European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

L-serie


2026/1739

29.7.2026

VERORDENING (EU) 2026/1739 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 8 juli 2026

tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1308/2013, (EU) 2021/2115 en (EU) 2021/2116 wat betreft de versterking van de positie van landbouwers in de voedseltoeleveringsketen

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 42, eerste alinea, en artikel 43, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De landbouwsector en in het bijzonder de landbouwers zelf, die voedselzekerheid waarborgen, staan voor allerlei uitdagingen. De COVID-19-pandemie, de toenemende instabiliteit in de wereldhandel, de steeds extremere weersomstandigheden en de aanhoudende aanvalsoorlog van Rusland tegen Oekraïne hebben geleid tot een ongekende stijging van energiegerelateerde kosten van landbouwproductiemiddelen en tot een langdurige periode van hoge inflatie, met alle gevolgen van dien voor de kosten van landbouwers en de voedselprijzen. Tegelijkertijd blijven landbouwers inspanningen leveren om ervoor te zorgen dat hun productie milieuvriendelijker wordt. Veel consumenten, die al te maken hebben met hogere kosten van levensonderhoud, kopen en consumeren ook steeds vaker minder dure voedingsmiddelen. Door die factoren is de manier waarop de toegevoegde waarde over de verschillende schakels van de voedseltoeleveringsketen wordt verdeeld, onevenwichtiger geworden en werken landbouwers, met name die met kleine en middelgrote landbouwbedrijven, in steeds onzekerdere omstandigheden, wat aanleiding geeft tot protesten en wantrouwen. Het is derhalve passend maatregelen vast te stellen om die uitdagingen aan te pakken teneinde de billijkheid en het vertrouwen van de actoren in de voedseltoeleveringsketen te herstellen, de positie van landbouwers te versterken en hun onderhandelingspositie te verbeteren, onder meer via producentenorganisaties en coöperaties als scheppers van toegevoegde waarde, alsook het inkomen van landbouwers veilig te stellen en het vertrouwen van jongeren in het beroep van landbouwer te vergroten.

(2)

Bij het opstellen van handelsnormen voor de aanduiding van de ligging van het landbouwbedrijf en/of de oorsprong moet bijzondere aandacht uitgaan naar de specifieke context van elk product en elke sector. Die aanduidingen moeten worden bepaald in het licht van de noodzaak om beter tegemoet te komen aan de transparantieverwachtingen — onder meer door middel van oorsprongsetikettering in overeenstemming met de regels voor de interne markt —, hun relevantie voor de consument en de structuur van de toeleveringsketen, waarbij ook rekening moet worden gehouden met de praktische gevolgen voor marktdeelnemers en de noodzaak om onnodige complexiteit te voorkomen.

(3)

Diverse marktdeelnemers in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen die actief zijn in de verschillende stadia van de productie, verwerking, afzet, distributie en kleinhandel, hebben regelingen en labels ontwikkeld voor de bevordering van handelsmodaliteiten die zorgen voor een eerlijk aandeel van landbouwers in de toegevoegde waarde en voor de vorming en instandhouding van korte toeleveringsketens. Het vaststellen van minimumvoorschriften voor het gebruik van facultatieve vermeldingen voor die handelsmodaliteiten is noodzakelijk om de transparantie en de betrouwbaarheid van het gebruik van die vermeldingen in de voedseltoeleveringsketen te vergroten, ter aanvulling op bestaande voedseletiketteringsvoorschriften, met name die van Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad (4).

(4)

Met het oog op meer vertrouwen en billijkheid in de verschillende schakels van de voedseltoeleveringsketen mogen de vermeldingen “eerlijk” en “billijk” en vermeldingen die hetzelfde inhouden, alleen worden gebruikt voor handelsmodaliteiten die zorgen voor stabiliteit en transparantie in de handelsbetrekkingen tussen landbouwers en kopers en voor een prijsstelling die door de deelnemende landbouwers billijk en lonend wordt geacht, en die de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties ondersteunen en daartoe bijdragen, mede op een wijze die in overeenstemming is met bijlage I bij Richtlijn (EU) 2024/1760 van het Europees Parlement en de Raad (5).

(5)

De vermelding “korte keten” mag alleen worden gebruikt voor handelsmodaliteiten waarbij er tussen landbouwers en consumenten een rechtstreekse band bestaat die een rechtstreekse uitwisseling van informatie over het productieproces en het product mogelijk maakt, onder meer door middel van communicatie op afstand en/of via een tussenpersoon in de toeleveringsketen, en waarbij consumenten gemakkelijk kunnen nagaan op welke bedrijven van de deelnemende landbouwers de grondstof werd geproduceerd. Daarnaast kan die vermelding ook worden gebruikt wanneer er een nauwe band bestaat tussen landbouwers en consumenten in geografische nabijheid van elkaar, ook in een grensoverschrijdende context. Onder geografische nabijheid moet onder meer worden verstaan een korte afstand of reistijd, rekening houdend met de specifieke geografische en demografische kenmerken van de lidstaten. Dat gebruik van de vermelding “korte keten” zal consumenten stimuleren om prijzen te betalen waarmee landbouwers een eerlijke vergoeding krijgen voor hun product, zal plattelandsgebieden versterken, zal bijdragen tot de ontwikkeling en revitalisering van die plattelandsgebieden en zal de transparantie over de oorsprong van producten en de productiemethoden verbeteren. De vermelding moet van toepassing zijn op producten die op de interne markt worden geproduceerd of in de handel worden gebracht.

(6)

Om beter rekening te houden met de marktomstandigheden, de veranderende verwachtingen van de consument en de vooruitgang op het gebied van zowel de handelsnormen als de toepasselijke internationale normen, moet overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen wat betreft de wijziging van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad (6) door aanvullende facultatieve vermeldingen toe te voegen die hetzelfde inhouden als de vermelding “eerlijk” of de vermelding “billijk”, en door voorwaarden te specificeren voor het gebruik van de facultatieve vermeldingen voor handelsmodaliteiten die betrekking hebben op een eerlijk aandeel van landbouwers in de toegevoegde waarde en op de vorming en instandhouding van korte toeleveringsketens, rekening houdend met desbetreffende internationale normen en bijbehorende kwaliteitsregelingen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (7). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(7)

Hoewel de lidstaten nationaal recht met aanvullende eisen voor het gebruik van facultatieve vermeldingen voor handelsmodaliteiten kunnen handhaven of invoeren, mag dat recht het gebruik van die vermeldingen voor producten die in een andere lidstaat legaal zijn geproduceerd of legaal in de handel zijn gebracht, niet belemmeren, beperken of blokkeren.

(8)

Het gebruik van schriftelijke contracten speelt een cruciale rol bij de verantwoordingsplicht van marktdeelnemers, vergroot het bewustzijn over het belang van marktsignalen, helpt het aanbod aan de vraag aan te passen, verbetert de prijstransmissie binnen de toeleveringsketen, vergroot de transparantie en voorkomt en pakt oneerlijke handelspraktijken aan. Het toepassingsgebied van de voorschriften voor contractuele betrekkingen in de sector melk en zuivelproducten moet daarom worden uitgebreid tot andere producten dan rauwe melk, waarbij moet worden gezorgd voor afstemming op de voorschriften voor contractuele betrekkingen die voor andere landbouwsectoren gelden. Deze verordening moet de lidstaten echter de mogelijkheid bieden om, na raadpleging van de relevante vertegenwoordigers van landbouwers of na raadpleging van de relevante brancheorganisaties, marktdeelnemers vrij te stellen van de verplichting om indicatoren, indexcijfers of methoden voor de berekening van de definitieve prijs of een herzieningsclausule in hun schriftelijke contracten op te nemen, op voorwaarde dat de effecten van voorspelbaarheid, transparantie en prijstransmissie met andere middelen kunnen worden bereikt of de verplichting om die elementen op te nemen, om andere gegronde redenen niet passend of niet evenredig zou zijn.

(9)

Om rekening te houden met de marktontwikkelingen en tegelijkertijd een daadwerkelijke mededinging op de zuivelmarkt te handhaven, is het passend de kwantitatieve beperkingen te verhogen van het volume rauwe melk waarvoor erkende producentenorganisaties collectieve contractuele onderhandelingen kunnen voeren uitgedrukt als percentage van de totale productie in de Unie en van de totale in een lidstaat geproduceerde en geleverde volumes.

(10)

Om de lidstaten meer flexibiliteit te bieden en de erkenningsprocedure voor producentenorganisaties te vereenvoudigen, met lagere transactiekosten en een grotere efficiëntie als gevolg, moeten de toepasselijke voorschriften producentenorganisaties de mogelijkheid bieden om te worden erkend op basis van één enkel erkenningsverzoek voor meerdere sectoren of producten — in plaats van het huidige vereiste dat één enkel erkenningsverzoek betrekking moet hebben op één specifieke sector — op voorwaarde dat de producentenorganisatie voldoet aan de voorwaarden voor elke specifieke sector waarvoor zij om erkenning vraagt. Bovendien kunnen producenten van biologische producten gebruikmaken van de bestaande mogelijkheid van oprichting en erkenning van producentenorganisaties om hun samenwerking te verbeteren. In de criteria voor de erkenning van producentenorganisaties en hun statuten moet ook worden bepaald dat producentenorganisaties moeten worden opgericht op initiatief van landbouwers die landbouwproducten van de bodem — ongeacht of bij de productiemethoden wordt gebruikgemaakt van grond of andere groeimedia, bijvoorbeeld in kassen — of van de veehouderij produceren, en dat de producentenorganisaties moeten worden gecontroleerd overeenkomstig voorschriften op grond waarvan die aangesloten landbouwers op democratische wijze toezicht kunnen uitoefenen op de organisatie en haar besluiten. De lidstaten moeten ook kunnen besluiten dat een dergelijk democratisch toezicht niet alleen rechtstreeks door de landbouwers kan worden uitgevoerd, maar ook door hun verenigingen, met inbegrip van verenigingen in de vorm van een coöperatie, op voorwaarde dat die verenigingen onder controle van landbouwers staan. Daarbij mogen andere producenten die geen landbouwer zijn die landbouwproducten van de bodem of van de veehouderij produceren, zoals eerste verwerkers of niet-producenten, niet worden uitgesloten van lidmaatschap van een producentenorganisatie.

(11)

Om verdere duurzame ontwikkeling te bevorderen — een kernbeginsel van de Verdragen en een prioritaire doelstelling in het beleid van de Unie — en ervoor te zorgen dat er in de hele toeleveringsketen sprake is van transparantie, stabiliteit en billijkheid in de handelsbetrekkingen tussen landbouwers en kopers, moeten de lidstaten producentenorganisaties kunnen erkennen die specifieke doelen nastreven door facultatieve vermeldingen voor handelsmodaliteiten te gebruiken, zoals “eerlijk” of “billijk”, of vermeldingen die hetzelfde inhouden, alsook de vermelding “korte keten”.

