestelde wijziging van het ARGO-programma wordt derhalve beoogd de financiële ondersteuning van nationale projecten op het gebied van de buitengrenzen mogelijk te maken waarmee specifieke structurele zwaktes op strategische grenspunten moeten worden verholpen. Deze zwaktes moeten worden vastgesteld op basis van objectieve criteria (risicobeoordeling), die zullen worden omschreven in het jaarlijkse werkprogramma dat de Commissie in overleg met het ARGO-comité opstelt.

2.11

Tot het jaar 2006 wordt voor het ARGO-programma een bedrag van 46,1 miljoen euro uitgetrokken, waarvan 21,3 miljoen in 2004 wordt besteed.

2.12

Het communautair belang wordt gewaarborgd in de artikelen 62, 63 en 66 van het EU-Verdrag en door het Schengen-acquis. Het Verenigd Koninkrijk en Ierland zullen een besluit nemen volgens de procedure die is vastgelegd in het aan de Verdragen gehechte Protocol.

3.   Opmerkingen

3.1

Het Comité stemt in met de wijziging van het ARGO-programma ten einde de financiële ondersteuning van nationale projecten op het gebied van de buitengrenzen mogelijk te maken, maar wenst te benadrukken dat aan de hand van een risicobeoordeling (op grond van objectieve, samen met een meerderheid van de lidstaten gedefinieerde criteria) in overleg met het Argo-comité en op voorstel van de Commissie moet worden vastgesteld wat de zwaktes op strategische grenspunten zijn.

3.2

Het feit dat de nationale instanties moeilijkheden hebben ondervonden om in het kader van het ARGO-programma samen te werken met hun EU-partners heeft aangetoond dat er op het gebied van het beheer van de buitengrenzen geen samenwerking bestaat tussen de lidstaten.

3.3

Het Comité is van mening dat de samenwerking in de toekomst verder zal moeten reiken dan puur administratieve samenwerking en dat er, in het kader van een gemeenschappelijk beleid, een systeem voor communautaire solidariteit op het gebied van de buitengrenzen, visa, asiel en immigratie tot stand moet worden gebracht. Hiermee moet rekening worden gehouden in de financiële vooruitzichten vanaf 2007.

3.4

Het Comité begrijpt niet waarom de oprichting door de Raad van een Europees agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen zoveel vertraging heeft opgelopen en wat de problemen zijn (1).

3.5

Het Comité staat erop dat bij de administratieve samenwerking op het gebied van buitengrenzen, visa, asiel en immigratie steeds wordt toegezien op een menselijke en waardige behandeling van alle personen, overeenkomstig het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de internationale verdragen op het gebied van de mensenrechten.

3.6

In het advies van het EESC (2) over de verordening tot oprichting van een Europees agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen wordt het volgende opgemerkt:

3.6.1

„Het EESC hoopt dat de doeltreffendheid van de grenscontroles met inachtneming van het asielrecht wordt opgevoerd. Veel personen die internationale bescherming behoeven bereiken de buitengrenzen langs clandestiene wegen. De autoriteiten moeten garanderen dat deze personen een verzoek om bescherming kunnen indienen en dat hun verzoek overeenkomstig de internationale verdragen en de communautaire en nationale wetgeving wordt behandeld. Zolang de administratieve en gerechtelijke procedures niet zijn afgerond mogen asielzoekers niet worden uitgezet en moeten zij de gepaste bescherming genieten”.

3.6.2

Van de ondoeltreffende controles aan de buitengrenzen wordt veelal gebruikgemaakt door criminele netwerken die mensenhandel bedrijven, en die er niet voor terugschrikken het leven van andere mensen in gevaar te brengen om er zelf op illegale wijze rijker van te worden. In zijn advies over de verblijfstitel met een korte geldigheidsduur voor slachtoffers van illegale immigratie of mensenhandel  (3) , hamerde het EESC erop dat met dezelfde ijver waarmee netwerken van mensensmokkel en mensenhandel worden bestreden, de autoriteiten ook de slachtoffers moeten beschermen, vooral de meest kwetsbare zoals minderjarigen en slachtoffers van mensenhandel en seksuele uitbuiting.

3.6.3

„Het EESC heeft in eerdere adviezen al betoogd dat het voor een goed beheer van de buitengrenzen noodzakelijk is dat de grensautoriteiten van de lidstaten nauw samenwerken, en dat de autoriteiten van de herkomst- en transitlanden hun medewerking verlenen, via het netwerk van verbindingsfunctionarissen.”

Brussel, 27 oktober 2004

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

A.-M. SIGMUND


(1)  COM(2003) 687 def. - 2003/0273 (CNS)

(2)  Zie het advies van het EESC over het „Voorstel voor een verordening van de Raad tot oprichting van een Europees agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen” van 29 januari 2004 (PB C 108 van 30-4-2004; rapporteur: de heer Pariza Castaños).

