|
Publicatieblad |
NL L-serie |
|
2026/1810 |
27.7.2026 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2026/1810 VAN DE COMMISSIE
van 24 juli 2026
tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2025/901 wat betreft de toevoeging van de stoffen ketoconazool, midazolam en sevofluraan, en van Verordening (EG) nr. 1950/2006 wat betreft de schrapping van de stoffen digoxine, dorzolamide, griseofulvine, imipramine, ketoconazool, fenytoïne en ticarcilline
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2019/6 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 betreffende diergeneesmiddelen en tot intrekking van Richtlijn 2001/82/EG (1), en met name artikel 115, lid 5,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2025/901 van de Commissie (2) is een lijst vastgesteld van stoffen die essentieel zijn voor de behandeling van paardachtigen of die klinische toegevoegde waarde bieden in vergelijking met andere beschikbare behandelingsmogelijkheden voor paardachtigen en waarvoor de wachttijd voor paardachtigen zes maanden bedraagt. |
|
(2) |
Op grond van Uitvoeringsverordening (EU) 2025/901 kan een stof alleen als een “essentiële stof” worden beschouwd als er geen bevredigend alternatief voor de behandeling of diagnose van een indicatie beschikbaar is en de aandoening, indien zij niet wordt behandeld, onnodig lijden bij het dier zou veroorzaken. Een stof kan alleen als een “stof die klinische toegevoegde waarde biedt” worden beschouwd als zij een klinisch relevant voordeel biedt dat op verbeterde werkzaamheid of veiligheid berust of in belangrijke mate aan de behandeling of het stellen van de diagnose bijdraagt. Dit kan onder meer het resultaat zijn van verschillende werkingsmechanismen, verschillende farmacokinetische of farmacodynamische profielen, een verschillende behandelingsduur of verschillende wijzen van toediening. |
|
(3) |
Sinds de vaststelling van Uitvoeringsverordening (EU) 2025/901 is nieuwe informatie beschikbaar gekomen waaruit blijkt dat griseofulvine, ketoconazool, midazolam, rifampicine en sevofluraan kunnen voldoen aan de criteria voor essentiële stoffen of klinische toegevoegde waarde kunnen bieden in vergelijking met andere beschikbare behandelingsmogelijkheden voor paardachtigen bij gebruik voor specifieke indicaties. |
|
(4) |
De Commissie heeft het Europees Geneesmiddelenbureau (“het Bureau”) overeenkomstig artikel 141, lid 1, punt f), van Verordening (EU) 2019/6 verzocht (3) die informatie te onderzoeken en richtsnoeren te verstrekken. In zijn daaruit voortvloeiende richtsnoeren (4) heeft het Bureau geconcludeerd dat de stoffen griseofulvine, ketoconazool, midazolam en sevofluraan als essentieel kunnen worden beschouwd of klinische toegevoegde waarde kunnen bieden in vergelijking met andere beschikbare behandelingsmogelijkheden voor paardachtigen wanneer zij voor de voorgestelde indicaties worden gebruikt. |
|
(5) |
In het kader van het verzoek van de Commissie heeft het Bureau ook beoordeeld of een wachttijd van zes maanden voldoende zou zijn voor paardachtigen die worden behandeld met de stoffen die essentieel zijn bevonden of worden geacht klinische toegevoegde waarde te bieden voor de voorgestelde indicaties. Het Bureau kon niet uitsluiten dat griseofulvine en ketoconazool risico’s opleveren als zij worden gebruikt voor alle of sommige van de voor elk van die stoffen voorgestelde indicaties, zelfs als een wachttijd van zes maanden in acht wordt genomen. Het wetenschappelijk advies van het Bureau (5), dat als basis diende voor Uitvoeringsverordening (EU) 2025/901, kwam tot soortgelijke conclusies met betrekking tot digoxine, dorzolamide, imipramine en fenytoïne. |
|
(6) |
Verordening (EG) nr. 1950/2006 van de Commissie (6) blijft van toepassing tot en met 21 mei 2027. Om een hoog niveau van consumentenveiligheid te handhaven, is het passend het gebruik van die stoffen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1950/2006 te beëindigen. |
|
(7) |
Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1255 van de Commissie (7) is de klasse carboxypenicillinen voorbehouden voor de behandeling van bepaalde infecties bij de mens. Het gebruik van de stof ticarcilline bij dieren is daarom in de Unie niet toegestaan. Aangezien Verordening (EG) nr. 1950/2006 van toepassing is tot en met 21 mei 2027 en om de betrokken bevoegde autoriteiten, dierenartsen, houders van dieren en marktdeelnemers rechtszekerheid te bieden, moet die stof uit de lijst in de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1950/2006 worden geschrapt. |
|
(8) |
Uitvoeringsverordening (EU) 2025/901 en Verordening (EG) nr. 1950/2006 moeten derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(9) |
Om risico’s voor de veiligheid van de consument te vermijden, de beschikbaarheid van geneesmiddelen voor voedselproducerende paardachtigen te vergroten en onnodig lijden van die dieren te voorkomen, moet deze verordening in werking treden op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie. |
|
(10) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor diergeneesmiddelen, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2025/901
De bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2025/901 wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij deze verordening.
