European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

L-serie


2026/1374

18.6.2026

BESLUIT VAN DE TOEZICHTHOUDENDE AUTORITEIT VAN DE EVA

van 4 maart 2026

tot wijziging van de materiële regels op het gebied van staatssteun door wijziging van de richtsnoeren betreffende bepaalde staatssteunmaatregelen in het kader van het systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten na 2021 [2026/1374]

De Toezichthoudende Autoriteit van de EVA (“de Autoriteit”),

GEZIEN:

de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (“de EER-overeenkomst”), en met name de artikelen 61 tot en met 63, en Protocol 26,

de Overeenkomst tussen de EVA-staten betreffende de oprichting van een Toezichthoudende Autoriteit en een Hof van Justitie (“de Toezichtovereenkomst”), en met name artikel 24 en artikel 5, lid 2, punt b),

OVERWEGENDE HETGEEN VOLGT:

Overeenkomstig artikel 24 van de Toezichtovereenkomst geeft de Autoriteit uitvoering aan de staatssteunbepalingen van de EER-overeenkomst.

Overeenkomstig artikel 5, lid 2, punt b), van de Toezichtovereenkomst maakt de Autoriteit mededelingen en richtsnoeren bekend over aangelegenheden waarop de EER-overeenkomst betrekking heeft, indien die overeenkomst of de Toezichtovereenkomst daarin uitdrukkelijk voorziet of indien de Autoriteit dat nodig acht.

Op 16 december 2020 heeft de Autoriteit Besluit nr. 156/20/COL goedgekeurd, waarmee richtsnoeren betreffende bepaalde staatssteunmaatregelen in het kader van het systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten na 2021 (“de ETS-richtsnoeren van de Autoriteit”) (1) worden ingevoerd. Op 26 januari 2022 heeft de Autoriteit Besluit nr. 010/22/COL goedgekeurd tot aanvulling van de richtsnoeren betreffende bepaalde staatssteunmaatregelen in het kader van het systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten na 2021 (2).

Die richtsnoeren komen overeen met de richtsnoeren van de Europese Commissie betreffende bepaalde staatssteunmaatregelen in het kader van het systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten na 2021 (“de ETS-richtsnoeren van de Commissie”) (3), die zijn vastgesteld op 21 september 2020 en aangevuld worden door de mededeling van de Commissie van 24 november 2021 tot aanvulling van de richtsnoeren betreffende bepaalde staatssteunmaatregelen in het kader van het systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten na 2021 (4).

Op 23 december 2025 heeft de Commissie een mededeling goedgekeurd tot wijziging van de richtsnoeren betreffende bepaalde staatssteunmaatregelen in het kader van het systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten na 2021 (“de wijzigingen van de ETS-richtsnoeren van de Commissie”) (5).

De wijzigingen van de ETS-richtsnoeren van de Commissie zijn ook van belang voor de EER.

Overeenkomstig de homogeniteitsdoelstelling die in artikel 1 van de EER-overeenkomst is vastgesteld, moet een eenvormige toepassing van de EER-staatssteunregels in de hele EER worden gewaarborgd.

Het is passend de ETS-richtsnoeren van de Autoriteit te wijzigen in overeenstemming met de wijzigingen van de ETS-richtsnoeren van de Commissie (6).

De huidige wijzigingen van de ETS-richtsnoeren van de Autoriteit voorzien in een geactualiseerde factor voor de berekening van de compensatiebedragen voor indirecte emissiekosten die de begunstigden vanaf 2026 maken, een uitbreiding van de lijst van in aanmerking komende bedrijfstakken, de mogelijkheid voor EVA-staten om onder bepaalde voorwaarden bedrijfstakken of deeltakken aan te melden die niet in bijlage I bij de ETS-richtsnoeren van de Autoriteit zijn opgenomen, en een verhoging van de maximale steunintensiteit voor bedrijfstakken die reeds worden geacht te zijn blootgesteld aan een reëel risico op koolstoflekkage. Die wijzigingen worden gedaan om het risico van koolstoflekkage in de EER te beperken. Ze vormen belangrijke elementen om de evenredigheid te waarborgen van steunmaatregelen die in het kader van de ETS-richtsnoeren van de Autoriteit worden toegekend en om het risico van koolstoflekkage te verminderen, en gelden daarom vanaf 1 januari 2026, conform de punten 67 en 68 van de ETS-richtsnoeren van de Autoriteit. De wijzigingen van bijlage I in de vorm van tabel 2 van de ETS-richtsnoeren van de Autoriteit zullen echter gelden voor kosten die vanaf 1 januari 2025 gemaakt zijn, wat betekent dat als EVA-staten ervoor kiezen de nieuw in aanmerking komende bedrijfstakken te compenseren voor indirecte emissiekosten, ze dat ook al kunnen doen voor indirecte emissiekosten die vanaf 2025 gemaakt zijn.

