ISSN 1725-2474

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 56

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

48e jaargang
5 maart 2005


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

I   Mededelingen

 

Commissie

2005/C 056/1

Wisselkoersen van de euro

1

2005/C 056/2

Mededeling van de Commissie betreffende de verwijzing van concentratiezaken ( 1 )

2

2005/C 056/3

Mededeling van de Commissie betreffende beperkingen die rechtstreeks verband houden met en noodzakelijk zijn voor de totstandbrenging van concentraties ( 1 )

24

2005/C 056/4

Mededeling van de Commissie betreffende een vereenvoudigde procedure voor de behandeling van bepaalde concentraties krachtens Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad ( 1 )

32

2005/C 056/5

Herziene aantekeningen bij bijlage III — Omschrijving van het begrip producten van oorsprong en regelingen voor administratieve samenwerking — bij de overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Chili, anderzijds

36

2005/C 056/6

Staatssteunmaatregelen — Verenigd Koninkrijk — Staatssteunmaatregel nr. C 42/2004 (ex N 350/2004) — Fiscale afschrijving voor de renovatie van bedrijfspanden — Verenigd Koninkrijk — Uitnodiging overeenkomstig artikel 88, lid 2 van het EG-Verdrag om opmerkingen te maken ( 1 )

38

2005/C 056/7

Voorafgaande aanmelding van een concentratie (Zaak nr. COMP/M.3678 — Goldman Sachs/Cerberus/TET/ JV) — Zaak die in aanmerking kan komen voor een vereenvoudigde procedure ( 1 )

45

 

Rectificaties

2005/C 056/8

Rectificatie op het Protocol vastgesteld overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie tot wijziging, wat betreft de vorming van een referentiebestand van onderzoeksdossiers op douanegebied, van de Overeenkomst inzake het gebruik van informatica op douanegebied (PB C 139 van 13.6.2003)

46

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

 


I Mededelingen

Commissie

5.3.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 56/1


Wisselkoersen van de euro (1)

4 maart 2005

(2005/C 56/01)

1 euro=

 

Munteenheid

Koers

USD

US-dollar

1,3115

JPY

Japanse yen

138,33

DKK

Deense kroon

7,4438

GBP

Pond sterling

0,68760

SEK

Zweedse kroon

9,0555

CHF

Zwitserse frank

1,5491

ISK

IJslandse kroon

79,82

NOK

Noorse kroon

8,2275

BGN

Bulgaarse lev

1,9559

CYP

Cypriotische pond

0,5827

CZK

Tsjechische koruna

29,665

EEK

Estlandse kroon

15,6466

HUF

Hongaarse forint

242,44

LTL

Litouwse litas

3,4528

LVL

Letlandse lat

0,6964

MTL

Maltese lira

0,4309

PLN

Poolse zloty

3,9287

ROL

Roemeense leu

36 497

SIT

Sloveense tolar

239,69

SKK

Slowaakse koruna

37,884

TRY

Turkse lira

1,6732

AUD

Australische dollar

1,6715

CAD

Canadese dollar

1,6317

HKD

Hongkongse dollar

10,2295

NZD

Nieuw-Zeelandse dollar

1,8031

SGD

Singaporese dollar

2,1375

KRW

Zuid-Koreaanse won

1 322,39

ZAR

Zuid-Afrikaanse rand

7,8168


(1)  

Bron: door de Europese Centrale Bank gepubliceerde referentiekoers.


5.3.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 56/2


Mededeling van de Commissie betreffende de verwijzing van concentratiezaken

(2005/C 56/02)

(Voor de EER relevante tekst)

1.

Het doel van deze mededeling is een algemene beschrijving te geven van de motieven die ten grondslag liggen aan het systeem voor de verwijzing van zaken dat in artikel 4, leden 4 en 5, en in de artikelen 9 en 22 van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (hierna: „de concentratieverordening”) (1) wordt beschreven. Daarnaast worden in deze mededeling de recente veranderingen van het systeem besproken, wordt een lijst gegeven van de wettelijke criteria waaraan moet zijn voldaan om verwijzingen mogelijk te maken, en worden de factoren beschreven die bij het nemen van verwijzingsbesluiten in aanmerking kunnen worden genomen. Deze mededeling geeft ook praktische aanwijzingen aangaande het concrete functioneren van het verwijzingssysteem, met name wat betreft het mechanisme van verwijzing vóór aanmelding als bedoeld in artikel 4, leden 4 en 5, van de concentratieverordening. De aanwijzingen die in deze mededeling worden gegeven, zijn van overeenkomstige toepassing voor de in de EER-Overeenkomst vervatte verwijzingsregels (2).

I.   INLEIDING

2.

De communautaire bevoegdheid op het gebied van de concentratiecontrole wordt bepaald door de toepassing van de omzetcriteria van artikel 1, leden 2 en 3, van de concentratieverordening. Bij de behandeling van concentraties hebben de Commissie en de lidstaten geen samenlopende bevoegdheid. De concentratieverordening legt juist een heldere bevoegdheidsverdeling vast. Concentraties met een „communautaire dimensie” — waarbij dus de omzetdrempels van artikel 1 van de concentratieverordening worden overschreden — vallen onder de uitsluitende bevoegdheid van de Commissie. Uit hoofde van artikel 21 van de concentratieverordening kunnen lidstaten hun nationale mededingingswetgeving niet op dergelijke concentraties toepassen. Concentraties welke die drempels niet overschrijden, blijven onder de bevoegdheid van de lidstaten vallen; de Commissie is niet bevoegd dergelijke concentraties op grond van de concentratieverordening te behandelen.

3.

Het feit dat de bevoegdheid uitsluitend aan de hand van vastgestelde omzetcriteria wordt bepaald, biedt fuserende ondernemingen rechtszekerheid. Al zijn de financiële criteria doorgaans een doeltreffende maatstaf voor het soort operaties waarvoor de Commissie de meest geschikte autoriteit is, toch heeft Verordening (EEG) nr. 4064/89 van de Raad deze „glasheldere” bevoegdheidsregeling aangevuld met de mogelijkheid dat, op verzoek en mits aan bepaalde criteria wordt voldaan, bepaalde zaken door de Commissie opnieuw aan de lidstaten worden toegewezen, of omgekeerd.

4.

Toen Verordening (EEG) nr. 4064/89 werd ingevoerd, was het de bedoeling van de Raad en de Commissie dat de verwijzingsprocedure enkel zou moeten worden toegepast „in uitzonderlijke gevallen” en wanneer „de belangen van de betrokken lidstaat met betrekking tot de mededinging niet op een andere wijze voldoende zouden kunnen worden beschermd” (3). Sinds de vaststelling van de Verordening (EEG) nr. 4064/89 heeft zich echter een aantal ontwikkelingen voorgedaan. Allereerst is in bijna alle lidstaten wetgeving inzake concentratiecontrole ingevoerd. Ten tweede heeft de Commissie haar discretionaire bevoegdheid gebruikt om, op grond van artikel 9, een aantal zaken naar de lidstaten te verwijzen in omstandigheden waarvan werd geoordeeld dat de betrokken lidstaat beter in staat was het onderzoek uit te voeren dan de Commissie (4). Evenzo hebben in een aantal zaken (5) verscheidene lidstaten besloten, op grond van artikel 22, de zaak gezamenlijk te verwijzen wanneer werd geoordeeld dat de Commissie de autoriteit was die beter in staat was het onderzoek uit te voeren (6). Ten derde is er een toename geweest van het aantal operaties dat niet aan de drempels van artikel 1 van de concentratieverordening voldeed en dat bij meer instanties in de lidstaten moet worden aangemeld; deze trend zal waarschijnlijk nog toenemen naarmate het aantal lidstaten van de Gemeenschap toeneemt. Veel van deze operaties hebben buiten het grondgebied van de afzonderlijke lidstaten gevolgen voor de mededinging (7).

5.

De aanpassingen van het verwijzingssysteem van de concentratieverordening zijn bedoeld om, met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, de hertoewijzing van zaken tussen de Commissie en de lidstaten te vergemakkelijken, zodat de autoriteit of autoriteiten die het geschiktst is of zijn om het onderzoek van een bepaalde concentratie uit te voeren, de zaak in beginsel moet of moeten behandelen. Tegelijk zijn deze aanpassingen ook bedoeld om de fundamentele kenmerken te behouden van het systeem voor communautaire concentratiecontrole zoals dat in 1989 is ingevoerd: „één loket” om fusies met grensoverschrijdende gevolgen aan de mededingingsregels te toetsen, en het bieden van een alternatief voor meervoudige aanmeldingen van concentraties binnen de Gemeenschap (8). Dergelijke meervoudige aanmeldingen brengen vaak aanzienlijke kosten voor zowel de mededingingsautoriteiten als het bedrijfsleven mee.

6.

Volgens het systeem voor hertoewijzing van zaken kan een verwijzing ook gebeuren voordat enige formele aanmelding bij een instantie van een lidstaat heeft plaatsgevonden, zodat fuserende ondernemingen in een zo vroeg mogelijk stadium de kans krijgen na te gaan welke autoriteit uiteindelijk bevoegd zal zijn hun operatie te onderzoeken. Dergelijke verwijzingen vóór aanmelding bieden het voordeel dat zij minder extra kosten meebrengen, met name wat betreft de vertraging die aan verwijzing na aanmelding is verbonden.

7.

De aanpassingen die Verordening (EG) nr. 139/2004 aan het verwijzingssysteem heeft aangebracht, zijn ingegeven door de wens dat het systeem zou functioneren als een bevoegdheidsmechanisme dat flexibel is (9), maar terzelfder tijd ook daadwerkelijke bescherming van de mededinging garandeert en zoveel mogelijk de ruimte beperkt om aan „forumshopping” te doen. Gezien met name het belang van de rechtszekerheid, dient evenwel te worden beklemtoond dat verwijzingen een afwijking blijven van de algemene regels, die de bevoegdheid bepalen op basis van objectief vast te stellen omzetdrempels. Bovendien behouden de Commissie en de lidstaten, overeenkomstig artikel 4, leden 4 en 5, artikel 9, lid 2, onder a), en artikel 22, een aanzienlijke beoordelingsvrijheid bij het nemen van besluiten om zaken die onder hun „oorspronkelijke bevoegdheid” vallen, te verwijzen dan wel ermee in te stemmen zaken te behandelen die niet onder hun „oorspronkelijke bevoegdheid” vallen (10). In die zin is het de bedoeling van deze mededeling om niet meer dan algemene aanwijzingen te geven voor het beantwoorden van de vraag of bepaalde zaken of bepaalde soorten zaken voor verwijzing in aanmerking komen.

II.   VERWIJZING VAN ZAKEN

Leidende beginselen

8.

Het systeem van concentratiecontrole dat door de concentratieverordening is ingevoerd, met inbegrip van het daarin vervatte mechanisme voor hertoewijzing van zaken tussen de Commissie en lidstaten, strookt met het in het EG-Verdrag vastgelegde subsidiariteitsbeginsel (11). Daarom dient in besluiten aangaande de verwijzing van zaken afdoende rekening te worden gehouden met alle aspecten van de toepassing van het subsidiariteitsbeginsel in deze context, met name wat de meest geschikte autoriteit is om het onderzoek uit te voeren, de voordelen die aan het „één-loket”-systeem zijn verbonden, en het belang van de rechtszekerheid ten aanzien van de bevoegdheid (12). Deze factoren hangen onderling nauw samen en het belang dat aan elk van deze factoren wordt gehecht, hangt af van de specifieke kenmerken van een zaak. Vooral echter dienen de Commissie en de lidstaten bij het onderzoeken of zij hun discretionaire bevoegdheid uitoefenen om een zaak te verwijzen of om op een verwijzingsverzoek in te gaan, voor ogen te houden dat een daadwerkelijke bescherming van de mededinging op alle door de operatie getroffen markten moet worden gegarandeerd (13).

Meest geschikte autoriteit

9.

In beginsel dient de bevoegdheid alleen opnieuw te worden toegewezen aan een andere mededingingsautoriteit in omstandigheden waarin deze laatste, gezien de specifieke kenmerken van de zaak en de instrumenten en deskundigheid waarover deze autoriteit beschikt, het meest geschikt is om een concentratie te behandelen. Daarbij dient in het bijzonder rekening te worden gehouden met de vraag waar de eventuele gevolgen van de concentratie voor de mededinging naar verwachting te merken zullen zijn. Ook kan rekening worden gehouden met de mogelijke implicaties van een verwijzingsvoornemen, wat de administratieve inspanningen betreft (14).

10.

De argumenten om een zaak opnieuw toe te wijzen zijn waarschijnlijk overtuigender wanneer blijkt dat een bepaalde operatie een significante invloed op de mededinging kan hebben en dus mogelijkerwijs zorgvuldig onderzoek verdient.

Eén loket

11.

Bij besluiten over de verwijzing van zaken moet ook rekening worden gehouden met de voordelen die zijn verbonden aan het systeem van het „ene loket”, dat een van de hoekstenen van de concentratieverordening is (15). Dit systeem waarbij één loket wordt aangeboden, levert voor zowel de mededingingsautoriteiten als het bedrijfsleven voordelen op. De behandeling van een concentratie door één enkele mededingingsautoriteit zorgt normaal voor meer administratieve efficiëntie, voorkomt dubbel werk en fragmentering van de handhavingsinspanningen en vermijdt een mogelijk gebrek aan samenhang (op het punt van het onderzoek, de beoordeling en mogelijke corrigerende maatregelen) bij de behandeling van één zaak door meer autoriteiten. Dit systeem levert meestal ook voordelen op voor het bedrijfsleven, met name voor fuserende ondernemingen, doordat de aan de verplichting tot meervoudige aanmelding verbonden kosten en lasten worden beperkt, en doordat het risico wordt uitgeschakeld van tegenstrijdige besluiten die voortvloeien uit de samenlopende beoordeling van dezelfde operatie door een aantal mededingingsautoriteiten op grond van verschillende wettelijke regelingen.

12.

De opsplitsing van zaken als gevolg van verwijzing dient daarom waar mogelijk te worden vermeden (16), tenzij blijkt dat meer autoriteiten beter in staat zouden zijn te garanderen dat de mededinging op alle door de operatie getroffen markten daadwerkelijk wordt gehandhaafd. Een en ander brengt mee dat gedeeltelijke verwijzingen op grond van artikel 4, lid 4, en artikel 9 weliswaar mogelijk zijn, maar dat het doorgaans passend zou zijn dat de volledige zaak (of ten minste alle daarmee samenhangende delen) door één enkele autoriteit wordt behandeld (17).

Rechtszekerheid

13.

Voorts dient ook afdoende rekening te worden gehouden met het belang van de rechtszekerheid wat de bevoegdheid betreft ten aanzien van een bepaalde concentratie, uit het oogpunt van alle betrokkenen (18). Bijgevolg dient verwijzing normaal enkel te gebeuren wanneer er een dwingende reden is af te wijken van de „oorspronkelijke bevoegdheid” voor de betrokken zaak, met name in het stadium na de aanmelding. Ook moet zoveel mogelijk worden vermeden dat, wanneer een verwijzing vóór aanmelding heeft plaatsgevonden, in diezelfde zaak een verwijzing na aanmelding geschiedt (19).

14.

Het belang van de rechtszekerheid dient ook voor ogen te worden gehouden met betrekking tot de wettelijke criteria voor verwijzing, met name, gezien de krappe termijnen, in de fase vóór de aanmelding. Derhalve dienen verzoeken tot verwijzing vóór aanmelding in beginsel beperkt te blijven tot die zaken waar, van de aanvang af, de omvang van de geografische markt en/of het bestaan van mogelijke gevolgen voor de mededinging betrekkelijk eenvoudig zijn vast te stellen, zodat snel over dit soort verzoeken kan worden beslist.

Verwijzing van zaken: wettelijke vereisten en andere in aanmerking te nemen factoren

Verwijzing vóór aanmelding

15.

Het systeem van de verwijzing vóór aanmelding treedt in werking nadat de partijen bij de concentratie een gemotiveerde kennisgeving hebben ingediend. Wanneer de partijen bij een concentratie overwegen een dergelijk verzoek in te dienen, moeten zij allereerst nagaan of aan de desbetreffende wettelijke vereisten zoals die in de concentratieverordening zijn neergelegd, is voldaan. Daarnaast moeten zij ook nagaan of een verzoek tot verwijzing vóór aanmelding in overeenstemming is met de hiervoor genoemde leidende beginselen.

Verwijzing van zaken door de Commissie naar de lidstaten op grond van artikel 4, lid 4

Wettelijke vereisten

16.

Wil een verwijzing door de Commissie naar één of meer lidstaten op grond van artikel 4, lid 4, kunnen geschieden, dan dient aan twee wettelijke vereisten te zijn voldaan:

i)

er moeten aanwijzingen zijn dat de concentratie in significante mate gevolgen kan hebben voor de mededinging op een markt of markten, en

ii)

de betrokken markt of markten moet of moeten in een lidstaat zijn gelegen en alle kenmerken van een afzonderlijke markt vertonen.

17.

Wat het eerste criterium betreft, dienen de verzoekende partijen aan te tonen dat de operatie op een afzonderlijke markt in een lidstaat potentiële gevolgen voor de mededinging kan hebben die significant kan blijken te zijn - en dus nader onderzoek verdient. Aanwijzingen in die zin zijn misschien erg voorlopig van aard, en zouden dan ook niet op de uitkomst van het onderzoek vooruitlopen. Al behoeven de partijen niet aan te tonen dat het effect op de mededinging waarschijnlijk ongunstig is (20), toch moeten zij wijzen op een aantal indicatoren die over het algemeen een aanwijzing kunnen zijn voor het bestaan van bepaalde, uit de operatie resulterende gevolgen voor de mededinging (21).

18.

Wat het tweede criterium betreft, dienen de verzoekende partijen aan te tonen dat een geografische markt of geografische markten waar de mededinging door de operatie op de hiervoor (punt 17) beschreven wijze ongunstig wordt beïnvloed, nationaal is of zijn, dan wel enger dan een nationale markt is of zijn (22).

Andere in aanmerking te nemen factoren

19.

Om zoveel mogelijk te anticiperen op de te verwachten uitkomst van een verwijzingsverzoek, dienen de fuserende partijen die een verzoek overwegen niet alleen na te gaan of aan de wettelijke vereisten is voldaan, maar moeten zij ook onderzoeken of mag worden verwacht dat verwijzing van de zaak als passend wordt beschouwd. Daarbij gaat het onder meer om een onderzoek of de voornoemde (punten 8 tot 14) leidende beginselen van toepassing zijn, en met name of de mededingingsautoriteit of mededingingsautoriteiten waarnaar zij met hun verzoek de zaak willen doen verwijzen, de autoriteit of autoriteiten is of zijn die het meest geschikt is of zijn om de zaak te behandelen. Met het oog daarop moet dan weer worden bezien, waar de gevolgen van de operatie voor de mededinging naar verwachting te merken zullen zijn en in hoeverre de nationale mededingingsautoriteit geschikt zijn om de operatie te onderzoeken.

20.

Concentraties met een communautaire dimensie waarvan te verwachten is dat zij de mededinging zullen beïnvloeden op markten die een nationale of beperktere omvang hebben en waarvan de gevolgen waarschijnlijk beperkt blijven tot of die vooral een economische impact hebben in één enkele lidstaat (23), zijn zaken die het meest geschikt zijn om naar die lidstaat te worden verwezen. Dit geldt met name voor zaken waarvan de gevolgen zouden spelen op een afzonderlijke markt die geen wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt vormt. Voorzover de zaak naar één enkele lidstaat wordt verwezen, blijft ook het voordeel van het „ene loket” behouden.

21.

Van de specifieke omstandigheden van een zaak hangt af, in hoeverre een concentratie met een communautaire dimensie die, ondanks dat zij potentieel een significante invloed heeft op de mededinging op een markt die één land bestrijkt, niettemin potentieel aanzienlijke grensoverschrijdende gevolgen heeft (bijvoorbeeld omdat de gevolgen van de concentratie op één geografische markt significante gevolgen kunnen hebben op geografische markten in andere lidstaten, of omdat zij potentieel afschermingsgevolgen kunnen hebben en tot compartimentering van de gemeenschappelijke markt kunnen leiden (24)), voor verwijzing in aanmerking komt. Daar zowel de Commissie als de lidstaten even goed toegerust kunnen zijn of in een even goede positie verkeren om dit soort zaken te behandelen, dient een aanzienlijke beoordelingsvrijheid te worden behouden bij het nemen van besluiten om dergelijke zaken al dan niet te verwijzen.

22.

In hoeverre concentraties met een communautaire dimensie die potentieel invloed hebben op de mededinging op een aantal nationale markten of markten welke enger zijn dan nationale markten in meer dan één lidstaat, voor verwijzing in aanmerking komen, is afhankelijk van factoren die specifiek zijn voor elke zaak afzonderlijk, zoals het aantal nationale markten dat naar verwachting sterk wordt getroffen, het vooruitzicht op het aanpakken van mogelijke mededingingsbezwaren door middel van evenredige, niet-conflicterende corrigerende maatregelen, en de onderzoekinspanningen welke die zaak kan vereisen. Voorzover een zaak mededingingsbezwaren kan doen rijzen in een aantal lidstaten en gecoördineerd onderzoek en remediërend optreden vereist, kan dit een argument zijn dat er sterk voor pleit dat de Commissie de bevoegdheid over de hele zaak in kwestie behoudt (25). Daartegenover staat dat, voorzover een zaak mededingingsbezwaren doet rijzen die, ondanks dat het gaat om nationale markten in meer dan één lidstaat, geen gecoördineerd onderzoek en/of remediërend optreden vergen, verwijzing wenselijk kan zijn. In een beperkt aantal zaken (26) is de Commissie zelfs tot de bevinding gekomen dat het passend was een concentratie naar meer dan één lidstaat te verwijzen, gezien de aanzienlijke verschillen in de mededingingsvoorwaarden die de betrokken markten in de betrokken lidstaten kenmerkten. Ook al wordt in dergelijke gevallen door opsplitsing van de behandeling van een zaak de fuserende partijen het voordeel van het „ene loket” ontnomen, toch doet dit minder terzake in de fase vóór de aanmelding, omdat de verwijzingsprocedure door een vrijwillig verzoek van de fuserende partijen in werking treedt.

23.

Voorts dient zo veel mogelijk rekening te worden gehouden met de vraag of de nationale mededingingsautoriteit of mededingingsautoriteiten waarnaar verwijzing van de zaak wordt overwogen, mogelijk beschikt of beschikken over specifieke deskundigheid op het gebied van plaatselijke markten (27), of bezig is of zijn dan wel op het punt staat of staan een andere operatie in de betrokken sector te onderzoeken (28).

Verwijzing van zaken door de Commissie naar de lidstaten op grond van artikel 4, lid 5

Wettelijke vereisten

24.

Krachtens artikel 4, lid 5, behoeft slechts aan twee wettelijke vereisten te zijn voldaan voor een verzoek van de partijen bij de operatie om de zaak naar de Commissie te verwijzen: de operatie moet een concentratie zijn in de zin van artikel 3 van de concentratieverordening, en de concentratie moet vatbaar zijn voor toetsing krachtens de nationale mededingingswetgeving van ten minste drie lidstaten. (Zie ook de punten 65 e.v. en 70 e.v.)

Andere in aanmerking te nemen factoren

25.