Artikel 2
Wijziging van Verordening (EG) nr. 1950/2006
De vermeldingen voor de stoffen digoxine, dorzolamide, griseofulvine, imipramine, ketoconazool, fenytoïne en ticarcilline in de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1950/2006 worden geschrapt.
Artikel 3
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 24 juli 2026.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 4 van 7.1.2019, blz. 43, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2019/6/oj.
(2) Uitvoeringsverordening (EU) 2025/901 van de Commissie van 19 mei 2025 tot vaststelling van een lijst van stoffen die essentieel zijn voor de behandeling van paardachtigen of die klinische toegevoegde waarde bieden in vergelijking met andere beschikbare behandelingsmogelijkheden voor paardachtigen en waarvoor de wachttijd voor paardachtigen zes maanden bedraagt en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1950/2006 (PB L, 2025/901, 20.5.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/901/oj).
(3) Ares(2025)10199539, https://link.europa.eu/p4F9hp.
(4) Richtsnoeren op grond van artikel 141, lid 1, punt f), van Verordening (EU) 2019/6 betreffende diergeneesmiddelen met betrekking tot vijf stoffen die niet zijn opgenomen in Uitvoeringsverordening (EU) 2025/901 van de Commissie (EMA/CVMP/382370/2025, 16 april 2026).
(5) Wetenschappelijk advies op grond van artikel 115, lid 5, van Verordening (EU) 2019/6 met het oog op de vaststelling van een lijst van stoffen die essentieel zijn voor de behandeling van paardachtigen of die klinische toegevoegde waarde bieden in vergelijking met andere beschikbare behandelingsmogelijkheden voor paardachtigen en waarvoor de wachttijd voor paardachtigen zes maanden bedraagt (EMA/CVMP/159047/2023, 18 juli 2024).
(6) Verordening (EG) nr. 1950/2006 van de Commissie van 13 december 2006 tot vaststelling, overeenkomstig Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik, van een lijst van stoffen die essentieel zijn voor de behandeling van paardachtigen en van stoffen die klinische meerwaarde bieden (PB L 367 van 22.12.2006, blz. 33, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2006/1950/oj).
(7) Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1255 van de Commissie van 19 juli 2022 tot aanwijzing van antimicrobiële stoffen of groepen van antimicrobiële stoffen die zijn voorbehouden voor de behandeling van bepaalde infecties bij de mens, overeenkomstig Verordening (EU) 2019/6 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 191 van 20.7.2022, blz. 58, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2022/1255/oj).
