European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

L-serie


2026/1213

4.6.2026

BESLUIT (EU) 2026/1213 VAN DE RAAD

van 29 mei 2026

betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het Comité van de Partijen bij het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, tijdens zijn 20e vergadering, betreffende conclusies over de uitvoering van aanbevelingen ten aanzien van bepaalde partijen bij dat verdrag en betreffende de verkiezing van leden van de Groep van deskundigen inzake actie tegen geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, met betrekking tot aangelegenheden die verband houden met justitiële samenwerking in strafzaken, asiel en non-refoulement

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 78, lid 2, artikel 82, lid 2, en artikel 84, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (het “verdrag”) werd door de Unie gesloten bij Besluit (EU) 2023/1075 van de Raad (1) met betrekking tot de instellingen en het openbaar bestuur van de Unie, en bij Besluit (EU) 2023/1076 van de Raad (2) met betrekking tot aangelegenheden die verband houden met justitiële samenwerking in strafzaken, asiel en non-refoulement, voor zover die aangelegenheden onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie vallen. Het verdrag is voor de Unie op 1 oktober 2023 in werking getreden.

(2)

Op grond van artikel 66, lid 1, van het verdrag moet de Groep van deskundigen inzake actie tegen geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Group of experts on action against violence against women and domestic violence — “Grevio”) toezien op de uitvoering van het verdrag door de partijen daarbij (de “partijen”). Overeenkomstig artikel 68, lid 11, van het verdrag neemt Grevio haar rapport en conclusies aan betreffende de maatregelen die door de betrokken partij zijn genomen tot uitvoering van de bepalingen van het verdrag.

(3)

Het Comité van de Partijen (het “Comité”) neemt aanbevelingen aan die gericht zijn tot de betrokken partij, overeenkomstig artikel 68, lid 12, van het verdrag, op basis van het rapport en de conclusies van Grevio. Dergelijke aanbevelingen maken onderscheid tussen maatregelen die zo spoedig mogelijk moeten worden genomen, met de verplichting om binnen een periode van drie jaar daarover verslag aan het Comité uit te brengen, en maatregelen die weliswaar belangrijk zijn, maar niet even urgent. Na die periode van drie jaar moet de betrokken partij op tien specifieke gebieden van het verdrag verslag uitbrengen aan het Comité over de genomen maatregelen. Op basis van dat rapport en eventuele aanvullende informatie moet het Comité conclusies aannemen over de uitvoering van die door het secretariaat van het Comité opgestelde aanbevelingen.

(4)

Het Comité zal tijdens zijn 20e vergadering op 2 juni 2026 naar verwachting de volgende ontwerpconclusies aannemen over de uitvoering van de aanbevelingen ten aanzien van negen van de partijen (de “ontwerpconclusies”):

—

conclusies over de uitvoering van de door het Comité van de Partijen aangenomen aanbevelingen ten aanzien van Bosnië en Herzegovina, vervat in document IC-CP(2026)4 prov;

—

conclusies over de uitvoering van de door het Comité van de Partijen aangenomen aanbevelingen ten aanzien van Cyprus, vervat in document IC-CP(2026)5 prov;

—

conclusies over de uitvoering van de door het Comité van de Partijen aangenomen aanbevelingen ten aanzien van Estland, vervat in document IC-CP(2026)6 prov;

—

conclusies over de uitvoering van de door het Comité van de Partijen aangenomen aanbevelingen ten aanzien van Georgië, vervat in document IC-CP(2026)7 prov;

—

conclusies over de uitvoering van de door het Comité van de Partijen aangenomen aanbevelingen ten aanzien van Duitsland, vervat in document IC-CP(2026)8 prov;

—

conclusies over de uitvoering van de door het Comité van de Partijen aangenomen aanbevelingen ten aanzien van IJsland, vervat in document IC-CP(2026)9 prov;

—

conclusies over de uitvoering van de door het Comité van de Partijen aangenomen aanbevelingen ten aanzien van Noorwegen, vervat in document IC-CP(2026)10 prov;