(3)  Zie PB C 221 van 17-9-2004 (rapporteur: de heer Pariza Castaños).


20.5.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 120/78


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het „Voorstel voor een verordening van de Raad betreffende het Europees waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving”

(COM(2003) 808 def. – 2003/0311 (CNS))

(2005/C 120/15)

De Raad heeft op 23 september 2004 besloten om het Europees Economisch en Sociaal Comité, overeenkomstig art. 152 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, te raadplegen over bovenvernoemd voorstel.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft besloten de heer Olsson aan te wijzen als algemeen rapporteur en hem te belasten met de voorbereiding van dit advies.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 27 en 28 oktober 2004 gehouden 412e zitting (vergadering van 27 oktober) het volgende advies uitgebracht, dat met 159 stemmen vóór en geen stemmen tegen, bij 1 onthouding, is goedgekeurd:

1.   Samenvatting van het voorstel voor een verordening

1.1

De Commissie stelt voor om Verordening (EEG) nr. 302/93 van 8 februari 1993 tot oprichting van een Europees waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving (EWDD) te herschikken.

1.2

De voorgestelde wijzigingen omvatten onder meer:

wijzigingen om de rol van het waarnemingscentrum uit te breiden, waarbij het met name de bedoeling is dat het waarnemingscentrum zich mede gaat richten op nieuwe trends in het drugsgebruik, met name van jongeren, die steeds vaker illegale stoffen gebruiken in combinatie met legale stoffen zoals alcohol, en op de ontwikkeling van indicatoren aan de hand waarvan het drugsbeleid en de drugsstrategieën in de Europese Unie kunnen worden geëvalueerd;

wijzigingen met het oog op de uitbreiding. Er wordt een bureau opgericht dat de raad van bestuur van het EWDD zal bijstaan. Daarnaast wordt voorgesteld de samenstelling van het wetenschappelijk comité van het waarnemingscentrum te wijzigen;

wijzigingen die bedoeld zijn om een aantal onduidelijkheden die bij de toepassing van de oorspronkelijke verordening zijn gebleken, weg te nemen. Daarbij gaat het met name om de REITOX-knooppunten, die de plaats innemen van de gespecialiseerde centra.

2.   Algemene opmerkingen

2.1

Het EESC betreurt het dat het van de Raad zo weinig tijd heeft gekregen om een advies op te stellen over een ontwerpverordening die al in december 2003 door de Commissie is gepubliceerd.

2.2

Het EWDD moet de EU en de lidstaten voorzien van objectieve, betrouwbare en op Europees niveau vergelijkbare informatie over drugs en drugsverslaving en de gevolgen daarvan.

2.3

Het EESC is dan ook ingenomen met de ontwerpverordening, die bedoeld is om de rol van het EWDD uit te breiden, de werking van zijn organen aan te passen en een aantal onduidelijkheden weg te nemen die bij de toepassing van de oorspronkelijke verordening aan het licht zijn gekomen. Een en ander sluit aan bij eerdere adviezen van het EESC over de preventie en de beperking van de risico's die samenhangen met drugsverslaving (1).

3.   Bijzondere opmerkingen

3.1

Bij het drugsbeleid betrokken organisaties uit het maatschappelijk middenveld zouden bij de werkzaamheden van het EWDD moeten worden betrokken. Het EESC is het dan ook volledig eens met artikel 5, lid 5, van de ontwerpverordening, waarin staat dat het waarnemingscentrum een beroep [kan] doen op aanvullende expertise en informatiebronnen, zoals internationale netwerken die zich bezighouden met de drugs- en drugsverslavingsproblematiek.

3.2

Het EWDD zou moeten worden uitgebreid met een verbindingscomité bestaande uit vertegenwoordigers van Europese netwerken die actief zijn op dit gebied en die informatie kunnen leveren ter aanvulling van de door de nationale knooppunten (2) verschafte gegevens.

3.3

Gezien de financiële bijdrage van de EU aan de nationale knooppunten beveelt het EESC het volgende aan:

om hun statistische gegevens betrouwbaarder en beter onderling vergelijkbaar te maken zouden de lidstaten de methoden waarmee zij deze verzamelen beter op elkaar af moeten stemmen, net als voor Eurostat gebeurt. Artikel 5, lid 2, van de ontwerpverordening zou daarom in deze zin moeten worden aangescherpt.

de nationale netwerken van het maatschappelijk middenveld die in de sector actief zijn zouden nauw moeten worden betrokken bij de werkzaamheden van de nationale knooppunten.

3.4

Het EESC zal het nieuwe actieplan van de Europese Unie inzake drugsbestrijding, dat voor begin 2005 gepland staat, nauwkeurig bestuderen.