BIJLAGE
Groepen stoffen
I. Anesthetica
|
Werkzame stof (1) |
Indicaties |
Alternatieven |
Toelichting van het gebruik/specifieke voordelen |
|
Oxybuprocaïnea |
Lokale topicale anesthesie van de ogen |
Niet bekend |
Uitgebreide klinische ervaring |
|
Prilocaïneb |
Lokale topicale anesthesie voorafgaand aan intraveneuze injectie of katheterisatie |
Lidocaïne |
In specifieke preparaten (eutectisch mengsel van lokale anesthetica), voor topicale toepassing op de huid; kan worden gebruikt om het uitvoeren van intraveneuze injecties of katheterisaties te vergemakkelijken |
|
Sevofluraanb |
Inductie van anesthesie door middel van een masker bij veulens |
Isofluraan |
Beter geschikt voor inductie door middel van een masker aangezien het minder scherp is dan het alternatief |
|
(1) Met een “a” aangeduide werkzame stoffen zijn essentiële stoffen. Met een “b” aangeduide stoffen zijn stoffen die klinische toegevoegde waarde bieden. |
|||
II. Analgetica
|
Werkzame stof (1) |
Indicaties |
Alternatieven |
Toelichting van het gebruik/specifieke voordelen |
|
Bromfenacb |
Behandeling van uveïtis en oogontsteking |
Systemische niet-steroïde anti-inflammatoire geneesmiddelen (NSAID’s) (bv. flunixine); topicaal (oculair) ketorolac |
Het gebruik van topicale NSAID’s kan leiden tot minder ongemak bij patiënten, een geringere postoperatieve ontstekingsreactie, de preventie van miosis en verbetering van de gezichtsscherpte in de vroege postoperatieve periode |
|
Fentanylb |
Multimodale aanpak van aandoeningen met acute matige tot ernstige pijn |
Butorfanol, morfine |
Biedt betere analgesie dan bepaalde andere opioïden en kan bij ernstige pijn worden toegepast; de waarde van dit middel is erkend voor gebruik bij een multimodale aanpak |
|
Ketorolacb |
Behandeling van pijn en ontstekingen van het oog |
Systemische behandeling met NSAID’s (bv. flunixine) |
Geformuleerd voor lokaal aanbrengen |
|
Methocarbamolb |
Voor gebruik in behandelprotocollen voor ernstige, pijnlijke spierspasmen of aandoeningen die gepaard gaan met ernstige spierontsteking |
Systemische NSAID’s (bv. flunixine) |
Sterke verslapping van skeletspieren; specifieke werking op de interneuronen van het ruggenmerg om acute spasmen van skeletpieren te verminderen zonder een gelijktijdige verandering van de spiertonus te veroorzaken |
|
Morfineb |
Analgesie |
Butorfanol, fentanyl |
Sterkere werking dan andere analgetica |
|
Triamcinolonacetonideb |
Behandeling van gewrichtsontstekingen |
Methylprednisolon |
Minder schadelijke effecten op het metabolisme van kraakbeen |
III. Antimicrobiële stoffen
|
Werkzame stof (1) |
Indicaties |
Alternatieven |
Toelichting van het gebruik/specifieke voordelen |
|
I. Antibiotica |
|||
|
Amikacineb |
Behandeling van sepsis bij paarden en veulens |
Gentamicine, ceftiofur |
Gunstiger veiligheidsprofiel bij het doeldier |
|
Azitromycineb |
Behandeling van infecties met voor azitromycine gevoelige Rhodococcus equi |
Claritromycine, erytromycine, gamitromycine, tulatromycine, doxycycline |
Klinische toegevoegde waarde bij gevallen van infectie met Rhodococcus equi bij veulens die succesvol kunnen worden behandeld met dit middel als monotherapie, of in combinatie met doxycycline |
|
Claritromycineb |
Behandeling van infecties met voor claritromycine gevoelige Rhodococcus equi |
Azitromycine, erytromycine, gamitromycine, tulatromycine, doxycycline |
In vitro is claritromycine beter werkzaam tegen Rhodococcus equi dan erytromycine of azitromycine; bij gebruik van dit middel worden hogere concentraties bereikt in alveolaire macrofagen en in de vloeistof die het longepitheel bedekt, dan bij gebruik van erytromycine of azitromycine, hoewel de halfwaardetijd korter is |
|
Fusidinezuurb |
Topicale behandeling van ooginfecties die worden veroorzaakt door grampositieve bacteriën die gevoelig zijn voor fusidinezuur |
Ofloxacine, moxifloxacine |