—

conclusies over de uitvoering van de door het Comité van de Partijen aangenomen aanbevelingen ten aanzien van Roemenië, vervat in document IC-CP(2026)11 prov;

—

conclusies over de uitvoering van de door het Comité van de Partijen aangenomen aanbevelingen ten aanzien van Zwitserland, vervat in document IC-CP(2026)12 prov;

(5)

De ontwerpconclusies hebben betrekking op de uitvoering van de bepalingen van het verdrag die verband houden met justitiële samenwerking in strafzaken, zoals aangelegenheden in verband met de bescherming en ondersteuning van slachtoffers van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld. De ontwerpconclusies betreffen ook de uitvoering van de bepalingen van het Verdrag die verband houden met asiel en non-refoulement. Die aangelegenheden vallen onder het acquis van de Unie, met name Richtlijn 2003/86/EG van de Raad (3), de Richtlijnen 2012/29/EU (4), (EU) 2024/1346 (5) en (EU) 2024/1385 (6) van het Europees Parlement en de Raad, en de Verordeningen (EU) 2024/1347 (7) en (EU) 2024/1348 (8) van het Europees Parlement en de Raad.

(6)

De ontwerpconclusies zullen rechtsgevolgen hebben, aangezien zij een beslissende invloed kunnen hebben op de inhoud van het recht van de Unie, in de zin dat ze in de toekomst gevolgen kunnen hebben voor de uitlegging van de relevante bepalingen van het verdrag. Het is daarom passend het standpunt te bepalen dat namens de Unie in het Comité moet worden ingenomen met betrekking tot aangelegenheden die verband houden met justitiële samenwerking in strafzaken, asiel en non-refoulement.

(7)

Opgemerkt moet worden dat ontwerpconclusies met betrekking tot een aantal artikelen van het verdrag slechts gedeeltelijk onder de bevoegdheid van de Unie vallen. Wat die artikelen betreft, mag dit besluit geen afbreuk doen aan de bevoegdheid van de lidstaten. Met name wat de ontwerpconclusies betreffende de artikelen 49 en 50 van het verdrag betreft, mag dit besluit geen afbreuk doen aan de bevoegdheid van de lidstaten inzake de interne organisatie en het beheer van hun rechtsstelsels, en wat de ontwerpconclusies betreffende artikel 31 van het verdrag betreft, mag dit besluit geen afbreuk doen aan de bevoegdheid van de lidstaten op het gebied van familierecht.

(8)

Wat Bosnië en Herzegovina betreft, houden de ontwerpconclusies over de uitvoering van aanbevelingen onder meer in dat het nodig is dat het land: het beleid en de maatregelen ter uitvoering van het verdrag harmoniseert door ervoor te zorgen dat zij betrekking hebben op alle vormen van geweld tegen vrouwen en alle delen van het grondgebied van de staat en dat zij onafhankelijk worden gemonitord en geëvalueerd (artikel 7 van het verdrag); het aantal bestaande coördinerende organen stroomlijnt en zorgt voor voldoende financiële middelen (artikel 10 van het verdrag); inspanningen blijft leveren om systematische, vergelijkbare en uitgesplitste gegevens uit alle relevante bronnen te verzamelen (artikel 11 van het verdrag); ervoor zorgt dat spoedeisende locatieverboden snel worden uitgevaardigd in situaties waarin er sprake is van onmiddellijk gevaar en ook kunnen gelden ten aanzien van de kinderen van het slachtoffer, en dat er geen gaten vallen tussen die bevelen (de artikelen 52 en 53 van het verdrag), en vrouwelijke migranten die het slachtoffer zijn van geweld dat onder het verdrag valt, de mogelijkheid geeft een autonome verblijfsvergunning aan te vragen (artikel 59 van het verdrag). Aangezien die ontwerpconclusies in overeenstemming zijn met het beleid en de doelstellingen van de Unie op het gebied van justitiële samenwerking in strafzaken, asiel en non-refoulement en geen aanleiding geven tot bezorgdheid met betrekking tot het recht van de Unie, moet het standpunt van de Unie erin bestaan geen bezwaar te maken tegen de aanneming ervan.

