|
Publicatieblad |
NL L-serie |
|
2026/1063 |
13.5.2026 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2026/1063 VAN DE COMMISSIE
van 12 mei 2026
tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op PET-spinvlies van oorsprong uit de Volksrepubliek China
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (1) (de “basisverordening”), en met name artikel 7,
Na raadpleging van de lidstaten,
Overwegende hetgeen volgt:
1. PROCEDURE
1.1. Opening van het onderzoek
|
(1) |
Op 15 september 2025 heeft de Europese Commissie (“de Commissie”) op grond van artikel 5 van de basisverordening een antidumpingonderzoek geopend met betrekking tot de invoer van PET-spinvlies van oorsprong uit de Volksrepubliek China (“het betrokken land”, “de VRC” of “China”). Zij heeft daartoe een bericht van inleiding gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (2) (“het bericht van inleiding”). |
|
(2) |
De Commissie heeft het onderzoek geopend naar aanleiding van een klacht die op 8 augustus 2025 werd ingediend door Freudenberg Performance Materials en Johns Manville (“de klagers”), de enige bekende producenten van PET-spinvlies in de Unie. De klacht is ingediend namens de bedrijfstak van de Unie voor PET-spinvlies in de zin van artikel 5, lid 4, van de basisverordening. Het bij de klacht gevoegde bewijsmateriaal over dumping en de aanmerkelijke schade als gevolg daarvan werd voldoende geacht om een onderzoek te openen. |
1.2. Registratie
|
(3) |
De Commissie heeft de invoer van het betrokken product bij Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2409 (3) (de “registratieverordening”) aan registratie onderworpen. |
1.3. Belanghebbenden
|
(4) |
In het bericht van inleiding heeft de Commissie belanghebbenden uitgenodigd contact met haar op te nemen om aan het onderzoek mee te werken. Daarnaast heeft de Commissie specifiek de klagers, de haar bekende producenten-exporteurs en de Chinese overheid, de haar bekende importeurs, gebruikers en handelaren, alsmede de haar bekende betrokken verenigingen op de hoogte gebracht van de opening van het onderzoek en hen uitgenodigd daaraan mee te werken. |
|
(5) |
De belanghebbenden zijn in de gelegenheid gesteld hun opmerkingen over de opening van het onderzoek kenbaar te maken en een aanvraag in te dienen voor een hoorzitting met de Commissie en/of de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures. |
1.4. Opmerkingen over de opening van het onderzoek
|
(6) |
Na de opening van het onderzoek hebben de Chinese Kamer van Koophandel voor de in- en uitvoer van textiel (China Chamber of Commerce for Import and Export of Textiles — “CCCT”) (4) en de importeur Iko Europe NV opmerkingen ingediend. |
|
(7) |
De CCCT was van mening dat de volumes van de invoer uit de VRC waren vastgesteld op basis van onbetrouwbare gegevens, aangezien de klagers een schattingsmethode hadden gebruikt in plaats van rechtstreeks uit Eurostat afkomstige cijfers. De CCCT voerde tevens aan dat de vermeende lage prijzen van de invoer uit de VRC waren gebaseerd op selectief gekozen en inconsequent toegepaste gegevens, zoals prijsnoteringen en invoergegevens. Tot slot voerde de CCCT aan dat het voor de prijsonderbieding en het prijsbederf verzamelde bewijsmateriaal ontoereikend was, deels als gevolg van de onbetrouwbaarheid van de gebruikte invoergegevens. |
|
(8) |
Om te beginnen heeft de Commissie opgemerkt dat zij de klacht overeenkomstig artikel 5 van de basisverordening heeft onderzocht en tot de conclusie is gekomen dat is voldaan aan de vereisten om een onderzoek te openen, dat wil zeggen dat er voldoende bewijs van dumping, schade en een oorzakelijk verband tussen de vermeende invoer met dumping en de vermeende schade was om het onderzoek te openen. |
|
(9) |
Overeenkomstig artikel 5, lid 2, van de basisverordening moet een klacht de gegevens bevatten waarover de klagers redelijkerwijs beschikken. Het juridisch vereiste bewijsniveau om een onderzoek te openen (“voldoende” bewijsmateriaal) verschilt van het bewijsniveau dat nodig is voor een voorlopige of eindbeslissing over het bestaan van dumping, schade of een oorzakelijk verband. Derhalve kan bewijsmateriaal dat kwantitatief of kwalitatief ontoereikend is om een voorlopige of eindbeslissing over het bestaan van dumping, schade of een oorzakelijk verband te rechtvaardigen, niettemin toereikend zijn om de opening van een onderzoek te rechtvaardigen. |
|
(10) |
De Commissie was van oordeel dat het argument van de CCCT verder gaat dan de vereisten van artikel 5, lid 3, van de basisverordening, aangezien de rol van de Commissie in de openingsfase erin bestaat de juistheid en toereikendheid van het door de klager verstrekte bewijsmateriaal te onderzoeken om vast te stellen of er voldoende bewijsmateriaal was om de opening te rechtvaardigen. De Commissie achtte de voor de berekening van de invoervolumes gebruikte methode voldoende betrouwbaar om een onderzoek te openen. De GN-codes waaronder het onderzochte product wordt ingevoerd, omvatten ook producten die buiten de reikwijdte van het onderzoek vallen. Derhalve konden de statistieken van Eurostat niet worden gebruikt om de invoervolumes en marktaandelen vast te stellen. Zoals uiteengezet in de klacht, hebben de klagers de invoer vastgesteld op basis van de totale vraag in de Unie minus de verkoop in de Unie van de producenten in de Unie. De totale invoer werd vervolgens gesplitst in invoer uit de VRC en invoer uit andere landen, op basis van een beoordeling van gegevens van Eurostat. De resulterende cijfers werden vervolgens gecontroleerd aan de hand van de beschikbare marktinformatie. Wat de invoerprijzen betreft, volgt uit de aard van het opstellen van een klacht dat de klagers niet in staat zijn om rechtstreeks bewijsmateriaal uit de eerste hand van individuele transacties te verzamelen. Derhalve moesten zij gebruikmaken van andere methoden voor gegevensverzameling, en de Commissie was van oordeel dat aan de criteria voor voldoende bewijsmateriaal in de openingsfase was voldaan. Naar de mening van de Commissie was het aan haar voorgelegde bewijsmateriaal derhalve voldoende om de opening van een onderzoek te rechtvaardigen. De Commissie achtte de prijzen, zoals noteringen, voldoende objectief en derhalve ook voldoende betrouwbaar voor de berekening van de prijsonderbieding en het prijsbederf. |
|
(11) |
De CCCT betwistte ook de negatieve gevolgen die de invoer uit de VRC heeft gehad voor de producenten in de Unie. Ten eerste kon er, zoals de CCCT ook concludeerde in overweging 7, geen oorzakelijk verband tussen de invoer en de schade voor de bedrijfstak van de Unie worden vastgesteld, aangezien de prijzen van de invoer onbetrouwbaar waren. Bovendien verwees de CCCT ook naar andere factoren, zoals de prijzen van PET-chips, de belangrijkste grondstof, die ook hebben bijgedragen tot de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade, wat twijfels oproept over het oorzakelijk verband. |
|
(12) |
De Commissie was van oordeel dat de klagers voldoende bewijs van prijsonderbieding en prijsbederf hadden geleverd, alsook van een verband tussen de invoer uit de VRC en de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade. |
|
(13) |
Na de opening van het onderzoek hebben de toeleveringsbedrijven van de bedrijfstak van de Unie (BASF, Cargill, Corepla, Synthomer, Valmieras Stikla Skiedra) opmerkingen ingediend ter ondersteuning van het onderzoek. De Italiaanse verenigingen van kunststofrecyclers ASSORIMAP en Plastics Recyclers Europe hebben eveneens hun steun uitgesproken en gewezen op het belang van PET-spinvlies voor PET-recycling. De Poolse vereniging voor dakmembranen (gebruikers van het onderzochte product) heeft haar steun uitgesproken, evenals de Europese vereniging voor niet-geweven stoffen, EDANA. Een Duitse gebruiker heeft zich eveneens kenbaar gemaakt en heeft zijn bezorgdheid geuit en gewezen op het belang van invoer uit de VRC voor zijn voorzieningszekerheid. |
|
(14) |
In reactie op de inleiding van de procedure heeft de importeur/gebruiker Iko Europe NV een verzoek om uitsluiting van het product ingediend. Dit verzoek is meer in detail uiteengezet in punt 2.4. |
1.5. Steekproeven
|
(15) |
In het bericht van inleiding deelde de Commissie mee dat zij mogelijk een steekproef van de belanghebbenden zou samenstellen in overeenstemming met artikel 17 van de basisverordening. |
1.5.1. Steekproef van producenten in de Unie
|
(16) |
In het bericht van inleiding kondigde de Commissie aan dat zij een voorlopige steekproef van producenten in de Unie had samengesteld. De Commissie nodigde de belanghebbenden uit om opmerkingen over de voorlopige steekproef in te dienen. Er werden geen opmerkingen ontvangen, maar uiteindelijk heeft de Commissie besloten dat een steekproef van producenten in de Unie niet nodig was, aangezien de drie bekende en meewerkende producenten in de Unie 100 % van de geschatte totale productie in de Unie van het onderzochte product vertegenwoordigden. |
1.5.2. Steekproef van niet-verbonden importeurs
|
(17) |
Om te kunnen beslissen of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, deze te kunnen samenstellen, heeft de Commissie niet-verbonden importeurs verzocht de in het bericht van inleiding gevraagde informatie te verstrekken. Twee niet-verbonden importeurs hebben de gevraagde informatie geleverd en hebben ermee ingestemd om in de steekproef te worden opgenomen. Gezien het geringe aantal reacties heeft de Commissie besloten dat een steekproef niet noodzakelijk was. De twee niet-verbonden importeurs die zich tijdens de steekproefprocedure kenbaar hadden gemaakt, werden uitgenodigd de vragenlijst te beantwoorden. |
1.5.3. Steekproef van producenten-exporteurs
|
(18) |
Om te beslissen of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, deze samen te stellen, heeft de Commissie alle producenten-exporteurs in de VRC verzocht de in het bericht van inleiding gevraagde informatie te verstrekken. Bovendien heeft de Commissie de vertegenwoordiging van de Volksrepubliek China bij de Europese Unie gevraagd eventuele andere producenten-exporteurs die in deelname aan het onderzoek geïnteresseerd konden zijn, op te sporen en/of contact met hen op te nemen. |
|
(19) |
Acht producenten-exporteurs uit het betrokken land hebben de verlangde informatie verstrekt en ermee ingestemd in de steekproef te worden opgenomen. Overeenkomstig artikel 17, lid 1, van de basisverordening heeft de Commissie een steekproef samengesteld van twee producenten-exporteurs, waarvan er een bestaat uit twee entiteiten, op basis van het grootste representatieve volume van uitvoer naar de Unie dat binnen de beschikbare tijd redelijkerwijs kon worden onderzocht. Overeenkomstig artikel 17, lid 2, van de basisverordening zijn alle bekende betrokken producenten-exporteurs en de autoriteiten van het betrokken land geraadpleegd over de samenstelling van de steekproef (5). Er zijn geen opmerkingen ontvangen over de samenstelling van de steekproef. |
1.6. Antwoorden op de vragenlijst en controlebezoeken
|
(20) |
De Commissie heeft de Chinese overheid een vragenlijst toegezonden over het bestaan van verstoringen van betekenis in de VRC in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt b), van de basisverordening. |
|
(21) |
De Commissie heeft ook vragenlijsten toegezonden aan de producenten in de Unie en aan importeurs en heeft vragenlijsten beschikbaar gesteld aan de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs in de VRC. Andere vragenlijsten, zoals vragenlijsten voor gebruikers in de Unie, werden op de dag van de opening van het onderzoek ook online (6) beschikbaar gesteld. |
|
(22) |
De Commissie heeft alle gegevens die zij voor de voorlopige vaststelling van dumping, de schade als gevolg daarvan en het belang van de Unie nodig achtte, verzameld en gecontroleerd. Krachtens artikel 16 van de basisverordening zijn controlebezoeken verricht bij de volgende ondernemingen:
|
1.7. Onderzoektijdvak en beoordelingsperiode
|
(23) |
Het onderzoek naar de dumping en de schade had betrekking op de periode van 1 juli 2024 tot en met 30 juni 2025 (“het onderzoektijdvak”). Het onderzoek van de ontwikkelingen die relevant zijn voor de schadebeoordeling had betrekking op de periode van 1 januari 2022 tot het einde van het onderzoektijdvak (“de beoordelingsperiode”). |
2. ONDERZOCHT PRODUCT, BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT
2.1. Onderzocht product
|
(24) |
Dit onderzoek heeft betrekking op bepaald niet-geweven naaldvilt van filamenten van polyester, al dan niet versterkt met glasvezels, met een gewicht van meer dan 70 g/m2, met een dikte van meer dan 0,5 mm doch niet meer dan 1,8 mm, geïmpregneerd met een of meer bindmiddelen, minder dan 30 % gewichtspercenten glas bevattend, niet bekleed of bedekt, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 5603 13 90 , 5603 14 20 en ex 5603 14 80 (Taric-codes 5603 13 90 70 en 5603 14 80 70) (7) (“het onderzochte product”). |
|
(25) |
De Commissie heeft verduidelijkt dat van stapelvezels vervaardigde producten niet onder de reikwijdte van het onderzoek vallen, dat alleen producten omvat die zijn vervaardigd van synthetische of kunstmatige filamenten, d.w.z. continuvezels van kunstmatige materialen. |
|
(26) |
Het proces voor de productie van PET-spinvlies begint met PET-chips (of PET-vlokken), die eerst worden gesmolten en daarna tot filamenten worden gevormd door spinnen en strekken van het gesmolten polymeer. Deze filamenten worden vervolgens verspreid in een net (gericht met luchtstromen) om een web te vormen. De filamenten worden daarna mechanisch met elkaar verknoopt door middel van naaldponsen, samengebonden door een op zetmeel of polymeer gebaseerd (chemisch) bindmiddel, en kunnen worden versterkt met glasvezel. Het eindproduct wordt opgewonden en verpakt in grote rollen of op maat gesneden volgens de wensen van de klant. |
|
(27) |
PET-spinvlies wordt gewoonlijk verkocht in rollen en wordt hoofdzakelijk gebruikt als drager voor bitumineuze membranen, d.w.z. afdichtingsmateriaal voor dakbedekking in de bouwsector. Bitumineuze membranen worden doorgaans vervaardigd door een dragermembraan van PET-spinvlies (soms versterkt met fiberglas om de sterkte en de duurzaamheid te vergroten) te impregneren in bitumen, een op aardolie gebaseerde stof die in hoge mate bestendig is tegen water en vocht. |
2.2. Betrokken product
|
(28) |
Het betrokken product is het onderzochte product van oorsprong uit de Volksrepubliek China. |
2.3. Soortgelijk product
|
(29) |
Uit het onderzoek is gebleken dat de volgende producten dezelfde fysische, chemische en technische basiseigenschappen hebben en voor dezelfde basisdoeleinden worden gebruikt:
|
|
(30) |
De Commissie heeft in dit stadium geconcludeerd dat die producten derhalve soortgelijke producten zijn in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening. |
2.4. Argumenten betreffende de productomschrijving
|
(31) |
De Commissie heeft van de importeur/gebruiker Iko Europe NV (Iko) een verzoek met betrekking tot de productomschrijving ontvangen. Iko verzocht om bepaalde soorten PET-spinvlies met een breedte van meer dan 5 meter en zonder bindmiddel uit te sluiten. De Commissie verduidelijkte dat producten van PET-spinvlies met een bindmiddel zijn opgenomen, ongeacht de breedte. Bovendien verduidelijkte de Commissie ook dat volgens de productomschrijving productsoorten zonder bindmiddel buiten de productomschrijving van het onderzoek vallen. |
|
(32) |
In de productcontrolenummers (PCN’s), zoals vastgesteld in de openingsfase, werd onderscheid gemaakt tussen glasvezelversterkt en niet-glasvezelversterkt PET-spinvlies. Verschillende partijen pleitten voor een gedetailleerder PCN, waarbij ook rekening zou worden gehouden met de verschillende soorten bindmiddelen die worden toegepast (acrylaat of zetmeel). Zowel de bedrijfstak van de Unie als de producenten-exporteurs gebruiken echter een mengsel van bindmiddelen. Er is vastgesteld dat alle soorten vergelijkbare toepassingen en prijzen hebben. Een gedetailleerdere analyse van producten met verschillende soorten bindmiddelen die niet verschillen wat het gebruik of de prijs betreft, werd derhalve niet nodig geacht. |
3. DUMPING
3.1. Procedure voor de vaststelling van de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening
|
(33) |
Aangezien er bij de opening van het onderzoek voldoende bewijsmateriaal beschikbaar was dat wees op het bestaan van verstoringen van betekenis in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt b), van de basisverordening met betrekking tot de VRC, achtte de Commissie het passend om met betrekking tot de producenten-exporteurs uit dit land het onderzoek te openen uit hoofde van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening. |
|
(34) |
Om de benodigde gegevens voor de mogelijke toepassing van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening te verzamelen, heeft de Commissie bijgevolg in het bericht van inleiding alle producenten-exporteurs in de VRC verzocht informatie over de inputs voor de productie van PET-spinvlies te verstrekken. Vier producenten-exporteurs hebben de desbetreffende informatie verstrekt. |
|
(35) |
Om de informatie te verkrijgen die zij voor haar onderzoek met betrekking tot de vermeende verstoringen van betekenis nodig achtte, heeft de Commissie de Chinese overheid een vragenlijst toegezonden. Bovendien heeft de Commissie in punt 5.3.2 van het bericht van inleiding alle belanghebbenden uitgenodigd om binnen 37 dagen na de datum van bekendmaking van dat bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie hun standpunt kenbaar te maken, informatie in te dienen en ondersteunend bewijsmateriaal te verstrekken ten aanzien van de toepassing van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening. |
|
(36) |
Geen enkele producent-exporteur heeft de toepassing van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening betwist, terwijl een van hen aanvoerde dat geen van de door hem gebruikte productiefactoren was verstoord. Aangezien deze producent-exporteur dit argument niet verder had onderbouwd en aangezien uit de controle van het antwoord op de vragenlijst was gebleken dat alle productiefactoren in het binnenland waren aangekocht en derhalve onderhevig waren aan de in punt 3.2.1 beschreven verstoringen van betekenis, werd het argument echter afgewezen. |
|
(37) |
Van de Chinese overheid is geen antwoord op de vragenlijst ontvangen. Vervolgens heeft de Commissie de Chinese overheid ervan in kennis gesteld dat zij overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening de beschikbare gegevens zou gebruiken om de aanwezigheid van verstoringen van betekenis in de VRC vast te stellen. |
|
(38) |
In punt 5.3.2 van het bericht van inleiding heeft de Commissie ook vermeld dat Thailand en Turkije, gezien het beschikbare bewijs, op grond van artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening geschikte representatieve derde landen zouden kunnen zijn voor de vaststelling van de normale waarde aan de hand van niet-verstoorde prijzen of benchmarks. De Commissie merkte verder op dat zij andere mogelijk passende representatieve landen zou onderzoeken overeenkomstig de criteria als bedoeld in artikel 2, lid 6 bis, punt a), eerste streepje, van de basisverordening. |
|
(39) |
De Commissie heeft in het dossier twee mededelingen bekendgemaakt om de belanghebbenden te informeren over de relevante bronnen die zij voornemens was te gebruiken voor de vaststelling van de normale waarde: de eerste mededeling over de productiefactoren van 14 november 2025 (“de eerste mededeling”) en de tweede mededeling over de productiefactoren van 9 februari 2026 (“de tweede mededeling”). |
|
(40) |
In die mededelingen heeft de Commissie een lijst verstrekt van alle productiefactoren zoals grondstoffen, arbeid en energie die bij de productie van het betrokken product een rol spelen. Daarnaast heeft de Commissie op basis van de criteria voor de keuze van niet-verstoorde prijzen of benchmarks mogelijke representatieve landen vastgesteld. |
|
(41) |
In de eerste mededeling identificeerde de Commissie onmiddellijk beschikbare jaarrekeningen voor drie producenten van het onderzochte product in Thailand en Indonesië. In de tweede mededeling stelde de Commissie voor om de verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten (“VAA-kosten”) en de winst vast te stellen op basis van PT Multi Spunindo Jaya Tbk, een producent van het betrokken product in Indonesië, aangezien de onmiddellijk beschikbare financiële gegevens van Thaise producenten onbetrouwbaar werden geacht. |
|
(42) |
In deze mededelingen werd ook ingegaan op de ontvangen opmerkingen van de belanghebbenden over deze elementen en over de relevante bronnen. De opmerkingen van de partijen worden in de volgende punten behandeld. |
3.2. Normale waarde
|
(43) |
Artikel 2, lid 1, van de basisverordening bepaalt het volgende: “De normale waarde is normaal gebaseerd op de prijzen die door onafhankelijke afnemers in het land van uitvoer in het kader van normale handelstransacties worden betaald of dienen te worden betaald.” |
|
(44) |
Artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening bepaalt evenwel: “Wanneer […] wordt vastgesteld dat het wegens het bestaan van verstoringen van betekenis in de zin van punt b) in het land van uitvoer niet passend is gebruik te maken van de binnenlandse prijzen en kosten in dat land, wordt de normale waarde uitsluitend berekend aan de hand van productie- en verkoopkosten waarin niet-verstoorde prijzen of benchmarks tot uitdrukking komen”, en deze normale waarde “omvat een niet-verstoord en redelijk bedrag voor administratiekosten, verkoopkosten en algemene kosten en voor winst” (voor “administratiekosten, verkoopkosten en algemene kosten” wordt hierna de afkorting “VAA-kosten” gebruikt). |
|
(45) |
Zoals hieronder nader wordt toegelicht, heeft de Commissie in dit onderzoek geconcludeerd dat het op basis van het beschikbare bewijsmateriaal en gezien het gebrek aan medewerking van de Chinese overheid juist was artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening toe te passen. |
3.2.1. Bestaan van verstoringen van betekenis
|
(46) |
Artikel 2, lid 6 bis, punt b), van de basisverordening luidt: “Verstoringen van betekenis zijn de verstoringen die zich voordoen wanneer de gerapporteerde prijzen en kosten, waaronder de kosten van grondstoffen en energie, niet door de vrije marktwerking tot stand komen, doordat zij door aanzienlijk overheidsingrijpen worden beïnvloed. Bij de beoordeling van de aanwezigheid van verstoringen van betekenis, wordt onder meer acht geslagen op de mogelijke gevolgen van een of meer van de volgende factoren:
|
|
(47) |
Aangezien de lijst in artikel 2, lid 6 bis, punt b), van de basisverordening niet-cumulatief is, hoeven niet alle factoren aanwezig te zijn om een verstoring van betekenis te kunnen vaststellen. Bovendien kunnen dezelfde feitelijke omstandigheden worden gebruikt om de aanwezigheid van een of meer factoren van de lijst aan te tonen. |
|
(48) |
Alle conclusies ten aanzien van verstoringen van betekenis in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening moeten echter worden getrokken op basis van al het beschikbare bewijsmateriaal. In de algehele beoordeling betreffende de aanwezigheid van verstoringen kan ook rekening worden gehouden met de algemene context en situatie in het land van uitvoer, in het bijzonder wanneer de overheid op grond van fundamentele elementen van de economische en bestuursstructuur van het land van uitvoer over ruime bevoegdheden beschikt om zodanig in te grijpen in de economie dat prijzen en kosten niet het gevolg zijn van vrije marktwerking. |
|
(49) |
In artikel 2, lid 6 bis, punt c), van de basisverordening is het volgende bepaald: “Wanneer de Commissie beschikt over gegronde aanwijzingen die duiden op de mogelijke aanwezigheid van verstoringen van betekenis zoals bedoeld in punt b), in een bepaald land of een bepaalde sector in dat land, en waar passend voor de doeltreffende toepassing van deze verordening, stelt zij een rapport op waarin de marktomstandigheden, zoals bedoeld in punt b), in dat land of die sector worden beschreven; zij maakt dat rapport openbaar en actualiseert het geregeld.” |
|
(50) |
Op grond van deze bepaling heeft de Commissie een landrapport opgesteld met betrekking tot de VRC (“het rapport”) (8), waaruit blijkt dat er sprake is van aanzienlijk overheidsingrijpen op veel niveaus van de economie, waaronder specifieke verstoringen met betrekking tot veel belangrijke productiefactoren (zoals grond, energie, kapitaal, grondstoffen en arbeid) evenals met betrekking tot specifieke sectoren, zoals de chemische sector. |
|
(51) |
De belanghebbenden werden uitgenodigd om het bewijsmateriaal dat zich ten tijde van de opening van het onderzoek in het onderzoeksdossier bevond, te weerleggen, aan te vullen of daarover opmerkingen te maken. Het rapport over de VRC is in het onderzoeksdossier opgenomen in de fase van de opening van het onderzoek. Ook de klacht bevatte relevant bewijsmateriaal dat het rapport aanvult. |
|
(52) |
De klager heeft zich gebaseerd op het bewijsmateriaal in het rapport (9). Bovendien wees de klager op de talrijke preferentiële beleidsmaatregelen en plannen van de Chinese overheid die de binnenlandse Chinese producenten van PET-spinvlies ondersteunen, waaruit in voldoende mate blijkt dat de Chinese PET-spinvliesindustrie aan verstoringen van betekenis onderhevig is en niet onder normale marktvoorwaarden handelt (10). |