(12)

Om landbouwers een redelijke levensstandaard te verzekeren, hun onderhandelingspositie ten opzichte van verwerkers en andere actoren in de toeleveringsketen te versterken en te zorgen voor een eerlijkere verdeling van de toegevoegde waarde over de verschillende schakels van de toeleveringsketen, moet de mogelijkheid om namens hun leden over contractvoorwaarden te onderhandelen voor een deel van of de volledige productie van de leden, worden uitgebreid tot niet-erkende producentenorganisaties, met inbegrip van coöperaties of andere gelijkwaardige rechtsvormen die door het nationaal recht zijn erkend, op voorwaarde dat zij voldoen aan de op het niveau van de Unie vastgelegde erkenningscriteria en zich bezighouden met de in Verordening (EU) nr. 1308/2013 vermelde activiteiten, met inbegrip van het concentreren van het aanbod en het in de handel brengen van de producten van hun leden. Om te waarborgen dat leden van erkende en van niet-erkende producentenorganisaties gelijk worden behandeld, moet die mogelijkheid aan passende beperkingen worden onderworpen. Met name mag die mogelijkheid slechts worden uitgebreid tot niet-erkende producentenorganisaties die een erkenningsverzoek bij een lidstaat hebben ingediend, binnen vier maanden na de indiending van dat erkenningsverzoek, of, indien binnen die periode geen besluit is genomen door die lidstaat, binnen vijf jaar na de datum van indiening van dat erkenningsverzoek, tenzij de lidstaat in de tussentijd de erkenning weigert.

(13)

Om de onderhandelingspositie van erkende producentenorganisaties te versterken en een duurzame ontwikkeling van de landbouwproductie te waarborgen, moet het erkende unies van producentenorganisaties worden toegestaan om namens hun leden te onderhandelen over contractvoorwaarden, waaronder de prijs, voor de producten die door sommige of alle leden worden geproduceerd, zelfs indien zij zelf geen daadwerkelijke economische activiteit uitoefenen, op voorwaarde dat hun leden wel een daadwerkelijke economische activiteit uitoefenen. Die mogelijkheid moet worden toegestaan op voorwaarde dat de organisaties die aangesloten zijn bij die unies, niet ook aangesloten zijn bij een andere unie van producentenorganisaties en dat het volume van het product waarop de activiteiten van die unies betrekking hebben, niet meer dan 36 % van de totale nationale productie van dat product in de betrokken lidstaat bedraagt. Met het oog op de instandhouding van daadwerkelijke mededinging op de markt mag het erkende unies van producentenorganisaties bovendien niet worden toegestaan om over contractvoorwaarden te onderhandelen indien bij die unies ook niet-erkende producentenorganisaties zijn aangesloten.

(14)

Volgens de statuten van producentenorganisaties mogen hun leden voor elk specifiek product slechts lid zijn van één producentenorganisatie teneinde stabiliteit voor de producentenorganisatie te creëren, opportunistisch gedrag van leden te voorkomen door het beperken van hun mogelijkheden om hun hoeveelheden vrijelijk bij verschillende producentenorganisaties onder te brengen, en de vertegenwoordiging van hun leden coherent te houden. Tegelijkertijd moet het voor een producent mogelijk zijn om lid te zijn van verscheidene producentenorganisaties indien het betrokken product een ander product van het bedrijf is. Daarom is het passend te verduidelijken dat meerdere lidmaatschappen mogelijk zijn in naar behoren gemotiveerde gevallen, op voorwaarde dat de producten voldoende van elkaar verschillen, onder meer wat betreft hun specifieke kenmerken of verschillen in het beoogde eindgebruik.

(15)

Om te voorkomen dat kopers de onderhandelingspositie van producentenorganisaties ondermijnen, moeten voor de contacten tussen kopers en leden van die producentenorganisaties passende waarborgen worden vastgesteld. Hoewel kopers contact mogen opnemen met leden van producentenorganisaties, mag het opnemen van contact met die leden de doelstellingen van die producentenorganisatie of de concentratie van het aanbod en het in de handel brengen van producten niet ondermijnen, met name indien dergelijke rechtstreekse contacten met leden van producentenorganisaties worden gebruikt om de gezamenlijke strategie van producentenorganisaties te omzeilen.

(16)

Om de positie van melkveehouders te verstevigen, met name door hun producentenorganisaties te versterken, is het passend de voorschriften voor de statuten van producentenorganisaties op elkaar af te stemmen en de toepassing van die voorschriften uit te breiden tot producentenorganisaties in de zuivelsector en zo de democratische werking en de transparantie te verbeteren.

(17)

Brancheorganisaties spelen een belangrijke rol bij het faciliteren van de dialoog tussen actoren in de toeleveringsketen en bij het bevorderen van beste praktijken, markttransparantie, stabiliteit en billijkheid in de handelsbetrekkingen tussen landbouwers en kopers in de hele toeleveringsketen. Daarom is het passend het bevorderen van initiatieven op het gebied van facultatieve vermeldingen voor handelsvoorwaarden zoals “eerlijk” of “billijk”, of vermeldingen die hetzelfde inhouden, alsook de vermelding “korte keten”, op te nemen in de lijst van doelen die een erkende brancheorganisatie kan nastreven.

(18)

Bepaalde lidstaten eisen dat voor alle leveringen van landbouwproducten op hun grondgebied een schriftelijk contract tussen de relevante partijen moet worden gesloten. Wanneer een lidstaat niet van die mogelijkheid gebruikmaakt, kunnen landbouwers, producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties om een schriftelijk contract vragen. Vanwege hun zwakkere onderhandelingspositie en de vrees voor commerciële vergeldingsacties van kopers kan het voor landbouwers en verenigingen van landbouwers echter moeilijk zijn om een dergelijk verzoek te doen. Om het vertrouwen, de transparantie en de efficiëntie in de toeleveringsketen te vergroten, moeten landbouwers die helemaal aan het begin van de landbouw- en voedselvoorzieningsketen staan en hun verenigingen en producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties kunnen genieten van schriftelijke contracten. Daarom moet een schriftelijk contract vereist zijn wanneer landbouwproducten worden geleverd door landbouwers die producten van de bodem — ongeacht of bij de productiemethoden wordt gebruikgemaakt van grond of andere groeimedia, bijvoorbeeld in kassen — of producten van de veehouderij op hun bedrijf hebben geproduceerd, en wanneer zij die primaire landbouwproducten verwerken. Ook voor leveringen van dergelijke producten door verenigingen van landbouwers, producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties die die producten voor landbouwers verwerken of afzetten, moet een schriftelijk contract worden gesloten.

(19)

Om beter rekening te houden met de marktsignalen en om de prijstransmissie te verbeteren, moeten de lidstaten kunnen eisen dat ook voor de levering van landbouwproducten, met inbegrip van leveringen door of aan andere marktdeelnemers in de voedseltoeleveringsketen, een schriftelijk contract moet worden gesloten en dat kopers voor de levering van landbouwproducten een schriftelijk voorstel voor een contract moeten doen.

(20)

Met het oog op eenvoud en ter verlaging van de transactiekosten moet deze verordening voorzien in bepaalde afwijkingen van het verplichte gebruik van een schriftelijk contract of een schriftelijk voorstel voor een contract, en moet de lidstaten de mogelijkheid worden geboden om bepaalde leveringen vrij te stellen van het verplichte gebruik van een schriftelijk contract of een schriftelijk voorstel voor een contract. Landbouwers en verenigingen van landbouwers moeten echter het recht behouden om een schriftelijk contract of een schriftelijk voorstel voor een contract te verzoeken indien een dergelijke verplichting niet bestaat. Om de rol van producentenorganisaties en coöperaties bij het bevorderen van collectieve benaderingen en het maximaliseren van de toegevoegde waarde voor hun leden te behouden en zo de positie van landbouwers in de toeleveringsketen te versterken, mag geen schriftelijk contract worden vereist voor leveringen door leden aan hun producentenorganisatie of coöperatie, op voorwaarde dat de statuten van de betrokken producentenorganisatie of coöperatie voorzien in transparante en voorspelbare voorschriften inzake prijstransmissie, rekening houdend met de gevolgen voor de vergoeding van landbouwers.

(21)

Om de lidstaten de mogelijkheid te bieden rekening te houden met nationale of regionale praktijken, moet deze verordening de lidstaten de mogelijkheid bieden om producten die onderhevig zijn aan seizoensgebonden schommelingen van vraag of aanbod of aan bederf, en producten waarvoor specifieke traditionele of gebruikelijke verkooppraktijken gelden, vrij te stellen van het verplichte gebruik van een schriftelijk contract of een schriftelijk voorstel voor een contract. Daarnaast moet het de lidstaten worden toegestaan om, na raadpleging van de relevante vertegenwoordigers van landbouwers of na raadpleging van de relevante brancheorganisaties, bepaalde andere producten dan melk en zuivelproducten vrij te stellen van de verplichting om een schriftelijk contract aan te gaan, op voorwaarde dat de effecten van voorspelbaarheid, transparantie en prijstransmissie voor de betrokken producten met andere middelen worden bereikt of de verplichting om een schriftelijk contract of een schriftelijk voorstel voor een contract aan te gaan om andere gegronde redenen niet passend of niet evenredig zou zijn voor die producten. Die mogelijkheid om bepaalde producten vrij te stellen van de verplichting om een schriftelijk contract aan te gaan, moet ook de mogelijkheid omvatten om bepaalde producten vrij te stellen van bepaalde verplichte onderdelen voor die schriftelijke contracten. Om de landbouwers te beschermen moeten de gevallen waarin die vrijstellingen kunnen worden verleend, duidelijk worden gespecificeerd.

(22)

Het verplichte gebruik van een schriftelijk contract voor de levering van landbouwproducten en de basisvoorwaarden voor het gebruik ervan moeten op het niveau van de Unie worden vastgelegd, waarbij moet worden gewaarborgd dat het recht van de partijen om over alle onderdelen van hun contract te onderhandelen, niet verder wordt beperkt dan strikt noodzakelijk is. Niettemin mag het de lidstaten niet worden belet maatregelen vast te stellen ter bestrijding van oneerlijke handelspraktijken in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen die negatieve gevolgen hebben voor de levensstandaard van de landbouwbevolking, op voorwaarde dat die maatregelen passend en evenredig zijn om de verwezenlijking van het nagestreefde doel te waarborgen en verenigbaar zijn met Richtlijn (EU) 2019/633 van het Europees Parlement en de Raad (8), met inbegrip van artikel 9 daarvan.