(9)

Wat Cyprus betreft, houden de ontwerpconclusies over de uitvoering van aanbevelingen onder meer in dat het nodig is dat het land: ervoor zorgt dat de bepalingen van het verdrag op niet-discriminerende wijze worden uitgevoerd (artikel 4 van het verdrag); inspanningen blijft leveren om systematische, vergelijkbare en uitgesplitste gegevens uit alle relevante bronnen te verzamelen (artikel 11 van het verdrag); de bevoegde autoriteiten in staat stelt bij onmiddellijk gevaar een bevel tot uitzetting uit de gedeelde verblijfplaats van een dader van huiselijk geweld te geven en ervoor zorgt dat er toezicht wordt gehouden op dergelijke bevelen en dat ze worden gehandhaafd, en dat sancties bij niet-nakoming doeltreffend worden toegepast in de praktijk (de artikelen 52 en 53 van het verdrag), en richtsnoeren ontwikkelt en gebruikt over genderbewuste opvangprocedures en over het voorkomen van gendergerelateerd geweld tegen vrouwen en meisjes in asielaccommodaties (artikel 60 van het verdrag). Aangezien die ontwerpconclusies in overeenstemming zijn met het beleid en de doelstellingen van de Unie op het gebied van justitiële samenwerking in strafzaken, asiel en non-refoulement en geen aanleiding geven tot bezorgdheid met betrekking tot het recht van de Unie, moet het standpunt van de Unie erin bestaan geen bezwaar te maken tegen de aanneming ervan.

(10)

Wat Estland betreft, houden de ontwerpconclusies over de uitvoering van aanbevelingen onder meer in dat het nodig is dat het land: ervoor zorgt dat de relevante beleidslijnen en maatregelen alle onder het verdrag vallende vormen van geweld tegen vrouwen aanpakken en worden uitgevoerd op basis van een gendergerelateerd begrip van geweld, en dat de impact ervan wordt geëvalueerd (artikel 7 van het verdrag); ervoor zorgt dat terdege rekening wordt gehouden met de veiligheid van vrouwen die het slachtoffer zijn van huiselijk geweld en van hun kinderen bij procedures voor voogdij- en bezoekregelingen (artikel 31 van het verdrag), en ervoor zorgt dat het rechtskader en de praktijk met betrekking tot spoedeisende locatieverboden in overeenstemming zijn met het verdrag (artikel 52 van het verdrag). Aangezien die ontwerpconclusies in overeenstemming zijn met het beleid en de doelstellingen van de Unie op het gebied van justitiële samenwerking in strafzaken, asiel en non-refoulement en geen aanleiding geven tot bezorgdheid met betrekking tot het recht van de Unie, moet het standpunt van de Unie erin bestaan geen bezwaar te maken tegen de aanneming ervan.

(11)

Wat Georgië betreft, houden de ontwerpconclusies over de uitvoering van aanbevelingen onder meer in dat het nodig is dat het land: ervoor zorgt dat bij alle relevante beleidslijnen en maatregelen rekening wordt gehouden met het genderperspectief op geweld en dat het effect ervan systematisch wordt geëvalueerd (artikel 7 van het verdrag); ervoor zorgt dat vrouwenrechtenorganisaties adequate en duurzame financiering krijgen en regelmatig worden geraadpleegd (artikel 9 van het verdrag); ervoor zorgt dat er geïnstitutionaliseerde structuren zijn voor coördinatie en samenwerking tussen de betrokken actoren om te zorgen voor een gecoördineerde respons van meerdere instanties op alle vormen van geweld die onder het verdrag vallen (artikel 18 van het verdrag); het aantal en de capaciteit van opvangplaatsen uitbreidt en ervoor zorgt dat er opvangplaatsen voor personen van hetzelfde geslacht bestaan (artikel 23 van het verdrag), en ervoor zorgt dat strafrechtelijke aansprakelijkheid voor verkrachting kan worden vastgesteld zonder onnodige procedures of praktijken die kunnen leiden tot de hertraumatisering van slachtoffers (de artikelen 49 en 50 van het verdrag). Aangezien die ontwerpconclusies in overeenstemming zijn met het beleid en de doelstellingen van de Unie op het gebied van justitiële samenwerking in strafzaken, asiel en non-refoulement en geen aanleiding geven tot bezorgdheid met betrekking tot het recht van de Unie, moet het standpunt van de Unie erin bestaan geen bezwaar te maken tegen de aanneming ervan.