Bovendien is bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2024/873 van de Commissie (7) ,  (8) de aanpak van de kosteloze toewijzing van emissierechten voor productbenchmarks aangepast met uitwisselbaarheid van brandstof en elektriciteit, overeenkomstig artikel 10 bis, lid 6, van Richtlijn 2003/87/EG (9) ,  (10). Daarom moeten de ETS-richtsnoeren van de Autoriteit vanaf 1 januari 2026 voor de betrokken producten worden aangepast zodat producenten geen dubbele compensatie ontvangen voor dezelfde emissies via zowel kosteloze toewijzing als compensatie voor indirecte emissiekosten. In beginsel moet dit worden gewaarborgd door de waarde van de vrij ontvangen emissierechten die aan indirecte emissies kunnen worden toegewezen, in mindering te brengen op het bedrag van de compensatie voor indirecte emissiekosten op grond van de richtsnoeren. De Autoriteit is van plan die wijzigingen in 2026 in te voeren, in overeenstemming met de verwachte overeenkomstige wijzigingen van de ETS-richtsnoeren van de Commissie.

De Autoriteit moet, ingevolge punt II onder de titel “ALGEMEEN” van bijlage XV bij de EER-overeenkomst, na overleg met de Commissie, besluiten vaststellen die met de besluiten van de Commissie overeenstemmen,

Na raadpleging van de Commissie,

Na raadpleging van de EVA-staten (11),

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De Autoriteit wijzigt haar ETS-richtsnoeren. De wijzigingen zijn aan dit besluit gehecht en maken er integrerend deel van uit.

Artikel 2

De Autoriteit past vanaf 1 januari 2026 de beginselen toe die zijn uiteengezet in de wijzigingen van haar ETS-richtsnoeren. De EVA-staten kunnen voor de vanaf 1 januari 2025 gemaakte kosten verwijzen naar bijlage I bij en de punten 27 en 31 van de ETS-richtsnoeren van de Autoriteit, zoals gewijzigd.

Slechts de tekst in de Engelse taal is authentiek.

Gedaan te Brussel.

Voor de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA

Arne Røksund

Voorzitter

Verantwoordelijk lid van het College

Árni Páll Árnason

Lid van het College

Nuscha Wieczorek

Lid van het College

Melpo-Menie Joséphidès

Medeondertekenaar,

directeur van de Juridische en Uitvoerende Dienst


(1)   PB L 130 van 15.4.2021, blz. 3, en EER-supplement nr. 27 van 15.4.2021, blz. 3.

(2)   PB L 204 van 4.8.2022, blz. 3, en EER-supplement nr. 51 van 4.8.2022, blz. 1.

(3)   PB C 317 van 25.9.2020, blz. 5.

(4)   PB C 528 van 30.12.2021, blz. 1.

(5)   PB C, C/2026/196, 5.1.2026.

(6)  Document nr. 1583890.

(7)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2024/873 van de Commissie van 30 januari 2024 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/331 wat betreft een voor de hele Unie geldende overgangsregeling voor de geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten (PB L, 2024/873, 4.4.2024).

(8)  Zoals opgenomen in de EER-overeenkomst bij Besluit van het Gemengd Comité van de EER nr. 108/2025 van 8 mei 2025 tot wijziging van bijlage XX (Milieu) bij de EER-overeenkomst (PB L, 2025/1368, 24.7.2025 en EER-supplement nr. 46 van 24.7.2025, blz. 28).