|
(53) |
Bovendien werd in de klacht herinnerd aan de volgende elementen die tot verstoringen van betekenis leiden. |
|
(54) |
Ten eerste wordt de markt in kwestie voor een groot deel bediend door ondernemingen die in handen zijn van de autoriteiten van het land van uitvoer, waarover deze zeggenschap hebben, waarop deze beleidstoezicht uitoefenen of waarvoor deze beleidsadvies geven. Met name werd in de klacht aangevoerd dat verschillende producenten van PET-spinvlies nauwe banden hebben met de Chinese overheid of regionale of lokale overheden, hetzij rechtstreeks, hetzij via verenigingen (11). In de klacht was bijvoorbeeld vermeld dat de producent van PET-spinvlies Langfang Chinatex Nonwovens deel uitmaakt van het overheidsconglomeraat Chinatex Corporation (onderdeel van COFCO Group), waarin het partijcomité van Chinatex op hetzelfde niveau staat als de raad van bestuur, en bij de klacht was een bijlage gevoegd met informatie ter staving van het argument (12). |
|
(55) |
Bovendien was in de klacht ook vermeld dat de Chinese overheid nauwe banden met Chinese producenten van PET-spinvlies onderhoudt via representatieve brancheorganisaties zoals de China Nonwovens and Industrial Textiles Association (“CNITA”), de China Nonwovens Technical Association in Shanghai (“CNTA Shanghai”), de China National Building Waterproof Association (“CWA” of “CNBWA”) en de China Building Materials Federation (“CBMF”) (13). Bijgevolg zijn zelfs particuliere ondernemingen in de PET-spinvliesindustrie onderworpen aan beleidstoezicht en -advies. |
|
(56) |
Ten tweede stelt de aanwezigheid van de staat in ondernemingen die PET-spinvlies produceren, de overheid in staat zich te mengen in prijzen en/of kosten. In de klacht werd opgemerkt dat de kosten van de meeste, zo niet alle, factoren voor de Chinese productie van PET-spinvlies verstoord zijn, met inbegrip van de kosten van grondstoffen, elektriciteit, grond en arbeid (14). |
|
(57) |
Bovendien lichtte de klager toe dat verschillende grondstoffen voor de productie van PET-spinvlies, waaronder PET, garens en zetmeel, zelf aan verstoringen van betekenis onderhevig zijn, zoals de Commissie heeft bevestigd in de recente zaken betreffende PET en glasvezelgarens (15). In de klacht werd tevens aangevoerd dat de VRC ook de prijzen van maïszetmeel en rijstzetmeel voor de productie van het bindmiddel van het PET-spinvlies verstoort door extra voorraden aan te leggen (16). |
|
(58) |
In de klacht werd ook gewezen op de energiekosten in de VRC en werd betoogd dat de Chinese overheid zich in hoge mate en systematisch in de Chinese energiemarkt mengt en dat de Nationale Commissie voor Ontwikkeling en Hervorming de Chinese binnenlandse prijzen van elektriciteit en gas vaststelt (17). |
|
(59) |
Bovendien werd in de klacht aangevoerd dat de kosten van machines ook verstoord zijn, aangezien met verschillende beleidsmaatregelen van de overheid de kosten van uitrusting en machines worden verlaagd voor aangemoedigde bedrijfstakken zoals de textiel-, textielvlies- en PET-spinvliesindustrie (18). De klacht bevatte tevens bewijsmateriaal waaruit blijkt dat ook de grond- en loonkosten verstoord zijn (19). |
|
(60) |
In essentie werd in de klacht opgemerkt dat als gevolg van de beleidsmaatregelen voor alle factoren voor de productie van PET-spinvlies de Chinese kosten en prijzen niet door marktwerking tot stand komen. Dit betekent dat de Chinese overheid aanzienlijke invloed uitoefent op de prijsstelling in en de ontwikkeling van de PET-spinvliesindustrie. |
|
(61) |
Ten derde werd in de klacht toegelicht dat de Chinese overheid discriminerend overheidsbeleid of discriminerende overheidsmaatregelen hanteert die binnenlandse leveranciers bevoordelen of de vrije marktwerking anderszins beïnvloeden. In de klacht werd aangevoerd dat de richting die de Chinese economie op gaat, in grote mate wordt bepaald door een uitgebreid planningssysteem waarin prioriteiten en doelen worden gesteld waarop de centrale en de lokale overheid zich moeten concentreren. De Chinese sectoren textiel en niet-geweven stoffen zijn aan een aantal beleidsmaatregelen onderworpen. Dit bevestigt dat de Chinese overheid belang blijft hechten aan PET-spinvlies en voornemens is in de sector in te grijpen om deze vorm te geven in overeenstemming met het overheidsbeleid. |
|
(62) |
In dit verband werden in de klacht verschillende voorbeelden genoemd. Zo wordt de PET-splinvliessector in het 14e vijfjarenplan aangemerkt als een ondersteunde bedrijfstak die profiteert van projecten voor de ondersteuning van intelligente productie in de textielsector, alsook in de lichte industrie en de bouwmaterialensector (20). De textielsector en de lichte industrie worden ook gestimuleerd in het initiatief Made in China 2025 en het 14e vijfjarenplan voor intelligente productie (21). De Catalogus van aangemoedigde industrieën voorziet in steun in de textielindustrie om de technieken voor de productie van niet-geweven stoffen te verbeteren. In de Catalogus met richtsnoeren voor de structurele aanpassing van de industrie zijn ook nieuwe technologieën opgenomen voor niet-geweven processen en polyesterrecycling voor de productie van niet-geweven stoffen in de aangemoedigde categorie, waardoor ze in aanmerking komen voor overheidssteun in de vorm van fiscale bijstand en bijstand op het gebied van grond en krediet (22). |
|
(63) |
Ten vierde werd in de klacht aangevoerd dat producenten van PET-spinvlies toegang hebben tot financiering die wordt verleend door instellingen die de doelstellingen van het overheidsbeleid uitvoeren of anderszins in hun werking niet onafhankelijk zijn ten opzichte van de staat (23). In de klacht werd opgemerkt dat het Chinese financiële stelsel wordt gekenmerkt door een sterke positie van staatsbanken, die bij het verlenen van toegang tot financiering rekening houden met andere criteria dan de economische levensvatbaarheid van een project. In de klacht werd in dit verband ook verwezen naar het rapport over China van de Commissie en werd aangevoerd dat Chinese banken, net als niet-financiële staatsondernemingen, geregeld overheidsbeleid uitvoeren (24). |
|
(64) |
Concluderend voerde de klager aan dat in de PET-spinvliessector sprake is van verstoringen van betekenis in de zin van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening. |
|
(65) |
De Commissie heeft onderzocht of het wegens het bestaan van verstoringen van betekenis in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt b), van de basisverordening al dan niet passend was gebruik te maken van de binnenlandse prijzen en kosten in de VRC. De Commissie heeft dit gedaan op basis van het beschikbare bewijsmateriaal in het dossier. Het bewijsmateriaal in het dossier omvatte het bewijsmateriaal in het rapport, dat gebaseerd is op openbare bronnen. |
|
(66) |
Bij deze analyse werd niet alleen gekeken naar het aanzienlijke overheidsingrijpen in de economie van de VRC in het algemeen, maar ook naar de specifieke marktsituatie in de desbetreffende sector, met inbegrip van het betrokken product. De Commissie heeft deze bewijselementen verder aangevuld met haar eigen onderzoek naar de verschillende criteria die relevant zijn om het bestaan van verstoringen van betekenis in de VRC te bevestigen. |
3.2.2. Verstoringen van betekenis die de binnenlandse prijzen en kosten in de VRC beïnvloeden
|
(67) |
Het Chinese economische stelsel is gebaseerd op het concept van een “socialistische markteconomie”. Dat concept is vastgelegd in de Chinese grondwet en bepaalt het economische bestuur van de VRC. Het kernbeginsel is “socialistische publieke eigendom van de productiemiddelen, namelijk eigendom van het gehele volk en collectieve eigendom van de werkende bevolking” (25). |
|
(68) |
De staatseconomie wordt als de “leidende kracht van de nationale economie” beschouwd en de staat heeft de opdracht om “de consolidatie en groei” ervan te waarborgen (26). De SASAC bevestigde inderdaad dat tijdens het 14e vijfjarenplan de totale activa van centrale ondernemingen ten opzichte van het 13e vijfjarenplan met 44,6 % waren toegenomen, waarmee “de geïntegreerde ontwikkeling van upstream- en downstreamondernemingen in de industriële keten effectief werd gestimuleerd en de succesvolle verwezenlijking van de belangrijkste doelen en taken van de economische en sociale ontwikkeling van de economie van mijn land krachtig werd gesteund” (27). |
|
(69) |
Bijgevolg maakt de wijze waarop de Chinese economie is ingericht, niet alleen aanzienlijk overheidsingrijpen in de economie mogelijk, maar is dergelijk ingrijpen ook uitdrukkelijk voorgeschreven. Het gehele rechtsstelsel is doordrongen van de notie dat publieke eigendom superieur is aan particulier eigendom en deze notie wordt in alle belangrijke wetgeving als algemeen beginsel benadrukt. |
|
(70) |
De Chinese eigendomswetgeving vormt een voorbeeld bij uitstek hiervan: zij verwijst naar de eerste fase van het socialisme en geeft de staat de opdracht het fundamentele economische stelsel in stand te houden waarin de publieke eigendom een overheersende rol speelt. Andere vormen van eigendom worden getolereerd, waarbij de wet toelaat dat ze zich naast de staatseigendom ontwikkelen (28). |
|
(71) |
Daarnaast wordt naar Chinees recht de socialistische markteconomie ontwikkeld onder leiding van de CCP. De structuren van de Chinese staat en van de CCP zijn op alle niveaus (juridisch, institutioneel, persoonlijk) met elkaar vervlochten en vormen een superstructuur waarin de rollen van de CCP en de staat niet van elkaar zijn te onderscheiden. |
|
(72) |
Na een wijziging van de Chinese grondwet in maart 2018 is de leidende rol van de CCP nog sterker op de voorgrond getreden, omdat die nu is bevestigd in de tekst van artikel 1 van de grondwet. |
|
(73) |
Achter de reeds bestaande eerste zin van de bepaling: “Het socialistische systeem is het fundamentele stelsel van de Volksrepubliek China”, is een nieuwe tweede zin ingevoegd, die luidt: “Het leiderschap van de Communistische Partij van China is het essentiële kenmerk van het socialisme met Chinese karakteristieken.” (29) Dit illustreert de onbetwiste en steeds toenemende zeggenschap van de CCP over het economische stelsel van de VRC. |
|
(74) |
Dit leiderschap en deze zeggenschap zijn inherent aan het Chinese systeem en gaan veel verder dan de gebruikelijke situatie in andere landen waar de regeringen algemene macro-economische zeggenschap uitoefenen binnen de grenzen van de vrije marktwerking. |
|
(75) |
De Chinese staat voert een interventionistisch economisch beleid om zijn doelen na te streven, die niet zozeer een afspiegeling zijn van de heersende economische omstandigheden op een vrije markt, maar veeleer samenvallen met de politieke agenda van de CCP (30). De interventionistische economische instrumenten die door de Chinese autoriteiten worden ingezet, zijn talrijk en omvatten onder meer het systeem van industriële planning, het financiële systeem en regelgevingsinstrumenten. |
|
(76) |
Ten eerste — op het niveau van de algemene administratieve zeggenschap — wordt de richting van de Chinese economie bepaald door een complex systeem van industriële planning dat alle economische activiteiten in het land beïnvloedt. Al deze plannen samen bestrijken een complete en complexe matrix van sectoren en transversale beleidsmaatregelen en zijn aanwezig op alle overheidsniveaus. |
|
(77) |
De plannen op provinciaal niveau zijn gedetailleerd, terwijl in de nationale plannen bredere doelen worden gesteld. In de plannen wordt ook beschreven met welke middelen de betrokken bedrijfstakken/sectoren worden ondersteund en binnen welk tijdsbestek de doelstellingen moeten worden gerealiseerd. Sommige plannen bevatten nog steeds expliciete productiestreefcijfers. |
|
(78) |
In het kader van de plannen worden afzonderlijke industriële sectoren en/of projecten aangewezen als (positieve of negatieve) prioriteiten in overeenstemming met de prioriteiten van de overheid en worden er specifieke ontwikkelingsdoelstellingen aan toegekend (industriële modernisering, internationale expansie enz.). |
|
(79) |
De marktdeelnemers, zowel particuliere als staatsondernemingen, moeten hun bedrijfsactiviteiten daadwerkelijk aanpassen aan de eisen van het planningssysteem. Dit komt niet alleen door het bindende karakter van de plannen, maar ook doordat de bevoegde Chinese autoriteiten op alle overheidsniveaus zich aan het systeem van plannen houden en hun verworven bevoegdheden dienovereenkomstig gebruiken, waardoor de marktdeelnemers ertoe worden aangezet de in de plannen vastgelegde prioriteiten na te leven (31). |
|
(80) |
Ten tweede — op het niveau van de toewijzing van financiële middelen — wordt het financiële systeem van de VRC gedomineerd door de handels- en beleidsbanken in staatseigendom. Die banken moeten hun kredietbeleid ontwikkelen en uitvoeren in overeenstemming met de doelstellingen van het industriebeleid van de overheid in plaats van zich in de eerste plaats te buigen over de economische merites van een bepaald project (32). |
|
(81) |
Hetzelfde geldt voor de andere componenten van het Chinese financiële stelsel, zoals de aandelenmarkten, obligatiemarkten, private-equitymarkten enz. Ook deze onderdelen van de financiële sector zijn institutioneel en operationeel opgezet op een manier die er niet op gericht is de efficiënte werking van de financiële markten te maximaliseren, maar de zeggenschap van de staat en de CCP te waarborgen en hun ingrijpen mogelijk te maken (33). |
|
(82) |
Ten derde — op het niveau van de regelgeving — neemt het overheidsingrijpen in de economie verschillende vormen aan. Zo worden regels omtrent overheidsopdrachten regelmatig gebruikt om andere beleidsdoelstellingen na te streven dan economische doelmatigheid, waardoor het beginsel van marktwerking op dit gebied wordt ondermijnd. In de toepasselijke wetgeving is uitdrukkelijk bepaald dat overheidsopdrachten worden geplaatst om de verwezenlijking van in het overheidsbeleid vastgestelde doelstellingen te bevorderen. De aard van deze doelstellingen blijft echter onduidelijk, waardoor de besluitvormende organen over een ruime beoordelingsmarge beschikken (34). |
|
(83) |
Ook op het gebied van investeringen behoudt de Chinese overheid aanzienlijke zeggenschap over en invloed op de bestemming en de omvang van zowel staats- als particuliere investeringen. Het doorlichten van investeringen, evenals diverse prikkels, beperkingen en verboden met betrekking tot investeringen worden door de autoriteiten gebruikt als een belangrijk instrument ter ondersteuning van de doelstellingen van het industriebeleid, zoals het handhaven van de zeggenschap van de staat over belangrijke sectoren of het versterken van de binnenlandse industrie (35). |
|
(84) |
Samengevat stoelt het Chinese economische model op enkele grondbeginselen die voorzien in een hoge mate van overheidsingrijpen en dit aanmoedigen. Dergelijk aanzienlijk overheidsingrijpen staat haaks op de vrije marktwerking en leidt tot een verstoring van de doeltreffende toewijzing van middelen volgens de marktbeginselen (36). |
3.2.2.1. Verstoringen van betekenis overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt b), eerste streepje, van de basisverordening: het feit dat de markt in kwestie voor een groot deel wordt bediend door ondernemingen die in handen zijn van de autoriteiten van het land van uitvoer, waarover deze zeggenschap hebben, waarop deze beleidstoezicht uitoefenen of waarvoor deze beleidsadvies geven.
|
(85) |
In de VRC vormen ondernemingen die in handen zijn van de staat, waarover de staat zeggenschap heeft en/of waarop de staat beleidstoezicht uitoefent of waarvoor deze beleidsadvies geeft, een essentieel onderdeel van de economie. |
|
(86) |
De sector van het betrokken product wordt voornamelijk bediend door particuliere ondernemingen, zoals Tiandingfeng Non-wovens Co., Ltd (37) en Changde Tiandingfeng Non-wovens Co., Ltd (38), beide volledig eigendom van Tiandingfeng Holdings Co., Ltd, dat op zijn beurt volledig eigendom is van Beijing Oriental Yuhong Waterproof Technology Co., Ltd (39), Hubei Bushi Non-Woven Co., Ltd (40), Jiangyin Huasicheng Nonwovens Co., Ltd (41), dat in handen is van Jiangsu Huahong Industrial Group Co., Ltd, of Hebei Qianjin Non-Woven Group Co., Ltd (42). Niettemin blijft in de upstreamsectoren de mate van staatseigendom aanzienlijk, en is een aantal PET-producenten geheel of gedeeltelijk in handen van de staat, zoals Zhuhai China Resources Chemical Innovative Materials Co., Ltd (voor 100 % eigendom van China Resources Group, een centrale staatsonderneming (43)) of Sinopec, een producent van PTA — een belangrijke input voor de productie van PET — en uiteindelijk voor 100 % eigendom van de SASAC (44). |
|
(87) |
Interventies van de CCP in de operationele besluitvorming zijn echter de norm geworden, niet alleen bij staatsondernemingen, maar ook bij particuliere ondernemingen (45), waarbij de CCP een leidende rol opeist ten aanzien van vrijwel elk aspect van de economie van het land. De invloed van de staat door middel van CCP-structuren binnen ondernemingen leidt er feitelijk toe dat marktdeelnemers onder zeggenschap en beleidstoezicht van de overheid staan, gezien de mate waarin de staats- en partijstructuren in de VRC zijn vervlochten. Bovendien is de hele sector van het betrokken product onderworpen aan verschillende beleidsmaatregelen van de overheid. Om te beginnen is PET, een van de belangrijkste inputs voor PET-spinvlies, opgenomen in de geavanceerde petrochemische materialen en geavanceerde materialen voor de lichte industrie die onder de routekaart Made in China 2025 (46) vallen. |
|
(88) |
Bovendien is de PET-industrie opgenomen in de lijst van aan te moedigen bedrijfstakken in de Catalogus met richtsnoeren voor structurele aanpassingen in de industrie (versie 2024), hetgeen aangeeft dat de autoriteiten voornemens zijn een regelgevingsklimaat te scheppen dat bevorderlijk is voor de ontwikkeling van de sector en dat mogelijk ook de weg vrijmaakt voor de toegang van de sector tot financiering (47). Tegelijkertijd zijn PET-producenten met een kleinere productiecapaciteit ook opgenomen in de lijst van aan restricties onderhevige sectoren, waaruit blijkt dat de Chinese autoriteiten voornemens zijn de structuur van de PET-industrie te beïnvloeden: “conventionele productie voor de continue polymerisatie van polyester (PET) met een capaciteit van minder dan 200 000 ton/jaar”. |
|
(89) |
Bovendien is het 14e vijfjarenplan voor grondstoffen (48) rechtstreeks op de petrochemische sector gericht doordat daarin is vermeld dat “in sectoren, waaronder petrochemische en chemische stoffen, staal, non-ferrometalen en bouwmaterialen, wij een aantal pioniersondernemingen in de industriële keten zullen bevorderen die een leidende rol spelen in het ecosysteem en worden gekenmerkt door kernconcurrentievermogen. De leidende rol van toonaangevende ondernemingen in de sectoren chemische stoffen en bouwmaterialen wordt ingezet om de hervorming en herstructurering van bedrijven te bevorderen”. |
|
(90) |
Zeggenschap en beleidstoezicht van de overheid kunnen ook worden waargenomen op het niveau van de betrokken brancheorganisaties (49). |
|
(91) |
Bijvoorbeeld de China Petrochemical and Chemical Industry Federation (“CPCIF”), de sectorale brancheorganisatie. Overeenkomstig artikel 3 van de statuten van de CPCIF aanvaardt de organisatie “de professionele richtsnoeren, het toezicht en het beheer door de entiteiten die belast zijn met registratie en beheer, door entiteiten die belast zijn met partijopbouw en door de desbetreffende administratieve afdelingen die belast zijn met het beheer van de industrie” (50). Sinopec is lid van de CPCIF (51). |
|
(92) |
Daarnaast is ook de China Non-woven and Industry Textile Association (52) (“CNITA”) relevant voor het betrokken product. In artikel 3 van de statuten van de CNITA is bepaald dat “de vereniging het algemene leiderschap van de Communistische Partij van China onderschrijft, partijorganisaties opricht, partijactiviteiten uitvoert”, en “gehoor geeft aan de zakelijke richtsnoeren van en het toezicht door de registratie- en beheerautoriteit, de leidende autoriteit voor partijopbouw en de desbetreffende afdelingen die belast zijn met het beheer van de industrie” (53). Tiandingfeng Holdings Co., Ltd (54) en Hebei Qianjin Non-Woven Group (55) zijn lid van de CNITA. |
|
(93) |
Hieruit blijkt dat zelfs particuliere producenten in de sector van het betrokken product niet onder marktvoorwaarden kunnen opereren. Zowel staats- als particuliere ondernemingen in de sector staan immers onder beleidstoezicht en krijgen beleidsadvies. |
3.2.2.2. Verstoringen van betekenis overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt b), tweede streepje, van de basisverordening: overheidsaanwezigheid in bedrijven, waardoor inmenging van de overheid in de prijzen of kosten mogelijk wordt
|
(94) |
De Chinese overheid kan zich door middel van overheidsaanwezigheid in ondernemingen mengen in prijzen en kosten. CCP-cellen in ondernemingen die al dan niet in staatseigendom zijn, vormen immers een belangrijk kanaal waarlangs de staat zich in zakelijke beslissingen kan mengen. |
|
(95) |
Volgens het Chinese vennootschapsrecht moet in elke onderneming een CCP-organisatie in het leven worden geroepen (met ten minste drie CCP-leden zoals bepaald in de statuten van de CCP (56)) en moet de onderneming de nodige voorwaarden scheppen voor de activiteiten van de partijorganisatie. |
|
(96) |
Deze eis lijkt in het verleden niet altijd te zijn gevolgd of strikt te zijn gehandhaafd. De CCP heeft echter, sinds ten minste 2016, haar aanspraken op zeggenschap bij zakelijke beslissingen in ondernemingen nadrukkelijk als politiek beginsel doen gelden (57), onder meer door druk uit te oefenen op particuliere ondernemingen om “vaderlandslievendheid” voorop te stellen en zich naar de partijlijn te voegen (58). |
|
(97) |
In 2017 werd al bericht dat in 70 % van de circa 1,86 miljoen ondernemingen in particuliere eigendom partijcellen aanwezig waren, en dat er toenemende druk was om de CCP-organisaties het laatste woord te laten hebben bij de zakelijke besluitvorming in de betrokken ondernemingen (59). Deze voorschriften zijn van algemene toepassing in de hele Chinese economie, in alle sectoren, ook op producenten van het betrokken product en de leveranciers van de basisproducten ervan. |
|
(98) |
Daarnaast werd op 15 september 2020 een document bekendgemaakt met als titel “Richtsnoeren van het Algemeen Bureau van het Centraal Comité van de CCP om in het nieuwe tijdperk de activiteiten van het Eenheidsfront in de particuliere sector op te voeren” (“de richtsnoeren”) (60), waarbij de rol van de partijcomités in particuliere ondernemingen verder werd uitgebreid. |
|
(99) |
In afdeling II.4 van de richtsnoeren staat: “Wij moeten over de gehele linie de capaciteit van de Partij om sturing te geven aan activiteiten van het Eenheidsfront in de particuliere sector vergroten en de werkzaamheden op dit gebied op doeltreffende wijze opvoeren”, en in afdeling III.6: “Wij moeten de aanwezigheid van de Partij in particuliere ondernemingen verder opvoeren en de partijcellen in staat stellen hun rol als bastion doeltreffend te vervullen en de partijleden in staat stellen hun rol als voorhoede en pioniers te spelen.” De richtsnoeren benadrukken zo de rol van de CCP in ondernemingen en andere entiteiten van de particuliere sector en trachten deze te versterken (61). |
|
(100) |
Het onderzoek heeft bevestigd dat overlappingen tussen managementfuncties en het CCP-lidmaatschap/partijfuncties ook in de PET-spinvliessector voorkomen. |
|
(101) |
Om een voorbeeld te geven: twee vicevoorzitters (62) van Beijing Oriental Yuhong Waterproof Technology Co., Ltd zijn ook lid van de CCP (63). |
|
(102) |
Bovendien heeft Changde Tiandingfeng Non-wovens Co., Ltd in 2021 een partijafdeling opgericht en “onderschrijft de onderneming het leiderschap van partijopbouw dat als leidraad dient voor de ontwikkeling van de onderneming” (64). Zo speelden “negen partijleden een leidende rol in de productie, de bedrijfsactiviteiten en de technische innovatie”. Ook “coördineert de partijorganisatie, wat de modernisering van de sector betreft, de bevordering van de gecoördineerde ontwikkeling van de keten van de upstream- en downstreamindustrie” (65). |
|
(103) |
De partijafdeling van Changde Tiandingfeng Non-wovens Co., Ltd werd door het gemeentelijk partijcomité van Changde geprezen als een “vergevorderde vanuit de basis ontstane partijorganisatie” (66) . |
|
(104) |
De inmenging van de CCP in de zakelijke beslissingen is ook duidelijk bij de toeleveringsbedrijven, zoals blijkt uit de beschikbare aangiften van de ondernemingen. In het jaarverslag 2022 van Sinopec Group, een producent van inputs voor de productie van PET, wordt erop gewezen dat “de onderneming voortdurend de kwaliteit van de partijopbouwwerkzaamheden verbetert door de geest van de werknemers te stimuleren, de tuchtinspectie en het toezicht te versterken, de raad van bestuur te helpen verschillende besluiten en regelingen doeltreffend uit te voeren en de hoogwaardige ontwikkeling van de onderneming te bevorderen” (67). Bovendien treedt de voorzitter van de raad van bestuur van Sinopec Group op als secretaris van het partijcomité en fungeren verschillende leden van de raad van bestuur als adjunct-secretarissen van het partijcomité (68). Sinopec Group verklaarde voornemens te zijn “zich te richten op de nieuwe missie en de nieuwe taken van de onderneming op het nieuwe traject, de zelfrevolutionaire geest van de partij uit te dragen, het leiderschap van de partij en de partijopbouw op globale en geïntegreerde wijze te versterken, en het alomvattende en strikte bestuur door de partij systematisch te bevorderen om een sterke garantie te bieden dat een nieuw hoofdstuk zal worden geschreven in de moderne petrochemische sector van de VRC” (69). |
