|
Publicatieblad |
NL L-serie |
|
2026/913 |
5.5.2026 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2026/913 VAN DE COMMISSIE
van 4 mei 2026
tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op adipinezuur van oorsprong uit de Volksrepubliek China
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (“de basisverordening”) (1), en met name artikel 9, lid 4,
Overwegende hetgeen volgt:
1. PROCEDURE
1.1. Opening van het onderzoek
|
(1) |
Op 14 maart 2025 heeft de Europese Commissie (“de Commissie”) op grond van artikel 5 van de basisverordening een antidumpingonderzoek geopend met betrekking tot de invoer van adipinezuur van oorsprong uit de Volksrepubliek China (“het betrokken land” of “de VRC”). Zij heeft daartoe een bericht van inleiding gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (2) (“het bericht van inleiding”). |
|
(2) |
De Commissie heeft het onderzoek geopend naar aanleiding van een klacht die op 28 januari 2025 was ingediend door Lanxess Deutschland GmbH en Radici Chimica S.p.A (“de klagers”). De klacht is ingediend door de bedrijfstak van de Unie voor adipinezuur in de zin van artikel 5, lid 4, van de basisverordening. Het bij de klacht gevoegde bewijsmateriaal over dumping en de aanmerkelijke schade als gevolg daarvan werd voldoende geacht om een onderzoek te openen. |
1.2. Registratie
|
(3) |
De Commissie heeft de invoer van het betrokken product bij Uitvoeringsverordening (EU) 2025/1041 (3) (“de registratieverordening”) aan registratie onderworpen. |
1.3. Voorlopige maatregelen
|
(4) |
Overeenkomstig artikel 19 bis van de basisverordening heeft de Commissie de belanghebbenden op 16 oktober 2025 een overzicht van de voorgestelde rechten verstrekt, alsook nadere gegevens over de berekening van de dumpingmarges en de marges die toereikend zijn om de schade voor de bedrijfstak van de Unie weg te nemen. De belanghebbenden werd verzocht om binnen drie werkdagen hun opmerkingen over de juistheid van de berekeningen kenbaar te maken. |
|
(5) |
Er zijn opmerkingen ontvangen van twee in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs, Tangshan Zhonghao Chemical Co., Ltd, Tangshan, China (“Zhonghao”) en Chongqing Huafon Chemical Co., Ltd, Chongqing, China (“Huafon”), die beide een verschrijving in de berekening van de normale waarde hebben geconstateerd. Na analyse werden deze opmerkingen aanvaard. Daarnaast constateerde de Commissie een rekenfout in de berekening van de benchmark voor stoom. De Commissie heeft de dumpingmarges dienovereenkomstig herberekend. |
|
(6) |
Een andere opmerking van Zhonghao had geen betrekking op de nauwkeurigheid van de berekeningen, maar op de methode die is gebruikt voor de berekening van de benchmark voor water. Deze opmerking werd derhalve na de mededeling van de voorlopige maatregelen onderzocht en wordt behandeld in overweging 55 van deze verordening. |
|
(7) |
Op 13 november 2025 heeft de Commissie bij Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2287 (4) (“de voorlopige verordening”) een voorlopig antidumpingrecht ingesteld op adipinezuur van oorsprong uit de VRC. |
1.4. Vervolg van de procedure
|
(8) |
Na de mededeling van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan een voorlopig antidumpingrecht was ingesteld (“mededeling van de voorlopige bevindingen”), hebben de klagers, alsook Allnex Italy s.r.l (“Allnex”) en COIM S.p.A. Chimica Organica (“COIM”), twee gebruikers van adipinezuur, en de in de steekproef opgenomen Chinese producenten Zhonghao en Huafon binnen de in artikel 2, lid 1, van de voorlopige verordening gestelde termijn schriftelijke opmerkingen ingediend om hun standpunten ten aanzien van de voorlopige bevindingen kenbaar te maken. |
|
(9) |
De belanghebbenden die daartoe een verzoek hadden ingediend, zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Er heeft een hoorzitting met Allnex plaatsgevonden. |
|
(10) |
De Commissie is doorgegaan met het verzamelen en controleren van alle informatie die zij voor haar definitieve bevindingen nodig achtte. Bij het vaststellen van de definitieve bevindingen heeft de Commissie de opmerkingen van de belanghebbenden in overweging genomen en waar passend haar voorlopige conclusies herzien. |
|
(11) |
De Commissie heeft alle belanghebbenden ingelicht over de belangrijkste feiten en overwegingen op basis waarvan zij voornemens was een definitief antidumpingrecht in te stellen op adipinezuur van oorsprong uit de VRC (“de mededeling van de definitieve bevindingen”). Alle belanghebbenden konden hierover binnen een bepaalde termijn na deze mededeling opmerkingen indienen. |
|
(12) |
De belanghebbenden die daartoe een verzoek hadden ingediend, zijn tevens in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Na de mededeling van de definitieve bevindingen is niet om hoorzittingen verzocht. |
1.5. Argumenten inzake de opening van het onderzoek
|
(13) |
Aangezien hierover geen opmerkingen zijn ontvangen, worden de overwegingen 7 tot en met 11 van de voorlopige verordening bevestigd. |
1.6. Steekproeven
|
(14) |
Aangezien er geen opmerkingen over de steekproef van producenten in de Unie, niet-verbonden importeurs en producenten-exporteurs zijn ontvangen, worden de overwegingen 12 tot en met 17 van de voorlopige verordening bevestigd. |
1.7. Antwoorden op de vragenlijst en controlebezoeken
|
(15) |
Aangezien er geen opmerkingen over de antwoorden op de vragenlijst en de controlebezoeken zijn ontvangen, worden de overwegingen 18 tot en met 21 van de voorlopige verordening bevestigd. |
1.8. Onderzoektijdvak en beoordelingsperiode
|
(16) |
Zoals vermeld in punt 1.7 van de voorlopige verordening, had het onderzoek naar dumping en schade betrekking op de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024 (“het onderzoektijdvak”). Het onderzoek van de ontwikkelingen die relevant zijn voor de schadebeoordeling had betrekking op de periode van 1 januari 2021 tot het einde van het onderzoektijdvak (“de beoordelingsperiode”). |
2. BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT
|
(17) |
Zoals uiteengezet in punt 2 van de voorlopige verordening, is het onderzochte product adipinezuur, ook bekend als hexaandizuur, dat valt onder nummer 124-04-9 van de Chemical Abstracts Service (“CAS”) en momenteel is ingedeeld onder GN-code 2917 12 00 (“het onderzochte product”). |
|
(18) |
Het betrokken product is adipinezuur van oorsprong uit de Volksrepubliek China, momenteel ingedeeld onder GN-code 2917 12 00 (Taric-code 2917 12 00 10) (“het betrokken product”). |
|
(19) |
Aangezien er geen opmerkingen over het soortgelijke product en de productomschrijving zijn ontvangen, worden de overwegingen 26 tot en met 28 van de voorlopige verordening bevestigd. |
3. DUMPING
3.1. Procedure voor de vaststelling van de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening
|
(20) |
Aangezien er geen opmerkingen over de vaststelling van de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening zijn ontvangen, worden de bevindingen in de overwegingen 29 tot en met 36 van de voorlopige verordening bevestigd. |
3.2. Normale waarde
3.2.1. Bestaan van verstoringen van betekenis
|
(21) |
Aangezien er geen opmerkingen over het bestaan van verstoringen van betekenis zijn ontvangen, worden de bevindingen in de overwegingen 37 tot en met 81 van de voorlopige verordening bevestigd. |
3.2.2. Representatief land
|
(22) |
Aangezien er geen opmerkingen over de keuze van het representatieve land zijn ontvangen, worden de bevindingen in de overwegingen 82 tot en met 94 van de voorlopige verordening bevestigd. |
3.2.3. Bronnen voor de vaststelling van niet-verstoorde kosten
|
(23) |
Na de instelling van de voorlopige maatregelen voerden de belanghebbenden argumenten aan met betrekking tot de passende benchmarks voor ruw cyclohexaan, stoom, water en arbeid. Daarnaast heeft de Commissie een verschrijving in de berekening van de gasbenchmark ontdekt en vervolgens gecorrigeerd. |
3.2.3.1.
