ISSN 1725-2474

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 25E

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

48e jaargang
1 februari 2005


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

I   Mededelingen

 

Raad

2005/C 025E/1

Gemeenschappelijk Standpunt (EG) nr. 1/2005 van 19 juli 2004, vastgesteld door de Raad, volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met het oog op de aanneming van een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad

1

2005/C 025E/2

Gemeenschappelijk Standpunt (EG) nr. 2/2005 van 24 september 2004, vastgesteld door de Raad, volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met het oog op de aanneming van een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een meerjarenprogramma van de Gemeenschap ter verbetering van de toegankelijkheid, het nut en de exploiteerbaarheid van digitale inhoud in Europa

19

2005/C 025E/3

Gemeenschappelijk Standpunt (EG) nr. 3/2005 van 7 oktober 2004, vastgesteld door de Raad, volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met het oog op de aanneming van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake verontreiniging vanaf schepen en invoering van sancties voor inbreuken

29

2005/C 025E/4

Gemeenschappelijk Standpunt (EG) nr. 4/2005 van 12 oktober 2004, vastgesteld door de Raad, volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met het oog op de aanneming van een besluit van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van Besluit nr. 1419/1999/EG tot vaststelling van een communautaire actie voor het evenement Culturele Hoofdstad van Europa voor het tijdvak 2005 tot 2019

41

2005/C 025E/5

Gemeenschappelijk Standpunt (EG) nr. 5/2005 van 12 november 2004, vastgesteld door de Raad, volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met het oog op de aanneming van een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de voorwaarden voor de toegang tot aardgastransmissienetten

44

NL

 


I Mededelingen

Raad

1.2.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 25/1


GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT (EG) Nr. 1/2005

vastgesteld door de Raad op 19 juli 2004

met het oog op de aanneming van Verordening (EG) nr. …/2005 van het Europees Parlement en de Raad van … tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van Richtlijn 91/414/EG van de Raad

(Voor de EER relevante tekst)

(2005/C 25E/01)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 37 en artikel 152, lid 4, onder b),

Gezien het voorstel van de Commissie,

Na raadpleging van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 76/895/EEG van de Raad van 23 november 1976 betreffende de vaststelling van de maximale hoeveelheden residuen van bestrijdingsmiddelen in en op groenten en fruit (3), Richtlijn 86/362/EEG van de Raad van 24 juli 1986 tot vaststelling van maximumgehalten aan residuen van bestrijdingsmiddelen in en op granen (4), Richtlijn 86/363/EEG van de Raad van 24 juli 1986 tot vaststelling van maximumgehalten aan residuen van bestrijdingsmiddelen in en op levensmiddelen van dierlijke oorsprong (5) en Richtlijn 90/642/EEG van de Raad van 27 november 1990 tot vaststelling van maximumgehalten aan residuen van bestrijdings–middelen in en op bepaalde producten van plantaardige oorsprong, met inbegrip van groenten en fruit (6) zijn herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd. Ten behoeve van de duidelijkheid en de eenvoud moeten deze richtlijnen worden ingetrokken en vervangen door één enkel rechtsinstrument.

(2)

De onderlinge verschillen tussen de nationale maximumresidugehalten voor bestrijdingsmiddelen kunnen een belemmering vormen voor de handel in de in bijlage I bij het Verdrag opgenomen producten en daarvan afgeleide producten tussen lidstaten onderling en tussen derde landen en de Gemeenschap. Derhalve is het, met het oog op het vrije verkeer van goederen, gelijke concurrentievoorwaarden tussen de lidstaten en de bescherming van de consument, passend dat maximumresidugehalten (MRL's) voor producten van plantaardige en van dierlijke oorsprong op communautair niveau worden vastgesteld.

(3)

Een verordening tot vaststelling van de MRL's behoeft geen omzetting in nationale wetgeving. Daarom is een verordening het meest geschikte rechtsinstrument voor de vaststelling van de MRL's voor bestrijdingsmiddelen in producten van plantaardige en van dierlijke oorsprong, aangezien de gedetailleerde voorschriften daarvan tezelfdertijd in de gehele Gemeenschap op dezelfde wijze van toepassing worden en derhalve een efficiëntere aanwending van nationale hulpmiddelen mogelijk maken.

(4)

De productie en het verbruik van plantaardige en dierlijke producten nemen in de Gemeenschap een zeer belangrijke plaats in. De opbrengst van de plantaardige productie wordt voortdurend bedreigd door schadelijke organismen. Het is van essentieel belang dat planten en plantaardige producten tegen dergelijke organismen worden beschermd, niet alleen om vermindering of beschadiging van de opbrengst te voorkomen, maar ook om de kwaliteit van de geoogste producten te garanderen, de productiviteit van de landbouw te verhogen en het natuurlijke milieu te beschermen door het voor de landbouwproductie vereiste areaal zoveel mogelijk te beperken.

(5)

Eén van de belangrijkste methoden om planten en plantaardige producten te beschermen tegen de gevolgen van deze schadelijke organismen, is het gebruik van werkzame stoffen in gewasbeschermingsmiddelen. Een mogelijk gevolg van het gebruik van deze stoffen is evenwel de aanwezigheid van residuen in behandelde producten, in dieren die zich met dergelijke producten voeden en in honing die wordt geproduceerd door bijen die aan deze stoffen worden blootgesteld. Bijgevolg moet ervoor worden gezorgd dat dergelijke residuen niet aanwezig zijn in zodanige hoeveelheden dat zij een onaanvaardbaar risico vormen voor de gezondheid van mensen en, in voorkomend geval, van dieren.

(6)

Volgens Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (7) moeten de lidstaten, wanneer zij vergunningen verstrekken, de verplichting opleggen dat de gewasbeschermingsmiddelen correct worden gebruikt. Correct gebruik houdt ook de toepassing in van de beginselen van goede gewas–beschermingspraktijken, alsmede de beginselen van geïntegreerde controle. Wanneer MRL's die resulteren uit een op grond van Richtlijn 91/414/EEG toegestaan gebruik van een bestrijdingsmiddel, een risico inhouden voor de consument, moet dat gebruik worden herzien met het oog op een vermindering van de hoeveelheden bestrijdingsmiddelenresiduen. De Gemeenschap moet het gebruik van methodes of producten die bevorderlijk zijn voor de risicovermindering alsook de vermindering van de hoeveelheden bestrijdingsmiddelen tot de niveaus die nodig zijn voor een efficiënte beheersing van plagen, aanmoedigen.

(7)

Een aantal werkzame stoffen is verboden uit hoofde van Richtlijn 79/117/EEG van de Raad van 21 december 1978 houdende verbod van het op de markt brengen en het gebruik van bestrijdingsmiddelen bevattende bepaalde actieve stoffen. (8). Tevens zijn vele andere werkzame stoffen momenteel niet toegelaten op grond van Richtlijn 91/414/EEG. Er is een zorgvuldige controle en toezicht nodig op de aanwezigheid van residuen van werkzame stoffen in producten van plantaardige en van dierlijke oorsprong als gevolg van niet-toegelaten gebruik, milieuverontreiniging of gebruik in derde landen.

(8)

De basisregels met betrekking tot wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen zijn vastgelegd in Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (9).

(9)

Naast deze basisvoorschriften zijn er specifiekere voorschriften nodig voor de doeltreffende werking van de interne markt en de handel met derde landen, voor wat betreft voor menselijke consumptie of voor diervoeding bestemde verse en/of verwerkte producten en mengproducten van plantaardige en van dierlijke producten, waarop bestrijdingsmiddelenresiduen aanwezig kunnen zijn, en terzelfder tijd moet de basis worden gelegd om een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mens en dier, alsook van de belangen van de consument te waarborgen. Deze voorschriften moeten onder meer betrekking hebben op de vaststelling van specifieke MRL's voor alle bestrijdingsmiddelen op levensmiddelen en diervoeders, alsook op de kwaliteit van de aan deze MRL's ten grondslag liggende gegevens.

(10)

Hoewel de bij Verordening (EG) nr. 178/2002 vastgestelde beginselen van de algemene levensmiddelenwetgeving alleen gelden voor diervoeders voor voedselproducerende dieren, is het, gezien de moeilijkheid om de producten die bedoeld zijn om als diervoeder voor niet-voedselproducerende dieren te worden gebruikt, af te scheiden en teneinde de controle en de handhaving van onderhavige verordening te vergemakkelijken, passend deze beginselen ook toe te passen op niet voor voedselproducerende dieren bestemde diervoeders. Deze verordening mag evenwel geen belemmering vormen voor de tests die nodig zijn om bestrijdingsmiddelen te beoordelen.

(11)

Richtlijn 91/414/EEG bevat basisvoorschriften voor het gebruik en het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen. Met name is daarin bepaald dat het gebruik van deze middelen geen schadelijke gevolgen mag hebben voor mens of dier. De residuen van bestrijdingsmiddelen die door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen aanwezig zijn, kunnen schadelijke gevolgen hebben voor de gezondheid van de consument. Daarom is het passend dat voor MRL's op producten die bestemd zijn voor menselijke consumptie, voorschriften worden vastgesteld die gekoppeld zijn aan de toelating voor het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de zin van Richtlijn 91/414/EEG. Evenzo dient de genoemde richtlijn te worden aangepast om rekening te houden met de communautaire procedure voor vaststelling van MRL's op grond van deze richtlijn. Uit hoofde van bovengenoemde richtlijn kunnen de lidstaten worden aangewezen als rapporteurs voor de beoordeling van een werkzame stof. Van de in de betrokken lidstaat voorhanden zijnde expertise dient gebruik te worden gemaakt voor de toepassing van onderhavige verordening.

(12)

Er moeten specifieke voorschriften inzake de controle van bestrijdingsmiddelenresiduen worden vastgesteld ter aanvulling van de algemene communautaire bepalingen betreffende de controles van levensmiddelen en diervoeders.

(13)

Specifieke voorschriften voor diervoeders, met inbegrip van voorschriften inzake afzet en opslag van voeder en het voederen van dieren, zijn vastgesteld in Richtlijn 2002/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 mei 2002 inzake ongewenste stoffen in diervoeding (10). Van sommige producten kan vooraf niet worden gezegd of ze zullen worden verwerkt tot levensmiddelen of tot diervoeders. Daarom moeten de bestrijdingsmiddelenresiduen op dergelijke producten steeds veilig zijn, zowel bij menselijke consumptie als, in voorkomend geval, bij vervoedering. Derhalve moeten de bij deze verordening vastgestelde voorschriften ook van toepassing zijn op die producten, onverminderd de specifieke voorschriften voor diervoeders.

(14)

Er moeten voorschriften op communautair niveau worden vastgesteld met betrekking tot de vaststelling en de controle van MRL's in producten van plantaardige en van dierlijke oorsprong.

(15)

Richtlijn 76/895/EEG voorziet evenwel in de mogelijkheid dat de lidstaten hogere MRL's dan de communautaire toelaten. Deze mogelijkheid moet worden afgeschaft, aangezien zij, in het kader van de interne markt, aanleiding zou kunnen geven tot belemmeringen van het intracommunautaire handelsverkeer.

(16)

De vaststelling van MRL's voor bestrijdingsmiddelen vereist een langdurig technisch onderzoek en omvat een evaluatie van de mogelijke risico's voor de consument. Bijgevolg kunnen niet onmiddellijk MRL's worden vastgesteld voor bestrijdingsmiddelenresiduen die momenteel onder Richtlijn 76/895/EEG vallen, noch voor bestrijdingsmiddelen waarvoor de MRL's nog niet op communautair niveau zijn vastgesteld.

(17)

Het is passend dat de minimumvoorschriften met betrekking tot de voor de vaststelling van de MRL's te gebruiken gegevens op communautair niveau worden vastgesteld.

(18)

In uitzonderlijke omstandigheden, en met name voor niet-toegelaten bestrijdingsmiddelen die in het milieu aanwezig kunnen zijn, is het passend om het gebruik van in het kader van de monitoring verkregen gegevens toe te laten voor de vaststelling van MRL's.

(19)

MRL's voor bestrijdingsmiddelen moeten voortdurend worden bewaakt en aangepast aan nieuwe informatie en gegevens. De MRL's moeten worden vastgesteld op het laagste niveau van analytische bepaling, wanneer het toegestane gebruik van gewasbeschermingsmiddelen niet resulteert in aantoonbare bestrijdingsmiddelenresiduen. Voor het gebruik van bestrijdingsmiddelen die niet op communautair niveau zijn toegestaan, moeten de MRL's op een zo laag niveau worden vastgesteld dat de consument wordt beschermd tegen de inname van niet-toegelaten of van te grote hoeveelheden bestrijdingsmiddelenresiduen. Om de controle op bestrijdingsmiddelenresiduen te vergemakkelijken, moet er een standaardwaarde worden vastgesteld voor de residuen die aanwezig zijn in de in bijlage I genoemde producten of groepen van producten waarvoor in de bijlagen II en III geen MRL's zijn vastgesteld, tenzij de betrokken werkzame stof in bijlage IV is opgenomen. Het is passend de standaardwaarde op 0,01 mg/kg vast te stellen, zulks teneinde te voorzien in de mogelijkheid om deze waarde op een ander niveau te bepalen voor de in bijlage V genoemde stoffen, rekening houdend met de beschikbare gebruikelijke analysemethoden en/of de consumentenbescherming.

(20)

Met betrekking tot buiten de Gemeenschap geproduceerde levensmiddelen en diervoeders is het mogelijk dat andere landbouwpraktijken met betrekking tot het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen legaal worden toegepast, wat soms resulteert in andere bestrijdingsmiddelenresiduen dan die welke het gevolg zijn van legale toepassingen in de Gemeenschap. Bijgevolg moeten er voor ingevoerde producten MRL's worden vastgesteld die rekening houden met de betrokken toepassingen en de daaruit voortvloeiende residuen, op voorwaarde dat, met gebruikmaking van de criteria die ook gelden voor binnenlandse producten, kan worden aangetoond dat die producten veilig zijn.

(21)

Bij Verordening (EG) nr. 178/2002 zijn procedures vastgesteld voor het treffen van noodmaatregelen met betrekking tot uit de Gemeenschap afkomstige of uit een derde land ingevoerde levensmiddelen en diervoeders. Krachtens deze procedures kan de Commissie dergelijke maatregelen treffen wanneer levensmiddelen een ernstig risico kunnen opleveren voor de volksgezondheid, de diergezondheid of het milieu en wanneer een dergelijk risico niet op afdoende wijze kan worden bedwongen met door de betrokken lidstaat of lidstaten genomen maatregelen. Deze maatregelen en de gevolgen voor de gezondheid van mens en, in voorkomend geval, dier dienen te worden beoordeeld door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (hierna „de Autoriteit” genoemd).

(22)

De levenslange en, in voorkomend geval, acute blootstelling van consumenten aan bestrijdingsmiddelenresiduen via levensmiddelen moet worden geëvalueerd volgens de communautaire procedures en praktijken, met inachtneming van de door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) gepubliceerde richtsnoeren.

(23)

De handelspartners van de Gemeenschap moeten via de Wereldhandelsorganisatie (WTO) over de voorgestelde MRL's worden geraadpleegd, voordat de MRL's worden vastgesteld; met hun opmerkingen moet rekening worden gehouden. Ook met de in internationaal verband door de Commissie van de Codex Alimentarius vastgestelde gehalten moet rekening worden gehouden bij de vaststelling van communautaire MRL's.

(24)

Het is noodzakelijk dat de Autoriteit de MRL-aanvragen en evaluatieverslagen van de lidstaten beoordeelt om de daaraan gerelateerde risico's voor consumenten en, in voorkomend geval, dieren te bepalen.

(25)

De lidstaten dienen de regels vast te stellen inzake de sancties op overtredingen van deze verordening en ervoor te zorgen dat deze regels worden toegepast. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

(26)

De uitwerking van een communautair geharmoniseerd systeem voor MRL's houdt ook de uitwerking in van richtsnoeren, gegevensbanken en andere maatregelen waaraan kosten verbonden zijn. Het is passend dat de Gemeenschap in bepaalde gevallen bijdraagt in deze kosten.

(27)

Uit het oogpunt van goed administratief beheer en uit technisch oogpunt is het wenselijk de planning voor de besluiten inzake MRL's voor werkzame stoffen, en die voor de besluiten die met betrekking tot die stoffen worden genomen op grond van Richtlijn 91/414/EEG, op elkaar af te stemmen. Voor vele stoffen waarvoor nog geen communautaire MRL's zijn vastgesteld, zullen geen besluiten op grond van die richtlijn worden genomen voordat deze verordening in werking is getreden.

(28)

Bijgevolg moeten er aparte voorschriften worden vastgesteld met tijdelijke maar bindende geharmoniseerde MRL's, met het oog op de geleidelijke vaststelling van MRL's naarmate over individuele werkzame stoffen besluiten worden genomen in het kader van de beoordelingen op grond van Richtlijn 91/414/EEG. Deze geharmoniseerde tijdelijke MRL's moeten met name gebaseerd worden op de bestaande nationale MRL's die door de lidstaten zijn vastgesteld, en moeten de nationale regelingen waarbij deze zijn vastgesteld, eerbiedigen, mits de MRL's geen onaanvaardbaar risico voor de consumenten opleveren.

(29)

Na de opneming van de bestaande werkzame stoffen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG moeten de lidstaten alle gewasbeschermingsmiddelen die deze werkzame stoffen bevatten, binnen vier jaar na de datum van opneming opnieuw evalueren. De betrokken MRL's moeten met het oog op de continuïteit van de vergunningen tot vier jaar worden aangehouden en, zodra de herevaluatie is afgerond, definitief worden gemaakt indien zij gestaafd worden door dossiers die aan de voorwaarden van bijlage III bij Richtlijn 91/414/EEG voldoen, of op een defaultniveau worden vastgesteld, indien zij niet door een dergelijk dossier worden gestaafd.

(30)

Bij deze verordening worden MRL's voor de controle van bestrijdingsmiddelenresiduen in levensmiddelen en diervoeders vastgesteld; het is derhalve passend dat de lidstaten nationale programma's voor de controle van deze residuen vaststellen. De resultaten van de nationale controleprogramma's moeten aan de Commissie, de Autoriteit en de andere lidstaten worden meegedeeld en in het jaarverslag van de Commissie worden opgenomen.

(31)

De maatregelen ter uitvoering van deze verordening moeten worden aangenomen overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (11).

(32)

Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel moeten, voor het bereiken van de basisdoelstellingen betreffende het vergemakkelijken van het handelsverkeer en het beschermen van de consument, voorschriften worden vastgesteld voor MRL's in producten van plantaardige en van dierlijke oorsprong. Deze verordening gaat niet verder dan hetgeen noodzakelijk is om de uit hoofde van artikel 5, derde alinea, van het Verdrag nagestreefde doelstellingen te bereiken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ONDERWERP, WERKINGSSFEER EN DEFINITIES

Artikel 1

Onderwerp

Deze verordening stelt, overeenkomstig de bij Verordening (EG) nr. 178/2002 vastgestelde algemene beginselen, geharmoniseerde communautaire bepalingen vast betreffende de maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en van dierlijke oorsprong.

Artikel 2

Werkingssfeer

1.   Deze verordening is van toepassing op alle in bijlage I opgenomen producten van plantaardige en van dierlijke oorsprong die bestemd zijn om als vers, verwerkt of gemengd levensmiddel of diervoeder te worden gebruikt en waarin of waarop bestrijdingsmiddelenresiduen aanwezig kunnen zijn.

2.   Deze verordening is niet van toepassing op de in bijlage I bedoelde producten indien op afdoende wijze kan worden aangetoond dat deze bestemd zijn:

a)

voor de vervaardiging van andere producten dan levensmiddelen of diervoeders, of

b)

om te worden ingezaaid of geplant, of

c)

voor door het nationaal recht toegestane activiteiten in verband met de controle van werkzame stoffen.

3.   De overeenkomstig deze verordening vastgestelde maximumresidugehalten voor bestrijdingsmiddelen zijn niet van toepassing op de in bijlage I bedoelde producten die bestemd zijn voor uitvoer naar derde landen en vóór de uitvoer behandeld zijn, wanneer op afdoende wijze is aangetoond dat het derde land van bestemming eist of ermee instemt dat de desbetreffende behandeling wordt toegepast om het binnenbrengen van schadelijke organismen op zijn grondgebied te voorkomen.

4.   Deze verordening geldt onverminderd Richtlijn 98/8/EG (12), Richtlijn 2002/32/EG en Verordening (EEG) nr. 2377/90 van de Raad (13).

Artikel 3

Definities

1.   Voor de toepassing van deze verordening gelden de bij Verordening (EG) nr. 178/2002 vastgestelde definities en de definities in artikel 2, punten 1 en 4, van Richtlijn 91/414/EEG.

2.   Voorts wordt in deze richtlijn verstaan onder:

a)

„goede landbouwpraktijken” (GLP): de door een land aanbevolen, toegestane of geregistreerde veilige toepassingen van gewasbeschermingsmiddelen onder reële omstandigheden in elk stadium van de productie, de opslag, het vervoer, de distributie en de verwerking van levensmiddelen en diervoeders;

b)

„kritische GLP”: ingeval er voor een combinatie werkzame stof/product meer dan één GLP is, de GLP die tot het hoogst aanvaardbaar gehalte aan bestrijdingsmiddelenresiduen in een behandeld gewas leidt en de basis vormt voor het vastgestelde MRL;

c)

„bestrijdingsmiddelenresiduen”: residuen, waaronder werkzame stoffen, metabolieten en/of afbraak- of reactieproducten van werkzame stoffen die thans worden of voorheen werden gebruikt in gewasbeschermingsmiddelen zoals omschreven in artikel 2, punt 1, van Richtlijn 91/414/EEG, en die aanwezig zijn in of op de in bijlage I bij deze verordening bedoelde producten, met inbegrip van in het bijzonder de residuen die het gevolg zijn van het gebruik van die stoffen voor gewasbescherming, in de diergeneeskunde of als biocide;

d)

„maximumresidugehalte” (MRL): het hoogste wettelijk toegestane concentratieniveau van een bestrijdingsmiddelenresidu in of op een levensmiddel of diervoeder;

e)

„CXL”: een door de Commissie van de Codex Alimentarius vastgesteld MRL;

f)

„aantoonbaarheidsgrens” (LOD): de gevalideerde laagste concentratie van een residu die in het kader van routinemonitoring op basis van gevalideerde controlemethoden kan worden gekwantificeerd en gerapporteerd;

g)

„invoertolerantie”: een voor ingevoerde producten vastgestelde MRL waarbij:

het gebruik van de werkzame stof in een gewasbeschermingsmiddel op een bepaald product in de Gemeenschap niet is toegestaan,of

een bestaand communautair MRL niet volstaat om aan de in het kader van het internationale handelsverkeer geldende eisen te voldoen;

h)

„ringonderzoek”: een vergelijkende test waarbij verschillende laboratoria identieke monsters analyseren, zodat de kwaliteit van de door elk laboratorium verrichte analyse kan worden beoordeeld;

i)

„acute referentiedosis”: de geraamde hoeveelheid van een stof in een levensmiddel, uitgedrukt in verhouding tot het lichaamsgewicht, die in korte tijd, meestal tijdens één maaltijd of in de loop van één dag, mag worden ingenomen zonder merkbaar gezondheidsrisico voor de consument, zulks op basis van de op het ogenblik van de evaluatie bekende gegevens;

j)

„aanvaardbare dagelijkse inname” (ADI): de geraamde hoeveelheid van een stof in een levensmiddel, uitgedrukt in verhouding tot het lichaamsgewicht, die levenslang elke dag mag worden ingenomen zonder merkbaar gezondheidsrisico voor de consument, zulks op basis van de op het tijdstip van de evaluatie bekende gegevens.

Artikel 4

Lijst van groepen van producten waarvoor geharmoniseerde MRL's gelden

1.   De in artikel 2, lid 1, bedoelde producten, groepen van producten en/of delen daarvan, waarvoor geharmoniseerde MRL's gelden, worden vastgesteld en behandeld in bijlage I volgens de in artikel 45, lid 2, bedoelde procedure. Bijlage I omvat alle producten waarvoor uitdrukkelijk een MRL is vastgesteld, alsmede de andere producten waarvoor het aangewezen is geharmoniseerde MRL's toe te passen, gelet met name op hun aandeel in de voeding van de consument of in de handel. De producten worden zodanig gegroepeerd dat, voorzover mogelijk, één MRL kan worden vastgesteld voor een groep soortgelijke of aanverwante producten.

2.   Bijlage I wordt de eerste keer vastgesteld binnen drie maanden na de inwerkingtreding van deze verordening en wordt, indien nodig, geëvalueerd, in het bijzonder op verzoek van een lidstaat.

Artikel 5

Vaststelling van een lijst van werkzame stoffen waarvoor geen MRL's zijn vereist

1.   De in het kader van Richtlijn 91/414/EEG geëvalueerde werkzame stoffen van gewasbeschermingsmiddelen ten aanzien waarvan geen MRL's vereist zijn, worden vastgesteld volgens de in artikel 45, lid 2, van deze verordening bedoelde procedure en opgenomen in de lijst in bijlage IV daarbij, met inachtneming van de toepassingen van die werkzame stoffen en het bepaalde in artikel 14, lid 2, onder a), c) en d), van deze verordening.

2.   Bijlage IV wordt voor de eerste keer vastgesteld binnen twaalf maanden na de inwerkingtreding van deze verordening.

HOOFDSTUK II

PROCEDURE VOOR AANVRAGEN INZAKE EEN MRL

AFDELING 1

INDIENING VAN AANVRAGEN INZAKE EEN MRL

Artikel 6

Aanvragen

1.   Wanneer een lidstaat overweegt een toelating of een voorlopige toelating tot het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel overeenkomstig Richtlijn 91/414/EEG te verlenen, gaat de lidstaat na of, als gevolg daarvan, een bestaand in bijlage II of III bij deze verordening opgenomen MRL moet worden gewijzigd, of er een nieuw MRL moet worden vastgesteld, dan wel of de werkzame stof moet worden opgenomen in bijlage IV. Indien nodig, gelast hij de partij die om deze toelating verzoekt, een aanvraag in te dienen overeenkomstig artikel 7.

2.   Partijen, waaronder fabrikanten, telers en producenten van de in bijlage I bedoelde producten die op afdoende wijze kunnen aantonen dat zij een gewettigd belang hebben, kunnen eveneens overeenkomstig artikel 7 een aanvraag bij een lidstaat indienen.

3.   Wanneer een lidstaat van oordeel is dat een MRL moet worden vastgesteld, gewijzigd of geschrapt, kan die lidstaat ook overeenkomstig artikel 7 een aanvraag tot vaststelling, wijziging of schrapping van het MRL samenstellen en evalueren.