Om zoveel mogelijk te anticiperen op de te verwachten uitkomst van een verwijzingsverzoek, dienen de fuserende partijen die een verzoek overwegen niet alleen na te gaan of aan de wettelijke vereisten is voldaan, maar moeten zij ook onderzoeken of mag worden verwacht dat verwijzing van de zaak waarschijnlijk als passend wordt beschouwd. Daarbij zal onder meer ook moeten worden nagegaan of de genoemde leidende beginselen van toepassing zijn, en met name of de Commissie de meest geschikte autoriteit is om de zaak te behandelen.

26.

Dienaangaande stelt overweging 16 van de concentratieverordening dat verzoeken om verwijzing naar de Commissie vóór aanmelding met name pertinent zijn in situaties waarin de concentratie ook buiten het grondgebied van een bepaalde lidstaat gevolgen voor de mededinging zou hebben. Daarbij moet bijzondere aandacht gaan naar de waarschijnlijke plaats van de uit de operatie voortvloeiende gevolgen voor de mededinging en de vraag in hoeverre het passend is dat de Commissie de operatie onderzoekt.

27.

Met name dient te worden onderzocht of de zaak daadwerkelijk een grensoverschrijdend karakter heeft, gelet op elementen zoals de waarschijnlijke gevolgen voor de mededinging en de onderzoek- en handhavingsbevoegdheden die waarschijnlijk nodig zijn om eventuele dergelijke effecten aan te pakken. In dit verband moet in het bijzonder rekening worden gehouden met de vraag of de zaak een potentiële invloed kan hebben op de mededinging in de door de concentratie getroffen markt of markten. In ieder geval kunnen aanwijzingen voor een mogelijke invloed op de mededinging louter voorlopig van aard zijn (29), en lopen zij niet vooruit op de uitkomst van het onderzoek. De partijen behoeven evenmin aan te tonen dat de mededinging ongunstig wordt beïnvloed.

28.

Zaken waarbij de markt of markten waarop zich potentiële gevolgen voor de mededinging kan voordoen, een ruimer geografische dimensie heeft of hebben dan een nationale markt (30), of waar bepaalde van de potentieel getroffen markten ruimer dan nationaal zijn en waarbij de economische gevolgen van de concentratie vooral met die markten verband houden, zijn de geschiktste zaken om naar de Commissie te worden verwezen. Omdat in dergelijke zaken de effecten op de mededinging merkbaar zijn in gebieden die verder reiken dan de nationale grenzen — en waarvoor dus wellicht onderzoekinspanningen in verscheidene landen en passende handhavingsbevoegdheden nodig zijn — is de Commissie waarschijnlijk het meest geschikt om het onderzoek uit te voeren.

29.

De Commissie kan de meest geschikte instantie zijn om zaken te behandelen (hetgeen onder meer onderzoek, beoordeling en mogelijk remediërend optreden kan omvatten) die potentieel mededingingsbezwaren doen rijzen op een aantal nationale markten of markten die enger zijn dan nationale markten, in een aantal verschillende lidstaten (31). De Commissie is waarschijnlijk het meest geschikt om in die zaken het onderzoek te voeren, omdat het wenselijk is dat in de verschillende landen een samenhangend en doeltreffend onderzoek wordt gevoerd, dat van passende onderzoekbevoegdheden wordt gebruikgemaakt en dat eventuele mededingingsbezwaren door samenhangende corrigerende maatregelen worden aangepakt.

30.

Zoals reeds in verband met artikel 4, lid 4, is opgemerkt, hangt het van de specifieke omstandigheden in een zaak af in hoeverre concentraties die weliswaar potentieel significante gevolgen hebben voor de mededinging op een markt die één land bestrijkt, maar niettemin potentieel aanzienlijke grensoverschrijdende effecten sorteren, voor verwijzing in aanmerking kunnen komen. Daar zowel de Commissie als de lidstaten in een even goede positie kunnen verkeren om deze zaken te behandelen, dient een aanzienlijke beoordelingsvrijheid te worden behouden bij het nemen van besluiten om dergelijke zaken al dan niet te verwijzen.

31.

Voorts dient zoveel mogelijk rekening te worden gehouden met de vraag of de Commissie bijzonder goed is toegerust om de zaak naar behoren te onderzoeken, met name gelet op factoren zoals de specifieke deskundigheid of haar ervaring uit het verleden in de betrokken sector. Hoe meer potentieel een concentratie heeft om de mededinging te beïnvloeden buiten het grondgebied van één lidstaat, des te groter is ook de kans dat de Commissie beter zal zijn toegerust om het onderzoek te voeren, met name wat het feitenonderzoek en de handhavingsbevoegdheden betreft.

32.

Ten slotte bestaat de mogelijkheid dat de partijen bij de concentratie aanvoeren dat, ook al ontbreekt kennelijk enig effect op de mededinging, er toch overtuigende argumenten zijn om de operatie door de Commissie te laten behandelen, met name gelet op factoren zoals de kosten en de vertraging die het indienen van meervoudige aanmeldingen bij de lidstaten meebrengt (32).

Verwijzing na aanmelding

Verwijzingen van de Commissie naar de lidstaten op grond van artikel 9

33.

Krachtens artikel 9 beschikt een lidstaat die een zaak wil laten verwijzen nadat deze bij de Commissie is aangemeld, over twee mogelijkheden: artikel 9, lid 2, onder a), of artikel 9, lid 2, onder b).

Artikel 9, lid 2, onder a)

Wettelijke vereisten

34.

Een zaak kan op grond van artikel 9, lid 2, onder a), naar een lidstaat of lidstaten worden verwezen, wanneer aan de volgende wettelijke vereisten is voldaan;

i)

de concentratie moet in significante mate gevolgen dreigen te hebben voor de mededinging op een markt, en

ii)

de betrokken markt moet in de verzoekende lidstaat zijn gelegen en alle kenmerken van een afzonderlijke markt vertonen.

35.

Het eerste criterium houdt in wezen in, dat een verzoekende lidstaat dient aan te tonen dat, op basis van een voorlopige beoordeling, de operatie een significant ongunstige invloed op de mededinging kan hebben — en dus nader onderzoek verdient. Dergelijke voorlopige aanwijzingen kunnen besloten liggen in de aard van wat op het eerste gezicht bewijzen voor een dergelijke mogelijk significant ongunstige invloed kunnen zijn, maar laten de uitkomst van een volledig onderzoek onverlet.

36.

Wat het tweede criterium betreft, dient de lidstaat aan te tonen dat een geografische markt of geografische markten waarop de mededinging door de operatie op de hiervoor (punt 35) beschreven wijze ongunstig wordt beïnvloed, nationaal is of zijn, dan wel enger is of zijn dan een nationale markt (33).

Andere in aanmerking te nemen factoren

37.

Niet alleen moet worden nagegaan of aan de wettelijke vereisten is voldaan, maar bij het beoordelen van de vraag of een zaak waarschijnlijk voor verwijzing geschikt is, moeten ook nog andere factoren in aanmerking worden genomen. Daarbij gaat het onder meer om een onderzoek of de genoemde leidende beginselen van toepassing zijn, en met name of de mededingingsautoriteit of mededingingsautoriteiten waarnaar zij met hun verzoek de zaak willen doen verwijzen, het meest geschikt is of zijn om de zaak te behandelen. Met het oog daarop moet dan weer worden bezien waar de effecten van de operatie op de mededinging naar verwachting te merken zullen zijn en in hoeverre de nationale mededingingsautoriteit geschikt zou zijn om de operatie te onderzoeken. (Zie de punten 19 tot en met 23.)

Artikel 9, lid 2, onder b)

Wettelijke vereisten

38.

Een zaak kan op grond van artikel 9, lid 2, onder b), naar een lidstaat of lidstaten worden verwezen, wanneer aan de volgende wettelijke vereisten is voldaan:

i)

de concentratie moet gevolgen hebben voor de mededinging op een markt, en

ii)

de betrokken markt moet in de verzoekende lidstaat zijn gelegen en moet alle kenmerken vertonen van een afzonderlijke markt en geen wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt vormen.

39.

Wat het eerste criterium betreft, dient een verzoekende lidstaat aan te tonen dat, op basis van een voorlopige beoordeling, de concentratie invloed op de mededinging in een markt kan hebben. Dergelijke voorlopige aanwijzingen kunnen besloten liggen in de aard van wat op het eerste gezicht bewijzen voor een potentieel ongunstige invloed kan zijn, maar laten de uitkomst van een volledig onderzoek onverlet.

40.

Wat het tweede criterium betreft, dient de verzoekende lidstaat niet alleen aan te tonen dat de markt waarop de mededinging door de operatie op de voornoemde (punt 38) wijze ongunstig wordt beïnvloed, een afzonderlijke markt binnen een lidstaat vormt, maar ook dat de betrokken markt geen wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt vormt. In dit verband is het, op basis van eerdere praktijk en rechtspraak (34), kennelijk zo dat dergelijke situaties doorgaans beperkt zijn tot markten met een enge geografische dimensie, binnen een lidstaat.

41.

Is aan deze voorwaarden voldaan, dan is de Commissie verplicht de zaak te verwijzen.

Verwijzingen van de lidstaten naar de Commissie op grond van artikel 22

Wettelijke vereisten

42.

Wil een verwijzing door één of meer lidstaten naar de Commissie op grond van artikel 22 kunnen geschieden, dan dient aan twee wettelijke vereisten te zijn voldaan:

i)

De concentratie moet de handel tussen de lidstaten beïnvloeden, en

ii)

zij moet in significante mate gevolgen dreigen te hebben voor de mededinging op het grondgebied van de lidstaat of lidstaten van welke het verzoek uitgaat.

43.

Wat het eerste criterium betreft, voldoet een concentratie aan dit vereiste voorzover zij enige merkbare invloed op de handelsstromen tussen lidstaten kan hebben (35).

44.

Wat het tweede criterium betreft, dient of dienen, evenals op grond van artikel 9, lid 2, onder a), een verwijzende lidstaat of lidstaten aan te tonen dat, op basis van een voorlopige beoordeling, er een reëel gevaar bestaat dat de operatie een significant ongunstige invloed op de mededinging kan hebben — en dus nader onderzoek verdient. Dergelijke voorlopige aanwijzingen kunnen besloten liggen in de aard van wat op het eerste gezicht bewijzen voor een dergelijke mogelijk significant ongunstige invloed kunnen zijn, maar laten de uitkomst van een volledig onderzoek onverlet.

Andere in aanmerking te nemen factoren

45.

Aangezien verwijzingen naar de Commissie die na aanmelding gebeuren, bijkomende kosten en vertragingen voor de fuserende partijen meebrengen, dienen dergelijke verwijzingen normaal beperkt te blijven tot de zaken die een reëel risico op negatieve effecten op de mededinging en de handel tussen de lidstaten lijken te vertegenwoordigen, en waar het er naar uitziet dat deze het best op Gemeenschapsniveau worden aangepakt (36). De categorieën van zaken die normaal het geschiktst zijn voor verwijzing naar de Commissie op grond van artikel 22, zijn bijgevolg de volgende:

zaken die ernstige mededingingsbezwaren doen rijzen op een markt of markten met een geografische dimensie die ruimer is dan een nationale markt, of waar bepaalde van de potentieel getroffen markten ruimer dan nationaal zijn en waarbij de economische impact van de concentratie vooral met die markten verband houdt;

zaken die ernstige mededingingsbezwaren doen rijzen op een reeks van nationale of engere dan nationale markten met een geografische dimensie die ruimer is dan een nationale markt in een aantal lidstaten, in omstandigheden waarin een samenhangende behandeling van de zaak (wat betreft mogelijke corrigerende maatregelen maar, in voorkomend geval, ook de onderzoekinspanningen als dusdanig) wenselijk is, en waarbij de economische invloed van de concentratie in hoofdzaak met die markten verband houdt.

III.   WERKING VAN HET VERWIJZINGSSYSTEEM

A.   OVERZICHT VAN HET VERWIJZINGSSYSTEEM

46.

In de concentratieverordening zijn de wettelijke regels vervat die op de werking van het verwijzingssysteem van toepassing zijn. In de regels van artikel 4, leden 4 en 5, en van de artikelen 9 en 22 wordt in detail beschreven welke verschillende stappen zijn vereist om een zaak van de Commissie naar de lidstaten te verwijzen, of omgekeerd.

47.

In elk van de vier desbetreffende verwijzingsbepalingen is een eigen mechanisme uitgewerkt voor de verwijzing van een bepaalde categorie concentraties. Deze bepalingen kunnen als volgt worden uitgesplitst:

a)

Verwijzing vóór aanmelding

i)

van de Commissie naar de lidstaten (artikel 4, lid 4)

ii)

van de lidstaten naar de Commissie (artikel 4, lid 5)

b)

Verwijzing na aanmelding

i)

van de Commissie naar de lidstaten (artikel 9)

ii)

van de lidstaten naar de Commissie (artikel 22)

48.

De schema's in bijlage I bij deze mededeling geven een grafische voorstelling van de verschillende procedurele stappen die moeten worden gezet in het verwijzingssysteem dat in artikel 4, leden 4 en 5, en in de artikelen 9 en 22 is uiteengezet.

Verwijzing vóór aanmelding

49.

Om verwijzing vóór aanmelding kan alleen door de betrokken ondernemingen worden verzocht (37). Het staat aan de betrokken ondernemingen na te gaan of de concentratie voldoet aan de criteria vermeld in artikel 4, lid 4 (de concentratie heeft een communautaire dimensie, maar kan in significante mate gevolgen hebben voor de mededinging op een markt in een lidstaat die alle kenmerken van een afzonderlijke markt heeft) of in artikel 4, lid 5 (de concentratie heeft geen communautaire dimensie, maar is vatbaar voor onderzoek krachtens de nationale mededingingswetgeving van ten minste drie lidstaten). De betrokken ondernemingen kunnen vervolgens besluiten te verzoeken om verwijzing naar of door de Commissie, door middel van de indiening van een gemotiveerde kennisgeving op formulier RS. De Commissie zendt dit verzoek onverwijld door aan alle lidstaten. Het verdere verloop van de procedure verschilt, naargelang het gaat om artikel 4, lid 4, dan wel artikel 4, lid 5:

Op grond van artikel 4, lid 4, heeft of hebben de betrokken lidstaat of lidstaten (38) 15 werkdagen na de datum van ontvangst van deze kennisgeving de tijd om te kennen te geven of zij al dan niet met het verzoek instemmen. Stilzwijgen van een lidstaat wordt als instemming aangemerkt (39). Wanneer de betrokken lidstaat of lidstaten met de verwijzing instemt of instemmen, beschikt de Commissie over een aanvullende termijn van ongeveer 10 werkdagen (25 werkdagen vanaf het tijdstip waarop de Commissie formulier RS heeft ontvangen) om te beslissen de zaak eventueel te verwijzen. Stilzwijgen van de Commissie geldt als instemming. Wanneer de Commissie instemt, wordt de zaak (of een of meer delen daarvan) naar de lidstaat of lidstaten verwezen, zoals door de betrokken ondernemingen is gevraagd. Vindt de verwijzing plaats, dan past of passen de betrokken lidstaat of lidstaten zijn of hun nationale wetgeving op het verwezen deel van de zaak toe (40). Artikel 9, leden 6 tot en met 9, zijn van toepassing;

Op grond van artikel 4, lid 5, hebben de betrokken lidstaten (41) 15 werkdagen na de datum van ontvangst van de kennisgeving om te kennen te geven of zij al dan niet met het verzoek instemmen. Na het verstrijken van die termijn gaat de Commissie na of een lidstaat die bevoegd is de concentratie op grond van zijn nationale mededingingswetgeving te onderzoeken, kenbaar heeft gemaakt het niet met het verzoek eens te zijn. Heeft geen van de bevoegde lidstaten kenbaar gemaakt het hiermee niet eens te zijn, dan wordt de zaak geacht een communautaire dimensie te krijgen en wordt zij derhalve ook verwezen naar de Commissie die ten aanzien daarvan uitsluitende bevoegdheid heeft. Het staat dan aan de partijen de zaak bij de Commissie aan te melden door middel van het formulier CO. Wanneer echter één of meer bevoegde lidstaten kenbaar heeft of hebben gemaakt het niet met het verzoek eens te zijn, stelt de Commissie alle lidstaten en de betrokken ondernemingen onverwijld in kennis van deze kennisgeving van niet-akkoordverklaring en wordt de verwijzingsprocedure gestaakt. Het staat dan aan de partijen om alle toepasselijke nationale aanmeldingsregels na te leven.

Verwijzing na aanmelding

50.

Overeenkomstig artikel 9, lid 2, en artikel 22, lid 1, wordt het systeem van verwijzingen na aanmelding geactiveerd door de lidstaten, hetzij uit eigen beweging hetzij op verzoek van de Commissie overeenkomstig respectievelijk artikel 9, lid 2, en artikel 22, lid 5. De procedure verschilt naargelang het gaat om een verwijzing van de Commissie naar de lidstaten of een verwijzing van de lidstaten naar de Commissie:

Op grond van artikel 9 kan een lidstaat verzoeken dat de Commissie een concentratie met een communautaire dimensie (of een deel daarvan) die bij de Commissie is aangemeld, verwijst wanneer deze operatie in significante mate gevolgen dreigt te hebben voor de mededinging op een afzonderlijke markt in die lidstaat (artikel 9, lid 2, onder a)), of wanneer deze gevolgen heeft voor de mededinging op een afzonderlijke markt welke geen wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt vormt (artikel 9, lid 2, onder b)). Het verzoek moet worden ingediend binnen 15 werkdagen na de datum van ontvangst van een exemplaar van het formulier CO. De Commissie dient allereerst na te gaan of aan die wettelijke criteria is voldaan. Zij kan vervolgens besluiten de zaak (of een deel daarvan) te verwijzen, daarbij gebruikmakend van haar administratieve discretionaire bevoegdheid. Ingeval een verwijzingsverzoek op grond van artikel 9, lid 2, onder b), plaatsvindt, is de Commissie verplicht — zij heeft dus geen beoordelingsvrijheid — de zaak te verwijzen wanneer aan de wettelijke criteria is voldaan. De beschikking moet zijn genomen binnen 35 werkdagen vanaf het tijdstip van de aanmelding of, wanneer de Commissie de procedure heeft ingeleid, binnen 65 werkdagen (42). Vindt de verwijzing plaats, dan past de betrokken lidstaat zijn eigen mededingingswetgeving toe, slechts met inachtneming van artikel 9, leden 6 en 8.

Op grond van artikel 22 kan een lidstaat verzoeken dat de Commissie een concentratie onderzoekt die geen communautaire dimensie heeft, maar die de handel tussen de lidstaten beïnvloedt en in significante mate gevolgen voor de mededinging op zijn grondgebied dreigt te hebben. Het verzoek moet worden ingediend uiterlijk binnen 15 werkdagen na de dag waarop de concentratie is aangemeld of, indien geen aanmelding is vereist, waarop de concentratie op een andere wijze aan de betrokken lidstaat „kenbaar is gemaakt” (43). De Commissie zendt het verzoek aan alle lidstaten door. Elke andere lidstaat kan, binnen 15 werkdagen na de dag van ontvangst van een afschrift van het oorspronkelijke verzoek, besluiten zich bij dit verzoek aan te sluiten (44). Alle nationale termijnen in verband met de concentratie worden opgeschort totdat is besloten waar de concentratie zal worden onderzocht; een lidstaat kan vóór het verstrijken van de periode van 15 werkdagen de nationale termijnen opnieuw doen ingaan door de Commissie en de fuserende partijen mee te delen dat hij zich niet bij het verzoek wil aansluiten. Ten laatste 10 werkdagen na afloop van deze periode van 15 werkdagen moet de Commissie besluiten de zaak al dan niet van de verzoekende lidstaat of lidstaten over te nemen. Aanvaardt de Commissie de bevoegdheid, dan worden de nationale procedures in de verwijzende lidstaat of lidstaten gestaakt en onderzoekt de Commissie de zaak op grond van artikel 22, lid 4, van de concentratieverordening namens de verwijzende lidstaat of lidstaten (45). Lidstaten die geen verzoek hebben ingediend, kunnen hun nationale wetgeving blijven toepassen.

51.

In het volgende deel van deze mededeling wordt nader ingegaan op een aantal details van het systeem, met name om verdere houvast te bieden aan ondernemingen die overwegen verzoeken in de fase vóór aanmelding in te dienen, of die mogelijk partij zijn bij de operaties in het geval van een eventuele verwijzing na aanmelding.

B.   DETAILS VAN HET VERWIJZINGSMECHANISME

52.

In dit deel van de mededeling worden aanwijzingen gegeven in verband met bepaalde aspecten van het functioneren van het verwijzingssysteem dat in artikel 4, leden 4 en 5, en in de artikelen 9 en 22 van de concentratieverordening is neergelegd.

1.   Het netwerk van mededingingsautoriteiten

53.

Artikel 19, lid 2, van de concentratieverordening bepaalt dat de Commissie de in die verordening uiteengezette procedures moet uitvoeren in nauw en voortdurend contact met de bevoegde autoriteiten van de lidstaten (de nationale mededingingsautoriteiten). De samenwerking en dialoog tussen de Commissie en de nationale mededingingsautoriteiten en tussen de nationale mededingingsautoriteiten onderling is van bijzonder belang in het geval van concentraties waarop het in de concentratieverordening neergelegde verwijzingssysteem van toepassing is.

54.

Volgens overweging 14 van de concentratieverordening „dienen de Commissie en de nationale mededingingsautoriteiten tezamen een netwerk van overheidsinstanties te vormen die hun respectieve bevoegdheden in nauwe samenwerking toepassen, waarbij zij zich bedienen van doelmatige kennisgevings- en raadplegingsmechanismen, teneinde te waarborgen dat de zaak wordt behandeld door de meest geschikte autoriteit, met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel en teneinde meervoudige aanmeldingen van eenzelfde concentratie zoveel mogelijk te vermijden”.

55.

Het netwerk dient te garanderen dat concentraties in overeenstemming met de in deel II beschreven beginselen doelmatig opnieuw worden toegewezen. Daarbij komt het er niet alleen op aan de soepele werking van het mechanisme inzake verwijzingen vóór aanmelding te bevorderen, maar ook, voorzover valt te voorzien, een systeem uit te werken waarbij zo snel mogelijk zaken worden geïdentificeerd die mogelijk voor verwijzing na aanmelding in aanmerking komen (46).

56.

Overeenkomstig artikel 4, leden 4 en 5, zendt de Commissie de gemotiveerde kennisgevingen van de betrokken ondernemingen „onverwijld” door (47). De Commissie zal deze documenten trachten door te zenden op de werkdag volgende op die van ontvangst of afgifte. Informatie binnen het netwerk wordt via diverse middelen uitgewisseld, naar gelang de omstandigheden: via e-mail, per post, via koerierdiensten, per faxbericht of over de telefoon. Aangetekend zij hier dat de uitwisseling van gevoelige of vertrouwelijke informatie verloopt via beveiligde e-mail of over een ander beveiligd communicatiemiddel tussen deze contactpunten.

57.

Alle leden van het netwerk, met inbegrip van zowel de Commissie als alle nationale mededingingsautoriteiten, hun ambtenaren en overige personeelsleden, en andere onder het toezicht van deze autoriteiten werkende personen, alsmede functionarissen en ambtenaren van andere autoriteiten van de lidstaten zijn door de in artikel 17 van de concentratieverordening neergelegde geheimhoudingsplicht gebonden. Zij mogen geen niet-openbare informatie vrijgeven die zij bij de toepassing van de concentratieverordening hebben verkregen, tenzij de natuurlijke of rechtspersoon welke die informatie heeft verstrekt, met de vrijgave ervan heeft ingestemd.

