European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

L-serie


2026/1044

18.5.2026

Voor het internationaal publiekrecht hebben alleen de originele VN/ECE-teksten rechtsgevolgen. Voor de status en de datum van inwerkingtreding van dit reglement, zie de recentste versie van VN/ECE-statusdocument TRANS/WP.29/343 op: https://unece.org/status-1958-agreement-and-annexed-regulations.

VN-Reglement nr. 179— Uniforme bepalingen voor de goedkeuring van lichte voertuigen met betrekking tot de laboratoriummeting van rememissies [2026/1044]

Datum van inwerkingtreding: XX september 2026 (o.v.)

Dit document dient louter ter informatie. De authentieke en juridisch bindende tekst is: ECE/TRANS/WP.29/2026/36

INHOUD

Reglement

1.

Werkingssfeer en toepassing

2.

Gebruikte afkortingen en tekens

3.

Definities

4.

Goedkeuringsaanvraag

5.

Goedkeuring

6.

Opschriften

7.

Algemene voorschriften

8.

Algemeen overzicht

9.

Wijziging en uitbreiding van de typegoedkeuring

10.

Conformiteit van de productie

11.

Sancties bij non-conformiteit van de productie

12.

Definitieve stopzetting van de productie

13.

Naam en adres van de voor de uitvoering van de goedkeuringstests verantwoordelijke technische diensten en van de typegoedkeuringsinstanties

14.

Bijzondere bepalingen

Bijlagen

1.

Inlichtingenformulieren

Aanhangsel 1 —

Testrapport van de remhoekemissiefamilie

Aanhangsel 2 —

Testrapport over de individuele coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem (c-factor) (eventueel herhalen voor elke afzonderlijke meting)

Aanhangsel 3 —

Demonstratierapport van de conformiteit van het voertuigtype

2.

Communicatie

3.

Opstelling van het goedkeuringsmerk

4.

Rememissietestprocedure

Aanhangsel 1 —

Gebeurtenissen tijdens de WLTP-remcyclus

Aanhangsel 2 —

Remgebeurtenissen tijdens de WLTP-remcyclus

5.

Methode voor het meten en berekenen van voertuigspecifieke coëfficiënten van het aandeel van de wrijvingsrem

1.   Werkingssfeer en toepassing

Dit reglement is van toepassing op voertuigen van de categorieën M1 en N1 die gebruikmaken van wrijvingsremmen, waarbij droge wrijvingsmaterialen worden gecombineerd met een bijbehorende remschijf of remtrommel, of die voor hun werking een of andere vorm van wrijvingsremmen gebruiken.

Op verzoek van de fabrikant kan ook goedkeuring worden verleend voor voertuigen van categorie N2 met een maximummassa tussen 3,5 en 5 ton die voortkomen uit een type voertuig van categorie N1.

2.   Gebruikte afkortingen en tekens

2.1.   Afkortingen

Tabel 1 bevat een lijst, een korte beschrijving en de eenheid (in voorkomend geval) van de afkortingen die in dit reglement worden gebruikt.

Tabel 1

Afkortingen

Afkorting

Definitie

Eenheid

ABT

Gemiddelde remtemperatuur tijdens rit nr. 10 (“Average Brake Temperature during Trip #10”)

°C

BDD

Diameter remtrommel (“Brake Dum Diameter”)

mm

BRO

Run-out van de rem (“Brake Runout”)

μm

DM

Massa van de schijf vóór de test (“Disc Mass before testing”)

kg

DOP

Dioctylftalaat (“Dioctyl Phthalate”)

-

ECE

Economische Commissie voor Europa

-

EF

Emissiefactor

-

EN

“Europese norm” — Europese technische norm

-

FA

Vooras van het voertuig (“Vehicle Front Axle”)

-

FAF

Remkrachtverdeling vooras (“Front Axle Brake Force Distribution”)

%

FBT

Eindremtemperatuur aan het einde van de remgebeurtenis (“Final Brake Temperature at the end of the brake event”)

°C

FCEV

Elektrisch brandstofcelvoertuig (“Fuel Cell Electric Vehicle”)

-

FCHV

Hybride voertuig met brandstofcel (“Fuel Cell Hybrid Vehicle”)

-

FCV

Brandstofcelvoertuig (“Fuel Cell Vehicle”)

-

H13

Hoogrendementsluchtfilter met een filterrendement van ten minste 99,95 %

-

HEPA-filter

Hoogefficiënte deeltjesluchtfilter

-

IBT

Beginremtemperatuur van de remmen aan het begin van de remgebeurtenis (“Initial Brake Temperature at the start of the brake event”)

°C

ICE

Verbrandingsmotor (“Internal Combustion Engine”)

-

IPDR

Rating van het inertievermogensverschil (“Inertial Power Difference Rating”)

%

IPDW

Inertiearbeid als gevolg van het vermogensverschil (“Inertial Power Difference Work”)

J/kg

IR

Isokinetische verhouding (“Isokinetic Ratio”)

-

IWR

Rating van de inertiearbeid (“Inertial Work Rating”)

%

L0-P

Remhouder in kolomstijl met wielnaafverbinding

-

L0-U

Remhouder in universele stijl zonder wielnaafverbinding

-

LHV

Linkerhoek van het voertuig

-

MRO

Massa in rijklare toestand (“Mass in Running Order”)

kg

MVL

Maximumbelading van het voertuig (“Maximum Vehicle Load”)

kg

NOVC-FCHV

Niet-extern oplaadbaar hybride brandstofcelvoertuig (“Not Off-Vehicle Charging Fuel Cell Hybrid Vehicle”)

-

NOVC-HEV

Niet-extern oplaadbaar hybride elektrisch voertuig (“Not Off-Vehicle Charging Hybrid Electric Vehicle”)

-

NOVC-HEV cat. 0

Niet-extern oplaadbaar hybride elektrisch voertuig (“Not Off-Vehicle Charging Hybrid Electric Vehicle category 0”)

-

NOVC-HEV cat. 1

Niet-extern oplaadbaar hybride elektrisch voertuig (“Not Off-Vehicle Charging Hybrid Electric Vehicle category 1”)

-

NOVC-HEV

cat. 2

Niet-extern oplaadbaar hybride elektrisch voertuig (“Not Off-Vehicle Charging Hybrid Electric Vehicle category 2”)

-

OD

Buitendiameter schijf/trommel (“disc/drum Outer Diameter”)

mm

ODS

Spreadsheet open document (“Open Document Spreadsheet”)

-

OVC-FCHV

Extern oplaadbaar hybride brandstofcelvoertuig (“Off-Vehicle Charging Fuel Cell Hybrid Vehicle”)

-

OVC-HEV

Extern oplaadbaar hybride elektrisch voertuig (“Off-Vehicle Charging Hybrid Electric Vehicle”)

-

PEV

Puur elektrisch voertuig

-

Vlak A

Verticaal vlak dat op één lijn ligt met de inlaat van de ruimte

-

Vlak A1

Horizontaal niveau dat op één lijn ligt met de as van de remrotatie en de as van het kanaal

-

Vlak B

Verticaal vlak aan het einde van de overgang van het inlaatkanaal naar het centrale gedeelte van de ruimte, loodrecht op de as van het kanaal

-

Vlak C

Verticaal vlak dat raakt aan de grootste rem voor de goedgekeurde voertuigcategorie M1, N1, loodrecht op de as van het kanaal

-

Vlak D

Verticaal vlak dat op één lijn ligt met de as van de remrotatie

-

PND1

Primaire deeltjesaantalverdunner (“primary Particle Number Diluter”)

-

PND2

Secundaire deeltjesaantalverdunner (“secundaire Particle Number Diluter”)

-

PAO

Poly-alfa-olefine

-

PBT

Piekremtemperatuur van de remgebeurtenis (“Peak Brake Temperature of the brake event”)

°C

PCRF

Deeltjesconcentratiereductiefactor (“Particle Concentration Reduction Factor”)

-

PM

Massa van het deeltjesmateriaal (“Particulate Matter mass”)

mg

PM2,5

Massa van het deeltjesmateriaal voor aerosols met een aerodynamische diameter van minder dan 2,5 μm

mg

PM2,5 EFref

Referentie-emissiefactor PM2,5 van de geteste rem vóór toepassing van de coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem

mg/km

PM2,5 EF

Definitieve PM2,5-emissiefactor

mg/km

PM10

Massa van het deeltjesmateriaal voor aerosols met een aerodynamische diameter van minder dan 10 μm

mg

PM10 EFref

Referentie-emissiefactor PM10 van de geteste rem vóór toepassing van de wrijvingsremcoëfficiënt

mg/km

PM10 EF

Definitieve PM10-emissiefactor

mg/km

PN

Deeltjesaantal (“Particle Number”)

#

PNC

Deeltjesaantalteller (“Particle Number Counter”)

-

PSA

Oppervlak remblok (“Pad Surface Area”)

cm2

PTFE

Polytetrafluoretheen

-

PTT

Deeltjesoverbrengingsleiding (“Particle Transfer Tube”)

-

RA

Achteras voertuig (“vehicle Rear Axle”)

-

RAF

Remkrachtverdeling achteras (“Rear Axle brake Force distribution”)

%

REESS-systeem

Oplaadbaar opslagsysteem voor elektrische energie (“Rechargeable Electric Energy Storage System”)

-

RV

Relatieve vochtigheid

%

RHV

Rechterhoek van het voertuig

-

RMSSE

Wortel van de gemiddelde gekwadrateerde snelheidsfout (“Root Mean Square Speed Error”)

km/h

SV

Specifieke vochtigheid

mg H20/kg droge lucht

SPN10

Vastedeeltjesaantalconcentratie van deeltjes groter dan 10 nm

#/cm3

SPN10 EFref

Referentie-emissiefactor SPN10 van de geteste rem vóór toepassing van de coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem

#/km

SPN10 EF

Definitieve emissiefactor SPN10

#/km

SAE

Society of Automotive Engineers

-

SEE

Standaardfout van de schatting (“Standard Error of Estimate”)

-

ULPA

Lucht met een ultralage deeltjesconcentratie

-

VPR

Vluchtigedeeltjesverwijderaar (“Volatile Particle Remover”)

-

WLTP

Wereldwijd geharmoniseerde testprocedure voor lichte voertuigen (“Worldwide harmonised Light vehicle Test Procedure”)

-

2.2.   Symbolen

Tabel 2 bevat een lijst van de symbolen, een korte beschrijving en de eenheden van de symbolen die in dit reglement worden toegepast.

Tabel 2

Symbolen

Symbool

Definitie

Eenheid

a

Overgangshoek van de remruimte

°

a1

De minimumafstand tussen de bemonsteringssondes

mm

a2

De minimumafstand tussen de bemonsteringssondes en de tunnelwanden

mm

α

Vertraging

m/s2

αref

Instelpunt versnelling van de testcyclus

m/s2

Formula

Grootheden voor de doeltemperaturen

°C

b

Remindex van de rem (LV: links vooraan, RV: rechts vooraan, LA: links achteraan, RA: rechts achteraan)

-

Formula

Grootheden voor de gemeten temperaturen

°C

Formula

Grootheden voor het temperatuurverschil tussen doelwaarden en gemeten waarden

°C

Ce,b

Verhouding tussen koppel en vermogen van elke rem b die het gemeten remvermogen omzet in remkoppel

N·m/W

Cp,b

Verhouding tussen koppel en druk van de desbetreffende rem b

N·m/kPa

C*

Gemiddelde remeffectiviteit per afstand voor trommelremmen (interne remfactor)

-

c

(Voertuigspecifieke) coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem

-

calt

Voertuigspecifieke coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem gemeten volgens de alternatieve methode

-

ctrip#10

Voertuigspecifieke coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem berekend over rit #10 van de WLTP-remcyclus

-

cdecl

Opgegeven individuele coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem

 

cfix

Vaste coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem van tabel 4

 

cISC

Coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem gemeten gedurende conformiteit tijdens het gebruik

 

d

Totale gereden afstand gedurende rit #10 van de WLTP-remcyclus of gedurende de WLTP-remcyclus

km

d i

Binnendiameter bemonsteringstunnel

mm

d n

Binnendiameter bemonsteringsmondstuk (geldt voor zowel PN als PM)

mm

Formula

De binnendiameter van het isokinetische mondstuk voor de bemonstering van PM2,5

mm

Formula

De binnendiameter van het isokinetische mondstuk voor de bemonstering van PM10

mm

Formula

De binnendiameter van het isokinetische mondstuk voor de bemonstering van SPN10

mm

d piston

Hydraulische diameter van de klauwzuiger

mm

d p

Binnendiameter bemonsteringssonde (geldt voor zowel PN als PM)

mm

d s

De binnendiameter van de PM-bemonsteringsleiding

mm

d tl

De binnendiameter van de interne PN-overbrengingsleiding

mm

d tt

De binnendiameter van de PN-overbrengingsleiding

mm

d x

Elektrischemobiliteitsdiameter

μm

Η

Efficiëntie van de remklauw of remtrommel

%

f

Omwentelingssnelheid van de rem

omw/min

Formula

PCRF voor elk deeltje met elektrischemobiliteitsdiameter dx

-

Formula

Rekenkundig gemiddelde PCRF voor het SPN10-meetapparaat

-

hB

Lengte van vlak B (ruimte)

mm

hD

Lengte van vlak D (ruimte)

mm

He

Het punt dat het einde van het verplichte horizontale deel in de opzet definieert

-

Hs

Het punt dat het begin van het verplichte horizontale deel in de opzet definieert

-

In

Nominale traagheid van de rem

kg·m2

It

Traagheid gebruikt bij de remtest

kg·m2

lA1

Lengte van vlak A1 (ruimte)

mm

li

Lengte van de inlaat- of uitlaatovergang van de remruimte

mm

l1

Hoogte van de ruimte op vlak C

mm

l2

Diepte van de ruimte op vlak C

mm

L0

Lengte van het rechte kanaal voorbij de uitlaat van de ruimte

mm

L1

Minimumlengte van het rechte kanaal vóór de inlaat van de remruimte

mm

L2

Minimumlengte van het rechte kanaal vanaf de laatste verstoring vóór het bemonsteringsvlak tot het bemonsteringsvlak

mm

L3

Minimumlengte van het rechte kanaal vanaf het bemonsteringsvlak tot de volgende verstoring voorbij het bemonsteringsvlak

mm

L4

Minimumlengte van het rechte kanaal vanaf de laatste verstoring vóór het luchtstroommeetelement tot het luchtstroommeetelement

mm

L5

Minimumlengte van het rechte kanaal vanaf het luchtstroommeetelement tot de volgende verstoring

mm

μ

Gemiddelde remeffectiviteit per afstand voor schijfremmen (schijnbare wrijvingscoëfficiënt)

-

MMix

De molaire massa van de lucht in de weegkamer

g/mol

MVeh

Testmassa van het voertuig om op de dynamometer te simuleren

kg

υ

Kinematische viscositeit van de lucht

m2/s

Nin(dx)

Upstream deeltjesaantalconcentratie voor deeltjes met elektrische mobiliteit dx

#/cm3

Nout(dx)

Downstream deeltjesaantalconcentratie voor deeltjes met elektrische mobiliteit dx

#/cm3

NQ

Gemiddelde genormaliseerde koelluchtstroom

Nm3/h

NQ PM2.5

Gemiddelde genormaliseerde PM2,5-bemonsteringsstroom

Nl/min

NQ PM10

Gemiddelde genormaliseerde PM10-bemonsteringsstroom

Nl/min

NQ SPN10

Gemiddelde genormaliseerde SPN10-bemonsteringsstroom

Nl/min

NQ s

Gemiddelde genormaliseerde luchtstroom in het bemonsteringsmondstuk

Nm3/h

Nt

Aantal tijdmonsters t i dat tijdens de gebruikte cyclus is genomen (

Formula

)

-

Pb

Luchtdruk in de weegkamer

kPa

pbrake

Remdruk

kPa

Pbrake,b

Wrijvingsremvermogen van rem b

W

pbrake,b

Effectieve remdruk bij rem b, die een remkoppel veroorzaakt

kPa

pmeas,b

Gemeten remdruk bij rem b

kPa

Pr

Deeltjespenetratie

%

p threshold

Drempeldruk die nodig is om remkoppel te ontwikkelen

kPa

p threshold,b

Drempeldruk van rem b die nodig is om remkoppel te ontwikkelen

kPa

Formula

PM2,5-filterbelasting gecorrigeerd voor de opwaartse kracht

mg

Formula

PM10-filterbelasting gecorrigeerd voor de opwaartse kracht

mg

Formula

Voor de opwaartse kracht gecorrigeerde filtermassa

mg

Formula

Filtermassa zonder correctie voor de opwaartse kracht

mg

Q

Gemiddelde gemeten (werkelijke) koelluchtstroom

m3/h

Qset

Nominale (of ingestelde) koelluchtstroom

m3/h

QPM2.5

PM2,5-bemonsteringsstroom (werkelijk)

l/min

Formula

Nominale (of ingestelde) PM2,5-bemonsteringsstroom

l/min

QPM10

PM10-bemonsteringsstroom (werkelijk)

l/min

Formula

Nominale (of ingestelde) PM10-bemonsteringsstroom

l/min

QSPN10-set

Nominale (of ingestelde) SPN10-bemonsteringsstroom

 

r b

Buigstraal van het koelluchtkanaal

mm

r D,b

Straal van de dynamometerrol waarop de band bij rem b draait

mm

r eff

Effectieve straal van de rem

mm

r P

Buigstraal van de bemonsteringssonde of -leiding

mm

r R

Dynamische rolstraal van de band

mm

r R,b

Dynamische rolstraal van de band bij rem b

mm

ρa

Luchtdichtheid

kg/m3

ρf

De dichtheid van het PM-filtermateriaal

kg/m3

ρw

De dichtheid van het kalibratieobject van de PM-microbalans

kg/m3

SPN10#

Gemiddelde genormaliseerde en voor PCRF gecorrigeerde SPN10-concentratie

#/Ncm3

SPN10back

Gemiddelde genormaliseerde SPN10-concentratie tijdens de achtergrondcontrole

#/Ncm3

SPN10b EF

Gemiddelde SPN10-telling per gereden afstandseenheid tijdens de achtergrondcontrole

#/km

Sp

Uitgangssignaal voor de koelluchtdruk

kPa

SQ

Uitgangssignaal voor de koelluchtstroom

m3/h

SRH

Uitgangssignaal voor de relatieve vochtigheid van de koellucht

%

St

Uitgangssignaal voor de koelluchttemperatuur

°C

tbrake,n

Werkelijke totale duur van de vertragingsgebeurtenis (werkelijke duur van de stilstand) van de ne remgebeurtenis van de geanalyseerde cyclus

s

tend,nom,n

Nominale eindtijd van de ne remgebeurtenis van de geanalyseerde cyclus

s

tend,n

Werkelijke eindtijd van de ne remgebeurtenis van de geanalyseerde cyclus

s

ti

Tijdstempel van het ie monster van de gemeten signalen

s

tstart,n

Werkelijke begintijd van de ne remgebeurtenis van de geanalyseerde cyclus

s

tstart,nom,n

Nominale begintijd van de ne remgebeurtenis van de geanalyseerde cyclus

s

t90

Responstijd van de deeltjesaantalteller

s

τalt,b

Wrijvingsremkoppel bij rem b berekend volgens de alternatieve methode

N·m

τ brake

Wrijvingsremkoppel

N·m

Formula

Tijdsgemiddeld wrijvingsremkoppel

N·m

τbrake,b

Wrijvingsremkoppel bij rem b

N·m

τdrag

Remsleepkoppel

N·m

τmeas,b

Gemeten wrijvingsremkoppel bij rem b

N·m

T

Koelluchttemperatuur

°C

Ta

Luchttemperatuur in de weegkamer

°C

Tbrake

Remtemperatuur (schijf/trommel)

°C

U

Gemiddelde koelluchtsnelheid

km/h

Ubrake,b

Op rem b toegepaste spanning

V

Us

Gemiddelde luchtsnelheid van lucht die het bemonsteringsmondstuk binnenkomt

km/h

V

Gemiddelde werkelijke lineaire snelheid van de WLTP-remcyclus

km/h

Vset

Gemiddelde nominale lineaire snelheid van de WLTP-remcyclus

km/h

Wbrake

Som van de wrijvingsarbeid die gedurende alle remgebeurtenissen tijdens de testcyclus in alle wrijvingsremsystemen van het voertuig wordt verspreid

J

Wbrake,b

Wrijvingsremarbeid van rem b gedurende alle remgebeurtenissen tijdens de testcyclus

J

wf,n

Werkelijke specifieke wrijvingsarbeid (massaspecifieke kinetische energie) van de ne remgebeurtenis van de geanalyseerde cyclus

J/kg

WLn

Nominale wielbelasting zonder rekening te houden met de wegbelasting van het voertuig of andere soorten verliezen

kg

Formula

Nominale voorwielbelasting zonder rekening te houden met de wegbelasting van het voertuig of andere soorten verliezen

kg

Formula

Nominale achterwielbelasting zonder rekening te houden met de wegbelasting van het voertuig of andere soorten verliezen

kg

WLt

Testwielbelasting na rekening te hebben gehouden met de wegbelasting van het voertuig of andere soorten verliezen

kg

Formula

Testvoorwielbelasting na rekening te hebben gehouden met de wegbelasting van het voertuig of andere soorten verliezen

kg

Formula

Testachterwielbelasting na rekening te hebben gehouden met de wegbelasting van het voertuig of andere soorten verliezen

kg

Wref

Normalisatiereferentie voor de cyclus gedurende welke de wrijvingsarbeid is gemeten

J

w total, bc

Som van de massaspecifieke verandering in de kinetische energie van het voertuig tijdens alle remgebeurtenissen van de WLTP-remcyclus

J/kg

w total,trip10

Som van de massaspecifieke verandering in de kinetische energie van het voertuig tijdens alle remgebeurtenissen van rit #10 van de WLTP-remcyclus

J/kg

ωb

Gemeten omwentelingssnelheid van het wiel bij rem b

rad/s

ωD,b

Gemeten omwentelingssnelheid van de dynamometerrol bij rem b

rad/s

3.   Definities

Voor de toepassing van dit reglement gelden de volgende definities.

3.0.

“Voertuigtype wat rememissies betreft”: een groep voertuigen die onderling niet verschillen wat de in punt 7.1.1 gedefinieerde criteria betreft.

3.0.1.

“Goedkeuring van een voertuig”: de goedkeuring van een voertuigtype wat het toepassingsgebied van dit reglement betreft.

3.1.   Instelling van de chassis- en de remdynamometer

3.1.1.

“Voertuig van categorie M1”: voertuig bestemd voor het vervoer van personen, met ten hoogste acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend.

3.1.2.

“Voertuig van categorie N1”: voor het vervoer van goederen bestemd voertuig met een maximummassa van ten hoogste 3 500 kg.

3.1.2.1.

“Voertuig van categorie N1, klasse III”: een voertuig van categorie N1 met een referentiemassa van meer dan 1 760 kg overeenkomstig punt 3.2.37 van VN-Reglement nr. 154.

3.1.3.

“Voertuig van categorie N2”: voor het vervoer van goederen bestemd voertuig met een maximummassa van meer dan 3,5 ton, maar niet meer dan 12 ton.

3.1.4.

“Massa in rijklare toestand”: de massa van het voertuig met de brandstoftank(s) gevuld tot ten minste 90 % van zijn (hun) inhoud, met inbegrip van de massa van de bestuurder, brandstof en vloeistoffen, voorzien van de standaarduitrusting volgens de specificaties van de fabrikant en, wanneer het voertuig daarmee is uitgerust, de massa van de carrosserie, de cabine, de koppelvoorziening, het (de) reservewiel(en) en het gereedschap.

3.1.5.

“Massa van de bestuurder”: een nominale massa van 75 kg die op het referentiepunt van de bestuurderszitplaats is aangebracht. In het kader van dit reglement betekent de term “massa van nog eens 0,5 passagiers” een nominale massa van 37,5 kg.

3.1.6.

“Maximumbelading van het voertuig”: de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand min de massa in rijklare toestand, 25 kg, en de massa van de optionele uitrusting.

3.1.7.

“Optionele uitrusting”: alle elementen die niet zijn opgenomen in de standaarduitrusting die onder de verantwoordelijkheid van de fabrikant op een voertuig wordt gemonteerd en die de klant kan bestellen.

3.1.8.

“Standaarduitrusting”: de basisconfiguratie van een voertuig dat is uitgerust met alle elementen die krachtens de regelgevingen van de overeenkomstsluitende partij verplicht zijn, inclusief alle gemonteerde elementen waarvoor geen verdere specificaties inzake configuratie of uitrustingsniveau nodig zijn.

3.1.9.

“Testmassa van het voertuig”: de massa in rijklare toestand plus de massa van de optioneel gemonteerde uitrusting van een individueel voertuig (kg) waarop de geteste rem is gemonteerd, plus:

a)

37,5 kg, wat overeenkomt met een aanvullende massa van 0,5 passagiers voor voertuigen van categorie M1;

b)

25 kg plus 28 % van de maximumbelading van het voertuig (MVL) voor voertuigen van de categorieën N1 en N2).

3.1.10.

“Wegbelasting”: de totale kracht die of het totale vermogen dat nodig is om het voertuig met een bepaalde snelheid en massa op een vlak en glad oppervlak te bewegen. Bij de wegbelasting wordt rekening gehouden met de wrijvingsverliezen van het aandrijfsysteem. In dit reglement wordt een vermindering van de nominale traagheid van de rem met een vast percentage van 13 % geacht rekening te houden met een wegbelasting bij het testen van emissies bij volledig wrijvingsremmen.

3.1.11.

“Dynamische rolstraal van de band”: de straal van de band die overeenkomt met het aantal omwentelingen per kilometer (of omwentelingen per mijl) dat door de bandenfabrikant voor de specifieke bandenmaat (mm) is gepubliceerd.

3.1.12.

“Remkrachtverdeling”: de verhouding tussen de remkracht van elke as en de totale remkracht, uitgedrukt als percentage voor elke as.

3.1.13.

“Nominale wielbelasting”: de (gelijkwaardige) roterende massa als functie van de totale testmassa van het voertuig, de te testen as (voor of achter) en de verdeling van het remwerk over de twee assen. Dit is de belasting van de te testen remhoek alvorens rekening te houden met de wegbelasting van het voertuig.

3.1.14.

“Testwielbelasting”: de (gelijkwaardige) roterende massa als functie van de totale testmassa van het voertuig, de te testen as (voor of achter) en de verdeling van het remwerk over de twee assen. Dit is de belasting van de te testen remhoek na rekening te hebben gehouden met de wegbelasting van het voertuig. Wordt ook wel “toegepaste wielbelasting” genoemd.

3.1.15.

“Nominale traagheid van de rem”: de traagheid van de nominale wielbelasting bij een gyratiestraal die gelijk is aan de dynamische rolstraal van de band, waardoor dezelfde kinetische energie op de rem wordt uitgeoefend als in het feitelijke voertuig voordat de totale wegbelasting voor het voertuig worden afgetrokken.

3.1.16.

“Traagheid van de remtest”: de traagheid van de testwielbelasting bij een gyratiestraal die gelijk is aan de dynamische rolstraal van de band, waardoor dezelfde kinetische energie op de rem wordt uitgeoefend als in het feitelijke voertuig nadat de totale wegbelastingen voor het voertuig worden afgetrokken. Wordt ook wel “op de rem uitgeoefende traagheid” genoemd.

3.1.17.

“Remkoppel”: het product van de wrijvingskrachten die voortkomen uit de tangentiële bedieningskrachten in een remcombinatie en de afstand tussen de punten waarop deze wrijvingskrachten worden gegenereerd en de rotatieas. Het remkoppel is een functie van het oppervlak van de hydraulische zuiger, de schijnbare wrijvingscoëfficiënt en de effectieve remstraal van de remhoek.

3.1.18.

“Hydraulische druk”: de nettodruk die door de rem wordt geleverd om een klemkracht tussen de rem en het wrijvingsmateriaal te genereren. De hydraulische druk veroorzaakt, in combinatie met de remeffectiviteit, de effectiviteit van de remklauw of remtrommel, de drempeldruk en de effectieve remstraal, de werkelijke remkoppeloutput.

3.1.19.

“Drempeldruk”: de minimale hydraulische druk om de inwendige wrijvings- en afdichtingskrachten te overwinnen, de zuiger van de remklauw of de wielcilinder van de remtrommel in beweging te krijgen om contact te maken met de remschijf of remtrommel, en het remoutputkoppel in werking te stellen. Voor schijfremmen wordt een vaste waarde van 100 kPa en voor trommelremtoepassingen wordt een vaste waarde van 350 kPa gebruikt.

3.1.20.

“Zuigerdiameter”: de diameter van de hydraulische zuiger(s) in de remklauw of trommelremcilinder die wordt gebruikt om het totale oppervlak van de zuiger(s) te berekenen. Wordt ook wel “Hydraulische-zuigerdiameter” genoemd.

3.1.21.

“Zuigeroppervlak”: het actieve oppervlak van alle hydraulische zuigers die aan één zijde van de remklauw of trommelremcilinder werken.

3.1.22.

“Effectieve straal van de rem”: voor een schijfrem, de afstand tussen het draaipunt en de hartlijn van de remklauwzuiger(s) wanneer deze op de opspaninrichting is (zijn) gemonteerd; Voor trommelremmen is de effectieve straal de helft van de binnendiameter van de trommel.

3.1.23.

“Remeffectiviteit”: de verhouding tussen de totale tangentiële kracht en de bedieningskracht tussen de remblokken en de schijf of tussen de remschoenen en de trommel. De waarde van de remeffectiviteit van de te testen rem is een functie van het remkoppel, de hydraulische druk, de effectieve remstraal en het zuigeroppervlak. De remeffectiviteit is een berekende (wiskundige) waarde en is niet direct meetbaar. Wordt ook wel “schijnbare wrijvingscoëfficiënt” voor schijfremmen en “interne remfactor” voor trommelremmen genoemd.

3.1.24.

“Verplaatsing van remvloeistof”: het kortstondige (volumetrische) gebruik van hydraulische vloeistof door de remklauw of de remwielcilinder tijdens een remvertragingsgebeurtenis om de bedieningskracht te ontwikkelen.

3.1.25.

“Gemiddelde over tijd”: de middelingsmethode die wordt toegepast op een bepaalde te meten grootheid gedurende een bepaalde remgebeurtenis. De resulterende waarde levert hetzelfde resultaat op als de integratie tussen twee instanties (drempel en einde van het bereikte niveau) gedeeld door de duur tussen de overeenkomstige punten.

3.1.26.

“Gemiddelde over afstand”: de middelingsmethode die word gebruikt voor een bepaalde te meten grootheid gedurende een remvertragingsgebeurtenis, waarbij de bemonsteringsfrequentie een eenheid is van de berekende afstand die het voertuig tussen de bemonsteringspunten heeft afgelegd. De resulterende waarde levert hetzelfde resultaat op als de integratie tussen twee instanties (begin- en einddrempels) gedeeld door de afgelegde (of gereden) afstand gedurende de overeenkomstige verstreken tijd. Tijdens de dynamometertest wordt de integratie van de afstand berekend aan de hand van het verschil in remsnelheid en de verstreken tijd.

3.1.27.

“Bemonsteringsfrequentie”: de frequentie waarmee het automatiseringssysteem verschillende parameters bemonstert. Dit is het aantal gebeurtenissen dat binnen 1 seconde voor elke parameter wordt gemeten.

3.1.28.

“Hoge bemonsteringsfrequentie”: de bemonsteringsfrequentie voor het gegevensverzamelingsysteem is gelijk aan of hoger dan 250 Hz. De “hoge bemonsteringsfrequentie” is van toepassing op de dynamometerkanalen.

3.1.29.

“Lage bemonsteringsfrequentie”: de bemonsteringsfrequentie voor het gegevensverzamelingsysteem is lager dan of gelijk aan 10 Hz.

3.1.30.

“Chassisdynamometer”: een technisch systeem dat een rijschema oplegt en controleert voor een compleet voertuig dat voldoet aan de voorschriften van VN-Reglement nr. 154.

3.2.   Testopstelling

3.2.1.

“Remdynamometer”: een technisch systeem dat de mechanische en elektrische arbeid van de te testen rem oplegt, controleert en registreert terwijl het met een vooraf geprogrammeerde testprocedure werkt.

3.2.2.

“Koppelsensor”: de elektromechanische voorziening die de wringspanning op de remcombinatie omzet in de gelijkwaardige output. Het gelijkwaardige koppel wordt afgeleid uit de hoekvertragingsfactor en de effectieve remtraagheid.

3.2.3.

“Servoregeling”: een een systeem dat het remkoppel of de hydraulische druk op de beoogde waarde (instelpunt) aanpast. De servoregelaar voorziet ook in het algoritme om het vrijkomen van het remkoppel of de remdruk aan het einde van de remvertragingsgebeurtenissen te regelen.

3.2.4.

“Druksensor”: in de context van bijlage 5 bij dit reglement, een elektromechanische voorziening die verbonden is met het remvloeistofpad dicht bij het remsysteem en die een signaal afgeeft dat gelijkwaardig is aan de remdruk in de desbetreffende remhoek.

3.2.5.

“Verhouding koppel/druk”: een constante waarde die de remdruk omzet in remkoppel van een wrijvingsrem.

3.2.6.

“Verhouding koppel/elektrisch vermogen”: een overdrachtsfunctie die het gemeten elektrisch vermogen omzet in remkoppel van een elektromechanische wrijvingsrem.

3.2.7.

“Klimaatregelingseenheid”: het luchtbehandelingssysteem dat schone, geconditioneerde en beheerste koellucht levert aan de transportleiding en de remruimte.

3.2.8.

“Koellucht”: de schone, geconditioneerde en beheerste lucht die door de klimaatregelingseenheid via de leiding aan de remcombinatie wordt geleverd, zoals vereist tijdens de test en zoals beschreven in dit reglement.

3.2.9.

“Koelluchttemperatuur”: de vóór de remruimte gemeten temperatuur van de koelluchtstroom.

3.2.10.

“Relatieve vochtigheid van de koellucht”: de hoeveelheid waterdamp die in de koelluchtstroom aanwezig is, uitgedrukt als percentage van de hoeveelheid die nodig is voor verzadiging bij dezelfde temperatuur. Wordt vóór de remruimte gemeten.

3.2.11.

“Specifieke vochtigheid van de koellucht”: de hoeveelheid water in gram in één kilogram droge lucht. Wordt vóór de remruimte gemeten.

3.2.12.

“Koelluchtsnelheid”: de gemiddelde snelheid van de koelluchttoevoer, in realtime gemeten over een lengte van een recht kanaal met een constante vorm en een constant oppervlak van de dwarsdoorsnede.

3.2.13.

“Koelluchtstroom”: de gemiddelde stroom van de koelluchttoevoer die naar de remcombinatie wordt geleid.

3.2.14.

“Maximale operationele stroom”: de maximale koelluchtstroom die het systeem kan bereiken, waarbij wordt voldaan aan alle relevante in dit reglement vastgestelde voorschriften inzake koelluchtconditionering en -meting.

3.2.15.

“Minimale operationele stroom”: de minimale koelluchtstroom die het systeem kan bereiken, waarbij wordt voldaan aan alle relevante in dit reglement vastgestelde voorschriften inzake koelluchtconditionering en -meting.

3.2.16.

“Remruimte”: een aerodynamisch ontworpen ruimte waarin de koellucht aan één kant binnenkomt en aan de andere kant uitstroomt. Het is een luchtdichte kamer die voorkomt dat onbehandelde lucht binnendringt en vermengd raakt met de koellucht die rond de remcombinatie stroomt. De remruimte omhult de remcombinatie.

3.2.17.

“Bemonsteringstunnel”: een stijf kanaal dat de remruimte met het bemonsteringsvlak verbindt. Dit is het deel van de tunnel waar de in de remruimte uitgestoten remdeeltjes zich naar de bemonsterings- en meetapparatuur begeven.

3.3.   Remhardware

3.3.1.

“Te testen rem”: de wrijvingsremcombinatie en de bijbehorende voertuigparameters die door de testfaciliteit worden gebruikt om de emissies van remdeeltjes overeenkomstig dit reglement te meten. Voertuigparameters omvatten die van de voertuigcarrosserie, de aandrijflijn en andere systemen die nodig zijn om het aandeel wrijvingsremmen te berekenen.

3.3.2.

“Remcombinatie”: bij schijfremmen, de set van overeenstemmende remschijven, remblokken, remklauw en bijbehorende hardware (om de remcombinatie op de remhouder en de dynamometer te monteren en te beveiligen en daarmee te verbinden) voor een bepaald voertuig en een bepaalde astoepassing. In het geval van trommelremmen bestaat de hardwareset uit de remtrommel, remschoenen, de achterplaatcombinatie en bijbehorende hardware die wordt gebruikt (om de remcombinatie op de remhouder en de dynamometer te monteren en te beveiligen en daarmee te verbinden) voor een bepaald voertuig en een bepaalde astoepassing. De remcombinatie wordt gemonteerd op een remhouder om aan de remdynamometer te worden aangepast en ermee te worden verbonden.

3.3.3.

“Bedrijfsrem”: het (wrijvings- of niet-wrijvings)remsysteem dat de bestuurder in staat stelt de snelheid van een voertuig tijdens normaal rijden direct of indirect en trapsgewijs te regelen of het voertuig tot stilstand te brengen.

3.3.4.

“Volledige wrijvingsrem”: een op een voertuig gemonteerde bedrijfsrem die alleen gebruikmaakt van de wrijving tussen een remschijf of remtrommel en de bijbehorende wrijvingsmaterialen.

3.3.5.

“Remhouder”: een mechanische voorziening of opstelling om de remcombinatie te monteren door de losse kop (of het niet-roterende oppervlak) te verbinden met de (roterende) as van de remdynamometer. De kant van de losse kop (of het niet-roterende oppervlak) absorbeert het remkoppel en de bijbehorende tangentiële krachten. De roterende as geeft de kinetische energie van de traagheid van de remtest door aan de remcombinatie.

3.3.6.

“Houder in universele stijl”: een cilindrische en symmetrische remhouder zonder aanvullende uitbreidingen of uitsteeksels die verschillen van die welke nodig zijn om de remcombinatie te monteren. Een wielnaaf maakt geen deel uit van de remcombinatie.

3.3.7.

“Houder in kolomstijl”: een dynamometerhouder waarbij gebruik wordt gemaakt van ronde en stijve buizen en adapters, in plaats van het fuseestuk van het voertuig, om de remcombinatie te monteren. Er wordt een wielnaaf bevestigd om de combinatie te voltooien.

3.3.8.

“Remklauw”: een mechanische voorziening die de input van de bestuurder op het rempedaal omzet in een klemkracht op de remblokken om een remkoppel te genereren.

3.3.9.

“Remschijf”: een draaiende, aan slijtage onderhevige voorziening waartegen de remklauw de remblokken vastklemt in een schijfremcombinatie. Deze voorziening fungeert als de primaire warmteabsorptie- en warmteafvoervoorziening, aangezien de remhoek de kinetische energie van het voertuig omzet in warmte.

3.3.10.

“Gietijzeren schijf”: een remschijf die uit grijs gietijzer is vervaardigd en een koolstofgehalte tussen 2,8 % en 4,0 % heeft.

3.3.11.

“Met gietijzer gecoate schijf”: een remschijf vervaardigd uit een basislichaam van grijs gietijzer en waarvan de wrijvingsring gecoat is met een slijtvast materiaal.

3.3.12.

“Koolstofkeramische schijf”: een remschijf vervaardigd uit een met koolstofvezel versterkt keramisch matrixmateriaal met of zonder een keramische wrijvingslaag.

3.3.13.

“Remblok”: een aan slijtage onderhevige voorziening die op de remklauw wordt gemonteerd en bestaat uit een structurele (metalen) drukplaat en een element van wrijvingsmateriaal. De remblokken klemmen tegen de remschijf en genereren een vertragende wrijvingskracht en dus het remkoppel.

3.3.14.

“Remtrommel”: een draaiend, aan slijtage onderhevig mechanisme waartegen de remwielcilinder de remschoenen klemt in een trommelremcombinatie. Deze voorziening fungeert als de primaire warmteabsorptie- en warmteafvoervoorziening, aangezien de remhoek de kinetische energie van het voertuig omzet in warmte.

3.3.15.

“Remschoen”: een aan slijtage onderhevige voorziening bestaande uit een ingekerfde metalen schoen en een (gelijmd of geklonken) wrijvingsmateriaal. De remschoen wordt tegen de trommel geklemd om wrijving en dus remkoppel te genereren. Wordt ook wel de “trommelremvoering” genoemd.

3.3.16.

“Identificatiecode van het wrijvingsmateriaal”: de unieke code die ten minste de handelsnaam of het handelsmerk van de fabrikant van het remblok/de remschoen bevat, alsook een identificatienummer dat uitsluitend betrekking heeft op de formulering van het wrijvingsmateriaal.

3.3.17.

“Identificatiecode van de schijf of trommel”: de door de fabrikant op het etiket aangebrachte unieke code om de specifieke schijf of trommel te identificeren.

3.3.18.

“Originele remonderdelen”: een origineel remblok, een originele remblokkenset, een originele trommelremvoering, een originele remtrommel of een originele remschijf.

3.3.18.1.

“Origineel remblok”: een type remblok waarnaar in de typegoedkeuringsdocumentatie van het voertuig wordt verwezen overeenkomstig VN-Reglement nr. 13, VN-Reglement nr. 13-H of VN-Reglement nr. 78.

3.3.18.2.

“Originele trommelremvoering”: een trommelremvoering conform de bij de typegoedkeuringsdocumenten van het voertuig gevoegde gegevens.

3.3.18.3.

“Originele remschijf”: remschijf die valt onder de typegoedkeuring van het remsysteem van het voertuig krachtens VN-Reglement nr. 13, VN-Reglement nr. 13-H of VN-Reglement nr. 78.

3.3.18.4.

“Originele remtrommel”: remtrommel die valt onder de typegoedkeuring van het remsysteem van het voertuig krachtens VN-Reglement nr. 13, VN-Reglement nr. 13-H of VN-Reglement nr. 78.

3.3.19.

Voorbehouden

3.3.20.

“Vervangende remonderdelen”: een type vervangingsremblokkenset, een type vervangingstrommelremvoering, een vervangingsremtrommel of een vervangingsremschijf.

3.3.20.1.

“Origineel vervangingsremblok”: een origineel remblok dat bestemd is voor onderhoud van het voertuig en waarop een identificatiecode dusdanig is aangebracht dat die onuitwisbaar en duidelijk leesbaar is.

3.3.20.2.

Voorbehouden

3.3.20.3.

“Originele vervangingstrommelremvoering”: een originele trommelremvoering die bestemd is voor onderhoud van het voertuig en waarop een identificatiecode dusdanig is aangebracht dat die onuitwisbaar en goed leesbaar is.

3.3.20.4.

Voorbehouden

3.3.20.5.

“Originele vervangingsremschijf”: een originele remschijf die bestemd is voor onderhoud van het voertuig en waarop een identificatiecode dusdanig is aangebracht dat die onuitwisbaar en duidelijk leesbaar is.

3.3.20.6.

Voorbehouden

3.3.20.7.

“Originele vervangingsremtrommel”: een originele remtrommel die bestemd is voor onderhoud van het voertuig en waarop een identificatiecode dusdanig is aangebracht dat die onuitwisbaar en duidelijk leesbaar is.

3.3.20.8.

Voorbehouden

3.3.20.9.

“Identificatiecode”: identificeert de remschijven of remtrommels die onder de goedkeuring van het remsysteem krachtens VN-Reglement nr. 13 en VN-Reglement nr. 13-H vallen. Deze code bevat ten minste de handelsnaam of het handelsmerk van de fabrikant en een identificatienummer.

3.3.21.

“Passieve remfiltersystemen”: de onderdelen die aanvullend op het basisremsysteem zijn gemonteerd om de remstofdeeltjes op te vangen die ontstaan door de wrijving tussen de remschijf en de remblokken. Tijdens het gebruik van het remfiltersysteem is geen extra energie nodig.

3.3.22.

“Actieve remfiltersystemen”: onderdelen die op het basisremsysteem zijn aangesloten om de remstofdeeltjes op te vangen die ontstaan door de wrijving tussen de remschijf en de remblokken; Tijdens het gebruik van het remfiltersysteem in het voertuig en op de remdynamometer is extra energie nodig.

3.3.23.

“Run-out van de rem”: de totale dwarsverplaatsing van een punt dat zich hetzij 10 mm radiaal naar buiten bevindt ten opzichte van de hartlijn van het buitenste remoppervlak van de remschijf, hetzij de totale radiale verplaatsing van een punt dat zich tijdens één volledige omwenteling op de hartlijn van het binnenste wrijvingsoppervlak van de remtrommel bevindt.

3.3.24.

“Vrije slag”: de axiale afstand tussen het remoppervlak van de schijf en het remblok tijdens één volledige omwenteling met geloste rem. Voor trommelremmen is dit de radiale afstand tussen de binnendiameter van de trommel en de remschoen.

3.3.25.

“Remsleepkoppel”: resterend koppel dat of resterende omwentelingsweerstand die in een remsysteem overblijft nadat de rem is gelost of niet is ingeschakeld.

3.3.26.

“Gemeten remsleepkoppel”: het gemiddelde naar tijd gemeten remsleepkoppel dat wordt bepaald door toepassing van de in dit reglement gedefinieerde meetmethode.

3.3.27.

“Materiaalformulering van een schijf of trommel”: het product van chemische samenstelling, microstructuur en mechanische eigenschappen.

3.3.28.

“Materiaalformulering van een remvoering of remblok”: het product van een gespecificeerd mengsel van materialen en processen die samen de eigenschappen van een remvoering bepalen.

3.4.   WLTP-remcyclus

3.4.1.

“Rijcyclus”: een reeks gegevenspunten die de snelheid van een voertuig ten opzichte van de tijd vertegenwoordigen. De rijcyclus bestaat uit afzonderlijke ritten en elke rit bestaat uit een reeks afzonderlijke en opeenvolgende gebeurtenissen. Deze gebeurtenissen omvatten remmen in stilstand, versnellen, met een constante snelheid rijden, en vertragen.

3.4.2.

“WLTP-remcyclus”: de uit de voertuigactiviteit van de gegevensbank van de wereldwijde testprocedure voor lichte voertuigen afgeleide rijcyclus met een totale duur van 15 826 seconden plus de koelingsonderdelen tussen de ritten. De cyclus omvat tien ritten en 303 remvertragingsgebeurtenissen.

3.4.3.

“Rememissietest”: een opeenvolging van drie onderdelen (aanpassing van de koellucht, inlopen van de remmen en meting van de rememissies) om de deeltjesemissie van de te testen rem te karakteriseren.

3.4.4.

“Aanpassing van de koellucht”: het onderdeel dat volgt op een procedure met de te testen rem om de juiste inkomende koelluchtstroom voor het inlopen en het meten van de emissie te bepalen. Wordt ook wel het “koelingaanpassingsonderdeel” genoemd.

3.4.5.

“Inlopen van de rem”: het onderdeel met een opeenvolging van remgebeurtenissen om een rem te ontwikkelen met een stabiele overbrengingslaag, remeffectiviteit en rememissiegedrag voordat het rememissiemeetonderdeel wordt uitgevoerd. Wordt ook wel de “inloopprocedure” of het “inlooponderdeel” genoemd.

3.4.6.

“Meting van de rememissies”: het onderdeel van de rememissietest waarbij de PM- en PN-emissies worden bemonsterd en gemeten. Wordt ook wel het “emissiemeetonderdeel” genoemd.

3.4.7.

“Remversnellingsgebeurtenis”: een meetbare periode waarin de lineaire snelheid met een bekende factor toeneemt tot een vooraf bepaalde ingestelde waarde. Deze gebeurtenis gaat altijd vooraf aan een remgebeurtenis met constante snelheid of een remvertragingsgebeurtenis.

3.4.8.

“Remgebeurtenis met constante snelheid”: een meetbare periode waarin de lineaire snelheid (niet nul) constant is.

3.4.9.

“Remgebeurtenis in stilstand”: een meetbare en voorspelbare rempauze bij nulsnelheid tijdens de cyclus.

3.4.10.

“Nominale remvertragingsgebeurtenis”: een meetbare periode waarin de nominale lineaire snelheid tijdens de cyclus met een bekende factor afneemt tot een vooraf bepaalde lossnelheid. De nominale vertragingsgebeurtenis wordt bepaald met behulp van het snelle signaal van de nominale lineaire snelheid overeenkomstig punt 9.4.3, h), van bijlage 4.

3.4.11.

“Werkelijke remvertragingsgebeurtenis”: een meetbare periode waarin de lineaire snelheid tijdens de cyclus met een bekende factor afneemt tot een vooraf bepaalde lossnelheid. De werkelijke remvertragingsgebeurtenis wordt bepaald met behulp van het snelle signaal van de werkelijke koppel overeenkomstig punt 13.1 van bijlage 4.

3.4.12.

“Vertragingsfactor”: de totale factor waarmee de lineaire snelheid van het voertuig wordt vertraagd door het gebruik van de bedrijfsrem, de wegbelasting en het niet-wrijvingskoppel van de elektrische machine.

3.4.13.

“Remmen tot stilstand”: de algemene term die verwijst naar een remvertragingsgebeurtenis waardoor het voertuig tot stilstand komt.

3.4.14.

“Remstoot”: de algemene term die wordt gebruikt om een remvertragingsgebeurtenis aan te duiden waarmee de voertuigsnelheid wordt teruggebracht tot een niveau dat niet gelijk is aan nul.

3.4.15.

“Afkoelingsonderdeel”: het onderdeel tussen ritten waarin de rem bij lage snelheid (ongeveer vijf of minder omwentelingen per minuut) draait totdat de rem is afgekoeld en de beginremtemperatuur het vooraf bepaalde niveau bereikt om aan de volgende rit van de cyclus te beginnen.

3.4.16.

“Werkelijke beginsnelheid”: de snelheid van het voertuig bij het werkelijke begin van een remvertragingsgebeurtenis. Deze wordt tijdens de gegevensevaluatie bepaald door het gemiddelde te nemen van de snel gemeten waarde van de werkelijke lineaire snelheid van 1,0 s tot 0,5 s voordat de werkelijke remvertragingsgebeurtenis begint.

3.4.17.

“Werkelijke lossnelheid”: de snelheid van het voertuig aan het werkelijke einde van een remvertragingsgebeurtenis. Deze wordt tijdens de gegevensevaluatie bepaald door het gemiddelde te nemen van de snel gemeten waarde van de werkelijke lineaire snelheid van 0,5 s tot 1,0 s nadat de werkelijke remvertragingsgebeurtenis is beëindigd.

3.4.18.

“Nominale lineaire snelheid”: de doelsnelheid (of ingestelde snelheid) van het voertuig op tijdstip i van de WLTP-remcyclus.

3.4.19.

“Werkelijke lineaire snelheid”: de lineaire snelheid van het voertuig op tijdstip i tijdens de uitvoering van de testcyclus. Wordt ook wel de “gemeten snelheid” genoemd.

3.4.20.

“Ingestelde voertuigsnelheid”: het instelpunt van de voertuigsnelheid op een bepaald tijdstip van de test.

3.4.21.

“Snelheidsoverschrijding”: elk geval waarin de werkelijke snelheidscurve van de dynamometer tijdens de WLTP-remcyclus de in dit reglement voorgeschreven toleranties van de snelheidscurve overschrijdt.

3.4.22.

“Beginremtemperatuur”: de bulktemperatuur van de remschijf of remtrommel aan het begin van een bepaalde remgebeurtenis tijdens de WLTP-remcyclus. Deze wordt tijdens de gegevensevaluatie bepaald door het gemiddelde te nemen van de werkelijke remtemperatuur van 1,0 s tot 0,5 s voordat de werkelijke remvertragingsgebeurtenis begint.

3.4.23.

“Eindremtemperatuur”: de bulktemperatuur van de remschijf of remtrommel aan het einde van een bepaalde remgebeurtenis tijdens de WLTP-remcyclus. Deze wordt tijdens de gegevensevaluatie bepaald door het gemiddelde te nemen van de werkelijke remtemperatuur van 0,5 s tot 1,0 s nadat de werkelijke remvertragingsgebeurtenis is beëindigd.

3.4.24.

“Gemiddelde remtemperatuur”: het gemiddelde van de met tijdsresolutie gemeten temperatuur van een remschijf of remtrommel gedurende een vooraf bepaalde periode.

3.4.25.

“Piekremtemperatuur”: de hoogste temperatuur van een remschijf of remtrommel die tijdens een bepaalde remgebeurtenis wordt gemeten. Deze wordt tijdens de gegevensevaluatie bepaald als het maximum van de werkelijke remtemperatuur tijdens een bepaalde werkelijke remvertragingsgebeurtenis.

3.5.   Meting van PM en PN

3.5.1.

In het Engels wordt de term “particle” doorgaans gebruikt voor het te kenmerken (te meten) materiaal in de zwevende fase (zwevende deeltjes) en de term “particulate matter” voor het gedeponeerde materiaal (afgezette deeltjes).

3.5.2.

“Deeltjesaantalemissies” (PN): het aantal deeltjes dat door de te testen rem wordt uitgestoten, gekwantificeerd volgens de verdunnings-, bemonsterings- en meetmethoden zoals beschreven in dit reglement.

3.5.3.

Voorbehouden.

3.5.4.

Voorbehouden.

3.5.5.

“Vastedeeltjesaantalemissies”: het aantal vaste deeltjes dat door de te testen rem wordt uitgestoten.

3.5.6.

“SPN10”: het aantal vaste deeltjes met een nominale deeltjesgrootte met een elektrischemobiliteitsdiameter van ongeveer 10 nm en groter dat door de te testen rem wordt uitgestoten, gekwantificeerd volgens de verdunnings-, bemonsterings- en meetmethoden zoals beschreven in dit reglement.

3.5.7.

“Deeltjesmassa-emissies” (PM): de massa van elk deeltje dat door de te testen rem wordt uitgestoten, gekwantificeerd volgens de verdunnings-, bemonsterings- en meetmethoden zoals beschreven in dit reglement.

3.5.8.

“PM2,5-emissies”: de PM met een aerodynamische diameter van ongeveer 2,5 μm of minder.

3.5.9.

“PM10-emissies”: PM met een aerodynamische diameter van ongeveer 10 μm of minder.

3.5.10.

“Bemonsteringsvlak”: het vaste vlak (loodrecht op de as van de bemonsteringstunnel) waar de inlaatstukken van de bemonsteringsmondstukken zich bevinden.

3.5.11.

“Bemonsteringssonde”: een dunwandige roestvrijstalen buis die is ontworpen om een representatief deel van de aerosol uit de bemonsteringstunnel te halen en naar het meetsysteem over te brengen.

3.5.12.

“Bemonsteringsmondstuk”: een dunwandige roestvrijstalen cilinder met een dun, scherp uiteinde dat op de inlaat van een bemonsteringssonde wordt bevestigd en bedoeld is om isokinetisch aerosol uit de bemonsteringstunnel te halen.

3.5.13.

“Uiteinde van het bemonsteringsmondstuk”: het vlak vóór het bemonsteringsmondstuk waar de aerosol het bemonsteringsmondstuk binnenkomt.

3.5.14.

“PM-bemonsteringssysteem”: de reeks elementen waardoorheen de aerosol zich verplaatst nadat zij het uiteinde van het bemonsteringsmondstuk is binnengekomen. Het omvat — in stroomrichting — het PM-bemonsteringsmondstuk, de PM-bemonsteringssonde, de PM-scheidingsvoorziening, de PM-bemonsteringsleiding en de filterhouder.

3.5.15.

“PM-scheidingsvoorziening”: een voorziening die het desbetreffende deel van de PM van de aerosol scheidt volgens de specificaties van dit reglement.

3.5.16.

“Scheidend vermogen”: de verhouding tussen de deeltjes die door de scheidingsvoorziening worden verwijderd en de totale deeltjes die bij een bepaalde aerodynamische diameter de scheidingsvoorziening binnenkomen.

3.5.17.

“PM-bemonsteringsleiding”: de starre of flexibele leiding die de uitlaat van de PM-scheidingsvoorziening met de inlaat van de filterhouder verbindt.

3.5.18.

“Filterhouder”: een voorziening waarmee deeltjesmateriaal op filters kan worden opgevangen overeenkomstig de specificaties van dit reglement.

3.5.19.

“PN-bemonsteringssysteem”: de reeks elementen waardoorheen de aerosol zich verplaatst nadat zij het uiteinde van het bemonsteringsmondstuk is binnengekomen. Het omvat — in stroomrichting — het PN-bemonsteringsmondstuk, de PN-bemonsteringssonde, de PN-voorklasseervoorziening, de deeltjesoverbrengingsleiding, de stroomscheidingsvoorziening (indien van toepassing) en het PN-meetsysteem.

3.5.20.

“Deeltjesoverbrengingsleiding”: de flexibele leiding die de uitlaat van de PN-bemonsteringssonde verbindt met de inlaat van de PN-voorklasseervoorziening. Wanneer de PN-voorklasseervoorziening rechtstreeks met de uitlaat van de PN-bemonsteringssonde is verbonden, is de deeltjesoverbrengingsleiding de flexibele leiding die de uitlaat van de PN-voorklasseervoorziening met de inlaat van het PN-meetsysteem verbindt.

3.5.21.

“PN-meetsysteem”: het systeem waarmee de deeltjesaantalconcentraties overeenkomstig dit reglement kunnen worden bepaald. Het omvat het monsterconditioneringssysteem, de interne PN-overbrengingsleidingen en de deeltjesaantalteller.

3.5.22.

“Monsterconditioneringssysteem”: de delen van de PN-meetsystemen die de aerosol verdunnen en conditioneren die aan de deeltjesaantalteller moet worden aangeboden om SPN10 te bepalen.

3.5.23.

“Deeltjesaantalteller”: een voorziening om de deeltjesaantalconcentratie volgens de specificaties van dit reglement te bepalen.

3.5.24.

“Standaardomstandigheden”: druk gelijk aan 101,325 kPa en temperatuur overeenkomend met 273,15 K.

3.5.25.

“Isokinetische verhouding”: de verhouding tussen de luchtsnelheid in het PM- of PN-bemonsteringsmondstuk en de luchtsnelheid in de bemonsteringstunnel.

3.5.26.

“Achtergrondemissies”: het meten van deeltjesaantalconcentraties met dezelfde instrumenten als voor het testen van emissies, bij werking van het omgevingsconditioneringssysteem en toestroom van de koellucht van de dynamometer onder de testomstandigheden, zonder dat de rem wordt gebruikt of gedraaid om het resultaat te beïnvloeden.

3.6.   Testsysteem

3.6.1.

“Kalibratie”: het proces waarbij de respons van een meetsysteem zo wordt ingesteld dat de output ervan overeenstemt met een referentiewaarde.

3.6.2.

“Groot onderhoud”: de aanpassing, reparatie of vervanging van een onderdeel of module waardoor de nauwkeurigheid van een meting kan worden beïnvloed.

3.6.3.

“Referentiewaarde”: een tot een nationale of internationale norm traceerbare waarde.

3.6.4.

“Instelpunt”: de doelwaarde die een controlesysteem wil bereiken.

3.6.5.

“Verificatie”: het beoordelen of de output van een meetsysteem overeenstemt met toegepaste referentiewaarden binnen een of meer vooraf vastgestelde drempelwaarden voor acceptatie.

3.6.6.

“Responstijd”: het tijdverschil tussen de verandering van het te meten bestanddeel op het referentiepunt en een meetsysteemrespons van 90 % van de afgelezen eindwaarde (t90) met de inlaat van het bemonsteringsmondstuk als referentiepunt, waarbij de verandering van het gemeten bestanddeel ten minste 60 % van het volledige schaalbereik (FS) bedraagt en in minder dan 0,1 seconde plaatsvindt. De responstijd bestaat uit de reactietijd tot aan het systeem en de stijgtijd van het systeem.

3.6.7.

“Daaltijd”: tijdverschil tussen t90 en t10, waarbij de verandering van het gemeten bestanddeel zich op het referentiepunt bevindt en daalt van 90 % van de afgelezen beginwaarde tot 10 % van de afgelezen beginwaarde, indien de verandering van het ingestelde signaal in minder dan 0,1 seconden plaatsvindt.

3.6.8.

“Verloop”: de verandering van het gemeten signaal gedurende een bepaalde periode voor een specifiek instelpunt als gevolg van invloeden zoals temperatuur, druk, spanning, stroom enz.

3.6.9.

“Nauwkeurigheid”: het verschil tussen een gemeten waarde en een tot een nationale norm traceerbare referentiewaarde; beschrijft de juistheid van een resultaat.

3.6.10.

“Precisie”: de mate waarin herhaalde metingen onder onveranderde omstandigheden dezelfde resultaten opleveren. In dit reglement heeft precisie altijd betrekking op één standaardafwijking.

3.7.   Niet-wrijvingsremmen

3.7.1.

“Wrijvingsremmen”: in de context van dit reglement, het vertragen van het voertuig met behulp van het wrijvingsremsysteem, waarbij de remkrachten worden gegenereerd door wrijving tussen twee ten opzichte van elkaar bewegende delen van het voertuig.

3.7.2.

“Niet-wrijvingsremmen”: in de context van dit reglement, het vertragen van het voertuig ook met andere technische middelen, zonder uitsluitend gebruik te maken van het wrijvingsremsysteem, zoals regeneratief remmen. Dit is van toepassing op puur elektrische voertuigen en hybride elektrische voertuigen met een nominale spanning van het tractie-REESS van meer dan 12 V.

3.7.3.

“Volledig wrijvingsremmen”: in de context van dit reglement, het vertragen van het voertuig door alleen gebruik te maken van een volledig wrijvingsremsysteem.

3.7.4.

“Elektrische machine”: een energieomzetter die elektrische energie omzet in mechanische energie en omgekeerd.

3.7.5.

“Categorie aandrijfenergieomzetter”: i) een verbrandingsmotor of ii) een elektrische machine.

3.7.6.

“Hybride elektrisch voertuig” (HEV): een hybride voertuig waarbij een van de aandrijfenergieomzetters een elektrische machine is.

3.7.7.

“Hybride voertuig” (HV): een voertuig met een aandrijflijn die bestaat uit ten minste twee verschillende categorieën aandrijfenergieomzetters en ten minste twee verschillende categorieën opslagsystemen voor aandrijfenergie.

3.7.8.

“Niet-extern oplaadbaar hybride elektrisch voertuig” (NOVC-HEV): een hybride elektrisch voertuig dat niet door een externe bron kan worden opgeladen. In dit reglement worden NOVC-HEV’s ingedeeld in “NOVC-HEV’s van categorie 0”, “NOVC-HEV’s van categorie 1” en “NOVC-HEV’s van categorie 2” op basis van hun nominale spanning van het tractie-REESS.

3.7.8.1.

“Niet-extern oplaadbaar hybride elektrisch voertuig van categorie 0” (NOVC-HEV cat. 0): een hybride elektrisch voertuig dat is uitgerust met een tractie-REESS met een nominale spanning hoger dan 12 V en lager dan of gelijk aan 20 V en dat niet op een externe bron kan worden opgeladen.

3.7.8.2.

“Niet-extern oplaadbaar hybride elektrisch voertuig van categorie 1” (NOVC-HEV cat. 1): een hybride elektrisch voertuig dat is uitgerust met een tractie-REESS met een nominale spanning hoger dan 20 V en lager dan of gelijk aan 60 V en dat niet op een externe bron kan worden opgeladen.

3.7.8.3.

“Niet-extern oplaadbaar hybride elektrisch voertuig van categorie 2” (NOVC-HEV cat. 2): een hybride elektrisch voertuig dat is uitgerust met een tractie-REESS met een nominale spanning hoger dan 60 V en dat niet op een externe bron kan worden opgeladen.

3.7.9.

“Extern oplaadbaar hybride elektrisch voertuig” (OVC-HEV): een hybride elektrisch voertuig dat door een externe bron kan worden opgeladen.

3.7.10.

“Puur elektrisch voertuig” (PEV): een voertuig met een aandrijflijn die uitsluitend elektrische machines als aandrijfenergieomzetters en uitsluitend oplaadbare opslagsystemen voor elektrische energie als opslagsystemen voor aandrijfenergie omvat.

3.7.11.

“Brandstofcel”: een energieomzetter die chemische energie (input) omzet in elektrische energie (output) of omgekeerd.

3.7.11.1.

“Brandstofcelvoertuig” (FCV): een voertuig met een aandrijflijn die uitsluitend een of meer brandstofcellen en elektrische machines als aandrijfenergieomzetter(s) bevat.

3.7.11.2.

“Hybride brandstofcelvoertuig” (FCHV): een brandstofcelvoertuig met een aandrijflijn die ten minste één brandstofopslagsysteem en ten minste één oplaadbaar opslagsysteem voor elektrische energie als opslagsystemen voor aandrijfenergie bevat.

3.7.11.3.

“Niet-extern oplaadbaar hybride elektrisch voertuig met brandstofcel” (NOVC-FCHV): een hybride elektrisch voertuig met brandstofcel dat niet door een externe bron kan worden opgeladen.

3.7.11.4.

“Extern oplaadbaar hybride elektrisch voertuig met brandstofcel” (OVC-HEV): een hybride elektrisch voertuig met brandstofcel dat door een externe bron kan worden opgeladen.

3.7.11.5.

“Elektrisch brandstofcelvoertuig” (FCEV): een voertuig met een aandrijfsysteem dat vergelijkbaar is met dat van elektrische voertuigen, waarbij de brandstofcel de als waterstof opgeslagen energie omzet in elektriciteit.

3.7.12.

“Voertuig met pure verbrandingsmotor” (ICE): een voertuig waarbij alle aandrijfenergieomzetters verbrandingsmotoren zijn.

3.7.13.

“Oplaadbaar elektrische-energieopslagsysteem (REchargeable Energy Storage System, REESS)”: oplaadbaar elektrische-energieopslagsysteem dat elektrische energie levert voor elektrische aandrijving.

3.7.14.

“Remhoekemissiefamilie-ouder”: de configuratie met het hoogste product van WLn*c voor alle voertuigen die gebruikmaken van een specifieke remhoekemissiefamilie (voor- of achteras) zoals gedefinieerd in punt 7.2 van dit reglement.

3.7.15.

“Coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem”: de verhouding tussen de totale energie die tijdens een rijcyclus door het volledige wrijvingsremsysteem wordt opgenomen en de totale verandering in de kinetische energie van het voertuig tijdens remgebeurtenissen (exclusief wegbelasting) gedurende dezelfde rijcyclus.

3.7.16.

“Voertuigelektrificatietype”: in de context van dit reglement, de scheiding van lichte voertuigen op basis van hun elektrificatieconcept en -architectuur.

3.7.17.

“Voertuigmodel”: in de context van dit reglement, de handelsna(a)m(en) van het voertuig.

3.7.18.

“Door de bestuurder selecteerbare modus”: in de context van dit reglement, een afzonderlijke door de bestuurder selecteerbare staat die van invloed kan zijn op het niet-wrijvingsremvermogen van een voertuig.

3.7.19.

“Emissieverhogende remfunctie”: in de context van dit reglement, een functie met een toenemende impact op het niveau van de rememissies die voor een specifiek doel en naar aanleiding van een specifieke reeks omgevings- of bedrijfsomstandigheden actief wordt en alleen operationeel blijft zolang die omstandigheden zich voordoen en niet substantieel in typegoedkeuringstests zijn opgenomen.

3.7.20.

“Interpolatiefamilie”: heeft in de context van dit reglement dezelfde betekenis als interpolatiefamilie zoals gedefinieerd in VN-Reglement nr. 154.

4.   Goedkeuringsaanvraag

4.1.

De goedkeuringsaanvraag voor een voertuigtype wat de voorschriften van dit reglement betreft moet worden ingediend door de fabrikant of door zijn gemachtigde vertegenwoordiger, die een natuurlijke of rechtspersoon is die door de fabrikant is aangewezen om hem of haar bij de goedkeuringsinstantie te vertegenwoordigen en namens hem of haar op te treden bij aangelegenheden die onder dit reglement vallen.

4.1.1.

De in punt 4.1 bedoelde aanvraag moet worden opgesteld volgens het model van het inlichtingenformulier in bijlage 1 bij dit reglement.

4.2.

Een gepast aantal remonderdelensets die representatief zijn voor het goed te keuren voertuigtype moeten ter beschikking worden gesteld van de technische dienst die verantwoordelijk is voor de goedkeuringstests.

4.3.

Wijzigingen van het merk van een systeem, onderdeel of technische eenheid na typegoedkeuring maken de typegoedkeuring niet automatisch ongeldig, tenzij de oorspronkelijke kenmerken of technische parameters ervan zodanig worden gewijzigd dat de rememissies van het voertuig negatief worden beïnvloed.

4.4.

Documentatievoorschriften voor remfuncties

De fabrikant verstrekt de typegoedkeuringsinstantie ten minste een overzicht van alle emissieverhogende remfuncties die:

a)

van invloed zijn op het individuele recuperatiegedrag met gevolgen voor de rememissie; en/of

b)

actieve toepassing van de wrijvingspartners vereisen; en/of

c)

van invloed zijn op het niveau van de rememissies door middel van een emissiecontrolevoorziening (bv. een rememissiefilter).

De fabrikant kan ook een beschrijving van andere dan de hierboven gespecificeerde remfuncties bijvoegen (bv. functies die de rememissies verminderen).

De typegoedkeuringsinstantie kan de fabrikant verzoeken nadere informatie over specifieke remfuncties in de documentatie te verstrekken.

De fabrikant en de typegoedkeuringsinstantie komen overeen in welk formaat de in dit punt gespecificeerde informatie moet worden verstrekt.

De door de fabrikant verstrekte documentatie wordt door de typegoedkeuringsinstantie goedgekeurd als essentiële voorwaarde voor het verlenen van typegoedkeuring krachtens dit reglement.

5.   Goedkeuring

5.1.

Als het voor goedkeuring ter beschikking gestelde voertuigtype voldoet aan alle desbetreffende voorschriften van dit reglement zoals gedefinieerd in punt 7, in bijlage 4 en, indien van toepassing, in bijlage 5, wordt voor dat voertuigtype goedkeuring verleend.

5.2.

Aan elk goedgekeurd type wordt een goedkeuringsnummer toegekend.

5.2.1.

Het typegoedkeuringsnummer bestaat uit vier delen. Elk deel wordt gescheiden door een sterretje (*).

Deel 1:

De hoofdletter E, gevolgd door het nummer van de overeenkomstsluitende partij die de typegoedkeuring heeft verleend.

Deel 2:

Het nummer van dit VN-reglement, gevolgd door de letter R, en daarna door:

a)

twee cijfers (indien nodig met nullen aan het begin) ter aanduiding van de wijzigingenreeks met de technische bepalingen van het bij de goedkeuring toegepaste VN-reglement (00 voor het VN-reglement in zijn oorspronkelijke vorm);

b)

een schuine streep (/) en twee cijfers (indien nodig met nullen aan het begin) ter aanduiding van het nummer van het supplement op de bij de goedkeuring toegepaste wijzigingenreeks (00 voor de wijzigingenreeks in haar oorspronkelijke vorm).

Deel 3:

Een uit vier cijfers bestaand volgnummer (eventueel beginnend met een of meer nullen). De serie begint met 0001.

Deel 4:

Een uit twee cijfers bestaand volgnummer (eventueel twee nullen of beginnend met een nul) om de uitbreiding aan te geven. De serie begint met 00.

Alle cijfers zijn Arabische cijfers.

5.2.2.

Voorbeeld van een goedkeuringsnummer volgens dit reglement:

E1*179R01/00*0123*01

De eerste uitbreiding van de goedkeuring met nummer 0123 die door Duitsland is verleend krachtens wijzigingenreeks 01.

5.2.3.

Dezelfde overeenkomstsluitende partij mag hetzelfde nummer niet aan een ander voertuigtype toekennen.

5.3.

Van de goedkeuring of de uitbreiding of weigering van de goedkeuring van een voertuigtype krachtens dit reglement wordt aan de overeenkomstsluitende partijen bij de Overeenkomst van 1958 die dit reglement toepassen, mededeling gedaan door middel van een formulier volgens het model in bijlage 2.

6.   Opschriften

6.1.

Op elk voertuig dat beantwoordt aan een krachtens dit reglement goedgekeurd voertuigtype, wordt een internationaal goedkeuringsmerk aangebracht op een op het goedkeuringsformulier vermelde, duidelijk zichtbare en eenvoudig bereikbare plaats. Dit merk bestaat uit:

6.1.1.

een cirkel met daarin de letter E, gevolgd door het nummer van het land dat de goedkeuring heeft verleend (1);

6.1.2.

het nummer van dit reglement, gevolgd door de letter R, een liggend streepje en het goedkeuringsnummer, rechts van de in punt 6.1.1 van dit reglement beschreven cirkel.

6.2.

Indien het voertuig in conformiteit is met een voertuigtype dat op basis van een of meer aan de Overeenkomst van 1958 gehechte reglementen is goedgekeurd in het land dat krachtens dit reglement goedkeuring heeft verleend, hoeft het in de punten 6.1.1 en 6.4.1 voorgeschreven symbool niet te worden herhaald; in dat geval worden de reglement- en goedkeuringsnummers en de aanvullende symbolen van alle reglementen op basis waarvan goedkeuring is verleend in het land dat krachtens dit reglement goedkeuring heeft verleend, in verticale kolommen rechts van het in punt 6.1.1 voorgeschreven symbool geplaatst.

6.3.

Het goedkeuringsmerk moet goed leesbaar en onuitwisbaar zijn.

6.4.

Het goedkeuringsmerk wordt vlakbij of op het gegevensplaatje van het voertuig aangebracht.

6.4.1.

In bijlage 3 worden voorbeelden van de opstelling van het goedkeuringsmerk gegeven.

7.   Algemene voorschriften

Aan elk van de hieronder gedefinieerde families moet een uniek identificatiekenmerk worden toegekend in het volgende formaat:

FT-nnnnnnnnnnnnnnn-WMI

waarin:

FT = identificatiekenmerk van het familietype;

a)

FA = remhoekemissiefamilie van de vooras zoals gedefinieerd in punt 7.2.

b)

RA = remhoekemissiefamilie van de achteras zoals gedefinieerd in punt 7.2.

nnnnnnnnnnnnnnn = een tekenreeks van maximaal vijftien tekens, waarvoor alleen de tekens 0-9, A-Z en de underscore (het teken “_”) mogen worden gebruikt.

WMI (world manufacturer identifier) unieke identificatiecode van de fabrikant, gedefinieerd in ISO 3780-2009.

De eigenaar van de WMI moet ervoor zorgen dat de combinatie van de tekenreeks nnnnnnnnnnnnnnn en de WMI uniek is voor de familie en dat de tekenreeks nnnnnnnnnnnnn binnen die WMI uniek is voor de goedkeuringstests die zijn uitgevoerd om de goedkeuring te verkrijgen.

7.1.

Conformiteitsvoorschriften

De conformiteit van een voertuigtype wordt beoordeeld aan de hand van de emissiegrenswaarden in tabel 3.

De conformiteit moet worden aangetoond aan de hand van tests van de remhoekemissiefamilie-ouders van de voor- en achteras overeenkomstig punt 8 en de punten 7 tot en met 14 van bijlage 4.

7.1.1.

Criteria voor het voertuigtype

Alleen voertuigen met dezelfde combinatie van remhoekemissiefamilies op de voor- en achteras mogen deel uitmaken van hetzelfde voertuigtype.De exacte toewijzing aan de assen van het voertuig moet worden gedifferentieerd; voertuigen met voorrem A en achterrem B en voertuigen met voorrem B en achterrem A maken deel uit van verschillende voertuigtypen.

Meetresultaten van individuele remhoekemissiefamilies mogen worden gebruikt voor verschillende combinaties van voor- en achterhoeken; een testresultaat van voorrem A mag worden gebruikt in combinatie met achterrem B en achterrem C voor respectievelijk de voertuigtypen AB en AC.

Voertuigen met verschillende van de in tabel 4 vermelde voertuigelektrificatietypen mogen deel uitmaken van hetzelfde voertuigtype, ongeacht of aan die voertuigen een vaste factor uit tabel 4 of een gemeten factor overeenkomstig bijlage 5 is toegekend.

Voor voertuigen van hetzelfde type als gedefinieerd in punt 3.0 worden de rememissies berekend volgens vergelijking 7.1.

7.1.2

Een voertuigtype wordt geacht aan dit reglement te voldoen indien voor elk voertuigelektrificatietype en elke interpolatiefamilie de overeenkomstig punt 7.1.3 berekende emissies voor het voertuig met de hoogste testmassa voldoen aan de grenswaarden van tabel 3, zoals weergegeven in figuur 1a.

Figuur 1a

Schematische voorstelling van de selectie van de voertuigconfiguratie om de conformiteit van het voertuigtype aan te tonen

Image 1

Tabel 3

Grenswaarden voor de emissie van remdeeltjes in de standaard rijcyclus, per voertuigcategorie en aandrijftechnologie

Emissiegrenswaarden per voertuig

Voertuigen van de categorieën M1 en N1, met uitzondering van categorie N1, (klasse III)

Aandrijftechnologie

PEV

OVC-HEV

NOVC-HEV

FCV/FCHV

ICEV

Emissies van remdeeltjes (PM10) [mg/km]

3

7

7

7

7

Emissies van remdeeltjes (SPN10) [#/km]

Nog niet gespecificeerd

 

 

 

 

 

 

Emissiegrenswaarden per voertuig

Voertuigen van de categorieën N1 klasse III, en N2

Aandrijftechnologie

PEV

OVC-HEV

NOVC-HEV

FCV/FCHV

ICEV

Emissies van remdeeltjes (PM10) [mg/km]

5

11

11

11

11

Emissies van remdeeltjes (SPN10) [#/km]

Nog niet gespecificeerd

7.1.3.