4.   Aanvragen voor invoertoleranties worden ingediend bij uit hoofde van Richtlijn 91/414/EEG als rapporteur aangewezen lidstaten. Indien er geen lidstaat uit hoofde van de genoemde richtlijn als rapporteur is aangewezen, worden de aanvragen ingediend bij de lidstaten die volgens de in artikel 45, lid 2, van deze verordening bedoelde procedure door de Commissie op verzoek van de aanvrager zijn aangewezen. Dergelijke aanvragen worden ingediend overeenkomstig artikel 7 van deze verordening.

Artikel 7

Eisen betreffende aanvragen inzake een MRL

1.   De aanvrager voegt bij zijn aanvraag inzake een MRL de volgende gegevens en documenten:

a)

naam en adres van de aanvrager;

b)

een presentatie van het aanvraagdossier, bestaande uit:

i)

een samenvatting van de aanvraag;

ii)

de belangrijkste inhoudelijke argumenten;

iii)

een index van de documenten in het dossier;

iv)

een afschrift van de toepasselijke GLP voor het specifieke gebruik van de werkzame stof.

c)

in voorkomend geval, wetenschappelijk onderbouwde redenen tot bezorgdheid;

d)

de in de bijlagen II en III bij Richtlijn 91/414/EEG genoemde gegevens die vereist zijn voor de vaststelling van MRL's voor bestrijdingsmiddelenresiduen, met inbegrip van, in voorkomend geval, toxicologische gegevens en gegevens over de gebruikelijke analysemethoden in controlelaboratoria, alsook gegevens inzake het metabolisme van planten en dieren.

Wanneer evenwel reeds gegevens terzake publiekelijk beschikbaar zijn - in het bijzonder wanneer een werkzame stof reeds is beoordeeld overeenkomstig Richtlijn 91/414/EEG, of wanneer er reeds een CXL bestaat - en deze gegevens of CXL door de aanvrager zijn ingediend, kunnen de lidstaten deze informatie gebruiken bij het evalueren van een aanvraag. In dat geval dient het evaluatieverslag een verantwoording van het al dan niet gebruiken van die gegevens te bevatten.

2.   In voorkomend geval kan de evaluerende lidstaat de aanvrager verzoeken om binnen een door de lidstaat vastgestelde termijn naast de krachtens lid 1 vereiste informatie aanvullende informatie te verstrekken.

Artikel 8

Evaluatie van de aanvragen

1.   De lidstaat die overeenkomstig artikel 6 een aanvraag ontvangt die voldoet aan artikel 7, zendt deze onmiddellijk naar de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (hierna „de Autoriteit” genoemd) en de Commissie en maakt onverwijld een evaluatieverslag op.

2.   De aanvragen worden geëvalueerd overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van de uniforme beginselen voor het evalueren en toelaten van gewasbestrijdingsmiddelen die zijn opgenomen in bijlage VI bij Richtlijn 91/414/EEG, of overeenkomstig specifieke evaluatiebeginselen die volgens de in artikel 45, lid 2, van deze verordening bedoelde procedure bij een verordening van de Commissie worden vastgesteld.

3.   In afwijking van lid 1 kan, op grond van een overeenkomst tussen de betrokken lidstaten, de aanvraag worden geëvalueerd door de uit hoofde van Richtlijn 91/414/EEG voor de werkzame stof als rapporteur aangewezen lidstaat.

4.   Wanneer een lidstaat moeilijkheden ondervindt bij het evalueren van een aanvraag, of om dubbel werk te voorkomen, kan volgens de procedure van artikel 45, lid 2, worden beslist door welke lidstaat bepaalde aanvragen dienen te worden geëvalueerd.

Artikel 9

Toezending van geëvalueerde aanvragen aan de Commissie en de Autoriteit

1.   Na voltooiing van het evaluatieverslag zendt de lidstaat dit naar de Commissie. De Commissie brengt de lidstaten onverwijld op de hoogte en zendt de aanvraag, het evaluatieverslag en het begeleidend dossier aan de Autoriteit.

2.   De Autoriteit bevestigt onverwijld schriftelijk de ontvangst van de aanvraag aan de aanvrager, de evaluerende lidstaat en de Commissie. In de bevestiging wordt de datum van ontvangst van de aanvraag en de begeleidende documenten vermeld.

AFDELING 2

INOVERWEGINGNEMING DOOR DE AUTORITEIT VAN AANVRAGEN INZAKE EEN MRL

Artikel 10

Advies van de Autoriteit over aanvragen inzake een MRL

1.   De Autoriteit beoordeelt de aanvragen en de evaluatieverslagen en brengt een met redenen omkleed advies uit over, met name, de risico's voor de consument en, in voorkomend geval, voor dieren, waarmee de vaststelling, wijziging of schrapping van een MRL gepaard gaat. Het advies omvat:

a)

een beoordeling of de in de aanvraag voorgestelde analysemethode voor routinemonitoring geschikt is voor het vooropgestelde controledoel;

b)

de verwachte LOD voor de combinatie bestrijdingsmiddel/product;

c)

een beoordeling van het risico van overschrijding van de aanvaardbare dagelijkse inname of de acute referentiedosis als het MRL wordt gewijzigd; het aandeel, in de inname, van de residuen op het product waarvoor een MRL wordt gevraagd;

d)

ieder ander element dat voor de risicobeoordeling van belang is.

2.   De Autoriteit zendt haar met redenen omkleed advies naar de aanvrager, de Commissie en de lidstaten. In dit met redenen omkleed advies wordt de grondslag voor elke conclusie duidelijk omschreven.

3.   Onverminderd artikel 39 van Verordening (EG) nr. 178/2002 maakt de Autoriteit haar met redenen omkleed advies openbaar.

Artikel 11

Termijnen voor het advies van de Autoriteit over aanvragen inzake een MRL

1.   De Autoriteit brengt het met redenen omkleed advies zoals bedoeld in artikel 10, zo spoedig mogelijk uit en uiterlijk binnen drie maanden na de datum van ontvangst van de aanvraag.

2.   Wanneer de Autoriteit aanvullende informatie vraagt, wordt de in lid 1 vastgestelde termijn geschorst totdat die informatie is verstrekt. Deze schorsing verloopt conform artikel 13.

Artikel 12

Beoordeling van bestaande MRL's door de Autoriteit

1.   Binnen twaalf maanden na de datum van het na de inwerkingtreding van deze verordening genomen besluit tot opneming of niet-opneming van een werkzame stof in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG legt de Autoriteit aan de Commissie en aan de lidstaten een met redenen omkleed advies voor - dat in het bijzonder is gebaseerd op het desbetreffende krachtens Richtlijn 91/414/EEG opgestelde beoordelingsverslag - betreffende:

a)

de bestaande MRL's voor die werkzame stof die zijn opgenomen in bijlage II of III bij deze verordening;

b)

de noodzaak tot vaststelling van nieuwe MRL's voor die werkzame stof, of tot de opneming van die stof in bijlage IV bij deze verordening;

c)

de specifieke verwerkingsfactoren zoals bedoeld in artikel 20, lid 2, van deze verordening, die voor die werkzame stof nodig kunnen zijn;

d)

de op die werkzame stof betrekking hebbende MRL's waarvan de Commissie overweegt ze op te nemen in bijlage II en/of bijlage III van deze verordening, en MRL's die kunnen worden geschrapt.

2.   Voor stoffen die vóór de inwerkingtreding van deze verordening waren opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG wordt het in lid 1 van dit artikel bedoelde met redenen omklede advies uitgebracht binnen twaalf maanden na de inwerkingtreding van deze verordening.

Artikel 13

Bestuursrechtelijke toetsing

Handelingen of nalatigheden op grond van de bij deze verordening aan de Autoriteit verleende bevoegdheden kunnen door de Commissie op eigen initiatief, dan wel op verzoek van een lidstaat of van een persoon die rechtstreeks of individueel wordt geraakt, worden getoetst.

Daartoe dient de belanghebbende partij binnen twee maanden vanaf de dag waarop zij kennis heeft gekregen van de betrokken handeling of nalatigheid, een verzoek in bij de Commissie.

De Commissie neemt binnen twee maanden een besluit, waarbij de Autoriteit, in voorkomend geval, wordt gelast binnen een vastgestelde termijn haar besluit in te trekken of haar nalatigheid te verhelpen.

AFDELING 3

VASTSTELLING, WIJZIGING OF SCHRAPPING VAN EEN MRL

Artikel 14

Besluiten over aanvragen inzake een MRL

1.   Na ontvangst van het advies van de Autoriteit stelt de Commissie, rekening houdend met dat advies, onverwijld en binnen drie maanden volgens de in artikel 45, lid 2, bedoelde procedure een verordening op betreffende de vaststelling, wijziging of schrapping van een MRL of een besluit tot verwerping van de aanvraag en dient dit ter aanneming in.

2.   Ten aanzien van de in lid 1 bedoelde besluiten wordt rekening gehouden met:

a)

de beschikbare wetenschappelijke en technische kennis;

b)

de mogelijke aanwezigheid van bestrijdingsmiddelenresiduen uit andere bronnen dan de huidige toepassingen van werkzame stoffen ter bescherming van gewassen;

c)

de resultaten van een beoordeling van de mogelijke risico's voor consumenten en, in voorkomend geval, dieren;

d)

de resultaten van evaluaties en besluiten tot wijziging van de toepassingen van gewasbeschermingsmiddelen;

e)

een CXL dat of een GLP die in een derde land wordt toegepast voor het legale gebruik van een werkzame stof in dat derde land;

f)

andere terzake dienende legitieme factoren in verband met de behandelde aangelegenheid.

3.   De Commissie kan de aanvrager of de Autoriteit op elk moment verzoeken aanvullende informatie te verstrekken. De Commissie stelt alle aanvullende informatie die zij heeft ontvangen, ter beschikking van de lidstaten en de Autoriteit.

Artikel 15

Opneming van nieuwe of gewijzigde MRL's in de bijlagen II en III

1.   Bij de in artikel 14, lid 1, bedoelde verordening:

a)

worden nieuwe of gewijzigde MRL's vastgesteld, die worden toegevoegd aan de lijst in bijlage II bij deze verordening wanneer de werkzame stoffen zijn opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG, of

b)

worden, wanneer de werkzame stoffen niet zijn opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG, noch in bijlage II bij deze verordening, tijdelijke MRL's vastgesteld of gewijzigd, die worden toegevoegd aan de lijst in bijlage III bij deze verordening, of

c)

worden, in de in artikel 16 vermelde gevallen, tijdelijke MRL's vastgesteld en opgenomen in de lijst in bijlage III bij deze verordening.

2.   Wanneer overeenkomstig het bepaalde in lid 1, onder b), een tijdelijk MRL wordt vastgesteld, wordt dit uit bijlage III geschrapt bij een verordening die één jaar na de datum van het besluit tot opneming of niet-opneming van de betrokken werkzame stof in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG wordt aangenomen overeenkomstig de in artikel 45, lid 2, van deze verordening bedoelde procedure. Op verzoek van één of meer lidstaten kan het evenwel gedurende een extra jaar opgenomen blijven, in afwachting van de bevestiging dat al het nodige wetenschappelijke onderzoek ter ondersteuning van een aanvraag tot vaststelling van een MRL is uitgevoerd. Wanneer deze bevestiging wordt gegeven, blijft het tijdelijke MRL nog twee jaar langer opgenomen, op voorwaarde dat er geen onaanvaardbare veiligheidsrisico's voor de consument zijn vastgesteld.

Artikel 16

Procedure voor de vaststelling van tijdelijke MRL's onder bepaalde omstandigheden

1.   De bij artikel 14, lid 1, bedoelde verordening kan in de volgende omstandigheden tevens een tijdelijk MRL vaststellen dat in bijlage III wordt opgenomen:

a)

in uitzonderlijke gevallen, met name wanneer bestrijdingsmiddelenresiduen het gevolg kunnen zijn van milieuverontreiniging of andere vormen van verontreiniging, of van toepassingen van gewasbeschermingsmiddelen overeenkomstig artikel 8, lid 4, van Richtlijn 91/414/EEG, of

b)

wanneer de betrokken producten slechts een gering aandeel hebben in de voeding van de consument en, in voorkomend geval, van dieren, of

c)

voor honing, of

d)

wanneer essentiële toepassingen van gewasbeschermingsmiddelen zijn vastgesteld bij een besluit om een werkzame stof niet op te nemen in, dan wel te schrappen uit bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG.

2.   De opneming van tijdelijke MRL's zoals bedoeld in lid 1, moet gebaseerd zijn op het advies van de Autoriteit, de gegevens van de monitoring en een beoordeling waaruit blijkt dat er geen onaanvaardbare risico's zijn voor consumenten en dieren.

De verlenging van de geldigheidsduur van de in lid 1, onder a), b) en c), bedoelde tijdelijke MRL's wordt ten minste om de tien jaar opnieuw beoordeeld en de MRL's moeten, naar gelang van het geval, worden gewijzigd of ingetrokken.

De in lid 1, onder d), bedoelde MRL's worden opnieuw beoordeeld bij het verstrijken van de periode waarvoor de essentiële toepassing was toegestaan.

Artikel 17

Wijzigingen van MRL's als gevolg van de intrekking van toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen

Wijzigingen van bijlage II of bijlage III die nodig zijn om een MRL te schrappen na de intrekking van een toelating voor een gewasbeschermingsmiddel, kunnen worden aangenomen zonder dat de Autoriteit om advies verzocht wordt.

HOOFDSTUK III

MRL'S VOOR PRODUCTEN VAN PLANTAARDIGE EN VAN DIERLIJKE OORSPRONG

Artikel 18

Inachtneming van MRL's

1.   Zodra een product zoals bedoeld in bijlage I in de handel wordt gebracht als levensmiddel of diervoeder, of aan dieren wordt vervoederd, mag het gehalte aan bestrijdingsmiddelenresiduen niet meer bedragen dan:

a)

het MRL dat voor betrokken producten is vastgesteld in bijlage II of III;

b)

0,01 mg/kg voor producten waarvoor in bijlage II of III geen specifiek MRL is vastgesteld, of voor niet in bijlage IV opgenomen werkzame stoffen, tenzij er voor een werkzame stof andere standaardwaarden zijn vastgesteld volgens de in artikel 45, lid 2, bedoelde procedure en rekening houdend met de beschikbare, gebruikelijke analysemethoden. Die standaardwaarden worden vermeld in bijlage V.

2.   De lidstaten mogen op hun grondgebied het in de handel brengen of het aan voedselproducerende dieren vervoederen van de in bijlage I bedoelde producten niet verbieden, noch belemmeren op grond van de aanwezigheid van bestrijdingsmiddelenresiduen, indien:

a)

die producten voldoen aan de voorschriften van artikel 18, lid 1, en artikel 20, of

b)

de werkzame stof is opgenomen in bijlage IV.

3.   In afwijking van lid 1 kunnen de lidstaten, op grond van een behandeling na de oogst met een fumigatiemiddel, residuengehalten van een werkzame stof die de in bijlage II en bijlage III aangegeven grenswaarden voor een in bijlage I genoemd product overschrijden, op hun grondgebied toestaan, mits die combinaties van werkzame stof/product vermeld zijn in bijlage VII en op voorwaarde dat

a)

die producten niet bestemd zijn voor onmiddellijke consumptie;

b)

er passende controles zijn die garanderen dat het product niet aan de eindgebruiker of, bij rechtstreekse levering, aan de consument ter beschikking kan worden gesteld zolang de residuengehalten de in bijlage II of III gespecificeerde maximumniveaus overschrijden;

c)

de overige lidstaten en de Commissie van de genomen maatregelen in kennis zijn gesteld.

De in bijlage VII vermelde combinaties werkzame stof/product worden vastgesteld volgens de in artikel 45, lid 2, bedoelde procedure.

4.   In uitzonderlijke gevallen, en met name op grond van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen overeenkomstig artikel 8, lid 4, van Richtlijn 91/414/EEG of uit hoofde van de verplichtingen van Richtlijn 2000/29/EG van de Raad (14), kan een lidstaat het op de markt brengen en/of het vervoederen van dieren met levensmiddelen of diervoeders die niet voldoen aan de voorwaarden van lid 1, op zijn grondgebied toestaan, mits deze levensmiddelen of diervoeders geen onaanvaardbaar risico opleveren. Deze vergunningen worden onmiddellijk meegedeeld aan de andere lidstaten, de Commissie en de Autoriteit, samen met een passende risicobeoordeling waarvan onverwijld kennis wordt genomen volgens de procedure van artikel 45, lid 2, zulks met het oog op de vaststelling van een tijdelijk MRL voor een bepaalde periode of voor het nemen van een andere maatregel met betrekking tot deze producten.

Artikel 19

Verbod op verwerkte producten en/of mengproducten

Het met het oog op verdunning verwerken en/of mengen van in bijlage I bedoelde producten die niet voldoen aan de voorschriften van artikel 18, lid 1, of artikel 20, met dezelfde of andere producten met het oog op het in de handel brengen ervan als levensmiddel of diervoeder, of het vervoederen daarvan aan dieren, is verboden.

Artikel 20

MRL's voor verwerkte producten en/of mengproducten

1.   Wanneer in de bijlagen II en III geen MRL's voor verwerkte levensmiddelen en/of gemengde levensmiddelen of diervoeders zijn vastgesteld, zijn de MRL's van toepassing die in artikel 18, lid 1, zijn vastgesteld voor het overeenkomstige product zoals bedoeld in bijlage I, rekening houdend met wijzigingen in de gehaltes van bestrijdingsmiddelenresiduen als gevolg van de verwerking en/of de menging.

2.   Specifieke concentratie- of verdunningsfactoren voor bepaalde verwerkings- en/of mengprocédés of voor bepaalde verwerkte producten en/of mengproducten kunnen volgens de in artikel 45, lid 2, bedoelde procedure worden opgenomen in bijlage VI.

HOOFDSTUK IV

BIJZONDERE BEPALINGEN BETREFFENDE DE OPNEMING VAN BESTAANDE MRL'S IN DEZE VERORDENING

Artikel 21

Eerste vaststelling van MRL's

1.   MRL's voor in bijlage I bedoelde producten worden voor de eerste keer vastgesteld en opgenomen in de lijst in bijlage II volgens de in artikel 45, lid 2, bedoelde procedure, waarin tevens de bij de Richtlijnen 86/362/EEG, 86/363/EEG en 90/642/EEG vastgestelde MRL's worden vermeld, met inachtneming van de in artikel 11, lid 2, van deze verordening vermelde criteria.

2.   Bijlage II wordt voor de eerste keer vastgesteld binnen twaalf maanden na de inwerkingtreding van deze verordening.

Artikel 22

Eerste vaststelling van tijdelijke MRL's

1.   Tijdelijke MRL's voor werkzame stoffen waarvoor nog geen besluit is genomen inzake de opneming of niet-opneming in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG, worden, tenzij zij reeds in bijlage II bij die richtlijn zijn vermeld, voor de eerste keer vastgesteld en opgenomen in de lijst in bijlage III daarbij, volgens de in artikel 45, lid 2, bedoelde procedure, rekening houdend met de door de lidstaten verstrekte informatie en, in voorkomend geval, met inachtneming van het in artikel 24 vermelde met redenen omklede advies, alsmede van de elementen bedoeld in artikel 14, lid 2, en van de volgende MRL's:

a)

de resterende MRL's in de bijlage bij Richtlijn 76/895/EEG, en

b)

de nog niet geharmoniseerde nationale MRL's.

2.   Bijlage III wordt vastgesteld binnen twaalf maanden na de inwerkingtreding van deze verordening overeenkomstig de artikelen 23, 24 en 25.

Artikel 23

Door de lidstaten te verstrekken informatie over nationale MRL's

Wanneer een werkzame stof nog niet in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG is opgenomen en een lidstaat, vóór de datum waarop bijlage I bij deze verordening in werking treedt, voor die werkzame stof een nationaal MRL heeft vastgesteld ten aanzien van een in bijlage I bij deze verordening opgenomen product, dan wel heeft besloten dat voor deze werkzame stof geen MRL vereist is, stelt de betrokken lidstaat de Commissie in een vorm en vóór een datum die moeten worden vastgesteld volgens de in artikel 45, lid 2, bedoelde procedure, in kennis van het nationale MRL of van het feit dat er voor de betrokken werkzame stof geen MRL vereist is, alsmede, indien van toepassing, op verzoek van de Commissie van:

a)

de GLP;

b)

wanneer de kritische GLP's in de lidstaat worden toegepast en beschikbaar zijn, een samenvatting van de gegevens betreffende gecontroleerde proeven en/of de gegevens van de monitoring;

c)

de aanvaardbare dagelijkse inname en, indien relevant, de acute referentiedosis die wordt gebruikt bij de nationale risicobeoordeling, alsmede het resultaat van die beoordeling.

Artikel 24

Advies van de Autoriteit over de gegevens waarop nationale MRL's zijn gebaseerd

1.   Op verzoek van de Commissie brengt de Autoriteit aan de Commissie een met redenen omkleed advies uit over potentiële risico's voor de gezondheid van de consument die toe te schrijven zijn aan:

a)

tijdelijke MRL's die mogen worden opgenomen in bijlage III;

b)

werkzame stoffen die mogen worden opgenomen in bijlage IV.

2.   Bij de opstelling van het in lid 1 bedoelde met redenen omklede advies houdt de Autoriteit rekening met de beschikbare wetenschappelijke en technische kennis, met name met de gegevens die door de lidstaten uit hoofde van artikel 23 zijn verstrekt.

Artikel 25

Vaststelling van tijdelijke MRL's

Met inachtneming van het advies van de Autoriteit, indien daarom is verzocht, kunnen tijdelijke MRL's voor de in artikel 23 bedoelde werkzame stoffen worden vastgesteld en opgenomen in de lijst in bijlage III, overeenkomstig artikel 22, lid 1, of kan, naar gelang van het geval, de werkzame stof worden opgenomen in bijlage IV, overeenkomstig artikel 5, lid 1.

HOOFDSTUK V

OFFICIËLE CONTROLES, VERSLAGEN EN SANCTIES

AFDELING 1

OFFICIËLE CONTROLES VAN MRL'S

Artikel 26

Officiële controles

1.   Onverminderd Richtlijn 96/23/EG van de Raad (15) verrichten de lidstaten officiële controles op bestrijdingsmiddelenresiduen om de naleving van deze verordening af te dwingen, overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van de communautaire wet- en regelgeving betreffende de officiële controles van levensmiddelen en diervoeders.

2.   Die controles op bestrijdingsmiddelenresiduen bestaan met name uit de bemonstering gevolgd door de analyse van de monsters en de bepaling van de aanwezige bestrijdingsmiddelen en hun respectieve residuniveau.

Artikel 27

Bemonstering

1.   Elke lidstaat neemt een voldoende aantal voldoende gespreide monsters om te garanderen dat de resultaten representatief zijn voor zijn markt, rekening houdend met de resultaten van vorige controleprogramma's. De bemonstering wordt zo dicht bij de plaats van levering uitgevoerd als redelijkerwijs mogelijk is om vervolgens de naleving van de voorschriften te kunnen afdwingen.

2.   De bemonsteringsmethoden die nodig zijn voor het uitvoeren van deze controles op bestrijdingsmiddelenresiduen in andere producten dan die welke bedoeld zijn bij Richtlijn 2002/63/EG van de Commissie (16), worden vastgesteld volgens de in artikel 45, lid 2, bedoelde procedure.

Artikel 28

Analysemethoden

1.   De analysemethoden voor bestrijdingsmiddelenresiduen moeten voldoen aan de criteria die zijn vastgesteld in de toepasselijke bepalingen van de communautaire wet- en regelgeving betreffende de officiële controles van levensmiddelen en diervoeders.

2.   Technische richtsnoeren betreffende de specifieke valideringscriteria en procedures voor de kwaliteitscontrole in verband met analysemethoden voor de bepaling van bestrijdingsmiddelenresiduen kunnen worden vastgesteld volgens de in artikel 45, lid 2, bedoelde procedure.

3.   Alle laboratoria waar monsters worden geanalyseerd in het kader van de officiële controles op bestrijdingsmiddelenresiduen, nemen deel aan de communautaire ringonderzoeken voor bestrijdingsmiddelenresiduen die door de Commissie georganiseerd worden.

AFDELING 2

COMMUNAUTAIR CONTROLEPROGRAMMA

Artikel 29

Communautair controleprogramma

1.   De Commissie stelt een gecoördineerd meerjarig communautair controleprogramma op, teneinde de blootstelling van de consument en de toepassing van de huidige wetgeving te beoordelen; daarin wordt aangegeven welke specifieke monsters moeten worden genomen in het kader van de nationale controleprogramma's en wordt rekening gehouden met de problemen die zijn geconstateerd met betrekking tot de inachtneming van de in deze verordening vastgestelde MRL's.

2.   Het communautaire controleprogramma wordt goedgekeurd en jaarlijks bijgewerkt volgens de in artikel 45, lid 2, bedoelde procedure. Het ontwerp voor een communautair controleprogramma wordt ten minste zes maanden voor het einde van elk kalenderjaar ingediend bij het in artikel 45, lid 1, genoemde comité.

AFDELING 3

NATIONALE CONTROLEPROGRAMMA'S

Artikel 30

Nationale controleprogramma's voor bestrijdingsmiddelenresiduen

1.   De lidstaten stellen meerjarige nationale controleprogramma's voor bestrijdingsmiddelenresiduen vast. Zij werken hun meerjarig programma jaarlijks bij.

De programma's zijn risicogericht en betreffen in het bijzonder de beoordeling van de blootstelling van de consument en de overeenstemming met de bestaande wetgeving. Zij moeten ten minste de volgende gegevens bevatten:

a)

de te bemonsteren producten;

b)

het aantal monsters en analyses dat moet worden genomen, respectievelijk uitgevoerd;

c)

de te analyseren bestrijdingsmiddelen;

d)

de voor het opstellen van die programma's aan te houden criteria, met name:

i)

de te selecteren combinatie bestrijdingsmiddel/product;

ii)

het aantal monsters dat respectievelijk voor binnenlandse en buitenlandse producten moet worden genomen;

iii)

het aandeel van de consumptie van de producten in het nationale voedingspatroon;

iv)

het communautair controleprogramma en

v)

de resultaten van vorige controleprogramma's.

2.   De lidstaten leggen de in lid 1 bedoelde bijgewerkte nationale controleprogramma's inzake bestrijdingsmiddelenresiduen ten minste drie maanden voor het begin van elk kalenderjaar voor aan de Commissie en de Autoriteit.