|
(24) |
In het voorlopige stadium had de Commissie vastgesteld dat er twee soorten van het bijproduct cyclohexaan zijn: zuiver en ruw. Zuiver cyclohexaan is gewoonlijk 99 % zuiver (tot 99,9 %), de zuiverheid die nodig is voor de productie van adipinezuur. Cyclohexaan met een zuiverheid van minder dan 99 % (niet geschikt voor rechtstreeks gebruik bij de productie van adipinezuur) werd door de Commissie als “ruw” aangemerkt om het te onderscheiden van zuiver, geraffineerd cyclohexaan. |
|
(25) |
De klagers stelden dat de benchmark die de Commissie had gebruikt voor ruw cyclohexaan onjuist was, aangezien 1) er voor ruw cyclohexaan geen vastgestelde externe marktprijs was en het in het algemeen niet als grondstof werd verhandeld, en 2) de door de Commissie toegepaste methode ten onrechte gebaseerd was op dezelfde Chinese prijzen/kosten die van meet af aan te verstoord werden geacht om als basis te dienen voor de berekening van de normale waarde en die hebben geleid tot de toepassing van artikel 2, lid 6 bis, in dit onderzoek. |
|
(26) |
De Commissie was het hiermee niet eens. Tijdens het onderzoek heeft de Commissie van de in de steekproef opgenomen ondernemingen bewijsmateriaal ontvangen en gecontroleerd waaruit bleek dat zij tijdens het onderzoektijdvak aanzienlijke hoeveelheden ruw cyclohexaan aan niet-verbonden ondernemingen hebben verkocht. Dit bevestigde dus dat cyclohexaan met een zuiverheid van minder dan 99 % tijdens het onderzoektijdvak als zodanig werd verkocht. |
|
(27) |
Het onderzoek bevestigde ook dat cyclohexaan met een zuiverheid van minder dan 99 % nog steeds op verschillende manieren kan worden gebruikt. Het kan als zodanig worden gebruikt in chemische processen waarbij de hoogste zuiverheidsgraad niet essentieel is, bv. als oplosmiddel, verfverwijderaar, mengproducten voor koolwaterstofstromen (waarbij gebruik kan worden gemaakt van een zuiverheidsgraad van slechts 90 %) (5), of het kan verder worden gedistilleerd om een hogere zuiverheidsgraad te bereiken. De lagere zuiverheidsgraad en de mogelijke behoefte aan verdere distillatie komen tot uiting in de lagere marktwaarde van ruw cyclohexaan in vergelijking met zuiver cyclohexaan. |
|
(28) |
Zoals de klagers hebben verklaard, is er geen algemeen aanvaarde (internationale) benchmark voor dit bijproduct, met name omdat de samenstelling en de zuiverheidsgraad ervan kunnen variëren. In het voorlopige stadium had de Commissie daarom de verhouding tussen de eigen prijs van de ondernemingen voor ruw en zuiver cyclohexaan gebruikt en deze toegepast op de benchmark voor zuiver cyclohexaan om een benchmark voor ruw cyclohexaan vast te stellen (overweging 107 van de voorlopige verordening). |
|
(29) |
De bewoordingen in de voorlopige verordening deden bij de klagers de vraag rijzen of de Commissie de kosten of de prijs van cyclohexaan had gebruikt om deze benchmark vast te stellen. De Commissie bevestigt hierbij dat de benchmark inderdaad gebaseerd was op het prijsverschil, d.w.z. de verhouding tussen de verkoopprijs van zuiver cyclohexaan en die van ruw cyclohexaan voor elke in de steekproef opgenomen onderneming. |
|
(30) |
De klagers stelden in hun opmerkingen dat de Commissie voor de vaststelling van deze benchmark niet de prijzen van de Chinese ondernemingen had mogen gebruiken, omdat het onderzoek was gebaseerd op artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening, nu was vastgesteld dat de Chinese binnenlandse kosten en prijzen verstoord zijn. De verhouding tussen twee verstoorde prijzen van een Chinese adipinezuurproducent kan volgens de klagers derhalve niet als een legitieme correctiemethode worden beschouwd. |
|
(31) |
De Commissie was echter van oordeel dat de verhouding tussen de prijzen van ruw en zuiver cyclohexaan niet wordt beïnvloed door de algemene verstoring van de Chinese economie. Dezelfde methode wordt in onderzoeken op grond van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening gebruikt voor bijvoorbeeld verbruiksgoederen en overheadkosten, waarbij het de vaste praktijk van de Commissie is om dergelijke posten uit te drukken als een percentage van de grondstofkosten op basis van de eigen kosten van de Chinese ondernemingen, dat vervolgens wordt toegepast op de niet-verstoorde kosten. |
|
(32) |
De klagers voerden ook aan dat, aangezien de methode om de benchmark voor ruw cyclohexaan vast te stellen volgens hen onjuist is, de Commissie ofwel een andere methode moet vinden om die benchmark vast te stellen, ofwel dit bijproduct volledig buiten beschouwing moet laten. De klagers hebben echter geen alternatief voor een dergelijke benchmark aangereikt, aangezien het product volgens hen geen externe handelswaarde heeft. Bovendien kan dit bijproduct niet buiten beschouwing worden gelaten, omdat, zoals vermeld in overweging 26, uit het onderzoek is gebleken dat ruw cyclohexaan wel een handelswaarde had en daadwerkelijk aan niet-verbonden partijen werd verkocht. |
|
(33) |
Aangezien i) ruw cyclohexaan een verhandelbaar product is dat door beide in de steekproef opgenomen Chinese ondernemingen aan niet-verbonden afnemers werd verkocht en derhalve een bewezen waarde heeft, en ii) de klagers noch andere partijen een alternatieve methode voor de vaststelling van een benchmark voor ruw cyclohexaan hebben aangereikt, heeft de Commissie de argumenten van de klagers afgewezen. |
|
(34) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen herhaalden de klagers hun argumenten met betrekking tot de vermeende onjuiste benchmark die is gebruikt voor ruw cyclohexaan. Zij herhaalden met name dat er voor ruw cyclohexaan geen vastgestelde externe marktprijs is en dat de door de Commissie toegepaste methode gebaseerd was op verstoorde Chinese prijzen en kosten. |
|
(35) |
De Commissie merkte op dat deze argumenten slechts een herhaling vormden van de argumenten die reeds in het voorlopige stadium waren aangevoerd en in de overwegingen 25 tot en met 33 van de voorlopige verordening zijn behandeld. De klagers hebben geen nieuw bewijsmateriaal verstrekt, hebben hun beweringen niet verder onderbouwd en zijn niet ingegaan op de bevindingen van de Commissie in de voorlopige fase en in de mededeling van de definitieve bevindingen. |
|
(36) |
De klagers betwistten met name niet de bevinding van de Commissie dat ruw cyclohexaan in het onderzoektijdvak door beide in de steekproef opgenomen Chinese ondernemingen in aanzienlijke hoeveelheden aan niet-verbonden afnemers werd verkocht, waaruit bleek dat het product een handelswaarde heeft. Zij hebben evenmin een alternatieve methode voorgesteld om een benchmark voor het bijproduct ruw cyclohexaan vast te stellen. |
|
(37) |
Bovendien hebben de klagers de verklaring van de Commissie dat het gebruik van een prijsverhouding tussen ruw en zuiver cyclohexaan een passende aanpassingsmethode was, niet weerlegd. Zij hebben met name niet aangetoond dat een dergelijke verhouding wezenlijk zou worden beïnvloed door de in het kader van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening vastgestelde verstoringen. |
|
(38) |
Bij gebrek aan nieuwe argumenten of bewijzen en gezien het feit dat de klagers niet zijn ingegaan op de redenering van de Commissie in de overwegingen 25 tot en met 33 van de voorlopige verordening, heeft de Commissie haar bevindingen bevestigd. |
|
(39) |
Derhalve werden de argumenten van de klagers afgewezen. |
3.2.3.2.