58.

Raadplegingen en uitwisselingen binnen het netwerk zijn een zaak tussen de openbare handhavingsinstanties en laten eventuele rechten of verplichtingen van ondernemingen die uit het communautaire of nationale recht voortvloeien, onverlet. Elke mededingingsautoriteit is ten volle verantwoordelijk voor de juiste afhandeling van de zaken die zij in behandeling heeft.

2.   Inwerkingtreding van het systeem inzake verwijzingen vóór aanmelding; door de verzoekende partijen te verstrekken informatie

59.

Wil het verwijzingssysteem snel en soepel kunnen functioneren, dan is het van wezenlijk belang dat de verzoekende partijen, telkens wanneer hun daarom wordt verzocht, volledige en juiste informatie tijdig en op de efficiëntste wijze verschaffen. Wettelijke vereisten betreffende de te verstrekken informatie en de gevolgen van het verstrekken van onjuiste, misleidende of onvolledige informatie zijn neergelegd in de concentratieverordening, Verordening (EG) nr 802/2004 (hierna: de concentratieuitvoeringsverordening) en formulier RS (48).

60.

In formulier RS is aangegeven dat alle in een gemotiveerde kennisgeving vermelde informatie juist en volledig dient te zijn. Wanneer partijen onjuiste of onvolledige informatie verstrekken, is de Commissie bevoegd ofwel om een beschikking te geven op grond van artikel 6, lid 1, onder a), van de concentratieverordening (ingeval zij tijdens het onderzoek kennis krijgt van het feit dat niet aan de voorwaarden van artikel 4, lid 5, is voldaan) ofwel om een beschikking op grond van artikel 6 of 8 die zij na een verwijzing van artikel 4, lid 5, heeft gegeven, op grond van artikel 6, lid 3, onder a) of artikel 8, lid 6 onder a), van de concentratieverordening in te trekken. Na het geven van een beschikking op grond van artikel 6, lid 1, onder a), of na de intrekking van haar beschikking zou de nationale mededingingswetgeving opnieuw op de operatie van toepassing zijn. Ingeval verwijzingen op grond van artikel 4, lid 4, op onjuiste of onvolledige informatie zijn gebaseerd, kan de Commissie een aanmelding op grond van artikel 4, lid 1, verlangen. Bovendien is de Commissie bevoegd geldboeten op te leggen op grond van artikel 14, lid 1, onder a), van de concentratieverordening. Ten slotte dienen de partijen zich er ook rekenschap van te geven dat, ingeval een verwijzing op basis van onjuiste of onvolledige informatie in het formulier RS gebeurt, de Commissie en/of de lidstaten kunnen overwegen om een verwijzing na aanmelding uit te voeren waarbij een op die onjuiste of onvolledige informatie gebaseerde verwijzing vóór aanmelding wordt ongedaan gemaakt (49).

61.

Wanneer de betrokken ondernemingen informatie verstrekken op het formulier RS of, algemeen genomen, een verzoek indienen tot verwijzing vóór aanmelding, is het niet de bedoeling of noodzakelijk dat zij aantonen dat de gevolgen van hun concentratie schadelijk zijn voor de mededinging (50). Zij dienen echter wel zoveel mogelijk informatie te verstrekken waaruit duidelijk blijkt op welke wijze de concentratie aan de desbetreffende wettelijke criteria van artikel 4, leden 4 en 5, voldoet en waarom de concentratie het beste door de in het verzoek vermelde mededingingsautoriteit of mededingingsautoriteiten wordt behandeld. In de concentratieverordening is niet bepaald dat het feit dat een formulier RS is ingediend, moet worden bekendgemaakt, noch is het de bedoeling dat te doen. Een niet-openbare operatie kan dus het voorwerp uitmaken van een verzoek tot verwijzing vóór aanmelding.

62.

Ook al aanvaardt de Commissie volgens de concentratieuitvoeringsverordening een formulier RS in elk der officiële talen van de Gemeenschap, toch wordt de betrokken ondernemingen welke informatie verstrekken die binnen het netwerk zal worden verdeeld, ten stelligste aangeraden bij hun mededeling een taal te gebruiken die gemakkelijk te begrijpen is voor al degenen voor wie de informatie is bestemd. Dit zal de behandeling van dergelijke verzoeken door de lidstaten vergemakkelijken. Wat bovendien verzoeken tot verwijzing naar een lidstaat of naar lidstaten betreft, wordt partijen ten stelligste aangeraden een exemplaar in te sluiten van het verzoek in de taal of talen van de lidstaat of lidstaten waarnaar de zaak volgens het verzoek zou moeten worden verwezen.

63.

Naast de in het formulier RS vastgestelde wettelijke vereisten moeten de betrokken ondernemingen bereid zijn zonodig bijkomende informatie te verstrekken en de zaak eerlijk en open met de Commissie en de nationale mededingingsautoriteiten te bespreken, ten einde de Commissie en de nationale mededingingsautoriteiten in staat te stellen te beoordelen of de betrokken concentratie moet worden verwezen.

64.

Informele contacten tussen fuserende partijen die overwegen een verzoek tot verwijzing vóór aanmelding in te dienen, en de Commissie en/of de autoriteiten van de lidstaten worden sterk aangemoedigd, zelfs na het indienen van een formulier RS. De Commissie dient informele, vroegtijdige aanwijzingen te geven aan ondernemingen die willen gebruikmaken van het systeem van verwijzing vóór aanmelding, zoals dat in artikel 4, leden 4 en 5, van de concentratieverordening is neergelegd (51).

3.   Voor verwijzing in aanmerking komende concentraties

65.

Alleen concentraties in de zin van artikel 3 van de concentratieverordening komen voor verwijzing op grond van artikel 4, lid 5, en artikel 22 in aanmerking. Alleen concentraties die binnen het toepassingsbereik van de betrokken nationale mededingingswetgeving inzake concentratiecontrole vallen, komen in aanmerking voor verwijzing op grond van artikel 4, lid 4, en artikel 9 (52).

66.

Verzoeken tot verwijzing vóór aanmelding op grond van artikel 4, lid 4, en artikel 4, lid 5, van de concentratieverordening moeten betrekking hebben op concentraties waarvoor de plannen voldoende concreet zijn. In dat verband moet er bij de betrokken ondernemingen ten minste een voornemen te goeder trouw bestaan om te fuseren of, in het geval van een openbaar overnamebod, tenminste een publieke aankondiging zijn van een voornemen tot het uitbrengen van een dergelijk bod (53).

4.   Het begrip „vóór aanmelding” van artikel 4, leden 4 en 5

67.

Artikel 4, leden 4 en 5, zijn enkel van toepassing tijdens de fase vóór aanmelding.

68.

In artikel 4, lid 4, is bepaald dat de betrokken ondernemingen een verzoek tot verwijzing kunnen indienen door middel van een gemotiveerde kennisgeving (formulier RS) „vóór de aanmelding van een concentratie in de zin van lid 1”. Dit betekent dat het verzoek enkel kan worden ingediend indien geen formulier CO officieel is ingediend overeenkomstig artikel 4, lid 1.

69.

Evenzo is in artikel 4, lid 5, bepaald dat het verzoek kan worden ingediend „vóór enige aanmelding ervan bij de bevoegde [nationale] autoriteiten”. Dit betekent dat, wil deze bepaling gelden, de betrokken concentratie nog niet formeel mag zijn aangemeld bij een instantie van een lidstaat. Zelfs één aanmelding elders in de Gemeenschap belet de betrokken ondernemingen het mechanisme van artikel 4, lid 5, in werking te stellen. Naar het oordeel van de Commissie behoeft geen sanctie te worden opgelegd voor niet-aanmelding van een operatie op het nationale niveau zolang een verzoek op grond van artikel 4, lid 5, hangende is.

5.   Het begrip „concentratie die vatbaar is voor toetsing krachtens de nationale mededingingswetgeving” en het begrip „bevoegde lidstaat” van artikel 4, lid 5

70.

Overeenkomstig artikel 4, lid 5, kunnen de betrokken ondernemingen een verzoek tot verwijzing indienen voor een concentratie die geen communautaire dimensie heeft, en die „vatbaar is voor toetsing krachtens de nationale mededingingswetgeving van ten minste drie lidstaten”.

71.

„Vatbaar voor toetsing” dient te worden uitgelegd als een concentratie die krachtens de nationale mededingingswetgeving inzake concentratiecontrole onder de bevoegdheid van een lidstaat valt. Een verplichting tot aanmelding is niet vereist, dat wil zeggen dat het niet noodzakelijk is dat de concentratie volgens de nationale wetgeving dient te worden aangemeld (54).

72.

Overeenkomstig artikel 4, lid 5, derde en vierde alinea, wordt de zaak niet verwezen wanneer ten minste één lidstaat „die krachtens zijn mededingingswetgeving bevoegd is de concentratie te onderzoeken” kenbaar heeft gemaakt het niet eens te zijn met de verwijzing van de zaak. Een lidstaat is „bevoegd” wanneer de concentratie in die lidstaat voor toetsing in aanmerking komt en wanneer hij daarom de bevoegdheid heeft de concentratie krachtens zijn nationale mededingingswetgeving te toetsen.

73.

Alle lidstaten — en niet alleen de lidstaten die „bevoegd” zijn de zaak te toetsen — ontvangen een exemplaar van het formulier RS. Evenwel worden voor de toepassing van artikel 4, lid 5, derde en vierde alinea, enkel de tot toetsing „bevoegde” lidstaten in aanmerking genomen. Overeenkomstig artikel 4, lid 5, derde alinea, hebben „bevoegde” lidstaten 15 werkdagen na de datum van ontvangst van het formulier RS de tijd om kenbaar te maken of zij het al dan niet eens zijn met de verwijzing. Zijn zij het allen hiermee eens, dan wordt de zaak geacht een communautaire dimensie te hebben overeenkomstig artikel 4, lid 5, vijfde alinea. Wanneer, overeenkomstig artikel 4, lid 5, vierde alinea, daarentegen zelfs maar één „bevoegde” lidstaat het niet ermee eens is, wordt de zaak niet door een lidstaat verwezen.

74.

In het licht van het genoemde mechanisme is het voor een soepel functioneren van artikel 4, lid 5, dus van wezenlijk belang dat alle lidstaten waar de zaak in aanmerking komt voor toetsing krachtens de nationale mededingingswetgeving — en die dus „bevoegd” zijn om de zaak krachtens hun nationale mededingingswetgeving te toetsen — juist worden geïdentificeerd. Daarom moeten volgens formulier RS de betrokken ondernemingen voldoende informatie verstrekken om elke lidstaat in staat te stellen na te gaan of hij al dan niet bevoegd is de concentratie krachtens zijn nationale mededingingswetgeving te toetsen.

75.

Wanneer het formulier RS juist is ingevuld, zouden zich geen complicaties mogen voordoen. De betrokken ondernemingen zullen dan namelijk alle lidstaten juist hebben aangegeven die bevoegd zijn om de zaak te toetsen. Wanneer de betrokken ondernemingen formulier RS evenwel niet juist hebben ingevuld of wanneer er daadwerkelijk onenigheid bestaat over de vraag welke lidstaten „bevoegd” zijn de zaak te toetsen, kunnen er zich complicaties voordoen:

Binnen de periode van 15 werkdagen die in artikel 4, lid 5, derde alinea, is vastgesteld, kan een lidstaat die in het formulier RS niet als „bevoegd” is vermeld, de Commissie kenbaar maken dat hij „bevoegd” is en kan hij, evenals iedere andere „bevoegde lidstaat”, kenbaar maken of hij het al dan niet met de verwijzing eens is;

Evenzo kan binnen de periode van 15 werkdagen die in artikel 4, lid 5, derde alinea, is vastgesteld, een lidstaat die in het formulier RS als „bevoegd” is vermeld, de Commissie meedelen dat hij niet „bevoegd” is. Deze lidstaat zou dan buiten beschouwing worden gelaten voor de toepassing van artikel 4, lid 5.

76.

Zodra de periode van 15 werkdagen is verstreken zonder dat een lidstaat kenbaar heeft gemaakt het niet eens te zijn, wordt de verwijzing als geldig beschouwd. Een en ander garandeert de geldigheid van de beschikkingen die de Commissie op grond van artikel 6 of 8 van de concentratieverordening geeft, na een verwijzing op grond van artikel 4, lid 5.

77.

Dit betekent evenwel niet, dat ondernemingen dit systeem kunnen misbruiken door op het formulier RS, opzettelijk of uit onachtzaamheid, onjuiste informatie te verschaffen, met inbegrip van de vraag of de concentratie voor toetsing in de lidstaten in aanmerking komt. Zoals in punt 60 is opgemerkt, kan de Commissie maatregelen nemen om de situatie te rectificeren en ter afschrikking van dergelijke inbreuken. De betrokken ondernemingen dienen zich ook ervan bewust te zijn dat, onder dergelijke omstandigheden waarin een verwijzing op basis van onjuiste of onvolledige informatie is gebeurd, een lidstaat die ervan overtuigd is dat hij bevoegd was de zaak te behandelen maar die niet in de gelegenheid is gesteld zijn veto tegen de verwijzing uit te spreken, kan verzoeken om een verwijzing na aanmelding.

6.   Kennisgeving en bekendmaking van besluiten

78.

Overeenkomstig artikel 4, lid 4, vierde alinea, artikel 4, lid 5, vierde alinea, artikel 9, lid 1, en artikel 22, lid 3, tweede alinea, stelt de Commissie de betrokken personen of ondernemingen en alle lidstaten in kennis van alle besluiten die, op grond van die bepalingen, ten aanzien van de verwijzing van de concentratie zijn genomen.

79.

De informatie wordt verstrekt door middel van een aan de betrokken ondernemingen gericht schrijven (of, in het geval van beschikkingen op grond artikel 9, lid 1, of artikel 22, lid 3, een aan de betrokken lidstaat gericht schrijven). Alle lidstaten ontvangen hiervan een afschrift.

80.

Er bestaat geen verplichting dat die beschikkingen in het Publicatieblad van de Europese Unie worden bekendgemaakt (55). De Commissie zal over die beschikkingen echter voldoende informatie geven op de website van het Directoraat-generaal Concurrentie, met inachtneming van de verplichtingen inzake vertrouwelijkheid.

7.   Artikel 9, lid 6

81.

In artikel 9, lid 6, is bepaald dat, wanneer de Commissie een aangemelde concentratie overeenkomstig artikel 4, lid 4, of artikel 9, lid 3, naar een lidstaat verwijst, de betrokken nationale mededingingsautoriteiten de zaak „onverwijld” moeten behandelen. Dienovereenkomstig moet de bevoegde autoriteit de zaak zo snel mogelijk overeenkomstig de nationale wetgeving behandelen.

82.

Bovendien is in artikel 9, lid 6, bepaald dat de bevoegde nationale autoriteit binnen 45 werkdagen na de verwijzing door de Commissie of nadat een aanmelding op nationaal niveau is ingediend, de betrokken ondernemingen in kennis stelt van het resultaat van de voorlopige beoordeling uit mededingingsoogpunt en van de eventuele door haar voorgenomen maatregelen. Dienovereenkomstig dienen de fuserende partijen, binnen 45 werkdagen na de verwijzing of na aanmelding, voldoende informatie te ontvangen die hen in staat stelt de aard te begrijpen van de voorlopige mededingingsbezwaren die de autoriteit eventueel heeft, en dienen zij te worden ingelicht over de vermoedelijke omvang en duur van het onderzoek. De betrokken lidstaat kan deze termijn enkel in uitzonderlijke gevallen opschorten, indien de betrokken ondernemingen hem niet, zoals door zijn nationale mededingingswetgeving is vereist, de nodige informatie hebben verstrekt.

IV.   SLOTOPMERKINGEN

83.

Deze mededeling zal aan een periodiek onderzoek worden onderworpen, met name na herziening van in de concentratieverordening uiteengezette verwijzingsregels. In dat verband dient te worden opgemerkt dat, overeenkomstig artikel 4, lid 6, van de concentratieverordening, de Commissie uiterlijk op 1 juli 2009 aan de Raad verslag dient uit te brengen over de regels betreffende verwijzing voor aanmelding (artikel 4, leden 4 en 5).

84.

Deze mededeling laat de uitlegging van de toepasselijke Verdragsbepalingen en andere wettelijke bepalingen door het Gerecht van eerste aanleg en het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen onverlet.


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1. Deze verordening is een herschikking van Verordening (EEG) nr. 4064/89 van de Raad van 21 december 1989 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (PB L 395 van 30.12.1989, blz. 1. Gerectificeerde versie in PB L 257 van 21.9.1990, blz. 13).

(2)  Zie Besluit nr. 78/2004 van het Gemengd Comité van de EER van 8 juni 2004 (PB L 219 van 8.6.2004, blz. 13).

(3)  Zie de toelichting betreffende Verordening (EEG) nr. 4064/89 van de Raad [Recht inzake de controle op concentraties in de Europese Unie. Toestand in maart 1998, Brussel-Luxemburg, Bureau voor officiële publicaties der Europese Gemeenschappen, 1998, blz. 54]. Zie ook het arrest van het Gerecht van eerste aanleg in zaak T-119/02, Philips/Commissie [zaak nr. M.2621 — SEB/Moulinex], Jurispr. 2003, blz. II-1433, punt 354.

(4)  Het is een feit dat sommige concentraties met een communautaire dimensie de mededinging beïnvloeden op nationale of subnationale markten in één of meer lidstaten.

(5)  Zaak nr. M.2698 — Promatech/Sulzer; zaak nr. M.2738 — GEES/Unison, en zaak nr. M.3136 — GE/Agfa NDT.

(6)  In diezelfde geest hebben de nationale mededingingsautoriteiten, in het kader van de vereniging van Europese mededingingsautoriteiten (ECA), een aanbeveling opgesteld die de nodige aanwijzingen wil geven aangaande de vraag volgens welke beginselen nationale mededingingsautoriteiten zaken moeten behandelen die in aanmerking komen voor gezamenlijke verwijzingen op grond van artikel 22 van de concentratieverordening — Principles on the application, by National Competition Authorities within the ECA network, of Article 22 of the EC Merger Regulation.

(7)  Al heeft de invoering in 1997 van artikel 1, lid 3, een aantal van deze zaken onder het toepassingsgebied van de concentratieverordening gebracht, toch bleef deze aanpassing voor vele andere zaken zonder gevolgen. Zie het Groenboek van de Commissie van 11 december 2001, COM(2001) 745 definitief, punten 21 e.v.

(8)  Zie overwegingen 11, 12 en 14 van de concentratieverordening.

(9)  Zie overweging 11 van de concentratieverordening.

(10)  Zie evenwel noot 14. Bovendien dient te worden aangetekend dat, overeenkomstig artikel 4, lid 5, de Commissie geen enkele vrijheid heeft om oorspronkelijk niet onder haar bevoegdheid vallende zaken wel of niet te aanvaarden.

(11)  Zie artikel 5 van het EG-Verdrag.

(12)  Zie overwegingen 11 en 14 van de concentratieverordening.

(13)  Zie artikel 9, lid 8, van de concentratieverordening. Zie voorts ook het arrest in de zaak Philips/Commissie (reeds aangehaald, punt 343) waar het Gerecht verklaart dat „ook al kent artikel 9, lid 3, eerste alinea, van Verordening (EEG) nr. 4064/89 de Commissie bij haar besluit om een concentratie al dan niet te verwijzen een ruime discretionaire bevoegdheid toe, de Commissie niet tot verwijzing mag overgaan wanneer bij het onderzoek van het door de betrokken lidstaat ingediende verwijzingsverzoek uit een samenstel van duidelijke en overeenstemmende aanwijzingen blijkt, dat een verwijzing de daadwerkelijke mededinging op de betrokken markt niet kan handhaven of herstellen”; zie ook het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 30 september 2003 in gevoegde zaken T-346/02 en T-347/02, Cableuropa SA e.a./Commissie, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 215. Omstandigheden die relevant zijn voor de beoordeling van de Commissie zijn onder meer het feit dat een lidstaat: i) specifieke regelgeving kent voor de controle op concentraties, alsmede gespecialiseerde organen om deze regelgeving uit te voeren onder toezicht van de nationale rechter, en ii) de door de concentratie veroorzaakte mededingingsbezwaren op de betrokken markten in die lidstaat nauwkeurig heeft aangeduid (zie het arrest in zaak T-119/02, Philips/Commissie, reeds aangehaald, punten 346 en 347).

(14)  Daarbij kan onder meer rekening worden gehouden met de betrokken kosten, vertraging, rechtsonzekerheid en het risico op een tegenstrijdige beoordeling die verbonden zijn aan het feit dat het onderzoek, of een deel van het onderzoek, door meer autoriteiten zou worden gevoerd.

(15)  Zie overweging 11 van de concentratieverordening.

(16)  In het arrest in de zaak Philips/Commissie (reeds aangehaald, punt 350) verklaarde het Gerecht, terloops, dat een dergelijke „opsplitsing”, op grond van artikel 9 weliswaar mogelijk is, maar „onwenselijk [is] vanuit het oogpunt van het „één-loket”-beginsel, dat de basis vormt van verordening (EEG) nr. 4064/89”. Voorts erkende het Gerecht (zie punten 350 en 380) dat het gevaar van „tegenstrijdig[e] of zelfs onverenigb[are]” besluiten van de Commissie en de lidstaten weliswaar „inherent is aan het systeem van verwijzingen dat is ingesteld bij artikel 9 van Verordening nr. 4064/89”, maar het maakte ook duidelijk dat het zulks stellig onwenselijk achtte.

(17)  Dit strookt met het besluit van de Commissie om in zaak nr. M.2389 Shell/DEA en zaak nr. M.2533 — BP/E.ON het onderzoek van alle markten voor stroomafwaartse-aardolieproducten naar Duitsland te verwijzen. De Commissie behield het onderzoek van de delen van de zaken die de stroomopwaartse markten betroffen. Evenzo heeft de Commissie in zaak nr. M.2706 — Carnival Corporation/P&O Princess van haar bevoegdheid gebruikt gemaakt een deel van de zaak niet naar het Verenigd Koninkrijk te verwijzen, omdat zij opsplitsing van de zaak wilde vermijden. (Zie het persbericht van de Commissie van 11.4.2002, IP/02/552).

(18)  Zie overweging 11 van de concentratieverordening.

(19)  Zie overweging 14 van de concentratieverordening. Een en ander hangt natuurlijk af van de vraag of de partijen in hun aan de aanmelding voorafgaand verwijzingsverzoek over alle relevante feiten volledig en naar waarheid inlichtingen hebben verstrekt.

(20)  Zie overweging 16, die als volgt luidt: „De betrokken ondernemingen zouden (…) niet moeten hoeven aantonen dat de gevolgen van de concentratie schadelijk zouden zijn voor de mededinging.”

(21)  Het feit dat „betrokken markten” in de zin van formulier RS bestaan, zou over het algemeen kunnen volstaan om aan de vereisten van artikel 4, lid 4, te voldoen. De partijen kunnen echter op factoren wijzen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de zaak uit mededingingsoogpunt (overlappende markten, verticale integratie enz.).

