|
Publicatieblad |
NL L-serie |
|
2026/1412 |
29.6.2026 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2026/1412 VAN DE COMMISSIE
van 26 juni 2026
tot vaststelling van herziene benchmarkwaarden voor de kosteloze toewijzing van emissierechten voor de periode van 2026 tot en met 2030 overeenkomstig artikel 10 bis, lid 2, van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Unie en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (1), en met name artikel 10 bis, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Besluit 2011/278/EU van de Commissie (2) zijn 54 benchmarks voor de periode van 2013 tot en met 2020 vastgesteld die als basis dienen voor kosteloze toewijzing (de “benchmarks”), alsook waarden voor die benchmarks. Besluit 2011/278/EU is vervangen door Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/331 van de Commissie (3), waarin voor de periode van 2021 tot en met 2030 identieke uitgangspunten zijn vastgesteld voor het vaststellen van de jaarlijkse verminderingspercentages voor elke bijwerking van benchmarkwaarden. |
|
(2) |
Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/447 van de Commissie (4) zijn de herziene benchmarkwaarden voor de periode van 2021 tot en met 2025 vastgesteld krachtens artikel 10 bis, lid 2, van Richtlijn 2003/87/EG. De herziene benchmarkwaarden voor de periode van 2026 tot en met 2030 moeten worden gebaseerd op een nieuwe referentieperiode wat betreft de indiening van gegevens en de toepassing van het jaarlijkse verminderingspercentage. Daarom moeten de herziene waarden bij deze verordening worden vastgesteld. |
|
(3) |
Richtlijn 2003/87/EG is gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2023/959 van het Europees Parlement en de Raad (5) om het emissiehandelssysteem van de Unie (EU-ETS) in overeenstemming te brengen met Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad (6), waarin de doelstelling is opgenomen om de netto-emissies uiterlijk in 2030 met ten minste 55 % te verminderen ten opzichte van 1990. Als gevolg daarvan is Uitvoeringsverordening (EU) 2018/2066 van de Commissie (7) inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen gewijzigd bij Uitvoeringsverordening (EU) 2023/2122 van de Commissie (8) en is Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/331 tot vaststelling van een voor de hele Unie geldende overgangsregeling voor de geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten gewijzigd bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2024/873 van de Commissie (9). Die wijzigingen van Richtlijn 2003/87/EG, Uitvoeringsverordening (EU) 2018/2066 en Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/331 zijn bijgevolg relevant voor de vaststelling van herziene benchmarkwaarden voor de periode van 2026 tot en met 2030. |
|
(4) |
De herziene benchmarkwaarden voor de periode van 2026 tot en met 2030 moeten overeenkomstig artikel 10 bis, lid 2, derde alinea, punt c), van Richtlijn 2003/87/EG worden vastgesteld op basis van uit hoofde van artikel 11 van die richtlijn ingediende informatie over de broeikasgasefficiëntie van installaties voor de jaren 2021 en 2022. Voor elke benchmark moet de gemiddelde broeikasgasefficiëntie in 2021 en 2022 worden berekend van de installaties met productie in het kader van die benchmark. De jaarlijkse verminderingspercentages voor de veertienjarige periode van 2007/2008 tot en met 2021/2022 worden voor elke benchmark berekend door de gemiddelde waarde van de 10 % meest efficiënte installaties in het kader van die benchmark te vergelijken met de benchmarkwaarden in bijlage I bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/331. Deze jaarlijkse verminderingspercentages worden vervolgens gebruikt voor de berekening, door middel van extrapolatie, van de overeenkomstige verlaging van de benchmarkwaarden voor de twintigjarige periode van 2007/2008 tot en met 2027/2028. Overeenkomstig artikel 10 bis, lid 2, derde alinea, punt d), van Richtlijn 2003/87/EG mag de in de twintigjarige periode toegepaste vermindering niet lager zijn dan 6 % en niet hoger dan 50 %. Voor de bijwerking van de benchmarkwaarden voor aromaten en syngas gelden de specifieke bepalingen van artikel 10 bis, lid 2, vierde alinea, waarin het verminderingspercentage is gelijkgesteld met dat voor de benchmarks voor raffinaderijen. Aangezien de koppeling van de bijwerking van de benchmarkwaarden voor raffinaderijen en voor waterstof bij Richtlijn (EU) 2023/959 is beëindigd, zijn de specifieke bepalingen die de bijwerking van de benchmarkwaarden voor aromaten en syngas gelijkstellen met die voor raffinaderijen, niet van toepassing op de bijwerking van de benchmarkwaarden voor waterstof. |