(9)  Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32).

(10)  Zoals opgenomen in de EER-overeenkomst bij Besluit van het Gemengd Comité van de EER nr. 146/2007 van 26 oktober 2007 tot wijziging van bijlage XX (Milieu) bij de EER-overeenkomst (PB L 100 van 10.4.2008, blz. 92 en EER-supplement nr. 19 van 10.4.2008, blz. 90).

(11)  In artikel 1, punt b), van de Toezichtovereenkomst is bepaald dat onder “EVA-staten” wordt verstaan “de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen en, onder de voorwaarden van artikel 1, lid 2, van het Protocol tot aanpassing van de Overeenkomst tussen de EVA-staten betreffende de oprichting van een Toezichthoudende Autoriteit en een Hof van Justitie, het Vorstendom Liechtenstein”.


BIJLAGE

Wijzigingen van de richtsnoeren betreffende bepaalde staatssteunmaatregelen in het kader van het systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten na 2021

De richtsnoeren betreffende bepaalde staatssteunmaatregelen in het kader van het systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten na 2021 (1) worden als volgt gewijzigd:

1.

punt 15, 10, wordt vervangen door:

“CO2-emissiefactor”: het gewogen gemiddelde, uitgedrukt in tCO2/MWh, van de CO2-intensiteit van de uit fossiele brandstoffen opgewekte elektriciteit in verschillende geografische gebieden. De weging geeft de productiemix van de fossiele brandstoffen in het geografisch gebied in kwestie correct weer. De CO2-factor wordt berekend als het quotiënt van de door de energiesector verstrekte gegevens over de CO2-equivalentemissies, gedeeld door de uit fossiele brandstoffen opgewekte elektriciteit in TWh (brutocijfer). In het kader van deze richtsnoeren (*1) worden gebieden gedefinieerd als geografische zones a) die bestaan uit via stroombeurzen gekoppelde deelmarkten, of b) waarbinnen zich geen afgetekende congestie voordoet, en waar, in beide gevallen, de day-aheadprijzen op uurbasis op stroombeurzen binnen de zone voor een aanzienlijk percentage van alle uren van het jaar een prijsverschil in euro (op basis van de dagelijkse ECB-wisselkoersen) van ten hoogste 1 % te zien geven. Een dergelijke regionale differentiatie weerspiegelt het belang van met fossiele brandstoffen gestookte centrales voor de op de groothandelsmarkt bepaalde eindprijs en hun rol als marginale centrales in de “merit order”. Het loutere feit dat tussen twee EER-staten elektriciteit wordt verhandeld, impliceert niet automatisch dat zij een supranationaal gebied vormen. Gezien het ontbreken van relevante gegevens op subnationaal niveau omvatten de geografische gebieden het hele grondgebied van een of meer EER-staten. Op grond hiervan kunnen de volgende geografische gebieden worden omschreven: Spanje en Portugal; Litouwen, Letland en Estland; Duitsland en Luxemburg; Bulgarije en Roemenië; en alle andere EER-staten afzonderlijk, inclusief IJsland en Noorwegen (*2). De overeenkomstige regionale maximumwaarden voor de CO2-factor, die als maximumwaarden gelden wanneer de aanmeldende EER/EVA-staat niet overeenkomstig punt 11 een beoordeling van de marktgebaseerde CO2-factor heeft gedaan, zijn opgenomen in bijlage III. Een EER/EVA-staat mag de Autoriteit vragen om de CO2-emissiefactor te berekenen op basis van in 2026 beschikbare gegevens en mag de zo verkregen CO2-emissiefactor aanmelden als een wijziging van zijn regeling. Die geactualiseerde CO2-emissiefactor kan worden toegepast op kosten gemaakt vanaf 2026. De geactualiseerde CO2-emissiefactor heeft geen invloed op de CO2-emissiefactor van andere EER-staten vermeld in bijlage III. Met het oog op een gelijke behandeling van alle elektriciteitsbronnen en om mogelijk misbruik te voorkomen, is dezelfde CO2-emissiefactor van toepassing op alle voorzieningsbronnen (eigen elektriciteitsproductie (“zelfopwekking”), overeenkomsten tot elektriciteitslevering of leveringen via het net) en op alle steunbegunstigden in de betrokken EER-staat. Indien de maximale regionale CO2-emissiefactor in bijlage III ten minste 15 % lager is dan de maximale regionale CO2-emissiefactor zoals eerder opgenomen in die bijlage of de vóór 1 januari 2026 goedgekeurde marktgebaseerde factor, kunnen de betrokken EER/EVA-staten een overgangsperiode aankondigen om van de voordien geldende maximale regionale CO2-emissiefactor over te gaan naar de geactualiseerde maximale regionale CO2-emissiefactor op grond van deze richtsnoeren voor jaar t, vanaf 2026, in gelijke jaarlijkse reductiestappen. De in bijlage III opgenomen geactualiseerde maximale regionale CO2-emissiefactor geldt uiterlijk voor jaar t = 2030;”;