Rememissies van het gehele voertuig

De rememissies van het gehele voertuig van een individueel voertuig worden berekend volgens vergelijking 7.1, waarin de PM10-, PM2,5- en SPN10-emissies van de respectieve assen en remhoeken worden beschouwd als het product van de referentie-emissie EFref door de wrijvingsremcoëfficiënt c zoals gedefinieerd in de vergelijkingen 12.9, 12.10 en 12.14 van bijlage 4.

Formula

(Verg. 7.1)

waarin:

Emission veh

= de waarde van de rememissies van het gehele voertuig van het individuele voertuig, resulterend uit de emissiefactoren van de hoeken van de voor- en achteras, mg/km of #/km;

Formula

(Verg. 7.2)

Formula

(Verg. 7.3)

waarin:

EF FA

= de voorasemissiefactor van de vooras van het individuele voertuig, mg/km of #/km;

EF RA

= de achterasemissiefactor van de achteras van het individuele voertuig, mg/km of #/km;

EF FA,ref

= de referentievoorasemissiefactor van de vooras van de remhoekemissiefamilie-ouder, mg/km of #/km;

EF RA,ref

= de referentieachterasemissiefactor van de achteras van de remhoekemissiefamilie-ouder, mg/km of #/km;

c veh

= de coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem van het individuele voertuig;

WL veh, FA

= de wielbelasting van de vooras van het individuele voertuig, kg;

WL FA, ref

= de wielbelasting van de vooras van de remhoekemissiefamilie-ouder, kg;

WL veh, RA

= de wielbelasting van de achteras van het individuele voertuig, kg;

WL RA, ref

= de wielbelasting van de achteras van de remhoekemissiefamilie-ouder, kg.

Om rekening te houden met het juiste voertuigelektrificatietype, wordt ofwel de vaste coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem cfix van tabel 4 of de opgegeven individuele coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem cdecl, op basis van metingen, volgens punt 7.1 van bijlage 5 van dit reglement gebruikt voor cveh .

7.2.

Remhoekemissiefamilie

Een remhoekemissiefamilie wordt gedefinieerd door een remcombinatie waarbij rekening wordt gehouden met de remklauw, het geheel van de remschijf of remtrommel met de achterplaat, het remblok of de remschoen en bepaalde andere voertuigparameters.

7.2.1.

Kenmerken van remhoekemissiefamilies voor “originele remonderdelen en -systemen” en “originele vervangingsremonderdelen en -systemen”

Alle voertuigelektrificatietypen kunnen, ongeacht hun elektrificatieklasse, deel uitmaken van één remhoekemissiefamilie. Alleen voertuigen met een identieke remcombinatie wat de in de punten a) tot en met d) vermelde kenmerken betreft, mogen deel uitmaken van dezelfde remhoekemissiefamilie. Deze indeling is van toepassing op “originele remmen” en “originele vervangingsremmen” zoals gedefinieerd in respectievelijk de punten 3.3.18 en 3.3.20 van dit reglement.

a)

Type remklauw (zwevende of vaste remklauw, aantal en grootte van de zuigers, type intrekelementen).

b)

Type rem: geheel van remschijf en achterplaat (wrijvingsoppervlak, coating, enkelvoudig, dubbel, geventileerd, vast, afmetingen, massa, materiaalformulering) of geheel van remtrommel en achterplaat (wrijvingsoppervlak, simplex, duplex, afmetingen, massa, materiaalformulering).

c)

Type wrijvingsmateriaal: remblok (grootte en vorm van het wrijvingsoppervlak, formulering van het wrijvingsmateriaal, steunplaat) of remschoen (grootte en ontwerp van het wrijvingsoppervlak, formulering van het wrijvingsmateriaal, steunplaat).

d)

Elk ander kenmerk dat een niet te verwaarlozen invloed heeft op de rememissies (bv. innovatieve systemen voor het verminderen van rememissies).

Figuur 1b toont een schematische voorstelling van de toewijzing van remhoekemissiefamilies aan de verschillende typen remmen zoals gedefinieerd in dit punt.

Figuur 1b

Schematische voorstelling van de toewijzing van remhoekemissiefamilies aan de verschillende typen remmen

Image 2

7.2.2.

Remhoekemissiefamilie-ouder

Voor alle voertuigen met een identieke remcombinatie zoals beschreven in punt 7.2.1 wordt het voertuig met het hoogste product van de wrijvingsremcoëfficiënt (vaste c-factor volgens tabel 4 of voertuigspecifiek volgens bijlage 5) en de testwielbelasting zoals gedefinieerd in punt 3.1.14 (WLt*c) geselecteerd als de ouder van de remhoekemissiefamilie.

Het product van de coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem en de testwielbelasting wordt alleen gebruikt om de ouder van de remhoekemissiefamilie te identificeren en niet als inputparameter bij het testen van de emissies van de remcombinatie.

De coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem voor elk voertuigelektrificatietype binnen het toepassingsgebied van dit reglement is vermeld in tabel 4. Als het product van de testwielbelasting en de coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem hetzelfde is voor twee of meer voertuigen van dezelfde remhoekemissiefamilie, selecteert de fabrikant het voertuig met de kleinste dynamische rolstraal van de band als ouder van de remhoekemissiefamilie.

Op verzoek van de fabrikant mag de wielbelasting van de desbetreffende remhoekemissiefamilie-ouder worden verhoogd om rekening te houden met verhogingen van de wielbelasting of onzekerheden in verband met de wielbelasting van toekomstige voertuigen van hetzelfde type of afwijkingen van de coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem. De remhoek wordt vervolgens met deze verhoogde wielbelasting getest op de testopstelling voor remonderdelen. De testwielbelasting vermenigvuldigd met de coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem van een lid van de remhoekemissiefamilie mag niet meer bedragen dan 10 % van de oorspronkelijke waarde van het ouderproduct. Deze verhoogde waarde zal de nieuwe bepalende waarde van het ouderproduct worden.

Tabel 4

Coëfficiënten van het aandeel van de wrijvingsrem voor alle voertuigelektrificatietypen

Type rem

Voertuigelektrificatietype

Wrijvingsrem-

coëfficiënt (cfix)

Volledig wrijvingsremmen

ICE en andere voertuigelektrificatietypen die niet onder de niet-wrijvingsremcategorieën in deze tabel vallen

1,0

Niet-wrijvingsremmen (*1)

NOVC-HEV cat. 0 (*2)

0,90

NOVC-HEV cat. 1

0,72

NOVC-HEV cat. 2

0,52

OVC-HEV

0,34

PEV

0,17

(*1)  Opmerking: Testfaciliteiten mogen voertuigspecifieke coëfficiënten van het aandeel van de wrijvingsrem gebruiken die zijn gemeten en berekend overeenkomstig bijlage 5 bij dit reglement, behalve voor NOVC-HEV’s cat. 0.

(*2)  Opmerking: De voertuigelektrificatietypen NOVC-FCHV en OVC-FCHV worden voor de toepassing van deze tabel beschouwd als NOVC-HEV-cat. 0.

7.2.3.

Testen van remhoekemissiefamilies

De remcombinatie van originele remsystemen en originele vervangingsremsystemen wordt op de testbank getest met behulp van de testwielbelasting, zoals beschreven in punt 8.1 van bijlage 4, die overeenkomt met de ouder van de remhoekemissiefamilie.

Originele remonderdelen en originele vervangende remonderdelen (schijven, blokken, trommels, schoenen) worden op de testbank getest gekoppeld met het overeenkomstige originele remonderdeel (er wordt bv. een origineel remblok gebruikt om een originele vervangingsremschijf te testen). De testwielbelasting, zoals beschreven in punt 8.1 van bijlage 4, die overeenkomt met de remhoekemissiefamilie-ouder, wordt toegepast.

De definitieve PM- en PN-emissiefactoren voor de remhoekemissiefamilie-ouder worden berekend na vermenigvuldiging van de PM- en PN-referentie-emissies van de geteste rem met de coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem van de remhoekemissiefamilie-ouder, zoals beschreven in respectievelijk de punten 12.1.5 en 12.2.4 van bijlage 4.

7.3.

Afrondingsvoorschriften

Alle gegevens moeten worden verwerkt met ten minste zes significante cijfers. Als er minder significante cijfers beschikbaar zijn, moeten de gegevens met alle beschikbare significante cijfers worden verwerkt. Afronding van tussentijdse resultaten is niet toegestaan. De definitieve waarden voor een bepaalde parameter mogen worden afgerond op het aantal significante cijfers dat nodig is om overeen te komen met het aantal decimalen dat voor de parameter is vastgesteld in punt 13 van bijlage 4. Bij de afrondingscriteria wordt rekening gehouden met het volgende:

a)

de resolutie van de waarde mag de meetonzekerheid niet overschrijden;

b)

als er een vastgestelde waarde is (bv. voertuigsnelheid, vertragingsfactor, duur van de gebeurtenis), rapporteer de werkelijke waarde dan met één decimaal meer dan de vastgestelde waarde;

c)

als het meetsysteem wordt gebruikt om de resultaten met een bilaterale specificatie (bv. ± 1 °C, ± 1 kPa) te evalueren, moet de resolutie standaard 1/20 van het specificatie-interval of beter zijn. in een eenzijdige specificatie (bv. ≤ 3 % snelheidsoverschrijdingen) moet de resolutie minder dan 1/10 van het specificatie-interval of beter zijn;

d)

noteer waarden die zijn afgeleid van een berekening (bv. deeltjesachtergrond, emissiefactoren, gemiddelden) met één decimaal meer dan de waarden van a) en b) van dit punt.

7.4.

Voorschriften inzake signaalfiltering

Voor gegevensverwerving, gegevensregistratie en elke evaluatiestap waarbij neerwaartse bemonstering wordt uitgevoerd tot een lagere verwervings-/registratiefrequentie, is signaalfiltering nodig om te voldoen aan het bemonsteringstheorema van Nyquist-Shannon. Een filter van de tweede orde met een afsnijfrequentie tussen 25 % en 50 % van de lagere bemonsterings-/registratiefrequentie wordt geacht aan dit criterium te voldoen en voorkomt onbedoelde afvlakking van het signaal.

8.   Algemeen overzicht

8.1.

Testonderdelen

Een rememissietest bestaat uit drie testonderdelen. Elk onderdeel bevat een of meer ritten met een reeks gebeurtenissen. De belangrijkste gebeurtenissen die remarbeid veroorzaken en rememissies genereren, zijn de vertragingsgebeurtenissen. Figuur 2 toont een schematisch overzicht van een rememissietest.

Figuur 2

Structuur van de rememissietests voor voertuigen met volledig wrijvingsremsysteem

Image 3

De drie onderdelen van de rememissietest zijn:

a)

aanpassing van de remkoeling. In dit onderdeel wordt gebruikgemaakt van rit #10 van de WLTP-remcyclus. Het koelingaanpassingsonderdeel wordt uitvoerig beschreven in punt 10 van bijlage 4;

b)

inlopen van de remmen. Dit onderdeel omvat de uitvoering van vijf herhalingen van de WLTP-remcyclus. Het wordt uitgevoerd met nieuwe remonderdelen. Het inlooponderdeel wordt uitvoerig beschreven in punt 11 van bijlage 4;

c)

rememissiemeting. Dit onderdeel omvat de uitvoering van één WLTP-remcyclus. Het rememissiemeetonderdeel wordt uitvoerig beschreven in punt 12 van bijlage 4.

8.2.

Stappen voor de uitvoering van de test

Voor de correcte uitvoering van een rememissietest moet de testfaciliteit de volgende stappen uitvoeren en documenteren:

a)

ervoor zorgen dat het testsysteem voldoet aan de voorschriften van punt 7 van bijlage 4 met betrekking tot de systeemopzet, de koelluchtstroom, de temperatuur- en vochtigheidsregeling, de capaciteit van de remdynamometer, het ontwerp van de remruimte, het ontwerp van de bemonsteringstunnel en het ontwerp van het bemonsteringsvlak;

b)

voldoen aan alle voorschriften van punt 8 van bijlage 4 voor de voorbereiding van de test, waarbij de juiste inputparameters, de testopstelling, de meting van de remtemperatuur en de positionering van de rem in de ruimte worden berekend en toegepast;

c)

in staat zijn de WLTP-remcyclus overeenkomstig punt 9 van bijlage 4 uit te voeren en aantonen dat aan de kwaliteitscontroles is voldaan;

d)

het onderdeel van de afstelling van de remkoeling uitvoeren zoals gedefinieerd in punt 10 van bijlage 4;

e)

het onderdeel van het inlopen van de rem uitvoeren zoals gedefinieerd in punt 11 van bijlage 4;

f)

alle elementen van punt 12 van bijlage 4 uitvoeren voor de meting van de rememissies, met inbegrip van de deeltjesmassa, het deeltjesaantal en het massaverlies van de aan slijtage onderhevige remhardware;

g)

de resultaten van de test rapporteren overeenkomstig punt 13 van bijlage 4;

h)

voldoen aan punt 14 van bijlage 4 wat betreft de minimumkalibratievoorschriften en periodieke evaluaties van de gebruikte instrumenten en opstelling.

9.   Wijziging en uitbreiding van de typegoedkeuring

9.1.

Elke wijziging van het voertuigtype met betrekking tot de rememissies en elke opneming van een nieuw voertuigelektrificatietype of een nieuwe interpolatiefamilie in een bestaande goedkeuring moet worden meegedeeld aan de typegoedkeuringsinstantie die het voertuigtype heeft goedgekeurd. Die instantie kan dan:

9.1.1.

oordelen dat de wijzigingen zijn aangebracht binnen de remhoekemissiefamilies die onder de goedkeuring vallen of waarschijnlijk geen noemenswaardig nadelig effect op de typegoedkeuringswaarden zullen hebben en dat in dit geval de oorspronkelijke goedkeuring geldig is voor het gewijzigde voertuigtype, of

9.1.2.

de voor de uitvoering van de tests verantwoordelijke technische dienst om een aanvullend testrapport verzoeken;

9.1.3.

in het geval van de opname van een nieuw elektrificatietype of een nieuwe interpolatiefamilie, moet een bewijs van naleving overeenkomstig punt 7.1.2 worden verstrekt en gerapporteerd overeenkomstig aanhangsel 3 van bijlage 1.

9.2.

De bevestiging of weigering van de goedkeuring, met vermelding van de wijzigingen, moet volgens de procedure van punt 5.3 worden meegedeeld aan de overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen.

9.3.

De typegoedkeuringsinstantie die de goedkeuring uitbreidt, moet aan die uitbreiding een volgnummer toekennen en de andere partijen bij de Overeenkomst van 1958 die dit reglement toepassen, daarvan in kennis stellen door middel van een mededelingenformulier volgens het model in bijlage 2 bij dit reglement.

9.4.

Uitbreiding van een goedkeuring

Een bestaande typegoedkeuring kan worden uitgebreid, bijvoorbeeld door er nieuwe voertuigmodellen aan toe te voegen. De toegevoegde voertuigen moeten ook voldoen aan de voorschriften van punt 9.1. Dit kan nadere verificatie door de typegoedkeuringsinstantie vereisen (bv. wanneer verschillende coëfficiënten van het aandeel van de wrijvingsrem van toepassing zijn).

10.

Conformiteit van de productie

Voor de conformiteitscontrole van de productie gelden de procedures van bijlage 1 van de Overeenkomst van 1958 (E/ECE/324-E/ECE/TRANS/505/Rev.3), met inachtneming van de volgende bepalingen:

Voor de productieconformiteitscontrole van remsystemen door de fabrikant worden steekproeven van de remhoekemissiefamilie uit de productiereeks genomen overeenkomstig punt 10.1 en getest overeenkomstig punt 10.2. De conformiteit van het voertuigtype wordt vervolgens beoordeeld overeenkomstig punt 10.3.

10.1.

Frequentie voor het testen van de conformiteit van de productie voor rememissietests op een testbank voor onderdelen

Om de twaalf maanden wordt een controle van de conformiteit van de productie uitgevoerd volgens de volgende stappen en de in punt 10.4 beschreven statistische procedure:

a)

om de twaalf maanden worden ten minste één en niet meer dan vier steekproeven van elke remhoekemissiefamilie (voor en achter) willekeurig genomen en getest volgens de instellingen van de familie-ouder zoals tijdens de typegoedkeuring gedurende de WLTP-remcyclus op een testbank voor onderdelen;

b)

om de twaalf maanden worden ten minste één en ten hoogste vier beoordelingen van de conformiteit van de productie uitgevoerd overeenkomstig punt 10.3, waarbij rekening wordt gehouden met de remhoekemissies uit punt a) voor de combinatie van voor- en achteras.

Voor de toepassing van punt 10.3 mogen de emissieresultaten van de overeenkomstig punt a) bemonsterde en geteste onderdelen van de voor- en achterrem gedurende twaalf maanden voor verschillende voertuigtypen in verschillende combinaties worden gebruikt.

10.2.

Meting van de rememissies op een testbank voor onderdelen

De tests van de conformiteit van de productie van de remhoekemissiefamilie-ouders (gedefinieerd tijdens de typegoedkeuring) moeten op een testbank voor onderdelen worden uitgevoerd onder remomstandigheden met volledige wrijving, waarbij de PM10- en SPN10-emissies worden gemeten. De tests van de conformiteit van de productie worden uitgevoerd volgens de volgende stappen van de testprocedure voor typegoedkeuring, maar met toevoeging van twee extra herhalingen van de emissiemetingen na het inlopen om de meetonzekerheden en de variabiliteit tussen laboratoria te verminderen:

a)

koelingaanpassingsonderdeel volgens typegoedkeuringsgegevens van de remhoekemissiefamilie-ouder, waarbij tijdens de conformiteit van de productie geen remonderdelen mogen worden gewijzigd tussen het “koelingaanpassingsonderdeel” en het “inlooponderdeel”;

b)

inlooponderdeel (5 x WLTP-remcyclus);

c)

emissiemeetonderdeel (3 x WLTP-remcyclus).

Na voltooiing van alle drie de emissietests wordt het rekenkundig gemiddelde genomen van de PM10-resultaten van elke remhoekemissiefamilie-ouder en worden deze resultaten gebruikt voor de in punt 10.3 beschreven beoordeling van de conformiteit van de productie.

De SPN10-resultaten van de drie emissietests worden alleen voor rapportagedoeleinden gemeten totdat een grenswaarde is ingevoerd.

10.3.

Beoordeling van de conformiteit van de productie

De productie wordt geacht conform te zijn als de in punt 7.1.2 beschreven controleprocedure met succes is afgerond, rekening houdend met de referentie-emissiefactoren van de remhoekemissiefamilie-ouders van de voor- en achteras, gemeten in punt 10.2.

Als de bovengenoemde controle niet met succes wordt afgerond, wordt nog een steekproef van beide remhoekemissiefamilies in kwestie willekeurig genomen en getest in dezelfde staat als aangegeven in punt 10.1, a), en wordt een nieuwe verificatieprocedure zoals hierboven beschreven voltooid met deze nieuwe steekproef, waarvan het resultaat zal worden opgenomen in de statistische procedure van punt 10.4.

10.4.

Statistische evaluatie van steekproeven van de conformiteit van de productie

De beslissing hangt af van de cumulatieve steekproefgrootte “n”, de tellers “p” en “f” voor respectievelijk positieve en negatieve resultaten. De steekproeven moeten uit verschillende partijen afkomstig zijn. Voor het besluit om een controlemonster al dan niet goed te keuren, wordt het oordeelschema in tabel 5a gebruikt. Het schema geeft aan welke oordelen moeten worden geveld voor een bepaalde cumulatieve steekproefgrootte “n” en de teller “f” voor negatieve resultaten.

Er zijn twee besluiten mogelijk voor een statistische procedure voor het voertuigtype en de waarde van de rememissies van het gehele voertuig (voor beide remfamilies voor en achter):

a)

de steekproef is geslaagd wanneer het oordeelschema in tabel 5a een positief resultaat aangeeft voor de huidige cumulatieve steekproefgrootte “n” en de teller “f” van negatieve resultaten;

b)

de steekproef is niet geslaagd wanneer voor een bepaalde cumulatieve steekproefgrootte “n” het toepasselijke oordeelschema uit tabel 5a een negatief resultaat aangeeft voor de huidige cumulatieve steekproefgrootte “n” en de teller “f” van negatieve resultaten.

Indien geen besluit wordt genomen (“ONB” = onbeslist), blijft de statistische procedure open en worden verdere resultaten erin opgenomen totdat een besluit is genomen.

Voor fase I, tot en met 31 december 2029, wordt alleen PM10 geëvalueerd overeenkomstig tabel 5a. Wanneer de tests van de conformiteit van de productie door de goedkeuringsinstantie worden uitgevoerd en n=2 en f=2, test de goedkeuringsinstantie de volgende monsters in een andere testfaciliteit. Op verzoek van de fabrikant en met instemming van de goedkeuringsinstantie worden, indien n=2 en f=2, de resterende tests uitgevoerd in dezelfde faciliteit als die welke voor de typegoedkeuring onder toezicht van de technische dienst of typegoedkeuringsinstantie is gebruikt.

Tabel 5a

Oordeelschema voor een positief/negatief oordeel

Teller f voor negatieve resultaten

3

 

 

NEG.

NEG.

2

 

ONB.

ONB.

POS.

1

ONB.

POS.

POS.

POS.

0

POS.

POS.

POS.

POS.

 

 

1

2

3

4

 

 

n

n

= cumulatieve steekproefgrootte (combinatie van voor- en achterremonderdelen = “rememissie van het gehele voertuig”)

Vanaf 1 januari 2030 worden PM10 en SPN10 geëvalueerd volgens tabel 5b. Indien de PM10-emissies van monster n tijdens fase II de wettelijke grenswaarde met meer dan 2,0 mg/km overschrijden, levert de beoordeling van de conformiteit van de productie een negatief resultaat op zonder dat verdere bemonstering en tests nodig zijn.

Tabel 5b

Oordeelschema voor een positief/negatief oordeel

[Voorbehouden]

11.   Sancties bij non-conformiteit van de productie

11.1.

De krachtens dit reglement voor een voertuigtype verleende goedkeuring kan worden ingetrokken indien niet aan de voorschriften van punt 10 van dit reglement is voldaan.

11.2.

Indien een partij bij de Overeenkomst van 1958 die dit reglement toepast een eerder verleende goedkeuring intrekt, stelt zij de andere overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen daarvan onmiddellijk in kennis door middel van een mededelingenformulier volgens het model in bijlage 2.

12.   Definitieve stopzetting van de productie

12.1.

Indien de houder van de goedkeuring de productie van een krachtens dit reglement goedgekeurd voertuigtype definitief stopzet, stelt hij de typegoedkeuringsinstantie die de goedkeuring heeft verleend daarvan in kennis. Zodra deze instantie de kennisgeving heeft ontvangen, stelt zij de andere overeenkomstsluitende partijen bij de overeenkomst van 1958 die dit reglement toepassen daarvan in kennis door middel van exemplaren van het mededelingenformulier volgens het model in bijlage 2.

13.   Naam en adres van de voor de uitvoering van de goedkeuringstests verantwoordelijke technische diensten en van de typegoedkeuringsinstanties

13.1.

De overeenkomstsluitende partijen bij de Overeenkomst van 1958 die dit reglement toepassen, delen het secretariaat van de Verenigde Naties de naam en het adres mee van de technische diensten die voor de uitvoering van de goedkeuringstests verantwoordelijk zijn, en van de typegoedkeuringsinstanties die goedkeuring of de uitbreiding, weigering of intrekking van de goedkeuring certificeren en waaraan de in andere landen afgegeven certificaten betreffende de goedkeuring of de uitbreiding, weigering of intrekking van de goedkeuring moeten worden toegezonden.

14.   Bijzondere bepalingen

14.1.

Voorschriften voor voertuigen voor speciale doeleinden

14.1.1.

Voorschriften voor gepantserde voertuigen

De typegoedkeuringsinstantie kan overeenkomstig punt 2.5.2 van de geconsolideerde resolutie betreffende de constructie van voertuigen (R.E.3) typegoedkeuringen met inbegrip van een vrijstelling(en) van de voorschriften van dit reglement verlenen aan gepantserde voertuigen indien de fabrikant aantoont dat het voertuig vanwege zijn speciale doeleinde niet aan de voorschriften kan voldoen.

14.2.

Het type voertuig voor speciale doeleinden en de toegestane vrijstellingen moeten worden beschreven in het typegoedkeuringscertificaat overeenkomstig bijlage 2 van dit reglement.

(1)  De nummers van de partijen bij de Overeenkomst van 1958 zijn opgenomen in bijlage 3 bij de geconsolideerde resolutie betreffende de constructie van voertuigen (R.E.3), document ECE/TRANS/WP.29/78/Rev.7 — Bijlage 3,

https://unece.org/transport/standards/transport/vehicle-regulations-wp29/resolutions.


BIJLAGE 1

Inlichtingenformulieren

Figuur A1/1

Overzicht van de verschillende rapporten tijdens de goedkeuring van de rememissies uitsluitend ter referentie en oriëntatie

Image 4

Invoerparameters

De parameters in het inlichtingenformulier moeten worden gespecificeerd aan de hand van de passende eenheden en het aantal decimalen overeenkomstig tabel 1.

Tabel 1

Parameters inlichtingenformulier

Punt

Parameter

Eenheid

Decimalen

8.13.4.1.1.1

Remkrachtverdeling

%

1

8.13.4.2.2

Emissies van remdeeltjes

mg/km

3

8.13.4.2.1

Coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem

-

2

8.13.2.4.2

Diameter van de schijf

mm

0

8.13.3.5

Diameter van de trommel

mm

0

8.13.2.6.5

Diameter van de zuiger

mm

2

8.13.2.4.1

Massa van de schijf

g

0

8.13.3.4

Massa van de trommel

g

0

8.13.4.1.1.2

Nominale wielbelasting

kg

3

8.13.2.6.4

Aantal zuigers — remklauw

-

0

8.13.2.7.3

Grootte van het remblok

cm2

1

8.13.3.7.4

Afmetingen van de remschoen

cm2

1

8.13.2.4.3

Dikte van de schijf

mm

0

Inlichtingenformulieren

Rapport ⑦ in figuur A1/1 van dit reglement.

MODELINLICHTINGENFORMULIER Nr. …

0.   

ALGEMEEN

0.1.   

Merk (handelsnaam van de fabrikant): …

0.2.   

Type: …

0.2.1.   

Handelsnaam of -namen (indien van toepassing): …

0.2.3.   

Identificatienummers van de familie:

0.2.3.14.   

Voertuigtype met betrekking tot rememissies: …

0.2.3.15.   

Remhoekemissiefamilie(s) vooras: …

0.2.3.16.   

Remhoekemissiefamilie(s) achteras: …

0.2.3.17.   

Coëfficiënt(en) van het aandeel van de wrijvingsrem (vast of rapport-ID) …

0.4.   

Voertuigcategorie (c): …

0.4.1.   

Voertuigelektrificatietype(n) (ICE, NOVC-FCHV, OVC-FCHV, PEV, FCEV): …

0.5.   

Naam en adres van de fabrikant

0.8.   

Naam en adres van de assemblagefabriek(en): …

0.9.   

Naam en adres van de vertegenwoordiger van de fabrikant (indien van toepassing): …

1.   

ALGEMENE CONSTRUCTIEKENMERKEN

1.1.   

Foto’s en/of tekeningen van een representatie(f)(ve) voertuig/onderdeel/technische eenheid (1): …

1.3.   

Aantal wielen: …

1.3.3.   

Aangedreven assen (aantal, plaats en onderlinge verbinding): …

2.   

MASSA’S EN AFMETINGEN (f) (g) (7)

(in kg en mm) (in voorkomend geval naar tekening verwijzen)

2.6.   

Massa in rijklare toestand (h)

(a) maximum en minimum voor elke variant: …

2.6.1.   

Verdeling van deze massa over de assen (max. en min. voor elke variant): …

2.6.3.   

Rotatiemassa: 3 % van de som van de massa in rijklare toestand en 25 kg, of waarde, per as (kg): …

2.8.   

Technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand zoals opgegeven door de fabrikant (i) (3): …

3.   

AANDRIJFENERGIEOMZETTER (k) (herhalen indien van toepassing voor elk elektrificatietype)

3.1.   

Fabrikant van de aandrijfenergieomzetter(s): …

3.1.1.   

Code van de fabrikant (zoals vermeld op de aandrijfenergieomzetter of ander identificatiemiddel): …

3.2.   

Verbrandingsmotor (“Internal Combustion Engine”)

3.2.1.1.   

Werkingsprincipe: elektrische ontsteking/compressieontsteking/dualfuel (1)

Cyclus: viertakt/tweetakt/draaizuiger (1)

3.2.1.2.   

Aantal en opstelling van de cilinders: …

3.2.1.3.   

Cilinderinhoud (m): … cm3

3.2.1.4.   

Volumetrische compressieverhouding (2): …

3.2.1.8.   

Nominaal motorvermogen (n): … kW bij … min–1 (door de fabrikant opgegeven waarde)

3.2.1.10.   

Nettomaximumkoppel (n): … Nm bij … min–1 (door de fabrikant opgegeven waarde)

3.2.2.   

Brandstof

3.2.2.1.   

Diesel/benzine/lpg/aardgas of biomethaan/ethanol (E85)/biodiesel/waterstof (1) (6)

3.2.4.3.4.1.   

Merk en type van de regeleenheid (ECU): …

3.2.4.3.4.1.1.   

Versie van de ECU-software: …

3.3.   

Elektrische aandrijflijn (alleen voor PEV’s)

3.3.1.   

Algemene beschrijving van de elektrische aandrijflijn

3.3.1.1.   

Merk: …

3.3.1.2.   

Type: …

3.3.1.3.   

Gebruik (1): één motor/meerdere motoren (aantal): …

3.3.1.4.   

Configuratie van de transmissie: parallel/transaxiaal/andere (specificeren): …

3.3.1.5.   

Testspanning: … V

3.3.1.6.   

Nominaal motortoerental: … min–1

3.3.1.9.   

Maximumvermogen: … kW

3.3.2.   

Tractie-REESS

3.3.2.1.   

Handelsnaam en -merk van het REESS: …

3.3.2.2.   

Soort elektrochemisch koppel: …

3.3.2.3.   

Nominale spanning: … V

3.3.2.5.1.   

Energie van het REESS: … kWh

3.3.2.5.2.   

REESS-capaciteit: … Ah in 2 uur

3.3.2.5.3.   

Spanning waarbij het ontladen stopt: … V

3.3.2.8.   

Aantal cellen: …

3.3.2.11.   

Regeleenheid systeem voor batterijbeheer

3.3.2.11.1.   

Merk: …

3.3.2.11.2.   

Type: …

3.3.2.11.3.   

Identificatienummer: …

3.3.3.   

Elektromotor

3.3.3.1.   

Werkingsprincipe:

3.3.3.1.1.   

gelijkstroom/wisselstroom (1) /aantal fasen: …

3.3.3.1.2.   

afzonderlijke bekrachtiging/seriebekrachtiging/compoundbekrachtiging (1)

3.3.3.1.3.   

synchroon/asynchroon (1)

3.3.3.1.4.   

rotor met inductiespoel/met permanente magneten/met behuizing (1)

3.3.3.1.5.   

aantal polen van de motor: …

3.3.3.2.   

Traagheidsmassa: …

3.3.4.   

Vermogensregelaar

3.3.4.1.   

Merk: …

3.3.4.2.   

Type: …

3.3.4.2.1.   

Identificatienummer: …

3.3.4.3.   

Regelprincipe: vectorieel/open circuit/gesloten/ander (specificeren): (1) …

3.4.   

Combinaties van aandrijvingsenergieomzetters

3.4.1.   

Hybride elektrisch voertuig: ja/nee (1)

3.4.2.   

Categorie hybride elektrisch voertuig: extern oplading (OVC)/niet-externe oplading (NOVC): (1)

3.4.3.   

Bedrijfsstandschakelaar: met/zonder (1)

3.4.3.1.   

Bedrijfsstanden

3.4.3.1.1.   

Uitsluitend elektrisch: ja/nee (1)

3.4.3.1.2.   

Uitsluitend brandstof: ja/nee (1)

3.4.3.1.3.   

Hybride standen: ja/nee (1)

(zo ja, een korte beschrijving): …

3.4.4.   

Beschrijving van de energieopslagvoorziening: (REESS, condensator, vliegwiel/generator)

3.4.4.1.   

Merk(en): …

3.4.4.2.   

Type(n): …

3.4.4.3.   

Identificatienummer: …

3.4.4.4.   

Soort elektrochemisch koppel: …

3.4.4.5.   

Energie: … (voor REESS: voltage en Ah-capaciteit in 2 u; voor condensator: J, … )

3.4.4.6.   

Lader: ingebouwd/extern/geen (1)

3.4.4.8.   

Regeleenheid systeem voor batterijbeheer

3.4.4.8.1.   

Merk: …

3.4.4.8.2.   

Type: …

3.4.4.8.3.   

Identificatienummer: …

3.4.5.   

Elektrische machine (elk type elektrische machine afzonderlijk beschrijven)

3.4.5.1.   

Merk: …

3.4.5.2.   

Type: …

3.4.5.3.   

Primair gebruik: tractiemotor/generator (1)

3.4.5.3.1.   

Bij gebruik als tractiemotor: één motor/meerdere motoren (aantal) (1): …

3.4.5.4.   

Maximumvermogen: … kW

3.4.5.5.   

Werkingsprincipe

3.4.5.5.5.1   

Gelijkstroom/wisselstroom/aantal fasen: …

3.4.5.5.2.   

Afzonderlijke bekrachtiging/seriebekrachtiging/compoundbekrachtiging (1)

3.4.5.5.3.   

Synchroon/asynchroon (1)

3.4.6.   

Regeleenheid

3.4.6.1.   

Merk(en): …

3.4.6.2.   

Type(n): …

3.4.6.3.   

Identificatienummer: …

3.4.7.   

Vermogensregelaar

3.4.7.1.   

Merk: …

3.4.7.2.   

Type: …

3.4.7.3.   

Identificatienummer: …

3.4.10.   

FCHV: ja/nee (1)

3.4.10.1.   

Type brandstofcel

3.4.10.1.2.   

Merk: …

3.4.10.1.3.   

Type: …

3.4.10.1.4.   

Nominale spanning (V): …

3.4.10.2.   

Beschrijving van het systeem (werkingsprincipe van de brandstofcel, tekening enz.): …

3.4.11.   

Elektrische-energieomzetters

3.4.11.1.   

Elektrische-energieomzetter tussen de elektrische machine en de tractie-REESS

3.4.11.1.1.   

Merk: …

3.4.11.1.2.   

Type: …

3.4.11.1.3.   

Opgegeven nominaal vermogen: W

3.4.11.2.   

Elektrische-energieomzetter tussen de tractie-REESS en laagspanningsstroomvoorziening

3.4.11.2.1.   

Merk: …

3.4.11.2.2.   

Type: …

3.4.11.2.3.   

Opgegeven nominaal vermogen: W

3.4.11.3.   

Elektrische-energieomzetter tussen de herlaadplug-in en de tractie-REESS

3.4.11.3.1.   

Merk: …

3.4.11.3.2.   

Type: …

3.4.11.3.3.   

Opgegeven nominaal vermogen: W

4.   

TRANSMISSIE (p)

4.4.   

Koppeling(en)

4.4.1.   

Type: …

4.5.   

Versnellingsbak

4.5.1.   

Type (handgeschakeld/automatisch/CVT (continuvariabele transmissie)) (1)

4.5.1.5.   

Aantal koppelingen: …

4.6.   

Overbrengingsverhoudingen

Versnelling Verhoudingen in de versnellingsbak (verhoudingen tussen omwentelingen van de motor en omwentelingen van de uitgaande as van de versnellingsbak)

Eindoverbrengingsverhouding(en) (verhouding tussen omwentelingen van de uitgaande as van de versnellingsbak en omwentelingen van de aangedreven wielen)

Totale verhouding

Maximum voor CVT 1

2.

3.

Minimum voor CVT

4.6.1   

Schakeling (niet van toepassing bij automatische versnellingsbak)

4.6.1.1.   

Versnelling 1 uitgesloten: ja/nee (1)

4.6.1.2.   

n_95_high voor elke versnelling: … min–1

4.6.1.3.   

nmin_drive

4.6.1.3.1.   

1e versnelling: … min–1

4.6.1.3.2.   

1e versnelling naar 2e: … min–1

4.6.1.3.3.   

2e versnelling tot stilstand: … min–1

4.6.1.3.4.   

2e versnelling: … min–1

4.6.1.3.5.   

3e versnelling en hoger: … min–1

4.6.1.4.   

n_min_drive_set voor acceleratiefasen/fasen met constante snelheid (n_min_drive_up): … min–1

4.6.1.5.   

n_min_drive_set voor vertragingsfasen (nmin_drive_down):

4.6.1.6.   

Startperiode

4.6.1.6.1.   

t_start_phase: … s

4.6.1.6.2.   

n_min_drive_start: … min–1

4.6.1.6.3.   

n_min_drive_up_start: … min–1

4.6.1.7.   

Gebruik van ASM: ja/nee (1)

4.6.1.7.1.   

ASM-waarden: … bij … min–1

4.7.   

Maximumontwerpsnelheid van het voertuig (in km/h) (q): …

6.   

OPHANGING

6.6.   

Banden en wielen

6.6.1.   

Band/wielcombinatie(s)

6.6.1.1.   

Assen

6.6.1.1.1.   

As 1: …

6.6.1.1.1.1.   

Bandenmaataanduiding

6.6.1.1.2.   

As 2: …

6.6.1.1.2.1.   

Bandenmaataanduiding enz.

6.6.2.   

Boven- en ondergrenzen van de afrolstralen

6.6.2.1.   

As 1: …

6.6.2.2.   

As 2: …

6.6.3.   

Door de fabrikant van het voertuig aanbevolen bandenspanning: … kPa

8.13.   

WRIJVINGSREM

8.13.1.   

Remsysteemcombinatie

8.13.1.1.   

Type remsysteemcombinatie (remhoekemissiefamilie(s) vooras en achteras in combinatie met de coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem) …

8.13.1.2.   

Vooras schijf/trommel

8.13.1.3.   

Achteras schijf/trommel

8.13.2.   

Schijf (schijven)

8.13.2.1.   

Type schijf (schijven) (identificatie) …

8.13.2.2.   

Constructie van de schijf (schijven) (vast, geventileerd/enkel, dubbel) …

8.13.2.3   

Merk van de schijf (schijven) …

8.13.2.4.   

Massa en afmetingen van de schijf (schijven)

8.13.2.4.1.   

Massa van de schijf (schijven) [g] …

8.13.2.4.2.   

Diameter van de schijf (schijven) [mm] …

8.13.2.4.3.   

Dikte van de schijf (schijven) [mm] …

8.13.2.5.   

Wrijvingsoppervlak van de schijf (schijven)

8.13.2.5.1.   

Materiaalformulering van het (de) wrijvingsoppervlak(ken) (bv. materiaalcode) …

8.13.2.5.2.   

Coating (ja/nee) …

8.13.2.5.2.1.   

Type coating …

8.13.2.6.   

Remklauw(en)

8.13.2.6.1.   

Type remklauw(en) (identificatie) …

8.13.2.6.2.   

Constructie van de remklauw(en) (zwevend of vast) …

8.13.2.6.3.   

Merk van de remklauw(en) …

8.13.2.6.4.   

Aantal zuigers …

8.13.2.6.5.   

Diameter van de zuigers …

8.13.2.6.6.   

Type intrekkingselementen …

8.13.2.7.   

Remblok(ken)

8.13.2.7.1.   

Type remblok(ken) (identificatie) …

8.13.2.7.2.   

Merk van de remblok(ken) …

8.13.2.7.3.   

Grootte van het (de) remblok(ken) [cm2] …

8.13.2.7.4.   

Vorm van het (de) remblok(ken) (bv. tekening) …

8.13.2.7.5.   

Wrijvingsoppervlak van het (de) remblok(ken)

8.13.2.7.6.   

Materiaalformulering van het (de) remblok(ken) (bv. materiaalcode) …

8.13.2.7.7.   

Achterplaat …

8.13.3.   

Remtrommel(s)

8.13.3.1.   

Type trommel(s) (identificatie) …

8.13.3.2.   

Constructie van de trommel(s) (simplex of duplex) …

8.13.3.3.   

Merk van de trommel(s) …

8.13.3.4.   

Massa van de trommel(s) [g] …

8.13.3.5.   

Diameter van de trommel(s) [mm] …

8.13.3.6.   

Wrijvingsoppervlak van de trommel(s)

8.13.3.6.1.   

Materiaalformulering van de trommel(s) (bv. materiaalcode) …

8.13.3.7.   

Remschoen(en)

8.13.3.7.1.   

Type remschoen(en) (identificatie) …

8.13.3.7.2.   

Constructie van de remschoen(en) …

8.13.3.7.3.   

Merk van de remschoen(en) …

8.13.3.7.4.   

Grootte van de remschoen(en) [cm2] …

8.13.3.7.5.   

Ontwerp van de remschoen(en) (bv. tekening) …

8.13.3.7.6.   

Wrijvingsoppervlak van de remschoen(en)

8.13.3.7.7.   

Materiaalformulering van de remschoen(en) (bv. materiaalcode) …

8.13.3.7.8.   

Achterplaat …

8.13.4.   

Door de fabrikant opgegeven waarden

8.13.4.1.   

Testparameters

8.13.4.1.1.   

Testparameter remdeeltjesemissietest (voor elke remhoekemissiefamilie)

8.13.4.1.1.1.   

Remkrachtverdeling …

8.13.4.1.1.2.   

Nominale wielbelasting …

8.13.4.1.2.   

Parameters van het testvoertuig voor de meting van de coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem (indien van toepassing).

Voertuig

Testvoertuig

Representatief voertuig (alleen voor wegbelastingmatrixfamilie (*))

Standaardwaarden

Carrosserietype

 

 

 

Gehanteerde wegbelastingmethode (meting of berekening door wegbelastingfamilie)

 

 

Merk en type van de banden, indien meting

 

 

 

Afmetingen banden (voor/achter), indien meting

 

 

 

Rolweerstand van de banden (voor/achter) (kg/t)

 

 

 

Bandenspanning (voor/achter) (kPa), indien meting

 

 

 

Testmassa voertuig (kg)

 

 

 

Massa in rijklare toestand (kg)

 

Technisch toelaatbare maximummassa van het voertuig in beladen toestand (kg)

 

f0 (N)

 

 

 

f1 (N/(km/h))

 

 

 

f2 (N/(km/h)2)

 

 

 

Frontale oppervlakte m2 (0,000 m2)

 

 

Cyclusenergievraag (J)

 

 

 

8.13.4.2.   

Door de fabrikant opgegeven waarde(n)

8.13.4.2.1   

Door de fabrikant opgegeven waarde voor de coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem (indien van toepassing) …

8.13.4.2.2   

Door de fabrikant opgegeven waarde voor de emissies van remdeeltjes …

12.   

DIVERSEN

12.10.   

Voorzieningen of systemen met door de bestuurder selecteerbare modi die van invloed zijn op CO2-emissies, brandstofverbruik, elektriciteitsverbruik en/of gereguleerde emissies en die geen overheersende modus hebben: ja/nee (1)

12.10.4.   

C-factortest (indien van toepassing) (vermelden voor elke voorziening/elk systeem)

12.10.4.1.   

Ongunstigste modus: … (verwijzing naar document voor specifieke remfuncties die van invloed zijn op de coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem)

Bijlage 1 — Aanhangsel 1

Testrapport van de remhoekemissiefamilie (herhalen voor de voor- en achteras)

Rapport ③ in figuur A1/1 van dit reglement.

Identificatienummer(s) van de familie:

Fabrikant:

Testrapport van de remhoekemissiefamilie

VN-Reglement nr. 179

Laatstelijk gewijzigd door:


Aanvrager

:

 

Fabrikant

:

 

Onderwerp

:

 

Identificatiecode(s) remhoekemissiefamilie

:

 

Testidentificatienummer

:

 


Identificatienummer(s) van de familie:

Fabrikant:


Algemeen

 

Testmassa voertuig [kg]

:

 

Coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem

:

 

As

:

 

Remrichting

:

 

Remkrachtverdeling [%]

:

 

Type opspaninrichting

:

 

Identificatiecode remschijf of remtrommel

:

 

Identificatiecode wrijvingsmateriaal

:

 

Nominale wielbelasting [kg]

:

 

Testwielbelasting (of toegepaste wielbelasting) [kg]

:

 

Dynamische rolstraal van de band [mm]

:

 

Effectieve straal van de rem [mm]

:

 

Nominale traagheid van de rem [kgm2]

:

 

Traagheid van de remtest (of toegepaste traagheid) [kgm2]

:

 

Buitendiameter schijf/trommel [mm]

:

 

Massa schijf [kg]

:

 

Verhouding WLn-f / DM [--]

:

 

Aantal zuigers per zijde

:

 

Gemiddelde (of hydraulische) zuigerdiameter [mm]

:

 

Montagestand van de remklauw

:

 

Aanhaalkoppel bout remklauw op opspaninrichting [Nm]

:

 

Aanhaalkoppel bout remschijf of remtrommel op naaf [Nm]

:

 

Efficiëntie van de remklauw of remtrommel [%]

:

 


Identificatienummer(s) van de familie:

Fabrikant:


 

 

 

Drempeldruk [kPa]

:

 

Werkelijke waarde van de run-out van de rem [μm]

:

 

Controle op lekken in het systeem

 

Gemiddelde luchtstroom voldoet aan de voorschriften van dit reglement

:

 


Remdynamometer en automatiseringssysteem

 

Meetapparatuur voldoet aan de voorschriften van punt 7 van bijlage 4 bij dit reglement

:

 


Ontwerp van de remruimte

 

Reynoldsgetal bij de ingang van de ruimte [--]

:

 

De luchtsnelheid op elke positie van vlak C die wordt gebruikt voor het controleren van de uniformiteit van de snelheid, varieert met niet meer dan ± 35 % van het rekenkundig gemiddelde van alle metingen voor de minimale operationele luchtstroom van de opstelling

:

 

De luchtsnelheid op elke positie van vlak C die wordt gebruikt voor het controleren van de uniformiteit van de snelheid, varieert met niet meer dan ± 20 % van het rekenkundig gemiddelde van alle metingen voor de maximale operationele luchtstroom van de opstelling

:

 

Het ontwerp van de remruimte voldoet aan de specificaties van punt 7.4.2. a), i), van bijlage 4 bij dit reglement

:

 


Remcombinatie

 

Er is voldaan aan de testvoorwaarden van punt 8 van bijlage 4 bij dit reglement

:

 

Remrotatie

:

 

De geteste remschijf of remtrommel

draait in de afvoerrichting

:

 


Identificatienummer(s) van de familie:

Fabrikant:


Begintemperatuur:

 

Er is voldaan aan de testvoorschriften

:

 


Onderbrekingen van de WLTP-remcyclus

 

Voorvallen

:

 

Alle nodige maatregelen zijn genomen volgens de specificaties van de punten

9.3.1. tot en met 9.3.3 van bijlage 4 bij dit reglement

:

 


Gemiddelde koellucht

 

 

Onderdeel

Aanpassing van de koeling

Inlopen

Meting van de emissies

Cyclus

[--]

1.

1...5

1.

Gemiddelde koelluchttemperatuur 1)

[°C]

 

 

 

Momentane overschrijdingen 1)

[%]

 

 

 

Gemiddelde relatieve vochtigheid koellucht 1)

[%]

 

 

 

Momentane overschrijdingen 1)

[%]

 

 

 

Gemiddelde specifieke vochtigheid koellucht 1)

[mg H20/g]

(droge lucht)

 

 

 

1)

Het bewijs dat aan alle specificaties van dit reglement is voldaan, wordt geverifieerd


Identificatienummer(s) van de familie:

Fabrikant:


Koelluchtstroom

 

 

Onderdeel

Aanpassing van de koeling

Inlopen

Meting van de emissies

Cyclus

[--]

1

1...5

1

Nominale (of ingestelde) luchtstroom 1)

[m3/h]

 

 

 

Gemiddelde luchtstroom 1)

[m3/h]

 

 

 

Verschil met de nominale luchtstroom 1)

[%]

 

 

 

Gemiddelde genormaliseerde luchtstroom 1)

[Nm3/h]

 

 

 

Momentane overschrijdingen van de luchtstroom 1)

[%]

 

--

 

1)

Het bewijs dat aan alle specificaties van dit reglement is voldaan, wordt geverifieerd


Snelheidsoverschrijdingen

 

 

Onderdeel

Aanpassing van de koeling

Inlopen

Meting van de emissies

Cyclus

[--]

1

1...5

1

Snelheidsoverschrijdingen 1)

[%]

 

 

 

1)

Het bewijs dat aan alle specificaties van dit reglement is voldaan, wordt geverifieerd


Identificatienummer(s) van de familie:

Fabrikant:


Aantal vertragingen

 

Telling aan de hand van de “duur van de stilstand”

:

 

Telling aan de hand van de “vertragingsfactor”

:

 


Kinetische energiedissipatie

 

 

Onderdeel

Aanpassing van de koeling

Inlopen

Meting van de emissies

Cyclus

[--]

1

1...5

1

wf 1)

[J/kg]

 

 

 

Afwijking van de nominale waarde 1)

[%]

 

 

 

1)

Het bewijs dat aan alle specificaties van dit reglement is voldaan, wordt geverifieerd


Identificatienummer(s) van de familie:

Fabrikant:


Nominaal voorwiel

verhouding belasting/massa schijf of trommel [--]

:

 


Aanpassing van de koelluchtstroom

 

Remtemperaturen gedurende rit #10

ABT — Gemeten waarde [°C]

:

 

ABT — Verschil met de doelwaarde [°C]

:

 

IBT — Gemeten waarde [°C]

:

 

IBT — Verschil met de doelwaarde [°C]

:

 

FBT — Gemeten waarde [°C]

:

 

FBT — Verschil met de doelwaarde [°C]

:

 


Definitie van de nominale (ingestelde) koelluchtstroom voor de specifieke rem

 

FBT — Verschil met de doelwaarde [°C]

:

 


Inlooponderdeel

 

Er is voldaan aan de voorschriften van punt 11 van bijlage 4 bij dit reglement

:

 


PM-bemonsteringsstroom

 

 

PM2,5

PM10

Nominale stroom [l/min]

:

 

 

Genormaliseerde gemeten stroom [Nl/min]

:

 

 

Isokinetische verhouding [--]

:

 

 

De PM-bemonsteringsstroom voor de isokinetische verhouding voldoet aan de specificaties van punt 12.1.2.3, a) tot en met i), van bijlage 4 bij dit reglement

:

 


Identificatienummer(s) van de familie:

Fabrikant:


PN-bemonsteringsstroom

 

 

 

SPN10

Genormaliseerde gemeten stroom [Nl/min]

:

 

 

Isokinetische verhouding [--]

:

 

 

De bemonsteringsstroom voor de isokinetische verhouding voldoet aan de specificaties van punt 12.2.3.2, a) tot en met h), van bijlage 4 bij dit reglement

:

 


PM/PN-bemonstering

 

Er is voldaan aan de voorschriften van punt 12 van bijlage 4 bij dit reglement

:

 

Opzet van de bemonstering

:

 


Weegprocedure

 

1e emissiemeting

PM2,5

PM10

Gecorrigeerd filtergewicht vóór bemonstering [μg]

:

 

 

Gecorrigeerd filtergewicht na bemonstering [μg]

:

 

 


2e emissiemeting

PM2,5

PM10

Gecorrigeerd filtergewicht vóór bemonstering [μg]

:

 

 

Gecorrigeerd filtergewicht na bemonstering [μg]

:

 

 


3e emissiemeting

PM2,5

PM10

Gecorrigeerd filtergewicht vóór bemonstering [μg]

:

 

 

Gecorrigeerd filtergewicht na bemonstering [μg]

:

 

 


Identificatienummer(s) van de familie:

Fabrikant:


Gemiddelde van de 1e tot en met de 3e emissiemeting

PM2,5

PM10

Gecorrigeerd filtergewicht vóór bemonstering [μg]

:

 

 

Gecorrigeerd filtergewicht na bemonstering [μg]

:

 

 

 

Uiteindelijke filterbelasting [μg]

:

 

 

 

Berekening van de PM-emissiefactor

 

1e emissiemeting

PM2,5

PM10

Referentie-emissiefactor [mg/km]

:

 

 

 

2e emissiemeting

PM2,5

PM10

Referentie-emissiefactor [mg/km]

:

 

 

 

3e emissiemeting

PM2,5

PM10

Referentie-emissiefactor [mg/km]

:

 

 

 

Definitieve emissiefactor [mg/km]

:

 

 


PN-emissiefactor

 

1e emissiemeting

 

SPN10

Referentie-emissiefactor [#/km]

:

 

 

 

2e emissiemeting

 

SPN10

Referentie-emissiefactor [#/km]

:

 

 


Identificatienummer(s) van de familie:

 

 

 

Fabrikant:

 

 

 

 

3e emissiemeting

 

SPN10

Referentie-emissiefactor [#/km]

:

 

 

 

Definitieve EFref [#/km]

:

 

 

De emissies in [#/Ncm3] liggen binnen het gespecificeerde meetbereik van de PNC-voorziening

:

 

 


Meting van massaverlies

 

Massa van de schijf/trommel vóór de test [mg]

:

 

Massa van het wrijvingsmateriaal vóór de test [mg]

:

 

Massa van de schijf/trommel na de test [mg]

:

 

Massa van het wrijvingsmateriaal na de test [mg]

:

 

Totaal massaverlies [mg]

:

 

Totale gereden afstand [km]

:

 

Emissiefactor gewichtsverlies [mg/km]

:

 


Kalibratievoorschriften

 

Er is voldaan aan de kalibratievoorschriften van punt 14 van bijlage 4 bij dit reglement

:

 

Conclusie

Volgnummer

E-mail

Telefoon

Fax

Einde van het testrapport

Bijlage 1 — Aanhangsel 2

Testrapport over de individuele coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem (c-factor) (eventueel herhalen voor elke afzonderlijke meting)

Rapport ⑥ in figuur A1/1 van dit reglement.

Testrapport nr.:

Identificatiecode rapport over de coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem:

Fabrikant:

Testrapport van de individuele coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem (c-factor)

VN-Reglement nr. 179

Laatstelijk gewijzigd door:


Aanvrager

:

 

Fabrikant

:

 

Onderwerp

:

Bepaling van c-factoren overeenkomstig VN-Reglement bijlage 5

Identificatiecode rapport over de wrijvingsremcoëfficiënt

:

 


Getest object

 

Merk voertuig

:

 

Identificatiecode interpolatiefamilie

:

 


Inlichtingenformulier

 

Nr.

:

 

Datum van afgifte

:

 

Datum laatste wijziging

:

 


Algemeen

 

Prototypenummer

:

 

VIN

:

 

Categorie

:

 

Carrosserie

:

 

Aangedreven wielen

:

 


Wrijvingsrem

(Voor elke as worden de onderstaande punten herhaald)

 

Type remsysteemcombinatie (voor/achter)

:

 

Schijf of trommel (voor/achter)

:

 

Merk van de schijf (schijven)/trommel(s) (voor/achter)

:

 

Type schijf/schijven/trommel(s) (voor/achter)

:

 

Type remklauw(en) (voor/achter)

:

 

Constructie van de remklauw(en) (voor/achter)

:

 

Merk van de remklauw(en) (voor/achter)

:

 

Type intrekkingselementen (voor/achter)

:

 

Type remblok(ken) of remschoen(en) (voor/achter)

:

 

Merk van het (de) remblok(ken) of de remschoen(en) (voor/achter)

:

 


Structuur van de aandrijflijn

 

Voertuigelektrificatietype

:

 


Verbrandingsmotor

(indien van toepassing)

 

Merk

:

 

Soort

:

 

Werkingsprincipe

:

 

Aantal en opstelling van de cilinders

:

 

Cilinderinhoud (cm3)

:

 

Nominaal motorvermogen

:

 

[kW] bij

 

omw./min.

Nettomaximumkoppel

:

 

[Nm] bij

 

omw./min.


Regeleenheid

 

Verwijzing onderdeel

(zoals op het inlichtingenformulier)

:

 

Geteste software

(lezen via scanner, bijvoorbeeld)

:

 

Software

(status van gegevens)

:

 


Transmissie

 

Versnellingsbak

:

 

Modus met laagste recuperatie

(normaal / rijden / eco / … / …)

:

 

Verwijzing onderdeel

(zoals op het inlichtingenformulier)

:

 

Geteste software

(lezen via scanner, bijvoorbeeld)

:

 

Software

(status van gegevens)

:

 


Banden

 

Merk

:

 

Soort

:

 

Afmeting voor/achter

:

 

Dynamische omtrek van de voorband [m]

:

 

Bandenspanning voor/achter (kPa)

:

 


Elektrische machine

(indien van toepassing)

 

Merk

:

 

Soort

:

 

Piekvermogen (kW)

:

 


Tractie-REESS

(indien van toepassing)

 

Merk

:

 

Soort

:

 

Capaciteit [Ah]

:

 

Nominale spanning [V]

:

 


Brandstofcel

(indien van toepassing)

 

Merk

:

 

Soort

:

 

Maximumvermogen [kW]

:

 

Nominale spanning [V]

:

 


Vermogenselektronica

(indien van toepassing)

 

Aandrijvingsomzetter

Merk/type

:

 

Vermogen [kW]

:

 

Laagspanningssysteem

Merk/type

:

 

Vermogen [kW]

:

 


Batterijmanagementsysteem

(indien van toepassing)

 

Merk

:

 

Soort

:

 

Verwijzing onderdeel

(zoals op het inlichtingenformulier)

:

 

Geteste software

(lezen via scanner, bijvoorbeeld)

:

 

Software

(status van gegevens)

:

 


Beschrijving van het voertuig

 

Testmassa [kg]

:

 

MRO [kg]

:

 

f0 [N]

:

 

f1 [N/(km/h)]

:

 

f2 [N/(km/h)2]

:

 


Beschrijving van de test

 

Cyclus

:

 

Afstelmethode chassisdynamometer

:

 

Dynamometer in 4WD-modus

:

 

Bedrijfsmodus van de dynamometer

:

 

Uitrolmodus

:

 

Methode voor het bepalen van het wrijvingsremkoppel

:

 

Pthreshold voor/achter [kPa]

(indien van toepassing)

:

 

Cp,b voor/achter [Nm/kPa]

(indien van toepassing)

:

 

Oplaadniveau begin en einde tractie-REESS [%]

:

 

Datum van de tests

(dd.mm.jjjj)

:

 

Plaats van de tests

(chassisdynamometer, locatie, land)

:

 

Hoogte van de onderrand van de koelventilator boven de grond [cm]

:

 

Laterale positie van het middelpunt van de ventilator

(indien gewijzigd op verzoek van de fabrikant)

:

 

Afstand van de voorkant van het voertuig [cm]

:

 

IWR: rating van de inertiearbeid [%]

:

 

RMSSE: wortel van de gemiddelde gekwadrateerde snelheidsfout [km/h]

:

 

IPDW: inertiearbeid van het vermogensverschil [J/kg]

:

 

IPDR: rating van het inertievermogensverschil [%]

:

 


Testresultaten

 

Nummer test

 

 

Remmen b

Links vooraan

Rechts vooraan

Links achteraan

Rechts achteraan

Gecombineerd

Wbrake, b [J]

 

 

 

 

 

Wref [J]

--

 

Coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem

--

 

Opgegeven coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem

--

 


 

Testrapport nr.

 

Volgnummer

E-mail

Telefoon

Fax

Einde van het testrapport

Bijlage 1 — Aanhangsel 3

Demonstratierapport van de conformiteit van het voertuigtype

Rapport ⑧ in figuur A1/1 van dit reglement.

Voertuigtype:

 

-

Revisie/correctie

:

00

Fabrikant:

 

-

 

 

 

Demonstratierapport van de conformiteit van het voertuigtype

Overeenkomst betreffende het aannemen van eenvormige technische voorschriften die van toepassing zijn op voertuigen op wielen, uitrustingsstukken en onderdelen die in een voertuig op wielen kunnen worden gemonteerd of gebruikt en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van overeenkomstig deze voorschriften verleende goedkeuringen

Rapport

:

 

 

 

 

Aanvrager

:

 

 

 

 

Fabrikant

:

 

 

 

 

Onderwerp

:

Bepaling van de coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem en rememissies

 

 

 

Identificatiecode(s) remhoekemissiefamilie

:

 

Identificatiecode(s) testrapport c-factor

:

 

 

 

 

Getest object

 

 

 

Merk

:

 

 

IP-identificatienummer

:

 

 

Emissieklasse

:

 

-

Familierapport

 

 

X

Verlening typegoedkeuring nr.

 

 

-

Uitbreiding van typegoedkeuring nr.

:

 

-

Correctie van typegoedkeuring nr.

:

 

-

Revisie van typegoedkeuring nr.

:

 

Conclusie

Het geteste object voldoet aan de in het onderwerp genoemde voorschriften.


Voertuigtype:

 

-

Revisie/correctie

:

00

Fabrikant:

 

-

 

 

 

Lijst van wijzigingen

 

 

 

 

 


Wijziging nr.

Datum van wijziging

Gewijzigd door

Reden van wijziging/correctie

00

DD.MM.JJJJ

Voornaam achternaam

Eerste versie

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


0

Algemeen

 

 

 

 

 

 

0.1

Merk (handelsnaam van de fabrikant)

:

-

 

 

 

 

0.2

Soort

:

-

 

 

 

 

0.3

Handelsbenaming(en)

:

-

 

 

 

 

0.4

Naam en adres van de fabrikant:

:

-

 

 

 

 

0.4.1

Naam en adres van de vertegenwoordiger

:

-

 

 

 

 

0.4.2

Naam en adres van de assemblagefabrieken

:

-

 

 

 

 

0.5

Inlichtingenformulier

 

 

 

 

 

 

 

Nr.

:

-

 

 

 

 

 

Datum van afgifte

:

-

 

 

 

 

 

Datum laatste wijziging

:

-

 

 

 

 

0.6

Aanvullende gegevens

:

 


Voertuigtype:

 

Revisie/correctie

:

00

Fabrikant:

 

 

 

 

1.

Beschrijving van het (de) geteste object(en)

1.1.

Remcombinatie

1.1.1.

Voorasrem

Remhoekemissiefamilie

:

 

 

Testrapport van de remhoekemissie

:

1.1.2.

Achterasrem

Remhoekemissiefamilie

:

 

 

Testrapport van de remhoekemissie

:

1.2.

Coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem (voor elke test worden de onderstaande punten herhaald)

Geteste voertuigen (voorbeeld voor het invullen van de tabel is hieronder opgenomen. Vervangen door echte gegevens alvorens in te dienen)

Interpolatiefamilie

Identificatiecode testrapport c-factor

C-factor

IP1

Identificatiecode 1 van het testrapport

 

 

 

 

IP3, IP4, IP5

Identificatiecode 2 van het testrapport

 

 

 

 

Voertuigtype:

 

Revisie/correctie

:

00

Fabrikant:

 

 

 

 

2.

Testresultaten

2.2.

Coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem (voorbeeld voor het invullen van de tabel is hieronder opgenomen. Vervangen door echte gegevens alvorens in te dienen)

Interpolatiefamilie

Vast/opgegeven

C-factor

IP1

Opgegeven

 

IP 2

Vast

 

IP3, IP4, IP5

Opgegeven

 

 

 

 

2.2.

Remcombinatie

2.2.1.

Algemene informatie

As

Testidentificatienummer

Testbank

Datum

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Interpolatiefamilie

Wielbelasting — voor [kg]

c * wielbelasting — voor [kg]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Interpolatiefamilie

Wielbelasting — achter [kg]

c * wielbelasting — achter [kg]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Voertuigtype:

 

Revisie/correctie

:

00

Fabrikant:

 

 

 

 

2.2.2.

Eindresultaten — Voor

Interpolatiefamilie

PM10 rem [mg/km]

PM10 as [mg/km]

c*PMAxle [mg/km]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

2.2.3.

Eindresultaten — Achter

Interpolatiefamilie

PM10 rem [mg/km]

PM10 as [mg/km]

c*PMAxle [mg/km]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

2.2.4.

Eindresultaten — Gehele voertuig

Interpolatiefamilie

PM10 totaal [mg/km]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

2.3.

Opmerkingen

Voertuigtype:

 

-

Revisie/correctie

:

00

Fabrikant:

 

-

 

 

 

3.

Conformiteitsverklaring

Dit testrapport is alleen geldig voor het beschreven testmonster. Het voor dit type representatieve testmonster — voldoet — aan de voorschriften van bovengenoemde testspecificatie met betrekking tot de gedocumenteerde testmethode.

Dit rapport bevat de bladzijden 1 tot en met X en is goedgekeurd door de ondertekenaar.

Duplicatie en publicatie in uittreksels van het testrapport is alleen toegestaan met schriftelijke toestemming van het testlaboratorium.

Het XXXX Automobil Test Center is een testlaboratorium dat door YYYY is geaccrediteerd overeenkomstig DIN EN ISO/IEC 17025. De accreditatie is alleen geldig voor het in de gedocumenteerde bijlage XXXX-01-00 vermelde toepassingsgebied van de accreditatie.

Plaats,

Datum

Titel, voornaam, achternaam

Specialist

Tel.: XXXXXXXXXXXX – Fax: XXXXXXXXXXXXX – e-mail: voornaam.achternaam@XXXXX.com

Einde van het testrapport


BIJLAGE 2

Communicatie

(Maximumformaat: A4 (210 x 297 mm)

Image 5

 (1)

afgegeven door:

(naam van de instantie)

(1)  Nummer van het land dat de goedkeuring heeft verleend/uitgebreid/geweigerd/ingetrokken (zie de goedkeuringsbepalingen van het reglement).


betreffende (2):

goedkeuring

uitbreiding van de goedkeuring

weigering van de goedkeuring

intrekking van de goedkeuring

definitieve stopzetting van de productie

(2)  Doorhalen wat niet van toepassing is.

van de bepaling van de rememissies.

Goedkeuring nr. …

Uitbreiding nr.: …

1.   

Naam of handelsmerk(en) van de fabrikant: …

2.   

Typeaanduiding van de fabrikant:

3.   

Naam en adres van de fabrikant: …

4.   

Eventueel naam en adres van de vertegenwoordiger van de fabrikant: …

5.   

Korte beschrijving: …


(1)  Nummer van het land dat de goedkeuring heeft verleend/uitgebreid/geweigerd/ingetrokken (zie de goedkeuringsbepalingen van het reglement).

(2)  Doorhalen wat niet van toepassing is.


BIJLAGE 3

Opstelling van het goedkeuringsmerk

In het overeenkomstig punt 7 van dit reglement afgegeven en op een voertuig aangebrachte goedkeuringsmerk moet het typegoedkeuringsnummer vergezeld gaan van een alfanumeriek teken dat aangeeft tot welk niveau de goedkeuring is beperkt.

In deze bijlage wordt beschreven hoe dat merk eruitziet en hoe het wordt samengesteld.

De volgende schematische voorstelling toont de algemene lay-out, de verhoudingen en de inhoud van de merktekens. De betekenis van de cijfers en letters wordt gegeven en er wordt verwezen naar bronnen om de alternatieven voor elke goedkeuring te bepalen.

Nummer van het land (1)

Image 6

a = min. 8 mm

De volgende afbeelding is een praktisch voorbeeld van hoe het opschrift moet worden samengesteld.

Image 7


(1)  Nummer van het land dat de goedkeuring heeft verleend/uitgebreid/geweigerd/ingetrokken (zie de goedkeuringsbepalingen van het reglement).


BIJLAGE 4

Rememissietestprocedure

1.   

Inleiding

In deze bijlage wordt de procedure beschreven voor het uitvoeren van rememissietests zoals beschreven in de punten 7 en 8 van dit reglement.

Alle verwijzingen in deze bijlage naar andere punten worden beschouwd als verwijzingen naar punten in deze bijlage, tenzij anders vermeld, bijvoorbeeld “punt x. van dit reglement” of “punt x van bijlage x/aanhangsel x”.

2. - 6.   

Voorbehouden

7.   

Voorschriften voor het testsysteem

7.1.   

Algemene opzet van het testsysteem

In dit reglement wordt een standaardtestmethode met behulp van een dynamometer vastgesteld voor herhaalbare en reproduceerbare metingen van deeltjesemissies van remmen. Het technische systeem voor het uitvoeren van rememissietests vereist een systeembenadering. De uitvoering van een geldige rememissietest vereist een robuuste integratie van verschillende subsystemen om ervoor te zorgen dat de rijcyclus, de koellucht, de regeling van de dynamometer, de remruimte, de bemonsteringstunnel, de aerosolbemonsteringssystemen en de gegevensverzameling in hun geheel voldoen aan de voorschriften van dit reglement.

Figuur A4/1 bevat twee indicatieve opzetten die de minimaal vereiste subsystemen omvatten om een rememissietest uit te voeren met behulp van een remdynamometer. De geïllustreerde opzetten bevatten een klimaatregelingseenheid met een of meer ventilatoren met variabele luchtstroom die de opstelling van geconditioneerde lucht voorzien. De geconditioneerde lucht komt een remruimte binnen die is ontworpen voor de combinatie van de gehele te testen rem. De remdynamometer maakt het mogelijk de rem te testen en regelt deze procedure. De ruimte wordt rechtstreeks verbonden met de bemonsteringstunnel aan het einde waarvan drie of vier bemonsteringssondes worden gemonteerd. De bemonsteringssondes worden gebruikt om de aerosol uit de tunnel te halen en in de richting van de PM- en PN-meetopstelling te leiden. In de tunnel wordt voorbij het bemonsteringsvlak een stromingsmeter geïnstalleerd. De plaatsing en afmetingen van de verschillende elementen zijn indicatief en dienen ter illustratie; daarom is exacte overeenstemming met figuur A4/1 niet vereist.

Figuur A4/1

Indicatieve opzet voor de uitvoering van de rememissietest in het laboratorium a) zonder bocht voorbij de ruimte en b) met één bocht van 90 °C voorbij de ruimte

Image 8

Opmerking:

a) In de opzet is de bemonsteringstunnel rechtstreeks op de remruimte aangesloten en voorzien van vier bemonsteringssondes. De remdynamometer is niet afgebeeld, maar alleen aangegeven (grijze zone) — figuur A4/2 bevat een grafische voorstelling van de remdynamometer.

Image 9

Opmerking:

b) De opzet heeft een bocht voorbij de ruimte en vóór het bemonsteringsvlak en is voorzien van vier bemonsteringssondes. De remdynamometer is niet afgebeeld, maar alleen aangegeven (grijze zone) — figuur A4/2 bevat een grafische voorstelling van de remdynamometer.

Er zijn verschillende aanvaarde configuraties voor de opzet van de subsystemen voor de luchtbehandeling en -beheersing. Alle ontwerpen kunnen gebruikmaken van dezelfde (niet afgebeelde) remdynamometer, besturingssoftware, gegevensverwerving en remhouder. De testfaciliteit zorgt er echter voor dat alle configuraties ten minste de in tabel A4/1 vermelde subsystemen en kenmerken omvatten. Nadere bijzonderheden over de verschillende elementen van de opstelling zijn te vinden in de overeenkomstige punten van dit reglement, zoals aangegeven in tabel A4/1.

Tabel A4/1

Subsystemen en kenmerken die vereist zijn voor de opstelling voor rememissietests, zoals afgebeeld in figuur A4/1

Element

Subsysteem

1

Klimaatregelingseenheid met variabele luchtstroomaanjager(s), luchttemperatuur en luchtvochtigheidsregeling overeenkomstig punt 7.2.1.

2

Koelluchtfiltermedium overeenkomstig punt 7.2.2.1.

3

Koelluchttemperatuur- en vochtigheidssensoren die vóór de remruimte zijn geplaatst overeenkomstig de punten 7.2.1.1 en 7.2.1.2.

4

Remruimte overeenkomstig punt 7.4.

5

Remcombinatie die overeenkomstig punt 8.4.1 op de remdynamometer is aangesloten.

6

Remdynamometer (niet afgebeeld, maar alleen grijs aangegeven) overeenkomstig punt 7.3.

7

Bemonsteringstunnel overeenkomstig punt 7.5.

8

Bemonsteringsvlak met de bijbehorende PM- en PN-bemonsteringssondes overeenkomstig punt 7.6.

9

Instrumenten om PM-massa te verzamelen en PN-concentraties te meten overeenkomstig respectievelijk punt 12.1 en punt 12.2.

SPN10

Systemen om het signaal van SPN10 te controleren, te meten en als output te leveren overeenkomstig punt 12.2.

PM2,5, PM10

Systemen om de bemonsteringsstroom, het bemonsterde deeltjesmateriaal van de remmen op filters en de uitgangssignalen overeenkomstig punt 12.1 te regelen.

10

Luchtstroommeetelement dat overeenkomstig punt 7.2.3 voorbij het bemonsteringsvlak is geplaatst.

Symbool

Kenmerk

L 0

Lengte van het rechte kanaal voorbij de uitlaat van de ruimte. L0=L2 wanneer er geen bocht voorbij de ruimte en vóór het bemonsteringsvlak is

L 1

Minimumlengte van het rechte kanaal vóór de inlaat van de remruimte overeenkomstig punt 7.4.2.

L 2

Minimumlengte van het rechte kanaal vanaf de laatste verstoring vóór het bemonsteringsvlak tot het bemonsteringsvlak overeenkomstig punt 7.5.

L 3

Minimumlengte van het rechte kanaal vanaf het bemonsteringsvlak tot de volgende verstoring voorbij het bemonsteringsvlak overeenkomstig punt 7.5.

L 4

Minimumlengte van het rechte kanaal vanaf de laatste verstoring vóór het luchtstroommeetelement tot het luchtstroommeetelement overeenkomstig punt 7.2.3.

L 5

Minimumlengte van het rechte kanaal vanaf het luchtstroommeetelement tot de volgende storing voorbij het luchtstroommeetelement overeenkomstig punt 7.2.3.

S Q , S P , S T , S RH

Elektronische uitgangssignalen voor koelluchtstroom, -druk, -temperatuur en -vochtigheid overeenkomstig de punten 7.2.1 en 7.2.3.

d i

Binnendiameter referentiekanaal. Dit is dezelfde als de binnendiameter van de bemonsteringstunnel.

H s , H e

Punten die het begin (Hs) en het einde (He) van het verplichte horizontale deel in de opzet bepalen (in de stroomrichting) overeenkomstig punt 7.4.2.

7.2.   

Klimaatregelingseenheid en koellucht

De geconditioneerde koellucht a) zorgt voor schone en constante koeling van de remcombinatie en b) transporteert de aerosol van de ruimte naar de bemonsteringstunnel en de PM/PN-bemonsteringssondes. De koellucht moet zich in stabiele omstandigheden bevinden wat temperatuur en vochtigheid betreft overeenkomstig de specificaties van punt 7.2.1, moet schoon zijn met lage achtergrondconcentratiewaarden zoals gedefinieerd in punt 7.2.2, en constant stromen om te zorgen voor herhaalbare en reproduceerbare testomstandigheden overeenkomstig de specificaties van punt 7.2.3.

De geconditioneerde koellucht wordt door de klimaatregelingseenheid naar de testopstelling geleid. Een typische systeemconfiguratie kan koelapparaten om de lucht te koelen en te ontvochtigen, verwarmingsapparaten om de temperatuur van de lucht te verhogen en stoom- of waternevelgeneratoren om de vochtigheid in de lucht te verhogen omvatten. Integraal onderdeel van de eenheid zijn de gesloten, proportionele integrale afgeleide regelaars, alarmen en sensoren om de toestand van alle apparaten en interfaces te monitoren. Het systeem bestaat uit een variabele luchtstroomaanjager die de opzet over een breed scala van luchtstromen van geconditioneerde koellucht kan voorzien. Het systeem wordt gedefinieerd aan de hand van zijn minimale en maximale operationele stromen. De volgende specificaties zijn van toepassing op de minimale en maximale operationele stromen:

a)

de minimale operationele stroom ligt tussen 100 en 300 m3/h;

b)

de maximale operationele stroom bedraagt ten minste vijf maal de minimale operationele stroom;

c)

de maximale operationele stroom is ten minste 1 000 m3/h groter dan de minimale operationele stroom.

In het systeem mogen ook twee variabele aanjagers worden gecombineerd (één om te duwen en één om te trekken) om een licht negatieve druk in de bemonsteringstunnel tot stand te brengen. De bediening van de klimaatregelingseenheid kan de bediener en de dynamometer de nodige interfaces bieden.

7.2.1.   

Koelluchtconditionering

De testfaciliteit moet de temperatuur en vochtigheid van de geconditioneerde koellucht voortdurend monitoren en regelen. Daartoe installeert de testfaciliteit vóór de remruimte temperatuur- en vochtigheidssensoren. Door de sensoren vóór de remruimte te plaatsen, wordt voorkomen dat de feedbacksignalen worden beïnvloed door de thermische belasting die afkomstig is van de remgebeurtenissen. Figuur A4/1 toont een indicatieve positie voor de temperatuur- en luchtvochtigheidssensoren (element 3).