|
(105) |
Verder hebben de aanwezigheid en het ingrijpen van de staat op de financiële markten en bij de levering van grondstoffen en basisproducten een extra verstorend effect op de markt (70). De overheidsaanwezigheid in ondernemingen, in de PET-spinvliessector en andere sectoren (zoals de financiële sector en de sector voor basisproducten), stelt de Chinese overheid dus in staat zich in de prijzen en kosten te mengen. |
3.2.2.3. Verstoringen van betekenis overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt b), derde streepje, van de basisverordening: discriminerend overheidsbeleid of discriminerende overheidsmaatregelen die binnenlandse leveranciers bevoordelen of de vrije marktwerking anderszins beïnvloeden
|
(106) |
De koers van de Chinese economie wordt in grote mate bepaald door een uitgebreid planningssysteem waarin prioriteiten worden gesteld en waarin de doelstellingen worden voorgeschreven waarop de centrale, provinciale en lokale overheid zich moeten concentreren. Op alle overheidsniveaus bestaan plannen die vrijwel alle economische sectoren bestrijken. De via de planningsinstrumenten geformuleerde doelstellingen hebben een bindend karakter en op elk bestuurlijk niveau houden de autoriteiten toezicht op de uitvoering van de plannen door het desbetreffende lagere bestuursniveau. |
|
(107) |
Over de gehele linie leidt het planningssysteem in de VRC ertoe dat er middelen worden toegewezen aan sectoren die door de overheid als strategisch of anderszins politiek belangrijk zijn bestempeld, in plaats van dat de toewijzing plaatsvindt in overeenstemming met de marktkrachten (71). |
|
(108) |
De Chinese autoriteiten hebben een aantal beleidsmaatregelen vastgesteld die de werking van de sector van het betrokken product sturen. |
|
(109) |
In de routekaart Made in China 2025 (72) wordt de PET-industrie genoemd als een sector die verder moet worden ontwikkeld, als een geavanceerd petrochemisch materiaal en ook als een geavanceerd materiaal voor de lichte industrie. |
|
(110) |
Het 14e vijfjarenplan voor economische en sociale ontwikkeling en de vooruitzichten voor 2035 (73) heeft tot doel “traditionele bedrijfstakken te moderniseren, de optimalisering en structurele aanpassing van grondstoffenindustrieën zoals petrochemie, staal, non-ferrometalen en bouwmaterialen te bevorderen, de levering van hoogwaardige producten in sectoren zoals de lichte industrie en textiel uit te breiden, de transformatie en modernisering van ondernemingen in belangrijke sectoren zoals de chemische industrie en de papiersector te versnellen, en de groene fabricage te verbeteren” (74). |
|
(111) |
In het 14e vijfjarenplan inzake de grondstoffenindustrie (75) staat: “ Het structuurplan voor de petrochemische industrie zal worden uitgevoerd en andere dan de in het plan vermelde nieuwe xyleen- en ethyleenprojecten zijn ten strengste verboden. [...] China zal zich richten op de deelgebieden of belangrijke producten met een solide industriële basis, prominente comparatieve voordelen en toonaangevende technologieën om de leidende rol van toonaangevende ondernemingen in de industriële keten ten volle te benutten [...] en een reeks industriële clusters in de petrochemie, [...] groene bouwmaterialen en nieuwe materialen te ontwikkelen. ” (76) |
|
(112) |
Daarnaast moet op grond van het richtinggevend advies over bevordering van de hoogwaardige ontwikkeling van de petrochemische en chemische industrie (77) “het sectorbeleid worden versterkt en de schaal van de industrie wetenschappelijk worden gereguleerd: [...] de leveringscapaciteit voor hoogwaardige polymeren, speciale chemische stoffen en andere producten vergroten”, alsook “het ondersteunend beleid worden verbeterd: de coördinatie tussen fiscaal, financieel, regionaal, investerings-, in- en uitvoer-, energie-, ecologisch, milieu-, prijs- en ander beleid en industriebeleid versterken. Het nationale platform voor samenwerking tussen de industrie en de financiële sector ten volle benutten”. |
|
(113) |
Op provinciaal niveau worden in het 14e vijfjarenplan van Shandong voor de ontwikkeling van de chemische industrie (78) de lokale autoriteiten opgeroepen om “de technologische transformatie van bestaande ondernemingen te versterken, de energie- en hulpbronnenefficiëntie te verbeteren en het kernconcurrentievermogen van ondernemingen te versterken. Vaststelling van een mechanisme voor ondernemingen om zich uit parken terug te trekken, verouderde productiecapaciteit resoluut weg te werken, beperkte productiecapaciteit strikt te controleren en gedifferentieerde beleidslijnen en maatregelen uit te voeren voor de toewijzing van factoren als grond, elektriciteit en water om bedrijven te dwingen zich te transformeren en te ontwikkelen.” In het plan wordt er ook toe opgeroepen “de financiële steun te verhogen. De fiscale prikkels, coördinatie en betrokkenheid van speciale fondsen te versterken, chemische bedrijven te ondersteunen bij het versnellen van de technologische transformatie, intelligente transformatie, industriële overdrachten, verplaatsing naar parken, afschaffing van verouderde apparatuur enz., en de invoering van belastingvrijstellingen voor de invoer van belangrijke technische apparatuur, btw-teruggave, onderzoeks- en ontwikkelingsbeleid, zoals extra aftrek van kosten en verzekeringsvergoedingen voor de eerste reeks technische apparatuur. Verschillende financiële instellingen en sociaal kapitaal actief begeleiden om in de chemische industrie te investeren, de voordelen van beleidsfinanciering, ontwikkelingsfinanciering en commerciële financiering benutten en de financiële steun voor belangrijke gebieden van de chemische technologie verhogen.” Tiandingfeng Non-wovens Co., Ltd (79) is gevestigd in Shandong. |
|
(114) |
Bovendien heeft het 14e vijfjarenplan van de provincie Hunan voor de ontwikkeling van strategische en opkomende industrieën (80) ook tot doel nieuwe chemische materialen te ontwikkelen: “het ontwikkelen van nieuwe synthetische rubbers, speciale harsen, hoogwaardige technische kunststoffen en andere polymeermaterialen”. Changde Tiandingfeng Non-wovens Co., Ltd is gevestigd in Hunan en meer specifiek in de industrieontwikkelingszone West Dongting in de gemeente Changde, die een uitvoeringsplan voor vijf verbeteringen 2022-2025 (81) heeft bekendgemaakt om “toonaangevende bedrijfstakken te versterken, opkomende industrieën uit te breiden en toekomstige industrieën te cultiveren en om, op basis van grootschalige projecten zoals Tiandingfeng, een aantal upstream- en downstreamindustrieën aan te trekken om een industriële keten te vormen”. Daartoe hebben de autoriteiten van West Dongting “Changde Tiandingfeng Non-woven Co., Ltd geholpen om met succes een beroep te doen op het speciale provinciale fondsproject voor de bouw van een hoogland voor geavanceerde productie, het speciale provinciale fondsproject voor de hoogwaardige ontwikkeling van de digitale industrie en de provinciale benchmarkonderneming voor intelligente fabricage enz., om ondernemingen te helpen financiële en beleidssteun te verkrijgen” (82). |
|
(115) |
Daarnaast is het 14e vijfjarenplan van Hubei voor de hoogwaardige ontwikkeling van de sector nieuwe materialen (83) gericht op technische kunststoffen en “het verbeteren van het technologische niveau van de sector met betrekking tot hoogwaardige technische kunststoffen, zoals polyoxymethyleen, PET/PBT-hars enz.”. |
|
(116) |
Met deze en andere middelen stuurt en controleert de Chinese overheid derhalve vrijwel elk aspect van de ontwikkeling en werking van de sector, evenals de upstream-basisproducten. |
|
(117) |
Samengevat heeft de Chinese overheid maatregelen getroffen om marktdeelnemers ertoe te bewegen te voldoen aan de doelstellingen van het overheidsbeleid voor de sector. Dergelijke maatregelen belemmeren de vrije marktwerking. |
3.2.2.4. Verstoringen van betekenis overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt b), vierde streepje, van de basisverordening: het ontbreken, de discriminerende toepassing of de ontoereikende handhaving van faillissements-, vennootschaps- of eigendomswetgeving
|
(118) |
Volgens de informatie in het dossier slaagt het Chinese faillissementsstelsel er niet in zijn belangrijkste doelstellingen te verwezenlijken, zoals een billijke vereffening van vorderingen en schulden en de bescherming van de wettelijke rechten en belangen van crediteuren en debiteuren. Dit lijkt voort te vloeien uit het feit dat het Chinese faillissementsrecht, ook al berust het formeel op beginselen die gelijkenis vertonen met de beginselen van het overeenkomstige recht in andere landen dan de VRC, wordt gekenmerkt door structureel ontoereikende handhaving. |
|
(119) |
Het aantal faillissementen blijft notoir laag in verhouding tot de omvang van de economie van het land, niet in de laatste plaats omdat de insolventieprocedures een aantal tekortkomingen vertonen, die in feite een ontmoedigend effect hebben op het indienen van faillissementsaanvragen. Bovendien blijft de staat een vooraanstaande en actieve rol in de insolventieprocedures spelen, met vaak een directe invloed op de uitkomst ervan (84). |
|
(120) |
Daarnaast zijn de tekortkomingen van het systeem van eigendomsrechten met name evident met betrekking tot de eigendom van grond en grondgebruiksrechten in de VRC (85). Alle grond is eigendom van de staat (collectieve landbouwgrond en stedelijke grond in staatseigendom). De toewijzing ervan is volledig in handen van de staat. Er zijn wettelijke bepalingen waarmee wordt beoogd de rechten op het gebruik van grond op transparante wijze en tegen marktprijzen toe te wijzen, bijvoorbeeld door invoering van biedprocedures. Het komt echter regelmatig voor dat deze bepalingen niet worden nageleefd, waarbij sommige kopers hun grond kosteloos of tegen een lagere prijs dan de marktprijs verkrijgen (86). Bovendien streven de autoriteiten bij het toewijzen van grond vaak specifieke politieke doelen na, waaronder de uitvoering van de economische plannen (87). |
|
(121) |
Net als in andere sectoren van de Chinese economie zijn de producenten van het betrokken product onderworpen aan de gewone regels van de Chinese faillissements-, vennootschaps- en eigendomswetgeving. Dit heeft tot gevolg dat ook deze ondernemingen te maken hebben met verstoringen van bovenaf wegens de discriminerende toepassing of ontoereikende handhaving van de faillissements- en eigendomswetgeving. Op basis van het beschikbare bewijsmateriaal blijken deze overwegingen ook volledig van toepassing te zijn op de PET-spinvliessector. Uit het onderhavige onderzoek is niets naar voren gekomen dat deze bevindingen ter discussie stelt. |
|
(122) |
In het licht van het bovenstaande heeft de Commissie geconcludeerd dat er in de sector van het betrokken product sprake is van discriminerende toepassing of ontoereikende handhaving van de faillissements- en eigendomswetgeving. |
3.2.2.5. Verstoringen van betekenis overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt b), vijfde streepje, van de basisverordening: verstoringen van loonkosten
|
(123) |
Een systeem van marktgebaseerde lonen kan zich in de VRC niet volledig ontwikkelen, omdat het recht op collectieve organisatie van werknemers en werkgevers wordt belemmerd. De VRC heeft een aantal essentiële verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie, met name die inzake de vrijheid van vereniging en collectieve onderhandelingen, niet geratificeerd (88). |
|
(124) |
Krachtens het nationale recht is er slechts één vakbondsorganisatie actief. Deze organisatie is echter onvoldoende onafhankelijk van de overheidsinstanties en zij is slechts in beperkte mate bij collectieve onderhandelingen en de bescherming van de rechten van werknemers betrokken (89). Bovendien wordt de mobiliteit van werknemers in de VRC beperkt door het systeem van registratie van huishoudens, dat de toegang tot het volledige scala van socialezekerheids- en andere voorzieningen beperkt tot de lokale inwoners van een bepaald administratief gebied. |
|
(125) |
Dit leidt er doorgaans toe dat werknemers die niet als lokale ingezetene zijn geregistreerd, zich in een kwetsbare werkgelegenheidssituatie bevinden en een lager inkomen ontvangen dan de houders van de ingezetenenregistratie (90). Deze bevindingen leiden tot verstoring van de loonkosten in de VRC. |
|
(126) |
Er is geen bewijsmateriaal ingediend waaruit blijkt dat de PET-spinvliessector niet onderworpen zou zijn aan het beschreven Chinese arbeidsrechtstelsel. De sector staat derhalve bloot aan verstoringen van de loonkosten, zowel direct (bij het vervaardigen van het betrokken product of de belangrijkste grondstof voor de vervaardiging ervan) als indirect (bij het krijgen van toegang tot kapitaal of basisproducten van ondernemingen die in de VRC aan hetzelfde arbeidsrechtstelsel onderworpen zijn). |
3.2.2.6. Verstoringen van betekenis overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt b), zesde streepje, van de basisverordening: toegang tot financiering door instellingen die de doelstellingen van het overheidsbeleid uitvoeren of anderszins in hun werking niet onafhankelijk zijn ten opzichte van de staat
|
(127) |
De toegang tot kapitaal voor ondernemingen in de VRC is onderhevig aan diverse verstoringen. |
|
(128) |
Ten eerste wordt het Chinese financiële stelsel gekenmerkt door een sterke positie van staatsbanken (91), die bij het verlenen van toegang tot financiering rekening houden met andere criteria dan de economische levensvatbaarheid van een project. Net als niet-financiële staatsondernemingen blijven de banken verbonden met de staat, niet alleen via de eigendomsrelatie, maar ook via persoonlijke betrekkingen (de hoogste leidinggevenden van de grote financiële instellingen in handen van de overheid worden in laatste instantie door de CCP benoemd) (92), en voeren zij geregeld het beleid van de Chinese overheid uit. |
|
(129) |
Hiermee voldoen de banken aan een uitdrukkelijke wettelijke verplichting om te handelen in overeenstemming met de behoeften van de nationale economische en sociale ontwikkeling en overeenkomstig het industriebeleid van de staat (93). Hoewel wordt erkend dat in diverse wettelijke bepalingen wordt gerefereerd aan de noodzaak tot eerbiediging van normaal gedrag van banken en prudentiële voorschriften zoals het onderzoeken van de kredietwaardigheid van de kredietnemer, blijkt uit het desbetreffende bewijsmateriaal dat deze bepalingen bij de toepassing van de verschillende wettelijke instrumenten slechts een secundaire rol spelen. |
|
(130) |
De recente ontwikkelingen illustreren eens temeer de reikwijdte van de overheidsinvloed op financiële instellingen in de VRC. In maart 2025 heeft de Chinese overheid aangekondigd staatsobligaties ter waarde van 500 miljard CNY uit te geven om aanzienlijke financiële steun te verlenen aan grote banken, waaronder de Bank of China, de China Construction Bank, de Bank of Communications en de Postal Savings Bank of China. Deze interventie was gericht op het stabiliseren van deze instellingen tegen de achtergrond van een afnemende winstgevendheid en historisch lage nettorentemarges, waarmee de proactieve maatregelen werden benadrukt die de staat had genomen om de economische stabiliteit te handhaven (94). |
|
(131) |
Bovendien heeft de Chinese overheid verduidelijkt dat zelfs beslissingen van particuliere handelsbanken onder toezicht van de CCP moeten staan en in overeenstemming moeten blijven met het nationale beleid. Een van de drie overkoepelende doelstellingen van de staat met betrekking tot de governance van het bankwezen is nu het versterken van de leidende rol van de partij in de bank- en verzekeringssector, ook met betrekking tot operationele en managementkwesties (95). Ook moet bij de criteria voor prestatie-evaluatie van commerciële banken nu in het bijzonder rekening worden gehouden met de wijze waarop entiteiten “de nationale ontwikkelingsdoelstellingen en de reële economie dienen”, en met name hoe zij “strategische en opkomende industrieën ten dienste staan” (96). |
|
(132) |
Bovendien streeft de Chinese overheid er op het niveau van de toewijzing van financiële middelen naar om met verschillende maatregelen ter verdere bevordering van de ontwikkeling van particuliere investeringen (97) “de centrale begrotingsmiddelen te verhogen om gekwalificeerde particuliere investeringsprojecten te ondersteunen en om actief een sturende en leidende rol te spelen”. De Chinese overheid is ook voornemens om “goed gebruik te maken van nieuwe financiële beleidsinstrumenten en een aantal gekwalificeerde particuliere investeringsprojecten in belangrijke industrieën en op belangrijke gebieden te ondersteunen” (98). |
|
(133) |
Daarnaast zijn obligatie- en kredietratings dikwijls om verscheidene redenen verstoord, onder meer omdat de risicobeoordeling wordt beïnvloed door het strategische belang dat een bedrijf voor de Chinese overheid heeft, en door de kracht die uitgaat van een impliciete garantie van de overheid (99). Daarbij komen nog aanvullende bestaande regels, die geldmiddelen naar sectoren leiden die volgens de overheid moeten worden gestimuleerd of anderszins als belangrijk zijn aangemerkt (100). Dit leidt ertoe dat gemakkelijker leningen worden verstrekt aan staatsondernemingen, grote particuliere bedrijven met goede connecties en bedrijven in belangrijke industriële sectoren, wat impliceert dat de beschikbaarheid en de kosten van kapitaal niet voor alle spelers op de markt gelijk zijn. |
|
(134) |
Ten tweede worden de kredietkosten kunstmatig laag gehouden om de groei van investeringen te stimuleren. Dit heeft geleid tot een buitensporig gebruik van kapitaalinvesteringen met steeds lagere rendementen. Dit wordt geïllustreerd door de toename van de schulden van de ondernemingen in de overheidssector ondanks een scherpe daling van de winstgevendheid, waaruit blijkt dat de mechanismen in het bankwezen niet volgens normale commerciële beginselen reageren. |
|
(135) |
Ten derde zijn de prijssignalen, ondanks de liberalisering van de nominale rente in oktober 2015, nog steeds niet het resultaat van de vrije marktwerking, maar worden zij beïnvloed door verstoringen die door de overheid zijn veroorzaakt. Ten minste een derde van alle leningen werd eind 2018 nog steeds tegen of onder de benchmarkrente verstrekt (101). De officiële media in de VRC hebben onlangs gemeld dat de CCP heeft opgeroepen om “de marktrente voor leningen naar beneden bij te sturen (102)”. Kunstmatig lage rentetarieven leiden tot te lage prijzen en daarmee tot buitensporig gebruik van kapitaal. |
|
(136) |
De algehele kredietgroei in de VRC duidt erop dat de toewijzing van kapitaal minder doeltreffend plaatsvindt dan voorheen, zonder aanwijzingen voor kredietrestricties die in een niet-verstoorde marktomgeving te verwachten zouden zijn. Als gevolg hiervan is het aantal niet-renderende leningen snel gestegen. De Chinese overheid heeft er een aantal malen voor gekozen wanbetalingen te voorkomen, wat heeft geleid tot het ontstaan van “zombie”-ondernemingen, of de eigendom van de schuld over te dragen (bv. via fusies of schuldconversies), zonder dat daarbij noodzakelijkerwijs het totale schuldprobleem werd verholpen of de onderliggende oorzaken van dat probleem werden weggenomen. |
|
(137) |
In essentie wordt het stelsel voor ondernemingskredieten in de VRC, ondanks de stappen die zijn genomen om de markt te liberaliseren, beïnvloed door verstoringen van betekenis als gevolg van de voortdurende en alomtegenwoordige rol van de staat op de kapitaalmarkten. Daarom leidt het aanzienlijke overheidsingrijpen in het financiële stelsel ertoe dat de marktvoorwaarden op alle niveaus sterk worden beïnvloed. |
|
(138) |
In het onderhavige onderzoek werd geen bewijsmateriaal overgelegd waaruit blijkt dat de sector van het betrokken product niet wordt beïnvloed door overheidsingrijpen in het financiële stelsel in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt b), zesde streepje, van de basisverordening. Daarom leidt het aanzienlijke overheidsingrijpen in het financiële stelsel ertoe dat de marktvoorwaarden op alle niveaus sterk worden beïnvloed. |
3.2.3. Systemische aard van de beschreven verstoringen
|
(139) |
De Commissie heeft opgemerkt dat de in het geactualiseerde rapport beschreven verstoringen kenmerkend zijn voor de Chinese economie. Uit het beschikbare bewijsmateriaal blijkt dat de feiten en kenmerken van het Chinese stelsel, zoals hierboven en in deel I van het geactualiseerde rapport beschreven, van toepassing zijn op het hele land en alle sectoren van de economie. Hetzelfde geldt voor de beschrijving van de productiefactoren, zoals hierboven en in deel II van het geactualiseerde rapport beschreven. |
|
(140) |
De Commissie herinnert eraan dat voor de vervaardiging van het betrokken product bepaalde basisproducten nodig zijn. Wanneer de producenten van het betrokken product deze basisproducten inkopen of daarvoor contracten sluiten, zijn de prijzen die zij betalen (en die zij als hun kosten registreren), duidelijk blootgesteld aan bovengenoemde systemische verstoringen. Zo zetten leveranciers van basisproducten bijvoorbeeld arbeidskrachten in die aan de verstoringen onderhevig zijn. Zij kunnen geld lenen dat onderhevig is aan de verstoringen in de financiële sector/kapitaaltoewijzing. Daarnaast zijn zij onderworpen aan het planningsysteem dat op alle niveaus van de overheid en op alle sectoren van toepassing is. Deze verstoringen zijn hierboven uitvoerig beschreven, met name in de overwegingen 67 tot en met 138. De Commissie wees erop dat de regelgeving die aan deze verstoringen ten grondslag ligt, algemeen van toepassing is, aangezien de producenten van PET-spinvlies net als elke andere marktdeelnemer in de VRC aan die regels zijn onderworpen. De verstoringen zijn derhalve rechtstreeks van invloed op de kostenstructuur van het betrokken product. |
|
(141) |
Dientengevolge zijn niet alleen de binnenlandse verkoopprijzen van het betrokken product ongeschikt om te worden gebruikt in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening, maar geldt dat ook voor alle kosten voor basisproducten (waaronder grondstoffen, energie, grond, financiering, arbeid enz.), omdat de prijsvorming ervan wordt beïnvloed door aanzienlijk overheidsingrijpen, zoals beschreven in de delen I en II van het geactualiseerde rapport. |
|
(142) |
Het overheidsingrijpen dat met betrekking tot de toewijzing van kapitaal, grond, arbeid, energie en grondstoffen is beschreven, vindt namelijk plaats in de gehele VRC. Dit betekent bijvoorbeeld dat een basisproduct dat in de VRC werd geproduceerd, door een samenspel van een reeks productiefactoren aan verstoringen van betekenis wordt blootgesteld. Hetzelfde geldt voor het basisproduct voor het basisproduct enz. |
|
(143) |
Noch de Chinese overheid, noch de producenten-exporteurs hebben in het kader van het onderhavige onderzoek bewijsmateriaal of argumenten van het tegendeel aangedragen. |
3.2.4. Argumenten van de belanghebbenden
|
(144) |
Uit overweging 36 volgt dat geen enkele partij het gebruik van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening als zodanig heeft betwist en dat de Chinese overheid niet aan het onderzoek heeft meegewerkt. |
3.2.5. Conclusie
|
(145) |
Uit de analyse in dit punt, met onder meer een bestudering van al het beschikbare bewijs voor het ingrijpen door de VRC in haar economie in het algemeen en in de sector van het betrokken product, is gebleken dat de prijzen en kosten van het betrokken product, inclusief de kosten van grondstoffen, energie en arbeid, niet door de vrije marktwerking tot stand komen, omdat ze worden beïnvloed door aanzienlijk overheidsingrijpen in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt b), van de basisverordening, zoals blijkt uit de daadwerkelijke of mogelijke gevolgen van een of meer van de daarin vermelde elementen. |
|
(146) |
Op grond daarvan is de Commissie tot de conclusie gekomen dat het in dit geval niet passend is om voor de vaststelling van de normale waarde gebruik te maken van de binnenlandse prijzen en kosten. |
|
(147) |
Bijgevolg heeft de Commissie de normale waarde uitsluitend berekend aan de hand van productie- en verkoopkosten waarin niet-verstoorde prijzen of benchmarks tot uitdrukking komen, dat wil zeggen in dit geval aan de hand van de overeenkomstige productie- en verkoopkosten in een passend representatief land in overeenstemming met artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening en zoals wordt toegelicht in het volgende punt. |
3.2.6. Representatief land
3.2.6.1. Algemene opmerkingen
|
(148) |
De keuze van het representatieve land overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening werd gebaseerd op de volgende criteria:
|
|
(149) |