(*1)  Deze richtsnoeren gelden niet als wetgevingsinstrumenten en hoeven dus niet door het Gemengd Comité van de EER in de EER-overeenkomst te worden opgenomen. De Autoriteit is belast met het vaststellen van de voor de EER/EVA-staten ter zake geldende voorschriften, zoals de methodiek voor het vaststellen van de CO2-factoren. Zie voorts punt 69 van deze richtsnoeren."

(*2)  Het geografisch gebied voor Liechtenstein en de toepasselijke CO2-emissiefactor zullen in een later stadium worden vastgesteld."

()  Deze richtsnoeren gelden niet als wetgevingsinstrumenten en hoeven dus niet door het Gemengd Comité van de EER in de EER-overeenkomst te worden opgenomen. De Autoriteit is belast met het vaststellen van de voor de EER/EVA-staten ter zake geldende voorschriften, zoals de methodiek voor het vaststellen van de CO2-factoren. Zie voorts punt 69 van deze richtsnoeren.

()  Het geografisch gebied voor Liechtenstein en de toepasselijke CO2-emissiefactor zullen in een later stadium worden vastgesteld.

2.

punt 21 wordt vervangen door:

“Om het risico van verstoring van de mededinging binnen de interne markt te beperken, moet de steun worden beperkt tot bedrijfstakken die aan een reëel koolstoflekkagerisico zijn blootgesteld als gevolg van aanzienlijke indirecte kosten die werkelijk zijn opgelopen doordat broeikasgasemissiekosten in de elektriciteitsprijzen worden doorberekend. Voor de toepassing van deze richtsnoeren is er sprake van een reëel koolstoflekkagerisico wanneer de begunstigde actief is in een in bijlage I opgenomen bedrijfstak. Een bedrijfstak of een deeltak die niet in bijlage I is opgenomen maar wel aan de in die bijlage (*3) opgenomen voorwaarden voldoet, kan ook worden geacht in aanmerking te komen, mits die EER/EVA-staat dat aantoont met gegevens die representatief zijn voor die bedrijfstak of deeltak op EER-niveau, geverifieerd zijn door een onafhankelijke deskundige en gebaseerd zijn op een periode van ten minste de drie recentste jaren waarvoor gegevens beschikbaar zijn. Indien de EER/EVA-staten voornemens zijn hun respectieve regelingen uit te breiden tot nieuwe bedrijfstakken of deeltakken, moeten zij de Autoriteit van dergelijke wijzigingen in kennis stellen. EER/EVA-staten mogen in hun regelingen voorzien in een verbintenis om in de toekomst alle aanvullende bedrijfstakken of deeltakken op te nemen waarvan door een andere EER-staat is aangetoond en door de Autoriteit of de Commissie is goedgekeurd dat ze in aanmerking komen, en om de Autoriteit van dergelijke toevoegingen in kennis te stellen.”;

(*3)  Deze criteria zijn een handelsintensiteit van meer dan 20 % en een indirecte emissie-intensiteit van meer dan 0,32 kg CO2/EUR, wat resulteert in een indirecte koolstoflekkage-indicator van meer dan 0,064. De methode is nader beschreven in werkdocument SWD(2020) 190 final van de diensten van de Commissie."