De temperatuursensor heeft een nauwkeurigheid van ± 1 °C. De sensor die wordt gebruikt voor het meten van de specifieke en de relatieve vochtigheid heeft een nauwkeurigheid van ± 5 % van de nominale waarde (d.w.z. 50 %). De testfaciliteit gebruikt de signalen van deze sensoren om de stabiliteit van de temperatuur en vochtigheid van de koellucht te beoordelen. Tabel A4/2 geeft een overzicht van de voorschriften voor de temperatuur, vochtigheid en stroming van de koellucht.

Tabel A4/2

Samenvatting van de voorschriften voor de temperatuur, relatieve vochtigheid en luchtstroom van de koellucht

Parameter

Temperatuur

koellucht

Temperatuur

relatieve vochtigheid

Koel-

luchtstroom

Nominale waarde

23 °C

50 %

Ingestelde waarde (Qset) overeenkomstig punt 10

Gemiddelde waarde: Maximaal toelaatbare tolerantie

± 2 °C (21 °≤ T ≤ 25 °C)

± 5 % (45 % ≤ RV ≤ 55 %)

± 5 % van Qset

Momentane waarden (1 Hz): Maximaal toelaatbare tolerantie

± 5 °C (18 °≤ T ≤ 28 °C)

± 30 % (20 % ≤ RV ≤ 80 %)

± 5 % van Qset

Momentane waarden (1 Hz): Toelaatbare afwijking van de maximaal toelaatbare tolerantie

Niet gedefinieerd

Niet gedefinieerd

± 10 % van Qset

Momentane waarden (1 Hz): Maximale duur van overschrijding van de maximaal toelaatbare tolerantie

10 % van de duur van elk testonderdeel

10 % van de duur van elk testonderdeel

5 % van de duur van elk testonderdeel

7.2.1.1.   

Koelluchttemperatuur

De koelluchttemperatuur op het meetpunt moet constant zijn zoals hieronder gedefinieerd. De testfaciliteit voert de volgende stappen uit:

a)

de koelluchttemperatuur instellen op 23 °C. De gemiddelde koelluchttemperatuur mag niet meer dan ± 2 °C afwijken van de ingestelde (nominale) waarde (d.w.z. 21 °C ≤ T ≤ 25 °C). De testfaciliteiten streven ernaar de temperatuur zo dicht mogelijk bij de nominale waarde van 23 °C te houden;

b)

de in a) van dit punt gedefinieerde voorschriften inzake de gemiddelde koelluchttemperatuur zijn van toepassing op alle onderdelen van de rememissietest, met inbegrip van de aanpassing van de koellucht, de inloopprocedure en de emissiemeting (met uitzondering van de afkoelingsonderdelen);

c)

de gemiddelde koelluchttemperatuur in alle onderdelen berekenen en rapporteren zoals gedefinieerd in tabel A4/14;

d)

de momentane koelluchttemperatuur mag niet meer dan ± 5 °C afwijken van de nominale waarde (d.w.z. 18 °C ≤ T ≤ 28 °C). Als de momentane koelluchttemperatuur meer dan ± 5 °C afwijkt van de nominale waarde, zorgt de testfaciliteit ervoor dat aan de bepalingen van e) van dit punt wordt voldaan;

e)

de momentane koelluchttemperatuur mag niet langer dan 10 % van de duur van de test (met uitzondering van de afkoelingsonderdelen) met meer dan ± 5 °C afwijken van de nominale waarde (T < 18 °C of T > 28 °C), waarbij de gemiddelde temperatuur moet voldoen aan de voorschriften van a) van dit punt:

i)

het totale aantal momentane afgelezen temperatuurwaarden van de koellucht (1 Hz) van minder dan 18 °C of meer dan 28 °C moet tijdens het koelingaanpassingsonderdeel minder dan 527 bedragen;

ii)

het totale aantal momentane afgelezen temperatuurwaarden van de koellucht (1 Hz) van minder dan 18 °C of meer dan 28 °C moet voor elke WLTP-remcyclus van het inlooponderdeel minder dan 1 583 bedragen;

iii)

het totale aantal momentane afgelezen temperatuurwaarden van de koellucht (1 Hz) van minder dan 18 °C of meer dan 28 °C moet voor elke WLTP-remcyclus van het emissiemeetonderdeel (met uitzondering van de afkoelingsonderdelen) minder dan 1 583 bedragen;

f)

als het gemiddelde van de momentane koelluchttemperatuur buiten de in dit punt gespecificeerde grenswaarden valt, is de test ongeldig.

7.2.1.2.   

Vochtigheid van de koellucht

De relatieve vochtigheid van de koellucht is constant zoals hieronder gedefinieerd. De testfaciliteit voert de volgende stappen uit:

a)

de relatieve vochtigheid van de koellucht instellen op een nominale waarde van 50 %. De gemiddelde vochtigheid van de koellucht mag niet meer dan ± 5 % afwijken van de nominale waarde (d.w.z. 45 % ≤ RV ≤ 55 %). De testfaciliteiten streven ernaar de relatieve vochtigheid zo dicht mogelijk bij de doelwaarde van 50 °C te houden;

b)

de in a) van dit punt gedefinieerde voorschriften inzake de gemiddelde relatieve vochtigheid van de koellucht zijn van toepassing op alle onderdelen van de rememissietest, met inbegrip van de aanpassing van de koellucht, de inloopprocedure en de emissiemeting (met uitzondering van de afkoelingsonderdelen);

c)

de gemiddelde relatieve vochtigheid van de koellucht in alle onderdelen berekenen en rapporteren zoals gedefinieerd in tabel A4/14;

d)

de momentane relatieve vochtigheid van de koellucht mag niet meer dan ± 30 % afwijken van de nominale waarde (d.w.z. 20 % ≤ RV ≤ 80 %). Als de momentane relatieve vochtigheid van de koellucht meer dan ± 30 % afwijkt van de nominale waarde, zorgt de testfaciliteit ervoor dat aan de bepalingen van e) van dit punt wordt voldaan;

e)

de momentane relatieve vochtigheid van de koellucht mag niet langer dan 10 % van de duur van de test (met uitzondering van de afkoelingsonderdelen) met meer dan ± 30 % afwijken van de nominale waarde (RV < 20 % of RV > 80 %), mits de gemiddelde relatieve vochtigheid voldoet aan de voorschriften van a) van dit punt:

i)

het totale aantal momentane afgelezen waarden van de relatieve vochtigheid van de koellucht (1 Hz) met een waarde van minder dan 20 % RV of meer dan 80 % RV moet tijdens het koelingaanpassingsonderdeel minder dan 527 bedragen;

ii)

het totale aantal momentane afgelezen waarden van de relatieve vochtigheid van de koellucht (1 Hz) met een waarde van minder dan 20 % RV of meer dan 80 % RV moet voor elke WLTP-remcyclus van het inlooponderdeel minder dan 1 583 bedragen;

iii)

het totale aantal momentane afgelezen waarden van de relatieve vochtigheid van de koellucht (1 Hz) met een waarde van minder dan 20 % RV of meer dan 80 % RV moet voor de WLTP-remcyclus van het emissiemeetonderdeel (met uitzondering van de afkoelingsonderdelen) minder dan 1 583 bedragen;

f)

als het gemiddelde van de momentane relatieve vochtigheid buiten de in dit punt gespecificeerde van tevoren bepaalde grenswaarden valt, is de test ongeldig;

g)

naast de specificaties voor de relatieve vochtigheid zorgt de testfaciliteit ervoor dat de gemiddelde specifieke vochtigheid van de koellucht gedurende de gehele rememissietest (met uitzondering van de afkoelingsonderdelen tijdens de emissiemeting) tussen 6 g H2O/kg en 11 g H2O/kg droge lucht wordt gehouden.

Als de gemiddelde specifieke vochtigheid buiten de in dit punt gespecificeerde grenswaarden valt, is de test ongeldig.

7.2.2.   

Zuivering van koellucht

7.2.2.1.   

Koelluchtfiltering

De koellucht die het testsysteem binnenkomt, gaat door een medium dat ten minste 99,95 % van de deeltjes van de grootte met de hoogste doorlatingsgraad van het filtermateriaal kan afvangen, of door een filter van ten minste klasse H13, zoals gespecificeerd in EN 1822. Elk ander type filter dat wordt gebruikt om vluchtige organische stoffen (houtskool, actieve kool of gelijkwaardig) te verwijderen, wordt vóór het H13-filter (of gelijkwaardig filter) geïnstalleerd. Figuur A4/1 toont een indicatieve positie voor het luchtfilter (element 2).

7.2.2.2.   

Verificatie van de deeltjesachtergrond

De deeltjesachtergrond in de algehele opzet wordt bepaald op basis van de PN-concentratie. De testfaciliteit meet de deeltjesachtergrond met dezelfde instrumenten die voor de PN-emissiemetingen worden gebruikt. Nadere gegevens over het PN-meetsysteem zijn te vinden in punt 12.2. De testfaciliteit meet en rapporteert SPN10-achtergrondconcentraties op twee niveaus: systeemniveau en rememissietestniveau.

7.2.2.2.1.   

Verificatie van de deeltjesachtergrond op systeemniveau

Het eerste niveau betreft de verificatie van de systeemachtergrond bij de installatie van de testopstelling, na elke grote onderhoudsbeurt of wanneer er aanwijzingen zijn voor een systeemstoring. De testfaciliteit doorloopt de volgende stappen voor een volledige achtergrondverificatie op systeemniveau:

a)

uitvoeren van de achtergrondverificatie zonder dat de remhouder of enige remonderdelen in de remruimte zijn geïnstalleerd;

b)

uitvoeren van de achtergrondverificatie met het SPN10-meetsysteem dat werkt bij de minimaal gekalibreerde PCRF-afstelling;

c)

beginnen met de achtergrondverificatie ten minste vijf minuten na stabilisatie van de koelluchtstroom tot de gemiddelde waarden van punt 7.2.3 voor de stabiliteit van de koelluchtstroom en tot de gemiddelde waarden van punt 7.2.1 voor de temperatuur en vochtigheid van de koellucht;

d)

uitvoeren van de achtergrondverificatie bij twee verschillende koelluchtstroominstellingen. De minimale en maximale operationele stroom van het systeem moeten worden toegepast. De testfaciliteit bemonstert SPN10 tijdens de systeemachtergrondverificatie. De testfaciliteit mag één mondstukgrootte gebruiken voor de bemonstering van SPN10 tijdens de systeemachtergrondverificatie wanneer verschillende luchtstroominstellingen worden toegepast;

e)

de achtergrondverificatieprocedure duurt zo lang als nodig is om de achtergrondconcentratie te laten stabiliseren. De achtergrondconcentratie wordt als stabiel beschouwd wanneer de gemiddelde, voor de PCRF gecorrigeerde PN-waarde, berekend als voortschrijdend gemiddelde over vijf minuten, onder het maximaal toelaatbare niveau van punt 7.2.2.2.3 blijft. Het voortschrijdend gemiddelde over vijf minuten wordt afgeleid van monsters van 1 seconde (1 Hz).

7.2.2.2.2.   

Verificatie van de deeltjesachtergrond op testniveau

Het tweede niveau betreft de achtergrondverificatie vóór en na de uitvoering van een rememissietest. De testfaciliteit voert de volgende stappen uit voor de verificatie vóór de test:

a)

uitvoeren van de regelmatige achtergrondverificatie vóór de test voorafgaand aan het inlooponderdeel met de remcombinatie gemonteerd. De schijf/trommel mag niet draaien en de blokken/schoenen mogen niet worden verstoord. Niet remmen tijdens de achtergrondverificatieprocedure (geen remdruk);

b)

uitvoeren van de verificatie vóór de test met de instelling van de koelluchtstroom die voor de desbetreffende rememissietest is gedefinieerd. Het SPN10-meetsysteem werkt bij de PCRF-instelling die is gekozen voor de rememissietest van de te testen rem;

c)

beginnen met de achtergrondverificatie vóór de test ten minste vijf minuten na stabilisatie van de koelluchtstroom tot de gemiddelde waarden van punt 7.2.3 voor de stabiliteit van de koelluchtstroom en tot de gemiddelde waarden van punt 7.2.1 voor de temperatuur en vochtigheid van de koellucht;

d)

uitvoeren van de achtergrondverificatie vóór de test zolang als nodig is om de achtergrondconcentratie te laten stabiliseren. De achtergrondconcentratie wordt als stabiel beschouwd wanneer de voor de PCRF gecorrigeerde PN-waarde, berekend als voortschrijdend gemiddelde over vijf minuten, onder het maximaal toelaatbare niveau van punt 7.2.2.2.3 blijft. Het voortschrijdend gemiddelde over vijf minuten wordt afgeleid van monsters van 1 seconde (1 Hz). Het PN-systeem mag niet worden uitgeschakeld na afloop van de verificatie vóór de test en vóór voltooiing van de verificatie na de test.

De testfaciliteit voert de volgende stappen uit voor de verificatie na de test:

e)

uitvoeren van de regelmatige achtergrondverificatie na de test vóór het spoelen van het PN-systeem en met de remcombinatie gemonteerd. De schijf/trommel mag niet draaien en de blokken/schoenen mogen niet worden verstoord. Er mag niet worden geremd tijdens de achtergrondverificatieprocedure (geen remdruk);

f)

uitvoeren van de verificatie na de test met de instelling van de koelluchtstroom die voor de desbetreffende rememissietest is gebruikt. Het SPN10-meetsysteem werkt bij de PCRF-instelling die is gekozen voor de rememissietest;

g)

beginnen met de achtergrondverificatie na de test meteen na de emissietest en met de koelluchtstroom gestabiliseerd tot de gemiddelde waarden van punt 7.2.3 voor de stabiliteit van de koelluchtstroom en tot de gemiddelde waarden van punt 7.2.1 voor de temperatuur en vochtigheid van de koellucht. Het PN-systeem mag niet worden uitgeschakeld na afloop van het emissiemeetonderdeel en vóór voltooiing van de verificatie na de test;

h)

de achtergrondverificatie na de test uitvoeren zolang als nodig is om de achtergrondconcentratie te laten stabiliseren. De achtergrondconcentratie wordt als stabiel beschouwd wanneer de voor de PCRF gecorrigeerde PN-waarde, berekend als voortschrijdend gemiddelde over vijf minuten, onder het maximaal toelaatbare niveau van punt 7.2.2.2.3 blijft. Het voortschrijdend gemiddelde over vijf minuten wordt afgeleid van monsters van 1 seconde (1 Hz).

7.2.2.2.3.   

Berekenen en rapporteren van de deeltjesachtergrondconcentratie

De achtergrond moet worden gemeten en gerapporteerd op SPN10-concentratiebasis onder standaardomstandigheden. De testfaciliteit past de volgende procedure toe:

a)

het nulpunt van de deeltjesaantalteller (PNC) verifiëren. Een filter met de juiste prestaties wordt toegepast op de inlaat van de PNC volgens de specificaties van de fabrikant van de apparatuur, en de PN-concentratie wordt genoteerd. De afgelezen waarde mag bij de inlaat van de PNC niet meer dan 0,2 #/cm3 bedragen. Bij verwijdering van het filter moet de PNC een toename van de gemeten concentratie aangeven en een terugkeer naar ≤ 0,2 #/cm3 bij vervanging van het filter. Het PN-meetapparaat mag geen fouten melden;

b)

de gemiddelde waarde van de SPN10-achtergrondconcentraties (SPN10b# ) meten op systeem- en testniveaus overeenkomstig de punten 7.2.2.2.1 en 7.2.2.2.2. De achtergrondwaarden in genormaliseerde deeltjesaantalconcentratie (#/Ncm3) worden genoteerd zoals gespecificeerd in tabel A4/14;

c)

de gemiddelde achtergrondconcentratie in de tunnel over vijf minuten mag de maximumgrens van 20 #/Ncm3 voor SPN10 niet overschrijden. De grenswaarde van 20 #/Ncm3 geldt voor de achtergrondconcentratie op zowel systeem- als testniveau zoals beschreven in de punten 7.2.2.2.1 en 7.2.2.2.2;

d)

niet-conformiteit met de in a) beschreven verificatie van het nulpunt van de PNC en van de in c) van dit punt gedefinieerde deeltjesachtergrondgrenswaarden heeft een ongeldige test tot gevolg;

e)

de testfaciliteit mag de waarde van de achtergrondconcentratie niet aftrekken bij het rapporteren van de waarde van de SPN10-concentratie van het onderdeel van de rememissiemeting overeenkomstig punt 12.2.4.

7.2.2.2.4.   

Berekenen en rapporteren van de deeltjesachtergrond per gereden afstand

De testfaciliteit rapporteert ook de achtergrond, uitgedrukt als het aantal deeltjes per gereden afstand, om rekening te houden met de veranderingen in de koelluchtinstellingen bij het testen van verschillende remmen. De berekening van de achtergrond per gereden afstand wordt bepaald door de vergelijking[en] 7.1 en 7.2:

voorbehouden

(Verg. 7.1)

Formula

(Verg. 7.2)

waarin:

SPN10bEF

= de SPN10-achtergrond in de bemonsteringstunnel in #/km;

SPN10b#

= de gemiddelde genormaliseerde en naar de PCRF gecorrigeerde SPN10-achtergrondconcentratie in de bemonsteringstunnel in #/Ncm3;

NQ

= de gemiddelde genormaliseerde luchtstroom in de bemonsteringstunnel in Nm3/h;

VSet

= de gemiddelde nominale lineaire snelheid van de WLTP-remcyclus in km/h;

a)

de PN-achtergrondconcentratie (SPN10b# ) komt overeen met de gemiddelde genormaliseerde en PCRF-SPN10-waarde die tijdens de achtergrondverificatie is berekend aan de hand van de in tabel A4/14 vermelde parameters;

b)

de genormaliseerde gemiddelde koelluchtstroom (NQ) moet worden berekend tijdens de achtergrondverificatieprocedure aan de hand van de in tabel A4/14 vermelde parameters;

c)

de gemiddelde nominale lineaire snelheid van de WLTP-remcyclus is gelijk aan 43,7 km/h (Vset = 43,7 km/h);

d)

de achtergronddeeltjesconcentratiewaarden per gereden afstand moet worden berekend en gerapporteerd, alleen op testniveau — zowel vóór als na de test — zoals gespecificeerd in tabel A4/14.

7.2.3.   

Koelluchtstroom

De testfaciliteit meet en rapporteert de koelluchtstroom gedurende de gehele rememissietestprocedure. De meting van de koelluchtstroom moet aan de volgende voorschriften voldoen:

a)

de methode voor het meten van de koelluchtstroom is zodanig dat de meting onder alle bedrijfsomstandigheden tot ± 2 % van de ingestelde waarde nauwkeurig is;

b)

de koelluchtstroom voorbij het bemonsteringsvlak wordt gemeten. Figuur A4/1 toont een indicatieve positie voor de stromingsmeter (element 10);

c)

plaats bij een eenpuntsmeting het luchtstroommeetelement in het midden van het kanaal, ten minste vijf kanaaldiameters voorbij en twee kanaaldiameters vóór elke verstoring van de luchtstroom. Het luchtstroommeetgebied mag een andere binnendiameter hebben dan de bemonsteringstunnel. In dat geval heeft de diameter van het kanaal betrekking op de binnendiameter van het kanaal waar de luchtstroommeter zich bevindt. De installatie van de luchtstroommeter mag geen significante drukveranderingen teweegbrengen (d.w.z. de druk bij het luchtstroommeetelement moet binnen ± 1 kPa van de omgevingsdruk liggen). De binnendiameter van het kanaal moet ten minste 35 % van de binnendiameter van de bemonsteringstunnel bedragen;

d)

installeer bij een meerpuntsmeting het luchtstroommeetelement loodrecht op de stroomrichting, ten minste vijf kanaaldiameters voorbij en twee kanaaldiameters vóór elke verstoring van de luchtstroom. Bij kanaaldiameters gaat het om de binnendiameter van het kanaal waarin de luchtstroommeetelementen zich bevinden. De specificaties voor de installatie van de in c) van dit punt gedefinieerde luchtstroommeter zijn van toepassing wanneer de binnendiameter van het kanaal verschilt van de binnendiameter van de bemonsteringstunnel;

e)

gebruik een stromingsmeter die is gekalibreerd om de luchtstroom onder standaardomstandigheden te rapporteren. Om een passende omrekening naar bedrijfsomstandigheden te waarborgen, moet de temperatuursensor tot op ± 1 °C nauwkeurig zijn en moeten de drukmetingen tot op ± 0,4 kPa precies en nauwkeurig zijn;

f)

wanneer de luchtstroommeter niet is gekalibreerd om waarden onder standaardomstandigheden te rapporteren, moet ervoor worden gezorgd dat de meter een temperatuursensor bevat die vlak voor het meetapparaat is geïnstalleerd. De temperatuursensor moet voldoen aan de nauwkeurigheidsvoorschriften van e) van dit punt. Gebruik deze meting om de luchtstroomwaarden te normaliseren;

g)

wanneer de luchtstroommeter niet is gekalibreerd om waarden onder standaardomstandigheden te rapporteren, moet ervoor worden gezorgd dat de meter de absolute druk meet, of het drukverschil ten opzichte van de luchtdruk die vóór het meetapparaat wordt gemeten. De drukmetingen moeten voldoen aan de in e) van dit punt beschreven precisie- en nauwkeurigheidsvoorschriften. Gebruik deze meting om de luchtstroomwaarden te normaliseren;

h)

installeer bij het gebruik van luchtfilters om de luchtstroommeter tegen verontreiniging te beschermen, het filter ten minste vijf kanaaldiameters vóór de stromingsmeter. Controleer de drukval voortdurend en corrigeer de gemeten luchtstroom dienovereenkomstig, indien nodig. Volg de door de fabrikant van de stromingsmeter verstrekte aanbevelingen voor het type en de specificaties van het beschermingsfilter.

De testfaciliteit zorgt ervoor dat de koelluchtstroom gedurende de gehele rememissietest constant blijft, en wel als volgt:

i)

de ingestelde (nominale) waarde voor de koelluchtstroom (Qset) moet tijdens alle onderdelen van een rememissietest gelijk en constant zijn. Dezelfde ingestelde waarde is van toepassing op de onderdelen betreffende het aanpassen van de koeling, het inlopen van de remmen en het meten van emissies (met inbegrip van de afkoelingsonderdelen). Dit geldt niet voor de niet-succesvolle herhalingen van het koelingaanpassingsonderdeel, waarvoor een andere waarde voor de koelluchtstroom kan zijn ingesteld;

j)

tijdens het koelingaanpassingsonderdeel mag de gemiddelde gemeten koelluchtstroom niet meer dan ± 5 % afwijken van de aan het begin van de test gedefinieerde ingestelde waarde;

k)

tijdens het inlooponderdeel mag de gemiddelde gemeten koelluchtstroom niet meer dan ± 5 % afwijken van de nominale waarde die tijdens het koelingaanpassingsonderdeel voor de desbetreffende rem is vastgesteld;

l)

tijdens het emissiemeetonderdeel mag de gemiddelde gemeten koelluchtstroom niet meer dan ± 5 % afwijken van de nominale waarde die tijdens het koelingaanpassingsonderdeel voor de desbetreffende rem is vastgesteld;

m)

de tijdsgemiddelde gemeten koelluchtstroom in alle onderdelen berekenen en rapporteren zoals gedefinieerd in tabel A4/14;

n)

indien de gemiddelde nominale of gemeten koelluchtstroom niet voldoet aan de voorschriften van dit punt, is de test ongeldig;

o)

de momentane koelluchtstroom mag gedurende maximaal 5 % van de duur van de cyclus meer dan ± 5 % en maximaal ± 10 % van de nominale waarde afwijken, mits de gemiddelde gemeten koelluchtstroom aan de voorschriften van dit punt voldoet. Dit geldt voor de onderdelen aanpassing van de koeling en meting van de emissies:

i)

voor het koelingaanpassingsonderdeel mag de momentane koelluchtstroom niet langer dan 264 s tussen ± 5 % en ± 10 % afwijken van de ingestelde waarde;

ii)

voor het emissiemeetonderdeel mag de momentane koelluchtstroom niet langer dan 792 s tussen ± 5 % en ± 10 % afwijken van de ingestelde waarde (met uitzondering van de afkoelingsonderdelen);

p)

behalve dat de in dit punt vastgestelde gemiddelde en momentane grenswaarden in acht moeten worden genomen, moet de koelluchtstroom in combinatie met de bemonsteringsluchtstroom in de PM- en PN-bemonsteringsleidingen voldoen aan de isokinetische voorschriften van respectievelijk de punten 12.1.2.3 en 12.2.3.2;

q)

vóór de tests moeten het kanalensysteem en de kamer van het systeem op lekken worden gecontroleerd. De koelluchtstroom moet worden ingesteld op de voor het testen van de desbetreffende rem gedefinieerde koelinstelling en deze moet gedurende ten minste twee minuten worden gemeten nadat de luchtstroom is gestabiliseerd. Als de gemiddelde gemeten stroom niet meer dan ± 5 % van de ingestelde waarde afwijkt, wordt doorgegaan met de test. Indien de stroom meer dan ± 5 % van de ingestelde waarde afwijkt, moeten de testactiviteiten worden stopgezet, de stromingsmeter worden nagekeken, de mogelijke bronnen van het (de) lek(ken) worden geïdentificeerd, corrigerende maatregelen worden genomen om het probleem te verhelpen en wordt de test hervat door eerst een succesvolle controle op lekken uit te voeren. Voor het bepalen van de leksnelheid van het systeem mogen alternatieve methoden volgens de specificaties van de fabrikant van het systeem worden toegepast; de testfaciliteit moet echter altijd het werkelijke niveau van de afwijking van de luchtstroom ten opzichte van de ingestelde waarde rapporteren;

r)

de testfaciliteit rapporteert de koelluchtstroom in het tijdgebaseerde bestand van de rememissietest. Bovendien rapporteert de testfaciliteit zowel de werkelijke als de genormaliseerde luchtstroom, zoals gedefinieerd in tabel A4/14.

7.3.   

Remdynamometer en -automatiseringssystemen

De remdynamometer is een technisch systeem dat de te testen rem van de geregelde kinetische energie voorziet. Hij zet voornamelijk roterende kinetische energie om in thermische energie (figuur A4/2 — S1). Figuur A4/2 bevat een opzet van het testsysteem met de remdynamometer en toont de interacties met de minimale subsystemen die nodig zijn om een rememissietest uit te voeren overeenkomstig dit reglement.

Figuur A4/2

Remdynamometer en automatiseringssystemen in de algehele testopzet

Image 10

Opmerking:

S1: remdynamometer, S2: automatiserings-, controle- en gegevensverwervingssysteem, S3: klimaatregelingseenheid, S4: remruimte en bemonsteringsvlak, S5: emissiemeetsysteem. C1 en C2: energiecontrole- en monitoringsysteem van de testfaciliteit. De grijze pijl staat voor het aerosolmonster van de te testen rem.

De remdynamometer moet ten minste uit de volgende elementen bestaan:

a)

een elektromotor met variabel toerental om de omwentelingssnelheid te versnellen of constant te houden en de testtraagheid te moduleren overeenkomstig de testbehoeften;

b)

een (hydraulische of elektrische) servoregelaar om de te testen rem in werking te stellen;

c)

een mechanische combinatie om de te testen rem op te monteren, om ervoor te zorgen dat schijf of trommel vrij kan draaien en om de reactiekrachten van het remmen te absorberen;

d)

een starre structuur om alle verplichte subsystemen op te monteren. De constructie moet de krachten en het koppel die door de te testen rem worden gegenereerd, kunnen absorberen;

e)

sensoren en apparaten om gegevens te verzamelen en de werking van het testsysteem te monitoren;

integraal onderdeel van het testsysteem is het automatiserings-, controle- en gegevensverwervingssysteem (figuur A4/2 — S2). Het regelt voortdurend het toerental van de motor en de werking van en de interacties tussen de verschillende systemen (figuur A4/2 — S3, S4, S5). De subsystemen S3, S4 en S5 worden uitvoerig beschreven in respectievelijk de punten 7.2, 7.4 en 7.5 en 12.1 en 12.2. De verschillende elementen en subsystemen in figuur A4/2 zijn indicatief; daarom is exacte overeenstemming met de figuur niet verplicht.

Het automatiserings-, controle- en gegevensverwervingssysteem vervult alle functies die de rememissietest mogelijk maken. Het versnelt de rem tijdens versnellingsgebeurtenissen, handhaaft de constante snelheid tijdens gebeurtenissen met constante snelheid en moduleert het wrijvingskoppel tijdens vertragingsgebeurtenissen om de kinetische energie van de draaiende massa’s te verminderen. Daarnaast biedt het automatiserings-, controle- en gegevensverwervingssysteem een interface voor de bediener, slaat het de gegevens van de test op en regelt het de interfaces met andere systemen in de testfaciliteit. Het automatiseringssysteem moet gebruik kunnen maken van actieve koppelcontrole op de elektromotor om de totale effectieve testtraagheid tijdens vertragingsgebeurtenissen te verhogen of te verlagen. De elektromotor moet ook een deel van de kinetische energie kunnen absorberen die overeenkomt met de wegbelasting en het niet-wrijvingsremmen van de aandrijflijn van het voertuig. De software die het testsysteem regelt, moet ten minste de volgende functies kunnen vervullen:

f)

de rijcyclus automatisch uitvoeren door alle gesloten processen te bedienen (voornamelijk voor rembedieningsorganen, koelluchtbehandeling en emissiemeetinstrumenten);

g)

de gegevens van alle relevante sensoren voortdurend bemonsteren en registreren om de in punt 13 van deze bijlage gedefinieerde outputs te genereren;

h)

signalen, berichten, alarmen of noodstops van de bediener en de verschillende met het testsysteem verbonden systemen monitoren.

7.4.   

Ontwerp van de remruimte

De remruimte is de testkamer waarin de remcombinatie tijdens de rememissietests wordt gemonteerd. Het is een afgesloten ruimte die voorkomt dat onbehandelde lucht binnendringt en de koellucht die rond de remcombinatie stroomt, verontreinigt. De remruimte stuurt uniforme geconditioneerde lucht om de rem af te koelen en de aerosol naar de bemonsteringstunnel te leiden. De ontwerpvoorschriften voor de ruimte hebben tot doel algemene richtsnoeren te verstrekken om de vergelijkbaarheid van de systemen met betrekking tot remkoeling en efficiëntie van het deeltjestransport te waarborgen. Figuur A4/1 toont een indicatieve positie voor de remruimte (element 4).

7.4.1.   

Algemene elementen

In figuur A4/3 wordt een indicatieve vorm van de ruimte geïllustreerd. De ruimte wordt gedefinieerd door één horizontaal vlak en vier verticale vlakken. Vlak A1 staat voor het horizontale niveau dat op één lijn ligt met de as van de remrotatie en de as van de inlaat- en uitlaatkanalen. Vlak A vertegenwoordigt het verticale vlak dat op één lijn ligt met de inlaat van de ruimte. Vlak B vertegenwoordigt het verticale vlak aan het einde van de overgang van het inlaatkanaal naar het middensegment van de ruimte. Vlak C wordt gedefinieerd door de grootste remcombinatie die wordt toegepast op de voertuigen die onder dit reglement vallen of elke rem met vergelijkbare afmetingen (d.w.z. een diameter van 450 mm). Vlak D vertegenwoordigt het verticale vlak dat op één lijn ligt met de as van de remrotatie.

Figuur A4/3

Indicatieve schematische voorstelling van de remruimte

Image 11

Het inlaatovergangsvolume (figuur A4/3 — 1) wordt gedefinieerd als het segment van de ruimte tussen de vlakken A en B en wordt geïllustreerd met een grijze kleur. De overgangshoek “a” (figuur A4/3 — 2) bepaalt hoe soepel de overgangszone zich in de ruimte ontwikkelt. In figuur A4/3 stroomt de koellucht van rechts naar links.

7.4.2.   

Ontwerpspecificaties

Er moet worden voldaan aan de volgende algemene specificaties voor het ontwerp van de remruimte en de verificatie van de juiste meng- en stroomuniformiteit daarin:

a)

de remruimte moet twee kegelvormige of trapezoïdale segmenten hebben die een cilinder in het midden snijden die concentrisch is ten opzichte van de as van de remrotatie;

b)

de overgang van vlak A naar vlak B moet soepel en constant zijn zonder abrupte veranderingen. De voorschriften zijn van toepassing op het verticale vlak, langs de as van het kanaal, en op het horizontale vlak A1 langs de dwarsdoorsnede van de ruimte (die de cilinder snijden);

c)

de inlaat- en uitlaatdwarsdoorsneden moeten zodanig zijn ontworpen dat vloeiende overgangshoeken (15 ≤ tot ≤ 30°) worden gewaarborgd om plotselinge veranderingen in de vorm of de grootte van de dwarsdoorsnede te voorkomen;

d)

de overgangspunten tussen de segmenten mogen geen onvolkomenheden of kenmerken vertonen die remdeeltjes kunnen opvangen die later tijdens de test in de lucht terecht kunnen komen;

e)

indien op de overgangspunten bevestigingsmiddelen worden aangebracht, mogen deze niet uitsteken in de remruimte;

f)

de koellucht mag de ruimte alleen in horizontale richting binnenkomen en verlaten (d.w.z. dat de centrale as van de ruimte zoals gedefinieerd door vlak A1 op één lijn ligt met de richting van de luchtstroom). De tunnel moet horizontaal en recht zijn over ten minste twee diameters van het kanaal (2•di) vóór de inlaat van de ruimte. Het tunnelkanaal moet voorbij de ruimte ook horizontaal zijn tot ten minste twee kanaaldiameters (2•di) voorbij het bemonsteringsvlak, zoals gespecificeerd in punt 7.5;

g)

de oppervlakken van de remruimte die met de aerosol in contact komen, moeten naadloos zijn. Er moet roestvrij staal met een elektrolytisch gepolijste afwerking (of gelijkwaardig) worden gebruikt om een ultraschoon en -glad oppervlak te verkrijgen en de corrosiebestendigheid te vergroten;

h)

alle materialen (inclusief afdichtingen) moeten erop worden geselecteerd dat zij voldoende bescherming bieden tegen de gebruikte media (bv. remvloeistof) tijdens het instellen. Alle openingen en grensvlakken van de remruimte moeten luchtdicht worden afgesloten met behulp van pakkingen of een gelijkwaardige voering;

i)

de luchtstroom bij de ingang van de ruimte moet turbulent blijven met een Reynoldsgetal van ten minste 4 000 voor alle testinstellingen van de luchtstroom om voldoende vermenging te waarborgen. Het Reynoldsgetal Re voor een bepaalde rememissietest moet worden berekend aan de hand van vergelijking 7.3;

Formula

(Verg. 7.3)

waarin:

Re

= het Reynoldsgetal voor de desbetreffende rememissietest (zonder eenheid);

U

= de gemiddelde snelheid van de koellucht in de bemonsteringstunnel in km/h;

di

= de diameter van de bemonsteringstunnel in mm volgens tabel A4/1;

υ

= de kinematische viscositeit van lucht (een standaardwaarde gebruiken van 1,48 × 10–5 m2/s).

De gemiddelde snelheid van de koellucht in de bemonsteringstunnel kan worden berekend aan de hand van de gemeten luchtstroom en de binnendiameter van de bemonsteringstunnel op basis van vergelijking 7.4;

Formula

(Verg. 7.4)

waarin:

Q

= de gemeten koelluchtstroom in m3/h volgens tabel A4/10;

d i

= de diameter van de bemonsteringstunnel in mm volgens tabel A4/1

j)

vlak C raakt een willekeurige schijf met een diameter van 450 mm. De doorsnedeoppervlak bij de inlaat van de remruimte moet zo zijn ontworpen dat de luchtsnelheid op vlak C onder de maximaal toelaatbare tolerantie voor de uniformiteit van de snelheid zoals bepaald in l) van dit punt blijft. Zo nodig kunnen stromingsgelijkrichters of afscheidingsplaten aan de inlaatzijde vóór vlak B worden gebruikt om een zo uniform mogelijke stroom op vlak C te waarborgen;

k)

de waarden van de luchtstroom moeten worden berekend op negen posities in vlak C zoals gedefinieerd in figuur A4/4. Verdeel vlak C in negen gelijke delen met lijnen evenwijdig aan de zijden van het vlak (l1 is de hoogte van vlak C — l2 is de axiale diepte van vlak C). Punt C5 is het middelpunt van vlak C. De overige acht punten worden gelijk verdeeld rond punt C5 en in het midden van de denkbeeldige lijnen tussen punt C5 en de wanden van de remruimte op vlak C geplaatst, zoals geïllustreerd in figuur A4/4;

Figuur A4/4

Referentieposities voor de verificatie van de luchtsnelheid

Image 12

Opmerking:

Linkerkant — Verificatie van de juiste meng- en stromingsuniformiteit met behulp van vlak C voor een schijf met een buitendiameter van 450 mm. Rechterkant — Verdeling van de meetposities op vlak C (aanzicht in de stroomrichting)

l)

meet de luchtsnelheidswaarden op de negen posities van vlak C zonder dat er een remcombinatie of remhouder is geïnstalleerd. Alle koelluchtleidingen die voor de rememissietest worden gebruikt, blijven tijdens deze metingen met de ruimte verbonden. Meet de minimale en maximale operationele stromen van het systeem. Laat de stroom ten minste twee minuten stabiliseren alvorens elke meting uit te voeren. De luchtstroom wordt als gestabiliseerd beschouwd wanneer de gemiddelde gemeten stroom in de bemonsteringstunnel binnen ± 5 % van de ingestelde waarde ligt. Voer de meting van de luchtsnelheid gedurende ten minste twee minuten na de stabilisatie uit. De meettijd is lang genoeg om instabiliteit in het luchtsnelheidspatroon te detecteren die van invloed kan zijn op de luchtsnelheidswaarden. De luchtsnelheid op elke positie mag niet meer dan ± 35 % afwijken van het rekenkundig gemiddelde van alle metingen voor een bepaalde stroom.

De reiniging en het onderhoud van de remruimte moeten voldoen aan de door de fabrikant verstrekte specificaties voor de frequentie en middelen. De testfaciliteit zorgt ervoor dat de ruimte schoon is voordat met een rememissietest wordt begonnen.

7.4.3.   

Afmetingen

De testfaciliteit betracht de nodige zorgvuldigheid om de remruimte zo te selecteren dat deze groot genoeg is voor de grootste remcombinatie die wordt toegepast op voertuigen die onder dit reglement vallen. Dit omvat mogelijke aanvullende onderdelen die zijn ontworpen om het aantal deeltjesemissies te verminderen (bv. filtervoorzieningen voor de rem), mits de afmetingen ervan overeenkomen met de overeenkomstige wielafmetingen waarop de rem is gemonteerd. Bovendien verifieert de testfaciliteit of de selectie binnen de capaciteiten voor de tijdens de test verwachte snelheid, traagheid van de remtest en remkoppel valt. Een te grote remruimte kan lagedrukgebieden, lage luchtsnelheden om de beoogde remtemperaturen te bereiken en langere deeltjestransporttijden veroorzaken. Een indicatieve opzet met de belangrijkste afmetingen van de ruimte wordt geïllustreerd in figuur A4/5.

Figuur A4/5

Indicatieve schematische voorstelling van de remruimte en de belangrijkste afmetingen

Image 13

De minimumspecificaties met betrekking tot de afmetingen van de remruimte worden hieronder beschreven. Naast de in dit punt beschreven specificaties voor de afmetingen zorgt de testfaciliteit ervoor dat de geselecteerde afmetingen een ontwerp bieden dat voldoet aan alle voorschriften van punt 7.4.2;

a)

zij ontwerpt de remruimte symmetrisch ten opzichte van vlak A1. De lengte van vlak A1 (l A1) is de grootste lengte van de remruimte langs de stroomrichting. De lengte van vlak A1 ligt tussen 1 200 mm en 1 400 mm (1 200 mm ≤ l A1 ≤ 1 400 mm);

b)

zij ontwerpt de remruimte symmetrisch ten opzichte van vlak D. De lengte van vlak D (hD) is de langste afstand (hoogte) van de ruimte loodrecht op de stroomrichting. De hoogte van vlak D moet tussen 600 mm en 750 mm liggen (600 mm ≤ hD ≤ 750 mm);

c)

de afstand van vlak C tot vlak D is zo lang als de straal van de grootste op de markt beschikbare rem op voertuigen die onder dit reglement vallen. De positie van vlak C in figuur A4/5 dient ter illustratie en komt niet overeen met een specificatie van de werkelijke afmetingen;

d)

zij ontwerpt de hoogte op vlak B (hB) zodanig dat de verhouding hB/hD altijd groter is dan 60 % (hB/hD > 60 %). Zij ontwerpt de overgangsdiepte van de dwarsdoorsnede op vlak B zodanig dat deze gelijk is aan de axiale diepte van de ruimte als gedefinieerd in g) van dit punt;

e)

zij ontwerpt de overgangslengte (l i ) en -hoogte (hB) van de uitlaat zodanig dat deze gelijk zijn aan de overgangslengte (l i ) en -hoogte (hB) van de inlaat;

f)

de inlaat- en uitlaatdiameters (di) moeten gelijk zijn aan de diameter van het kanaal in de bemonsteringstunnel zoals gespecificeerd in punt 7.5;

g)

de maximale axiale diepte van de remruimte op vlak D (evenwijdig aan de rotatieas van de rem) bedraagt tussen 400 mm en 500 mm.

7.4.4.   

Remfiltersystemen

De installatie van remfiltersystemen of andere voorzieningen voor het opvangen van remstof mag geen negatieve gevolgen hebben voor de prestaties van de faciliteit. De plaatsing, lengte en bochten van de systeemslangen zijn representatief voor toepassingen in reële omstandigheden. Delen van de systemen mogen buiten de ruimte worden geïnstalleerd zolang zij geen invloed hebben op het deeltjesopvangrendement van het remfiltersysteem. Elke uit de ruimte onttrokken stroom moet bij de inlaat van de tunnel, ongeveer in het midden van de dwarsdoorsnede, worden teruggevoerd. Als een actief systeem is ontworpen om een of meer filters en één aanjager voor meer dan één rem te gebruiken voor toepassingen op voertuigen, moet de extra volumestroom die nodig is om de volumestroom van de andere rem(men) te compenseren, door de tunnel vóór de ruimte (en voorbij de meting van de volumestroom) worden onttrokken. Indien van toepassing wordt een nieuw filter gebruikt voor het inlopen en de emissiemeting overeenkomstig figuur 2.

Er moet aan alle voorschriften van dit mondiaal technisch reglement worden voldaan. Aanpassingen van de koelluchtstroom moeten bijvoorbeeld worden uitgevoerd wanneer het systeem is geïnstalleerd en functioneert zoals tijdens emissiemetingen.

7.5.   

Ontwerp van de bemonsteringstunnel

De bemonsteringstunnel wordt gedefinieerd als het deel tussen de uitlaat van de remruimte en de inlaat van de bemonsteringssondes. Figuur A4/1 toont een indicatieve positie voor de bemonsteringstunnel in de algemene opzet (element 7). Er zijn twee mogelijkheden voor het ontwerp van de bemonsteringstunnel: een opzet zonder bocht (figuur A4/1 a)) en een opzet met één bocht (figuur A4/1 b)). De testfaciliteit zorgt ervoor dat het ontwerp van de bemonsteringstunnel aan de volgende voorschriften voldoet:

a)

de koellucht stroomt door ronde kanalen zonder veranderingen in de dwarsdoorsnede tussen de uitgang van de ruimte en het bemonsteringsvlak;

b)

voor de oppervlakken van de tunnel die in contact komen met de aerosol wordt roestvrij staal met een elektrolytisch gepolijste afwerking (of gelijkwaardig) gebruikt;

c)

de overgang tussen aangrenzende sectoren mag geen onvolkomenheden of kenmerken vertonen die remdeeltjes kunnen opvangen. Wanneer dit niet haalbaar is, moet ervoor worden gezorgd dat de overgangen zodanig worden ontworpen dat de ophoping van remdeeltjes tot een minimum wordt beperkt;

d)

de kanalen hebben een constante binnendiameter di van ten minste 190 mm en ten hoogste 225 mm (190 mm ≤ di ≤ 225 mm). De binnendiameter di van het kanaal wordt gedefinieerd zoals aangegeven in figuur A4/6;

e)

in de bemonsteringstunnel mag maximaal één bocht van 90 ° of minder worden aangebracht (d.w.z. voorbij de remruimte en vóór het bemonsteringsvlak), mits aan de specificaties in f) en g) wordt voldaan;

f)

indien in de bemonsteringstunnel een bocht wordt aangebracht, bedraagt de buigstraal rb ten minste tweemaal de binnendiameter van het kanaal (2•di). De buigstraal wordt gedefinieerd zoals aangegeven in figuur A4/6;

Figuur A4/6

Vaststelling van de kanaaldiameter (di) en de buigstraal (rb)

Image 14

g)

indien in de bemonsteringstunnel een bocht wordt aangebracht, volgt na de bocht een recht kanaal met een lengte van ten minste zesmaal de diameter van het kanaal (6•di) vóór het bemonsteringsvlak. Bovendien moet een recht kanaal met een lengte van ten minste tweemaal de diameter van het kanaal (2•di) volgen na het bemonsteringsvlak alvorens verstoringen van de stroom te plaatsen (bv. een tweede bocht in de opstelling);

h)

indien er geen bocht in de bemonsteringstunnel is, moet een recht kanaal met een lengte van ten minste zesmaal de diameter van het kanaal (6•di) volgen na de uitgang van de ruimte alvorens het bemonsteringsvlak te plaatsen. Bovendien moet een recht kanaal met een lengte van ten minste tweemaal de diameter van het kanaal (2•di) het bemonsteringsvlak volgen alvorens verstoringen van de stroom te plaatsen (bv. een bocht in de opstelling of een filter om de luchtstroommeter tegen verontreiniging te beschermen);

i)

de bepalingen voor de in de a), c) en d) van dit punt beschreven kanalen zijn ten minste van toepassing op de tunnelkanalen vanaf tweemaal de binnendiameter van het kanaal (2•di) vóór de inlaat van de ruimte tot tweemaal de binnendiameter van het kanaal (2•di) voorbij het bemonsteringsvlak.

7.6.   

Bemonsteringsvlak

Het bemonsteringsvlak is het verticale vlak in de bemonsteringstunnel waar de inlaat van de bemonsteringssondes wordt geplaatst. Figuur A4/1 toont een indicatieve positie voor het bemonsteringsvlak in de algemene opzet (element 8). De volgende bepalingen zijn van toepassing op het bemonsteringsvlak:

a)

de PM- en PN-bemonstering vindt plaats in hetzelfde doorsnedeoppervlak in de bemonsteringstunnel. De referentiepunten 12.1.1.1 en 12.2.1.1 voor respectievelijk PM- en PN-bemonstering;

b)

er moet een configuratie met vier sondes worden gebruikt die aan de voorschriften van dit punt voldoet. Figuur A4/7 illustreert de juiste plaatsing van de PM- en PN-bemonsteringssondes. Indien overeenkomstig punt 12.2.1.1 een stroomscheidingsvoorziening voor het deeltjesaantal wordt gebruikt, kunnen de meetvoorzieningen mogelijk op een andere plaats in de opzet met vier sondes worden geplaatst;

Figuur A4/7

Grafische voorstelling van de afstand tussen de sondes in de tunnel

Image 15

Opmerking:

aanzicht van het verticale deel in de stroomrichting in de bemonsteringstunnel dat het bemonsteringsvlak bepaalt. De witte stippen zijn de PM-bemonsteringssondes (PM2,5/PM10). De zwarte stippen zijn de PN-bemonsteringssondes (SPN10)

c)

plaats de bemonsteringssondes op gelijke afstand van elkaar rond de centrale lengteas van de bemonsteringstunnel op basis van het midden van de inlaat van de sonde;

d)

plaats de bemonsteringssondes zodanig dat de onderlinge afstand tussen de sondes ten minste 47,5 mm bedraagt (figuur A4/7 — a1 ≥ 47,5 mm). Meet de afstand tussen de bemonsteringssondes met behulp van hun buitendiameter;

e)

plaats de bemonsteringssondes zodanig dat de radiale afstand vanaf de tunnelwand (afstand sonde tot kanaal) ten minste 47,5 mm bedraagt (figuur A4/7 — a2 ≥ 47,5 mm). Meet de afstand van de sonde tot het kanaal aan de hand van de buitendiameter van de bemonsteringssondes.

8.   

Voorschriften voor de voorbereiding van de test

8.1.   

Invoerparameters

De testfaciliteit beschikt over de volgende parameters met betrekking tot de rem — en het voertuig waarop de te testen rem is gemonteerd — om rememissietests overeenkomstig dit reglement uit te voeren.

Tabel A4/3

Vereiste testparameters

Nr.

Parameters en inputs

Korte beschrijving

Symbool

Eenheid

Decimalen

1

Voertuigmerk en -model

Merk en model van het voertuig waarop de te testen rem is gemonteerd

 

-

n.v.t.

2

Voertuigelektrificatietype

Het voertuigelektrificatietype van de remhoekemissiefamilie-ouder (PEV, OVC-HEV, NOVC-HEV cat. 0, NOVC-HEV cat. 1, NOVC-HEV cat. 2, ICE) waarop de te testen rem is gemonteerd

 

-

n.v.t.

3

Voertuigspecifieke remcoëfficiënt

De voertuigspecifieke remcoëfficiënt van de remhoekemissiefamilie-ouder

c

-

2

4

Voertuigas

De as van het voertuig, voor of achter, waarop de te testen rem is gemonteerd

FA of RA

-

n.v.t.

5

Montagepositie van de rem in het voertuig

De plaats van de te testen rem op het voertuig, in de rechterhoek of in de linkerhoek;

RHV of LHV

-

n.v.t.

6

Voertuigtestmassa

De voertuigmassa die op de remdynamometer moet worden gesimuleerd zoals gedefinieerd in a) van dit punt

Mveh

kg

0

7

Remkrachtverdeling

De verhouding tussen de remkracht van elke as en de totale remkracht op het voertuig als beschreven in b) van dit punt.

FAF of RAF

%

0

8

Type opspaninrichting

De opspaninrichting van de remcombinatie overeenkomstig punt 8.4.1.

L0-U of L0-P

-

n.v.t.

9

Identificatiecode remschijf of remtrommel

De code die door de fabrikant van de rem op de schijf/trommel is aangebracht

 

-

n.v.t.

10

Identificatiecode wrijvingsmateriaal

De code die door de fabrikant van het wrijvingsmateriaal op de remblokken/-schoenen is aangebracht

 

-

n.v.t.

11

Nominale wielbelasting

De belasting op de te testen remhoek (voor of achter) voordat rekening wordt gehouden met de wegbelasting van het voertuig of andere soorten verliezen zoals gedefinieerd in c) van dit punt

Formula

of

Formula

kg

1

12

Testwielbelasting (of toegepaste wielbelasting)

De belasting op de te testen remhoek (voor of achter) na rekening te hebben gehouden met de wegbelasting van het voertuig of andere soorten verliezen zoals gedefinieerd in d) van dit punt

Formula

of

Formula

kg

1

13

Dynamische rolstraal van de band

Bandstraal die gelijk is aan het aantal omwentelingen per gereden afstand zoals door de bandenfabrikant bekendgemaakt voor de specifieke bandenmaat

rR

mm

0

14

Effectieve straal van de rem

De in e) van dit punt gedefinieerde afstand

reff

mm

1

15

Nominale traagheid van de rem

Wielbelasting met een gyratiestraal die gelijk is aan de dynamische rolstraal van de band, die de bedrijfsrem dezelfde kinetische energie geeft als in het voertuig zelf. Wordt gedefinieerd in f) van dit punt.

In

kg·m2

1

16

Traagheid van de remtest (of toegepaste traagheid)

Nominale remtraagheid na aftrek van de vertragingskrachten die worden veroorzaakt door de wegbelasting van het voertuig of andere soorten verliezen zoals gedefinieerd in g) van dit punt

It

kg·m2

1

17

Maximale buitendiameter schijf/trommel

De grootste diameter van de te testen schijf of trommel

OD

mm

1

18

Schijfmassa

Massa van de schijf vóór de test — Wordt gebruikt om de te testen rem toe te wijzen aan een remschijfmassagroep gekoppeld aan de nominale voorwielbelasting zoals beschreven in punt 10

DM

kg

4

19

Aantal zuigers per zijde

Aantal zuigers (of “pots”) aan één zijde van de remklauw

 

-

n.v.t.

20

Gemiddelde (of hydraulische) zuigerdiameter

De diameter van de zuiger van de te testen rem zoals gedefinieerd in h) van dit punt

 

mm

2

21

Aanhaalkoppel bout remklauw op opspaninrichting

Voorgesteld aanhaalkoppel voor de bout van de remklauw indien opgegeven door de fabrikant van de rem

 

N·m

1

22

Aanhaalkoppel bout remschijf of remtrommel op naaf

Voorgesteld aanhaalkoppel voor de bout van de remschijf/remtrommel indien opgegeven door de fabrikant van de rem

 

N·m

1

23

Efficiëntie van de remklauw of remtrommel

Efficiëntie om rekening te houden met interne wrijvingsverliezen tussen schuivende grensvlakken of de zuigerbeweging, indien opgegeven door de fabrikant van de rem. Indien niet opgegeven, 100 % gebruiken

H

%

0

24

Drempeldruk

De minimale druk om de inwendige weerstand te overwinnen vóór het begin van het remkoppel zoals gedefinieerd in punt 3.1.19 van dit reglement

pthreshold

kPa

1

25

Limiet van de run-out van de rem

De maximaal toegestane run-out voor de remschijf/remtrommel wanneer deze op de remhouder is gemonteerd

BRO

μm

0

Bij de berekening van sommige van de vereiste testparameters in tabel A4/3 wordt rekening gehouden met de volgende overwegingen:

a)

de testmassa van het voertuig (Mveh) is de massa in rijklare toestand (MRO) plus de massa van de optioneel gemonteerde uitrusting van het voertuig (kg) waarop de geteste rem is gemonteerd, plus:

i)

37,5 kg, wat overeenkomt met een aanvullende massa van 0,5 passagiers voor voertuigen van categorie 1-1;

ii)

25 kg plus 28 % van de maximumbelading van het voertuig (MVL) voor voertuigen van categorie 2 met een volledig beladen massa van minder dan 3 500 kg;

b)

de remkrachtverdeling (FAF of RAF) is de verhouding tussen respectievelijk de remkracht van elke as en de totale remkracht op het voertuig. FAF is het aandeel van de op de vooras uitgeoefende remkracht. RAF is het aandeel van de op de achteras uitgeoefende remkracht. De remkrachtverdeling wordt uitgedrukt als een percentage. De remkrachtverdeling voor elk voertuig (FAF of RAF) wordt verstrekt door de voertuigfabrikant. De remkrachtverdeling volgens de standaardmethode van VN-Reglement nr. 90 wordt alleen toegepast wanneer de specifieke waarde van de voertuigfabrikant niet beschikbaar is. Dit komt overeen met:

i)

77 % voor de vooras en 32 % voor de achteras voor voertuigen van categorie M1;

ii)

66 % voor de vooras en 39 % voor de achteras voor voertuigen van categorie 2 met een volledig beladen massa van minder dan 3 500 kg;

c)

de nominale wielbelasting (WLn) is de belasting op de te testen rem (voor of achter) voordat rekening wordt gehouden met de wegbelasting van het voertuig of andere soorten verliezen. Het is een functie van de testmassa van het voertuig en de remkrachtverdeling en wordt berekend aan de hand van de vergelijkingen 8.1a en 8.1b. De nominale wielbelasting wordt gebruikt om de testwielbelasting te berekenen. Bovendien wordt zij gebruikt om de te testen rem bij het corrigeren van de koelinstellingen van punt 10 in te delen in een nominale voorwielbelasting tot de schijfmassagroep op basis van de (

Formula

/DM) verhouding.

Formula

(Verg. 8.1a)

Formula

(Verg. 8.1b)

waarin:

Formula

= de nominale voorwielbelasting in kg volgens tabel A4/3;

Formula

= de nominale achterwielbelasting in kg volgens tabel A4/3;

Mveh

= de testmassa van het voertuig in kg volgens tabel A4/3;

FAF

= de voorremkrachtverdeling volgens tabel A4/3;

RAF

= de achterremkrachtverdeling volgens tabel A4/3;

d)

testwielbelasting (of toegepaste wielbelasting) (WLt) is de belasting op de te testen rem (voor of achter) nadat rekening is gehouden met de wegbelasting van het voertuig of andere soorten verliezen. Het is een functie van de nominale wielbelasting en wordt berekend aan de hand van de vergelijkingen 8.2a en 8.2b. De WLt wordt met 13 % verminderd ten opzichte van de WLn om rekening te houden met de wegbelasting van het voertuig in reële bedrijfsomstandigheden. De WLt wordt toegepast tijdens de gehele rememissietest, met inbegrip van de onderdelen betreffende de afstelling van de koeling, het inlopen van de remmen en de meting van de emissies:

Formula

(Verg. 8.2a)

Formula

(Verg. 8.2b)

e)

de effectieve straal van de rem (reff) is voor schijfremmen de afstand tussen het draaipunt en de hartlijn van de remklauwzuiger(s) wanneer deze op de opspaninrichting is (zijn) gemonteerd. Voor een trommelrem is de effectieve straal de helft van de binnendiameter van de trommel;

f)

de nominale traagheid van de rem (In) is de wielbelasting met een gyratiestraal die gelijk is aan de dynamische rolstraal van de band, die de bedrijfsrem dezelfde kinetische energie geeft als in het voertuig zelf. Die is een functie van de nominale wielbelasting en de dynamische rolstraal van de band en wordt berekend aan de hand van vergelijking 8.3:

Formula

(Verg. 8.3)

waarin:

In

de nominale traagheid van de rem in kg m2 volgens tabel A4/3;

WLn

de nominale wielbelasting in kg volgens tabel A4/3;

Formula

de dynamische rolstraal van de band in m volgens tabel A4/3;

g)

de traagheid van de remtest (of toegepaste traagheid) (It) is de nominale traagheid van de rem na aftrek van de vertragingskrachten veroorzaakt door de wegbelasting van het voertuig of door andere soorten verliezen. De traagheid van de remtest is de primaire bron van kinetische energie tijdens het remmen. Het is een functie van de nominale traagheid van de rem en wordt berekend aan de hand van vergelijking 8.4. De traagheid van de remtest wordt met 13 % verminderd ten opzichte van de nominale traagheid van de rem om rekening te houden met de verliezen van de wegbelasting van het voertuig in reële bedrijfsomstandigheden. De traagheid van de remtest is van toepassing op de gehele rememissietest, met inbegrip van de onderdelen betreffende de afstelling van de koeling, het inlopen van de remmen en de meting van de emissies:

Formula

(Verg. 8.4)

h)

de gemiddelde (of hydraulische) zuigerdiameter (dpiston) voor trommelremmen is de zuigerdiameter van de wielcilinder. De dpiston voor de schijfremmen is de gelijkwaardige zuigerdiameter van de te testen rem. Indien de remklauw meerdere zuigers bevat, moet de testfaciliteit de hydraulische diameter van de zuiger bepalen met behulp van de gelijkwaardige afzonderlijke zuigerdiameters die aan één zijde van de remklauw werken aan de hand van vergelijking 8.5:

Formula

(Verg. 8.5)

8.2.   

Voorbereiding van de testopstelling

De testfaciliteit voert de volgende taken uit alvorens met een rememissietest te beginnen:

a)

controleren of alle testdocumentatie, reminformatie, het regelprogramma, de capaciteit van de dynamometer en de testomstandigheden beschikbaar zijn;

b)

het overeenkomstige regelprogramma, de testparameters en -omstandigheden en de reminformatie bijwerken of uploaden naar het regelsysteem van de remdynamometer;

c)

de remschijf/remtrommel op de testopstelling en de losse kop van de dynamometer installeren volgens de specificaties van punt 8.4.1. Met de adapters aansluiten op de as van de hoofddynamometer;

d)

de run-out van de rem (BRO) meten door de punt van de meetklok 10 mm van de buitenrand (OD) op het buiten- of binnenoppervlak (schijfremmen) te plaatsen. Bij trommelremmen de run-out van de rem meten door de meetklok radiaal naar buiten en 10 mm van de hartlijn van het binnenoppervlak van de trommel te plaatsen. Tijdens deze meting mogen geen remblokken of remschoenen worden gemonteerd. Controleren of de BRO minder dan 50 μm bedraagt terwijl de op de dynamometer geïnstalleerde schijf of trommel handmatig wordt gedraaid. Volledige trommelcombinatie na de meting van de run-out van de rem. Als remonderdelen moeten worden losgemaakt om de remcombinatie te voltooien, moet er een verificatiemeting worden uitgevoerd om aan te tonnen dat run-out bij de definitieve combinatie correct is. Als de BRO groter is dan 50 μm, moeten de remopspaninrichting en/of de inspectie van de remonderdelen worden aangepast om de BRO terug te brengen tot een waarde van minder dan 50 μm. Indien de BRO vóór het begin van de test boven de in dit punt gedefinieerde grenswaarde blijft, is de test ongeldig. De gemeten (feitelijke) run-out van de rem rapporteren in tabel A4/14;

e)

het koppel en de nuldruk verifiëren voordat met een rememissietest wordt begonnen. De verificatie moet worden uitgevoerd met de remklauwzuiger(s) en de remblokken volledig ingetrokken. De remonderdelen raken de schijf niet en het hydraulische remsysteem van de dynamometer verkeert in onbelaste toestand. In deze positie worden de koppel- en druksensoren elk volgens de specificaties van de fabrikant van de uitrusting aangepast tot nul of zo dicht mogelijk bij nul binnen de in tabel A4/18 vastgestelde toleranties. De waarde moet gedurende ten minste dertig seconden worden afgelezen met de rem in stationaire toestand om stabilisatie te bevestigen. In het geval van een trommelrem moet de afstelling worden uitgevoerd met het geheel van de achterplaat (met remschoenen) geïnstalleerd, maar zonder het draaiende deel (trommel);

f)

de remblokken of remschoenen installeren en een grondige remontluchting uitvoeren om luchtbellen uit de remleidingen tussen de hoofdcilinder en de rem te verwijderen;

g)

de te testen rem, de remhouder, de thermokoppeldraden en de hydraulische remleidingen visueel nakijken om te garanderen dat de draden en leidingen goed lopen en alle onderdelen goed op elkaar aangesloten zijn;

h)

ervoor zorgen dat alle instrumenten beschikbaar zijn volgens de standaardwerkwijze die door de fabrikanten van de instrumenten is vastgesteld voor gebruik en reiniging; ervoor zorgen dat alle filtermedia beschikbaar zijn volgens de door de fabrikant van het filter vastgestelde standaardwerkwijze voor filterconditionering, -behandeling en -opslag;

i)

remontluchting is belangrijk om ervoor te zorgen dat er geen luchtbellen achterblijven in de remleiding. Er moet statisch worden geremd bij een remdruk van 300-3 000 kPa om de vloeistofverplaatsingscurve voor de ontluchtingscontrole te verifiëren en de ruimte visueel op vloeistoflekken te inspecteren. Hiervoor mag een remvloeistofverplaatsingssensor of mogen alternatieve evaluatiemethoden worden gebruikt.

De remklauw en remblokken moeten worden ingetrokken om ervoor te zorgen dat de remblokken en de remschijf geen contact maken (er bij een trommelrem voor zorgen dat de afstand tussen de remschoen en de remtrommel wordt ingesteld op de door de fabrikant aanbevolen nominale waarde);

j)

de remruimte afsluiten, het omgevingsconditioneringssysteem aanzetten en de werking van het koelluchtsysteem verifiëren volgens de specificaties van punt 7.2;

k)

driemaal een druk van 2 000 kPa toepassen (telkens twee seconden druk toepassen) om de rem opnieuw in te stellen (bij trommelremmen kan deze stap worden overgeslagen). Metingen uitvoeren bij drie verschillende lineaire snelheden (5 km/h, 50 km/h en 135 km/h) door te versnellen tot de doelsnelheid, gedurende 120 seconden aanhouden (bij nulremdruk) om te stabiliseren en vervolgens het koppelsignaal gedurende nog eens dertig seconden te meten. De sleepkoppelmeting is het op tijd gebaseerde gemiddelde van dit koppelsignaal voor de periode van dertig seconden. Er wordt een versnellingsniveau van 1 m/s2 voor 5 km/h en 2 m/s2 voor de andere twee doelsnelheden toegepast. Er moet worden geverifieerd of tijdens de laatste dertig seconden van elke gebeurtenis bij constante snelheid het gemeten remsleepkoppel (zoals gedefinieerd in punt 3.3.26 van dit reglement) niet groter is dan 10 N m (met uitzondering van het door de lagers van de dynamometer opgenomen koppel, indien van toepassing, dat afzonderlijk mag worden gemeten wanneer de rem niet is geïnstalleerd). Als de sleepkoppelmeting deze waarde overschrijdt, wordt de procedure herhaald na de BRO, de ruimte tussen bewegende en stilstaande onderdelen (met inbegrip van de thermokoppeldraden), de remontluchting en de uitlijning van de remopspaninrichting opnieuw te hebben gecontroleerd. Indien het gemeten sleepkoppel voor de remcombinatie tijdens de test meer dan 10 N·m bedraagt, is de test ongeldig;

l)

de eerste remgebeurtenis van de WLTP-remcyclus tien keer herhalen om de gegevensverzameling, de testparameters, de traagheid van de remtest en de algemene werking van het systeem te verifiëren;

m)

wanneer de koelluchtstroom voor het te testen type as en rem niet bekend is, een bekende waarde instellen die wordt gebruikt voor soortgelijke remmen zoals beschreven in punt 10.1.4. Verifiëren of de geselecteerde koelluchtstroom voldoet aan de specificaties van punt 10. Als dit niet het geval is, de waarde ervan aanpassen volgens de instructies in punt 10.1.4 totdat de nominale waarde is vastgesteld;

n)

aan de hand van de nominale koelluchtstroom verifiëren of de achtergrondemissieniveaus vóór de test binnen de aanvaardbare grenswaarden zoals gedefinieerd in punt 7.2.2.2.2 liggen;

o)

controleren of alle instrumenten en voorzieningen voor rememissiemetingen zijn ingeschakeld en zonder fouten of waarschuwingen werken;

p)

als zich geen problemen voordoen, doorgaan met de onderdelen van het inlopen van de remmen en het meten van de emissies volgens de procedures van respectievelijk punt 11 en punt 12.

Wanneer de koelluchtstroom voor het te testen type as en rem bekend is, voert de testfaciliteit het inlopen en het meten van de emissies uit met nieuwe remonderdelen en niet met de remonderdelen die zijn gebruikt voor de afstelling van de koellucht. In dat geval zijn alle stappen in dit punt, met uitzondering van m), van toepassing op de inloop- en emissiemeetonderdelen.

Wanneer de koelluchtstroom voor het te testen type as en rem niet bekend is, voert de testfaciliteit het koelingaanpassingsonderdeel uit volgens alle stappen van dit punt, met uitzondering van h), n), o) en p). Zodra de koelluchtstroom is aangepast, voert de testfaciliteit het inlopen en het meten van de emissies uit met nieuwe remonderdelen, waarbij alle stappen van dit punt, met uitzondering van m), worden toegepast.

8.3.   

Meting van de remtemperatuur

De testfaciliteit gebruikt ingebouwde thermokoppels om de temperatuur van de remschijf of remtrommel te meten. De volgende specificaties zijn van toepassing:

a)

er moet gebruikgemaakt worden van in de handel verkrijgbare temperatuursensoren die geleiders van nikkel-chroom (Chromel) en nikkel-aluminium (Alumel) bevatten (thermokoppels van type K);

b)

er moet gebruikgemaakt worden van ingebouwde thermokoppels met een temperatuurbereik voor de meting tussen 0 °C en een minimum van 800 °C en een maximaal toelaatbare fout (tolerantie) van ± 2,2 °C of ± 0,75 % van de gemeten waarde;

c)

er moet gebruikgemaakt worden van ingebouwde thermokoppels met een massieve punt die gemakkelijk geïnstalleerd worden om ze op de remonderdelen vast te zetten;

daarnaast zijn de volgende bepalingen voor het plaatsen van de ingebouwde thermokoppels op de remonderdelen van toepassing:

d)

schijfremmen: het ingebouwde thermokoppel moet gepositioneerd zijn in het wrijvingsoppervlak van de buitenschijf — 10 mm radiaal naar buiten ten opzichte van het midden van het wrijvingspad geplaatst — en (0,5 ± 0,1) mm diep verzonken onder het oppervlak van de schijf. Op geventileerde remschijven wordt het thermokoppel tussen twee vinnen van de plaat van de remschijf gecentreerd. Figuur A4/8 illustreert de correcte installatie van ingebouwde thermokoppels op remschijven. Het symbool “X” geeft de straal van het contactoppervlak van de schijf en de remblokken aan;

e)

trommelremmen: het ingebouwde thermokoppel moet gepositioneerd zijn in het midden van het verzonken wrijvingspad (0,5 ± 0,1) mm onder het binnenoppervlak van de remtrommel. Figuur A4/9 illustreert de correcte installatie van ingebouwde thermokoppels op remtrommels;

f)

het wordt sterk ontmoedigd om voor het meten van de temperatuur van remblokken of remschoenen tijdens remdeeltjesemissietests in het kader van dit reglement ingebouwde of andere soorten thermokoppels te installeren.

Figuur A4/8

Schematische installatie van ingebouwde thermokoppels voor remschijven

Image 16

Figuur A4/9

Schematische installatie van ingebouwde thermokoppels voor remtrommels

Image 17

De remtemperatuur wordt gerapporteerd in het tijdgebaseerde bestand zoals beschreven in tabel A4/14. De testfaciliteit gebruikt deze afgelezen waarden van de thermokoppels om de temperatuur van de rem tijdens alle testonderdelen te rapporteren. De testfaciliteit gebruikt bijvoorbeeld de afgelezen temperatuurwaarden van de ingebouwde thermokoppels in het tijdgebaseerde bestand (Tbrake) om de correcte toepassing van de begintemperatuur bij de afzonderlijke rit van de WLTP-remcyclus te verifiëren overeenkomstig de specificaties van punt 9.2.

8.4.   

Positionering van de rem

8.4.1.   

Remcombinatie

De installatiepositie van de remcombinatie bepaalt de rotatieas van de remcombinatie en tegelijkertijd de locatie van de vlakken A1 en D van de remruimte. De juiste installatiepositie wordt geïllustreerd in figuur A4/10 a), waarbij A1 en D loodrecht zo veel mogelijk de rotatieas doorsnijden. Tegelijkertijd wordt de remcombinatie op basis van goede ingenieursinzichten geïnstalleerd, waarbij er zo veel mogelijk voor wordt gezorgd dat de dikte van de schijf binnen het middelste gedeelte van vlak C (gearceerd) blijft, zoals aangegeven in figuur A4/10 b). Bij trommelremmen wordt de wrijvingsring van de trommel zo veel mogelijk binnen dit middelste gedeelte van vlak C geplaatst.

Figuur A4/10

Installatiepositie van de remcombinatie en de remklauw a) ten opzichte van de vlakken A1 en D, b) ten opzichte van vlak C

Image 18

De testfaciliteit gebruikt een geschikte remhouder om de remcombinatie op te monteren door de losse kop (de niet-roterende zijde) te verbinden met de as (roterende zijde) van de remdynamometer. De subsystemen van de remhouder van de dynamometer omvatten ten minste het volgende:

a)

montageonderdelen voor de bevestiging van de opspaninrichting voor de remtest aan de (niet-roterende) losse kop;

b)

structurele onderdelen om het remkoppel en de remkrachten over te brengen op de losse kop;

c)

montageonderdelen voor het nemen van de remklauw of het geheel van de achterplaat voor trommelremmen;

d)

draaiende onderdelen om de remschijf of remtrommel op te monteren;

e)

roterende onderdelen om de as van de remdynamometer te verbinden met de remschijf of remtrommel.

De opspaninrichting van de remcombinatie moet ervoor zorgen dat de rem tijdens de test 360° vrij kan draaien met geringe wrijving en zonder trillingen en oscillaties te vertonen. De testfaciliteit monteert de remcombinatie op de dynamometer met behulp van een remhouder in universele stijl (L0-U) of in kolomstijl (L0-P).

De L0-U maakt het mogelijk de remcombinatie zonder wielnaaf rechtstreeks op de aandrijfas van de dynamometer te bevestigen. De L0-P maakt het mogelijk de lagers van het specifieke voertuig te installeren. De figuren A4/11 en A4/12 laten enkele voorbeelden zien van de schema’s van de verschillende soorten opspaninrichtingen voor respectievelijk schijfremmen en trommelremmen.

Figuur A4/11

Voorbeeld van toegestane soorten opspaninrichtingen voor schijfremmen

Image 19

Figuur A4/12

Voorbeeld van toegestane soorten opspaninrichtingen voor trommelremmen

Image 20

Elke variant van deze opspaninrichtingen (lager aan één zijde rechts of links of lager aan beide zijden) mag worden toegepast op voorwaarde dat een opspaninrichting in de stijl L0 als referentie wordt gebruikt (d.w.z. een cilindrische en symmetrische basis zonder extra uitbreidingen of uitsteeksels die verschillen van die welke nodig zijn om de remklauwassemblage te monteren). Zo zijn in figuur A4/11 drie verschillende versies van een L0-U-opspaninrichting te zien: Met een lager aan twee zijden, een lager aan één zijde, en met een vrijdragende spoel.

Unieke remmontagesystemen voor remtechnologieën waarvoor de L0-U of de L0-P niet geschikt zijn, mogen van dit voorschrift afwijken. In dat geval verstrekt de testfaciliteit de juiste documentatie waaruit de noodzaak van het gebruik ervan blijkt.

De testfaciliteit installeert de remconfiguratie (remschijf en remklauw of trommelcombinatie) zodanig dat deze altijd draait in de afvoerrichting wanneer vooruit wordt gereden, zoals aangegeven in figuur A4/13.

Figuur A4/13

Schematische voorstelling van de schijfrotatie, gezien vanaf de wielzijde (wegzijde)

Image 21

Wanneer de koellucht van rechts naar links stroomt (figuur A4/13 links), draait de schijf tegen de wijzers van de klok in. Wanneer de koellucht van links naar rechts stroomt (figuur A4/13 rechts), draait de schijf met de wijzers van de klok mee. Alternatieve draairichtingen zijn niet toegestaan en maken de test ongeldig.

8.4.2.   

Oriëntatie van de remklauw

De testfaciliteit moet de remklauw zodanig plaatsen dat mogelijke interferentie met de inkomende koellucht tot een minimum wordt beperkt. De remklauw boven de schijf plaatsen met het midden van de remklauw in een 12-uurspositie, zoals geïllustreerd in figuur A4/13, ongeacht de montagestand op het voertuig. Andere oriëntaties (bv. de montagestand van het voertuig) of configuraties van de remklauw zijn niet toegestaan en maken de test ongeldig. De parkeerrem mag niet worden gedemonteerd om een rememissietest uit te voeren. De remmotoraandrijfeenheid mag niet van de remklauw van de elektrische parkeerrem of de e-trommelrem worden gedemonteerd om een rememissietest uit te voeren.

9.   

WLTP-remcyclus

9.1.   

Algemene informatie

De testcyclus voor alle typen remmen moet de op tijd gebaseerde WLTP-remcyclus zijn. De WLTP-remcyclus vereist de constante regeling van de gelijkwaardige lineaire snelheid op de remdynamometer. Figuur A4/14 illustreert de met tijdsresolutie gemeten snelheidscurve van de WLTP-remcyclus.

Figuur A4/14

Met tijdsresolutie gemeten voertuigsnelheid voor de WLTP-remcyclus en classificatie van ritnummers

Image 22

Samengevat omvat de WLTP-remcyclus:

a)

tien (10) afzonderlijke ritten (ritten # 1 – #10) die verschillende rij- en remomstandigheden vertegenwoordigen. De ritten worden gescheiden door koelingsonderdelen. De nummers van de ritten zijn in figuur A4/14 aan de rechterkant van de Y-as aangegeven;

b)

15,826 seconden van actieve snelheidsregeling, exclusief de koelingsonderdelen tussen de afzonderlijke ritten van de cyclus. De snelheidscurve van de WLTP-remcyclus wordt gegeven in aanhangsel 1;

c)

303 remvertragingsgebeurtenissen. De belangrijkste kenmerken van elke afzonderlijke remvertragingsgebeurtenis worden beschreven in aanhangsel 2;

d)

een totale gereden afstand van 192 km met een gemiddelde snelheid van 43,7 km/h en een maximumsnelheid van 132,5 km/h;

e)

een gemiddelde remvertragingsfactor van 0,97 m/s2. Een maximale remvertragingsfactor van 2,18 m/s2;

f)

een gemiddelde remvertragingsduur van 5,7 s. Een maximale remvertragingsduur van 15 s.

9.2.   

Toepassing van de WLTP-remcyclus

9.2.1.   