Brussel, 27 oktober 2004,

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

A.-M. SIGMUND


(1)  

Advies over de „Mededeling van de Commissie aan de Raad, aan het Europees Parlement, aan het Economisch en Sociaal Comité en aan het Comité van de Regio's betreffende een actieplan van de Europese Unie inzake drugsbestrijding (2000 - 2004)”, rapporteur: mevrouw Hasselt-Van Turnhout, PB C 51 van 23-2-2000

Advies over het „Voorstel voor een aanbeveling van de Raad betreffende de preventie van en de beperking van de risico's die samenhangen met drugsverslaving”, rapporteur: mevrouw Le Nouail-Marlière, PB C 61 van 14-3-2003

(2)  De nationale knooppunten maken deel uit van het Europees netwerk voor informatie over drugs en drugsverslaving (REITOX), dat onder het EWDD valt


20.5.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 120/79


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „Een doeltreffendere uitvoering van de strategie van Lissabon”

(2005/C 120/16)

Op 25-26 maart 2004 heeft de Europese Raad het Europees Economisch en Sociaal Comité in de conclusies van het voorzitterschap verzocht, in overeenstemming met art. 262 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, om zich in een advies te beraden op middelen en methoden voor „Een doeltreffendere uitvoering van de strategie van Lissabon”.

De gespecialiseerde afdeling „Economische en monetaire unie - economische en sociale samenhang” heeft op grond van het voorbereidende werk door een stuurgroep „Strategie van Lissabon” hierover op 7 oktober 2004 advies uitgebracht (rapporteur: de heer Vever; co-rapporteurs: de heren Ehnmark en Simpson).

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 412e zitting op 27 en 28 oktober 2004 (vergadering van 27 oktober) onderstaand advies uitgebracht dat met 169 stemmen voor en 4 stemmen tegen, bij 8 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Inleiding

1.1

Het Europees Economisch en Sociaal Comité is verheugd over het verzoek van de Europese Raad van 25 en 26 maart 2004 om zich te beraden op middelen en methoden voor een doeltreffendere uitvoering van de strategie van Lissabon, waarvan de looptijd nu voor de helft is verstreken.

1.2

Het herinnert eraan dat op 24 maart 2000 in Lissabon werd besloten dat:

de sociale partners en het maatschappelijk middenveld actief moeten worden betrokken bij de uitvoering van de strategie en dat daarbij gebruik moet worden gemaakt van diverse vormen van partnerschap;

het succes van de strategie in eerste instantie afhankelijk is van publiek-private partnerschappen;

de drie onderdelen van de toen afgesproken strategie (nl. economische groei, sociale samenhang en een duurzaam milieu) in evenwicht met elkaar moeten worden ontwikkeld, en wel door het Europees concurrentievermogen te vergroten en te stimuleren dat meer kwaliteitsbanen worden gecreëerd, met als ruggensteun een adequaat milieubeleid.

1.3

In alle discussies, hoorzittingen en adviezen van de afgelopen jaren heeft het Comité steeds gehamerd op het belang van de Strategie van Lissabon voor de economische en sociale toekomst van de Unie en heeft het alle sociale en beroepskringen ertoe aangespoord om hieraan actief deel te nemen. Zo heeft het Comité onlangs advies uitgebracht over het concurrentievermogen van de Europese ondernemingen, de EU-strategie voor duurzame ontwikkeling, betere economische governance (1) en werkgelegenheidsbevorderende maatregelen (2). Het Comité heeft voortdurend beklemtoond dat de doelstellingen van de Strategie van Lissabon niet zullen worden gehaald als het maatschappelijk middenveld geen volwaardige stem in het kapittel heeft.

1.4

Ingevolge het verzoek van de Europese Raad heeft het Comité, onder verwijzing naar zijn recente standpunten inzake de strategie van Lissabon:

al zijn gespecialiseerde afdelingen bij deze taak betrokken,

zijn oor te luisteren gelegd bij de sociaal-economische raden van de lidstaten en de belangrijkste Europese maatschappelijke organisaties,

op 9 en 10 september 2004 in Brussel een hoorzitting rond dit thema gehouden.

2.   Algemene opmerkingen

2.1

De strategie van Lissabon staat ook wel, bondig samengevat, bekend als „het streven om van Europa de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie van de wereld te maken”.

2.2

Deze korte omschrijving van de strategie van Lissabon is dikwijls gebruikt, maar men is zich niet altijd bewust van de reikwijdte en van alle consequenties van deze strategie.

2.3

De strategie van Lissabon is een zeer ambitieus streven voor de gehele samenleving van de Europese Unie. De formulering ervan is een herbevestiging van de fundamentele doelstellingen van de Unie, zij het thans in een breder perspectief van een Unie met 25 lidstaten.