(22)  Daartoe dienen de verzoekende partijen rekening te houden met de factoren die meestal wijzen op het bestaan van nationale markten of markten die enger zijn dan nationale markten, zoals in hoofdzaak de productkenmerken (bijv. beperkte waarde van het product ten opzichte van aanzienlijke transportkosten), specifieke kenmerken van vraag (bijv. eindgebruikers bevoorraden zich in de buurt van het centrum van hun activiteiten) en aanbod, aanzienlijke prijsverschillen en marktaandelen tussen verschillende landen, nationale consumentengewoonten, verschillende regelgevingen, belastingen of overige wet- en regelgeving. Verdere aanwijzingen in dit verband zijn te vinden in de bekendmaking van de Commissie inzake de bepaling van de relevante markt voor het gemeenschappelijke mededingingsrecht (PB C 372 van 9.12.1997, blz. 5).

(23)  Zie bijvoorbeeld de volgende zaken waarin de Commissie het onderzoek van bepaalde, onderscheiden markten voor olieopslag heeft verwezen naar de Franse autoriteiten: zaak nr. M.1021 — Compagnie Nationale de Navigation/Sogelfa — CIM; zaak nr. M.1464 — Total/Petrofina en zaak nr. M. l628 TotalFina/Elf. Zie voorts ook zaak nr. M.1030 - Lafarge/Redland; zaak nr. M.1220 — Alliance Unichem/Unifarma; zaak nr. M.2760 — Nehlsen/Rethmann/SWB/Bremerhavener Entsorgungswirtschaft; zaak nr. M.2154 — C3D/Rhône/Go Ahead, en zaak nr. M.2845 — Sogecable/Canalsatélite Digital/Vía Digital.

(24)  Zie zaak nr. M.580 — ABB/Daimler Benz waar de Commissie niet instemde met een verzoek van Duitsland om een zaak op grond van artikel 9 naar Duitsland te verwijzen in omstandigheden waarin de mededingingsbezwaren weliswaar tot de Duitse markten beperkt bleven, maar de hele operatie (die de grootste aanbieder van spoorweguitrusting ter wereld zou doen ontstaan) aanzienlijke gevolgen in heel Europa had gehad. Zie ook zaak nr. M.2434 — Grupo Villar Mir/EnBW/Hidroeléctrica del Cantábrico waar de Commissie, ondanks een verzoek van Spanje om de zaak op grond van artikel 9 te verwijzen, haar onderzoek heeft voortgezet en een beschikking op grond van artikel 8, lid 2, heeft gegeven.

(25)  Zie voor voorbeelden zaak nr. M.1383 — Exxon/Mobil, waarin de Commissie, ondanks het verzoek van het Verenigd Koninkrijk om het deel van de concentratie dat betrekking had op de motorbrandstoffenkleinhandel in het noordwesten van Schotland te verwijzen, haar onderzoek voortzette omdat in de zaak één enkel en coherent pakket corrigerende maatregelen nodig was om alle problematische kwesties in de betrokken sector weg te werken. Zie ook zaak nr. M.2706 — Carnival Corporation/P & O Princess, waar de Commissie, ondanks dat de autoriteiten in het Verenigd Koninkrijk doende waren een concurrerend bod van Royal Caribbean te onderzoeken, niet instemde met een verzoek tot een gedeeltelijke verwijzing, om opsplitsing van de zaak te vermijden en om één enkel onderzoek te garanderen voor de vele nationale markten die door de operatie werden getroffen.

(26)  Zie zaak nr. M. 2898 — Leroy Merlin/Brico, zaak nr. M.1030 — Lafarge/Redland en zaak nr. M. 1684 — Carrefour/Promodes.

(27)  In zaak nr. M.330 — McCormick/CPC/Rabobank/Ostmann heeft de Commissie een zaak naar Duitsland verwezen, omdat Duitsland beter in staat was de plaatselijke voorwaarden in 85 000 verkooppunten in Duitsland te onderzoeken. In zaak nr. M.1060 — Vendex/Bijenkorf werd de zaak naar Nederland verwezen, omdat Nederland beter in staat was de plaatselijke consumentensmaken en -gewoonten te beoordelen. Zie ook zaak nr. M.1555 — Heineken/Cruzcampo, zaak nr. M.2621 — SEB/Moulinex (waar consumentenvoorkeuren en commerciële en marketingpraktijken specifiek waren voor de Franse markt), zaak nr. M.2639 — Compass/Restorama/Rail Gourmet/Gourmet Nova, en zaak nr. M.2662 — Danish Crown/Steff-Houlberg.

(28)  In zaak nr. M.716 - Gehe/Lloyds bijvoorbeeld heeft de Commissie een zaak verwezen, omdat op Lloyds nog een ander bod was uitgebracht dat niet onder de drempels van de concentratieverordening viel, maar dat door de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk werd onderzocht. Dankzij de verwijzing konden beide biedprocedures door dezelfde autoriteit worden onderzocht. In zaken nr. M.1001 Preussag/Hapag-Lloyd en M.1019 — Preussag/TUI werden twee operaties naar Duitsland verwezen, die — samen met een derde in Duitsland aangemelde operatie — ernstige mededingingsbezwaren deden rijzen. De verwijzing zorgde ervoor dat de operaties op een vergelijkbare manier werden behandeld. In zaak nr. M.2044 — Interbrew/Bass heeft de Commissie de zaak naar de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk verwezen, omdat deze terzelfder tijd doende waren Interbrews acquisitie van een andere brouwerij (Whitbread) te onderzoeken en wegens hun ervaring in recente onderzoeken voor dezelfde markten. Zie voorts ook zaak nr. M.2760 — Nehlsen/Rethmann/SWB/Bremerhavener Entsorgungswirtschaft; zaak nr. M.2234 — Metsäliitto Osuuskunta/Vapo Oy/JV; zaak nr. M.2495 — Haniel/Fels; zaak nr. M.2881 — Koninklijke BAM NBM/HBG, en zaken nrs. M.2857/M.3075-3080 - ECS/IEH en zes andere acquisities van lokale stroomdistributeuren door Electrabel. In zaak nr. M.2706 — Carnival Corporation/P&O Princess heeft de Commissie, ondanks dat de autoriteiten in het Verenigd Koninkrijk doende waren een concurrerend bod van Royal Caribbean te onderzoeken, niet ingestemd met een verzoek voor een gedeeltelijke verwijzing. Bij haar voorlopige onderzoek had de Commissie namelijk mededingingsbezwaren vastgesteld op andere door de concentratie getroffen nationale markten, en daarom wilde zij opsplitsing van de zaak vermijden. (Zie het persbericht van de Commissie van 11.4.2002, IP/02/552).

(29)  Het feit dat „betrokken markten” in de zin van formulier RS bestaan, zou doorgaans als voldoende worden beschouwd. De partijen kunnen echter op alle factoren wijzen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de zaak uit mededingingsoogpunt (overlappende markten, verticale integratie enz.).

(30)  Zie de gezamenlijke verwijzing door zeven lidstaten naar de Commissie van een operatie die wereldwijde markten trof in zaak nr. M.2738 — GEES/Unison, en de gezamenlijke verwijzing door zeven lidstaten naar de Commissie van een operatie die een West-Europese markt trof in zaak nr. M.2698 — Promatech/Sulzer. Zie ook punt 11 van de Principles on the application, by National Competition Authorities within the ECA network, of Article 22 of the EC Merger Regulation, gepubliceerd door de Europese Mededingingsautoriteiten.

(31)  Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij operaties waar de betrokken markten weliswaar nationaal zijn (of, voor de beoordeling uit mededingingsoogpunt, zelfs enger dan nationaal zijn), maar die niettemin worden gekenmerkt door veel voorkomende Europese of internationale merken, door veel voorkomende Europese of internationale intellectuele-eigendomsrechten, of door gecentraliseerde productie of distributie – ten minste in die mate dat het risico bestaat dat dergelijke gecentraliseerde productie of distributie een invloed kan hebben op eventueel te nemen corrigerende maatregelen.

(32)  Zie overwegingen 12 en 16 van de concentratieverordening.

(33)  Zie de bekendmaking van de Commissie inzake de bepaling van de relevante markt voor het gemeenschappelijke mededingingsrecht (PB C 372 van 9.12.1997, blz. 5).

(34)  Zie de verwijzingen die de Commissie op grond van artikel 9, lid 2, onder b), heeft toegestaan in: zaak nr. M.2446 — Govia/Connex South Central, waar de operatie de mededinging in het Verenigd Koninkrijk beïnvloedde op specifieke spoortrajecten in de regio Londen/Gatwick-Brighton; zaak nr. M.2730 — Connex/DNVBVG/JV, waar de operatie de mededinging beïnvloedde op de markt voor plaatselijke openbaarvervoersdiensten in de regio-Riesa (Saksen, Duitsland), en in zaak nr. M.3130 — Arla Foods/Express Diaries, waar de operatie de mededinging beïnvloedde op de markt voor de thuisbezorging van flessenmelk in de regio's Londen, Yorkshire en Lancashire (Verenigd Koninkrijk). Met het oog op het definiëren van het begrip van een „markt die geen wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt vormt”, zijn enige aanwijzingen te vinden in de rechtspraak over de toepassing van artikel 82 van het EG-Verdrag. In dat verband heeft het Hof van Justitie een vrij ruime omschrijving gegeven van wat een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt kan vormen, waarbij het onder meer een beroep deed op empirisch bewijsmateriaal. In de rechtspraak zijn bijvoorbeeld aanwijzingen te vinden die in hoofdzaak op praktische criteria zijn gebaseerd, zoals „de structuur en de omvang van productie en consumptie van genoemd product, alsook […] de gewoonten en de economische mogelijkheden van kopers en verkopers”; zie het arrest in zaak 40/73, Suiker Unie e.a./Commissie, Jurispr. 1975, blz. 1663. Zie ook het arrest in zaak C-179/90, Porto di Genova, Jurispr. 1991, blz. I-5889, waar de haven van Genua werd geacht een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt te vormen. In zijn rechtspraak heeft het Hof ook verklaard dat een reeks afzonderlijke markten kan worden geacht tezamen een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt te vormen. Zie bijvoorbeeld het arrest in zaak C-323/93, Centre d'insémination de la Crespelle, Jurispr. 1994, blz. I-5077, punt 17, waar het Hof verklaarde: „In het onderhavige geval worden aan de inseminatiestations uitsluitende rechten toegekend door de nationale wetgeving: hun exploitatie is immers aan een vergunning gebonden en elk station verzorgt exclusief een bepaald rayon. Doordat aldus ten gunste van die ondernemingen een aantal naast elkaar liggende monopolies wordt gecreëerd die weliswaar territoriaal begrensd zijn, doch in hun totaliteit het gehele grondgebied van een lidstaat beslaan, doen die nationale bepalingen een machtspositie ontstaan op een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 86 van het Verdrag.”

(35)  Zie naar analogie ook de mededeling van de Commissie — Richtsnoeren betreffende het begrip „beïnvloeding van de handel” in de artikelen 81 en 82 van het Verdrag, PB C 101 van 27.4.2004, blz. 81.

(36)  Zie de gezamenlijke verwijzing door zeven lidstaten naar de Commissie van een operatie die wereldwijde markten trof in zaak nr. M.2738 — GEES/Unison, en de gezamenlijke verwijzing door zeven lidstaten naar de Commissie van een operatie die een West-Europese markt trof in zaak nr. M.2698 — Promatech/Sulzer. Zie ook punt 11 van de Principles on the application, by National Competition Authorities within the ECA network, of Article 22 of the EC Merger Regulation, gepubliceerd door de Europese Mededingingsautoriteiten.

(37)  Het begrip „betrokken ondernemingen” omvat ook „personen” in de zin van artikel 3, lid 1, onder b).

(38)  De betrokken lidstaat of lidstaten zijn de lidstaten die op formulier RS worden vermeld, en naar wie de zaak zal worden verwezen wanneer het verzoek wordt geaccepteerd.

(39)  Dit mechanisme is een essentieel aspect van alle in de concentratieverordening beschreven verwijzingsprocedures. Dit mechanisme kan „stilzwijgende instemming” of geen bezwaar worden genoemd: het feit dat de Commissie of een lidstaat geen besluit neemt, geldt als het nemen van een gunstig besluit. Dit mechanisme was al een onderdeel van Verordening (EEG) nr. 4064/89 — in artikel 9, lid 5. Het is nu opgenomen in artikel 4, lid 4, tweede en vierde alinea, in artikel 4, lid 5, vierde alinea, in artikel 9, lid 5, en in artikel 22, lid 3, eerste alinea, laatste zinssnede van de concentratieverordening. Dit mechanisme van stilzwijgende instemming geldt evenwel niet voor besluiten van lidstaten om zich bij een verzoek op grond artikel 22, lid 2, aan te sluiten.

(40)  Overeenkomstig artikel 4, lid 4, mogen fuserende partijen om gedeeltelijke of volledige verwijzing van een zaak verzoeken. De Commissie en lidstaten moeten ofwel instemmen met het verzoek of het afwijzen; zij mogen het toepassingsbereik ervan niet wijzigen door bijvoorbeeld slechts een deel van een zaak te verwijzen wanneer om de verwijzing van de volledige zaak is verzocht. In het geval van een gedeeltelijke verwijzing past de betrokken lidstaat zijn nationale mededingingswetgeving op het verwezen deel van de zaak toe. Voor het resterende deel van de zaak blijft de concentratieverordening op de normale wijze gelden: de betrokken ondernemingen zijn dus verplicht het niet-verwezen deel van de concentratie op het formulier CO overeenkomstig artikel 4, lid 1, van de concentratieverordening aan te melden. Wanneer daarentegen de volledige zaak naar een lidstaat wordt verwezen, is in artikel 4, lid 4, laatste alinea, bepaald dat geen verplichting geldt om de zaak ook bij de Commissie aan te melden. De zaak zal dan ook niet door de Commissie worden onderzocht. De betrokken lidstaat past zijn nationale wetgeving op de volledige zaak toe; geen andere lidstaat kan zijn nationale mededingingswetgeving op de bewuste concentratie toepassen.

(41)  Dit wil zeggen de lidstaten die bevoegd zouden zijn om de zaak aan hun nationale mededingingswetgeving te toetsen ingeval geen verwijzing plaatsvindt. Zie voor het begrip „bevoegd om de zaak te toetsen”, deel B onder 5.

(42)  Wat betreft zaken waarin de Commissie binnen een termijn van 65 werkdagen voorbereidende stappen heeft genomen, zie artikel 9, lid 4, onder b), en artikel 9, lid 5.

(43)  Het begrip „kenbaar gemaakt” dat is afgeleid uit de bewoording van artikel 22, moet in deze samenhang worden uitgelegd als inhoudend dat voldoende informatie wordt versterkt om een voorlopige beoordeling te maken of de criteria voorhanden zijn om een verwijzingsverzoek op grond van artikel 22 in te dienen.

(44)  Aangetekend zij dat artikel 22 lidstaten in staat stelt zich bij het oorspronkelijke verzoek aan te sluiten, zelfs indien de concentratie hun nog niet ter kennis is gebracht. Lidstaten zijn mogelijk echter niet in staat dat te doen wanneer zij van de fuserende partijen nog niet de nodige informatie hebben ontvangen op het tijdstip dat zij door de Commissie in kennis worden gesteld dat een verwijzingsverzoek door een andere lidstaat is ingediend. Onverlet de mogelijkheid voor lidstaten om met de fuserende partijen contact op te nemen ten einde na te gaan of zij bevoegd zijn een bepaalde operatie te onderzoeken, wordt de aanmeldende partijen stellig aangeraden om, voorzover haalbaar, hun aanmelding terzelfder tijd bij alle bevoegde lidstaten in te dienen.

(45)  Wanneer de Commissie overeenkomstig artikel 22 een concentratie namens één of meer lidstaten onderzoekt, kan zij alle materieelrechtelijke besluiten nemen waarin door de artikelen 6 en 8 van de concentratieverordening is voorzien. Daarin is door artikel 22, lid 4, van de concentratieverordening voorzien. Aangetekend zij hier dat de Commissie de concentratie op verzoek van en namens de verzoekende lidstaten onderzoekt. Dit artikel dient derhalve te worden uitgelegd in de zin dat de Commissie de gevolgen van de concentratie op het grondgebied van die lidstaten dient te onderzoeken. De Commissie zal de gevolgen van de concentratie op het grondgebied van lidstaten die zich niet bij het verzoek hebben aangesloten, niet onderzoeken tenzij dit onderzoek noodzakelijk is voor de beoordeling van de gevolgen van de concentratie op het grondgebied van de verzoekende lidstaten (bijv. wanneer de geografische markt ruimer is dan het grondgebied van de verzoekende lidstaat of lidstaten).

(46)  Wanneer de Commissie bijvoorbeeld vooraf op de hoogte is van een mogelijk verwijzingsverzoek, kan zij daarmee rekening houden bij haar besluit niet in te gaan op het verzoek om een ontheffing van de opschortende werking overeenkomstig artikel 7, lid 3, van de concentratieverordening.

(47)  Opgemerkt zij hier dat, overeenkomstig artikel 19, lid 1, van de concentratieverordening, de Commissie ook verplicht is de nationale mededingingsautoriteiten een afschrift te doen toekomen van aanmeldingen en van de belangrijkste stukken die zij ontvangt of verzendt.

(48)  Formulier RS is als bijlage gevoegd bij de Verordening (EG) nr. 802/2004 van de Commissie van 7 april 2004 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (PB L 133 van 30.4.2004, blz. 1).

(49)  Dit kan het passende correctief zijn wanneer de Commissie tijdens haar onderzoek er kennis van krijgt dat de verzoekende partijen onjuiste of onvolledige informatie hebben verstrekt, zonder dat zulks van invloed is op het voldoen aan de voorwaarden van artikel 4, lid 5.

(50)  Zie overweging 16 van de concentratieverordening.

(51)  Een verzoek om een ontheffing van de opschortende werking overeenkomstig artikel 7, lid 3, van de concentratieverordening zou normaal niet stroken met een voornemen een verzoek in te dienen tot verwijzing vóór aanmelding op grond van artikel 4, lid 4.

(52)  Daarentegen dient de verwijzing naar de „nationale mededingingswetgeving” in artikel 21, lid 3, en artikel 22, lid 3, te worden begrepen als een verwijzing naar alle aspecten van de nationale mededingingswetgeving.

(53)  Zie overweging 34 en artikel 4, lid 1, van de concentratieverordening.

(54)  Zelfs in omstandigheden waarin een aanmelding rechtens vrijwillig is, kan het in de praktijk toch zo zijn dat de partijen een zaak willen aanmelden of dat van hen wordt verwacht dat een zaak wordt aangemeld.

(55)  Overeenkomstig artikel 20 van de concentratieverordening geldt deze verplichting enkel voor beschikkingen die op grond van artikel 8, leden 1 tot en met 6, en de artikelen 14 en 15 worden gegeven.


BIJLAGE

Image

Image

Image

Image


5.3.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 56/24


Mededeling van de Commissie betreffende beperkingen die rechtstreeks verband houden met en noodzakelijk zijn voor de totstandbrenging van concentraties

(2005/C 56/03)

(Voor de EER relevante tekst)

I.   INLEIDING

1.

Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (de EG-concentratieverordening) (1), bepaalt in artikel 6, lid 1, onder b), tweede alinea, in artikel 8, lid 1, tweede alinea, en in artikel 8, lid 2, derde alinea, dat een beschikking waarbij een concentratie met de gemeenschappelijke markt verenigbaar wordt verklaard, „wordt geacht betrekking te hebben op beperkingen die rechtstreeks verband houden met en noodzakelijk zijn voor de totstandbrenging van de concentratie”.

2.

De wijziging van de regels voor de beoordeling van beperkingen die rechtstreeks verband houden met en noodzakelijk zijn voor de totstandbrenging van de concentratie (hierna ook „nevenrestricties” genoemd) voert het beginsel van zelfbeoordeling van dergelijke beperkingen in. Dit geeft de bedoeling van de wetgever weer, de Commissie niet te verplichten een beoordeling te maken van en afzonderlijk in te gaan op nevenrestricties. De behandeling van nevenrestricties op grond van de EG-concentratieverordening wordt nader uiteengezet in overweging (21) van de aanhef van de EG-concentratieverordening, die als volgt luidt: „Beschikkingen van de Commissie waarbij concentraties uit hoofde van deze verordening verenigbaar worden verklaard met de gemeenschappelijke markt, dienen automatisch betrekking te hebben op dergelijke beperkingen, zonder dat de Commissie verplicht is deze beperkingen in ieder afzonderlijk geval te beoordelen”. Deze overweging stelt dat de Commissie een residuele bevoegdheid zal uitoefenen met betrekking tot specifieke nieuwe of onopgeloste vragen die aanleiding geven tot werkelijke onzekerheid, terwijl het in alle overige scenario's de taak van de betrokken ondernemingen is om voor zichzelf te beoordelen of en in welke mate hun overeenkomsten als nevenrestricties ten aanzien van een operatie kunnen worden beschouwd. De nationale rechterlijke instanties zijn bevoegd inzake geschillen over de vraag of beperkingen rechtstreeks verband houden met en noodzakelijk zijn voor de totstandbrenging van de concentratie en derhalve automatisch zijn gedekt door de goedkeuringsbeschikking van de Commissie.

3.

Op de residuele bevoegdheid van de Commissie wordt nader ingegaan in overweging (21) van de EG-concentratieverordening. Daarin wordt verklaard dat de Commissie, op verzoek van de betrokken ondernemingen, uitdrukkelijk dient te beoordelen of daadwerkelijk van nevenrestricties sprake is in zaken die aanleiding geven tot „werkelijke onzekerheid omdat hierin nieuwe of onopgeloste vragen rijzen”. Vervolgens omschrijft de overweging „een nieuwe of onopgeloste vraag die aanleiding geeft tot werkelijke onzekerheid” als een vraag die „niet wordt bestreken door de daarop toepasselijke mededeling van de Commissie of door een bekendgemaakte beschikking van de Commissie”.

4.

Om de betrokken ondernemingen rechtszekerheid te bieden, worden in deze mededeling aanwijzingen gegeven aangaande de uitlegging van het begrip „nevenrestricties”. De aanwijzingen die in de volgende delen worden gegeven, geven de essentie van de beschikkingspraktijk van de Commissie weer en zetten de beginselen uiteen ter beoordeling of en in hoeverre de meest gebruikelijke soorten overeenkomsten worden geacht nevenrestricties te zijn.

5.

Toch kunnen zaken, waarbij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen, die niet onder deze mededeling vallen, rechtvaardigen dat van deze beginselen wordt afgeweken. Partijen kunnen in de bekendgemaakte beschikkingen van de Commissie (2) verdere aanwijzingen vinden omtrent de vraag of hun overeenkomsten al dan niet als nevenrestricties kunnen worden beschouwd. Voorzover zaken waarbij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen, die eerder door de Commissie in haar bekendgemaakte beschikkingen zijn behandeld (3), vormen zij geen „nieuwe of onopgeloste vragen” in de zin van overweging (21) van de EG-concentratieverordening.

6.

Bijgevolg geeft een zaak aanleiding tot „werkelijke onzekerheid omdat hierin nieuwe of onopgeloste vragen rijzen” wanneer die beperkingen niet door deze mededeling worden bestreken en niet eerder door de Commissie in haar bekendgemaakte beschikkingen zijn behandeld. Zoals in overweging (21) van de EG-concentratieverordening is gesteld, zal de Commissie in die zaken, op verzoek van de partijen, uitdrukkelijk dergelijke beperkingen beoordelen. Met inachtneming van de vertrouwelijkheidsvoorschriften zal de Commissie op passende wijze bekendheid geven aan deze beoordelingen waarin de in deze mededeling uiteengezette beginselen verder worden uitgewerkt.

7.