Koelingaanpassingsonderdeel

De aanpassing van de koellucht voor het testen van verschillende remmen wordt uitgevoerd met behulp van rit #10 van de WLTP-remcyclus zoals beschreven in punt 10 van deze bijlage. Er zijn specifieke bepalingen met betrekking tot de remtemperatuur aan het begin van rit #10 van toepassing op het koelingaanpassingsonderdeel. De testfaciliteit voert de volgende stappen uit:

a)

de koelluchtstroom instellen op de in punt 10 bepaalde nominale waarde;

b)

de rem verwarmen tot (40 ± 1) °C na een opeenvolging van remgebeurtenissen #1 tot en met #7 van rit #10 (remgebeurtenissen #190 tot en met #196 wanneer de volledige WLTP-remcyclus in aanmerking wordt genomen), gevolgd door een koelingsfase tot (40 ± 1) °C;

c)

indien de doeltemperatuur niet kan worden bereikt met de toepassing van de in punt b) beschreven opeenvolging, een van de remgebeurtenissen #1 tot en met #7 van rit #10 selecteren en deze meerdere keren herhalen totdat de remtemperatuur (40 ± 1) °C bereikt;

d)

beginnen met rit #10 van de WLTP-remcyclus bij een remtemperatuur van (40 ± 1) °C;

e)

rit #10 van de WLTP-remcyclus zonder onderbreking uitvoeren. In punt 9.3.1 worden de nodige maatregelen in geval van onderbrekingen beschreven.

Niet-naleving van de beschreven bepalingen inzake de remtemperatuur leidt tot een ongeldige afstelling van de koeling. In dat geval herhaalt de testfaciliteit het koelingaanpassingsonderdeel door een andere luchtstroom toe te passen. Dezelfde remonderdelen mogen worden gebruikt om de afstelling van de koeling te herhalen.

9.2.2.   

Inlooponderdeel

Het inlooponderdeel en het daaropvolgende emissiemeetonderdeel moeten met nieuwe onderdelen worden uitgevoerd. De inloopprocedure bestaat uit vijf opeenvolgende runs van de WLTP-remcyclus zoals beschreven in punt 11 van deze bijlage. Voor de correcte uitvoering van elke WLTP-remcyclus moeten alle tien ritten na elkaar worden uitgevoerd. Er zijn specifieke bepalingen met betrekking tot de remtemperatuur aan het begin van elke WLTP-remcyclus van toepassing op de inloopprocedure. De testfaciliteit voert de volgende stappen uit:

a)

de koelluchtstroom instellen op de nominale waarde voor de te testen rem volgens de in punt 10 beschreven procedure;

b)

beginnen met de eerste rit van de WLTP-remcyclus bij een remtemperatuur van (25 ± 5) °C;

c)

tijdens de inloopprocedure geen afkoelingsonderdelen toepassen tussen de afzonderlijke ritten van de WLTP-remcyclus;

d)

afkoelingsonderdelen toepassen tussen de vijf herhalingen van de WLTP-remcyclus. Elk van de vier daaropvolgende WLTP-remcycli beginnen wanneer de remtemperatuur daalt tot 40 °C;

e)

als de remtemperatuur aan het einde van de vorige WLTP-remcyclus tussen 30 °C en 40 °C ligt, onmiddellijk met de volgende WLTP-remcyclus beginnen zonder dat wordt ingegrepen om de rem te verwarmen;

f)

als de remtemperatuur aan het einde van de vorige WLTP-remcyclus lager is dan 30 °C, het inlooponderdeel beëindigen en afwijkingen in de uitvoering van de test vaststellen of de aanpassing van de koeling herhalen. Nadat het probleem is verholpen, het inlooponderdeel vanaf het begin herhalen;

g)

de vijf afzonderlijke WLTP-remcycli zonder onderbreking achtereenvolgens uitvoeren. In punt 9.3.2 worden de nodige maatregelen in geval van onderbrekingen beschreven.

De in dit punt gespecificeerde minimumdrempeltemperatuur van 30 °C geldt voor alle geteste remmen. Niet-naleving van de beschreven voorschriften inzake de remtemperatuur leidt tot een ongeldige inlooptest en de testfaciliteit moet het inlooponderdeel herhalen. Bij herhaling van de inloopprocedure moet een nieuwe set remonderdelen worden gebruikt.

9.2.3.   

Emissiemeetonderdeel

Voor de correcte uitvoering van de WLTP-remcyclus moeten alle tien ritten na elkaar worden uitgevoerd. Tijdens de uitvoering van het emissiemeetonderdeel zijn afkoelingsonderdelen tussen de afzonderlijke ritten van de WLTP-remcyclus verplicht. Er zijn specifieke bepalingen met betrekking tot de remtemperatuur aan het begin van elke rit van de WLTP-remcyclus van toepassing op de emissiemeting. De testfaciliteit voert de volgende stappen uit:

a)

de koelluchtstroom instellen op de nominale waarde voor de te testen rem volgens de in punt 10 beschreven procedure;

b)

beginnen met rit #1 van de WLTP-remcyclus bij een remtemperatuur van (25 ± 5) °C, zonder stops of remstoten met het oog op verwarming toe te passen;

c)

afkoelingsonderdelen toepassen tussen de tien ritten van de WLTP-remcyclus. Elk van de ritten #2 tot en met #10 beginnen zodra de remtemperatuur daalt tot 40 °C;

d)

voor de ritten #2 tot en met #10, indien de remtemperatuur aan het einde van de vorige ritten tussen 30 °C en 40 °C ligt, onmiddellijk met de daarop volgende rit beginnen zonder onderbrekingen om de remschijf te verwarmen. Voor de achterremmen wordt de waarde van 30 °C verlaagd tot 20 °C;

e)

voor de ritten #2 tot en met #10, indien de remtemperatuur aan het einde van de vorige rit lager is dan 30 °C (20 °C voor de achterremmen), de emissietest beëindigen en afwijkingen in de uitvoering van de test vaststellen of de aanpassing van de koeling herhalen. Nadat het probleem is verholpen, vanaf het begin van het inlooponderdeel herhalen met een nieuwe set remonderdelen;

f)

de WLTP-remcyclus zonder onderbreking uitvoeren. In punt 9.3.3 worden de nodige maatregelen in geval van onderbrekingen beschreven;

g)

in geval van actieve remfiltervoorzieningen gebruikt de testfaciliteit de signalen “remdruk” en “lineaire snelheid” om de filterfunctie te activeren op de begintijd van de remgebeurtenis zoals gedefinieerd in punt 13.1. In dat geval mag de actieve filterfunctie maximaal vijf seconden na de in punt 13.1 gedefinieerde eindtijd van de remgebeurtenis worden uitgeschakeld.

De in dit punt gespecificeerde minimumdrempeltemperatuur van 30 °C geldt voor alle remmen. Niet-naleving van de beschreven bepalingen inzake de remtemperatuur leidt tot een ongeldige emissietest.

9.3.   

Onderbrekingen van de WLTP-remcyclus

9.3.1.   

Koelingaanpassingsonderdeel

Als de test tijdens het koelingaanpassingsonderdeel wordt onderbroken (of als de dynamometer storing heeft), beëindigt de testfaciliteit de test en start zij de koelingaanpassingsprocedure vanaf het begin opnieuw. In dat geval mag de testfaciliteit, nadat zij een gegevenscontrole en een visuele inspectie heeft uitgevoerd zonder de remcombinatie te verstoren, dezelfde remcombinatie gebruiken om de volgende versie van rit #10 uit te voeren en het koelingaanpassingsonderdeel af te ronden. Indien er bij de inspectie zaken zijn die de test in gevaar kunnen brengen (losse onderdelen, lekkage van remvloeistof, verkeerde montage, buitensporige trillingen enz.), monteert de testfaciliteit een nieuwe remcombinatie en herhaalt zij de procedure volgens de specificaties van punt 8.2.

9.3.2.   

Inlooponderdeel

Als de test tijdens het inlooponderdeel wordt onderbroken (of als de dynamometer storing heeft), zet de testfaciliteit het inlopen voort vanaf het punt van onderbreking, rekening houdend met het laatst geregistreerde tijdstempel in het tijdgebaseerde bestand met niet-nulwaarden voor de remparameters. De testfaciliteit mag geen stops of remstoten met het oog op verwarming uitvoeren om 30 °C te bereiken als de werkelijke remtemperatuur lager is. De testfaciliteit mag de onderdelen niet demonteren. Indien de remonderdelen na het begin van het inlooponderdeel worden gedemonteerd, zijn zij niet langer geschikt voor het voltooien van het inlopen en de daaropvolgende emissiemeting. In dat geval vervangt de testfaciliteit ze door nieuwe remonderdelen en herhaalt zij de inloopprocedure vanaf het begin.

Indien het inlooponderdeel een tweede keer wordt onderbroken, verklaart de testfaciliteit de test ongeldig, verwijdert zij de gebruikte onderdelen en gebruikt zij nieuwe om een nieuwe test uit te voeren, met inbegrip van het inlooponderdeel en het emissiemeetonderdeel.

9.3.3.   

Emissiemeetonderdeel

Als de test tijdens het emissiemeetonderdeel (met inbegrip van afkoeling) wordt onderbroken, beëindigt de testfaciliteit het emissiemeetonderdeel, verklaart zij de test ongeldig, verwijdert zij de gebruikte onderdelen en gebruikt zij nieuwe om een nieuwe test uit te voeren, met inbegrip van het inlooponderdeel en het emissiemeetonderdeel.

9.4.   

Kwaliteitscontroles van de WLTP-remcyclus

De volgende kwaliteitscontroles worden uitgevoerd om de correcte uitvoering van de WLTP-remcyclus te verifiëren. Een geldige emissietest moet aan alle hieronder beschreven criteria voldoen.

9.4.1.   

Controle van snelheidsoverschrijdingen

De kwaliteitscontrole van snelheidsoverschrijdingen is nodig om ervoor te zorgen dat de remdynamometer de snelheidscurve van de WLTP-remcyclus correct heeft uitgevoerd. Er is sprake van een snelheidsoverschrijding wanneer de werkelijke snelheid van de dynamometer buiten de door de voorgeschreven (nominale) snelheid bepaalde toleranties van de snelheidscurve ligt:

a)

tolerantie voor de hoogste snelheid: 2,0 km/h hoger dan de nominale lineaire snelheidscurve binnen ± 1,0 seconde van het aangegeven tijdstip;

b)

tolerantie voor de laagste snelheid: 2,0 km/h lager dan de nominale lineaire snelheidscurve binnen ± 1,0 seconde van het aangegeven tijdstip;

Figuur A4/15 toont de bovenste en onderste snelheidstolerantiegrenzen zoals toegepast in de WLTP-remcyclus.

Figuur A4/15

Tolerantiegrenzen voor snelheidsoverschrijdingen tijdens de WLTP-remcyclus

Image 23

c)

tijdens het koelingaanpassingsonderdeel mag het aantal snelheidsoverschrijdingen niet meer dan 158 bedragen voor elke volledige rit #10 van de WLTP-remcyclus. Dit komt overeen met 3 % van de duur van rit #10;

d)

tijdens het inlooponderdeel mag het aantal snelheidsoverschrijdingen niet meer dan 475 bedragen voor elke volledige WLTP-remcyclus. Dit komt overeen met 3 % van de duur van de WLTP-remcyclus en geldt voor alle vijf herhalingen van de WLTP-remcyclus;

e)

tijdens het emissiemeetonderdeel mag het aantal snelheidsoverschrijdingen niet meer dan 475 bedragen voor elke volledige WLTP-remcyclus. Dit komt overeen met 3 % van de duur van de WLTP-remcyclus. De afkoelingsonderdelen worden niet in de berekening meegenomen;

f)

het aantal snelheidsoverschrijdingen in alle onderdelen zoals gedefinieerd in tabel A4/14 berekenen en rapporteren. De berekening van snelheidsoverschrijdingen omvat alle soorten gebeurtenissen (in stilstand, versnellen, rijden met constante snelheid en vertragen), maar niet de afkoelingsonderdelen;

g)

als rit #10 van de WLTP-remcyclus niet wordt uitgevoerd tijdens het koelingaanpassingsonderdeel of de volledige WLTP-remcyclus niet wordt uitgevoerd tijdens de inloop- en emissiemeetonderdelen binnen de in dit punt gedefinieerde snelheidstoleranties, leidt dit tot een ongeldige rememissietest.

9.4.2.   

Aantal vertragingsgebeurtenissen

Bij deze kwaliteitscontrole wordt het aantal uitgevoerde remgebeurtenissen onderzocht. Er moet worden nagegaan of alle 303 remgebeurtenissen van de WLTP-remcyclus tijdens het emissiemeetonderdeel zijn toegepast. Er is sprake van een schending van dit criterium wanneer het werkelijke aantal toegepaste remgebeurtenissen niet gelijk is aan de nominale waarde (d.w.z. 303).

De testfaciliteit verifieert het aantal toegepaste remgebeurtenissen zoals gedefinieerd in tabel A4/14. De parameters “duur van de stilstand” en “afstandsgemiddelde vertragingsfactor” worden gecontroleerd en er worden geverifieerd of zij beide 303 numerieke en niet-nulwaarden omvatten die overeenkomen met de respectieve 303 remgebeurtenissen van de WLTP-remcyclus.

Deze kwaliteitscontrole is alleen van toepassing op het emissiemeetonderdeel. Als de 303 remgebeurtenissen van de WLTP-remcyclus tijdens het emissiemeetonderdeel niet worden uitgevoerd zoals gedefinieerd in dit punt, leidt dit tot een ongeldige test.

9.4.3.   

Kinetische energiedissipatie

De kwaliteitscontrole van de kinetische energiedissipatie is nodig om ervoor te zorgen dat de juiste hoeveelheid specifieke wrijvingsarbeid (wf) wordt toegepast tijdens de uitvoering van de WLTP-remcyclus. Het is ook een aanvullende kwaliteitscontrole om na te gaan of andere inputparameters (bv. traagheid van de remtest) correct zijn berekend en toegepast. Deze kwaliteitscontrole is van toepassing op alle remmen die zijn gemonteerd op voertuigen die onder dit reglement vallen. De parameters van het oudervoertuig van de remhoekemissiefamilie worden voor de berekeningen gebruikt bij het testen van niet-wrijvingsremmen.

Er is sprake van een schending van de kwaliteitscontrole van de kinetische energiedissipatie indien de som van de berekende specifieke wrijvingsarbeid van alle remgebeurtenissen gedurende rit #10 van de WLTP-remcyclus (voor het koelingaanpassingsonderdeel) en de volledige WLTP-remcyclus (voor het inloop- of emissiemeetonderdeel) buiten de vastgestelde toleranties valt:

a)

bovenste tolerantie voor de specifieke wrijvingsarbeid van rit #10: 278 J/kg hoger dan de nominale waarde van de specifieke wrijvingsarbeid van 5 557 J/kg. De bovenste tolerantie voor de specifieke wrijvingsarbeid bedraagt dus 5 835 J/kg;

b)

onderste tolerantie voor de specifieke wrijvingsarbeid van rit #10: 278 J/kg lager dan de nominale waarde van de specifieke wrijvingsarbeid van 5 557 J/kg. De onderste tolerantie voor de specifieke wrijvingsarbeid bedraagt dus 5 279 J/kg;

c)

bovenste tolerantie voor de specifieke wrijvingsarbeid van de WLTP-remcyclus: 799 J/kg hoger dan de nominale waarde van de specifieke wrijvingsarbeid van 15 986 J/kg. De bovenste tolerantie voor de specifieke wrijvingsarbeid bedraagt dus 16 785 J/kg;

d)

onderste tolerantie voor de specifieke wrijvingsarbeid van de WLTP-remcyclus: 799 J/kg lager dan de nominale waarde van de specifieke wrijvingsarbeid van 15 986 J/kg. De onderste tolerantie voor de specifieke wrijvingsarbeid bedraagt dus 15 187 J/kg;

e)

tijdens het koelingaanpassingsonderdeel moet de berekende specifieke wrijvingsarbeid gedurende rit #10 tussen 5 279 J/kg en 5 835 J/kg liggen. Dit komt overeen met ± 5 % van de nominale waarde;

f)

tijdens het inlooponderdeel moet de berekende specifieke wrijvingsarbeid gedurende de WLTP-remcyclus tussen 15 187 J/kg en 16 785 J/kg liggen. Dit komt overeen met ± 5 % van de nominale waarde en geldt voor alle vijf herhalingen van de WLTP-remcyclus;

g)

tijdens het emissiemeetonderdeel moet de berekende specifieke wrijvingsarbeid gedurende de WLTP-remcyclus tussen 15 187 J/kg en 16 785 J/kg liggen. Dit komt overeen met ± 5 % van de nominale waarde. De afkoelingsonderdelen worden niet in de berekening meegenomen;

h)

de testfaciliteit berekent de specifieke wrijvingsarbeid voor elke remgebeurtenis met behulp van het snel gemeten signaal van het werkelijke koppel en het snel gemeten signaal van de omwentelingssnelheid van het testsysteem. De integratie begint 1,0 s voordat de remvertragingsgebeurtenis begint tot 1,0 s nadat de remvertragingsgebeurtenis eindigt volgens vergelijking 9.1:

Formula

(Verg. 9.1)

waarin:

wf,n

= de specifieke wrijvingsarbeid van de ne remvertragingsgebeurtenis in J/kg;

WLt

= de testwielbelasting (of toegepaste wielbelasting) in kg volgens tabel A4/3;

tstart,nom,n

= de begintijd van de ne nominale remvertragingsgebeurtenis in s;

tend,nom, n

= de eindtijd van de ne nominale remvertragingsgebeurtenis in s;

f(t)

= het snelle signaal van de omwentelingssnelheid in 1/min;

τbrake

= het snelle signaal van het remkoppel in N m;

Zowel de begintijd van de remvertragingsgebeurtenis als de eindtijd van de remvertraging voor elke gebeurtenis worden bepaald op basis van de snel gemeten nominale lineaire snelheid. De versnelling wordt berekend op basis van de snel gemeten nominale snelheid. Een bepaalde remgebeurtenis begint bij de eerste keer dat deze versnellingswaarde 0,25 m/s2 overschrijft en eindigt bij de eerste keer dat deze versnellingswaarde onder 0,25 m/s2 komt;

i)

vergelijking 9.1 geeft de specifieke wrijvingsarbeid voor elk van de remgebeurtenissen 114 en 303 van respectievelijk rit #10 en de WLTP-remcyclus. De testfaciliteit berekent de totale specifieke wrijvingsarbeid door de berekende specifieke wrijvingsarbeid van de afzonderlijke remgebeurtenissen bij elkaar op te tellen. De totale specifieke wrijvingsarbeid wordt vergeleken met de voorgeschreven (nominale) waarde van de specifieke wrijvingsarbeid zoals beschreven in a) tot en met c) van dit punt;

j)

indien geen van de onderdelen van de rememissietest met een totale specifieke wrijvingsarbeid binnen de in dit punt gedefinieerde toleranties wordt voltooid, leidt dit tot een ongeldige test.

10.   

Aanpassing van de koelluchtstroom

Verschillende testsystemen kunnen verschillende combinaties van ontwerp en grootte van de remruimte, de luchtstroom of luchtsnelheid en de opzet en geometrie van het kanaalsysteem omvatten. In dit punt wordt de juiste methode vastgesteld om de luchttoevoersnelheid aan te passen om te zorgen voor vergelijkbare thermische remregimes in de testfaciliteiten.

10.1.   

Beschrijving van de methode

10.1.1.   

Definitie van remcombinatiegroepen en controleparameters

Om de juiste koelluchtstroom voor de te testen rem te bepalen, deelt de testfaciliteit de rem eerst in volgens een nominale voorwielbelasting (WLn-f) op de massa van de schijf of trommel (indien een trommel als voorrem wordt gebruikt) in een massagroep (DM) op basis van de verhouding (WLn-f/DM).

De WLn-f/DM-verhouding wordt berekend door de WLn-f (kg) te delen door de massa van de schijf of trommel (indien een trommel als voorrem wordt gebruikt) (kg) vóór de test. De testfaciliteit bepaalt de WLn-f volgens de specificaties van punt 8.1.

Er worden vier verschillende groepen gedefinieerd op basis van de WLn-f/DM-verhouding: Groep 1 met WLn-f/DM ≤ 45; Groep 2 met 45 < WLn-f/DM ≤ 65; Groep 3 met 65 < WLn-f/DM ≤ 85; Groep 4 met WLn-f/DM > 85.

De testfaciliteit past tijdens de uitvoering van alle onderdelen van de rememissietest de in punt 8.1 d) beschreven testwielbelasting (WLt) toe, en niet de nominale wielbelasting (WLn).

Er zijn drie controleparameters vastgesteld voor de aanpassing van de koellucht van de te testen rem. De doelwaarden en toegestane toleranties voor deze parameters verschillen per WLn-f/DM-groep. De testfaciliteit gebruikt de volgende parameters als referentie aan de hand waarvan de testresultaten van de aanpassing van de koeling worden vergeleken:

a)

gemiddelde remtemperatuur gedurende rit #10 van de WLTP-remcyclus (ABT);

b)

gemiddelde beginremtemperatuur van zes geselecteerde remgebeurtenissen uit rit #10 van de WLTP-remcyclus (IBT);

c)

gemiddelde eindremtemperatuur van zes geselecteerde remgebeurtenissen uit rit #10 van de WLTP-remcyclus (FBT).

De onder b) en c) van dit punt bedoelde remgebeurtenissen zijn #46, #101, #102, #103, #104 en #106 van rit #10. De details van de beoogde remgebeurtenissen worden gespecificeerd in tabel A4/4. Wanneer de volledige WLTP-remcyclus in aanmerking wordt genomen, zijn de overeenkomstige volgnummers van de remgebeurtenissen #235, #290, #291, #292, #293 en #295.

Tabel A4/4

Specifieke remgebeurtenissen uit rit #10 van de WLTP-remcyclus

Parameter

Eenheid

Vertragingsgebeurtenis

#46

#101

#102

#103

#104

#106

Begintijd

s

2 088

4 438

4 459

4 494

4 522

4 903

Eindtijd

s

2 092

4 447

4 467

4 503

4 529

4 918

Remduur

s

4,0

9,0

8,0

9,0

7,0

15,0

Beginsnelheid

km/h

97,4

112,0

68,2

80,9

73,4

132,5

Eindsnelheid

km/h

82,7

56,1

12,0

35,3

39,3

34,0

10.1.2.   

Controle van de parameters en toleranties voor de remtemperatuur

De doelwaarden en de overeenkomstige toleranties voor de drie controleparameters zijn vermeld in tabel A4/5

Tabel A4/5

Standaardtemperatuurgrootheden en -toleranties voor de remmen tijdens rit #10 van de WLTP-remcyclus

Groep

ABT [A1]

IBT [A2] ± Tolerantie

FBT [A3] ± Tolerantie

WLn-f/DM ≤ 45

≥ 50 °C

65 ± 25 °C

95 ± 35 °C

45 < WLn-f/DM ≤ 65

≥ 55 °C

75 ± 25 °C

115 ± 35 °C

65 < WLn-f/DM ≤ 85

≥ 60 °C

85 ± 25 °C

130 ± 35 °C

WLn-f/DM > 85

≥ 65 °C

95 ± 25 °C

150 ± 35 °C

a)

de doelwaarden en de overeenkomstige toleranties voor de drie controleparameters zijn van toepassing op alle typen voorremmen die zijn gemonteerd in alle voertuigtypen die onder dit reglement vallen, met uitzondering van koolstofkeramische schijfremmen. Voor koolstofkeramische schijfremmen zijn de standaardtemperatuurgrootheden van toepassing; de temperatuurgrootheden van de ABT [A1] worden echter met 15 °C verlaagd en de toleranties voor de onderkant van het temperatuurregime worden uitgebreid tot -40 °C voor de IBT [A2] en tot -50 °C voor de FBT [A3;

b)

voor schijfremmen achter moet de nominale (of ingestelde) koelluchtstroom worden toegepast die is gedefinieerd voor de overeenkomstige toepassing van de voorrem (d.w.z. dezelfde voertuiggegevens). In dit geval moet de toewijzing van de rem in een WLn-f/DM-categorie zoals beschreven in punt 10.1.1 worden uitgevoerd aan de hand van de gegevens van de voorrem;

c)

voor trommelremmen achter moet de nominale (of ingestelde) koelluchtstroom worden toegepast die is gedefinieerd voor de overeenkomstige toepassing van de voorrem (d.w.z. dezelfde voertuiggegevens). In dit geval moet de toewijzing van de rem in een WLn-f/DM-categorie zoals beschreven in punt 10.1.1 worden uitgevoerd aan de hand van de gegevens van de voorrem.

10.1.3.   

Berekening van de controleparameters en aanvaardingscriteria

Zodra de rem is ingedeeld in zijn WLn-f/DM-groep volgens punt 10.1.1, voert de testfaciliteit rit #10 van de WLTP-remcyclus uit met nieuwe remonderdelen om de waarden van de controleparameters te verkrijgen voor het invullen van de cellen in tabel A4/6. De testfaciliteit voert de WLt-f zoals gedefinieerd in punt 8.1. d) uit om de koellucht aan te passen overeenkomstig punt 10.1.4. De gemeten waarden voor de controleparameters worden aan de hand van de geproduceerde testrapporten als volgt berekend:

a)

gemiddelde remtemperatuur gedurende rit #10 van de WLTP-remcyclus (ABT):

i)

de doelwaarde value (A1) hangt af van de WLn-f/DM-groep en wordt gedefinieerd in tabel A4/5;

ii)

de gemeten waarde (B1) wordt berekend met behulp van het tijdgebaseerde bestand van de rememissietest zoals gedefinieerd in tabel A4/14;

iii)

B1 is gelijk aan het gemiddelde van alle vermeldingen van de remtemperatuur die overeenkomen met de volledige duur van rit #10 (5 272 s).

b)

gemiddelde beginremtemperatuur van geselecteerde remgebeurtenissen uit rit #10 van de WLTP-remcyclus (IBT):

i)

de doelwaarde (A2) en toleranties hangen af van de WLn-f/DM-groep en worden gedefinieerd in tabel A4/5;

ii)

de gemeten waarde (B2) wordt berekend met behulp van het gebeurtenisgebaseerde bestand van de rememissietest zoals gedefinieerd in tabel A4/14;

iii)

B2 is gelijk aan de gemiddelde temperatuurwaarde van de afzonderlijke IBT-waarden die zijn geregistreerd voor elk van de zes geselecteerde remgebeurtenissen zoals beschreven in tabel A4/4. De testfaciliteit berekent B2 aan de hand van vergelijking 10.1

Formula

(Verg. 10.1)

waarin:

B2

= de gemiddelde IBT van geselecteerde remgebeurtenissen van rit #10 van de WLTP-remcyclus in °C;

Y1

= de IBT van remgebeurtenis #46 uit rit #10 van de WLTP-remcyclus in °C;

Y2

= de IBT van remgebeurtenis #101 uit rit #10 van de WLTP-remcyclus in °C;

Y3

= de IBT van remgebeurtenis #102 uit rit #10 van de WLTP-remcyclus in °C;

Y4

= de IBT van remgebeurtenis #103 uit rit #10 van de WLTP-remcyclus in °C;

Y5

= de IBT van remgebeurtenis #104 uit rit #10 van de WLTP-remcyclus in °C;

Y6

= de IBT van remgebeurtenis #106 uit rit #10 van de WLTP-remcyclus in °C;

c)

gemiddelde eindremtemperatuur van geselecteerde remgebeurtenissen uit rit #10 van de WLTP-remcyclus (FBT):

i)

de doelwaarde (A3) en toleranties hangen af van de WLn-f/DM-groep en worden gedefinieerd in tabel A4/5;

ii)

de gemeten waarde (B3) wordt berekend met behulp van het gebeurtenisgebaseerde bestand van de rememissietest zoals gedefinieerd in tabel A4/14;

iii)

B3 is gelijk aan de gemiddelde temperatuurwaarde van de afzonderlijke FBT-waarden die zijn geregistreerd voor elk van de zes geselecteerde remgebeurtenissen zoals beschreven in tabel A4/4. De testfaciliteit berekent B3 aan de hand van vergelijking 10.2

Formula

(Verg. 10.2)

waarin:

B3

= de gemiddelde FBT van geselecteerde remgebeurtenissen van rit #10 van de WLTP-remcyclus in °C;

Z1

= de FBT van remgebeurtenis #46 uit rit #10 van de WLTP-remcyclus in °C;

Z2

= de FBT van remgebeurtenis #101 uit rit #10 van de WLTP-remcyclus in °C;

Z3

= de FBT van remgebeurtenis #102 uit rit #10 van de WLTP-remcyclus in °C;

Z4

= de FBT van remgebeurtenis #103 uit rit #10 van de WLTP-remcyclus in °C;

Z5

= de FBT van remgebeurtenis #104 uit rit #10 van de WLTP-remcyclus in °C;

Z6

= de FBT van remgebeurtenis #106 uit rit #10 van de WLTP-remcyclus in °C.

Na de aanpassing van de koeling met de geselecteerde luchtstroom vergelijkt de testfaciliteit de geregistreerde temperatuurwaarden van de controleparameters met de overeenkomstige doelwaarden in tabel A4/5. Het verschil tussen de doel- en testresultaten voor de controletemperatuurparameters wordt berekend aan de hand van de vergelijkingen 10.3, 10.4 en 10.5:

Formula

(Verg. 10.3)

waarin:

C1

= het verschil in gemiddelde remtemperaturen gedurende rit #10 van de WLTP-remcyclus in °C;

B1

= de gemeten ABT gedurende rit #10 van de WLTP-remcyclus in °C;

A1

= de doel-ABT gedurende rit #10 van de WLTP-remcyclus in °C volgens tabel A4/5

Formula

(Verg. 10.4)

waarin:

C2

= het absolute verschil in gemiddelde IBT van de geselecteerde gebeurtenissen in °C;

B2

= de gemiddelde IBT van geselecteerde remgebeurtenissen van rit #10 van de WLTP-remcyclus in °C;

A2

= de doel-IBT van de geselecteerde remgebeurtenissen van rit #10 in °C volgens tabel A4/5

Formula

(Verg. 10.5)

waarin:

C3

= het absolute verschil in gemiddelde FBT van de geselecteerde gebeurtenissen in °C;

B3

= de gemiddelde FBT van geselecteerde remgebeurtenissen van rit #10 van de WLTP-remcyclus in °C;

A3

= de doel-FBT van de geselecteerde remgebeurtenissen van rit #10 in °C volgens tabel A4/5

De testfaciliteit vergelijkt de verkregen resultaten met de aanvaardbaarheidscriteria van tabel A4/6.

Tabel A4/6

Berekening van de remtemperatuurgrootheden en aanvaardbaarheidscriteria gedurende rit #10

Gebeurtenis van rit #10

Grootheid

Doeltemperatuur

Testtemperatuur van de koelaanpassing

Verschil

Aanvaardingscriteria

ABT

A1

B1

C1 volgens vergelijking 10.3

C1 ≥ 0 °C

Gemiddelde IBT

A2

B2 volgens vergelijking 10.1

C2 volgens vergelijking 10.4

C2 ≤ 25 °C

#46

 

 

Y1

n.v.t.

n.v.t.

#101

Y2

#102

Y3

#103

Y4

#104

Y5

#106

Y6

Gemiddelde FBT

A3

B3 volgens vergelijking 10.2

C3 volgens vergelijking 10.5

C3 ≤ 35 °C

#46

 

 

Z1

n.v.t.

n.v.t.

#101

Z2

#102

Z3

#103

Z4

#104

Z5

#106

Z6

d)

om het koelingaanpassingsonderdeel succesvol af te ronden, moet aan alle drie de criteria worden voldaan. Indien de koelingaanpassingstest niet aan alle grootheden van tabel A4/5 voldoet, herhaalt de testfaciliteit de procedure voor het aanpassen van de koelluchtstroom dienovereenkomstig. Als meerdere koelluchtstromen voldoen aan de voorschriften voor alle grootheden in tabel A4/5, selecteert de testfaciliteit de koelluchtstroom die dichter bij 950 Nm3/h ligt en voldoet aan alle in punt 12 vastgestelde voorschriften voor isokinetische bemonstering;

e)

als er geen geschikte koelluchtstroom is die voldoet aan alle drie de in tabel A4/5 gespecificeerde grootheden, selecteert de testfaciliteit een geschikte koelluchtstroom die voldoet aan de aanvaardbare criteria voor ten minste twee parameters, waarvan er één altijd de gemiddelde temperatuur van rit #10 (ABT) moet zijn. In dat geval, indien de gemeten remtemperatuur voor de niet gehaalde meetgegevens (IBT of FBT) onder de in tabel A4/5 gespecificeerde onderste drempelwaarde ligt, toont de testfaciliteit aan dat een test met de minimale operationele stroom van het systeem is uitgevoerd. Indien de gemeten remtemperatuur voor de niet gehaalde meetgegevens (IBT of FBT) hoger is dan de in tabel A4/5 gespecificeerde bovenste drempelwaarde, toont de testfaciliteit aan dat een test met de maximale operationele stroom van het systeem is uitgevoerd. De overeenkomstige gebeurtenis- en tijdgebaseerde bestanden voor de niet-succesvolle koelingaanpassingstests worden in het testresultaat opgenomen;

f)

indien de maximale operationele stroom wordt toegepast en zowel de IBT als de FBT hoger zijn dan de in tabel A4/5 gespecificeerde bovenste drempelwaarden, voert de testfaciliteit het inloop- en het emissiemeetonderdeel uit met toepassing van de maximale operationele stroom van het systeem. In een dergelijk geval omvatten de rapportagegegevens de ABT-, IBT- en FBT-waarden die zijn afgeleid van het koelingaanpassingsonderdeel met toepassing van de maximale operationele stroom. De overeenkomstige gebeurtenis- en tijdgebaseerde bestanden worden in het testresultaat opgenomen; indien de minimale operationele stroom wordt toegepast en zowel de IBT als de FBT onder de in tabel A4/5 gespecificeerde onderste drempelwaarden liggen, voert de testfaciliteit het inloop- en het emissiemeetonderdeel uit met toepassing van de minimale operationele stroom van het systeem. In een dergelijk geval omvatten de rapportagegegevens de ABT-, IBT- en FBT-waarden die zijn afgeleid van het koelingaanpassingsonderdeel met toepassing van de minimale operationele stroom. De overeenkomstige gebeurtenis- en tijdgebaseerde bestanden worden in het testresultaat opgenomen;

g)

indien de minimale operationele stroom wordt toegepast en alle drie de temperatuurgrootheden onder de in tabel A4/5 gespecificeerde onderste drempelwaarden liggen, wordt de aanpassing van de koellucht als ongeldig beschouwd.

10.1.4.   

Remdynamometertest om de koelluchtstroom aan te passen

De testfaciliteit gebruikt de vooras om de koelluchtstroom voor beide assen te bepalen, ongeacht het type of de grootte van de op de achteras gemonteerde rem. De testfaciliteit voert de volgende stappen uit om de koelluchtstroom aan te passen wanneer een rem voor het eerst op een bepaalde dynamometer voor een bepaald voertuig wordt getest:

a)

de in punt 8.2 beschreven specificaties voor de voorbereiding van de testopstelling volgen;

b)

de koelluchtstroom aanpassen tot een bekende waarde die voor soortgelijke remmen wordt gebruikt. Bij gebrek aan een nuttige referentie 950 Nm3/h gebruiken om met de test te beginnen;

c)

één run van rit #10 van de WLTP-remcyclus uitvoeren die begint met een remtemperatuur van 40 °C. De rem verwarmen tot 40 °C volgens de instructies van punt 9.2.1;

d)

de berekeningen uitvoeren met behulp van punt 10.1.3 en de resultaten en afwijkingen voor de doelparameters beoordelen;

e)

als de testrun aan alle grootheden van tabel A4/5 voldoet, het proces voltooien en het testrapport opstellen overeenkomstig de specificaties van punt 13. In dit geval wordt de in b) gebruikte koelluchtstroom gedefinieerd als de nominale luchtstroom voor de desbetreffende rem (Qset);

f)

bij voorremmen doorgaan met de volgende onderdelen van de rememissietest en ervoor zorgen dat dezelfde dynamometerinstellingen worden toegepast als bij de koelingafstellingprocedure. De testfaciliteit gebruikt een nieuwe set remonderdelen om het inlopen en de emissietests uit te voeren. De testfaciliteit mag voor het inlopen en de emissietests dezelfde remklauw gebruiken als tijdens het koelingaanpassingsonderdeel;

g)

in het geval van achterremmen doorgaan met de volgende onderdelen van de rememissietest en ervoor zorgen dat de juiste dynamometerinstellingen voor de achteras worden toegepast. De vereiste koelluchtstroom moet dezelfde zijn als de waarde die is bepaald voor de voorasrem van het desbetreffende voertuig. Als verschillende koelluchtstromen van de voorasrem voldoen aan de voorschriften voor alle grootheden in tabel A4/5, selecteert de testfaciliteit de koelluchtstroom die dichter bij 950 Nm3/h ligt, mits deze voldoet aan de in punt 12 vastgestelde voorschriften voor isokinetische bemonstering;

h)

als de testrun niet aan alle grootheden van tabel A4/5 voldoet, op basis van goede ingenieursinzichten een nieuw koelluchtstroomniveau bepalen en het proces uit stap a) herhalen. Dezelfde remmenset mag worden gebruikt om het koelingaanpassingsonderdeel te herhalen; de remmenset moet echter altijd worden vervangen door nieuwe onderdelen voor het inlopen en de emissiemeting.

11.   

Inlooponderdeel

De inloopprocedure is noodzakelijk om de remcombinatie naar behoren vooraf te conditioneren en het emissiegedrag ervan te stabiliseren alvorens de emissiemeting uit te voeren. De inloopprocedure moet worden uitgevoerd met gloednieuwe remonderdelen.

11.1.   

Voorremmen

De testfaciliteit voert de inloopprocedure uit voor alle typen remmen die zijn gemonteerd op de vooras van de voertuigen die onder dit reglement vallen, overeenkomstig de hieronder beschreven specificaties:

a)

de koelluchtstroom afstellen overeenkomstig de aanpassing van de koelinstellingen voor de te testen rem zoals gespecificeerd in punt 10.1;

b)

alle relevante testparameters en dynamometerinstellingen (testwielbelasting, traagheid van de remtest enz.) definiëren zoals in de koelaanpassings- en emissiemeetonderdelen;

c)

vijf herhalingen van de WLTP-remcyclus uitvoeren om de te testen voorrem helemaal te laten inlopen;

d)

de vijf WLTP-remcycli moeten zonder onderbreking opeenvolgend worden uitgevoerd. Indien de test tijdens het inlooponderdeel wordt onderbroken, volgt de testfaciliteit de instructies van punt 9.3.2;

e)

elke herhaling van de WLTP-remcyclus uitvoeren zonder tussen de afzonderlijke ritten van de WLTP-remcyclus afkoelingsonderdelen toe te passen. De afkoelingsonderdelen zijn alleen van toepassing tussen de vijf herhalingen van de WLTP-remcyclus (d.w.z. tussen rit #10 van een bepaalde WLTP-remcyclus en rit #1 van de volgende WLTP-remcyclus);

f)

beginnen met de eerste WLTP-remcyclus van het inlooponderdeel bij een remtemperatuur van (23 ± 5) °C. Beginnen met de volgende vier herhalingen van de WLTP-remcyclus in overeenstemming met de temperatuurbepalingen van punt 9.2.2;

g)

het inlooponderdeel uitvoeren op dezelfde dynamometer als voor het emissiemeetonderdeel. De remonderdelen niet demonteren tussen de twee onderdelen van de test om te voorkomen dat de contactpunten worden gewijzigd. Indien de remonderdelen na het begin van de inloopprocedure worden gedemonteerd, zijn zij niet langer geschikt voor het voltooien van het inlopen en de emissiemetingen. In dat geval vervangt de testfaciliteit ze door nieuwe remonderdelen en herhaalt zij de inloopprocedure vanaf het begin.

Niet-naleving van een van de in dit punt beschreven bepalingen leidt tot een ongeldige inloopprocedure. In dat geval is het niet mogelijk om verder te gaan met het emissiemeetonderdeel. De testfaciliteit voert de inloopprocedure vanaf het begin uit met nieuwe remonderdelen.

11.2.   

Achterremmen

De testfaciliteit voert de inloopprocedure uit voor alle typen remmen die zijn gemonteerd op de achteras van de voertuigen die onder dit reglement vallen, overeenkomstig de hieronder beschreven specificaties:

a)

de koelluchtstroom gebruiken overeenkomstig de aanpassing van de koelinstellingen voor de overeenkomstige voorrem zoals gespecificeerd in punt 10.1. In het geval van meerdere conforme luchtstromen de luchtstroom selecteren die dichter bij 950 Nm3/h ligt overeenkomstig punt 10.1.4, g);

b)

alle relevante testparameters en dynamometerinstellingen (testwielbelasting, traagheid van de remtest enz.) definiëren voor de achteras en diezelfde parameters en instellingen gebruiken in het emissiemeetonderdeel;

c)

vijf herhalingen van de WLTP-remcyclus uitvoeren om de te testen achterrem helemaal te laten inlopen;

d)

de vijf WLTP-remcycli moeten zonder onderbreking opeenvolgend worden uitgevoerd. Indien de test tijdens het inlooponderdeel wordt onderbroken, volgt de testfaciliteit de instructies van punt 9.3.2;

e)

elke herhaling van de WLTP-remcyclus uitvoeren zonder tussen de afzonderlijke ritten van de WLTP-remcyclus afkoelingsonderdelen toe te passen. De afkoelingsonderdelen zijn alleen van toepassing tussen de vijf herhalingen van de WLTP-remcyclus (d.w.z. tussen rit #10 van een bepaalde WLTP-remcyclus en rit #1 van de volgende WLTP-remcyclus);

f)

beginnen met de eerste WLTP-remcyclus van het inlooponderdeel bij een remtemperatuur van (23 ± 5) °C. Beginnen met de volgende vier herhalingen van de WLTP-remcyclus volgens de temperatuurbepalingen van punt 9.2.2;

g)

het inlooponderdeel uitvoeren op dezelfde dynamometer als voor het emissiemeetonderdeel. De remonderdelen mogen niet worden gedemonteerd tussen de twee onderdelen van de test om te voorkomen dat de contactpunten worden gewijzigd. Indien de remonderdelen na het begin van de inloopprocedure worden gedemonteerd, zijn zij niet langer geschikt voor het voltooien van het inlopen en de emissiemetingen. In dat geval vervangt de testfaciliteit ze door nieuwe remonderdelen en herhaalt zij de inloopprocedure vanaf het begin.

Niet-naleving van een van de in dit punt beschreven bepalingen leidt tot een ongeldige inloopprocedure. In dat geval is het niet mogelijk om verder te gaan met het emissiemeetonderdeel. De testfaciliteit voert de inloopprocedure vanaf het begin uit met nieuwe remonderdelen.

12.   

Emissiemeetonderdeel

12.1.   

Meting van de massa van het deeltjesmateriaal

In dit punt worden de specificaties beschreven voor de meting van de deeltjesmassa-emissies tijdens een rememissietest. Met het PM-bemonsteringssysteem kan de door de rem tijdens de test gegenereerde PM-massa worden gekwantificeerd. De PM-emissies en de parameters van de test leveren de emissiefactoren voor de te testen rem in massa per eenheid gereden afstand. Het testsysteem meet gravimetrisch de PM10- en PM2,5-emissies met behulp van afzonderlijke bemonsteringssystemen voor elke afsnijdiameter (2,5 μm en 10 μm)]. Elk PM-bemonsteringssysteem bestaat uit de volgende elementen:

a)

één PM-bemonsteringssonde in de tunnel. De specificaties voor het ontwerp van de PM-bemonsteringssonde zijn beschreven in punt 12.1.1.2;

b)

een geschikt bemonsteringsmondstuk geplaatst op de punt van de PM-bemonsteringssonde. De specificaties voor het ontwerp van het mondstuk zijn beschreven in punt 12.1.1.3;

c)

een cycloon die als PM-scheidingsvoorziening wordt gebruikt. De specificaties voor de cycloon zijn beschreven in punt 12.1.2.1;

d)

een deeltjesbemonsteringsleiding om de aerosol van de PM-scheidingsvoorziening naar de filterhouder over te brengen. De specificaties voor het ontwerp van de bemonsteringsleiding zijn beschreven in punt 12.1.2.2;

e)

een filter dat in de filterhouder wordt geplaatst om de deeltjesmassa op te vangen. De specificaties voor de filterhouder zijn beschreven in punt 12.1.3.1;

f)

een of meer pompen met middelen om het debiet in realtime te regelen, en de bijbehorende sensoren. De specificaties voor de bemonsteringsstroom worden beschreven in punt 12.1.2.3.

In het algemeen moet de opstelling (afzonderlijke onderdelen en verbindingen) bestaan uit elektrisch geleidende materialen die niet reageren met de remdeeltjes en elektrisch geaard zijn om elektrische/elektrostatische effecten te voorkomen. Figuur A4/16 illustreert een indicatieve opstelling van de PM-bemonsteringseenheid. De plaatsing en afmetingen van de verschillende elementen dienen ter illustratie; daarom is exacte overeenstemming met de figuur niet vereist.

Figuur A4/16

Indicatieve opstelling van het PM-bemonsteringssysteem

Image 24

1 – Bemonsteringsvlak. 2 – Bemonsteringsmondstuk. 3 – PM-bemonsteringssonde. 4 – PM-cycloonafscheider. 5 – PM-bemonsteringsleiding. 6 – PM-houder voor meerdere filters. 7 – PM-bemonsteringsfilter. 8 – Massa- of volumedebietmeting. 9 – Pomp. 10 – Stroomregelaar.

12.1.1.   

Deeltjesopvang

12.1.1.1.   

Bemonsteringsvlak

Het ontwerp van het bemonsteringsvlak moet voldoen aan de specificaties van punt 7.6. De volgende aanvullende bepalingen zijn van toepassing op het bemonsteringsvlak voor de installatie van de PM-bemonsteringssondes:

a)

twee bemonsteringssondes aanbrengen met de overeenkomstige bemonsteringsmondstukken voor de PM-metingen, één voor PM2,5 en één voor PM10. De witte stippen in figuur A4/7 geven de PM-bemonsteringssondes aan;

b)

de twee PM-bemonsteringssondes (PM2,5 en PM10) in hetzelfde horizontale vlak plaatsen in het onderste deel van de tunnel zoals aangegeven in figuur A4/7;

c)

in het bemonsterings- en meetsysteem nergens stroomscheidingsvoorziening voor PM-metingen gebruiken.

12.1.1.2.   

PM-bemonsteringssondes

Er worden geschikte bemonsteringssondes gebruikt om de aerosol van de tunnel naar de scheidingsvoorziening te transporteren. De bemonsteringssondes moeten aan de volgende ontwerpvoorschriften voldoen:

a)

de sondes zijn zodanig ontworpen dat deeltjesverliezen van de punt van het mondstuk tot de scheidingsvoorziening tot een minimum worden beperkt;

b)

de sondes zijn gemaakt van elektrisch geleidende materialen die niet met remdeeltjes reageren. De sondes worden elektrisch geaard om elektrische/elektrostatische effecten te voorkomen. De sondes zijn gemaakt van roestvrij staal met een elektrolytisch gepolijste afwerking (of gelijkwaardig) aan de binnenkant om een ultraschoon en ultrafijn oppervlak te bereiken;

c)

de sondes hebben een constante binnendiameter (dp) van ten minste 10 mm en een maximale binnendiameter van 18 mm waarmee een laagsgewijze stroom wordt gegarandeerd (10 mm ≤ dp ≤ 18 mm);

d)

de bemonsteringssondes zijn zo ontworpen dat zij zo kort mogelijk zijn om verliezen en mogelijke verontreiniging van de leidingen tot een minimum te beperken. De totale lengte van de sondes vanaf de punt van het bemonsteringsmondstuk tot de inlaat van de PM-scheidingsvoorziening mag niet meer dan 1 m bedragen;

e)

op de sondes mag maximaal één bocht van 90 ° worden aangebracht, mits aan de in f) van dit punt beschreven specificaties voor het ontwerp van de bocht wordt voldaan;

f)

indien op de sondes een bocht wordt aangebracht, bedraagt de buigstraal rb ten minste viermaal de binnendiameter (4•dp) van de sondes.

De binnenwanden van de bemonsteringssondes regelmatig inspecteren en schoonmaken volgens de specificaties van de fabrikant met betrekking tot de methode en frequentie. Indien dergelijke specificaties niet worden verstrekt, de sondes ten minste om de twee maanden van actief gebruik schoonmaken.

12.1.1.3.   

PM-bemonsteringsmondstukken

Er worden geschikte mondstukken gebruikt voor de isokinetische bemonstering voor PM10 en PM2,5. De bemonsteringsmondstukken moeten aan de volgende voorschriften voldoen:

a)

de mondstukken zijn verenigbaar met de PM-bemonsteringssondes die door de testfaciliteit voor rememissietests worden gebruikt;

b)

de mondstukken zijn gemaakt van roestvrij staal met een elektrolytisch gepolijste afwerking (of gelijkwaardig) aan de binnenkant om een ultraschoon en ultrafijn oppervlak te bereiken;

c)

er worden geschikte mondstukken gebruikt om een isokinetische verhouding (IR) van 1,0 te bereiken overeenkomstig de specificaties van punt 12.1.2.4. De gemiddelde isokinetische verhouding in een rememissietest moet tussen 0,90 en 1,15 liggen (0,90 ≤ IR ≤ 1,15);

d)

de grootte van het mondstuk wordt gekozen op basis van de toegepaste bemonsteringsstroom. Mondstukken moeten een binnendiameter (dn) van ten minste 4 mm hebben;

e)

de mondstukken hebben een constante binnendiameter over een lengte die gelijk is aan ten minste één binnendiameter of ten minste 10 mm van het uiteinde van het mondstuk, waarbij de grootste waarde van toepassing is;

f)

mondstukken hebben aan het uiteinde een dunne wand om verstoring van de stroming tot een minimum te beperken. De verhouding tussen de buitendiameter en de binnendiameter is aan het uiteinde van het mondstuk minder dan 1,1;

g)

elke verandering in de boordiameter van de mondstukken loopt taps toe met een conische hoek van minder dan 30 °;

h)

de mondstukken worden zodanig geplaatst dat hun as evenwijdig is aan die van de bemonsteringstunnel en dat de aanzuighoek kleiner blijft dan of gelijk is aan 15°.

De testfaciliteit reinigt de mondstukken regelmatig volgens de specificaties van de fabrikant met betrekking tot de methode en frequentie. Indien dergelijke specificaties niet worden verstrekt, de sondes vóór elke rememissietest schoonmaken volgens de specificaties van de fabrikant voor de reinigingsmiddelen.

12.1.2.   

PM-bemonstering

12.1.2.1.   

PM-scheidingsvoorziening

Voor het nemen van de PM10- en PM2,5-monsters worden enkele cycloonafscheiders gevolgd door gravimetrische filterhouders gebruikt. De testfaciliteit selecteert de cycloonafscheiders volgens de hieronder beschreven bepalingen:

a)

er worden in de handel verkrijgbare cycloonafscheiders met een afsnijgrootte van 10 μm en 2,5 μm gebruikt voor het nemen van respectievelijk PM10- en PM2,5-monsters;

b)

de PM10- en PM2,5-cyclonen moeten voldoen aan de specificaties voor het scheidend vermogen in respectievelijk de tabellen A4/7 en A4/8;

c)

de cycloon is gemaakt van elektrisch geleidende materialen die niet met remdeeltjes reageren. Hij wordt elektrisch geaard om elektrische/elektrostatische effecten te voorkomen;

d)

de cycloonafscheiders worden de uitlaat van de bemonsteringssonde geplaatst. De cycloonafscheider moet rechtstreeks op de uitlaat van de bemonsteringssonde worden aangesloten met geschikte hulpstukken van geleidend roestvrij staal. Er mogen geen bemonsteringsbuizen tussen de sonde en de cycloonafscheider worden gebruikt.

De testfaciliteit inspecteert en reinigt de binnenwanden van de cyclonen regelmatig volgens de specificaties van de fabrikant van het instrument met betrekking tot de methode en frequentie.

Tabel A4/7

Specificaties voor het scheidend vermogen van de PM10-cycloonafscheider

PM10

4 μm

8 μm

12,5 μm

20 μm

Scheidend vermogen

< 20 %

< 50 %

< 60 %

< 90 %

Tabel A4/8

Specificaties voor het scheidend vermogen van de PM2,5-cycloonafscheider

PM2,5

1,5 μm

2 μm

3 μm

4 μm

Scheidend vermogen

< 20 %

< 50 %

< 60 %

< 90 %

12.1.2.2.   

PM-bemonsteringsleiding

De testfaciliteit zorgt ervoor dat het ontwerp van de bemonsteringsleiding waarmee de aerosol van de cycloonafscheider naar de filterhouder wordt overgebracht, voldoet aan de onderstaande specificaties:

a)

de bemonsteringsleiding is zodanig ontworpen dat deeltjesverliezen tijdens het transport tussen de uitlaat van de cycloonafscheider en de inlaat van de filterhouder tot een minimum worden beperkt;

b)

de bemonsteringsleiding is vervaardigd uit geleidend roestvrij staal met de juiste hulpstukken. Als alternatief mogen flexibele antistatische bemonsteringsleidingen van polytetrafluoretheen (PTFE) worden gebruikt;

c)

de bemonsteringsleiding heeft een constante binnendiameter (ds) van ten minste 10 mm en ten hoogste 20 mm (10 mm ≤ ds ≤ 20 mm);

d)

de totale lengte van de bemonsteringsleiding vanaf de uitlaat van de cycloonafscheider tot het uiteinde van de filterhouder mag in totaal niet meer dan 1 m bedragen;

e)

het deel van het PM-bemonsteringssysteem buiten de tunnel (het deel van het PM-bemonsteringssysteem dat de cycloonafscheider en de PM-bemonsteringsleiding omvat) is zodanig ontworpen dat er geen condensatie van water kan plaatsvinden. De temperatuur in de bemonsteringstrein blijft altijd boven 15 °C;

f)

op de bemonsteringsleiding mag een bocht worden aangebracht, mits de buigstraal rb ten minste vijfentwintig keer de binnendiameter (25•ds) van de bemonsteringsleiding bedraagt.

12.1.2.3.   

PM-bemonsteringsstroom

De testfaciliteit past de volgende bepalingen toe voor de regeling en meting van de bemonsteringsstroom:

a)

de methode voor het meten van de stroom van het bemonsteringssysteem QPM2,5 en QPM10) moet onder alle bedrijfsomstandigheden een maximaal toelaatbare fout hebben van ± 2,5 % van de afgelezen waarde of ± 1,5 % van het volledige schaalbereik (de kleinste waarde is van toepassing);

b)

er wordt een stromingsmeter gebruikt die is gekalibreerd om de stroom onder standaardomstandigheden te rapporteren. wanneer de stromingsmeter niet is gekalibreerd om waarden onder standaardomstandigheden te rapporteren, bevat deze een temperatuursensor die vóór het meetapparaat is geïnstalleerd. Om een passende omrekening te waarborgen, moet de temperatuursensor tot op ± 1,0 °C nauwkeurig zijn en moet de drukmeting tot op ± 1,0 kPa nauwkeurig zijn; deze meting wordt gebruikt om stroomwaarden om te rekenen;

c)

de ingestelde (nominale) waarden voor de volumetrische bemonsteringsstromen (QPM2,5-set en QPM10-set) zijn tijdens het emissiemeetonderdeel van de te testen rem constant;

d)

het gemiddelde bemonsteringsvolumedebiet ligt binnen ± 2 % van de voor de desbetreffende rememissietest ingestelde waarde. Er wordt een voorziening met een stroomregelfunctie (bv. opening met kritische stroming, drukregelaar, regeling via terugkoppeling of andere) gebruikt om een stabiele stroom door het filtermedium te waarborgen;

e)

de afwijking van het gemiddelde gemeten volumetrische bemonsteringsvolumedebiet ten opzichte van de ingestelde waarde voor zowel PM10 als PM2,5 berekenen en rapporteren aan de hand van de gegevens van de parameters in het tijdgebaseerde bestand zoals gedefinieerd in tabel A4/14;

f)

de bemonsteringsstroom wordt zo ingesteld dat de isokinetische verhouding zo dicht mogelijk bij 1,0 ligt. De gemiddelde isokinetische verhouding tijdens het emissiemeetonderdeel van een specifieke rem moet tussen 0,90 en 1,15 liggen (punt 12.1.2.4.). De gemiddelde isokinetische verhouding voor zowel PM2,5 als PM10 berekenen en rapporteren volgens de procedure van punt 12.1.2.4.;

g)

er moeten controles op mogelijke lekken worden uitgevoerd door het mondstuk af te dichten en de aanzuigvoorziening te starten. Het debiet mag niet meer bedragen dan 2 % van het normale debiet bij het maximale vacuüm dat tijdens de bemonstering wordt bereikt. De controle op lekken uitvoeren bij de installatie van het systeem en na elk onderhoud of elke verbetering volgens de specificaties van de fabrikant;

h)

indien niet aan het bemonsteringsvolumedebiet en/of de isokinetische voorschriften van dit punt wordt voldaan, is de test ongeldig;

i)

de PM-bemonsteringsvoorziening werkt tijdens de meting van de rememissies continu. Dit is met inbegrip van de afkoelingsonderdelen tussen de afzonderlijke ritten van de WLTP-remcyclus, waarbij de PM-bemonsteringsstroom niet mag worden stilgezet of om de hoofdbemonsteringsleiding heen mag worden geleid. De PM-bemonsteringsvoorziening blijft na afloop van het emissiemeetonderdeel ten minste 10 s langer in werking.

12.1.2.4.   

Isokinetische verhouding

De bemonstering wordt als isokinetisch gedefinieerd wanneer de luchtsnelheid in de bemonsteringstunnel en het bemonsteringsmondstuk gelijk zijn. De luchtsnelheid wordt berekend aan de hand van de luchtstroomwaarden in de tunnel en in het mondstuk, rekening houdend met hun binnendiameters (respectievelijk di en dn). De vergelijkingen 12.1 en 12.2 zijn van toepassing voor de berekening van de luchtsnelheid in de bemonsteringstunnel en het bemonsteringsmondstuk:

Formula

(Verg. 12.1)

Formula

(Verg. 12.2)

waarin:

U

= de gemiddelde luchtsnelheid in de tunnel in km/h;

US

= de gemiddelde snelheid van de bemonsteringslucht die het mondstuk binnenkomt in km/h;

Q

= de gemiddelde luchtstroom in de tunnel in m3/h volgens tabel A4/10;

QS

= de gemiddelde luchtstroom in het bemonsteringsmondstuk in m3/h;

dn

= de binnendiameter bij het uiteinde van het mondstuk in mm;

di

= de binnendiameter van de bemonsteringstunnel in mm volgens tabel A4/1

De isokinetische verhouding wordt gedefinieerd als de verhouding tussen de luchtsnelheid in het bemonsteringsmondstuk en de luchtsnelheid in de bemonsteringstunnel. Vergelijking 12.3 geeft de middelen om de isokinetische verhouding te berekenen door de vergelijkingen 12.1 en 12.2 te combineren. De luchtstroomwaarden in de bemonsteringstunnel en het mondstuk hebben betrekking op dezelfde temperatuur- en drukomstandigheden; daarom worden genormaliseerde waarden gebruikt om ook de vergelijkbaarheid tussen verschillende testfaciliteiten te waarborgen:

Formula

(Verg. 12.3)

waarin:

IR

= de isokinetische verhouding;

NQS

= de gemiddelde genormaliseerde luchtstroom in het bemonsteringsmondstuk in Nm3/h;

NQ

= de gemiddelde genormaliseerde luchtstroom in de bemonsteringstunnel in Nm3/h volgens tabel A4/10;

dn

= de binnendiameter bij het uiteinde van het mondstuk in mm;

di

= de binnendiameter van de bemonsteringstunnel in mm volgens tabel A4/1

Om de bemonsteringsstroomeenheden om te rekenen van [Nm3/h] naar [Nl/min] en de binnendiametereenheden van [m] naar [mm] om rekening te houden met de conventionele eenheden, wordt vergelijking 12.3 vergelijking 12.4.

Formula

(Verg. 12.4)

waarin:

IR

= de isokinetische verhouding;

NQS

= de gemiddelde genormaliseerde luchtstroom in het bemonsteringsmondstuk in N1/min;

NQ

= de gemiddelde genormaliseerde luchtstroom in de bemonsteringstunnel in Nm3/h volgens tabel A4/10;

dn

= de binnendiameter bij het uiteinde van het mondstuk in mm;

di

= de binnendiameter van de bemonsteringstunnel in mm volgens tabel A4/1

De testfaciliteit berekent de gemiddelde isokinetische verhouding tijdens het emissiemeetonderdeel van een rememissietest voor zowel PM2,5 als PM10 afzonderlijk aan de hand van vergelijking 12.4:

a)

de overeenkomstige waarden voor de binnendiameters van het isokinetische mondstuk gebruiken voor de bemonstering van PM2,5 (dn-PM2,5) en PM10 (dn-PM10);

b)

de gegevens gebruiken van de gemiddelde genormaliseerde tunnelstroom (NQ) en de gemiddelde genormaliseerde bemonsteringsstromen (NQPM2,5 en NQPM10) in het tijdgebaseerde bestand;

c)

de berekende waarden rapporteren zoals gespecificeerd in tabel A4/14.

12.1.3.   

Bemonsteringsmedia

12.1.3.1.   

Filterhouder

De PM-monsters worden genomen op enkele filters van 47 mm per test, gemonteerd in een speciaal daarvoor bestemde houder. De filterhouder bevindt zich zo dicht mogelijk bij de uitlaat van de cycloonafscheider. De testfaciliteit moet voor de filterhoudercombinatie voldoen aan de onderstaande specificaties:

a)

een filterhouder kiezen die is vervaardigd uit inert en corrosiebestendig materiaal zoals roestvrij staal of geanodiseerd aluminium. Alle delen van de filterhouder die met de aerosol en de filters in contact komen, zijn elektrisch geleidend en geaard;

b)

een filterhouder gebruiken waarin ronde filters kunnen worden geplaatst. De diameter van het blootgestelde gebied waar de bemonsterde lucht doorheen gaat (d.w.z. het beroete filteroppervlak) bedraagt tussen 34 en 44 mm;

c)

een filterhouder gebruiken die zorgt voor een gelijkmatige verdeling van de luchtstroom over het beroete filteroppervlak;

d)

de opstelling van de filterhouder zodanig ontwerpen dat er geen condensatie van water kan optreden. De temperatuur in de filterhouder volgt voor het volledige bemonsteringstraject de in punt 12.1.2.2 gedefinieerde specificatie en blijft tijdens de volledige rememissietest boven 15 °C.

Voor het nemen van PM-monsters mogen houders voor meerdere filters worden gebruikt. Houders voor meerdere filters voldoen aan de volgende voorschriften, naast de in a) tot en met d) van dit punt vastgestelde voorschriften:

e)

alle filters worden in dezelfde houder met meerdere filters onder dezelfde omstandigheden in een gesloten behuizing geplaatst om verontreiniging te voorkomen;

f)

tijdens elk onderdeel van een bepaalde rememissietest slechts één filter tegelijk gebruiken voor de PM-bemonstering;

g)

het gebruik van een houder voor meerdere filters brengt geen verandering in de stroomrichting vóór of in de houder voor meerdere filters teweeg.

Een houder voor meerdere filters die veranderingen in de stroomrichting teweegbrengt, is toegestaan wanneer wordt aangetoond dat deze gelijkwaardig is aan een filterhouder (voor een of meerdere filters) zonder verandering van de stroomrichting. Er moet worden voldaan aan de bestaande ontwerpcriteria van dit reglement voor een bemonsteringsopstelling met betrekking tot elektrolytisch gepolijste oppervlakken (indien van toepassing), soepele overgangen en grenswaarden voor bochten in de bemonsteringsleiding. De gelijkwaardigheid moet worden aangetoond door ten minste drie herhalingen uit te voeren met ten minste twee tunnelstroomsnelheden waarbij de twee filterhouders gelijktijdig meten. Tijdens de test wordt de bemonsteringspositie van de twee filterhouders herhaaldelijk gewisseld. Het gemiddelde van het verschil tussen de twee filterhouders ligt binnen ± 2 % en één standaardafwijking van de verschillen ligt binnen ± 3 %. Zowel voor PM2,5 als PM10 moet aan de criteria worden voldaan. Aanbevolen wordt de houders voor meerdere filters te beoordelen bij een massafilterbelasting van 0,3-1,0 mg.

12.1.3.2.   

Bemonsteringsfilters

Voor de metingen van PM10 en PM2,5 worden met fluorkoolstof gecoate glasvezelfilters of fluorkoolstofmembraanfilters gebruikt. Alle filtertypen hebben een 0,3 μm DOP (dioctylftalaat) of PAO (poly-alfa-olefine) CS 68649-12-7 of CS 68037-01-4 opvangrendement van ten minste 99 % bij een aanstroomsnelheid van het gasfilter van 5,33 cm/s, gemeten volgens een van de volgende normen:

a)

V.S. Verenigde Staten Department of Defense Test Method Standard, MIL-STD-282 method 102.8: DOP-Smoke Penetration of Aerosol-Filter Element;

b)

V.S. Verenigde Staten Department of Defense Test Method Standard, MIL-STD-282 method 502.1.1: DOP-Smoke Penetration of Gas-Mask Canisters;

c)

Institute of Environmental Sciences and Technology, IEST-RP-CC021: Testing HEPA and ULPA Filter Media.

De in dit punt beschreven rendementsvoorschriften voor de bemonsteringsmedia moeten door de filterleverancier worden gecertificeerd.

12.1.4.   

Weegprocedure

Alleen het filter wordt gewogen en geen enkel ander onderdeel van de meetapparatuur. De testfaciliteit zorgt ervoor dat de verschillende stappen van de weegprocedure overeenkomstig de volgende voorschriften worden uitgevoerd:

a)

weegkamer — De atmosfeer in de weegkamer moet vrij zijn van vuildeeltjes (zoals stof, aerosolen of halfvluchtig materiaal) die de deeltjesfilters kunnen verontreinigen. De omgevingsomstandigheden in de weegkamer moet worden ingesteld op 22 ± 2 °C en 45 ± 8 % RV. Zorg ervoor dat de luchtstroom voor de luchtuitwisseling geen invloed heeft op de stabiliteit van de balans;

b)

weegbalans — Dezelfde microbalans moet worden gebruikt voor het wegen vóór en na de bemonstering voor een bepaalde rememissietest. De balans moet worden vrijgehouden van trillingen, elektrostatische krachten en luchtstromen. De balans in een gecontroleerde omgeving — de weegkamer of -ruimte — moet worden geplaatst overeenkomstig de in a) van dit punt beschreven specificaties. De resolutie van de balans bedraagt ten minste 1 μg. Er moeten gecertificeerde kalibratiegewichten worden gebruikt om de stabiliteit en de juiste werking van de microbalans te verifiëren. De microbalans moet voldoen aan de kalibratievoorschriften van punt 14.4;

c)

statische-elektriciteitseffecten — De effecten van statische elektriciteit moeten worden geneutraliseerd door de balans te aarden door deze op een antistatische mat te plaatsen en de deeltjesbemonsteringsfilters vóór het wegen te neutraliseren met polonium of een andere voorziening met hetzelfde effect. Anders moeten de statische effecten ongedaan worden gemaakt door de statische belasting evenredig te verdelen;

d)

conditionering en weging vóór de bemonstering — De filters moeten worden geconditioneerd/gestabiliseerd bij (22 ± 2) °C en (45 ± 8)% RV gedurende ten minste twee uur vóór het wegen. Het filter moet worden gewogen aan het einde van de stabilisatieperiode volgens de in g) beschreven procedure en het gewicht ervan op alle desbetreffende testbladen worden genoteerd. Tijdens de weging mag niet worden afgeweken van de in dit punt gespecificeerde voorwaarden. Het filter moet tot de test in een afgesloten petrischaaltje (of gelijkwaardig) of een verzegelde filterhouder worden bewaard. Het filter moet in de filterhouder worden geplaatst binnen één uur nadat het uit de weegkamer (of -ruimte) is gehaald. Het afgesloten petrischaaltje (of gelijkwaardig) of de verzegelde filterhouder wordt gebruikt om het filter naar de testopstelling te brengen. Eventueel kan het filter al in de weegkamer in de filterhouder worden gemonteerd;

e)

conditioneren en wegen na de bemonstering — De filters moeten binnen acht uur na afronding van de test naar de conditioneringsruimte worden gebracht. De filters mogen langere tijd in de testruimte (d.w.z. de ruimte waar de filterhouder zich bevindt) blijven, mits zij in de filterhouder verzegeld blijven en de temperatuur in de testruimte binnen het bereik van 15 tot 30 °C blijft. Een afgesloten petrischaaltje (of gelijkwaardig) of de verzegelde filterhouder wordt gebruikt om het filter naar de conditioneringsruimte te brengen. Als alternatief kan het filter worden overgebracht zonder het uit de filterhouder te halen en wordt er daarbij voor gezorgd dat de filterhouders tijdens de overbrenging niet worden gekanteld. De filters worden geconditioneerd/gestabiliseerd bij (22 ± 2) °C en (45 ± 8)% RV gedurende ten minste twee uur. Het filter moet worden gewogen aan het einde van de stabilisatieperiode volgens de in g) beschreven procedure en het gewicht ervan op alle desbetreffende testbladen worden genoteerd. Tijdens de weging mag niet worden afgeweken van de in dit punt gespecificeerde voorwaarden. Het filter wordt in een afgesloten petrischaaltje (of gelijkwaardig) of een verzegelde filterhouder bewaard;

f)

weging van referentiefilters — Er worden referentiefilters gebruikt om de PM-weging te valideren volgens de procedure die is weergegeven in figuur A4/17 en hieronder wordt beschreven:

i)

binnen twaalf uur na de weging van het bemonsteringsfilter worden ten minste twee ongebruikte met fluorkoolstof gecoate glasvezelreferentiefilters of fluorkoolstofmembraanreferentiefilters gewogen die passen bij elk bemonsterd filtermedium;

ii)

als de referentiefilters niet regelmatig (ten minste dagelijks) worden gewogen, worden zij aan het begin en het einde van een weegsessie van een monster (wegen vóór de voorbemonstering en na de nabemonstering) gewogen;

iii)

de in stap i) of ii) verkregen specifieke gewichten van het referentiefilter moeten worden vergeleken met het voortschrijdend gemiddelde van de specifieke gewichten van dat referentiefilter. Het voortschrijdend gemiddelde wordt berekend op basis van de specifieke gewichten die zijn verzameld in het tijdsbestek nadat de referentiefilters in de weegkamer zijn geplaatst, met inbegrip van de in stap i) of ii) gemeten gewichten;

iv)

het gemiddelde van de absolute waarden van het verschil tussen de gewichten van de referentiefilters en hun voortschrijdend gemiddelde bedraagt minder dan 10 μg. Bovendien bedraagt, in het geval van referentiefilters die niet regelmatig worden gewogen, het gemiddelde verschil tussen de begin- en eindmeting voor het referentiefilter minder dan 10 μg;

v)

de referentiefilters moeten ten hoogste om de dertig dagen worden vervangen en wel zo dat geen bemonsteringsfilter wordt gewogen zonder vergelijking met een referentiefilter dat ten minste twee dagen in de weegkamer(-ruimte) aanwezig is geweest;

vi)

alleen de voor de opwaartse kracht gecorrigeerde gewichten worden gerapporteerd in het massameetbestand overeenkomstig punt 13.3.2;

Figuur A4/17

Stroomdiagram waarin de procedure voor het wegen van referentiefilters wordt beschreven

Image 25

g)

weging van het bemonsteringsfilter — De hieronder beschreven procedure moet worden gevolgd om het filter zowel vóór als na de bemonstering te wegen:

i)

het filter moet tweemaal worden gewogen en de voor de opwaartse kracht gecorrigeerde gewichten moeten in het massameetbestand worden gerapporteerd;

ii)

als het verschil tussen de eerste en de tweede meting 10 μg of minder bedraagt, wordt het rekenkundig gemiddelde gebruikt om de gewichten Pe(Uncorrected) en Pe(Corrected) te berekenen overeenkomstig h) van dit punt;

iii)

als het verschil tussen de eerste en de tweede meting groter is dan 10 μg, worden twee extra wegingen uitgevoerd en de voor de opwaartse kracht gecorrigeerde gewichten in het massameetbestand gerapporteerd;

iv)

als het verschil tussen het minimum- en het maximumgewicht van de vier metingen 13 μg of minder bedraagt, wordt het rekenkundig gemiddelde van de vier gewichten gebruikt om de gewichten Pe(Uncorrected) en Pe(Corrected) te berekenen overeenkomstig h) van dit punt;

v)

als het verschil tussen het minimum- en het maximumgewicht van de vier metingen groter is dan 13 μg en kleiner is dan of gelijk is aan 15 μg, wordt de mediaan van de vier waarden gebruikt om de gewichten Pe(Uncorrected) en Pe(Corrected) te berekenen overeenkomstig h) van dit punt. De mediaanwaarde is het rekenkundig gemiddelde van de op één na laagste en de op twee na laagste waarden van de vier gebruikte gewichten;

vi)

als het verschil tussen het minimum- en het maximumgewicht van de vier metingen groter is dan 15 μg, moet de weegsessie ongeldig worden verklaard en het filter worden geïsoleerd in de conditioneringsruimte. De testfaciliteit kan besluiten het filter ongeldig te verklaren en te vervangen door een nieuw filter voor een weegsessie voorafgaand aan de bemonstering, of het filter weg te gooien en de rememissietest te herhalen voor een weegsessie na de bemonstering;

vii)

na ten minste 24 uur moet het filter uit de isolatie worden gehaald en tweemaal worden gewogen overeenkomstig i) en ii) van dit punt;

viii)

als het verschil tussen de eerste en de tweede nieuwe meting groter is dan 10 μg, moet het filter ongeldig worden verklaard en de weegsessie worden afgekeurd. Er moet een nieuw filter worden gebruikt voor een weegsessie voorafgaand aan de bemonstering, of het filter moet worden weggegooid en de rememissietest worden herhaald voor een weegsessie na de bemonstering;

h)

correctie voor de opwaartse kracht — De gewichten van het monster en het referentiefilter worden gecorrigeerd voor hun opwaartse kracht in de lucht. De correctie voor de opwaartse kracht is een functie van de dichtheid van het bemonsteringsfilter, de luchtdichtheid en de dichtheid van het kalibratiegewicht van de balans. Hierbij wordt geen rekening gehouden met de opwaartse kracht van de deeltjes zelf.

Gebruik de volgende waarden voor de dichtheid van het filtermateriaal (pf) wanneer deze niet bekend is: a) met fluorkoolstof gecoat glasvezelfilter: 2 300 kg/m3; b) fluorkoolstofmembraanfilter: 2 144 kg/m3.

Gebruik een dichtheid (pw) van 8 000 kg/m3 voor roestvrijstalen kalibratiegewichten of de bekende dichtheid voor verschillende materialen van kalibratiegewichten. Volg internationale aanbeveling OIML R 111-1, uitgave 2004(E) (of gelijkwaardig), betreffende de kalibratie van gewichten van de Internationale Organisatie voor Wettelijke Metrologie.

Gebruik de ongecorrigeerde gemiddelde filtermassameting voor het berekenen van de voor de opwaartse kracht gecorrigeerde gemiddelde filtermassameting voor PM2,5- en PM10-filters (voor en na de bemonstering) volgens vergelijking 12.5. Rapporteer de gecorrigeerde metingen in het massameetbestand:

Formula

(Verg. 12.5)

waarin:

Formula

= de gecorrigeerde massa voor elk filter in mg;

Formula

= de ongecorrigeerde massa voor elk filter in mg;

pa

= de luchtdichtheid in de weegkamer volgens vergelijking 12.6 in kg/m3;

pw

= de dichtheid van het kalibratiegewicht van de balans overeenkomstig e);

pf

= de dichtheid van het (ongebruikte) bemonsteringsfilter overeenkomstig e).

De omstandigheden in de weegkamer op het moment van weging moeten worden gebruikt om de luchtdichtheid te berekenen volgens vergelijking 12.6.

Formula

(Verg. 12.6)

waarin:

pa

= de luchtdichtheid in de weegkamer in kg/m3;

pb

= de luchtdruk in de weegkamer in kPa;

Mmix

= de molaire massa van de lucht in de weegkamer, 28,836 g mol 1;

R

= de molairemassaconstante, 8,3144 J mol–1 K–1;

Ta

= de luchttemperatuur in de weegkamer in K.

i)

filterbelasting — De gemiddelde filtermassameting vóór de bemonstering moeten worden afgetrokken van de filtermassameting na de bemonstering. De voor de opwaartse kracht gecorrigeerde gemiddelde filtermassametingen die in h) van dit punt zijn berekend, moeten worden gebruikt. De filterbelastingen voor zowel PM2,5 (Pe(2,5)) als PM10 (Pe(10)) moeten worden berekend en in het massameetbestand worden gerapporteerd. De filterbelastingen voor PM2,5 en PM10 worden gerapporteerd zoals gespecificeerd in tabel A4/14;

j)

opslag- en overbrengingsvoorwaarden — Gewogen filters moeten in geschikte filterdozen worden bewaard die speciaal voor de specifieke filtergrootte zijn ontworpen. Er moeten roestvrijstalen tangen of pincetten worden gebruiktvoor het hanteren van de filters. Er moet ervoor worden gezorgd dat de filters in de petrischaaltjes/zakken en tijdens het vervoer zo min mogelijk worden bewogen. Het deeltjesbemonsteringsfilter moet zorgvuldig in de filterhouder worden geplaatst. Ruwe of schurende bewegingen met het filter zullen tot een foute gewichtsbepaling leiden.

12.1.5.   