|
(40) |
Zhonghao voerde aan dat de voor stoom gebruikte benchmark onjuist was voor zijn onderneming, aangezien de benchmark was gebaseerd op het gebruik van aardgas voor de productie van stoom, terwijl Zhonghao steenkool gebruikte. Na de mededeling van de voorlopige bevindingen verstrekte de onderneming controleerbaar bewijsmateriaal ter ondersteuning van dit argument. De onderneming heeft met name informatie verstrekt over het soort steenkool dat wordt gebruikt, de calorische waarde ervan, het gebruikspercentage, het soort productieproces dat wordt gebruikt voor de productie van stoom, en bewijs van de technische specificaties ervan, met inbegrip van temperatuur en druk, alsook een aantal andere controleerbare feiten. De Commissie aanvaardde dit argument en gebruikte de verstrekte informatie om de benchmark voor stoom te herberekenen. De resulterende benchmark voor Zhonghao was [250-300] RMB per ton stoom. De dumpingmarges werden opnieuw berekend, rekening houdend met deze nieuwe benchmark. |
|
(41) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen diende Zhonghao verdere opmerkingen in over de benchmark die bij de berekening van de stoomkosten wordt gebruikt voor steenkool. Hoewel de onderneming ingenomen was met de aanvaarding door de Commissie van steenkool als passende warmte-input, stelde zij dat de gehanteerde benchmark ongeschikt bleef, aangezien deze zou zijn gebaseerd op invoergegevens waarin geen onderscheid werd gemaakt tussen verschillende soorten steenkool. |
|
(42) |
Zhonghao voerde met name aan dat de benchmark, die is gebaseerd op invoerstatistieken onder GS-code 2701 12 , zowel cokeskool als thermische steenkool omvat en derhalve de prijs van de daadwerkelijk door de onderneming gebruikte steenkool, die volgens haar uitsluitend thermische steenkool is, overschat. |
|
(43) |
De Commissie merkt eerst en vooral op dat het argument met betrekking tot de specificiteit van de door de onderneming gebruikte benchmark voor steenkool pas in een zeer laat stadium van het onderzoek is ingediend. De onderneming heeft deze kwestie niet aan de orde gesteld na de eerste of de tweede mededeling over de productiefactoren, noch na de mededeling van de voorlopige bevindingen, ondanks het feit dat het methodologische element in kwestie reeds in deze verschillende stadia van het onderzoek aan de onderneming was meegedeeld. De Commissie heeft de argumenten niettemin onderzocht, maar was van oordeel dat zij geen herziening van de methode rechtvaardigen. |
|
(44) |
De Commissie herinnerde eraan dat, bij gebrek aan betrouwbare binnenlandse prijzen wegens het bestaan van verstoringen van betekenis in de zin van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening, de normale waarde uitsluitend moet worden berekend aan de hand van productie- en verkoopkosten waarin niet-verstoorde prijzen of benchmarks tot uitdrukking komen. In dit verband vormen invoerstatistieken uit een geschikt representatief land een passende bron, aangezien zij de overeenkomstige productie- en verkoopkosten in een geschikt representatief land weerspiegelen. |
|
(45) |
De Commissie merkte verder op dat het gebruik van gegevens onder GS-code 2701 12 passend werd geacht, aangezien deze waren geselecteerd als het meest gedetailleerde niveau dat onmiddellijk beschikbaar was in betrouwbare gegevensreeksen. Dat dergelijke gegevens verschillende subcategorieën van producten kunnen omvatten, maakt de benchmark als zodanig niet ongeschikt, met name wanneer gedetailleerdere en constant beschikbare gegevens niet voorhanden zijn. |
|
(46) |
Bovendien heeft Zhonghao niet aangetoond dat de opname van verschillende soorten steenkool in de geselecteerde GS-categorie in de specifieke omstandigheden van deze zaak zou leiden tot een materiële verstoring van de benchmark. De argumenten van de onderneming zijn gebaseerd op algemene verschillen tussen de prijzen van cokes en thermische steenkool op mondiaal niveau, maar tonen niet aan dat de door de Commissie gebruikte specifieke invoergegevens niet representatief zijn voor de soort steenkool die bij de productie van stoom wordt gebruikt. |
|
(47) |
Het voorgestelde alternatief, namelijk de “Pink Sheet” van de Wereldbank (6), vormde volgens de Commissie geen geschiktere benchmark. Hoewel dergelijke gegevens indicatieve internationale prijstendensen te zien geven, zijn zij niet gebaseerd op invoertransacties in een representatief land en weerspiegelen zij mogelijk niet de specifieke productkenmerken, calorische waarden of marktomstandigheden die relevant zijn voor de door de onderneming gebruikte input. |
|
(48) |
Bovendien zou het gebruik van een gemiddelde van geselecteerde internationale prijsreeksen, zoals voorgesteld door Zhonghao, een extra laag van aannames en aanpassingen met zich meebrengen, waardoor de betrouwbaarheid en transparantie van de benchmark in vergelijking met het gebruik van reële invoerstatistieken zou afnemen. |
|
(49) |
Naar aanleiding van het verzoek om aanvullende informatie over de aankoop van steenkool heeft de onderneming opmerkingen ingediend waaruit bleek dat zij in het onderzoektijdvak negen verschillende soorten steenkool had aangekocht. Gezien de diversiteit van de gerapporteerde steenkoolsoorten en het ontbreken van voldoende gedetailleerde en verifieerbare informatie die een onderscheid tussen deze soorten mogelijk zou maken, kon de Commissie echter geen benchmarks voor de specifieke soorten vaststellen. Bij gebrek aan dergelijke informatie en aangezien er geen bewijsmateriaal was verstrekt waaruit bleek dat het gebruik van een gemiddelde benchmark tot een materiële verstoring zou leiden, achtte de Commissie het passend zich te baseren op de aanvankelijk vastgestelde benchmark. |
|
(50) |
Bij gebrek aan voldoende onderbouwd bewijsmateriaal waaruit blijkt dat de door de Commissie gebruikte benchmark ongeschikt is of dat het voorgestelde alternatief betrouwbaarder en representatiever zou zijn, heeft de Commissie het argument afgewezen. |
3.2.3.3.