Voorzover beperkingen rechtstreeks verband houden met en noodzakelijk zijn voor de totstandbrenging van de concentratie, bepaalt artikel 21, lid 1, van de EG-concentratieverordening dat uitsluitend die verordening van toepassing is, met uitsluiting van de Verordeningen (EG) nr. 1/2003 (4), (EEG) nr. 1017/68 (5) en (EEG) nr. 4056/86 (6). Daarentegen blijven de artikelen 81 en 82 van het EG-Verdrag potentieel toepasselijk op beperkingen die niet als rechtstreeks verband houdend met en noodzakelijk voor de totstandbrenging van de concentratie kunnen worden beschouwd. Het enkele feit evenwel dat een overeenkomst of regeling niet als nevenrestrictie bij een concentratie wordt beschouwd, laat de juridische status ervan onverlet. Dergelijke overeenkomsten of regelingen moeten worden beoordeeld overeenkomstig de artikelen 81 en 82 van het EG-Verdrag en de desbetreffende wetsteksten en mededelingen (7). Zij kunnen ook vallen onder de geldende nationale mededingingsregels. Overeenkomsten die een mededingingsbeperking bevatten, maar die op grond van de onderhavige mededeling niet als rechtstreeks verband houdend met en noodzakelijk voor de totstandbrenging van de concentratie worden beschouwd, kunnen derhalve toch onder bovenbedoelde voorschriften vallen.

8.

De uitlegging die de Commissie geeft aan artikel 6, lid 1, onder b), tweede alinea, aan artikel 8, lid 1, tweede alinea, en aan artikel 8, lid 2, derde alinea, van de EG-concentratieverordening laat de uitlegging onverlet, die door het Hof van Justitie of het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen kan worden gegeven.

9.

Deze mededeling vervangt de eerdere bekendmaking van de Commissie betreffende beperkingen die rechtstreeks verband houden met en noodzakelijk zijn voor de totstandkoming van concentraties (8).

II.   ALGEMENE BEGINSELEN

10.

Een concentratie kan bestaan uit contractuele regelingen en overeenkomsten om zeggenschap in de zin van artikel 3, lid 2, van de EG-concentratieverordening tot stand te brengen. Alle overeenkomsten die het voornaamste doel van de concentratie verwezenlijken (9), zoals die betreffende de verkoop van aandelen of activa van een onderneming, maken integrerend deel uit van de concentratie. Naast deze regelingen en overeenkomsten kunnen de partijen bij de concentratie nog andere overeenkomsten aangaan die niet een integrerend deel van de concentratie uitmaken, maar die de handelingsvrijheid van de partijen op de markt kunnen beperken. Wanneer deze overeenkomsten nevenrestricties bevatten, vallen deze automatisch onder de beschikking waarbij de concentratie met de gemeenschappelijke markt verenigbaar wordt verklaard.

11.

De criteria „rechtstreeks verband” en „noodzakelijk” zijn objectief van aard. Beperkingen houden geen rechtstreeks verband met en zijn niet noodzakelijk voor de totstandbrenging van een concentratie enkel omdat de partijen deze als zodanig beschouwen.

12.

Om beperkingen als „rechtstreeks verband houdend met de totstandbrenging van de concentratie” te beschouwen, moeten zij nauw samenhangen met de concentratie zelf. Het is niet voldoende dat een overeenkomst is gesloten in dezelfde context of op hetzelfde tijdstip als de concentratie (10). Beperkingen die rechtstreeks verband houden met de totstandbrenging van de concentratie houden economisch verband met de voornaamste operatie en zijn erop gericht, een vlotte overgang naar de na de totstandbrenging van de concentratie gewijzigde ondernemingsstructuur mogelijk te maken.

13.

Overeenkomsten moeten „noodzakelijk voor de totstandbrenging van de concentratie” (11) zijn, hetgeen betekent dat, zonder die overeenkomsten, de concentratie niet of slechts onder aanzienlijk onzekerder omstandigheden, tegen aanzienlijk hogere kosten, na een merkbaar langere periode of met veel grotere moeilijkheden tot stand had kunnen worden gebracht (12). Overeenkomsten die voor de totstandbrenging van een concentratie noodzakelijk zijn, zijn normaal gericht op het beschermen van de overgedragen waarde (13), het zeker stellen van de leveringscontinuïteit na de opsplitsing van een voormalige economische eenheid (14), of maken het opstarten van een nieuwe eenheid mogelijk (15). Bij het bepalen of een beperking al dan niet noodzakelijk is, dient niet alleen rekening te worden gehouden met de aard ervan, maar moet eveneens erop worden toegezien dat de duur, het onderwerp en het geografische toepassingsgebied niet verder gaan dan hetgeen redelijkerwijs voor de totstandbrenging van de concentratie is vereist. Indien even efficiënte alternatieven beschikbaar zijn om het nagestreefde rechtmatige doel te bereiken, moeten de ondernemingen het alternatief kiezen dat de mededinging objectief het minst beperkt.

14.

Voor concentraties die in fasen worden uitgevoerd, kunnen de contractuele regelingen met betrekking tot de fasen voorafgaand aan de verkrijging van de zeggenschap in de zin van artikel 3, leden 1 en 2, van de EG-concentratieverordening, doorgaans niet worden beschouwd als rechtstreeks verband houdend met en noodzakelijk voor de totstandbrenging van de concentratie. Een overeenkomst om af te zien van wezenlijke veranderingen in de activiteiten van de over te nemen onderneming totdat de concentratie is voltooid, wordt echter wel beschouwd als rechtstreeks verband houdend met en noodzakelijk voor de totstandbrenging van een gezamenlijk bod (16). In de context van een gezamenlijk bod, geldt hetzelfde voor een overeenkomst tussen de gezamenlijke verwervers van een onderneming die erop is gericht ervan af te zien een afzonderlijk concurrerend bod uit te brengen op de onderneming of op een andere wijze zeggenschap te verkrijgen.

15.

Overeenkomsten die de gezamenlijke verwerving van de zeggenschap vergemakkelijken, kunnen worden beschouwd als rechtstreeks verband houdend met en noodzakelijk voor de totstandbrenging van de concentratie. Dit geldt voor regelingen tussen partijen voor de gezamenlijke verwerving van zeggenschap die zijn gericht op het doorvoeren van de opsplitsing van activa, om de productieinstallaties of de distributienetten en de bestaande handelsmerken van de verworven onderneming onder elkaar te verdelen.

16.

Voorzover een dergelijke verdeling de opsplitsing van een bestaande economische eenheid meebrengt, moeten regelingen die de opsplitsing onder redelijke voorwaarden mogelijk maken, overeenkomstig de hierna vermelde beginselen worden beschouwd als rechtstreeks verband houdend met en noodzakelijk voor de totstandbrenging van de concentratie.

III.   BEGINSELEN DIE VAN TOEPASSING ZIJN OP VEEL VOORKOMENDE BEPERKINGEN BIJ DE VERWERVING VAN EEN ONDERNEMING

17.

De beperkingen die tussen de partijen in het kader van een overdracht van een onderneming zijn overeengekomen, kunnen ten gunste van de koper of de verkoper zijn. Over het algemeen is de behoefte van de koper aan een bepaalde mate van bescherming dwingender dan de overeenkomstige behoefte van de verkoper. Het is de koper die er zeker van moet kunnen zijn dat hij de volledige waarde van de verworven activiteiten zal kunnen verwerven. Derhalve geldt als algemene regel, dat beperkingen die de verkoper ten goede komen, ofwel niet rechtstreeks verband houden met en niet noodzakelijk zijn voor de totstandbrenging van de concentratie (17), ofwel hun reikwijdte en/of duur beperkter dient te zijn dan die van bepalingen die de koper ten goede komen (18).

A.   Niet-concurrentiebedingen

18.

Een concurrentieverbod dat in het kader van de overdracht van een onderneming of een gedeelte ervan aan de verkoper wordt opgelegd, kan rechtstreeks verband houden met en noodzakelijk zijn voor de totstandbrenging van de concentratie. Om de volledige waarde van de overgedragen activa te verkrijgen, moet de koper een zekere mate van bescherming kunnen genieten tegen concurrentie van de verkoper, zodat hij het vertrouwen van de klanten kan winnen en de kennis kan assimileren en aanwenden. Dergelijke niet-concurrentiebedingen waarborgen de overdracht aan de koper van de volledige waarde van de overgedragen activa, die over het algemeen zowel materiële als immateriële activa kunnen omvatten, zoals de door de verkoper opgebouwde goodwill of ontwikkelde knowhow (19). Deze houden niet alleen rechtstreeks verband met de concentratie, maar zijn ook noodzakelijk voor de totstandbrenging ervan, omdat zonder deze bedingen er redelijke gronden zouden zijn om aan te nemen dat de verkoop van de onderneming of een deel ervan geen doorgang zou vinden.

19.

Dergelijke niet-concurrentiebedingen zijn evenwel slechts gerechtvaardigd door de legitieme doelstelling van de totstandbrenging van de concentratie, wanneer de duur, het geografische toepassingsgebied en de materiële en personele reikwijdte ervan niet verder gaan dan wat redelijkerwijs daartoe noodzakelijk kan worden geacht (20).

20.

Niet-concurrentiebedingen zijn gerechtvaardigd voor perioden van maximaal drie jaar (21) wanneer de overdracht van de onderneming de overdracht van de klantentrouw in de vorm van zowel goodwill als knowhow omvat (22). Wanneer die bedingen uitsluitend op goodwill betrekking hebben, zijn zij voor perioden van maximaal twee jaar gerechtvaardigd (23).

21.

Daarentegen kunnen niet-concurrentiebedingen niet als noodzakelijk worden aangemerkt wanneer de overdracht feitelijk is beperkt tot materiële activa (zoals grond, gebouwen of machines) of tot exclusieve industriële en commerciële eigendomsrechten (waarbij de rechthebbenden zich onmiddellijk tegen inbreuken door de overdrager van dergelijke rechten kunnen verzetten).

22.

De geografische reikwijdte van een niet-concurrentiebeding moet doorgaans worden beperkt tot het gebied waarin de verkoper vóór de overdracht de betrokken producten of diensten heeft aangeboden, daar de koper geen bescherming tegen concurrentie door de verkoper behoeft in gebieden waar de verkoper voordien niet actief was (24). De geografische reikwijdte kan worden uitgebreid tot de gebieden die de verkoper voornemens was te betreden op het tijdstip van de operatie, op voorwaarde dat hij reeds in de voorbereiding van die stap had geïnvesteerd.

23.

Evenzo dienen niet-concurrentiebedingen beperkt te blijven tot producten (waaronder verbeterde versies of aanpassingen van producten, alsmede de opvolgers ervan) en diensten die de economische activiteit van de overgedragen onderneming vormen. Dit kan producten en diensten omvatten die op het tijdstip van de transactie in een gevorderd ontwikkelingsstadium waren of producten die al volledig ontwikkeld zijn, maar nog niet op de markt zijn gebracht. Bescherming tegen concurrentie van de verkoper op product- of dienstenmarkten waarop de overgedragen onderneming vóór de overdracht niet actief was, wordt niet als noodzakelijk beschouwd (25).

24.

De verkoper kan zichzelf, zijn dochtermaatschappijen en zijn handelsagenten binden. Een verplichting vergelijkbare beperkingen op te leggen aan derden zou echter niet worden beschouwd als rechtstreeks verband houdend met en noodzakelijk voor de totstandbrenging van de concentratie. Dit geldt vooral voor bepalingen die wederverkopers of gebruikers in hun in- of uitvoermogelijkheden beperken.

25.

Bedingen die het recht van de verkoper beperken om aandelen te kopen of te bezitten in een onderneming die met de overgedragen activiteiten concurreert, worden geacht rechtstreeks verband te houden met en noodzakelijk te zijn voor de totstandbrenging van de concentratie onder dezelfde voorwaarden als die welke hierboven zijn uiteengezet voor niet-concurrentiebedingen, tenzij zij de verkoper beletten aandelen te kopen of te bezitten voor louter investeringsdoeleinden zonder dat hem, rechtstreeks of zijdelings, managementfuncties of een wezenlijke invloed in de concurrerende onderneming wordt toegekend (26).

26.

Niet-wervingsbedingen en vertrouwelijkheidsbedingen hebben een vergelijkbaar effect, en worden dan ook op soortgelijke wijze als niet-concurrentiebedingen beoordeeld (27).

B.   Licentieovereenkomsten

27.

Bij de overdracht van een onderneming of een gedeelte ervan kunnen de koper intellectuele-eigendomsrechten of knowhow worden overgedragen met het oog op de volledige exploitatie van de overgedragen activa. De verkoper kan echter eigenaar van de rechten blijven om deze voor andere dan de overgedragen activiteiten te kunnen exploiteren. In deze gevallen is het gebruikelijk dat licentieovereenkomsten ten gunste van de koper worden gesloten om ervoor te zorgen dat deze het volle gebruik van de overgedragen activa krijgt. Ook wanneer de verkoper intellectuele-eigendomsrechten met de activiteiten heeft overgedragen, kan hij bepaalde of alle rechten voor andere dan de overgedragen activiteiten verder willen gebruiken. In een dergelijk geval zal de koper de verkoper een licentie verlenen.

28.

Licenties voor octrooien (28), vergelijkbare rechten of knowhow (29) kunnen als noodzakelijk voor de totstandbrenging van de concentratie worden beschouwd. Deze kunnen ook als een integrerend deel van de concentratie worden aangemerkt en behoeven in elk geval niet in de tijd te worden beperkt. Die licenties kunnen exclusief of niet-exclusief zijn en worden beperkt tot bepaalde toepassingen, voorzover deze met de activiteiten van de overgedragen onderneming overeenstemmen.

29.

Evenwel zijn territoriale beperkingen aan de productie die het gebied van de overgedragen activiteit weergeven, niet noodzakelijk voor de totstandbrenging van de concentratie. Terzake van door de verkoper van een bedrijf aan de koper verleende licenties, kan de verkoper op dezelfde voorwaarden als die welke voor niet-concurrentiebedingen in het kader van de verkoop van een bedrijf gelden, aan territoriale beperkingen in de licentieovereenkomst worden onderworpen.

30.

Beperkingen in licentieovereenkomsten die verder gaan dan de genoemde bepalingen, zoals die welke eerder de licentiegever dan de licentienemer beschermen, zijn niet noodzakelijk voor de totstandbrenging van de concentratie (30).

31.

Ook in het geval van licenties voor handelsmerken, handelsnamen, rechten op tekeningen en modellen, auteursrechten of vergelijkbare rechten kunnen zich situaties voordoen waarin de verkoper eigenaar wenst te blijven van de rechten die op de niet-verkochte activiteiten betrekking hebben, maar de koper deze rechten moet kunnen gebruiken om de goederen of diensten welke door de overgedragen onderneming (of het overgedragen gedeelte ervan) worden geproduceerd, op de markt te kunnen aanbieden. Op deze situatie zijn dezelfde overwegingen van toepassing (31).

C.   Afname- en leveringsverplichtingen

32.

In vele gevallen kan de overdracht van een onderneming of een deel ervan leiden tot de verstoring van de traditionele afname- en leveringspatronen die het resultaat waren van de vroegere integratie van activiteiten binnen de economische eenheid van de verkoper. Om de opsplitsing van de economische eenheid van de verkoper en de gedeeltelijke overdracht van de activa aan de koper op redelijke voorwaarden mogelijk te maken, is het vaak noodzakelijk, gedurende een overgangsperiode bestaande of gelijksoortige banden tussen de verkoper en de koper te handhaven. Dit doel wordt gewoonlijk bereikt door afname- en leveringsverplichtingen voor de verkoper en/of de koper van de onderneming of een deel ervan. Rekening houdend met de bijzondere situatie die uit het verbreken van de economische eenheid van de verkoper voortvloeit, kunnen dergelijke verplichtingen worden erkend als rechtstreeks verband houdend met en noodzakelijk voor de totstandbrenging van de concentratie. Zij kunnen ten gunste van de verkoper of de koper zijn, afhankelijk van de bijzondere omstandigheden van de zaak.

33.

Dergelijke verplichtingen kunnen erop zijn gericht voor één van de partijen de continuïteit van de levering van producten te waarborgen die noodzakelijk zijn voor de verrichting van de door de verkoper niet-verkochte of door de koper overgenomen activiteiten. De duur van de afname- en leveringsverplichtingen moet evenwel worden beperkt tot een periode die noodzakelijk is om de afhankelijkheidsrelatie te vervangen door een autonome positie op de markt. Derhalve kunnen voor een overgangsperiode van maximaal vijf jaar, afname- of leveringsverplichtingen die beogen de hoeveelheden te garanderen die voorheen werden geleverd, gerechtvaardigd zijn. (32).

34.

Zowel leverings- als afnameverplichtingen die op vaste hoeveelheden betrekking hebben en waaraan mogelijk een variatiebepaling is verbonden, worden erkend als rechtstreeks verband houdend met en noodzakelijk voor de totstandbrenging van de concentratie. Verplichtingen die voor onbeperkte hoeveelheden (33) exclusiviteit of de status van bevoorrechte leverancier of afnemer toekennen (34), zijn evenwel niet noodzakelijk voor de totstandbrenging van de concentratie.

35.

Service- en distributieovereenkomsten kunnen gelijksoortige gevolgen hebben als leveringsovereenkomsten. Bijgevolg is het voorgaande daarop van overeenkomstige toepassing.

IV.   BEGINSELEN DIE VAN TOEPASSING ZIJN OP VEEL VOORKOMENDE BEPERKINGEN IN HET GEVAL VAN GEMEENSCHAPPELIJKE ONDERNEMINGEN IN DE ZIN VAN ARTIKEL 3, LID 4, VAN DE EG-CONCENTRATIEVERORDENING

A.   Concurrentieverbod

36.

Een concurrentieverbod tussen de moedermaatschappijen en een gemeenschappelijke onderneming kan als rechtstreeks verband houdend met en noodzakelijk voor de totstandbrenging van de concentratie worden beschouwd, wanneer het betrekking heeft op de producten, diensten en gebieden die onder de oprichtingsovereenkomst of de statuten van de gemeenschappelijke onderneming vallen. Een dergelijk concurrentieverbod geeft ondermeer weer, dat goede trouw tijdens de onderhandelingen noodzakelijk is. Het kan eveneens weergeven dat de activa van de gemeenschappelijke onderneming ten volle moeten worden benut of dat de gemeenschappelijke onderneming in staat moet worden gesteld de door de moedermaatschappijen geleverde knowhow en goodwill te assimileren, of dat de belangen van de moedermaatschappijen in de gemeenschappelijke onderneming moeten worden beschermd tegen concurrentiehandelingen die onder meer worden vergemakkelijkt door de bevoorrechte toegang tot de door de gemeenschappelijke onderneming overgedragen of ontwikkelde knowhow en goodwill. Dergelijke concurrentieverboden tussen de moedermaatschappijen en een gemeenschappelijke onderneming kunnen, voor de levensduur van de gemeenschappelijke onderneming, worden geacht rechtstreeks verband te houden met en noodzakelijk te zijn voor de totstandbrenging van de concentratie (35).

37.

De geografische reikwijdte van een niet-concurrentiebeding dient beperkt te blijven tot het gebied waarop de moedermaatschappijen de relevante producten of diensten voorafgaand aan de oprichting van de gemeenschappelijke onderneming aanboden (36). Deze geografische reikwijdte kan worden uitgebreid tot gebieden die de moedermaatschappijen voornemens waren te betreden op het tijdstip van de transactie, op voorwaarde dat zij reeds in de voorbereiding van die stap hadden geïnvesteerd.

38.

Evenzo moeten niet-concurrentiebedingen worden beperkt tot producten en diensten die de economische activiteit van de gemeenschappelijke onderneming vormen. Dit kan producten en diensten omvatten die zich op het tijdstip van de transactie in een gevorderd ontwikkelingsstadium bevonden, alsmede producten en diensten die volledig zijn ontwikkeld, maar nog niet op de markt zijn gebracht.

39.

Wanneer de gemeenschappelijke onderneming wordt opgericht met de bedoeling een nieuwe markt te betreden, zal worden verwezen naar de producten, diensten en gebieden waarop die gemeenschappelijke onderneming krachtens de oprichtingsovereenkomst of de statuten werkzaam zal zijn. Aangenomen wordt evenwel dat het belang van de ene moederonderneming in de gemeenschappelijke onderneming niet behoeft te worden beschermd tegen concurrentie van de andere moederonderneming op andere markten dan die waarop de gemeenschappelijke onderneming van meet af aan werkzaam zal zijn.

40.

Voorts houdt een concurrentieverbod tussen moedermaatschappijen zonder zeggenschap en een gemeenschappelijke onderneming geen rechtstreeks verband met en is niet noodzakelijk voor de totstandbrenging van de concentratie.

41.

Dezelfde beginselen als voor niet-concurrentiebedingen zijn van toepassing op niet-wervingsbedingen en vertrouwelijkheidsbedingen.

B.   Licentieovereenkomsten

42.

Een licentie die door de moedermaatschappijen aan de gemeenschappelijke onderneming wordt verleend, kan worden geacht rechtstreeks verband te houden met en noodzakelijk te zijn voor de totstandbrenging van de concentratie. Dit geldt ongeacht of de licentie al dan niet een exclusief karakter heeft of in de tijd is beperkt. De licentie kan worden beperkt tot een bepaald toepassingsgebied dat met de activiteiten van de gemeenschappelijke onderneming overeenstemt.

43.

Licenties die door de gemeenschappelijke onderneming aan een van de moedermaatschappijen worden verleend of overeenkomsten inzake een kruislicentie kunnen worden geacht rechtstreeks verband te houden met en noodzakelijk te zijn voor de totstandbrenging van de concentratie op dezelfde voorwaarden als die welke bij de verwerving van een onderneming gelden. Licentieovereenkomsten tussen de moedermaatschappijen worden niet beschouwd als rechtstreeks verband houdend met en noodzakelijk voor de totstandbrenging van een gemeenschappelijke onderneming.

C.   Afname- en leveringsverplichtingen

44.

Wanneer de moedermaatschappijen aanwezig blijven op een markt die een stroomopwaartse of stroomafwaartse markt vormt ten opzichte van de markt van de gemeenschappelijke onderneming, moeten afname- en leveringsovereenkomsten, waaronder service- en distributieovereenkomsten, worden onderzocht in het licht van de beginselen die van toepassing zijn op de overdracht van een onderneming.


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1.

(2)  Voor de toepassing van deze mededeling wordt een beschikking als bekendgemaakt beschouwd wanneer zij in het Publicatieblad van de Europese Unie is bekendgemaakt of wanneer zij op de website van de Commissie voor het publiek beschikbaar is gesteld.

(3)  Zie bijvoorbeeld de beschikking van de Commissie van 1 september 2000 (COMP/M.1980 — Volvo/Renault, overweging 56) — hoge mate van klantentrouw; de beschikking van de Commissie van 23 oktober 1998 (IV/M.1298 — Kodak/Imation, overweging 73) — lange levenscyclus van het product; de beschikking van de Commissie van 13 maart 1995 (IV/M.550 — Union Carbide/Enichem, overweging 99) — beperkt aantal alternatieve producenten; en de beschikking van de Commissie van 30 april 1992 (IV/M.197 — Solvay-Laporte/Interox, overweging 50) — langere bescherming van knowhow vereist.

(4)  Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag, PB L 1 van 4.1.2003, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 411/2004, (PB L 68 van 6.3.2004, blz. 1).

(5)  Verordening (EEG) nr. 1017/68 van de Raad van 19 juli 1968 houdende de toepassing van mededingingsregels op het gebied van het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren, (PB L 175 van 23.7.1968, blz. 1). Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1/2003.