(23)

De lidstaten moeten ervoor zorgen dat bemiddelings- of vergelijkbare mechanismen ter beschikking van de partijen worden gesteld om hen aan te moedigen een geschil over de sluiting of herziening van een schriftelijk contract minnelijk te schikken. Die mechanismen kunnen bestaande mechanismen omvatten of nieuwe mechanismen die daartoe worden ingesteld. Die mechanismen kunnen onder meer organisaties die landbouwers vertegenwoordigen, brancheorganisaties, geaccrediteerde particuliere bemiddelingsdiensten of andere onafhankelijke organen voor geschillenbeslechting omvatten. Die mechanismen moeten onpartijdig zijn en het gebruik ervan moet vrijwillig zijn voor de contractsluitende partijen. De lidstaten moeten de Commissie informeren over de mechanismen die op hun grondgebied aanwezig zijn.

(24)

Met het oog op de goede werking van de prijstransmissiemechanismen moeten, indien de voor de levering van landbouwproducten verschuldigde definitieve prijs wordt berekend aan de hand van een combinatie van verschillende in het contract vermelde factoren, tot die factoren onder meer objectieve indicatoren, indexcijfers of berekeningsmethoden behoren die voor de partijen gemakkelijk te begrijpen zijn. Om te voorkomen dat landbouwers worden gedwongen systematisch onder hun productiekosten te verkopen, moeten de indicatoren, indexcijfers en methoden voor de berekening van de definitieve prijs veranderingen in de marktomstandigheden en veranderingen in relevante elementen van de productiekosten van de geleverde landbouwproducten die van invloed zijn op de vergoeding van landbouwers, weerspiegelen.

(25)

Gezien de kwetsbare onderhandelingspositie van landbouwers en hun organisaties, gezien recente gevallen van beduidende volatiliteit van de kosten van landbouwproductiemiddelen en de marktprijzen en gezien de noodzaak van een efficiëntere prijstransmissie binnen de toeleveringsketen moeten contracten in de zuivelsector met een looptijd van meer dan zes maanden, en in de andere landbouwsectoren met een looptijd van meer dan twaalf maanden, een herzieningsclausule bevatten die landbouwers of hun organisatie kunnen inroepen, bijvoorbeeld in het geval van onvoorziene omstandigheden, zoals extreme weersomstandigheden, uitbraken van dierziekten, geopolitieke spanningen of om het even welke andere redenen. Een dergelijke clausule moet landbouwers in staat stellen om te allen tijde na de eerste zes of twaalf maanden, naargelang het geval, om een herziening van de onderdelen van het contract te verzoeken en het contract te beëindigen inden geen overeenstemming kan worden bereikt. Dat mag geen afbreuk doen aan het recht van de partijen om te onderhandelen over andere mogelijkheden tot herziening van het contract.

(26)

Om de contractuele transparantie te vergroten en bij te dragen tot eerlijkere handelspraktijken, moeten de lidstaten kunnen eisen dat schriftelijke contracten voor de levering van landbouwproducten worden geregistreerd.

(27)

Bepaalde verticale en horizontale samenwerkingsinitiatieven op het gebied van landbouwproducten en voedingsmiddelen die de toepassing van striktere eisen dan de verplichte eisen tot doel hebben, kunnen passen in de doelstelling van het gemeenschappelijk landbouwbeleid om de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard te verzekeren, en in de doelstelling om de duurzame ontwikkeling van de Unie te waarborgen. Daarom mogen dergelijke initiatieven in specifieke gevallen buiten het toepassingsgebied van artikel 101, lid 1, VWEU vallen.

(28)

In perioden van ernstige marktverstoring kunnen bepaalde categorieën van collectieve acties van particuliere marktdeelnemers de betrokken sectoren helpen stabiliseren. Dergelijke collectieve acties van particuliere marktdeelnemers kunnen bijvoorbeeld bestaan uit het uit de handel nemen of gratis verdelen van hun producten, onder meer door ze aan liefdadigheidsorganisaties te geven. Voor die acties moet de Commissie middelen van de Unie uit de landbouwreserve ter beschikking kunnen stellen, zodat particuliere marktdeelnemers over de nodige middelen beschikken om die acties uit te voeren. De lidstaten moeten ook onverwijld aanvullende nationale middelen kunnen toewijzen.

(29)

In haar mededeling van 19 februari 2025 getiteld “Een visie voor landbouw en voedsel” herinnert de Commissie eraan dat vee een essentieel onderdeel is van de landbouwsector, het concurrentievermogen en de cohesie van de Unie. Duurzame veeteeltsystemen zijn cruciaal voor de economie van de Unie, voor de levensvatbaarheid van plattelandsgebieden en voor het behoud van het milieu en rurale landschappen. De veeteeltsector in de Unie is bijzonder kwetsbaar voor diverse schokken en wereldwijde concurrentie, en moet voldoen aan hoge productienormen die niet altijd door de markt worden beloond. In dat verband is het noodzakelijk om, in het belang van zowel de producenten als de consumenten in de Unie, de natuurlijke samenstelling van vlees en vleesproducten te erkennen. Met vlees geassocieerde termen hebben vaak een culturele en historische betekenis. Daarom is het passend om met vlees geassocieerde termen te beschermen om de transparantie op de interne markt met betrekking tot de samenstelling van levensmiddelen en de voedingswaarde ervan te vergroten, en om ervoor te zorgen dat consumenten weloverwogen keuzes kunnen maken. Die duidelijkheid is met name belangrijk voor consumenten die op zoek zijn naar een specifieke voedingswaarde die traditioneel in verband wordt gebracht met vleesproducten. Daarom moeten voor de toepassing van en binnen het toepassingsgebied van Verordening (EU) nr. 1308/2013 onder “vlees” de eetbare delen van dieren worden verstaan.

(30)

Voorts moeten met betrekking tot in bijlage I bij het VWEU vermelde landbouwproducten en niet in die bijlage vermelde voedingsmiddelen bepaalde termen worden voorbehouden voor van vlees verkregen producten, onverminderd bij de productie gebruikte technologische processen die niet tot doel hebben vlees of een bestanddeel daarvan geheel of gedeeltelijk te vervangen, of voor producten met een naam waarin die termen worden gebruikt in combinatie met een of meer woorden om de diersoort aan te duiden waarvan een landbouwproduct afkomstig is, en onverminderd het gebruik van die termen voor visserij- en aquacultuurproducten zoals omschreven in wetgevingshandelingen van de Unie inzake de gemeenschappelijke marktordening voor visserij- en aquacultuurproducten. Om rekening te houden met het feit dat de precieze aard van bepaalde producten die niet van vlees zijn verkregen, duidelijk is vanwege een langdurig gebruik en bij de consument niet tot verwarring leidt, moet aan artikel 78, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 de bevoegdheid voor de Commissie worden toegevoegd om een lijst van namen op te stellen die alleen of in combinatie met andere woorden mogen worden gebruikt en waarbij rekening wordt gehouden met de wijze waarop de termen in verschillende talen worden gebruikt.

(31)

Met het oog op meer contractuele duidelijkheid voor suikerbietentelers en om voor een geharmoniseerd contractueel kader te zorgen, moeten de aankoopvoorwaarden in contracten voor de levering van suikerbieten worden afgestemd op de voorwaarden voor het gebruik van schriftelijke contracten in andere landbouwsectoren, rekening houdend met de bijzondere kenmerken van de suikerbietensector.

(32)

Verordening (EU) nr. 1308/2013 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(33)

Om de positie van landbouwers in de voedseltoeleveringsketen te versterken, moeten bepaalde bepalingen van Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad (9) worden gewijzigd wat betreft de interventietypen die in bepaalde sectoren bestaan. Die wijzigingen hebben als doel landbouwers te stimuleren lid te worden of te blijven van producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties die uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1308/2013 zijn erkend, zulks gezien de positieve rol die producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties spelen bij het versterken van de onderhandelingspositie van producenten. Om producentenorganisaties via de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen), efficiënter en gerichter te kunnen ondersteunen, moet bovendien worden voorzien in de mogelijkheid om de financiële bijstand van de Unie aan operationele programma’s in bepaalde sectoren te verhogen.

(34)

In bepaalde lidstaten ligt de productiewaarde van groenten en fruit die door producentenorganisaties worden afgezet, vergeleken met de totale waarde van de geproduceerde groenten en fruit, nog ver onder het gemiddelde van de Unie. Eén van de financiële prikkels die nu al beschikbaar is, is de uit hoofde van artikel 53 van Verordening (EU) 2021/2115 aan de lidstaten geboden mogelijkheid om nationale financiële bijstand te verlenen aan producentenorganisaties in bepaalde regio’s waar de organisatiegraad van de producenten aanzienlijk onder het gemiddelde van de Unie ligt. Met het oog op de versterking van het concurrentievermogen, de versterking van de positie van de landbouwers in de waardeketen en de oprichting van nieuwe producentenorganisaties moet een financiële prikkel worden gegeven in de vorm van een verhoging met 10 % van de financiële bijstand van de Unie aan producentenorganisaties in lidstaten waar de organisatiegraad van de producenten minder dan 10 % bedraagt in drie opeenvolgende jaren voorafgaand aan de uitvoering van het betrokken operationele programma.

(35)

Om generatievernieuwing in de landbouwsector te bevorderen en nieuwe producenten aan te moedigen zich aan te sluiten bij producentenorganisaties in de sector groenten en fruit en in de andere in artikel 42, punt f), van Verordening (EU) 2021/2115 bedoelde sectoren, moet een prikkel worden gegeven aan jonge landbouwers en nieuwe landbouwers die zich aansluiten bij een uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1308/2013 erkende producentenorganisatie. Met name moet het mogelijk zijn de financiële bijstand van de Unie voor uitgaven aan investeringen die worden gedaan op het bedrijf van jonge landbouwers of nieuwe landbouwers die zich voor het eerst bij een erkende producentenorganisatie aansluiten, met twintig procentpunten te verhogen.

(36)

Omdat er zich de afgelopen jaren herhaaldelijk ongunstige weersomstandigheden, natuurrampen, plantenziekten en plagen hebben voorgedaan, is het voor producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties nuttig gebleken om financiële middelen, met inbegrip van financiële bijstand van de Unie in het kader van het actiefonds, te kunnen herbestemmen voor interventies die nodig zijn om de gevolgen van dergelijke gebeurtenissen aan te pakken. Daarom moet worden voorzien in de mogelijkheid om de in artikel 52, lid 1, artikel 62, artikel 65, lid 1, en artikel 68 van Verordening (EU) 2021/2115 vastgelegde financiële bijstand van de Unie onder bepaalde voorwaarden te verhogen van 50 % naar 70 % van de werkelijke uitgaven.

(37)

Om het opzetten van interventietypen in de andere in artikel 42, punt f), van Verordening (EU) 2021/2115 bedoelde sectoren te kunnen ondersteunen, moeten de lidstaten met ingang van 1 januari 2025 extra flexibiliteit krijgen bij de aanpassing van de toewijzing van middelen aan die sectoren. De lidstaten moeten daarom tot 6 % van hun toewijzingen voor rechtstreekse betalingen kunnen gebruiken, nadat zij de gevolgen voor het niveau van de inkomenssteun hebben beoordeeld.