|
(51) |
Huafon herhaalde zijn argumenten in overweging 101 van de voorlopige verordening dat de benchmark voor water onredelijk hoog was, aangezien deze werd beïnvloed door zowel extreme droogte in Brazilië tijdens het onderzoektijdvak als de privatisering van het waterbedrijf dat door de Commissie werd gebruikt, Companhia de Saneamento Básico do Estado de São Paulo (“SABESP”). De Commissie betwist niet dat sommige regio’s in Brazilië de afgelopen jaren droogten hebben gekend, noch dat SABESP in juli 2024 is geprivatiseerd. Huafon heeft echter opnieuw niet aangetoond dat deze factoren hebben geleid tot een zodanige stijging van de watertarieven dat deze prijzen als onredelijk moeten worden beschouwd met het oog op het gebruik als benchmark in de zin van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening. |
|
(52) |
Uit de artikelen die Huafon in zijn opmerkingen aanhaalt, is niet gebleken dat de droogte of de privatisering tot prijsstijgingen heeft geleid. In het artikel over droogteperioden en bosbranden (7) wordt uitgelegd wat de gevolgen zijn voor de mensen die in het Amazonegebied wonen, met name de vrouwen, en voor hun gewassen en vee. In dat artikel wordt geen melding gemaakt van prijsverhogingen en Huafon verstrekte evenmin andere kwantitatieve bewijzen van prijsverhogingen die de benchmark onredelijk zouden hebben gemaakt. |
|
(53) |
Het aangehaalde artikel over een prijsverhoging na de privatisering van SABESP (8) werd in april 2023 gepubliceerd, dus vóór de privatisering, en staat los van die gebeurtenis. SABESP verhoogt immers doorgaans elk jaar de waterprijs op grond van de “inflatie, een efficiëntiefactor, kwaliteitsindex, tariefherziening en compenserende aanpassing”, zoals in datzelfde artikel staat te lezen. Wat de gevolgen van de privatisering voor de prijzen betreft, verklaarde de minister van Milieu, Infrastructuur en Logistiek van Sao Paulo dat als gevolg van de privatisering de watertarieven waarschijnlijk zouden dalen en dat de deelstaatregering een plafond zou hanteren zodat de kosten voor de bevolking niet zouden stijgen (9). Het door Huafon aangehaalde artikel waarin melding wordt gemaakt van een mogelijke toekomstige stijging van de watertarieven met 200 % dateert van december 2024 en is niet relevant voor het onderzoektijdvak waarop de benchmark is gebaseerd. In werkelijkheid lijkt de eerste prijsverhoging (de regelmatige jaarlijkse prijsverhoging op basis van de inflatie) sinds de privatisering van SABESP pas op 1 januari 2026 te hebben plaatsgevonden, dus na het onderzoektijdvak (10). |
|
(54) |
Om de hierboven uiteengezette redenen zijn de argumenten van Huafon met betrekking tot de benchmark voor water afgewezen. |
|
(55) |
Zhonghao stelde dat de door de Commissie gebruikte benchmark voor water een belasting van 6,9030 % omvatte. De onderneming voerde aan dat deze belasting van de benchmark moest worden afgetrokken, aangezien de waterkosten voor Zhonghao zelf ook zonder belasting werden gerapporteerd. De PIS/Cofins-belasting waarnaar Zhonghao verwees, was echter een belasting die daadwerkelijk door de waterbedrijven werd betaald en niet kon worden terugbetaald of teruggegeven. De prijs die in Brazilië voor water moest worden betaald, was dus de prijs inclusief deze belasting. |
|
(56) |
Op grond daarvan heeft de Commissie het argument van Zhonghao afgewezen. |
3.2.3.4.
|
(57) |
Huafon herhaalde zijn argument uit overweging 99 van de voorlopige verordening dat de door de Commissie gebruikte benchmark voor arbeid onsamenhangend, onredelijk en onbetrouwbaar was, aangezien deze gebaseerd was op meerdere databanken en op nationale statistische gegevens van 2023. Volgens de onderneming had de Commissie de databank van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) voor 2024 moeten gebruiken in plaats van de statistieken van het IBGE (Instituto Brasileiro de Geografia a Estatistica) voor 2023, bijgewerkt met de producentenprijsindex, en had zij voor het gemiddelde aantal werkuren te rade moeten gaan bij de IAO. Huafon voerde aan dat het gebruik van slechts één databank als bron van lonen en gewerkte uren een meer samenhangende benadering zou zijn, waarbij het in dit verband verwees naar een eerder onderzoek van de Commissie waarin een verklaring in die zin werd afgelegd. |
|
(58) |
Bij het door Huafon aangehaalde onderzoek (met betrekking tot bepaalde alkylfosfaatesters) werd echter precies dezelfde methode gebruikt als bij het huidige en andere onderzoeken (11): gegevens van het IBGE over lonen, bijgewerkt met een prijsindex en gebruikmakend van werkuren zoals verstrekt door de IAO. In de zaak van de alkylfosfaatesters werd uitgelegd dat het gebruik van IBGE-gegevens, hoewel verouderd en daarom bijgewerkt met een prijsindex, in combinatie met IAO-gegevens betrouwbaarder werd geacht dan het gebruik van alleen IAO-gegevens (12). De door de IAO verstrekte gegevens waren niet even gedetailleerd als die van het IBGE, aangezien zij gegevens voor de gehele productiesector samenvoegt, ongeacht de omvang en de subgroep van de activiteiten van de ondernemingen, en de Commissie achtte het IBGE derhalve een betrouwbaardere bron van gegevens voor het vaststellen van de niet-verstoorde loonkosten. In het onderhavige onderzoek werd een soortgelijke redenering gevolgd voor het gebruik van gegevens van het IBGE: in de IAO-databank werden gegevens voor de gehele chemische sector samengevoegd, terwijl de gegevens van het IBGE specifiek waren voor organische chemische stoffen, waaronder adipinezuur. Bovendien waren in de dataset van de IAO geen elementen opgenomen zoals het feit dat Braziliaanse werknemers dertien maanden loon per arbeidsjaar ontvingen of volledige sociale aanpassingen. |
|
(59) |
Op grond daarvan heeft de Commissie dit argument afgewezen. |
3.2.3.5.