Breedspectrumantibioticum voor de behandeling van infecties met grampositieve bacteriën; middel van eerste keus bij oppervlakkige, ongecompliceerde corneale ulcera en acute conjunctivitis bij paarden |
|
Moxifloxacineb |
Topicale behandeling van uitwendige ooginfecties die worden veroorzaakt door grampositieve kokken, gramnegatieve, atypische en anaerobe bacteriën zoals Pseudomonas aeruginosa, die gevoelig zijn voor moxifloxacine |
Ofloxacine |
Gunstig farmacokinetisch profiel; werkingsspectrum van dit middel omvat grampositieve kokken en anaerobe bacteriën met mogelijke resistentie tegen andere chinolonen |
|
Ofloxacineb |
Behandeling van uitwendige ooginfecties die worden veroorzaakt door grampositieve en gramnegatieve micro-organismen die gevoelig zijn voor ofloxacine |
Moxifloxacine |
Klinische ervaring; dringt door in het gehele hoornvlies tot aan de voorste oogkamer |
|
Polymyxine Bb |
Behandeling van bacteriële keratitis, topicale toepassing |
Ofloxacine, moxifloxacine |
Werkzaam alternatief voor systemische behandelingen; ander werkingsmechanisme dan alternatieve middelen voor topicale toepassing |
|
II. Antimycotica |
|||
|
Amfotericine Ba |
Behandeling van schimmelinfecties van de longen, systemisch gebruik |
Niet bekend |
Behandeling van eerste keus |
|
Ketoconazoolb |
Ondersteunende therapie bij de behandeling van luchtzakmycose, topicale toepassing |
Enilconazool |
Minder irriterend dan het alternatief; geformuleerd voor lokaal aanbrengen |
|
Miconazoolb |
Behandeling van schimmelinfecties van het oog |
Natamycine, nystatine, voriconazool |
Breed werkingsspectrum; in vergelijking met andere topicale antimycotica veroorzaakt miconazool minder irritatie |
|
Nystatineb |
Behandeling van schimmel- en gistinfecties van de ogen of voortplantingsorganen |
Miconazool |
Behandeling van eerste keus bij gistinfecties |
|
Voriconazoolb |
Behandeling van schimmelkeratitis, topicale toepassing |
Miconazool |
Breed werkingsspectrum |
|
III. Antivirale middelen |
|||
|
Aciclovirb |
Behandeling van infecties met een equin herpesvirus die vaak gepaard gaan met complicaties, uitsluitend voor topicale toepassing |
Ganciclovir |
Behandeling van eerste keus bij oogzweren waarbij verdenking op een viraal pathogeen bestaat |
|
Ganciclovirb |
Behandeling van infecties met een equin herpesvirus die vaak gepaard gaan met complicaties, topicale toepassing |
Aciclovir, valaciclovir |
Zeer veel bewijs voor de behandeling van verschillende virustypen die herpesinfecties veroorzaken |
|
Valaciclovirb |
Behandeling van infecties met een equin herpesvirus, orale toepassing |
Aciclovir |
Beter farmacokinetisch profiel en een andere toedieningsweg |
IV. Stoffen bij aandoeningen van de luchtwegen
|
Werkzame stof (1) |
Indicaties |
Alternatieven |
Toelichting van het gebruik/specifieke voordelen |
|
Ambroxolb |
Stimuleren van de afscheiding van surfactant bij premature veulens |
Steroïden, broomhexine, dembrexine, overbrengen van surfactant afkomstig van een gezonde donor |
Klinische voorkeursoptie bij premature veulens |
|
Fluticasonb |
Voor de behandeling via inhalatie van allergische longziekten met inbegrip van milde tot matig ernstige gevallen van equine astma en subtypen daarvan |
Beclomethason |
Inhalatie van dit middel leidt tot minder bijnierschorsonderdrukking en een sneller herstel na beëindiging van de behandeling, en heeft vanwege de beperkte systemische absorptie minder systemische bijwerkingen dan systemische behandeling met corticosteroïden; met name geïndiceerd voor de behandeling van milde tot matig ernstige astma en van ernstige refractaire astma en ook voor langdurige onderhoudsbehandeling |
|
Ipratropiumbromideb |
Als luchtwegverwijder bij paarden met milde tot matig ernstige astma |
Clenbuterol |
Anticholinergische werking, te gebruiken als alternatief voor β-agonisten |
|
Oxymetazolineb |
Behandeling van neusoedeem |
Fenylefrine |