()  Deze criteria zijn een handelsintensiteit van meer dan 20 % en een indirecte emissie-intensiteit van meer dan 0,32 kg CO2/EUR, wat resulteert in een indirecte koolstoflekkage-indicator van meer dan 0,064. De methode is nader beschreven in werkdocument SWD(2020) 190 final van de diensten van de Commissie.

3.

punt 27 wordt vervangen door:

“De steun is evenredig en heeft een voldoende beperkt negatief gevolg voor de mededinging en het handelsverkeer indien hij niet meer bedraagt dan 80 % van de opgelopen indirecte emissiekosten gemaakt voor de bedrijfstakken vermeld in tabel 1 van bijlage I en niet meer dan 75 % voor de in tabel 2 van bijlage I vermelde bedrijfstakken of alle verdere bedrijfstakken die volgens de procedure van punt 21 als in aanmerking komend worden beschouwd. De efficiëntiebenchmark voor elektriciteitsverbruik zorgt ervoor dat de steun voor inefficiënte productieprocessen beperkt blijft en de verspreiding van de energie-efficiëntste technologieën blijft stimuleren.”;

4.

punt 31 wordt vervangen door:

“Aangezien voor sommige bedrijfstakken de steunintensiteit van 80 % voor de in tabel 1 van bijlage I vermelde bedrijfstakken en van 75 % voor de in tabel 2 van bijlage I vermelde bedrijfstakken of alle verdere bedrijfstakken die volgens de procedure van punt 21 als in aanmerking komend worden beschouwd, misschien niet voldoende is om een adequate bescherming tegen het koolstoflekkagerisico te waarborgen, kunnen de EER/EVA-staten het bedrag van de op ondernemingsniveau te betalen indirecte kosten zo nodig beperken tot 1,5 % van de bruto toegevoegde waarde van de betrokken onderneming in jaar t. De bruto toegevoegde waarde van de onderneming moet als volgt worden berekend: omzet plus geactiveerde productie, plus overige bedrijfsinkomsten, plus of minus veranderingen in voorraden, minus aankoop van goederen en diensten (exclusief personeelskosten), minus andere belastingen op producten die aan de omzet zijn gekoppeld maar niet aftrekbaar zijn, minus productiegebonden rechten en heffingen. Als alternatief kan zij worden berekend als de som van het bruto-exploitatieoverschot en de personeelskosten. In de bedrijfsbalans als “financieel” of “uitzonderlijk” opgevoerde inkomsten en uitgaven worden bij de berekening van de toegevoegde waarde niet meegerekend. Het resultaat van de berekening van de toegevoegde waarde tegen factorkosten is een brutocijfer, aangezien met waardeaanpassingen (bv. afschrijving) geen rekening wordt gehouden (*4).”;

(*4)  Code 12 15 0 binnen het rechtskader van Verordening (EG) nr. 295/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2008 betreffende structurele bedrijfsstatistieken (PB L 97 van 9.4.2008, blz. 13)."

()  Code 12 15 0 binnen het rechtskader van Verordening (EG) nr. 295/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2008 betreffende structurele bedrijfsstatistieken (PB L 97 van 9.4.2008, blz. 13).

5.

punt 55, a), wordt vervangen door:

“a)

de aanbevelingen van het auditverslag uitvoeren, voor zover de terugverdientijd van de desbetreffende investeringen niet meer bedraagt dan drie jaar of de terugverdientijd als bedoeld in artikel 10 bis, lid 1, derde alinea, van Richtlijn 2003/87/EG, indien die langer is, en de kosten van hun investeringen evenredig zijn; ofwel”;

6.

punt 55, c), wordt vervangen door:

“c)

een aanzienlijk deel van ten minste 50 % van het steunbedrag investeren in projecten die leiden tot substantiële reducties van de broeikasgasemissies van de installatie tot ver onder de toepasselijke benchmark voor kosteloze toewijzing in het EU-ETS; ofwel”;

7.

in punt 55 wordt na subpunt c) een nieuw subpunt d) toegevoegd:

“d)

ten minste 50 % van het steunbedrag investeren in nieuwe of gemoderniseerde activa waarvan meetbaar kan worden aangetoond dat die een extra bijdrage leveren aan het verlagen van de kosten van het elektriciteitssysteem, met inachtneming van de markt- en systeembehoeften in die EER/EVA-staat, zonder dat dat leidt tot een toename van het verbruik van fossiele brandstoffen. In aanmerking komende investeringsactiviteiten kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op de ontwikkeling van capaciteit voor de opwekking van hernieuwbare energie, oplossingen voor energieopslag, maatregelen om de flexibiliteit aan de vraagzijde te vergroten, verbeteringen van de energie-efficiëntie en de ontwikkeling van elektrolyse-installaties voor de productie van hernieuwbare of koolstofarme waterstof. Ook investeringen voor elektrificatie komen in aanmerking. De EER/EVA-staten kunnen een beperktere lijst van in aanmerking komende investeringen opstellen, maar investeringen om de flexibiliteit aan de vraagzijde te vergroten, moeten in aanmerking komen.”;

8.

punt 67 wordt vervangen door:

“Vanaf 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030 worden geactualiseerde CO2-emissiefactoren en geografische gebieden toegepast. De Autoriteit zal deze richtsnoeren in 2026 aanvullen met efficiëntiebenchmarks voor elektriciteitsverbruik die betrekking hebben op de bedrijfstakken die aan de gewijzigde lijst van in aanmerking komende bedrijfstakken in bijlage I zijn toegevoegd, en in 2026 of 2027 kan de Autoriteit de richtsnoeren wijzigen om voor de bedrijfstakken vervaardiging van meststoffen en stikstofverbindingen (NACE 20.15) en ijzerertswinning (NACE 07.10) overlappingen aan te pakken tussen steun op grond van deze richtsnoeren en de verplichting om certificaten in te leveren op grond van Verordening (EU) 2023/956 van het Europees Parlement en de Raad (*5) voor indirecte emissies (*6), conform de verwachte overeenkomstige wijzigingen van de ETS-richtsnoeren van de Commissie. Bijgevolg moeten de EER/EVA-staten waar nodig hun respectieve regelingen wijzigen om die in overeenstemming te brengen met deze richtsnoeren, zoals gewijzigd.

(*5)  Verordening (EU) 2023/956 van het Europees Parlement en de Raad van 10 mei 2023 tot instelling van een mechanisme voor koolstofgrenscorrectie (PB L 130 van 16.5.2023, blz. 52, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/956/oj). Momenteel zijn dergelijke overlappingen er niet voor EER/EVA-staten, aangezien deze verordening niet in de EER-overeenkomst is opgenomen, maar ze kunnen zich voordoen zodra de opname heeft plaatsgevonden."

(*6)  Dit is het geval indien dergelijke producten wel in bijlage I, maar niet in bijlage II bij die verordening zijn opgenomen.”;"

()  Verordening (EU) 2023/956 van het Europees Parlement en de Raad van 10 mei 2023 tot instelling van een mechanisme voor koolstofgrenscorrectie (PB L 130 van 16.5.2023, blz. 52, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/956/oj). Momenteel zijn dergelijke overlappingen er niet voor EER/EVA-staten, aangezien deze verordening niet in de EER-overeenkomst is opgenomen, maar ze kunnen zich voordoen zodra de opname heeft plaatsgevonden.

()  Dit is het geval indien dergelijke producten wel in bijlage I, maar niet in bijlage II bij die verordening zijn opgenomen.”;

9.

er wordt een nieuw punt 70 toegevoegd:

“De Autoriteit stelt aan de EER/EVA-staten op grond van artikel 1, lid 1, van deel I van Protocol nr. 3 de volgende passende maatregelen voor:

a)

de EER/EVA-staten wijzigen, waar nodig, bestaande steunregelingen om die uiterlijk 30 september 2026 in overeenstemming te brengen met deze richtsnoeren, zoals gewijzigd;

b)

de EER/EVA-staten delen binnen twee maanden na de datum van bekendmaking van de wijziging van deze richtsnoeren in het EER-gedeelte van en in het EER-supplement bij het Publicatieblad van de Europese Unie hun uitdrukkelijke en onvoorwaardelijke instemming met de in punt a) voorgestelde passende maatregelen mee. Zonder een antwoord van de betrokken EER/EVA-staat zal de Autoriteit aannemen dat deze niet met de voorgestelde maatregelen instemt.”;

10.