|
(60) |
Na de mededeling van de voorlopige bevindingen constateerde de Commissie twee verschrijvingen in de berekening van de benchmark voor aardgas. Na correctie daarvan bedroeg de resulterende benchmark 4,25 CNY per m3 aardgas. De dumpingmarges werden opnieuw berekend, rekening houdend met deze nieuwe benchmark. |
3.3. Uitvoerprijs
|
(61) |
Aangezien er geen opmerkingen over de uitvoerprijs zijn ontvangen, worden de bevindingen in de overwegingen 130 tot en met 132 van de voorlopige verordening bevestigd. |
3.4. Vergelijking
|
(62) |
Huafon herhaalde zijn in het voorlopige stadium aangevoerde en in punt 3.5.1 van de voorlopige verordening behandelde argument dat, met het oog op een billijke vergelijking, de distributiekosten in mindering moesten worden gebracht op de VAA-kosten van de representatieve producent. Huafon verklaarde dat de aanhef van artikel 2, lid 10, van de basisverordening de verplichting om een billijke vergelijking te waarborgen ondubbelzinnig oplegt aan de onderzoekende instantie, d.w.z. de Commissie. Volgens Huafon stond het dus aan de Commissie om aan te tonen dat de VAA-uitgaven geen distributiekosten omvatten. |
|
(63) |
De Commissie merkte op dat de aanhef van artikel 2, lid 10, van de basisverordening weliswaar vereist dat de Commissie een billijke vergelijking maakt, maar dat de bewijslast voor de correcties die moeten worden toegepast om tot een dergelijke billijke vergelijking te komen, berust bij de partijen die om dergelijke correcties verzoeken. Huafon heeft dit in zijn opmerkingen erkend. Daarom blijft de partij die om een correctie van de VAA-kosten voor distributiekosten verzoekt, logischerwijs verplicht om aan te tonen dat de Commissie dergelijke kosten had opgenomen in de VAA-kosten die voor de berekening van de normale waarde zijn gebruikt. |
|
(64) |
Volgens Huafon omvat de rubriek “Receitas (despesas) operacionais” in de jaarrekening van Rhodia Brasil “doorgaans” distributiekosten. Huafon heeft echter niet aangetoond dat de door de Commissie gebruikte VAA-kosten daadwerkelijk distributiekosten omvatten en dat de distributiekosten niet tot het stadium af fabriek behoren. Huafon heeft evenmin aangetoond dat de door de Commissie gebruikte VAA-kosten zouden leiden tot een bedrag voor VAA-kosten dat niet “redelijk” zou zijn in dat handelsstadium in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening. Daarom waren er geen correcties nodig om de normale waarde terug te rekenen tot het stadium af fabriek. Dit argument werd daarom van de hand gewezen. |
3.5. Dumpingmarges
|
(65) |
Zoals beschreven in de overwegingen 40 en 60, heeft de Commissie de dumpingmarges naar aanleiding van argumenten van belanghebbenden herzien. |
|
(66) |
De definitieve dumpingmarges, uitgedrukt als een percentage van de cif-prijs (kosten, verzekering en vracht) grens Unie, vóór inklaring, zijn als volgt:
|
4. SCHADE
4.1. Omschrijving van de bedrijfstak van de Unie en de productie in de Unie
|
(67) |
Aangezien er geen opmerkingen over de bedrijfstak van de Unie, de productie in de Unie en de vaststelling van de relevante markt van de Unie zijn ontvangen, worden de overwegingen 147 tot en met 154 van de voorlopige verordening bevestigd. |
4.2. Verbruik in de Unie
|
(68) |
Aangezien er geen opmerkingen over het verbruik in de Unie zijn ontvangen, worden de overwegingen 155 tot en met 159 van de voorlopige verordening bevestigd. |
4.3. Invoer uit het betrokken land
4.3.1. Volume en marktaandeel van de invoer uit de VRC
|
(69) |
Aangezien er geen opmerkingen over de invoer uit het betrokken land zijn ontvangen, worden de overwegingen 160 tot en met 162 van de voorlopige verordening bevestigd. |
4.3.2. Prijzen van de invoer uit de VRC en prijsonderbieding
|
(70) |
Aangezien er geen opmerkingen over de prijsonderbieding en verhindering van een prijsverhoging door de invoer uit de VRC zijn ontvangen, worden de overwegingen 163 tot en met 169 van de voorlopige verordening bevestigd. |
4.4. Economische situatie van de bedrijfstak van de Unie
4.4.1. Algemene opmerkingen
|
(71) |
Aangezien er geen opmerkingen met betrekking tot de algemene opmerkingen over het schadeonderzoek zijn ontvangen, worden de overwegingen 170 tot en met 174 van de voorlopige verordening bevestigd. |
4.4.2. Macro-economische indicatoren
4.4.2.1.
|
(72) |
COIM herhaalde zijn bij de opening van het onderzoek ingediende en reeds in overweging 177 van de voorlopige verordening behandelde argument dat de bedrijfstak van de Unie niet over voldoende productiecapaciteit beschikte om aan de totale vraag naar adipinezuur in de Unie te voldoen. COIM voerde aan dat de Commissie in overweging 177 van de voorlopige verordening heeft aangegeven dat de totale productiecapaciteit in 2022 met ongeveer 100 000 ton was gedaald, zonder te specificeren aan welke producent in de Unie deze daling kon worden toegeschreven. Aangezien een van de producenten in de Unie, BASF, in februari 2023 publiekelijk een inkrimping van zijn adipinezuurproductie van dezelfde omvang heeft aangekondigd, uitte COIM twijfels over de juistheid van de raming van de capaciteit waaruit reeds in 2022 een daling bleek. Bovendien stelde COIM dat de Commissie bij haar beoordeling van de onwaarschijnlijkheid van leveringstekorten geen rekening had gehouden met een belangrijke ontwikkeling, namelijk de aangekondigde sluiting van de fabriek van BASF in Ludwigshafen vanaf eind 2025, waardoor de productiecapaciteit van de Unie aanzienlijk en permanent zal dalen. |
|
(73) |
De Commissie herinnerde eraan dat de capaciteit van de bedrijfstak van de Unie werd vastgesteld op basis van de geaggregeerde gegevens uit de antwoorden op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie en andere producenten in de Unie, waaronder BASF. De openbaar beschikbare informatie waarop COIM zich beroept, is niet in tegenspraak met de cijfers in de voorlopige verordening, met name de algemene trend en de omvang van de daling van de productiecapaciteit tijdens de beoordelingsperiode. |
|
(74) |
Wat de aangekondigde sluiting van de fabriek van BASF in Ludwigshafen tegen eind 2025 betreft, moet worden opgemerkt dat de Commissie niet over gecontroleerde informatie beschikt met betrekking tot de ontwikkeling van de macro-indicatoren, waaronder het verbruik in de Unie, aangezien deze periode buiten het onderzoektijdvak valt. Volgens openbaar beschikbare informatie (13) heeft de in 2025 gemelde sluiting echter niet alleen gevolgen voor de productie van adipinezuur, maar ook voor die van de downstreamproducten ervan, namelijk cyclododecanon (CDon) en cyclopentanon (CPon). Aangezien het grootste deel van de productie van BASF [in de orde van grootte van 60 % tot 70 %] gedurende de gehele beoordelingsperiode bestemd was voor intern gebruik/interne verkoop, mag worden aangenomen dat de vraag in de Unie na de sluiting van de fabriek navenant zou dalen. Uitgaande van een daling van het verbruik in de Unie die gelijk is aan het interne gebruik/de interne verkoop zoals gemeld door BASF in 2024, wordt aangenomen dat de overige producenten in de Unie nog steeds in staat zouden moeten zijn het volledige geraamde verbruik in de Unie te dekken. Zelfs in de veronderstelling dat het verbruik in de Unie ongewijzigd blijft, zou de resterende bedrijfstak van de Unie nog steeds in staat zijn het overgrote deel van het geraamde verbruik in de Unie te dekken. In dit verband merkte de Commissie op dat COIM geen bewijsmateriaal heeft verstrekt waaruit blijkt dat de sluiting van de fabriek van BASF tot leveringstekorten zou leiden. Bovendien zijn er, zoals aangetoond in punt 5.2.1 van de voorlopige verordening, ook alternatieve bronnen van adipinezuur uit andere derde landen, zoals Brazilië, Zuid-Korea en de VS, beschikbaar. Tot slot wordt in het licht van het bescheiden niveau van de rechten en de beschikbare reservecapaciteit in de VRC verwacht dat de invoer uit de VRC in de Unie na de instelling van de rechten zal worden voortgezet. Op basis van het bovenstaande bleef de Commissie derhalve bij haar bevindingen over de productiecapaciteit van de bedrijfstak van de Unie in de beoordelingsperiode, zoals uiteengezet in de overwegingen 175 tot en met 178 van de voorlopige verordening. Wat de periode vanaf 2025 betreft, was de Commissie van oordeel dat het bewijsmateriaal in het dossier het argument inzake leveringstekorten niet ondersteunt, zelfs niet bij de ruimste raming van het verbruik in de Unie. |
4.4.2.2.