Zoals toegelicht in overweging 39, heeft de Commissie in het dossier twee mededelingen aangaande de bronnen voor de vaststelling van de normale waarde bekendgemaakt. In deze mededelingen werden de feiten en het bewijsmateriaal beschreven die aan de relevante criteria ten grondslag liggen en werd ingegaan op de opmerkingen die van de partijen over deze elementen en de relevante bronnen waren ontvangen. |
3.2.6.2. Een niveau van economische ontwikkeling dat vergelijkbaar is met dat van de VRC
|
(150) |
In de eerste mededeling heeft de Commissie de belanghebbenden in kennis gesteld van de relevante bronnen die zij voornemens was te gebruiken om de normale waarde vast te stellen en heeft zij een lijst verstrekt van alle productiefactoren zoals grondstoffen, arbeid en energie. Ook heeft zij mogelijke representatieve landen aangemerkt. |
|
(151) |
Volgens de invoerstatistieken van grondstoffen werd invoer van de voor de productie van PET-spinvlies benodigde productiefactoren aangetroffen in Indonesië, Thailand en Turkije, die alle voldeden aan de criteria van artikel 2, lid 6 bis, punt a), eerste streepje, van de basisverordening. Het wordt eveneens waarschijnlijk geacht dat in die drie landen PET-spinvlies wordt geproduceerd. |
|
(152) |
Er werden geen opmerkingen ontvangen over het niveau van economische ontwikkeling van de in de eerste mededeling genoemde landen. Verschillende partijen hebben echter opmerkingen gemaakt over de betrouwbaarheid van de prijzen voor bepaalde productiefactoren in elk van de landen, die in de volgende overwegingen worden behandeld. |
|
(153) |
In de tweede mededeling heeft de Commissie de belanghebbenden in kennis gesteld van haar voornemen om Thailand in het onderhavige geval als een geschikt representatief land aan te merken indien het bestaan van verstoringen van betekenis in de zin van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening zou worden bevestigd. |
3.2.6.2.1. Thailand
|
(154) |
In reactie op de eerste mededeling hebben Changde Tiandingfeng Nonwovens Co., Ltd en Tiandingfeng Nonwovens Co., Ltd — de laatste twee worden hierna aangeduid als “TDF Group” — gepleit voor Turkije als representatief land, in plaats van Thailand, omdat de invoer van PET-chips in Turkije volgens hen meer gediversifieerd is, met een groter volume, en voornamelijk wordt betrokken uit landen met een markteconomie, en derhalve representatiever zou zijn voor niet-verstoorde marktprijzen. |
|
(155) |
Hubei Unibon nonwovens Co., Ltd (“Unibon”) voerde aan dat Thailand geen passend representatief land is, met als arerument dat de invoer van PET-chips in dat land verstoord is vanwege het grote aandeel van de invoer van PET-chips uit de VRC en de gemiddelde prijs bij invoer uit andere landen beduidend hoger is dan in de twee andere mogelijke representatieve landen. Unibon voerde aan dat die prijzen erop wijzen dat de invoer in Thailand uit andere landen dan de VRC voornamelijk PET-chips van een speciale kwaliteit of atypische PET-chips betreft en daarom niet kan worden beschouwd als een standaardbenchmark voor PET-chips die worden gebruikt bij de productie van het onderzochte product. |
|
(156) |
In de tweede mededeling merkte de Commissie op dat zowel in Thailand als in Turkije een aanzienlijk deel van de totale invoer van PET-chips afkomstig was uit de VRC. Zoals toegelicht in de eerste mededeling, was de Commissie echter van oordeel dat de prijzen van PET-chips bij invoer in Turkije uit andere landen dan de VRC werden beïnvloed door het grote volume van de invoer van PET-chips uit de VRC tegen verstoorde prijzen, terwijl dit in Thailand niet het geval leek te zijn. |
|
(157) |
In reactie op de tweede mededeling herhaalde Unibon zijn argument dat Thailand geen geschikt representatief land is door aan te voeren dat PET-chips bij die beoordeling de doorslaggevende factor moeten zijn. De onderneming betoogde dat Thailand een netto-exporteur van PET-chips is, terwijl Indonesië een evenwichtigere handelspositie heeft en derhalve een geschiktere benchmark zou zijn. Unibon voerde verder aan dat de Commissie niet alleen rekening zou moeten houden met het aandeel van de invoer uit de VRC, maar ook met de absolute invoervolumes. Tot slot betoogde Unibon dat de aanzienlijk hogere prijzen van PET-chips bij invoer in Thailand dan bij invoer in Indonesië en Turkije erop wijzen dat de in Thailand ingevoerde producten tot een specifieke categorie behoren en derhalve niet representatief zijn. |
|
(158) |
De Commissie merkte op dat de relatief hogere prijzen van PET-chips bij invoer in Thailand waarschijnlijk zijn toe te schrijven aan het lagere percentage invoer uit de VRC, wat leidt tot een groter aandeel van de invoer uit andere derde landen tegen marktprijzen. In dit verband is het relatieve aandeel van de invoer uit de rest van de wereld ten opzichte van de invoer uit de VRC een relevantere indicator voor de betrouwbaarheid van de prijzen dan de absolute invoervolumes. Aangezien de volumes van de invoer van PET-chips in Thailand redelijk hoog blijven, vormde een gediversifieerde inkoopstructuur met een beperkte blootstelling aan mogelijk verstoorde invoer een geschiktere basis voor de vaststelling van een niet-verstoorde benchmark. |
|
(159) |
De Commissie merkte op dat uit het onderzoek geen specifieke handelsbeperkingen of -verstoringen ten aanzien van PET-chips naar voren zijn gekomen die Thailand ongeschikt zouden maken als representatief land. Het enkele feit dat Thailand een netto-exporteur van PET-chips is, toont niet aan dat zijn invoerprijzen abnormaal zijn of ongeschikt zijn voor benchmarkingdoeleinden. Eerder integendeel, aangezien de invoer concurreert met in het binnenland geproduceerde PET-chips. |
|
(160) |
Unibon voerde verder aan dat bij de gebruikte benchmarkprijzen verzekering en invoerrechten buiten beschouwing moeten worden gelaten. Naar zijn mening brengen de op de binnenlandse markt verkochte PET-chips dergelijke kosten niet met zich mee en wordt het merendeel van de in Thailand verkochte PET-chips in het binnenland geproduceerd, waardoor er geen verzekeringskosten en invoerrechten aan verbonden zijn. |
|
(161) |
Wat de uitsluiting van verzekering en invoerrechten betreft, werd de normale waarde gebaseerd op invoerstatistieken van de GTA, terwijl de toepasselijke invoerrechten werden vastgesteld aan de hand van MacMap. Dergelijke invoerprijzen omvatten per definitie, in voorkomend geval, invoerrechten en bijkomende invoerkosten. De opname ervan is derhalve inherent aan de toegepaste methode. |
|
(162) |
Bovendien voerden de klagers in reactie op de tweede mededeling aan dat de benchmark voor arbeid, die is afgeleid van de Bank of Thailand en is opgenomen in bijlage V bij de tweede mededeling, onredelijk laag was en geen accurate weergave was van de werkelijke loonkosten in Thailand. Zij betoogden dat dit cijfer aanzienlijk lager is dan de door de Commissie toegepaste loonkosten in andere representatieve hogermiddeninkomenslanden. De klagers verzochten de Commissie om de benchmark voor loonkosten te corrigeren door gebruik te maken van gegevens over hogere loonkosten voor “engineeringfuncties”, zoals gepubliceerd door de Thaise Commissie voor Investeringen, die zij als een passendere en meer representatieve bron beschouwden. |
|
(163) |
De Commissie merkte op dat de benchmark niet ongebruikelijk laag was gezien de werkelijke functies van de betrokken arbeidskrachten in het productieproces. Bovendien was het niveau van de benchmark in grote lijnen vergelijkbaar met de door andere internationale statistische bronnen gerapporteerde loonkostengegevens, en derhalve kon dit niveau niet worden beschouwd als onrepresentatief of ongeschikt voor de berekening van de normale waarde. Het argument werd derhalve afgewezen. |
|
(164) |
Wegens het ontbreken van betrouwbare gegevens over de invoer van bruinkool in Thailand, aangezien de invoer uitsluitend afkomstig is uit Laos, heeft de Commissie in de tweede mededeling aangegeven dat zij voornemens was de benchmark voor bruinkool vast te stellen door gebruik te maken van de prijzen van bruinkool voor ondernemingen (industriële gebruikers) in Thailand, zoals gepubliceerd door het Energy Policy and Planning Office van het ministerie van Energie. De Commissie heeft de meest recente gegevens met betrekking tot 2024 als benchmark gebruikt. |
|
(165) |
In reactie op de tweede mededeling voerde Unibon aan dat de benchmarkprijs voor bruinkool moet worden gebaseerd op invoergegevens van de Thaise douaneautoriteiten onder GS 2702 10 in plaats van op de binnenlandse steenkoolstatistieken. Unibon voerde aan dat in de binnenlandse statistieken bruinkool niet wordt onderscheiden van andere soorten steenkool en dat daarin alleen een gemiddelde prijs voor een brede steenkoolcategorie is opgenomen, ondanks significante verschillen in calorische waarde en andere eigenschappen die tot aanzienlijke prijsverschillen leiden. Unibon voerde verder aan dat het vaste praktijk van de Commissie is om voor de waardering van productiefactoren gebruik te maken van openbaar beschikbare douanegegevens van het representatieve land en betoogde dat er geen rechtvaardiging is om in het onderhavige geval van deze benadering af te wijken, temeer daar Thailand productspecifieke invoerstatistieken voor bruinkool bijhoudt, aanzienlijke invoervolumes registreert en deze invoer betrekt uit landen met een markteconomie, wat naar zijn mening waarborgt dat de prijzen niet-verstoord en representatief zijn. |
|
(166) |
De Commissie merkte op dat er weliswaar gegevens van de Thaise douane onder GS-code 2702 10 beschikbaar zijn, maar dat de geregistreerde invoer vrijwel uitsluitend afkomstig is uit één enkel buurland, namelijk Laos, en derhalve niet als voldoende representatief voor een concurrerende en gediversifieerde markt kan worden beschouwd. De hoge concentratie van aanbod in één herkomstland heeft geleid tot bezorgdheid over de betrouwbaarheid van de invoerprijs als geschikte benchmark. Bovendien is vervoer van bruinkool over lange afstanden, gezien de specifieke fysieke kenmerken ervan — met name de lage calorische waarde en het hoge vochtgehalte — in het algemeen onrendabel (104). Dit betekent dat de invoerstatistieken waarschijnlijk een klein aantal grensoverschrijdende transacties weergeven die zijn ingegeven door geografische nabijheid, in plaats van prijzen die tot stand zijn gekomen onder algemenere marktvoorwaarden. In deze omstandigheden bevestigde de Commissie dat de invoergegevens niet de meest geschikte basis voor de waardering van deze productiefactor vormden. |
|
(167) |
Tot slot voerden de klagers aan dat de Thaise invoerprijzen van maïszetmeel te laag waren om de prijzen van bij de productie van PET-spinvlies gebruikt gemodificeerd maïszetmeel te weerspiegelen. In dit verband betoogden zij dat dit waarschijnlijk is toe te schijven aan de productmix die onder de desbetreffende GN-code valt, die zowel gemodificeerd maïszetmeel (gebruikt in PET-spinvlies) als niet-gemodificeerd maïszetmeel (niet gebruikt in PET-spinvlies) omvat. De producenten in de Unie betoogden derhalve dat de Commissie passende correcties zou moeten toepassen om met dit verschil rekening te houden. |
|
(168) |
De Commissie heeft nota genomen van het argument van de producenten in de Unie met betrekking tot het gebruik van gemodificeerd maïszetmeel bij de productie van PET-spinvlies en het niveau van de Thaise invoerprijzen. De producenten in de Unie hebben echter niet voldoende bewijsmateriaal verstrekt om deze argumenten te onderbouwen. Er werden dan ook geen correcties op de prijzen van maïszetmeel bij invoer in Thailand toegepast. |
3.2.6.2.2. Turkije
|
(169) |
In reactie op de eerste mededeling voerde TDF Group aan dat de invoer in Turkije van belangrijke productiefactoren, met name PET-chips, representatiever en meer marktgestuurd is dan de invoer in Thailand. De invoer uit de VRC bedraagt minder dan de helft van de invoer van PET-chips in Turkije, en inkoop in een groot aantal landen met een markteconomie zou erop wijzen dat de prijzen internationale marktvoorwaarden weerspiegelen. TDF Group voerde aan dat de prijsniveaus op zich geen verstoring aantonen en dat representatieve invoervolumes de doorslaggevende factor in de analyse van de Commissie zouden moeten zijn, vooral omdat PET-chips ongeveer 50 % van de totale productiekosten van het onderzochte product uitmaakten. De onderneming betoogde dat de hogere en meer gediversifieerde volumes van de invoer in Turkije uit andere landen dan de VRC derhalve een betrouwbaardere benchmark vormden. TDF Group voerde tevens aan dat de afwezigheid van invoer van bruinkool Turkije niet mag diskwalificeren, aangezien dergelijke lacunes kunnen worden opgevuld door gegevens uit andere landen te gebruiken. |
|
(170) |
Unibon voerde daarentegen aan dat Turkije geen passend representatief land is vanwege het sterk verstoorde grondstoffenklimaat, de macro-economische instabiliteit die van invloed is op de loonkosten per eenheid product, de energiekosten en de financiëlekostenratio’s, en het ontbreken van geschikte financiële gegevens. |
|
(171) |
In de tweede mededeling merkte de Commissie op dat Thailand en Turkije een vergelijkbaar invoerpatroon vertonen, met een aanzienlijke invoer van PET-chips uit de VRC. Zoals uiteengezet in de eerste mededeling, en ook in overweging 156, was de Commissie echter van oordeel dat de prijzen van PET-chips bij invoer in Turkije uit andere landen dan de VRC lijken te zijn beïnvloed door het grote volume van de invoer van PET-chips uit de VRC tegen verstoorde prijzen. |
|
(172) |
De Commissie heeft de invoer van de belangrijkste grondstof, PET-chips, nader geanalyseerd en de invoergegevens op een gedetailleerder niveau onderzocht om de bij de productie van PET-spinvlies gebruikte soorten PET-chips te identificeren. Anders dan in Thailand en Indonesië wordt in het Turkse tariefschema echter geen onderscheid gemaakt tussen verschillende achtcijferige codes onder GS 3907 69 . |
|
(173) |
Na de publicatie van de eerste mededeling stelde de Commissie ook vast dat Turkije vrijwaringsmaatregelen had ingesteld die betrekking hebben op invoer van PET-chips die zijn ingedeeld onder GS-code 3907 69 (105). De maatregelen zijn van kracht sinds 11 juni 2020. De Commissie stelde vast dat deze vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van PET-chips de invoerprijzen van deze belangrijke grondstof verstoren, waardoor Turkije een minder geschikte optie is als representatief land. |
|
(174) |
In de eerste mededeling merkte de Commissie op dat in Turkije geen bruinkool werd ingevoerd. TDF Group voerde aan dat dit niet mag beletten dat Turkije als een representatief land wordt geselecteerd. TDF Group herinnerde eraan dat in eerdere gevallen waarin in een representatief land bepaalde productiefactoren niet werden ingevoerd, dit probleem werd opgelost door invoerprijzen uit een ander representatief land te gebruiken om de normale waarde te berekenen. |
|
(175) |
De Commissie heeft nota genomen van de opmerkingen van TDF Group en ermee ingestemd dat bij gebrek aan een betrouwbare invoerbenchmark niet-verstoorde internationale prijzen, kosten of benchmarks kunnen worden toegepast indien Turkije zou worden geselecteerd als representatief land. |
3.2.6.2.3. Indonesië
|
(176) |
Naar aanleiding van de eerste mededeling achtte Unibon Indonesië het meest geschikte representatieve land, met als voornaamste argument dat de inkoop van de belangrijkste productiefactor, PET-chips, in dat land het meest evenwichtig en het minst verstoord zou zijn. De onderneming voerde aan dat het invoerpatroon van Indonesië gelijk verdeeld is tussen Chinese en niet-Chinese bronnen, waardoor het risico wordt verminderd dat de prijzen van “de rest van de wereld” indirect worden beïnvloed door de Chinese prijzen. In tegenstelling tot de invoer van PET-chips in Indonesië zou de invoer ervan in Thailand sterk worden gedomineerd door Chinese bronnen, terwijl de structuur van Turkije invoer uit niet-WTO-landen omvat die tot extra bezorgdheid over verstoringen zou leiden. Unibon heeft dit argument echter niet onderbouwd, noch aanvullend bewijsmateriaal ter staving ervan verstrekt. |
|
(177) |
Unibon voerde verder aan dat de lacunes in de Indonesische gegevens over productiefactoren beperkt zijn en gemakkelijk kunnen worden opgevuld — de afwezigheid van invoer van bruinkool weerspiegelt bijvoorbeeld de zelfvoorziening van Indonesië als een grote steenkoolproducent, in plaats van een gebrek aan gegevens — en dat de benchmarkprijzen voor steenkool beschikbaar zijn in erkende publicaties over de binnenlandse markt, terwijl de invoer van glasvezel, behalve de invoer uit de VRC, voldoende commercieel van schaal is. |
|
(178) |
In de tweede mededeling merkte de Commissie op dat de invoer van glasvezel uit de rest van de wereld in Indonesië slechts 3,28 % van de totale invoer van glasvezel vertegenwoordigt, terwijl de overige 96,72 % uit de VRC afkomstig is. Het is derhalve duidelijk dat de invoer van glasvezel uit de rest van de wereld waarschijnlijk is beïnvloed door invoer uit de VRC. Het argument van Unibon werd derhalve afgewezen. |
|
(179) |
De Commissie heeft nota genomen van de opmerkingen van Unibon en ermee ingestemd dat bij gebrek aan een betrouwbare invoerbenchmark niet-verstoorde internationale prijzen, kosten of benchmarks kunnen worden toegepast indien Indonesië zou worden geselecteerd als representatief land. |
3.2.6.2.4. Conclusie over het niveau van economische ontwikkeling dat vergelijkbaar is met dat van de VRC
|
(180) |
Rekening houdend met de argumenten van de belanghebbenden met betrekking tot de eerste mededeling en de tweede mededeling, was de Commissie van oordeel dat Thailand het meest geschikte representatieve land was dat voldeed aan het criterium van een niveau van economische ontwikkeling dat vergelijkbaar is met dat van de VRC. |
3.2.6.3. Aanwezigheid van relevante onmiddellijk beschikbare gegevens in het representatieve land
|
(181) |
De Commissie heeft onderzocht welke financiële gegevens onmiddellijk beschikbaar waren voor de in de eerste mededeling genoemde drie landen, namelijk Indonesië, Thailand en Turkije. |
|
(182) |
In de eerste mededeling had de Commissie onmiddellijk beschikbare jaarrekeningen van drie producenten van het onderzochte product in representatieve landen geïdentificeerd, waaruit een redelijke winstgevendheid bleek voor een periode die het dichtst bij het onderzoektijdvak lag. |
|
(183) |
De producenten-exporteurs Unibon en TDF Group voerden beide aan dat Thailand geen passend representatief land was omdat de twee betrokken Thaise ondernemingen, Thai Unitika Spunbond Co., Ltd en Narula Nonwoven Co., Ltd, geen betrouwbare gegevens hadden verstrekt. |
|
(184) |
Unibon wees erop dat Thai Unitika Spunbond een extreme en onregelmatige winstgevendheid liet zien, die uitzonderlijke of niet-operationele posten weerspiegelde in plaats van normale industriële prestaties. De winstmarge van Narula Nonwoven was daarentegen extreem laag. Unibon concludeerde dat dit sterke contrast erop wees dat in Thailand stabiele en commercieel redelijke financiële gegevens voor de productie van PET-spinvlies ontbraken, waardoor van deze twee ondernemingen afgeleide benchmarks in hoge mate verstoord zijn. |
|
(185) |
TDF Group voerde tevens aan dat de financiële gegevens voor 2025 van Thai Unitika Spunbond Co., Ltd buiten beschouwing moesten worden gelaten, omdat deze geen geschikte basis voor benchmarks vormden. TDF Group was van mening dat de buitengewone stijging van de totale inkomsten van die onderneming, meer dan driemaal haar inkomsten uit verkopen en diensten en haar kosten van verkochte goederen, uitzonderlijke opbrengsten weerspiegelde in plaats van normale operationele prestaties. |
|
(186) |
Als alternatief stelde Unibon voor dat Indonesië betrouwbare, productspecifieke financiële gegevens verstrekt van een daadwerkelijke producent van PET-spinvlies, PT Multi Spunindo Jaya Tbk, waarvan de gecontroleerde jaarrekening commercieel redelijke VAA-kosten en winstniveaus laat zien die in overeenstemming zijn met normale industriële activiteiten. |
|
(187) |
TDF Group voerde aan dat Turkije een bredere en meer representatieve industriële basis had, met acht geïdentificeerde producenten van PET-spinvlies, vergeleken met slechts twee in Thailand en één in Indonesië. TDF Group erkende dat bedrijfsspecifieke financiële gegevens voor Turkse producenten beperkt kunnen zijn en stelde de Commissie voor om in plaats daarvan sectorale financiële gegevens te gebruiken. |
|
(188) |
De Commissie was het met zowel TDF Group als Unibon eens dat de financiële gegevens met betrekking tot de Thaise ondernemingen niet geschikt waren. De financiële gegevens van Thai Unitika Spunbond Co., Ltd en Narula Nonwoven Co., Ltd waren zeer inconsistent en weerspiegelden geen normale industriële prestaties, met extreme fluctuaties in de winstgevendheid en de inkomsten als gevolg van uitzonderlijke posten. |
|
(189) |
De Commissie neemt nota van de opmerking van TDF Group over het gebruik van sectorale gegevens, maar de sectorale gegevens kunnen andere producenten omvatten dan die welke PET-spinvlies produceren, zoals textielproducenten met een andere productmix of kostenstructuur. Het gebruik van dergelijke geaggregeerde gegevens brengt het risico met zich mee dat de werkelijke kostenstructuur en winstgevendheid van het PET-spinvliessegment verkeerd worden voorgesteld. |
|
(190) |
De Commissie was het eens met het argument van Unibon dat van de in de representatieve landen geïdentificeerde producenten van PET-spinvlies, PT Multi Spunindo Jaya Tbk (Indonesië) de nauwkeurigste VAA-kosten en winstniveaus overeenkomstig normale industriële activiteiten liet zien. |
|
(191) |
In zijn reactie op de tweede mededeling voerde Unibon aan dat het combineren van gegevens over productiefactoren uit Thailand met financiële ratio’s uit Indonesië niet juist was, aangezien het gebruik van twee verschillende representatieve landen naar zijn mening de interne consistentie van de berekening van de normale waarde verbreekt en tot een vertekend resultaat leidt. De onderneming betoogde dat de Commissie zich in plaats daarvan zou moeten baseren op één enkel representatief land voor zowel de prijzen van de productiefactoren als de financiële gegevens en voerde aan dat Indonesië een betere keuze zou zijn. |
|
(192) |
Overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening moet de Commissie, indien het bestaan van verstoringen van betekenis wordt bevestigd, de normale waarde berekenen aan de hand van de productie- en verkoopkosten waarin niet-verstoorde prijzen en benchmarks tot uitdrukking komen. De Commissie kan als bronnen gebruikmaken van onder meer de overeenkomstige productie- en verkoopkosten in een passend representatief land, mits de desbetreffende gegevens onmiddellijk beschikbaar zijn. Zoals hierboven in detail is uiteengezet, beschouwde de Commissie Thailand als een passend representatief land, en kon zij zich daarom op de kosten en prijzen van dat land baseren voor alle productiefactoren van het onderzochte product. De Commissie kon echter geen onmiddellijk beschikbare financiële gegevens van Thaise producenten van PET-spinvlies vinden voor de berekening van een niet-verstoord en redelijk bedrag aan VAA-kosten en winst. Derhalve achtte de Commissie het passend een niet-verstoord en redelijk bedrag aan VAA-kosten en winst vast te stellen op basis van onmiddellijk beschikbare financiële gegevens van een producent van PET-spinvlies in Indonesië. |
3.2.6.4. Niveau van sociale en milieubescherming
|
(193) |
Aangezien was vastgesteld dat Thailand het enige geschikte representatieve land was, hoefde er op grond van alle voorgaande elementen geen beoordeling van het niveau van sociale en milieubescherming plaats te vinden overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt a), eerste streepje, laatste zin, van de basisverordening. |
3.2.6.5. Conclusie
|
(194) |
Gezien de analyse hierboven voldeed Thailand aan de criteria van artikel 2, lid 6 bis, punt a), eerste streepje, van de basisverordening om als geschikt representatief land te worden beschouwd. |
3.2.7. Bronnen voor de vaststelling van niet-verstoorde kosten
|
(195) |
In de eerste mededeling heeft de Commissie de productiefactoren vermeld, zoals grondstoffen, energie en arbeid, waarvan de producenten-exporteurs bij de productie van het onderzochte product gebruikmaken, en heeft zij de belanghebbenden verzocht om opmerkingen te maken en openbaar beschikbare informatie voor te stellen over niet-verstoorde waarden voor elk van de in die mededeling genoemde productiefactoren. |
|
(196) |
De Commissie heeft geen bezwaren tegen de in haar eerste mededeling opgenomen lijst van productiefactoren ontvangen. |
|
(197) |
Vervolgens heeft de Commissie in de tweede mededeling verklaard dat zij, voor de berekening van de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening, gebruik zou maken van GTA (voor de invoerprijzen) en van MacMap (voor de invoerrechten) om de niet-verstoorde kosten van de meeste productiefactoren, met name de grondstoffen, vast te stellen. |
3.2.7.1. Productiefactoren
|
(198) |
Aan de hand van alle door de belanghebbenden verstrekte en tijdens de controlebezoeken verzamelde gegevens zijn voor de vaststelling van de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening de volgende productiefactoren en de bronnen daarvan in kaart gebracht: Tabel 1