Berekening van de PM-emissiefactor

De testfaciliteit rapporteert de PM-emissies in massa per gereden afstand. De referentie- (of initiële) PM2,5- en PM10-emissiefactoren van de geteste rem (EFref) moeten worden berekend volgens respectievelijk de vergelijkingen 12.7 en 12.8:

Formula

(Verg. 12.7)

Formula

(Verg. 12.8)

waarin:

PM2,5 EF ref

= de referentie-PM2,5-emissiefactor voor de geteste rem in massa per gereden afstand, in mg/km;

PM10 EF ref

= de referentie-PM10-emissiefactor voor de geteste rem in massa per gereden afstand, in mg/km;

Formula

= de PM2,5-filtermassabelasting in mg volgens tabel A4/11;

Formula

= de PM10-filtermassabelasting in mg volgens tabel A4/11;

NQ

= de gemiddelde genormaliseerde luchtstroom in de bemonsteringstunnel in Nm3/h volgens tabel A4/10;

NQPM2,5

= de gemiddelde genormaliseerde luchtstroom in het PM2,5-bemonsteringsmondstuk in Nl/min volgens tabel A4/10;

NQPM10

= de gemiddelde genormaliseerde luchtstroom in het PM10-bemonsteringsmondstuk in Nl/min volgens tabel A4/10;

d

= de totale gereden afstand tijdens de WLTP-remcyclus in km volgens tabel A4/10

a)

de PM-massa’s (Pe(10) en Pe(2,5)) worden berekend zoals gespecificeerd in punt 12.1.4, i), na het corrigeren van de waarden voor de opwaartse kracht zoals gespecificeerd in punt 12.1.4, h);

b)

de gemiddelde genormaliseerde tunnelstroom (NQ), de gemiddelde genormaliseerde bemonsteringsstromen (NQPM2,5 en NQPM10) en de totale afstand van de WLTP-remcyclus (d) gedurende het emissiemeetonderdeel worden berekend op basis van de gegeven parameters in het tijdgebaseerde bestand;

c)

de PM2,5 en PM10 EFref van de geteste rem worden berekend volgens respectievelijk de vergelijkingen 12.7 en 12.8. Vervolgens wordt de coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem van tabel 4 of de overeenkomstig bijlage 5 bij dit reglement gemeten coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem gebruikt om de definitieve PM2,5 en PM10 EF van de geteste rem te berekenen. Indien de coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem uit tabel 4 wordt gebruikt, wordt de coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem toegepast die overeenkomt met het voertuigelektrificatietype waarvan de parameters zijn gebruikt voor het testen van de rem. De vergelijkingen 12.9 en 12.10 worden gebruikt voor het berekenen van respectievelijk de definitieve PM2,5 en PM10:

Formula

(Verg. 12.9)

Formula

(Verg. 12.10)

d)

de definitieve PM2,5 en PM10 EF worden gerapporteerd zoals gespecificeerd in tabel A4/14.

12.2.   

Meting van de deeltjesaantalconcentratie (PN-concentratie)

In dit punt worden de specificaties beschreven voor de meting van de PN-emissies tijdens een rememissietest. Met de PM-bemonsterings- en meetsystemen kan het aantal deeltjes dat tijdens de test door de rem wordt gegenereerd, worden gekwantificeerd. De gemeten PN-emissies en de parameters van de test leveren de emissiefactoren voor de te testen rem in het aantal deeltjes dat per eenheid gereden afstand wordt uitgestoten.

Figuur A4/18

Indicatieve opstelling van de PN-bemonsterings- en meetsystemen

Image 26

1 – Bemonsteringsvlak. 2 – Bemonsteringsmondstuk. 3 – PN-bemonsteringssonde. 4 – Voorbehouden. 5 – PN-deeltjesoverbrengingsleiding. 6 – PN-cycloonafscheider. 7 – Inlaat met HEPA-filter voor verdunningslucht. 8 – Verdunningsfase. 9 – Vluchtigedeeltjesverwijderaar. 10 – Deeltjesaantalteller met interne stroomregelaar en massa- of volumedebietmeting. 11 – Pomp.

In het algemeen moet de opstelling (afzonderlijke onderdelen en verbindingen) bestaan uit elektrisch geleidende materialen die niet reageren met de remdeeltjes en elektrisch geaard zijn om elektrische/elektrostatische effecten te voorkomen. Figuur A4/18 illustreert een indicatieve PN-bemonsterings- en meetopstelling. Het testsysteem moet vaste PN (SPN10) kunnen meten bij een nominale deeltjesgrootte met een elektrischemobiliteitsdiameter van ongeveer 10 nm en groter. De plaatsing en afmetingen van de verschillende elementen dienen ter illustratie; daarom is exacte overeenstemming met de figuur niet vereist.

De bemonsterings- en meetsystemen voor SPN10 bestaan uit de volgende elementen:

h)

een PN-bemonsteringssonde die een monster uit de bemonsteringstunnel neemt. De specificaties voor het ontwerp van de PN-bemonsteringssonde zijn beschreven in punt 12.2.1.2;

i)

een geschikt PN-bemonsteringsmondstuk dat is geplaatst op de punt van de PN-bemonsteringssonde. De specificaties voor het ontwerp van het mondstuk zijn beschreven in punt 12.2.1.3;

j)

een geschikte PTT die aerosol van de uitlaat van de bemonsteringssonde naar de inlaat van de PN-voorklasseervoorziening overbrengt. Wanneer de PN-voorklasseervoorziening rechtstreeks op de uitlaat van de bemonsteringssonde wordt gemonteerd, mag de PTT worden gebruikt om de deeltjes van de uitlaat van de PN-voorklasseervoorziening naar de inlaat van het systeem voor de verwijdering van vluchtige deeltjes over te brengen. De specificaties voor het ontwerp van de PTT zijn beschreven in punt 12.2.1.4;

k)

een PN-voorklasseervoorziening die wordt toegepast om grotere deeltjes te verwijderen. De specificaties voor de PN-voorklasseervoorziening worden beschreven in punt 12.2.2.1;

l)

een vluchtigedeeltjesverwijderaar (VPR) die het monster verdunt en vluchtige deeltjes verwijdert voordat het deeltjesaantal wordt gemeten. De specificaties voor het ontwerp van de VPR zijn beschreven in punt 12.2.2.2;

m)

een interne overbrengingsleiding die de aerosol van de uitlaat van de VPR naar de inlaat van de PNC brengt. De specificaties voor het ontwerp van de overbrengingsleiding zijn beschreven in punt 12.2.2.3;

n)

een PNC die de SPN10-concentratie meet. De specificaties voor de PNC zijn beschreven in punt 12.2.3.1.

Voor de SPN10-bemonstering worden verschillende sondes gebruikt, zoals gespecificeerd in punt 12.2.1.1, a). Dezelfde bemonsteringssonde mag worden gebruikt, mits de toegepaste stroomscheidingsvoorziening voldoet aan de voorschriften van punt 12.2.1.1, b) tot en met e).

12.2.1.   

Monsterextractie

12.2.1.1.   

Bemonsteringsvlak

Het ontwerp van het bemonsteringsvlak moet voldoen aan de specificaties van punt 7.6. De volgende aanvullende specificaties zijn van toepassing op het bemonsteringsvlak voor de installatie van de PN-bemonsteringssondes:

a)

er moet één bemonsteringssonde worden toegepast voor de SPN10-emissiemeting. De zwarte stippen in figuur A4/7 geven de PN-bemonsteringssondes aan.

12.2.1.2.   

PN-bemonsteringssondes

Er wordt een geschikte PN-bemonsteringssonde gebruikt om het monster uit de tunnel naar de inlaat van de deeltjesoverbrengingsleiding of de PN-voorklasseervoorziening te extraheren. De PN-bemonsteringssonde moet aan de volgende ontwerpvoorschriften voldoen:

a)

er worden een of meer sonde(s) gebruikt die zodanig zijn ontworpen dat deeltjesverliezen vanaf het uiteinde van het mondstuk tot aan de inlaat van de deeltjesoverbrengingsleiding tot een minimum worden beperkt;

b)

er worden een of meer sonde(s) gebruikt die zijn gemaakt van elektrisch geleidende materialen die niet met remdeeltjes reageren. De sondes worden elektrisch geaard om elektrische/elektrostatische effecten te voorkomen. Er worden een of meer sonde(s) gebruikt die zijn gemaakt van roestvrij staal met een elektrolytisch gepolijste afwerking (of gelijkwaardig) om een ultraschoon en ultrafijn oppervlak te bereiken;

c)

er worden een of meer sonde(s) geselecteerd met een constante binnendiameter (dp) van ten minste 10 mm en ten hoogste 18 mm waarmee onder alle bedrijfsomstandigheden een laagsgewijze stroom wordt gegarandeerd (10 mm ≤ dp ≤ 18 mm);

d)

de totale lengte van de sonde(s) vanaf de punt van het mondstuk tot de inlaat van de deeltjesoverbrengingsleiding of de PN-voorklasseervoorziening mag niet meer dan 1 m bedragen;

e)

de verblijftijd vanaf de inlaat van de punt van het mondstuk tot de inlaat van de deeltjesoverbrengingsleiding of de PN-voorklasseervoorziening moet minder dan 3 s bedragen;

f)

op de sondes mag maximaal één bocht van 90° worden aangebracht, mits de buigstraal rb ten minste vier keer de binnendiameter (4•dp) van de bemonsteringssonde(s) bedraagt.

12.2.1.3.   

PN-bemonsteringsmondstukken

Er worden geschikte mondstukken gebruikt om isokinetische bemonstering op basis van de totale onttrokken bemonsteringsstroom en de gemiddelde koelluchtstroom te waarborgen. De testfaciliteit selecteert PN-bemonsteringsmondstukken voor SPN10-bemonstering die aan de volgende voorschriften voldoen:

a)

er worden mondstukken gebruikt die zijn gemaakt van roestvrij staal met een elektrolytisch gepolijste afwerking (of gelijkwaardig) aan de binnenkant om een ultraschoon en ultrafijn oppervlak te bereiken;

b)

er worden spuitmonden gebruikt waarmee een isokinetische verhouding van 0,6 tot 1,5 wordt bereikt;

c)

de grootte van het mondstuk wordt gekozen afhankelijk van de toegepaste stroom om de isokinetische verhouding (punt 12.1.2.4) binnen de specificaties van b) van dit punt te behouden. Er worden geen mondstukken gebruikt met een binnendiameter van minder dan 4 mm;

d)

de mondstukken hebben een constante binnendiameter over een lengte die gelijk is aan ten minste één binnendiameter of ten minste 10 mm van het uiteinde van het mondstuk, waarbij de grootste waarde van toepassing is;

e)

er worden mondstukken gebruikt met aan het uiteinde een dunne wand om verstoring van de stroming tot een minimum te beperken. De verhouding tussen de buitendiameter en de binnendiameter is aan het uiteinde van het mondstuk minder dan 1,1;

f)

elke verandering in de boordiameter van de mondstukken loopt taps toe met een conische hoek van minder dan 30 °;

g)

de mondstukken worden zodanig geplaatst dat hun as evenwijdig is aan die van de bemonsteringstunnel en dat de aanzuighoek kleiner blijft dan of gelijk is aan 15 °.

De testfaciliteit reinigt de mondstukken regelmatig volgens de specificaties van de fabrikant met betrekking tot de methode en frequentie. Indien dergelijke specificaties niet worden verstrekt, de mondstukken vóór elke rememissietest schoonmaken volgens de specificaties van de fabrikant voor de reinigingsmiddelen.

12.2.1.4.   

Deeltjesoverbrengingsleiding

Wanneer de PN-voorklasseervoorziening niet rechtstreeks op de uitlaat van de sonde is aangesloten, wordt een geschikte deeltjesoverbrengingsleiding (PTT) gebruikt om aerosol van de uitlaat van de sonde naar de inlaat van de PN-voorklasseervoorziening over te brengen. Wanneer de PN-voorklasseervoorziening rechtstreeks op de uitlaat van de sonde is aangesloten, wordt de PTT gebruikt om aerosol van de uitlaat van de PN-voorklasseervoorziening naar de inlaat van het monsterconditioneringssysteem over te brengen. In elk geval mag slechts één PTT worden gebruikt en moet het ontwerp ervan voldoen aan de volgende voorschriften voor SPN10-bemonstering:

a)

overbrengingsleidingen gebruiken die zodanig zijn ontworpen dat deeltjesverliezen tijdens het transport tussen de uitlaat van de sonde en de inlaat van de PN-voorklasseervoorziening of de uitlaat van de PN-voorklasseervoorziening en de inlaat van het monsterconditioneringssysteem tot een minimum worden beperkt;

b)

wanneer de diameter tussen de uitlaat van de sonde en de inlaat van de PN-voorklasseervoorziening of de uitlaat van de PN-voorklasseervoorziening en de inlaat van het monsterconditioneringssysteem verandert, overbrengingsleidingen gebruiken waarvan de diameter geleidelijk verandert;

c)

overbrengingsleidingen gebruiken die zijn gemaakt van elektrisch geleidende materialen die niet met aerosoldeeltjes van de remmen reageren;

d)

overbrengingsleidingen kiezen met een binnendiameter (dtt) van ten minste 4 mm, zodat onder alle bedrijfsomstandigheden een laagsgewijze stroom wordt gegarandeerd;

e)

de lengte van de overbrengingsleidingen ten opzichte van de bemonsteringsstroomverhouding bedraagt minder dan 60 000 s/m2;

f)

de verblijftijd van de deeltjes in de overbrengingsleidingen bedraagt minder dan 1 s;

g)

op de overbrengingsleidingen mag een bocht worden aangebracht, mits de buigstraal rb ten minste vijfentwintig keer de binnendiameter (25•dtt) van de leiding bedraagt.

12.2.2.   

Behandeling en conditionering van de monsters

12.2.2.1.   

PN-voorklasseervoorziening

De testfaciliteit gebruikt een cycloonafscheider om het verdunningssysteem en de VPR tegen mogelijke verontreiniging te beschermen. De testfaciliteit zorgt ervoor dat de PN-voorklasseervoorziening voor SPN10-bemonstering en -meting aan de volgende voorschriften voldoet:

a)

voorbehouden;

b)

voorbehouden;

c)

de cycloonafscheider hetzij bij de uitlaat van de bemonsteringssonde, hetzij bij de inlaat van het monsterconditioneringssysteem plaatsen;

d)

in de handel verkrijgbare cycloonafscheiders gebruiken met een deeltjesdiameter van het 50 %-scheidingspunt tussen 2,5 μm en 10 μm bij het bemonsteringsvolumedebiet dat door de cyclonale scheidingsvoorziening stroomt;

e)

de cycloon bereikt een minimumpenetratierendement van 80 % voor een deeltjesdiameter van 1,5 μm;

f)

de cycloon is gemaakt van elektrisch geleidende materialen die niet met remdeeltjes reageren. Hij wordt elektrisch geaard om elektrische/elektrostatische effecten te voorkomen.

De testfaciliteit inspecteert en reinigt de binnenwanden van de cyclonen regelmatig volgens de specificaties van de fabrikant van het instrument met betrekking tot de reinigingsfrequentie en -middelen.

12.2.2.2.   

Conditionering van het monster

De aerosol die het PN-systeem binnenkomt, wordt geconditioneerd voordat hij de PNC binnenkomt. De testfaciliteit zorgt ervoor dat het monsterconditioneringssysteem aan de volgende voorschriften voldoet, afhankelijk van de gemeten parameter:

a) tot en met j)

Voorbehouden

SPN10

De vluchtigedeeltjesverwijderaar (VPR) bevat ten minste één initiële deeltjesaantalverdunner (PND1) en een verdampingsleiding. Een tweede verdunner (PND2) kan facultatief in serie worden geïnstalleerd met de PND1 en de verdampingsleiding. De volgende specificaties zijn van toepassing op de VPR voor het conditioneren van de aerosol bij het meten van SPN10:

k)

alle delen van de VPR die met het monster in contact komen, zijn vervaardigd uit elektrisch geleidende materialen, zijn elektrisch geaard om elektrostatische effecten te voorkomen en zijn zo ontworpen dat afzetting van de deeltjes tot een minimum wordt beperkt;

l)

het monster kan in een of meer fasen worden verdund om een PN-concentratie onder de bovendrempel van de telmodus van de PNC voor afzonderlijke deeltjes te verkrijgen. Het systeem als geheel kan een verdunningsfactor van ten minste 10:1 leveren;

m)

het kan de gastemperatuur onder de door de fabrikant van de PCN opgegeven maximaal toegestane inlaattemperatuur houden;

n)

het kan een eerste verwarmde verdunningsfase hebben die een monster oplevert bij een wandtemperatuur tussen 150 °C en 350 °C. Het instelpunt van de wandtemperatuur mag niet hoger zijn dan de wandtemperatuur van de verdampingsleiding. De verdunner wordt voorzien van lucht die wordt gefilterd door een HEPA-filter van ten minste klasse H13 (EN 1822:2008) of een filter met gelijkwaardige prestaties;

o)

het bevat een katalytisch actieve verdampingsleiding die is ingesteld op een wandtemperatuur die hoger is dan of gelijk is aan die van de PND1. De wandtemperatuur van de verdampingsleiding blijft op een vaste nominale bedrijfstemperatuur van 350 °C;

p)

het controleert de verwarmde fasen tot constante nominale bedrijfstemperaturen tot een tolerantie van ± 10 °C. Bovendien geeft het VPR-systeem aan of de verwarmde fasen op de juiste bedrijfstemperaturen zijn;

q)

het bereikt een PCRF voor deeltjes met een elektrischemobiliteitsdiameter van 15 nm, 30 nm en 50 nm volgens de in punt 14.5.2 beschreven methode en voorschriften;

r)

het monitort de verandering in de verdunningsfactor in realtime om het rekenkundig gemiddelde van de PCRF (fr-SPN10) met een frequentie van 1 Hz te rapporteren. Voor het berekenen van het rekenkundig gemiddelde van de PCRF wordt de in punt 14.5.2 beschreven methode gevolgd;

s)

het rapporteert voor de PCRF gecorrigeerde SPN10-concentraties onder standaardomstandigheden met een rapportagefrequentie die gelijk is aan of hoger is dan 0,5 Hz;

t)

het bereikt een verdamping van meer dan 99,9 % van de tetracontaandeeltjes (CH3(CH2)38CH3) met een op deeltjesaantal gebaseerde mediane diameter van meer dan 50 nm en een massa van meer dan 1 mg/m3, door verwarming en verlaging van de partieeldrukken van het tetracontaan;

u)

het bereikt een penetratierendement van vaste deeltjes van ten minste 70 % voor deeltjes met een elektrischemobiliteitsdiameter van 100 nm;

v)

het kan werken bij bemonsteringsdrukken binnen het bereik van 85 tot 105 kPa en bij relatieve drukverschillen ten opzichte van de omgevingslucht binnen het bereik van ± 5 kPa.

12.2.2.3.   

Interne PN-overbrengingsleiding

Leidingen die de aerosol van de VPR naar de inlaat van de PNC overbrengen, moeten aan de onderstaande specificaties voldoen:

a)

er moeten interne overbrengingsleidingen worden gebruikt die zodanig zijn ontworpen dat deeltjesverliezen tijdens het transport tussen de VPR en de inlaat van de PNC tot een minimum worden beperkt;

b)

er moeten interne overbrengingsleidingen worden gebruikt die zijn gemaakt van elektrisch geleidende materialen die niet met aerosoldeeltjes van de remmen reageren;

c)

er moeten interne overbrengingsleidingen worden gekozen met een constante binnendiameter (dtl) van ten minste 4 mm, zodat onder alle bedrijfsomstandigheden een laagsgewijze stroom wordt gegarandeerd;

d)

de totale lengte van de interne overbrengingsleidingen van de uitgang van de VPR naar de inlaat van de PNC mag niet meer dan 1 m bedragen;

e)

de verblijftijd van de deeltjes in de interne overbrengingsleidingen bedraagt minder dan 1 s;

f)

op de interne PN-overbrengingsleidingen mag een bocht worden aangebracht, mits de buigstraal rb ten minste tien keer de binnendiameter (10•dtl) van de interne overbrengingsleiding bedraagt.

12.2.3.   

Deeltjesmeting

12.2.3.1.   

Deeltjesaantalteller

Voor het meten van de SPN10-concentraties worden deeltjesaantaltellers (PNC) toegepast. De testfaciliteit zorgt ervoor dat PNC voldoen aan de volgende voorschriften voor SPN10:

a)

onder volledigestroomomstandigheden functioneren;

b)

een telnauwkeurigheid van ± 10 % hebben over het bereik van 1 #/cm3 tot de bovendrempel van de telmodus van de PNC voor afzonderlijke deeltjes ten opzichte van een erkende norm;

c)

afleesbaar zijn tot op ten minste 0,1 #/cm3 bij concentraties van minder dan 100 #/cm3;

d)

een lineaire respons voor deeltjesconcentraties hebben over het volledige meetbereik in de telmodus voor afzonderlijke deeltjes;

e)

een responstijd t90 over het gemeten concentratiebereik hebben van minder dan 5 s;

f)

een interne kalibratiefactor uit de lineariteitskalibratie opnemen ten opzichte van een traceerbare referentie die wordt toegepast om het telrendement van de PNC te bepalen. Het telrendement wordt gerapporteerd, met inbegrip van de kalibratiefactor volgens de specificaties van punt 14.6;

g)

het PNC-kalibratiemateriaal bestaat uit 4 cSt poly-alfa-olefine (Emery-olie), roetachtige deeltjes (bv. door de vlam gegenereerde roet- of grafietdeeltjes) of zilverdeeltjes;

h)

bij nominale deeltjesgrootten met een elektrischemobiliteitsdiameter van 10 nm en 15 nm een telrendement hebben van respectievelijk (65 ± 15) % en meer dan 90 %. Deze telrendementen kunnen worden bereikt door interne (bv. controle van het ontwerp van het instrument) of externe (bv. voorklassering van de grootte) middelen;

i)

als de PNC een werkvloeistof gebruikt, moet deze met de door de fabrikant van het instrument aangegeven frequentie worden vervangen.

12.2.3.2.   

PN-bemonsteringsstroom

Het PN-meetsysteem moet voldoen aan de volgende voorschriften voor de regeling en meting van de bemonsteringsstroom (d.w.z. stroom aan de PN-bemonsteringssonde):

a)

de methode om de stroom van het bemonsterings- en meetsysteem te meten heeft onder alle bedrijfsomstandigheden een maximaal toelaatbare fout van ± 5 % van de afgelezen waarde;

b)

er wordt een stromingsmeter gebruikt die is gekalibreerd om de stroom onder standaardomstandigheden te rapporteren. wanneer de stromingsmeter niet is gekalibreerd om waarden onder standaardomstandigheden te rapporteren, bevat deze een temperatuursensor die vóór het meetapparaat is geïnstalleerd. Om een passende omrekening te waarborgen, moet de temperatuursensor tot op ± 1,0 °C nauwkeurig zijn en moet de drukmeting tot op ± 1,0 kPa nauwkeurig zijn; deze meting wordt gebruikt om stroomwaarden om te rekenen;

c)

de werkelijke genormaliseerde bemonsteringsstroom (NQSPN10) mag niet meer dan ± 10 % afwijken van de gemiddelde waarde voor de desbetreffende test. Er moet een voorziening met een stroomregelfunctie (bv. opening met kritische stroming, drukregelaar, regeling via terugkoppeling of andere) worden gebruikt om een stabiele stroom te waarborgen;

d)

de werkelijke genormaliseerde bemonsteringsstroom registreren en deze met een frequentie van 1 Hz in het tijdgebaseerde bestand rapporteren. De gemiddelde werkelijke genormaliseerde bemonsteringsstromen moet worden gerapporteerd zoals gespecificeerd in punt 13.4;

e)

ervoor zorgen dat de gemiddelde isokinetische verhouding tijdens het emissiemeetonderdeel van een specifieke rem tussen 0,60 en 1,50 ligt.

f)

vergelijking 12.4 gebruiken om de gemiddelde isokinetische verhouding voor SPN10 te berekenen. De overeenkomstige waarden voor de binnendiameters van het isokinetische mondstuk worden gebruikt voor de bemonstering van SPN10. De gegevens van de gemiddelde genormaliseerde tunnelstroom (NQ) en de gemiddelde genormaliseerde bemonsteringsstromen (NQSPN10) in het tijdgebaseerde bestand moeten worden gebruikt. De berekende waarden moeten worden gerapporteerd zoals gespecificeerd in tabel A4/14;

g)

indien niet aan de bemonsteringsstroom of de isokinetische voorschriften van dit punt wordt voldaan, is de test ongeldig;

h)

de PN-bemonsteringsvoorzieningen werken tijdens de meting van de rememissies continu. Dit is met inbegrip van de koelingsonderdelen tussen de afzonderlijke ritten van de WLTP-remcyclus, waarbij de PN-bemonsteringsstroom niet mag worden stilgezet of om de hoofdbemonsteringsleiding heen mag worden geleid. De PN-bemonsteringsapparatuur moet in werking zijn totdat de achtergrondverificatie na de test is voltooid.

12.2.4.   

Berekening van PN-emissies

De testfaciliteit rapporteert de PN-emissies in het aantal deeltjes per gereden afstand. Voor het berekenen van de referentie- (of initiële) SPN10-emissiefactor voor de geteste rem (EFref) wordt vergelijking 12.12 gevolgd.

Voorbehouden

(Verg. 12.11)

Formula

(Verg. 12.12)

waarin:

SPN10 EFref

het aantal SPN10 per gereden afstand voor de geteste rem in #/km;

SPN10 #

de gemiddelde genormaliseerde en voor de PCRF gecorrigeerde SPN10-emissies in #/Ncm3 volgens tabel A4/10;

NQ

= de gemiddelde genormaliseerde luchtstroom in de bemonsteringstunnel in Nm3/h volgens tabel A4/10;

V

= de gemiddelde werkelijke snelheid van de WLTP-remcyclus in km/h volgens tabel A4/10

a)

de gemiddelde genormaliseerde en voor de PCRF gecorrigeerde SPN10-emissies moeten worden berekend op basis van de gegeven parameters in het tijdgebaseerde bestand;

b)

de gemiddelde genormaliseerde tunnelstroom (NQ) en de gemiddelde snelheid van de WLTP-remcyclus (V) gedurende het emissiemeetonderdeel moeten worden berekend aan de hand van de gegeven parameters in het tijdgebaseerde bestand;

c)

de SPN10 EFref van de geteste rem moeten worden berekend volgens vergelijking 12.12. Vervolgens wordt de coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem van tabel 4 of de overeenkomstig bijlage 5 bij dit reglement gemeten coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem gebruikt om de definitieve SPN10 EF van de geteste rem te berekenen. Indien de wrijvingsremcoëfficiënt uit tabel 4 wordt gebruikt, moet de wrijvingsremcoëfficiënt worden toegepast die overeenkomt met het voertuigelektrificatietype waarvan de parameters zijn gebruikt voor het testen van de rem. Vergelijking 12.14 wordt gebruikt voor het berekenen van de definitieve SPN10:

Voorbehouden

(Verg. 12.13)

Formula

(Verg. 12.14)

d)

SPN10 EF zoals gespecificeerd in tabel A4/14;

e)

indien de gemeten SPN10-emissies buiten het gespecificeerde meetbereik van de PNC vallen, is de test ongeldig.

12.2.5.   

PN-systeemverificatieprocedures

De testfaciliteit past de volgende PN-systeemcontroleprocedures toe om na te gaan of het hele systeem volledig operationeel is:

a)

de stroming naar de PNC toe heeft een gemeten waarde die, bij controle met een gekalibreerde stromingsmeter, maximaal ± 5 % van het nominale debiet van de PNC afwijkt. Hier verwijst de term “nominaal debiet” naar het debiet dat is vermeld in de documentatie van de laatste kalibratie voor de PNC. De testfaciliteit voert deze controle maandelijks uit;

b)

bij een nulcontrole op de PNC met behulp van een filter met de vereiste prestaties bij de inlaat van de PNC moet een concentratie van ≤ 0,2 #/cm3 worden gerapporteerd. Bij verwijdering van het filter moet de PNC een toename van de gemeten concentratie aangeven en een terugkeer naar 0,2 #/cm3 of minder bij vervanging van het filter. De PNC mag geen fouten melden. De testfaciliteit voert deze controle voor elke rememissietest uit;

c)

de PNC moet een gemeten concentratie van minder dan 0,5 #/cm3 rapporteren (zonder toepassing van een PCRF-correctie) wanneer een HEPA-filter van ten minste klasse H13 (EN1822:2008) of een filter met gelijkwaardige prestaties op de inlaat van het monsterconditioneringssysteem is bevestigd. De testfaciliteit voert deze controle vóór elke rememissietest uit;

d)

vóór het begin van elke rememissietest bevestigt de testfaciliteit dat het meetsysteem aangeeft dat het monsterconditioneringssysteem de correcte bedrijfstemperaturen heeft bereikt.

12.3.   

Meting van massaverlies

Het massaverlies van de te testen rem levert nuttige informatie op over de robuustheid en juistheid van de algemene testprocedure. Het kan dienen als indicator van mogelijke problemen tijdens de uitvoering van de rememissietest.

De testfaciliteit meet de begin- en eindmassa van de remcombinatie vóór en na de test. Er moet voor worden gezorgd dat de remcombinatie tijdens de rememissietest niet wordt verstoord. Aangezien na de afstelling van de koellucht nieuwe onderdelen worden gebruikt, komt de initiële massa overeen met de massa die is gemeten vóór het begin van het inlooponderdeel en komt de eindmassa overeen met de massa die na het emissiemeetonderdeel is gemeten. Alle metingen worden uitgevoerd volgens de volgende procedure:

a)

de onderdelen vacuümreinigen alvorens de metingen uit te voeren om eventuele verontreiniging te verwijderen;

b)

alle remonderdelen controleren op barsten, scheuren, holtes of losraken en deze dienovereenkomstig registreren. Indien dergelijke problemen zich niet voordoen, wordt doorgegaan met de eerste metingen;

c)

elk onderdeel afzonderlijk wegen nadat het thermokoppel is geïnstalleerd en de thermokoppelconnector is verwijderd (bij schijven en trommels). De beginmassa wordt gerapporteerd in het massameetbestand;

d)

het remwrijvingsmateriaal wegen, met inbegrip van de dempingsshims, de blok-shim-veren en andere elementen wanneer deze deel uitmaken van de productcombinatie. Het plakband van de remblokken, het vet (indien aanwezig) op de aanrakingspunten van het wrijvingsmateriaal, connectoren en andere relevante verwijderbare onderdelen moeten worden verwijderd vóór het wegen. De massa van de verwijderbare onderdelen moet tijdens de massameting vóór en na de test op dezelfde manier in aanmerking worden genomen (inbegrepen of uitgesloten). De beginmassa’s moeten worden gerapporteerd in het massameetbestand;

e)

een weegschaal gebruiken met een resolutie van ten minste 0,1 g of beter voor onderdelen met een totaalgewicht van minder dan 20 kg. Er moeten gecertificeerde kalibratiegewichten worden gebruikt om regelmatig de stabiliteit en de juiste werking van de balans te verifiëren (tabel A4/15). De microbalans moet voldoen aan de kalibratievoorschriften van punt 14.4. Aanbevolen wordt de weegschaal te plaatsen in een ruimte met gecontroleerde lucht- en vochtigheidsomstandigheden van (22 ± 2) °C en (45 ± 8) % RV;

f)

er na afloop van de rememissietest voor zorgen dat de remonderdelen worden afgekoeld tot een temperatuur van 30 °C of lager door ze maximaal 24 uur te bewaren in een ruimte met gecontroleerde lucht- en vochtigheidsomstandigheden;

g)

nadat de remonderdelen zijn afgekoeld, de onderdelen schoonmaken om eventueel vet of verontreiniging te verwijderen alvorens de eindmassa te meten;

h)

de remschijf of remtrommel en de remblokken of remschoenen afzonderlijk wegen. De eindmassa’s moeten worden gerapporteerd in het massameetbestand;

i)

het massaverlies van respectievelijk de remschijf of remtrommel en de remblokken of remschoenen berekenen door de totale eindmassa van de totale beginmassa af te trekken. Het massaverlies van elk onderdeel in het massameetbestand moet worden gerapporteerd volgens de instructies in tabel A4/13;

j)

het totale massaverlies van de te testen rem berekenen door de in i) van dit punt berekende waarden voor de afzonderlijke onderdelen bij elkaar op te tellen. Het totale massaverlies moet worden gerapporteerd volgens de instructies in tabel A4/13;

k)

de emissiefactor voor het gemiddelde gewichtsverlies berekenen door het in j) van dit punt berekende totale gewichtsverlies te delen door de totale afstand die gedurende de inloop- en emissiemeetonderdelen is gereden (d.w.z. zes WLTP-remcycli). De emissiefactor voor het gemiddelde gewichtsverlies moet worden gerapporteerd volgens de instructies in tabel A4/13.

13.   

Testresultaat

In dit punt worden de vier belangrijkste resultaten van een rememissietest beschreven. Het gaat onder meer om het testrapportbestand — het belangrijkste rapport van de emissietest — en de bijbehorende ondersteunende bestanden (d.w.z. het gebeurtenisgebaseerde bestand, het tijdgebaseerde bestand en het massameetbestand). De resultaten worden hieronder samengevat:

a)

gebeurtenisgebaseerd bestand. Een gedetailleerde beschrijving van het bestand en de vereiste parameters is te vinden in punt 13.1;

b)

tijdgebaseerd bestand. Een gedetailleerde beschrijving van het bestand en de vereiste parameters is te vinden in punt 13.2;

c)

massameetbestand. Een gedetailleerde beschrijving van het bestand en de vereiste parameters is te vinden in punt 13.3;

d)

testrapportbestand. Een gedetailleerde beschrijving van het bestand en de vereiste parameters is te vinden in punt 13.4.

De laboratoria houden registers bij van de oorspronkelijke metingen, met inbegrip van de relevante informatie over de afkoeling tussen de testgebeurtenissen, om de consistentie aan te tonen en de testresultaten op verzoek van de verantwoordelijke instantie te kunnen herberekenen.

13.1.   

Gebeurtenisgebaseerd bestand

De testfaciliteit stelt voor de rememissietest een gebeurtenisgebaseerd ODS-bestand op. Het bestand wordt “Test ID_EBF” genoemd en bevat de nodige gegevens voor elke remvertragingsgebeurtenis gedurende de gehele rememissietest. Dit bestandsformaat maakt geen onderscheid voor wat betreft de controletechnologie en -software. Elk onderdeel van de rememissietest wordt als volgt in een afzonderlijk tabblad gerapporteerd:

a)

tabblad 1 met als titel “Koeling” bevat de gegevens voor de in dit punt gespecificeerde parameters over het koelingaanpassingsonderdeel. Alleen gegevens van de succesvolle versie van rit #10 worden op dit tabblad gerapporteerd wanneer er meerdere versies van rit #10 zijn. Tabblad 1 bevat 114 rijen met gegevens die de 114 remgebeurtenissen van rit #10 van het koelingaanpassingsonderdeel vertegenwoordigen. In het geval van achterremmen moeten de gegevens van de overeenkomstige aanpassing van de koeling van de voorrem worden gerapporteerd;

b)

de tabbladen 2 tot en met 6 met als titel “Inlopen 1-5” bevatten de gegevens voor de in dit punt gespecificeerde parameters over het inlooponderdeel. Elk tabblad komt overeen met één herhaling van de WLTP-remcyclus. Elk tabblad bevat 303 rijen met gegevens die de 303 remgebeurtenissen van de WLTP-remcyclus voor elke herhaling van het inlooponderdeel vertegenwoordigen. De tabbladen 2 tot en met 6 bevatten geen gegevens van de afkoelingsonderdelen die tussen de vijf WLTP-remcycli zijn toegepast;

c)

tabblad 7 met als titel “Emissies” bevat de gegevens voor de in dit punt gespecificeerde parameters over het rememissiemeetonderdeel. Tabblad 7 bevat geen gegevens van de afkoelingsonderdelen die tussen de afzonderlijke ritten van de WLTP-remcyclus zijn toegepast. Tabblad 7 bevat 303 rijen met gegevens die de 303 remgebeurtenissen van de WLTP-remcyclus van het emissiemeetonderdeel vertegenwoordigen.

De testfaciliteit moet de in tabel A4/9 vermelde parameters voortdurend en automatisch bemonsteren en/of berekenen. Alle gegevens in het gebeurtenisgebaseerde bestand worden berekend aan de hand van de onbewerkte bemonsterde gegevens. Nadere gegevens over de gebruikte eenheden, het aantal decimalen en de bemonsteringsfrequentie van elke parameter zijn opgenomen in tabel A4/9. De bemonsteringsfrequentie in het kader van dit reglement is de frequentie waarmee het automatiseringssysteem de verschillende parameters bemonstert en registreert. Het niet indienen van het gebeurtenisgebaseerde bestand zoals hierboven beschreven, leidt tot een ongeldige test.

Ongeacht de bemonsteringsfrequentie worden de parameters in het gebeurtenisgebaseerde bestand voor elke afzonderlijke remvertragingsgebeurtenis gerapporteerd. Alle evaluaties voor gebruik in het gebeurtenisgebaseerde bestand — met uitzondering van de berekening van wrijvingsarbeidswaarden (zie punt 9.4.3, h)) — zijn gebaseerd op de werkelijke remvertragingsgebeurtenis.

Zowel de werkelijke begintijd als de werkelijke eindtijd van de vertragingsgebeurtenis worden bepaald op basis van het snel gemeten werkelijke remkoppel. De werkelijke remgebeurtenis begint bij de eerste keer dat het werkelijke remkoppel meer dan 15 % van het nominale remkoppel van de remgebeurtenis bedraagt. De werkelijke remgebeurtenis eindigt bij de eerste keer dat de waarde van het werkelijke remkoppel daalt tot onder 15 % van het nominale remkoppel.

Het nominale remkoppel kan worden berekend volgens vergelijking 13.1.

Formula

(Verg. 13.1)

waarin:

τ brake,nom,n

= het nominale remkoppel van remgebeurtenis n in Nm

WL t

= de testwielbelasting (of toegepaste wielbelasting) in kg

r R,b

= de dynamische rolstraal van de band bij rem b in mm

Vset,start,n

= de nominale lineaire snelheid aan het begin van de ne remgebeurtenis van de WLTP-remcyclus in km/h

Vset,end,n

= de nominale lineaire snelheid aan het einde van de ne remgebeurtenis van de WLTP-remcyclus in km/h

t start,nom,n

= de nominale begintijd van de ne remgebeurtenis van de geanalyseerde cyclus in s

t end,nom,n

= de nominale eindtijd van de ne remgebeurtenis van de geanalyseerde cyclus in s

De waarde van τ brake,nom,n wordt gerapporteerd in het gebeurtenisgebaseerde bestand, zoals aangegeven in tabel 13.1, op de overeenkomstige regel.

Sommige parameters die in het gebeurtenisgebaseerde bestand worden gerapporteerd, worden gedefinieerd door de begin- en eindtijd van de werkelijke remgebeurtenis, aangezien zij hun momentane waarden op deze tijdstempels weergeven (d.w.z. tijdstip van de stilstand, duur van de stilstand, beginremtemperatuur, eindremtemperatuur). Van de rest van de parameters wordt het gemiddelde (op basis van afstand of tijd) over de remgebeurtenis genomen om een unieke waarde voor elke parameter te rapporteren. Voor het nemen van het gemiddelde van deze parameters worden de 250 Hz-gegevens gebruikt die zijn bemonsterd tussen het werkelijke begin- en eindpunt van de remgebeurtenis.

Tabel A4/9

Noodzakelijke parameters voor bemonstering en rapportage in het gebeurtenisgebaseerde bestand van een rememissietest

Te meten grootheid

Symbool

Eenheid

Decimalen

Beschrijving

Bemonsteringsfrequentie

Kolom in het bestand

Testonderdeel

-

-

n.v.t.

Een driecijferige “ABC”-identificatiecode voor elke vertragingsgebeurtenis. “A” staat voor het serienummer van de cyclus in een bepaalde rememissietest (A=1 voor aanpassing van de koeling, A=2-6 voor het inlopen, A=7 voor emissiemeting). BC staat voor het serienummer van de rit (B=01-10). Wordt niet bemonsterd, maar automatisch gerapporteerd op het niveau van de afzonderlijke remgebeurtenis

n.v.t.

A

Stilstandnummer van de rit

-

-

n.v.t.

Het serienummer van de vertragingsgebeurtenis binnen de afzonderlijke rit (het kan waarden tussen 1 en 114 hebben). Wordt niet bemonsterd, maar automatisch gerapporteerd op het niveau van de afzonderlijke remgebeurtenis

n.v.t.

B

Stilstandnummer van de cyclus

-

-

n.v.t.

Het serienummer van de vertragingsgebeurtenis binnen de WLTP-remcyclus (het kan waarden tussen 1 en 303 hebben). Wordt niet bemonsterd, maar automatisch gerapporteerd op het niveau van de afzonderlijke remgebeurtenis

n.v.t.

C

Duur van de stilstand

tbrake

s

1

De totale duur van de vertragingsgebeurtenis. Wordt gedefinieerd door de tijd aan het begin en de tijd aan het einde van de vertragingsgebeurtenis

250 Hz

D

Tijdstip van de stilstand

-

hh:mm:ss

n.v.t.

Tijd aan het begin van de door de remdynamometer geregistreerde vertragingsgebeurtenis

250 Hz

E

Datum van de stilstand

-

jjjj-mm-dd

n.v.t.

Datum aan het begin van de door de remdynamometer geregistreerde vertragingsgebeurtenis. Wordt automatisch gerapporteerd op het niveau van de afzonderlijke remgebeurtenis

n.v.t.

F

Instelpunt van de beginremsnelheid

-

km/h

1

De nominale lineaire snelheid aan het begin van de vertragingsgebeurtenis zoals gedefinieerd in de WLTP-remcyclus. Wordt niet bemonsterd, maar automatisch gerapporteerd op het niveau van de afzonderlijke remgebeurtenis

n.v.t.

G

Werkelijke beginsnelheid

-

km/h

2

De gemeten lineaire snelheid aan het begin van de werkelijke remvertragingsgebeurtenis zoals gedefinieerd in punt 3.4.16 van dit reglement

250 Hz

H

Instelpunt voor lossnelheid

-

km/h

1

De nominale lineaire snelheid aan het einde (lossen) van de vertragingsgebeurtenis zoals gedefinieerd in de WLTP-remcyclus. Wordt niet bemonsterd, maar automatisch gerapporteerd op het niveau van de afzonderlijke remgebeurtenis

n.v.t.

I

Werkelijke lossnelheid

-

km/h

2

De gemeten lineaire snelheid aan het einde (lossen) van de werkelijke remvertragingsgebeurtenis zoals gedefinieerd in punt 3.4.16 van dit reglement

250 Hz

J

Omwentelingssnelheid

f

omw./min.

2

Door de remdynamometer geregistreerde tijdsgemiddelde omwentelingssnelheid van de rem. De omwentelingssnelheid die tijdens de remgebeurtenis bij 250 Hz is bemonsterd, wordt op het niveau van de afzonderlijke remgebeurtenis gerapporteerd als tijdsgemiddelde. De gemiddelden worden berekend tussen de werkelijke begin- en eindtijd van de vertragingsgebeurtenis.

250 Hz

K

Instelpunt vertragingsfactor

-

m/s2

3

Nominale vertragingsfactor van de gebeurtenis zoals gedefinieerd in de WLTP-remcyclus. Wordt niet bemonsterd, maar automatisch gerapporteerd op het niveau van de afzonderlijke remgebeurtenis

n.v.t.

L

Berekende vertragingsfactor

-

m/s2

4

Vertragingsfactor van de desbetreffende remgebeurtenis, berekend op basis van de parameters in de kolommen D, H en J

n.v.t.

M

Afstandsgemiddeld remkoppel

-

Nm

2

Door de remdynamometer geregistreerd afstandsgemiddeld remkoppel. Het remkoppel dat tijdens de remgebeurtenis bij 250 Hz is bemonsterd, wordt op het niveau van de afzonderlijke remgebeurtenis gerapporteerd als afstandsgemiddelde. De gemiddelden worden berekend tussen de werkelijke begin- en eindtijd van de vertragingsgebeurtenis.

250 Hz

N

Afstandsgemiddelde remdruk

-

kPa

2

Door de remdynamometer geregistreerde afstandsgemiddelde remdruk. De remdruk die tijdens de remgebeurtenis bij 250 Hz is bemonsterd, wordt op het niveau van de afzonderlijke remgebeurtenis gerapporteerd als afstandsgemiddelde. De gemiddelden worden berekend tussen de werkelijke begin- en eindtijd van de vertragingsgebeurtenis.

250 Hz

O

Remeffectiviteit

μ of C*

-

3

De afstandsgemiddelde wrijvingscoëfficiënt als functie van het remkoppel, de effectieve remstraal en het zuigeroppervlak. De op basis van deze parameters berekende wrijvingscoëfficiënt wordt op het niveau van de afzonderlijke remgebeurtenis gerapporteerd als afstandsgemiddelde. De gemiddelden worden berekend tussen de werkelijke begin- en eindtijd van de vertragingsgebeurtenis.

n.v.t.

P

Beginremtemperatuur

IBT

°C

2

Remtemperatuur aan het begin van de vertragingsgebeurtenis, gemeten volgens punt 3.4.22 van dit reglement

250 Hz

Q

Eindremtemperatuur

FBT

°C

2

Remtemperatuur aan het einde van de vertragingsgebeurtenis, gemeten volgens punt 3.4.23 van dit reglement

250 Hz

R

Piekremtemperatuur

PBT

°C

2

Piekremtemperatuur van de vertragingsgebeurtenis, gemeten zoals bepaald in punt 8.3.

250 Hz

S

Specifieke wrijvingsarbeid

wf,n

J/kg

1

Specifieke wrijvingsarbeid van de remvertragingsgebeurtenis, berekend zoals bepaald in punt 9.4.3, h)

n.v.t.

T

Nominaal remkoppel

τ brake,nom,n

Nm

2

Nominaal remkoppel van de remvertragingsgebeurtenis, berekend zoals bepaald in vergelijking 13.1

1 Hz

U

Afstandsgemiddelde vertragingsfactor

-

m/s2

4

Afstandsgemiddelde vertragingsfactor, berekend op het niveau van de afzonderlijke remgebeurtenis.

n.v.t.

V

13.2.   

Tijdgebaseerd bestand

De testfaciliteit stelt voor de rememissietest een tijdgebaseerd ODS-bestand op. Het bestand wordt “Test ID_TBF” genoemd en bevat informatie over specifieke testparameters die gedurende de volledige rememissietest zijn bemonsterd. Elk onderdeel van de rememissietest wordt als volgt in een afzonderlijk tabblad gerapporteerd:

a)

tabblad 1 met als titel “Pre-test BG” bevat de gerapporteerde gegevens voor de in dit punt gespecificeerde parameters over de achtergrondverificatieprocedure vóór het testen. Hoewel het model hetzelfde is als voor andere onderdelen van de rememissietest, mag de testfaciliteit alleen de relevante parameters rapporteren die nodig zijn voor het berekenen van de achtergrondemissies zoals gespecificeerd in punt 7.2.2;

b)

tabblad 2 met als titel “Koeling” bevat de gerapporteerde gegevens voor de in dit punt gespecificeerde parameters over het koelingaanpassingsonderdeel. Alleen gegevens van de succesvolle versie van rit #10 worden op dit tabblad gerapporteerd wanneer er meerdere versies van rit #10 zijn. Tabblad 2 bevat 5 272 rijen met gegevens die de 5 272 seconden van rit #10 van het koelingaanpassingsonderdeel vertegenwoordigen. In het geval van achterremmen moeten de gegevens van de overeenkomstige aanpassing van de koeling van de voorrem worden gerapporteerd;

c)

de tabbladen 3 tot en met 7 met als titel “Inlopen 1-5” bevatten de gerapporteerde gegevens voor de in dit punt gespecificeerde parameters over het inlooponderdeel. Elk tabblad komt overeen met één herhaling van de WLTP-remcyclus. De tabbladen 3 tot en met 7 bevatten geen gegevens van de afkoelingsonderdelen die tussen de afzonderlijke ritten van de WLTP-remcyclus zijn toegepast. Elk tabblad bevat 15 826 rijen met gegevens die de 15 826 seconden van de WLTP-remcyclus vertegenwoordigen. De tabbladen 3 tot en met 7 bevatten geen gegevens van de afkoelingsonderdelen die tussen de vijf WLTP-remcycli zijn toegepast;

d)

tabblad 8 met als titel “Emissies” bevat de gerapporteerde gegevens voor de in dit punt gespecificeerde parameters over het rememissiemeetonderdeel. Tabblad 8 bevat geen gegevens van de afkoelingsonderdelen die tussen de afzonderlijke ritten van de WLTP-remcyclus zijn toegepast; Tabblad 8 bevat 15 826 rijen met gegevens die de 15 826 seconden van de WLTP-remcyclus van het emissiemeetonderdeel vertegenwoordigen;

e)

tabblad 9 met als titel “Post-test BG” bevat de gerapporteerde gegevens voor de in dit punt gespecificeerde parameters over de achtergrondverificatieprocedure na het testen. Hoewel het model hetzelfde is als voor andere onderdelen van de rememissietest, wordt de testfaciliteit verzocht alleen de relevante parameters te rapporteren die nodig zijn voor het berekenen van de achtergrondemissies zoals gespecificeerd in punt 7.2.2.

De testfaciliteit moet de in tabel A4/10 vermelde parameters voortdurend en automatisch bemonsteren en/of berekenen. Alle gegevens in het tijdgebaseerde bestand worden berekend aan de hand van de onbewerkte bemonsterde gegevens. Nadere gegevens over de gebruikte eenheden, het aantal decimalen en de bemonsteringsfrequentie van elke parameter zijn opgenomen in tabel A4/10. De bemonsteringsfrequentie in het kader van dit reglement is de frequentie waarmee het automatiseringssysteem de verschillende parameters bemonstert en registreert. Het niet indienen van het tijdgebaseerde bestand zoals hierboven beschreven, leidt tot een ongeldige test.

Ongeacht de bemonsteringsfrequentie worden de parameters in het tijdgebaseerde bestand bij 1 Hz gerapporteerd. Daarom wordt het gemiddelde van de bemonsterde waarden genomen om de gerapporteerde 1 Hz-waarden te berekenen. Tabel A4/10 bevat ook een korte beschrijving van elke parameter en het symbool dat in de hele tekst wordt gebruikt.

Tabel A4/10

Noodzakelijke parameters voor bemonstering en rapportage in het tijdgebaseerde bestand van een rememissietest

Te meten grootheid

Symbool

Eenheid

Decimalen

Beschrijving

Bemonsteringsfrequentie

Kolom in het bestand

Tijdstempel

-

sec

0

Tijdstempel in de rememissietest

10 Hz

A

Nominale lineaire snelheid

Vset

km/h

1

Nominale lineaire snelheid op het desbetreffende tijdstip zoals gedefinieerd in de WLTP-remcyclus. Wordt niet bemonsterd, maar gerapporteerd bij 1 Hz.

n.v.t.

B

Werkelijke lineaire snelheid

V

km/h

2

Werkelijke lineaire snelheid geregistreerd door de remdynamometer op het gegeven tijdstip

10 Hz

C

Gereden afstand

d

km

3

Totale in de cyclus gereden afstand tot het gegeven tijdstip

10 Hz

D

Vertragingsfactor

α

m/s2

3

Vertragingsfactor geregistreerd door de remdynamometer op het gegeven tijdstip

10 Hz

E

Remkoppel

τbrake

N·m

1

Remkoppel geregistreerd door de remdynamometer op het gegeven tijdstip

10 Hz

F

Remdruk

pbrake

kPa

1

Remdruk geregistreerd door de remdynamometer op het gegeven tijdstip

10 Hz

G

Remeffectiviteit

μ of C*

-

3

Momentane wrijvingscoëfficiënt berekend op het gegeven tijdstip

10 Hz

H

Remtemperatuur

Tbrake

°C

1

Remtemperatuur op het gegeven tijdstip

10 Hz

I

Ingestelde koelluchtstroom

Qset

m3/h

0

Ingestelde (nominale) koelluchtstroom voor de desbetreffende rememissietest. Wordt niet bemonsterd, maar gerapporteerd bij 1 Hz.

n.v.t.

J

Werkelijke koelluchtstroom

Q

m3/h

2

Gemeten koelluchtstroom op het gegeven tijdstip

10 Hz

K

Genormaliseerde werkelijke koelluchtstroom

NQ

Nm3/h

2

Genormaliseerde koelluchtstroom onder standaardomstandigheden op het gegeven tijdstip

10 Hz

L

Koelluchttemperatuur

T

°C

1

Temperatuur van de koellucht op het gegeven tijdstip

10 Hz

M

Relatieve vochtigheid koellucht

RV

%

1

Relatieve vochtigheid van de koellucht op het gegeven tijdstip

10 Hz

N

Specifieke vochtigheid koellucht

SV

mg/g

1

Specifieke vochtigheid van de koellucht op het gegeven tijdstip

10 Hz

O

Koelluchtdruk

P

kPa

1

Druk van de koellucht op het gegeven tijdstip

10 Hz

P

Ingestelde PM2,5-bemonsteringsstroom

QPM2,5-set

l/min

1

Ingestelde (nominale) PM2,5-bemonsteringsstroom voor de desbetreffende rememissietest. Wordt niet bemonsterd, maar gerapporteerd bij 1 Hz.

n.v.t.

Q

Werkelijke PM2,5-bemonsteringsstroom

QPM2,5

l/min

2

PM2,5-bemonsteringsstroom gemeten op het gegeven tijdstip

10 Hz

R

Genormaliseerde werkelijke PM2,5-bemonsteringsstroom

NQPM2,5

Nl/min

2

Genormaliseerde PM2,5-bemonsteringsstroom onder standaardomstandigheden op het gegeven tijdstip

10 Hz

S

Ingestelde PM10-bemonsteringsstroom

QPM10-set

l/min

1

Ingestelde (nominale) PM10-bemonsteringsstroom voor de desbetreffende rememissietest. Wordt niet bemonsterd, maar gerapporteerd bij 1 Hz.

n.v.t.

T

Werkelijke PM10-bemonsteringsstroom

QPM10

l/min

2

PM10-bemonsteringsstroom gemeten op het gegeven tijdstip

10 Hz

U

Genormaliseerde werkelijke PM10-bemonsteringsstroom

NQPM10

Nl/min

2

Genormaliseerde PM10-bemonsteringsstroom onder standaardomstandigheden op het gegeven tijdstip

10 Hz

V

Voorbehouden

 

 

 

 

 

W

Voorbehouden

 

 

 

 

 

X

Voorbehouden

 

 

 

 

 

Y

Voorbehouden

 

 

 

 

 

Z

Ingestelde SPN10-bemonsteringsstroom

QSPN10-set

l/min

1

Ingestelde (nominale) SPN10-bemonsteringsstroom voor de desbetreffende rememissietest. Wordt niet bemonsterd, maar gerapporteerd bij 1 Hz.

n.v.t.

AA

Genormaliseerde werkelijke SPN10-bemonsteringsstroom

NQSPN10

Nl/min

2

SPN10-gerelateerde bemonsteringsstroom gemeten op het gegeven tijdstip en gerapporteerd onder standaardomstandigheden. De testfaciliteit geeft aan of de bemonsteringsfrequentie verschilt van de nominale waarde

10 Hz

AB

SPN10 — Gemiddelde PCRF

fr-SPN10

-

1

Rekenkundig gemiddelde deeltjesconcentratiereductiefactor voor de SPN10-meting

10 Hz

AC

Naar de PCRF gecorrigeerde genormaliseerde SPN10-concentratie

SPN10#

#/Ncm3

1

Genormaliseerde SPN10-concentratie onder standaardomstandigheden, gemeten door de PNC en gecorrigeerd voor de PCRF op het gegeven tijdstip

10 Hz

AD

13.3.   

Massameetbestand

De testfaciliteit maakt voor de gehele test een ODS-massameetbestand aan. Het bestand wordt “Test ID_MMF” genoemd en bevat informatie over het wegen van de filters zoals gespecificeerd in punt 12.1 en over het wegen van de remonderdelen zoals gespecificeerd in punt 12.3. PM-massagegevens worden gerapporteerd in één tabblad zoals gespecificeerd in tabel A4/11. Informatie over de referentiefilters wordt gerapporteerd in een ander tabblad zoals gespecificeerd in tabel A4/12. Ten slotte moet informatie over het massaverlies van de remonderdelen worden gerapporteerd in een afzonderlijk tabblad zoals gespecificeerd in tabel A4/13.

13.3.1.   

PM-meetgegevens

De testfaciliteit rapporteert en berekent de in tabel A4/11 vermelde parameters voor de PM-massameting. Nadere bijzonderheden over de gebruikte eenheden en het aantal decimalen van elke parameter zijn te vinden in tabel A4/11. Daarnaast wordt een korte beschrijving van elke parameter gegeven. PM-weeggegevens worden gerapporteerd in het tabblad “PM-massa” van het massameetbestand.

Tabel A4/11

Noodzakelijke parameters met betrekking tot de PM-massameetprocedure voor rapportage in het massameetbestand van een rememissietest

Te meten grootheid

Eenheid

Decimalen

Beschrijving

Kolom in het bestand

Testidentificatienummer

-

n.v.t.

Een unieke code waarmee de testfaciliteit de geteste rem kan identificeren. Moet dezelfde zijn als in “Test ID” in tabel A4/14

A

Filtermateriaal

-

n.v.t.

Specificeert het type filter dat voor PM-bemonstering wordt gebruikt overeenkomstig punt 12.1.3.2.

B

PM2,5

-

n.v.t.

Specificeert of de inputgegevens betrekking hebben op PM2,5-bemonstering en -meting

C

PM10

-

n.v.t.

Specificeert of de inputgegevens betrekking hebben op PM10-bemonstering en -meting

D

Weegdatum

jjjj-mm-dd

n.v.t.

Datum waarop de weging van het onbelaste filter plaatsvindt

E

Weegtijd

hh:mm

n.v.t.

Tijdstip waarop de weging van het onbelaste filter plaatsvindt

F

Stabilisatietijd vóór de weging

hh:mm

n.v.t.

Stabilisatietijd van het onbelaste filter voordat het wordt gewogen en gebruikt voor de bemonstering overeenkomstig punt 12.1.4.

G

Verstreken tijd vanaf de weging tot het begin van de test

hh:mm

n.v.t.

Verstreken tijd vanaf de weging van het onbelaste filter tot het begin van de emissietest overeenkomstig punt 12.1.4.

H

Onbelaste meting 1

mg

4

Gewicht van het onbelaste filter, gemeten bij de eerste weging overeenkomstig punt 12.1.4.

I

Onbelaste meting 2

mg

4

Gewicht van het onbelaste filter, gemeten bij de tweede weging overeenkomstig punt 12.1.4.

J

Onbelaste meting 3

(indien nodig)

mg

4

Gewicht van het onbelaste filter, gemeten bij de derde weging overeenkomstig punt 12.1.4 (alleen als het verschil tussen de eerste twee metingen groter is dan 10 μg)

K

Onbelaste meting 4

(indien nodig)

mg

4

Gewicht van het onbelaste filter, gemeten bij de vierde weging overeenkomstig punt 12.1.4 (alleen als het verschil tussen de eerste twee metingen groter is dan 10 μg)

L

Onbelaste gemiddelde waarde — Gecorrigeerd

mg

4

Het gecorrigeerde gemiddelde gewicht van het onbelaste filter na toepassing van de correctie voor de opwaartse kracht overeenkomstig punt 12.1.4. (Pe(Corrected))

M

Temperatuur van de omgevingslucht

°C

2

Temperatuur van de weegkamer — Rapporteer de gemiddelde temperatuur van de ruimte gedurende het laatste uur vóór de weegprocedure

N

Relatieve vochtigheid van de omgevingslucht

%

2

Relatieve vochtigheid van de weegkamer — Rapporteer de gemiddelde relatieve vochtigheid van de ruimte gedurende het laatste uur vóór de weegprocedure

O

Weegdatum

jjjj-mm-dd

n.v.t.

Datum waarop de weging van het belaste filter plaatsvindt

P

Weegtijd

hh:mm

n.v.t.

Tijdstip waarop de weging van het belaste filter plaatsvindt

Q

Stabilisatietijd vóór de weging

hh:mm

n.v.t.

Stabilisatietijd van het belaste filter na de bemonstering en vóór de weging overeenkomstig punt 12.1.4.

R

Verstreken tijd tussen eindtest en weging

hh:mm

n.v.t.

Verstreken tijd vanaf het einde van de emissietests tot de weging van het belaste filter overeenkomstig punt 12.1.4.

S

Beladen meting 1

mg

4

Gewicht van het belaste filter, gemeten bij de eerste weging overeenkomstig punt 12.1.4.

T

Beladen meting 2

mg

4

Gewicht van het belaste filter, gemeten bij de tweede weging overeenkomstig punt 12.1.4.

U

Beladen meting 3

(indien nodig)

mg

4

Gewicht van het belaste filter, gemeten bij de derde weging overeenkomstig punt 12.1.4 (alleen als het verschil tussen de eerste twee metingen groter is dan 10 μg)

V

Beladen meting 4

(indien nodig)

mg

4

Gewicht van het belaste filter, gemeten bij de vierde weging overeenkomstig punt 12.1.4 (alleen als het verschil tussen de eerste twee metingen groter is dan 10 μg)

W

Belaste gemiddelde waarde — Gecorrigeerd

mg

4

Het gecorrigeerde gemiddelde gewicht van het belaste filter na toepassing van de correctie voor de opwaartse kracht overeenkomstig punt 12.1.4. (Pe(Corrected))

X

Temperatuur van de omgevingslucht

°C

2

Temperatuur van de weegkamer — De gemiddelde temperatuur van de ruimte gedurende het laatste uur vóór de weegprocedure rapporteren

Y

Relatieve vochtigheid van de omgevingslucht

%

2

Relatieve vochtigheid van de weegkamer — De gemiddelde temperatuur van de ruimte gedurende het laatste uur vóór de weegprocedure rapporteren

Z

Beladen massa

mg

4

Pe(2,5) en Pe(10): Het verschil tussen de gemiddelde gecorrigeerde waarde van het belaste en het onbelaste filter — De waarde in kolom M aftrekken van de waarde in kolom X

AA

13.3.2.   

Gegevens referentiefilters

De testfaciliteit rapporteert de parameters met betrekking tot de referentiefilters die worden gebruikt voor de PM-massameting van een bepaalde rem. Nadere gegevens over de parameters, de toegepaste eenheden en het aantal decimalen van elke parameter worden verstrekt in tabel A4/12. De gegevens over de referentiefilters worden gerapporteerd in het tabblad “Referentiefilters” van het massameetbestand.

Tabel A4/12

Noodzakelijke parameters met betrekking tot de referentiefilters die zijn gebruikt bij de PM-massameetprocedure voor rapportage in het massameetbestand van een rememissietest

Te meten grootheid

Eenheid

Decimalen

Beschrijving

Kolom in het bestand

Testidentificatienummer

-

n.v.t.

Een unieke code waarmee de testfaciliteit de geteste rem kan identificeren — Is dezelfde code als in “Test ID” in tabelA4/14

A

Filtermateriaal

-

n.v.t.

Type filter dat overeenkomstig punt 12.1.4 als referentie wordt gebruikt. — Is hetzelfde als het filter dat in de emissietest wordt gebruikt

B

Weegdatum

jjjj-mm-dd

n.v.t.

Datum waarop de weging van de referentiefilters plaatsvindt. In het geval van referentiefilters die niet regelmatig worden gewogen, de datum rapporteren waarop de eerste weging van het filter plaatsvindt.

C

Weegtijd

hh:mm

n.v.t.

Tijdstip waarop de weging van het referentiefilter plaatsvindt. In het geval van referentiefilters die niet regelmatig worden gewogen, het tijdstip rapporteren waarop de eerste weging van het filter plaatsvindt

D

Gewicht eerste referentiefilter

mg

4

Gecorrigeerd gewicht van het 1e referentiefilter, gemeten binnen twaalf uur na de weging van het monster of aan het begin van de sessie zoals gedefinieerd in punt 12.1.4.

E

Voortschrijdend gemiddelde eerste referentiefilter

mg

4

Voortschrijdend gemiddelde van de specifieke gewichten van het 1e referentiefilter sinds de plaatsing ervan in de weegkamer overeenkomstig punt 12.1.4.

F

Gewicht tweede referentiefilter

mg

4

Gecorrigeerd gewicht van het 2e referentiefilter, gemeten binnen twaalf uur na de weging van het monster of aan het begin van de sessie zoals gedefinieerd in punt 12.1.4.

G

Voortschrijdend gemiddelde tweede referentiefilter

mg

4

Voortschrijdend gemiddelde van de specifieke gewichten van het 2e referentiefilter sinds de plaatsing ervan in de weegkamer overeenkomstig punt 12.1.4.

H

Gemiddeld verschil met voortschrijdend gemiddelde

mg

4

Gemiddeld verschil tussen de gewichten van de referentiefilters en hun voortschrijdend gemiddelde. Gebruik de in de kolommen E, F, G en H vermelde gewichten om het gemiddelde verschil te berekenen. In het geval van referentiefilters die niet regelmatig worden gewogen, weerspiegelt deze meting het verschil tussen de weging vóór de test en het voortschrijdend gemiddelde ervan overeenkomstig punt 12.1.4, iii)

I

Temperatuur van de omgevingslucht vóór de sessie

°C

2

Temperatuur van de weegkamer — Gemiddelde temperatuur van de ruimte gedurende het laatste uur vóór de weegprocedure

J

Relatieve vochtigheid van de omgevingslucht vóór de sessie

%

2

Relatieve vochtigheid van de weegkamer — Gemiddelde RV van de ruimte gedurende het laatste uur vóór de weegprocedure

K

Datum laatste weegsessie

jjjj-mm-dd

n.v.t.

Datum waarop de laatste weging van het referentiefilter plaatsvindt in het geval van referentiefilters die niet regelmatig worden gewogen. N.v.t. rapporteren indien de referentiefilters regelmatig worden gewogen

L

Tijdstip laatste weegsessie

hh:mm

n.v.t.

Tijdstip waarop de laatste weging van het referentiefilter plaatsvindt in het geval van referentiefilters die niet regelmatig worden gewogen. N.v.t. rapporteren indien de referentiefilters regelmatig worden gewogen

M

Laatste weegsessie eerste referentiefilter

mg

4

Gecorrigeerd gewicht van het eerste referentiefilter, gemeten aan het einde van de sessie zoals gedefinieerd in punt 12.1.4. N.v.t. rapporteren indien de referentiefilters regelmatig worden gewogen

N

Laatste weegsessie tweede referentiefilter

mg

4

Gecorrigeerd gewicht van het 2e referentiefilter, gemeten aan het einde van de sessie zoals gedefinieerd in punt 12.1.4. N.v.t. rapporteren indien de referentiefilters regelmatig worden gewogen

O

Gemiddeld verschil met voortschrijdend gemiddelde aan het einde van de sessie

mg

4

Gemiddeld verschil tussen de gewichten van het referentiefilter en hun voortschrijdend gemiddelde aan het einde van de sessie in het geval van referentiefilters die niet regelmatig worden gewogen. Gebruik de in de kolommen O, F, P en H vermelde gewichten om het gemiddelde verschil te berekenen. Deze meting weerspiegelt het verschil tussen de weging na de test en het voortschrijdend gemiddelde ervan overeenkomstig punt 12.1.4, iii). N.v.t. rapporteren indien de referentiefilters regelmatig worden gewogen

P

Gemiddelde verschil eerste en laatste meting

mg

4

Gemiddeld verschil tussen de eerste en de laatste weging van de referentiefilters in het geval van referentiefilters die niet regelmatig worden gewogen. Gebruik de in de kolommen E, N, G en O vermelde gewichten om het gemiddelde verschil te berekenen. Deze meting weerspiegelt het verschil tussen de weging vóór en na de test overeenkomstig punt 12.1.4. N.v.t. rapporteren indien de referentiefilters regelmatig worden gewogen

Q

Temperatuur van de omgevingslucht aan het einde van de sessie

°C

2

Temperatuur van de weegkamer — Gemiddelde temperatuur van de ruimte gedurende het laatste uur vóór de weegprocedure. N.v.t. rapporteren indien de referentiefilters regelmatig worden gewogen

R

Relatieve vochtigheid van de omgevingslucht aan het einde van de sessie

%

2

Relatieve vochtigheid van de weegkamer — Gemiddelde RV van de ruimte gedurende het laatste uur vóór de weegprocedure. N.v.t. rapporteren indien de referentiefilters regelmatig worden gewogen

S

13.3.3.   

Meetgegevens massaverlies

De testfaciliteit rapporteert de parameters met betrekking tot het totale massaverlies van de geteste rem in een afzonderlijk tabblad zoals gespecificeerd in punt 12.3. Nadere gegevens over de parameters, de toegepaste eenheden en het aantal decimalen van elke parameter worden verstrekt in tabel A4/13. De meetgegevens over het massaverlies worden gerapporteerd in het tabblad “Massaverlies” van het massameetbestand.

Tabel A4/13

Noodzakelijke parameters met betrekking tot het totale massaverlies van de rem voor rapportage in het massameetbestand van een rememissietest

Te meten grootheid

Eenheid

Decimalen

Beschrijving

Kolom in het bestand

Testidentificatienummer

-

n.v.t.

Een unieke code waarmee de testfaciliteit de geteste rem kan identificeren — Is dezelfde code als in “Test ID” in tabelA4/14

A

Schijfrem

-

n.v.t.

Geeft aan of het testremstel uit een schijf en een paar remblokken bestaat

B

Trommelrem

-

n.v.t.

Geeft aan of het testremstel uit een trommel en een paar remschoenen bestaat

C

Temperatuur van de omgevingslucht vóór de sessie

°C

2

Temperatuur van de weegkamer — Gemiddelde temperatuur van de ruimte gedurende het laatste uur vóór de weegprocedure

D

Relatieve vochtigheid van de omgevingslucht vóór de sessie

%

2

Relatieve vochtigheid van de weegkamer — Gemiddelde RV van de ruimte gedurende het laatste uur vóór de weegprocedure

E

Eerste wegingen binnenste remblok/oplopende remschoen

g

1

Gewicht van het binnenste remblok of de oplopende remschoen vóór het begin van het inlooponderdeel — De oplopende remschoen is de eerste remschoen na de wielcilinder in de richting van de omwenteling van het wiel

F

Eerste wegingen buitenste remblok/aflopende remschoen

g

1

Gewicht van het buitenste remblok of de aflopende remschoen vóór het begin van het inlooponderdeel — De aflopende remschoen is de remschoen achter de wielcilinder in de richting van de omwenteling van het wiel

G

Eerste wegingen remschijf/remtrommel

g

1

Gewicht van de remschijf of remtrommel vóór het begin van het inlooponderdeel

H

Laatste wegingen binnenste remblok/oplopende remschoen

g

1

Gewicht van het binnenste remblok of de oplopende remschoen na het einde van het emissiemeetonderdeel

I

Laatste wegingen buitenste remblok/aflopende remschoen

g

1

Gewicht van het buitenste remblok of de aflopende remschoen na het einde van het emissiemeetonderdeel

J

Laatste wegingen remschijf/remtrommel

g

1

Gewicht van de remschijf of remtrommel na het einde van het emissiemeetonderdeel

K

Massaverlies binnenste remblok/oplopende remschoen

g

1

Verschil tussen de gewogen waarde van het binnenste remblok of de oplopende remschoen — De waarde in kolom F aftrekken van de waarde in kolom I

L

Massaverlies buitenste remblok/aflopende remschoen

g

1

Verschil tussen de gewogen waarde van het buitenste remblok of de aflopende remschoen — De waarde in kolom G aftrekken van de waarde in kolom J

M

Massaverlies remschijf/remtrommel

g

1

Verschil tussen de gewogen waarde van de remschijf of de remtrommel — De waarde in kolom H aftrekken van de waarde in kolom K

N

Totaal massaalverlies

g

1

Totaal massaverlies van de remcombinatie — De waarden toevoegen in de kolommen L, M en N

O

Totale afstand

km

3

Totale afgelegde afstand tijdens de inloop- en emissiemeetonderdelen

P

Gemiddelde snelheid massaverlies

mg/km

2

Gemiddeld snelheid van het massaverlies van de remcombinatie — De waarden in de kolommen O/Q delen

Q

13.4.   

Testrapportbestand

De testfaciliteit creëert een unieke, volledige en traceerbare gegevensset als inputbestand voor het opstellen van het testrapport voor de specifieke te testen rem. Tabel A4/14 bevat alle informatie die in het rapport moet worden opgenomen. Alle gegevens in het testrapportbestand worden rechtstreeks aan de hand van de onbewerkte bemonsterde gegevens berekend. Numerieke gegevens worden als zodanig gerapporteerd en niet als ongelijkheden. Alle informatie in het rapport is gerelateerd aan de specifieke rem. De testfaciliteit dient het rapport in een *.pdf- of een gelijkwaardig formaat in. Elk indexcijfer (1, 2, 3, …) in de eerste kolom (nr.) van tabel A4/14 komt overeen met een regel in het rapport; de letters (a, b, c, …) komen overeen met afzonderlijke kolommen in de overeenkomstige regel.

Tabel A4/14

Te rapporteren testparameters na een remdeeltjesemissietest

Nr.

Punt

Parameters en inputs

Korte beschrijving

Eenheid

Decimalen

1

8.1

ID rememissietest

Een unieke code die door de testfaciliteit wordt toegekend aan de rememissietest voor de te testen rem — deze waarde wordt in alle outputbestanden gebruikt

-

n.v.t.

2

8.1

Voertuigmerk en -model

Rapportage van het merk en het model van het voertuig waarop de te testen rem is gemonteerd

-

n.v.t.

3

3.7

Voertuigelektrificatietype

Het elektrificatietype rapporteren van het voertuig waarop de te testen rem is gemonteerd

-

n.v.t.

4

5.2

Coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem

De coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem rapporteren van het voertuig waarop de te testen rem is gemonteerd

-

3

5

8.1

As (voor of achter)

De aspositie op het voertuig voor de te testen rem (FA of RA) rapporteren

-

n.v.t.

6

8.1

Oriëntatie van de rem (montagepositie in het voertuig)

De plaats van de te testen rem op het voertuig, in de rechterhoek of in de linkerhoek (RHV of LHV), rapporteren

-

n.v.t.

7

8.1

Voertuigtestmassa

De voertuigmassa rapporteren die tijdens alle onderdelen van de rememissietest op de remdynamometer wordt gesimuleerd (Mveh). In geval van niet-wrijvingsremmen de Mveh van de remhoekemissiefamilie-ouder rapporteren zoals toegepast tijdens de rememissietest

kg

0

8

8.1

Remkrachtverdeling

De verhouding tussen de remkracht op de te testen as van de rem en de totale remkracht op het voertuig (FAF of RAF) rapporteren. In geval van niet-wrijvingsremmen de FAF of RAF van de remhoekemissiefamilie-ouder rapporteren zoals toegepast tijdens de rememissietest

%

0

9

8.4.1

Type opspaninrichting

De stijl van de opspaninrichting van de remcombinatie rapporteren (L0-U of L0-P)

-

n.v.t.

10

8.1

Identificatiecode remschijf of remtrommel

De code rapporteren die door de fabrikant van de rem op de schijf/trommel is aangebracht

-

n.v.t.

11

8.1

Identificatiecode wrijvingsmateriaal

De code rapporteren die door de fabrikant van het wrijvingsmateriaal op de remblokken/-schoenen is aangebracht

-

n.v.t.

12

8.1

Nominale wielbelasting

De nominale wielbelasting van de te testen rem (WLn-f of WLn-r) berekenen en rapporteren volgens vergelijking 8.1. In geval van niet-wrijvingsremmen de parameters van de remhoekemissiefamilie-ouder gebruiken om de nominale wielbelasting te berekenen en te rapporteren.

kg

1

13

8.1

Testwielbelasting (of toegepaste wielbelasting)

De testwielbelasting die op de remdynamometer is toegepast (WLt-f of WLt-r), berekenen en rapporteren volgens vergelijking 8.2. In geval van niet-wrijvingsremmen de parameters van de remhoekemissiefamilie-ouder gebruiken om de testwielbelasting te berekenen en te rapporteren.

kg

1

14

8.1

Dynamische rolstraal van de band

De dynamische rolstraal van de band met betrekking tot de te testen rem (rR) rapporteren.

mm

0

15

8.1

Effectieve straal van de rem

De effectieve straal van de te testen rem (reff) rapporteren

mm

1

16

8.1

Nominale traagheid van de rem

Het nominale traagheidsmoment van de te testen rem (In) berekenen en rapporteren volgens vergelijking 8.3. In geval van niet-wrijvingsremmen de parameters van de remhoekemissiefamilie-ouder gebruiken om het nominale traagheidsmoment te berekenen en te rapporteren

kg·m2

1

17

8.1

Traagheid van de remtest (of toegepaste traagheid)

Het traagheidsmoment dat tijdens de test op de remdynamometer is toegepast (It) berekenen en rapporteren volgens vergelijking 8.4. In geval van niet-wrijvingsremmen de parameters van de remhoekemissiefamilie-ouder gebruiken om het traagheidsmoment dat tijdens de test op de remdynamometer is toegepast te berekenen en te rapporteren

kg·m2

1

18

8.1

Buitendiameter schijf/trommel

De buitendiameter van de te testen rem rapporteren

mm

1

19

8.1

Schijfmassa

De werkelijke massa van de ongebruikte schijf rapporteren om de rem toe te wijzen aan een nominale voorwielbelasting op een schijfmassagroep

kg

4

20

8.1

Aantal zuigers per zijde

Het aantal zuigers aan één zijde van de remklauw rapporteren

-

0

21

8.1

Gemiddelde (of hydraulische) zuigerdiameter

De diameter van de zuiger van de te testen rem rapporteren volgens vergelijking 8.5

mm

2

22

8.1

Aanhaalkoppel bout remklauw op opspaninrichting

Aanhaalkoppel voor de bout van de remklauw zoals opgegeven door de fabrikant van de rem

N·m

1

23

8.1

Aanhaalkoppel bout remschijf of remtrommel op naaf

Aanhaalkoppel voor de bout van de remschijf/remtrommel zoals opgegeven door de fabrikant van de rem

N·m

1

24

8.1

Efficiëntie van de remklauw of remtrommel

De efficiëntie rapporteren om rekening te houden met wrijvingsverliezen, zuigerbewegingen enz.