(6)  Verordening (EEG) nr. 4056/86 van de Raad van 22 december 1986 tot vaststelling van de wijze van toepassing van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag op het zeevervoer, (PB L 378 van 31.12.1986, blz. 4). Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1/2003.

(7)  Zie bijvoorbeeld voor licentieovereenkomsten Verordening (EG) nr. 772/2004 (PB L 123 van 27.4.2004, blz. 11. Zie bijvoorbeeld voor leverings- en afnameovereenkomsten Verordening (EG) nr. 2790/1999 van de Commissie van 22 december 1999 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen, (PB L 336 van 29.12.1999, blz. 21).

(8)  PB C 188 van 4.7.2001, blz. 5.

(9)  Zie bijvoorbeeld de beschikking van de Commissie van 10 augustus 1992 (IV/M.206 — Rhône-Poulenc/SNIA, overweging 8.3); de beschikking van de Commissie van 19 december 1991 (IV/M.113 — Courtaulds/SNIA, overweging 35); de beschikking van de Commissie van 2 december 1991 (IV/M.102 — TNT/Canada Post/DBP Postdienst/La Poste/PTT Poste & Sweden Post, overweging 46).

(10)  Evenzo kan een beperking, mits aan alle andere voorwaarden is voldaan, toch „rechtstreeks verband houden met” de totstandbrenging van de concentratie, ook al dateert zij niet van hetzelfde tijdstip waarop de overeenkomst is gesloten die het voornaamste doel van de concentratie verwezenlijkt.

(11)  Zie arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in zaak 42/84 (Remia), Jurispr. 1985, blz. 2545, punt 20; arrest van het Gerecht van eerste aanleg in zaak T-112/99 (Métropole Télévision — M6), Jurispr. 2001, blz. II-2459, punt 106.

(12)  Beschikking van de Commissie van 18 december 2000 (COMP/M.1863 — Vodafone/BT/Airtel JV, overweging 20).

(13)  Beschikking van de Commissie van 30 juli 1998 (IV/M.1245 — VALEO/ITT Industries, overweging 59); beschikking van de Commissie van 3 maart 1999 (IV/M.1442 — MMP/AFP, overweging 17); beschikking van de Commissie van 9 maart 2001 (COMP/M.2330 — Cargill/Banks, overweging 30); beschikking van de Commissie van 20 maart 2001 (COMP/M.2227 — Goldman Sachs/Messer Griesheim, overweging 11).

(14)  Beschikking van de Commissie van 25 februari 2000 (COMP/M.1841 — Celestica/IBM, overweging 21).

(15)  Beschikking van de Commissie van 30 maart 1999 (IV/JV.15 — BT/AT&T, overwegingen 207-214); beschikking van de Commissie van 22 december 2000 (COMP/M.2243 — Stora Enso/Assidoman/JV, overwegingen 49, 56 en 57).

(16)  Beschikking van de Commissie van 27 juli 1998 (IV/M.1226 — GEC/GPTH, overweging 22); beschikking van de Commissie van 2 oktober 1997 (IV/M.984 — Dupont/ICI, overweging 55); beschikking van de Commissie van 19 december 1997 (IV/M.1057 — Terra Industries/ICI, overweging 16); beschikking van de Commissie van 18 december 1996 (IV/M.861 — Textron/Kautex, overwegingen 19 en 22); beschikking van de Commissie van 7 augustus 1996 (IV/M.727 — BP/Mobil, overweging 50).

(17)  Beschikking van de Commissie van 27 juli 1998 (IV/M.1226 — GEC/GPTH, overweging 24).

(18)  Voor een beding ter bescherming van een deel van de activiteiten die bij de verkoper blijven, zie bijvoorbeeld beschikking van de Commissie van 30 augustus 1993 (IV/M.319 — BHF/CCF/Charterhouse, overweging 16).

(19)  In de zin van artikel 1, lid 1, onder i), van Verordening (EG) nr. 772/2004 van de Commissie van 27 april 2004 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op groepen overeenkomsten inzake technologieoverdracht, PB L 123 van 27.4.2004, blz. 11.

(20)  Zie arrest van het Europees Hof van Justitie in zaak 42/84 (Remia), Jurispr. 1985, blz. 2545, punt 20; arrest van het Gerecht van eerste aanleg in zaak T-112/99 (Métropole Télévision — M6), Jurispr. 2001, blz. II-2459, punt 106.

(21)  Voor uitzonderlijke gevallen waarin langere periodes gerechtvaardigd kunnen zijn, zie bijvoorbeeld beschikking van de Commissie van 1 september 2000 (COMP/M.1980 — Volvo/Renault V.I, overweging 56); beschikking van de Commissie van 27 juli 1995 (IV/M.612 — RWE-DEA/Enichem Augusta, overweging 37); beschikking van de Commissie van 23 oktober 1998 (IV/M.1298 — Kodak/Imation, overweging 74).

(22)  Beschikking van de Commissie van 2 april 1998 (IV/M.1127 — Nestlé/Dalgety, overweging 33); beschikking van de Commissie van 1 september 2000 (COMP/M.2077 — Clayton Dubilier & Rice/Iteltel, overweging 15); beschikking van de Commissie van 2 maart 2001 (COMP/M.2305 — Vodafone Group PLC/EIRCELL, overwegingen 21 en 22).

(23)  Beschikking van de Commissie van 12 april 1999 (IV/M.1482 — KingFisher/Grosslabor, overweging 26); beschikking van de Commissie van 14 december 1997 (IV/M.884 — KNP BT/Bunzl/Wilhelm Seiler, overweging 17).

(24)  Beschikking van de Commissie van 14 december 1997 (IV/M.884 — KNP BT/Bunzl/Wilhelm Seiler, overweging 17); beschikking van de Commissie van 12 april 1999 (IV/M.1482 — KingFisher/Grosslabor, overweging 27); beschikking van de Commissie van 6 april 2001 (COMP/M.2355 — Dow/Enichem Polyurethane, overweging 28); beschikking van de Commissie van 4 augustus 2000 (COMP/M.1979 — CDC/Banco Urquijo/JV, overweging 18).

(25)  Beschikking van de Commissie van 14 december 1997 (IV/M.884 — KNP BT/Bunzl/Wilhelm Seiler, overweging 17); beschikking van de Commissie van 2 maart 2001 (COMP/M.2305 — Vodafone Group PLC/EIRCELL, overweging 22); beschikking van de Commissie van 6 april 2001 (COMP/M.2355 — Dow/Enichem Polyurethane, overweging 28); beschikking van de Commissie van 4 augustus 2000 (COMP/M.1979 — CDC/Banco Urquijo/JV, overweging 18).

(26)  Beschikking van de Commissie van 4 februari 1993 (IV/M.301 — Tesco/Catteau, overweging 14); beschikking van de Commissie van 14 december 1997 (IV/M.884 — KNP BT/Bunzl/Wilhelm Seiler, overweging 19); beschikking van de Commissie van 12 april 1999 (IV/M.1482 — Kingfisher/Grosslabor, overweging 27); beschikking van de Commissie van 6 april 2000 (COMP/M.1832 — Ahold/ICA Förbundet/Canica, overweging 26).

(27)  Vertrouwelijkheidsbedingen betreffende klantgegevens, prijzen en hoeveelheden kunnen derhalve niet worden verlengd. Vertrouwelijkheidsbedingen betreffende technische knowhow daarentegen kunnen in uitzonderlijke gevallen voor langere periodes gerechtvaardigd zijn; zie beschikking van de Commissie van 29 april 1998 (IV/M.1167 — ICI/Williams, overweging 22); beschikking van de Commissie van 30 april 1992 (IV/M.197 — Solvay-Laporte/Interox, overweging 50).

(28)  Met inbegrip van octrooiaanvragen, gebruiksmodellen, aanvragen tot inschrijving van gebruiksmodellen, tekeningen en modellen, topografieën van halfgeleiderproducten, aanvullende beschermingscertificaten voor geneesmiddelen of andere producten waarvoor een dergelijk beschermingscertificaat kan worden verkregen, en kwekerscertificaten (zoals bedoeld in artikel 1, lid 1, onder h), van Verordening (EG) nr. 772/2004.

(29)  In de zin van artikel 1, lid 1, onder i), van Verordening (EG) nr. 772/2004.

(30)  Voorzover dergelijke overeenkomsten onder artikel 81, lid 1, van het EG-Verdrag vallen, kunnen zij niettemin onder Verordening (EG) nr. 772/2004 of onder andere communautaire wetgeving vallen.

(31)  Beschikking van de Commissie van 1 september 2000 (COMP/M.1980 — Volvo/Renault V.I, overweging 54).

(32)  Beschikking van de Commissie van 5 februari 1996 (IV/M.651 — AT&T/Philips, VII.); beschikking van de Commissie van 30 maart 1999 (IV/JV.15 — BT/AT&T, overweging 209); voor uitzonderlijke gevallen, zie beschikking van de Commissie van 13 maart 1995 (IV/M.550 — Union Carbide/Enichem, overweging 99); beschikking van de Commissie van 27 juli 1995 (IV/M.612 — RWE-DEA/Enichem Augusta, overweging 45).

(33)  Conform het evenredigheidsbeginsel zijn verplichtingen die op vaste hoeveelheden betrekking hebben en waaraan een variatieclausule is verbonden in deze gevallen minder concurrentiebeperkend; zie bijvoorbeeld beschikking van de Commissie van 18 september 1998 (IV/M.1292 — Continental/ITT, overweging 19).

(34)  Beschikking van de Commissie van 30 juli 1998 (IV/M.1245 – VALEO/ITT Industries, overweging 64); voor uitzonderlijke gevallen (bv. ontbreken van een markt), zie beschikking van de Commissie van 13 maart 1995 (IV/M.550 — Union Carbide/Enichem, overwegingen 92 tot en met 96); beschikking van de Commissie van 27 juli 1995 (IV/M.612 — RWE-DEA/Enichem Augusta, overwegingen 38 e.v.).

(35)  Beschikking van de Commissie van 15 januari 1998 (IV/M.1042 — Eastman Kodak/Sun Chemical, overweging 40); beschikking van de Commissie van 7 augustus 1996 (IV/M.727 — BP/Mobil, overweging 51); beschikking van de Commissie van 3 juli 1996 (IV/M.751 — Bayer/Hüls, overweging 31); beschikking van de Commissie van 6 april 2000 (COMP/M.1832 — Ahold/ICA Förbundet/Canica, overweging 26).

(36)  Beschikking van de Commissie van 29 augustus 2000 (COMP/M.1913 — Lufthansa/Menzies/LGS/JV, overweging 18); beschikking van de Commissie van 22 december 2000 (COMP/M.2243 — Stora Enso/Assidoman/JV, overweging 49, laatste zin).


5.3.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 56/32


Mededeling van de Commissie betreffende een vereenvoudigde procedure voor de behandeling van bepaalde concentraties krachtens Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad

(2005/C 56/04)

(Voor de EER relevante tekst)

I.   INLEIDING

1.

In deze mededeling wordt een vereenvoudigde procedure beschreven die de Commissie, op grond van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (1) („de EG-concentratieverordening”), voornemens is toe te passen bij de behandeling van bepaalde concentraties die geen mededingingsbezwaren opleveren. Deze mededeling vervangt de mededeling betreffende een vereenvoudigde procedure voor de behandeling van bepaalde concentraties krachtens Verordening (EEG) nr. 4046/89 van de Raad (2). Uit de ervaring die de Commissie heeft opgedaan bij de toepassing van Verordening (EEG) nr. 4064/89 van de Raad van 21 december 1989 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (3), is gebleken dat bepaalde categorieën aangemelde concentraties doorgaans worden goedgekeurd zonder dat zij tot noemenswaardige twijfel aanleiding hebben gegeven, op voorwaarde dat er geen bijzondere omstandigheden waren.

2.

Het doel van deze mededeling is uiteen te zetten onder welke voorwaarden de Commissie meestal een beschikking in verkorte vorm geeft waarbij een concentratie volgens de vereenvoudigde procedure met de gemeenschappelijke markt verenigbaar wordt verklaard en aanwijzingen met betrekking tot de procedure zelf te geven. Indien aan alle in punt 5 van deze mededeling beschreven noodzakelijke voorwaarden is voldaan en voorzover zich geen bijzondere omstandigheden voordoen, zal de Commissie binnen 25 werkdagen vanaf de datum van de aanmelding overeenkomstig artikel 6, lid 1, onder b), van de concentratieverordening (4) een verkorte goedkeuringsbeschikking geven.

3.

Indien echter de in de punten 6 tot en met 11 van deze mededeling genoemde garanties of uitsluitingen van toepassing zijn, kan de Commissie een onderzoek inleiden en/of op grond van de concentratieverordening een volledige beschikking geven.

4.

Met de in de onderstaande delen uiteengezette procedure streeft de Commissie een beter gerichte en doelmatigere communautaire concentratiecontrole na.

II.   VOOR DE TOEPASSING VAN DE VEREENVOUDIGDE PROCEDURE IN AANMERKING KOMENDE CATEGORIEËN CONCENTRATIES

In aanmerking komende concentraties

5.

De Commissie past de vereenvoudigde procedure op de volgende categorieën concentraties toe:

a)

twee of meer ondernemingen verwerven de gezamenlijke zeggenschap over een gemeenschappelijke onderneming, mits de gemeenschappelijke onderneming niet, of slechts in geringe mate, actief is of zal zijn binnen de Europese Economische Ruimte (hierna: „de EER”). Dergelijke gevallen doen zich voor wanneer:

i)

de omzet (5) van de gemeenschappelijke onderneming en/of de omzet van de ingebrachte bedrijfsactiviteiten (6) binnen de EER minder dan 100 miljoen EUR bedraagt, en

ii)

de totale waarde van de aan de gemeenschappelijke onderneming overgedragen activa (7) binnen de EER minder dan 100 miljoen EUR bedraagt (8), of

b)

twee of meer ondernemingen fuseren, of één of meer ondernemingen de uitsluitende of gezamenlijke zeggenschap over een andere onderneming verwerven, mits geen der partijen bij de concentratie bedrijfsactiviteiten verrichten op een productmarkt die stroomopwaarts of stroomafwaarts ligt van een productmarkt waarop een of meer andere partijen bij de concentratie actief zijn (9); of

c)

twee of meer ondernemingen fuseren, of één of meer ondernemingen de uitsluitende of gezamenlijke zeggenschap over een andere onderneming verwerven en:

i)

twee of meer van de partijen bij de concentratie bedrijfsactiviteiten verrichten op dezelfde productmarkt en geografische markt (horizontale banden), mits hun gezamenlijke marktaandeel minder dan 15 % bedraagt; of

ii)

een of meer van de partijen bij de concentratie bedrijfsactiviteiten verrichten op een productmarkt die stroomopwaarts of stroomafwaarts ligt van een productmarkt waarop een andere partij bij de concentratie actief is (verticale banden) (10), mits hun individuele of gezamenlijke marktaandelen op geen van beide niveaus 25 % of meer bedraagt (11);

d)

een partij uitsluitende zeggenschap verwerft over een onderneming waarover zij al gezamenlijke zeggenschap uitoefent.

Garanties en uitsluitingen

6.

Bij de beoordeling van de vraag of een concentratie binnen een van de in punt 5 genoemde categorieën valt, zal de Commissie zich ervan vergewissen of alle relevante omstandigheden voldoende duidelijk zijn vastgesteld. Daar de marktomschrijvingen bij deze beoordeling waarschijnlijk een wezenlijke rol zullen spelen, dienen de partijen in de aan de aanmelding voorafgaande fase gegevens over alle plausibele alternatieve marktomschrijvingen te verstrekken (zie punt 15). Het staat aan de aanmeldende partijen alle alternatieve relevante productmarkten en geografische markten te beschrijven waarop de aangemelde concentratie gevolgen kan hebben, alsmede gegevens en inlichtingen te verstrekken betreffende de bepaling van dergelijke markten (12). De Commissie behoudt de bevoegdheid, op grond van een onderzoek van de feitelijke gegevens van de zaak, in laatste instantie de markt te bepalen. Ingeval de relevante markten of de marktaandelen van de partijen moeilijk kunnen worden bepaald, zal de Commissie de vereenvoudigde procedure niet toepassen. Ook bij concentraties waaraan nieuwe juridische aspecten van algemeen belang verbonden zijn, zal de Commissie doorgaans geen beschikking in verkorte vorm geven maar terugkeren naar een normale eerste fase van de concentratieprocedure.

7.

Al mag doorgaans worden aangenomen dat de onder de in punt 5 genoemde categorieën vallende concentraties geen ernstige twijfel doen rijzen aangaande hun verenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt, toch kunnen er bepaalde situaties zijn die uitzonderlijk toch een nader onderzoek en/of een volledige beschikking noodzakelijk maken. In die gevallen mag de Commissie terugkeren naar een normale eerste fase van de concentratieprocedure.

8.

Hierna volgen, ter illustratie, enkele voorbeelden van zaken die van de vereenvoudigde procedure kunnen worden uitgesloten. Bepaalde soorten concentraties kunnen de marktmacht van de partijen verhogen, bijvoorbeeld doordat technologische, financiële of andere middelen worden samengebracht, zelfs wanneer de partijen bij de concentratie niet op dezelfde markt werkzaam zijn. Ook concentraties waarbij tenminste twee partijen bij de concentratie aanwezig zijn op nauw verbonden naburige markten (13), kunnen voor de vereenvoudigde procedure ongeschikt zijn, in het bijzonder wanneer een of meer partijen bij de concentratie een individueel marktaandeel van tenminste 25 % hebben op een productmarkt waarop tussen de partijen geen horizontale of verticale banden bestaan, maar die een naburige markt is van een markt waarop een andere partij werkzaam is. In andere gevallen is het wellicht niet mogelijk de precieze marktaandelen van de partijen vast te stellen. Dit is dikwijls het geval wanneer de partijen op nieuwe of weinig ontwikkelde markten werkzaam zijn. Concentraties op markten met hoge toetredingsdrempels, met een hoge mate van concentratie (14) of met andere bekende mededingingsproblemen, kunnen eveneens ongeschikt zijn.

9.

Uit de ervaring van de Commissie tot dusver is gebleken dat bij een verschuiving van gezamenlijke naar uitsluitende zeggenschap uitzonderlijk toch een nader onderzoek en/of een volledige beschikking noodzakelijk kan zijn. Bijzondere mededingingsbezwaren kunnen zich voordoen in omstandigheden waarin de vroegere gemeenschappelijke onderneming wordt geïntegreerd in de groep of het net van haar enige overblijvende aandeelhouder met uitsluitende zeggenschap, waardoor de disciplinerende beperkingen als gevolg van mogelijk verschillende prikkels door de verschillende aandeelhouders met zeggenschap, verdwijnen en haar strategische marktpositie kan worden versterkt. Bij voorbeeld in een scenario waarin de ondernemingen A en B gezamenlijke zeggenschap over de gemeenschappelijke onderneming C hebben, kan een concentratie waarbij A uitsluitende zeggenschap over C verkrijgt, mededingingsbezwaren doen rijzen in een situatie waarin C een rechtstreekse concurrent van A is, C en A een aanzienlijke gezamenlijke marktpositie zullen verwerven en de operatie een mate van onafhankelijkheid doet verdwijnen die C voordien had (15). In gevallen waarin dergelijke scenario's nader moeten worden onderzocht, kan de Commissie terugkeren naar een normale eerste fase van de concentratieprocedure (16).

10.

De Commissie kan ook terugkeren naar een normale eerste fase van de concentratieprocedure wanneer noch de Commissie noch de bevoegde autoriteiten in de lidstaten de eerdere verwerving van gezamenlijke zeggenschap over de betrokken gemeenschappelijke onderneming hebben onderzocht.

11.

Voorts kan de Commissie ook terugkeren naar een normale eerste fase van de concentratieprocedure in gevallen waarin door coördinatie moeilijkheden kunnen rijzen als bedoeld in artikel 2, lid 4, van de EG-concentratieverordening.

12.

Wanneer een lidstaat binnen 15 werkdagen vanaf de ontvangst van het afschrift van de aanmelding gegronde bezwaren heeft gemaakt betreffende een aangemelde concentratie of, indien een derde partij gegronde bezwaren heeft gemaakt, binnen de termijn die voor dergelijke opmerkingen is vastgesteld, zal de Commissie een volledige beschikking geven. De in artikel 10, lid 1, van de EG-concentratieverordening bedoelde termijnen zijn van toepassing.

Verzoeken tot verwijzing

13.

De vereenvoudigde procedure wordt niet toegepast wanneer een lidstaat krachtens artikel 9 van de EG-concentratieverordening om verwijzing van een aangemelde concentratie verzoekt of wanneer de Commissie met een verzoek van een of meer lidstaten instemt om een aangemelde concentratie overeenkomstig artikel 22 van de EG-concentratieverordening te verwijzen.

Verwijzing vóór aanmelding op verzoek van de aanmeldende partijen

14.

Onder de in deze mededeling genoemde garanties en uitsluitingen kan de Commissie de vereenvoudigde procedure toepassen op concentraties waarbij:

i)

de Commissie, na een gemotiveerde kennisgeving overeenkomstig artikel 4, lid 4, van de EG-concentratieverordening, besluit de zaak niet naar een lidstaat te verwijzen; of

ii)

de zaak na een gemotiveerde kennisgeving overeenkomstig artikel 4, lid 5, van de EG-concentratieverordening naar de Commissie wordt verwezen.

III.   PROCEDURELE BEPALINGEN

Aan de aanmelding voorafgaande contacten

15.

De Commissie heeft ondervonden dat, zelfs in zaken die ogenschijnlijk geen moeilijkheden opleveren, aan de aanmelding voorafgaande contacten zowel voor de aanmeldende partijen als voor de Commissie bijzonder nuttig zijn (17). Uit de ervaring van de Commissie met de vereenvoudigde procedure is gebleken dat zaken die voor een vereenvoudigde procedure in aanmerking komen, ingewikkelde vragen kunnen doen rijzen, bijvoorbeeld met betrekking tot de bepaling van de markt (zie punt 6), die bij voorkeur in de fase vóór de aanmelding moeten worden opgelost. Dergelijke contacten bieden de Commissie en de aanmeldende partijen de mogelijkheid de precieze hoeveelheid gegevens vast te stellen die in de aanmelding moeten worden verstrekt. Contacten vóór de aanmelding moeten tenminste twee weken vóór het verwachte tijdstip van aanmelding aanvangen. Het verdient daarom aanbeveling dat de aanmeldende partijen vóór de aanmelding contact opnemen, in het bijzonder wanneer zij de Commissie verzoeken hen op grond van artikel 3, lid 1, van Verordening (EG) nr.802/2004 van de Commissie van 7 april 2004 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (18) te ontslaan van de verplichting tot volledige aanmelding, omdat de aan te melden operatie geen mededingingsbezwaren doet rijzen.

Bekendmaking van het feit van de aanmelding

16.

Het bericht dat zodra een aanmelding is ontvangen in het Publicatieblad van de Europese Unie wordt bekendgemaakt (19), omvat de namen van de partijen bij de concentratie, hun land van herkomst, de aard van de concentratie en de betrokken bedrijfstakken, alsmede de vermelding dat de concentratie op grond van de door de aanmeldende partij verstrekte gegevens, voor een vereenvoudigde procedure in aanmerking kan komen. Belanghebbende derden zullen vervolgens in de gelegenheid worden gesteld opmerkingen te maken, met name over omstandigheden die mogelijk nader onderzoek vergen.