3.   De lidstaten nemen deel aan het in artikel 29 vastgestelde communautaire controleprogramma.

AFDELING 4

INFORMATIE DOOR DE LIDSTATEN EN JAARVERSLAG

Artikel 31

Informatie door de lidstaten

1.   De lidstaten verstrekken uiterlijk op 31 augustus van elk jaar de volgende informatie met betrekking tot het vorige kalenderjaar aan de Commissie, de Autoriteit en de andere lidstaten:

a)

de resultaten van de in artikel 26, lid 1, vastgestelde officiële controles;

b)

de LOD's die gelden in het kader van het in artikel 30 bedoelde nationale controleprogramma en het in artikel 29 bedoelde communautaire controleprogramma;

c)

gedetailleerde gegevens over de deelneming van analyselaboratoria aan de communautaire ringonderzoeken en andere ringonderzoeken die relevant zijn voor de combinaties bestrijdingsmiddel/product die zijn bemonsterd in het kader van het nationale controleprogramma;

d)

gedetailleerde gegevens over de accrediteringsstatus van de analyselaboratoria die bij de onder a) bedoelde controles betrokken zijn;

e)

gedetailleerde gegevens betreffende de genomen handhavingsmaatregelen, voorzover de nationale wetgeving dit toelaat.

2.   Uitvoeringsmaatregelen betreffende de verstrekking van informatie door de lidstaten kunnen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 45, lid 2, bedoelde procedure, na raadpleging van de Autoriteit.

Artikel 32

Het jaarverslag betreffende bestrijdingsmiddelenresiduen

1.   Op basis van de informatie die overeenkomstig artikel 31, lid 1, door de lidstaten wordt verstrekt, stelt de Autoriteit een jaarverslag betreffende bestrijdingsmiddelenresiduen op.

2.   De Autoriteit neemt in het communautaire jaarverslag ten minste de volgende informatie op:

a)

een analyse van de resultaten van de controles, zoals bedoeld in artikel 36, lid 2;

b)

een verklaring omtrent de mogelijke redenen waarom de MRL's zijn overschreden, vergezeld van dienstige opmerkingen omtrent mogelijkheden voor het risicobeheer;

c)

een analyse van de chronische en acute risico's van bestrijdingsmiddelenresiduen voor de gezondheid van de consument;

d)

een beoordeling van de blootstelling van de consument aan bestrijdingsmiddelenresiduen, die gebaseerd is op de onder a) bedoelde informatie, dan wel op enige andere beschikbare informatie, inclusief de uit hoofde van Richtlijn 96/23/EG voorgelegde verslagen.

3.   Wanneer een lidstaat geen informatie heeft verstrekt overeenkomstig artikel 31, kan de Autoriteit beslissen om bij het opstellen van het jaarverslag geen rekening te houden met de informatie betreffende die lidstaat.

4.   De vorm van het jaarverslag kan worden vastgesteld volgens de in artikel 45, lid 2, bedoelde procedure.

5.   De Autoriteit legt het jaarverslag uiterlijk op de laatste dag van februari van elk jaar voor aan de Commissie.

6.   In het jaarverslag kan een advies worden opgenomen over de bestrijdingsmiddelen die in toekomstige verslagen moeten worden bestreken.

7.   De Autoriteit maakt het jaarverslag en eventuele opmerkingen van de Commissie of de betrokken lidstaat openbaar.

Artikel 33

Indiening van het jaarverslag betreffende bestrijdingsmiddelenresiduen bij het comité

De Commissie legt het jaarverslag betreffende bestrijdingsmiddelenresiduen onverwijld voor aan het in artikel 45, lid 1, genoemde comité, dat advies uitbrengt en aanbevelingen doet over eventuele maatregelen die moeten worden genomen naar aanleiding van in het verslag genoemde overtredingen met betrekking tot de in de bijlagen II en III opgenomen MRL's.

AFDELING 5

SANCTIES

Artikel 34

Sancties

De lidstaten dienen regels vast te stellen met betrekking tot de sancties die van toepassing zijn op schendingen van de bepalingen van deze verordening, en alle nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat deze worden toegepast. De getroffen sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

De lidstaten stellen de Commissie onverwijld in kennis van deze regels en van alle wijzigingen daarvan.

HOOFDSTUK VI

NOODMAATREGELEN

Artikel 35

Noodmaatregelen

De artikelen 53 en 54 van Verordening (EG) nr. 178/2002 zijn van toepassing wanneer, als gevolg van nieuwe informatie of van een nieuwe beoordeling van bestaande informatie, bestrijdingsmiddelenresiduen of MRL's waarop deze verordening van toepassing is, een gevaar kunnen betekenen voor de gezondheid van mens of dier en onmiddellijke maatregelen vereisen.

HOOFSTUK VII

STEUNMAATREGELEN MET BETREKKING TOT GEHARMONISEERDE MRL'S VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN

Artikel 36

Steunmaatregelen in verband met geharmoniseerde MRL's van bestrijdingsmiddelen

1.   Op communautair niveau worden steunmaatregelen in verband met geharmoniseerde MRL's van bestrijdingsmiddelen vastgesteld; dat systeem omvat:

a)

een geconsolideerd gegevensbestand voor communautaire wetgeving inzake MRL's van bestrijdingsmiddelenresiduen en voor het bekendmaken van dergelijke informatie;

b)

communautaire ringonderzoeken zoals bedoeld in artikel 28, lid 3, en artikel 31, lid 1, onder d);

c)

onderzoek en andere maatregelen ter voorbereiding en ontwikkeling van de wetgeving en de technische voorschriften inzake bestrijdingsmiddelenresiduen;

d)

onderzoek dat nodig is voor het ramen van de blootstelling van consumenten en dieren aan bestrijdingsmiddelenresiduen;

e)

onderzoek ter ondersteuning van controlelaboratoria waar de vastgestelde MRL's niet met analytische methoden gecontroleerd kunnen worden.

2.   Eventuele uitvoeringsbepalingen betreffende de in lid 1 bedoelde maatregelen kunnen volgens de in artikel 45, lid 2, bedoelde procedure worden vastgesteld.

Artikel 37

Communautaire bijdrage aan de steunmaatregelen voor geharmoniseerde MRL's van bestrijdingsmiddelen

1.   De Gemeenschap kan een financiële bijdrage tot 100 % van de kosten voor de in artikel 36 bedoelde maatregelen verlenen.

2.   De kredieten worden elk begrotingsjaar toegestaan in het kader van de begrotingsprocedure.

HOOFDSTUK VIII

COÖRDINATIE VAN AANVRAGEN INZAKE MRL'S

Artikel 38

Aanwijzing van nationale autoriteiten

Elke lidstaat wijst één of meer nationale autoriteiten aan voor de coördinatie van de samenwerking met de Commissie, de Autoriteit, andere lidstaten, fabrikanten, producenten en telers in het kader van deze verordening. Wanneer een lidstaat meer dan één autoriteit aanwijst, deelt hij mee welke autoriteit als contactpunt fungeert.

De nationale autoriteiten kunnen taken delegeren aan andere organen.

Elke lidstaat deelt de Commissie en de Autoriteit de namen en de adressen mee van de aangewezen nationale autoriteiten.

Artikel 39

Coördinatie door de Autoriteit van informatie over MRL's

De Autoriteit:

a)

zorgt voor de nodige coördinatie met de overeenkomstig Richtlijn 91/414/EEG voor een werkzame stof als rapporteur aangewezen lidstaat;

b)

zorgt voor de nodige coördinatie met de lidstaten en de Commissie met betrekking tot MRL's, met name teneinde te voldoen aan de voorschriften van artikel 41.

Artikel 40

Door de lidstaten te verstrekken informatie

De lidstaten stellen de Autoriteit op haar verzoek in kennis van alle beschikbare informatie die nodig is voor de beoordeling van de veiligheid van MRL's.

Artikel 41

Gegevensbestand van de Autoriteit inzake MRL's

Onverminderd de in de communautaire en de nationale wetgeving opgenomen bepalingen inzake de toegang tot documenten, ontwikkelt en onderhoudt de Autoriteit een gegevensbestand dat toegankelijk is voor de Commissie en de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en waarin de relevante wetenschappelijke informatie en de GLP met betrekking tot de in de bijlagen II, III, IV en VII vermelde MRL's, werkzame stoffen en verwerkingsfactoren zijn opgenomen. Het bestand bevat met name gegevens inzake de evaluaties van voedselinnames, de verwerkingsfactoren en de toxicologische eindpunten.

Artikel 42

De lidstaten en retributies

1.   De lidstaten kunnen de kosten verbonden aan de opstelling, wijziging of schrapping van MRL's, of de kosten die verbonden zijn aan andere werkzaamheden uit hoofde van de verplichtingen van deze verordening, in de vorm van een retributie of vergoeding terugvorderen.

2.   De lidstaten zien erop toe dat de in lid 1 bedoelde retributie of vergoeding:

a)

op transparante wijze wordt vastgesteld en

b)

overeenkomt met de werkelijke kosten van het verrichte werk.

Zij kunnen voor de in lid 1 bedoelde werkzaamheden ook een tabel met forfaitaire, op de gemiddelde kosten gebaseerde vergoedingen vaststellen.

HOOFDSTUK IX

UITVOERING

Artikel 43

Wetenschappelijk advies van de Autoriteit

De Autoriteit kan door de Commissie of de lidstaten worden verzocht om een wetenschappelijk advies over elke maatregel met betrekking tot de beoordeling van risico's in het kader van deze verordening. De Commissie kan aangeven binnen welke termijn een dergelijk advies moet worden uitgebracht.

Artikel 44

Procedure voor de aanneming van het advies van de Autoriteit

1.   Wanneer voor adviezen van de Autoriteit overeenkomstig deze verordening uitsluitend wetenschappelijke of technische werkzaamheden vereist zijn waarbij algemeen aanvaarde wetenschappelijke of technische beginselen worden toegepast, kunnen deze adviezen door de Autoriteit worden verstrekt zonder dat het wetenschappelijk comité of de wetenschappelijke panels bedoeld in artikel 28 van Verordening (EG) nr. 178/2002 worden geraadpleegd, tenzij de Commissie of een lidstaat daartegen bezwaar maakt.

2.   In de toepassingsregels overeenkomstig artikel 29, lid 6, onder a), van Verordening (EG) nr. 178/2002 wordt vermeld in welke gevallen lid 1 van dit artikel van toepassing is.

Artikel 45

Comitologie

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 58 van Verordening (EG) nr. 178/2002 ingestelde Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid (hierna „het comité” genoemd).

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

3.   Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 46

Uitvoeringsmaatregelen

Volgens de in artikel 45, lid 2, bedoelde procedure en, in voorkomend geval, met inachtneming van het advies van de Autoriteit kunnen worden vastgesteld of gewijzigd:

a)

uitvoeringsmaatregelen met het oog op de uniforme toepassing van deze verordening;

b)

de in artikel 23, artikel 29, lid 3, artikel 30, lid 2, artikel 31, lid 1, en artikel 32, lid 5, bedoelde gegevens;

c)

technische richtsnoeren zoals hulpmiddel bij de toepassing van deze verordening;

d)

uitvoeringsbepalingen inzake wetenschappelijke gegevens die vereist zijn voor de vaststelling van MRL's.

Artikel 47

Verslag over de uitvoering van deze verordening

Binnen tien jaar na de inwerkingtreding van deze verordening dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de uitvoering ervan, zo nodig vergezeld van voorstellen.

HOOFDSTUK X

SLOTBEPALINGEN

Artikel 48

Intrekking en aanpassing van de wetgeving

1.   De Richtlijnen 76/895/EEG, 86/362/EEG, 86/363/EEG en 90/642/EEG worden bij deze ingetrokken met ingang van de in artikel 50, tweede alinea, bedoelde datum.

2.   Artikel 4, lid 1, onder f), van Richtlijn 91/414/EEG wordt vervangen door:

„f)

De MRL's in de landbouwproducten die het voorwerp zijn van het in de toelating vermelde gebruik zijn, in voorkomend geval, vastgesteld of gewijzigd in overeenstemming met Verordening (EG) nr..../2005 van het Europees Parlement en de Raad (17).

Artikel 49

Overgangsmaatregelen

1.   De voorschriften van hoofdstuk III zijn niet van toepassing op producten die vóór de in artikel 50, tweede alinea, bedoelde datum rechtmatig zijn geproduceerd of ingevoerd in de Gemeenschap.

Teneinde een hoog niveau van consumentenbescherming te waarborgen, kunnen evenwel volgens de in artikel 45, lid 2, bedoelde procedure passende maatregelen met betrekking tot deze producten worden genomen.

2.   Voorzover zulks nodig is om de producten op een normale wijze in de handel te brengen, te verwerken en te consumeren, mogen andere overgangsmaatregelen worden vastgesteld voor de toepassing van bepaalde MRL's zoals bedoeld in de artikelen 15, 16, 21, 22 en 25.

Deze maatregelen, die niets afdoen aan de verplichting om voor een hoog niveau van consumentenbescherming te zorgen, worden vastgesteld volgens de in artikel 45, lid 2, bedoelde procedure.

Artikel 50

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

De hoofdstukken II, III en V worden zes maanden na de bekendmaking van de laatste van de verordeningen tot vaststelling van de bijlagen I, II, III en IV toegepast.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, …

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

Voor de Raad

De voorzitter


(1)  PB C 234 van 30.9.2003, blz. 33.

(2)  Advies van het Europees Parlement van 20 april 2004(PB C 104 E van 30.4.2004), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 19 juli 2004 en standpunt van het Europees Parlement van ….

(3)  PB L 340 van 9.12.1976, blz. 26. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 807/2003 (PB L 122 van 16.5.2003, blz. 36).

(4)  PB L 221 van 7.8.1986, blz. 37. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/61/EG van de Commissie (PB L 127 van 29.4.2004, blz. 81).

(5)  PB L 221 van 7.8.1986, blz. 43. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/61/EG.

(6)  PB L 350 van 14.12.1990, blz. 71. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/61/EG.

(7)  PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/71/EG van de Commissie (PB L 127 van 29.4.2004, blz. 14).

(8)  PB L 33 van 8.2.1979, blz. 36. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 807/2003.

(9)  PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1.Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1642/2003 (PB L 245 van 29.9.2003, blz. 4).

(10)  PB L 140 van 30.5.2002, blz. 10. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2003/100/EG van de Commissie (PB L 285 van 1.11.2003, blz. 33).

(11)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(12)  PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1.

(13)  PB L 224 van 18.8.1990, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 546/2004 van de Commissie (PB L 87 van 25.3.2004, blz. 13).

(14)  PB L 169 van 10.7.2000, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/70/EG van de Commissie (PB L 127 van 29.4.2004, blz. 97).

(15)  PB L 125 van 23.5.1996, blz. 10. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 806/2003 (PB L 122 van 16.5.2003, blz. 1).

(16)  PB L 187 van 16.7.2002, blz. 30.

(17)  PB L … van …, blz. ..”.


MOTIVERING VAN DE RAAD

I.   INLEIDING

Op 14 maart 2003 heeft de Raad van de Commissie een voorstel ontvangen voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in producten van plantaardige en van dierlijke oorsprong.

Het Europees Parlement heeft zijn advies in eerste lezing op 20 april 2004 aangenomen. Het Economisch en Sociaal Comité heeft zijn advies op 16 juli 2003 aangenomen.

De Raad heeft zijn gemeenschappelijk standpunt op 19 juli 2004 vastgesteld, overeenkomstig de procedure van artikel 251 van het Verdrag.

II.   DOELSTELLINGEN

In dit voorstel wordt de Europese wetgeving betreffende bestrijdingsmiddelen onder handen genomen en gestroomlijnd doordat één enkele verordening in de plaats komt van vier bestaande richtlijnen van de Raad. Het doel van de nieuwe, geharmoniseerde bepalingen is tweeledig: de handel binnen de interne markt en met derde landen vergemakkelijken, waarbij in sommige gevallen invoertoleranties worden toegestaan aan handelaren die naar de Europese Unie uitvoeren, en een consistent niveau van consumentenbescherming in heel de Gemeenschap garanderen. In het voorstel wordt tevens plaats ingeruimd voor de rol van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) op dit gebied. Volgens de nieuwe bepalingen, zoals deze door de Raad zijn gewijzigd, zouden de MRL's na een overgangsperiode uitsluitend op Gemeenschapsniveau worden vastgesteld via een procedure waarbij de lidstaten de noodzaak van een MRL beoordelen en een evaluatieverslag aan de Commissie voorleggen. De EFSA zou verantwoordelijk zijn voor de risicobeoordeling op basis van het evaluatieverslag van de lidstaat en de van de aanvragers ontvangen gegevens, terwijl de Commissie het risicobeheer voor haar rekening zou nemen door MRL's vast te stellen.

III.   ANALYSE VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT

A.   ALGEMENE OPMERKINGEN

Het gemeenschappelijk standpunt van de Raad stemt grosso modo overeen met de standpunten van de Commissie en het Parlement, aangezien het:

een bevestiging vormt van de doelstellingen en van de meeste regelingen die door de Commissie zijn voorgesteld en door het Europees Parlement werden gesteund;

een groot aantal van de door het Europees Parlement in eerste lezing aangenomen amendementen bevat.

Meer in het bijzonder heeft de Raad ingestemd met een reeks amendementen van het Parlement die moeten zorgen voor een vlotte werking van de nieuwe procedures en voor meer samenhang tussen de nieuwe verordening en andere communautaire wetgeving. Daarnaast heeft de Raad het wenselijk geoordeeld extra wijzigingen aan te brengen om, bijvoorbeeld, de lidstaten in staat te stellen soepel om te gaan met MRL-overschrijdingen die zich in sommige uitzonderlijke gevallen voordoen. De Raad heeft tevens delen van de verordeningstekst anders geordend en ingedeeld, teneinde klaarheid te scheppen over de rol van de lidstaten, de EFSA en de Commissie en een scheiding aan te brengen tussen de overgangsbepalingen en de standaardprocedures volgens de nieuwe regeling. Ook werd een aantal technische en redactionele wijzigingen aangebracht.

B.   SPECIFIEKE OPMERKINGEN

a)   Aanvraagprocedure: De rol van de EFSA en die van de lidstaten

De Commissie heeft in haar voorstel een exclusieve rol toegekend aan de EFSA voor de wetenschappelijke evaluatie en het vaststellen van MRL's. De Raad was het evenwel met het Parlement eens dat de lidstaten een voorafgaande analyse van de MRL-aanvragen dienen te verrichten overeenkomstig de vastgestelde procedures krachtens Richtlijn 91/414/EEG. Bovendien vond ook de Raad dat een afschrift van de door de lidstaten ontvangen MRL-aanvragen onmiddellijk aan de Commissie en aan de EFSA moet worden toegezonden (artikel 8).

b)   Procedure voor het routinewerk van de EFSA

Gelet op de te verwachten zware werklast voor de EFSA heeft de Raad een nieuw artikel ingevoerd waarvan het doel is te voorkomen dat wetenschappelijke instanties onnodig worden geraadpleegd over routineaangelegenheden, dat wil zeggen in gevallen waarin de EFSA adviezen uitbrengt die louter zijn gebaseerd op algemeen aanvaarde wetenschappelijke beginselen (artikel 44). Deze bepaling is analoog aan artikel 31 van Verordening (EG) nr. 178/2002.

c)   Bestuursrechtelijke toetsing

Er werd een nieuw artikel toegevoegd teneinde te voorzien in een bepaalde toegang tot de rechter in verband met beslissingen van de EFSA, en ook indien de EFSA nalatig is (artikel 13).

d)   Tijdsbestek en overgang naar de nieuwe procedures

Met het oog op een vlotte overgang naar de nieuwe bepalingen heeft de Raad, net als het Parlement, specifieke termijnen gekozen voor de voltooiing van de belangrijkste technische bijlagen, die zullen bestaan uit een lijst van geharmoniseerde MRL's (bijlage II), een lijst van geharmoniseerde tijdelijke MRL's (bijlage III) en een lijst van werkzame stoffen waarvoor geen MRL's zijn vereist (bijlage IV). Met hetzelfde doel voor ogen heeft de Raad tevens een uiterste datum in de tekst opgenomen voor het opstellen van de bijlage met de producten waarop geharmoniseerde MRL's van toepassing zullen zijn (bijlage I). De Raad was het eens met het Parlement dat de verordening pas volledig van toepassing mag worden wanneer de cruciale bijlagen zijn opgesteld (artikelen 4, 5, 21, 22 en 50).

e)   Mogelijkheid om de geldigheid van tijdelijke MRL's te verlengen

Teneinde een vlotte overgang naar een volledige geharmoniseerde regeling te vergemakkelijken (bijvoorbeeld wanneer lidstaten te kennen geven dat er extra tijd nodig is om wetenschappelijk onderzoek naar op nationaal niveau toegestane stoffen te voltooien), heeft de Raad beslist dat het mogelijk moet zijn tijdelijke MRL's, die normaal voor één jaar gelden, in bepaalde gevallen gedurende maximaal nog eens drie jaar in bijlage III te handhaven (artikel 15).

f)   Het gebruik van bestrijdingsmiddelen voor behandeling na de oogst

Er werd een afwijking ingevoerd om het mogelijk te maken dat producten na de oogst met een fumigatiemiddel behandeld worden (bijvoorbeeld om ze tijdens de opslag en het vervoer tegen ziekten te beschermen, wat tot een tijdelijke overschrijding van MRL's kan leiden, zolang de producten opgeslagen zijn, dan wel op douanevervoer wachten) (artikel 18, lid 3).

g)   Het gebruik van bestrijdingsmiddelen in uitzonderlijke omstandigheden

Teneinde rekening te houden met uitzonderlijke omstandigheden (bijvoorbeeld wanneer in een noodgeval het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel vereist is om een ziekte te bestrijden overeenkomstig artikel 8, lid 4, van Richtlijn 91/414/EEG), werden er bepalingen voor noodgevallen opgenomen waarbij een lidstaat op zijn grondgebied het op de markt brengen en/of het voederen van dieren kan toestaan met levensmiddelen of diervoeders die niet voldoen aan de in de verordening vastgelegde MRL's. Deze vergunningen dienen onmiddellijk te worden meegedeeld aan de andere lidstaten, de Commissie en de EFSA, met het oog op de vaststelling van tijdelijke MRL's en het nemen van eventuele andere noodzakelijke maatregelen. Dergelijke machtigingen kunnen enkel worden verleend op voorwaarde dat de behandelde levensmiddelen of diervoeders geen onaanvaardbaar risico voor de consumenten vormen (artikel 18, lid 4).

h)   Definities

Bij het herformuleren van de tekst om de juridische duidelijkheid te verbeteren, heeft de Raad twee nieuwe definities toegevoegd, namelijk „kritische GLP” (d.w.z. de goede landbouwpraktijk die overeenkomstig de verordening de basis vormt voor een geharmoniseerde MRL) en „CXL” (d.w.z. een door de Commissie van de Codex Alimentarius vastgestelde MRL) en heeft hij de definitie van „mengproduct” geschrapt. Bovendien heeft de Raad op advies van het Europees Parlement de definitie van „bestrijdingsmiddelenresiduen” verduidelijkt (artikel 3).

i)   Technische en redactionele wijzigingen

Er werd nog een reeks andere wijzigingen, met inbegrip van technische aanpassingen en verduidelijkingen, aangebracht.

j)   Amendementen die de Raad niet aanvaardt

Verder beraad is met name vereist over vraagstukken in verband met risicobeoordeling en bepalingen betreffende het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, die worden behandeld in een reeks amendementen van het Parlement waarmee de Raad in dit stadium niet kan instemmen. Het betreft in het bijzonder de wijze van beoordeling van de blootstelling in verband met het bepalen van de MRL, overwegingen in verband met de meest geëigende wijze van informatieverstrekking aan het publiek, en de opstelling van bepalingen betreffende goede landbouwpraktijken en een goede beheersing van plagen.


1.2.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 25/19


GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT (EG) Nr. 2/2005

vastgesteld door de Raad op 24 september 2004

met het oog op de aanneming van Besluit nr. …/2005/EG van het Europees Parlement en de Raad van … tot vaststelling van een meerjarenprogramma van de Gemeenschap ter verbetering van de toegankelijkheid, het nut en de exploiteerbaarheid van digitale inhoud in Europa

(Voor de EER relevante tekst)

(2005/C 25E/02)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 157, lid 3,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De ontwikkeling van de informatiemaatschappij en de opkomst van breedband zullen gevolgen hebben voor het leven van elke burger in de Europese Unie, onder meer omdat zij de toegankelijkheid van kennis en nieuwe vormen van kennisverwerving stimuleren, waardoor de vraag naar nieuwe inhoud, toepassingen en diensten stijgt.

(2)

De internetpenetratie in de Gemeenschap groeit nog steeds in hoog tempo. De door het internet geboden mogelijkheden moeten worden benut om elk individu en elke organisatie in de Gemeenschap de maatschappelijke en economische voordelen van informatie- en kennisoverdracht te bieden. In Europa is nu de weg vrijgemaakt voor de benutting van het potentieel van digitale inhoud.

(3)

In de conclusies van de Europese Raad van Lissabon van 23 en 24 maart 2000 werd er de nadruk op gelegd dat de overgang naar een digitale kenniseconomie onder invloed van nieuwe goederen en diensten een sterke motor zal zijn voor groei, concurrentievermogen en werkgelegenheid. Bovendien werd uitdrukkelijk erkend dat de inhoudindustrie een meerwaarde schept door de Europese culturele diversiteit te exploiteren en via netwerken te verspreiden.

(4)

In het actieplan e-Europa 2005, waarin de strategie van Lissabon wordt uitgewerkt, wordt opgeroepen tot acties die de opkomst van veilige, via breedbandnetwerken te leveren diensten, toepassingen en inhoud moeten stimuleren om aldus een gunstig klimaat voor particuliere investeringen en het creëren van nieuwe banen te scheppen, de productiviteit te verhogen, overheidsdiensten te moderniseren en iedereen de gelegenheid te geven een rol te spelen in de wereldwijde informatiemaatschappij.

(5)

In Europa is er een duidelijk toenemende vraag naar digitale inhoud van hoge kwaliteit, met evenwichtige toegangs- en gebruikersrechten voor een brede gemeenschap: burgers, studenten, onderzoekers, kleine en middelgrote ondernemingen en andere zakelijke gebruikers, of mensen met specifieke behoeften, die hun kennis willen vergroten, of „hergebruikers” die digitale inhoudbronnen willen benutten om nieuwe diensten te creëren.

(6)

Deelnemers op de markt voor digitale inhoud zijn aanbieders van inhoud (met inbegrip van openbare en particuliere organisaties en instellingen die digitale inhoud creëren, verzamelen of bezitten) en gebruikers van inhoud (met inbegrip van organisaties en bedrijven die als eindgebruikers digitale inhoud hergebruiken en/of daar een meerwaarde aan geven). Bijzondere aandacht moet worden besteed aan de deelneming van het midden- en kleinbedrijf.

(7)

Het programma e-Inhoud (2001-2004), aangenomen bij Beschikking 2001/48/EG van de Raad (3), heeft de ontwikkeling en het gebruik van Europese digitale inhoud op internet en de taaldiversiteit van Europese websites in de informatiemaatschappij bevorderd. In de mededeling van de Commissie van 10 oktober 2003 betreffende de tussentijdse evaluatie van het programma e-Inhoud wordt het belang van maatregelen op dit gebied bevestigd.