%

0

25

8.1

Drempeldruk

De minimale druk om de inwendige weerstand te overwinnen vóór het begin van het remkoppel zoals gedefinieerd in punt 3.1.19 rapporteren

kPa

1

26

8.1

Werkelijke waarde van de run-out van de rem

De gemeten run-out van de rem overeenkomstig punt 8.2, g), rapporteren

μm

0

27

7.2

Minimale operationele stroom van het systeem

De minimale koelluchtstroom rapporteren die door de opstelling van de testfaciliteit kan worden bereiken, waarbij wordt voldaan aan alle relevante in dit reglement vastgestelde voorschriften inzake koelluchtconditionering en -meting

m3/h

0

28

7.2

Maximale operationele stroom van het systeem

De maximale koelluchtstroom rapporteren die door de opstelling van de testfaciliteit kan worden bereikt, waarbij wordt voldaan aan alle relevante in dit reglement vastgestelde voorschriften inzake koelluchtconditionering en -meting

m3/h

0

29

7.2.1.1

Gemiddelde koelluchttemperatuur — Koelingaanpassingsonderdeel

De gemiddelde koelluchttemperatuur berekenen en rapporteren die is gemeten tijdens de succesvolle herhaling van het koelingaanpassingsonderdeel. De 1 Hz-gegevens van de parameter “koelluchttemperatuur” in het tijdgebaseerde bestand gebruiken om het gemiddelde over rit #10 te berekenen

°C

2

30

7.2.1.1

Gemiddelde koelluchttemperatuur — Inlooponderdeel

De gemiddelde koelluchttemperatuur berekenen en rapporteren die tijdens het inlooponderdeel is gemeten. De gemiddelde koelluchttemperatuur voor alle vijf WLTP-remcycli afzonderlijk rapporteren. De 1 Hz-gegevens van de parameter “koelluchttemperatuur” in het tijdgebaseerde bestand gebruiken om de gemiddelden over de vijf WLTP-remcycli te berekenen

°C

2

a

7.2.1.1

Gemiddelde koelluchttemperatuur

Inloopcyclus 1

°C

2

b

7.2.1.1

Gemiddelde koelluchttemperatuur

Inloopcyclus 2

°C

2

c

7.2.1.1

Gemiddelde koelluchttemperatuur

Inloopcyclus 3

°C

2

d

7.2.1.1

Gemiddelde koelluchttemperatuur

Inloopcyclus 4

°C

2

e

7.2.1.1

Gemiddelde koelluchttemperatuur

Inloopcyclus 5

°C

2

31

7.2.1.1

Gemiddelde koelluchttemperatuur — Emissiemeetonderdeel

De gemiddelde koelluchttemperatuur berekenen en rapporteren die tijdens het emissiemeetonderdeel is gemeten. De 1 Hz-gegevens van de parameter “koelluchttemperatuur” in het tijdgebaseerde bestand gebruiken om het gemiddelde over de WLTP-remcyclus te berekenen

°C

2

32

7.2.1.1

Gemiddelde koelluchttemperatuur — Algemene conformiteit

Controleren of alle onderdelen van de test voldoen aan de specificaties voor de gemiddelde temperatuur van de koellucht zoals gedefinieerd in dit reglement

J/N

n.v.t.

33

7.2.1.1

Momentane overschrijdingen van de luchttemperatuur — Koelingaanpassingsonderdeel

Het percentage van de momentane afgelezen temperatuurwaarden van de koellucht (1 Hz) van minder dan 18 °C of meer dan 28 °C tijdens de succesvolle herhaling van het koelingaanpassingsonderdeel berekenen en rapporteren. De 1 Hz-gegevens van de parameter “koelluchttemperatuur” in het tijdgebaseerde bestand gebruiken om het aantal voorvallen en het percentage ervan over rit #10 te berekenen

%

1

34

7.2.1.1

Momentane overschrijdingen van de luchttemperatuur — Inlooponderdeel

Het percentage van de momentane afgelezen temperatuurwaarden van de koellucht (1 Hz) van minder dan 18 °C of meer dan 28 °C tijdens het inlooponderdeel berekenen en rapporteren. Het percentage voor alle vijf WLTP-remcycli afzonderlijk rapporteren. De 1 Hz-gegevens van de parameter “koelluchttemperatuur” in het tijdgebaseerde bestand gebruiken om het aantal voorvallen en het percentage ervan over vijf WLTP-remcycli te berekenen

%

1

a

7.2.1.1

Momentane overschrijdingen van de luchttemperatuur

Inloopcyclus 1

%

1

b

7.2.1.1

Momentane overschrijdingen van de luchttemperatuur

Inloopcyclus 2

%

1

c

7.2.1.1

Momentane overschrijdingen van de luchttemperatuur

Inloopcyclus 3

%

1

d

7.2.1.1

Momentane overschrijdingen van de luchttemperatuur

Inloopcyclus 4

%

1

e

7.2.1.1

Momentane overschrijdingen van de luchttemperatuur

Inloopcyclus 5

%

1

35

7.2.1.1

Momentane overschrijdingen van de luchttemperatuur — Emissiemeetonderdeel

Het percentage van de momentane afgelezen temperatuurwaarden van de koellucht (1 Hz) van minder dan 18 °C of meer dan 28 °C tijdens het emissiemeetonderdeel berekenen en rapporteren. De 1 Hz-gegevens van de parameter “koelluchttemperatuur” in het tijdgebaseerde bestand gebruiken om het aantal voorvallen en het percentage ervan gedurende de WLTP-remcyclus te berekenen

%

1

36

7.2.1.1

Momentane koelluchttemperatuur — Algemene conformiteit

Controle of alle onderdelen van de test voldoen aan de specificaties voor de momentane temperatuur van de koellucht zoals gedefinieerd in dit reglement

J/N

n.v.t.

37

7.2.1.2

Gemiddelde relatieve vochtigheid van de koellucht — Koelingaanpassingsonderdeel

Berekening en rapportage van de gemiddelde relatieve vochtigheid van de koellucht die is gemeten tijdens de succesvolle herhaling van het koelingaanpassingsonderdeel. De 1 Hz-gegevens van de parameter “relatieve vochtigheid van de koellucht” in het tijdgebaseerde bestand gebruiken om het gemiddelde over rit #10 te berekenen

%

2

38

7.2.1.2

Gemiddelde relatieve vochtigheid koellucht — Inlooponderdeel

Berekening en rapportage van de gemiddelde relatieve vochtigheid van de koellucht die tijdens het inlooponderdeel is gemeten. Afzonderlijke rapportage van de gemiddelde relatieve vochtigheid van de koellucht voor alle vijf WLTP-remcycli. De 1 Hz-gegevens van de parameter “relatieve vochtigheid koellucht” in het tijdgebaseerde bestand gebruiken om de gemiddelden over de vijf WLTP-remcycli te berekenen

%

2

a

7.2.1.2

Gemiddelde relatieve vochtigheid koellucht

Inloopcyclus 1

%

2

b

7.2.1.2

Gemiddelde relatieve vochtigheid koellucht

Inloopcyclus 2

%

2

c

7.2.1.2

Gemiddelde relatieve vochtigheid koellucht

Inloopcyclus 3

%

2

d

7.2.1.2

Gemiddelde relatieve vochtigheid koellucht

Inloopcyclus 4

%

2

e

7.2.1.2

Gemiddelde relatieve vochtigheid koellucht

Inloopcyclus 5

%

2

39

7.2.1.2

Gemiddelde relatieve vochtigheid koellucht — Emissiemeetonderdeel

De gemiddelde relatieve vochtigheid van de koellucht berekenen en rapporteren die tijdens het emissiemeetonderdeel is gemeten. De 1 Hz-gegevens van de parameter “relatieve vochtigheid koellucht” in het tijdgebaseerde bestand gebruiken om het gemiddelde over de WLTP-remcyclus te berekenen

%

2

40

7.2.1.2

Gemiddelde relatieve vochtigheid van de koellucht — Algemene conformiteit

Controleren of alle onderdelen van de test voldoen aan de specificaties voor de gemiddelde relatieve vochtigheid van de koellucht zoals gedefinieerd in dit reglement

J/N

n.v.t.

41

7.2.1.2

Momentane overschrijdingen van de relatieve luchtvochtigheid — Koelingaanpassingsonderdeel

Het percentage van de momentane afgelezen waarden van de relatieve vochtigheid van de koellucht (1 Hz) van minder dan 20 % of meer dan 80 % tijdens de succesvolle herhaling van het koelingaanpassingsonderdeel berekenen en rapporteren. De 1 Hz-gegevens van de parameter “relatieve vochtigheid koellucht” in het tijdgebaseerde bestand gebruiken om het aantal voorvallen en het percentage ervan over rit #10 te berekenen

%

1

42

7.2.1.2

Momentane overschrijdingen van de relatieve luchtvochtigheid — Inlooponderdeel

Het percentage van de momentane afgelezen waarden van de relatieve vochtigheid van de koellucht (1 Hz) van minder dan 20 % of meer dan 80 % tijdens het inlooponderdeel berekenen en rapporteren. Het percentage voor alle vijf WLTP-remcycli afzonderlijk rapporteren. De 1 Hz-gegevens van de parameter “relatieve vochtigheid koellucht” in het tijdgebaseerde bestand gebruiken om het aantal voorvallen en het percentage ervan over vijf WLTP-remcycli te berekenen

%

1

a

7.2.1.2

Momentane overschrijdingen van de relatieve luchtvochtigheid

Inloopcyclus 1

%

1

b

7.2.1.2

Momentane overschrijdingen van de relatieve luchtvochtigheid

Inloopcyclus 2

%

1

c

7.2.1.2

Momentane overschrijdingen van de relatieve luchtvochtigheid

Inloopcyclus 3

%

1

d

7.2.1.2

Momentane overschrijdingen van de relatieve luchtvochtigheid

Inloopcyclus 4

%

1

e

7.2.1.2

Momentane overschrijdingen van de relatieve luchtvochtigheid

Inloopcyclus 5

%

1

43

7.2.1.2

Momentane overschrijdingen van de relatieve luchtvochtigheid — Emissiemeetonderdeel

Het percentage van de momentane afgelezen waarden van de relatieve vochtigheid van de koellucht (1 Hz) van minder dan 20 % of meer dan 80 % tijdens het emissiemeetonderdeel berekenen en rapporteren. De 1 Hz-gegevens van de parameter “relatieve vochtigheid koellucht” in het tijdgebaseerde bestand gebruiken om het gemiddelde over de WLTP-remcyclus te berekenen

%

1

44

7.2.1.2

Momentane relatieve vochtigheid van de koellucht — Algemene conformiteit

Controleren of alle onderdelen van de test voldoen aan de specificaties voor de momentane relatieve vochtigheid van de koellucht zoals gedefinieerd in dit reglement

J/N

n.v.t.

45

7.2.1.2

Gemiddelde specifieke vochtigheid van de koellucht — Koelingaanpassingsonderdeel

De gemiddelde specifieke vochtigheid va de koellucht berekenen en rapporteren die is gemeten tijdens de succesvolle herhaling van het koelingaanpassingsonderdeel. De 1 Hz-gegevens van de parameter “specifieke vochtigheid van de koellucht” in het tijdgebaseerde bestand gebruiken om het gemiddelde over rit #10 te berekenen

mg H20/g droge lucht

2

46

7.2.1.2

Gemiddelde specifieke vochtigheid koellucht — Inlooponderdeel

De gemiddelde specifieke vochtigheid van de koellucht berekenen en rapporteren die tijdens het inlooponderdeel is gemeten. De gemiddelde relatieve vochtigheid van de koellucht voor alle vijf WLTP-remcycli afzonderlijk rapporteren. De 1 Hz-gegevens van de parameter “specifieke vochtigheid koellucht” in het tijdgebaseerde bestand gebruiken om de gemiddelden over de vijf WLTP-remcycli te berekenen

mg H20/g droge lucht

2

a

7.2.1.2

Gemiddelde specifieke vochtigheid koellucht

Inloopcyclus 1

mg H20/g droge lucht

2

b

7.2.1.2

Gemiddelde specifieke vochtigheid koellucht

Inloopcyclus 2

mg H20/g droge lucht

2

c

7.2.1.2

Gemiddelde specifieke vochtigheid koellucht

Inloopcyclus 3

mg H20/g droge lucht

2

d

7.2.1.2

Gemiddelde specifieke vochtigheid koellucht

Inloopcyclus 4

mg H20/g droge lucht

2

e

7.2.1.2

Gemiddelde specifieke vochtigheid koellucht

Inloopcyclus 5

mg H20/g droge lucht

2

47

7.2.1.2

Gemiddelde specifieke vochtigheid koellucht — Emissiemeetonderdeel

De gemiddelde specifieke vochtigheid van de koellucht berekenen en rapporteren die tijdens het emissiemeetonderdeel is gemeten. De 1 Hz-gegevens van de parameter “specifieke vochtigheid koellucht” in het tijdgebaseerde bestand gebruiken om het gemiddelde over de WLTP-remcyclus te berekenen

mg H20/g droge lucht

2

48

7.2.1.2

Gemiddelde relatieve vochtigheid koellucht — Algemene conformiteit

Controleren of alle onderdelen van de test voldoen aan de specificaties voor de gemiddelde specifieke vochtigheid van de koellucht zoals gedefinieerd in dit reglement

J/N

n.v.t.

49

7.2.2.1

Koelluchtfiltering — Algemene conformiteit

Controleren of de koellucht die het systeem binnenkomt, voldoet aan de filterspecificaties van dit reglement

J/N

n.v.t.

50

 

Voorbehouden

 

 

 

51

7.2.2.2.1

Verificatie van de systeemachtergrond — SPN10 bij minimale operationele luchtstroom

De SPN10-achtergrondconcentratie van de opstelling rapporteren, gemeten bij de minimale operationele luchtstroom

#/Ncm3

1

52

 

Voorbehouden

 

 

 

53

7.2.2.2.1

Verificatie van de systeemachtergrond — SPN10 bij maximale operationele luchtstroom

De SPN10-achtergrondconcentratie van de opstelling rapporteren, gemeten bij de maximale operationele luchtstroom.

#/Ncm3

1

54

7.2.2.2.3

Verificatie van de systeemachtergrond — Algemene conformiteit

Controleren of de SPN10-achtergrondconcentratie, gemeten bij verschillende luchtstromen, onder de in punt 7.2.2.2.3, c), gedefinieerde maximaal toegestane grenswaarde ligt

J/N

n.v.t.

55

 

Voorbehouden

 

 

 

56

7.2.2.2.2

Achtergrondverificatie op testniveau — PCRF-instelling SPN10

De gecertificeerde waarde van de PCRF-instelling die is toegepast tijdens de achtergrondverificatie vóór en na de test, rapporteren voor SPN10

-

1

57

 

Voorbehouden

 

 

 

58

7.2.2.2.2

Achtergrond vóór de test — SPN10-concentratie

De tijdens de achtergrondverificatie vóór de test gemeten SPN10-achtergrondconcentratie (SPN10b#) berekenen en rapporteren. De 1 Hz-gegevens van de parameter “Genormaliseerde SPN10-concentratie — PCRF-gecorrigeerd” in het tijdgebaseerde bestand (achtergrond vóór de test) gebruiken om het gemiddelde over vijf minuten zoals beschreven in punt 7.2.2.2.2, d), te berekenen

#/Ncm3

1

59

 

Voorbehouden

 

 

 

60

7.2.2.2.2

Achtergrond na de test — SPN10-concentratie

De tijdens de achtergrondverificatie na de test gemeten SPN10-achtergrondconcentratie (SPN10b#) berekenen en rapporteren. De 1 Hz-gegevens van de parameter “Genormaliseerde SPN10-concentratie — PCRF-gecorrigeerd” in het tijdgebaseerde bestand (achtergrond na de test) gebruiken om het gemiddelde over vijf minuten zoals beschreven in punt 7.2.2.2.2, h), te berekenen

#/Ncm3

1

61

7.2.2.2.3

Achtergrondverificatie op testniveau — Algemene conformiteit

Controleren of de SPN10-achtergrondconcentratie, gemeten bij de luchtstroomafstelling die is gedefinieerd voor de te testen rem, onder de in punt 7.2.2.2.3, c), gedefinieerde maximaal toelaatbare grenswaarde ligt

J/N

n.v.t.

62

 

Voorbehouden

 

 

 

63

7.2.2.2.4

Achtergrond vóór de test — SPN10-aantal per afstand

De SPN10-achtergrond die tijdens de achtergrondverificatie vóór na de test is gemeten in # per afgelegde afstand berekenen en rapporteren volgens vergelijking 7.2

#/km

1

64

 

Voorbehouden

 

 

 

65

7.2.2.2.4

Achtergrond na de test — SPN10-aantal per afstand

De SPN10-achtergrond die tijdens de achtergrondverificatie na de test is gemeten in # per afgelegde afstand berekenen en rapporteren volgens vergelijking 7.2.

#/km

1

66

7.2.3

Luchtstroommeter — Algemene conformiteit

Controleren of het luchtstroommeetelement voldoet aan alle voorschriften van punt 7.2.3, a) tot en met h)

J/N

n.v.t.

67

7.2.3

Koelluchtstroom — Nominale (of ingestelde) waarde

De nominale (of ingestelde) koelluchtstroom voor de te testen rem (Qset) rapporteren

m3/h

0

68

7.2.3

Koelluchtstroom — Nominale (of ingestelde) waarde

Controleren of op alle onderdelen van de rememissietest dezelfde nominale koelluchtstroom is toegepast

J/N

n.v.t.

69

7.2.3

Koelluchtstroom — Gemiddelde waarde (koelingaanpassingsonderdeel)

De gemiddelde gemeten koelluchtstroom tijdens het koelingaanpassingsonderdeel berekenen en rapporteren. De 1 Hz-gegevens van de parameter “werkelijke koelluchtstroom” in het tijdgebaseerde bestand gebruiken om het gemiddelde over rit #10 te berekenen In het geval van meerdere herhalingen van het koelingaanpassingsonderdeel, alleen de herhaling rapporteren die heeft geleid tot de definitie van de Qset

m3/h

2

70

7.2.3

Koelluchtstroom — Verschil met de nominale stroom (koelingaanpassingsonderdeel)

Het procentuele verschil tussen de gemiddelde gemeten koelluchtstroom en de nominale koelluchtstroom tijdens het koelingaanpassingsonderdeel berekenen en rapporteren

%

1

71

7.2.3

Koelluchtstroom — Gemiddelde genormaliseerde waarde (koelingaanpassingsonderdeel)

De gemiddelde genormaliseerde gemeten koelluchtstroom tijdens het koelingaanpassingsonderdeel berekenen en rapporteren. De 1 Hz-gegevens van de parameter “genormaliseerde werkelijke koelluchtstroom” in het tijdgebaseerde bestand gebruiken om het gemiddelde over rit #10 te berekenen In het geval van meerdere herhalingen van het koelingaanpassingsonderdeel, alleen de herhaling rapporteren die heeft geleid tot de definitie van de Qset

Nm3/h

2

 

 

 

 

 

72

7.2.3

Koelluchtstroom — Gemiddelde waarde (inlooponderdeel)

De gemiddelde gemeten koelluchtstroom tijdens het inlooponderdeel berekenen en rapporteren. De gemiddelde gemeten koelluchtstroom voor alle vijf WLTP-remcycli afzonderlijk rapporteren. De 1 Hz-gegevens van de parameter “werkelijke koelluchtstroom” in het tijdgebaseerde bestand gebruiken om de gemiddelden over de vijf WLTP-remcycli te berekenen

m3/h

2

a

7.2.3

Koelluchtstroom — Gemiddelde waarde

Inloopcyclus 1

m3/h

2

b

7.2.3

Koelluchtstroom — Gemiddelde waarde

Inloopcyclus 2

m3/h

2

c

7.2.3

Koelluchtstroom — Gemiddelde waarde

Inloopcyclus 3

m3/h

2

d

7.2.3

Koelluchtstroom — Gemiddelde waarde

Inloopcyclus 4

m3/h

2

e

7.2.3

Koelluchtstroom — Gemiddelde waarde

Inloopcyclus 5

m3/h

2

73

7.2.3

Koelluchtstroom — Verschil met de nominale stroom (inlooponderdeel)

Berekening en rapportage van het procentuele verschil met de nominale koelluchtstroom tijdens het inlooponderdeel. Afzonderlijke rapportage van het procentuele verschil voor alle vijf de WLTP-remcycli

%

1

a

7.2.3

Koelluchtstroom — Verschil met de nominale stroom

Inloopcyclus 1

%

1

b

7.2.3

Koelluchtstroom — Verschil met de nominale stroom

Inloopcyclus 2

%

1

c

7.2.3

Koelluchtstroom — Verschil met de nominale stroom

Inloopcyclus 3

%

1

d

7.2.3

Koelluchtstroom — Verschil met de nominale stroom

Inloopcyclus 4

%

1

e

7.2.3

Koelluchtstroom — Verschil met de nominale stroom

Inloopcyclus 5

%

1

74

7.2.3

Koelluchtstroom — Gemiddelde genormaliseerde waarde (inlooponderdeel)

De gemiddelde genormaliseerde gemeten koelluchtstroom tijdens het inlooponderdeel berekenen en rapporteren. De gemiddelde genormaliseerde gemeten koelluchtstroom voor alle vijf WLTP-remcycli afzonderlijk rapporteren. De 1 Hz-gegevens van de parameter “genormaliseerde werkelijke koelluchtstroom” in het tijdgebaseerde bestand gebruiken om de gemiddelden over de vijf WLTP-remcycli te berekenen

Nm3/h

2

a

7.2.3

Koelluchtstroom — Gemiddelde genormaliseerde waarde

Inloopcyclus 1

Nm3/h

2

b

7.2.3

Koelluchtstroom — Gemiddelde genormaliseerde waarde

Inloopcyclus 2

Nm3/h

2

c

7.2.3

Koelluchtstroom — Gemiddelde genormaliseerde waarde

Inloopcyclus 3

Nm3/h

2

d

7.2.3

Koelluchtstroom — Gemiddelde genormaliseerde waarde

Inloopcyclus 4

Nm3/h

2

e

7.2.3

Koelluchtstroom — Gemiddelde genormaliseerde waarde

Inloopcyclus 5

Nm3/h

2

75

7.2.3

Koelluchtstroom — Gemiddelde waarde (emissiemeetonderdeel)

De gemiddelde gemeten koelluchtstroom tijdens het emissiemeetonderdeel berekenen en rapporteren. De 1 Hz-gegevens van de parameter “werkelijke koelluchtstroom” in het tijdgebaseerde bestand gebruiken om het gemiddelde over de WLTP-remcyclus (afkoelingsonderdelen niet inbegrepen) te berekenen

m3/h

2

76

7.2.3

Koelluchtstroom — Verschil met de nominale stroom (emissiemeetonderdeel)

Het procentuele verschil met de nominale koelluchtstroom tijdens het emissiemeetonderdeel berekenen en rapporteren

%

1

77

7.2.3

Koelluchtstroom — Gemiddelde genormaliseerde waarde (emissiemeetonderdeel)

De gemiddelde genormaliseerde gemeten koelluchtstroom tijdens het emissiemeetonderdeel berekenen en rapporteren. De 1 Hz-gegevens van de parameter “genormaliseerde werkelijke koelluchtstroom” in het tijdgebaseerde bestand gebruiken om het gemiddelde over de WLTP-remcyclus (afkoelingsonderdelen niet inbegrepen) te berekenen

Nm3/h

2

78

7.2.3

Gemiddelde koelluchtstroom — Algemene conformiteit

Controleren of alle onderdelen van de test voldoen aan de voorschriften van dit reglement met betrekking tot het verschil tussen de nominale koelluchtstroom en de gemiddelde gemeten koelluchtstroom

J/N

n.v.t.

79

7.2.3

Momentane overschrijdingen van de luchtstroom — Koelingaanpassingsonderdeel

Het aantal afgelezen waarden van de koelluchtstroom (1 Hz) met een verschil tussen 5 % en 10 % ten opzichte van de nominale waarde tijdens de succesvolle herhaling van het koelingaanpassingsonderdeel berekenen en rapporteren. De 1 Hz-gegevens van de parameter “werkelijke koelluchtstroom” in het tijdgebaseerde bestand gebruiken om het aantal voorvallen over rit #10 te berekenen

-

0

80

7.2.3

Momentane overschrijdingen van de luchtstroom — Emissiemeetonderdeel

Het aantal afgelezen waarden van de koelluchtstroom (1 Hz) met een verschil tussen 5 % en 10 % ten opzichte van de nominale waarde tijdens het emissiemeetonderdeel berekenen en rapporteren. De 1 Hz-gegevens van de parameter “werkelijke koelluchtstroom” in het tijdgebaseerde bestand gebruiken om het aantal voorvallen gedurende de WLTP-remcyclus (afkoelingsonderdelen niet inbegrepen) te berekenen

-

0

81

7.2.3

Momentane koelluchtstroom — Algemene conformiteit

Verifiëren of de koelingaanpassings- en emissiemeetonderdelen voldoen aan het maximaal toegestane aantal van de momentane afgelezen waarden van de koelluchtstroom (1 Hz) met een verschil tussen 5 % en 10 % ten opzichte van de in dit reglement gedefinieerde nominale waarde

J/N

n.v.t.

82

7.2.3

Momentane koelluchtstroom — Algemene conformiteit

Verifiëren of de momentane afgelezen waarden van de koellucht (1 Hz) op geen enkel punt van de koelingaanpassings- en emissiemeetonderdelen meer dan 10 % verschillen van de nominale koelluchtstroomwaarde

J/N

n.v.t.

83

7.2.3

Controle op lekken in het systeem — Gemiddeld gemeten luchtstroom

De tijdens de controle op lekken gemeten gemiddelde luchtstroom berekenen en rapporteren

m3/h

2

84

7.2.3

Controle op lekken in het systeem — Algemene conformiteit

Verifiëren of de tijdens de controle op lekken gemeten gemiddelde luchtstroom voldoet aan de voorschriften van dit reglement

J/N

n.v.t.

85

7.3

Remdynamometer en automatiseringssysteem — Algemene conformiteit

Verifiëren of is voldaan aan de verplichte specificaties voor de remdynamometer van punt 7.3, a) tot en met e)

J/N

n.v.t.

86

7.3

Remdynamometer en automatiseringssysteem — Algemene conformiteit

Verifiëren of is voldaan aan de verplichte specificaties voor het automatiserings-, controle- en gegevensverwervingssysteem van punt 7.3, f) tot en met h)

J/N

n.v.t.

87

7.4.2

Ontwerp van de remruimte — Reynoldsgetal bij de ingang van de ruimte

Het Reynoldsgetal van de luchtstroom bij de ingang van de ruimte voor de te testen rem berekenen en rapporteren. Het Reynoldsgetal alleen tijdens het emissiemeetonderdeel berekenen volgens vergelijking 7.3.

-

 

88

7.4.2

Ontwerp van de remruimte — Verificatie van de uniformiteit van de snelheid bij de minimale operationele luchtstroom

Verifiëren of de luchtsnelheid op elke positie van vlak C die wordt gebruikt voor het controleren van de uniformiteit van de snelheid, varieert met niet meer dan ± 35 % van het rekenkundig gemiddelde van alle metingen voor de minimale operationele luchtstroom van de opstelling

J/N

n.v.t.

89

7.4.2

Ontwerp van de remruimte — Verificatie van de uniformiteit van de snelheid bij de maximale operationele luchtstroom

Verifiëren of de luchtsnelheid op elke positie van vlak C die wordt gebruikt voor het controleren van de uniformiteit van de snelheid, varieert met niet meer dan ± 35 % van het rekenkundig gemiddelde van alle metingen voor de maximale operationele luchtstroom van de opstelling

J/N

n.v.t.

90

7.4.2

Ontwerp van de remruimte — Algemene conformiteit

Verifiëren of de remruimte voldoet aan alle specificaties van punt 7.4.2, a) tot en met l)

J/N

n.v.t.

91

7.4.3

Afmetingen van de remruimte — lengte

De lengte van vlak A1 (IA1 — lengte van de ruimte) zoals gedefinieerd in punt 7.4.3 rapporteren

mm

1

92

7.4.3

Afmetingen van de remruimte — Hoogte

De lengte van vlak D (hD — hoogte van de ruimte) zoals gedefinieerd in punt 7.4.3 rapporteren

mm

1

93

7.4.3

Afmetingen van de remruimte — Diepte

De maximale axiale diepte van de ruimte op vlak D zoals gedefinieerd in punt 7.4.3 rapporteren

mm

1

94

7.4.3

Afmetingen van de remruimte — Inlaat- en uitlaatdiameter

De inlaat- en uitlaatdiameter (di) van de ruimte rapporteren

mm

1

95

7.4.3

Afmetingen van de remruimte — Overgangslengte inlaat en uitlaat

De overgangslengte van de inlaat en uitlaat (li) rapporteren

mm

1

96

7.4.3

Afmetingen van de remruimte — Overgangshoogte inlaat en uitlaat

De overgangshoogte van de inlaat en uitlaat (hB) rapporteren

mm

1

97

7.4.3

Afmetingen van de remruimte — Verhouding tussen de hoogte van de inlaat en de hoogte van de ruimte

De verhouding tussen de hoogte van de inlaat (hB) en de hoogte van de ruimte (hD) rapporteren

%

1

98

7.4.3

Afmetingen van de remruimte — Algemene conformiteit

Verifiëren of de afmetingen van de remruimte voldoen aan alle specificaties van punt 7.4.3, a) tot en met g)

J/N

n.v.t.

99

7.5

Ontwerp van de bemonsteringstunnel — Binnendiameter kanaal

De binnendiameter (di) van het kanaal in de bemonsteringstunnel rapporteren

mm

1

100

7.5

Ontwerp van de bemonsteringstunnel — Aanwezigheid van een bocht

Vermelden of er een bocht wordt toegepast in de bemonsteringstunnel (voorbij de uitlaat van de remruimte en vóór het bemonsteringsvlak).

J/N

n.v.t.

101

7.5

Ontwerp van de bemonsteringstunnel — Specificaties van de bocht (hoek)

Wanneer een bocht is toegepast in de bemonsteringstunnel, de hoek van de bocht rapporteren. Als er geen bocht is, “n.v.t.” rapporteren

°

0

102

7.5

Ontwerp van de bemonsteringstunnel — Specificaties van Bend (buigstraal)

Wanneer een bocht is toegepast in de bemonsteringstunnel, de buigstraal als gedefinieerd in figuur A4/6 rapporteren. Als er geen bocht is, “n.v.t.” rapporteren

#·di

1

103

7.5

Ontwerp van de bemonsteringstunnel — Algemene conformiteit

Verifiëren of de bemonsteringstunnel voldoet aan alle specificaties van punt 7.5, a) tot en met i)

J/N

n.v.t.

104

7.6

Ontwerp van het bemonsteringsvlak — Aantal sondes

Het aantal bemonsteringssondes rapporteren dat voor de rememissietest is gebruikt

-

0

105

7.6

Ontwerp van het bemonsteringsvlak — Afstand tussen de sondes

De minimumafstand tussen de sondes (a1) zoals aangegeven in figuur A4/7 rapporteren

mm

1

106

7.6

Ontwerp van het bemonsteringsvlak — Afstand tussen sondes en wanden

De minimumafstand tussen de sondes en de tunnelwand (a2) zoals aangegeven in figuur A4/7 rapporteren

mm

1

107

7.6

Ontwerp van het bemonsteringsvlak — Algemene conformiteit

Verifiëren of het bemonsteringsvlak voldoet aan alle specificaties voor afstand en plaatsing van punt 7.6, a) tot en met g)

J/N

n.v.t.

108

8.3

Meting van de remtemperatuur — Algemene conformiteit van de thermokoppels

Verifiëren of de gebruikte thermokoppels voldoen aan alle voorschriften van punt 8.3, a) tot en met f)

J/N

n.v.t.

109

8.3

Meting van de remtemperatuur — Meting van de temperatuur van het wrijvingsmateriaal

Rapporteren of naast de temperatuur van de remschijf of remtrommel ook de temperatuur van de remblokken of remschoenen is gemeten

J/N

n.v.t.

110

8.4.1

Remcombinatie — Algemene conformiteit

Verifiëren of de installatiepositie en het type opspaninrichting dat voor de remcombinatie wordt gebruikt, voldoen aan de voorschriften van punt 8.4.1

J/N

n.v.t.

111

8.4.1

Remcombinatie — Draaien van de rem

De draairichting van de remschijf of remtrommel (met de klok mee of tegen de klok in) ten opzichte van de afvoerrichting rapporteren

Met de klok mee of tegen de klok in

n.v.t.

112

8.4.1

Remcombinatie — Draaien van de rem

Verifiëren of de geteste remschijf of remtrommel in de afvoerrichting draait

J/N

n.v.t.

113

8.4.2

Oriëntatie van de remklauw — Algemene conformiteit

Verifiëren of de oriëntatie van de te testen rem voldoet aan de voorschriften van punt 8.4.2

J/N

n.v.t.

114

9.2.1

Begintemperatuur — Koelingaanpassingsonderdeel

De beginremtemperatuur van de succesvolle herhaling van de afstelling van de koeling rapporteren. De overeenkomstige waarde van de parameter “remtemperatuur” in het tijdgebaseerde bestand gebruiken (d.w.z. de waarde voor de remtemperatuur aan het begin van rit #10 gebruiken)

°C

2

115

9.2.2

Begintemperatuur — Inlooponderdeel

De beginremtemperatuur tijdens het inlooponderdeel rapporteren. De beginremtemperatuur voor alle vijf WLTP-remcycli afzonderlijk rapporteren. De overeenkomstige waarden van de parameter “remtemperatuur” in het tijdgebaseerde bestand gebruiken (d.w.z. de waarden voor de remtemperatuur aan het begin van elke van de vijf WLTP-remcycli gebruiken)

°C

2

a

9.2.2

Begintemperatuur

Inloopcyclus 1

°C

2

b

9.2.2

Begintemperatuur

Inloopcyclus 2

°C

2

c

9.2.2

Begintemperatuur

Inloopcyclus 3

°C

2

d

9.2.2

Begintemperatuur

Inloopcyclus 4

°C

2

e

9.2.2

Begintemperatuur

Inloopcyclus 5

°C

2

116

9.2.3

Begintemperatuur — Emissiemeetonderdeel

De beginremtemperatuur tijdens alle tien ritten van de WLTP-remcyclus gedurende het emissiemeetonderdeel zoals gedefinieerd in punt 9.2.3. rapporteren. De overeenkomstige waarden van de parameter “remtemperatuur” in het tijdgebaseerde bestand gebruiken (d.w.z. de waarden voor de remtemperatuur aan het begin van de ritten #1 tot en met #10 van de WLTP-remcyclus gebruiken)

°C

2

a

9.2.3

Begintemperatuur

Rit #1 van de WLTP-remcyclus

°C

2

b

9.2.3

Begintemperatuur

Rit #2 van de WLTP-remcyclus

°C

2

c

9.2.3

Begintemperatuur

Rit #3 van de WLTP-remcyclus

°C

2

d

9.2.3

Begintemperatuur

Rit #4 van de WLTP-remcyclus

°C

2

e

9.2.3

Begintemperatuur

Rit #5 van de WLTP-remcyclus

°C

2

f

9.2.3

Begintemperatuur

Rit #6 van de WLTP-remcyclus

°C

2

g

9.2.3

Begintemperatuur

Rit #7 van de WLTP-remcyclus

°C

2

h

9.2.3

Begintemperatuur

Rit #8 van de WLTP-remcyclus

°C

2

I

9.2.3

Begintemperatuur

Rit #9 van de WLTP-remcyclus

°C

2

j

9.2.3

Begintemperatuur

Rit #10 van de WLTP-remcyclus

°C

2

117

9.2.1, 9.2.2, 9.2.3

Begintemperatuur — Algemene conformiteit

Verifiëren of de beginremtemperatuur op alle testonderdelen voldoet aan de criteria van de punten 9.2.1, 9.2.2 en 9.2.3.

J/N

n.v.t.

118

9.3.1, 9.3.2, 9.3.3

Onderbrekingen van de WLTP-remcyclus — Voorvallen

Rapporteren of er tijdens een deel van de rememissietest een onderbreking heeft plaatsgevonden

J/N

n.v.t.

119

9.3.1, 9.3.2, 9.3.3

Onderbrekingen van de WLTP-remcyclus — Algemene conformiteit

Wanneer zich een onderbreking heeft voorgedaan, verifiëren of alle nodige maatregelen zijn genomen om de test te hervatten volgens de specificaties van de punten 9.3.1 en 9.3.2.

J/N

n.v.t.

120

9.3.1, 9.3.2, 9.3.3

Onderbrekingen van de WLTP-remcyclus — Algemene conformiteit

Verifiëren of de te testen rem op geen enkel punt van de totale rememissietest is gedemonteerd

J/N

n.v.t.

121

9.4.1

Snelheidsoverschrijdingen — Koelingaanpassingsonderdeel

Het percentage snelheidsoverschrijdingen tijdens de succesvolle herhaling van het koelingaanpassingsonderdeel berekenen en rapporteren. De 1 Hz-gegevens van de parameters “werkelijke lineaire snelheid” en “nominale lineaire snelheid” in het tijdgebaseerde bestand gebruiken. De 1 Hz-gegevens van de twee parameters vergelijken om het aantal en het totale percentage snelheidsoverschrijdingen gedurende rit #10 te berekenen

%

1

122

9.4.1

Snelheidsoverschrijdingen — Inlooponderdeel

Het percentage snelheidsoverschrijdingen tijdens het inlooponderdeel berekenen en rapporteren. De berekening voor alle vijf WLTP-remcycli afzonderlijk uitvoeren. De 1 Hz-gegevens van de parameters “werkelijke lineaire snelheid” en “nominale lineaire snelheid” in het tijdgebaseerde bestand gebruiken. De 1 Hz-gegevens van de twee parameters vergelijken om het aantal en het totale percentage snelheidsoverschrijdingen gedurende de vijf WLTP-remcycli te berekenen

%

1

a

9.4.1

Snelheidsoverschrijdingen

Inloopcyclus 1

%

1

b

9.4.1

Snelheidsoverschrijdingen

Inloopcyclus 2

%

1

c

9.4.1

Snelheidsoverschrijdingen

Inloopcyclus 3

%

1

d

9.4.1

Snelheidsoverschrijdingen

Inloopcyclus 4

%

1

e

9.4.1

Snelheidsoverschrijdingen

Inloopcyclus 5

%

1

123

9.4.1

Snelheidsoverschrijdingen — Emissiemeetonderdeel

Het percentage snelheidsoverschrijdingen tijdens het emissiemeetonderdeel berekenen en rapporteren. De 1 Hz-gegevens van de parameters “werkelijke lineaire snelheid” en “nominale lineaire snelheid” in het tijdgebaseerde bestand gebruiken. De 1 Hz-gegevens van de twee parameters vergelijken om het aantal en het totale percentage snelheidsoverschrijdingen gedurende de WLTP-remcyclus te berekenen

%

1

124

9.4.1

Snelheidsoverschrijdingen — Algemene conformiteit

Verifiëren of alle onderdelen van de rememissietest voldoen aan de criteria voor snelheidsoverschrijdingen van punt 9.4.1, a) tot en met g)

J/N

n.v.t.

125

9.4.2

Aantal vertragingsgebeurtenissen — Telling aan de hand van de “duur van de stilstand”

Het aantal numerieke en niet-nulwaarden van de parameter “duur van de stilstand” in het gebeurtenisgebaseerde bestand gedurende het emissiemeetonderdeel rapporteren.

-

0

126

9.4.2

Aantal vertragingsgebeurtenissen — Telling aan de hand van de “vertragingsfactor”

Het aantal numerieke en niet-nulwaarden van de parameter “afstandsgemiddelde vertragingsfactor” in het gebeurtenisgebaseerde bestand over het emissiemeetonderdeel rapporteren

-

0

127

9.4.3

Kinetische energiedissipatie — wf tijdens het koelingaanpassingsonderdeel

De kinetische energiedissipatie (wf) tijdens de succesvolle herhaling van het koelingaanpassingsonderdeel berekenen en rapporteren volgens vergelijking 9.1. De werkelijke specifieke wrijvingsarbeid van de afzonderlijke remgebeurtenissen bij elkaar optellen om de totale specifieke wrijvingsarbeid gedurende rit #10 van het koelingaanpassingsonderdeel te rapporteren

J/kg

1

128

9.4.3

Kinetische energiedissipatie — Afwijking van de nominale waarde (koelingaanpassingsonderdeel)

Het procentuele verschil ten opzichte van de waarde van de nominale wrijvingsarbeid tijdens de succesvolle herhaling van het koelingaanpassingsonderdeel berekenen en rapporteren

%

1

129

9.4.3

Kinetische energiedissipatie — wf tijdens het inlooponderdeel

De kinetische energiedissipatie (wf) tijdens het inlooponderdeel berekenen en rapporteren volgens vergelijking 9.1. De kinetische energiedissipatie voor de vijf WLTP-remcycli afzonderlijk rapporteren. De werkelijke specifieke wrijvingsarbeid van de afzonderlijke remgebeurtenissen bij elkaar optellen om de totale specifieke wrijvingsarbeid gedurende elke WLTP-remcyclus van het inlooponderdeel te rapporteren

J/kg

1

a

9.4.3

Kinetische energiedissipatie — wf

Inloopcyclus 1

J/kg

1

b

9.4.3

Kinetische energiedissipatie — wf

Inloopcyclus 2

J/kg

1

c

9.4.3

Kinetische energiedissipatie — wf

Inloopcyclus 3

J/kg

1

d

9.4.3

Kinetische energiedissipatie — wf

Inloopcyclus 4

J/kg

1

e

9.4.3

Kinetische energiedissipatie — wf

Inloopcyclus 5

J/kg

1

130

9.4.3

Kinetische energiedissipatie — Afwijking van de nominale waarde (inlooponderdeel)

Het procentuele verschil ten opzichte van de nominale wrijvingsarbeid tijdens het inlooponderdeel berekenen en rapporteren. De afwijking van de nominale waarde voor alle vijf WLTP-remcycli van het inlooponderdeel afzonderlijk rapporteren

%

1

a

9.4.3

Kinetische energiedissipatie — Afwijking van de nominale waarde

Inloopcyclus 1

%

1

b

9.4.3

Kinetische energiedissipatie — Afwijking van de nominale waarde

Inloopcyclus 2

%

1

c

9.4.3

Kinetische energiedissipatie — Afwijking van de nominale waarde

Inloopcyclus 3

%

1

d

9.4.3

Kinetische energiedissipatie — Afwijking van de nominale waarde

Inloopcyclus 4

%

1

e

9.4.3

Kinetische energiedissipatie — Afwijking van de nominale waarde

Inloopcyclus 5

%

1

131

9.4.3

Kinetische energiedissipatie — wf tijdens het emissiemeetonderdeel

De kinetische energiedissipatie (wf) tijdens het emissiemeetonderdeel berekenen en rapporteren volgens vergelijking 9.1. De werkelijke specifieke wrijvingsarbeid van de afzonderlijke remgebeurtenissen bij elkaar optellen om de totale specifieke wrijvingsarbeid gedurende de WLTP-remcyclus van het emissiemeetonderdeel te rapporteren

J/kg

1

132

9.4.3

Kinetische energiedissipatie — Afwijking van de nominale waarde (emissiemeetonderdeel)

Het procentuele verschil ten opzichte van de nominale wrijvingsarbeid tijdens het emissiemeetonderdeel berekenen en rapporteren

%

1

133

9.4.3

Kinetische energiedissipatie — Algemene conformiteit

Verifiëren of alle onderdelen van de rememissietest voldoen aan de criteria voor kinetische energiedissipatie van punt 9.4.3, a) tot en met j)

J/N

n.v.t.

134

9.4.4

Toepassen van het remkoppel — Aantal overschrijdingen

Het aantal remgebeurtenissen tijdens de emissietests rapporteren waarbij niet is voldaan aan de voorschriften voor het toepassen van het remkoppel zoals gespecificeerd in punt 9.4.4

-

0

135

9.4.4

Toepassen van het remkoppel — Algemene conformiteit

Verifiëren of het emissiemeetonderdeel van de rememissietest voldoet aan de criteria voor het toepassen van het remkoppel van punt 9.4.4

J/N

n.v.t.

136

10.1.1

Verhouding tussen de nominale voorwielbelasting en de massa van de remschijf/-trommel (WLn-f/DM)

De verhouding tussen de nominale voorwielbelasting en de schijfmassa (of de massa van de trommel in geval van voortrommelremmen) (WLn-f/DM) voor de te testen rem berekenen en rapporteren. In geval van niet-wrijvingsremmen de parameters van de remhoekemissiefamilie-ouder gebruiken om de nominale voorwielbelasting tot de schijfmassa te berekenen en te rapporteren

-

1

137

10.1.3

ABT gedurende rit #10 van de WLTP-remcyclus — Gemeten waarde (koelingaanpassingsonderdeel)

De gemiddelde remtemperatuur tijdens de succesvolle herhaling van het koelingaanpassingsonderdeel voor de te testen rem (B1) berekenen en rapporteren De 1 Hz-gegevens van de parameter “remtemperatuur” in het tijdgebaseerde bestand gebruiken om de gemiddelde remtemperatuur over rit #10 te berekenen

°C

2

138

10.1.3

ABT gedurende rit #10 van de WLTP-remcyclus — Verschil ten opzichte van de doelwaarde (koelingaanpassingsonderdeel)

Het verschil tussen de gemiddelde remtemperatuur tijdens de succesvolle herhaling van het koelingaanpassingsonderdeel en de gemiddelde doelremtemperatuur voor de te testen rem (C1) berekenen en rapporteren volgens vergelijking 10.3

°C

2

139

10.1.3

Gemiddelde IBT van de geselecteerde remgebeurtenissen van rit #10 van de WLTP-remcyclus — Gemeten waarde (koelingaanpassingsonderdeel)

De gemiddelde IBT van de geselecteerde remgebeurtenissen tijdens de succesvolle herhaling van het koelingaanpassingsonderdeel van de te testen rem (B2) berekenen en rapporteren. De overeenkomstige gegevens van de parameter “beginremtemperatuur” voor de doelgebeurtenissen in het gebeurtenisgebaseerde bestand gebruiken om de gemiddelde IBT volgens 10.1.3, b), te berekenen

°C

2

140

10.1.3

Gemiddelde IBT van de geselecteerde remgebeurtenissen van rit #10 van de WLTP-remcyclus — Verschil ten opzichte van de doelwaarde (koelingaanpassingsonderdeel)

Het verschil tussen de gemiddelde IBT van de geselecteerde remgebeurtenissen tijdens de succesvolle herhaling van het koelingaanpassingsonderdeel en de gemiddelde doel-IBT voor de te testen rem (C2) berekenen en rapporteren volgens vergelijking 10.4

°C

2

141

10.1.3

Gemiddelde FBT van de geselecteerde remgebeurtenissen van rit #10 van de WLTP-remcyclus — Gemeten waarde (koelingaanpassingsonderdeel)

De gemiddelde FBT van de geselecteerde remgebeurtenissen tijdens de succesvolle herhaling van het koelingaanpassingsonderdeel van de te testen rem (B3) berekenen en rapporteren. De overeenkomstige gegevens van de parameter “eindremtemperatuur” voor de doelgebeurtenissen in het gebeurtenisgebaseerde bestand gebruiken om de gemiddelde FBT volgens 10.1.3, c), te berekenen

°C

2

142

10.1.3

Gemiddelde FBT van de geselecteerde remgebeurtenissen van rit #10 van de WLTP-remcyclus — Verschil ten opzichte van de doelwaarde (koelingaanpassingsonderdeel)

Het verschil tussen de gemiddelde FBT van de geselecteerde remgebeurtenissen tijdens de succesvolle herhaling van het koelingaanpassingsonderdeel en de gemiddelde doel-FBT voor de te testen rem (C3) berekenen en rapporteren volgens vergelijking 10.5

°C

2

143

10.1.2, 10.1.3

Definitie van de nominale (ingestelde) koelluchtstroom voor de specifieke rem — Algemene conformiteit

Verifiëren of de temperaturen van de doelparameters die tijdens het koelingaanpassingsonderdeel voor de te testen rem worden gemeten, in overeenstemming zijn met de doelwaarden van tabel A4/5

J/N

n.v.t.

144

11.1, 11.2

Inlooponderdeel — Aantal volledige WLTP-remcycli

Het aantal volledige WLTP-remcycli rapporteren dat tijdens het inlooponderdeel is uitgevoerd

-

0

145

11.1, 11.2

Inlooponderdeel — Algemene conformiteit

Verifiëren of het inlooponderdeel is uitgevoerd en voltooid volgens alle specificaties van punt 11.1, a) tot en met g), of punt 11.2, a) tot en met g)

J/N

n.v.t.

146

12.1.1.1

PM-bemonsteringsvlak — Algemene conformiteit

Verifiëren of het ontwerp van het bemonsteringsvlak en de plaatsing van de [PM2,5- en ]PM10-bemonsteringssonde[s] voldoen aan de specificaties van punt 12.1.1.1, a) tot en met c)

J/N

n.v.t.

147

12.1.1.2

PM-bemonsteringssondes — Afmetingen PM2,5-sonde (binnendiameter)

De binnendiameter van de PM2,5-bemonsteringssonde (dp) rapporteren die voor de te testen rem is gebruikt

mm

2

148

12.1.1.2

PM-bemonsteringssondes — Afmetingen PM10-sonde (binnendiameter)

De binnendiameter van de PM10-bemonsteringssonde (dp) rapporteren die voor de te testen rem is gebruikt

mm

2

149

12.1.1.2

PM-bemonsteringssondes — Afmetingen PM2,5-sonde (lengte)

De totale lengte van de PM2,5-bemonsteringssonde vanaf het uiteinde van het bemonsteringsmondstuk tot aan de inlaat van de PM-scheidingsvoorziening

mm

2

150

12.1.1.2

PM-bemonsteringssondes — Afmetingen PM10-sonde (lengte)

De totale lengte van de PM10-bemonsteringssonde vanaf het uiteinde van het bemonsteringsmondstuk tot aan de inlaat van de PM-scheidingsvoorziening

mm

2

151

12.1.1.2

PM-bemonsteringssondes — Aanbrengen van een bocht

Rapporteren als een bocht wordt aangebracht in de [PM2,5- en/of] PM10-bemonsteringssondes die voor de te testen rem zijn gebruikt

J/N

n.v.t.

152

12.1.1.2

PM-bemonsteringssondes — Aanbrengen van een bocht in de PM2,5-sonde (buigstraal)

Wanneer een bocht wordt aangebracht in de PM2,5-bemonsteringssonde de buigstraal ervan in diameters van de sonde rapporteren. Als er geen bocht is, “0” rapporteren

#·dp

1

153

12.1.1.2

PM-bemonsteringssondes — Aanbrengen van een bocht in de PM10-sonde (buigstraal)

Wanneer een bocht wordt aangebracht in de PM10-bemonsteringssonde de buigstraal ervan in diameters van de sonde rapporteren. Als er geen bocht is, “0” rapporteren

#·dp

1

154

12.1.1.2

PM-bemonsteringssondes — Algemene conformiteit

Verifiëren of de [PM2,5- en] PM10-bemonsteringssonde[s] die voor de te testen rem zijn gebruikt, voldoen aan alle voorschriften van punt 12.1.1.2, a) tot en met f)

J/N

n.v.t.

155

12.1.1.3

PM-bemonsteringsmondstukken — Afmetingen PM2,5-mondstuk (binnendiameter)

De binnendiameter van het PM2,5-bemonsteringsmondstuk (dn) rapporteren die voor de te testen rem is gebruikt

mm

2

156

12.1.1.3

PM-bemonsteringsmondstukken — Afmetingen PM10-mondstuk (binnendiameter)

De binnendiameter van het PM10-bemonsteringsmondstuk (dn) rapporteren die voor de te testen rem is gebruikt

mm

2

157

12.1.1.3

PM-bemonsteringsmondstukken — Aanzuighoek PM2,5-mondstuk

De aanzuighoek van het PM2,5-bemonsteringsmondstuk rapporteren die voor de te testen rem is toegepast

°

1

158

12.1.1.3

PM-bemonsteringsmondstukken — Aanzuighoek PM10-mondstuk

De aanzuighoek van het PM10-bemonsteringsmondstuk rapporteren die voor de te testen rem is toegepast

°

1

159

12.1.1.3

PM-bemonsteringsmondstukken — Algemene conformiteit

Verifiëren of het (de) [PM2,5- en] PM10-bemonsteringsmondstuk[ken] die voor de te testen rem is (zijn) gebruikt, voldoet (voldoen) aan alle voorschriften van punt 12.1.1.3, a) tot en met h)

J/N

n.v.t.

160

12.1.2.1

PM-scheidingsvoorziening — Afsnijgrootte PM2,5-cycloon

De afsnijgrootte van de PM2,5-cycloonafscheider rapporteren die is gebruikt voor de te testen rem

μm

1

161

12.1.2.1

PM-scheidingsvoorziening — Afsnijgrootte PM10-cycloon

De afsnijgrootte van de PM10-cycloonafscheider rapporteren die is gebruikt voor de te testen rem

μm

1

162

12.1.2.1

PM-scheidingsvoorziening — Algemene conformiteit

Verifiëren of de [PM2,5- en] PM10-cycloonafscheiders die voor de te testen rem zijn gebruikt, voldoen aan alle voorschriften van punt 12.1.2.1, a) tot en met d)

J/N

n.v.t.

163

12.1.2.2

PM-bemonsteringsleiding — Afmetingen PM2,5-leiding (binnendiameter)

De binnendiameter van de PM2,5-bemonsteringsleiding (ds) rapporteren die voor de te testen rem is gebruikt

mm

2

164

12.1.2.2

PM-bemonsteringsleiding — Afmetingen PM10-leiding (binnendiameter)

De binnendiameter van de PM10-bemonsteringsleiding (ds) rapporteren die voor de te testen rem is gebruikt

mm

2

165

12.1.2.2

PM-bemonsteringsleiding — Afmetingen PM2,5-leiding (lengte)

De totale lengte van de PM2,5-bemonsteringsleiding rapporteren vanaf de cycloon tot het uiteinde van de filterhouder die voor de te testen rem is gebruikt

mm

1

166

12.1.2.2

PM-bemonsteringsleiding — Afmetingen PM10-leiding (lengte)

De totale lengte van de PM10-bemonsteringsleiding rapporteren vanaf de cycloon tot het uiteinde van de filterhouder die voor de te testen rem is gebruikt

mm

1

167

12.1.2.2

PM-bemonsteringsleiding — Aanbrengen van een bocht

Rapporteren als een bocht wordt aangebracht in de [PM2,5- en/of] PM10-bemonsteringsleiding(en) die voor de te testen rem is (zijn) gebruikt

J/N

n.v.t.

168

12.1.2.2

PM-bemonsteringsleiding — Buigstraal PM2,5-leiding

Wanneer een bocht wordt aangebracht in de PM2,5-bemonsteringsleiding de buigstraal ervan in diameters van de bemonsteringsleiding rapporteren. Als er geen bocht is, “n.v.t.” rapporteren

#·ds

1

169

12.1.2.2

PM-bemonsteringsleiding — Buigstraal PM10-leiding

Wanneer een bocht wordt aangebracht in de PM10-bemonsteringsleiding de buigstraal ervan in diameters van de bemonsteringsleiding rapporteren. Als er geen bocht is, “n.v.t.” rapporteren

#·ds

1

170

12.1.2.2

PM-bemonsteringsleiding — Algemene conformiteit

Verifiëren of de [PM2,5- en] PM10-bemonsteringssleiding[en] die voor de te testen rem is (zijn) gebruikt, voldoet (voldoen) aan alle voorschriften van punt 12.1.2.2, a) tot en met f)

J/N

n.v.t.

171

12.1.2.3

PM-bemonsteringsstroom — Nominale PM2,5-stroom

De ingestelde (nominale) stroomwaarde voor de PM2,5-bemonstering voor de te testen rem (QPM2,5-set) rapporteren

l/min

1

172

12.1.2.3

PM-bemonsteringsstroom — Nominale PM10-stroom

De ingestelde (nominale) stroomwaarde voor de PM10-bemonstering voor de te testen rem (QPM10-set) rapporteren

l/min

1

173

12.1.2.3

PM-bemonsteringsstroom — Genormaliseerde gemeten PM2,5-stroom

De gemiddelde genormaliseerde gemeten PM2,5-bemonsteringsstroom gedurende het emissiemeetonderdeel voor de te testen rem (NQPM2,5) rapporteren. De 1 Hz-gegevens van de parameter “genormaliseerde werkelijke PM2,5-bemonsteringsstroom” in het tijdgebaseerde bestand gebruiken om de gemiddelde gemeten stroom gedurende de WLTP-remcyclus (koelingsonderdelen niet inbegrepen) te berekenen

Nl/min

2

174

12.1.2.3

PM-bemonsteringsstroom — Genormaliseerde gemeten PM10-stroom

De gemiddelde genormaliseerde gemeten PM10-bemonsteringsstroom gedurende het emissiemeetonderdeel voor de te testen rem (NQPM10) rapporteren. De 1 Hz-gegevens van de parameter “genormaliseerde werkelijke PM10-bemonsteringsstroom” in het tijdgebaseerde bestand gebruiken om de gemiddelde gemeten stroom gedurende de WLTP-remcyclus (koelingsonderdelen niet inbegrepen) te berekenen

Nl/min

2

175

12.1.2.3, 12.1.2.4

PM-bemonsteringsstroom — Isokinetische PM2,5-verhouding

De gemiddelde isokinetische verhouding voor de PM2,5-bemonstering over het emissiemeetonderdeel voor de te testen rem berekenen en rapporteren. Vergelijking 12.4 toepassen en de diameter van het PM2,5-mondstuk en de 1 Hz-gegevens van de parameters “genormaliseerde werkelijke koelluchtstroom” en “genormaliseerde werkelijke PM2,5-bemonsteringsstroom” in het tijdgebaseerde bestand gebruiken om de gemiddelde isokinetische verhouding over de WLTP-remcyclus (koelingsonderdelen niet inbegrepen) te berekenen

-

3

176

12.1.2.3, 12.1.2.4

PM-bemonsteringsstroom — Isokinetische PM10-verhouding

De gemiddelde isokinetische verhouding voor de PM10-bemonstering over het emissiemeetonderdeel voor de te testen rem berekenen en rapporteren. Vergelijking 12.4 toepassen en de diameter van het PM10-mondstuk en de 1 Hz-gegevens van de parameters “genormaliseerde werkelijke koelluchtstroom” en “genormaliseerde werkelijke PM10-bemonsteringsstroom” in het tijdgebaseerde bestand gebruiken om de gemiddelde isokinetische verhouding over de WLTP-remcyclus (koelingsonderdelen niet inbegrepen) te berekenen

-

3

177

12.1.2.3

PM-bemonsteringsstroom — Algemene conformiteit

Verifiëren of is voldaan aan alle specificaties voor de PM2,5- en PM10-bemonsteringsstromen alsook voor de isokinetische PM2,5- en PM10-verhouding zoals gedefinieerd in punt 12.1.2.3, a) tot en met i), voor de te testen rem

J/N

n.v.t.

178

12.1.3.1

PM-filterhouder — Algemene conformiteit PM2,5-filterhouder

Verifiëren of dat PM2,5-filterhouder voldoet aan alle voorschriften van punt 12.1.3.1, a) tot en met g)

J/N

n.v.t.

179

12.1.3.1

PM-filterhouder — Algemene conformiteit PM10-filterhouder

Verifiëren of dat PM10-filterhouder voldoet aan alle voorschriften van punt 12.1.3.1, a) tot en met g)

J/N

n.v.t.

180

12.1.3.2

PM-bemonsteringsfilters — Type filter voor de PM2,5-bemonstering

Het type filter (filtermateriaal) specificeren dat wordt gebruikt voor de PM2,5-bemonstering voor de te testen rem

-

n.v.t.

181

12.1.3.2

PM-bemonsteringsfilters — Type filter voor de PM10-bemonstering

Het type filter (filtermateriaal) specificeren dat wordt gebruikt voor de PM10-bemonstering voor de te testen rem

-

n.v.t.

182

12.1.3.2

PM-bemonsteringsfilters — Algemene conformiteit

Verifiëren of de filters die voor de PM2,5- en PM10-bemonstering voor de te testen rem worden gebruikt, aan alle voorschriften van punt 12.1.3.2. voldoen

J/N

n.v.t.

183

12.1.4

Weegprocedure — Klimaatkamer

Verifiëren of de weegbalans is opgeslagen in een geschikte ruimte die aan alle voorschriften van punt 12.1.4. voldoet

J/N

n.v.t.

184

12.1.4

Weegprocedure — Resolutie van de balans

De resolutie rapporteren van de weegbalans die is gebruikt voor het wegen van de PM10- en PM2,5-filters

μg

1

185

12.1.4

Weegprocedure — Datum en tijdstip van de voorbemonstering

De datum en het tijdstip rapporteren van de weging bij de voorbemonstering van de PM2,5- en PM10-filters die worden gebruikt voor de te testen rem

-

n.v.t.

186

12.1.4

Weegprocedure — Temperatuur van de voorbemonsteringsruimte

De gemiddelde temperatuur rapporteren van de weegkamer voor de voorbemonstering tijdens het meten van de gewichten van de PM10- en PM2,5-filters

°C

2

187

12.1.4

Weegprocedure — RV van de voorbemonsteringsruimte

De gemiddelde relatieve vochtigheid rapporteren van de weegkamer voor de voorbemonstering tijdens het meten van de gewichten van de PM10- en PM2,5-filters

%

2

188

12.1.4

Weegprocedure — Gecorrigeerd voorbemonsteringsgewicht van het PM2,5-filter

Het gecorrigeerde voorbemonsteringsgewicht van het PM2,5-filter voor de te testen rem (Pe(Corrected)) rapporteren Vergelijking 12.5 gebruiken om de gecorrigeerde massameting te berekenen

mg

4

189

12.1.4

Weegprocedure — Gecorrigeerd voorbemonsteringsgewicht van het PM10-filter

Het gecorrigeerde voorbemonsteringsgewicht van het PM10-filter voor de te testen rem (Pe(Corrected)) rapporteren. Vergelijking 12.5 gebruiken om de gecorrigeerde massameting te berekenen

mg

4

190

12.1.4

Weegprocedure — Datum en tijdstip van de nabemonstering

De datum en het tijdstip rapporteren van de weging bij de nabemonstering van de PM2,5- en PM10-filters die worden gebruikt voor de te testen rem

-

n.v.t.

191

12.1.4

Weegprocedure — Temperatuur van de nabemonsteringsruimte

De gemiddelde temperatuur rapporteren van de weegkamer voor de nabemonstering tijdens het meten van de gewichten van de PM10- en PM2,5-filters

°C

2

192

12.1.4

Weegprocedure — RV van de nabemonsteringsruimte

De gemiddelde relatieve vochtigheid rapporteren van de weegkamer voor de nabemonstering tijdens het meten van de gewichten van de PM10- en PM2,5-filters

%

2

193

12.1.4

Weegprocedure — Gecorrigeerd nabemonsteringsgewicht van het PM2,5-filter

Het gecorrigeerde nabemonsteringsgewicht van het PM2,5-filter voor de te testen rem (Pe(Corrected)) rapporteren. Vergelijking 12.5 gebruiken om de gecorrigeerde massameting te berekenen

mg

4

194

12.1.4

Weegprocedure — Gecorrigeerd nabemonsteringsgewicht van het PM10-filter

Het gecorrigeerde nabemonsteringsgewicht van het PM10-filter voor de te testen rem (Pe(Corrected)) rapporteren. Vergelijking 12.5 gebruiken om de gecorrigeerde massameting te berekenen

mg

4

195

12.1.4

Weegprocedure – Definitieve PM2,5-filterbelasting

De PM2,5-filtermassabelasting voor de te testen rem (Pe(2.5)) rapporteren. De gecorrigeerde PM2,5-filtermetingen vóór en na de test gebruiken voor de berekening zoals gespecificeerd in punt 12.1.4, g)

mg

4

196

12.1.4

Weegprocedure – Definitieve PM10-filterbelasting

De PM10-filtermassabelasting voor de te testen rem (Pe(10)) rapporteren. De gecorrigeerde PM10-filtermetingen vóór en na de test gebruiken voor de berekening zoals gespecificeerd in punt 12.1.4, g)

mg

4

197

12.1.4

Weegprocedure — Algemene conformiteit

Verifiëren of is voldaan aan alle voorschriften van punt 12.1.4 voor de conditionering, hantering en weging van de [PM2,5- en] PM10-filters die voor de te testen rem worden gebruikt

J/N

n.v.t.

198

12.1.4

Weegprocedure — PM-referentiefilters — Verschil met het voortschrijdend gemiddelde

Rapportage van het gemiddelde verschil tussen de gewichten van het referentiefilter en hun voortschrijdende gemiddelde. Kolom I van het massameetbestand gebruiken. In het geval van referentiefilters die niet regelmatig worden gewogen, weerspiegelt deze meting het verschil tussen de weging vóór de test en het voortschrijdend gemiddelde ervan overeenkomstig punt 12.1.4, iii)

mg

4

199

12.1.4

Weegprocedure — PM-referentiefilters — Verschil met het voortschrijdend gemiddelde (einde van de sessie)

Rapportage van het gemiddelde verschil tussen de gewichten van het referentiefilter en hun voortschrijdende gemiddelde aan het einde van de sessie. Kolom P van het massameetbestand gebruiken. N.v.t. rapporteren indien de referentiefilters regelmatig worden gewogen

mg

4

200

12.1.4

Weegprocedure — PM-referentiefilters — Verschil tussen de eerste en de laatste weging

Rapportage van het gemiddelde verschil tussen de eerste en de laatste weging van de referentiefilters in het geval van referentiefilters die niet regelmatig worden gewogen. Kolom Q van het massameetbestand gebruiken. N.v.t. rapporteren indien de referentiefilters regelmatig worden gewogen

mg

4

201

12.1.4

Weegprocedure — Algemene conformiteit van de weegprocedure voor referentiefilters

Verifiëren of de weging van PM-referentiefilters is uitgevoerd volgens de specificaties van punt 12.1.4, f)

J/N

n.v.t.

202

12.1.5

Berekening van de PM-emissiefactor — Referentie-PM2,5-emissiefactor

De PM2,5-emissiefactor in massa per gereden afstand voor de te testen rem zoals gespecificeerd in punt 12.1.5. rapporteren (PM2.5 EFref). De PM2,5-filtermassabelasting voor de te testen rem (Pe(2.5)) zoals berekend in het massameetbestand gebruiken. De gegevens van de parameters “genormaliseerde werkelijke koelluchtstroom”, “genormaliseerde werkelijke PM2,5-bemonsteringsstroom” en “gereden afstand” in het tijdgebaseerde bestand gedurende de WLTP-remcyclus van het emissiemeetonderdeel gebruiken

mg/km

3

203

12.1.5

Berekening van de PM-emissiefactor — Definitieve PM2,5-emissiefactor

De definitieve PM2,5-emissiefactor in massa per gereden afstand voor het voertuig waarop de te testen rem is gemonteerd (PM2,5 EF) rapporteren. De berekening uitvoeren volgens vergelijking 12.9 zoals gespecificeerd in punt 12.1.5

mg/km

3

204

12.1.5

Berekening van de PM-emissiefactor — Referentie-PM10-emissiefactor

De PM10-emissiefactor in massa per gereden afstand voor de te testen rem zoals gespecificeerd in punt 12.1.5. rapporteren (PM10 EFref). De PM10-filtermassabelasting voor de te testen rem (Pe(10)) zoals berekend in het massameetbestand gebruiken. De gegevens van de parameters “genormaliseerde werkelijke koelluchtstroom”, “genormaliseerde werkelijke PM10-bemonsteringsstroom” en “gereden afstand” in het tijdgebaseerde bestand gedurende de WLTP-remcyclus van het emissiemeetonderdeel gebruiken

mg/km

3

205

12.1.5

Berekening van de PM-emissiefactor — Definitieve PM10-emissiefactor

De definitieve PM10-emissiefactor in massa per gereden afstand voor het voertuig waarop de te testen rem is gemonteerd (PM10 EF) rapporteren. De berekening uitvoeren volgens vergelijking 12.10 zoals gespecificeerd in punt 12.1.5.

mg/km

3

206

 

Voorbehouden

 

 

 

207

12.2.1.1

PN-bemonsteringsvlak — Positionering van de PN-bemonsteringssondes

Verifiëren of het ontwerp van het bemonsteringsvlak en de plaatsing van de SPN10-bemonsteringssonde voldoen aan de specificaties van punt 12.2.1.1, a)

J/N

n.v.t.

208

 

Voorbehouden

 

 

 

209

 

Voorbehouden

 

 

 

210

 

Voorbehouden

 

 

 

211

12.2.1.2

PM-bemonsteringssondes — Afmetingen SPN10-sonde (binnendiameter)

De binnendiameter van de SPN10-bemonsteringssonde (dp) rapporteren die voor de te testen rem is gebruikt

mm

2

212

12.2.1.2

Voorbehouden

 

 

 

213

12.2.1.2

PM-bemonsteringssondes — Afmetingen SPN10-sonde (lengte)

De totale lengte van de SPN10-bemonsteringssonde rapporteren, vanaf het uiteinde van het bemonsteringsmondstuk tot de inlaat van de deeltjesoverbrengingsleiding die voor de te testen rem wordt gebruikt

mm

1

214

12.2.1.2

PN-bemonsteringssondes — Aanbrengen van een bocht

Rapporteren als een bocht wordt aangebracht in de SPN10-bemonsteringssonde die voor de te testen rem is gebruikt

J/N

n.v.t.

215

 

Voorbehouden

 

 

 

216

12.2.1.2

PN-bemonsteringssondes — SPN10-buigstraal

Wanneer een bocht wordt aangebracht in de SPN10-bemonsteringssonde, de buigstraal ervan in diameters van de sonde rapporteren. Als er geen bocht is, “n.v.t.” rapporteren

#·dp

1

217

12.2.1.2

PN-bemonsteringssondes — Algemene conformiteit

Verifiëren of de SPN10-bemonsteringssonde die voor de te testen rem is gebruikt, voldoet aan alle voorschriften van punt 12.2.1.2, a) tot en met f)

J/N

n.v.t.

218

12.2.1.3

Voorbehouden

 

 

 

219

12.2.1.3

PM-bemonsteringsmondstukken — Afmetingen SPN10-mondstuk (binnendiameter)

De binnendiameter van het SPN10-bemonsteringsmondstuk (dn) rapporteren die voor de te testen rem is gebruikt

mm

2

220

 

Voorbehouden

 

 

 

221

12.2.1.3

PM-bemonsteringsmondstukken — Aanzuighoek SPN10

De aanzuighoek van het SPN10-bemonsteringsmondstuk rapporteren die voor de te testen rem is toegepast

°

1

222

12.2.1.3

PN-bemonsteringsmondstukken — Algemene conformiteit

Verifiëren of het SPN10-bemonsteringsmondstuk dat voor de te testen rem is gebruikt, voldoet aan alle voorschriften van punt 12.2.1.3, a) tot en met g)

J/N

n.v.t.

223

 

Voorbehouden

 

 

 

224

12.2.1.4

PN-overbrengingsleiding — Afmetingen SPN10 PTT (binnendiameter)

De binnendiameter van de SPN10-deeltjesoverbrengingsleiding (dtt) rapporteren die voor de te testen rem is gebruikt

mm

2

225

12.2.1.4

PN-overbrengingsleiding — Aanbrengen van een bocht

Rapporteren als een bocht wordt aangebracht in de SPN10-deeltjesoverbrengingsleiding die voor de te testen rem is gebruikt

J/N

n.v.t.

226

 

Voorbehouden

 

 

 

227

12.2.1.4

PN-overbrengingsleiding — SPN10-buigstraal

Wanneer een bocht wordt aangebracht in de SPN10-deeltjesoverbrengingsleiding, de buigstraal ervan in diameters van de bemonsteringsoverbrengingsleiding rapporteren

#·dtt

1

228

12.2.1.4

PN-overbrengingsleiding — Algemene conformiteit

Verifiëren of de SPN10-deeltjesoverbrengingsleiding die voor de te testen rem is gebruikt, voldoet aan alle voorschriften van punt 12.2.1.4, a) tot en met g)

J/N

n.v.t.

229

 

Voorbehouden

 

 

 

230

12.2.2.1

PN-scheidingsvoorziening — SPN10-afsnijgrootte

De afsnijgrootte van de SPN10-cycloonafscheider rapporteren die is gebruikt voor de te testen rem

μm

1

231

12.2.2.1

PN-scheidingsvoorziening — Algemene conformiteit

Verifiëren of de PN-cycloonafscheider(s) die voor de te testen rem is (zijn) gebruikt, voldoet (voldoen) aan alle voorschriften van punt 12.2.2.1, a) tot en met f)

J/N

n.v.t.

232

 

Voorbehouden

 

 

 

233

12.2.2.2

PN-monsterconditionering — SPN10 – Gemiddelde PCRF

De rekenkundig gemiddelde PCRF rapporteren die is toegepast voor de SPN10-bemonstering en -meting voor de te testen rem. De 1 Hz-gegevens van de parameter “SPN10 – Gemiddelde PCRF” in het tijdgebaseerde bestand gebruiken om de rekenkundig gemiddelde PCRF over de WLTP-remcyclus van het emissiemeetonderdeel te berekenen

-

1

234

 

Voorbehouden

 

 

 

235

12.2.2.2

PN-monsterconditionering — Algemene conformiteit SPN10

Verifiëren of het systeem voor de verwijdering van vluchtige deeltjes dat wordt toegepast voor de SPN10-bemonstering en -meting voor de te testen rem, voldoet aan alle voorschriften van punt 12.2.2.2, K tot en met v)

J/N

n.v.t.

236

 

Voorbehouden

 

 

 

237

12.2.2.3

Interne PN-overbrengingsleiding — Afmetingen SPN10-leiding (binnendiameter)

De binnendiameter van de interne SPN10-overbrengingsleiding (dtl) rapporteren die voor de te testen rem is gebruikt

mm

2

238

 

Voorbehouden

 

 

 

239

12.2.2.3

Interne PN-overbrengingsleiding — Afmetingen SPN10-leiding (lengte)

De lengte van de interne SPN10-overbrengingsleiding rapporteren, vanaf de uitgang van de VPR naar de inlaat van de PNC voor de te testen rem

mm

1

240

12.2.2.3

Interne PN-overbrengingsleiding — Aanbrengen van een bocht

Rapporteren als een bocht wordt aangebracht in de interne SPN10-overbrengingsleiding die voor de te testen rem is gebruikt. Als er geen bocht is, “n.v.t.” rapporteren

J/N

n.v.t.

241

 

Voorbehouden

 

 

 

242

12.2.2.3

Interne PN-overbrengingsleiding — Buigstraal SPN10

Wanneer een bocht wordt aangebracht in de interne SPN10-overbrengingsleiding, de buigstraal ervan in diameters van de overbrengingsleiding rapporteren. Als er geen bocht is, “n.v.t.” rapporteren

#·dtl

1

243

12.2.2.3

Interne PN-overbrengingsleiding — Algemene conformiteit

Verifiëren of de interne SPN10-overbrengingsleiding die voor de te testen rem is gebruikt, voldoet aan alle voorschriften van punt 12.2.2.3

J/N

n.v.t.

244

 

Voorbehouden

 

 

 

245

12.2.3.1

Deeltjesaantalteller — Algemene conformiteit SPN10 PNC

Verifiëren of de deeltjesaantalteller die voor de meting van SPN10 voor de te testen rem wordt gebruikt, voldoet aan alle voorschriften van punt 12.2.3.1, a) tot en met i)

J/N

n.v.t.