2.4

De strategie van Lissabon is niet:

louter een begrip voor economen,

een ambitie die alleen door de gevestigde orde in Brussel wordt gekoesterd,

een beperkte visie waarbij enkel economische verandering wordt beoogd,

een streven dat incompatibel is met duurzame ontwikkeling,

een concept dat voorbijgaat aan de sociale gevolgen van economische groei.

2.5

De strategie van Lissabon is, mits juist voorgesteld en begrepen, wél:

een manier om de toekomst van Europa vorm te geven,

een methode om de levenskwaliteit van de burgers van Europa in stand te houden en te verbeteren,

noodzakelijk om de nieuwe kansen van de kenniseconomie te benutten,

een erkenning van het feit dat behoud van de werkgelegenheid en verbetering van de levensstandaard enerzijds en de vergroting van het concurrentievermogen anderzijds een nieuwe dynamiek vergen,

een strategie voor het bevorderen van synergie-effecten tussen economische, sociale en milieumaatregelen,

een methode om de successen uit het verleden van de Europese Unie te bestendigen,

een mogelijkheid te zorgen voor duurzame economische groei, met meer en betere banen en een grotere sociale samenhang.

2.6

In het kader van de Lissabon-strategie is het streven naar een sterke concurrentiepositie en economische groei een conditio sine qua non voor het verbeteren van het economisch welzijn, het scheppen van werkgelegenheid en het beschermen en verhogen van de levenskwaliteit. Een hogere levenskwaliteit, betere sociale bescherming en een vanuit milieuoogpunt duurzame ontwikkeling leiden op hun beurt ook tot groei. De economische vooruitgang die dankzij de strategie wordt bereikt zal ertoe leiden dat bevolkingsgroepen die onder de armoedegrens leven, beter kunnen worden geholpen, doordat maatregelen voor sociale integratie een bredere toepassing krijgen en de duurzaamheid van deze verworvenheden voor latere generaties in aanmerking wordt genomen.

2.7

Wie beweert dat de strategie van Lissabon alleen over concurrentiekracht gaat, heeft er niets van begrepen.

2.8

Het Comité wil eerst en vooral opmerken dat de strategie van Lissabon in de afgelopen vijf jaar toch al een aantal positieve ontwikkelingen in gang heeft gezet, zoals:

bewustwording van de behoefte aan hervorming, over de traditionele scheidslijnen heen,

versnelde expansie van informatietechnologieën en innovatieprocessen,

meer steun voor startende ondernemers en financiering van het MKB,

meer aandacht voor duurzame ontwikkeling die gericht is op vermindering van het overheidstekort, herstel van het evenwicht op de sociale begroting en bescherming van het milieu,

initiatieven van de sociale partners bij de sociale hervormingen,

maatregelen om wettelijke en administratieve procedures te vereenvoudigen, zij het in beperkte mate.

2.9

Ondanks deze positieve punten luidt het algemene oordeel dat de resultaten van de afgelopen vijf jaar teleurstellend zijn gezien de ambities die in Lissabon aan de dag werden gelegd. Europa, dat klem zit tussen zijn concurrenten – de grote industrielanden - en de opkomende lagelonenlanden die steeds meer gebruik maken van nieuwe technologieën, moet het hoofd bieden aan een steeds fellere concurrentie. Er zijn diverse indicatoren die aanleiding geven tot bezorgdheid, zoals:

een geringe binnenlandse vraag, geringe investeringen en een kwijnende economische groei in de Europese Unie, van gemiddeld ongeveer 1 % per jaar tussen 2001 en 2003,

het niet kunnen verwezenlijken van de werkgelegenheidsdoelstellingen, de afnemende kwaliteit van de werkgelegenheid en het verlies van werkzekerheid,

een toenemend aantal bedrijfssluitingen en overplaatsing van Europese productievestigingen,

een significante uittocht naar derde landen van onderzoekers en jonge afgestudeerden,

aanhoudende of zelfs toenemende overheidstekorten in tal van lidstaten,

sterk uiteenlopende belastingvoorschriften en -tarieven voor bedrijven,

de stijgende kosten van sociale bescherming en van de vergrijzing van de bevolking, en de toenemende kwetsbaarheid van bepaalde groepen,

de trend om zich te specialiseren in producten die niets te maken hebben met wat normaliter onder een kenniseconomie wordt verstaan.

2.10

Ook de noodzakelijke hervormingen in het kader van de strategie van Lissabon hebben achterstand opgelopen:

2.10.1

De 25 lidstaten van de Europese Unie hebben zich er weliswaar toe verplicht de interne markt op diverse terreinen te voltooien (energie, diensten, openbare aanbestedingen, trans-Europese netwerken, aanpassing van openbare diensten) maar slagen er niet in de noodzakelijke maatregelen op tijd doorgevoerd te krijgen.