Bijlage I wordt vervangen door:

BIJLAGE I

Bedrijfstakken die worden geacht aan een reëel koolstoflekkagerisico te zijn blootgesteld als gevolg van indirecte emissiekosten

Tabel 1

 

NACE-code (*7)

Omschrijving

1.

14.11

Vervaardiging van kleding van leer

2.

24.42

Productie van aluminium

3.

20.13

Vervaardiging van overige anorganische chemische basisproducten

4.

24.43

Productie van lood, zink en tin

5.

17.11

Vervaardiging van pulp

6.

17.12

Vervaardiging van papier en karton

7.

24.10

Vervaardiging van ijzer en staal en van ferrolegeringen

8.

19.20

Vervaardiging van geraffineerde aardolieproducten

9.

24.44

Productie van koper

10.

24.45

Productie van andere non-ferrometalen

11.

 

De volgende deeltakken binnen de bedrijfstak kunststoffen (20.16):

 

20.16.40.15

Polyethyleenglycolen en andere polyetheralcoholen, in primaire vormen

12.

 

Alle productcategorieën in de bedrijfstak gieten van ijzer (24.51)

13.

 

De volgende deeltakken binnen de bedrijfstak glasvezels (23.14):

 

23.14.12.10

23.14.12.30

Matten van glasvezels Vliezen van glasvezels

14.

 

De volgende deeltakken binnen de bedrijfstak Industriële gassen (20.11):

 

20.11.11.50

20.11.12.90

Waterstof

Anorganische zuurstofverbindingen van niet-metalen

(*7)  Voor zover de statistische classificatie van een specifieke economische activiteit in een NACE-code is geraakt door de recentste NACE-actualisering (Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/137 van de Commissie van 10 oktober 2022 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1893/2006 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de statistische classificatie van economische activiteiten, NACE Rev. 2 (PB L 19 van 20.1.2023, blz. 5, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2023/137/oj)) kunnen de EER/EVA-staten ervoor opteren de gewijzigde indeling te gebruiken of zich te baseren op de indeling die van kracht was ten tijde van de aanneming van de richtsnoeren.


Tabel 2

 

NACE-code (*8)

Omschrijving

1.

07.29

Winning van andere non-ferrometaalertsen

2.

07.10

Winning van ijzererts

3.

20.17

Vervaardiging van synthetische rubber in primaire vormen

4.

20.60

Vervaardiging van synthetische en kunstmatige vezels

5.

20.16

Vervaardiging van kunststoffen in primaire vormen**

6.

13.10

Bewerken en spinnen van textielvezels

7.

23.31

Vervaardiging van keramische tegels en plavuizen

8.

20.12

Vervaardiging van kleurstoffen en pigmenten

9.

13.95

Vervaardiging van gebonden textielvlies en van artikelen van gebonden textielvlies, exclusief kleding

10.

23.14

Vervaardiging van glasvezels (*9)

11.

27.20

Vervaardiging van batterijen en accumulatoren

12.

20.14

Vervaardiging van andere organische chemische basisproducten

13.

20.15

Vervaardiging van kunstmeststoffen en stikstofverbindingen

14.

10.41

Vervaardiging van oliën en vetten

15.

11.06

Vervaardiging van mout

16.

16.21

Vervaardiging van fineer en van panelen op basis van hout

17.

23.11

Vervaardiging van vlakglas

18.

23.13

Vervaardiging van holglas

19.

24.31

Koudtrekken van staven

20.

24.34

Koudtrekken van draad

21.

 

De volgende deeltak binnen de bedrijfstak overige chemische producten, n.e.g. (20.59):

 

20.59.56.70

Alkylbenzenen en alkylnaftalenen, van gemengde samenstelling (excl. die bedoeld bij GS-post 2707 of 2902)

22.