(12)

Wat Duitsland betreft, houden de ontwerpconclusies over de uitvoering van aanbevelingen onder meer in dat het nodig is dat het land: landelijke wettelijke definities vaststelt die in overeenstemming zijn met het verdrag (artikel 3 van het verdrag); zorgt voor coördinatie en samenwerking tussen alle relevante actoren bij de uitvoering van beleid en maatregelen ter voorkoming en bestrijding van alle vormen van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, en zorgt voor een gecoördineerde respons van meerdere instanties zonder discriminatie (artikel 7 van het verdrag), en ervoor zorgt dat alle relevante sectoren uitgesplitste gegevens verzamelen (artikel 11 van het verdrag). Aangezien die ontwerpconclusies in overeenstemming zijn met het beleid en de doelstellingen van de Unie op het gebied van justitiële samenwerking in strafzaken, asiel en non-refoulement en geen aanleiding geven tot bezorgdheid met betrekking tot het recht van de Unie, moet het standpunt van de Unie erin bestaan geen bezwaar te maken tegen de aanneming ervan.

(13)

Wat IJsland betreft, houden de ontwerpconclusies over de uitvoering van aanbevelingen onder meer in dat het nodig is dat het land: ervoor zorgt dat het nationale coördinerende orgaan een duidelijk mandaat krijgt om zijn taken te kunnen vervullen en daarvoor de specifieke middelen krijgt (artikel 10 van het verdrag), en de vervolgings- en onderzoekscapaciteit met betrekking tot alle vormen van geweld tegen vrouwen versterkt en zorgt voor systematische en genderbewuste risico-inventarisatie (de artikelen 49, 50 en 51 van het verdrag). Aangezien die ontwerpconclusies in overeenstemming zijn met het beleid en de doelstellingen van de Unie op het gebied van justitiële samenwerking in strafzaken, asiel en non-refoulement en geen aanleiding geven tot bezorgdheid met betrekking tot het recht van de Unie, moet het standpunt van de Unie erin bestaan geen bezwaar te maken tegen de aanneming ervan.

(14)

Wat Noorwegen betreft, houden de ontwerpconclusies over de uitvoering van aanbevelingen onder meer in dat het nodig is dat het land: ervoor zorgt dat nationale beleidsdocumenten goed worden gecoördineerd en een holistisch antwoord bieden op alle vormen van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (artikel 7 van het verdrag); ervoor zorgt dat de door belanghebbenden verzamelde gegevens worden uitgesplitst (artikel 11 van het verdrag), en maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat de bevoegde autoriteiten een dader van huiselijk geweld bij onmiddellijk gevaar kunnen bevelen de woning van het slachtoffer te verlaten, en dat die bevelen sneller verwerkt kunnen worden (artikel 52 van het verdrag). Aangezien die ontwerpconclusies in overeenstemming zijn met het beleid en de doelstellingen van de Unie op het gebied van justitiële samenwerking in strafzaken, asiel en non-refoulement en geen aanleiding geven tot bezorgdheid met betrekking tot het recht van de Unie, moet het standpunt van de Unie erin bestaan geen bezwaar te maken tegen de aanneming ervan.