|
(5) |
Naar aanleiding van de bij Richtlijn (EU) 2023/959 aangepaste definitie van “emissies” en krachtens Uitvoeringsverordening (EU) 2026/389 van de Commissie (10) moet in de methode voor de bijwerking van de benchmark voor natriumcarbonaat rekening worden gehouden met de desbetreffende intermediaire emissies die overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) 2018/2066 worden gemonitord en gerapporteerd. Daartoe moeten deze emissies voor de periode van 2026 tot en met 2030 worden toegevoegd aan de benchmarkwaarde voor natriumcarbonaat als laatste stap in de berekening na toepassing van het jaarlijkse verminderingspercentage over de twintigjarige extrapolatieperiode. |
|
(6) |
Omwille van de vergelijkbaarheid met de vorige bijwerkingen van de benchmarks moet voor de in punt 2 van bijlage I bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/331 vermelde benchmarks — waarop voorheen de regels voor de uitwisselbaarheid van brandstof en elektriciteit van invloed waren — ten aanzien van de gemiddelde broeikasgasefficiëntie van de 10 % meest efficiënte installaties met productie in het kader van elk van die benchmarks, rekening worden gehouden met de indirecte emissies als gevolg van hun elektriciteitsgebruik wanneer zij worden gebruikt voor de vaststelling van de herziene benchmarkwaarden voor de kosteloze toewijzing van emissierechten voor de periode van 2026 tot en met 2030. |
|
(7) |
In Gedelegeerde Verordening (EU) 2024/873 is ook bepaald dat meetbare en niet-meetbare warmte uit elektriciteit moet worden opgenomen in de warmte- en brandstofbenchmarks, en daarmee moet rekening worden gehouden bij de vaststelling van de herziene benchmarkwaarden die van toepassing zijn in de periode van 2026 tot en met 2030. |
|
(8) |
Bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2024/873 zijn ook de definities en systeemgrenzen van een aantal benchmarks gewijzigd. Zo zijn de benchmark voor gesinterd erts en de benchmarks voor witte en grijze cementklinker bij die verordening opengesteld voor alternatieve producten van geagglomereerd ijzererts, respectievelijk alternatieve hydraulische bindmiddelen. Ook is daarbij met waterelektrolyse geproduceerde waterstof opgenomen in de waterstof- of ammoniakbenchmark. Bij de vaststelling van de herziene benchmarkwaarden voor de periode van 2026 tot en met 2030 moet rekening worden gehouden met die wijzigingen. |
|
(9) |
Bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2024/873 is ook de benchmark voor vloeibaar ruwijzer gewijzigd door de productie van staal met technologie voor directe reductie op te nemen in de definities van de producten en de systeemgrenzen voor die benchmark. Overeenkomstig artikel 10 bis, lid 2, derde alinea, punt e), van Richtlijn 2003/87/EG moet de productie van staal in het kader van de benchmark voor vloeibaar ruwijzer met technologie voor directe reductie niet in aanmerking worden genomen bij de berekening van de gemiddelde broeikasgasefficiëntie van de installaties voor de herziene benchmarkwaarden voor de periode van 2026 tot en met 2030. |
|
(10) |
De lijst van installaties met informatie die van belang is voor de kosteloze toewijzing van emissierechten is overeenkomstig artikel 11, lid 1, van Richtlijn 2003/87/EG uiterlijk op 30 september 2024 door de lidstaten bij de Commissie ingediend. Om ervoor te zorgen dat de benchmarkwaarden op correcte gegevens zijn gebaseerd, heeft de Commissie grondige controles uitgevoerd van de volledigheid en de consistentie van de gegevens die van belang zijn voor de kosteloze toewijzing van emissierechten. In voorkomend geval heeft de Commissie de betrokken bevoegde autoriteiten om verduidelijkingen en correcties verzocht. De Commissie heeft ook technisch overleg gevoerd met belanghebbenden om in detail kennis te nemen van hun specifieke standpunten. Deze procedure heeft geleid tot een nauwkeurige, consistente en vergelijkbare gegevensreeks over de broeikasgasefficiëntie van alle onder Richtlijn 2003/87/EG vallende vaste installaties die overeenkomstig artikel 4 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/331 een aanvraag voor kosteloze toewijzing hebben ingediend. Die hoogwaardige gegevensreeks werd gebruikt om voor elk van de 54 benchmarks de herziene benchmarkwaarden voor de periode van 2026 tot en met 2030 vast te stellen. |
|
(11) |