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(199) |
De Commissie heeft een waarde voor de overhead-productiekosten opgenomen om de kosten te bestrijken die niet in de bovengenoemde productiefactoren zijn opgenomen. Om dit bedrag vast te stellen, heeft de Commissie de ratio tussen de respectieve indirecte productiekosten van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs en hun respectieve directe productiekosten berekend (zoals vermeld in tabel 1). Deze ratio werd daarna op de niet-verstoorde directe productiekosten toegepast en bij deze kosten opgeteld. |
3.2.7.1.1. Grondstoffen
|
(200) |
Met het oog op de vaststelling van de niet-verstoorde prijs van grondstoffen als geleverd aan de fabriekspoort van een producent in het representatieve land, heeft de Commissie als basis de gewogen gemiddelde invoerprijs voor het representatieve land gebruikt, zoals vermeld in de GTA, waarbij invoerrechten en vervoerskosten werden opgeteld. |
|
(201) |
De invoerprijs in het representatieve land werd vastgesteld als een gewogen gemiddelde van de eenheidsprijzen van de invoer uit alle derde landen met uitzondering van de VRC en de in bijlage I bij Verordening (EU) 2015/755 van het Europees Parlement en de Raad (111) genoemde landen die geen lid zijn van de WTO. |
|
(202) |
De Commissie heeft besloten de invoer uit de VRC in het representatieve land uit te sluiten, aangezien zij in punt 3.2.1 tot de conclusie is gekomen dat het wegens de aanwezigheid van verstoringen van betekenis in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt b), van de basisverordening, niet passend is om de binnenlandse prijzen en kosten in de VRC te gebruiken. |
|
(203) |
Aangezien er geen bewijsmateriaal is waaruit blijkt dat dezelfde verstoringen niet gelijkelijk gevolgen hebben voor de voor uitvoer bestemde producten, was de Commissie van mening dat die verstoringen gevolgen hebben gehad voor de uitvoerprijzen. |
|
(204) |
Voor een aantal productiefactoren vertegenwoordigden de werkelijk gemaakte kosten door de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs een verwaarloosbaar percentage van de totale grondstofkosten in het onderzoektijdvak. Aangezien de voor die factoren gebruikte waarde geen merkbare invloed had op de berekeningen van de dumpingmarge, ongeacht de gebruikte bron, besloot de Commissie die kosten op te nemen bij de kosten van verbruiksgoederen, zoals toegelicht in de overwegingen 221 en 222. |
|
(205) |
Om de toepasselijke invoerrechten per goederencode en land van oorsprong te bepalen, heeft de Commissie MacMap geraadpleegd. De invoerrechten werden opgeteld bij de cif-waarde die in de Thaise invoerstatistieken is opgenomen, zoals beschikbaar in de GTA-databank. |
|
(206) |
De Commissie heeft de vervoerskosten van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs voor de levering van grondstoffen uitgedrukt als een percentage van de werkelijke kosten van dergelijke grondstoffen, en heeft vervolgens hetzelfde percentage toegepast op de niet-verstoorde kosten van dezelfde grondstoffen, teneinde de niet-verstoorde vervoerskosten te verkrijgen. De Commissie was van oordeel dat, in het kader van dit onderzoek, de ratio tussen de grondstoffen van de producenten-exporteurs en de gerapporteerde vervoerskosten redelijkerwijs kon worden gebruikt als indicatie voor de schatting van de niet-verstoorde vervoerskosten van grondstoffen bij levering aan de fabriek van de onderneming. |
3.2.7.1.1.1. PET-chips
|
(207) |
PET-chips zijn de belangrijkste grondstof voor de productie van PET-spinvlies. In de eerste mededeling had de Commissie zowel de douanecode voor PET met een lage viscositeit, namelijk GS-code 3907 69 , als de douanecode voor PET met een hoge viscositeit, GS-code 3907 61 , vermeld. De producenten in de Unie hebben opmerkingen over de eerste mededeling ingediend waarin zij er bij de Commissie op aandrongen zorgvuldig na te gaan welke grondstof elke Chinese producent precies gebruikt, om te waarborgen dat zij voor elke producent de correcte code hanteert. Na de controlebezoeken concludeerde de Commissie dat alleen PET met een lage viscositeit, namelijk GS-code 3907 69 , relevant was voor de productie van PET-spinvlies en schrapte zij PET met een hoge viscositeit (GS 3907 61 ) uit de lijst van grondstoffen. |
|
(208) |
In de tweede mededeling heeft de Commissie de invoer van de belangrijkste grondstof PET-chips nader geanalyseerd en besloten de invoergegevens op een gedetailleerder niveau te onderzoeken om de soorten PET-chips te identificeren die bij de productie van PET-spinvlies worden gebruikt. |
|
(209) |
In de Thaise tariefschema’s worden onder de zescijferige GS-code 3907 69 de volgende goederencodes onderscheiden:
|
|
(210) |
De bij de productie van PET-spinvlies gebruikte PET-chips vallen onder goederencode 3907.69.10, terwijl goederencode 3907.69.90 polyethyleentereftalaat van speciale kwaliteit of anderszins atypisch polyethyleentereftalaat kan omvatten. Door gebruik te maken van GTA-gegevens kon de Commissie de invoer in Thailand onder goederencode 3907.69.10 identificeren, wat gedetailleerdere informatie opleverde. |
|
(211) |
Wat Thailand betreft, bedroeg de totale ingevoerde hoeveelheid 23 411 ton, waarvan 33 % afkomstig was uit de VRC. Aangezien de invoer uit verschillende bronnen afkomstig was en het aandeel van de invoer uit de VRC relatief laag was, concludeerde de Commissie dat de prijzen van PET-chips onder goederencode 3907.69.10 bij invoer in Thailand uit de rest van de wereld waarschijnlijk niet zijn beïnvloed door invoer uit de VRC en dat de invoer in Thailand derhalve een betrouwbare benchmark is. |
3.2.7.1.1.2. Bindmiddelen (maïszetmeel en acrylesteremulsie)
|
(212) |
Zoals reeds beschreven in overweging 26, vereist de productie van PET-spinvlies het gebruik van op zetmeel gebaseerde bindmiddelen, chemische (op polymeer gebaseerde) bindmiddelen of gemengde bindmiddelen als bekledingsmateriaal. |
|
(213) |
In reactie op de eerste mededeling voerden de klagers aan dat Chinese producenten voor op de Chinese binnenlandse markt verkocht PET-spinvlies voornamelijk op zetmeel gebaseerde bindmiddelen gebruiken, terwijl op de EU-markt verkochte producten worden vervaardigd met behulp van alle drie de soorten bindmiddelen. De producenten in de Unie betoogden derhalve dat de Commissie, om bij de dumpingberekeningen een billijke vergelijking te waarborgen, afzonderlijke normale waarden zou moeten vaststellen voor PET-spinvlies dat met elk soort bindmiddel wordt geproduceerd of passende correcties zou moeten toepassen op een normale waarde die is vastgesteld op basis van de productie van op zetmeel gebaseerde bindmiddelen. |
|
(214) |
De Commissie heeft nota genomen van de door de producenten in de Unie gemaakte opmerkingen over de verschillende soorten bindmiddelen die bij de productie van PET-spinvlies worden gebruikt en het mogelijke effect ervan op de vergelijkbaarheid van de prijzen. De Commissie heeft beoordeeld of verschillen in soorten bindmiddelen in de overwegingen moeten worden meegewogen en, in voorkomend geval, of eventuele correcties gerechtvaardigd waren op basis van de in het dossier beschikbare informatie. Voor het resultaat van deze beoordeling, zie overweging 220. |
|
(215) |
In reactie op de tweede mededeling voerden de klagers aan dat zij het niet eens waren met de in de mededeling over de productiefactoren gebruikte prijzen voor maïszetmeel. De klagers betoogden dat het bij de productie van PET-spinvlies gebruikte soort maïszetmeel gemodificeerd maïszetmeel is, waarvan de prijs ongeveer tweemaal zo hoog is als die van gewoon maïszetmeel. Ter onderbouwing van dit argument verstrekten de klagers prijsnoteringen waarbij gemodificeerd maïszetmeel en gewoon maïszetmeel werden vergeleken en verzochten zij de Commissie een overeenkomstige verhoging op de GTA-prijzen toe te passen om de hogere kosten van gemodificeerd maïszetmeel te weerspiegelen. |
|
(216) |
In reactie op het argument van de klagers betoogden beide producenten-exporteurs dat zij voor hun eigen productie alleen gewoon maïszetmeel gebruiken. De producenten-exporteurs voerden aan dat dit blijkt uit de facturen die werden verzameld tijdens de controle van hun inkopen van grondstoffen, waarop het gekochte soort maïszetmeel was vermeld. Bovendien voerde TDF Group aan dat gemodificeerd maïszetmeel in de VRC wordt aangegeven onder een andere GS-code, namelijk 3505 10 , en betoogt zij dat haar inkopen onder GS-code 1108 12 betrekking hebben op gewoon maïszetmeel in plaats van gemodificeerd maïszetmeel. |
|
(217) |
De Commissie merkte op dat de klagers geen sluitend bewijs hadden geleverd dat producenten van PET-spinvlies, waaronder de Chinese producenten-exporteurs, gemodificeerd maïszetmeel gebruiken. Uit de ingediende prijsnoteringen bleek alleen dat gemodificeerd maïszetmeel duurder kan zijn dan gewoon maïszetmeel, maar niet dat de onderzochte producenten-exporteurs dat product gebruiken. Integendeel, de gecontroleerde technische specificaties en prijsniveaus wezen erop dat de producenten-exporteurs gewoon maïszetmeel gebruiken. |
|
(218) |
In reactie op de tweede mededeling betoogde TDF Group dat de door haar gebruikte acrylesteremulsie ten onrechte was ingedeeld onder GS-code 3903 90 , die betrekking heeft op polymeren van styreen. TDF Group voerde aan dat het product weliswaar styreen bevat, maar dat de belangrijkste component ervan acrylzuur is en dat het derhalve beter zou kunnen worden ingedeeld onder GS-code 3906 90 , die betrekking heeft op acrylpolymeren in primaire vormen. De Commissie heeft het argument van TDF Group aanvaard en de indeling van de acrylesteremulsie gewijzigd in GS-code XXX. |
|
(219) |
In reactie op de tweede mededeling voerde Unibon aan dat materiële verschillen in de bij de productie van PET-spinvlies gebruikte soorten bindmiddelen, namelijk op zetmeel gebaseerde, chemische op acryl gebaseerde en gemengde bindmiddelen, tot significante verschillen in productiekosten en marktprijzen leiden. De onderneming voerde aan dat dit naar behoren tot uiting moet komen in de berekening van de normale waarde. Op basis hiervan verzocht Unibon de Commissie correcties toe te passen om rekening te houden met kostenverschillen met betrekking tot bindmiddelen. |
|
(220) |
De Commissie heeft het argument verworpen. Zij merkte op dat zowel de in de Unie gevestigde als de in de steekproef opgenomen Chinese producenten van PET-spinvlies een mengsel van bindmiddelen gebruiken, alle met vergelijkbare toepassingen en marktprijzen. Een gedetailleerdere analyse waarbij de producten worden onderscheiden naar soort bindmiddel, wanneer er geen significant verschil in toepassing of prijs is, zou derhalve geen significant effect hebben op de berekening van de normale waarde. |
3.2.7.1.1.3. Verbruiksgoederen
|
(221) |
In de tweede mededeling heeft de Commissie de partijen meegedeeld dat als gevolg van het verwaarloosbare gewicht van sommige grondstoffen in de totale productiekosten, sommige productiefactoren werden beschouwd als verbruiksgoederen. |
|
(222) |
De Commissie berekende welk percentage van de totale productiekosten de verbruiksgoederen uitmaakten en paste dat percentage toe op de herberekende productiekosten op basis van benchmarks. |
3.2.7.1.2. Arbeid
|
(223) |
Arbeid is een productiefactor die ongeveer 3 % van de totale productiekosten vertegenwoordigt. De Commissie heeft de door de Nationale Bank van Thailand gepubliceerde statistieken (112) gebruikt om de lonen in Thailand vast te stellen aan de hand van de gedetailleerde informatie over lonen in de productiesector voor het onderzoektijdvak, voor de economische activiteit volgens de NACE Rev.2-classificatie. |
3.2.7.1.3. Elektriciteit
|
(224) |
De Commissie heeft gebruikgemaakt van de opgave van de elektriciteitsprijzen voor ondernemingen en industrie- en staatsbedrijven zoals gepubliceerd door de Thaise Commissie voor Investeringen (113), door middel van het Time of use tariff (TOU tariff) — Large General Service, Voltage level below 22 Kv, om de benchmark voor elektriciteit te berekenen. Dit tarief is sinds 2018 ongewijzigd en wordt maandelijks geactualiseerd met behulp van het instrument “Ft surcharge”. De voor elke maand in rekening gebrachte elektriciteitstarieven worden daarom als volgt berekend:
|
|
(225) |
De Commissie heeft voor iedere in de steekproef opgenomen producent-exporteur een benchmark voor elektriciteit vastgesteld op basis van het respectieve piek- en dalverbruik. Het resulterende gebruik werd toegerekend aan de piek- en daltarieven. |
|
(226) |
Daarnaast heeft de Commissie zowel de vraagkosten als de servicekosten in de benchmark voor het elektriciteitstarief opgenomen, om de elektriciteitskosten in het representatieve land volledig te weerspiegelen. De servicekosten werden uitgedrukt als een vast bedrag per maand, terwijl de vraagkosten werden vastgesteld, in kW, op basis van de conservatieve berekening van de elektriciteitsvraag. Deze werd vastgesteld door het totale piekverbruik van energie te delen door het aantal productie-uren. Het gewogen gemiddelde tarief werd voor zowel piek- als daluren vastgesteld als een relevante benchmark voor iedere in de steekproef opgenomen producent-exporteur. |
|
(227) |
De Commissie heeft vastgesteld dat de elektriciteitsprijzen in Thailand werden vermeld exclusief btw. |
3.2.7.1.4. Aardgas
|
(228) |
De Commissie heeft gebruikgemaakt van de gasprijzen voor ondernemingen (industriële gebruikers) in Thailand, zoals gepubliceerd door het Energy Policy and Planning Office van het ministerie van Energie (115). De prijzen verschilden per verbruiksvolume. De Commissie heeft de overeenkomstige prijzen van tabel 7.2-4 gebruikt: Eindverbruik van energie per hoofd van de bevolking. De Commissie heeft de meest recente gegevens met betrekking tot 2024 als benchmark gebruikt. |
3.2.7.1.5. Bruinkool
|
(229) |
Zoals vermeld in de tweede mededeling, heeft de Commissie de benchmark voor bruinkool vastgesteld door gebruik te maken van de prijzen van bruinkool voor ondernemingen (industriële gebruikers) in Thailand, zoals gepubliceerd door het Energy Policy and Planning Office van het ministerie van Energie. Zoals opgemerkt in overweging 166, was de Commissie van oordeel dat de invoer van bruinkool uit Laos in Thailand overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening niet kon worden beschouwd als betrouwbare en redelijke overeenkomstige kosten in het passende representatieve land. De Commissie achtte de door het Energy Policy and Planning Office van het ministerie van Energie gepubliceerde alternatieve benchmark redelijker gezien de volgende elementen. Ten eerste worden de officiële Thaise statistieken samengesteld door nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het verzamelen van en toezien op economische en energie-informatie in Thailand (116), en derhalve bestrijken deze statistieken op macroniveau volledig het energieverbruik in het land. Ten tweede bleek de in de Thaise statistieken opgenomen waarde van 1,19 CNY/kg in overeenstemming te zijn met de gangbare prijsniveaus voor bruinkool in Zuidoost-Azië tijdens het onderzoektijdvak (d.w.z. in de orde van grootte van 1,15 tot 1,23 CNY/kg) (117). |
3.2.7.1.6. Halfcokes
|
(230) |
De Commissie heeft gebruikgemaakt van de prijzen van halfcokes onder 2704 bij invoer uit de rest van de wereld in Thailand. De Commissie lichtte toe dat deze invoerprijzen als representatief konden worden beschouwd, aangezien de ingevoerde volumes aanzienlijk waren en afkomstig waren uit meerdere niet-verstoorde bronnen. Op basis hiervan was de Commissie van oordeel dat deze gegevens een voldoende betrouwbare benchmark voor de vaststelling van de normale waarde vormden. Geen enkele belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze benadering. |
3.2.7.1.7. Afval
|
(231) |
Zoals vermeld in de tweede mededeling, heeft de Commissie de boekhoudpraktijken van de in de steekproef opgenomen Chinese producenten-exporteurs met betrekking tot bijproducten en afvalstoffen geanalyseerd. Naar aanleiding hiervan heeft de Commissie de door berekening vastgestelde productiekosten aangepast overeenkomstig de boekhoudkundige praktijken van elke onderneming ten aanzien van bijproducten en afval. |
3.2.7.1.8. Overhead-productiekosten, VAA-kosten en winst
|
(232) |
Op grond van artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening geldt het volgende: “De door berekening vastgestelde normale waarde omvat een niet-verstoord en redelijk bedrag voor administratiekosten, verkoopkosten en algemene kosten en voor winst”. Bovendien moet een waarde voor de overhead-productiekosten worden vastgesteld om de niet in de bovengenoemde productiefactoren opgenomen kosten te bestrijken. |
|
(233) |
Om een niet-verstoord en redelijk bedrag voor de VAA-kosten en de winst vast te stellen, heeft de Commissie zich gebaseerd op de financiële gegevens voor het jaar 2024 voor PT Multi Spunindo Jaya Tbk, die zij uit Orbis heeft gehaald. |
|
(234) |
De overhead-productiekosten worden niet afzonderlijk vermeld in de beschikbare winst- en verliesrekeningen en worden geacht te zijn opgenomen in de verkoopkosten. De algemene productiekosten van de meewerkende producenten-exporteurs worden uitgedrukt als aandeel van de werkelijke productiekosten van de producenten-exporteurs. Dit percentage is toegepast op de niet-verstoorde productiekosten. |
|
(235) |
In de tweede mededeling verklaarde de Commissie met betrekking tot de respectieve kosten voor onderzoek en ontwikkeling van de producenten-exporteurs dat die kosten zouden worden opgenomen in de overhead-productiekosten, tenzij uit de gepubliceerde rekeningen van de producent in Indonesië expliciet zou blijken dat die kosten waren opgenomen in zijn VAA-kosten. |
|
(236) |
In reactie op de tweede mededeling verklaarde de producent-exporteur TDF Group dat uit de Indonesische boekhoudnormen volgde dat de kosten voor onderzoek en ontwikkeling moeten worden ingedeeld onder de VAA-kosten. Hoewel in het jaarverslag van PT Multi Spunindo Jaya Tbk de kosten van onderzoek en ontwikkeling niet uitdrukkelijk waren vermeld, had een andere onderneming — PT Bakrie Telecom, dat dezelfde Indonesische boekhoudnormen volgde — haar kosten voor onderzoek en ontwikkeling opgenomen onder de VAA-kosten. |
|
(237) |
De Commissie heeft het argument van TDF Group aanvaard en heeft de kosten voor onderzoek en ontwikkeling niet bij de overhead-productiekosten opgeteld. |
|
(238) |
In reactie op de tweede mededeling voerde de producent-exporteur TDF Group aan dat de Commissie de geconsolideerde financiële overzichten 2024 van Spunindo niet mag gebruiken om de VAA-kosten en de winst vast te stellen, aangezien die overzichten gegevens bevatten van drie dochterondernemingen waarvan de activiteiten geen verband houden met het onderzochte product en die in sommige gevallen nog niet van start waren gegaan. In het licht hiervan voerde TDF Group aan dat alleen de op zichzelf staande financiële gegevens van de moedermaatschappij mogen worden gebruikt om bij de berekening van de normale waarde redelijke bedragen voor VAA-kosten en winst vast te stellen. De Commissie heeft dit argument aanvaard en heeft bij de berekening van de normale waarde gebruikgemaakt van de winst en de VAA-kosten van de moedermaatschappij. |
3.2.8. Berekening
|
(239) |
Op basis van het bovenstaande heeft de Commissie de normale waarde per productsoort in het stadium af fabriek berekend overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening. |
|
(240) |
Eerst heeft de Commissie de niet-verstoorde productiekosten vastgesteld. De Commissie heeft de niet-verstoorde kosten per eenheid toegepast op het werkelijke verbruik van de individuele productiefactoren van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs. Dit verbruik werd in het kader van de controle geverifieerd. De Commissie heeft de verbruiksfactoren vermenigvuldigd met de niet-verstoorde kosten per eenheid zoals die in het representatieve land zijn vastgesteld. |
|
(241) |
Vervolgens heeft de Commissie de overhead-productiekosten bij de niet-verstoorde vervaardigingskosten kosten opgeteld om te komen tot de niet-verstoorde productiekosten. |
|
(242) |
Op de productiekosten die zijn vastgesteld zoals beschreven in de vorige overweging, heeft de Commissie de VAA-kosten en de winst van de in overweging 233 genoemde producent van PET-spinvlies in Indonesië toegepast. |
|
(243) |
De VAA-kosten, uitgedrukt als percentage van de kosten van verkochte goederen en toegepast op de niet-verstoorde productiekosten, bedroegen 12,03 %. De winst, uitgedrukt als percentage van de kosten van verkochte goederen en toegepast op de niet-verstoorde productiekosten, bedroeg 11,14 %. |
|
(244) |
Op basis daarvan heeft de Commissie de normale waarde per productsoort af fabriek berekend overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening. |
3.3. Uitvoerprijs
|
(245) |
De uitvoer naar de Unie door de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs vond rechtstreeks naar onafhankelijke afnemers plaats. |
|
(246) |
Overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening was de uitvoerprijs de werkelijk betaalde of te betalen prijs van het betrokken product dat met het oog op uitvoer naar de Unie werd verkocht. |
3.4. Vergelijking
|
(247) |
In overeenstemming met artikel 2, lid 10, van de basisverordening moet de Commissie de normale waarde en de uitvoerprijs op billijke wijze en in hetzelfde handelsstadium vergelijken met inachtneming van andere verschillen die van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen. |
|
(248) |
In het onderhavige geval heeft de Commissie ervoor gekozen om de normale waarde en de uitvoerprijs van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs te vergelijken in het handelsstadium af fabriek. Zoals hieronder nader toegelicht, werden de uitvoerprijzen waar nodig gecorrigeerd om: i) deze terug te rekenen tot het stadium af fabriek, en ii) correcties toe te passen voor verschillen tussen factoren waarvan werd beweerd en aangetoond dat zij van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen. |
3.4.1. Correcties van de normale waarde
|
(249) |
Zoals uiteengezet in punt 3.2, werd de normale waarde in het handelsstadium af fabriek vastgesteld door gebruik te maken van de productiekosten, samen met de bedragen voor de VAA-kosten en de winst, die voor dat handelsstadium redelijk werden geacht. Daarom waren er geen correcties nodig om de normale waarde terug te rekenen tot het stadium af fabriek. |
|
(250) |
De Commissie heeft geen gronden gevonden om de normale waarde te corrigeren, en dergelijke correcties werden door geen van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs gevraagd. |
3.4.2. Correcties van de uitvoerprijs
|
(251) |
Om de uitvoerprijs terug te rekenen tot het handelsstadium af fabriek, zijn er correcties toegepast voor: douanerechten, andere invoerheffingen, vrachtkosten, verzekeringskosten, verwerkingskosten, verladingskosten en aanverwante kosten. |
3.5. Dumpingmarges
|
(252) |
Voor de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs heeft de Commissie de gewogen gemiddelde normale waarde van elke soort van het soortgelijke product vergeleken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs van de overeenkomstige soort van het betrokken product, zoals bepaald in artikel 2, leden 11 en 12, van de basisverordening. |
|
(253) |
Op grond hiervan zijn de voorlopige gewogen gemiddelde dumpingmarges, uitgedrukt in procenten van de cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring:
|
|
(254) |
Voor de meewerkende producenten-exporteurs die niet in de steekproef zijn opgenomen, heeft de Commissie de gewogen gemiddelde dumpingmarge berekend overeenkomstig artikel 9, lid 6, van de basisverordening. Die marge werd dus vastgesteld op basis van de dumpingmarges die waren vastgesteld voor de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs. |
|
(255) |
Dit leidt voor de meewerkende producenten-exporteurs die geen deel uitmaken van de steekproef tot een voorlopige dumpingmarge van 49,4 %. |
|
(256) |
Voor alle andere producenten-exporteurs in de VRC heeft de Commissie de dumpingmarge overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening aan de hand van de beschikbare gegevens vastgesteld. |
|
(257) |
Daartoe heeft de Commissie de mate van medewerking van de producenten-exporteurs bepaald. De mate van medewerking werd berekend op basis van het volume van de uitvoer naar de Unie van de al dan niet in de steekproef opgenomen meewerkende producenten-exporteurs, uitgedrukt als percentage van de totale invoer uit de VRC in de Unie tijdens het onderzoektijdvak, zoals vastgesteld op basis van de invoerstatistieken voor 2024 van Eurostat voor de in overweging 24 vermelde GN-codes. |
|
(258) |
De mate van medewerking was in dit geval hoog, aangezien de uitvoer van de meewerkende producenten-exporteurs goed was voor ongeveer 87 % van de totale invoer tijdens het onderzoektijdvak. Op basis hiervan achtte de Commissie het passend de dumpingmarge voor niet-meewerkende producenten-exporteurs vast te stellen op het niveau van de meewerkende individueel onderzochte onderneming met de hoogste dumpingmarge. |
|
(259) |
De volgende tabel bevat de voorlopige dumpingmarges, uitgedrukt als percentage van de cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring:
|
4. SCHADE