Beschikking in verkorte vorm

17.

Wanneer de Commissie zich ervan heeft vergewist, dat de concentratie voor de vereenvoudigde procedure in aanmerking komt (zie punt 5), geeft zij normaal een beschikking in verkorte vorm. Deze omvat de passende gevallen waarvoor zij een volledige aanmelding heeft ontvangen, maar die niet tot mededingingsbezwaren aanleiding geven. De concentratie zal aldus, overeenkomstig artikel 10, leden 1 en 6, van de EG-concentratieverordening, binnen 25 werkdagen vanaf de datum van aanmelding met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard. De Commissie tracht een beschikking in verkorte vorm te geven zo snel als dit doenbaar is na het verstrijken van de periode van 15 werkdagen waarin lidstaten, overeenkomstig artikel 9 van de EG-concentratieverordening, om verwijzing van een aangemelde concentratie kunnen verzoeken. Binnen de termijn van 25 werkdagen behoudt de Commissie evenwel de mogelijkheid naar de normale eerste fase van de concentratieprocedure terug te keren en, derhalve, een onderzoek in te leiden en/of een volledige beschikking te geven, zo zij dit in de betrokken zaak dienstig acht.

Bekendmaking van de beschikking in verkorte vorm

18.

Evenals bij uitgebreide goedkeuringsbeschikkingen zal de Commissie in het Publicatieblad van de Europese Unie bekend maken dat de beschikking is gegeven. De openbare versie van de beschikking zal gedurende een korte tijd op de website van het directoraat-generaal Concurrentie beschikbaar zijn. De beschikking in verkorte vorm zal de gegevens over de aangemelde concentratie bevatten welke bij de aanmelding in het Publicatieblad zijn bekendgemaakt (namen van de partijen, hun land van herkomst, aard van de concentratie en betrokken bedrijfstakken), alsmede een verklaring dat de concentratie met de gemeenschappelijke markt verenigbaar is verklaard, omdat zij binnen één of meer categorieën valt die in de onderhavige mededeling zijn genoemd. Hierbij wordt of worden de toepasselijke categorie of categorieën uitdrukkelijk aangegeven.

IV.   NEVENBEPERKINGEN

19.

De vereenvoudigde procedure is niet geschikt voor zaken waarin de betrokken ondernemingen verzoeken om een uitdrukkelijke beoordeling van beperkingen die rechtstreeks verband houden met en noodzakelijk zijn voor de totstandbrenging van de concentratie.


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1.

(2)  PB C 217 van 29.7.2000, blz. 32.

(3)  PB L 395 van 30.12.1989, blz. 1, gerectificeerd in PB L 257 van 21.9.1990, blz. 13.

(4)  De aanmeldingsvereisten zijn uiteengezet in de bijlagen I en II bij Verordening (EG) nr. 802/2004 van de Commissie tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad betreffende de controle op concentraties van ondernemingen.

(5)  De omzet van de gemeenschappelijke onderneming moet worden bepaald aan de hand van de recentste, gecontroleerde jaarrekeningen van de moedermaatschappijen of van de gemeenschappelijke onderneming zelf, afhankelijk van de vraag of voor de in de gemeenschappelijke onderneming samengevoegde activiteiten afzonderlijke jaarrekeningen beschikbaar zijn.

(6)  De woorden „en/of” doelen op de uiteenlopende situaties die in aanmerking kunnen komen, bijvoorbeeld:

bij de gezamenlijke overname van een doelvennootschap is de in aanmerking te nemen omzet die van de doelvennootschap (de gemeenschappelijke onderneming);

bij de oprichting van een gemeenschappelijke onderneming waarin de moedermaatschappijen hun bedrijfsactiviteiten inbrengen, is de in aanmerking te nemen omzet die van de ingebrachte bedrijfsactiviteiten;

wanneer zich bij de ondernemingen die zeggenschap over een bestaande gemeenschappelijke onderneming hebben, een onderneming voegt die daartoe voordien niet behoorde, moeten de omzet van de gemeenschappelijke onderneming en de omzet van de door de nieuwe moedermaatschappij ingebrachte bedrijfsactiviteiten (indien een dergelijke inbreng gebeurt) in aanmerking worden genomen.

(7)  De totale waarde van de activa van de gemeenschappelijke onderneming moet worden bepaald aan de hand van de laatste regelmatig opgestelde en goedgekeurde balans van elke moedermaatschappij. Onder „activa” moet worden verstaan: 1) alle materiële en immateriële activa die aan de gemeenschappelijke onderneming zullen worden overgedragen (tot de materiële activa behoren onder meer de productie-installaties, de afzetvoorzieningen voor groot- en kleinhandel en de voorraden; tot de immateriële activa behoren onder meer intellectuele-eigendomsrechten en goodwill), en 2) alle leningen of verplichtingen van de gemeenschappelijke onderneming die een moedermaatschappij van de gemeenschappelijke onderneming heeft aanvaard te verstrekken of te waarborgen.

(8)  Wanneer de overgedragen activa omzet voortbrengen, mag noch de waarde van de activa noch de omzet meer dan 100 miljoen EUR bedragen.

(9)  Zie de bekendmaking van de Commissie inzake de bepaling van de relevante markt voor het gemeenschappelijke mededingingsrecht (PB C 372 van 9.12.1997, blz. 5).

(10)  Zie noot 6.

(11)  Dit houdt in dat alleen concentraties die geen gevolgen hebben voor de betrokken markten in de zin van rubriek 6.III van formulier CO, tot deze categorie behoren. De drempels voor horizontale en verticale banden gelden voor de marktaandelen op zowel nationaal als EER-niveau en op elke plausibele alternatieve productmarktomschrijving waarmee in een bepaalde zaak eventueel rekening dient te worden gehouden. Het is belangrijk dat de onderliggende marktomschrijvingen welke in de aanmelding zijn uiteengezet, voldoende precies zijn om de beoordeling te rechtvaardigen dat deze drempels niet worden bereikt, en dat alle plausibele alternatieve marktomschrijvingen worden vermeld (waaronder geografische markten die enger zijn dan nationale markten).

(12)  Evenals bij alle andere aanmeldingen kan de Commissie de beschikking in verkorte vorm intrekken wanneer deze berust op onjuiste gegevens waarvoor een van de betrokken ondernemingen verantwoordelijk is (artikel 6, lid 3, onder a), van de concentratieverordening).

(13)  Productmarkten zijn nauw verbonden naburige markten wanneer de producten onderling complementair zijn of wanneer zij tot hetzelfde soort producten behoren die doorgaans door hetzelfde soort afnemers voor hetzelfde eindgebruik worden afgenomen.

(14)  Zie de richtsnoeren voor de beoordeling van horizontale fusies op grond van de Verordening van de Raad inzake de controle op concentraties van ondernemingen, PB C 31 van 5.2.2004, blz. 5, punten 14-21.

(15)  Zaak nr. IV/M.1328 KLM/Martinair, XXIX Verslag over het mededingingsbeleid 1999 — SEC(2000) 720 definitief, punten 165-166.

(16)  Beschikking van de Commissie van 18.9.2002 in zaak nr. COMP/M.2908 Deutsche Post/DHL (II).

(17)  Zie in dit verband de goede praktijken („DG Competition Best Practices on the conduct of EC merger control proceedings”) die zijn te vinden op:

http://europa.eu.int/comm/competition/mergers/legislation/regulation/best_practices.pdf.

(18)  PB L 133 van 30.4.2004, blz. 1.

(19)  Artikel 4, lid 3, van de EG-concentratieverordening.


5.3.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 56/36


Herziene aantekeningen bij bijlage III — Omschrijving van het begrip „producten van oorsprong” en regelingen voor administratieve samenwerking — bij de overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Chili, anderzijds

(2005/C 56/05)

Artikel 17 — Technische redenen

Een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 kan om „technische redenen” worden geweigerd wanneer het niet volgens de regels is opgesteld. In bepaalde gevallen kan een achteraf geviseerd certificaat worden voorgelegd, bijvoorbeeld in de volgende gevallen:

het EUR.1-certificaat is niet op het voorgeschreven formulier opgesteld (bijv. het formulier heeft geen geguillocheerde ondergrond; het wijkt duidelijk af, wat afmetingen of kleur betreft, van het voorgeschreven model; het volgnummer ontbreekt; het is in een niet-toegelaten taal gedrukt);

een verplicht in te vullen vak is niet ingevuld (bijv. vak 4), met uitzondering van vak 8;

de afwezigheid van stempel en ondertekening (bijv. vak 11);

visering door een niet-gemachtigde instantie;

visering met behulp van een nieuw, nog niet doorgegeven stempel;

voorlegging van een kopie of fotokopie in plaats van het origineel;

in vak 5 is een land vermeld dat geen partij is bij de overeenkomst (bijv. Israël of Cuba).

Te volgen handelwijze

Het certificaat wordt van de vermelding „DOCUMENT GEWEIGERD” voorzien, onder opgave van de reden(en) van de weigering, en aan de importeur teruggezonden zodat deze om de afgifte achteraf van een nieuw certificaat kan verzoeken. De douane kan een kopie of fotokopie van het geweigerde certificaat bewaren met het oog op een controle achteraf of indien zij redenen heeft om aan te nemen dat er sprake is van fraude.

Artikel 31 — Weigering van de preferentiële behandeling zonder verificatie

Soms moet het bewijs van oorsprong als niet van toepassing worden beschouwd, onder meer om de volgende redenen:

het vak „Omschrijving van de goederen” (vak 8 van het EUR.1-certificaat) is niet ingevuld of heeft betrekking op andere dan de aangeboden goederen;

het bewijs van de oorsprong is afgegeven door een land dat geen partij is bij de overeenkomst, zelfs indien het goederen betreft van oorsprong uit de Gemeenschap of Chili (bijv. afgifte van een EUR.1-certificaat door Israël voor goederen van oorsprong uit Chili);

een verplicht in te vullen vak van het EUR.1-certificaat (bijv. „Omschrijving van de goederen”, „Aantal colli”, „Land van bestemming”, „Land van oorsprong”) vertoont sporen van niet-gewaarmerkte raderingen of wijzigingen;

de geldigheidstermijn van het EUR.1-certificaat is om andere redenen verstreken dan die welke in de wetgeving zijn voorzien (bijv. buitengewone omstandigheden), tenzij de goederen voor het verstrijken van de geldigheidsduur van het certificaat werden aangeboden;

het oorsprongsbewijs wordt achteraf voorgelegd voor goederen die aanvankelijk op frauduleuze wijze werden ingevoerd;

in vak 4 van het EUR.1-certificaat is een land vermeld dat geen partij is bij de overeenkomst op grond waarvan de preferentiële behandeling wordt aangevraagd.

Te volgen handelwijze

Het bewijs van de oorsprong wordt van de vermelding „NIET VAN TOEPASSING” voorzien en bewaard door de douaneadministratie waarbij het werd aangeboden, om te voorkomen dat getracht zal worden het opnieuw te gebruiken.

Onverminderd eventuele gerechtelijke maatregelen overeenkomstig het nationale recht, stellen de douaneautoriteiten van het land van invoer de douaneautoriteiten of bevoegde overheidsinstanties van het land van uitvoer terstond van de weigering in kennis, indien zij zulks dienstig achten.

Vermeldingen als bedoeld in de aantekeningen bij de artikelen 17 en 31

CZ

DOKUMENT NEAKCEPTOVÁN

NEPOUŽITELNÝ

DA

AFVIST DOKUMENT

UANVENDELIGT

DE

DOKUMENT NICHT ANGENOMMEN

NICHT ANWENDBAR

EE

DOKUMENTI EI AKTSEPTEERITUD

AKTSEPTEERIMATA

EL

ΑΠΟΡΡΙΠΤΕΤΑΙ

ΜΗ ΑΠΟΔΕΚΤΟ

EN

DOCUMENT NOT ACCEPTED

INAPPLICABLE

ES

DOCUMENTO RECHAZADO

INAPLICABLE

HU

NEM ELFOGADOTT OKMÁNY

ALKALMATLAN

FI

ASIAKIRJA HYLÄTTY

EI VOIDA KÄYTTÄÄ

FR

DOCUMENT REFUSÉ

INAPPLICABLE

IT

DOCUMENTO RESPINTO

INAPPLICABILE

NL

DOCUMENT GEWEIGERD

NIET VAN TOEPASSING

LT

DOKUMENTAS NEPRIIMTAS

NETINKAMAS

LV

DOKUMENTS NAV AKCEPTÉTS

NEDERIGS

MT

DOKUMENT MHUX AĊĊETTAT

MHUX APPLIKABBLI

PL

DOKUMENT NIEZAAKCEPTOWANY

NIESTOSOWANY

PT

DOCUMENTO RECUSADO

NÃO APLICÁVEL

SE

EJ GODTAGET DOKUMENT

OANVÄNDBART

SI

DOKUMENT NI SPREJET

NEUSTREZNO

SK

DOKUMENT NEPRIJATÝ

NEPOUŽITEĽNÝ


5.3.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 56/38


STAATSSTEUNMAATREGELEN — VERENIGD KONINKRIJK

Staatssteunmaatregel nr. C 42/2004 (ex N 350/2004) — Fiscale afschrijving voor de renovatie van bedrijfspanden — Verenigd Koninkrijk

Uitnodiging overeenkomstig artikel 88, lid 2 van het EG-Verdrag om opmerkingen te maken

(2005/C 56/06)

(Voor de EER relevante tekst)

De Commissie heeft het Verenigd Koninkrijk bij schrijven van 1 december 2004, dat na deze samenvatting in de authentieke taal is weergegeven, in kennis gesteld van haar besluit tot inleiding van de procedure van artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag ten aanzien van de bovengenoemde steunmaatregel.

Belanghebbenden kunnen hun opmerkingen over de betrokken steunmaatregel ten aanzien waarvan de Commissie de procedure inleidt, maken door deze binnen één maand vanaf de datum van deze bekendmaking te zenden aan:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Concurrentie

Griffie staatssteun

B-1049 Brussel

Fax (32-2) 296 12 42.

Deze opmerkingen zullen ter kennis van het Verenigd Koninkrijk worden gebracht. Een belanghebbende die opmerkingen maakt, kan, met opgave van redenen, schriftelijk verzoeken om vertrouwelijke behandeling van zijn identiteit.

TEKST VAN DE SAMENVATTING

Bij brief van 6 augustus 2004, bij de Commissie geregistreerd op 10 augustus 2004, hebben de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk de regeling inzake de fiscale afschrijving voor de renovatie van bedrijfspanden aangemeld.

Beschrijving van de regeling

Krachtens de regeling krijgen de in aanmerking komende bedrijven (eigenaars/huurders) het recht op fiscale afschrijving met betrekking tot de investeringen die zij verrichten voor de renovatie of verbouwing van bedrijfspanden die sinds een jaar of langer hebben leeggestaan en zich bevinden in een van de 2000 door het Verenigd Koninkrijk aangewezen benadeelde gebieden van het land, teneinde deze panden opnieuw op productieve wijze in gebruik te nemen.

De regeling heeft het karakter van staatssteun

In dit stadium van de procedure meent de Commissie dat de maatregel staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag vormt.

Overwegingen met betrekking tot de procedure

Het Verenigd Koninkrijk heeft voldaan aan de procedurevereisten van artikel 88, lid 3, van het EG-Verdrag door bovenvermelde steunregeling aan te melden alvorens deze ten uitvoer te leggen.

Beoordeling van de verenigbaarheid van de steunmaatregel

De aftrek wordt toegestaan voor de investeringen die werden verricht voor de renovatie of de verbouwing van in aanmerking komende bedrijfspanden in de vastgestelde benadeelde gebieden om er op productieve wijze gebruik van te maken. De aangemelde regeling is op de eerste plaats gericht op investeringen. Krachtens de richtsnoeren inzake regionale steun kan investeringssteun in benadeelde gebieden verenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt, maar alleen indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan.

Op basis van een eerste beoordeling concludeerde de Commissie dat de voorgenomen regeling niet in het toepassingsgebied van de bestaande richtsnoeren, kaderregelingen of verordeningen valt. De regeling inzake de fiscale afschrijving voor de renovatie van bedrijfspanden geldt voor benadeelde gebieden waarvoor tot op heden geen richtsnoeren of kaderregelingen bestaan.

Derhalve moet worden nagegaan of de aangemelde regeling in aanmerking komt voor een van de uitzonderingsbepalingen van artikel 87, lid 3, van het EG-Verdrag. Om dit te doen, is de Commissie nagegaan of de door het Verenigd Koninkrijk voorgenomen maatregel noodzakelijk is, in verhouding staat tot de vermelde doelstelling en de concurrentie niet zodanig vervalst dat het algemene belang wordt geschaad.

In het verleden heeft de Commissie kenbaar gemaakt dat zij van oordeel is dat de sanering van oude bedrijfsterreinen bijdraagt tot belangrijke Gemeenschapsdoelstellingen. Volgens de Commissie kan de renovatie of verbouwing van lege bedrijfspanden om er opnieuw productief gebruik van te maken, zoals het Verenigd Koninkrijk door middel van de aangemelde maatregel heeft voorgesteld, ook worden beschouwd als een saneringsmaatregel en zou zij derhalve in het algemeen bijdragen tot Gemeenschapsdoelstellingen.

In dit stadium meent de Commissie evenwel dat een bijkomende analyse vereist is om de geschiktheid en evenredigheid van de aangemelde regeling te beoordelen. Dit wordt gestaafd door de volgende feiten:

Volgens door de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk verstrekte gegevens wordt 85 % van alle relevante uitgaven in het Verenigd Koninkrijk verricht door grote ondernemingen en slechts 15 % door KMO's. Hoewel de regeling openstaat voor alle ondernemingen ongeacht hun grootte, zullen vooral de grote ondernemingen van deze regeling profiteren.

De autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk hebben evenwel verklaard dat zelfs in de gevallen waarin grote ondernemingen eigenaar zijn van de bedrijfspanden, de KMO's niettemin indirect van de maatregel zouden kunnen profiteren aangezien zij vaak bedrijfspanden van grote ondernemingen huren. Dit wordt bevestigd door de door het Verenigd Koninkrijk verstrekte gegevens waaruit blijkt dat van de nieuwe huurovereenkomsten voor bedrijfspanden die meer dan een jaar leeg stonden, 31 % door grote ondernemingen en 69 % door KMO's werden gesloten. Voor de volgens de definitie van het Verenigd Koninkrijk meest benadeelde gebieden is dit respectievelijk 26 % voor grote ondernemingen en 74 % voor KMO's.

De Commissie merkt op dat de aangemelde maatregel niet beperkt is tot kleine en middelgrote ondernemingen in de zin van de door de Commissie vastgestelde definitie. Bovendien merkt de Commissie op dat de regeling niet beperkt is tot steungebieden overeenkomstig artikel 87, lid 3, onder a) of c) van het EG-Verdrag.

Het feit dat de aangemelde maatregel bestemd is voor de door het Verenigd Koninkrijk vastgestelde 2 000 meest benadeelde gebieden van het land doet hetzelfde probleem rijzen als in het geval van de regeling inzake de vrijstelling van zegelrecht. Hier wordt afgeweken van de normale praktijk van de Commissie bij de behandeling van regionale steun. De Commissie meent nog steeds dat een dergelijke afwijking gerechtvaardigd moet worden om te vermijden dat begunstigden in gebieden die geen steungebieden zijn overeenkomstig artikel 87, lid 3, onder a) en/of onder c), een onevenredig economisch voordeel krijgen waardoor de handelsvoorwaarden op zodanige wijze negatief worden beïnvloed dat het algemeen belang wordt geschaad.

Voorts legde de Commissie bij de goedkeuring van de regeling inzake de vrijstelling van het zegelrecht op basis van de specifieke verdienste van deze regeling, een aantal voorwaarden op. De Commissie besloot onder andere dat er voor toezicht moest gezorgd worden en dat de gunstige effecten van de maatregel op de materiële rehabilitatie, en met name op de sanering van oude bedrijfsterreinen, moesten worden aangetoond. De Commissie heeft tot dusver nog geen enkele ex-post analyse ontvangen op grond waarvan zij de gunstige gevolgen van de regeling kan beoordelen.

Hoewel de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk beweren dat de gemiddelde steunintensiteit tussen 9 % en 10 % netto zou bedragen, kunnen de maximale steunintensiteiten krachtens de aangemelde maatregel tot 40 % netto in het geval van bedrijven zonder rechtspersoonlijkheid en tot 30 % netto in het geval van ondernemingen belopen.

Na een eerste voorlopige beoordeling van de maatregel betwijfelt de Commissie derhalve of de door het Verenigd Koninkrijk voorgenomen maatregel in verhouding staat tot de doelstelling ervan en de concurrentie niet zodanig vervalst dat het algemene belang wordt geschaad. De Commissie is van mening dat een grondiger onderzoek van dit complexe vraagstuk noodzakelijk is. De Commissie wil informatie verzamelen van andere belanghebbenden. Hiertoe moet de Commissie om juridische redenen de procedure van artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag inleiden. Alleen op basis van dergelijke opmerkingen kan de Commissie bepalen of deze steun noodzakelijk is en hij de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt, niet zodanig beïnvloedt dat het algemeen belang wordt geschaad.

TEKST VAN DE BRIEF

„The Commission wishes to inform the United Kingdom that, having examined the information supplied by your authorities on the aid measure referred to above, it has decided to initiate the procedure laid down in Article 88(2) of the EC Treaty.

1.   PROCEDURE

1.

By letter dated 6 August 2004, registered by the Commission on 10 August 2004, the UK authorities notified a scheme providing qualifying businesses with favourable depreciation allowances (called „capital allowances”) in respect of the capital costs the owners or occupiers actually incur in renovating or converting business premises that have been vacant for a year or longer and that are situated in designated disadvantaged areas. A request for information aiming at clarifying some points of the notification was sent on 2 September 2004 (D/56282). The UK authorities replied by letter dated 4 October 2004. The latter was registered by the Commission on 18 October 2004 (A/37971).

2.   DESCRIPTION OF THE AID MEASURE

2.   Aim of the measure

The aim of the measure is to foster physical, economic and social regeneration of so-called pockets of deprivation (1), to support the redevelopment of brownfield sites, to increase private investment, enterprise and employment in the UK's most deprived communities by means of bringing empty for a year or longer-term derelict shops or business property back into productive use. Such scheme is part of the UK Government's integrated approach to tackling the range of regeneration market failures that its most deprived communities face.

3.   The form and nature of the aid

The notified aid takes the form of capital allowances. Capital allowances enable the capital costs, which a business actually incurs in the renovation or the conversion of empty or derelict for a year or longer business premises in order to bring them back into productive use, to be written off against a business's taxable profits. They take the place of depreciation charged in the commercial accounts, which is not allowed for tax purposes. The notified measure would provide the 100 % first year allowance (FYA) and 25 % writing-down allowance (WDA) for capital expenditure on renovating vacant commercial buildings, so the relief would be available for:

(a)

expenditure that already qualifies for allowances under the plant and machinery regime (at 25 % WDAs per annum or 40 % FYAs (2)) or under the industrial building regime (at 4 % WDAs per annum); and

(b)

expenditure that does not currently qualify for any relief, for example, expenditure on alterations to the fabric of non-industrial, commercial buildings (shops, offices).

In the case of expenditure falling under head (b), the notified measure would therefore constitute a new relief (at 100 % FYAs and 25 % WDAs per annum), as currently commercial buildings do not qualify for capital allowances. In the case of expenditure falling under head (a), the effect of the measure would be the increased rate of allowance.