(8)

Door het voortschrijden van de technologie is het mogelijk om inhoud een meerwaarde te geven in de vorm van ingebedde kennis en om de interoperabiliteit op dienstenniveau te verbeteren, hetgeen fundamenteel is voor de toegang tot en de verspreiding van digitale inhoud. Dit geldt met name voor de sectoren van algemeen belang waarop dit programma zich moet richten.

(9)

Het bevorderen van solide bedrijfsmodellen zal de continuïteit van de in het kader van het programma opgestarte projecten ten goede komen en aldus betere voorwaarden scheppen voor een groter economisch rendement van diensten die zijn gebaseerd op toegang tot en hergebruik van digitale inhoud.

(10)

Er wordt een regelgevingskader gedefinieerd om in te spelen op de uitdagingen van digitale inhoud in de informatiemaatschappij (4)  (5)  (6).

(11)

Door uiteenlopende praktijken in de lidstaten blijven er technische belemmeringen bestaan voor grootschalige toegang, gebruik, hergebruik en exploitatie van overheidsinformatie in de Gemeenschap.

(12)

Wanneer digitale inhoud ook betrekking heeft op persoonsgegevens, dienen de Richtlijnen 95/46/EG (7) en 2002/58/EG (8) van het Europees Parlement en de Raad in acht te worden genomen en moet de technologie de privacy eerbiedigen en, waar mogelijk, verhogen.

(13)

Acties van de Gemeenschap ten aanzien van de inhoud van informatie dienen het meertalige en multiculturele karakter van de Gemeenschap te versterken.

(14)

De voor de uitvoering van dit besluit vereiste maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (9).

(15)

De Commissie dient zorg te dragen voor de complementariteit en synergie met verwante initiatieven en programma's van de Gemeenschap, in het bijzonder die op het gebied van onderwijs en cultuur en het Europese interoperabiliteitskader.

(16)

Bij dit besluit wordt voor de totale duur van het programma een financieel kader vastgesteld dat voor de begrotingsautoriteit in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure het voornaamste referentiepunt zal zijn in de zin van punt 33 van het Interinstitutioneel Akkoord van 6 mei 1999 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en de verbetering van de begrotingsprocedure (10).

(17)

Aangezien de doelstellingen van de voorgestelde actie, namelijk de verbetering van de toegankelijkheid, het nut en de exploiteerbaarheid van digitale inhoud in Europa, wegens het transnationale karakter van de onderliggende vraagstukken niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve, wegens de Europese dimensie en gevolgen van de actie, beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap maatregelen vaststellen overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel van artikel 5 van het Verdrag. Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel zoals opgenomen in dat artikel gaat dit besluit niet verder dan hetgeen nodig is om deze doelstellingen te bereiken,

BESLUITEN:

Artikel 1

Doelstelling van het programma

1.   Bij dit besluit wordt een programma van de Gemeenschap voor de periode 2005-2008 vastgesteld dat de toegankelijkheid, het nut en de exploiteerbaarheid van digitale inhoud in Europa moet verbeteren om aldus de ontwikkeling en verspreiding van informatie - op gebieden van algemeen belang - op het niveau van de Gemeenschap te bevorderen.

Het programma wordt het „e-Inhoud-plus”-programma genoemd (hierna „het programma” te noemen).

2.   Om de algemene doelstelling van het programma te verwezenlijken, worden de volgende actielijnen gevolgd:

a)

bevordering op communautair niveau van de toegankelijkheid, het nut en de exploitatie van digitale inhoud;

b)

bevordering van kwaliteitsverbetering en stimulering van de beste praktijken in verband met digitale inhoud onder aanbieders van inhoud en gebruikers, in alle sectoren;

c)

verbetering van de samenwerking tussen en voorlichting aan marktdeelnemers op het gebied van digitale inhoud.

Zoals aangegeven in bijlage I zijn de in het kader van deze actielijnen te verrichten activiteiten gericht op de doelgebieden overheidsinformatie, ruimtelijke informatie, en educatieve, culturele en wetenschappelijke inhoud. Het programma wordt uitgevoerd overeenkomstig bijlage II.

Artikel 2

Deelname

1.   Deelname aan het programma staat open voor in de lidstaten gevestigde juridische eenheden. In de kandidaat-lidstaten gevestigde juridische eenheden kunnen eveneens aan het programma deelnemen overeenkomstig bestaande of te sluiten bilaterale overeenkomsten met die landen.

2.   Deelname aan het programma is mogelijk voor juridische eenheden die gevestigd zijn in EVA-landen die partij zijn bij de EER-overeenkomst, zulks in overeenstemming met het bepaalde in die overeenkomst.

3.   Deelname aan het programma zonder financiële steun van de Gemeenschap is mogelijk voor in derde landen gevestigde juridische eenheden en internationale organisaties, op voorwaarde dat deze deelname werkelijk bijdraagt tot de uitvoering van het programma. Een besluit daarover wordt genomen overeenkomstig de in artikel 4, lid 2, bedoelde procedure.

Artikel 3

Bevoegdheden van de Commissie

1.   De Commissie is verantwoordelijk voor de uitvoering van het programma.

2.   De Commissie stelt op basis van dit besluit een werkprogramma op.

3.   Bij de uitvoering van het programma zorgt de Commissie in nauwe samenwerking met de lidstaten voor de algehele samenhang en complementariteit met andere communautaire beleidsmaatregelen, programma's en acties die van invloed zijn op de ontwikkeling en het gebruik van Europese digitale inhoud en de bevordering van taalkundige verscheidenheid in de informatiemaatschappij, meer in het bijzonder met de communautaire programma's voor onderzoek en technologische ontwikkeling IDA, eTen, e-insluiting, e-leren, Modinis en veiliger internet.

4.   De Commissie neemt volgens de procedure van artikel 4, lid 2, een besluit over de volgende aangelegenheden:

a)

goedkeuring en wijziging van het werkprogramma;

b)

bepaling van de criteria voor en de inhoud van uitnodigingen tot het indienen van voorstellen overeenkomstig de doelstelling van artikel 1;

c)

beoordeling van de projecten die in het kader van uitnodigingen tot het indienen van voorstellen worden ingediend voor communautaire financiering met een geraamde communautaire bijdrage van 1 miljoen EUR of meer;

d)

afwijkingen van de regels van bijlage II.

5.   De Commissie houdt het comité van artikel 4 op de hoogte van de voortgang bij de uitvoering van het programma.

Artikel 4

Comité

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 4 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 4, lid 3, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

3.   Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 5

Toezicht en evaluatie

1.   Om te waarborgen dat de steun van de Gemeenschap doeltreffend wordt aangewend, draagt de Commissie er zorg voor dat de acties uit hoofde van dit besluit vooraf beoordeeld, tijdens de uitvoering gevolgd en achteraf geëvalueerd worden.

2.   De Commissie houdt toezicht op de uitvoering van projecten in het kader van dit programma. De Commissie evalueert de wijze waarop de projecten zijn uitgevoerd en het effect ervan om na te gaan of de oorspronkelijke doelstellingen zijn bereikt.

3.   De Commissie legt uiterlijk medio 2006 een verslag over de uitvoering van de in artikel 1, lid 2, bedoelde actielijnen voor aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's. Daarin deelt de Commissie mee of de bedragen voor 2007-2008 binnen de financiële vooruitzichten blijven. In voorkomend geval neemt de Commissie de nodige maatregelen in het kader van de begrotingsprocedures voor 2007-2008 om te waarborgen dat de jaarlijkse toewijzingen binnen de financiële vooruitzichten blijven. De Commissie dient na afloop van het programma een definitief evaluatieverslag in.

4.   De Commissie doet het Europees Parlement en de Raad de resultaten van haar kwantitatieve en kwalitatieve evaluaties toekomen tezamen met alle passende voorstellen tot wijziging van dit besluit. De resultaten worden voorgelegd vóór de indiening van de ontwerp-begrotingen voor de jaren 2007 en 2009.

Artikel 6

Financieel kader

1.   Het financiële kader voor de uitvoering van de acties van de Gemeenschap krachtens dit besluit voor de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2008 bedraagt 135 miljoen EUR, waarvan 55,6 miljoen EUR voor de periode tot en met 31 december 2006.

2.   Voor de periode na 31 december 2006 wordt het bedrag geacht te zijn bevestigd indien het in deze fase binnen de financiële vooruitzichten blijft die gelden voor de periode die in 2007 begint.

3.   De jaarlijkse toewijzingen voor de periode van 2005 tot en met 2008 worden door de begrotingsautoriteit toegestaan binnen de grenzen van de financiële vooruitzichten. In bijlage III staat een indicatieve verdeling van de uitgaven.

Gedaan te Brussel, …

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

Voor de Raad

De voorzitter


(1)  PB C 117 van 30.4.2004, blz. 49.

(2)  Advies van het Europees Parlement van 22 april 2004 (PB C 104 E van 30.4.2004), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 24 september 2004 en standpunt van het Europees Parlement van ....

(3)  PB L 14 van 18.1.2001, blz. 32.

(4)  Richtlijn 2003/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 inzake het hergebruik van overheidsinformatie (PB L 345 van 31.12.2003, blz. 90).

(5)  Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB L 167 van 22.6.2001, blz. 10).

(6)  Richtlijn 96/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 1996 betreffende de rechtsbescherming van databanken (PB L 77 van 27.3.1996, blz. 20).

(7)  PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31. Richtlijn gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).

(8)  PB L 201 van 31.7.2002, blz. 37.

(9)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(10)  PB C 172 van 18.6.1999, blz. 1. Akkoord gewijzigd bij Besluit 2003/429/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 147 van 14.6.2003, blz. 25).


BIJLAGE I

ACTIES

I.   INLEIDING

De algemene doelstelling van e-Inhoud-plus is de toegankelijkheid, het nut en de exploiteerbaarheid van digitale inhoud in Europa te verbeteren om aldus de ontwikkeling en verspreiding van informatie - op gebieden van algemeen belang - op het niveau van de Gemeenschap te bevorderen.

Het moet betere voorwaarden scheppen voor de ontsluiting en het beheer van digitale inhoud en diensten in een meertalige en multiculturele omgeving. Het moet de keuzemogelijkheden van de gebruiker verruimen en ondersteuning bieden voor de nieuwe interactieve gebruiksmogelijkheden van digitale inhoud waarin extra kennisniveaus verwerkt zijn, een inmiddels welhaast essentieel element om inhoud dynamischer te maken en beter op een specifieke context (leren, cultuur, mensen met specifieke behoeften, enz.) af te stemmen.

Het programma moet de weg effenen voor een gestructureerd kader voor digitale inhoud van hoge kwaliteit in Europa - de Europese digitale-inhoudruimte - door de uitwisseling van ervaringen en goede praktijken en kruisbestuiving tussen inhoudsectoren, aanbieders van inhoud en gebruikers te stimuleren.

Er staan drie soorten maatregelen op het programma:

a)

bevordering op communautair niveau van de toegankelijkheid, het nut en de exploitatie van digitale inhoud;

b)

bevordering van kwaliteitsverbetering en stimulering van de beste praktijken in verband met digitale inhoud onder aanbieders van inhoud en gebruikers, in alle sectoren;

c)

verbetering van de samenwerking tussen en voorlichting aan marktdeelnemers op het gebied van digitale inhoud.

II.   ACTIELIJNEN

A.   Bevordering op communautair niveau van de toegankelijkheid, het nut en de exploitatie van digitale inhoud

De in het kader van deze actielijnen te verrichten activiteiten omvatten de vorming van netwerken en allianties tussen de diverse marktdeelnemers om de ontwikkeling van nieuwe diensten te bevorderen.

Doelgebieden zijn overheidsinformatie, ruimtelijke informatie, leren en culturele inhoud.

De nadruk zal komen te liggen op:

a)

bevordering van een groter bewustzijn van het belang, de commerciële waarde en de maatschappelijke implicaties van overheidsinformatie. De activiteiten zullen het daadwerkelijke gebruik en de exploitatie van overheidsinformatie over de grenzen heen tussen openbare instanties en particuliere organisaties, met inbegrip van het midden- en kleinbedrijf (MKB), voor informatieproducten en -diensten met een toegevoegde waarde bevorderen;

b)

bevordering van een ruimer gebruik van ruimtelijke informatie door overheidsinstanties, particuliere bedrijven, met inbegrip van het MKB, en burgers door middel van samenwerkingsmechanismen op Europees niveau. Bij de activiteiten dient zowel op de technische als op de organisatorische aspecten te worden ingegaan en te worden vermeden dat territoriale gegevensbestanden elkaar overlappen of onvoldoende ontwikkeld worden. Daarbij dient de grensoverschrijdende interoperabiliteit te worden gestimuleerd zodat coördinatie tussen cartografische bureaus mogelijk wordt en op Europees niveau nieuwe diensten voor mobiele gebruikers kunnen worden ontwikkeld. Zij dienen ook het gebruik van open normen te ondersteunen;

c)

bevordering van de toename van het aantal open Europese kennispools voor digitale objecten ten behoeve van onderwijs- en onderzoekgemeenschappen en particulieren. Deze activiteiten moeten bijdragen tot het ontstaan van trans-Europese bemiddelingsdiensten voor digitale leerinhoud, met bijbehorende bedrijfsmodellen. Deze activiteiten dienen ook het gebruik van open normen te bevorderen, alsmede de vorming van grote gebruikersgroepen die de normvoorbereidings- en specificatieschema's analyseren en testen, zodat bij de definitie van wereldwijde normen voor digitale leerinhoud rekening wordt gehouden met de Europese meertaligheid en multiculturaliteit;

d)

bevordering van het ontstaan van trans-Europese informatie-infrastructuren voor het toegankelijk maken en benutten van hoogwaardige Europese digitale culturele en wetenschappelijke hulpbronnen door de koppeling van virtuele bibliotheken, gemeenschapsgeheugens, enz. De activiteiten dienen mede betrekking te hebben op gecoördineerde werkwijzen voor het digitaliseren en opbouwen van verzamelingen, het bewaren van digitale objecten en het inventariseren van culturele en wetenschappelijke hulpbronnen. Zij dienen de toegang tot digitale culturele en wetenschappelijke hulpbronnen te verbeteren door doeltreffende licentieformules en collectieve voorafgaande vereffening van rechten.

B.   Bevordering van kwaliteitsverbetering en stimulering van de beste praktijken in verband met digitale inhoud onder aanbieders van inhoud en gebruikers, in alle sectoren

De in het kader van deze actielijnen te verrichten activiteiten moeten de inventarisatie en brede verspreiding van beste praktijken op het gebied van methoden, processen en operaties vergemakkelijken teneinde een hogere kwaliteit, efficiëntie en doeltreffendheid bij ontwikkeling, gebruik en verspreiding van digitale inhoud te bereiken.

Deze activiteiten omvatten experimenten om de zoekmogelijkheden, bruikbaarheid, herbruikbaarheid, combinatiemogelijkheden en interoperabiliteit van digitale inhoud mee aan te tonen binnen de context van het huidige wetgevingskader, waarbij van meet af aan wordt voldaan aan de eisen van de verschillende doelgroepen en -markten in een steeds meertaligere en multiculturelere omgeving, waardoor deze experimenten verder gaan dan gewone lokaliseringstechnologieën.

Deze activiteiten moeten gebruikmaken van de voordelen van de verrijking van digitale inhoud met machineleesbare data (semantisch goed gedefinieerde metagegevens op basis van beschrijvende terminologie, woordenlijsten en ontologieën).

De experimenten worden themagewijs uitgevoerd. De verzameling, verspreiding en intersectoriële kruisbestuiving van de verworven kennis zijn een integrerend onderdeel van de experimenten.

De doelgebieden zijn overheidsinformatie, ruimtelijke informatie, digitaal leren en culturele inhoud en wetenschappelijke digitale inhoud.

C.   Verbetering van de samenwerking tussen en voorlichting aan marktdeelnemers op het gebied van digitale inhoud

De in het kader van deze actielijnen te verrichten activiteiten omvatten onder meer flankerende maatregelen voor wetgeving op het gebied van digitale inhoud, maatregelen voor meer samenwerking tussen marktdeelnemers op het gebied van digitale inhoud en voorlichting. Zij dienen bij te dragen tot de ontwikkeling van instrumenten voor benchmarking, toezicht en analyse, de evaluatie van de invloed van het programma en de verspreiding van de resultaten daarvan. Nieuwe mogelijkheden en problemen (zoals vertrouwen, kwaliteitsmerken, intellectuele-eigendomsrechten in de educatieve sector) worden in kaart gebracht en geanalyseerd en zo nodig worden er voorstellen voor oplossingen aangedragen.


BIJLAGE II

INSTRUMENTEN VOOR DE UITVOERING VAN HET PROGRAMMA

1.

De Commissie voert het programma uit met inachtneming van de technische specificaties van bijlage I.

2.

Het programma wordt uitgevoerd door middel van onder meer de onderstaande werkzaamheden onder contract:

a)

Werkzaamheden voor gezamenlijke rekening

i)

Projecten met het oog op kennisverruiming om bestaande producten, processen en/of diensten te verbeteren en/of te voorzien in de behoeften van het Gemeenschapsbeleid. De bijdrage van de Gemeenschap bedraagt doorgaans niet meer dan 50 % van de kosten van het project. Overheidslichamen kunnen in aanmerking komen voor een vergoeding op basis van 100 % van de extra kosten.

ii)

Activiteiten op het gebied van beste praktijken voor kennisverspreiding. Deze vinden gewoonlijk themagewijs plaats en worden onderling gekoppeld door thematische netwerken. De bijdrage van de Gemeenschap voor de onder dit punt bedoelde maatregelen beperkt zich tot de directe uitgaven die noodzakelijk of wenselijk worden geacht voor de specifieke doelstellingen van de actie.

iii)

Thematische netwerken: netwerken van uiteenlopende marktdeelnemers rond een bepaalde technologische en organisatorische doelstelling om coördinatie en kennisoverdracht te verbeteren. Deze kunnen samenhangen met activiteiten op het gebied van beste praktijken. Steun wordt verleend voor subsidiabele meerkosten voor het coördineren en opzetten van het netwerk. De bijdrage van de Gemeenschap kan de subsidiabele meerkosten van deze maatregelen dekken.

b)

Begeleidende maatregelen

Begeleidende maatregelen dragen bij tot de uitvoering van het programma of de voorbereiding van toekomstige activiteiten. Maatregelen die gericht zijn op het in de handel brengen van producten, processen of diensten, marketingactiviteiten en verkoopbevordering zijn uitgesloten.

i)

Studies ter ondersteuning van het programma, met inbegrip van de voorbereiding van toekomstige activiteiten;

ii)

informatie-uitwisseling, conferenties, seminars, workshops of andere vergaderingen en het beheer van thematische activiteiten;

iii)

verspreidings-, voorlichtings- en communicatieactiviteiten.

3.

De selectie van de werkzaamheden voor gezamenlijke rekening geschiedt op basis van op de website van de Commissie te publiceren uitnodigingen tot het indienen van voorstellen, conform de geldende financiële bepalingen.

4.

Aanvragen voor een bijdrage van de Gemeenschap dienen waar zulks van toepassing is vergezeld te gaan van een financieel plan met een uitsplitsing van de kosten per projectonderdeel, onder vermelding van de bijdrage die van de Gemeenschap wordt verlangd en eventuele andere verzoeken om subsidies of toegekende subsidies uit andere bronnen.

5.

Begeleidende maatregelen worden uitgevoerd op basis van aanbestedingen conform de geldende financiële bepalingen.


BIJLAGE III

INDICATIEVE VERDELING VAN DE UITGAVEN

1.

Bevordering op communautair niveau van de toegankelijkheid, het nut en de exploitatie van digitale inhoud

40-50 %

2.

Bevordering van kwaliteitsverbetering en stimulering van de beste praktijken in verband met digitale inhoud onder aanbieders van inhoud en gebruikers, in alle sectoren

45-55 %

3.

Verbetering van de samenwerking tussen en voorlichting aan marktdeelnemers op het gebied van digitale inhoud

8-12 %


MOTIVERING VAN DE RAAD

I.   INLEIDING

1.

Op 13 februari 2004 heeft de Commissie het betreffende voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad (1) aangenomen. Het voorstel is gebaseerd op artikel 157, lid 3, van het Verdrag.

2.

Het Europees Parlement heeft op 22 april 2004 advies uitgebracht, het Europees Economisch en Sociaal Comité op 29 april 2004 en het Comité van de Regio's heeft ervan afgezien advies uit te brengen.

3.

De Commissie heeft haar gewijzigde voorstel op 4 mei 2004 aan het Europees Parlement en de Raad doen toekomen.

4.

Op 24 september 2004 heeft de Raad zijn gemeenschappelijk standpunt vastgesteld overeenkomstig artikel 251 van het Verdrag.

II.   DOEL

Het doel van het voorstel is voorwaarden te scheppen voor een ruimere toegang tot en een breder gebruik van digitale inhoud alsmede, wanneer nodig, voor grotere economische opbrengsten van diensten die gebaseerd zijn op toegang tot en (her)gebruik van digitale inhoud; dit moet gebeuren via een aanzienlijke bijdrage aan de strategie e-Europa in sectoren zoals e-leren, e-overheid, enz. (een programma als opvolger van het huidige e-inhoud-programma dat eind 2004 afloopt.)

III.   ANALYSE VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT

Het gemeenschappelijk standpunt deelt de algemene doelstelling van het Commissievoorstel en neemt ook, in algemene termen, de voorgestelde middelen om dat doel te bereiken over. Maar tijdens het debat in de Raad is de tekst van het voorstel gedeeltelijk geherformuleerd. Hieronder volgen de belangrijkste verschillen met het Commissievoorstel en de amendementen van het Europees Parlement (zie onderdeel IV):

1.

Gezien de omvang van de in het voorstel beoogde projecten, vond de Raad dat er moest worden verwezen naar kleine en middelgrote ondernemingen en naar de bijzondere aandacht die moet worden besteed aan hun deelneming (overwegingen 5 en 6 en bijlage I, onderdeel II, punt A). Voorts is er aan overweging 5 en bijlage II een verwijzing toegevoegd naar mensen met specifieke behoeften.

2.

Het gemeenschappelijke standpunt wijzigt artikel 3 middels de toevoeging van een nieuw lid over de samenhang en complementariteit met andere communautaire beleidsmaatregelen, programma's en acties.

3.

De Raad vindt dat de Commissie bij het uitvoeren van het programma nauw moet samenwerken met de lidstaten en moet zorgen voor transparantie. Dienovereenkomstig heeft het gemeenschappelijke standpunt de artikelen 3 en 4 op het punt van de comitologie gewijzigd ten gunste van een beheersprocedure. Deze wijzigingen worden verder toegelicht in overweging 14.

4.

Wat betreft het financiële kader van het programma (artikel 6), verlaagt het gemeenschappelijke standpunt het door de Commissie voorgestelde totaalbedrag. De Commissie had een aanzienlijke verhoging van het budget van het huidige programma voorgesteld; hoewel alle lidstaten het belang van het programma erkenden, werd een minder grote verhoging beter geacht. In overeenstemming met andere wetgeving is een ontbindingsclausule ingevoegd om de begrotingsdiscipline te handhaven, omdat het programma tot na de huidige financiële vooruitzichten loopt.

5.

Ook wijzigt het gemeenschappelijke standpunt de indicatieve verdeling van de uitgaven in bijlage III. De Raad vond dat er een grotere impuls moest worden gegeven aan actielijn 1.

IV.   AMENDEMENTEN VAN HET EUROPEES PARLEMENT

1.   Door de Commissie aanvaarde en door de Raad overgenomen amendementen

Amendement nr. 1 is in het gemeenschappelijke standpunt opgenomen als overweging 6, met een toevoeging van de Raad over kleine en middelgrote ondernemingen.

Amendement nr. 2 is opgenomen in artikel 1, lid 1.

De amendementen nrs. 3, 4 en 5 zijn opgenomen in artikel 1, lid 2, van het gemeenschappelijke standpunt, met uitzondering van de verwijzing naar de „gebieden van algemeen belang” die volgens de Raad reeds door lid 1 van dat artikel worden bestreken. Verder heeft de Raad de verwijzing in lid 2 naar „voorlichting”, die hij van belang acht, gehandhaafd. Dit geldt ook voor de ermee verband houdende amendementen nrs. 11, 12, 13, 14 en 16 die de Raad in de bijlagen I en III heeft opgenomen.

De Raad heeft de amendementen nrs. 6 en 7 opgenomen in artikel 5 van zijn gemeenschappelijke standpunt, al is de formulering van amendement nr. 6 wel licht gewijzigd.

De amendementen nrs. 8, 9 en 10 zijn allemaal opgenomen in artikel 6 van het gemeenschappelijke standpunt, met uitzondering van het totaalbedrag van het financiële kader dat door de Raad om de hierboven uiteengezette redenen is gewijzigd.

2.   Door de Commissie aanvaarde, maar niet door de Raad overgenomen amendementen

De Raad heeft amendement nr. 15 niet overgenomen, omdat hij van mening is dat bewustmaking een belangrijk onderdeel van het programma is.


(1)  PB C 98 van 23.4.2004, blz. 39.


1.2.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 25/29


GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT (EG) Nr. 3/2005

vastgesteld door de Raad op 7 oktober 2004

met het oog op de aanneming van Richtlijn 2005/…/EG van het Europees Parlement en de Raad van … inzake verontreiniging vanaf schepen en invoering van sancties voor inbreuken

(Voor de EER relevante tekst)

(2005/C 25E/03)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 80, lid 2,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het maritieme veiligheidsbeleid van de Gemeenschap heeft tot doel een hoog niveau van veiligheid en milieubescherming te bewerkstelligen en gaat ervan uit dat alle bij goederenvervoer over zee betrokken partijen de verantwoordelijkheid hebben om ervoor te zorgen dat de in Gemeenschapswateren ingezette schepen voldoen aan de geldende voorschriften en normen.

(2)

De materiële normen voor lozingen van verontreinigende stoffen vanaf schepen zijn in alle lidstaten gebaseerd op het Marpol 73/78-verdrag; deze regels worden echter dagelijks door een zeer groot aantal in Gemeenschapswateren varende schepen genegeerd, zonder dat hiertegen wordt opgetreden.

(3)

De implementatie door de lidstaten van Marpol 73/78 in de Gemeenschap verloopt niet uniform en daarom is er behoefte aan harmonisatie op Gemeenschapsniveau; met name wat betreft de oplegging van sancties wegens lozingen van verontreinigende stoffen vanaf schepen hanteren de lidstaten sterk verschillende praktijken.

(4)

Afschrikkende maatregelen vormen een integrerend deel van het maritieme veiligheidsbeleid van de Gemeenschap, omdat zij de verantwoordelijkheid van elk van de bij het vervoer van verontreinigende goederen over zee betrokken partijen koppelt aan de dreiging van sancties; een doeltreffende bescherming van het milieu vereist daarom doeltreffende, afschrikkende en evenredige sancties.