(38)

Verordening (EU) 2021/2115 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(39)

Om ervoor te zorgen dat in perioden van ernstige marktverstoring middelen van de Unie uit de landbouwreserve ter beschikking van de lidstaten kunnen worden gesteld voor collectieve acties van particuliere marktdeelnemers, moet de mogelijkheid om gebruik te maken van de landbouwreserve, worden uitgebreid tot steunverlening voor collectieve acties indien de Commissie besluit dat de mededingingsregels niet van toepassing zijn op die acties.

(40)

Verordening (EU) 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad (10) moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(41)

Om de marktdeelnemers de nodige aanpassingstijd te geven en de Commissie ertoe in staat te stellen de bestaande nationale regelingen en praktijken te beoordelen, moet de toepassing van de voorschriften voor het voorbehouden van de facultatieve vermeldingen “eerlijk” en “billijk”, en vermeldingen die hetzelfde inhouden, en van de vermelding “korte keten” worden uitgesteld tot twee jaar na de datum inwerkingtreding van deze verordening. Evenzo moet, om de marktdeelnemers in staat te stellen hun contractuele betrekkingen aan de nieuwe voorschriften inzake schriftelijke contracten aan te passen en de producentenorganisaties in de zuivelsector in staat te stellen hun statuten aan te passen, de toepassing van die voorschriften worden uitgesteld tot twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening. Voorts moet, om de marktdeelnemers in staat te stellen hun marketingstrategieën bij te stellen, de toepassing van de definities en voorbehouden benamingen voor vlees en vleesproducten tot drie jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening worden uitgesteld. Producten die zijn geproduceerd of ingevoerd overeenkomstig de voorschriften die vóór de datum waarop de nieuwe regels van toepassing worden, van toepassing waren, moeten echter verder kunnen worden afgezet voor een periode van ten hoogste zes jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening of tot de datum van uitputting van de voorraden, naargelang wat zich het eerst voordoet,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen van Verordening (EU) nr. 1308/2013

Verordening (EU) nr. 1308/2013 wordt als volgt gewijzigd:

1)

in artikel 75, lid 3, wordt punt j) vervangen door:

“j)

de ligging van het landbouwbedrijf en/of de oorsprong;”

;

2)

artikel 78 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt als volgt gewijzigd:

i)

punt a) wordt vervangen door:

“a)

alle sectoren waarin eetbare delen van dieren worden geproduceerd, en met name de sectoren rund- en kalfsvlees, varkensvlees, schapen- en geitenvlees, en pluimveevlees;”

;

ii)

punt d) wordt geschrapt;

b)

aan lid 3 wordt de volgende alinea toegevoegd:

“Wat betreft bijlage VII, deel I bis, punt 3, is de Commissie ook bevoegd overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot aanvulling van deze verordening door afwijkingen toe te staan die het gebruik mogelijk maken van benamingen die zijn voorbehouden voor van vlees verkregen producten, voor andere producten waarvan de precieze aard duidelijk is vanwege een langdurig gebruik en bij de consument niet tot verwarring leidt.”

;

3)

in deel II, titel II, hoofdstuk I, afdeling 1, wordt de volgende onderafdeling ingevoegd:

“Onderafdeling 3 bis

Gebruik van facultatieve vermeldingen voor producten uit alle in artikel 1, lid 2, vermelde sectoren

Artikel 88 bis

Facultatieve vermeldingen voor handelsmodaliteiten

1.   De vermelding “eerlijk” of “billijk”, of vermeldingen die hetzelfde inhouden, mogen, alleen of in combinatie met andere vermeldingen, op het etiket van, in de presentatie van, in reclamemateriaal voor of op de handelsdocumenten met betrekking tot een in de handel gebracht product uit de in artikel 1, lid 2, vermelde sectoren worden gebruikt, op voorwaarde dat die vermeldingen worden gebruikt om kopers te informeren over bestaande modaliteiten voor de organisatie van de productie, de distributie of het in de handel brengen, die beogen ten minste het volgende te waarborgen:

a)

stabiliteit, onder meer door middel van de contracten tussen de producenten en de kopers, transparantie in de betrekkingen tussen landbouwers en kopers in de toeleveringsketen en transparantie in de informatie over deelnemende landbouwers;

b)

een prijs voor hun producten die de deelnemende landbouwers billijk en lonend vinden, en

c)

collectieve initiatieven waarmee een of meer van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties worden nagestreefd, en die in het bijzonder bijdragen tot de ontwikkeling van plattelandsgemeenschappen, met name door de bevordering van democratisch beheerde collectieve organisaties van landbouwers.

Voor de toepassing van punt b) van de eerste alinea kan de prijs rekening houden met relevante beschikbare gegevens over de productiekosten.

2.   De vermelding “korte keten” mag, alleen of in combinatie met andere vermeldingen, op het etiket van, in de presentatie van, in reclamemateriaal voor of op de handelsdocumenten met betrekking tot een in de handel gebracht product uit de in artikel 1, lid 2, vermelde sectoren worden gebruikt, op voorwaarde dat consumenten gemakkelijk kunnen nagaan op welke bedrijven van de deelnemende landbouwers de grondstof is geproduceerd, en op voorwaarde dat die term wordt gebruikt om kopers te informeren over bestaande modaliteiten voor de organisatie van de productie, de distributie of het in de handel brengen, die het volgende waarborgen:

a)

een rechtstreekse band tussen de landbouwer en de eindverbruiker van het product, indien passend met één tussenpersoon, of

b)

een nauwe band tussen de landbouwer en de eindverbruiker van het product, met een beperkt aantal tussenpersonen, en waarbij de landbouwer, de tussenpersonen en de eindverbruiker van het product zich in elkaars geografische nabijheid bevinden.

3.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van deze verordening door aan lid 1 van dit artikel vermeldingen toe te voegen die hetzelfde inhouden als de vermelding “eerlijk” of de vermelding “billijk”, indien die gelijkwaardige vermeldingen op de markt worden gebruikt om kopers te informeren over de in lid 1 van dit artikel bedoelde handelsmodaliteiten, en tot aanvulling van deze verordening door aanvullende voorschriften vast te leggen of door voorwaarden te specificeren voor de toepassing van de leden 1 en 2 van dit artikel, rekening houdend met desbetreffende internationale normen en bijbehorende gecertificeerde kwaliteitsregelingen.

4.   De lidstaten kunnen nationale voorschriften vaststellen of handhaven waarin voorwaarden worden gesteld die een aanvulling vormen op de voorwaarden in lid 1, punten a), b) en c), en in lid 2, punten a) en b), voor het gebruik van de in die leden bedoelde vermeldingen. Die voorschriften mogen het gebruik van de in die leden bedoelde vermeldingen niet verbieden, beperken of belemmeren voor producten die in een andere lidstaat legaal zijn geproduceerd of legaal in de handel zijn gebracht onder de in die leden bedoelde vermeldingen.

5.   Dit artikel laat de voorschriften van Verordening (EU) nr. 1169/2011 onverlet.”

;

4)

artikel 148 wordt vervangen door:

“Artikel 148

Contractuele betrekkingen in de sector melk en zuivelproducten

1.   Voor leveringen in de Unie van melk en zuivelproducten door landbouwers, daaronder begrepen verenigingen van landbouwers, of door producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties aan verwerkers, inzamelaars, distributeurs of kleinhandelaren wordt een schriftelijk contract tussen die partijen gesloten.

De in de eerste alinea bedoelde verplichting is alleen van toepassing op:

a)

landbouwers die op hun bedrijf rauwe melk produceren of de op hun bedrijf geproduceerde rauwe melk verwerken tot melk en zuivelproducten;

b)

verenigingen van landbouwers, producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties die de in punt a) bedoelde producten verwerken of afzetten.

Een dergelijk schriftelijk contract moet aan de voorwaarden van de leden 4 en 8 voldoen.

Na raadpleging van de relevante vertegenwoordigers van landbouwers of van de overeenkomstig artikel 163, lid 1, erkende brancheorganisaties kunnen de lidstaten besluiten dat de opname van indicatoren, indexcijfers of methoden voor de berekening van de definitieve prijs, zoals bedoeld in lid 4, punt c), i), tweede streepje, van dit artikel, niet verplicht is en dat de levering niet onder de eisen van lid 4, punt c), iii), met betrekking tot een herzieningsclausule valt indien de effecten van voorspelbaarheid, transparantie en prijstransmissie voor de betrokken melk of zuivelproducten anderszins kunnen worden bereikt, of dat de verplichting om de in lid 4, punt c), i), tweede streepje, van dit artikel en in lid 4, punt c), iii), van dit artikel bedoelde elementen met betrekking tot een herzieningsclausule op te nemen, om andere gegronde redenen niet passend of niet evenredig zou zijn voor die producten.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder “inzamelaar” verstaan: een onderneming die rauwe melk vervoert van een landbouwer of een andere inzamelaar naar een verwerker van rauwe melk of een andere inzamelaar, waarbij de eigendom van de melk telkens wordt overgedragen.

2.   De lidstaten kunnen ook besluiten dat:

a)

voor de levering van melk en zuivelproducten door of aan marktdeelnemers die niet onder lid 1 vallen, een schriftelijk contract moet worden gesloten;

b)

een schriftelijk voorstel voor een contract voor de levering van melk en zuivelproducten vereist is.

Met betrekking tot de in punt b) van de eerste alinea van dit lid bedoelde schriftelijke voorstellen voor een contract kan de betrokken lidstaat besluiten dat een dergelijk schriftelijk voorstel moet worden gedaan ofwel door de eerste koper van melk en zuivelproducten ofwel door de landbouwer, daaronder begrepen een vereniging van landbouwers, ofwel door een producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties.

In punt a) van de eerste alinea van dit lid bedoelde contracten of in punt b) van de eerste alinea van dit lid bedoelde schriftelijke voorstellen voor een contract moeten aan de voorwaarden van de leden 4 en 8 voldoen.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat bemiddelings- of vergelijkbare mechanismen, met inbegrip van bestaande mechanismen, ter beschikking worden gesteld van de contractsluitende partijen. Die mechanismen zijn vrijwillig voor de contractsluitende partijen en onpartijdig teneinde gevallen te dekken waarin een voor beide partijen aanvaardbaar contract als bedoeld in de leden 1 en 2 ontbreekt, of, wanneer een contract als bedoeld in de leden 1 en 2 bestaat, voor de herziening van dat contract. Vertegenwoordigers van landbouworganisaties kunnen deel uitmaken van die mechanismen.

De lidstaten informeren de Commissie over de in de eerste alinea van dit lid bedoelde mechanismen die op hun grondgebied beschikbaar zijn.