2.10.2

Op nationaal vlak lopen de resultaten uiteen en zijn er de volgende knelpunten:

de structurele complexiteit van regelingen en administratieve procedures,

een constante wanverhouding tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt,

een buitengewoon hoog aantal vervroegd gepensioneerden, ondanks de afspraken daar omtrent,

tekortkomingen in onderwijsstelsels,

onvoldoende mogelijkheden voor levenslang leren,

uitgaven voor onderzoek, die veelal zijn teruggelopen in plaats van verhoogd om de door de top van Lissabon gewenste 3 % van het BBP te bereiken,

onvoldoende aandacht voor maatschappelijke problemen als gevolg van de behoefte aan innovatie.

2.10.3

De nieuwe lidstaten moeten vaak nog extra handicaps overwinnen als gevolg van een ontwikkelingsachterstand, bijv. op het gebied van werkgelegenheid, technologie of milieubescherming, hoewel daar soms aanpassingsmaatregelen tegenover staan die veel drastischer zijn dan maatregelen die in de 15 „oude” lidstaten van de EU worden doorgevoerd. Daarbij valt op dat de noordelijke landen veelal sneller zijn met het doorvoeren van hervormingen dan de zuidelijke lidstaten. Hetzelfde geldt voor lidstaten die hun begrotingen op orde hebben gekregen, in vergelijking met landen die hun tekorten hebben laten oplopen. Zelfs de koplopers onder de lidstaten blijven soms achter bij beter presterende derde landen. Het doel van de hervormingen is niet simpelweg beter presteren dan voorheen, maar beter presteren dan elders.

2.11

De strategie van Lissabon is daarom in een vicieuze cirkel terechtgekomen: lage groei bemoeilijkt de uitvoering van hervormingen, terwijl achterstand van de hervormingen een remmende uitwerking heeft op de groei en de werkgelegenheid. De tot dusverre doorgevoerde hervormingen hebben vooral betrekking op de aanbodzijde. Zij hebben niet het gewenste effect gesorteerd, omdat er geen toereikende vraag was.

2.12

Tijdens de voorjaarsbijeenkomsten hebben de lidstaten kennelijk de voorkeur gegeven aan een nieuwe discussie over de reeds in Lissabon vastgestelde doelstellingen – zelfs al betekent dat nóg meer aanbevelingen - boven een grondige evaluatie van de stand van zaken betreffende de lopende hervormingen en een vaste tijdslimiet voor komende maatregelen. Maar al te vaak vertellen zij in Brussel niet precies wat zij thuis aan het doen zijn of op welke gebieden zij de afgesproken doelstellingen niet hebben gehaald. Het groeiend aantal hervormingsdoelstellingen, toezeggingen en deelnemende landen is gepaard gegaan met een evenredig aantal tekortkomingen op het vlak van medeverantwoordelijkheid, tenuitvoerlegging en coördinatie en een overeenkomstige economische impact en impact op de werkgelegenheid.

2.13

Daarom bestaat het risico dat men de noodzakelijke hervormingen niet voortvarend genoeg aanpakt, in de veronderstelling dat de strategie evengoed wel zal slagen. Het zal waarschijnlijk niet tot 2010 duren voordat een dergelijke zeepbel uiteenspat.

2.14

Het doel dat tijdens de Top van Lissabon is vastgesteld, nl. de concurrentiepositie verbeteren door middel van doelbewuste hervormingen, gekoppeld aan duurzame en werkgelegenheidsbevorderende economische groei en versterking van de maatschappelijke solidariteit, blijft van groot belang voor een Europa dat nu op een cruciaal punt is aangekomen:

enerzijds is Europa de grootste exporteur en grootste interne markt ter wereld (uitgedrukt in BBP) en is het in staat gebleken grootschalige projecten als de invoering van de euro en de uitbreiding met tien nieuwe lidstaten tot een goed einde te brengen,

anderzijds loopt Europa achter qua economische groei, wordt het verzwakt door bedrijfsverplaatsingen en voelt het zich onzeker en bedreigd door het afbrokkelen van zijn mondiale concurrentievermogen.

2.15

Het doel van de strategie van Lissabon is evenwichtig: economische ambities als een sterke concurrentiepositie worden op een evenredige en interactieve manier gecombineerd met sociale doelstellingen (werkgelegenheid, opleiding, sociale samenhang, leef- en werkomstandigheden) en, zoals beklemtoond tijdens de Top van Götenborg, milieuvereisten.

2.16

De methoden om de strategie van Lissabon uit te voeren, blijven bruikbaar:

een meerjarig tijdschema, dat tot 2010 in verschillende fases is opgedeeld, om de interne markt te voltooien,

jaarlijkse evaluatie door alle lidstaten samen tijdens de voorjaarstop,

een open-coördinatiemethode voor overleg met de lidstaten over gemeenschappelijke doelstellingen, waarbij de aandacht uitgaat naar goede praktijken die de communautaire methode kunnen aanvullen op terreinen waarvoor de lidstaten bevoegd zijn,

nadruk op de centrale rol van de particuliere sector, publiekprivate partnerschappen, raadpleging van het maatschappelijk middenveld door de overheid en dialoog tussen de sociale partners.