(15)

Wat Roemenië betreft, houden de ontwerpconclusies over de uitvoering van aanbevelingen onder meer in dat het nodig is dat het land: de toepassing van het verdrag op alle vormen van geweld die onder het verdrag vallen, verbetert, ervoor zorgt dat de bepalingen van het verdrag op niet-discriminerende wijze worden uitgevoerd, maatregelen neemt om de desbetreffende wetgeving in overeenstemming te brengen met de definitie van huiselijk geweld, en een genderperspectief integreert in de Roemeense wet inzake huiselijk geweld (de artikelen 3 en 4 van het verdrag); zorgt voor coördinatie en samenwerking tussen alle relevante actoren bij de uitvoering van beleid en maatregelen ter voorkoming en bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (artikel 7 van het verdrag); zorgt voor passende financiële middelen voor de uitvoering van relevante beleidslijnen en maatregelen en stabiele en duurzame financiering voor vrouwenrechtenorganisaties die slachtoffers ondersteunen (artikel 8 van het verdrag), en zorgt voor de verzameling van uitgesplitste gegevens (artikel 11 van het verdrag). Aangezien die ontwerpconclusies in overeenstemming zijn met het beleid en de doelstellingen van de Unie op het gebied van justitiële samenwerking in strafzaken, asiel en non-refoulement en geen aanleiding geven tot bezorgdheid met betrekking tot het recht van de Unie, moet het standpunt van de Unie erin bestaan geen bezwaar te maken tegen de aanneming ervan.

(16)

Wat Zwitserland betreft, houden de ontwerpconclusies over de uitvoering van aanbevelingen onder meer in dat het nodig is dat het land: zorgt voor een gemeenschappelijk begrip van geweld tegen vrouwen in overeenstemming met het verdrag en inspanningen levert om geweld tegen slachtoffers van intersectionele discriminatie aan te pakken en te bestrijden (de artikelen 3 en 4 van het verdrag); zorgt voor passende financiering voor relevante beleidslijnen en maatregelen en duurzame financiering voor organisaties die gespecialiseerde ondersteuning verlenen aan vrouwelijke slachtoffers van geweld (artikel 8 van het verdrag); de inspanningen voortzet om de verzameling van uitgesplitste gegevens in het strafrechtsysteem te verbeteren (artikel 11 van het verdrag); ervoor zorgt dat slachtoffers en hun kinderen toegang hebben tot gespecialiseerde opvangplaatsen in het hele land (de artikelen 22 en 23 van het verdrag), en de veiligheid van slachtoffers en hun kinderen bij de uitoefening van bezoekrechten waarborgt (artikel 31 van het verdrag). Aangezien die ontwerpconclusies in overeenstemming zijn met het beleid en de doelstellingen van de Unie op het gebied van justitiële samenwerking in strafzaken, asiel en non-refoulement en geen aanleiding geven tot bezorgdheid met betrekking tot het recht van de Unie, moet het standpunt van de Unie erin bestaan geen bezwaar te maken tegen de aanneming ervan.

(17)

Het Comité zal tijdens zijn 20e vergadering op 2 juni 2026 naar verwachting vijf leden van Grevio kiezen. Indien zij worden verkozen, zullen zij deze functie bekleden van 1 september 2026 tot en met 31 augustus 2030. Overeenkomstig artikel 66 van het verdrag bestaat Grevio uit 15 leden. Haar leden worden, voor een termijn van vier jaar die eenmaal kan worden verlengd, door het Comité uit door de partijen voorgestelde kandidaten gekozen. De leden van Grevio moeten worden gekozen uit onderdanen van de partijen, waarbij rekening wordt gehouden met het genderevenwicht en de geografische spreiding, alsmede met multidisciplinaire deskundigheid op het gebied van de bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld.

(18)

Als lid van het Comité heeft de Unie recht op vijf stemmen met het oog op de voorgenomen verkiezing van vijf leden van Grevio. Die vijf leden van Grevio moeten door het Comité worden gekozen uit de 15 kandidaten die door 13 partijen zijn voorgedragen. Van de 13 landen die een kandidaat voordragen, zijn er 11 lidstaten van de Unie. Aangezien alle voorgedragen kandidaten beschikken over uitgebreide multidisciplinaire ervaring op het gebied van de bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, zoals uiteengezet in document IC-CP(2026)2, moet het standpunt van de Unie zijn dat ze zich onthoudt van stemming bij die verkiezing.

(19)

Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en onverminderd artikel 4 van dat protocol, neemt Ierland niet deel aan de vaststelling van dit besluit en is dit niet bindend voor, noch van toepassing op Ierland.