|
(75) |
Aangezien er geen opmerkingen over verkoopvolume en marktaandeel zijn ontvangen, worden de overwegingen 179 tot en met 183 van de voorlopige verordening bevestigd. |
4.4.2.3.
|
(76) |
Aangezien er geen opmerkingen over groei zijn ontvangen, wordt overweging 184 van de voorlopige verordening bevestigd. |
4.4.2.4.
|
(77) |
Aangezien geen opmerkingen over werkgelegenheid en productiviteit zijn ontvangen, worden de overwegingen 185 tot en met 187 van de voorlopige verordening bevestigd. |
4.4.2.5.
|
(78) |
Aangezien hierover geen opmerkingen zijn ontvangen, worden de overwegingen 188 en 189 van de voorlopige verordening bevestigd. |
4.4.3. Micro-economische indicatoren
4.4.3.1.
|
(79) |
Aangezien er geen opmerkingen over prijzen en kosten per eenheid van de bedrijfstak van de Unie zijn ontvangen, worden de overwegingen 190 tot en met 193 van de voorlopige verordening bevestigd. |
4.4.3.2.
|
(80) |
Aangezien er geen opmerkingen over loonkosten zijn ontvangen, worden de overwegingen 194 en 195 van de voorlopige verordening bevestigd. |
4.4.3.3.
|
(81) |
Aangezien er geen opmerkingen over voorraden zijn ontvangen, worden de overwegingen 196 en 197 van de voorlopige verordening bevestigd. |
4.4.3.4.
|
(82) |
Aangezien er geen opmerkingen over de financiële indicatoren zijn ontvangen, worden de overwegingen 198 tot en met 203 van de voorlopige verordening bevestigd. |
4.5. Conclusie over schade
|
(83) |
Aangezien er geen verdere opmerkingen over de conclusie over schade zijn ontvangen, worden de overwegingen 204 tot en met 207 van de voorlopige verordening bevestigd. |
5. OORZAKELIJK VERBAND
5.1. Gevolgen van de invoer met dumping
|
(84) |
Aangezien er geen opmerkingen over de gevolgen van de invoer met dumping zijn ontvangen, worden de overwegingen 208 tot en met 212 van de voorlopige verordening bevestigd. |
5.2. Invoer uit derde landen
|
(85) |
Aangezien er geen opmerkingen over de invoer uit derde landen zijn ontvangen, worden de overwegingen 213 tot en met 216 van de voorlopige verordening bevestigd. |
5.3. Uitvoerprestatie van de bedrijfstak van de Unie
|
(86) |
Aangezien er geen opmerkingen over de uitvoerprestatie van de bedrijfstak van de Unie zijn ontvangen, worden de overwegingen 217 tot en met 219 van de voorlopige verordening bevestigd. |
5.4. Kostenstijgingen van grondstoffen en energieprijzen
|
(87) |
Aangezien er geen opmerkingen over kostenstijgingen zijn ontvangen, worden de overwegingen 220 tot en met 222 van de voorlopige verordening bevestigd. |
5.5. Verbruik
|
(88) |
Aangezien er geen opmerkingen over het oorzakelijk verband zijn ontvangen, worden de overwegingen 223 tot en met 230 van de voorlopige verordening bevestigd. |
5.6. Conclusie inzake het oorzakelijk verband
|
(89) |
Aangezien hierover geen opmerkingen zijn ontvangen, worden de overwegingen 231 tot en met 233 van de voorlopige verordening bevestigd. |
6. NIVEAU VAN DE MAATREGELEN
|
(90) |
Aangezien hierover geen opmerkingen zijn ontvangen, worden de overwegingen 234 tot en met 236 van de voorlopige verordening bevestigd. |
6.1. Prijsbederfmarge
|
(91) |
Aangezien er geen opmerkingen over de prijsbederfmarge zijn ontvangen, worden de overwegingen 237 tot en met 245 van de voorlopige verordening bevestigd. |
6.2. Onderzoek van de marge die toereikend is om de schade voor de bedrijfstak van de Unie weg te nemen
|
(92) |
Aangezien er geen opmerkingen zijn ontvangen over het onderzoek van de marge die toereikend is om de schade weg te nemen, worden de overwegingen 246 en 247 van de voorlopige verordening bevestigd. |
6.3. Conclusie inzake het niveau van de maatregelen
|
(93) |
Na bovenstaande beoordeling moeten de definitieve antidumpingrechten overeenkomstig artikel 7, lid 2, van de basisverordening als volgt worden vastgesteld:
|
7. BELANG VAN DE UNIE
|
(94) |
Aangezien hierover geen opmerkingen zijn ontvangen, wordt overweging 249 van de voorlopige verordening bevestigd. |
7.1. Belang van de bedrijfstak van de Unie
|
(95) |
Aangezien er geen opmerkingen over het belang van de bedrijfstak van de Unie zijn ontvangen, worden de overwegingen 250 tot en met 254 van de voorlopige verordening bevestigd. |
7.2. Belang van niet-verbonden importeurs en handelaren
|
(96) |
Aangezien er geen opmerkingen over het belang van de niet-verbonden importeurs zijn ontvangen, worden de overwegingen 255 tot en met 261 van de voorlopige verordening bevestigd. |
7.3. Belang van gebruikers, consumenten of leveranciers
|
(97) |
COIM voerde aan dat de Commissie bij haar beoordeling van het belang van de Unie de toenemende concentratie van de bedrijfstak van de Unie buiten beschouwing heeft gelaten. COIM betoogde dat als gevolg van recente ontwikkelingen het aantal producenten in de Unie en daarmee de bevoorradingsbronnen op een reeds sterk geconcentreerde markt zijn verminderd. In dit verband vermeldde COIM de sluiting van de fabriek van BASF in Ludwigshafen in 2025, de afronding van de overname door BASF van de resterende aandelen van DOMO Chemicals in hun joint venture, Alsachimie JV, en de overname van Radici door Lone Star, een private-equityonderneming. Als gevolg daarvan is het aantal producenten in de Unie in 2025 afgenomen van vier in het onderzoektijdvak tot drie daarna. |
|
(98) |
COIM verklaarde ook dat de conclusie van de Commissie in overweging 267 van de voorlopige verordening, namelijk dat gebruikers gemiddeld winstgevend zijn en zij dat zelfs op het hoogste niveau van de rechten zouden blijven en daarom in staat zouden moeten zijn de prijsstijgingen te absorberen, onvoldoende werd toegelicht en niet werd onderbouwd. COIM stelde met name dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met de concurrentienadelen waarmee gebruikers in de Unie zouden worden geconfronteerd in vergelijking met producenten in derde landen. In dit verband herhaalde COIM zijn argumenten over de negatieve gevolgen die rechten zouden hebben voor het concurrentievermogen van gebruikers op de markt voor downstreamproducten, zoals beschreven in overweging 264 van de voorlopige verordening. |
|
(99) |