246

 

Voorbehouden

 

 

 

247

12.2.3.2

PN-bemonsteringsstroom — Gemeten SPN10-stroom

De gemiddelde genormaliseerde PN-bemonsteringsstroomwaarde voor SPN10 voor de te testen rem rapporteren. De 1 Hz-gegevens van de parameter “genormaliseerde werkelijke SPN10-bemonsteringsstroom” in het tijdgebaseerde bestand gebruiken om de gemiddelde bemonsteringsstroom over de WLTP-remcyclus van het emissiemeetonderdeel te berekenen

Nl/min

3

248

 

Voorbehouden

 

 

 

249

12.2.3.2

PN-bemonsteringsstroom — Isokinetische SPN10-verhouding

De gemiddelde isokinetische verhouding voor SPN10-bemonstering voor de te testen rem rapporteren. De diameter van het SPN10-mondstuk en de 1 Hz-gegevens van de parameters “genormaliseerde werkelijke koelluchtstroom” en “genormaliseerde werkelijke SPN10-bemonsteringsstroom” in het tijdgebaseerde bestand (gedurende de WLTP-remcyclus van het emissiemeetonderdeel) gebruiken voor de berekening volgens vergelijking 12.4

-

3

250

12.2.3.2

PN-bemonsteringsstroom — Algemene conformiteit

Verifiëren of is voldaan aan alle specificaties voor de SPN10-bemonsteringsstroom alsook voor de isokinetische SPN10-verhouding zoals gedefinieerd in punt 12.2.3.2, a) tot en met h), voor de te testen rem

J/N

n.v.t.

251

 

Voorbehouden

 

 

 

252

12.2.4

Voorbehouden

 

 

 

253

 

Voorbehouden

 

 

 

254

12.2.4

Berekenen van de PN-emissiefactor — Referentie-SPN10 EFref

De SPN10-emissiefactor (SPN10 EFref) in het aantal deeltjes per gereden afstand voor de te testen rem zoals gespecificeerd in punt 12.2.4. rapporteren

#/km

1

255

12.2.4

Berekenen van de PN-emissiefactor — Definitieve SPN10 EF

De definitieve SPN10-emissiefactor in aantal deeltjes per gereden afstand rapporteren voor het voertuig waarop de te testen rem is gemonteerd. De berekening uitvoeren volgens vergelijking 12.14 zoals gespecificeerd in punt 12.2.4

#/km

1

256

12.2.4

Berekenen van de PN-emissiefactor — Verificatie van het SPN10-meetbereik

Verifiëren of de SPN10-emissies in #/Ncm3 binnen het gespecificeerde meetbereik van de PNC-voorziening liggen. De 1 Hz-gegevens van de parameter “genormaliseerde SPN10-concentratie — PCRF gecorrigeerd” in het tijdgebaseerde bestand gebruiken voor het uitvoeren van de verificatie gedurende de WLTP-remcyclus van het emissiemeetonderdeel

J/N

n.v.t.

257

12.2.5

Verificatieprocedures PN-systeem — Algemene conformiteit

Verifiëren of de in punt 12.2.5, a) tot en met d), gedefinieerde verificatieprocedures van het PN-systeem voor de te testen rem met succes zijn toegepast

J/N

n.v.t.

258

12.3

Meten van het massaverlies — Massa van de remschijf of remtrommel vóór de test

De massa rapporteren van de remschijf of remtrommel vóór de test nadat het thermokoppel is geïnstalleerd en de thermokoppelconnector is verwijderd

g

1

259

12.3

Meten van het massaverlies — Massa van het wrijvingsmateriaal vóór de test

De totale massa van het remwrijvingsmateriaal vóór de test rapporteren, met inbegrip van de dempingsshims, de blok-shim-veren en andere elementen wanneer deze deel uitmaken van de productcombinatie. De gegevens uit het massameetbestand gebruiken om de som van de massa’s van het remwrijvingsmateriaal vóór de test te rapporteren

g

1

260

12.3

Meten van het massaverlies — Massa van de remschijf of remtrommel na de test

De massa rapporteren van de remschijf of remtrommel na de test nadat het thermokoppel is geïnstalleerd en de thermokoppelconnector is verwijderd

g

1

261

12.3

Meten van het massaverlies — Massa van het wrijvingsmateriaal na de test

De totale massa van het remwrijvingsmateriaal na de test rapporteren, met inbegrip van de dempingsshims, de blok-shim-veren en andere elementen wanneer deze deel uitmaken van de productcombinatie. De gegevens uit het massameetbestand gebruiken om de som van de massa’s van het remwrijvingsmateriaal na de test te rapporteren

g

1

262

12.3

Meten van het massaverlies — Totaal massaverlies

Het totale massaverlies van de te testen rem rapporteren volgens de procedure van tabel A4/13 en punt 12.3, j)

g

1

263

12.3

Meten van het massaverlies — Totale gereden afstand

De totale afstand die tijdens het inlopen en het emissiemeetonderdeel (afkoelingsonderdelen niet inbegrepen) is gereden, berekenen en rapporteren

km

3

264

12.3

Meten van het massaverlies — Emissiefactor gewichtsverlies

De emissiefactor voor het gemiddelde gewichtsverlies van de te testen rem rapporteren volgens de procedure van tabel A4/13 en punt 12.3, k)

mg/km

2

265

12.3

Meten van het massaverlies — Algemene conformiteit

Verifiëren of het massaverlies van de te testen rem is gemeten volgens alle specificaties van punt 12.3, a) tot en met k)

J/N

n.v.t.

266

14.2

Kalibratievoorschriften — Traagheidsdynamometer

Verifiëren of aan de kalibratievoorschriften voor de remdynamometer in tabel A4/15 en punt 14.2 is voldaan en of er ten tijde van de rememissietest een geldig kalibratiecertificaat beschikbaar is

J/N

n.v.t.

267

14.3

Kalibratievoorschriften — Luchtstroommeter

Verifiëren of aan de kalibratievoorschriften voor de koelluchtstroommeter in tabel A4/15 en punt 14.3 is voldaan en of er ten tijde van de rememissietest een geldig kalibratiecertificaat beschikbaar is

J/N

n.v.t.

268

14.1

Kalibratievoorschriften — Cycloonafscheiders

Verifiëren of aan de kalibratievoorschriften voor de PM- en PN-cycloonafscheiders in tabel A4/15 en de punten 12.1 en 12.2 is voldaan

J/N

n.v.t.

269

14.4

Kalibratievoorschriften — Weegbalans

Verifiëren of aan de kalibratievoorschriften voor de microbalans in tabel A4/15 en punt 14.4 is voldaan en of er ten tijde van de rememissietest een geldig kalibratiecertificaat beschikbaar is

J/N

n.v.t.

270

14.1

Kalibratievoorschriften — PM-bemonsteringsstroommeter

Verifiëren of aan de kalibratievoorschriften voor de PM-bemonsteringsstroommeter in tabel A4/15 en punt 12.1 is voldaan en of er ten tijde van de rememissietest een geldig kalibratiecertificaat beschikbaar is

J/N

n.v.t.

271

14.1

Kalibratievoorschriften — PN-bemonsteringsstroommeter

Verifiëren of aan de kalibratievoorschriften voor de PN-bemonsteringsstroommeter in tabel A4/15 en punt 12.2 is voldaan en of er ten tijde van de rememissietest een geldig kalibratiecertificaat beschikbaar is

J/N

n.v.t.

272

14.5

Kalibratievoorschriften — Monsterbehandelings- en conditioneringsvoorzieningen

Verifiëren of aan de kalibratievoorschriften voor de SPN10-vluchtigedeeltjesverwijderaar in tabel A4/15 en punt 14.5 is voldaan en of er ten tijde van de rememissietest geldige kalibratiecertificaten beschikbaar zijn

J/N

n.v.t.

273

14.6

Kalibratievoorschriften — Deeltjesaantalteller

Verifiëren of aan de kalibratievoorschriften voor de deeltjesaantalteller in tabel A4/15 en punt 14.6 is voldaan en of er ten tijde van de rememissietest een geldig kalibratiecertificaat beschikbaar is

J/N

n.v.t.

274

14.4

Kalibratievoorschriften — Remonderdelenbalans

Verifiëren of aan de kalibratievoorschriften voor de remonderdelenbalans in tabel A4/15 en punt 14.4 is voldaan en of er ten tijde van de rememissietest een geldig kalibratiecertificaat beschikbaar is

J/N

n.v.t.

14   

Kalibratievoorschriften en doorlopende kwaliteitscontroles

14.1   

Algemene kalibratievoorschriften

Dit punt geeft een overzicht van de minimumkalibratievoorschriften voor de voorzieningen die worden gebruikt voor rememissietests. Tabel A4/15 geeft een overzicht van de kalibratiecriteria en de intervallen voor de belangrijkste voorzieningen zoals gedefinieerd in dit reglement.

Tabel A4/15

Kalibratievoorschriften voor de belangrijkste voorzieningen voor emissiemetingen

Instrument

Frequentie

Criterium

Punt

Remdynamometer

Bij eerste installatie, jaarlijks, en bij groot onderhoud

Tabel A4/17

Punt 14.2

Koppelmeter

Bij eerste installatie, jaarlijks, en bij groot onderhoud

Tabel A4/18

Punt 14.2

Koelluchtstroommeter

Bij eerste installatie, jaarlijks, en bij groot onderhoud

Tabel A4/19

Punt 14.3

Temperatuursensor koelluchtstroom

Jaarlijks

± 1 °C

Punt 14.3

Luchtdruksensor koelluchtstroom

Jaarlijks

± 0,4 kPa

Punt 14.3

Temperatuursensor koellucht

Jaarlijks

± 1 °C

Punt 7.2.1

Relatievevochtigheidssensor koellucht

Jaarlijks

± 5 % van nominaal

Punt 7.2.1

PM10-cycloonafscheider

Conformiteitscertificaat verstrekt door de fabrikant van de cycloon bij de eerste installatie

Tabel A4/7

Punt 12.1

PM2,5-cycloonafscheider

Conformiteitscertificaat verstrekt door de fabrikant van de cycloon bij de eerste installatie

Tabel A4/8

Punt 12.1

Microbalans voor PM10 en PM2,5

Bij eerste installatie, jaarlijks, en bij groot onderhoud

Tabel A4/20

Punt 14.4

PM-bemonsteringsstroommeter

Bij eerste installatie, jaarlijks, en bij groot onderhoud

± 2,5 % van de afgelezen waarde of ± 1,5 % van het volledige schaalbereik (de laagste waarde is van toepassing)

Punt 12.1

Temperatuursensor PM-bemonsteringsstroom

Jaarlijks

± 1 °C

Punt 12.1

Druksensor PM-bemonsteringsstroom

Jaarlijks

± 1 kPa

Punt 12.1

PN-cycloonafscheider

Conformiteitscertificaat verstrekt door de fabrikant van de cycloon bij de eerste installatie

Penetratierendement van ≥ 80 % voor een elektrischemobiliteitsdiameter van 1,5 μm

Punt 12.2

PN-bemonsteringsstroommeter

13 maanden

± 5 % van de afgelezen waarde onder alle bedrijfsomstandigheden

Punt 12.2

Temperatuursensor PN-bemonsteringsstroom

Jaarlijks

± 1 °C

Punt 12.2

Druksensor PN-bemonsteringsstroom

Jaarlijks

± 1 kPa

Punt 12.2

Vluchtigedeeltjesverwijderaar voor SPN10

6 maanden of 13 maanden, afhankelijk van het specifieke instrument

Zie punt 14.5.2.

Punt 14.5

Deeltjesaantalteller

13 maanden en bij groot onderhoud

Zie punt 14.6.

Punt 14.6

Remonderdelenbalans

Bij eerste installatie, jaarlijks, en bij groot onderhoud

Tabel A4/20

Punt 14.4

Alle andere sensoren of hulpapparatuur die worden gebruikt om de temperatuur, de luchtdruk en de vochtigheid van de omgevingslucht in de ruimte met de faciliteiten of de weegkamer te bepalen, moeten voldoen aan de voorschriften van tabel A4/16

Tabel A4/16

Kalibratievoorschriften voor hulpapparatuur

Instrument

Frequentie

Criterium

Temperatuursensor

Jaarlijks

± 1 °C

Luchtdruksensor

Jaarlijks

± 1 kPa

Relatievevochtigheidssensor

Jaarlijks

± 5 % van nominaal

Specifiekevochtigheidssensor

Jaarlijks

± 10 % van de afgelezen waarde of 1 gH2O/kg droge lucht (de grootste waarde is van toepassing)

14.2   

Remdynamometer

Tabel A4/17 geeft een overzicht van de kalibratiecriteria en de intervallen voor de remdynamometer zoals gedefinieerd in dit reglement. De voorzieningen voor het meten van de omwentelingssnelheid, het remkoppel en de remdruk moeten voldoen aan de lineariteitsvoorschriften van tabel A4/18

Tabel A4/17

Kalibratievoorschriften voor de remdynamometer

Instrument

Frequentie

Criterium

Omwentelingssnelheidsvoorziening

Bij eerste installatie, jaarlijks, en bij groot onderhoud van de opstelling

Tabel A4/18

Remkoppelsensor

Bij eerste installatie, jaarlijks, en bij groot onderhoud van de opstelling

Tabel A4/18

Remdruksensor

Bij eerste installatie, jaarlijks, en bij groot onderhoud van de opstelling

Tabel A4/18

Remvloeistofverplaatsingssensor (facultatief)

Bij eerste installatie, jaarlijks, en bij groot onderhoud van de opstelling

Volgens de specificaties van de fabrikant

Temperatuurgegevensverzamelaar

Bij eerste installatie, jaarlijks, en bij groot onderhoud van de opstelling

Maximaal ± 0,25 %

Tabel A4/18

Lineariteitsvoorschriften voor de voorzieningen voor het meten van de omwentelingssnelheid, het remkoppel en de remdruk

Meetsysteem

Snijpunt a0

Helling a1

Standaardfout van de schatting (SEE)

Determinatiecoëfficiënt r2

Omwentelingssnelheid van de rem

Maximaal ≤ 0,05 %

0,98-1,02

Maximaal ≤ 0,25 %

≥ 0,990

Remkoppel

Maximaal ≤ 0,05 %

0,98-1,02

Maximaal ≤ 0,5 %

≥ 0,990

Remdruk

Maximaal ≤ 0,05 %

0,98-1,02

Maximaal ≤ 0,5 %

≥ 0,990

Naast de in de tabellen A4/17 en A4/18 vermelde kalibraties van de systemen verifieert de testfaciliteit telkens alvorens met een rememissietest te beginnen het koppelnulniveau en het druknulniveau. De verificatie wordt uitgevoerd volgens de in punt 8.2 beschreven methode.

14.3   

Koelluchtstroommeter

De kalibratie van de stromingsmeter die voor de bepaling van de koelluchtstroom wordt gebruikt, is herleidbaar tot nationale of internationale normen. De stromingsmeter moet voldoen aan de lineariteitsvoorschriften van tabel A4/19 met ten minste vier gelijkmatig gespreide referentiestromen waarbij een lineaire regressie wordt toegepast tussen het minimale en het maximale operationele debiet van de opstelling. Bovendien ligt elk stroommeetpunt binnen ± 2 % van de gemeten referentiestroom. De testfaciliteit kalibreert de luchtstroommeter bij de eerste installatie, jaarlijks en bij elk groot onderhoud van de opstelling.

Tabel A4/19

Lineariteitsvoorschriften voor de stromingsmeter

Meetsysteem

Snijpunt a0

Helling a1

Standaardfout van de schatting (SEE)

Determinatiecoëfficiënt r2

Stromingsmeter

Maximaal ≤ 1 %

0,98-1,02

Maximaal ≤ 2 %

≥ 0,990

De testfaciliteit gebruikt een stromingsmeter die is gekalibreerd om de luchtstroom onder standaardomstandigheden te rapporteren. Om een passende omrekening naar bedrijfsomstandigheden te waarborgen, moet de temperatuursensor tot op ± 1 °C nauwkeurig zijn en moeten de drukmetingen tot op ± 0,4 kPa precies en nauwkeurig zijn. De testfaciliteit kalibreert beide sensoren jaarlijks.

14.4   

PM- en massaverliesschalen

14.4.1.   

Microbalans voor het wegen van PM-filters

De kalibratie van de microbalans die overeenkomstig punt 12.1.4 voor het wegen van PM-massafilters wordt gebruikt, kan worden herleid tot nationale of internationale normen. De balans moet voldoen aan de lineariteitsvoorschriften van tabel A4/20 met ten minste vier gelijkmatig gespreide referentiegewichten die lineaire regressie toepassen. Dat houdt in dat de precisie ten minste ± 2 μg en de resolutie ten minste 1 μg (1 cijfer = 1 μg) moeten zijn. De testfaciliteit gebruikt gecertificeerde kalibratiegewichten om regelmatig de stabiliteit en de juiste werking van de microbalans te verifiëren (tabel A4/15). De testfaciliteit kalibreert de microbalans bij de eerste installatie, jaarlijks en bij elk groot onderhoud van de opstelling.

14.4.2.   

Balans voor het wegen van remonderdelen

De kalibratie van de balans die overeenkomstig punt 12.3 voor het wegen van remonderdelen wordt gebruikt, kan worden herleid tot nationale of internationale normen. De balans moet voldoen aan de lineariteitsvoorschriften van tabel A4/20 met ten minste vier gelijkmatig gespreide referentiegewichten die lineaire regressie toepassen. Dat houdt in dat de precisie ten minste ± 1 g en de resolutie ten minste 0,1 g moeten zijn. De testfaciliteit gebruikt gecertificeerde kalibratiegewichten om regelmatig de stabiliteit en de juiste werking van de balans te verifiëren (tabel A4/15). De testfaciliteit kalibreert de balans bij de eerste installatie, jaarlijks en bij elk groot onderhoud van de opstelling.

Tabel A4/20

Verificatiecriteria voor de microbalans en de remonderdelenbalans

Meetsysteem

Snijpunt a0

Helling a1

Standaardfout van de schatting (SEE)

Determinatiecoëfficiënt r2

PM-balans

≤ 1 μg

0,99-1,01

Maximaal ≤ 1 %

≥ 0,998

Remonderdelenbalans

≤ 0,3 g

0,99-1,01

Maximaal ≤ 1 %

≥ 0,998

14.5.   

Monsterbehandelings- en conditioneringsvoorzieningen

Tabel A4/21

PCRF (fr (dx))-voorschriften voor deeltjes met een elektrischemobiliteitsdiameter van 15 nm, 30 nm en 50 nm

PCRF-fractie

Minimaal toegestane waarde

Maximaal toegestane waarde

(fr (15 nm))/(fr (100 nm))

0,95

2,00

(fr (30 nm))/(fr (100 nm))

0,95

1,30

(fr (50 nm))/(fr (100 nm))

0,95

1,20

14.5.1.   

Voorbehouden

14.5.2.   

Vluchtigedeeltjesverwijderaar voor SPN10-meting

De PCRF van de VPR over het volledige bereik van de verdunningsinstellingen ervan wordt gekalibreerd bij de vaste nominale bedrijfstemperaturen van het instrument wanneer de eenheid nieuw is en na elk groot onderhoud. Het voorschrift van periodieke validatie van de PCRF van de VPR wordt beperkt tot een controle bij één instelling die kenmerkend is voor de instelling die wordt gebruikt voor emissietests van elke in de handel verkrijgbare typische rem. De technische dienst zorgt ervoor dat er binnen een periode van zes maanden vóór de emissietest een kalibratie- of validatiecertificaat voorhanden is. Een validatie-interval van 13 maanden is toegestaan wanneer de VPR gebruik maakt van temperatuurbewakingsalarmen.

De VPR wordt gekarakteriseerd voor de PCRF met vaste deeltjes met een elektrischemobiliteitsdiameter van 15 nm, 30 nm, 50 nm en 100 nm. De PCRF’s voor deeltjes met een elektrischemobiliteitsdiameter van 15 nm, 30 nm en 50 nm zijn niet meer dan respectievelijk 100 %, 30 % en 20 % hoger en niet meer dan 5 % lager dan die voor deeltjes met een elektrischemobiliteitsdiameter van 100 nm (tabel A4/21). Voor de validatie wijkt de gemiddelde PCRF niet meer dan ± 10 % af van de rekenkundig gemiddelde deeltjesconcentratiereductiefactor (fr) die tijdens de laatste kalibratie van de VPR is bepaald.

De testaerosol voor deze metingen bestaat uit vaste deeltjes met een elektrischemobiliteitsdiameter van 15 nm, 30 nm, 50 nm en 100 nm. De minimumconcentratie bij de inlaat van het verdunningssysteem bedraagt 3 000 #/cm3 voor deeltjes met een elektrischemobiliteitsdiameter van 15 nm en 5 000 #/cm3 voor deeltjes met een elektrischemobiliteitsdiameter van 30 nm, 50 nm en 100 nm. De deeltjesconcentratie wordt vóór en voorbij de onderdelen gemeten. De PCRF bij elke monodisperse deeltjesgrootte (fr (dx)) wordt berekend volgens vergelijking 14.1. De rekenkundig gemiddelde deeltjesconcentratiereductie (fr) bij een bepaalde verdunningsinstelling wordt berekend met vergelijking 14.2.

Aanbevolen wordt de VPR als complete unit te kalibreren en te valideren. De doelmatigheid van de verwijdering van vluchtige deeltjes van een VPR hoeft slechts eenmaal te worden aangetoond voor de instrumentenfamilie die SPN10 meet. De fabrikant van het instrument moet zorgen voor een onderhouds- of vervangingsfrequentie die waarborgt dat de doelmatigheid van de verwijdering van de VPR niet tot onder de technische voorschriften daalt. Indien die informatie niet wordt verstrekt, moet de doelmatigheid van het verwijderen van vluchtige deeltjes jaarlijks voor elk instrument worden gecontroleerd.

De voor de SPN10-metingen gebruikte VPR moet aantoonbaar meer dan 99,9 % van de tetracontaandeeltjes (CH3(CH2)38CH3) met een op deeltjesaantal gebaseerde mediane elektrischemobiliteitsdiameter > 50 nm en een massa > 1 mg/m3 kunnen verwijderen bij gebruik met zijn minimale verdunningsinstelling en de door de fabrikant aanbevolen bedrijfstemperatuur.

De fabrikant van het instrument toont de deeltjespenetratie Pr(dx) aan door voor elk systeemmodel één eenheid te testen. Onder systeemmodel wordt verstaan alle systemen met dezelfde hardware, d.w.z. dezelfde geometrie, geleidende materialen, stromen en temperatuurprofielen in het aerosoltraject. De deeltjespenetratie Pr(dx) met een deeltjesgrootte, dx, wordt berekend met behulp van vergelijking 14.3.

14.6.   

Deeltjesaantalteller

De typegoedkeuringsinstantie moet ervoor zorgen dat er binnen de 13 maanden vóór de emissietest een kalibratiecertificaat voor de PNC voorhanden is waaruit blijkt dat deze voldoet aan een erkende norm. Tussen kalibraties in moet het telrendement van de PNC worden gecontroleerd op verslechtering, of moet de PNC-cartridge elke zes maanden worden vervangen indien dit wordt aanbevolen door de fabrikant. Na elke belangrijke onderhoudsbeurt moet de PNC opnieuw worden gekalibreerd en moet een nieuw kalibratiecertificaat worden afgegeven.

De kalibratie moet herleidbaar zijn naar een standaardkalibreermethode. De testfaciliteit gebruikt een van de twee volgende methoden voor de kalibratie van de PNC:

a)

vergelijking van de respons van de te kalibreren PNC met die van een gekalibreerde aerosolelektrometer bij het gelijktijdig bemonsteren van elektrostatisch geklasseerde kalibratiedeeltjes;

b)

vergelijking van de respons van de te kalibreren PNC met die van een tweede PNC die direct volgens bovenstaande methode is gekalibreerd.

De kalibratie moet worden uitgevoerd met ten minste zes standaardconcentraties over het volledige meetbereik van de PNC. Vijf van deze standaardconcentraties zijn zo uniform als mogelijk gespreid zijn tussen de standaardconcentratie van 3 000 # per cm3 of minder en het maximumbereik van de PNC in de telmodus voor afzonderlijke deeltjes. De zes standaardconcentratiepunten omvatten een nominale-nulconcentratiepunt dat wordt verkregen door HEPA-filters van ten minste klasse H13 van EN 1822:2008 of filters met gelijkwaardige prestaties op de inlaat van elk instrument te bevestigen. De gradiënt van een lineaire kleinstekwadraten-regressie van de twee gegevensreeksen wordt berekend en geregistreerd. Op de te kalibreren PNC wordt een kalibratiefactor toegepast die gelijk is aan het omgekeerde van de gradiënt. De lineariteit van de respons wordt berekend als het kwadraat van de Pearsons product-momentcorrelatiecoëfficiënt (r) van de twee gegevensreeksen en moet gelijk zijn aan of groter zijn dan 0,97. Bij de berekening van zowel de gradiënt als R2 wordt de lineaire regressie door de oorsprong geforceerd (nulconcentratie op beide instrumenten). De kalibratiefactor moet tussen 0,9 en 1,1 liggen. Elke met de te kalibreren PNC gemeten concentratie moet binnen ± 5 % liggen van de gemeten referentieconcentratie vermenigvuldigd met de gradiënt, met uitzondering van het nulpunt.

Tijdens de kalibratie moet ook de doelmatigheid van de PNC voor het detecteren van deeltjes met een elektrischemobiliteitsdiameter van 10 nm aan de desbetreffende voorschriften worden getoetst. Het telrendement bij deeltjes van 15 nm hoeft tijdens de periodieke kalibratie niet te worden gecontroleerd.

Bijlage 4 – Aanhangsel 1

Gebeurtenissen tijdens de WLTP-remcyclus

Begintijd gebeurtenis

[s]

Eindtijd gebeurtenis

[s]

Rit

[#]

Type gebeurtenis

Snelheid aan het begin

[km/h]

Snelheid aan het einde

[km/h]

0

4

1

Stat. dr.

0,0

0,0

4

10

1

Versn.

0,0

20,7

10

18

1

Const. snelh.

20,7

20,7

18

24

1

Vertr.

20,7

0,0

24

27

1

Stat. dr.

0,0

0,0

27

46

1

Versn.

0,0

23,1

46

58

1

Const. snelh.

23,1

23,1

58

65

1

Vertr.

23,1

5,6

65

68

1

Const. snelh.

5,6

5,6

68

77

1

Versn.

5,6

15,4

77

85

1

Const. snelh.

15,4

15,4

85

89

1

Vertr.

15,4

4,4

89

92

1

Const. snelh.

4,4

4,4

92

100

1

Versn.

4,4

25,7

100

103

1

Const. snelh.

25,7

25,7

103

109

1

Vertr.

25,7

7,2

109

112

1

Const. snelh.

7,2

7,2

112

122

1

Versn.

7,2

24,8

122

129

1

Const. snelh.

24,8

24,8

129

132

1

Vertr.

24,8

16,7

132

135

1

Const. snelh.

16,7

16,7

135

137

1

Versn.

16,7

18,7

137

140

1

Const. snelh.

18,7

18,7

140

149

1

Vertr.

18,7

0,0

149

153

1

Stat. dr.

0,0

0,0

153

174

1

Versn.

0,0

32,5

174

177

1

Const. snelh.

32,5

32,5

177

183

1

Vertr.

32,5

0,0

183

281

1

Stat. dr.

0,0

0,0

281

295

1

Versn.

0,0

27,5

295

298

1

Const. snelh.

27,5

27,5

298

303

1

Vertr.

27,5

11,8

303

306

1

Const. snelh.

11,8

11,8

306

311

1

Versn.

11,8

29,4

311

314

1

Const. snelh.

29,4

29,4

314

320

1

Vertr.

29,4

9,7

320

323

1

Const. snelh.

9,7

9,7

323

333

1

Versn.

9,7

31,9

333

341

1

Const. snelh.

31,9

31,9

341

347

1

Vertr.

31,9

9,5

347

351

1

Const. snelh.

9,5

9,5

351

358

1

Versn.

9,5

14,7

358

361

1

Const. snelh.

14,7

14,7

361

366

1

Vertr.

14,7

0,0

366

372

1

Stat. dr.

0,0

0,0

372

381

1

Versn.

0,0

59,5

381

384

1

Const. snelh.

59,5

59,5

384

388

1

Vertr.

59,5

47,6

388

402

1

Const. snelh.

47,6

47,6

402

406

1

Vertr.

47,6

36,2

406

478

1

Const. snelh.

36,2

36,2

478

480

1

Versn.

36,2

38,2

480

486

1

Const. snelh.

38,2

38,2

486

490

1

Vertr.

38,2

25,5

490

493

1

Const. snelh.

25,5

25,5

493

496

1

Vertr.

25,5

18,4

496

499

1

Const. snelh.

18,4

18,4

499

505

1

Vertr.

18,4

0,0

505

508

1

Stat. dr.

0,0

0,0

508

516

1

Versn.

0,0

42,3

516

543

1

Const. snelh.

42,3

42,3

543

552

1

Vertr.

42,3

0,0

552

555

1

Stat. dr.

0,0

0,0

555

564

1

Versn.

0,0

42,1

564

566

1

Const. snelh.

42,1

42,1

566

576

1

Vertr.

42,1

0,0

576

579

1

Stat. dr.

0,0

0,0

579

587

1

Versn.

0,0

31,3

587

592

1

Const. snelh.

31,3

31,3

592

595

1

Vertr.

31,3

12,5

595

600

1

Const. snelh.

12,5

12,5

600

605

1

Vertr.

12,5

0,0

605

622

1

Stat. dr.

0,0

0,0

622

642

1

Versn.

0,0

45,3

642

647

1

Const. snelh.

45,3

45,3

647

657

1

Vertr.

45,3

0,0

657

660

1

Stat. dr.

0,0

0,0

660

669

1

Versn.

0,0

45,5

669

673

1

Const. snelh.

45,5

45,5

673

683

1

Vertr.

45,5

0,0

683

685

1

Stat. dr.

0,0

0,0

685

704

1

Versn.

0,0

40,7

704

726

1

Const. snelh.

40,7

40,7

726

733

1

Vertr.

40,7

12,8

733

736

1

Const. snelh.

12,8

12,8

736

744

1

Versn.

12,8

59,6

744

747

1

Const. snelh.

59,6

59,6

747

751

1

Vertr.

59,6

46,7

751

758

1

Const. snelh.

46,7

46,7

758

759

1

Versn.

46,7

48,6

759

768

1

Const. snelh.

48,6

48,6

768

777

1

Vertr.

48,6

0,0

777

778

1

Stat. dr.

0,0

0,0

778

786

1

Versn.

0,0

23,7

786

941

1

Const. snelh.

23,7

23,7

941

945

1

Vertr.

23,7

9,8

945

948

1

Const. snelh.

9,8

9,8

948

956

1

Versn.

9,8

37,5

956

974

1

Const. snelh.

37,5

37,5

974

983

1

Vertr.

37,5

0,0

983

986

1

Stat. dr.

0,0

0,0

986

993

1

Versn.

0,0

37,7

993

996

1

Const. snelh.

37,7

37,7

996

1 005

1

Vertr.

37,7

0,0

1 005

1 008

1

Stat. dr.

0,0

0,0

1 008

1 013

1

Versn.

0,0

18,6

1 013

1 016

1

Const. snelh.

18,6

18,6

1 016

1 021

1

Vertr.

18,6

0,0

1 021

1 070

1

Stat. dr.

0,0

0,0

1 070

1 115

2

Stat. dr.

0,0

0,0

1 115

1 119

2

Versn.

0,0

13,8

1 119

1 122

2

Const. snelh.

13,8

13,8

1 122

1 126

2

Vertr.

13,8

0,0

1 126

1 129

2

Stat. dr.

0,0

0,0

1 129

1 144

2

Versn.

0,0

34,2

1 144

1 147

2

Const. snelh.

34,2

34,2

1 147

1 151

2

Vertr.

34,2

18,9

1 151

1 154

2

Const. snelh.

18,9

18,9

1 154

1 162

2

Versn.

18,9

32,9

1 162

1 174

2

Const. snelh.

32,9

32,9

1 174

1 178

2

Vertr.

32,9

23,3

1 178

1 182

2

Const. snelh.

23,3

23,3

1 182

1 186

2

Versn.

23,3

25,6

1 186

1 188

2

Const. snelh.

25,6

25,6

1 188

1 191

2

Vertr.

25,6

18,5

1 191

1 194

2

Const. snelh.

18,5

18,5

1 194

1 206

2

Versn.

18,5

38,7

1 206

1 209

2

Const. snelh.

38,7

38,7

1 209

1 217

2

Vertr.

38,7

0,0

1 217

1 220

2

Stat. dr.

0,0

0,0

1 220

1 236

2

Versn.

0,0

48,4

1 236

1 253

2

Const. snelh.

48,4

48,4

1 253

1 256

2

Vertr.

48,4

40,6

1 256

1 259

2

Const. snelh.

40,6

40,6

1 259

1 262

2

Versn.

40,6

42,4

1 262

1 282

2

Const. snelh.

42,4

42,4

1 282

1 286

2

Vertr.

42,4

30,3

1 286

1 290

2

Const. snelh.

30,3

30,3

1 290

1 295

2

Vertr.

30,3

13,7

1 295

1 298

2

Const. snelh.

13,7

13,7

1 298

1 315

2

Versn.

13,7

40,0

1 315

1 319

2

Const. snelh.

40,0

40,0

1 319

1 325

2

Vertr.

40,0

20,0

1 325

1 328

2

Const. snelh.

20,0

20,0

1 328

1 331

2

Versn.

20,0

29,7

1 331

1 334

2

Const. snelh.

29,7

29,7

1 334

1 338

2

Vertr.

29,7

18,9

1 338

1 341

2

Const. snelh.

18,9

18,9

1 341

1 344

2

Versn.

18,9

24,5

1 344

1 448

2

Const. snelh.

24,5

24,5

1 448

1 451

2

Vertr.

24,5

17,5

1 451

1 454

2

Const. snelh.

17,5

17,5

1 454

1 476

2

Versn.

17,5

42,0

1 476

1 482

2

Const. snelh.

42,0

42,0

1 482

1 491

2

Vertr.

42,0

0,0

1 491

1 502

2

Stat. dr.

0,0

0,0

1 502

1 512

2

Versn.

0,0

22,0

1 512

1 515

2

Const. snelh.

22,0

22,0

1 515

1 519

2

Vertr.

22,0

11,8

1 519

1 522

2

Const. snelh.

11,8

11,8

1 522

1 528

2

Versn.

11,8

32,4

1 528

1 539

2

Const. snelh.

32,4

32,4

1 539

1 547

2

Vertr.

32,4

6,1

1 547

1 550

2

Const. snelh.

6,1

6,1

1 550

1 559

2

Versn.

6,1

34,8

1 559

1 597

2

Const. snelh.

34,8

34,8

1 597

1 605

2

Vertr.

34,8

0,0

1 605

1 608

2

Stat. dr.

0,0

0,0

1 608

1 624

2

Versn.

0,0

76,1

1 624

1 662

2

Const. snelh.

76,1

76,1

1 662

1 675

2

Vertr.

76,1

0,0

1 675

1 678

2

Stat. dr.

0,0

0,0

1 678

1 686

2

Versn.

0,0

22,8

1 686

1 689

2

Const. snelh.

22,8

22,8

1 689

1 694

2

Vertr.

22,8

0,0

1 694

1 697

2

Stat. dr.

0,0

0,0

1 697

1 707

2

Versn.

0,0

41,6

1 707

1 753

2

Const. snelh.

41,6

41,6

1 753

1 757

2

Vertr.

41,6

27,2

1 757

1 763

2

Const. snelh.

27,2

27,2

1 763

1 773

2

Versn.

27,2

47,9

1 773

1 804

2

Const. snelh.

47,9

47,9

1 804

1 807

2

Vertr.

47,9

35,2

1 807

1 823

2

Const. snelh.

35,2

35,2

1 823

1 828

2

Vertr.

35,2

20,1

1 828

1 831

2

Const. snelh.

20,1

20,1

1 831

1 843

2

Versn.

20,1

59,2

1 843

1 870

2

Const. snelh.

59,2

59,2

1 870

1 873

2

Vertr.

59,2

49,5

1 873

1 876

2

Const. snelh.

49,5

49,5

1 876

1 885

2

Versn.

49,5

72,9

1 885

1 895

2

Const. snelh.

72,9

72,9

1 895

1 898

2

Vertr.

72,9

62,0

1 898

1 901

2

Const. snelh.

62,0

62,0

1 901

1 904

2

Versn.

62,0

66,4

1 904

1 907

2

Const. snelh.

66,4

66,4

1 907

1 910

2

Vertr.

66,4

57,4

1 910

1 913

2

Const. snelh.

57,4

57,4

1 913

1 915

2

Versn.

57,4

60,0

1 915

1 918

2

Const. snelh.

60,0

60,0

1 918

1 921

2

Vertr.

60,0

52,1

1 921

1 937

2

Const. snelh.

52,1

52,1

1 937

1 947

2

Versn.

52,1

79,7

1 947

1 951

2

Const. snelh.

79,7

79,7

1 951

1 954

2

Vertr.

79,7

72,1

1 954

1 959

2

Const. snelh.

72,1

72,1

1 959

1 960

2

Versn.

72,1

74,0

1 960

1 972

2

Const. snelh.

74,0

74,0

1 972

1 978

2

Vertr.

74,0

52,4

1 978

2 062

2

Const. snelh.

52,4

52,4

2 062

2 074

2

Vertr.

52,4

0,0

2 074

2 077

2

Stat. dr.

0,0

0,0

2 077

2 093

2

Versn.

0,0

60,3

2 093

2 123

2

Const. snelh.

60,3

60,3

2 123

2 133

2

Vertr.

60,3

0,0

2 133

2 137

2

Stat. dr.

0,0

0,0

2 137

2 152

2

Versn.

0,0

62,9

2 152

2 187

2

Const. snelh.

62,9

62,9

2 187

2 195

2

Vertr.

62,9

0,0

2 195

2 199

2

Stat. dr.

0,0

0,0

2 199

2 212

2

Versn.

0,0

60,1

2 212

2 218

2

Const. snelh.

60,1

60,1

2 218

2 229

2

Vertr.

60,1

15,2

2 229

2 233

2

Const. snelh.

15,2

15,2

2 233

2 244

2

Versn.

15,2

53,3

2 244

2 250

2

Const. snelh.

53,3

53,3

2 250

2 261

2

Vertr.

53,3

0,0

2 261

2 266

2

Stat. dr.

0,0

0,0

2 266

2 272

2

Versn.

0,0

20,7

2 272

2 520

2

Const. snelh.

20,7

20,7

2 520

2 526

2

Vertr.

20,7

0,0

2 526

2 529

2

Stat. dr.

0,0

0,0

2 529

2 548

2

Versn.

0,0

23,1

2 548

2 560

2

Const. snelh.

23,1

23,1

2 560

2 567

2

Vertr.

23,1

5,6

2 567

2 570

2

Const. snelh.

5,6

5,6

2 570

2 579

2

Versn.

5,6

15,4

2 579

2 587

2

Const. snelh.

15,4

15,4

2 587

2 591

2

Vertr.

15,4

4,4

2 591

2 594

2

Const. snelh.

4,4

4,4

2 594

2 602

2

Versn.

4,4

25,7

2 602

2 605

2

Const. snelh.

25,7

25,7

2 605

2 611

2

Vertr.

25,7

7,2

2 611

2 614

2

Const. snelh.

7,2

7,2

2 614

2 624

2

Versn.

7,2

24,8

2 624

2 631

2

Const. snelh.

24,8

24,8

2 631

2 634

2

Vertr.

24,8

16,7

2 634

2 637

2

Const. snelh.

16,7

16,7

2 637

2 639

2

Versn.

16,7

18,7

2 639

2 642

2

Const. snelh.

18,7

18,7

2 642

2 650

2

Vertr.

18,7

0,0

2 650

2 655

2

Stat. dr.

0,0

0,0

2 655

2 669

2

Versn.

0,0

46,6

2 669

2 672

2

Const. snelh.

46,6

46,6

2 672

2 677

2

Vertr.

46,6

9,4

2 677

2 680

2

Const. snelh.

9,4

9,4

2 680

2 690

2

Versn.

9,4

52,0

2 690

2 698

2

Const. snelh.

52,0

52,0

2 698

2 701

2

Vertr.

52,0

41,5

2 701

2 704

2

Const. snelh.

41,5

41,5

2 704

2 708

2

Versn.

41,5

49,9

2 708

2 714

2

Const. snelh.

49,9

49,9

2 714

2 719

2

Vertr.

49,9

34,0

2 719

2 722

2

Const. snelh.

34,0

34,0

2 722

2 728

2

Versn.

34,0

49,0

2 728

2 738

2

Const. snelh.

49,0

49,0

2 738

2 745

2

Vertr.

49,0

23,8

2 745

2 748

2

Const. snelh.

23,8

23,8

2 748

2 754

2

Versn.

23,8

41,6

2 754

2 759

2

Const. snelh.

41,6

41,6

2 759

2 767

2

Vertr.

41,6

0,0

2 767

2 835

2

Stat. dr.

0,0

0,0

2 835

2 883

3

Stat. dr.

0,0

0,0

2 883

2 892

3

Versn.

0,0

32,1

2 892

2 897

3

Const. snelh.

32,1

32,1

2 897

2 903

3

Vertr.

32,1

5,5

2 903

2 906

3

Const. snelh.

5,5

5,5

2 906

2 924

3

Versn.

5,5

50,5

2 924

2 946

3

Const. snelh.

50,5

50,5

2 946

2 949

3

Vertr.

50,5

42,8

2 949

2 952

3

Const. snelh.

42,8

42,8

2 952

2 955

3

Versn.

42,8

45,0

2 955

2 958

3

Const. snelh.

45,0

45,0

2 958

2 963

3

Vertr.

45,0

29,8

2 963

2 966

3

Const. snelh.

29,8

29,8

2 966

2 971

3

Vertr.

29,8

0,0

2 971

2 976

3

Stat. dr.

0,0

0,0

2 976

3 001

3

Versn.

0,0

49,2

3 001

3 006

3

Const. snelh.

49,2

49,2

3 006

3 011

3

Vertr.

49,2

33,1

3 011

3 014

3

Const. snelh.

33,1

33,1

3 014

3 025

3

Versn.

33,1

56,2

3 025

3 032

3

Const. snelh.

56,2

56,2

3 032

3 036

3

Vertr.

56,2

44,0

3 036

3 039

3

Const. snelh.

44,0

44,0

3 039

3 049

3

Versn.

44,0

59,0

3 049

3 053

3

Const. snelh.

59,0

59,0

3 053

3 056

3

Vertr.

59,0

51,2

3 056

3 059

3

Const. snelh.

51,2

51,2

3 059

3 062

3

Versn.

51,2

55,0

3 062

3 078

3

Const. snelh.

55,0

55,0

3 078

3 081

3

Vertr.

55,0

47,5

3 081

3 084

3

Const. snelh.

47,5

47,5

3 084

3 093

3

Versn.

47,5

59,5

3 093

3 096

3

Const. snelh.

59,5

59,5

3 096

3 101

3

Vertr.

59,5

39,9

3 101

3 159

3

Const. snelh.

39,9

39,9

3 159

3 165

3

Vertr.

39,9

14,2

3 165

3 168

3

Const. snelh.

14,2

14,2

3 168

3 192

3

Versn.

14,2

58,3

3 192

3 195

3

Const. snelh.

58,3

58,3

3 195

3 201

3

Vertr.

58,3

34,8

3 201

3 257

3

Const. snelh.

34,8

34,8

3 257

3 261

3

Versn.

34,8

39,5

3 261

3 268

3

Const. snelh.

39,5

39,5

3 268

3 271

3

Vertr.

39,5

30,0

3 271

3 274

3

Const. snelh.

30,0

30,0

3 274

3 292

3

Versn.

30,0

56,2

3 292

3 308

3

Const. snelh.

56,2

56,2

3 308

3 311

3

Vertr.

56,2

46,0

3 311

3 314

3

Const. snelh.

46,0

46,0

3 314

3 318

3

Versn.

46,0

54,4

3 318

3 418

3

Const. snelh.

54,4

54,4

3 418

3 422

3

Vertr.

54,4

40,4

3 422

3 432

3

Const. snelh.

40,4

40,4

3 432

3 438

3

Versn.

40,4

53,5

3 438

3 441

3

Const. snelh.

53,5

53,5

3 441

3 445

3

Vertr.

53,5

40,8

3 445

3 480

3

Const. snelh.

40,8

40,8

3 480

3 483

3

Vertr.

40,8

32,0

3 483

3 486

3

Const. snelh.

32,0

32,0

3 486

3 489

3

Versn.

32,0

34,7

3 489

3 492

3

Const. snelh.

34,7

34,7

3 492

3 495

3

Vertr.

34,7

26,4

3 495

3 498

3

Const. snelh.

26,4

26,4

3 498

3 514

3

Versn.

26,4

50,6

3 514

3 557

3

Const. snelh.

50,6

50,6

3 557

3 561

3

Vertr.

50,6

37,6

3 561

3 621

3

Const. snelh.

37,6

37,6

3 621

3 626

3

Vertr.

37,6

22,4

3 626

3 629

3

Const. snelh.

22,4

22,4

3 629

3 640

3

Versn.

22,4

36,8

3 640

3 647

3

Const. snelh.

36,8

36,8

3 647

3 651

3

Vertr.

36,8

22,9

3 651

3 654

3

Const. snelh.

22,9

22,9

3 654

3 675

3

Versn.

22,9

55,3

3 675

3 684

3

Const. snelh.

55,3

55,3

3 684

3 688

3

Vertr.

55,3

39,5

3 688

3 692

3

Const. snelh.

39,5

39,5

3 692

3 698

3

Vertr.

39,5

15,5

3 698

3 701

3

Const. snelh.

15,5

15,5

3 701

3 717

3

Versn.

15,5

44,3

3 717

3 729

3

Const. snelh.

44,3

44,3

3 729

3 732

3

Vertr.

44,3

36,6

3 732

3 773

3

Const. snelh.

36,6

36,6

3 773

3 778

3

Vertr.

36,6

20,8

3 778

3 796

3

Const. snelh.

20,8

20,8

3 796

3 802

3

Versn.

20,8

32,0

3 802

3 849

3

Const. snelh.

32,0

32,0

3 849

3 852

3

Vertr.

32,0

24,8

3 852

3 855

3

Const. snelh.

24,8

24,8

3 855

3 875

3

Versn.

24,8

51,6

3 875

3 879

3

Const. snelh.

51,6

51,6

3 879

3 883

3

Vertr.

51,6

39,3

3 883

3 895

3

Const. snelh.

39,3

39,3

3 895

3 898

3

Vertr.

39,3

32,4

3 898

3 939

3

Const. snelh.

32,4

32,4

3 939

3 946

3

Vertr.

32,4

0,0

3 946

3 947

3

Stat. dr.

0,0

0,0

3 947

3 949

4

Stat. dr.

0,0

0,0

3 949

3 966

4

Versn.

0,0

75,8

3 966

4 001

4

Const. snelh.

75,8

75,8

4 001

4 005

4

Vertr.

75,8

63,9

4 005

4 081

4

Const. snelh.

63,9

63,9

4 081

4 086

4

Versn.

63,9

72,4

4 086

4 089

4

Const. snelh.

72,4

72,4

4 089

4 093

4

Vertr.

72,4

58,7

4 093

4 096

4

Const. snelh.

58,7

58,7

4 096

4 104

4

Versn.

58,7

65,9

4 104

4 118

4

Const. snelh.

65,9

65,9

4 118

4 122

4

Vertr.

65,9

53,7

4 122

4 136

4

Const. snelh.

53,7

53,7

4 136

4 137

4

Versn.

53,7

54,9

4 137

4 147

4

Const. snelh.

54,9

54,9

4 147

4 157

4

Vertr.

54,9

0,0

4 157

4 164

4

Stat. dr.

0,0

0,0

4 164

4 196

4

Versn.

0,0

90,6

4 196

4 551

4

Const. snelh.

90,6

90,6

4 551

4 566

4

Vertr.

90,6

0,0

4 566

4 570

4

Stat. dr.

0,0

0,0

4 570

4 578

4

Versn.

0,0

33,0

4 578

4 586

4

Const. snelh.

33,0

33,0

4 586

4 601

4

Versn.

33,0

75,0

4 601

4 612

4

Const. snelh.

75,0

75,0

4 612

4 619

4

Versn.

75,0

80,3

4 619

4 635

4

Const. snelh.

80,3

80,3

4 635

4 653

4

Versn.

80,3

95,6

4 653

4 668

4

Const. snelh.

95,6

95,6

4 668

4 683

4

Vertr.

95,6

25,5

4 683

4 688

4

Const. snelh.

25,5

25,5

4 688

4 714

4

Versn.

25,5

98,4

4 714

5 004

4

Const. snelh.

98,4

98,4

5 004

5 019

4

Vertr.

98,4

0,0

5 019

5 022

4

Stat. dr.

0,0

0,0

5 022

5 060

4

Versn.

0,0

82,8

5 060

5 071

4

Const. snelh.

82,8

82,8

5 071

5 076

4

Vertr.

82,8

69,4

5 076

5 135

4

Const. snelh.

69,4

69,4

5 135

5 149

4

Vertr.

69,4

10,1

5 149

5 152

4

Const. snelh.

10,1

10,1

5 152

5 170

4

Versn.

10,1

69,0

5 170

5 190

4

Const. snelh.

69,0

69,0

5 190

5 193

4

Vertr.

69,0

61,7

5 193

5 290

4

Const. snelh.

61,7

61,7

5 290

5 293

4

Versn.

61,7

64,7

5 293

5 297

4

Const. snelh.

64,7

64,7

5 297

5 300

4

Vertr.

64,7

57,8

5 300

5 314

4

Const. snelh.

57,8

57,8

5 314

5 326

4

Vertr.

57,8

0,0

5 326

5 336

4

Stat. dr.

0,0

0,0

5 336

5 342

4

Versn.

0,0

20,7

5 342

5 350

4

Const. snelh.

20,7

20,7

5 350

5 356

4

Vertr.

20,7

0,0

5 356

5 359

4

Stat. dr.

0,0

0,0

5 359

5 378

4

Versn.

0,0

23,1

5 378

5 390

4

Const. snelh.

23,1

23,1

5 390

5 397

4

Vertr.

23,1

5,6

5 397

5 400

4

Const. snelh.

5,6

5,6

5 400

5 409

4

Versn.

5,6

15,4

5 409

5 417

4

Const. snelh.

15,4

15,4

5 417

5 421

4

Vertr.

15,4

4,4

5 421

5 424

4

Const. snelh.

4,4

4,4

5 424

5 432

4

Versn.

4,4

25,7

5 432

5 435

4

Const. snelh.

25,7

25,7

5 435

5 441

4

Vertr.

25,7

7,2

5 441

5 444

4

Const. snelh.

7,2

7,2

5 444

5 454

4

Versn.

7,2

24,8

5 454

5 461

4

Const. snelh.

24,8

24,8

5 461

5 464

4

Vertr.

24,8

16,7

5 464

5 467

4

Const. snelh.

16,7

16,7

5 467

5 469

4

Versn.

16,7

18,7

5 469

5 472

4

Const. snelh.

18,7

18,7

5 472

5 480

4

Vertr.

18,7

0,0

5 480

5 484

4

Stat. dr.

0,0

0,0

5 484

5 488

5

Stat. dr.

0,0

0,0

5 488

5 496

5

Versn.

0,0

41,8

5 496

5 514

5

Const. snelh.

41,8

41,8

5 514

5 524

5

Vertr.

41,8

0,0

5 524

5 527

5

Stat. dr.

0,0

0,0

5 527

5 542

5

Versn.

0,0

34,6

5 542

5 554

5

Const. snelh.

34,6

34,6

5 554

5 557

5

Vertr.

34,6

27,3

5 557

5 560

5

Const. snelh.

27,3

27,3

5 560

5 568

5

Versn.

27,3

43,5

5 568

5 571

5

Const. snelh.

43,5

43,5

5 571

5 581

5

Vertr.

43,5

0,0

5 581

5 587

5

Stat. dr.

0,0

0,0

5 587

5 601

5

Versn.

0,0

30,0

5 601

5 624

5

Const. snelh.

30,0

30,0

5 624

5 629

5

Vertr.

30,0

13,6

5 629

5 632

5

Const. snelh.

13,6

13,6

5 632

5 639

5

Versn.

13,6

37,0

5 639

5 647

5

Const. snelh.

37,0

37,0

5 647

5 656

5

Vertr.

37,0

0,0

5 656

5 713

5

Stat. dr.

0,0

0,0

5 713

5 734

5

Versn.

0,0

41,2

5 734

5 749

5

Const. snelh.

41,2

41,2

5 749

5 753

5

Vertr.

41,2

29,5

5 753

5 789

5

Const. snelh.

29,5

29,5

5 789

5 792

5

Vertr.

29,5

18,0

5 792

5 795

5

Const. snelh.

18,0

18,0

5 795

5 800

5

Vertr.

18,0

0,0

5 800

5 803

5

Stat. dr.

0,0

0,0

5 803

5 811

5

Versn.

0,0

29,5

5 811

5 814

5

Const. snelh.

29,5

29,5

5 814

5 817

5

Vertr.

29,5

22,1

5 817

5 820

5

Const. snelh.

22,1

22,1

5 820

5 824

5

Vertr.

22,1

8,1

5 824

5 827

5

Const. snelh.

8,1

8,1

5 827

5 832

5

Versn.

8,1

16,9

5 832

5 844

5

Const. snelh.

16,9

16,9

5 844

5 849

5

Vertr.

16,9

0,0

5 849

5 952

5

Stat. dr.

0,0

0,0

5 952

5 958

5

Versn.

0,0

14,4

5 958

5 965

5

Const. snelh.

14,4

14,4

5 965

5 968

5

Vertr.

14,4

3,5

5 968

5 971

5

Const. snelh.

3,5

3,5

5 971

6 010

5

Versn.

3,5

56,4

6 010

6 074

5

Const. snelh.

56,4

56,4

6 074

6 078

5

Vertr.

56,4

41,2

6 078

6 081

5

Const. snelh.

41,2

41,2

6 081

6 088

5

Vertr.

41,2

13,9

6 088

6 091

5

Const. snelh.

13,9

13,9

6 091

6 111

5

Versn.

13,9

56,4

6 111

6 175

5

Const. snelh.

56,4

56,4

6 175

6 180

5

Vertr.

56,4

41,3

6 180

6 183

5

Const. snelh.

41,3

41,3

6 183

6 200

5

Versn.

41,3

58,0

6 200

6 208

5

Const. snelh.

58,0

58,0

6 208

6 213

5

Vertr.

58,0

39,6

6 213

6 248

5

Const. snelh.

39,6

39,6

6 248

6 252

5

Vertr.

39,6

22,3

6 252

6 255

5

Const. snelh.

22,3

22,3

6 255

6 258

5

Versn.

22,3

26,7

6 258

6 320

5

Const. snelh.

26,7

26,7

6 320

6 330

5

Vertr.

26,7

0,0

6 330

6 339

5

Stat. dr.

0,0

0,0

6 339

6 425

5

Versn.

0,0

105,2

6 425

6 872

5

Const. snelh.

105,2

105,2

6 872

6 876

5

Vertr.

105,2

90,4

6 876

6 884

5

Const. snelh.

90,4

90,4

6 884

6 893

5

Versn.

90,4

102,2

6 893

6 898

5

Const. snelh.

102,2

102,2

6 898

6 901

5

Vertr.

102,2

91,6

6 901

6 923

5

Const. snelh.

91,6

91,6

6 923

6 926

5

Versn.

91,6

94,6

6 926

6 930

5

Const. snelh.

94,6

94,6

6 930

6 932

5

Vertr.

94,6

87,2

6 932

6 953

5

Const. snelh.

87,2

87,2

6 953

6 957

5

Vertr.

87,2

72,3

6 957

6 960

5

Const. snelh.

72,3

72,3

6 960

6 973

5

Versn.

72,3

84,8

6 973

6 977

5

Const. snelh.

84,8

84,8

6 977

6 981

5

Vertr.

84,8

73,8

6 981

6 985

5

Const. snelh.

73,8

73,8

6 985

6 995

5

Versn.

73,8

87,8

6 995

6 999

5

Const. snelh.

87,8

87,8

6 999

7 005

5

Vertr.

87,8

69,0

7 005

7 069

5

Const. snelh.

69,0

69,0

7 069

7 074

5

Vertr.

69,0

50,2

7 074

7 090

5

Const. snelh.

50,2

50,2

7 090

7 104

5

Versn.

50,2

83,5

7 104

7 114

5

Const. snelh.

83,5

83,5

7 114

7 117

5

Vertr.

83,5

71,3

7 117

7 177

5

Const. snelh.

71,3

71,3

7 177

7 182

5

Vertr.

71,3

53,5

7 182

7 185

5

Const. snelh.

53,5

53,5

7 185

7 198

5

Versn.

53,5

80,0

7 198

7 201

5

Const. snelh.

80,0

80,0

7 201

7 205

5

Vertr.

80,0

66,0

7 205

7 346

5

Const. snelh.

66,0

66,0

7 346

7 349

5

Vertr.

66,0

56,7

7 349

7 354

5

Const. snelh.

56,7

56,7

7 354

7 368

5

Versn.

56,7

83,9

7 368

7 381

5

Const. snelh.

83,9

83,9

7 381

7 388

5

Vertr.

83,9

42,5

7 388

7 400

5

Const. snelh.

42,5

42,5

7 400

7 414

5

Versn.

42,5

73,8

7 414

7 442

5

Const. snelh.

73,8

73,8

7 442

7 455

5

Vertr.

73,8

24,4

7 455

7 490

5

Const. snelh.

24,4

24,4

7 490

7 496

5

Vertr.

24,4

0,0

7 496

7 503

5

Stat. dr.

0,0

0,0

7 503

7 509

5

Versn.

0,0

22,9

7 509

7 518

5

Const. snelh.

22,9

22,9

7 518

7 522

5

Vertr.

22,9

13,5

7 522

7 525

5

Const. snelh.

13,5

13,5

7 525

7 531

5

Versn.

13,5

23,0

7 531

7 534

5

Const. snelh.

23,0

23,0

7 534

7 537

5

Vertr.

23,0

15,4

7 537

7 540

5

Const. snelh.

15,4

15,4

7 540

7 545

5

Versn.

15,4

19,0

7 545

7 548

5

Const. snelh.

19,0

19,0

7 548

7 551

5

Vertr.

19,0

12,2

7 551

7 554

5

Const. snelh.

12,2

12,2

7 554

7 558

5

Versn.

12,2

18,8

7 558

7 561

5

Const. snelh.

18,8

18,8

7 561

7 567

5

Vertr.

18,8

0,0

7 567

7 688

5

Stat. dr.

0,0

0,0

7 688

7 699

5

Versn.

0,0

37,9

7 699

7 704

5

Const. snelh.

37,9

37,9

7 704

7 709

5

Vertr.

37,9

24,4

7 709

7 748

5

Const. snelh.

24,4

24,4

7 748

7 752

5

Vertr.

24,4

14,9

7 752

7 755

5

Const. snelh.

14,9

14,9

7 755

7 764

5

Versn.

14,9

45,3

7 764

7 769

5

Const. snelh.

45,3

45,3

7 769

7 774

5

Vertr.

45,3

25,9

7 774

7 777

5

Const. snelh.

25,9

25,9

7 777

7 787

5

Versn.

25,9

40,6

7 787

7 795

5

Const. snelh.

40,6

40,6

7 795

7 800

5

Vertr.

40,6

25,4

7 800

7 803

5

Const. snelh.

25,4

25,4

7 803

7 814

5

Versn.

25,4

37,2

7 814

7 817

5

Const. snelh.

37,2

37,2

7 817

7 822

5

Vertr.

37,2

20,8

7 822

7 825

5

Const. snelh.

20,8

20,8

7 825

7 829

5

Versn.

20,8

26,3

7 829

7 883

5

Const. snelh.

26,3

26,3

7 883

7 889

5

Vertr.

26,3

0,0

7 889

7 892

5

Stat. dr.

0,0

0,0

7 892

7 904

5

Versn.

0,0

53,4

7 904

7 907

5

Const. snelh.

53,4

53,4

7 907

7 913

5

Vertr.

53,4

28,2

7 913

7 916

5

Const. snelh.

28,2

28,2

7 916

7 926

5

Versn.

28,2

42,6

7 926

7 941

5

Const. snelh.

42,6

42,6

7 941

7 947

5

Vertr.

42,6

19,0

7 947

7 950

5

Const. snelh.

19,0

19,0

7 950

7 962

5

Versn.

19,0

57,1

7 962

7 973

5

Const. snelh.

57,1

57,1

7 973

7 979

5

Vertr.

57,1

31,8

7 979

7 982

5

Const. snelh.

31,8

31,8

7 982

7 988

5

Versn.

31,8

50,0

7 988

8 064

5

Const. snelh.

50,0

50,0

8 064

8 069

5

Vertr.

50,0

24,4

8 069

8 072

5

Const. snelh.

24,4

24,4

8 072

8 078

5

Versn.

24,4

58,2

8 078

8 081

5

Const. snelh.

58,2

58,2

8 081

8 088

5

Vertr.

58,2

29,9

8 088

8 120

5

Const. snelh.

29,9

29,9

8 120

8 123

5

Vertr.

29,9

21,2

8 123

8 126

5

Const. snelh.

21,2

21,2

8 126

8 129

5

Versn.

21,2

25,0

8 129

8 162

5

Const. snelh.

25,0

25,0

8 162

8 165

5

Versn.

25,0

32,6

8 165

8 168

5

Const. snelh.

32,6

32,6

8 168

8 174

5

Vertr.

32,6

0,0

8 174

8 175

5

Stat. dr.

0,0

0,0

8 175

8 177

6

Stat. dr.

0,0

0,0

8 177

8 189

6

Versn.

0,0

21,2

8 189

8 413

6

Const. snelh.

21,2

21,2

8 413

8 418

6

Vertr.

21,2

9,5

8 418

8 421

6

Const. snelh.

9,5

9,5

8 421

8 425

6

Vertr.

9,5

0,0

8 425

8 483

6

Stat. dr.

0,0

0,0

8 483

8 540

7

Stat. dr.

0,0

0,0

8 540

8 547

7

Versn.

0,0

35,1

8 547

8 552

7

Const. snelh.

35,1

35,1

8 552

8 560

7

Vertr.

35,1

5,5

8 560

8 563

7

Const. snelh.

5,5

5,5

8 563

8 577

7

Versn.

5,5

16,5

8 577

8 609

7

Const. snelh.

16,5

16,5

8 609

8 614

7

Vertr.

16,5

0,0

8 614

8 625

7

Stat. dr.

0,0

0,0

8 625

8 670

7

Versn.

0,0

96,9

8 670

9 081

7

Const. snelh.

96,9

96,9

9 081

9 089

7

Vertr.

96,9

73,3

9 089

9 117

7

Const. snelh.

73,3

73,3

9 117

9 127

7

Vertr.

73,3

20,1

9 127

9 130

7

Const. snelh.

20,1

20,1

9 130

9 143

7

Versn.

20,1

62,2

9 143

9 146

7

Const. snelh.

62,2

62,2

9 146

9 155

7

Vertr.

62,2

6,6

9 155

9 158

7

Const. snelh.

6,6

6,6

9 158

9 171

7

Versn.

6,6

53,2

9 171

9 174

7

Const. snelh.

53,2

53,2

9 174

9 187

7

Vertr.

53,2

0,0

9 187

9 188

7

Stat. dr.

0,0

0,0

9 188

9 190

8

Stat. dr.

0,0

0,0

9 190

9 238

8

Versn.

0,0

83,6

9 238

9 264

8

Const. snelh.

83,6

83,6

9 264

9 279

8

Vertr.

83,6

0,0

9 279

9 366

8

Stat. dr.

0,0

0,0

9 366

9 372

8

Versn.

0,0

23,9

9 372

9 375

8

Const. snelh.

23,9

23,9

9 375

9 382

8

Vertr.

23,9

0,0

9 382

9 386

8

Stat. dr.

0,0

0,0

9 386

9 402

8

Versn.

0,0

65,3

9 402

9 427

8

Const. snelh.

65,3

65,3

9 427

9 439

8

Vertr.

65,3

0,0

9 439

9 443

8

Stat. dr.

0,0

0,0

9 443

9 453

8

Versn.

0,0

40,5

9 453

9 489

8

Const. snelh.

40,5

40,5

9 489

9 493

8

Vertr.

40,5

29,3

9 493

9 496

8

Const. snelh.

29,3

29,3

9 496

9 516

8

Versn.

29,3

63,0

9 516

9 812

8

Const. snelh.

63,0

63,0

9 812

9 815

8

Vertr.

63,0

52,2

9 815

9 845

8

Const. snelh.

52,2

52,2

9 845

9 848

8

Vertr.

52,2

44,6

9 848

9 851

8

Const. snelh.

44,6

44,6

9 851

9 859

8

Versn.

44,6

59,2

9 859

9 864

8

Const. snelh.

59,2

59,2

9 864

9 869

8

Vertr.

59,2

45,2

9 869

9 872

8

Const. snelh.

45,2

45,2

9 872

9 876

8

Versn.

45,2

53,9

9 876

9 888

8

Const. snelh.

53,9

53,9

9 888

9 898

8

Vertr.

53,9

0,0

9 898

9 899

8

Stat. dr.

0,0

0,0

9 899

9 901

9

Stat. dr.

0,0

0,0

9 901

9 909

9

Versn.

0,0

19,1

9 909

10 036

9

Const. snelh.

19,1

19,1

10 036

10 041

9

Vertr.

19,1

6,4

10 041

10 044

9

Const. snelh.

6,4

6,4

10 044

10 046

9

Versn.

6,4

10,5

10 046

10 049

9

Const. snelh.

10,5

10,5

10 049

10 054

9

Vertr.

10,5

0,0

10 054

10 056

9

Stat. dr.

0,0

0,0

10 056

10 066

9

Versn.

0,0

29,6

10 066

10 273

9

Const. snelh.

29,6

29,6

10 273

10 280

9

Vertr.

29,6

0,0

10 280

10 284

9

Stat. dr.

0,0

0,0

10 284

10 294

9

Versn.

0,0

24,3

10 294

10 453

9

Const. snelh.

24,3

24,3

10 453

10 458

9

Vertr.

24,3

4,5

10 458

10 461

9

Const. snelh.

4,5

4,5

10 461

10 469

9

Versn.

4,5

27,8

10 469

10 475

9

Const. snelh.

27,8

27,8

10 475

10 479

9

Vertr.

27,8

17,3

10 479

10 482

9

Const. snelh.

17,3

17,3

10 482

10 486

9

Vertr.

17,3

6,5

10 486

10 489

9

Const. snelh.

6,5

6,5

10 489

10 496

9

Versn.

6,5

26,8

10 496

10 507

9

Const. snelh.

26,8

26,8

10 507

10 514

9

Vertr.

26,8

0,0

10 514

10 554

9

Stat. dr.

0,0

0,0

10 554

10 626

10

Stat. dr.

0,0

0,0

10 626

10 632

10

Versn.

0,0

27,5

10 632

10 638

10

Const. snelh.

27,5

27,5

10 638

10 647

10

Vertr.

27,5

0,0

10 647

10 650

10

Stat. dr.

0,0

0,0

10 650

10 663

10

Versn.

0,0

39,0

10 663

10 696

10

Const. snelh.

39,0

39,0

10 696

10 700

10

Vertr.

39,0

29,0

10 700

10 707

10

Const. snelh.

29,0

29,0

10 707

10 712

10

Versn.

29,0

35,1

10 712

10 721

10

Const. snelh.

35,1

35,1

10 721

10 725

10

Vertr.

35,1

24,5

10 725

10 728

10

Const. snelh.

24,5

24,5

10 728

10 737

10

Versn.

24,5

41,9

10 737

10 758

10

Const. snelh.

41,9

41,9

10 758

10 761

10

Vertr.

41,9

34,1

10 761

10 764

10

Const. snelh.

34,1

34,1

10 764

10 768

10

Versn.

34,1

39,4

10 768

10 792

10

Const. snelh.

39,4

39,4

10 792

10 797

10

Vertr.

39,4

24,9

10 797

10 800

10

Const. snelh.

24,9

24,9

10 800

10 808

10

Versn.

24,9

36,4

10 808

10 811

10

Const. snelh.

36,4

36,4

10 811

10 822

10

Vertr.

36,4

0,0

10 822

10 825

10

Stat. dr.

0,0

0,0

10 825

10 838

10

Versn.

0,0

55,7

10 838

10 868

10

Const. snelh.

55,7

55,7

10 868

10 879

10

Vertr.

55,7

0,0

10 879

10 888

10

Stat. dr.

0,0

0,0

10 888

10 901

10

Versn.

0,0

56,2

10 901

11 088

10

Const. snelh.

56,2

56,2

11 088

11 101

10

Vertr.

56,2

0,0

11 101

11 104

10

Stat. dr.

0,0

0,0

11 104

11 114

10

Versn.

0,0

43,6

11 114

11 117

10

Const. snelh.

43,6

43,6

11 117

11 126

10

Vertr.

43,6

0,0

11 126

11 238

10

Stat. dr.

0,0

0,0

11 238

11 242

10

Versn.

0,0

11,2

11 242

11 245

10

Const. snelh.

11,2

11,2

11 245

11 249

10

Vertr.

11,2

4,1

11 249

11 252

10

Const. snelh.

4,1

4,1

11 252

11 258

10

Versn.

4,1

15,0

11 258

11 261

10

Const. snelh.

15,0

15,0

11 261

11 265

10

Vertr.

15,0

6,2

11 265

11 268

10

Const. snelh.

6,2

6,2

11 268

11 273

10

Versn.

6,2

10,1

11 273

11 276

10

Const. snelh.

10,1

10,1

11 276

11 281

10

Vertr.

10,1

0,0

11 281

11 284

10

Stat. dr.

0,0

0,0

11 284

11 293

10

Versn.

0,0

31,3

11 293

11 313

10

Const. snelh.

31,3

31,3

11 313

11 316

10

Vertr.

31,3

23,8

11 316

11 348

10

Const. snelh.

23,8

23,8

11 348

11 351

10

Vertr.

23,8

16,9

11 351

11 354

10

Const. snelh.

16,9

16,9

11 354

11 361

10

Vertr.

16,9

0,0

11 361

11 364

10

Stat. dr.

0,0

0,0

11 364

11 373

10

Versn.

0,0

40,0

11 373

11 512

10

Const. snelh.

40,0

40,0

11 512

11 519

10

Vertr.

40,0

10,6

11 519

11 522

10

Const. snelh.

10,6

10,6

11 522

11 528

10

Versn.

10,6

15,6

11 528

11 541

10

Const. snelh.

15,6

15,6

11 541

11 545

10

Vertr.

15,6

6,3

11 545

11 548

10

Const. snelh.

6,3

6,3

11 548

11 552

10

Versn.

6,3

15,6

11 552

11 557

10

Const. snelh.

15,6

15,6

11 557

11 560

10

Vertr.

15,6

8,8

11 560

11 563

10

Const. snelh.

8,8

8,8

11 563

11 567

10

Versn.

8,8

13,1

11 567

11 574

10

Const. snelh.

13,1

13,1

11 574

11 579

10

Vertr.

13,1

0,0

11 579

11 646

10

Stat. dr.

0,0

0,0

11 646

11 652

10

Versn.

0,0

23,1

11 652

11 659

10

Const. snelh.

23,1

23,1

11 659

11 662

10

Vertr.

23,1

15,0

11 662

11 665

10

Const. snelh.

15,0

15,0

11 665

11 666

10

Versn.

15,0

18,1

11 666

11 669

10

Const. snelh.

18,1

18,1

11 669

11 671

10

Vertr.

18,1

13,6

11 671

11 674

10

Const. snelh.

13,6

13,6

11 674

11 680

10

Versn.

13,6

19,4

11 680

11 684

10

Const. snelh.

19,4

19,4

11 684

11 687

10

Vertr.

19,4

11,5

11 687

11 690

10

Const. snelh.

11,5

11,5

11 690

11 694

10

Vertr.

11,5

0,0

11 694

11 830

10

Stat. dr.

0,0

0,0

11 830

11 842

10

Versn.

0,0

34,9

11 842

11 845

10

Const. snelh.

34,9

34,9

11 845

11 848

10

Vertr.

34,9

27,9

11 848

11 851

10

Const. snelh.

27,9

27,9

11 851

11 858

10

Versn.

27,9

43,7

11 858

11 861

10

Const. snelh.

43,7

43,7

11 861

11 865

10

Vertr.

43,7

32,1

11 865

11 868

10

Const. snelh.

32,1

32,1

11 868

11 873

10

Vertr.

32,1

12,4

11 873

11 880

10

Const. snelh.

12,4

12,4

11 880

11 884

10

Vertr.

12,4

0,0

11 884

12 054

10

Stat. dr.

0,0

0,0

12 054

12 064

10

Versn.

0,0

14,7

12 064

12 067

10

Const. snelh.

14,7

14,7

12 067

12 072

10

Vertr.

14,7

0,0

12 072

12 075

10

Stat. dr.

0,0

0,0

12 075

12 079

10

Versn.

0,0

13,8

12 079

12 082

10

Const. snelh.

13,8

13,8

12 082

12 086

10

Vertr.

13,8

0,0

12 086

12 096

10

Stat. dr.

0,0

0,0

12 096

12 100

10

Versn.

0,0

12,4

12 100

12 103

10

Const. snelh.

12,4

12,4

12 103

12 106

10

Vertr.

12,4

0,0

12 106

12 124

10

Stat. dr.

0,0

0,0

12 124

12 129

10

Versn.

0,0

18,7

12 129

12 132

10

Const. snelh.

18,7

18,7

12 132

12 140

10

Vertr.

18,7

0,0

12 140

12 173

10

Stat. dr.

0,0

0,0

12 173

12 178

10

Versn.

0,0

18,4

12 178

12 181

10

Const. snelh.

18,4

18,4

12 181

12 187

10

Vertr.

18,4

0,0

12 187

12 188

10

Stat. dr.

0,0

0,0

12 188

12 197

10

Versn.

0,0

41,2

12 197

12 198

10

Const. snelh.

41,2

41,2

12 198

12 202

10

Vertr.

41,2

30,4

12 202

12 208

10

Const. snelh.

30,4

30,4

12 208

12 213

10

Vertr.

30,4

14,8

12 213

12 216

10

Const. snelh.

14,8

14,8

12 216

12 231

10

Versn.

14,8

50,5

12 231

12 267

10

Const. snelh.

50,5

50,5

12 267

12 272

10

Vertr.

50,5

30,8

12 272

12 276

10

Const. snelh.

30,8

30,8

12 276

12 284

10

Vertr.

30,8

0,0

12 284

12 328

10

Stat. dr.

0,0

0,0

12 328

12 333

10

Versn.

0,0

12,4

12 333

12 336

10

Const. snelh.

12,4

12,4

12 336

12 340

10

Vertr.

12,4

0,0

12 340

12 356

10

Stat. dr.

0,0

0,0

12 356

12 361

10

Versn.

0,0

14,7

12 361

12 364

10

Const. snelh.

14,7

14,7

12 364

12 368

10

Vertr.

14,7

0,0

12 368

12 371

10

Stat. dr.

0,0

0,0

12 371

12 376

10

Versn.

0,0

18,7

12 376

12 461

10

Const. snelh.

18,7

18,7

12 461

12 469

10

Vertr.

18,7

0,0

12 469

12 478

10

Stat. dr.

0,0

0,0

12 478

12 484

10

Versn.

0,0

18,4

12 484

12 487

10

Const. snelh.

18,4

18,4

12 487

12 493

10

Vertr.

18,4

0,0

12 493

12 503

10

Stat. dr.

0,0

0,0

12 503

12 507

10

Versn.

0,0

13,8

12 507

12 510

10

Const. snelh.

13,8

13,8

12 510

12 514

10

Vertr.

13,8

0,0

12 514

12 517

10

Stat. dr.

0,0

0,0

12 517

12 521

10

Versn.

0,0

12,4

12 521

12 524

10

Const. snelh.

12,4

12,4

12 524

12 528

10

Vertr.

12,4

0,0

12 528

12 544

10

Stat. dr.

0,0

0,0

12 544

12 549

10

Versn.

0,0

14,7

12 549

12 552

10

Const. snelh.

14,7

14,7

12 552

12 556

10

Vertr.

14,7

0,0

12 556

12 559

10

Stat. dr.

0,0

0,0

12 559

12 602

10

Versn.

0,0

105,0

12 602

12 614

10

Const. snelh.

105,0

105,0

12 614

12 617

10

Vertr.

105,0

95,4

12 617

12 622

10

Const. snelh.

95,4

95,4

12 622

12 626

10

Vertr.

95,4

82,4

12 626

12 629

10

Const. snelh.

82,4

82,4

12 629

12 639

10

Versn.

82,4

97,4

12 639

12 642

10

Const. snelh.

97,4

97,4

12 642

12 646

10

Vertr.

97,4

82,7

12 646

12 651

10

Const. snelh.

82,7

82,7

12 651

12 654

10

Vertr.

82,7

74,5

12 654

12 658

10

Const. snelh.

74,5

74,5

12 658

12 668

10

Vertr.

74,5

38,7

12 668

12 671

10

Const. snelh.

38,7

38,7

12 671

12 679

10

Versn.

38,7

64,0

12 679

12 695

10

Const. snelh.

64,0

64,0

12 695

12 702

10

Vertr.

64,0

25,9

12 702

12 705

10

Const. snelh.

25,9

25,9

12 705

12 711

10

Versn.

25,9

47,8

12 711

12 714

10

Const. snelh.

47,8

47,8

12 714

12 718

10

Vertr.

47,8

36,0

12 718

12 721

10

Const. snelh.

36,0

36,0

12 721

12 728

10

Versn.

36,0

60,3

12 728

12 790

10

Const. snelh.

60,3

60,3

12 790

12 796

10

Vertr.

60,3

36,4

12 796

12 799

10

Const. snelh.

36,4

36,4

12 799

12 806

10

Versn.

36,4

49,0

12 806

12 854

10

Const. snelh.