 

De volgende deeltak binnen de bedrijfstak overige niet-metaalhoudende minerale producten, n.e.g. (23.99):

 

23.99.19.10

Slakkenwol, steenwol en dergelijke minerale wol, ook indien onderling vermengd, in bulk, in bladen of op rollen

(*8)  Voor zover de statistische classificatie van een specifieke economische activiteit in een NACE-code is geraakt door de recentste NACE-actualisering (Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/137 van de Commissie van 10 oktober 2022 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1893/2006 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de statistische classificatie van economische activiteiten, NACE Rev. 2 (PB L 19 van 20.1.2023, blz. 5, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2023/137/oj)) kunnen de EER/EVA-staten ervoor opteren de gewijzigde indeling te gebruiken of zich te baseren op de indeling die van kracht was ten tijde van de aanneming van de richtsnoeren.

(*9)  Dit geldt voor de bedrijfstak met uitzondering van deeltakken die al niet in tabel 1 zijn vermeld.

”;

11.

Bijlage III wordt vervangen door:

BIJLAGE III

Maximale regionale CO2-emissiefactoren in de verschillende geografische gebieden (tCO2/MWh)  (*10)

Geografisch gebied

Toepasselijke CO2-emissiefactor

Spanje, Portugal

0,47

Litouwen, Letland, Estland

0,76

Duitsland, Luxemburg

0,73

Bulgarije, Roemenië

0,91

België

0,37

Tsjechië

0,89

Denemarken

0,54

Ierland

0,44

Griekenland

0,58

Frankrijk

0,43

Kroatië

0,51

Italië

0,44

Cyprus

0,72

Hongarije

0,50

Malta

0,40

Nederland

0,44

Oostenrijk

0,33

Polen

0,78

Slovenië

0,75

Slowakije

0,58

Finland

0,62

Zweden

0,60

IJsland (*11)

[…]

Noorwegen (*12)

[…]

(*1)  Het geografisch gebied voor Liechtenstein en de toepasselijke CO2-emissiefactor worden in een later stadium vastgesteld.

(*11)  De toepasselijke CO2-emissiefactor voor IJsland wordt in een later stadium vastgesteld.

(*12)  De toepasselijke CO2-emissiefactor voor Noorwegen wordt in een later stadium vastgesteld.


(*1)  Deze richtsnoeren gelden niet als wetgevingsinstrumenten en hoeven dus niet door het Gemengd Comité van de EER in de EER-overeenkomst te worden opgenomen. De Autoriteit is belast met het vaststellen van de voor de EER/EVA-staten ter zake geldende voorschriften, zoals de methodiek voor het vaststellen van de CO2-factoren. Zie voorts punt 69 van deze richtsnoeren.

(*2)  Het geografisch gebied voor Liechtenstein en de toepasselijke CO2-emissiefactor zullen in een later stadium worden vastgesteld.

(*3)  Deze criteria zijn een handelsintensiteit van meer dan 20 % en een indirecte emissie-intensiteit van meer dan 0,32 kg CO2/EUR, wat resulteert in een indirecte koolstoflekkage-indicator van meer dan 0,064. De methode is nader beschreven in werkdocument SWD(2020) 190 final van de diensten van de Commissie.

(*4)  Code 12 15 0 binnen het rechtskader van Verordening (EG) nr. 295/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2008 betreffende structurele bedrijfsstatistieken (PB L 97 van 9.4.2008, blz. 13).

(*5)  Verordening (EU) 2023/956 van het Europees Parlement en de Raad van 10 mei 2023 tot instelling van een mechanisme voor koolstofgrenscorrectie (PB L 130 van 16.5.2023, blz. 52, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/956/oj). Momenteel zijn dergelijke overlappingen er niet voor EER/EVA-staten, aangezien deze verordening niet in de EER-overeenkomst is opgenomen, maar ze kunnen zich voordoen zodra de opname heeft plaatsgevonden.

(*6)  Dit is het geval indien dergelijke producten wel in bijlage I, maar niet in bijlage II bij die verordening zijn opgenomen.”;


(1)   PB L 130 van 15.4.2021, blz. 3 en EER-supplement nr. 27 van 15.4.2021, blz. 3, zoals aangevuld bij PB L 204 van 4.8.2022, blz. 3 en EER-supplement nr. 51 van 4.8.2022, blz. 1.


ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2026/1374/oj

ISSN 1977-0758 (electronic edition)