Wat de concentratie op de markt van de Unie betreft, was de Commissie van oordeel dat dit argument niet was onderbouwd, aangezien de onderneming geen bewijsmateriaal heeft verstrekt tot staving van het argument dat de daling van vier naar drie producenten in de Unie negatieve gevolgen zou hebben voor de belangen van de gebruikers, afgezien van de vermindering van de beschikbare capaciteit, die reeds is behandeld in punt 4.4.2.1. In dit verband was de Commissie van oordeel dat de daling van het aantal producenten in de Unie van vier naar drie op zich geen aanwijzing was op basis waarvan kon worden vastgesteld dat de instelling van rechten in strijd was met het belang van de Unie. |
|
(100) |
Integendeel, de Commissie was van oordeel dat deze veranderingen een gevolg zijn van de economische moeilijkheden die de bedrijfstak van de Unie ondervond als gevolg van de oneerlijke concurrentie door de invoer met dumping uit de VRC. De huidige reorganisaties en overnames weerspiegelen de inspanningen van de bedrijfstak van de Unie om zich aan te passen en concurrerend te blijven, en zijn dus een indicatie van zijn veerkracht. |
|
(101) |
Wat de analyse van de situatie van de gebruikers en die van de downstreammarkt betreft, heeft de Commissie, zoals uiteengezet in de overwegingen 262 en 263 van de voorlopige verordening, rekening gehouden met alle door de gebruikers verstrekte informatie die een gedetailleerde beoordeling van de gevolgen van de maatregelen mogelijk maakte. Uit de analyse van zeven antwoorden op de vragenlijst (die ongeveer 91 % van het invoervolume van het betrokken product van meewerkende gebruikers vertegenwoordigen), met inbegrip van die van COIM, is gebleken dat zelfs indien de prijs van adipinezuur met de residuele rechten zou worden verhoogd (en ervan uitgaande dat de gebruikers vergelijkbare volumes als in het onderzoektijdvak in de VRC zullen blijven kopen), de gebruikers gemiddeld nog steeds winstgevend zullen blijven voor de producten die adipinezuur bevatten. Er bestaat een grote verscheidenheid aan producten die adipinezuur bevatten en de gevolgen van de maatregelen kunnen van product tot product verschillen; de vaststelling of het belang van de Unie ingrijpen noodzakelijk maakt, is evenwel gebaseerd op een beoordeling van alle verschillende belangen als geheel genomen, waaronder de belangen van de bedrijfstak van de Unie en de gebruikers of importeurs. Zoals uiteengezet in overweging 269 van de voorlopige verordening, zullen de gebruikers weliswaar te maken krijgen met een stijging van hun kosten, met name wanneer zij adipinezuur uit de VRC blijven betrekken, maar is het onwaarschijnlijk dat deze maatregelen ertoe zullen leiden dat zij verliesgevend worden, terwijl het niet instellen van maatregelen de bedrijfstak van de Unie naar alle waarschijnlijkheid volledig van de markt zou verdrijven, wat zou leiden tot afhankelijkheid van de invoer uit de VRC, wat duidelijk tegen het belang van de Unie indruist. De argumenten van COIM werden derhalve afgewezen. |
|
(102) |
In het licht van het bovenstaande en aangezien er geen verdere argumenten zijn aangevoerd, worden de overwegingen 262 tot en met 269 bevestigd. |
7.4. Conclusie betreffende het belang van de Unie
|
(103) |
Op basis van het bovenstaande bevestigt de Commissie de conclusie in overweging 270 van de voorlopige verordening dat er geen dwingende redenen waren waaruit bleek dat het niet in het belang van de Unie was om maatregelen in te stellen ten aanzien van de invoer van adipinezuur van oorsprong uit de VRC. |
7.5. Verzoek om vrijstelling onder de regeling bijzondere bestemming
|
(104) |
Allnex heeft op grond van artikel 254 van het douanewetboek van de Unie (14) verzocht om een vrijstelling in het kader van de regeling bijzondere bestemming voor het gebruik van adipinezuur voor de productie van polyesterharsen voor poederlakken. |
|
(105) |
Allnex stelde dat er bij de productie van polyesterharsen voor poederlakken geen goed alternatief is voor adipinezuur en dat rechten onevenredige schade zouden toebrengen aan downstreamproducenten, die voornamelijk kleine en middelgrote ondernemingen zijn. Allnex betoogde dat er op basis van marktonderzoeksgegevens talrijke nieuwe antidumpingonderzoeken naar andere chemische grondstoffen in voorbereiding waren, waarvan het gecombineerde effect de winstgevendheid van Allnex zou uithollen. Allnex legde ook uit dat de bescherming van producenten van polyesterharsen voor poederlakken zou stroken met het duurzaamheidsbeleid van de EU, aangezien dit product een hoeksteen is van milieuvriendelijke oppervlakteafwerking, omdat het een vernevelbaar, energie-efficiënt en terugwinbaar product met een laag VOS-gehalte betreft. Tot slot voerde Allnex ook aan dat een vrijstelling in het kader van de regeling bijzondere bestemming voor polyesterharsen voor poederlakken de doeltreffendheid van de rechten niet zou ondermijnen, aangezien deze harsen slechts een zeer klein deel van de totale vraag naar adipinezuur in de Unie vertegenwoordigen. |
|
(106) |
De Commissie heeft de door Allnex verstrekte informatie en bewijzen geanalyseerd en vastgesteld dat Allnex voor de productie van polyesterharsen voor poederlakken geen speciale kwaliteit/soort adipinezuur nodig heeft en deze dus bij een producent in de Unie of in een ander derde land kan betrekken. Er was met andere woorden geen bewijs dat Allnex adipinezuur alleen uit de VRC of bij een specifieke leverancier kon betrekken. Bovendien heeft de Commissie op basis van de analyse van de antwoorden op de vragenlijst en de opmerkingen tijdens de hoorzitting vastgesteld dat de op adipinezuur ingestelde rechten maar een beperkt effect zouden hebben op de winstgevendheid van Allnex. In dit verband is het belangrijk te verduidelijken dat de conclusies van het huidige antidumpingonderzoek (zoals bij alle antidumpingonderzoeken) moeten worden gebaseerd op het beschikbare (en controleerbare) bewijsmateriaal in het dossier. Daarom was de Commissie van oordeel dat de vermeende gevolgen van mogelijke toekomstige onderzoeken en van bredere beleidsdoelstellingen van de Unie louter hypothetisch waren en niet waren onderbouwd met controleerbaar bewijsmateriaal. Als zodanig konden deze overwegingen bij de analyse van de gevolgen van de rechten niet in aanmerking worden genomen. Daarom heeft de Commissie het verzoek om vrijstelling in het kader van de regeling bijzondere bestemming afgewezen. |
|