49,0

49,0

12 854

12 858

10

Vertr.

49,0

37,0

12 858

12 861

10

Const. snelh.

37,0

37,0

12 861

12 877

10

Versn.

37,0

61,0

12 877

12 926

10

Const. snelh.

61,0

61,0

12 926

12 932

10

Vertr.

61,0

28,0

12 932

12 938

10

Const. snelh.

28,0

28,0

12 938

12 944

10

Versn.

28,0

43,2

12 944

12 959

10

Const. snelh.

43,2

43,2

12 959

12 965

10

Vertr.

43,2

25,0

12 965

12 968

10

Const. snelh.

25,0

25,0

12 968

12 974

10

Versn.

25,0

46,7

12 974

12 977

10

Const. snelh.

46,7

46,7

12 977

12 980

10

Vertr.

46,7

37,9

12 980

12 983

10

Const. snelh.

37,9

37,9

12 983

12 997

10

Versn.

37,9

54,9

12 997

13 053

10

Const. snelh.

54,9

54,9

13 053

13 060

10

Vertr.

54,9

22,4

13 060

13 063

10

Const. snelh.

22,4

22,4

13 063

13 067

10

Versn.

22,4

26,2

13 067

13 072

10

Const. snelh.

26,2

26,2

13 072

13 075

10

Vertr.

26,2

18,6

13 075

13 078

10

Const. snelh.

18,6

18,6

13 078

13 080

10

Versn.

18,6

20,1

13 080

13 084

10

Const. snelh.

20,1

20,1

13 084

13 090

10

Vertr.

20,1

7,0

13 090

13 093

10

Const. snelh.

7,0

7,0

13 093

13 097

10

Vertr.

7,0

0,0

13 097

13 100

10

Stat. dr.

0,0

0,0

13 100

13 112

10

Versn.

0,0

28,0

13 112

13 175

10

Const. snelh.

28,0

28,0

13 175

13 179

10

Vertr.

28,0

16,3

13 179

13 182

10

Const. snelh.

16,3

16,3

13 182

13 185

10

Versn.

16,3

18,6

13 185

13 188

10

Const. snelh.

18,6

18,6

13 188

13 192

10

Vertr.

18,6

7,6

13 192

13 195

10

Const. snelh.

7,6

7,6

13 195

13 207

10

Versn.

7,6

28,7

13 207

13 273

10

Const. snelh.

28,7

28,7

13 273

13 278

10

Vertr.

28,7

14,6

13 278

13 281

10

Const. snelh.

14,6

14,6

13 281

13 286

10

Versn.

14,6

22,9

13 286

13 290

10

Const. snelh.

22,9

22,9

13 290

13 294

10

Vertr.

22,9

12,0

13 294

13 297

10

Const. snelh.

12,0

12,0

13 297

13 314

10

Versn.

12,0

46,0

13 314

13 334

10

Const. snelh.

46,0

46,0

13 334

13 344

10

Vertr.

46,0

0,0

13 344

13 347

10

Stat. dr.

0,0

0,0

13 347

13 364

10

Versn.

0,0

46,2

13 364

13 379

10

Const. snelh.

46,2

46,2

13 379

13 384

10

Vertr.

46,2

32,1

13 384

13 408

10

Const. snelh.

32,1

32,1

13 408

13 412

10

Vertr.

32,1

20,8

13 412

13 442

10

Const. snelh.

20,8

20,8

13 442

13 445

10

Vertr.

20,8

12,4

13 445

13 448

10

Const. snelh.

12,4

12,4

13 448

13 460

10

Versn.

12,4

42,5

13 460

13 482

10

Const. snelh.

42,5

42,5

13 482

13 488

10

Vertr.

42,5

17,8

13 488

13 491

10

Const. snelh.

17,8

17,8

13 491

13 495

10

Versn.

17,8

22,7

13 495

13 498

10

Const. snelh.

22,7

22,7

13 498

13 506

10

Vertr.

22,7

0,0

13 506

13 509

10

Stat. dr.

0,0

0,0

13 509

13 518

10

Versn.

0,0

25,0

13 518

13 521

10

Const. snelh.

25,0

25,0

13 521

13 524

10

Vertr.

25,0

17,2

13 524

13 527

10

Const. snelh.

17,2

17,2

13 527

13 532

10

Versn.

17,2

30,9

13 532

13 535

10

Const. snelh.

30,9

30,9

13 535

13 539

10

Vertr.

30,9

16,7

13 539

13 542

10

Const. snelh.

16,7

16,7

13 542

13 548

10

Versn.

16,7

43,0

13 548

13 578

10

Const. snelh.

43,0

43,0

13 578

13 583

10

Vertr.

43,0

29,8

13 583

13 586

10

Const. snelh.

29,8

29,8

13 586

13 598

10

Versn.

29,8

58,8

13 598

13 633

10

Const. snelh.

58,8

58,8

13 633

13 636

10

Vertr.

58,8

48,7

13 636

13 639

10

Const. snelh.

48,7

48,7

13 639

13 645

10

Vertr.

48,7

23,8

13 645

13 648

10

Const. snelh.

23,8

23,8

13 648

13 654

10

Versn.

23,8

44,3

13 654

13 676

10

Const. snelh.

44,3

44,3

13 676

13 681

10

Vertr.

44,3

30,3

13 681

13 684

10

Const. snelh.

30,3

30,3

13 684

13 689

10

Versn.

30,3

41,4

13 689

13 716

10

Const. snelh.

41,4

41,4

13 716

13 720

10

Vertr.

41,4

28,4

13 720

13 723

10

Const. snelh.

28,4

28,4

13 723

13 730

10

Versn.

28,4

51,4

13 730

13 739

10

Const. snelh.

51,4

51,4

13 739

13 745

10

Vertr.

51,4

32,0

13 745

13 748

10

Const. snelh.

32,0

32,0

13 748

13 754

10

Vertr.

32,0

10,0

13 754

13 760

10

Const. snelh.

10,0

10,0

13 760

13 765

10

Vertr.

10,0

0,0

13 765

13 768

10

Stat. dr.

0,0

0,0

13 768

13 772

10

Versn.

0,0

16,3

13 772

13 775

10

Const. snelh.

16,3

16,3

13 775

13 780

10

Vertr.

16,3

0,0

13 780

13 783

10

Stat. dr.

0,0

0,0

13 783

13 796

10

Versn.

0,0

45,8

13 796

13 817

10

Const. snelh.

45,8

45,8

13 817

13 822

10

Vertr.

45,8

28,6

13 822

13 825

10

Const. snelh.

28,6

28,6

13 825

13 833

10

Versn.

28,6

40,9

13 833

13 836

10

Const. snelh.

40,9

40,9

13 836

13 841

10

Vertr.

40,9

25,4

13 841

13 844

10

Const. snelh.

25,4

25,4

13 844

13 850

10

Versn.

25,4

41,1

13 850

13 853

10

Const. snelh.

41,1

41,1

13 853

13 856

10

Vertr.

41,1

30,7

13 856

13 862

10

Const. snelh.

30,7

30,7

13 862

13 865

10

Vertr.

30,7

22,1

13 865

13 868

10

Const. snelh.

22,1

22,1

13 868

13 873

10

Versn.

22,1

28,2

13 873

13 878

10

Const. snelh.

28,2

28,2

13 878

13 881

10

Vertr.

28,2

21,2

13 881

13 947

10

Const. snelh.

21,2

21,2

13 947

13 953

10

Versn.

21,2

37,6

13 953

13 956

10

Const. snelh.

37,6

37,6

13 956

13 959

10

Vertr.

37,6

29,8

13 959

13 962

10

Const. snelh.

29,8

29,8

13 962

13 972

10

Versn.

29,8

42,8

13 972

13 975

10

Const. snelh.

42,8

42,8

13 975

13 978

10

Vertr.

42,8

34,5

13 978

13 981

10

Const. snelh.

34,5

34,5

13 981

13 988

10

Versn.

34,5

50,6

13 988

13 994

10

Const. snelh.

50,6

50,6

13 994

14 001

10

Vertr.

50,6

21,2

14 001

14 004

10

Const. snelh.

21,2

21,2

14 004

14 016

10

Versn.

21,2

49,9

14 016

14 019

10

Const. snelh.

49,9

49,9

14 019

14 025

10

Vertr.

49,9

25,2

14 025

14 028

10

Const. snelh.

25,2

25,2

14 028

14 031

10

Versn.

25,2

38,8

14 031

14 034

10

Const. snelh.

38,8

38,8

14 034

14 040

10

Vertr.

38,8

19,6

14 040

14 113

10

Const. snelh.

19,6

19,6

14 113

14 118

10

Versn.

19,6

30,8

14 118

14 121

10

Const. snelh.

30,8

30,8

14 121

14 127

10

Vertr.

30,8

10,2

14 127

14 130

10

Const. snelh.

10,2

10,2

14 130

14 135

10

Versn.

10,2

26,3

14 135

14 138

10

Const. snelh.

26,3

26,3

14 138

14 142

10

Vertr.

26,3

16,5

14 142

14 145

10

Const. snelh.

16,5

16,5

14 145

14 147

10

Versn.

16,5

19,0

14 147

14 150

10

Const. snelh.

19,0

19,0

14 150

14 154

10

Vertr.

19,0

7,6

14 154

14 157

10

Const. snelh.

7,6

7,6

14 157

14 161

10

Vertr.

7,6

0,0

14 161

14 164

10

Stat. dr.

0,0

0,0

14 164

14 172

10

Versn.

0,0

32,2

14 172

14 175

10

Const. snelh.

32,2

32,2

14 175

14 180

10

Vertr.

32,2

13,6

14 180

14 189

10

Const. snelh.

13,6

13,6

14 189

14 195

10

Vertr.

13,6

0,0

14 195

14 257

10

Stat. dr.

0,0

0,0

14 257

14 263

10

Versn.

0,0

24,9

14 263

14 266

10

Const. snelh.

24,9

24,9

14 266

14 270

10

Vertr.

24,9

10,9

14 270

14 277

10

Const. snelh.

10,9

10,9

14 277

14 281

10

Vertr.

10,9

0,0

14 281

14 284

10

Stat. dr.

0,0

0,0

14 284

14 287

10

Versn.

0,0

11,0

14 287

14 290

10

Const. snelh.

11,0

11,0

14 290

14 294

10

Vertr.

11,0

0,0

14 294

14 296

10

Stat. dr.

0,0

0,0

14 296

14 310

10

Versn.

0,0

64,9

14 310

14 325

10

Const. snelh.

64,9

64,9

14 325

14 333

10

Vertr.

64,9

25,5

14 333

14 336

10

Const. snelh.

25,5

25,5

14 336

14 360

10

Versn.

25,5

112,0

14 360

14 992

10

Const. snelh.

112,0

112,0

14 992

15 001

10

Vertr.

112,0

56,1

15 001

15 004

10

Const. snelh.

56,1

56,1

15 004

15 010

10

Versn.

56,1

68,2

15 010

15 013

10

Const. snelh.

68,2

68,2

15 013

15 021

10

Vertr.

68,2

12,0

15 021

15 024

10

Const. snelh.

12,0

12,0

15 024

15 045

10

Versn.

12,0

80,9

15 045

15 048

10

Const. snelh.

80,9

80,9

15 048

15 057

10

Vertr.

80,9

35,3

15 057

15 060

10

Const. snelh.

35,3

35,3

15 060

15 073

10

Versn.

35,3

73,4

15 073

15 076

10

Const. snelh.

73,4

73,4

15 076

15 083

10

Vertr.

73,4

39,3

15 083

15 086

10

Const. snelh.

39,3

39,3

15 086

15 098

10

Vertr.

39,3

0,0

15 098

15 102

10

Stat. dr.

0,0

0,0

15 102

15 148

10

Versn.

0,0

132,5

15 148

15 457

10

Const. snelh.

132,5

132,5

15 457

15 472

10

Vertr.

132,5

34,0

15 472

15 475

10

Const. snelh.

34,0

34,0

15 475

15 479

10

Versn.

34,0

41,6

15 479

15 482

10

Const. snelh.

41,6

41,6

15 482

15 491

10

Vertr.

41,6

0,0

15 491

15 542

10

Stat. dr.

0,0

0,0

15 542

15 557

10

Versn.

0,0

33,1

15 557

15 584

10

Const. snelh.

33,1

33,1

15 584

15 590

10

Vertr.

33,1

6,3

15 590

15 593

10

Const. snelh.

6,3

6,3

15 593

15 605

10

Versn.

6,3

37,6

15 605

15 625

10

Const. snelh.

37,6

37,6

15 625

15 636

10

Vertr.

37,6

0,0

15 636

15 639

10

Stat. dr.

0,0

0,0

15 639

15 654

10

Versn.

0,0

52,0

15 654

15 664

10

Const. snelh.

52,0

52,0

15 664

15 675

10

Vertr.

52,0

0,0

15 675

15 676

10

Stat. dr.

0,0

0,0

15 676

15 690

10

Versn.

0,0

50,6

15 690

15 717

10

Const. snelh.

50,6

50,6

15 717

15 724

10

Vertr.

50,6

22,9

15 724

15 727

10

Const. snelh.

22,9

22,9

15 727

15 738

10

Versn.

22,9

47,7

15 738

15 742

10

Const. snelh.

47,7

47,7

15 742

15 749

10

Vertr.

47,7

23,4

15 749

15 752

10

Const. snelh.

23,4

23,4

15 752

15 769

10

Versn.

23,4

45,9

15 769

15 791

10

Const. snelh.

45,9

45,9

15 791

15 797

10

Vertr.

45,9

23,6

15 797

15 802

10

Const. snelh.

23,6

23,6

15 802

15 808

10

Versn.

23,6

37,6

15 808

15 815

10

Const. snelh.

37,6

37,6

15 815

15 822

10

Vertr.

37,6

0,0

15 822

15 826

10

Stat. dr.

0,0

0,0

Bijlage 4 – Aanhangsel 2

Remgebeurtenissen tijdens de WLTP-remcyclus

Rit

Remgebeurtenis #

Begintijd

[s]

Eindtijd

[s]

Duur van de gebeurtenis [s]

Instelpunt beginsnelheid [km/h]

Instelpunt eindsnelheid [km/h]

Vertragingsfactor

[m/s2]

Afstand van de gebeurtenis

[m]

Specifieke KE (alleen vertragen)

[J/kg]

1

1

18

24

6,0

20,7

0,0

0,958

17,24

16,53

1

2

58

65

7,0

23,1

5,6

0,695

27,88

19,38

1

3

85

89

4,0

15,4

4,4

0,760

11,01

8,40

1

4

103

109

6,0

25,7

7,2

0,857

27,47

23,48

1

5

129

132

3,0

24,8

16,7

0,748

17,28

12,97

1

6

140

149

9,0

18,7

0,0

0,577

23,36

13,49

1

7

177

183

6,0

32,5

0,0

1,506

27,11

40,75

1

8

298

303

5,0

27,5

11,8

0,872

27,31

23,80

1

9

314

320

6,0

29,4

9,7

0,915

32,59

29,72

1

10

341

347

6,0

31,9

9,5

1,037

34,47

35,78

1

11

361

366

5,0

14,7

0,0

0,814

10,18

8,34

1

12

384

388

4,0

59,5

47,6

0,820

59,50

49,17

1

13

402

406

4,0

47,6

36,2

0,793

46,59

36,86

1

14

486

490

4,0

38,2

25,5

0,881

35,42

31,21

1

15

493

496

3,0

25,5

18,4

0,659

18,32

12,03

1

16

499

505

6,0

18,4

0,0

0,853

15,35

13,06

1

17

543

552

9,0

42,3

0,0

1,306

52,88

69,03

1

18

566

576

10,0

42,1

0,0

1,170

58,48

68,38

1

19

592

595

3,0

31,3

12,5

1,746

18,25

31,77

1

20

600

605

5,0

12,5

0,0

0,693

8,66

6,03

1

21

647

657

10,0

45,3

0,0

1,258

62,88

79,17

1

22

673

683

10,0

45,5

0,0

1,265

63,25

79,87

1

23

726

733

7,0

40,7

12,8

1,109

52,03

57,59

1

24

747

751

4,0

59,6

46,7

0,893

59,04

52,90

1

25

768

777

9,0

48,6

0,0

1,500

60,77

91,13

1

26

941

945

4,0

23,7

9,8

0,969

18,60

17,96

1

27

974

983

9,0

37,5

0,0

1,157

46,86

54,25

1

28

996

1 005

9,0

37,7

0,0

1,164

47,14

54,83

1

29

1 016

1 021

5,0

18,6

0,0

1,036

12,95

13,35

2

30

1 122

1 126

4,0

13,8

0,0

0,960

7,68

7,35

2

31

1 147

1 151

4,0

34,2

18,9

1,059

29,52

31,34

2

32

1 174

1 178

4,0

32,9

23,3

0,664

31,19

20,81

2

33

1 188

1 191

3,0

25,6

18,5

0,653

18,37

12,08

2

34

1 209

1 217

8,0

38,7

0,0

1,343

42,98

57,78

2

35

1 253

1 256

3,0

48,4

40,6

0,728

37,09

26,78

2

36

1 282

1 286

4,0

42,4

30,3

0,840

40,41

33,94

2

37

1 290

1 295

5,0

30,3

13,7

0,921

30,60

28,18

2

38

1 319

1 325

6,0

40,0

20,0

0,929

49,98

46,30

2

39

1 334

1 338

4,0

29,7

18,9

0,747

26,98

20,25

2

40

1 448

1 451

3,0

24,5

17,5

0,643

17,51

11,34

2

41

1 482

1 491

9,0

42,0

0,0

1,296

52,49

68,06

2

42

1 515

1 519

4,0

22,0

11,8

0,704

18,77

13,30

2

43

1 539

1 547

8,0

32,4

6,1

0,915

42,81

39,06

2

44

1 597

1 605

8,0

34,8

0,0

1,208

38,66

46,72

2

45

1 662

1 675

13,0

76,1

0,0

1,626

137,41

223,43

2

46

1 689

1 694

5,0

22,8

0,0

1,269

15,86

20,06

2

47

1 753

1 757

4,0

41,6

27,2

0,995

38,23

38,22

2

48

1 804

1 807

3,0

47,9

35,2

1,177

34,59

40,72

2

49

1 823

1 828

5,0

35,2

20,1

0,836

38,37

32,22

2

50

1 870

1 873

3,0

59,2

49,5

0,904

45,29

40,68

2

51

1 895

1 898

3,0

72,9

62,0

1,010

56,23

56,73

2

52

1 907

1 910

3,0

66,4

57,4

0,828

51,58

42,99

2

53

1 918

1 921

3,0

60,0

52,1

0,727

46,71

34,17

2

54

1 951

1 954

3,0

79,7

72,1

0,697

63,26

44,51

2

55

1 972

1 978

6,0

74,0

52,4

0,999

105,35

105,33

2

56

2 062

2 074

12,0

52,4

0,0

1,213

87,37

105,93

2

57

2 123

2 133

10,0

60,3

0,0

1,676

83,80

140,28

2

58

2 187

2 195

8,0

62,9

0,0

2,183

69,86

152,64

2

59

2 218

2 229

11,0

60,1

15,2

1,133

115,11

130,44

2

60

2 250

2 261

11,0

53,3

0,0

1,345

81,39

109,60

2

61

2 520

2 526

6,0

20,7

0,0

0,958

17,24

16,53

2

62

2 560

2 567

7,0

23,1

5,6

0,695

27,88

19,38

2

63

2 587

2 591

4,0

15,4

4,4

0,760

11,01

8,40

2

64

2 605

2 611

6,0

25,7

7,2

0,857

27,47

23,48

2

65

2 631

2 634

3,0

24,8

16,7

0,748

17,28

12,97

2

66

2 642

2 650

8,0

18,7

0,0

0,649

20,77

13,49

2

67

2 672

2 677

5,0

46,6

9,4

2,070

38,89

80,37

2

68

2 698

2 701

3,0

52,0

41,5

0,970

38,99

37,88

2

69

2 714

2 719

5,0

49,9

34,0

0,884

58,20

51,47

2

70

2 738

2 745

7,0

49,0

23,8

0,998

70,76

70,78

2

71

2 759

2 767

8,0

41,6

0,0

1,446

46,26

66,77

3

72

2 897

2 903

6,0

32,1

5,5

1,232

31,37

38,59

3

73

2 946

2 949

3,0

50,5

42,8

0,714

38,91

27,72

3

74

2 958

2 963

5,0

45,0

29,8

0,843

51,91

43,86

3

75

2 966

2 971

5,0

29,8

0,0

1,655

20,68

34,26

3

76

3 006

3 011

5,0

49,2

33,1

0,893

57,16

51,12

3

77

3 032

3 036

4,0

56,2

44,0

0,841

55,66

47,16

3

78

3 053

3 056

3,0

59,0

51,2

0,722

45,95

33,16

3

79

3 078

3 081

3,0

55,0

47,5

0,692

42,72

29,66

3

80

3 096

3 101

5,0

59,5

39,9

1,085

69,02

75,16

3

81

3 159

3 165

6,0

39,9

14,2

1,189

45,14

53,64

3

82

3 195

3 201

6,0

58,3

34,8

1,086

77,60

84,41

3

83

3 268

3 271

3,0

39,5

30,0

0,882

28,98

25,47

3

84

3 308

3 311

3,0

56,2

46,0

0,943

42,56

40,22

3

85

3 418

3 422

4,0

54,4

40,4

0,974

52,67

51,20

3

86

3 441

3 445

4,0

53,5

40,8

0,885

52,37

46,20

3

87

3 480

3 483

3,0

40,8

32,0

0,815

30,30

24,72

3

88

3 492

3 495

3,0

34,7

26,4

0,776

25,45

19,57

3

89

3 557

3 561

4,0

50,6

37,6

0,900

48,97

44,24

3

90

3 621

3 626

5,0

37,6

22,4

0,842

41,68

35,19

3

91

3 647

3 651

4,0

36,8

22,9

0,964

33,20

32,02

3

92

3 684

3 688

4,0

55,3

39,5

1,099

52,67

57,79

3

93

3 692

3 698

6,0

39,5

15,5

1,111

45,82

50,93

3

94

3 729

3 732

3,0

44,3

36,6

0,710

33,68

24,03

3

95

3 773

3 778

5,0

36,6

20,8

0,879

39,82

34,99

3

96

3 849

3 852

3,0

32,0

24,8

0,662

23,67

15,78

3

97

3 879

3 883

4,0

51,6

39,3

0,858

50,49

43,14

3

98

3 895

3 898

3,0

39,3

32,4

0,634

29,86

19,09

3

99

3 939

3 946

7,0

32,4

0,0

1,286

31,51

40,50

4

100

4 001

4 005

4,0

75,8

63,9

0,832

77,61

64,14

4

101

4 089

4 093

4,0

72,4

58,7

0,958

72,83

69,29

4

102

4 118

4 122

4,0

65,9

53,7

0,849

66,48

56,29

4

103

4 147

4 157

10,0

54,9

0,0

1,524

76,18

116,28

4

104

4 551

4 566

15,0

90,6

0,0

1,677

188,65

316,68

4

105

4 668

4 683

15,0

95,6

25,5

1,299

252,30

327,51

4

106

5 004

5 019

15,0

98,4

0,0

1,822

204,95

373,56

4

107

5 071

5 076

5,0

82,8

69,4

0,748

105,67

78,68

4

108

5 135

5 149

14,0

69,4

10,1

1,176

154,45

181,88

4

109

5 190

5 193

3,0

69,0

61,7

0,673

54,48

36,81

4

110

5 297

5 300

3,0

64,7

57,8

0,641

51,07

32,61

4

111

5 314

5 326

12,0

57,8

0,0

1,338

96,37

128,89

4

112

5 350

5 356

6,0

20,7

0,0

0,958

17,24

16,53

4

113

5 390

5 397

7,0

23,1

5,6

0,695

27,88

19,38

4

114

5 417

5 421

4,0

15,4

4,4

0,760

11,01

8,40

4

115

5 435

5 441

6,0

25,7

7,2

0,857

27,47

23,48

4

116

5 461

5 464

3,0

24,8

16,7

0,748

17,28

12,97

4

117

5 472

5 480

8,0

18,7

0,0

0,649

20,77

13,49

5

118

5 514

5 524

10,0

41,8

0,0

1,160

57,99

67,41

5

119

5 554

5 557

3,0

34,6

27,3

0,680

25,79

17,43

5

120

5 571

5 581

10,0

43,5

0,0

1,207

60,36

73,00

5

121

5 624

5 629

5,0

30,0

13,6

0,913

30,29

27,59

5

122

5 647

5 656

9,0

37,0

0,0

1,140

46,19

52,82

5

123

5 749

5 753

4,0

41,2

29,5

0,812

39,29

31,91

5

124

5 789

5 792

3,0

29,5

18,0

1,066

19,80

21,07

5

125

5 795

5 800

5,0

18,0

0,0

1,000

12,50

12,50

5

126

5 814

5 817

3,0

29,5

22,1

0,677

21,50

14,73

5

127

5 820

5 824

4,0

22,1

8,1

0,974

16,81

16,31

5

128

5 844

5 849

5,0

16,9

0,0

0,939

11,74

11,02

5

129

5 965

5 968

3,0

14,4

3,5

1,007

7,44

7,53

5

130

6 074

6 078

4,0

56,4

41,2

1,061

54,21

57,23

5

131

6 081

6 088

7,0

41,2

13,9

1,083

53,47

58,03

5

132

6 175

6 180

5,0

56,4

41,3

0,835

67,83

56,92

5

133

6 208

6 213

5,0

58,0

39,6

1,020

67,74

69,28

5

134

6 248

6 252

4,0

39,6

22,3

1,199

34,40

41,31

5

135

6 320

6 330

10,0

26,7

0,0

0,741

37,06

27,50

5

136

6 872

6 876

4,0

105,2

90,4

1,028

108,66

111,69

5

137

6 898

6 901

3,0

102,2

91,6

0,977

80,77

79,25

5

138

6 930

6 932

2,0

94,6

87,2

1,039

50,50

51,90

5

139

6 953

6 957

4,0

87,2

72,3

1,031

88,60

91,69

5

140

6 977

6 981

4,0

84,8

73,8

0,766

88,11

67,31

5

141

6 999

7 005

6,0

87,8

69,0

0,871

130,61

113,73

5

142

7 069

7 074

5,0

69,0

50,2

1,039

82,77

86,46

5

143

7 114

7 117

3,0

83,5

71,3

1,128

64,49

72,86

5

144

7 177

7 182

5,0

71,3

53,5

0,991

86,64

85,70

5

145

7 201

7 205

4,0

80,0

66,0

0,974

81,14

78,86

5

146

7 346

7 349

3,0

66,0

56,7

0,859

51,14

44,02

5

147

7 381

7 388

7,0

83,9

42,5

1,642

122,89

201,89

5

148

7 442

7 455

13,0

73,8

24,4

1,056

177,40

187,16

5

149

7 490

7 496

6,0

24,4

0,0

1,130

20,34

22,97

5

150

7 518

7 522

4,0

22,9

13,5

0,651

20,19

13,20

5

151

7 534

7 537

3,0

23,0

15,4

0,702

16,02

11,26

5

152

7 548

7 551

3,0

19,0

12,2

0,631

12,99

8,19

5

153

7 561

7 567

6,0

18,8

0,0

0,869

15,65

13,64

5

154

7 704

7 709

5,0

37,9

24,4

0,750

43,29

32,45

5

155

7 748

7 752

4,0

24,4

14,9

0,661

21,85

14,40

5

156

7 769

7 774

5,0

45,3

25,9

1,075

49,44

53,29

5

157

7 795

7 800

5,0

40,6

25,4

0,849

45,84

38,70

5

158

7 817

7 822

5,0

37,2

20,8

0,913

40,30

36,70

5

159

7 883

7 889

6,0

26,3

0,0

1,215

21,88

26,69

5

160

7 907

7 913

6,0

53,4

28,2

1,167

67,98

79,33

5

161

7 941

7 947

6,0

42,6

19,0

1,093

51,27

56,09

5

162

7 973

7 979

6,0

57,1

31,8

1,170

74,11

86,77

5

163

8 064

8 069

5,0

50,0

24,4

1,422

51,67

73,48

5

164

8 081

8 088

7,0

58,2

29,9

1,123

85,65

96,19

5

165

8 120

8 123

3,0

29,9

21,2

0,803

21,31

17,15

5

166

8 168

8 174

6,0

32,6

0,0

1,507

27,13

41,00

6

167

8 413

8 418

5,0

21,2

9,5

0,653

21,29

13,86

6

168

8 421

8 425

4,0

9,5

0,0

0,656

5,25

3,48

7

169

8 552

8 560

8,0

35,1

5,5

1,028

45,06

46,36

7

170

8 609

8 614

5,0

16,5

0,0

0,915

11,44

10,50

7

171

9 081

9 089

8,0

96,9

73,3

0,821

189,13

154,97

7

172

9 117

9 127

10,0

73,3

20,1

1,477

129,73

191,70

7

173

9 146

9 155

9,0

62,2

6,6

1,716

86,05

147,58

7

174

9 174

9 187

13,0

53,2

0,0

1,137

96,11

109,19

8

175

9 264

9 279

15,0

83,6

0,0

1,549

174,24

269,64

8

176

9 375

9 382

7,0

23,9

0,0

0,946

23,19

22,04

8

177

9 427

9 439

12,0

65,3

0,0

1,512

108,86

164,51

8

178

9 489

9 493

4,0

40,5

29,3

0,783

38,78

30,16

8

179

9 812

9 815

3,0

63,0

52,2

1,006

48,01

48,00

8

180

9 845

9 848

3,0

52,2

44,6

0,701

40,33

28,38

8

181

9 864

9 869

5,0

59,2

45,2

0,777

72,49

56,39

8

182

9 888

9 898

10,0

53,9

0,0

1,497

74,85

112,08

9

183

10 036

10 041

5,0

19,1

6,4

0,704

17,66

12,49

9

184

10 049

10 054

5,0

10,5

0,0

0,582

7,27

4,25

9

185

10 273

10 280

7,0

29,6

0,0

1,175

28,79

33,80

9

186

10 453

10 458

5,0

24,3

4,5

1,101

19,98

22,00

9

187

10 475

10 479

4,0

27,8

17,3

0,734

25,05

18,27

9

188

10 482

10 486

4,0

17,3

6,5

0,747

13,20

9,92

9

189

10 507

10 514

7,0

26,8

0,0

1,062

26,02

27,71

10

190

10 638

10 647

9,0

27,5

0,0

0,849

34,38

29,18

10

191

10 696

10 700

4,0

39,0

29,0

0,689

37,77

26,23

10

192

10 721

10 725

4,0

35,1

24,5

0,740

33,12

24,37

10

193

10 758

10 761

3,0

41,9

34,1

0,720

31,66

22,87

10

194

10 792

10 797

5,0

39,4

24,9

0,807

44,68

35,97

10

195

10 811

10 822

11,0

36,4

0,0

0,920

55,67

51,12

10

196

10 868

10 879

11,0

55,7

0,0

1,407

85,10

119,69

10

197

11 088

11 101

13,0

56,2

0,0

1,201

101,50

121,85

10

198

11 117

11 126

9,0

43,6

0,0

1,347

54,55

73,34

10

199

11 245

11 249

4,0

11,2

4,1

0,494

8,54

4,19

10

200

11 261

11 265

4,0

15,0

6,2

0,611

11,80

7,20

10

201

11 276

11 281

5,0

10,1

0,0

0,561

7,01

3,94

10

202

11 313

11 316

3,0

31,3

23,8

0,694

22,92

15,94

10

203

11 348

11 351

3,0

23,8

16,9

0,636

16,93

10,83

10

204

11 354

11 361

7,0

16,9

0,0

0,670

16,41

11,02

10

205

11 512

11 519

7,0

40,0

10,6

1,166

49,23

57,39

10

206

11 541

11 545

4,0

15,6

6,3

0,651

12,16

7,86

10

207

11 557

11 560

3,0

15,6

8,8

0,637

10,16

6,40

10

208

11 574

11 579

5,0

13,1

0,0

0,729

9,12

6,62

10

209

11 659

11 662

3,0

23,1

15,0

0,753

15,89

11,91

10

210

11 669

11 671

2,0

18,1

13,6

0,625

8,82

5,50

10

211

11 684

11 687

3,0

19,4

11,5

0,730

12,87

9,42

10

212

11 690

11 694

4,0

11,5

0,0

0,799

6,39

5,10

10

213

11 845

11 848

3,0

34,9

27,9

0,652

26,18

16,96

10

214

11 861

11 865

4,0

43,7

32,1

0,802

42,12

33,92

10

215

11 868

11 873

5,0

32,1

12,4

1,097

30,91

33,82

10

216

11 880

11 884

4,0

12,4

0,0

0,860

6,88

5,93

10

217

12 067

12 072

5,0

14,7

0,0

0,814

10,18

8,34

10

218

12 082

12 086

4,0

13,8

0,0

0,960

7,68

7,35

10

219

12 103

12 106

3,0

12,4

0,0

1,145

5,15

5,93

10

220

12 132

12 140

8,0

18,7

0,0

0,649

20,77

13,49

10

221

12 181

12 187

6,0

18,4

0,0

0,853

15,35

13,06

10

222

12 198

12 202

4,0

41,2

30,4

0,748

39,74

29,83

10

223

12 208

12 213

5,0

30,4

14,8

0,863

31,40

27,20

10

224

12 267

12 272

5,0

50,5

30,8

1,092

56,43

61,79

10

225

12 276

12 284

8,0

30,8

0,0

1,069

34,22

36,60

10

226

12 336

12 340

4,0

12,4

0,0

0,860

6,88

5,93

10

227

12 364

12 368

4,0

14,7

0,0

1,018

8,14

8,34

10

228

12 461

12 469

8,0

18,7

0,0

0,649

20,77

13,49

10

229

12 487

12 493

6,0

18,4

0,0

0,853

15,35

13,06

10

230

12 510

12 514

4,0

13,8

0,0

0,960

7,68

7,35

10

231

12 524

12 528

4,0

12,4

0,0

0,860

6,88

5,93

10

232

12 552

12 556

4,0

14,7

0,0

1,018

8,14

8,34

10

233

12 614

12 617

3,0

105,0

95,4

0,888

83,49

74,22

10

234

12 622

12 626

4,0

95,4

82,4

0,901

98,78

89,17

10

235

12 642

12 646

4,0

97,4

82,7

1,025

100,07

102,14

10

236

12 651

12 654

3,0

82,7

74,5

0,756

65,50

49,73

10

237

12 658

12 668

10,0

74,5

38,7

0,994

157,30

156,35

10

238

12 695

12 702

7,0

64,0

25,9

1,512

87,35

132,14

10

239

12 714

12 718

4,0

47,8

36,0

0,822

46,56

38,15

10

240

12 790

12 796

6,0

60,3

36,4

1,108

80,57

89,16

10

241

12 854

12 858

4,0

49,0

37,0

0,829

47,77

39,81

10

242

12 926

12 932

6,0

61,0

28,0

1,529

74,17

113,31

10

243

12 959

12 965

6,0

43,2

25,0

0,843

56,75

47,89

10

244

12 977

12 980

3,0

46,7

37,9

0,815

35,24

28,72

10

245

13 053

13 060

7,0

54,9

22,4

1,289

75,09

96,92

10

246

13 072

13 075

3,0

26,2

18,6

0,704

18,67

13,14

10

247

13 084

13 090

6,0

20,1

7,0

0,603

22,57

13,70

10

248

13 093

13 097

4,0

7,0

0,0

0,488

3,91

1,89

10

249

13 175

13 179

4,0

28,0

16,3

0,808

24,62

20,00

10

250

13 188

13 192

4,0

18,6

7,6

0,761

14,55

11,12

10

251

13 273

13 278

5,0

28,7

14,6

0,783

30,06

23,55

10

252

13 290

13 294

4,0

22,9

12,0

0,760

19,40

14,68

10

253

13 334

13 344

10,0

46,0

0,0

1,279

63,95

81,64

10

254

13 379

13 384

5,0

46,2

32,1

0,779

54,38

42,59

10

255

13 408

13 412

4,0

32,1

20,8

0,791

29,38

23,06

10

256

13 442

13 445

3,0

20,8

12,4

0,777

13,80

10,76

10

257

13 482

13 488

6,0

42,5

17,8

1,146

50,21

57,46

10

258

13 498

13 506

8,0

22,7

0,0

0,787

25,19

19,88

10

259

13 521

13 524

3,0

25,0

17,2

0,721

17,55

12,70

10

260

13 535

13 539

4,0

30,9

16,7

0,983

26,43

26,08

10

261

13 578

13 583

5,0

43,0

29,8

0,734

50,52

37,07

10

262

13 633

13 636

3,0

58,8

48,7

0,942

44,80

41,89

10

263

13 639

13 645

6,0

48,7

23,8

1,151

60,40

69,65

10

264

13 676

13 681

5,0

44,3

30,3

0,775

51,77

40,29

10

265

13 716

13 720

4,0

41,4

28,4

0,905

38,75

35,01

10

266

13 739

13 745

6,0

51,4

32,0

0,898

69,57

62,42

10

267

13 748

13 754

6,0

32,0

10,0

1,020

35,04

35,65

10

268

13 760

13 765

5,0

10,0

0,0

0,556

6,94

3,86

10

269

13 775

13 780

5,0

16,3

0,0

0,906

11,33

10,25

10

270

13 817

13 822

5,0

45,8

28,6

0,955

51,70

49,37

10

271

13 836

13 841

5,0

40,9

25,4

0,856

46,04

39,65

10

272

13 853

13 856

3,0

41,1

30,7

0,956

29,91

28,81

10

273

13 862

13 865

3,0

30,7

22,1

0,800

22,01

17,52

10

274

13 878

13 881

3,0

28,2

21,2

0,646

20,55

13,34

10

275

13 956

13 959

3,0

37,6

29,8

0,724

28,08

20,28

10

276

13 975

13 978

3,0

42,8

34,5

0,761

32,20

24,75

10

277

13 994

14 001

7,0

50,6

21,2

1,166

69,82

81,44

10

278

14 019

14 025

6,0

49,9

25,2

1,145

62,60

71,57

10

279

14 034

14 040

6,0

38,8

19,6

0,888

48,66

43,26

10

280

14 121

14 127

6,0

30,8

10,2

0,954

34,14

32,58

10

281

14 138

14 142

4,0

26,3

16,5

0,680

23,75

16,18

10

282

14 150

14 154

4,0

19,0

7,6

0,794

14,78

11,70

10

283

14 157

14 161

4,0

7,6

0,0

0,526

4,21

2,23

10

284

14 175

14 180

5,0

32,2

13,6

1,036

31,83

32,87

10

285

14 189

14 195

6,0

13,6

0,0

0,630

11,33

7,14

10

286

14 266

14 270

4,0

24,9

10,9

0,977

19,90

19,34

10

287

14 277

14 281

4,0

10,9

0,0

0,755

6,04

4,58

10

288

14 290

14 294

4,0

11,0

0,0

0,766

6,13

4,67

10

289

14 325

14 333

8,0

64,9

25,5

1,367

100,49

137,41

10

290

14 992

15 001

9,0

112,0

56,1

1,724

210,12

362,53

10

291

15 013

15 021

8,0

68,2

12,0

1,949

89,14

173,89

10

292

15 048

15 057

9,0

80,9

35,3

1,407

145,18

204,43

10

293

15 076

15 083

7,0

73,4

39,3

1,356

109,57

148,27

10

294

15 086

15 098

12,0

39,3

0,0

0,909

65,44

59,59

10

295

15 457

15 472

15,0

132,5

34,0

1,824

346,87

632,73

10

296

15 482

15 491

9,0

41,6

0,0

1,283

51,98

66,77

10

297

15 584

15 590

6,0

33,1

6,3

1,239

32,84

40,74

10

298

15 625

15 636

11,0

37,6

0,0

0,948

57,37

54,54

10

299

15 664

15 675

11,0

52,0

0,0

1,313

79,42

104,32

10

300

15 717

15 724

7,0

50,6

22,9

1,102

71,46

78,55

10

301

15 742

15 749

7,0

47,7

23,4

0,964

69,13

66,66

10

302

15 791

15 797

6,0

45,9

23,6

1,032

57,87

59,79

10

303

15 815

15 822

7,0

37,6

0,0

1,491

36,53

54,54


BIJLAGE 5

Methode voor het meten en berekenen van voertuigspecifieke coëfficiënten van het aandeel van de wrijvingsrem

1.   

Doel

In deze bijlage wordt de procedure beschreven om voertuigspecifieke coëfficiënten van het aandeel van de wrijvingsrem te bepalen. De in deze bijlage beschreven methode mag worden gebruikt als alternatief voor de coëfficiënten van het aandeel van de wrijvingsrem in tabel 4 van dit reglement.

2.   

Werkingssfeer en toepassing

De in deze bijlage beschreven methode mag worden toegepast op alle voertuigelektrificatietypen met niet-wrijvingsremvermogen, met uitzondering van NOVC-HEV cat. 0. Deze bijlage is bedoeld als aanvulling voor tabel 4 van dit reglement en beschrijft de methode voor het vaststellen van voertuigspecifieke coëfficiënten van het aandeel van de wrijvingsrem voor specifieke voertuigelektrificatietypen (d.w.z. NOVC-HEV cat. 1, NOVC-HEV cat. 2, NOVC-FCHV, OVC-HEV, OVC-FCHV, en PEV).

In deze bijlage worden de opzet van de methode en de procedures beschreven voor het uitvoeren van de WLTP-remcyclus — of rit #10 van de WLTP-remcyclus — op een chassisdynamometer en voor het bepalen van de voertuigspecifieke coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem. Voorts bevat het een procedure en de aanvaardingscriteria voor het gebruik van alternatieve methoden.

3.   

Referentiemethode en berekening

De voertuigspecifieke coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem wordt bepaald door de WLTP-remcyclus toe te passen op een chassisdynamometer die volledig voldoet aan VN-Reglement nr. 154. Alle remmen zijn uitgerust met externe sensoren om het remkoppel bij elk van de wielen te bepalen. Alternatieven en aanvaardingscriteria worden beschreven in punt 5 van deze bijlage.

3.1.   

Berekening van de voertuigspecifieke coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem c

De coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem wordt berekend door de “door de wrijvingsremmen gedissipeerde vertragingsenergie” te delen door de “totale vertragingsenergie verminderd met 13 % om rekening te houden met de wegbelasting”, zoals weergegeven in vergelijking 1:

Formula

(Verg. 1)

waarin:

c

= de voertuigspecifieke coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem;

W brake

= de som van de wrijvingsarbeid die gedurende alle remgebeurtenissen tijdens de gebruikte cyclus in de wrijvingsremsystemen van het voertuig wordt verspreid in J;

W ref

= de normalisatiereferentie voor de cyclus gedurende welke de wrijvingsarbeid is gemeten in J.

Afhankelijk van de geteste cyclus wordt de waarde van de normalisatiereferentie W ref gegeven overeenkomstig tabel A5/1.

Tabel A5/1

Normalisatiereferentiewaarden voor verschillende geteste cycli

Geteste cyclus

Normalisatiereferentie

WLTP-remcyclus

Formula

Rit #10 van de WLTP-remcyclus

Formula

waarin:

w total, bc

= de som van de massaspecifieke verandering in de kinetische energie van het voertuig tijdens alle remgebeurtenissen van de WLTP-remcyclus (

Formula
).

w total,trip#10

= de som van de massaspecifieke verandering in de kinetische energie van het voertuig tijdens alle remgebeurtenissen van rit #10 van de WLTP-remcyclus (

Formula
).

De totale wrijvingsarbeid is de som van de wrijvingsarbeid van alle geïnstalleerde remmen zoals weergegeven in vergelijking 2:

Formula

(Verg. 2)

waarin:

W brake

= de som van de wrijvingsarbeid van alle in het voertuig geïnstalleerde remmen gedurende alle remgebeurtenissen in de gebruikte cyclus in J;

W brake,b

= de wrijvingsarbeid van rem b tijdens alle remgebeurtenissen in de gebruikte cyclus in J;

b

= de index van de rem (LV: links vooraan, RV: rechts vooraan, LA: links achteraan, RA: rechts achteraan).

3.2.   

Methode voor het bepalen van de wrijvingsarbeid

De in dit punt beschreven methode wordt door de testfaciliteit toegepast om de voertuigspecifieke coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem te bepalen. Voor het bepalen en valideren van de c-factor tijdens de typegoedkeuring past de testfaciliteit een van de in de punten 3.2.2.1, 3.2.2.2, 3.2.2.3 of 3.2.2.4 van deze bijlage beschreven methoden toe. De wrijvingsarbeid per rem wordt berekend als de integraal van het wrijvingsvermogen over de gehele duur van de referentiecyclus volgens vergelijking 3:

Formula

(Verg. 3)

waarin:

W brake,b

= de wrijvingsarbeid van rem b tijdens alle remgebeurtenissen in de gebruikte cyclus in J;

P brake,b

= het wrijvingsremvermogen van rem b in W;

t start

= het instelpunt van het begintijdstip van de geanalyseerde cyclus in s;

t end

= het instelpunt van het eindtijdstip van de geanalyseerde cyclus in s;

De trapeziumregel wordt toegepast om de numerieke integratie van de bemonsterde signalen uit te voeren op tijdstip t i volgens vergelijking 4:

Formula

(Verg. 4)

waarin:

W brake,b

= de wrijvingsarbeid van rem b tijdens alle remgebeurtenissen in de gebruikte cyclus in J;

t i

= het tijdstempel van het ie monster van de gemeten signalen in s;

N t

= het aantal tijdmonsters t i tijdens de gebruikte cyclus (

Formula
);

P brake,b

= het wrijvingsremvermogen van rem b in W.

Als tussenstap worden de verhogingen van de wrijvingsarbeid voor elk tijdmonster t i berekend aan de hand van vergelijking 5:

Formula

(Verg. 5)

3.2.1.   

Methode voor het bepalen van het wrijvingsvermogen

Het wrijvingsvermogen wordt berekend uit het wrijvingsremkoppel van elke rem en de gemeten omwentelingssnelheid van het wiel bij elke rem tijdens de vertragingsfasen van de referentiecyclus bij elke rem volgens vergelijking 6:

Formula

(Verg. 6)

waarin:

P brake,b

= het wrijvingsremvermogen van rem b in W;

τ brake,b

= het wrijvingsremkoppel bij rem b in N·m;

ω b

= de gemeten omwentelingssnelheid van het wiel bij rem b in rad/s;

a ref

= het instelpunt van de versnelling van de testcyclus in m/s 2.

De omwentelingssnelheid van het wiel kan aan de hand van vergelijking 7 worden berekend op basis van de omwentelingssnelheid van de dynamometerrol bij dat wiel:

Formula

(Verg. 7)

waarin:

ω b

= de gemeten omwentelingssnelheid van het wiel bij rem b in rad/s;

ω D,b

= de gemeten omwentelingssnelheid van de dynamometerrol bij rem b in rad/s;

r D,b

= de straal van de dynamometerrol waarop de band bij rem b draait in m;

r R,b

= de dynamische rolstraal van de band bij rem b in m.

3.2.2.   

Methoden voor het bepalen van het wrijvingsremkoppel

3.2.2.1.   

Koppelgebaseerde methode

De koppelgebaseerde methode vereist dat het werkelijke remkoppel (τ brake,b ) rechtstreeks wordt gemeten bij de respectieve remsystemen volgens vergelijking 8. Een positief teken van het gemeten koppel duidt op remactiviteit.

Formula

(Verg. 8)

waarin:

τ brake,b

= het wrijvingsremkoppel bij rem b in N·m;

τ meas,b

= het gemeten remkoppel bij rem b in N·m.

3.2.2.2.   

Drukgebaseerde methode

Bij de drukgebaseerde methode moet de druk in de hydraulische wrijvingsremsystemen zo dicht mogelijk bij het wiel worden bepaald wat veiligheid, hantering en meetkwaliteit betreft. Het remkoppel bij hydraulische wrijvingsremmen wordt berekend aan de hand van de gemeten remdruk (p brake,b ) vermenigvuldigd met de verhouding koppel/druk (C p,b ) bij de desbetreffende rem tijdens de toepassing van de rem tijdens de rijcyclus volgens de vergelijkingen 9 en 10.

Formula

(Verg. 9)

Formula

(Verg. 10)

waarin:

τ brake,b

= het wrijvingsremkoppel bij rem b in N·m;

C p,b

= de verhouding koppel/druk in de desbetreffende rem b in N·m/kPa;

p brake,b

= de effectieve remdruk bij rem b, die een remkoppel veroorzaakt in kPa;

p meas,b

= de gemeten remdruk bij rem b in kPa;

p threshold,b

= de drempeldruk van rem b die nodig is om remkoppel te ontwikkelen, in kPa, zoals gedefinieerd in punt 3.1.19 van dit reglement.

3.2.2.3.   

Elektromechanische remmen

Voorbehouden

3.2.2.4.   

Alternatieve methoden

Het remkoppel en de signalen van elektronische bussen (bv. CAN-bussignalen en/of het OBD-systeem (On-Board Diagnostics)) van het voertuig waarmee het remkoppel kan worden berekend volgens de methoden van punt 3.2.2.1, 3.2.2.2 of 3.2.2.3 van deze bijlage, mogen worden gebruikt. Het gelijkwaardigheidscriterium van de alternatieve methode ten opzichte van de referentiemethode wordt beschreven in punt 5.3 van deze bijlage. De gelijkwaardigheid van de signalen met de gekozen referentiemethode moet door de typegoedkeuringsinstantie worden bevestigd.

3.3.   

Bepalen van C p -waarden

De C p,b -waarde voor de drukgebaseerdemethode voor een specifiek remsysteem wordt bepaald door de WLTP-remcyclus uit te voeren op een remdynamometer die volledig aan dit reglement voldoet. De C p,b van een specifiek remsysteem wordt geacht representatief te zijn voor alle leden van dezelfde rememissiefamilie zoals gedefinieerd in punt 7.2.1 van dit reglement.

3.3.1.   

Voorbereiden van de remdynamometer

De remdynamometer en alle testapparatuur worden afgesteld en bediend volgens de specificaties van bijlage 4.

3.3.2.   

Werking

De testfaciliteit volgt de volgende stappen:

a)

het remsysteem installeren volgens de procedure van punt 8.2 van bijlage 4;

b)

de WLTP-remcyclus uitvoeren volgens de in de punten 9.2.1, 9.2.2 en 9.2.3 van bijlage 4 beschreven procedure;

c)

het remkoppel en de remdruk voor hydraulische of elektrohydraulische remmen registreren;

d)

de gegevens van het rememissiemeetonderdeel zoals gedefinieerd in punt 9.2.3 van bijlage 4 gebruiken voor het berekenen van de C p,b -waarden.

3.3.3.   

Berekenen van C p

De C p,b -waarde beschrijft de relatie tussen remdruk en remkoppel en wordt berekend volgens vergelijking 11:

Formula

(Verg. 11)

Voor een bepaald wrijvingsmateriaal kan C p,b afhangen van de snelheid van het voertuig, de uitgeoefende remdruk, de remrotor en de temperatuur van het remblok. De waarde kan tijdens de uitvoering van de test variëren naar gelang van de verschillende toepassingen van de rem. Om de invloed van verschillen in C p,b op de berekening van de remenergie in de testcyclus te verminderen, moet de “energiegewogen C p,b -waarde” in vergelijking 12 worden gebruikt:

Formula

(Verg. 12)

Om het gebruik van ongeldige signalen te voorkomen, is bovendien het volgende van toepassing voor de correcte berekening van de remdruk en het remkoppel volgens de vergelijkingen 13 en 14. De waarde voor pthreshold wordt toegepast volgens punt 3.1.19. van dit reglement:

Formula

(Verg. 13)

Formula

(Verg. 14)

Wanneer de voertuigspecifieke coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem op de chassisdynamometer wordt berekend tijdens rit #10 van de WLTP-remcyclus, moet de waarde C p worden beoordeeld aan de hand van de gegevens van de overeenkomstige test die tijdens rit #10 van de WLTP-remcyclus met hetzelfde remsysteem op de remdynamometer is uitgevoerd.

3.3.4.   

Berekenen van C e

Voorbehouden

4.   

Testopstelling en -specificaties

4.1.   

Voertuigselectie

Aan elk voertuig wordt een voertuigspecifieke coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem toegekend. Wanneer een voertuig verschillende door de bestuurder selecteerbare modi heeft, wordt het getest in de modus die de laagste recuperatie oplevert, aangezien dit wat de specifieke coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem betreft de ongunstigste versie is. De gemeten specifieke coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem moet worden toegekend aan alle door de bestuurder selecteerbare modi van dit voertuig. Bedieningsstrategieën voor optimalisering van de remfunctie (bv. anti-corrosiemaatregelen) mogen tijdens de tests niet worden gedeactiveerd of overgeslagen zolang de veilige werking van het voertuig op de chassisdynamometer niet in het gedrang komt.

Op basis van door de fabrikant verstrekt technisch bewijsmateriaal en met instemming van de typegoedkeuringsinstantie kunnen specifieke door de bestuurder selecteerbare modi voor zeer speciale beperkte doeleinden (bv. zand, sneeuw/bergen, kruipen, ontladingsmodi om veiligheidsredenen) worden vrijgesteld van de opgegeven specifieke coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem.

Voor de toepassing van dit reglement mag op verzoek van de fabrikant slechts één voertuig van elke interpolatiefamilie worden getest om de voertuigspecifieke coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem van de gehele interpolatiefamilie te bepalen. Het voertuig met het laagste recuperatievermogen (d.w.z. het voertuig met de hoogste specifieke coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem) in de interpolatiefamilie wordt geselecteerd en getest. In dat geval wordt aan alle voertuigen binnen dezelfde interpolatiefamilie dezelfde voertuigspecifieke coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem toegekend, ongeacht het model, de versie en het uitrustingsniveau. De fabrikant moet voor elk voertuig in de interpolatiefamilie kunnen aantonen dat dit conform de goedgekeurde remcoëfficiënt is.

Voor de toepassing van dit reglement mag op verzoek van de fabrikant, wanneer een specifiek voertuigmodel wordt aangeboden in verschillende configuraties die tot meer dan één interpolatiefamilie behoren, het ongunstigste voertuig wat de specifieke coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem in elk voertuigelektrificatietype overeenkomstig tabel 4 van dit reglement betreft, worden getest (d.w.z. het voertuig met de hoogste specifieke coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem). In dat geval wordt de gemeten voertuigspecifieke coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem toegekend aan alle voertuigen in elk voertuigelektrificatietype overeenkomstig tabel 4 van dit reglement. In dit geval moet de fabrikant voor elke configuratie binnen het voertuigmodel kunnen aantonen dat deze conform de goedgekeurde remcoëfficiënt is.

4.2.   

Voorbereiden

4.2.1.   

Remkoppelensoren

4.2.1.1.   

Piëzo-elektrische sensoren

De remkoppelsensor is een sensor die de werkelijke hoeveelheid remkoppel rechtstreeks kan meten op de plaats waar het koppel zich voordoet — tussen de remklauw en het fuseestuk. Remkoppelsensoren worden doorgaans op maat gemaakt om in de afzonderlijke remsystemen te passen. Afhankelijk van de diameter van de montagebout ligt de dikte doorgaans tussen 3,5 mm en 5,0 mm.

Voor de toepassing van de huidige methode worden een of meer externe koppelsensoren voor elke remhoek van het voertuig op de remklauw gemonteerd. Figuur A5/1 geeft een schematisch voorbeeld van de montage van een remkoppelsensor. Afhankelijk van de technische opzet van de rem en de sensor is per montagegat één sensor nodig of moet de sensor in één werktuig worden geïntegreerd. De remklauw of het remblok mag opnieuw worden bewerkt zodat de sensor(en) kan (kunnen) worden aangebracht. Er moet echter zorgvuldig op worden toegezien dat de rem niet wordt beschadigd en dat de remklauw nog steeds aan de beoogde voorschriften van de WLTP-remcyclus kan voldoen zonder veiligheidsrisico’s of negatieve invloed op het remgedrag (bv. door vervorming). Dit geldt voor het volledige werkingsbereik van de sensor zoals gespecificeerd door de fabrikant van de sensor.

Het in de loop van de tijd gemeten koppel wordt omgezet in wrijvingsremarbeid overeenkomstig punt 3.2 van deze bijlage. Vanwege het werkingsprincipe van de sensor moet de nulstabiliteit voor en na de test worden gecontroleerd en moet rekening worden gehouden met eventueel verloop.

Figuur C1

Schematisch voorbeeld van de montage van een remkoppelsensor

Image 27

Er wordt een totaal bereik van 0 tot 800 N m aanbevolen. Het maximumbereik van de meetketen wordt gekozen op basis van de massa van het voertuig, de geometrie van de remmen en de verwachte daaruit voortvloeiende koppelomstandigheden tijdens de tests. De testfaciliteit verwijst naar de aanbevelingen van de fabrikant van de rem-, voertuig- en sensorsystemen om de goede werking van de sensor- en gegevensverzamelingsvoorzieningen te waarborgen.

Sensorkalibraties moeten aan de volgende specificaties voldoen:

a)

de nauwkeurigheid van het sensorsysteem ligt binnen 2 % van het volledige bereik of ± 5 N m, waarbij de grootste waarde van toepassing is;

b)

de versterkers voor de koppelsensoren worden vóór de test op nul gezet zonder dat er remkoppel op het systeem wordt uitgeoefend;

c)

na de test worden de koppelsensoren op nulverloop gecontroleerd. Een maximaal nulverloop van ± 0,5 % van het volledige schaalbereik is aanvaardbaar.

Voor de uitvoering van de kalibratieprocedure is een referentiekalibratiesensor nodig. Figuur A5/2 geeft een schematische voorstelling van de wijze waarop de referentiekalibratiesensor aan de wielnaaf moet worden bevestigd. Na de installatie van de remkoppelsensor wordt de referentiekalibratiesensor aan het wiel bevestigd en wordt het koppel toegepast. Figuur A5/3 geeft een schematische samenvatting van de kalibratieprocedure.

Figuur A5/2

T-handgreep en referentiekalibratiesensor bevestigd via wielnaafadapter op de wielnaaf.

Image 28

Figuur A5/3

Schematisch voorbeeld van kalibratie.

Image 29

Nr.

Artikel in figuur A5/3

1

Standaard aandrijfvierkant voor sleutel (die in de referentiesensor past)

2

Referentie-kalibratiesensor

3

Wielnaafadapter (om het koppel rechtstreeks op de as toe te passen)

4

Wielnaaf

5

Gegevensverwervingssysteem (dat compatibel is met de input van de spanningsmeter)

6

Remkoppelsensor(en), incl. kabel

7

Ladingsversterker

8

Systeemkabel met aansluiting op het gegevensverwervingssysteem

De lineariteit van de sensor wordt gecontroleerd overeenkomstig de aanbeveling van de fabrikant van het meetsysteem. De sensor mag geen residuen vertonen die groter zijn dan 2 % van het volledige schaalbereik of ± 5 N m, de grootste waarde is van toepassing, op enig punt van het operationele bereik boven nul. Het meetsysteem wordt volgens de specificaties van de fabrikant gecompenseerd voor temperatuurinvloed. De referentiekalibratiesensor wordt binnen de laatste twaalf maanden van gebruik gekalibreerd volgens ISO 17025.

4.2.2.   

Drukomzetters en -sensoren

Voor elke remhoek van het voertuig wordt een externe druksensor op het remvloeistofpad gemonteerd. De sensor wordt bij voorkeur op de ontluchtingsschroef van de respectieve remhoek gemonteerd. Indien dit vanwege ruimtebeperkingen of andere problemen niet mogelijk is, zijn alternatieve montageplaatsen toegestaan; zij moeten zich echter zo dicht mogelijk bij de respectieve remhoek bevinden. Figuur A5/4 geeft een schematische voorstelling van de wijze waarop remdruksensoren op de remleidingen van het geteste voertuig moeten worden gemonteerd. De in de loop van de tijd gemeten druk wordt omgezet in remkoppel volgens vergelijking 9 en in een coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem zoals beschreven in de punten 3.1 en 3.2 van deze bijlage.

Figuur A5/4

Voorbeelden van de montage van remdruksensoren (P) op remleidingen van de geteste

Image 30

Aanbevolen wordt een druksensor te gebruiken die in het bereik van 0-6 000 kPa kan meten, terwijl het maximumbereik van de sensor moet worden gekozen op basis van de verwachte maximale drukomstandigheden tijdens de tests. De gecombineerde onzekerheid van non-lineariteit, hysterese en herhaalbaarheid voor drukmetingen bedraagt 0,5 % van de afgelezen waarde of 0,3 % van het volledige schaalbereik (het volledige onzekerheidsbudget), waarbij de grootste waarde van toepassing is.

4.2.3.   

Sensoren voor krachtmetingen op elektromechanische remmen

Voorbehouden

4.3.   

Gegevensregistratie

4.3.1.   

Gegevens van de chassisdynamometer

Er moeten speciale gegevensregistratiesystemen worden gebruikt om de onbewerkte gegevens van de chassisdynamometer en van het voertuig en de met instrumenten uitgeruste onderdelen ervan tijdens de tests te registreren. Aanbevolen wordt de gegevens te registreren volgens de specificaties van bijlage B5 bij VN-Reglement nr. 154 (punt 2 Chassisdynamometer).

Naast de in VN-Reglement nr. 154 gevraagde gegevens moeten de parameters met betrekking tot de basisrem worden geregistreerd volgens tabel A4/3 van bijlage 4. Dit zijn ten minste de parameters die door de hoofdmethode en de referentiemethode zijn gekozen. De meting wordt uitgevoerd met een frequentie van ten minste 10 Hz. De voertuigmassa moet worden gedefinieerd volgens punt 3.1.9 van dit reglement, ongeacht de geteste cyclus. Bovendien moeten de C p -waarden van de verhouding koppel-druk worden gedocumenteerd (indien van toepassing).

De gegevensregistratie moet vóór of tegelijk met de eigenlijke test op de chassisdynamometer worden gestart. De gegevensregistratie van de chassisdynamometer en het voertuig moet gesynchroniseerde gegevens opleveren, wat betekent dat de signalen naar hetzelfde tijdspoor moeten verwijzen. Aanbevolen wordt de signalen in de tijd gealigneerd in één bestand te registreren. Als alternatief moet het signaal van de voertuigsnelheid samen met de reminformatie worden geregistreerd en worden gebruikt voor tijdsalignering indien de gegevens in verschillende systemen worden geregistreerd. Geregistreerde gegevens worden verstrekt in een gebruikelijk en vrij toegankelijk gegevensformaat.

4.4.   

Instellingen van de chassisdynamometer

De testopstelling en -methode moeten voldoen aan de voorschriften van VN-Reglement nr. 154 in de versie die op het moment van de tests van kracht is. Afwijkingen, met uitzondering van de bepalingen in dit document, zijn niet toegestaan.

De tests worden uitgevoerd bij 23 ± 5 °C nadat het voertuig, de remsystemen en de meetsystemen 6-36 uur zijn afgekoeld. De gesimuleerde wegbelasting is volledig in overeenstemming met VN-Reglement nr. 154, ongeacht de testcyclus. De afkoeling, voorconditionering en wegbelasting worden ingesteld overeenkomstig VN-Reglement nr. 154. Dit betekent dat voor de uitvoering van de test rekening moet worden gehouden met de wegbelastingcoëfficiënten (f0, f1, f2) van de wegbelastingvergelijking.

4.5.   

Testcyclus

Het testvoertuig moet volgens de voorschriften van de punten 2 tot en met 2.3 van bijlage B8 bij VN-Reglement nr. 154 zijn ingereden. Bovendien moeten de remmen van het testvoertuig voldoende zijn ingelopen. Op verzoek van de typegoedkeuringsinstantie verstrekt de fabrikant technisch bewijsmateriaal.

In het algemeen wordt de test uitgevoerd door achtereenvolgens voorconditionering, afkoeling en (voor OVC-HEV, OVC-FCHV en PEV) opladen toe te passen. Daarna volgt de prestatietest om de coëfficiënten van het aandeel van de wrijvingsrem af te leiden (zie figuur A5/5). Deze procedures zijn beschreven in bijlage B8 bij VN-Reglement nr. 154, tenzij hieronder anders is aangegeven.

Figuur A5/5

Basisstructuur testen met chassisdynamometer overeenkomstig dit punt

Image 31

Het voertuig moet worden afgesteld en getest in de door de bestuurder selecteerbare modus die de laagste recuperatie oplevert (d.w.z. het ongunstigste geval wat de specifieke coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem betreft) zoals beschreven in punt 4.1 van deze bijlage. Specifieke door de bestuurder selecteerbare modi voor zeer speciale beperkte doeleinden zoals gedefinieerd in punt 4.1 van deze bijlage mogen niet worden geselecteerd.

Onverminderd bovenstaande voorschriften is de toepasselijke testcyclus tijdens de prestatietest de WLTP-remcyclus zoals beschreven in bijlage 4 of, overeenkomstig de bepalingen van punt 6 van deze bijlage, rit #10 van de WLTP-remcyclus. Voor alle voertuigelektrificatietypen worden de voorconditionerings-WLTC-cyclus en de toepasselijke testcyclus slechts eenmaal gereden.

4.6.   

Kwaliteitscriteria voor tests op de chassisdynamometer

De volgende kwaliteitscontroles worden uitgevoerd om de correcte uitvoering van de WLTP-remcyclus tijdens een test op de chassisdynamometer te verifiëren. Een geldige test op de chassisdynamometer moet aan alle hieronder beschreven criteria voldoen.

Indien het voertuig niet aan alle criteria kan voldoen of de snelheidscurve van een van de geteste cycli niet kan volgen, moeten standaard de coëfficiënten van het aandeel van de wrijvingsrem in tabel 4 van dit reglement worden gebruikt.

4.6.1.   

Berekening van voor kwaliteitscontroles gebruikte signalen

4.6.1.1.   

Gereden snelheid en doelsnelheid

Voor de berekening van de kwaliteitscontrolecriteria moeten snelheidssignalen worden gebruikt. De gemeten snelheid en de referentiesnelheid worden nabewerkt om de doel- en gereden snelheidssignalen te verkrijgen die worden gebruikt om de kwaliteitscontroles uit te voeren.

De gemeten snelheid en de referentiesnelheid worden afgevlakt met behulp van een symmetrisch filter van voortschrijdende gemiddelden over 0,5 seconden. Om het discrete voortschrijdende gemiddelde filter toe te passen, wordt het aantal in aanmerking te nemen monsters verkregen als het oneven aantal monsters dat in het interval van 0,5 seconden past. Het aantal monsters dat in beide richtingen in aanmerking moet worden genomen, wordt gegeven als (vergelijking 15):

Formula

(Verg. 15)

waarin:

t s

= het bemonsteringsinterval van het snelheidssignaal in sec;

Formula

= de operator voor afronding naar beneden.

Bij een bemonsteringsfrequentie van 10 Hz resulteert dit in een breedte van

Formula
monsters.

Het voortschrijdend gemiddelde van signaal x met een lengte van

Formula
monsters wordt aangegeven door de werking
Formula
en berekend volgens vergelijking 16:

Formula

(Verg. 16)

waarin:

N

= het aantal tijdmonsters van het signaal voor de gehele test;

x i

het ie tijdmonster van het af te vlakken signaal.

De gereden snelheid en de doelsnelheid voor de berekening van kwaliteitscontroles worden verkregen door het filter van voortschrijdende gemiddelden over 0,5 seconden twee opeenvolgende keren toe te passen op de referentiesnelheid en de gemeten voertuigsnelheid op de dynamometer (vergelijking 17 en 18):

Formula

(Verg. 17)

Formula

(Verg. 18)

waarin:

v ref

= het instelpunt van de snelheid van de testcyclus in m/s;

v dyno

= de snelheid van het voertuig in m/s;

v D

= de voor kwaliteitscontroles gebruikte gereden snelheid in m/s;

v T

= de doelsnelheid die voor kwaliteitscontroles wordt gebruikt in m/s.

4.6.1.2.   

Gereden versnelling en doelversnelling

Voor de berekening van kwaliteitscontroles wordt de versnelling berekend op basis van de snelheidssignalen. Dit gebeurt aan de hand van het symmetrische eindige verschil volgens de vergelijkingen 19 en 20:

Formula

(Verg. 19)

Formula

(Verg. 20)

Figuur A5/6

Voorbeeld van de afgevlakte signalen waarbij aref het instelpunt van het versnellingssignaal is

Image 32

4.6.1.3.   

Gereden specifiek inertievermogen en doelinertievermogen

Voor de berekening van kwaliteitscontroles wordt het specifieke inertievermogen van de inertiekracht die wordt uitgeoefend tijdens de respectieve snelheden berekend volgens de vergelijkingen 21 en 22:

Formula

(Verg. 21)

Formula

(Verg. 22)

waarin:

Formula

= het ie monster van het specifieke doelinertievermogenssignaal in W/kg;

Formula

= het ie monster van het gereden specifieke inertievermogenssignaal in W/kg.

4.6.2.   

Wortel van de gemiddelde gekwadrateerde snelheidsfout

Om de kwaliteit van de test te controleren, wordt de wortel van de gemiddelde gekwadrateerde snelheidsfout (RMSSE) in km/h berekend volgens vergelijking 23:

Formula

(Verg. 23)

Voor een geldige test moet aan het criterium van vergelijking 24 worden voldaan:

Formula

(Verg. 24)

4.6.3.   

Rating van de inertiearbeid voor vertraging

Om de kwaliteit van de test te controleren, wordt de rating van de inertiearbeid voor vertraging (

Formula
) berekend volgens vergelijking 25:

Formula

(Verg. 25)

waarin:

Formula

= de gereden specifieke traagheidsarbeid tijdens de vertraging in J/kg;

Formula

= de specifieke doeltraagheidsarbeid tijdens de vertraging in J/kg.

De specifieke traagheidsarbeid tijdens de vertraging wordt berekend als de numerieke integraal van het specifieke inertievermogen alleen tijdens de vertraging (vergelijkingen 26 en 27):

Formula

(Verg. 26)

Formula

(Verg. 27)

waarin:

Formula

= het gereden specifieke inertievermogen tijdens de vertraging in J/kg;

Formula

= het specifieke doelinertievermogen tijdens de vertraging in J/kg.

Het specifieke inertievermogen tijdens de vertraging wordt als volgt gedefinieerd (vergelijkingen 28 en 29):

Formula

(Verg. 28)

Formula

(Verg. 29)

Voor een geldige test moet aan het criterium van vergelijking 30 worden voldaan:

Formula

(Verg. 30)

4.6.4.   

Inertiearbeid van het vermogensverschil

De inertiearbeid van het vermogensverschil (IPDW) is de effectieve arbeid die wordt verricht door het verschil van het specifieke inertievermogen tussen het gereden specifieke inertievermogenssignaal en het specifieke doelinertievermogenssignaal in J/kg.

In het algemeen wordt de effectieve specifieke traagheidsarbeid van het verschil tussen twee specifieke inertievermogenssignalen gedefinieerd volgens vergelijking 31:

Formula

(Verg. 31)

Om deze waarde op de WLTP-remcyclus toe te passen, wordt de IPDW berekend voor elke remvertragingsgebeurtenis k , gedurende het interval vanaf 1 s vóór het begin van de remvertragingsgebeurtenis tot 1 s na het einde van de remvertragingsgebeurtenis, volgens de vergelijkingen 32 en 33:

Formula

(Verg. 32)

Formula

(Verg. 33)

waarin:

k

= de index voor elke remvertragingsgebeurtenis;

i

= de index van het tijdmonster;

t start,k

= het instelpunt van de begintijd van de remvertragingsgebeurtenis volgens de referentie in sec;

t end,k

= het instelpunt van de eindtijd van de remvertragingsgebeurtenis volgens de referentie in sec;

t i

= het ie tijdmonster;

Formula

= het verschil tussen het gereden specifieke inertievermogenssignaal en het specifieke doelinertievermogenssignaal in W/kg;

Ik

= de reeks tijdbemonsteringspunten binnen de remvertragingsgebeurtenis.

De reeks bemonsteringspunten vanaf 1 s vóór tot 1 s na de ke remvertragingsgebeurtenis wordt gedefinieerd in vergelijking 34:

Formula

(Verg. 34)

De IPDW voor de gehele WLTP-remcyclus wordt berekend als de kwadratisch gemiddelde waarde van de IPDWk van alle remvertragingsgebeurtenissen (vergelijking 35):

Formula

(Verg. 35)

waarin:

K

= het aantal stilstanden in de cyclus, namelijk 303 voor de volledige WLTP-remcyclus of 114 voor rit #10 van de WLTP-remcyclus.

Voor een geldige test moet aan het criterium van vergelijking 36 worden voldaan:

Formula

(Verg. 36)

4.6.5.   

Rating van het inertievermogensverschil

De rating van het inertievermogensverschil (IPDR) is de verhouding tussen de IPDW van elke remvertragingsgebeurtenis en de referentie-inertiearbeid van de desbetreffende remvertragingsgebeurtenis, uitgedrukt in procenten.

De IPDRk van elke ke remvertragingsgebeurtenis wordt gedefinieerd in vergelijking 37:

Formula

(Verg. 37)

waarin:

w ref,k

= de specifieke referentie-inertiearbeid van remvertraging k, zoals aangegeven in de kolom “Specifieke KE” van de tabel in aanhangsel 2 van bijlage 4.

De IPDR voor de gehele WLTP-remcyclus wordt berekend als de kwadratisch gemiddelde waarde van de IPDRk van alle remvertragingsgebeurtenissen (vergelijking 38):

Formula

(Verg. 38)

waarin:

K

= het aantal remvertragingsgebeurtenissen in de cyclus, namelijk 303 voor de WLTP-remcyclus of 114 voor alleen rit #10.

Voor een geldige test moet aan het criterium van vergelijking 39 worden voldaan:

Formula

(Verg. 39)

4.6.6.   

Controle van snelheidsoverschrijdingen

De snelheidstolerantiecriteria van punt 9.4.1 van bijlage 4 zijn van toepassing. De in dat punt gedefinieerde 3 % -benadering is van toepassing op rit #10 van de WLTP-remcyclus wanneer deze als de toepasselijke testcyclus wordt gekozen.

5.   

Gelijkwaardigheid van methoden

Op verzoek van de fabrikant mag in plaats van de in punt 3.2.2.1, 3.2.2.2 of 3.2.2.3 van deze bijlage beschreven referentiemethoden een alternatieve methode zoals beschreven in punt 3.2.2.4 van deze bijlage worden gebruikt voor het bepalen van de individuele coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem, mits aan de in punt 5.3 van deze bijlage beschreven gelijkwaardigheidscriteria is voldaan.

5.1.   

Selecteren van het voertuig voor het bewijs van gelijkwaardigheid

De fabrikant toont de gelijkwaardigheid aan van een alternatieve methode voor de voertuigelektrificatietypen van punt 2 van deze bijlage waarvoor is verzocht de alternatieve methode toe te passen. Om dat aan te tonen wordt ten minste één voertuig voor elk voertuigelektrificatietype gebruikt.

5.2.   

Testen van de alternatieve methode

Om de gelijkwaardigheid aan te tonen, moet het voertuig zijn uitgerust met remkoppelmeters, remdrukomzetters en/of sensoren overeenkomstig punt 4.2 van deze bijlage en moet het aan de WLTP-remcyclus worden onderworpen volgens de in punt 4.5 van deze bijlage gedefinieerde testsequentie.

5.3.   

Gelijkwaardigheidscriterium

De alternatieve methode wordt geacht gelijkwaardig aan de referentiemethode te zijn indien aan een van de volgende voorwaarden is voldaan (vergelijkingen 40 en 41):

Formula

(Verg. 40)

Formula

(Verg. 41)

waarin:

c alt

= de voertuigspecifieke coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem gemeten volgens de alternatieve methode.

6.   

Gelijkwaardigheid van de testcyclus

Als alternatief voor het afleiden van de voertuigspecifieke coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem uit de WLTP-remcyclus mag de fabrikant ervoor kiezen deze te berekenen door rit #10 van de WLTP-remcyclus uit te voeren volgens de procedure van punt 4.5 van deze bijlage. In dat geval wordt de voertuigspecifieke coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem die is berekend voor rit #10 van de WLTP-remcyclus geacht gelijkwaardig te zijn aan die van de WLTP-remcyclus en wordt deze gerapporteerd. In geval van een discrepantie tussen de gemeten c-factoren, is de c-factor die tijdens de WLTP-remcyclus is bepaald, doorslaggevend.

7.   

Testresultaat

De referentiemeetmethode voor het bepalen en valideren van de voertuigspecifieke coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem die voor de typegoedkeuring door de voertuigfabrikant wordt gebruikt, wordt genoteerd (zie punt 3.2 van deze bijlage voor nadere details).

7.1.   

Afwijking van de coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem (“opgave”)

7.1.1.   

De voertuigspecifieke coëfficiënt van het aandeel van de wrijvingsrem die volgens deze bijlage is berekend, mag door de fabrikant worden verhoogd met maximaal 50 % van de gemeten waarde of 0,05 absolute waarde (de grootste waarde is van toepassing).

7.1.2.   

Op verzoek van de fabrikant en met instemming van de goedkeuringsinstantie mogen fabrikanten de volgens deze bijlage berekende coëfficiënten van het aandeel van de wrijvingsrem verhogen tot de waarden in tabel 4 van dit reglement voor het desbetreffende voertuigelektrificatietype, of tot de waarden in punt 7.1.1 van deze bijlage (de grootste waarde is van toepassing).


ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2026/1044/oj

ISSN 1977-0758 (electronic edition)