2.17

De samenwerking via de open-coördinatiemethode is tot dusverre een intergouvernementele aangelegenheid geweest. Aan een democratische verankering in de nationale parlementen heeft het grotendeels ontbroken. In de lidstaten zou elk jaar een uitgebreid parlementair debat moeten worden gehouden over de vraagstukken die samenhangen met de strategie van Lissabon.

2.18

In veel lidstaten heeft het tot dusver grotendeels ontbroken aan cruciale betrokkenheid en steun van het maatschappelijk middenveld. Dit is een grote lacune in de uitvoering van de strategie van Lissabon en verklaart voor een groot deel waar de bezorgdheid vandaan komt en de tekortkomingen worden gevoeld. De aanhoudend slechte communicatie en gebrekkige vormen van partnerschap zijn hiervan het bewijs.

2.18.1

De slechte communicatie is onmiskenbaar. Lidstaten noch media communiceren met het publiek over de strategie van Lissabon, ondanks de voortdurende nationale discussies over werkgelegenheid, onderwijs, sociale bescherming, bedrijfsverplaatsingen en technologische concurrentie. Wanneer de Europese burgers horen wat er tijdens de Top van Lissabon is afgesproken, begrijpen zij doorgaans niet wat de bedoeling of de reikwijdte ervan is. Veel mensen geloven dat „de meest concurrerende economie in de wereld worden” een onhaalbare doelstelling is of het einde van het Europese sociale model inluidt, omdat de sociale voorzieningen dan naar beneden toe worden bijgesteld, op het niveau van de minst ontwikkelde landen van de Unie. Uit deze reacties blijkt dat nadere toelichting geboden is en dat moet worden uitgelegd dat de EU de concurrentiestrijd in de wereld wil aangaan door een aantal van onze zwakke punten weg te werken en andere te compenseren door meer nadruk te leggen op de sterke punten.

2.18.2

Veel mensen in Europa komen tot de conclusie dat hun sociale verworvenheden op de helling worden gezet, maar dat de voordelen die daarvoor in de plaats moeten komen – qua werkgelegenheid en duurzame sociale bescherming - voor hen een gesloten boek blijven. Mensen maken zich grote zorgen om:

het groeiend aantal bedrijfsverplaatsingen naar rivaliserende landen met lage productiekosten,

de toenemende druk op de werkgelegenheid en de arbeidsomstandigheden, en het verlies van werkzekerheid,

de problemen bij het herstel van regio's en sectoren die het meest worden getroffen door werkloosheid,

de uitholling van de sociale zekerheid (uitkeringen in geval van werkloosheid en ziekte, pensioenen).

2.18.3

Té veel mensen in Europa hebben ook de indruk dat zij niets te vertellen hebben over de hervormingen die hen toch rechtstreeks aangaan en die, over het algemeen, eerder verworven waarborgen en rechten in gevaar brengen. Bovendien bevatten rapporten van de Commissie en de lidstaten doorgaans weinig informatie over regelingen om maatschappelijke organisaties te raadplegen om met hen te overleggen of over partnerschappen met de diverse actoren van het maatschappelijk middenveld (de rol van de privé-sector, de rol van de sociale partners, publiek-private partnerschappen, ngo's enz.), ondanks het feit dat hieraan tijdens de Top van Lissabon veel belang werd gehecht.

3.   Het concurrentievermogen verbeteren

3.1

De nadruk op concurrentievermogen bevestigt de noodzaak duurzame mededinging tot stand te brengen in een open wereldeconomie door meer gebruik te maken van nieuwe technologieën, voor doelmatiger beroepsopleidingen en vakkundige arbeidskrachten te zorgen en de productiviteit te verbeteren. Het begrip „kwaliteit” (kwaliteit van goederen, diensten, regulering, bestuur, werkgelegenheid, sociale betrekkingen en het milieu) staat centraal in deze strategie.

3.2

Deze doelstellingen kunnen het best worden bereikt met een eerlijker en efficiënter internationaal kader voor handel en betalingen.

3.3

Behalve aan nieuwe internationale regels heeft de Europese economie thans ook behoefte aan vereenvoudiging van zijn eigen, zowel communautaire als nationale, regelingen. Te veel bureaucratische rompslomp staat het ontplooien van de initiatieven die nodig zijn om te kunnen concurreren, in de weg.