Verscheidene lidstaten hebben overeenkomstig de artikelen 27 en 27 bis van Richtlijn 2003/87/EG besloten voor de periode van 2026 tot en met 2030 bepaalde installaties van het EU-ETS uit te sluiten. Die installaties mogen bij de vaststelling van de herziene benchmarkwaarden dan ook niet in aanmerking worden genomen. |
|
(12) |
Bij Richtlijn (EU) 2023/959 zijn de beschrijvingen van bepaalde in bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG vermelde categorieën activiteiten gewijzigd, waardoor vanaf 1 januari 2024 aanvullende installaties zijn opgenomen in het toepassingsgebied van het EU-ETS en de daarvoor geldende monitoring- en rapportageverplichtingen. Daardoor vallen vanaf 1 januari 2024 aanvullende installaties onder het EU-ETS, waaronder installaties die daarvoor ook al operationeel waren. Aangezien die installaties in het EU-ETS zijn opgenomen na de jaren 2021 en 2022 waarvoor gegevens moeten worden ingediend krachtens artikel 11 van Richtlijn 2003/87/EG, moet bij de vaststelling van de herziene benchmarkwaarden voor de periode van 2026 tot en met 2030 geen rekening worden gehouden met de gegevens die zij rapporteren voor de periode waarin de monitoring- en rapportageverplichtingen nog niet voor hen golden. |
|
(13) |
Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/331 bevat regels om emissies op subinstallatieniveau te bepalen met het oog op een consistente behandeling van emissies in verband met invoer, uitvoer en interne productie van meetbare warmte, koolstof bevattende afgassen en overgedragen CO2. Daartoe werden de relevante emissiefactoren bepaald aan de hand van de warmte- en brandstofbenchmarkwaarden, die op hun beurt waren bijgewerkt door de vastgestelde jaarlijkse verminderingspercentages toe te passen. Voor de invoer van warmte met onbekende of niet duidelijk omschreven emissiefactoren en voor de uitvoer van warmte werd een waarde van 40,5 t CO2-equivalenten/TJ gebruikt. Die waarde werd verkregen door een jaarlijks verminderingspercentage van 2,5 % toe te passen op de warmtebenchmarkwaarde voor de veertienjarige periode van 2007/2008 tot en met 2021/2022. Voor de uitvoer van afgas werd een waarde van 37,4 t CO2-equivalenten/TJ afgetrokken van de werkelijke emissiefactor van het afgas. Die waarde komt overeen met de emissiefactor van aardgas (56,1 t CO2-equivalenten/TJ) vermenigvuldigd met een factor 0,667 die het rendementsverschil tussen het verbruik van afgas en het verbruik van de referentiebrandstof aardgas tot uitdrukking brengt. Voor de invoer van afgas werd een waarde van 36,5 t CO2-equivalenten/TJ gebruikt. Die waarde werd verkregen door een jaarlijks verminderingspercentage van 2,5 % toe te passen op de brandstofbenchmarkwaarde voor de veertienjarige periode van 2007/2008 tot en met 2021/2022. Bovendien werd een waarde van 0,300 t CO2-equivalenten/MWh toegepast wanneer elektriciteit in een subinstallatie werd geproduceerd op een andere wijze dan via intermediaire productie van meetbare warmte. Die waarde komt overeen met de gemiddelde emissiefactor voor elektriciteitsproductie voor de hele EU. |
|
(14) |
Wanneer op basis van de door de installaties gerapporteerde gegevens de emissies in productbenchmark-subinstallaties niet nauwkeurig en consistent kunnen worden bepaald, in het bijzonder in het geval van subinstallaties die tussenproducten in- of uitvoeren waarvan de productie binnen de systeemgrenzen van een andere productbenchmark valt, moet de broeikasgasefficiëntie van de betrokken subinstallaties niet in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van de herziene benchmarkwaarden. Dit betreft de bijwerking van de benchmarkwaarden voor raffinageproducten, vloeibaar ruwijzer, gesinterd dolomiet, ammoniak, stoomkraken, fenol/aceton en waterstof. |
|
(15) |
De in Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/331 vastgestelde methode voor de toewijzing van emissies aan verschillende subinstallaties kan leiden tot negatieve broeikasgasefficiëntie in gevallen waarin warmte geproduceerd met behulp van een brandstof met een lage emissiefactor naar andere subinstallaties of installaties wordt uitgevoerd. In dergelijke gevallen is het passend de broeikasgasefficiëntie van de betrokken subinstallatie op nul te stellen om de herziene benchmarkwaarden te bepalen. |
|
(16) |