(5)

In dit verband is het van essentieel belang om te komen tot een onderlinge aanpassing van de bestaande rechtsregels, in het bijzonder, enerzijds, de precieze omschrijving van de inbreuk in kwestie en de gevallen waarin deze niet bestraft wordt, hetgeen wordt geregeld bij deze richtlijn, en, anderzijds, minimumvoorschriften voor straffen, aansprakelijkheid en rechtsmacht, hetgeen wordt geregeld bij Kaderbesluit 2005/…/JBZ van de Raad van ... tot versterking van het strafrechtelijk kader voor de bestrijding van verontreiniging vanaf schepen.

(6)

Met deze richtlijn wordt onder andere beoogd het begrip „lozingen” te definiëren en bijgevolg de uitvoering van Kaderbesluit 2005/…/JBZ doeltreffender te maken teneinde die inbreuk te voorkomen.

(7)

Noch van de internationale regels inzake burgerlijke aansprakelijkheid en schadevergoeding voor olieverontreiniging noch van de internationale regels met betrekking tot verontreiniging met andere gevaarlijke of schadelijke stoffen gaat een voldoende afschrikkende werking uit om de bij het vervoer van gevaarlijke ladingen over zee betrokken partijen van ongeoorloofde praktijken te weerhouden; de vereiste afschrikkende werking kan uitsluitend worden bereikt door invoering van sancties die van toepassing zijn op eenieder die verontreiniging van de zee veroorzaakt of daartoe bijdraagt; de sancties dienen niet alleen van toepassing te zijn op de eigenaar of de kapitein van het schip, maar ook op de eigenaar van de lading, het classificatiebureau en andere betrokkenen.

(8)

Het lozen van verontreinigende stoffen vanaf schepen dient als inbreuk te worden beschouwd wanneer het met opzet, door roekeloosheid of door ernstige nalatigheid gebeurt.

(9)

Sancties voor lozingen van verontreinigende stoffen vanaf schepen staan los van de civiele aansprakelijkheid van de betrokken partijen; zij zijn dus niet onderworpen aan enige regelgeving met betrekking tot het beperken of kanaliseren van civiele aansprakelijkheid, noch beperken zij de efficiënte schadevergoeding aan slachtoffers van milieu-incidenten.

(10)

Om lozingen van verontreinigende stoffen vanaf schepen tijdig te kunnen ontdekken en de overtreders te identificeren, is een verdergaande efficiënte samenwerking tussen de lidstaten noodzakelijk.

(11)

Wanneer er duidelijke objectieve bewijzen zijn van een lozing die ernstige schade veroorzaakt of dreigt te veroorzaken, dienen de lidstaten de zaak aan hun bevoegde autoriteiten voor te leggen met het oog op het instellen van rechtsvervolging in overeenstemming met artikel 220 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 1982.

(12)

Deze richtlijn is in overeenstemming met de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zoals omschreven in artikel 5 van het Verdrag. De opname van de internationale voor verontreiniging vanaf schepen geldende normen in het Gemeenschapsrecht en de vaststelling van sancties, die onder andere van strafrechtelijke of administratieve aard kunnen zijn, op overtredingen daarvan is een maatregel die nodig is om een hoog niveau van veiligheid en milieubescherming in het zeevervoer te bereiken. De Gemeenschap kan dit alleen daadwerkelijk bereiken door middel van geharmoniseerde voorschriften. De richtlijn beperkt zich tot wat minimaal vereist is om deze doelstelling te bereiken en gaat niet verder dan wat hiervoor nodig is. Zij belet niet dat de lidstaten strengere maatregelen tegen verontreiniging vanaf schepen nemen die in overeenstemming zijn met het internationale recht.

(13)

Deze richtlijn eerbiedigt volledig het Handvest van grondrechten van de Europese Unie,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Doel

1.   Het doel van deze richtlijn is ervoor te zorgen dat de voor verontreiniging vanaf schepen verantwoordelijke personen passende sancties opgelegd krijgen, om aldus de veiligheid van de zeevaart te verbeteren en het mariene milieu beter te beschermen tegen verontreiniging door schepen.

2.   Deze richtlijn belet niet dat de lidstaten strengere maatregelen tegen verontreiniging vanaf schepen nemen die in overeenstemming zijn met het internationale recht.

Artikel 2

Definities

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

1.

„Marpol 73/78”: het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, en het daarbij behorende Protocol van 1978, in de laatst bijgewerkte versie.

2.

„Verontreinigende stoffen”: stoffen die vallen onder de bijlagen I (Olie) en II (Schadelijke vloeistoffen in bulk) van Marpol 73/78.

3.

„Lozen”: elk vrijkomen van stoffen van een schip, hoe dan ook veroorzaakt, zoals bedoeld in artikel 2 van Marpol 73/78.

4.

„Schip”: een zeegaand vaartuig dat wordt gebruikt in het mariene milieu, ongeacht de vlag waaronder het vaart, van welk type dan ook, waaronder begrepen draagvleugelboten, luchtkussenvoertuigen, afzinkbare vaartuigen en drijvend materieel.

Artikel 3

Toepassingsgebied

1.   Deze richtlijn is overeenkomstig internationaal recht van toepassing op lozingen van verontreinigende stoffen in:

a)

de binnenwateren, inclusief de havens, van een lidstaat, voorzover het Marpol-regime van toepassing is;

b)

de territoriale zee van een lidstaat;

c)

door de internationale scheepvaart gebruikte zeestraten die vallen onder het doorvaartregime zoals vervat in deel III, hoofdstuk 2, van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 1982, voorzover deze zeestraten onder de jurisdictie van een lidstaat vallen;

d)

de exclusieve economische of daaraan gelijkwaardige zone van een lidstaat, die is vastgesteld in overeenstemming met het internationale recht, en

e)

de volle zee.

2.   Deze richtlijn is van toepassing op lozingen van verontreinigende stoffen vanaf ieder schip ongeacht zijn vlag, met uitzondering van oorlogsschepen, mariene hulpschepen of andere schepen die eigendom zijn van of varen voor een staat en tijdelijk uitsluitend voor niet-commerciële overheidsdiensten worden gebruikt.

Artikel 4

Inbreuken

De lidstaten dragen er zorg voor dat het lozen van verontreinigende stoffen vanaf schepen in een van de in artikel 3, lid 1, bedoelde gebieden als inbreuk wordt aangemerkt, indien het met opzet, uit roekeloosheid of door ernstige nalatigheid gebeurt.

Artikel 5

Uitzonderingen

1.   Een lozing van verontreinigende stoffen in een van de in artikel 3, lid 1, bedoelde gebieden wordt niet als inbreuk aangemerkt, wanneer zij voldoet aan de voorwaarden van bijlage I, voorschrift 11(a) of 11(c), of bijlage II, voorschrift 6(a) of 6(c), van Marpol 73/78.

2.   Een lozing van verontreinigende stoffen in de in artikel 3, lid 1, onder c), d) en e), bedoelde gebieden wordt voor de eigenaar, de kapitein of de bemanning die onder de verantwoordelijkheid van de kapitein handelt, niet als inbreuk aangemerkt, wanneer zij voldoet aan de voorwaarden van bijlage I, voorschrift 11(b), of bijlage II, voorschrift 6(b), van Marpol 73/78.

3.   Een lozing van verontreinigende stoffen in een van de in artikel 3, lid 1, bedoelde gebieden wordt niet als inbreuk aangemerkt, wanneer zij voldoet aan de voorwaarden van bijlage I, voorschrift 9 of 10, of bijlage II, voorschrift 5, van Marpol 73/78.

Artikel 6

Handhaving ten aanzien van schepen in een haven van een lidstaat

1.   Indien op grond van onregelmatigheden of van informatie het vermoeden bestaat, dat een schip dat vrijwillig in een haven of bij een off-shoreterminal van een lidstaat ligt, in een van de in artikel 3, lid 1, bedoelde gebieden verontreinigende stoffen heeft geloosd of loost, zorgt de lidstaat ervoor dat er overeenkomstig zijn nationale recht een passende inspectie wordt uitgevoerd, rekening houdend met de toepasselijke richtlijnen van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO).

2.   Voorzover de in lid 1 bedoelde inspectie feiten aan het licht brengt die kunnen wijzen op een inbreuk in de zin van artikel 4, worden de bevoegde autoriteiten van die lidstaat en van de vlaggenstaat gewaarschuwd.

Artikel 7

Handhaving door kuststaten ten aanzien van schepen op doorvaart

1.   Indien de vermoedelijke lozing van verontreinigende stoffen plaatsvindt in de in artikel 3, lid 1, onder b), c), d) of e), bedoelde gebieden en het van de lozing verdachte schip geen haven in de betreffende lidstaat aandoet die over de gegevens met betrekking tot de vermoedelijke lozing beschikt, zijn onderstaande bepalingen van toepassing:

a)

indien de volgende aanloophaven van het schip een haven in een andere lidstaat is, werken de betrokken lidstaten nauw samen bij de in artikel 6, lid 1, bedoelde inspectie en beslissen zij samen over passende administratieve maatregelen ten aanzien van die lozing;

b)

indien de volgende aanloophaven van het schip een haven in een staat buiten de Gemeenschap is, neemt de lidstaat de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de volgende aanloophaven van het schip wordt ingelicht over de vermoedelijke lozing, en verzoekt hij de staat van de volgende aanloophaven om passende maatregelen ten aanzien van die lozing te nemen.

2.   Wanneer er duidelijke objectieve bewijzen zijn dat een schip dat vaart in de in artikel 3, lid 1, onder b) of d), bedoelde gebieden een inbreuk heeft begaan in het in artikel 3, lid 1, onder d), bedoelde gebied, resulterend in een lozing die ernstige schade veroorzaakt of dreigt te veroorzaken aan de kustlijn of daaraan gelieerde belangen van de betrokken lidstaat, dan wel aan enige rijkdommen van de in artikel 3, lid 1, onder b) of d), bedoelde gebieden, legt deze staat, op voorwaarde dat het bewijsmateriaal dit rechtvaardigt, de zaak overeenkomstig zijn nationale recht voor aan zijn bevoegde autoriteiten met het oog op het instellen van rechtsvervolging uit hoofde van deel XII, afdeling 7, van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 1982, met inbegrip van het vasthouden van het schip.

3.   De autoriteiten van de vlaggenstaat worden van ieder geval op de hoogte gebracht.

Artikel 8

Sancties

1.   De lidstaten nemen de maatregelen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat voor de in artikel 4 bedoelde inbreuken doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties, die onder andere van strafrechtelijke of administratieve aard kunnen zijn, worden opgelegd.

2.   Iedere lidstaat neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in lid 1 bedoelde sancties van toepassing zijn op eenieder die verantwoordelijk wordt bevonden voor een in artikel 4 genoemde inbreuk.

Artikel 9

Naleving van het internationale recht

De lidstaten passen de bepalingen van deze richtlijn toe zonder formele of feitelijke discriminatie van buitenlandse schepen en overeenkomstig het geldende internationale recht, inclusief deel XII, hoofdstuk 7, van het Verdrag inzake het recht van de zee van de Verenigde Naties van 1982; zij stellen de vlaggenstaat van het vaartuig en alle andere betrokken staten onverwijld op de hoogte van de maatregelen die overeenkomstig deze richtlijn zijn genomen.

Artikel 10

Begeleidende maatregelen

De lidstaten en de Commissie werken voor de toepassing van deze richtlijn in voorkomend geval nauw samen met het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid en in voorkomend geval, in het kader van het bij Beschikking nr. 2850/2000/EG (3) opgezette actieprogramma ter bestrijding van door ongevallen veroorzaakte of opzettelijke verontreiniging van de zee, teneinde

a)

de nodige informatiesystemen te ontwikkelen die voor de doeltreffende toepassing van deze richtlijn vereist zijn;

b)

gemeenschappelijke praktijken en richtlijnen vast te stellen, op basis van de op internationaal niveau reeds bestaande praktijken en richtlijnen, voor met name:

het volgen en vroegtijdig identificeren van schepen die in strijd met deze richtlijn verontreinigende stoffen lozen, inclusief, zo nodig, voor bewakingsapparatuur aan boord;

betrouwbare methoden voor het traceren van verontreinigende stoffen in zee tot een bepaald schip, en

de daadwerkelijke handhaving van deze richtlijn.

Artikel 11

Rapportage

Om de drie jaar dienen de lidstaten een verslag in bij de Commissie over de toepassing van deze richtlijn door de bevoegde autoriteiten. Op basis van die verslagen dient de Commissie een communautair verslag in bij het Europees Parlement en de Raad.

Artikel 12

Comité

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het Comité voor maritieme veiligheid en voorkoming van verontreiniging door schepen (COSS) dat is opgericht bij artikel 3 van Verordening (EG) nr. 2099/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 betreffende de oprichting van het Comité voor maritieme veiligheid en voorkoming van verontreiniging door schepen (COSS) (4).

2.   De Commissie brengt het bij Beschikking nr. 2850/2000/EG ingestelde comité regelmatig op de hoogte van eventuele voorgestelde maatregelen of andere relevante activiteiten in verband met de respons op mariene verontreiniging.

Artikel 13

Wijzigingsprocedure

Wijzigingen van Marpol 73/78 genoemd in artikel 2, punt 1, kunnen overeenkomstig artikel 5 van Verordening (EG) nr. 2099/2002 van het toepassingsgebied van deze richtlijn worden uitgesloten.

Artikel 14

Tenuitvoerlegging

De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op … (5) aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor de verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

Artikel 15

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 16

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, …

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

Voor de Raad

De voorzitter


(1)  PB C 220 van 16.9.2003, blz. 72.

(2)  Advies van het Europees Parlement van 13 januari 2004(PB C 92 E van 21.4.2004, blz. 77).

(3)  PB L 332 van 28.12.2000, blz. 1. Beschikking gewijzigd bij Beschikking nr. 787/2004/EG (PB L 138 van 30.4.2004, blz. 12).

(4)  PB L 324 van 29.11.2002, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 415/2004 van de Commissie (PB L 68 van 6.3.2004, blz. 10).

(5)  18 maanden na de inwerkingtreding.


BIJLAGE

Als referentie bedoeld overzicht van de lozingsvoorschriften van Marpol 73/78 met betrekking tot de lozingen van olie en schadelijke vloeistoffen, zoals bedoeld in artikel 2, punt 2

DEEL I:   OLIE (MARPOL 73/78, BIJLAGE I)

Voor de toepassing van Marpol 73/78, bijlage I, wordt onder „olie” verstaan minerale olie in elke vorm, daaronder begrepen ruwe olie, stookolie, oliehoudend slik, olieafval en geraffineerde producten (anders dan petrochemische producten die vallen onder de bepalingen van Marpol 73/78, bijlage II), en onder „oliehoudend mengsel” een mengsel dat olie bevat, in elk gehalte.

Uittreksels uit de desbetreffende bepalingen van Marpol 73/78, bijlage I:

Voorschrift 9:   Regeling van het lozen van olie

1.

Onverlet de bepalingen van de voorschriften 10 en 11 van deze bijlage en punt 2 van dit voorschrift, is elke lozing in zee van olie of oliehoudende mengsels vanaf schepen waarop deze bijlage van toepassing is, verboden, tenzij voldaan wordt aan alle onderstaande voorwaarden:

a)

voor olietankschepen, behalve zoals bepaald onder b):

i)

het tankschip bevindt zich niet in een bijzonder gebied;

ii)

het tankschip bevindt zich meer dan 50 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land;

iii)

het tankschip vervolgt zijn vaarroute;

iv)

de hoeveelheid geloosde olie bedraagt op geen enkel moment van het lozen meer dan 30 l per zeemijl;

v)

de totale hoeveelheid in zee geloosde olie bedraagt voor bestaande tankschepen niet meer dan 1/15 000ste van de totale hoeveelheid van de lading waarvan het restant deel uitmaakte, en voor nieuwe tankschepen niet meer dan 1/30 000ste van de totale hoeveelheid van de lading waarvan het restant deel uitmaakte;

vi)

het tankschip heeft een systeem voor de bewaking en regeling van de olielozing in bedrijf en een sloptankinstallatie zoals vereist in voorschrift 15 van deze bijlage;

b)

voor andere schepen dan olietankschepen, met een brutotonnage van 400 t of meer, en voor olietankschepen vanuit de vullings van de machineruimten, met uitzondering van de vullings van de ladingpompkamers, tenzij de vloeistof is vermengd met ladingolierestanten:

i)

het schip bevindt zich niet in een bijzonder gebied;

ii)

het schip vervolgt zijn vaarroute;

iii)

het oliegehalte van de geloosde vloeistof zonder verdunning is lager dan 15 delen per miljoen, en

iv)

het schip heeft [een bewakings- en regelsysteem en filtreerapparatuur] in bedrijf, zoals vereist in voorschrift 16 van deze bijlage.

2.

Bij andere schepen dan olietankschepen, met een brutotonnage van minder dan 400 t, buiten het bijzondere gebied, draagt de [vlaggenstaat]administratie er zorg voor dat deze zijn uitgerust, voorzover praktisch uitvoerbaar en redelijk, met installaties voor het aan boord opslaan van olierestanten en de afgifte daarvan aan ontvangstinrichtingen of lozing in zee overeenkomstig het gestelde in punt 1, onder b), van dit voorschrift.

[…]

3.

De bepalingen in punt 1 van dit voorschrift zijn niet van toepassing op de lozing van schone of van gescheiden ballast of van onbehandelde oliehoudende mengsels met een oliegehalte, zonder verdunning, van niet meer dan 15 delen per miljoen, en die niet afkomstig zijn uit de vullings van ladingpompkamers en niet zijn vermengd met olierestanten van de lading.

4.

Lozingen in zee mogen geen chemicaliën of andere stoffen bevatten in hoeveelheden of concentraties die schadelijk zijn voor het mariene milieu, noch chemicaliën of andere stoffen welke worden aangewend om de in dit voorschrift aangegeven lozingsvoorwaarden te ontduiken.

5.

De olierestanten die niet volgens de bepalingen in de punten 1, 2 en 4 van dit voorschrift in zee kunnen worden geloosd, dienen aan boord te worden gehouden of aan ontvangstinrichtingen te worden afgegeven.

[…]

Voorschrift 10:   Methoden ter voorkoming van die verontreiniging door in bijzondere gebieden in bedrijf zijnde schepen

1.

Voor de toepassing van deze bijlage worden onder bijzondere gebieden verstaan de gebieden van de Middellandse Zee, de Oostzee, de Zwarte Zee, de Rode Zee, de „Golf”, de Golf van Aden, het Antarctische gebied en de Noordwest-Europese wateren [als nader omschreven en gespecificeerd].

2.

Onverminderd de bepalingen van voorschrift 11 van deze bijlage:

a)

is elke lozing in zee verboden van olie of oliehoudende mengsels vanaf olietankschepen en vanaf andere schepen dan olietankschepen met een brutotonnage van 400 t en meer, wanneer deze zich in een bijzonder gebied bevinden […];

b)

is elke lozing in zee verboden van olie of oliehoudende mengsels vanaf andere schepen dan olietankschepen met een brutotonnage van minder dan 400 t, wanneer deze zich in een bijzonder gebied bevinden, behalve wanneer het oliegehalte van de geloosde vloeistof, zonder verdunning, niet meer is dan 15 delen per miljoen.

3.

a)

De bepalingen in punt 2 van dit voorschrift zijn niet van toepassing op de lozing van schone of gescheiden ballast.

b)

De bepalingen van punt 2, onder a), van dit voorschrift zijn niet van toepassing op de lozing van behandeld lenswater uit machineruimten, mits aan alle onderstaande voorwaarden wordt voldaan:

i)

het lenswater is niet afkomstig uit de vullings van ladingpompkamers;

ii)

het lenswater is niet vermengd met olierestanten van de lading;

iii)

het schip vervolgt zijn vaarroute;

iv)

het oliegehalte van de geloosde vloeistof, zonder verdunning, is niet meer dan 15 delen per miljoen;

v)

het schip heeft een oliefiltreersysteem in bedrijf volgens het bepaalde in voorschrift 16, punt 5, van deze bijlage, en

vi)

het filtreersysteem is uitgerust met een stopmechanisme waardoor wordt verzekerd dat de lozing automatisch wordt gestopt wanneer het oliegehalte van de geloosde vloeistof meer is dan 15 delen per miljoen.

4.

a)

Lozingen in zee mogen geen chemicaliën of andere stoffen bevatten in hoeveelheden of concentraties die schadelijk zijn voor het mariene milieu, noch chemicaliën of andere stoffen welke worden aangewend om de in dit voorschrift aangegeven lozingsvoorwaarden te ontduiken.

b)

De olierestanten die niet volgens de bepalingen van punt 2 of 3 van dit voorschrift in zee kunnen worden geloosd, dienen aan boord te worden gehouden of aan ontvangstinrichtingen te worden afgegeven.

5.

Niets in dit voorschrift verbiedt een schip, dat slechts tijdens een gedeelte van zijn reis in een bijzonder gebied vaart, buiten dat gebied te lozen overeenkomstig voorschrift 9 van deze bijlage.

[…]

Voorschrift 11:   Uitzonderingen

De voorschriften 9 en 10 van deze bijlage zijn niet van toepassing op:

a)

het lozen in zee van olie of oliehoudende mengsels indien dit noodzakelijk is om de veiligheid van een schip te verzekeren of om mensenlevens op zee te redden, of

b)

het lozen in zee van olie of oliehoudende mengsels ten gevolge van schade aan het schip of aan de uitrusting daarvan:

i)

mits na het ontstaan van de schade of na het ontdekken van de lozing alle redelijke voorzorgen zijn getroffen om de lozing te voorkomen of tot een minimum te beperken;

ii)

tenzij de eigenaar of de kapitein handelde met de bedoeling om schade te veroorzaken, ofwel roekeloos handelde en in de wetenschap dat er waarschijnlijk schade zou ontstaan, of

c)

het lozen in zee van oliehoudende stoffen met toestemming van de [vlaggenstaat]administratie, indien dit geschiedt om bepaalde verontreinigingsvoorvallen te bestrijden, teneinde de schade door de verontreiniging tot een minimum te beperken. Elke lozing van dien aard behoeft de goedkeuring van elke regering binnen het rechtsgebied waarvan wordt overwogen de lozing te doen plaatsvinden.

DEEL II:   SCHADELIJKE VLOEISTOFFEN (MARPOL 73/78, BIJLAGE II)

Uittreksels uit de desbetreffende bepalingen van Marpol 73/78, bijlage II:

Voorschrift 3:   Indeling in categorieën en opsomming van schadelijke vloeistoffen

1.

Voor de toepassing van de voorschriften van deze bijlage worden schadelijke vloeistoffen ingedeeld in de volgende vier categorieën:

a)

Categorie A: schadelijke vloeistoffen die, wanneer zij bij het schoonmaken van tanks of het verwijderen van ballast in zee worden geloosd, een groot gevaar zouden opleveren voor mariene hulpbronnen of de gezondheid van de mens, of die ernstige schade zouden toebrengen aan het genoegen dat de zee verschaft of aan andere vormen van rechtmatig gebruik van de zee, en derhalve de toepassing rechtvaardigen van strikte maatregelen ter voorkoming van verontreiniging.

b)

Categorie B: schadelijke vloeistoffen die, wanneer zij bij het schoonmaken van tanks of het verwijderen van ballast in zee worden geloosd, gevaar zouden opleveren voor mariene hulpbronnen of de gezondheid van de mens, of die schade zouden toebrengen aan het genoegen dat de zee verschaft of aan andere vormen van rechtmatig gebruik van de zee, en derhalve de toepassing rechtvaardigen van bijzondere maatregelen ter voorkoming van verontreiniging.

c)

Categorie C: schadelijke vloeistoffen die, wanneer zij bij het schoonmaken van tanks of het verwijderen van ballast in zee worden geloosd, een gering gevaar zouden opleveren voor mariene hulpbronnen of de gezondheid van de mens, of die geringe schade zouden toebrengen aan het genoegen dat de zee verschaft of aan andere vormen van rechtmatig gebruik van de zee, en derhalve een bijzondere behandeling vereisen.

d)

Categorie D: schadelijke vloeistoffen die, wanneer zij bij het schoonmaken van tanks of het verwijderen van ballast in zee worden geloosd, een waarneembaar gevaar zouden opleveren voor mariene hulpbronnen of de gezondheid van de mens, of minimale schade zouden toebrengen aan het genoegen dat de zee verschaft of aan andere vormen van rechtmatig gebruik van de zee, en derhalve enige aandacht bij de behandeling ervan vergen.