3.4

In tegenstelling tot Raad en Commissie is het Comité van mening dat de interne belemmeringen voor duurzaam en conjunctureel herstel binnen de EU slechts kunnen worden geëlimineerd door een fundamenteel nieuwe oriëntatie van het (vooral macro-) economische beleid. De Unie moet van haar eigen sterke punten uitgaan om de Europese economie weer in de richting van groei en volledige werkgelegenheid te duwen. Daarvoor is een uitgebalanceerd economisch beleid geboden, dat zich onomwonden richt op de doelstellingen van de strategie van Lissabon, met name volledige werkgelegenheid en versterking van het concurrentievermogen, en dat daadwerkelijk rekening houdt met duurzame ontwikkeling, overeenkomstig de conclusies van de Top van Göteborg.

3.5

Het monetair beleid moet erop gericht zijn om evenwicht tussen prijsstabiliteit, economische groei en werkgelegenheid tot stand te brengen. In de door de Raad aanbevolen beleidsmix ontbreekt echter een duidelijk verzoek aan de ECB om ook haar verantwoordelijkheid buiten de monetaire sfeer (groei en werkgelegenheid) op zich te nemen. Daarom zou het zinvol zijn de ECB aan te zetten tot een „brede” stabiliteitsdoelstelling die niet alleen betrekking heeft op de stabiliteit van de munt, maar ook op stabiele groei, volledige werkgelegenheid en sociale samenhang. Het Comité heeft er al herhaaldelijk op gewezen dat het monetair beleid aan de verwezenlijking van de doelstelling van groei en volledige werkgelegenheid moet bijdragen (bijvoorbeeld in zijn resolutie voor de Europese Conventie van 19 september 2002).

3.6

Het beleid om startende ondernemers te helpen met het opzetten en ontwikkelen van hun activiteiten moet worden uitgebreid en moet o.m. maatregelen omvatten die de benodigde kosten en tijd voor het starten van een bedrijf reduceren, de toegang tot risicokapitaal verbeteren, meer opleidingsprogramma's voor ondernemers beogen en het netwerk van ondersteunende diensten voor kleine ondernemers uitbreiden.

3.7

Alle burgers in alle lidstaten moeten, ongeacht hun leeftijd, de kans krijgen om hun leven lang te leren en moeten worden aangespoord om dat ook te dóen.

3.8

Het potentieel van de interne markt moet worden benut. De Europese Unie zou nu de vruchten moeten plukken van een markt die groter is dan die van de VS of China, ware het niet dat:

te veel richtlijnen niet volledig in nationale wetgeving zijn omgezet,

de standaardisering en wederzijdse erkenning van het dienstenaanbod nog niet voldoende van de grond is gekomen,

de marktliberalisering, óók in de publieke sector, vertraging heeft opgelopen,

er problemen zijn ontstaan rond de invoering van een bruikbaar stelsel van Europese intellectuele-eigendomsrechten,

de verhoudingen worden scheefgetrokken door belastingverschillen van uiteenlopende aard.

3.9

Communautaire steun moet worden verbonden aan verbeteringen in lidstaten waar „structurele” tekortkomingen de omzetting van richtlijnen belemmeren.

3.10

De handel en het betalingsverkeer moeten worden versoepeld door betere administratieve samenwerking tussen de Commissie en de lidstaten op een reeks terreinen als douaneformaliteiten, overheidscontracten en grensoverschrijdende openbare dienstverlening.

3.11

Bovendien lopen de lidstaten achter op de volgende terreinen:

het onderling verbinden en moderniseren van de transportinfrastructuur, met alle gevolgen vandien voor de voltooiing van trans-Europese netwerkprojecten,

de toegang tot risicokapitaal voor het MKB,

overheidstekorten in sommige landen,

de uitgaven voor onderzoek (die in het algemeen eerder zijn afgenomen dan toegenomen in verhouding tot het BBP: 1,9 % van het BBP in tegenstelling tot 2,6 % in de VS) zijn ver onder de beoogde 3 % blijven steken,

een hoog aantal vervroegd gepensioneerden, ondanks de in 2002 in Barcelona gemaakte afspraken daaromtrent,

onderwijsstelsels die niet op de economische omstandigheden en arbeidsperspectieven zijn afgestemd.

3.12

Het Europese bedrijfsleven heeft achterstand opgelopen op de volgende gebieden:

onderzoek en ontwikkeling: in 2002 is hierin in de VS 100 miljard euro méér particulier kapitaal gestoken dan in Europa. De in Lissabon bijeengekomen Europese Raad heeft als doelstelling voor de EU vastgelegd dat 3 % van het BBP aan onderzoek en ontwikkeling moet worden uitgegeven, waarvan twee derde van particuliere ondernemingen moet komen. Momenteel neemt de particuliere sector niet meer dan 56 % daarvan voor zijn rekening;

levenslang leren: sinds de strategie van Lissabon werd goedgekeurd, is het aantal volwassenen dat door het volgen van cursussen of (bij)scholing meedoet met „levenslang leren” maar met een halve procentpunt gestegen (van 8 naar 8,5 %). Die ontwikkeling belooft niets goeds als het gaat om het in de strategie van Lissabon vastgestelde streefpercentage van 12,5 % vóór eind 2010.