4.1. Omschrijving van de bedrijfstak van de Unie en de productie in de Unie
|
(260) |
Het soortgelijke product werd in het onderzoektijdvak vervaardigd door drie producenten in de Unie, waarvan er twee tot dezelfde groep behoren. Zij vormen de “bedrijfstak van de Unie” in de zin van artikel 4, lid 1, van de basisverordening. |
|
(261) |
De totale productie in de Unie tijdens het onderzoektijdvak werd vastgesteld op ongeveer [52 000-63 600] ton. De Commissie heeft dit cijfer vastgesteld op basis van alle beschikbare informatie over de bedrijfstak van de Unie, zoals gegevens in de van de producenten in de Unie ontvangen antwoorden op de vragenlijst. Zoals in overweging 16 is vermeld, vertegenwoordigden de meewerkende producenten in de Unie 100 % van de totale productie van het soortgelijke product in de Unie. |
|
(262) |
Aangezien de gegevens met betrekking tot de schadebeoordeling afkomstig waren van drie producenten in de Unie, waarvan er twee tot dezelfde groep behoren, worden de cijfers voor de schadeanalyse met het oog op de vertrouwelijkheid als orden van grootte weergegeven. De indexen zijn evenwel gebaseerd op de feitelijke gegevens, niet op de orden van grootte. |
4.2. Verbruik in de Unie
|
(263) |
De Commissie heeft het verbruik in de Unie vastgesteld op basis van: a) door de producenten in de Unie verstrekte en door de Commissie gecontroleerde gegevens over de verkoop van het soortgelijke product door de bedrijfstak van de Unie aan niet-verbonden afnemers in de Unie, en b) de invoer van het onderzochte product uit alle derde landen in de Unie, op basis van in Eurostat gerapporteerde gegevens, gecontroleerde gegevens van de in de steekproef opgenomen Chinese producenten-exporteurs en gegevens die zijn verstrekt door de niet in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs (118). |
|
(264) |
De benadering voor de schatting van de invoer en het verbruik in de Unie werd op 4 maart 2026 uiteengezet in een mededeling voor het dossier (119). De CCCT heeft opmerkingen gemaakt over de benadering van de Commissie. De CCCT erkende ten volle de praktische uitdagingen waarmee de Commissie wordt geconfronteerd bij het vaststellen van de invoer en het verbruik, maar sprak zijn bezorgdheid uit over de betrouwbaarheid van de cijfers vanwege de veronderstellingen in de methoden die in de mededeling zijn beschreven. De drie belangrijkste punten van zorg van de CCCT waren i) dat bij de berekening van de invoer uit de VRC een vaste ratio was gebruikt die was gebaseerd op gegevens voor het onderzoektijdvak, zonder bewijs dat deze ratio representatief was voor de hele beoordelingsperiode, ii) dat de schatting van de invoer uit andere landen voor 2024 en het onderzoektijdvak gebaseerd was op statistieken van Eurostat, ondanks de bevindingen van de Commissie dat een aanzienlijk deel van de invoer niet correct was aangegeven, en iii) dat de gecompliceerde methode voor de filtering op prijsklasse om de invoer uit andere landen voor 2022 en 2023 te schatten voor onzekerheid zorgde. De CCCT trok derhalve de betrouwbaarheid van deze cijfers in twijfel en voerde aan dat ze van invloed kunnen zijn op de analyse van de schade-indicatoren en de beoordeling van het verband tussen de invoer en de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie. |
|
(265) |
De Commissie was van oordeel dat, ten eerste, de CCCT weliswaar de benadering betwistte, maar geen bewijsmateriaal had verstrekt om zijn standpunt te ondersteunen of dat de door de Commissie voorgestelde methode tot onjuiste of onbetrouwbare resultaten zou leiden, noch met betrekking tot de volumes, noch met betrekking tot de prijzen. |
|
(266) |
Ten tweede was de Commissie door de duidelijke discrepanties tussen de gecontroleerde uitvoergegevens van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs en de gegevens van Eurostat genoodzaakt een alternatieve methode te zoeken om het volume van de invoer van het betrokken product in de Unie vast te stellen. De CCCT heeft echter geen alternatieve benadering voorgesteld of aanvullende gegevens verstrekt die de methode van de Commissie in twijfel zouden trekken of zelfs tot een wijziging van die methode zouden leiden, met name met betrekking tot het aandeel van de uitvoer van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs in de totale uitvoer in de jaren voorafgaand aan het onderzoektijdvak. Wat het aandeel van de producenten-exporteurs betreft, hebben noch de in de steekproef opgenomen, noch de niet in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs opmerkingen over de steekproefmededeling gemaakt, noch over de mededeling voor het dossier, noch over de vaststelling van de invoer. |
|
(267) |
Ten derde is het gebruik van verdeelsleutels om de invoer uit derde landen vast te stellen een gangbare praktijk wanneer het onderzochte product wordt ingedeeld onder GN-codes die ook betrekking hebben op andere goederen die buiten de reikwijdte van het onderzoek vallen. De Commissie herhaalt dat de CCCT geen alternatieve benadering heeft voorgesteld of gegevens over de ratio of de prijzen van de invoer uit andere landen ten opzichte van de totale invoer in de Unie heeft verstrekt. |
|
(268) |
Ten vierde zijn de bevindingen van de Commissie met betrekking tot de situatie op de markt van de Unie in overeenstemming met het in de klacht verstrekte bewijsmateriaal, met name de verbruiksaantallen in het marktrapport van EDANA (120), dat deel uitmaakte van de klacht (121). Dit bevestigt de juistheid en geschiktheid van de methode van de Commissie. |
|
(269) |
Gezien het bovenstaande heeft de Commissie de opmerkingen van de CCCT afgewezen. |
|
(270) |
Het verbruik in de Unie heeft zich als volgt ontwikkeld: Tabel 2 Verbruik in de Unie (ton)
|
||||||||||||||||||||||
|
(271) |
Het verbruik in de Unie is tijdens de beoordelingsperiode met 15 % gestegen. Uit een gedetailleerde analyse is gebleken dat het verbruik in de Unie in de periode 2022-2023 met 11 % is gedaald, gevolgd door een aanzienlijke stijging in 2024. Van 2024 tot het einde van het onderzoektijdvak daalde het verbruik met 10 procentpunten, maar bleef het op een hoog niveau (15 % boven het niveau aan het begin van de beoordelingsperiode). |
|
(272) |
Aan het begin van de beoordelingsperiode werd het verbruik van PET-spinvlies ondersteund door het herstel in de periode na de pandemie. Het verbruik is in 2022 en 2023 gedaald als gevolg van de lagere vraag naar bitumineuze membranen in de bouwsector van de EU vanwege de hoge rente, de hoge energieprijzen en de geopolitieke onzekerheid. In 2024 trok het verbruik van PET-spinvlies in de Unie weer aan, doordat de downstreamproducenten van bitumineuze membranen hun voorraden aanvulden in verband met de toegenomen vraag naar hun product (122). Tussen 2024 en het einde van het onderzoektijdvak bleef het verbruik op een hoog niveau. |
4.3. Invoer uit het betrokken land
4.3.1. Volume en marktaandeel van de invoer uit het betrokken land
|
(273) |
De Commissie heeft — zoals uitgebreid toegelicht in punt 4.2 — het volume van de invoer van het betrokken product in de Unie vastgesteld op basis van gegevens van Eurostat, gecontroleerde gegevens van de in de steekproef opgenomen Chinese producenten-exporteurs en gegevens die zijn verstrekt door de niet in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs. Het marktaandeel van de invoer werd vastgesteld door de invoervolumes te vergelijken met het verbruik in de Unie. |
|
(274) |
De invoer in de Unie uit het betrokken land heeft zich als volgt ontwikkeld: Tabel 3 Invoer (ton) en marktaandeel
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(275) |
Het volume van de invoer uit de VRC is in de beoordelingsperiode met 417 % gestegen, van [3 400-4 200] ton in 2022 tot [17 600-21 500] ton in het onderzoektijdvak. Het marktaandeel van de VRC nam aanzienlijk toe, van 6 % in 2022 tot 26 % in het onderzoektijdvak, wat neerkomt op een stijging van 352 %. |
4.3.2. Prijzen van de invoer uit het betrokken land: prijsonderbieding en verhindering van prijsverhoging
|
(276) |
De Commissie heeft de invoerprijzen vastgesteld op basis van de gegevens die zijn verstrekt door de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs, die in het onderzoektijdvak 72 % van de invoer in de Unie van de meewerkende producenten-exporteurs in de VRC vertegenwoordigden. De prijzen van de invoer werden op soortgelijke wijze vastgesteld als de invoervolumes. |
|
(277) |
De gewogen gemiddelde prijs van de invoer in de Unie uit de VRC heeft zich als volgt ontwikkeld: Tabel 4 Invoerprijzen (EUR/ton)
|
||||||||||||||||||||||
|
(278) |
De prijzen zijn tussen 2022 en 2023 aanzienlijk gedaald (– 38 %). Vervolgens stegen ze in 2024 en het onderzoektijdvak met respectievelijk 4 en 13 procentpunten. Over het geheel genomen zijn de prijzen in de beoordelingsperiode met 21 % gedaald, van ongeveer 2 500 EUR/ton in 2022 tot ongeveer 2 000 EUR/ton in het onderzoektijdvak. |
|
(279) |
De Commissie heeft de prijsonderbieding tijdens het onderzoektijdvak vastgesteld aan de hand van een vergelijking van de gewogen gemiddelde verkoopprijzen per productsoort die de producenten in de Unie hanteerden voor niet-verbonden afnemers op de markt van de Unie, gecorrigeerd tot het niveau af fabriek, en de overeenkomstige gewogen gemiddelde invoerprijzen per productsoort die door de in de steekproef opgenomen Chinese producenten aan de eerste onafhankelijke afnemer op de markt van de Unie werden berekend, op cif-basis, in voorkomend geval met de nodige correcties voor douanerechten en kosten na invoer. |
|
(280) |
De prijzen werden vergeleken per productsoort voor transacties in hetzelfde handelsstadium, zo nodig na correctie, en met aftrek van kortingen en rabatten. Het resultaat van de vergelijking werd uitgedrukt als een percentage van de theoretische omzet in het onderzoektijdvak van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie. Daaruit bleek een gewogen gemiddelde prijsonderbiedingsmarge tussen 26 % en 30 % bij 100 % van de ingevoerde hoeveelheden van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs. |
|
(281) |
Naast prijsonderbieding was er ook sprake van een sterke neerwaartse druk op de prijzen in de zin van artikel 3, lid 3, van de basisverordening. Vanwege de aanzienlijke prijsdruk als gevolg van de laaggeprijsde invoer met dumping van de Chinese producenten-exporteurs heeft de bedrijfstak van de Unie zijn gemiddelde verkoopprijs per eenheid in de Unie in de beoordelingsperiode met 21 % verlaagd, veel sterker dan de daling van de kosten (10 %), zoals weergegeven in tabel 8. De sterke neerwaartse prijsdruk wordt verder bevestigd door het prijsbederf dat werd vastgesteld op basis van de door de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs verstrekte gegevens. |
4.4. Economische situatie van de bedrijfstak van de Unie
4.4.1. Algemene opmerkingen
|
(282) |
Overeenkomstig artikel 3, lid 5, van de basisverordening omvatte het onderzoek naar de gevolgen van de invoer met dumping voor de bedrijfstak van de Unie een beoordeling van alle economische indicatoren die tijdens de beoordelingsperiode van invloed waren op de situatie van de bedrijfstak van de Unie. |
|
(283) |
Voor de schadevaststelling heeft de Commissie onderscheid gemaakt tussen macro-economische en micro-economische schade-indicatoren. De Commissie heeft beide reeksen indicatoren beoordeeld op basis van de antwoorden van de haar bekende producenten in de Unie op de vragenlijst. Aangezien bij de Commissie geen andere producenten in de Unie bekend zijn, werden beide gegevensreeksen geacht representatief te zijn voor de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie. Zoals toegelicht in overweging 262, worden de schade-indicatoren in orden van grootte verstrekt, aangezien de gegevens met betrekking tot de schadebeoordeling afkomstig waren van drie producenten in de Unie, waarvan er twee tot dezelfde groep behoren. |
4.4.2. Macro-economische indicatoren
4.4.2.1. Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad
|
(284) |
De totale productie in de Unie, de productiecapaciteit en de bezettingsgraad in de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 5 Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(285) |
Tijdens de beoordelingsperiode had de bedrijfstak van de Unie tussen 2022 en 2023 te maken met een sterke afname van het productievolume, mede als gevolg van de daling van het verbruik in de Unie. In 2024 en het onderzoektijdvak was de bedrijfstak van de Unie, ondanks de sterke stijging van het verbruik (+ 25 % in 2024, + 15 % in het onderzoektijdvak, zie tabel 2) en vanwege de toenemende aanwezigheid van laaggeprijsde invoer uit de VRC, niet in staat dezelfde productievolumes te bereiken, wat resulteerde in een daling van 5 % ten opzichte van 2022. |
|
(286) |
Tijdens de beoordelingsperiode daalde de productiecapaciteit van de bedrijfstak van de Unie in totaal met 8 %. Het verlies, van ongeveer 7 000 ton, werd veroorzaakt door de beëindiging tussen 2022 en 2023 van een verwerkingsovereenkomst namens een van de producenten in de Unie als gevolg van de situatie op de markt en de toenemende aanwezigheid van laaggeprijsde invoer. Het bestaan van die verwerkingsovereenkomst was ook de reden voor de lagere bezettingsgraad in 2022, die op zijn beurt leidde tot een kennelijke stijging met 3 % van de bezettingsgraad tussen 2022 en het einde van het onderzoektijdvak. Met andere woorden, de bedrijfstak van de Unie heeft zijn bezettingsgraad op een voldoende hoog niveau gehandhaafd, maar wel ten koste van zijn capaciteit. |
4.4.2.2. Verkoophoeveelheid en marktaandeel
|
(287) |
De verkoop en het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 6 Verkoop en marktaandeel
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(288) |
In de beoordelingsperiode groeide de markt met 15 %, maar daalde het totale verkoopvolume van de bedrijfstak van de Unie met 10 % vanwege de toenemende oneerlijke concurrentie van laaggeprijsde invoer uit de VRC. |
|
(289) |
Als gevolg daarvan daalde het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie sterk, van 86 % in 2022 tot 63 % in 2024, overeenkomstig de toenemende aanwezigheid van invoer uit de VRC. Tussen 2024 en het einde van het onderzoektijdvak won de bedrijfstak van de Unie, ondanks de afname van zijn verkoop, 4 procentpunten aan marktaandeel terug als gevolg van de verminderde aanwezigheid van invoer uit de VRC. |
4.4.2.3. Groei
|
(290) |
In de context van een aanzienlijk toenemend verbruik in de Unie wijzen de gegevens erop dat de bedrijfstak van de Unie werd geconfronteerd met een aanzienlijke daling van zijn productie, verkoopvolume en marktaandeel. Het marktaandeel van de invoer met dumping uit de VRC nam daarentegen met 352 % toe. |
4.4.2.4. Werkgelegenheid en productiviteit
|
(291) |
De werkgelegenheid en de productiviteit hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 7 Werkgelegenheid en productiviteit
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(292) |
De werkgelegenheid in de bedrijfstak van de Unie nam tijdens de beoordelingsperiode licht af met 2 %, waarbij het totale aantal werknemers in het onderzoektijdvak daalde met [5-10]. |
|
(293) |
De productiviteit van de werknemers van de bedrijfstak van de Unie, gemeten in productievolume (uitgedrukt in ton) per werknemer per jaar, daalde met 4 % en ging daarmee vrijwel gelijk op met de trend in de afname van de productie. De bedrijfstak van de Unie heeft ervoor gekozen zijn werknemers te behouden — zelfs in 2023, toen de productie sterk daalde als gevolg van een daling van het verbruik — gezien de moeite die het kost om zijn geschoolde arbeidskrachten te vervangen. |
4.4.2.5. Hoogte van de dumpingmarge en herstel van eerdere dumping
|
(294) |
Alle dumpingmarges lagen aanzienlijk boven de de-minimisdrempel. De gevolgen van de hoogte van de werkelijke dumpingmarges voor de bedrijfstak van de Unie waren aanzienlijk, gezien het volume en de prijzen van de invoer uit het betrokken land. |
|
(295) |
Dit is het eerste antidumpingonderzoek ten aanzien van het betrokken product. Daarom waren er geen gegevens beschikbaar om de gevolgen van mogelijke dumping in het verleden vast te stellen. |
4.4.3. Micro-economische indicatoren
4.4.3.1. Prijzen en factoren die de prijzen beïnvloeden
|
(296) |
De gewogen gemiddelde verkoopprijs per eenheid van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie voor verkoop aan niet-verbonden afnemers in de Unie heeft zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 8 Verkoopprijzen in de Unie
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(297) |
De prijzen van de bedrijfstak van de Unie bij verkoop aan niet-verbonden partijen op de markt van de Unie daalden tussen 2022 en 2024 met 21 % en bleven tussen 2024 en het einde van het onderzoektijdvak vrijwel stabiel. |
|
(298) |
De productiekosten per eenheid van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie zijn tussen 2022 en 2024 met 12 % gedaald en zijn vervolgens tussen 2024 en het einde van het onderzoektijdvak licht gestegen. De aanwezigheid van beduidend lager geprijsde invoer uit de VRC veroorzaakte derhalve een aanzienlijke neerwaartse prijsdruk, waardoor de bedrijfstak van de Unie genoodzaakt was een prijsverlaging door te voeren die veel groter was dan de daling van zijn productiekosten. |
4.4.3.2. Loonkosten
|
(299) |
De gemiddelde loonkosten van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 9 Gemiddelde loonkosten per werknemer
|
||||||||||||||||||||||
|
(300) |
De gemiddelde loonkosten per werknemer stegen in de beoordelingsperiode met 12 %. De loonkosten bleven tussen 2022 en 2023 relatief stabiel, maar stegen in 2024 en tijdens het onderzoektijdvak, voornamelijk vanwege de inflatie en overeenkomstig het aantal dienstjaren van de werknemers. |
4.4.3.3. Voorraden
|
(301) |
De voorraden van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 10 Voorraden
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(302) |
In absolute zin namen de voorraden van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie voortdurend en aanzienlijk toe, met een stijging van 55 % in de beoordelingsperiode. Gecorrigeerd voor productieniveaus steeg de eindvoorraad als percentage van de productie in de beoordelingsperiode met 69 %. |
|
(303) |
Deze algemene toename van de voorraden wees op een aanzienlijk onevenwicht tussen productie en verkoop. De trend wijst erop dat, ondanks inspanningen om de productie af te stemmen op de vraag, de accumulatie van onverkochte voorraden een weerspiegeling was van ernstige uitdagingen voor de producenten in de Unie bij de toegang tot de markt. |
4.4.3.4. Winstgevendheid, kasstroom, investeringen, rendement van investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken
|
(304) |
De winstgevendheid, de kasstroom, de investeringen en het rendement van de investeringen van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 11 Winstgevendheid, kasstroom, investeringen en rendement van investeringen
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(305) |
De Commissie heeft de winstgevendheid van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie vastgesteld door de nettowinst vóór belastingen op de verkoop van het soortgelijke product aan niet-verbonden afnemers in de Unie uit te drukken als een percentage van de aldus gerealiseerde omzet. De winstgevendheid van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie liep in de beoordelingsperiode snel en aanzienlijk terug, van een winst van 15 % tot 16,5 % in 2022 tot een verlies van 0,5 % tot 1,5 % in het onderzoektijdvak. |
|
(306) |
De nettokasstroom is het vermogen van de producenten in de Unie om hun activiteiten zelf te financieren. Tijdens de beoordelingsperiode daalde de nettokasstroom met 106 %, met negatieve kasstromen in het onderzoektijdvak tot gevolg, wat overeenkomt met de verslechtering van de financiële prestaties. |
|
(307) |
Het niveau van de jaarlijkse investeringen schommelde tijdens de periode, wat resulteerde in een daling van 5 % in de beoordelingsperiode. De investeringen stegen tussen 2022 en 2023 aanzienlijk met 18 %, daalden daarna in de daaropvolgende periode en lieten vervolgens in het onderzoektijdvak weer een stijging zien. Op basis van het investeringsprogramma van producenten in de Unie werden de investeringen voortgezet, ondanks hevige concurrentie, verlies van marktaandeel en een financieel moeilijke situatie, aangezien het grootste deel ervan betrekking had op uitgaven voor onderhoud/verbouwing van bestaande faciliteiten, met name milieugerelateerde werkzaamheden, en dus niet-elastisch was. |
|
(308) |
Het rendement van investeringen is de winst uitgedrukt als percentage van de nettoboekwaarde van de investeringen. Het ontwikkelde zich in de beoordelingsperiode negatief en daalde van 81 % in 2022 tot minus 6 % in het onderzoektijdvak. Ofschoon men is blijven investeren om het concurrentievermogen op peil te houden, blijkt uit de negatieve ontwikkeling dat het rendement van die investeringen tijdens de beoordelingsperiode aanzienlijk is gedaald. |
4.5. Conclusie over schade
|
(309) |
De bedrijfstak van de Unie boekte aan het begin van de beoordelingsperiode goede resultaten en behaalde een hoge winstgevendheid, en ook alle andere indicatoren bevonden zich op een gezond niveau. |
|
(310) |
Tijdens de beoordelingsperiode nam de invoer uit de VRC echter snel en aanzienlijk toe (+ 417 %), tegen prijzen die de prijzen van de bedrijfstak van de Unie aanzienlijk onderboden. Hierdoor konden de Chinese producenten-exporteurs, die in 2022 slechts 6 % van de markt van de Unie vertegenwoordigden, in het onderzoektijdvak een marktaandeel van 26 % bereiken, wat neerkomt op een stijging van 352 % binnen een periode van tweeënhalf jaar. |
|
(311) |
Als gevolg daarvan, en ondanks een aanzienlijke stijging van het verbruik in de Unie (+ 16 %) in de beoordelingsperiode, verslechterde de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie, zoals blijkt uit de negatieve ontwikkeling van de productie (– 8 %) en de verkoop (– 10 %), de toename van de voorraden (+ 55 %) en de aanzienlijke daling van het marktaandeel van de bedrijfstak (van 86 % tot 67 %). De productiecapaciteit werd verminderd (– 8 %), aangezien de bedrijfstak van de Unie een verwerkingsovereenkomst had opgezegd vanwege het verminderde verbruik en de toegenomen concurrentie van oneerlijke invoer uit de VRC. |
|
(312) |
De toename van de invoer uit de VRC tegen lage prijzen hing samen met de sterke verslechtering en de negatieve niveaus van de winstgevendheid, de kasstroom en het rendement van investeringen, die de problemen aantonen waarmee de bedrijfstak van de Unie werd geconfronteerd. |
|
(313) |
Tijdens de beoordelingsperiode daalden de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie met 21 %, veel sterker dan zijn kosten (– 10 %), in een poging zijn marktaandeel op de markt van de Unie te handhaven. Tussen 2024 en het einde van het onderzoektijdvak resulteerde de stijging van de Chinese prijzen met 14 % in een daling van de invoer uit de VRC, waardoor de druk afnam en de bedrijfstak van de Unie zijn prijzen op hetzelfde niveau kon handhaven en iets van zijn marktaandeel kon terugwinnen. |
|
(314) |
Op basis van het bovenstaande is de Commissie in dit stadium tot de conclusie gekomen dat de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade heeft geleden in de zin van artikel 3, lid 5, van de basisverordening. |
5. OORZAKELIJK VERBAND
|
(315) |
Overeenkomstig artikel 3, lid 6, van de basisverordening heeft de Commissie onderzocht of de bedrijfstak van de Unie door de invoer met dumping uit het betrokken land aanmerkelijke schade heeft geleden. Overeenkomstig artikel 3, lid 7, van de basisverordening heeft de Commissie ook onderzocht of de bedrijfstak van de Unie in dezelfde periode door andere bekende factoren schade kon hebben geleden. De Commissie heeft zich ervan verzekerd dat eventuele schade die werd veroorzaakt door andere factoren dan de invoer met dumping uit het betrokken land, niet aan de invoer met dumping werd toegeschreven. Deze factoren zijn de invoer uit derde landen en de uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Unie. |
5.1. Gevolgen van de invoer met dumping
|
(316) |
De verslechtering van de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie viel samen met een aanzienlijke en stijgende marktpenetratie van de invoer uit de VRC, die de prijzen van de bedrijfstak van de Unie voortdurend onderbood en tot een neerwaartse prijsdruk voor de bedrijfstak van de Unie leidde. De ontwikkeling van de volumes en de prijzen van de invoer uit de VRC, zoals weergegeven in de tabellen 3 en 4, heeft de prijsniveaus van de bedrijfstak van de Unie gedrukt, zodat er sprake is van een oorzakelijk verband tussen beide. |
|
(317) |
De invoer uit de VRC steeg in de beoordelingsperiode met 417 %, van [3 400-4 200] ton in 2022 (goed voor een marktaandeel van 6 %) tot [17 600-21 500] ton in het onderzoektijdvak (goed voor een marktaandeel van 26 % in het onderzoektijdvak). Deze stijgende invoer vond plaats tegen prijzen die lager waren dan die van de bedrijfstak van de Unie. Evenzo had de daling van het marktaandeel en het verkoopvolume, die op hun beurt resulteerden in een daling van de productie, een nadelig effect op de productiekosten per eenheid van de bedrijfstak als gevolg van de verminderde schaalvoordelen. |
|
(318) |