Om tegemoet te komen aan de bezorgdheid van sommige industriële sectoren zal de Commissie gelijktijdig met de komende herziening van het ETS een afzonderlijk voorstel indienen waarbij de op basis van de fallbackbenchmarks bepaalde kosteloze toewijzing wordt verhoogd om beter rekening te houden met het emisiereductiepotentieel en tegelijkertijd te vermijden dat de transsectorale correctiefactor wordt toegepast. De herziene benchmarkwaarden moeten gelden voor toewijzingen voor de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030. Om de betrokken sectoren snel en doeltreffend te kunnen ondersteunen, moeten de aangepaste fallbackbenchmarks zo spoedig mogelijk van toepassing worden. Daartoe zal de Commissie zich inspannen om een vroegtijdig akkoord tussen de medewetgevers over dit voorstel te bereiken. |
|
(17) |
Vanwege de noodzaak om rechtszekerheid te bieden voor de geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten voor de periode 2026-2030, in het bijzonder ten aanzien van de kosteloze toewijzing voor het jaar 2026, moet deze verordening op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie in werking treden. |
|
(18) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité klimaatverandering, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De herziene benchmarkwaarden in de bijlage zijn van toepassing op de geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten voor de periode van 2026 tot en met 2030.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 26 juni 2026.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2003/87/oj.
(2) Besluit 2011/278/EU van de Commissie van 27 april 2011 tot vaststelling van een voor de hele Unie geldende overgangsregeling voor de geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 10 bis van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 130 van 17.5.2011, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2011/278/oj).
(3) Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/331 van de Commissie van 19 december 2018 tot vaststelling van een voor de hele Unie geldende overgangsregeling voor de geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 10 bis van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 59 van 27.2.2019, blz. 8, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2019/331/oj).
(4) Uitvoeringsverordening (EU) 2021/447 van de Commissie van 12 maart 2021 tot vaststelling van herziene benchmarkwaarden voor de kosteloze toewijzing van emissierechten voor de periode van 2021 tot en met 2025 overeenkomstig artikel 10 bis, lid 2, van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 87 van 15.3.2021, blz. 29, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2021/447/oj).
(5) Richtlijn (EU) 2023/959 van het Europees Parlement en de Raad van 10 mei 2023 tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG tot vaststelling van een systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Unie en Besluit (EU) 2015/1814 betreffende de instelling en de werking van een marktstabiliteitsreserve voor de EU-regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten (PB L 130 van 16.5.2023, blz. 134, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2023/959/oj).
(6) Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2021 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 401/2009 en Verordening (EU) 2018/1999 (PB L 243 van 9.7.2021, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/1119/oj).
(7) Uitvoeringsverordening (EU) 2018/2066 van de Commissie van 19 december 2018 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie (PB L 334 van 31.12.2018, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2018/2066/oj).
(8) Uitvoeringsverordening (EU) 2023/2122 van de Commissie van 17 oktober 2023 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/2066 wat betreft actualisering van de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L, 2023/2122, 18.10.2023, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2023/2122/oj).
(9) Gedelegeerde Verordening (EU) 2024/873 van de Commissie van 30 januari 2024 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/331 wat betreft een voor de hele Unie geldende overgangsregeling voor de geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten (PB L, 2024/873, 4.4.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2024/873/oj).
(10) Uitvoeringsverordening (EU) 2026/389 van de Commissie van 23 februari 2026 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2021/447 wat de vaststelling van een herziene benchmarkwaarde voor natriumcarbonaat voor het jaar 2025 betreft (PB L, 2026/389, 26.2.2026, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2026/389/oj).
BIJLAGE
BENCHMARKS
Voor de toepassing van deze bijlage gelden de bepaling van de betrokken producten en van de betrokken processen en emissies (systeemgrenzen) in bijlage I bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/331.