[…]

[Verdere richtlijnen voor de indeling van de stoffen in categorieën, inclusief een lijst van in categorieën ingedeelde stoffen, worden gegeven in voorschrift 3, punten 2 tot en met 4, voorschrift 4 en de aanhangsels van Marpol 73/78, bijlage II]

[…]

Voorschrift 5:   Lozen van schadelijke vloeistoffen

Stoffen van de categorieën A, B en C buiten bijzondere gebieden en stoffen van categorie D in alle gebieden

Behoudens het bepaalde in […] voorschrift 6 van deze bijlage,

1.

is het lozen in zee verboden van stoffen van categorie A zoals omschreven in voorschrift 3, punt 1, onder a), van deze bijlage, of van stoffen die voorlopig als zodanig zijn ingedeeld, of van ballastwater, tankwaswater, of andere restanten of mengsels die dergelijke stoffen bevatten. Ingeval tanks die dergelijke stoffen of mengsels bevatten, moeten worden gewassen, dienen de aldus ontstane restanten in een ontvangstinstallatie te worden geloosd, totdat de concentratie van de stof in de in deze installatie uitstromende vloeistof is gedaald tot of onder 0,1 gewichtsprocent en totdat de tank leeg is, met uitzondering van fosfor (geel of wit) waarvoor de concentratie in de resterende vloeistof 0,01 gewichtsprocent dient te zijn. Al het water dat daarna in de tank wordt gebracht, mag in zee worden geloosd, indien ook aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

het schip vervolgt zijn vaarroute met een snelheid van ten minste 7 knopen, in geval van schepen met eigen voortstuwing, of van ten minste 4 knopen, in geval van schepen zonder eigen voortstuwing;

b)

het lozen geschiedt onder de waterlijn, rekening houdende met de plaats van de zeewaterinlaten, en

c)

het lozen geschiedt op een afstand van ten minste 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land en in water van ten minste 25 m diepte;

2.

is het lozen in zee verboden van stoffen van categorie B zoals omschreven in voorschrift 3, punt 1, onder b), van deze bijlage, of van stoffen die voorlopig als zodanig zijn ingedeeld, of van ballastwater, tankwaswater, of andere restanten of mengsels die dergelijke stoffen bevatten, behalve wanneer aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

het schip vervolgt zijn vaarroute met een snelheid van ten minste 7 knopen, in geval van schepen met eigen voortstuwing, of van ten minste 4 knopen, in geval van schepen zonder eigen voortstuwing;

b)

de werkwijze en voorzieningen voor het lozen zijn goedgekeurd door de [vlaggenstaat]administratie. Deze werkwijze en voorzieningen moeten zijn gebaseerd op door de [IMO] ontwikkelde normen en dienen te verzekeren dat concentratie, snelheid en hoeveelheid van de uitstromende vloeistof zodanig zijn, dat de concentratie van de stof in de volgstroom van het schip één deel per miljoen niet overschrijdt;

c)

de maximale hoeveelheid van de uit elke tank en de daarmee verbonden pijpleidingen geloosde lading bedraagt niet meer dan de maximale hoeveelheid, toegelaten in overeenstemming met de werkwijzen bedoeld onder b) van dit punt, welke hoeveelheid in geen geval groter mag zijn dan 1 m3 of 1/3 000ste van de tankinhoud in m3, al naar gelang welke de grootste is;

d)

het lozen geschiedt onder de waterlijn, rekening houdende met de plaats van de zeewaterinlaten, en

e)

het lozen geschiedt op een afstand van ten minste 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land en in water van ten minste 25 m diepte;

3.

is het lozen in zee verboden van stoffen van categorie C zoals omschreven in voorschrift 3, punt 1, onder c), van deze bijlage, of van stoffen die voorlopig als zodanig zijn ingedeeld, of van ballastwater, tankwaswater of van andere restanten of mengsels die dergelijke stoffen bevatten, behalve wanneer aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

het schip vervolgt zijn vaarroute met een snelheid van ten minste 7 knopen, in geval van schepen met eigen voortstuwing, of van ten minste 4 knopen, in geval van schepen zonder eigen voortstuwing;

b)

de werkwijze en voorzieningen voor het lozen zijn goedgekeurd door de [vlaggenstaat]administratie. Deze werkwijze en voorzieningen moeten gebaseerd zijn op de door de [IMO] ontwikkelde normen en dienen te verzekeren dat concentratie, snelheid en hoeveelheid van de uitstromende vloeistof zodanig zijn, dat de concentratie van de stof in de volgstroom van het schip tien delen per miljoen niet overschrijdt;

c)

de maximale hoeveelheid van de uit elke tank en de daarmee verbonden pijpleidingen geloosde lading bedraagt niet meer dan de maximale hoeveelheid, toegelaten in overeenstemming met de werkwijze bedoeld onder b van dit punt, welke hoeveelheid in geen geval groter mag zijn dan 3 m3 of 1/1 000ste van de tankinhoud in m3, al naar gelang welke de grootste is;

d)

het lozen geschiedt onder de waterlijn, rekening houdende met de plaats van de zeewaterinlaten, en

e)

het lozen geschiedt op een afstand van ten minste 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land en in water van ten minste 25 m diepte;

4.

is het lozen in zee verboden van stoffen van categorie D zoals omschreven in voorschrift 3, punt 1, onder d), van deze bijlage, of van stoffen die voorlopig als zodanig zijn ingedeeld, of van ballastwater, tankwaswater, of andere restanten of mengsels die dergelijke stoffen bevatten, behalve wanneer aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

het schip vervolgt zijn vaarroute met een snelheid van ten minste 7 knopen, in geval van schepen met eigen voortstuwing, of van ten minste 4 knopen, in geval van schepen zonder eigen voortstuwing;

b)

deze mengsels hebben een concentratie die niet groter is dan één deel stof op tien delen water, en

c)

het lozen geschiedt op een afstand van ten minste 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land;

5.

mogen voor het verwijderen van ladingrestanten uit een tank ventilatiemethoden worden toegepast die door de [vlaggenstaat]administratie zijn goedgekeurd. Deze methoden dienen te zijn gebaseerd op door de [IMO] ontwikkelde normen. Al het water dat daarna in de tank wordt toegelaten, wordt als schoon aangemerkt en daarop is het bepaalde in punt 1, 2, 3 of 4 van dit voorschrift niet van toepassing;

6.

is het lozen in zee verboden van stoffen die niet in een categorie zijn ingedeeld, niet voorlopig zijn ingedeeld, of niet zijn ingedeeld zoals bedoeld in voorschrift 4, punt 1, van deze bijlage, of van ballastwater, tankwaswater, of van andere restanten of mengsels die dergelijke stoffen bevatten.

Stoffen van de categorieën A, B en C binnen bijzondere gebieden [zoals omschreven in Marpol 73/78, bijlage II, voorschrift 1, de Oostzee inbegrepen]

Behoudens het bepaalde in punt 14 van dit voorschrift en van voorschrift 6 van deze bijlage:

7.

is het lozen in zee verboden van stoffen van categorie A zoals omschreven in voorschrift 3, punt 1, onder a), van deze bijlage, of van stoffen die voorlopig als zodanig zijn ingedeeld, of van ballastwater, tankwaswater of andere restanten of mengsels die dergelijke stoffen bevatten. Ingeval tanks die dergelijke stoffen of mengsels bevatten, moeten worden gewassen, dienen de aldus ontstane restanten in een ontvangstinstallatie te worden geloosd, waarvoor de staten waarvan het grondgebied aan het bijzondere gebied grenst, zorg moeten dragen ingevolge het bepaalde in voorschrift 7 van deze bijlage, totdat de concentratie van de stof in de in deze installatie uitstromende vloeistof is gedaald tot of onder 0,05 gewichtsprocent en totdat de tank leeg is, met uitzondering van fosfor (geel of wit) waarvoor de concentratie in de resterende vloeistof 0,005 gewichtsprocent dient te zijn. Al het water dat daarna in de tank wordt toegelaten, mag in zee worden geloosd, wanneer ook aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

het schip vervolgt zijn vaarroute met een snelheid van ten minste 7 knopen in geval van schepen met eigen voortstuwing, of van ten minste 4 knopen in geval van schepen zonder eigen voortstuwing;

b)

het lozen geschiedt onder de waterlijn, rekening houdende met de plaats van de zeewaterinlaten, en

c)

het lozen geschiedt op een afstand van ten minste 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land en in water van ten minste 25 m diepte;

8.

is het lozen in zee verboden van stoffen van categorie B zoals omschreven in voorschrift 3, punt 1, onder b), van deze bijlage, of van stoffen die voorlopig als zodanig zijn ingedeeld, of van ballastwater, tankwaswater of andere restanten of mengsels die dergelijke stoffen bevatten, behalve wanneer aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

de tank heeft een voorwas ondergaan overeenkomstig de methode die door de [vlaggenstaat]administratie is goedgekeurd en is gebaseerd op door de [IMO] ontwikkelde normen, en het aldus ontstane tankwaswater is afgegeven aan een ontvangstvoorziening;

b)

het schip vervolgt zijn vaarroute met een snelheid van ten minste 7 knopen in geval van schepen met eigen voortstuwing, en van ten minste 4 knopen in geval van schepen zonder eigen voortstuwing;

c)

de werkwijze en voorzieningen voor het lozen en schoonmaken zijn goedgekeurd door de [vlaggenstaat]administratie. Deze werkwijze en voorzieningen moeten gebaseerd zijn op door de [IMO] ontwikkelde normen en dienen te verzekeren dat de concentratie, snelheden en hoeveelheden van de uitstromende vloeistof zodanig zijn, dat de concentratie van de stof in de volgstroom van het schip één deel per miljoen niet overschrijdt;

d)

het lozen geschiedt onder de waterlijn, rekening houdende met de plaats van de zeewaterinlaten, en

e)

het lozen geschiedt op een afstand van ten minste 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land en in water van ten minste 25 m diepte;

9.

is het lozen in zee verboden van stoffen van categorie C zoals omschreven in voorschrift 3, punt 1, onder c), van deze bijlage, of van stoffen die voorlopig als zodanig zijn ingedeeld, of van ballastwater, tankwaswater of andere restanten of mengsels die dergelijke stoffen bevatten, behalve wanneer aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

het schip vervolgt zijn vaarroute met een snelheid van ten minste 7 knopen in geval van schepen met eigen voortstuwing, en van ten minste 4 knopen in geval van schepen zonder eigen voortstuwing;

b)

de werkwijze en voorzieningen voor het lozen zijn goedgekeurd door de [vlaggenstaat]administratie. Deze werkwijze en voorzieningen moeten gebaseerd zijn op door de [IMO] ontwikkelde normen en dienen te verzekeren dat de concentratie, snelheid en hoeveelheid van de uitstromende vloeistof zodanig zijn, dat de concentratie van de stof in de volgstroom van het schip één deel per miljoen niet overschrijdt;

c)

de maximale hoeveelheid van de uit elke tank en de daarmee verbonden pijpleidingen geloosde lading bedraagt niet meer dan de maximale hoeveelheid, toegelaten in overeenstemming met de werkwijzen bedoeld onder b) van dit punt, welke hoeveelheid in geen geval groter mag zijn dan 1 m3 of 1/3 000ste van de tankinhoud in m3, al naar gelang welke de grootste is;

d)

het lozen geschiedt onder de waterlijn, rekening houdende met de plaats van de zeewaterinlaten, en

e)

het lozen geschiedt op een afstand van ten minste 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land en in water van ten minste 25 m diepte;

10.

mogen voor het verwijderen van ladingrestanten uit een tank ventilatiemethoden worden toegepast die door de [vlaggenstaat]administratie zijn goedgekeurd. Deze methoden dienen te zijn gebaseerd op door de [IMO] ontwikkelde normen. Al het water dat daarna in de tank wordt toegelaten, wordt als schoon aangemerkt en daarop is het bepaalde in punt 7, 8 of 9 van dit voorschrift niet van toepassing;

11.

is het lozen in zee verboden van stoffen die niet in een categorie zijn ingedeeld, niet voorlopig zijn beoordeeld, of niet zijn beoordeeld zoals bedoeld in voorschrift 4, punt 1, van deze bijlage, of van ballastwater, tankwaswater of andere restanten of mengsels die deze stoffen bevatten.

12.

Niets in dit voorschrift zal verhinderen dat een schip de restanten van een lading van categorie B of C aan boord houdt en deze restanten in zee loost buiten een bijzonder gebied ingevolge het bepaalde in punt 2 of 3 van dit voorschrift.

Voorschrift 6:   Uitzonderingen

Voorschrift 5 van deze bijlage is niet van toepassing op:

a)

het lozen in zee van schadelijke vloeistoffen of mengsels die dergelijke stoffen bevatten, wanneer dit noodzakelijk is om de veiligheid van het schip te verzekeren of mensenlevens op zee te redden, of

b)

het lozen in zee van schadelijke vloeistoffen of mengsels die dergelijke stoffen bevatten, ten gevolge van schade aan het schip of aan de uitrusting daarvan:

i)

mits na optreden van de beschadiging of na het ontdekken van het lozen alle redelijke voorzorgen zijn getroffen om de lozing te voorkomen of tot een minimum te beperken, en

ii)

tenzij de eigenaar of de kapitein handelde met de bedoeling om schade te veroorzaken, ofwel roekeloos handelde en in de wetenschap dat er waarschijnlijk schade zou ontstaan, of

c)

het lozen in zee van schadelijke vloeistoffen of mengsels die dergelijke stoffen bevatten, welke zijn goedgekeurd door de [vlaggenstaat]administratie, indien dit geschiedt om bepaalde verontreinigingsgevallen te bestrijden, teneinde de schade door de verontreiniging tot een minimum te beperken. Elke lozing van dien aard behoeft de goedkeuring van elke regering binnen het rechtsgebied waarvan wordt overwogen om de lozing te doen plaatsvinden.


MOTIVERING VAN DE RAAD

I.   INLEIDING

In het kader van de medebeslissingsprocedure (artikel 251 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap) heeft de Raad op 11 juni 2004 politieke overeenstemming bereikt over de ontwerp-richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake verontreiniging vanaf schepen en invoering van sancties voor milieumisdrijven (1). Na de bijwerking door de juristen/vertalers heeft de Raad op 7 oktober 2004 zijn gemeenschappelijke standpunt vastgesteld.

In zijn gemeenschappelijke standpunt heeft de Raad rekening gehouden met het advies van het Europees Parlement in eerste lezing op 13 januari 2004 (2) en met het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (3)  (4).

Het doel van de richtlijn is de internationale voorschriften inzake verontreiniging vanaf schepen van het Marpol-Verdrag om te zetten in communautair recht door schendingen van de lozingsvoorschriften aan te merken als inbreuken, en daarvoor geharmoniseerde handhavingsvoorschriften vast te stellen. Tevens wordt beoogd de regels te verruimen om enerzijds lozingen als gevolg van schade die met opzet, uit roekeloosheid of ten gevolge van ernstige nalatigheid is aangericht, ook als inbreuken aan te merken en anderzijds een zo ruim mogelijke handhaving in het kader van het VN-verdrag inzake het recht van de zee (UNCLOS) te garanderen.

II.   ANALYSE VAN HET GEMEENSCHAPPELIJKE STANDPUNT

Na de ramp met de olietanker Prestige heeft de Raad niet alleen benadrukt hoe belangrijk het maritieme veiligheidsbeleid is, maar ook dat passende sancties moeten worden getroffen tegen personen die door grove nalatigheid verontreiniging hebben veroorzaakt of daartoe hebben bijgedragen. In zijn benadering van het Commissievoorstel, dat in maart 2003 is ingediend en wordt geschraagd door een conclusie van de Europese Raad, ook van maart 2003, betreffende de keuze van de juiste rechtsgrond, gaat de Raad ervan uit dat volledig gebruik moet worden gemaakt van de rechten van de Gemeenschap in het kader van het VN-verdrag inzake het recht van de zee (UNCLOS) en dat tegelijkertijd de verplichtingen van de lidstaten in het kader van het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen (Marpol) moeten worden nagekomen.

De Raad is van oordeel dat de omzetting van de Marpol-regeling betreffende verontreiniging vanaf schepen in communautair recht zal resulteren in een strengere en meer geharmoniseerde toepassing en handhaving in de lidstaten. Hij deelt de opvatting dat alle lozingen van verontreinigende stoffen die het gevolg zijn van opzet, roekeloosheid of ernstige nalatigheid als inbreuken moeten worden aangemerkt.

Ervan uitgaande dat de Marpol-bepalingen worden nageleefd, is voorzien in uitzonderingen ingeval een lozing wordt uitgevoerd om mensenlevens of het schip te redden. De in het Marpol-verdrag voorziene uitzondering voor de eigenaar en de kapitein in gevallen van door ongelukken veroorzaakte lozingen geldt in de internationale wateren en in de exclusieve economische of gelijkwaardige zone van de lidstaten. In die gevallen is, als logisch uitvloeisel van de Marpol-bepalingen, de bemanning gevrijwaard indien zij onder de verantwoordelijkheid van de kapitein handelt. Anderzijds acht de Raad het passend om in de binnenwateren en de territoriale wateren van de lidstaten de rechten van de Gemeenschap uit hoofde van artikel 211, lid 4, van het UNCLOS uit te oefenen teneinde de bescherming van de kustlijn te verbeteren en voor lozingen die door ongelukken zijn veroorzaakt niet langer een uitzondering te maken.

De Raad is van oordeel dat sancties tegen inbreuken die resulteren in verontreiniging vanaf schepen, effectief, evenredig en afschrikkend moeten zijn en de vorm kunnen hebben van strafrechtelijke of administratieve sancties. Zijns inziens moeten deze sancties gelden voor eenieder die verantwoordelijk wordt bevonden voor verontreiniging van de zee, en dus voor de hele keten van verantwoordelijkheid. Hoewel de inbreuken in de richtlijn worden gedefinieerd, is de Raad van mening dat de minimale bindende voorschriften voor strafrechtelijke sancties, aansprakelijkheid en rechtsbevoegdheid moeten worden vastgesteld in het parallelle kaderbesluit dat door de Commissie is voorgesteld en door de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken wordt besproken.

De Raad is er verheugd over dat de strenge handhavingsmaatregelen tegen schepen die een haven van een lidstaat aandoen, gestroomlijnd zijn in overeenstemming met de betrokken internationale richtsnoeren. Hij staat achter het intensiever delen van informatie over verdachte lozingen tussen lidstaten en derde landen, hetzij als haven- of als vlaggenstaten, teneinde de handhaving van de passende maatregelen te vergemakkelijken.

Ten slotte is de Raad van oordeel dat alle mogelijkheden in het kader van het UNCLOS om de kustlijn en de hulpbronnen van dit gebied te beschermen, moeten worden gebruikt en dat de kuststaten overeenkomstig artikel 220, lid 6, van het UNCLOS, onder meer handhavingsmaatregelen moeten kunnen nemen tegen schepen die op doorreis zijn in de territoriale wateren of de exclusieve economische of gelijkwaardige zone, wanneer er duidelijk objectief bewijs voorligt dat een lozing de kustlijn of hulpbronnen van de territoriale wateren of de exclusieve economische of gelijkwaardige zone ernstig beschadigt of dreigt te beschadigen. In dat geval zal de betrokken lidstaat de zaak voorleggen aan zijn bevoegde autoriteiten opdat deze een rechtsvervolging, met inbegrip van de vasthouding van het schip, kunnen instellen overeenkomstig zijn wetten.

III.   AMENDEMENTEN

Aangezien de Raad deze ontwerp-richtlijn aanzienlijk anders benadert dan de oorspronkelijk voorgestelde tekst (zie boven), is het in de meeste gevallen niet mogelijk geweest de door het Europees Parlement in de eerste lezing van het gemeenschappelijke standpunt voorgestelde amendementen in de tekst te verwerken.

Het idee om een Europese kustwacht op te zetten (amendementen nrs. 6 en 22) maakte geen deel uit van het oorspronkelijke Commissievoorstel. Hoewel de Raad het belangrijk acht te bezien hoe de Europese kustlijn beter kan worden beschermd, wil hij niet vooruitlopen op een daartoe strekkend initiatief van de Commissie, dat zou kunnen uitmonden in een apart wetgevingsbesluit, dat hij met belangstelling in overweging zal nemen.

Hoewel de Raad de bezorgdheid van het Europees Parlement in verband met de uitvoering van de communautaire wetgeving inzake de maritieme veiligheid (amendementen nrs. 3, 19, 20 en 31) deelt, is hij van mening dat de handhaving van bestaande wetgevingsbesluiten, zoals Richtlijn 2000/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2000 betreffende havenontvangstvoorzieningen voor scheepsafval en ladingresiduen (PB L 332 van 28.12.2000, blz. 81), onder de bevoegdheid van de lidstaten valt en het toezicht daarop uit hoofde van het Verdrag een van de taken van de Commissie is.

Aangezien deze richtlijn de doelstelling heeft lozingen van verontreinigende stoffen vanaf schepen te definiëren als inbreuken uit hoofde van het Gemeenschapsrecht, is de Raad van oordeel dat andere technische voorzieningen zoals bewakingsapparatuur aan boord of olieregisters (amendementen nrs. 30 en 32) buiten het bestek van dit voorstel vallen.

Volgens het eerdergenoemde leidende beginsel in de benadering van de Raad, zijn de Marpol-bepalingen inzake lozingen, met inbegrip van de uitzondering betreffende de eigenaar of kapitein in geval van door ongelukken veroorzaakte lozingen (amendement nr. 10), van toepassing in de internationale wateren en de exclusieve economische of gelijkwaardige zone van de lidstaten. In deze gevallen is de bemanning eveneens expliciet gevrijwaard wanneer zij onder de verantwoordelijkheid van de kapitein handelt. In de binnenwateren en de territoriale wateren van de lidstaten daarentegen geldt deze uitzondering niet, zulks in overeenstemming met de mogelijkheden in het kader van artikel 211, lid 4, van het UNCLOS.

Wat de werkingssfeer van de richtlijn betreft, acht de Raad het juist om alle schepen, ongeacht hun vlag, in een bepaald zeegebied op gelijke voet te behandelen teneinde te voorkomen dat schepen die onder de vlag van een lidstaat varen, benadeeld worden (amendementen nrs. 11 en 13).

Hoewel het gemeenschappelijke standpunt geen gedetailleerde bepaling inzake de aard van de straffen bevat (zie schrapping van de leden 4 t/m 6 van artikel 8/amendementen nrs. 17 en 18) aangezien de minimumvoorschriften tot harmonisatie van de strafrechtelijke sancties het voorwerp vormen van het parallelle kaderbesluit, wordt in artikel 7, lid 2, verwezen naar handhavingsmaatregelen overeenkomstig artikel 220, lid 6, van het UNCLOS waaronder het vasthouden van het schip, in de in het artikel genoemde specifieke gevallen.

Het gemeenschappelijke standpunt is tevens op een aantal andere, minder belangrijke, punten gewijzigd en verduidelijkt ten opzichte van het Commissievoorstel. In enkele gevallen zijn door het Europees Parlement voorgestelde amendementen geheel of gedeeltelijk geïntegreerd teneinde een consistente wetgevingstekst tot stand te brengen.


(1)  De Commissie heeft haar voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake verontreiniging vanaf schepen en invoering van sancties, inclusief strafrechtelijke sancties, voor milieumisdrijven op 7 maart 2003 ingediend (PB C 76 van 25.3.2004, blz. 5).

(2)  Doc. 5181/04 CODEC 24 MAR 2 ENV 8 DROIPEN 1 (nog niet gepubliceerd in het Publicatieblad).

(3)  PB C 220 van 16.9.2003, blz. 72.

(4)  Het Comité van de Regio's heeft besloten geen advies uit te brengen.


1.2.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 25/41


GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT (EG) Nr. 4/2005

vastgesteld door de Raad op 21 oktober 2004

met het oog op de aanneming van Besluit nr. …/2005/EG van het Europees Parlement en de Raad van … houdende wijziging van Besluit nr. 1419/1999/EG tot vaststelling van een communautaire actie voor het evenement „Culturele Hoofdstad van Europa” voor het tijdvak 2005 tot 2019

(2005/C 25E/04)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 151,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Comité van de Regio's (1),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Besluit nr. 1419/1999/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 tot vaststelling van een communautaire actie voor het evenement „Culturele Hoofdstad van Europa” voor het tijdvak 2005 tot 2019 (3) heeft tot doel de rijkdom, de verscheidenheid en de gemeenschappelijke kenmerken van de Europese culturen voor het voetlicht te brengen en ertoe bij te dragen dat de burgers van de Unie elkaar beter leren kennen.

(2)

Bijlage I bij Besluit nr. 1419/1999/EG geeft de chronologische volgorde aan waarin de lidstaten hun kandidatuur voor dit evenement kunnen indienen. Deze bijlage beperkt zich tot de landen die ten tijde van de goedkeuring van het besluit, op 25 mei 1999, lidstaten waren.

(3)

Artikel 6 van Besluit nr. 1419/1999/EG bepaalt dat dit besluit kan worden herzien, met name met het oog op de uitbreiding van de Europese Unie.

(4)

In het licht van de uitbreiding van 2004 is het belangrijk dat de nieuwe lidstaten binnen een korte tijdspanne eveneens in de gelegenheid worden gesteld kandidaten voor het evenement „Culturele Hoofdstad van Europa” voor te dragen, zonder dat de volgorde voor de andere lidstaten verandert, zodanig dat vanaf 2009 tot aan het einde van de huidige communautaire actie elk jaar twee hoofdsteden in de lidstaten kunnen worden aangewezen.

(5)

Besluit nr. 1419/1999/EG dient derhalve te worden gewijzigd,

BESLUITEN:

Artikel 1

Besluit nr. 1419/1999/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

de volgende overweging wordt ingevoegd:

„(12 bis)

Overwegende dat de financiële gevolgen van dit besluit ertoe nopen dat er adequate en passende communautaire middelen voor de aanwijzing van twee ”Culturele Hoofdsteden van Europa„ beschikbaar worden gesteld;”;

2)

in artikel 2 wordt lid 1 vervangen door de volgende tekst:

„1.   Steden in de lidstaten worden bij toerbeurt als Culturele Hoofdstad van Europa aangewezen in de volgorde van de lijst van bijlage I. Tot en met 2008 wordt een stad aangewezen in de lidstaat die volgens de lijst aan de beurt is. Vanaf 2009 wordt een stad aangewezen in elk van de lidstaten die volgens de lijst aan de beurt zijn. In onderlinge overeenstemming kunnen de betrokken lidstaten deze chronologische volgorde wijzigen. Elke lidstaat die aan de beurt is, draagt uiterlijk vier jaar voor de aanvang van het evenement één of meer steden voor aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en het Comité van de Regio's. Eventueel gaat deze voordracht vergezeld van een aanbeveling van de betrokken lidstaat.”;

3)

bijlage I wordt vervangen door de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van zijn bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Het is van toepassing met ingang van 1 mei 2004.

Gedaan te Luxemburg, …

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

Voor de Raad

De voorzitter


(1)  PB C 121 van 30.4.2004, blz. 15.

(2)  Advies van het Europees Parlement van 22 april 2004 (PB C 104 E van 30.4.2004); gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 21 oktober 2004 en standpunt van het Europees Parlement van ….

(3)  PB L 166 van 1.7.1999, blz. 1.


BIJLAGE

VOLGORDE BIJ HET VOORDRAGEN VAN CULTURELE HOOFDSTEDEN VAN EUROPA

2005

Ierland

 

2006

Griekenland (1)

 

2007

Luxemburg

 

2008

Verenigd Koninkrijk

 

2009

Oostenrijk

Litouwen

2010

Duitsland

Hongarije

2011

Finland

Estland

2012

Portugal

Slovenië

2013

Frankrijk

Slowakije

2014

Zweden

Letland

2015

België

Tsjechische Republiek

2016

Spanje

Polen

2017

Denemarken

Cyprus

2018

Nederland (1)

Malta

2019

Italië

 


(1)  De Raad Cultuur/Audiovisuele sector heeft op zijn bijeenkomst van 28 mei 1998 kennisgenomen van de toerbeurt tussen Griekenland en Nederland, overeenkomstig artikel 2, lid 1, van Besluit nr. 1419/1999/EG.


MOTIVERING VAN DE RAAD

I.   INLEIDING

1.

De Commissie heeft op 17 november 2003 bij het Europees Parlement en de Raad een voorstel voor een besluit ingediend op de grondslag van artikel 151 van het EG-Verdrag, tot wijziging van Besluit nr. 1419/1999/EG tot vaststelling van een communautaire actie voor het evenement „Culturele hoofdstad van Europa” voor het tijdvak van 2005 tot 2019.

2.

Het Europees Parlement heeft op 22 april 2004 in eerste lezing advies uitgebracht. De Commissie heeft haar gewijzigde voorstel op 29 april 2004 mondeling toegelicht.

3.

Het Comité van de Regio's heeft op 21 april 2004 advies uitgebracht (1).

4.

De Raad heeft op 21 oktober 2004 zijn gemeenschappelijke standpunt overeenkomstig artikel 251, lid 2, van het EG-Verdrag aangenomen.