Ondanks een lichte stijging van de verkoop en de productie in 2023 wegens een toename van de vraag, werd deze achteruitgang nog verder aangescherpt in het onderzoektijdvak, toen alle schade-indicatoren (met name de winstgevendheid, de kasstroom en het rendement van investeringen) een aanzienlijk negatief niveau bereikten. |
|
(319) |
De combinatie van het verlies van marktaandeel, de daling van de productie en de prijsverlaging had een sterk negatief effect op de bedrijfstak van de Unie. Ondanks de daling van de productiekosten met 10 % kon de bedrijfstak van de Unie, geconfronteerd met de prijsdruk als gevolg van het toenemende volume van de invoer met dumping uit de VRC, zijn prijzen en productievolumes niet op een houdbaar niveau vaststellen, wat resulteerde in een zeer sterke daling van de winstgevendheid van ongeveer 15 % tot 16,5 % in 2022 tot een verlies van ongeveer 0,5 % tot 1,5 % in het onderzoektijdvak, met een verslechtering van de financiële indicatoren van de bedrijfstak van de Unie tot gevolg. |
|
(320) |
Daarom werd voorlopig geconcludeerd dat de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade heeft geleden door de invoer met dumping uit de VRC. |
5.2. Gevolgen van andere factoren
5.2.1. Invoer uit derde landen
|
(321) |
De invoer uit andere derde landen heeft zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 12 Invoer uit derde landen
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(322) |
In vergelijking met de VRC waren andere landen slechts in beperkte mate actief op de markt van de Unie, en hun invoer in de Unie en hun totale marktaandeel zijn in de beoordelingsprocedure gedaald met respectievelijk 13 % en 24 %. Turkije was het enige derde land met een invoervolume van meer dan 5 % van het marktaandeel. De invoer uit Turkije, waarvan de prijzen dicht bij de ondergrens van de prijzen van de bedrijfstak van de Unie lagen, was aanzienlijk hoger dan de invoer uit de VRC. De volumes en het marktaandeel van de invoer uit dat land bleven tijdens de beoordelingsperiode grotendeels stabiel en lieten in het onderzoektijdvak zelfs een dalende tendens zien. De invoer uit andere landen bedroeg nooit meer dan 1,5 % van de markt en vond plaats tegen hoge prijzen. |
|
(323) |
Op basis daarvan is de Commissie tot de voorlopige conclusie gekomen dat het effect van de invoer uit andere landen geen afbreuk heeft gedaan aan het reële en aanzienlijke oorzakelijke verband tussen de invoer met dumping uit de VRC en de aanmerkelijke schade die de producenten in de Unie hebben geleden. |
5.2.2. Uitvoerprestatie van de bedrijfstak van de Unie
|
(324) |
De uitvoer van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie heeft zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 13 Uitvoerprestaties van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(325) |
De uitvoervolumes van de producenten in de Unie namen tijdens de beoordelingsperiode met 27 % af en de verkoop daalde met 25 %. In het onderzoek werd vastgesteld dat de daling van de uitvoerprestaties van de producenten in de Unie kan worden verklaard door de druk van Chinese producenten op markten van derde landen, die op zijn beurt leidde tot een daling van de uitvoer door producenten in de Unie. Zoals blijkt uit gegevens die zijn ontleend aan gegevens uit de Global Trade Atlas, is de uitvoer van de VRC naar de rest van de wereld inderdaad aanzienlijk wat volume betreft en wordt deze uitvoer verkocht tegen prijzen die lager zijn dan die van de uitvoer naar de Unie. Bovendien vertegenwoordigden het volume en de waarde van de uitvoer minder dan 10 % van de totale omzet van de bedrijfstak van de Unie. De afnemende uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Unie kunnen derhalve hebben bijgedragen tot de schade, maar hebben geen afbreuk gedaan aan het reële en aanzienlijke oorzakelijke verband tussen de invoer met dumping uit de VRC en de schade voor de bedrijfstak van de Unie. |
5.3. Conclusie inzake het oorzakelijk verband
|
(326) |
In het licht van de bovenstaande overwegingen heeft de Commissie voorlopig een reëel en aanzienlijk oorzakelijk verband vastgesteld tussen de door de bedrijfstak van de Unie geleden aanmerkelijke schade en de invoer met dumping uit de VRC. Als gevolg van de aanzienlijke toename van de invoer met dumping uit de VRC kon de bedrijfstak van de Unie zijn prijzen en productievolumes niet op een houdbaar niveau vaststellen, waardoor zijn economische situatie sterk verslechterde. |
|
(327) |
De economische achteruitgang van de bedrijfstak van de Unie ging gepaard met een sterke stijging van laaggeprijsde invoer met dumping uit de VRC. Deze invoer onderbood de prijzen in de Unie voortdurend en oefende een sterke neerwaartse druk op de marktprijzen uit. Als gevolg daarvan kon de bedrijfstak van de Unie zijn prijzen niet verhogen en moest hij zijn prijzen juist verlagen tot ruim onder de daling van de productiekosten. Dit leidde tot een dalende verkoop, een verminderde productie en een aanzienlijke daling van de winstgevendheid, de kasstroom en het rendement van investeringen. Het tijdstip en de omvang van deze ontwikkelingen wijzen op een duidelijk oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping en de door de bedrijfstak van de Unie geleden aanmerkelijke schade. |
|
(328) |
De Commissie heeft andere factoren onderzocht die hadden kunnen bijdragen tot de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade. Deze factoren waren onder meer de invoer uit andere derde landen en de uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Unie. Geen van deze factoren bleek echter afbreuk te doen aan het reële en aanzienlijke oorzakelijke verband tussen de invoer met dumping uit de VRC en de door de bedrijfstak van de Unie geleden aanmerkelijke schade. |
|
(329) |
Op basis van het voorgaande heeft de Commissie in dit stadium geconcludeerd dat de invoer met dumping uit het betrokken land de bedrijfstak van de Unie materiële schade heeft berokkend en dat de andere factoren, ongeacht of ze individueel dan wel collectief werden beschouwd, geen afbreuk deden aan het causale verband tussen de invoer met dumping en de materiële schade. |
6. NIVEAU VAN DE MAATREGELEN
|
(330) |
Om het niveau van de maatregelen te bepalen, heeft de Commissie beoordeeld of een recht lager dan de dumpingmarge toereikend zou zijn om de door de invoer met dumping aan de bedrijfstak van de Unie berokkende schade op te heffen. |
|
(331) |
De schade zou worden opgeheven indien de bedrijfstak van de Unie een nagestreefde winst zou kunnen behalen door te verkopen tegen een richtprijs in de zin van artikel 7, lid 2 quater en lid 2 quinquies, van de basisverordening. |
|
(332) |
Overeenkomstig artikel 7, lid 2 quater, van de basisverordening hield de Commissie bij de bepaling van de nagestreefde winst rekening met de volgende factoren: de mate van winstgevendheid vóór de toename van de invoer vanuit het aan een onderzoek onderworpen land, de mate van winstgevendheid die vereist is ter dekking van alle kosten en investeringen, onderzoek en ontwikkeling (O&O) en innovatie, alsmede de onder normale mededingingsvoorwaarden te verwachten mate van winstgevendheid. Die winstmarge mag niet lager zijn dan 6 %. |
|
(333) |
In eerste instantie heeft de Commissie een basiswinst vastgesteld die alle kosten onder normale mededingingsvoorwaarden dekt. De basiswinst werd vastgesteld op 9,16 %, een percentage dat een weerspiegeling is van de gewogen gemiddelde historische winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie in de periode 2015-2021, d.w.z. vóór de sterke toename van de invoer uit de VRC op de markt van de Unie. |
|
(334) |
De bedrijfstak van de Unie verstrekte bewijsmateriaal waaruit bleek dat zijn niveau van investeringen, O&O en innovatie tijdens de beoordelingsperiode onder normale mededingingsvoorwaarden hoger zou zijn geweest. De Commissie heeft de interne administratie van de ondernemingen met betrekking tot investeringsplannen, managementbesluiten en jaarrekeningen gecontroleerd en heeft vastgesteld dat de argumenten gegrond waren. Om hier rekening mee te houden in de nagestreefde winst, heeft de Commissie het verschil berekend tussen de uitgaven voor investeringen, O&O en innovatie onder normale mededingingsvoorwaarden zoals verstrekt door de bedrijfstak van de Unie en gecontroleerd door de Commissie, enerzijds, en de daadwerkelijke desbetreffende uitgaven tijdens de beoordelingsperiode, anderzijds. De gewogen IOI-marge werd vastgesteld op 2,26 %. Dit percentage werd opgeteld bij de in overweging 333 vermelde basiswinst van 9,16 %, wat een nagestreefde winst van 11,42 % opleverde. |
|
(335) |
Op basis hiervan ligt de geen schade veroorzakende prijs tussen [2 900 en 3 320 EUR per ton], berekend door de bovengenoemde winstmarge van 11,42 % toe te passen op de productiekosten van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie tijdens het onderzoektijdvak. |
|
(336) |
Overeenkomstig artikel 7, lid 2 quinquies, van de basisverordening beoordeelde de Commissie als laatste stap de toekomstige kosten voortvloeiend uit multilaterale milieuovereenkomsten en de bijbehorende protocollen waarbij de Unie partij is, en uit de in bijlage I bis vermelde Verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), die de bedrijfstak van de Unie tijdens de periode van toepassing van de maatregel uit hoofde van artikel 11, lid 2, zal maken. Op basis van het beschikbare bewijsmateriaal heeft de Commissie voor elk van de in de steekproef opgenomen ondernemingen extra kosten vastgesteld, variërend van 0 tot 27 EUR per ton. Dit verschil werd toegevoegd aan de in overweging 336 genoemde geen schade veroorzakende prijs. |
|
(337) |
Op basis hiervan berekende de Commissie een geen schade veroorzakende prijs voor het soortgelijke product van de bedrijfstak van de Unie door de bovengenoemde nagestreefde winstmarge toe te passen op de productiekosten van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie tijdens het onderzoektijdvak, en vervolgens per productsoort de correcties op grond van artikel 7, lid 2 quinquies, toe te passen. |
|
(338) |
De Commissie heeft vervolgens het niveau van de prijsbederfmarge bepaald door de gewogen gemiddelde invoerprijs van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs in de VRC, zoals vastgesteld voor de berekeningen van de prijsonderbieding, te vergelijken met de gewogen gemiddelde, geen schade veroorzakende prijs van het soortgelijke product dat in het onderzoektijdvak door de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie op de markt van de Unie werd verkocht. Als uit deze vergelijking een verschil naar voren kwam, werd dit uitgedrukt als percentage van de gewogen gemiddelde cif-waarde bij invoer. |
|
(339) |
De prijsbederfmarge voor “andere meewerkende ondernemingen” en voor “alle overige invoer van oorsprong uit het betrokken land” wordt op dezelfde manier vastgesteld als de dumpingmarge voor deze ondernemingen en de invoer (zie punt 3.5).
|
7. BELANG VAN DE UNIE
|
(340) |
Gezien de beslissing van de Commissie om artikel 7, lid 2, van de basisverordening toe te passen, heeft zij onderzocht of zij duidelijk kon concluderen dat het niet in het belang van de Unie was om in dit geval maatregelen te nemen, ondanks de vaststelling van schadeveroorzakende dumping, overeenkomstig artikel 21 van de basisverordening. Het belang van de Unie werd vastgesteld op basis van een afweging van alle betrokken belangen, met inbegrip van die van de bedrijfstak van de Unie, importeurs en gebruikers. |
7.1. Belang van de bedrijfstak van de Unie
|
(341) |
De bedrijfstak van de Unie bestaat uit de drie klagers, waarvan er twee tot dezelfde groep van ondernemingen behoren. De drie productielocaties zijn gelegen in Duitsland, Frankrijk en Italië en hebben [330-400] werknemers rechtstreeks in dienst. |
|
(342) |
De huidige verliezen zijn onhoudbaar. Verwacht wordt dat de instelling van maatregelen de bedrijfstak van de Unie in staat zal stellen delen van het verloren marktaandeel terug te winnen en prijzen vast te stellen op een niveau dat een duurzaam niveau van winstgevendheid mogelijk maakt. |
|
(343) |
Wanneer maatregelen uitblijven, zal dat waarschijnlijk aanzienlijke negatieve gevolgen voor de bedrijfstak van de Unie hebben in de vorm van een verdere neerwaartse prijsdruk en een verdere daling van de verkopen, wat zal leiden tot verdere verliezen en waarschijnlijk tot sluiting van productievestigingen, ontslagen en, uiteindelijk, tot het verdwijnen van hele ondernemingen. |
|
(344) |
Derhalve is de Commissie tot de conclusie gekomen dat de instelling van voorlopige maatregelen in het belang van de bedrijfstak van de Unie is. |
7.2. Belang van niet-verbonden importeurs en handelaren, gebruikers of leveranciers
|
(345) |
Twee ondernemingen (Ventas Inernationales S.A. en Silcart SPA) hebben zich tijdens het onderzoek kenbaar gemaakt als niet-verbonden importeurs, maar hebben geen antwoorden op de vragenlijst voor importeurs ingediend. Silcart S.P.A had zich geregistreerd om als importeur aan het onderzoek mee te werken, maar na verduidelijkingen bevestigde Silcart dat het PET-spinvlies niet invoerde en doorverkocht, maar invoerde en gebruikte, waardoor deze onderneming als een gebruiker wordt aangemerkt. De hoeveelheden van het ingevoerde betrokken product waren verwaarloosbaar (12 ton). |
|
(346) |
Eén enkele gebruiker heeft zijn opmerkingen als belanghebbende ingediend. W. Quandt GmbH & Co. KG heeft zijn bezorgdheid over zijn voorzieningszekerheid geuit (zonder de vragenlijst te beantwoorden) vanwege het beperkte aantal leveranciers van PET-spinvlies in de EU en kwaliteitsproblemen die hij in het verleden met de klagers had ondervonden, wat hem er, in combinatie met prijsstellingsoverwegingen, toe heeft gebracht zijn toeleveringsketen op te bouwen rond invoer uit de VRC. |
|
(347) |
De Poolse producentenvereniging die de overgrote meerderheid van de producenten van dakbedekkings- en afdichtingsoplossingen in Polen vertegenwoordigt, heeft haar steun voor het onderzoek en het eventueel instellen van maatregelen uitgesproken omdat de instandhouding van een veerkrachtige en concurrerende toeleveringsketen voor kritieke bouwinputs in de EU van strategisch belang is voor haar bedrijfstak en voor de bredere Europese economie. |
|
(348) |
Bij gebrek aan gegevens over de economische situatie van importeurs en gebruikers werd het waarschijnlijke effect van maatregelen op importeurs en gebruikers beoordeeld op basis van redelijke veronderstellingen. |
|
(349) |
Voor importeurs zullen de gevolgen voor hun economische activiteit waarschijnlijk beperkt zijn vanwege hun gevarieerde portefeuilles zoals te zien op hun websites en het feit dat invoer uit de VRC niet wordt verboden, maar waarschijnlijk weer in lagere volumes zal plaatsvinden. |
|
(350) |
Voor gebruikers is PET-spinvlies geïntegreerd in bitumen membranen die hoofdzakelijk worden gebruikt in de bouwsector en met name bij renovatieprojecten. PET-spinvlies maakt deel uit van de productiekosten van bitumen membranen, die op hun beurt weer slechts een deel van de kosten van renovatieprojecten vertegenwoordigen, die voornamelijk bestaan uit loonkosten. Als zodanig is het onwaarschijnlijk dat een mogelijke stijging van de prijs van het betrokken product als gevolg van de instelling van antidumpingrechten aanzienlijke gevolgen zal hebben voor de uiteindelijke kosten van renovatieprojecten, en daarom is het ook onwaarschijnlijk dat een mogelijke prijsstijging gevolgen zal hebben voor de kosten en de economische activiteiten van gebruikers. |
|
(351) |
Wat de bezorgdheid van W. Quandt GmbH & Co. KG betreft, moet worden opgemerkt dat de maatregelen, indien ze zouden worden ingesteld, invoer niet verbieden en derhalve de voorzieningszekerheid van gebruikers niet in gevaar brengen. Integendeel, door eerlijke concurrentie te herstellen en een gelijk speelveld op de EU-markt te waarborgen kan de bedrijfstak van de Unie zijn productie voortzetten en de veerkracht van zijn toeleveringsketen waarborgen. De Commissie heeft ook vastgesteld dat PET-spinvlies wordt ingevoerd uit andere derde landen, zoals Turkije, wat de bevinding versterkt dat de voorzieningszekerheid van gebruikers niet in gevaar komt. |
|
(352) |
Het voortbestaan van de bedrijfstak van de Unie zal ook de levensvatbaarheid van zijn leveranciers ondersteunen, die op hun beurt de economie en de werkgelegenheid in de EU zullen ondersteunen, zoals opgemerkt door verschillende leveranciers van zowel materialen (PET, acrylbindmiddel, zetmeel) als diensten die hun steun voor de klacht hebben uitgesproken. |
|
(353) |
Tot slot is PET-spinvlies een belangrijke afzetmogelijkheid voor kunststofrecyclers in de Unie en voortzetting van de economische activiteiten van de bedrijfstak van de Unie zal de activiteiten van recyclers ondersteunen, waarvan enkele hun steun voor het onderzoek en het eventueel instellen van maatregelen hebben toegezegd. Het instellen van maatregelen zal derhalve ook de doelen van de groene en circulaire economie van de Unie dienen. |
|
(354) |
Gezien het bovenstaande zal het instellen van maatregelen naar verwachting geen nadelige gevolgen hebben voor gebruikers of importeurs, en zal dit leveranciers ten goede komen en het milieubeleid van de Unie ondersteunen. Daarom wordt geconcludeerd dat de instelling van antidumpingmaatregelen niet in strijd is met het belang van importeurs, gebruikers en leveranciers. |
7.3. Conclusie betreffende het belang van de Unie
|
(355) |
Op basis van het bovenstaande is de Commissie tot de conclusie gekomen dat er geen dwingende redenen zijn om te besluiten dat het duidelijk niet in het belang van de Unie zou zijn om in dit stadium van het onderzoek maatregelen in te stellen ten aanzien van de invoer van het betrokken product van oorsprong uit de Volksrepubliek China. |
8. VOORLOPIGE ANTIDUMPINGMAATREGELEN
|
(356) |
Op basis van de conclusies van de Commissie inzake dumping, schade, het oorzakelijk verband, de hoogte van de maatregelen en het belang van de Unie moeten voorlopige maatregelen worden ingesteld om te voorkomen dat de bedrijfstak van de Unie nog meer schade lijdt door de invoer met dumping. |
|
(357) |
De voorlopige antidumpingmaatregelen ten aanzien van de invoer van PET-spinvlies van oorsprong uit de Volksrepubliek China moeten worden ingesteld in overeenstemming met de regel van het laagste recht in artikel 7, lid 2, van de basisverordening. De Commissie heeft de prijsbederfmarges en de dumpingmarges vergeleken (punt 6). Het bedrag van de rechten werd vastgesteld op het niveau van de dumpingmarge, of van de prijsbederfmarge indien deze lager is. |
|
(358) |
Op basis van het voorgaande moeten de voorlopige antidumpingrechten, uitgedrukt in cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring, als volgt worden vastgesteld:
|
|
(359) |
De bij deze verordening voor bepaalde ondernemingen vastgestelde individuele antidumpingrechten zijn gebaseerd op de bevindingen van dit onderzoek. Daarin wordt derhalve de situatie weerspiegeld die bij het onderzoek voor die ondernemingen werd geconstateerd. Deze rechten zijn uitsluitend van toepassing op het betrokken product van oorsprong uit het betrokken land en geproduceerd door de genoemde juridische entiteiten. Op de invoer van het betrokken product dat is geproduceerd door andere ondernemingen die in het dispositief van deze verordening niet uitdrukkelijk worden genoemd, met inbegrip van entiteiten die aan de specifiek genoemde ondernemingen zijn verbonden, is het recht van toepassing dat geldt voor “alle overige invoer van oorsprong uit de Volksrepubliek China”. Die invoer mag niet worden onderworpen aan de individuele antidumpingrechten. |
|
(360) |
Om het risico op ontwijking als gevolg van het verschil in rechten zo veel mogelijk te beperken, zijn speciale maatregelen nodig om de toepassing van de individuele antidumpingrechten te garanderen. De heffing van individuele antidumpingrechten is enkel van toepassing wanneer aan de douaneautoriteiten van de lidstaten een geldige handelsfactuur wordt overgelegd. Deze factuur moet voldoen aan de in artikel 1, lid 3, van deze verordening vastgestelde vereisten. Totdat een dergelijke factuur wordt overgelegd, moet de invoer worden onderworpen aan het antidumpingrecht dat van toepassing is op “alle overige invoer van oorsprong uit de Volksrepubliek China”. |
|
(361) |
Hoewel de douaneautoriteiten van de lidstaten over deze factuur moeten beschikken om ten aanzien van de invoer de individuele antidumpingrechten te kunnen toepassen, is overlegging van die factuur niet de enige factor waarmee de douaneautoriteiten rekening moeten houden. Zelfs als aan hen een factuur wordt overgelegd die aan alle vereisten van artikel 1, lid 3, van deze verordening voldoet, moeten de douaneautoriteiten van de lidstaten namelijk hun gebruikelijke controles uitvoeren en kunnen zij, net als in alle andere gevallen, aanvullende documenten (vervoersdocumenten enz.) verlangen om de juistheid van de gegevens in de aangifte te controleren en te waarborgen dat het lagere recht vervolgens terecht wordt toegepast, in overeenstemming met de douanewetgeving. |
|
(362) |
Indien de uitvoer door een van de ondernemingen waarvoor een lager individueel recht geldt, na de instelling van de maatregelen in kwestie aanzienlijk toeneemt, kan dit op zich worden beschouwd als een verandering in de structuur van het handelsverkeer als gevolg van de instelling van maatregelen in de zin van artikel 13, lid 1, van de basisverordening. In dergelijke omstandigheden kan, mits aan de voorwaarden is voldaan, een onderzoek naar ontwijking van de maatregelen worden geopend. Hierbij kan onder meer worden onderzocht of het nodig is de individuele rechten in te trekken en een voor het gehele land geldend recht in te stellen. |
9. REGISTRATIE
|
(363) |
Zoals vermeld in overweging 3, heeft de Commissie de invoer van het betrokken product aan registratie onderworpen. De registratie vond plaats om het mogelijk te maken met terugwerkende kracht rechten te innen overeenkomstig artikel 10, lid 4, van de basisverordening. |
|
(364) |
In het licht van de voorlopige bevindingen moet de registratie van de invoer worden beëindigd. |
|
(365) |
In dit stadium van de procedure is geen besluit genomen over een mogelijke toepassing met terugwerkende kracht van antidumpingmaatregelen. |
10. INFORMATIE OVER VOORLOPIGE MAATREGELEN
|
(366) |
Overeenkomstig artikel 19 bis van de basisverordening heeft de Commissie de belanghebbenden op de hoogte gebracht van de beoogde instelling van voorlopige rechten. Deze informatie is ook openbaar gemaakt op de website van DG Handel. Belanghebbenden hebben drie werkdagen de tijd gekregen om opmerkingen in te dienen over de juistheid van de berekeningen die specifiek aan hen zijn meegedeeld. Er werden opmerkingen ontvangen van TDF, Unibon en Hebei Jinliu Chemical Fiber Co., Ltd. |
|
(367) |
TDF voerde aan dat bepaalde berekeningsbestanden die voor de vaststelling van de dumpingmarge voor TDF werden gebruikt, niet de definitieve versies waren die door de Commissie werden geverifieerd. TDF verzocht de Commissie daarom de berekening van de dumpingmarge en de prijsbederfmarge voor TDF te baseren op de definitieve gecontroleerde versies van die dossiers. De Commissie heeft dit verzoek aanvaard en de berekeningen dienovereenkomstig herzien aan de hand van de gegevens in de definitieve gecontroleerde versies van de desbetreffende dossiers. |
|
(368) |
Unibon betoogde dat in de benchmark voor elektriciteit voor Unibon de toegepaste categorie elektriciteitsverbruik onjuist was ingedeeld. Daarnaast voerde een niet in de steekproef opgenomen medewerkende producent-exporteur, Hebei Jinliu Chemical Fiber Co., Ltd, aan dat de voor niet in de steekproef opgenomen medewerkende producenten-exporteurs vastgestelde dumpingmarge zijn individuele situatie niet weergeeft, aangezien de onderneming beweerde dat zij zich niet schuldig maakte aan dumping bij verkoop op de markt van de Unie. |
|
(369) |
De Commissie merkte op dat de argumenten van Unibon en Hebei Jinliu Chemical Fiber Co., Ltd,geen betrekking hebben op de juistheid van de berekeningen, maar op de methoden die de Commissie heeft gebruikt om haar respectieve dumpingmarge vast te stellen. Die opmerkingen zullen derhalve, samen met alle andere opmerkingen, na de bekendmaking van de voorlopige maatregelen worden onderzocht. |
11. SLOTBEPALINGEN
|
(370) |
Met het oog op een behoorlijk bestuur nodigt de Commissie de belanghebbenden uit schriftelijk te reageren en/of binnen een vaste termijn een hoorzitting met de Commissie en/of de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures aan te vragen. |
|
(371) |
De bevindingen betreffende de instelling van voorlopige rechten zijn voorlopig en kunnen in het definitieve stadium van het onderzoek worden gewijzigd, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Er wordt een voorlopig antidumpingrecht ingesteld op bepaald niet-geweven naaldvilt van filamenten van polyester, al dan niet versterkt met glasvezels, met een gewicht van meer dan 70 g/m2, met een dikte van meer dan 0,5 mm doch niet meer dan 1,8 mm, geïmpregneerd met een of meer bindmiddelen, minder dan 30 % gewichtspercenten glas bevattend, niet bekleed of bedekt, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 5603 13 90 , 5603 14 20 en ex 5603 14 80 (Taric-codes 5603 13 90 70 en 5603 14 80 70) en van oorsprong uit de Volksrepubliek China.