4.   Het in de leden 1 en 2 bedoelde contract of voorstel voor een contract:

a)

wordt vóór de levering gesloten of gedaan;

b)

wordt schriftelijk opgesteld, ook in elektronische vorm, en

c)

bevat in het bijzonder de volgende elementen:

i)

de voor de levering verschuldigde prijs, die:

statisch is en in het contract wordt vermeld, of

wordt berekend aan de hand van een combinatie van verschillende in het contract vermelde factoren, waaronder objectieve indicatoren, indexcijfers of methoden voor de berekening van de definitieve prijs die gemakkelijk toegankelijk en begrijpelijk zijn en die veranderingen in de marktomstandigheden en veranderingen in relevante elementen van de productiekosten die van invloed zijn op de vergoeding van landbouwers, de geleverde hoeveelheden en de kwaliteit of samenstelling van de geleverde melk of zuivelproducten, weerspiegelen; daartoe kunnen de lidstaten online publiceerbare indicatoren voor gebruik in contracten vaststellen, overeenkomstig objectieve criteria die zijn gebaseerd op studies over productie en de voedseltoeleveringsketen, of rekening houdend met objectieve gegevens uit bronnen zoals brancheorganisaties, het EU-waarnemingscentrum voor de agrovoedingsketen (AFCO), of andere beschikbare relevante en objectieve gegevens; de partijen bij de contracten zijn vrij om te verwijzen naar die indicatoren of naar andere indicatoren die zij relevant achten;

ii)

het volume rauwe melk of de kwaliteit en hoeveelheid melk of zuivelproducten die moeten worden geleverd, inclusief leveringstermijn;

iii)

de looptijd van het contract, die bepaald kan zijn of onbepaald met een opzegclausule, en, in het geval van een contract met een minimumlooptijd van meer dan zes maanden, een herzieningsclausule die door de landbouwer, daaronder begrepen een vereniging van landbouwers, of door een producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties kan worden ingeroepen;

iv)

details betreffende betalingstermijnen en -procedures, met inbegrip van de toepassing van tussen de partijen overeengekomen verlagingen;

v)

de regelingen voor de inzameling of levering van melk of zuivelproducten, en

vi)

de voorschriften die van toepassing zijn bij overmacht.

5.   In afwijking van de leden 1 en 2 is een schriftelijk contract of een schriftelijk voorstel voor een contract niet vereist in de volgende gevallen:

a)

de betrokken melk of zuivelproducten worden door een lid van een producentenorganisatie of coöperatie geleverd aan de producentenorganisatie of coöperatie waarbij dat lid is aangesloten, op voorwaarde dat de statuten van die producentenorganisatie of coöperatie of de in die statuten vastgelegde of daaruit voortvloeiende voorschriften en besluiten voorzien in transparante en democratisch vastgelegde voorschriften die vooraf bekend zijn, inzake de methoden waarmee de prijs van de door die leden geleverde melk of zuivelproducten wordt bepaald, waarbij rekening wordt gehouden met de gevolgen voor de vergoeding van landbouwers, en waarmee de betalingstermijnen en -procedures worden bepaald;

b)

de levering gebeurt gratis of in het kader van het wegwerken van melk of zuivelproducten die niet meer geschikt zijn voor verkoop.

6.   De lidstaten kunnen besluiten dat een schriftelijk contract of een schriftelijk voorstel voor een contract niet vereist is in een of meer van de volgende gevallen:

a)

de eerste koper van melk of zuivelproducten is een micro- of kleine onderneming in de zin van Aanbeveling 2003/361/EG;

b)

de totale waarde van de door de partijen overeengekomen levering of leveringen bedraagt niet meer dan een door de betrokken lidstaat te bepalen maximumbedrag, dat niet hoger is dan 10 000 EUR;

c)

de sluiting van het contract en de betaling voor de melk of zuivelproducten vinden plaats op het moment van levering;

d)

het gaat om een levering van melk of zuivelproducten die onderhevig zijn aan seizoensgebonden schommelingen van vraag of aanbod of aan bederf, of

e)

het gaat om een levering van melk of zuivelproducten waarvoor traditionele of gebruikelijke verkooppraktijken gelden.

7.   Indien op grond van lid 5, punt b), of lid 6 geen schriftelijk contract of geen schriftelijk voorstel voor een contract vereist is, kan een landbouwer, daaronder begrepen een vereniging van landbouwers, of een producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties eisen dat voor elke levering van melk of zuivelproducten aan een verwerker, distributeur, kleinhandelaar of inzamelaar, een schriftelijk contract tussen de partijen moet worden gesloten of een schriftelijk voorstel voor een contract moet worden gedaan. Dat contract of voorstel voor een contract moet voldoen aan de voorwaarden van lid 4 en lid 8, eerste alinea.

8.   Over alle elementen van contracten voor de levering van melk of zuivelproducten die worden gesloten tussen landbouwers, daaronder begrepen verenigingen van landbouwers, of producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties en inzamelaars, verwerkers, distributeurs of kleinhandelaren, met inbegrip van de in lid 4, punt c), bedoelde elementen en onderdelen daarvan, wordt vrij onderhandeld tussen de partijen.

De lidstaten kunnen een of meer van de volgende elementen vastleggen:

a)

met betrekking tot de in lid 1 bedoelde schriftelijke contracten:

i)

een verplichting voor de partijen om overeenstemming te bereiken over een verhouding tussen een bepaalde hoeveelheid geleverde melk of zuivelproducten en de prijs die voor die levering moet worden betaald;

ii)

een minimale looptijd, die ten minste zes maanden moet bedragen en die de goede werking van de interne markt niet in het gedrang mag brengen;

b)

met betrekking tot de in lid 2, eerste alinea, punt b), bedoelde schriftelijke voorstellen voor een contract, een verplichting dat het schriftelijk voorstel voor een contract een in het nationale recht geldende minimale looptijd voor het contract moet bevatten, die echter ten minste zes maanden moet bedragen en die de goede werking van de interne markt niet in het gedrang mag brengen.

Landbouwers, daaronder begrepen verenigingen van landbouwers, of producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties kunnen de door de lidstaten op grond van de tweede alinea vastgelegde minimale looptijd schriftelijk weigeren.

9.   De lidstaten kunnen eisen dat de koper van melk of zuivelproducten het in lid 1 bedoelde schriftelijke contract voor de levering, op hun grondgebied, van de melk of zuivelproducten in kwestie door de landbouwer, daaronder begrepen een vereniging van landbouwers, of door een producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties aan een inzamelaar, verwerker, distributeur of kleinhandelaar, moet registreren.

10.   De lidstaten die van de in de leden 1, 2, 6, 8 en 9 geboden mogelijkheden gebruikmaken, stellen de Commissie in kennis van de wijze waarop die mogelijkheden worden toegepast.

11.   De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen met de nodige maatregelen voor de uniforme toepassing van de leden 4 en 5 van dit artikel en met maatregelen met betrekking tot de kennisgevingen die overeenkomstig lid 10 van dit artikel door de lidstaten moeten worden gedaan. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.”

;

5)

in artikel 149, lid 2, wordt punt c) vervangen door:

“c)

op voorwaarde dat, voor een welbepaalde producentenorganisatie, aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

i)

het volume rauwe melk waarover wordt onderhandeld, bedraagt niet meer dan 7 % van de totale productie van de Unie;

ii)

het volume rauwe melk waarover wordt onderhandeld en dat in een bepaalde lidstaat wordt geproduceerd, bedraagt niet meer dan 36 % van de totale nationale productie van die lidstaat, en

iii)

het volume rauwe melk waarover wordt onderhandeld en dat in een bepaalde lidstaat wordt geleverd, bedraagt niet meer dan 36 % van de totale nationale productie van die lidstaat;”

;

6)

artikel 152 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt als volgt gewijzigd:

i)

punt a) wordt vervangen door:

“a)

bestaan uit producenten in een in artikel 1, lid 2, vermelde specifieke sector en onder controle staan van aangesloten landbouwers die landbouwproducten van de bodem of van de veehouderij produceren, overeenkomstig artikel 153, lid 2, punt c); een erkenning kan worden verleend voor een of meer van de in artikel 1, lid 2, vermelde specifieke sectoren, op voorwaarde dat de producentenorganisatie voor al die sectoren aan de erkenningsvoorwaarden voldoet;

de lidstaten kunnen besluiten dat de in dit punt bedoelde controle door de landbouwleden kan worden verricht door verenigingen van landbouwers die landbouwproducten van de bodem of van de veehouderij produceren, mits die verenigingen onder controle van die landbouwers staan;”

;

ii)

in punt b) wordt het inleidende gedeelte vervangen door:

“b)

zijn opgericht op initiatief van landbouwers die landbouwproducten van de bodem of van de veehouderij produceren, en ten minste een van de volgende activiteiten verrichten:”

;

iii)

in punt c) wordt punt vi) vervangen door:

“vi)

het gebruik van productienormen bevorderen en daarvoor technische bijstand verstrekken, de productkwaliteit verbeteren, producten ontwikkelen met een beschermde oorsprongsbenaming, met een beschermde geografische aanduiding of met een nationaal kwaliteitskeurmerk, en initiatieven uitvoeren ter bevordering van korte toeleveringsketens of van het gebruik van de in artikel 88 bis bedoelde facultatieve vermeldingen;”

;

b)

in lid 1 bis wordt de eerste alinea vervangen door:

“1 bis.   In afwijking van artikel 101, lid 1, VWEU kan een uit hoofde van lid 1 van dit artikel erkende producentenorganisatie of een producentenorganisatie, met inbegrip van een coöperatie of elke andere gelijkwaardige rechtsvorm die door het nationale recht is erkend, die om erkenning heeft verzocht en nog niet door een lidstaat als producentenorganisatie is erkend, op voorwaarde dat zij voldoet aan de in lid 1 van dit artikel en in artikel 154 van deze verordening vastgestelde eisen, namens haar leden met betrekking tot de totale productie van die leden of een gedeelte daarvan, de productie plannen, de productiekosten optimaliseren, producten in de handel brengen en over contracten voor de levering van landbouwproducten onderhandelen. Een dergelijke producentenorganisatie kan van die afwijking gebruikmaken binnen de in artikel 154, lid 4, punt a), van deze verordening vastgelegde termijn of, indien de lidstaat aan het einde van die termijn nog geen besluit over het erkenningsverzoek heeft genomen, binnen een termijn van vijf jaar vanaf de datum van indiening van het erkenningsverzoek, tenzij de betrokken lidstaat heeft besloten de erkenning te weigeren.”