II.   DOEL VAN HET VOORSTEL

Het voorstel heeft tot doel de nieuwe lidstaten in de gelegenheid te stellen deel te nemen aan het evenement „Culturele Hoofdstad van Europa” voordat het huidige besluit in 2019 afloopt. Er verandert niets aan de huidige volgorde waarin de lidstaten een stad mogen voordragen, maar er wordt wel een nieuw systeem ingevoerd waarbij vanaf 2009 elk jaar twee lidstaten een stad mogen voordragen, zodat er in de lidstaten twee culturele hoofdsteden kunnen worden geselecteerd.

III.   ANALYSE VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT

1.   Algemene opmerkingen

De Raad heeft geen wijzigingen aangebracht in het Commissievoorstel. De Commissie heeft één van de vijf door het Parlement voorgestelde amendementen volledig aanvaard (amendement nr. 1).

2.   Amendementen van het Europees Parlement

2.1.   Door de Raad aanvaarde amendementen

De Raad heeft het door het Parlement voorgestelde en door de Commissie aanvaarde amendement volledig gesteund (amendement nr. 1).

2.2.   Door de Raad niet opgenomen amendementen

De Raad was net zoals de Commissie van oordeel dat de amendementen nrs. 2, 3, 4 en 5 buiten de werkingssfeer van het voorstel vallen en dus niet moeten worden opgenomen.

IV.   CONCLUSIES

De Raad is van mening dat het gemeenschappelijke standpunt evenwichtig is en geheel strookt met het hoofddoel van de Commissie, namelijk ten spoedigste de weg vrijmaken voor de deelneming van de nieuwe lidstaten aan het evenement „Culturele Hoofdstad van Europa”.


(1)  PB C 121 van 30.4.2004, blz. 15.


1.2.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 25/44


GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT (EG) Nr. 5/2005

vastgesteld door de Raad op 12 november 2004

met het oog op de aanneming van Verordening (EG) nr. …/2005 van het Europees Parlement en de Raad van … betreffende de voorwaarden voor de toegang tot aardgastransmissienetten

(Voor de EER relevante tekst)

(2005/C 25E/05)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 95,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité,

Na raadpleging van het advies van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 2003/55/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas (2) heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de totstandbrenging van een interne markt voor gas. Het is nu nodig te zorgen voor structurele wijzigingen van het regelgevende kader om de resterende belemmeringen voor de voltooiing van de interne markt, met name met betrekking tot de handel in gas, aan te pakken. Er zijn bijkomende technische regels nodig, met name betreffende derdentoegangsdiensten, principes voor het capaciteitsallocatiemechanisme, congestiebeheersprocedures en transparantie-eisen.

(2)

De ervaring met de uitvoering en voortgangscontrole van een eerste pakket „Richtsnoeren voor goede praktijk” dat in 2002 is vastgesteld door het Europees Regelgevend Forum voor gas (hierna „het forum” genoemd), leert dat, teneinde de volledige uitvoering van deze regels in alle lidstaten te verzekeren en in de praktijk een minimumwaarborg voor gelijke voorwaarden op het gebied van markttoegang te verschaffen, ervoor dient te worden gezorgd dat deze wettelijk afdwingbaar worden.

(3)

Een tweede pakket gemeenschappelijke regels „Tweede serie richtsnoeren voor goede praktijk” is vastgesteld op de vergadering van het forum van 24 en 25 september 2003. Deze verordening moet derhalve, op basis van deze richtsnoeren, basisprincipes en regels vaststellen betreffende nettoegang en derdentoegangsdiensten, congestiebeheer, transparantie, balancering en het verhandelen van capaciteitsrechten.

(4)

Artikel 15 van Richtlijn 2003/55/EG biedt de mogelijkheid van een gecombineerde transmissie- en distributiesysteembeheerder. Derhalve hoeft uit hoofde van deze verordening geen wijziging te worden aangebracht in de organisatie van de nationale transmissie- en distributiesystemen die stroken met de relevante bepalingen van Richtlijn 2003/55/EG, en met name artikel 15 daarvan.

(5)

Hogedrukpijpleidingen die plaatselijke distributeurs met het gasnet verbinden en die niet in de eerste plaats voor lokale aardgasdistributie worden gebruikt, vallen onder het toepassingsgebied van deze verordening.

(6)

Er moeten criteria worden vastgesteld voor de berekening van de tarieven voor toegang tot het net, opdat deze tarieven volledig voldoen aan het beginsel van niet-discriminatie en aan de behoeften van een goed functionerende interne markt. Daarbij moet ten volle rekening worden gehouden met de noodzakelijke systeemintegriteit. Bovendien moeten de tarieven een afspiegeling vormen van de werkelijke kosten, terwijl anderzijds moet worden voorzien in adequate stimulansen, zoals een redelijke winst op de investeringen, ter bevordering van de efficiëntie, en, in voorkomend geval, rekening moet worden gehouden met de benchmarking van de tarieven door de regelgevende instanties.

(7)

Bij de berekening van de tarieven voor de toegang tot netten is het van belang dat rekening wordt gehouden met de werkelijke kosten en met de noodzaak om een redelijke winst op de investeringen te genereren en stimulansen te scheppen voor de aanleg van nieuwe infrastructuur. In dat verband zal, met name als er sprake is van daadwerkelijke concurrentie tussen pijpleidingen, de benchmarking van tarieven een relevant punt van overweging zijn.

(8)

Het gebruik van op de markt gerichte regelingen, zoals veilingen, om tarieven vast te stellen moet stroken met de bepalingen van Richtlijn 2003/55/EG.

(9)

Een gemeenschappelijk minimumpakket van derdentoegangsdiensten is nodig om in de hele Gemeenschap in de praktijk voor een gemeenschappelijke minimumtoegangsnorm te zorgen, teneinde te waarborgen dat derdentoegangsdiensten voldoende compatibel zijn en de voordelen van een goed functionerende interne markt voor gas kunnen worden benut.

(10)

Verwijzingen naar geharmoniseerde transportcontracten in de context van niet-discriminerende toegang tot het net van transmissiesysteembeheerders houden niet in dat de termen en voorwaarden van de transportcontracten van een bepaalde transmissiesysteembeheerder in een lidstaat dezelfde moeten zijn als die van een andere transmissiesysteembeheerder in die lidstaat of in een andere lidstaat, behoudens waar minimumeisen zijn vastgesteld waaraan alle transportcontracten moeten voldoen.

(11)

Het beheer van contractuele congestie van netten is een belangrijke kwestie bij de voltooiing van de interne gasmarkt. Er moeten gemeenschappelijke regels worden ontwikkeld die de noodzaak om ongebruikte capaciteit vrij te maken, in overeenstemming met het principe „use-it-or-lose-it”, in balans brengen met de rechten van de bezitters van de capaciteit om deze, waar nodig, te gebruiken en tegelijkertijd de liquiditeit van de capaciteit te verhogen.

(12)

Hoewel de fysieke congestie van de netten momenteel zelden een probleem is in de Gemeenschap kan het er in de toekomst een worden. Het is derhalve belangrijk het basisprincipe vast te stellen voor de allocatie van capaciteit op overbelaste netten.

(13)

Opdat netgebruikers effectieve toegang tot gasnetten kunnen verkrijgen, hebben zij informatie nodig over met name technische eisen en beschikbare capaciteit, teneinde te kunnen profiteren van zakelijke mogelijkheden die zich in het kader van de interne markt voordoen. Er zijn gemeenschappelijke minimumnormen betreffende dergelijke transparantie-eisen nodig. Deze informatie kan in verschillende vormen, onder meer elektronisch, worden bekendgemaakt.

(14)

Door de transmissiesysteembeheerders beheerde niet-discriminerende en transparante balanceringssystemen voor gas zijn belangrijke mechanismen, met name voor nieuwkomers op de markt die het mogelijk moeilijker hebben om hun totale verkoopportefeuille in balans te houden dan gevestigde ondernemingen binnen een relevante markt. Derhalve moeten regels worden vastgesteld die garanderen dat de transmissiesysteembeheerders dergelijke mechanismen beheren op een wijze die verenigbaar is met niet-discriminerende, transparante en effectieve toegangsvoorwaarden voor het net.

(15)

Het verhandelen van primaire rechten op capaciteit vormt een belangrijk onderdeel van het ontwikkelen van een concurrerende markt en het creëren van liquiditeit. In deze verordening moeten derhalve basisregels op dit gebied worden vastgesteld.

(16)

Er moet voor worden gezorgd dat bedrijven die capaciteitsrechten verwerven, deze aan andere toegelaten bedrijven kunnen doorverkopen, teneinde voldoende liquiditeit op de capaciteitsmarkt te waarborgen. Dat belet echter niet dat een systeem wordt gehanteerd waarbij capaciteit die gedurende een bepaalde, op nationaal niveau vastgestelde, tijd niet wordt gebruikt, opnieuw op vaste basis op de markt beschikbaar wordt gesteld.

(17)

De nationale regelgevende instanties moeten erop toezien dat de in deze verordening neergelegde regels en de op basis van deze verordening vastgestelde richtsnoeren in acht worden genomen.

(18)

In de bij deze verordening gevoegde richtsnoeren worden specifieke gedetailleerde uitvoeringsbepalingen vastgesteld op basis van de tweede serie richtsnoeren voor goede praktijk. Deze regels zullen zich in de loop der tijd waar nodig ontwikkelen, rekening houdend met de verschillen tussen de nationale gassystemen.

(19)

De Commissie is voornemens om, wanneer zij voorstelt om de als bijlage bij de verordening opgenomen richtsnoeren te wijzigen, vooraf alle betrokken partijen waarvoor deze richtsnoeren relevant zijn - vertegenwoordigd door de beroepsorganisaties - en de lidstaten in het forum te raadplegen. Ook zal zij de Europese Groep van regelgevende instanties voor elektriciteit en gas om een bijdrage verzoeken.

(20)

Van de lidstaten en de bevoegde nationale instanties moet worden verlangd dat zij de Commissie relevante informatie verstrekken. Dergelijke informatie moet door de Commissie vertrouwelijk worden behandeld.

(21)

Deze verordening en de in overeenstemming hiermee vastgestelde richtsnoeren laten de toepassing van de communautaire concurrentieregels onverlet.

(22)

De voor de uitvoering van deze verordening vereiste maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (3).

(23)

Aangezien de doelstelling van deze verordening, namelijk de vaststelling van eerlijke regels betreffende de voorwaarden voor de toegang tot aardgastransmissienetten, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve vanwege de omvang of de gevolgen van de verordening beter op het niveau van de Gemeenschap kan worden verwezenlijkt, mag de Gemeenschap overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag bedoelde subsidiariteitsbeginsel maatregelen treffen. Overeenkomstig het in dat artikel bedoelde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan hetgeen nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   Deze verordening heeft als doel niet-discriminerende regels vast te stellen betreffende de toegangsvoorwaarden voor aardgastransmissiesystemen, rekening houdend met de specificiteit van nationale en regionale markten, teneinde de goede werking van de interne gasmarkt te verzekeren.

Dit doel omvat onder meer de vaststelling van geharmoniseerde principes betreffende de tarieven voor de toegang tot het net, of betreffende de methoden voor de berekening daarvan, de instelling van derdentoegangsdiensten, de vaststelling van geharmoniseerde beginselen voor capaciteitsallocatie en congestiebeheer, de bepaling van transparantie-eisen, balanceringsregels en tarieven voor onbalans, alsmede de bevordering van capaciteitsverhandeling.

2.   De lidstaten kunnen overeenkomstig Richtlijn 2003/55/EG een entiteit of instantie instellen voor de uitoefening van één of meer normaliter aan de transmissiesysteembeheerder toegewezen functies; de eisen van deze verordening zijn daarop van toepassing.

Artikel 2

Definities

1.   Voor de toepassing van deze verordening gelden de volgende definities:

1.

„transmissie”: het transport van aardgas door een net dat vooral bestaat uit hogedrukpijpleidingen, met uitzondering van een upstreampijpleidingnet en van het gedeelte van hogedrukpijpleidingen dat in de eerste plaats voor lokale aardgasdistributie wordt gebruikt, met het oog op de belevering van afnemers, de levering zelf niet inbegrepen;

2.

„transportcontract”: een contract tussen een transmissiesysteembeheerder en een netgebruiker voor de uitvoering van de transmissie;

3.

„capaciteit”: de maximale flow, uitgedrukt in normale kubieke meter per tijdseenheid of in energie-eenheid per tijdseenheid, waarop de netgebruiker op grond van het transportcontract recht heeft;

4.

„ongebruikte capaciteit”: de vaste capaciteit die een netgebruiker op grond van een transportcontract heeft verworven, maar niet heeft genomineerd;

5.

„congestiebeheer”: beheer van de capaciteitsportefeuille van de transmissiesysteembeheerder met het oog op het optimale en maximale gebruik van de technische capaciteit en de tijdige detectie van toekomstige congestie- en saturatiepunten;

6.

„secundaire markt”: de markt van de niet op de primaire markt verhandelde capaciteit;

7.

„nominatie”: het vooraf opgeven door de netgebruiker aan de transmissiesysteembeheerder van de werkelijke flow die hij wil invoeden op of onttrekken aan het systeem;

8.

„hernominatie”: het achteraf melden van een gecorrigeerde nominatie;

9.

„systeemintegriteit”: elke situatie met betrekking tot een transmissienet, met inbegrip van de noodzakelijke transmissiefaciliteiten, waarin de druk en de kwaliteit van het aardgas binnen de door de transmissiesysteembeheerder vastgestelde minimum- en maximumgrenzen blijven, zodat de transmissie van aardgas uit een technisch oogpunt gegarandeerd is;

10.

„balanceringsperiode”: periode waarbinnen het onttrekken van een hoeveelheid aardgas, uitgedrukt in eenheden energie, door elke netgebruiker moet worden gecompenseerd door middel van het invoeden van dezelfde hoeveelheid aardgas op het transmissienet in overeenstemming met het transportcontract of de netcode;

11.

„netgebruiker”: een afnemer of mogelijke afnemer van een transmissiesysteembeheerder en, mits zulks nodig is om de functies met betrekking tot de transmissie uit te voeren, de transmissiebeheerder zelf;

12.

„afschakelbare diensten”: door de transmissiesysteembeheerder met betrekking tot afschakelbare capaciteit aangeboden diensten;

13.

„afschakelbare capaciteit”: gastransmissiecapaciteit die door de transmissiesysteembeheerder kan worden afgeschakeld overeenkomstig de voorwaarden van het transportcontract;

14.

„langetermijndiensten”: door de transmissiesysteembeheerder aangeboden diensten met een duur van één jaar of meer;

15.

„kortetermijndiensten”: door de transmissiesysteembeheerder aangeboden diensten met een duur van minder dan één jaar;

16.

„vaste capaciteit”: door de transmissiesysteembeheerder contractueel als niet-afschakelbaar gegarandeerde gastransmissiecapaciteit;

17.

„vaste diensten”: door de transmissiesysteembeheerder met betrekking tot vaste capaciteit aangeboden diensten;

18.

„technische capaciteit”: de maximale vaste capaciteit die de transmissiesysteembeheerder aan de netgebruikers kan aanbieden, rekening houdend met de systeemintegriteit en de operationele eisen van het transmissienet;

19.

„gecontracteerde capaciteit”: capaciteit die de transmissiesysteembeheerder aan een netgebruiker heeft gealloceerd door middel van een transportcontract;

20.

„beschikbare capaciteit”: het deel van de technische capaciteit dat niet is gealloceerd en op een gegeven moment nog beschikbaar is voor het systeem;

21.

„contractuele congestie”: een situatie waarbij het niveau van de vraag naar vaste capaciteit groter is dan de technische capaciteit;

22.

„primaire markt”: de markt van de direct door de transmissiesysteembeheerder verhandelde capaciteit;

23.

„fysieke congestie”: een situatie waarbij op een bepaald tijdstip het niveau van de vraag naar werkelijke leveringen groter is dan de technische capaciteit.

2.   De definities in artikel 2 van Richtlijn 2003/55/EG die relevant zijn voor de toepassing van deze verordening zijn eveneens van toepassing, met uitzondering van de definitie van „transmissie” in artikel 2, punt 3, van Richtlijn 2003/55/EG.

Artikel 3

Tarieven voor de toegang tot netten

1.   De door de transmissiesysteembeheerders toegepaste tarieven, of de voor de berekening daarvan gebruikte methoden die zijn goedgekeurd door de regelgevende instanties overeenkomstig artikel 25, lid 2, van Richtlijn 2003/55/EG, alsmede de tarieven die worden gepubliceerd overeenkomstig artikel 18, lid 1, van die richtlijn, zijn transparant, houden rekening met de noodzaak van systeemintegriteit en verbetering ervan en zijn een afspiegeling van de werkelijke kosten, waarbij zij passende stimulansen blijven met betrekking tot de efficiëntie, inclusief de nodige winst op de investeringen, en in voorkomende gevallen met inachtneming van de benchmarking van tarieven door de regelgevende instanties. De tarieven of de voor de berekening daarvan gebruikte methoden zijn niet-discriminerend.

De lidstaten kunnen besluiten dat de tarieven ook kunnen worden vastgesteld aan de hand van op de markt gerichte regelingen, zoals veilingen, mits dergelijke regelingen en de eruit voortvloeiende inkomsten door de regelgevende instantie worden goedgekeurd.

De tarieven, of de methoden voor de berekening daarvan, zijn bevorderlijk voor de efficiënte handel in gas en voor de concurrentie en zijn tegelijk gericht op het vermijden van kruissubsidiëring tussen de netgebruikers en op het bieden van stimulansen voor investeringen en het handhaven of creëren van interoperabele transmissienetten.

2.   De tarieven voor de toegang tot netten werken niet beperkend op de marktliquiditeit of verstorend voor de grensoverschrijdende handel van de verschillende transmissiesystemen. Indien verschillen in de tariefstructuren of balanceringsmechanismen de handel tussen transmissiesystemen zouden belemmeren, streven transmissiesysteembeheerders, onverminderd artikel 25, lid 2, van Richtlijn 2003/55/EG, in nauwe samenwerking met de betrokken nationale instanties, actief naar de convergentie van tariefstructuren en tariefbeginselen, ook met betrekking tot balancering.

Artikel 4

Derdentoegangsdiensten

1.   Transmissiesysteembeheerders waarborgen:

a)

dat ze op niet-discriminerende basis diensten aan alle netgebruikers aanbieden. Met name wanneer een transmissiesysteembeheerder dezelfde dienst aan meerdere afnemers aanbiedt, geschiedt dit onder gelijkwaardige contractuele voorwaarden, met gebruikmaking van geharmoniseerde transportcontracten of een door de bevoegde instantie volgens de procedure van artikel 25 van Richtlijn 2003/55/EG goedgekeurde netcode;

b)

dat zij zowel vaste als afschakelbare derdentoegangsdiensten aanbieden. De prijs van afschakelbare capaciteit is een afspiegeling van de waarschijnlijkheid van afschakeling;

c)

dat zij de netgebruikers zowel lange- als kortetermijndiensten aanbieden.

2.   Transportcontracten met niet-standaardaanvangsdata of van een kortere duur dan een standaard-transportcontract van een jaar, resulteren niet in willekeurig hogere of lagere tarieven die niet de marktwaarde van de dienst weerspiegelen overeenkomstig de in artikel 3, lid 1, vermelde principes.

3.   Zo nodig kunnen derdentoegangsdiensten afhankelijk worden gesteld van passende garanties van netgebruikers voor wat betreft de kredietwaardigheid van deze gebruikers. Zulke garanties mogen geen oneerlijke marktbelemmering vormen en moeten niet-discriminerend, transparant en proportioneel zijn.

Artikel 5

Beginselen inzake mechanismen voor capaciteitsallocatie en procedures voor congestiebeheer

1.   Marktdeelnemers krijgen de beschikking over de maximale capaciteit op alle relevante punten waaraan in artikel 6, lid 3, wordt gerefereerd, met inachtneming van systeemintegriteit en efficiënte netexploitatie.

2.   Transmissiesysteembeheerders implementeren en publiceren niet-discriminerende en transparante mechanismen voor capaciteitsallocatie, welke

a)

passende economische signalen geven voor een efficiënt en maximaal gebruik van de technische capaciteit en investeringen in nieuwe infrastructuur vergemakkelijken;

b)

zorgen voor compatibiliteit met de marktmechanismen, met inbegrip van spotmarkten en trading hubs en tevens flexibel en in staat zijn zich aan veranderende marktomstandigheden aan te passen;

c)

compatibel zijn met de nettoegangsregelingen van de lidstaten.

3.   Wanneer transmissiesysteembeheerders nieuwe transportcontracten sluiten of nieuwe onderhandelingen over bestaande transportcontracten voeren, wordt in deze contracten rekening gehouden met de volgende principes:

a)

in geval van contractuele congestie biedt de transmissiesysteembeheerder ongebruikte capaciteit op de primaire markt aan, ten minste op „day-ahead”-basis en afschakelbaar;

b)

netgebruikers die hun ongebruikte gecontracteerde capaciteit op de secundaire markt willen doorverkopen of -verhuren, hebben daartoe het recht. De lidstaten kunnen kennisgeving of informatieverstrekking aan de transmissiesysteembeheerder door de netgebruikers verlangen.

4.   Wanneer capaciteit die krachtens bestaande transportcontracten gecontracteerd is, ongebruikt blijft en zich contractuele congestie voordoet, passen de transmissiesysteembeheerders lid 3 toe, tenzij daardoor inbreuk zou worden gemaakt op de eisen van de bestaande transportcontracten. Indien daardoor inbreuk zou worden gemaakt op bestaande transportcontracten, richten de transmissiesysteembeheerders een verzoek tot de netgebruiker om, in overleg met de bevoegde instanties, overeenkomstig lid 3, ongebruikte capaciteit op de secundaire markt te gebruiken.

5.   In geval van fysieke congestie worden door de transmissiesysteembeheerder of, in voorkomend geval, de regelgevende instanties niet-discriminerende en transparante mechanismen voor capaciteitsallocatie toegepast.

Artikel 6

Transparantie-eisen

1.   De transmissiesysteembeheerders publiceren gedetailleerde informatie betreffende de diensten die zij aanbieden en de toegepaste relevante voorwaarden alsook de technische informatie die nodig is opdat netgebruikers effectieve nettoegang verkrijgen.

2.   Om transparante, objectieve en niet-discriminerende tarieven te garanderen en een efficiënt gebruik van het gasnet te bevorderen, publiceren de transmissiesysteembeheerders of de relevante nationale instanties beknopte en voldoende gedetailleerde informatie over tariefderivatie, methodologie en structuur.

3.   Met betrekking tot de aangeboden diensten publiceert iedere transmissiesysteembeheerder voor alle relevante punten, waaronder de entry- en exitpunten, regelmatig, voortschrijdend en op een gebruikersvriendelijke gestandaardiseerde wijze numerieke informatie over technische, gecontracteerde en beschikbare capaciteit.

4.   De relevante punten van een transmissiesysteem waarover de informatie moet worden gepubliceerd, worden door de bevoegde instanties na overleg met de netgebruikers goedgekeurd.

5.   Wanneer een transmissiesysteembeheerder van oordeel is dat hij om redenen van vertrouwelijkheid niet gerechtigd is alle vereiste gegevens te publiceren, vraagt hij de bevoegde instanties om toestemming om de publicatie met betrekking tot het punt of de punten in kwestie te beperken.

De bevoegde instanties verlenen of weigeren toestemming per geval en houden daarbij in het bijzonder rekening met de noodzaak om de legitieme commerciële vertrouwelijkheid in acht te nemen en het doel om een concurrerende interne gasmarkt tot stand te brengen. Indien er toestemming wordt verleend, wordt de beschikbare capaciteit gepubliceerd zonder vermelding van de numerieke data die inbreuk zouden maken op de vertrouwelijkheid.

Er wordt geen toestemming zoals bedoeld in dit lid verleend indien drie of meer netgebruikers capaciteit hebben gecontracteerd op hetzelfde punt.

6.   De transmissiesysteembeheerders publiceren de krachtens deze verordening vereiste informatie altijd op een zinvolle, duidelijk meetbare en goed toegankelijke manier en op niet-discriminerende basis.

Artikel 7

Balanceringsregels en tarieven voor onbalans

1.   De balanceringsregels worden ontworpen op eerlijke, niet-discriminerende en transparante wijze en zijn gebaseerd op objectieve criteria. De balanceringsregels zijn een afspiegeling van de werkelijke systeembehoeften, rekening houdend met de voor de transmissiesysteembeheerder beschikbare hulpmiddelen.

2.   Bij niet op de markt gerichte balanceringssystemen worden de tolerantiewaarden zo ontworpen dat ze ofwel de seizoengebondenheid weerspiegelen ofwel hoger uitvallen dan de tolerantiewaarden die uit de seizoengebondenheid zouden resulteren, en dat ze de werkelijke technische capaciteit van het transmissiesysteem weerspiegelen. De tolerantiewaarden zijn een afspiegeling van de werkelijke systeembehoeften, rekening houdend met de voor de transmissiesysteembeheerder beschikbare hulpmiddelen.

3.   De tarieven voor onbalans zijn globaal op de kosten georiënteerd en stimuleren in voorkomende gevallen de netgebruikers om hun invoeding en onttrekking van gas te balanceren. Zij zijn gericht op het vermijden van kruissubsidiëring tussen de netgebruikers en houden geen belemmering in voor het betreden van de markt door nieuwkomers.

De methoden voor de berekening van de tarieven voor onbalans en de definitieve tarieven worden gepubliceerd door de bevoegde instanties of de transmissiesysteembeheerder, naar gelang van het geval.

4.   De transmissiesysteembeheerders kunnen boetetarieven opleggen aan de netgebruikers van wie de invoeding op en de onttrekking aan het transmissiesysteem niet in balans zijn overeenkomstig de in lid 1 bedoelde balanceringsregels.

5.   De boetetarieven die de werkelijk gemaakte balanceringskosten overschrijden, worden bij de berekening van de tarieven in aanmerking genomen, zodanig dat het voordeel van balancering niet wordt beperkt. Zij worden door de bevoegde instanties goedgekeurd.

6.   Om de netgebruikers in staat te stellen tijdig corrigerende maatregelen te nemen, verstrekken de transmissiesysteembeheerders voldoende, tijdige en betrouwbare online-informatie over de balanceringsstatus van de netgebruikers. Het niveau van de verstrekte informatie is een afspiegeling van het niveau van de informatie die de transmissiesysteembeheerder tot zijn beschikking heeft. De eventueel voor het verstrekken van deze informatie toegepaste tarieven worden door de bevoegde instanties goedgekeurd en door de transmissiesysteembeheerder gepubliceerd.

7.   De lidstaten zien erop toe dat de transmissiesysteembeheerders streven naar harmonisatie van de balanceringsstelsels en naar stroomlijning van de structuren en de niveaus van de balanceringstarieven om de handel in gas te bevorderen.