2. Het voorlopige antidumpingrecht dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, van de in lid 1 genoemde en door de hieronder vermelde ondernemingen vervaardigde producten is als volgt:
|
Onderneming |
Voorlopig antidumpingrecht |
Aanvullende Taric-code |
||||
|
45,6 % |
88CB |
||||
|
50,0 % |
88CC |
||||
|
Andere meewerkende ondernemingen |
49,4 % |
Zie bijlage |
||||
|
Alle overige invoer van oorsprong uit de Volksrepubliek China |
50,0 % |
8999 |
3. De individuele rechten die zijn vastgesteld voor de in lid 2 vermelde ondernemingen zijn uitsluitend van toepassing indien aan de douaneautoriteiten van de lidstaten een geldige handelsfactuur wordt overgelegd die een verklaring bevat die is gedateerd en ondertekend door een met naam en functie geïdentificeerde medewerker van de entiteit die deze factuur heeft opgesteld, en die als volgt luidt: “Ondergetekende verklaart dat de (volume in ton) (betrokken product) die naar de Europese Unie wordt uitgevoerd en waarop deze factuur betrekking heeft, is vervaardigd door (naam en adres van de onderneming) (aanvullende Taric-code) in de Volksrepubliek China. Ondergetekende verklaart dat de in deze factuur verstrekte informatie juist en volledig is.” Totdat een dergelijke factuur wordt overgelegd, geldt het recht dat van toepassing is op alle overige invoer van oorsprong uit de Volksrepubliek China.
4. Bij het in het vrije verkeer brengen in de Unie van het in lid 1 genoemde product wordt een zekerheid gesteld die gelijk is aan het bedrag van het voorlopige recht.
5. Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.
Artikel 2
1. Belanghebbenden moeten hun schriftelijke opmerkingen inzake deze verordening binnen 15 kalenderdagen na de datum van inwerkingtreding van deze verordening bij de Commissie indienen.
2. Belanghebbenden die om een hoorzitting bij de Commissie willen verzoeken, moeten dit binnen vijf kalenderdagen na de datum van inwerkingtreding van deze verordening doen.
3. Belanghebbenden die willen worden gehoord door de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures, kunnen binnen vijf kalenderdagen na de datum van inwerkingtreding van deze verordening hiertoe een verzoek indienen. De raadadviseur-auditeur kan buiten deze termijn ingediende verzoeken beoordelen en kan in voorkomend geval besluiten die verzoeken te aanvaarden.
Artikel 3
1. De douaneautoriteiten wordt opgedragen de bij artikel 1 van Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2409 ingestelde registratie van de invoer te beëindigen.
2. Gegevens die zijn verzameld met betrekking tot producten die ten hoogste 90 dagen vóór de datum van inwerkingtreding van deze verordening voor invoer ten verbruik in de EU zijn aangegeven, moeten worden bewaard tot eventuele definitieve maatregelen in werking treden of tot deze procedure is beëindigd.
Artikel 4
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 12 mei 2026.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 176 van 30.6.2016, blz. 21, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2016/1036/oj.
(2) Bericht van inleiding van een antidumpingprocedure betreffende de invoer van PET-spinvlies van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB C, C/2025/5010, 15.9.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/5010/oj).
(3) Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2409 van de Commissie van 1 december 2025 tot onderwerping van de invoer van PET-spinvlies van oorsprong uit de Volksrepubliek China aan registratie (PB L, 2025/2409, 2.12.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/2409/oj).
(4) Vier producenten-exporteurs, inclusief die welke in de steekproef zijn opgenomen, hebben de CCCT bij volmacht gemachtigd om namens hen op te treden in de procedure.
(5) TRON t25.009148 en t25.009150 van 24 september 2025.
(6) https://tron.trade.ec.europa.eu/investigations/case-view?caseId=2811.
(7) Sinds 1 januari 2024 wordt het onderzochte product ingedeeld onder de GN-codes 5603 14 20 , 5603 13 90 en 5603 14 80 (restcode). Tot en met 31 december 2023 werd het onderzochte product hoofdzakelijk ingedeeld onder de GN-codes 5603 14 90 en 5603 13 90 .
(8) Werkdocument van de diensten van de Commissie, “Significant Distortions in the Economy of the People’s Republic of China for the Purposes of Trade Defence Investigations”, 10 april 2024, SWD(2024) 91 final.
(9) Bladzijden 12 en 13 van de klacht.
(10) Bladzijde 13 van de klacht.
(11) Bladzijde 13 van de klacht.
(12) Bladzijden 13 en 14 van de klacht en bijlage 16.
(13) Bladzijde 14 van de klacht.
(14) Bladzijde 17 van de klacht.
(15) Zie Uitvoeringsverordening (EU) 2024/1040 van de Commissie van 27 maart 2024 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde soorten polyethyleentereftalaat van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L, 2024/1040, 2.4.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2024/1040/oj), en Uitvoeringsverordening (EU) 2025/501 van de Commissie van 18 maart 2025 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op glasvezelgarens van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L, 2025/501, 19.3.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/501/oj).
(16) Bladzijde 17 van de klacht en rapport over China, bladzijden 346 en 351.
(17) Bladzijde 17 van de klacht en rapport over China, bladzijde 266.
(18) Bladzijde 18 van de klacht.
(19) Bladzijde 18 van de klacht.
(20) Bladzijde 16 van de klacht en bijlage 22 daarbij — Algemeen 14e vijfjarenplan, bladzijde 15, en rapport over China, bladzijden 320 en 321.
(21) Bladzijde 16 van de klacht en bijlage 24 daarbij — Plan voor intelligentie productie, bladzijde 16.
(22) Bladzijde 16 van de klacht en bijlage 26 daarbij — Catalogus met richtsnoeren voor de structurele aanpassing van de industrie, bladzijden 49 en 50.
(23) Bladzijde 19 van de klacht.
(24) Bladzijde 19 van de klacht en rapport over China, bladzijde 149 e.v.
(25) Rapport — hoofdstuk 2, blz. 7.
(26) Rapport — hoofdstuk 2, blz. 7 en 8.
(27) Zie: http://finance.people.com.cn/n1/2026/0128/c1004-40654753.html (geraadpleegd op 5 maart 2026).
(28) Rapport — hoofdstuk 2, blz. 10 en 18.
(29) Beschikbaar op: http://www.npc.gov.cn/zgrdw/englishnpc/Constitution/node_2825.htm (geraadpleegd op 8 april 2024).
(30) Rapport — hoofdstuk 2, blz. 29 en 30.
(31) Rapport — hoofdstuk 4, blz. 57 en 92.
(32) Rapport — hoofdstuk 6, blz. 149 en 150.
(33) Rapport — hoofdstuk 6, blz. 153-171.
(34) Rapport — hoofdstuk 7, blz. 204 en 205.
(35) Rapport — hoofdstuk 8, blz. 207, 208, 242 en 243.
(36) Rapport — hoofdstuk 2, blz. 19-24, hoofdstuk 4, blz. 69, 99 en 100, hoofdstuk 5, blz. 130 en 131.
(37) Zie: https://www.tdf.com.cn/About.html (geraadpleegd op 11 maart 2026).
(38) Ibidem.
(39) Zie het halfjaarlijkse verslag van Beijing Oriental Yuhong Waterproof Technology Co., Ltd, blz. 192, beschikbaar op: http://file.finance.sina.com.cn/211.154.219.97:9494/MRGG/CNSESZ_STOCK/2025/2025-8/2025-08-01/11273891.PDF (geraadpleegd op 11 maart 2026).
(40) Zie: http://www.hbbsfzzb.com/about/?95.html (geraadpleegd op 11 maart 2026).
(41) Zie: http://huahong-group.com/?list/10.html (geraadpleegd op 11 maart 2026).
(42) Zie: https://www.cnita.org.cn/hyfw/hydw/201709/t20170920_4316933.html (geraadpleegd op 11 maart 2026).
(43) Zie: http://file.finance.sina.com.cn/211.154.219.97:9494/MRGG/CNSESZ_STOCK/2023/2023-4/2023-04-25/9052858.PDF (geraadpleegd op 11 maart 2026).
(44) Zie: http://en.sasac.gov.cn/ (geraadpleegd op 11 maart 2026).
(45) Artikel 33 van de statuten van de CCP, artikel 19 van het Chinese vennootschapsrecht. Zie Rapport — hoofdstuk 3, blz. 47-50.
(46) Zie blz. 145 en 147 van de routekaart Made in China 2025, beschikbaar op: https://www.cae.cn/cae/html/files/2015-10/29/20151029105822561730637.pdf (geraadpleegd op 11 maart 2026).
(47) Zie blz. 45 en 48 van de Catalogus met richtsnoeren voor de structurele aanpassing van de industrie 2024, beschikbaar op: https://www.ndrc.gov.cn/xxgk/zcfb/fzggwl/202312/t20231229_1362999.html (geraadpleegd op 11 maart 2026).
(48) 14e vijfjarenplan voor grondstoffen, afdelingen IV.2 en VIII.1. Beschikbaar op: https://www.miit.gov.cn/zwgk/zcwj/wjfb/tz/art/2021/art_2960538d19e34c66a5eb8d01b74cbb20.html (geraadpleegd op 11 maart 2026).
(49) Rapport — hoofdstuk 2, blz. 24-27.
(50) Zie: http://www.cpcif.org.cn/detail/40288043661e27fb01661e386a3f0001?e=1 (geraadpleegd op 11 maart 2026).
(51) Zie: http://www.cpcif.org.cn/list/40288043661dc14701661ddbe0980010 (geraadpleegd op 11 maart 2026).
(52) Zie: https://www.cnita.org.cn/ (geraadpleegd op 11 maart 2026).
(53) Zie: https://www.cnita.org.cn/xhzc/xhzc/ (geraadpleegd op 11 maart 2026).
(54) Zie: https://www.cnita.org.cn/hyfw/hydw/index_20.html (geraadpleegd op 11 maart 2026).
(55) Zie: https://www.cnita.org.cn/hyfw/hydw/201709/t20170920_4316933.html (geraadpleegd op 11 maart 2026).
(56) Rapport — hoofdstuk 3, blz. 40.
(57) Zie bijvoorbeeld: Blanchette, J., Xi’s Gamble: The Race to Consolidate Power and Stave off Disaster; Foreign Affairs, deel 100, nummer 4, juli/augustus 2021, blz. 10-19.
(58) Rapport — hoofdstuk 3, blz. 41.
(59) Beschikbaar op: https://www.reuters.com/article/us-china-congress-companies-idUSKCN1B40JU.
(60) Richtsnoeren van het Algemeen Bureau van het Centraal Comité van de CCP om in het nieuwe tijdperk de activiteiten van het Eenheidsfront in de particuliere sector op te voeren: www.gov.cn/zhengce/2020-09/15/content_5543685.htm (geraadpleegd op …).
(61) Financial Times (2020) “Chinese Communist Party asserts greater control over private enterprise” (“Chinese Communistische Partij vergroot controle over particuliere ondernemingen”): https://on.ft.com/3mYxP4j (geraadpleegd op …).
(62) Zie: https://www.yuhong.com.cn/about/Team/Executive/2019/0614/210.html (geraadpleegd op 12 maart 2026).
(63) Zie het jaarverslag 2016 van Beijing Oriental Yuhong Waterproof Technology Co., Ltd, blz. 86, beschikbaar op: http://file.finance.sina.com.cn/211.154.219.97:9494/MRGG/CNSESZ_STOCK/2017/2017-4/2017-04-21/3265799.PDF (geraadpleegd op 12 maart 2026).
(64) Zie: https://finance.sina.com.cn/jjxw/2025-11-28/doc-infyyany9813180.shtml?froms=ggmp (geraadpleegd op 12 maart 2026).
(65) Ibidem.
(66) Zie: https://www.changde.gov.cn/cdzx/cdyw/content_78161700 (geraadpleegd op 13 maart 2026).
(67) Zie: http://www.sinopec.com/u/cms/gfyw/202411/27092756kosx.pdf blz. 26 (geraadpleegd op 12 maart 2025).
(68) Zie: http://www.sinopecgroup.com/group/gsglc/index.shtml (geraadpleegd op 12 maart 2026).
(69) Zie: http://www.sinopecgroup.com/group/000/000/041/41878.shtml (geraadpleegd op 12 maart 2026).
(70) Rapport — hoofdstuk 14, punten 14.1, 14.2 en 14.3.
(71) Rapport — hoofdstuk 4, blz. 56, 57, 99 en 100.
(72) Zie: https://www.cae.cn/cae/html/files/2015-10/29/20151029105822561730637.pdf, blz. 145 en 147 (geraadpleegd op 12 maart 2026).
(73) Zie: https://www.gov.cn/xinwen/2021-03/13/content_5592681.htm (geraadpleegd op 12 maart 2026).
(74) Ibidem, afdeling III.8.
(75) Zie: https://www.gov.cn/zhengce/zhengceku/2021-12/29/content_5665166.htm (geraadpleegd op 12 maart 2026).
(76) Ibidem. Zie afdeling IV.2.
(77) Zie: https://www.miit.gov.cn/zwgk/zcwj/wjfb/yj/art/2022/art_4ef438217a4548cb98c2d7f4f091d72e.html (geraadpleegd op 13 maart 2026).
(78) Zie: http://gxt.shandong.gov.cn/module/download/downfile.jsp?classid=0&filename=17e54531cb74483596b5cca1a40ec8d8.pdf (geraadpleegd op 12 maart 2026).
(79) Zie: https://www.tdf.com.cn/search.html?keywords=%E5%B1%B1%E4%B8%9C&appIds=all (geraadpleegd op 13 maart 2026).
(80) Zie: http://www.hunan.gov.cn/xxgk/wjk/szfbgt/202108/t20210825_20396613.html (geraadpleegd op 13 maart 2026).
(81) Zie: https://xdt.changde.gov.cn/zwgk/public/6617380/8364528.html (geraadpleegd op 13 maart 2026).
(82) Zie: https://www.changde.gov.cn/cdzx/qxdt/content_1085558 (geraadpleegd op 13 maart 2026).
(83) Zie: https://jxt.hubei.gov.cn/fbjd/xxgkml/jhgh/202203/t20220325_4056642.shtml (geraadpleegd op 13 maart 2026).
(84) Rapport — hoofdstuk 6, blz. 171-179.
(85) Rapport — hoofdstuk 9, blz. 260 en 261.
(86) Rapport — hoofdstuk 9, blz. 257-260.
(87) Rapport — hoofdstuk 9, blz. 252, 253 en 254.
(88) Rapport — hoofdstuk 13, blz. 360, 361, 364-370.
(89) Rapport — hoofdstuk 13, blz. 366.
(90) Rapport — hoofdstuk 13, blz. 370-373.
(91) Rapport — hoofdstuk 6, blz. 137-140.
(92) Rapport — hoofdstuk 6, blz. 146-149.
(93) Rapport — hoofdstuk 6, blz. 149.
(94) “Ad-hocsteun van de Chinese overheid aan banken”, officiële aankondiging, Ministerie van Financiën, VRC, 29 maart 2025 https://www.mof.gov.cn/zhengwuxinxi/caizhengxinwen/202503/t20250329_3961036.htm (geraadpleegd op 12 maart 2026).
(95) Zie het officiële beleidsdocument van de China Banking and Insurance Regulatory Commission van 28 augustus 2020: Three-year action plan for improving corporate governance of the banking and insurance sectors (2020-2022) (Driejarig actieplan ter verbetering van de corporate governance in de bank- en verzekeringssectoren (2020-2022)): http://www.cbirc.gov.cn/cn/view/pages/ItemDetail.html?docId=925393&itemId=928 (geraadpleegd op 8 april 2024). In het plan wordt opgedragen “verder te handelen in de geest van de keynotespeech van secretaris-generaal Xi Jinping over de te boeken vooruitgang bij de hervorming van de corporate governance in de financiële sector”. Bovendien is afdeling II van het plan gericht op het bevorderen van de organische integratie van de leidende rol van de partij in corporate governance: “Wij laten de integratie van het leiderschap van de Partij in de corporate governance meer systematisch, gestandaardiseerd en op basis van procedures verlopen. [...] Belangrijke operationele en managementkwesties moeten door het partijcomité zijn besproken voordat de raad van bestuur of de directie hierover een besluit neemt.”
(96) Zie de mededeling van de CBIRC over de methode voor de beoordeling van de prestaties van handelsbanken, gepubliceerd op 15 december 2020: http://jrs.mof.gov.cn/gongzuotongzhi/202101/t20210104_3638904.htm.
(97) Zie: https://www.gov.cn/zhengce/content/202511/content_7047643.htm (geraadpleegd op 12 december 2025).
(98) Ibidem, punt 11.
(99) Rapport — hoofdstuk 6, blz. 157 en 158.
(100) Rapport — hoofdstuk 6, blz. 150, 151, 152, 156-160, 165-171.
(101) OESO (2019), OECD Economic Surveys: China 2019, OECD Publishing, Parijs, blz. 29, beschikbaar op:
https://doi.org/10.1787/eco_surveys-chn-2019-en.
(102) http://www.mof.gov.cn/zhengwuxinxi/caizhengxinwen/202006/t20200618_3534446.htm
(geraadpleegd op 13 maart 2026).
(103) World Bank Open Data — Upper Middle Income (https://data.worldbank.org/income-level/upper-middle-income).
(104) https://euracoal.eu/coal/why-is-there-no-lignite-market/ (laatst geraadpleegd op 10 april 2026).
(105) https://docs.wto.org/dol2fe/Pages/FE_Search/FE_S_S006.aspx?DataSource=Cat&query=@Symbol=%22G/SG/N/6/TUR/27%22%20OR%20@Symbol=%22G/SG/N/6/TUR/27/*%22&Language=English&Context=ScriptedSearches&languageUIChanged=true.
(106) https://connect.spglobal.com/.
(107) https://www.macmap.org/.
(108) https://app.bot.or.th/BTWS_STAT/statistics/BOTWEBSTAT.aspx?reportID=636&language=ENG.
(109) https://www.mea.or.th/en/our-services/mea-service/e-service/electric-monthly-calculate/type4.
(110) Ministerie van Energie — Energy Policy and Planning Office (tabel 7.2-4) https://www.eppo.go.th/index.php/en/en-energystatistics/energy-economy-static.
(111) Verordening (EU) 2015/755 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende de gemeenschappelijke regeling voor de invoer uit bepaalde derde landen (PB L 123 van 19.5.2015, blz. 33, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2015/755/oj). Volgens artikel 2, lid 7, van de basisverordening kunnen de binnenlandse prijzen in die landen niet worden gebruikt voor de vaststelling van de normale waarde.
(112) https://app.bot.or.th/BTWS_STAT/statistics/BOTWEBSTAT.aspx?reportID=636&language=ENG.
(113) https://www.boi.go.th/index.php?page=utility_costs.
(114) https://www.mea.or.th/en/our-services/tariff-calculation/latestft.
(115) Ministerie van Energie — Energy Policy and Planning Office (tabel 7.2-4) https://www.eppo.go.th/index.php/en/en-energystatistics/energy-economy-static. Laatst geraadpleegd op 29 januari 2026.
(116) National Economic and Social Development Board (NESDB), Department of Provincial Administration (DOPA), Bank of Thailand (BOT), Energy Policy and Planning Office (EPPO) en Department of Alternative Energy Development and Efficiency (DEDE).
(117) https://www.imarcgroup.com/lignite-coal-price-trend (laatst geraadpleegd op 10 april 2026).
(120) Polyester Spunbond in Waterproofing Membranes EU27 Market Estimates.
(121) Bijlage 7 bij de klacht.
(122) Bijlage 7 bij de klacht.
BIJLAGE
Niet in de steekproef opgenomen meewerkende producenten-exporteurs in de Volksrepubliek China
|
Land |
Naam |
Aanvullende Taric-code |
|
Volksrepubliek China |
Hebei Jinliu Chemical Fiber Co., Ltd |
88CD |
|
Volksrepubliek China |
Hebei Saikefu Nonwovens Co., Ltd. |
88CE |
|
Volksrepubliek China |
Hubei Bushi Nonwovens Co., Ltd |
88CF |
|
Volksrepubliek China |
Shouguang Fada Cloth Co., Ltd |
88CG |
|
Volksrepubliek China |
Jiangyin Huasicheng Nonwoven Co., Ltd. |
88CH |
ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2026/1063/oj
ISSN 1977-0758 (electronic edition)