The new relief, according to the UK authorities, would operate mainly as a tax deferment benefit and only partly as a potential new relief against a business's taxable profits.

4.   Eligible costs and aid intensity

To be eligible for the BPRA scheme, the empty premises would have to have lain unused for a year or longer and must be situated in one of the 2 000 designated most deprived areas of the UK — the so-called „designated disadvantaged areas”.

5.   Geographical coverage of the scheme

The „designated disadvantaged areas in the UK”, on which the notified BPRA is targeted, have been selected on the basis of the „indices of multiple deprivation (IMD)” developed for each of four regions of the UK. This is a combined index covering six domains of deprivation (income, employment, health, education, housing and access to services). The analysis has been applied at a very low geographical level (i.e. at the level of electoral wards, divisions or postcodes). The present list of eligible areas has been set out in „The Stamp Duty (Disadvantaged Areas) Regulations 2001”.

6.   Beneficiaries

The scheme applies to undertakings of any size and operating in any sector of the economy.

7.   Budget of the scheme

The estimated overall revenue losses, due to tax concessions for the five year period of the scheme, are about GBP 135 million (ca. EUR 205 million).

8.   Legal basis of the scheme

Primary legislation:

Capital allowances: renovation of business premises in disadvantaged areas („Business Premises Renovation Allowances (BPRA)”) — when enacted, this legislation will be inserted into Capital Allowances Act 2001.

Secondary legislation:

SI 3747/2001 The Stamp Duty (Disadvantaged Areas) Regulations.

9.   Duration of the scheme

2005 — 2010

3.   ASSESSMENT OF THE AID MEASURE

10.

In accordance with Article 6(1) of Council Regulation (EC) No 659/1999 of 22 March 1999, the decision to initiate proceedings shall summarise the relevant issues of fact and law, shall include a preliminary assessment from the Commission as to the aid character of the proposed measure, and shall set out the doubts as to its compatibility with the common market.

11.   Procedure

The UK authorities have complied with the procedural requirements of Article 88(3) of the EC Treaty by notifying the abovementioned aid scheme before putting it into effect.

12.   The existence of aid

The Commission considers, at this stage of the procedure, that the measure constitutes State aid within the meaning of Article 87(1) of the EC Treaty, and this for the following reasons:

State resources are involved because tax is foregone.

The measure is selective because it is targeted upon particular geographical areas.

The measure will reduce the costs for companies investing in the renovation or the conversion into productive use of empty or derelict business premises in the eligible areas. It will therefore provide an advantage to such companies over other companies investing in other areas, and therefore not receiving the exemption.

Because capital allowances apply to all business premises which have been renovated or converted into productive use in the designated areas it will, among others, inevitably benefit undertakings which are engaged in inter-State trade, or in a business sector in which there is inter-State trade. Furthermore, the scheme does not provide that the limits laid down in Council Regulation (EC) No 69/2001 of 12 January 2001 on the application of Articles 87 and 88 of the EC Treaty to de minimis aid will be respected. Accordingly, the new exemption may give rise to aid which affects competition in inter-State trade.

13.   Exemption grounds

(a)

Article 87(2) of the EC Treaty lists certain types of aid that are compatible with the EC Treaty. In view of the nature and purpose of the aid, and the geographical coverage of the scheme, the Commission considers, at this stage of the analysis, that the subparagraphs (a), (b) and (c) are not applicable to the measure in question.

(b)

Article 87(3) of the EC Treaty specifies other forms of aid, which may be regarded as compatible with the common market. In view of the nature and purpose of the aid measure and its geographical scope, the Commission considers, at this stage of the investigation, that the subparagraphs (a), (b), (d) and (e) of Article 87(3) are not applicable either.

(c)

In the notification the UK authorities appear to agree with the above analysis and suggest that the question is whether the aid measure is compatible with the common market on the basis that it will facilitate the development of certain economic areas and it will not adversely affect trading conditions to an extent contrary to the common interest (Article 87(3)(c) of the EC Treaty).

(d)

The coverage of the notified measure is not limited to small and medium-sized enterprises (SMEs), nor to firms in difficulty, nor to any one of the following activities: R&D, environmental protection, training, the creation or maintenance of employment. Therefore, the Commission considers, at this stage of the analysis, that the notified measure can not be declared compatible with the common market on the basis of its conformity with any of the following regulations, frameworks or guidelines:

Community guidelines on State aid for rescuing and restructuring firms in difficulty (OJ C 244, 1.10.2004, p. 2);

Community framework for State aid for research and development (OJ C 45, 17.2.1996, p. 5 and OJ C 111, 8.5.2002, p. 3);

Commission Regulation (EC) No 68/2001 of 12 January 2001 on the application of Articles 87 and 88 of the EC Treaty to training aid (OJ L 10, 13.1.2001, p. 20) and Commission Regulation (EC) No 363/2004 of 25 February 2004 amending Regulation (EC) No 68/2001 on the application of Articles 87 and 88 of the EC Treaty to training aid (OJ L 63, 28.2.2004, p. 20);

Commission Regulation (EC) No 2204/2002 of 12 December 2002 on the application of Articles 87 and 88 of the EC Treaty to State aid for employment (OJ L 337, 13.12.2002, p. 3).

(e)

The notified scheme could not be declared compatible with Commission Regulation (EC) No 70/2001 of 12 January 2001 on the application of Articles 87 and 88 of the EC Treaty to State aid to small and medium-sized enterprises (OJ L 10, 13.1.2001, p. 33) and Commission Regulation (EC) No 364/2004 of 25 February 2004 amending Regulation (EC) No 70/2001 as regards the extension of its scope to include aid for research and development (OJ L 63, 28.2.2004, p. 22) either. In order for the aid to be in line with the provisions of the latter Regulations, it should be directed exclusively to SMEs respecting the foreseen maximum aid intensity. The scheme is not restricted to SMEs. Moreover, according to the data provided by the UK authorities, 85 % of all capital expenditure in the UK is undertaken by larger businesses and 15 % by SMEs. Thus, although the scheme would be open for all enterprises, regardless of their size, it seems that the real immediate beneficiaries of the BPRA will mainly be large businesses.

(f)

In the notification the UK authorities indicate that the aim of the measure is twofold: to promote the regional development and the environmental protection of disadvantaged areas in the UK. With regards to the environmental protection objective, the scheme cannot be assessed on the basis of the Community guidelines on State aid for environmental protection (OJ C 37, 3.2.2001, p. 3):

The measures cannot be qualified as any action designed to remedy or to prevent damage or to encourage the efficient use of the resources as defined in point 6 of the abovementioned guidelines.

The investments concerned cannot be qualified as strictly necessary in order to meet environmental objectives intended to reduce or eliminate pollution and nuisances or for the rehabilitation of polluted industrial sites as defined respectively in points 36 and in 38 of the environmental protection guidelines.

The measures cannot satisfy the rules applicable to operating aid in the form of tax reductions as defined in point E.3.2.

(g)

The primary objective of the measure, as indicated by the UK authorities, is to promote the regional development. Therefore, the Commission has examined the compatibility of the measure on the basis of the Guidelines on national regional aid (OJ C 74, 10.3.1998, p. 9), hereinafter referred to as the „regional aid guidelines”. The results of this analysis are presented below.

14.   Conformity with the regional aid guidelines

The capital allowances are granted in relation to the capital costs occurred for renovating or converting into productive use qualifying business premises in the designated disadvantaged areas. In its notification the UK authorities argue correctly that the notified scheme is therefore primarily focussed on investment. According to the regional aid guidelines, aid for investment in disadvantaged areas may be compatible with the common market, but only if certain conditions are satisfied. At this stage of the examination, the Commission has doubts whether the notified scheme respects the conditions set out in these guidelines:

14(1)

By letter No SG(2000) D/106293 of 17 August 2000, the Commission approved the UK regional aid map for the period 2000 to 2006 (N 265/2000). The map defines the areas eligible for national regional aid under the derogations of Article 87(3)(a) and (c) of the EC Treaty. The Article 87(3)(a) EC Treaty regions included in the map were defined on the basis of EU-wide criteria (NUTS level II regions with a GDP per capita in PPS lower than 75 % of the Community average). The Article 87(3)(c) EC Treaty areas were selected on the basis of geographical units and social and economic indicators, proposed by the UK authorities themselves. The business premises capital allowances will apply to costs qualifying as capital assets occurred for renovation or conversion into productive use of business premises situated in the so-called „designated disadvantaged areas”, which have been defined on the basis of different geographical units and indicators (see point 5 above). The result of this approach is that a number of areas eligible under the notified measure does not fall within the areas eligible for regional aid as defined in the present UK regional aid map.

14(2)

Although the Commission has already dealt with this issue in the State aid C 13/2002 Stamp duty exemption for non-residential property in disadvantaged areas  (3), being the latter scheme targeted precisely on the same disadvantaged areas, doubts whether the geographical coverage of the business premises capital allowances is compatible with the regional aid guidelines persist. The concern is still based on the fact that the approval of the scheme, including the list of „designated disadvantaged areas” would in effect lead to a widening of the UK regional aid map. In turn, this would undermine the concentration of regional aid areas, which is a leading principle of the Community's regional aid policy (4).

14(3)

In order for the aid to be acceptable in assisted areas, it has to promote the development of the less-favoured regions by supporting either initial investment to establishments located in regions eligible for regional aid or job creation that is linked to investment (5). Initial investment is defined in point 4.4 of the guidelines as „an investment in fixed capital relating to the setting-up of a new establishment, the extension of an existing establishment, or the starting-up of an activity involving a fundamental change in the product or production process of an existing establishment (through rationalisation, diversification or modernisation).” The UK authorities were not able to remove the Commission's doubts as to whether expenditure incurred under the BPRA would constitute „initial investment” in all circumstances within the meaning of point 4.4 of the regional aid guidelines.

14(4)

Section 360B of the draft Schedule 1 „Capital allowances: renovation of business premises in disadvantaged areas” allows the application of the notified depreciation rules in relation to:

(a)

the conversion of a qualifying building into qualifying business premises,

(b)

the renovation of qualifying building if it is or will be qualifying business premises,

(c)

or repairs to a qualifying building or, where the qualifying building is part of a building, to the building of which the qualifying buildings forms part, to an extent that the repairs are incidental to expenditure within paragraph (a) or (b).

The Commission is not able, at this stage of the analysis, to conclude that work for conversion and renovation falls without a doubt under the definition of initial investment as given above. Especially the words repair and renovation linguistically point out the direction of replacement investment, which, for the Commission falls under the definition of operating aid. According to point 4.15 of the regional aid guidelines operating aid is aimed at reducing a firm's current expenses. Cases in point as given by the regional aid guidelines are replacement investments (6).

14(5)

Point 5.4. of the regional aid guidelines provides that regional aid schemes are approved by the Commission, subject to the aid intensity ceilings and the duration defined in the regional aid map. The scheme intends to operate until 2010 and the UK authorities do not plan to modify it to fit the regional aid rules that come into force on 1 January 2007.

14(6)

Point 4.18 specifies that the total amount of regional investment aid should respect the aid intensity ceilings set out in the regional aid map. In the notification, the UK argues that the intensity of the scheme is estimated around 9-10 % NGE (7). According to the UK authorities, this would be the most likely case based on experience gained in tax offices in the UK, assuming that about 50 % of all expenditure on renovation will go to integral plant and machinery, 40 % to commercial buildings and the remaining 10 % will be on industrial buildings. However, the maximum aid intensity up to 40 % NGE could be reached in case of unincorporated business and up to 30 % NGE in case of companies. The UK authorities claim that the likelihood of such maximum aid intensities is very slim, as this would assume that all the company's expenditure should be on the commercial building, i.e. on renovations for which no allowances are currently available, with no expenditure on integral plant and machinery which all qualify for capital allowances under the current regime for plant and machinery.

14(7)

The Commission has doubts as to whether the „theoretical” maximum aid intensities would rarely apply in practice. The definition of refurbishment is based on fiscal rules on capital expenditures as well as on the associated accountancy rules and it does not seem that plants that become an integral part of the buildings, such as lifts, heating systems, water and waste water services, alarm and security systems, fire fighting/prevention systems and wiring associated with or ancillary to any of the foregoing could be kept separately from a building. In view of the more used general accountancy rules this kind of plants should become part of the building and, therefore, all the capital costs will qualify for capital allowances under the notified business premises renovation allowances scheme.

14(8)

Point 2 of the regional aid guidelines provides that the granting of (regional) State aid in certain sectors (transport, shipbuilding, fisheries and coal) is subject to specific restrictions. The Guidelines on national regional aid excludes specifically from its scope the production, processing and marketing of Annex I products. Therefore any aid granted to undertakings operating in the production, processing and marketing of Annex I products is to be assessed according to the Community Guidelines for State aid in the agriculture sector (8). In addition, pursuant to the provisions of the Multisectoral Framework (MSF 2002) (9), no regional aid may be granted in the synthetic fibres and steel sectors, and a maximum aid intensity of 30 % of the regional aid ceiling applies for an investment in the motor vehicle sector that exceeds an aid amount above EUR 5 million. According to the notification, sensitive sectors are not excluded from the scope of the BPRA scheme. It is unclear though how the UK authorities will ensure that the aid granted under the notified scheme to companies engaged in the abovementioned specific sectors will comply with the applicable special State aid rules.

14(9)

Finally, the incentive of the measure can be questioned, as businesses might deliberately keep premises vacant for a year and forgo the income that could be generated by making use of these premises in order to benefit from BPRA.

15.

In the light of what has been said above, the Commission concludes that the proposed scheme does not fall within the scope and field of application of the existing guidelines, frameworks or regulations. The Business premises renovation allowances scheme is focused on deprived areas for which, at present, no guidelines or frameworks exist.

16.

The former Guidelines on State aid for undertakings in deprived urban areas (10), which expired in 2002, would not have covered this kind of measure either. However, the Commission Notice on the expiry of the guidelines on State aid for undertakings in deprived urban areas (11) provides that the non-prolongation of the guidelines does not imply that state aid for deprived areas would no longer be possible and, depending on specific circumstances of the proposed aid in question, it may be approved directly upon the basis of Article 87(3) of the EC Treaty.

17.

Accordingly, it is necessary to examine if the notified scheme could qualify for one of the exemptions laid down in Article 87(3) of the EC Treaty. In order to do so, the Commission has assessed whether the measure proposed by the UK is necessary and proportionate to the stated objective and does not distort competition to an extent contrary to the common interest.

18.   Compatibility with Article 87(3) of the EC Treaty

18(1)

In the past, the Commission has expressed the opinion that the rehabilitation of brownfield sites contributes to important Community objectives (12). Brownfield has been defined as land and/or buildings in urban or rural areas that have previously been developed, but that are not currently in use (13). The Commission believes that the renovation or conversion of empty business premises in order to bring them back into productive use as proposed by the UK by means of the notified measure could also be considered as a rehabilitation measure and would therefore, in general, contribute to Community objectives.

18(2)

However, the Commission believes that at this stage further analysis is required in order to judge the appropriateness and proportionality of the Business Premises Renovation Capital Allowances. This is underlined by the following facts:

According to the data provided by the UK authorities, 85 % of all relevant expenditure in the UK is undertaken by larger businesses and only 15 % by SMEs. Although the scheme is open for all enterprises regardless of their size, the main beneficiaries of the BPRA will mainly be large businesses.

However, the UK authorities have stated that even in those cases where large companies own the business premises, SMEs would nevertheless be able to benefit from the measure indirectly as they are often renting business outlets from large enterprises. This is underlined by data provided by the UK indicating that of new leases taken out on premises vacant for more than one year, 31 % are by large businesses and 69 % by SMEs. For the most deprived areas according to the definition of the UK, the respective figures are 26 % for large enterprises and 74 % for SMEs.

The Commission notes that the notified measure is not restricted to small and medium-sized companies within the Commission definition. Furthermore, the Commission also notes that the scheme is not restricted to assisted areas pursuant to Article 87(3)(a) or Article 87(3)(c) of the EC Treaty.

The use of the 2 000 designated most deprived areas of the UK as target area of the notified measure raises the same issues as already in the case of the Stamp duty exemption scheme. It deviates from the standard practice of the Commission when dealing with regional aid. The Commission continues to believe that such a deviation needs to be justified in order to avoid that beneficiaries in areas which are not designated as assisted areas according to Article 87(3)(a) areas and/or Article 87(3)(c) areas receive a disproportionate economic advantage adversely affecting trading conditions to an extent contrary to the common interest.

Furthermore, in approving the Stamp duty exemption scheme on the basis of the specific merits of this scheme, the Commission imposed a number of conditions. Amongst others, the Commission decided that monitoring needed to be ensured and that the beneficial effects of the scheme on physical regeneration and notably on brownfield sites needed to be demonstrated. The Commission so far has not received any ex-post analysis enabling it to assess the beneficial effects of the scheme.

Although the UK authorities state that the average aid intensity would be between 9 % and 10 % net, maximum aid intensities under the notified measure can reach up to 40 % net in case of unincorporated businesses and up to 30 % net in case of companies, respectively.

18(3)

The Commission, after a first preliminary assessment of the measure, therefore has doubts whether the measure proposed by the UK is proportionate to the objective and does not distort competition to an extent contrary to the common interest. The Commission is of the opinion that a more thorough analysis of this complex question is necessary. The Commission wishes to collect information from other interested parties. To do so, the Commission must, for legal reasons, open the procedure provided for in Article 88(2) of the EC Treaty. It is only with the help of such observations that the Commission can decide whether such aid is necessary and does not adversely affect trading conditions to an extent contrary to the common interest.

4.   DECISION

19.

In the light of the foregoing considerations, the Commission, acting under the procedure laid down in Article 88(2) of the EC Treaty, requests the United Kingdom to submit its comments and to provide all such information as may help to assess the aid scheme „Business Premises Renovation Allowances”, within one month of the date of receipt of this letter.

20.

The Commission wishes to remind the United Kingdom that Article 88(3) of the EC Treaty has suspensory effect, and would draw your attention to Article 14 of Council Regulation (EC) No 659/1999, which provides that all unlawful aid may be recovered from the recipients.

21.

The Commission warns the United Kingdom that it will inform interested parties by publishing this letter and a meaningful summary of it in the Official Journal of the European Union. It will also inform interested parties in the EFTA countries which are signatories to the EEA Agreement, by publication of a notice in the EEA Supplement to the Official Journal of the European Union and will inform the EFTA Surveillance Authority by sending a copy of this letter. All such interested parties will be invited to submit their comments within one month of the date of such publication.”


(1)  The expression „pockets of deprivation” refers to the incidence of deprived communities, often close to prosperous areas.

(2)  A 40 % rate FYA is available to small and medium sized enterprises (SMEs), but not to large business.

(3)  L 149, 17.6.2003, p. 18.

(4)  In this context the Guidelines on national regional aid point out that regional aid „… is conceivable in the European Union only if it is used sparingly and remains concentrated on the most disadvantaged regions. If aid were to become generalised and, as it were, the norm, it would lose all its incentive quality and its economic impact would be nullified. At the same time, the aid would interfere with the normal interplay of market forces and reduce the efficacy of the Community economy as a whole”.

(5)  Point 4.1 of the regional aid guidelines.

(6)  Footnote 21 of the regional aid guidelines, p. 14.

(7)  NGE: Net Grant Equivalent.

(8)  OJ C 28 of 1.2.2000, p. 2.

(9)  Multisectoral Framework on regional aid for large investment projects, OJ C 70 of 19 March 2002, p. 8, as amended by the „Commission communication on the modification of the Multisectoral Framework on regional aid for large investment projects (2002) with regard to the establishment of a list of sectors facing structural problems and on a proposal of appropriate measures pursuant to Article 88(1) of the EC Treaty, concerning the motor vehicle sector and the synthetic fibres sector”, OJ C 263 of 1 November 2003, p. 3.

(10)  OJ C 146, 14.5.1997, p. 6.

(11)  The Commission Notice on the expiry of the Guidelines for undertakings in deprived urban areas was published in OJ C 119, 22.5.2002, p. 21.

(12)  See Commission decision on Land remediation (State aid N 385/2002).

(13)  See Commission decision on stamp duty exemption L 149, 17.6.2003, p. 18.


5.3.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 56/45


Voorafgaande aanmelding van een concentratie

(Zaak nr. COMP/M.3678 — Goldman Sachs/Cerberus/TET/ JV)

Zaak die in aanmerking kan komen voor een vereenvoudigde procedure

(2005/C 56/07)

(Voor de EER relevante tekst)

1.

Op 24 februari 2005 ontving de Commissie een aanmelding van een voorgenomen concentratie in de zin van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (1) waarin wordt meegedeeld dat de ondernemingen Goldman Sachs Mortgage Company („GSMC”, VSA) die onder zeggenschap staat van Goldman Sachs Group, Inc. („Goldman Sachs”, USA) en The Cerberus Group („Cerberus”, VSA) in de zin van artikel 3, lid 1), sub b), van genoemde verordening gezamenlijk zeggenschap verkrijgen over een deel van de onderneming Transamerica European Trailers („TET”, VK) door de aankoop van aandelen.

2.

De bedrijfswerkzaamheden van de betrokken ondernemingen zijn:

voor Goldman Sachs: investeringsbank en effecten;

voor Cerberus: investeringen in persoonlijke eigendom;

voor TET: leasing van commerciële opleggers voor de weg.

3.

Op grond van een voorlopig onderzoek is de Commissie van oordeel dat de aangemelde transactie binnen het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 139/2004 kan vallen. Ten aanzien van dit punt wordt de definitieve beslissing echter aangehouden. In het licht van de Mededeling van de Commissie betreffende een vereenvoudigde procedure voor de behandeling van bepaalde concentraties krachtens Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (2) wordt vermeld dat deze zaak in aanmerking kan komen voor deze procedure.

4.

De Commissie verzoekt belanghebbende derden hun eventuele opmerkingen ten aanzien van de voorgenomen concentratie kenbaar te maken aan de Commissie.

Deze opmerkingen moeten de Commissie uiterlijk tien dagen na dagtekening van deze bekendmaking hebben bereikt. Zij kunnen per fax (nummer (32-2) 296 43 01 of 296 72 44) of per post, onder vermelding van referentienummer COMP/M.3678 — Goldman Sachs/Cerberus/TET/ JV, aan onderstaand adres worden toegezonden:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Concurrentie

Griffie voor concentraties

J-70

B-1049 Brussel.


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1.

(2)  Beschikbaar op de DG COMP website:

http://europa.eu.int/comm/competition/mergers/legislation/consultation/simplified_tru.pdf.


Rectificaties

5.3.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 56/46


Rectificatie op het Protocol vastgesteld overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie tot wijziging, wat betreft de vorming van een referentiebestand van onderzoeksdossiers op douanegebied, van de Overeenkomst inzake het gebruik van informatica op douanegebied

( Publicatieblad van de Europese Unie C 139 van 13 juni 2003 )

(2005/C 56/08)

Bladzijde 3, artikel 1 (hoofdstuk V A, artikel 12 A, lid 3, tweede alinea):

in plaats van:

„Die lijst omvat alleen ernstige overtredingen die worden bestraft:

met een vrijheidsstraf of met een maatregel welke vrijheidsbeneming meebrengt van ten minste twaalf maanden of

met een boete van ten minste 15 000 EUR.”;

te lezen:

„Die lijst omvat alleen ernstige overtredingen die worden bestraft:

met een vrijheidsstraf of met een maatregel welke vrijheidsbeneming meebrengt met een maximum van ten minste twaalf maanden of

met een boete van ten minste 15 000 EUR.”