(20)

Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het VEU en het VWEU, neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van dit besluit en is dit niet bindend voor, noch van toepassing op Denemarken,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het namens de Unie in het bij artikel 67 van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld opgerichte Comité van de Partijen, tijdens de 20e vergadering van dat comité, in te nemen standpunt houdt in:

1)

dat geen bezwaar wordt gemaakt tegen de aanneming van de volgende handelingen:

a)

conclusies over de uitvoering van de door het Comité van de Partijen aangenomen aanbevelingen ten aanzien van Bosnië en Herzegovina, vervat in document IC-CP(2026)4 prov;

b)

conclusies over de uitvoering van de door het Comité van de Partijen aangenomen aanbevelingen ten aanzien van Cyprus, vervat in document IC-CP(2026)5 prov;

c)

conclusies over de uitvoering van de door het Comité van de Partijen aangenomen aanbevelingen ten aanzien van Estland, vervat in document IC-CP(2026)6 prov;

d)

conclusies over de uitvoering van de door het Comité van de Partijen aangenomen aanbevelingen ten aanzien van Georgië, vervat in document IC-CP(2026)7 prov;

e)

conclusies over de uitvoering van de door het Comité van de Partijen aangenomen aanbevelingen ten aanzien van Duitsland, vervat in document IC-CP(2026)8 prov;

f)

conclusies over de uitvoering van de door het Comité van de Partijen aangenomen aanbevelingen ten aanzien van IJsland, vervat in document IC-CP(2026)9 prov;

g)

conclusies over de uitvoering van de door het Comité van de Partijen aangenomen aanbevelingen ten aanzien van Noorwegen, vervat in document IC-CP(2026)10 prov;

h)

conclusies over de uitvoering van de door het Comité van de Partijen aangenomen aanbevelingen ten aanzien van Roemenië, vervat in document IC-CP(2026)11 prov;

i)

conclusies over de uitvoering van de door het Comité van de Partijen aangenomen aanbevelingen ten aanzien van Zwitserland, vervat in document IC-CP(2026)12 prov;

2)

dat de Unie zich onthoudt van stemming bij de verkiezing van vijf leden van de Groep van deskundigen inzake actie tegen geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (“Grevio”).

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum van de vaststelling ervan.

Gedaan te Brussel, 29 mei 2026.

Voor de Raad

De voorzitter

M. RAOUNA


(1)  Besluit (EU) 2023/1075 van de Raad van 1 juni 2023 over de sluiting, namens de Europese Unie, van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, met betrekking tot aangelegenheden die verband houden met justitiële samenwerking in strafzaken en met betrekking tot de instellingen en het openbaar bestuur van de Unie (PB L 143 I van 2.6.2023, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2023/1075/oj).

(2)  Besluit (EU) 2023/1076 van de Raad van 1 juni 2023 over de sluiting, namens de Europese Unie, van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, met betrekking tot aangelegenheden die verband houden met justitiële samenwerking in strafzaken en met betrekking tot asiel en non-refoulement (PB L 143 I van 2.6.2023, blz. 4, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2023/1076/oj).

(3)  Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (PB L 251 van 3.10.2003, blz. 12, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2003/86/oj).

(4)  Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad (PB L 315 van 14.11.2012, blz. 57, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2012/29/oj).

(5)  Richtlijn (EU) 2024/1346 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (PB L, 2024/1346, 22.5.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2024/1346/oj).

(6)  Richtlijn (EU) 2024/1385 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (PB L, 2024/1385, 24.5.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2024/1385/oj).

(7)  Verordening (EU) 2024/1347 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen, en voor de inhoud van de verleende bescherming, tot wijziging van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad (PB L, 2024/1347, 22.5.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1347/oj).

(8)  Verordening (EU) 2024/1348 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 tot vaststelling van een gemeenschappelijke procedure voor internationale bescherming in de Unie en tot intrekking van Richtlijn 2013/32/EU (PB L, 2024/1348, 22.5.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1348/oj).


ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2026/1213/oj

ISSN 1977-0758 (electronic edition)