α-Adrenoceptoragonist met sterk vasoconstrictieve eigenschappen en een langere werkingsduur |
|
Fenylefrineb |
Behandeling van neusoedeem |
Oxymetazoline |
Vermindert de noodzaak tot het plaatsen van neuscanules tijdens het bijkomen uit anesthesie |
V. Stoffen voor cardiologische toepassingen
|
Werkzame stof (1) |
Indicaties |
Alternatieven |
Toelichting van het gebruik/specifieke voordelen |
|
Amiodaronb |
De systemische en orale behandeling van atriumfibrilleren, supraventriculaire en ventriculaire tachycardieën |
Kinidinesulfaat/-gluconaat, sotalol, verapamil |
Ander werkingsmechanisme: klasse III anti-aritmicum |
|
Propafenonb |
Behandeling van ventriculaire tachycardie en ventriculaire tachyaritmie |
Kinidinesulfaat/-gluconaat |
Ander werkingsmechanisme: natriumkanaalblokker die de prikkelbaarheid van het hart vermindert |
|
Quinaprila |
Behandeling van hartfalen; cardiovasculaire bescherming bij paarden met atriumfibrilleren (AF) of mitralisinsufficiëntie (MR) |
Niet bekend |
Ander werkingsmechanisme: angiotensine-converterend-enzymremmer (ACE-remmer) |
|
Kinidinesulfaat/-gluconaatb |
Behandeling van hartritmestoornissen |
Amiodaron, sotalol, verapamil |
Behandeling van eerste keus bij atriumfibrilleren |
|
Sotalolb |
De langdurige behandeling van hartritmestoornissen |
Amiodaron, kinidinesulfaat/-gluconaat |
Geschikter voor paarden die een langdurige behandeling met anti-aritmica nodig hebben; minder ongewenste effecten dan bij gebruik van amiodaron |
|
Verapamilb |
Behandeling van supraventriculaire aritmieën |
Amiodaron, kinidinesulfaat/-gluconaat, sotalol |
Ander werkingsmechanisme: calciumkanaalblokker |
VI. Stoffen voor diagnostische procedures
|
Werkzame stof (1) |
Indicaties |
Alternatieven |
Toelichting van het gebruik/specifieke voordelen |
|
Bariumsulfaata |
Verbetering van het in beeld brengen van het maagdarmkanaal bij röntgenonderzoeken |
Niet bekend |
Er bestaan geen alternatieven om het maagdarmkanaal bij röntgenonderzoeken beter in beeld te brengen |
|
Fluoresceïneb |
Voor het stellen van de diagnose keratitis of corneaal ulcus, topicale toepassing |
Bengaals rood |
Diagnosticum van eerste keus wanneer daarna een viruscultuur nodig is |
|
Iohexola |
Contrastmiddel voor röntgenonderzoeken van de lagere urinewegen en voor artrografie, myelografie, sino- of fistulografie en dacryocystografie |
Niet bekend |
Niet-ionisch, in water oplosbaar contrastmiddel |
|
Fenylefrinea |
Voor het diagnosticeren van equine dysautonomie (grass sickness) |
Niet bekend |
Als aanvulling bij het diagnosticeren van polyneuropathie bij equine dysautonomie |
|
Bengaals roodb |
Voor het stellen van de diagnose keratitis of corneaal ulcus, topicale toepassing |
Fluoresceïne |
Diagnosticum van eerste keus bij het diagnosticeren van keratitis/oogzweren |
|
Thyreotropine vrijmakend hormoon (TRH)a |
Voor het diagnosticeren van dysfunctie van het pars intermedia van de hypofyse |
Niet bekend |
Geen goede alternatieven voor het diagnosticeren van dysfunctie van het pars intermedia van de hypofyse |
VII. Stoffen bij aandoeningen van het maagdarmkanaal
|
Werkzame stof (1) |
Indicaties |
Alternatieven |
Toelichting van het gebruik/specifieke voordelen |
|
Metoclopramideb |
Behandeling van postoperatieve ileus |
Intraveneuze vochttoediening, pijnstillers (bv. flunixine), lidocaïne |
Prokineticum |
|
Misoprostolb |
Behandeling van maagzweren in het klierrijke gedeelte van de maag en van colitis |
Omeprazol, sucralfaat |
Betere werkzaamheid dan omeprazol bij de behandeling van maagzweren in het klierrijke gedeelte van de maag bij paarden |
|
Fenylefrinea |
Behandeling van milt-nierbandkoliek |
Niet bekend |
Klinische waarde bij de succesvolle behandeling van milt-nierbandkoliek; veroorzaakt een samentrekking van de milt die dosisafhankelijk is |
|
Ranitidineb |
Behandeling van maagzweren bij ernstig zieke neonaten, voor intraveneus gebruik |
Omeprazool |