1. Productbenchmarks zonder verzameling van gegevens over elektriciteitsverbruik
|
Productbenchmark |
Gemiddelde waarde van de 10 % meest efficiënte installaties in 2021 en 2022 (t CO2-equivalent/t) |
Benchmarkwaarde (emissierechten/t) voor 2026-2030 |
|
Cokes |
0,132 |
0,143 |
|
Geagglomereerd ijzererts |
0,024 |
0,086 |
|
Vloeibaar ruwijzer |
1,360 |
1,248 |
|
Voorgebakken anode |
0,300 |
0,290 |
|
Aluminium |
1,489 |
1,423 |
|
Grijze cementklinker |
0,689 |
0,656 |
|
Witte cementklinker |
0,919 |
0,890 |
|
Kalk |
0,771 |
0,693 |
|
Dolime (gebrand dolomiet) |
0,876 |
0,792 |
|
Gesinterd dolomiet |
1,248 |
1,162 |
|
Vuurgepolijst glas (“floatglas”) |
0,412 |
0,394 |
|
Flessen en potten in kleurloos glas |
0,284 |
0,242 |
|
Flessen en potten in gekleurd glas |
0,255 |
0,233 |
|
Continuglasvezelproducten |
0,284 |
0,232 |
|
Bekledingsstenen |
0,100 |
0,083 |
|
Vloerstenen |
0,133 |
0,108 |
|
Dakpannen |
0,128 |
0,121 |
|
Gesproeidroogd poeder |
0,055 |
0,046 |
|
Pleisterkalk |
0,049 |
0,045 |
|
Droog secundair gips |
0,010 |
0,009 |
|
Kortvezelige kraftpulp |
0,029 |
0,060 |
|
Langvezelige kraftpulp |
0,046 |
0,040 |
|
Sulfietpulp, thermomechanische en mechanische pulp |
0,000 |
0,010 |
|
Teruggewonnen papierpulp |
0,000 |
0,020 |
|
Krantenpapier |
0,018 |
0,149 |
|
Ongecoat fijn papier |
0,015 |
0,159 |
|
Gecoat fijn papier |
0,066 |
0,159 |
|
Tissue |
0,170 |
0,167 |
|
Testliner en golfblad |
0,056 |
0,124 |
|
Ongecoat karton |
0,021 |
0,119 |
|
Gecoat karton |
0,034 |
0,137 |
|
Salpeterzuur |
0,015 |
0,151 |
|
Adipinezuur |
0,34 |
1,40 |
|
Monomeer vinylchloride (VCM) |
0,195 |
0,191 |
|
Fenol/aceton |
0,233 |
0,219 |
|
S-pvc |
0,082 |
0,080 |
|
E-pvc |
0,184 |
0,161 |
|
Natriumcarbonaat |
0,748 |
1,122 |
2. Productbenchmarks met verzameling van gegevens over elektriciteitsverbruik
|
Productbenchmark |
Gemiddelde waarde van de 10 % meest efficiënte installaties in 2021 en 2022 (t CO2-equivalent/t) |
Benchmarkwaarde (emissierechten/t) voor 2026-2030 |
|
Raffinageproducten |
0,0251 |
0,0232 |
|
Ongelegeerd staal uit vlamboogovens |
0,130 |
0,142 |
|
Hooggelegeerd staal uit vlamboogovens |
0,186 |
0,176 |
|
Gietijzer |
0,210 |
0,163 |
|
Minerale wol |
0,413 |
0,341 |
|
Gipsplaat |
0,125 |
0,122 |
|
Roet |
1,320 |
1,048 |
|
Ammoniak |
1,630 |
1,522 |
|
Stoomkraken |
0,657 |
0,638 |
|
Aromaten |
0,0116 |
0,0232 |
|
Styreen |
0,318 |
0,264 |
|
Waterstof |
8,24 |
7,98 |
|
Synthesegas (syngas) |
0,002 |
0,190 |
|
Ethyleenoxide/ethyleenglycolen |
0,378 |
0,321 |
3. Warmte- en brandstofbenchmarks
|
Benchmark |
Gemiddelde waarde van de 10 % meest efficiënte installaties in 2021 en 2022 (t CO2-equivalent/TJ) |
Benchmarkwaarde (emissierechten/TJ) voor 2026-2030 |
|
Warmtebenchmark |
7,2 |
31,2 |
|
Brandstofbenchmark |
10,4 |
28,1 |
ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2026/1412/oj
ISSN 1977-0758 (electronic edition)