;

c)

in lid 1 ter wordt na de eerste alinea de volgende alinea ingevoegd:

“Indien een uit hoofde van artikel 156, lid 1, erkende unie van producentenorganisaties niet voldoet aan de voorwaarden van lid 1 bis, tweede alinea, punten a) en b), van dit artikel, maar haar leden wel aan die voorwaarden voldoen, kan zij ook de in lid 1 bis, eerste alinea, van dit artikel bedoelde activiteiten verrichten, op voorwaarde dat:

a)

haar leden zijn erkend overeenkomstig lid 1 van dit artikel;

b)

haar leden, ten aanzien van de producten waarop de in lid 1 bis, eerste alinea, van dit artikel bedoelde activiteiten betrekking hebben, niet ook zijn aangesloten bij een andere erkende unie van producentenorganisaties, en

c)

het volume van het product waarop de in lid 1 bis, eerste alinea, van dit artikel bedoelde activiteiten betrekking hebben, niet meer bedraagt dan 36 % van de totale nationale productie van dat product in de betrokken lidstaat.”

;

7)

artikel 153 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt punt b) vervangen door:

“b)

voor elk bepaald product van het bedrijf hoogstens bij één enkele producentenorganisatie aangesloten te zijn, waarbij onder “elk bepaald product” wordt verstaan: een product dat voldoende van de andere producten verschilt, met name gezien de kenmerken of het beoogde eindgebruik ervan;

de lidstaten kunnen evenwel in naar behoren gemotiveerde gevallen afwijken van deze voorwaarde indien aangesloten producenten twee verschillende productie-eenheden hebben die zich in verschillende geografische gebieden bevinden.”

;

b)

in lid 2 wordt punt c) vervangen door:

“c)

voorschriften op grond waarvan de aangesloten landbouwers die landbouwproducten van de bodem of van de veehouderij produceren, op democratische wijze toezicht kunnen uitoefenen op hun organisatie en haar besluiten, evenals op haar rekeningen en begrotingen;”

;

c)

lid 2 bis wordt vervangen door:

“2 bis.   De statuten van een producentenorganisatie kunnen voorzien in de mogelijkheid dat de leden rechtstreeks contact hebben met de kopers, op voorwaarde dat dat rechtstreeks contact de door de producentenorganisatie nagestreefde doelen, waaronder de concentratie van het aanbod en het in de handel brengen van de producten door de producentenorganisatie, niet in gevaar brengt. Concentratie van het aanbod en het in de handel brengen van de producten worden geacht te zijn gewaarborgd indien over de essentiële elementen van de verkoop, zoals prijs, kwaliteit en volume, door de producentenorganisatie wordt onderhandeld en die elementen door de producentenorganisatie worden bepaald. De statuten van een producentenorganisatie die rechtstreeks contact tussen leden en kopers toestaat, kunnen interne controle- en preventiemechanismen bevatten om ervoor te zorgen dat dat contact de doelen van de producentenorganisatie, waaronder de concentratie van het aanbod, niet ondermijnt.”

;

d)

lid 3 wordt geschrapt;

8)

in artikel 157, lid 1, wordt aan punt c) het volgende punt toegevoegd:

“xvii)

het gebruik van de in artikel 88 bis bedoelde facultatieve vermeldingen bevorderen.”

;

9)

artikel 168 wordt vervangen door:

“Artikel 168

Contractuele betrekkingen

1.   Voor leveringen in de Unie van andere landbouwproducten uit een in artikel 1, lid 2, vermelde sector dan melk en zuivelproducten en suiker, door landbouwers, waaronder verenigingen van landbouwers, of door producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties, aan verwerkers, distributeurs of kleinhandelaren, wordt tussen de relevante partijen een schriftelijk contract gesloten.

De in de eerste alinea bedoelde verplichting is alleen van toepassing op:

a)

landbouwers die landbouwproducten van de bodem of van de veehouderij produceren of dergelijke op hun bedrijf geproduceerde producten verwerken;

b)

verenigingen van landbouwers, producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties die de in punt a) bedoelde producten verwerken of afzetten.

Een dergelijk schriftelijk contract moet aan de voorwaarden van de leden 4 en 8 voldoen.

2.   De lidstaten kunnen ook besluiten dat:

a)

voor de levering van landbouwproducten door of aan marktdeelnemers die niet onder lid 1 vallen, een schriftelijk contract moet worden gesloten;

b)

een schriftelijk voorstel voor een contract voor de levering van landbouwproducten vereist is.

Wat in punt b) van de eerste alinea van dit lid bedoelde schriftelijke voorstellen voor een contract betreft, kan de betrokken lidstaat besluiten dat een dergelijk schriftelijk voorstel voor een contract moet worden gedaan ofwel door de eerste koper van landbouwproducten ofwel door de landbouwer, daaronder begrepen een vereniging van landbouwers, ofwel door een producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties.

In punt a) van de eerste alinea van dit lid bedoelde contracten of in punt b) van de eerste alinea van dit lid bedoelde voorstellen voor een contract moeten aan de voorwaarden van de leden 4 en 8 voldoen.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat bemiddelings- of vergelijkbare mechanismen, met inbegrip van bestaande mechanismen, ter beschikking worden gesteld van de contractsluitende partijen. Dergelijke mechanismen zijn vrijwillig voor de contractsluitende partijen en onpartijdig teneinde gevallen te dekken waarin een voor beide partijen aanvaardbaar contract als bedoeld in de leden 1 en 2 ontbreekt, of, wanneer een contract als bedoeld in de leden 1 en 2 bestaat, voor de herziening van dat contract. Vertegenwoordigers van landbouworganisaties kunnen deel uitmaken van die mechanismen.

De lidstaten informeren de Commissie over de in de eerste alinea van dit lid bedoelde mechanismen die op hun grondgebied beschikbaar zijn.

4.   Het in de leden 1 en 2 bedoelde contract of voorstel voor een contract:

a)

wordt vóór de levering gesloten of gedaan,

b)

wordt schriftelijk opgesteld, ook in elektronische vorm, en

c)

bevat in het bijzonder de volgende elementen:

i)

de voor de levering verschuldigde prijs, die:

statisch is en in het contract wordt vermeld, of

wordt berekend aan de hand van een combinatie van verschillende in het contract vermelde factoren, waaronder objectieve indicatoren, indexcijfers of methoden voor de berekening van de definitieve prijs die gemakkelijk toegankelijk en begrijpelijk zijn en die veranderingen in de marktomstandigheden en veranderingen in relevante elementen van de productiekosten die van invloed zijn op de vergoeding van landbouwers, de geleverde hoeveelheden en de kwaliteit of samenstelling van de geleverde landbouwproducten, weerspiegelen; daartoe kunnen de lidstaten online publiceerbare indicatoren voor gebruik in contracten vaststellen, overeenkomstig objectieve criteria die zijn gebaseerd op studies over productie en de voedseltoeleveringsketen, of rekening houdend met objectieve gegevens uit bronnen zoals brancheorganisaties, het EU-waarnemingscentrum voor de agrovoedingsketen (AFCO), of andere beschikbare relevante en objectieve gegevens; de partijen bij de contracten zijn vrij om te verwijzen naar die indicatoren of naar andere indicatoren die zij relevant achten;

ii)

de hoeveelheid en kwaliteit van de desbetreffende landbouwproducten die geleverd kunnen of moeten worden, inclusief leveringstermijn;

iii)

de looptijd van het contract, die bepaald kan zijn of onbepaald met een opzegclausule, en, in het geval van contracten met een minimumlooptijd van meer dan twaalf maanden, een herzieningsclausule die door de landbouwer, daaronder begrepen een vereniging van landbouwers, of door een producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties kan worden ingeroepen;

iv)

details betreffende betalingstermijnen en -procedures, met inbegrip van de toepassing van eventuele tussen de partijen overeengekomen verlagingen;

v)

de regelingen voor de inzameling of levering van de landbouwproducten, en

vi)

de voorschriften die van toepassing zijn bij overmacht.

5.   In afwijking van de leden 1 en 2 is een schriftelijk contract of een schriftelijk voorstel voor een contract niet vereist in de volgende gevallen:

a)

de betrokken landbouwproducten worden door een lid van een producentenorganisatie of coöperatie geleverd aan de producentenorganisatie of coöperatie waarbij dat lid is aangesloten, op voorwaarde dat de statuten van die producentenorganisatie of coöperatie of de in die statuten vastgelegde of daaruit voortvloeiende voorschriften en besluiten voorzien in transparante en democratisch vastgelegde voorschriften die vooraf bekend zijn, inzake de methoden waarmee de prijs van de door die leden geleverde producten wordt bepaald, waarbij rekening wordt gehouden met de gevolgen voor de vergoeding van landbouwers, en waarmee de betalingstermijnen en -procedures worden bepaald;

b)

de levering gebeurt gratis of in het kader van het wegwerken van producten die niet meer geschikt zijn voor verkoop.

6.   De lidstaten kunnen besluiten dat een schriftelijk contract of een schriftelijk voorstel voor een contract niet vereist is in een of meer van de volgende gevallen:

a)

de eerste koper van landbouwproducten is een micro- of kleine onderneming in de zin van Aanbeveling 2003/361/EG;

b)

de totale waarde van de door de partijen overeengekomen levering of leveringen bedraagt niet meer dan een door de betrokken lidstaat te bepalen maximumbedrag, dat niet hoger is dan 10 000 EUR;

c)

de levering en de betaling van de betrokken landbouwproducten vinden gelijktijdig of, om gegronde redenen, uiterlijk binnen drie werkdagen plaats;

d)

het gaat om een levering van landbouwproducten die onderhevig zijn aan seizoensgebonden schommelingen van vraag of aanbod of aan bederf;

e)

het gaat om een levering van landbouwproducten waarvoor traditionele of gebruikelijke verkooppraktijken gelden;

f)

de levering heeft betrekking op landbouwproducten waarvoor de lidstaat, na raadpleging van de relevante vertegenwoordigers van landbouwers of na raadpleging van de overeenkomstig artikel 158, lid 1, voor de betrokken sectoren erkende brancheorganisaties, van oordeel is dat de in de leden 1 en 4 van dit artikel beoogde effecten van voorspelbaarheid, transparantie en prijstransmissie voor die producten zijn bereikt of dat de verplichting om voor die producten schriftelijke contracten of schriftelijke voorstellen voor een contract te hebben, om andere gegronde redenen niet passend of niet evenredig zou zijn.

7.   Indien op grond van lid 5, punt b), of lid 6 geen schriftelijk contract of geen schriftelijk voorstel voor een contract vereist is, kan een landbouwer, daaronder begrepen een vereniging van landbouwers, of een producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties eisen dat voor elke levering van landbouwproducten aan een verwerker, distributeur of kleinhandelaar een schriftelijk contract tussen de partijen moet worden gesloten of een schriftelijk voorstel voor een contract moet worden gedaan. Dat contract of voorstel voor een contract moet voldoen aan de voorwaarden van lid 4 en lid 8, eerste alinea.

8.   Over alle elementen van contracten voor de levering van landbouwproducten die worden gesloten tussen landbouwers, met inbegrip van verenigingen van landbouwers, of producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties en verwerkers, distributeurs of kleinhandelaren, met inbegrip van de in lid 4, punt c), bedoelde elementen en onderdelen daarvan, wordt vrij onderhandeld tussen de partijen.