Intraveneuze toediening zorgt voor klinische toegevoegde waarde in vergelijking met andere, oraal toe te dienen middelen voor de behandeling van maagzweren |
|
Sucralfaatb |
Behandeling en preventie van maagzweren bij paarden |
Omeprazool |
Ander werkingsmechanisme (mucosa-adherentie) dan omeprazol waardoor laesies fysiek worden gestabiliseerd |
VIII. Stoffen bij stofwisselingsstoornissen
|
Werkzame stof (1) |
Indicaties |
Alternatieven |
Toelichting van het gebruik/specifieke voordelen |
|
Insulineb |
Als hulpmiddel bij de behandeling van hyperlipidemie die niet reageert op glucosetherapie of de behandeling van ernstige hyperlipidemie, gebruik in combinatie met glucose en andere therapieën Het diagnosticeren van stofwisselingsstoornissen (bv. insulineresistentie bij het equine metabool syndroom of dysfunctie van het pars intermedia van de hypofyse) |
Heparine met een laag molecuulgewicht kan bij hyperlipidemie worden gebruikt |
De klinische voorkeursoptie is insuline |
IX. Stoffen bij aandoeningen van het bewegingsapparaat
|
Werkzame stof (1) |
Indicaties |
Alternatieven |
Toelichting van het gebruik/specifieke voordelen |
|
Atracuriumb |
Inductie van spierverslapping tijdens algehele anesthesie |
Cisatracurium, guaifenesine |
Zorgt voor klinische toegevoegde waarde bij paarden onder algehele anesthesie wanneer sterkere spierverslapping noodzakelijk is, zoals bij oogoperaties, bepaalde orthopedische reconstructies en wanneer toegang diep in de buikholte nodig is |
|
Cisatracuriumb |
Inductie van spierverslapping tijdens algehele anesthesie |
Atracurium, guaifenesine |
Zorgt voor klinische toegevoegde waarde bij paarden onder algehele anesthesie wanneer sterkere spierverslapping noodzakelijk is, zoals bij oogoperaties, bepaalde orthopedische reconstructies en wanneer toegang diep in de buikholte nodig is |
|
Dantroleennatriumb |
De preventie van rabdomyolyse Behandeling van maligne hyperthermie tijdens anesthesie |
NSAID’s, intraveneuze vloeistoffen, vitamine E/seleen |
Preventieve werking door remming van de afgifte van calcium uit het sarcoplasmisch reticulum waardoor de excitatie-contractiekoppeling in spieren wordt verminderd |
|
Edrofoniuma |
Opheffen van de effecten van spierverslapping door atracurium |
Niet bekend |
Cholinesteraseremmer, essentieel voor de opheffing van een neuromusculaire blokkade; van alle cholinesteraseremmers heeft edrofonium de minste bijwerkingen bij paarden |
|
Guaifenesineb |
De inductie en het onderhouden van algehele anesthesie in veldomstandigheden |
Atracurium, cisatracurium |
Met name geïndiceerd bij veldomstandigheden (niet-ziekenhuisomstandigheden) wanneer anesthesie nodig kan zijn; doordat dit middel minder cardiorespiratoire depressie veroorzaakt, wordt veilige anesthesie bij afwezigheid van geavanceerde monitoringapparatuur en mechanische beademing vergemakkelijkt |
X. Stoffen bij aandoeningen van het zenuwstelsel
|
Werkzame stof (1) |
Indicaties |
Alternatieven |
Toelichting van het gebruik/specifieke voordelen |
|
Diazepama |
Kortwerkend anticonvulsivum voor de behandeling van insulten |
Niet bekend |
Tweede generatie anticonvulsivum |
|
Midazolama |
Kortwerkend anticonvulsivum voor de behandeling van insulten |
Niet bekend |
Tweede generatie anticonvulsivum |
XI. Stoffen voor oogheelkundige toepassingen
|
Werkzame stof (1) |
Indicaties |
Alternatieven |
Toelichting van het gebruik/specifieke voordelen |
|
Acetazolamideb |
Behandeling van glaucoom, orale toepassing |
Fenylefrine |
Het werkingsmechanisme als koolzuuranhydraseremmer |
|
Cyclopentolaatb |
Mydriaticum |
Atropine, fenylefrine |
Veroorzaakt sterke pupilverwijding zonder effecten op de traanproductie, intraoculaire druk, functie van het maagdarmkanaal (d.w.z. peristaltiek of fecesproductie) of de hartslag |
|
Cyclosporine Ab |
Behandeling van auto-immuunziekten van het oog |
Topicale steroïden |
Immunosuppressief effect door remming van de proliferatie van T-lymfocyten en door vermindering van de expressie van cytokine-genen |