Artikel 8

Verhandeling van capaciteitsrechten

Iedere transmissiesysteembeheerder onderneemt redelijke stappen om mogelijk te maken en te bevorderen dat capaciteitsrechten vrij verhandelbaar zijn. Ieder van deze transmissiesysteembeheerders ontwikkelt geharmoniseerde transportcontracten en procedures op de primaire markt om de secundaire handel in capaciteit te bevorderen en erkent de overdracht van primaire capaciteitsrechten voorzover daarvan door netgebruikers kennisgeving is gedaan. Van deze geharmoniseerde transportcontracten en procedures wordt aan de regelgevende instanties kennisgeving gedaan.

Artikel 9

Richtsnoeren

1.   In voorkomend geval worden in de richtsnoeren inzake de minimaal vereiste harmonisatie voor het bereiken van het doel van deze verordening de volgende punten gespecificeerd:

a)

de nadere bijzonderheden van de derdentoegangsdiensten, inclusief de aard, duur en andere eisen betreffende deze diensten, in overeenstemming met artikel 4;

b)

de nadere bijzonderheden met betrekking tot de principes die aan de mechanismen voor capaciteitsallocatie ten grondslag liggen en betreffende de toepassing van procedures voor congestiebeheer, in overeenstemming met artikel 5;

c)

de nadere gegevens betreffende de definitie van de technische informatie die nodig is opdat de netgebruikers effectieve toegang kunnen verkrijgen tot het systeem, en de definitie van alle voor de transparantie-eisen relevante punten, inclusief de op alle relevante punten te publiceren informatie en het tijdschema voor de publicatie van deze informatie, in overeenstemming met artikel 6.

2.   De richtsnoeren betreffende de in lid 1 genoemde kwesties zijn opgenomen in de bijlage. Zij kunnen door de Commissie worden gewijzigd; dit gebeurt volgens de procedure van artikel 14, lid 2.

3.   Bij de toepassing en de wijziging van de krachtens deze verordening aangenomen richtsnoeren wordt rekening gehouden met de verschillen tussen de nationale gassystemen. Derhalve zullen geen uniforme voorwaarden voor de toegang van derden op communautair niveau vereist zijn. Er kunnen evenwel minimumeisen worden gesteld waaraan moet worden voldaan om de voor een interne gasmarkt noodzakelijke niet-discriminerende en transparante voorwaarden voor nettoegang te verwezenlijken; deze minimumeisen kunnen vervolgens worden toegepast in het licht van de verschillen tussen de nationale gassystemen.

Artikel 10

Regelgevende instanties

Bij de uitoefening van hun verantwoordelijkheden uit hoofde van deze verordening vergewissen de krachtens artikel 25 van Richtlijn 2003/55/EG ingestelde regelgevende instanties van de lidstaten zich ervan, dat deze verordening en de ingevolge artikel 9 van deze verordening vastgestelde richtsnoeren worden nageleefd.

In voorkomend geval werken zij onderling en met de Commissie samen.

Artikel 11

Informatieverstrekking

De lidstaten en de regelgevende instanties verstrekken de Commissie op verzoek alle voor de toepassing van artikel 9 noodzakelijke informatie.

De Commissie stelt een redelijke termijn vast waarbinnen de informatie moet worden verstrekt rekening houdend met de complexiteit en de urgentie van de vereiste informatie.

Artikel 12

Recht van de lidstaten om meer gedetailleerde maatregelen te treffen

Deze verordening laat de rechten van de lidstaten onverlet om maatregelen te handhaven of in te voeren die meer gedetailleerde voorschriften bevatten dan die in deze verordening en de in artikel 9 bedoelde richtsnoeren.

Artikel 13

Sancties

1.   De lidstaten stellen de sancties vast die bij een overtreding van deze verordening worden opgelegd en nemen alle noodzakelijke maatregelen voor de uitvoering ervan. De beoogde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten delen de Commissie de desbetreffende bepalingen uiterlijk op 1 juli 2006 mee en melden haar onverwijld alle eventuele latere wijzigingen.

2.   Sancties krachtens lid 1 zijn niet van strafrechtelijke aard.

Artikel 14

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het comité dat is opgericht bij artikel 30 van Richtlijn 2003/55/EG.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

3.   Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 15

Verslag van de Commissie

De Commissie houdt toezicht op de uitvoering van deze verordening. In het verslag dat zij uitbrengt krachtens artikel 31, lid 3, van Richtlijn 2003/55/EG, rapporteert de Commissie tevens over de ervaringen die bij de toepassing van deze verordening zijn opgedaan. Met name wordt in het verslag onderzocht in hoeverre de verordening succesvol is geweest in het bewerkstelligen van niet-discriminerende en op kosten georiënteerde nettoegangsvoorwaarden voor gastransmissienetten teneinde bij te dragen tot een veelzijdig aanbod voor de consument in een goed functionerende interne markt en tot leveringszekerheid op lange termijn. Indien nodig gaat het verslag vergezeld van passende voorstellen en/of aanbevelingen.

Artikel 16

Ontheffingen en vrijstellingen

Deze verordening is niet van toepassing op:

a)

in de lidstaten gelegen aardgastransmissiesystemen, voor de duur van ontheffingen die zijn verleend uit hoofde van artikel 28 van Richtlijn 2003/55/EG; lidstaten waaraan krachtens artikel 28 van Richtlijn 2003/55/EG ontheffingen zijn verleend, kunnen de Commissie derhalve verzoeken om tijdelijke afwijking van de toepassing van deze verordening, en wel voor een periode van ten hoogste twee jaar vanaf de datum waarop de in dit punt bedoelde ontheffing verstrijkt;

b)

de in artikel 22, leden 1 en 2, van Richtlijn 2003/55/EG bedoelde interconnectoren tussen lidstaten, alsmede aanzienlijke capaciteitsverhogingen van bestaande infrastructuur en wijzigingen van die infrastructuur die het mogelijk maken nieuwe bronnen voor de levering van gas te ontwikkelen, die zijn ontheven van de toepassing van de artikelen 18, 19 en 20 en van artikel 25, leden 2, 3 en 4, van die richtlijn, voor de duur van de ontheffing van de onder dit punt vermelde bepalingen, of

c)

aardgastransmissiesystemen waarvoor krachtens artikel 27 van Richtlijn 2003/55/EG ontheffingen zijn verleend.

Artikel 17

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 juli 2006, met uitzondering van de tweede zin van artikel 9, lid 2, die van toepassing is met ingang van 1 januari 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel …

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

Voor de Raad

De voorzitter


(1)  Advies van het Europees Parlement van 20 april 2004(PB C 104 E van 30.4.2004) en besluit van de Raad van ....

(2)  PB L 176 van 15.7.2003, blz. 57.

(3)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.


BIJLAGE

RICHTSNOEREN BETREFFENDE

1.

DERDENTOEGANGSDIENSTEN

2.

PRINCIPES DIE TEN GRONDSLAG LIGGEN AAN HET MECHANISME VOOR CAPACITEITSALLOCATIE EN DE PROCEDURES VOOR CONGESTIEBEHEER EN DE TOEPASSING VAN PROCEDURES VOOR CONGESTIEBEHEER IN GEVAL VAN CONTRACTUELE CONGESTIE, EN

3.

DEFINITIE VAN DE TECHNISCHE INFORMATIE DIE NETGEBRUIKERS NODIG HEBBEN OM EFFECTIEVE TOEGANG TE KUNNEN VERKRIJGEN TOT HET SYSTEEM, EN DEFINITIE VAN ALLE VOOR DE TRANSPARANTIE-EISEN RELEVANTE PUNTEN, INCLUSIEF DE OP ALLE RELEVANTE PUNTEN TE PUBLICEREN INFORMATIE EN HET TIJDSCHEMA AAN DE HAND WAARVAN DEZE INFORMATIE MOET WORDEN GEPUBLICEERD

1.   DERDENTOEGANGSDIENSTEN

1.

De transmissiesysteembeheerders bieden vaste en afschakelbare diensten aan met een minimumduur van één dag.

2.

De geharmoniseerde transportcontracten en gemeenschappelijke netcode worden ontworpen op een wijze die bevorderlijk is voor de handel in en het hergebruik van de door de netgebruikers gecontracteerde capaciteit zonder de vrijgave van capaciteit te belemmeren.

3.

De transmissiesysteembeheerders ontwikkelen netcodes en geharmoniseerde contracten nadat zij naar behoren overleg hebben gepleegd met de netgebruikers.

4.

De transmissiesysteembeheerders implementeren gestandaardiseerde nominatie- en hernominatieprocedures zodra deze binnen de European Association for the Streamlining of the Exchange of Energy Gas (EASEE-gas) zijn overeengekomen. Zij ontwikkelen informatiesystemen en elektronische communicatiemiddelen om adequate gegevens te verstrekken aan de netgebruikers en om transacties zoals nominaties, capaciteitscontractering en overdracht van capaciteitsrechten tussen netgebruikers te vereenvoudigen.

5.

De transmissiesysteembeheerders harmoniseren geformaliseerde aanvraagprocedures en reactietermijnen overeenkomstig de beste branchepraktijk met het doel om de reactietijden te minimaliseren. Zij voorzien uiterlijk op 1 juli 2006 in on-linecapaciteitsboekings- en confirmatiesystemen via beeldscherm alsook in nominatie- en hernominatieprocedures, indien deze procedures binnen EASEE-gas zijn overeengekomen.

6.

De transmissiesysteembeheerders rekenen de netgebruikers niet afzonderlijk de informatieaanvragen en transacties aan die verband houden met hun transportcontracten en die worden uitgevoerd overeenkomstig de standaardregels en -procedures.

7.

Informatieaanvragen die buitengewone of excessieve uitgaven vereisen zoals haalbaarheidsstudies, mogen afzonderlijk worden aangerekend, mits de kosten naar behoren kunnen worden aangetoond.

8.

De transmissiesysteembeheerders werken met andere transmissiesysteembeheerders samen bij het coördineren van het onderhoud van hun respectieve netwerken teneinde elke storing van de transmissiediensten aan netgebruikers en transmissiesysteembeheerders in andere gebieden zoveel mogelijk te beperken en teneinde te zorgen voor gelijke voordelen met betrekking tot de leveringszekerheid, ook in het transitverkeer.

9.

De transmissiesysteembeheerders publiceren ten minste eenmaal per jaar, binnen een vooraf bepaalde termijn, alle geplande onderhoudsperioden die van invloed kunnen zijn op de uit de transportcontracten voortvloeiende rechten van de netgebruikers, alsmede desbetreffende operationele informatie, met een adequate vooraankondiging. Dit houdt in dat onverwijld en op niet-discriminerende basis alle wijzigingen van geplande onderhoudsperioden worden gepubliceerd en dat niet-gepland onderhoud wordt bekendgemaakt zodra de transmissiesysteembeheerders over deze informatie beschikken. Gedurende de onderhoudsperioden publiceren de transmissiesysteembeheerders regelmatig geactualiseerde informatie betreffende nadere bijzonderheden over het onderhoud, alsmede de verwachte duur en het effect ervan.

10.

De transmissiesysteembeheerders houden dagelijks een logboek bij van de werkelijke onderhouds- en flowstoringen die zich hebben voorgedaan en stellen dit op verzoek ter beschikking van de bevoegde instantie. Deze informatie wordt op verzoek eveneens ter beschikking gesteld van degenen die door een storing zijn getroffen.

2.   PRINCIPES DIE TEN GRONDSLAG LIGGEN AAN HET MECHANISME VOOR CAPACITEITSALLOCATIE EN DE PROCEDURES VOOR CONGESTIEBEHEER EN TOEPASSING VAN PROCEDURES VOOR CONGESTIEBEHEER IN GEVAL VAN CONTRACTUELE CONGESTIE

2.1.   Principes die ten grondslag liggen aan het mechanisme voor capaciteitsallocatie en de procedures voor congestiebeheer

1.

Het mechanisme voor capaciteitsallocatie en de procedures voor congestiebeheer zijn bevorderlijk voor de ontwikkeling van concurrentie en de liquide verhandeling van capaciteit en zijn compatibel met de marktmechanismen, inclusief de spotmarkten en trading hubs. Zij zijn flexibel en aanpasbaar aan veranderende marktomstandigheden.

2.

In deze mechanismen en procedures wordt rekening gehouden met de integriteit van het betrokken systeem en met de leveringszekerheid.

3.

Deze mechanismen en procedures belemmeren de toetreding van nieuwe marktdeelnemers niet en creëren evenmin overmatige hinderpalen voor het betreden van de markt. Zij beletten niet dat de marktdeelnemers, inclusief nieuwe marktdeelnemers en bedrijven met een klein marktaandeel, effectief concurreren.

4.

Door middel van deze mechanismen en procedures worden passende economische signalen gegeven voor de efficiënte en maximale benutting van technische capaciteit en worden investeringen in nieuwe infrastructuur aangemoedigd.

5.

Netgebruikers worden ingelicht over het soort omstandigheden dat de beschikbaarheid van gecontracteerde capaciteit kan beïnvloeden. De informatie over afschakeling dient overeen te komen met het informatieniveau waarover de transmissiesysteembeheerder beschikt.

6.

Indien het om systeemintegriteitsredenen moeilijk is de contractuele leveringsverplichtingen na te komen, brengen de transmissiesysteembeheerders de netgebruikers op de hoogte en zoeken ze onverwijld een niet-discriminerende oplossing.

De transmissiesysteembeheerders raadplegen netgebruikers over procedures alvorens deze uit te voeren en komen deze met de regelgevende instantie overeen.

2.2.   Procedures voor congestiebeheer in geval van contractuele congestie

1.

Ingeval gecontracteerde capaciteit niet wordt gebruikt, stellen de transmissiesysteembeheerders deze capaciteit op afschakelbare basis beschikbaar op de primaire markt via contracten van verschillende duur, mits deze capaciteit door de relevante netgebruiker (capaciteitshouder) niet tegen een redelijke prijs wordt aangeboden op de secundaire markt.

2.

Inkomsten uit vrijgegeven afschakelbare capaciteit worden gedeeld overeenkomstig de door de relevante regelgevende instantie vastgestelde of goedgekeurde regels. De regels zijn verenigbaar met de eis van een effectief en efficiënt gebruik van het systeem.

3.

Een redelijke prijs voor vrijgegeven afschakelbare capaciteit kan door de relevante regelgevende instanties worden bepaald, rekening houdend met de heersende specifieke omstandigheden.

4.

Waar passend doen de transmissiesysteembeheerders wat redelijkerwijs mogelijk is om ten minste een gedeelte van de ongebruikte capaciteit als vaste capaciteit aan de markt aan te bieden.

3.   DEFINITIE VAN DE TECHNISCHE INFORMATIE DIE NETGEBRUIKERS NODIG HEBBEN OM EFFECTIEVE TOEGANG TE KUNNEN VERKRIJGEN TOT HET SYSTEEM EN DEFINITIE VAN ALLE VOOR DE TRANSPARANTIE-EISEN RELEVANTE PUNTEN, INCLUSIEF DE OP ALLE RELEVANTE PUNTEN TE PUBLICEREN INFORMATIE EN HET TIJDSCHEMA AAN DE HAND WAARVAN DEZE INFORMATIE MOET WORDEN GEPUBLICEERD

3.1.   Definitie van de technische informatie die netgebruikers nodig hebben om effectieve toegang tot het systeem te kunnen verkrijgen

De transmissiesysteembeheerders publiceren ten minste de volgende informatie over hun systemen en diensten:

a)

Een gedetailleerde en uitvoerige beschrijving van de verschillende aangeboden diensten en de bijbehorende tarieven.

b)

De verschillende types transportcontracten die voor deze diensten beschikbaar zijn en, in voorkomend geval, de netcode en/of de standaardvoorwaarden waarin de rechten en verantwoordelijkheden van alle netgebruikers worden beschreven, inclusief de geharmoniseerde transportcontracten en andere relevante documenten.

c)

De geharmoniseerde procedures die worden toegepast wanneer gebruik wordt gemaakt van het transmissiesysteem, inclusief de definitie van kernbegrippen.

d)

Voorzieningen inzake capaciteitsallocatie, congestiebeheer en ter voorkoming van hamsteren; procedures voor hergebruik.

e)

De regels die ten aanzien van de transmissiesysteembeheerder van toepassing zijn op de handel in capaciteit op de secundaire markt.

f)

In voorkomende gevallen de flexibiliteits- en tolerantiewaarden die zonder afzonderlijke vergoeding in het transport en de andere diensten inbegrepen zijn, alsook de daar bovenop aangeboden flexibiliteit en de overeenkomstige tarieven.

g)

Een gedetailleerde beschrijving van het gassysteem van de transmissiesysteembeheerder met vermelding van alle relevante punten die zijn systeem interconnecteren met dat van andere transmissiesysteembeheerders en/of gasinfrastructuur zoals LNG (vloeibaar aardgas) en infrastructuur die nodig is voor het aanbieden van ondersteunende diensten zoals bedoeld in artikel 2, punt 14, van Richtlijn 2003/55/EG.

h)

Informatie over gaskwaliteit en drukeisen.

i)

De regels voor verbinding met het door de transmissiesysteembeheerder geëxploiteerde systeem.

j)

Alle - tijdig verstrekte - informatie betreffende voorgestelde en/of werkelijke wijzigingen van de diensten of voorwaarden, inclusief de onder a) tot en met i) opgenomen onderdelen.

3.2.   Definitie van alle voor de transparantie-eisen relevante punten

Tot de relevante punten behoren ten minste:

a)

alle entrypunten van een door een transmissiesysteembeheerder geëxploiteerd net;

b)

de belangrijkste exitpunten en -zones die ten minste 50 % van de totale exitcapaciteit van het net van een bepaalde transmissiesysteembeheerder bestrijken, evenals alle exitpunten en -zones die meer dan 2 % van de totale exitcapaciteit van het net bestrijken;

c)

alle punten die de verschillende netten van de transmissiesysteembeheerders interconnecteren;

d)

alle punten die het net van een transmissiesysteembeheerder verbinden met een LNG-terminal;

e)

alle essentiële punten binnen het net van een gegeven transmissiesysteembeheerder inclusief de verbindingspunten met gashubs. Als essentieel gelden alle punten waar zich, naar de ervaring leert, fysieke congestie kan voordoen;

f)

alle punten die het net van een gegeven transmissiesysteembeheerder verbinden met de infrastructuur voor het aanbieden van ondersteunende diensten in de zin van artikel 2, punt 14, van Richtlijn 2003/55/EG.

3.3.   De op alle relevante punten te publiceren informatie en het tijdschema voor de publicatie van deze informatie

1.

Op alle relevante punten publiceren de transmissiesysteembeheerders op het internet regelmatig/voortschrijdend en op een gebruikersvriendelijke gestandaardiseerde wijze de volgende informatie over de dagelijkse capaciteitssituatie:

a)

de maximale technische capaciteit voor flows in beide richtingen;

b)

de totale gecontracteerde en afschakelbare capaciteit;

c)

de beschikbare capaciteit.

2.

Voor alle relevante punten publiceren de transmissiesysteembeheerders ten minste 18 maanden van tevoren de beschikbare capaciteiten en actualiseren zij deze informatie ten minste elke maand of frequenter indien nieuwe informatie beschikbaar wordt.

3.

De transmissiesysteembeheerders publiceren voor alle relevante punten dagelijks actualiseringen betreffende de beschikbaarheid van kortetermijndiensten (dag van tevoren en week van tevoren) op basis van onder meer nominaties, geldende contractuele verbintenissen en regelmatige langetermijnvoorspellingen (een termijn van ten hoogste tien jaar) van beschikbare capaciteiten op jaarbasis.

4.

De transmissiesysteembeheerders publiceren voor de afgelopen drie jaar voortschrijdend historische maximale en minimale maandelijkse capaciteitsgebruikspercentages en jaarlijkse gemiddelde flows op alle relevante punten.

5.

De transmissiesysteembeheerders houden dagelijks een logboek bij van de werkelijke geaggregeerde flows gedurende ten minste drie maanden.

6.

De transmissiesysteembeheerders registreren alle capaciteitscontracten en andere relevante informatie met betrekking tot het berekenen zowel als het verschaffen van toegang tot de beschikbare capaciteiten; de relevante nationale instanties hebben inzage in deze registraties voor de vervulling van hun taken.

7.

De transmissiesysteembeheerders verschaffen gebruikersvriendelijke instrumenten voor het berekenen van de tarieven voor de beschikbare diensten en voor het on-line verifiëren van de beschikbare capaciteit.

8.

Voorzover de transmissiesysteembeheerders niet in staat zijn om de informatie te publiceren in overeenstemming met de punten 1, 3 en 7, plegen zij overleg met hun relevante nationale instanties en stellen zij zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk op 31 december 2006, een actieplan op voor de uitvoering.


MOTIVERING VAN DE RAAD

I.   INLEIDING

1.

Op 12 december 2003 heeft de Commissie een voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de voorwaarden voor de toegang tot aardgastransmissienetten ingediend op de grondslag van artikel 95 van het EG-Verdrag.

2.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 2 juni 2004 advies uitgebracht.

3.

Het Europees Parlement heeft op 20 april 2004 advies in eerste lezing uitgebracht, waarbij 41 amendementen werden goedgekeurd. De Commissie zal niet een gewijzigd voorstel indienen.

4.

Op 12 november 2004 heeft de Raad heeft zijn gemeenschappelijk standpunt vastgesteld, overeenkomstig artikel 251 van het Verdrag.

II.   DOEL VAN HET VOORSTEL

Met het voorstel wordt beoogd de vorig jaar aangenomen Richtlijn 2003/55/EG betreffende de interne markt voor aardgas aan te vullen met eerlijke en gedetailleerde regels voor de toegang van derde partijen tot de gastransmissienetwerken van de lidstaten, rekening houdend met de specificiteit van nationale en regionale markten. Het kan worden vergeleken met Verordening (EG) nr. 1228/2003 betreffende de voorwaarden voor toegang tot het net voor grensoverschrijdende handel in elektriciteit, die als onderdeel van het internemarktpakket is aangenomen. Het voorstel stoelt op een pakket richtsnoeren dat op vrijwillige basis door het Europees Regelgevend Forum voor gas (Forum van Madrid) is overeengekomen en dat door middel van dit verordeningsvoorstel een bindend karakter zal krijgen.

III.   ANALYSE VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT

1.   ALGEMENE OPMERKINGEN

a)

Met betrekking tot de 41 amendementen van het Europees Parlement heeft de Raad de Commissie gevolgd bij

de aanvaarding van de volgende 22 amendementen:

volledig (soms in een gewijzigde formulering): 7, 12, 15, 18, 19, 20, 21, 23, 26, 32, 34, 39, 40 en 41;

gedeeltelijk: 1, 4, 25;

in principe: 3, 13, 29, 36 en 38, en

de verwerping van de volgende 18 amendementen: 2, 5, 8, 9, 10, 11, 14, 16, 17, 22, 24, 27, 30, 31, 35, 37, 42 en 43, op grond van inhoud en/of vorm.

De Raad heeft impliciet ook amendement nr. 33 aanvaard.

b)

Wat het Commissievoorstel betreft, heeft de Raad nog een aantal andere wijzigingen aangebracht (aan inhoud en/of vorm); deze worden hierna weergegeven.

Alle wijzigingen die de Raad in het Commissievoorstel heeft aangebracht, zijn door de Commissie aanvaard.

2.   SPECIFIEKE OPMERKINGEN

a)

De voornaamste wijzigingen die de Raad in de ontwerp-verordening heeft aangebracht, hebben betrekking op de richtsnoeren bedoeld in artikel 9, waarvan de Raad de werkingssfeer heeft beperkt; met name is de mogelijkheid voor de Commissie om via de comitéprocedure nieuwe richtsnoeren vast te stellen, uit het Commissievoorstel geschrapt, maar de Commissie blijft wel bevoegd om de in de bijlage bij de ontwerp-verordening neergelegde richtsnoeren te wijzigen; deze richtsnoeren hebben betrekking op derdentoegangsdiensten, principes voor het capaciteitsallocatiemechanisme en voor congestiebeheersprocedures, en transparantie-eisen. De Raad heeft ook een aanvullend lid opgenomen in artikel 9, waarin duidelijk wordt gemaakt dat verschillen tussen de nationale gassystemen moeten worden weerspiegeld in de richtsnoeren, alsmede in de toepassing en toekomstige wijzigingen daarvan.

Voorts heeft de Raad een nieuw artikel toegevoegd (artikel 16), waarin wordt bevestigd dat de desbetreffende ontheffingen en vrijstellingen die zijn verleend uit hoofde van Richtlijn 2003/55/EG, ook voor deze verordening gelden.

De Raad heeft ook de datum van toepassing van de verordening verschoven van 1 juli 2005 naar 1 juli 2006, behalve voor artikel 9, lid 2, waarvoor de datum van toepassing 1 januari 2007 is (artikel 17).

b)

Andere wijzigingen hebben met name betrekking op

artikel 2, lid 1, punt 1: de Raad heeft de definitie van „transmissie” licht gewijzigd om duidelijk te maken voor welke pijpleidingen de definitie geldt; deze wijziging gaat samen met de invoeging van overweging 5;

artikel 2, lid 1, punten 4 en 18: de Raad heeft twee nieuwe definities toegevoegd (van „ongebruikte capaciteit” en „vaste diensten”);

artikel 2, lid 1, punten 23 en 24: de Raad heeft de definitie van nieuwkomers en van kleine speler geschrapt, omdat de verordening op dezelfde wijze op alle marktdeelnemers van toepassing moet zijn;

artikel 3, lid 1, waarin de Raad een nieuwe tweede alinea heeft opgenomen om te garanderen dat veilingen een mogelijkheid zijn om de tarieven vast te stellen; hiermee gaat samen de opneming van overweging 8;

artikel 5, lid 4, en artikel 7, lid 6: de Raad heeft deze bepalingen geherformuleerd ter wille van de duidelijkheid;

artikel 6, lid 4: de tweede zin van dit lid is gewijzigd om het een preciezere werkingssfeer te geven, en is overgebracht naar de bijlage (punt 3.2 b)), met name wegens de gedetailleerdheid ervan;

artikel 11, leden 2 tot en met 5: de Raad heeft deze leden geschrapt en dientengevolge ook lid 1 van artikel 13.

Met het oog op verduidelijking is een aantal verwijzingen naar Richtlijn 2003/55/EG opgenomen (artikel 1, lid 2 (nieuw); artikel 3, leden 1 en 2; artikel 4, lid 1; artikel 10; artikel 14; artikel 15 (zie amendement nr. 36)).

De Raad heeft ook een aantal nieuwe overwegingen opgenomen, naast de reeds vermelde, met name om de wijzigingen in de artikelen te weerspiegelen (overwegingen 4, 7, 10, 16 en 19 (overeenstemmend met amendement nr. 3)).

IV.   CONCLUSIES

De Raad is van mening dat het gemeenschappelijke standpunt in ruime mate tegemoet komt aan de meeste wensen van het Europees Parlement en dat het zal bijdragen tot de totstandbrenging en de goede werking van de interne gasmarkt.