De lidstaten kunnen een of meer van de volgende elementen vastleggen:

a)

met betrekking tot de in lid 1 bedoelde schriftelijke contracten:

i)

een verplichting voor de partijen om overeenstemming te bereiken over een verhouding tussen een bepaalde hoeveelheid geleverde landbouwproducten en de prijs die voor die levering moet worden betaald;

ii)

een minimale looptijd, die ten minste zes maanden moet bedragen en die de goede werking van de interne markt niet in het gedrang mag brengen;

b)

met betrekking tot de in lid 2, eerste alinea, punt b), bedoelde schriftelijke voorstellen voor een contract, een verplichting dat het schriftelijk voorstel voor een contract de in het nationale recht geldende minimale looptijd voor het contract moet bevatten, die echter ten minste zes maanden moet bedragen en de goede werking van de interne markt niet in het gedrang mag brengen.

Landbouwers, daaronder begrepen verenigingen van landbouwers, of producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties kunnen de door de lidstaten op grond van de tweede alinea vastgelegde minimale looptijd schriftelijk weigeren.

9.   De lidstaten kunnen eisen dat de koper van landbouwproducten het in lid 1 bedoelde schriftelijke contract voor de levering, op hun grondgebied, van de landbouwproducten in kwestie door de landbouwer, daaronder begrepen een vereniging van landbouwers, of door een producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties aan een verwerker, distributeur of kleinhandelaar, moet registreren.

10.   De lidstaten die van de in de leden 2, 6, 8 en 9 geboden mogelijkheden gebruikmaken, stellen de Commissie in kennis van de wijze waarop die mogelijkheden worden toegepast.

11.   De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen met de nodige maatregelen voor de uniforme toepassing van de leden 4 en 5 van dit artikel en maatregelen met betrekking tot de kennisgevingen die overeenkomstig lid 10 van dit artikel door de lidstaten moeten worden gedaan. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.”

;

10)

artikel 210 bis wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 3 wordt als volgt gewijzigd:

i)

punt a) wordt vervangen door:

“a)

milieudoelstellingen, waaronder: klimaatmitigatie en -adaptatie; duurzaam gebruik en bescherming van landschappen, water en de bodem, onder meer door middel van irrigatiesystemen; de transitie naar een circulaire economie, daaronder begrepen de vermindering van voedselverspilling en de recycling van nutriënten uit dierlijke mest tot organische meststoffen of voor energieproductie; en preventie en bestrijding van verontreiniging; alsook de bescherming en het herstel van de biodiversiteit en ecosystemen;”

;

ii)

de volgende punten worden toegevoegd:

“d)

ondersteunen van de economische levensvatbaarheid van kleine landbouwbedrijven die voornamelijk afhankelijk zijn van gezinsarbeid en waarvan de standaardopbrengst, zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 8), van Verordening (EG) nr. 1217/2009 van de Raad (*1), niet hoger is dan 100 000 EUR;

e)

aantrekken en ondersteunen van jonge producenten van landbouwproducten, of

f)

verbeteren van de arbeids- en veiligheidsvoorwaarden en -omstandigheden bij landbouw- of verwerkingsactiviteiten.

(*1)  Verordening (EG) nr. 1217/2009 van de Raad van 30 november 2009 tot oprichting van het informatienet inzake de duurzaamheid van landbouwbedrijven (PB L 328 van 15.12.2009, blz. 27, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2009/1217/oj).”;"

b)

lid 6 wordt vervangen door:

“6.   Met ingang van 8 december 2023 kunnen de in lid 1 bedoelde producenten de Commissie om advies vragen over de verenigbaarheid met dit artikel van de in lid 1 bedoelde overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen, wat betreft de uitvoering van duurzaamheidsnormen die tot doel hebben bij te dragen tot een of meer van de in lid 3, punten a), b) en c), vastgelegde doelstellingen.

Met ingang van 19 augustus 2028 kunnen de in lid 1 bedoelde producenten de Commissie om advies vragen over de verenigbaarheid met dit artikel van de in lid 1 bedoelde overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen, wat betreft de uitvoering van duurzaamheidsnormen die tot doel hebben bij te dragen tot een of meer van de in lid 3, punten d), e) en f), vastgelegde doelstellingen.

De Commissie zendt haar advies binnen vier maanden na ontvangst van een volledige aanvraag toe aan de aanvrager.

Indien de Commissie op enig moment na het uitbrengen van een advies vaststelt dat niet langer wordt voldaan aan de in de leden 1, 3 en 7 van dit artikel bedoelde voorwaarden, verklaart zij artikel 101, lid 1, VWEU voortaan van toepassing op de overeenkomst, het besluit of de onderling afgestemde feitelijke gedraging in kwestie en stelt zij de producenten daarvan in kennis.

De Commissie kan, op eigen initiatief of op verzoek van een lidstaat, de inhoud van een advies wijzigen, met name wanneer de aanvrager onjuiste informatie heeft verstrekt of misbruik heeft gemaakt van het advies.”

;

11)

in artikel 222 wordt lid 1 vervangen door:

“1.   Gedurende perioden van ernstige marktverstoring kan de Commissie uitvoeringshandelingen vaststellen om ervoor te zorgen dat artikel 101, lid 1, VWEU niet van toepassing is op overeenkomsten en besluiten van landbouwers, verenigingen van landbouwers of unies van die verenigingen, of erkende producentenorganisaties, unies van erkende producentenorganisaties en erkende brancheorganisaties in de in artikel 1, lid 2, van deze verordening bedoelde sectoren, op voorwaarde dat die overeenkomsten en besluiten de goede werking van de interne markt niet ondermijnen, uitsluitend tot doel hebben de betrokken sector te stabiliseren en onder een of meer van de volgende categorieën vallen:

a)

het uit de handel nemen of gratis verdelen van hun producten;

b)

bewerking en verwerking;

c)

opslag door particuliere marktdeelnemers;

d)

gezamenlijke afzetbevorderingsmaatregelen;

e)

overeenkomsten inzake kwaliteitseisen;

f)

gezamenlijke inkoop van productiemiddelen die nodig zijn om de verspreiding van plagen en ziekten in dieren en planten in de Unie tegen te gaan, of van productiemiddelen die nodig zijn om de gevolgen van natuurrampen in de Unie te bestrijden;

g)

tijdelijke planning van de productie, rekening houdend met de specifieke aard van de productiecyclus.

Indien de Commissie uitvoeringshandelingen vaststelt overeenkomstig de eerste alinea van dit lid, kan zij besluiten om aan de betrokken lidstaten Uniesteun ter beschikking te stellen uit de in artikel 16 van Verordening (EU) 2021/2116 bedoelde landbouwreserve. Dergelijke financiële steun biedt onverwijld de middelen die nodig zijn voor de uitvoering van die overeenkomsten en besluiten door de betrokken marktdeelnemers.

De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast tot nadere bepaling van het toepassingsgebied van de afwijking van de eerste alinea van dit lid, en, met inachtneming van lid 3, de periode waarvoor de afwijking geldt, alsook, indien van toepassing, het bedrag van de landbouwreserve dat uit hoofde van de tweede alinea van dit lid aan de betrokken lidstaat wordt toegewezen.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.”

;

12)

in artikel 222 bis wordt lid 2 vervangen door:

“2.   De Commissie kan besluiten voor welke van de in artikel 1, lid 2, genoemde landbouwsectoren Uniemarktwaarnemingsposten moeten worden ingesteld. De Commissie kan binnen die Uniewaarnemingsposten een specifiek onderscheid maken tussen biologische en niet-biologische productie.”

;

13)

in bijlage VII wordt het volgende deel ingevoegd:

“DEEL I BIS

Benamingen voor vlees en vleesproducten

1.

Voor de toepassing van dit deel wordt onder “vlees” verstaan: de eetbare delen van een dier dat binnen het toepassingsgebied van deze verordening valt.

2.

Voor de toepassing van dit deel wordt onder “vleesproducten” verstaan: producten die zijn verkregen van vlees, met dien verstande dat stoffen die voor de bereiding ervan noodzakelijk zijn, kunnen worden toegevoegd, op voorwaarde dat die stoffen niet worden gebruikt voor de volledige of gedeeltelijke vervanging van een van de bestanddelen van het vlees. Dat laat het gebruik van de term “vlees” onverlet voor de producten die vallen onder het Unierecht inzake de gemeenschappelijke marktordening voor visserij en aquacultuur.

3.

Met betrekking tot de producten in bijlage I bij het VWEU en voedingsmiddelen die niet in die bijlage zijn opgenomen, met uitzondering van de producten die vallen onder het Unierecht inzake de gemeenschappelijke marktordening voor visserij en aquacultuur en met uitzondering van andere producten die zijn vermeld in een uit hoofde van artikel 78, lid 3, tweede alinea, van deze verordening vastgestelde gedelegeerde handeling, worden de term “vlees” en de volgende termen voorbehouden aan vleesproducten en aan producten met een naam waarin de volgende termen worden gebruikt in combinatie met een of meer woorden ter aanduiding van de diersoort waarvan een landbouwproduct afkomstig is, en zulks in alle handelsstadia:

a)

rund;

b)

kalf;

c)

varken;

d)

gevogelte/pluimvee;

e)

kip;

f)

kalkoen;

g)

eend;

h)

gans;

i)

lam;

j)

schapenvlees;

k)

schaap;

l)

geit;

m)

drumstick;

n)

haas(je);

o)

entrecote;

p)

vleugel;

q)

lende;

r)

ribben;

s)

schouder;

t)

schenkel;

u)

karbonade/kotelet;

v)

vleugel;

w)

borst;

x)

dij;

y)

brisket/klapstuk;

z)

ribeye;

aa)

T-bone;

ab)

dikke lende;

ac)

spek;

ad)

biefstuk/steak;

ae)

lever.

4.

Met name worden de term “vlees” en de in punt 3 van dit deel vermelde termen niet gebruikt voor voedsel bestaand uit, geïsoleerd uit of geproduceerd uit celcultuur of weefselkweek afgeleid van dieren, planten, micro-organismen, schimmels of algen in de zin van Verordening (EU) 2015/2283 van het Europees Parlement en de Raad (*2).

5.

De term “vlees” en de in punt 3 vermelde termen mogen in combinatie worden gebruikt om vleesproducten aan te duiden. Ze mogen eveneens worden gebruikt samen met een of meer woorden ter aanduiding van samengestelde producten waarvan geen enkel element de plaats van een bestanddeel van vlees inneemt of met dat doel wordt toegevoegd, en waarvan vlees een essentieel bestanddeel is, hetzij door zijn hoeveelheid, hetzij omdat zijn effect kenmerkend is voor het product.