4.   Oog voor de sociale dimensie

4.1

Er is behoefte aan een uitgesproken strategie om de concurrentiepositie te verbeteren zonder de sociale samenhang te ondermijnen: hier ligt een kans voor het sociaal beleid. De contouren van dit beleid moeten worden geschetst door de sociale partners, in samenwerking met de Commissie en de regeringen van de lidstaten. De sociale dimensie van de strategie van Lissabon moet ten volle worden erkend als een sleutelfactor voor de totstandbrenging van welvaart, productiviteit en sociale integratie en zal de komende vijf jaar voortdurend moeten worden bijgesteld.

4.2

Het Comité roept de nationale overheden ertoe op om de vooruitgang in kaart te brengen die nodig is om de gewenste economische ontwikkeling te stimuleren. Dit is alleszins wenselijk om een „New Deal” voor de Europese samenleving uit te werken, gericht op de volgende vier terreinen:

uitbreiding van de werkgelegenheid en verbetering van de kwaliteit en de veiligheid ervan,

ouderen in het arbeidsproces,

een actiever beleid op het gebied van sociale integratie,

gezondheidszorg en het verband tussen gezondheid en milieu.

4.3

Ook de sociale partners, ngo's en regeringen moeten de handen ineenslaan om, op een veel hoger niveau dan thans het geval is, vormen van voortgezette beroepsopleiding te ontwikkelen en hiervoor de middelen vrij te maken en wel voor een veel groter aantal werklozen, vooral in sectoren die op geavanceerde kennis drijven.

4.4

De sociale partners moeten nagaan hoe het arbeidsmilieu kan worden verbeterd en hoe het werk kan worden georganiseerd om een hogere productiviteit te koppelen aan een hogere toegevoegde waarde per werknemer. Om een aantal van de problemen van de vergrijzende beroepsbevolking (en het dalend aantal jongeren dat de arbeidsmarkt betreedt) te verhelpen, zullen de regeringen, ondernemingen en arbeidsorganisaties zich over deze demografische verschijnselen moeten buigen.

4.5

Aangezien er bepaalde zaken zijn die gevolgen hebben voor de mensen die van alle veranderingen nadeel ondervinden, zullen er richtsnoeren nodig zijn om een actiever beleid t.b.v. sociale integratie te voeren.

4.6

De algemene doelstellingen voor het sociaal beleid in het kader van de strategie van Lissabon zijn nog steeds relevant, een enkele wijziging daargelaten. Daar staat tegenover dat de aard en omvang van de uitdagingen waarmee de wereld wordt geconfronteerd, in de afgelopen vier jaar ingrijpend zijn veranderd. De opkomst van snel groeiende economieën als China en India heeft rechtstreekse gevolgen voor de strategie van Lissabon: steeds meer hightechproducten en –diensten worden tegen zeer aantrekkelijke prijzen op de markt gebracht. De aanhoudend hoge productiviteitsgroei in de Verenigde Staten heeft tot gevolg dat met de strategie van Lissabon een zeer beweeglijk doel wordt nagestreefd. De toename van de productiviteit (per uur) in Europa is niet langer groter dan in de VS, zoals in de jaren negentig het geval was.

4.7

Een positieve en uitdagende factor is de uitbreiding van de Europese Unie. De nieuwe lidstaten zijn goed voor een enorm belangrijke groei van de interne markt, van de koopkracht en van gekwalificeerde werknemers. Maar de nieuwe lidstaten zorgen ook voor nieuwe uitdagingen op het vlak van sociale integratie. Wat het menselijk kapitaal betreft is het belangrijk dat onderwijs en opleiding een hoog hightechgehalte krijgen; dit geldt overigens ook voor de vijftien „oude” lidstaten.

4.8

Het Comité heeft de voordelen van een eventueel handvest voor duurzame maatschappelijke ontwikkeling overwogen, waarin bovenstaande onderdelen van sociaal beleid en de relevante grondrechten van burgers aan de orde komen. Op grond van deze overwegingen stelt het voor een handvest voor duurzame maatschappelijke ontwikkeling op te nemen in het werkprogramma voor sociaal beleid. Een handvest zou aangevuld moeten worden met een EU-actieprogramma om de diverse maatregelen te coördineren en de lidstaten te helpen prioriteiten te stellen.

5.   Duurzame ontwikkeling

5.1

De EU-strategie voor duurzame ontwikkeling wordt herzien en een besluit over het resultaat ervan wordt verwacht tijdens de Europese Top van maart 2005. Deze strategie omvat maatregelen op economisch, sociaal en milieugebied, en wordt met onderlinge steun ten uitvoer gelegd.