|
Fenylefrineb |
Behandeling van glaucoom en tranende ogen (epifora) |
Atropine en tropicamide |
Veroorzaakt geen (of nauwelijks) verhoging van de intra-oculaire druk |
|
Synefrineb |
Behandeling van de oogslijmvliezen voor een decongestief effect |
Fenylefrine, tetryzoline |
Snel optredend lokaal effect; versterkt de weefselpenetratie van lokale behandelingen en zorgt zo voor een synergistisch effect met bv. lokale antimicrobiële therapie |
|
Tetryzolineb |
Behandeling van de oogslijmvliezen voor een decongestief effect |
Fenylefrine, synefrine |
Snel optredend lokaal effect |
|
Timololmaleaatb |
Behandeling van glaucoom, topicale toepassing |
Acetazolamide |
Timololmaleaat heeft als niet-selectieve β-adrenerge receptorblokker een specifiek werkingsmechanisme waardoor het van groot therapeutisch belang is bij de behandeling van glaucoom |
|
Triamcinolonacetonideb |
Behandeling van recidiverende uveïtis bij gevallen die niet reageren op andere behandelingen |
Atropine, tropicamide |
Doeltreffend bij de behandeling van milde gevallen die niet reageren op andere behandelingen |
|
Tropicamideb |
Behandeling van recidiverende uveïtis |
Atropine, cyclopentolaat, triamcinolonacetonide |
Snel optredende werking |
XII. Stoffen voor sedatie en premedicatie (en antagonisten)
|
Werkzame stof (1) |
Indicaties |
Alternatieven |
Toelichting van het gebruik/specifieke voordelen |
|
Acepromazineb |
Bij een multimodale aanpak van sedatie en premedicatie in combinatie met andere sedativa |
Detomidine, romifidine, xylazine, diazepam |
Het werkingsmechanisme van acepromazine en de unieke sederende werking ervan kunnen niet worden verkregen met sedativa van de groep α2-agonisten of benzodiazepinen |
|
Atipamezoola |
Opheffen van de effecten van α2-agonisten |
Niet bekend |
Gebruikt voor de opheffing van sederende en analgetische effecten en van ongunstige cardiovasculaire reacties |
|
Dexmedetomidineb |
Sedatie of algehele anesthesie als onderdeel van protocollen voor anesthesie die geheel of gedeeltelijk uit intraveneuze anesthetica bestaat |
Detomidine, romifidine, xylazine, diazepam |
De meest selectieve α2-agonist; korte halfwaardetijd en snelle redistributie wat het middel bij uitstek geschikt maakt voor gebruik via continue infusie |
|
Diazepamb |
Premedicatie en inductie van anesthesie, milde sedatie met minimale cardiovasculaire en respiratoire bijwerkingen |
Acepromazine, detomidine, romifidine, xylazine |
Het werkingsmechanisme (op de γ-aminoboterzuurreceptor (GABA-receptor)) zorgt voor een unieke sedatie zonder cardiorespiratoire depressie die niet kan worden verkregen met sedativa van de groep α2-agonisten (detomidine, romifidine en xylazine) of acepromazine |
|
Midazolamb |
Premedicatie en inductie van anesthesie, milde sedatie met minimale cardiovasculaire en respiratoire bijwerkingen |
Acepromazine, detomidine, romifidine, xylazine |
Het werkingsmechanisme (op de GABA-receptor) zorgt voor een unieke sedatie zonder cardiorespiratoire depressie die niet kan worden verkregen met sedativa van de groep α2-agonisten (detomidine, romifidine en xylazine) of acepromazine |
|
Flumazenila |
Intraveneus toe te dienen benzodiazepineantagonist ter opheffing van de effecten van benzodiazepinen tijdens het bijkomen uit totaal intraveneuze anesthesie (TIVA) |
Niet bekend |
Competitieve benzodiazepineantagonist die de binding van benzodiazepinen aan de GABA-receptor remt |
|
Naloxona |
Opheffing van de werking van opiaten tijdens noodsituaties |
Niet bekend |
Geen alternatieven beschikbaar |
|
Propofolb |
Inductie van anesthesie bij veulens, intraveneuze toediening |
Isofluraan |
Verbetering, in vergelijking met inhalatieanesthesie, van de cardiovasculaire stabiliteit en de kwaliteit van het bijkomen uit anesthesie bij veulens |
XIII. Stoffen bij systemische aandoeningen
|
Werkzame stof (1) |