(*2)  Verordening (EU) 2015/2283 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende nieuwe voedingsmiddelen, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 258/97 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EG) nr. 1852/2001 van de Commissie (PB L 327 van 11.12.2015, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2015/2283/oj).”;"

14)

bijlage X wordt als volgt gewijzigd:

a)

in afdeling I worden punten 1 en 2 vervangen door:

“1.

Het leveringscontract wordt vóór de levering, schriftelijk en voor een bepaalde hoeveelheid suikerbieten gesloten.

2.

Het leveringscontract kan over meerdere jaren lopen. In het geval van contracten met een minimumlooptijd van meer dan twaalf maanden bevat het contract een herzieningsclausule die door de landbouwer, daaronder begrepen een vereniging van landbouwers, of door een producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties kan worden ingeroepen;”

;

b)

in afdeling II wordt aan punt 2 de volgende alinea toegevoegd:

“De prijs wordt berekend aan de hand van een combinatie van verschillende in het contract vermelde factoren, waaronder objectieve indicatoren, indexcijfers of methoden voor de berekening van de definitieve prijs die gemakkelijk toegankelijk en begrijpelijk zijn en die veranderingen in de marktomstandigheden en veranderingen in relevante elementen van de productiekosten die van invloed zijn op de vergoeding van landbouwers, de geleverde hoeveelheden en de kwaliteit of samenstelling van de geleverde suikerbieten, weerspiegelen. Daartoe kunnen de lidstaten indicatoren vaststellen overeenkomstig objectieve criteria die zijn gebaseerd op studies over productie en de voedseltoeleveringsketen, of rekening houdend met objectieve gegevens uit bronnen zoals brancheorganisaties, het EU-waarnemingscentrum voor de agrovoedingsketen (AFCO) of andere beschikbare relevante en objectieve gegevens. Die indicatoren kunnen online gepubliceerd worden voor gebruik in contracten. De partijen bij de contracten zijn vrij om te verwijzen naar die indicatoren of naar andere indicatoren.”

;

c)

aan afdeling III wordt de volgende alinea toegevoegd:

“Het leveringscontract bevat voorschriften die van toepassing zijn bij overmacht.”

;

d)

de volgende afdeling wordt ingevoegd:

“AFDELING IX bis

De lidstaten kunnen eisen dat de suikerproducerende onderneming de schriftelijke leveringscontracten vóór de levering van de suikerbieten moet registreren.”.

Artikel 2

Wijzigingen van Verordening (EU) 2021/2115

Verordening (EU) 2021/2115 wordt als volgt gewijzigd:

1)

artikel 52 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 3 wordt als volgt gewijzigd:

i)

punt e) wordt vervangen door:

“e)

de producentenorganisaties zetten minder dan 20 % van de groente- en fruitproductie op de markt in een lidstaat af; dat afzetpercentage wordt voor elk jaar van de looptijd van een operationeel programma berekend als de waarde van de in de betrokken lidstaat verkregen groente- en fruitproductie die is afgezet door uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1308/2013 erkende producentenorganisaties, tijdens een periode die overeenkomt met de referentieperiode die in gedelegeerde handelingen op basis van artikel 45, punt c), is vastgelegd (de waarde van de op de markt afgezette productie), gedeeld door de totale waarde van de in die lidstaat in dezelfde periode verkregen groente- en fruitproductie.”

;

ii)

het volgende punt wordt toegevoegd:

“i)

de producentenorganisatie of de unie van producentenorganisaties voert een operationeel programma uit in een lidstaat waar de organisatiegraad van de producenten in de sector groenten en fruit minder dan 10 % is in drie opeenvolgende jaren voorafgaand aan de uitvoering van het operationele programma; de organisatiegraad wordt berekend als de waarde van de in de betrokken lidstaat verkregen groente- en fruitproductie die in de drie opeenvolgende jaren vóór de uitvoering van het operationele programma is afgezet door producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties die zijn erkend uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1308/2013, gedeeld door de totale waarde van de in die lidstaat in dezelfde periode verkregen groente- en fruitproductie.”

;

b)

het volgende lid wordt ingevoegd:

“5 bis.   Het in lid 1 van dit artikel vastgelegde maximum van 50 % wordt verhoogd tot 70 % voor uitgaven die verband houden met de in artikel 46, punt a), b) of c), vermelde doelstellingen, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de uitgaven hebben betrekking op investeringen in materiële en immateriële activa als bedoeld in artikel 47, lid 1, punt a), die worden gedaan door jonge landbouwers of nieuwe landbouwers die zich voor het eerst bij een uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1308/2013 erkende producentenorganisatie aansluiten;

b)

de in punt a) bedoelde investeringen worden gedaan op het bedrijf van dergelijke jonge landbouwers of nieuwe landbouwers, in het kader van hun eerste operationele programma of gedurende drie jaar vanaf de datum waarop die jonge landbouwers of nieuwe landbouwers zich bij de producentenorganisatie hebben aangesloten.”

;

c)

het volgende lid wordt toegevoegd:

“7.   Het in lid 1 vastgelegde maximum van 50 % wordt verhoogd tot 70 % van de werkelijke uitgaven die in een bepaald jaar zijn gedaan voor operationele programma’s die door producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties zijn uitgevoerd en die in dat jaar zijn verstoord door ongunstige weersomstandigheden, natuurrampen, plantenziekten of plagen, zoals te bepalen door de lidstaten, voor zover de verhoging alleen wordt toegekend wanneer de verliezen een drempel overschrijden van ten minste 30 % van de gemiddelde jaarproductie van de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties in de laatste drie jaar of de gemiddelde productie van drie van de laatste vijf jaar, de hoogste en de laagste productie niet meegerekend.”

;

2)

aan artikel 62 wordt het volgende lid toegevoegd:

“4.   Het in lid 2 vastgelegde maximum van 50 % wordt verhoogd tot 70 % van de werkelijke uitgaven die in een bepaald jaar zijn gedaan voor operationele programma’s die worden uitgevoerd door producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties en die in dat jaar zijn verstoord door ongunstige weersomstandigheden, natuurrampen, plantenziekten of plagen, zoals te bepalen door de lidstaten, voor zover de verhoging alleen wordt toegekend wanneer de verliezen een drempel overschrijden van ten minste 30 % van de gemiddelde jaarproductie van de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties in de laatste drie jaar of de gemiddelde productie van drie van de laatste vijf jaar, de hoogste en de laagste productie niet meegerekend.”

;

3)

in artikel 65 wordt aan lid 1 het volgende punt toegevoegd:

“e)

70 % van de werkelijke uitgaven die in een bepaald jaar zijn gedaan voor operationele programma’s die door producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties zijn uitgevoerd en die in dat jaar zijn verstoord door ongunstige weersomstandigheden, natuurrampen, plantenziekten of plagen, zoals te bepalen door de lidstaten, voor zover de verhoging alleen wordt toegekend wanneer de verliezen een drempel overschrijden van ten minste 30 % van de gemiddelde jaarproductie van de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties in de laatste drie jaar of de gemiddelde productie van drie van de laatste vijf jaar, de hoogste en de laagste productie niet meegerekend.”

;

4)

in artikel 68 wordt het volgende lid ingevoegd:

“2 bis.   Artikel 52, lid 3, punten a) tot en met d), f), g) en h), en artikel 52, leden 5 bis en 7, zijn van overeenkomstige toepassing.”

;

5)

in artikel 88 wordt lid 7 vervangen door:

“7.   Met ingang van 1 januari 2025 kunnen de lidstaten hun in lid 6 van dit artikel bedoelde besluiten herzien als onderdeel van een verzoek tot wijziging van hun strategische GLB-plannen dat is gedaan overeenkomstig artikel 119, en kunnen zij beslissen om maximaal 6 % van hun in bijlage V vastgelegde toewijzingen voor rechtstreekse betalingen, indien relevant na aftrek van de toewijzingen voor katoen vastgelegd in bijlage VIII, te gebruiken voor interventietypes in andere sectoren bedoeld in titel III, hoofdstuk III, afdeling 7.

Het bedrag dat overeenstemt met het percentage van de toewijzingen van de lidstaten voor rechtstreekse betalingen bedoeld in de eerste alinea van dit lid en dat wordt gebruikt voor interventietypes in andere sectoren voor een bepaald begrotingsjaar, wordt beschouwd als toewijzingen van de lidstaten per begrotingsjaar voor interventietypes in andere sectoren.”.

Artikel 3

Wijziging van Verordening (EU) 2021/2116

In artikel 16, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EU) 2021/2116 wordt punt b) vervangen door:

“b)

uitzonderlijke maatregelen uit hoofde van de artikelen 219, 220, 221 en 222 van Verordening (EU) nr. 1308/2013.”.

Artikel 4

Overgangsmaatregelen

Producten die niet in overeenstemming zijn met de in deel I bis van bijlage VII bij Verordening (EU) nr. 1308/2013 vermelde benamingen en die vóór de datum van toepassing van de daarin opgenomen benamingsvoorschriften in de Unie zijn geproduceerd of ingevoerd, mogen verder in de handel worden gebracht totdat de voorraden van die producten zijn uitgeput of tot en met 19 augustus 2032, naargelang wat zich het eerst voordoet.

Artikel 5

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 1, punt 3), punt 4), punt 7), d), punt 9) en punt 14), is van toepassing met ingang van 19 augustus 2028.

Artikel 1, punt 13), is van toepassing met ingang van 19 augustus 2029.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 8 juli 2026.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

R. METSOLA

Voor de Raad

De voorzitter

T. BYRNE


(1)   PB C, C/2025/2969, 16.6.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/2969/oj.

(2)   PB C, C/2025/3479, 16.7.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/3479/oj.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 16 juni 2026 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en het besluit van de Raad van 29 juni 2026.

(4)  Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1924/2006 en (EG) nr. 1925/2006 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 87/250/EEG van de Commissie, Richtlijn 90/496/EEG van de Raad, Richtlijn 1999/10/EG van de Commissie, Richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 2002/67/EG en 2008/5/EG van de Commissie, en Verordening (EG) nr. 608/2004 van de Commissie (PB L 304 van 22.11.2011, blz. 18, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2011/1169/oj).

(5)  Richtlijn (EU) 2024/1760 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2019/1937 en Verordening (EU) 2023/2859 (PB L, 2024/1760, 5.7.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2024/1760/oj).

(6)  Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2013/1308/oj).

(7)   PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/agree_interinstit/2016/512/oj.

(8)  Richtlijn (EU) 2019/633 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 inzake oneerlijke handelspraktijken in de relaties tussen ondernemingen in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen (PB L 111 van 25.4.2019, blz. 59, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2019/633/oj).

(9)  Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013 (PB L 435 van 6.12.2021, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/2115/oj).

(10)  Verordening (EU) 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1306/2013 (PB L 435 van 6.12.2021, blz. 187, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/2116/oj).


ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2026/1739/oj

ISSN 1977-0758 (electronic edition)