Indicaties |
Alternatieven |
Toelichting van het gebruik/specifieke voordelen |
|
Allopurinolb |
Neonatale ischemie-reperfusieschade |
Vitamine E |
Ander werkingsmechanisme dan vitamine E bij de remming van de vorming van reactieve zuurstofcomponenten (ROS) |
|
Dalteparineb |
Antistollingsmiddel |
Heparine |
Een afname van de molecuulgrootte gaat gepaard met een afname van het trombineremmend effect, maar omgekeerd met een toename van de remming van factor Xa vergeleken met ongefractioneerde heparine |
|
Dobutamineb |
Behandeling van hypotensie tijdens algehele anesthesie |
Efedrine |
Eerstelijns geneesmiddel voor de behandeling van hypotensie tijdens anesthesie bij volwassen paardachtigen |
|
Dopaminea |
Alleen te gebruiken als onderdeel van een behandelprotocol voor acuut nierletsel/nierfalen |
Niet bekend |
Er is gebleken dat bij gezonde paarden die bij bewustzijn zijn, lage doses van dit middel verwijding van de niervaten, een toename van de doorbloeding van de nieren en een verhoogde urineproductie veroorzaken zonder dat hierbij systemische cardiovasculaire effecten optreden |
|
Efedrineb |
Behandeling van hypotensie tijdens algehele anesthesie |
Dobutamine |
Wordt gebruikt bij de behandeling van hypotensie van volwassen paardachtigen tijdens anesthesie wanneer dobutamine niet werkzaam blijkt. Ander werkingsmechanisme dan dobutamine met een directer effect op de contractiliteit van het hart |
|
Gesuccinyleerde gelatineb |
Voor de behandeling van langdurige hypovolemie als gevolg van aandoeningen zoals hypoalbuminemie |
Kristalloïde oplossingen |
In vergelijking met kristalloïden zijn colloïden grotere moleculen die daardoor langer in de intravasculaire ruimte blijven wat een voordeel is bij het corrigeren van hypovolemie bv. als gevolg van hypoalbuminemie |
|
Glycopyrrolaatb |
Behandeling en preventie van bradycardie |
Atropine |
Minimale centrale effecten; geschikt voor paarden bij bewustzijn, voor en na anesthesie |
|
Noradrenaline/norepinefrineb |
Behandeling van vroege fase van septische shock Ondersteuning van het cardiovasculair functioneren van ernstig zieke veulens |
Dobutamine, dopamine |
Bij verzwakte (zieke) veulens is noradrenaline doorgaans de enige catecholamine die werkzaam is bij de behandeling van hypotensie |
|
Vasopressineb |
Behandeling van cardiovasculaire collaps bij veulens en volwassen paarden |
Epinefrine, dopamine, dobutamine |
Alternatief bij gevallen waar de standaard catecholaminerge behandelingen met dopamine, dobutamine en epinefrine niet werkzaam zijn of gepotentieerd moeten worden om de vaattonus te herstellen bij refractaire vasodilatoire shock |
XIV. Stoffen voor de behandeling van tumoren
|
Werkzame stof (1) |
Indicaties |
Alternatieven |
Toelichting van het gebruik/specifieke voordelen |
|
Imiquimoda |
Behandeling van sarcoïden |
Niet bekend |
Huidig onderzoek duidt erop dat sarcoïden bij paardachtigen (equine sarcoïden) het gevolg kunnen zijn van een complexe interactie, met inbegrip van een storing van het immuunsysteem van de gastheer |
XV. Diversen
|
Werkzame stof (1) |
Indicaties |
Alternatieven |
Toelichting van het gebruik/specifieke voordelen |
|
Cetirizineb |
Behandeling van aandoeningen waarbij een antihistaminicum noodzakelijk wordt geacht |
Chloorfenamine |
Tweede generatie histamine H1-receptor inverseagonisten zijn alternatieven die minder bijwerkingen op het centrale zenuwstelsel hebben (sederende bijwerkingen) |
|
Domperidonb |
Behandeling van agalactie/dysgalactie bij merries |
Sulpiride |
Sulpiride kan de afscheiding van prolactine stimuleren in gevallen waar sprake is van dopaminerge remming |
|
Sulpirideb |
Behandeling van agalactie/dysgalactie bij merries |
Domperidon |
Sulpiride kan de afscheiding van prolactine stimuleren in gevallen waar sprake is van dopaminerge remming |
ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2026/1810/oj
ISSN 1977-0758 (electronic edition)