(107) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen herhaalde Allnex zijn verzoek om vrijstelling in het kader van de regeling bijzondere bestemming met dezelfde argumenten als eerder aangevoerd en beschreven in overweging 105. Daarnaast merkte Allnex op dat de Commissie zijn alternatieve voorstel voor een quotaregeling niet heeft behandeld. |
|
(108) |
Wat het verzoek om vrijstelling in het kader van de regeling bijzondere bestemming betreft, is de Commissie van mening dat er geen nieuwe argumenten zijn aangevoerd die de belangrijkste bevindingen van haar beoordeling in overweging 106, op basis waarvan dit argument werd afgewezen, zouden ontkrachten. De Commissie blijft dan ook bij dit standpunt. Aangaande het voorstel voor een quotaregeling, concludeerde de Commissie, zoals uiteengezet in overweging 103, dat er geen dwingende redenen waren waaruit bleek dat het niet in het belang van de Unie was om antidumpingrechten in te stellen op adipinezuur van oorsprong uit de VRC. In dit verband heeft de Commissie ook de situatie van gebruikers en importeurs onderzocht, zoals in detail uiteengezet in punt 7.3 van de voorlopige verordening, die derhalve geen differentiatie van de rechten in de vorm van quota rechtvaardigt. Het argument werd dan ook van de hand gewezen. |
8. DEFINITIEVE ANTIDUMPINGMAATREGELEN
8.1. Definitieve maatregelen
|
(109) |
In het licht van de conclusies inzake dumping, schade, het oorzakelijk verband, de hoogte van de maatregelen en het belang van de Unie, en overeenkomstig artikel 9, lid 4, van de basisverordening, moeten definitieve antidumpingmaatregelen worden ingesteld om te voorkomen dat de bedrijfstak van de Unie nog meer schade lijdt door de invoer met dumping van het betrokken product. |
|
(110) |
Gezien het voorgaande moeten de definitieve antidumpingrechten, uitgedrukt in cif-prijs grens Unie, vóór inklaring, als volgt worden vastgesteld:
|
|
(111) |
De bij deze verordening voor de afzonderlijke ondernemingen vastgestelde individuele antidumpingrechten zijn gebaseerd op de bevindingen van dit onderzoek. Daarin wordt derhalve de situatie weerspiegeld die bij het onderzoek voor die ondernemingen werd geconstateerd. Deze rechten zijn derhalve uitsluitend van toepassing op het onderzochte product van oorsprong uit het betrokken land en geproduceerd door de genoemde juridische entiteiten. Deze rechten zijn niet van toepassing op de invoer van het betrokken product indien dat is vervaardigd door andere, niet specifiek in het dispositief van deze verordening genoemde ondernemingen, ook al gaat het hierbij om entiteiten die verbonden zijn met de specifiek genoemde ondernemingen; op die producten is het recht van toepassing dat geldt voor “alle overige invoer van oorsprong uit de Volksrepubliek China”. |
|
(112) |
Een onderneming die later haar naam wijzigt, kan verzoeken om verdere toepassing van deze individuele antidumpingrechten. Dit verzoek moet worden ingediend bij de Commissie (15). Het moet alle relevante informatie bevatten waaruit blijkt dat de wijziging geen invloed heeft op het recht van de onderneming om in aanmerking te komen voor het recht dat op haar van toepassing is. Als de naamswijziging van de onderneming niet van invloed is op haar recht om in aanmerking te komen voor het recht dat op haar van toepassing is, zal een verordening over de naamswijziging worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie. |
|
(113) |
Om het risico van ontwijking als gevolg van het verschil in rechten zo veel mogelijk te beperken, zijn speciale maatregelen nodig om de correcte toepassing van de individuele antidumpingrechten te garanderen. De heffing van individuele antidumpingrechten is enkel van toepassing indien aan de douaneautoriteiten van de lidstaten een geldige handelsfactuur wordt overgelegd. Deze factuur moet voldoen aan de in artikel 1, lid 3, van deze verordening vastgestelde vereisten. Totdat een dergelijke factuur wordt overgelegd, moet de invoer worden onderworpen aan het antidumpingrecht dat van toepassing is op “alle overige invoer van oorsprong uit de Volksrepubliek China”. |
|
(114) |
Hoewel de douaneautoriteiten van de lidstaten over deze factuur moeten beschikken om ten aanzien van de invoer de individuele antidumpingrechten te kunnen toepassen, is overlegging van die factuur niet de enige factor waarmee de douaneautoriteiten rekening moeten houden. Zelfs als aan hen een factuur wordt overgelegd die voldoet aan alle vereisten van artikel 1, lid 3, van deze verordening, moeten de douaneautoriteiten van de lidstaten namelijk hun gebruikelijke controles uitvoeren en kunnen zij, net als in alle andere gevallen, aanvullende documenten (vervoersdocumenten enz.) verlangen om de juistheid van de gegevens in de aangifte te controleren en te waarborgen dat het recht vervolgens terecht wordt toegepast, in overeenstemming met de douanewetgeving. |
|
(115) |
Indien de uitvoer door een van de ondernemingen waarvoor een lager individueel recht geldt aanzienlijk toeneemt, met name na de instelling van de maatregelen in kwestie, kan dit op zich worden beschouwd als een verandering in de structuur van het handelsverkeer als gevolg van de instelling van maatregelen in de zin van artikel 13, lid 1, van de basisverordening. In dergelijke omstandigheden kan een onderzoek naar ontwijking worden geopend, mits aan de voorwaarden daarvoor is voldaan. Hierbij kan onder meer worden onderzocht of het nodig is de individuele rechten in te trekken en een voor het gehele land geldend recht in te stellen. |
|
(116) |
Om een goede toepassing van de antidumpingrechten te garanderen, moet het antidumpingrecht dat is vastgesteld voor “alle overige invoer van oorsprong uit de Volksrepubliek China” niet alleen gelden voor de producenten-exporteurs die in het kader van dit onderzoek niet hebben meegewerkt, maar ook voor de producenten die in het onderzoektijdvak geen producten naar de Unie hebben uitgevoerd. |
|
(117) |
Producenten-exporteurs die het betrokken product tijdens het onderzoektijdvak niet naar de Unie hebben uitgevoerd, moeten de Commissie kunnen verzoeken om toepassing van het antidumpingrecht voor niet in de steekproef opgenomen meewerkende ondernemingen. De Commissie moet een dergelijk verzoek inwilligen mits aan drie voorwaarden wordt voldaan. De nieuwe producent-exporteur moet aantonen dat: i) hij het betrokken product tijdens het onderzoektijdvak niet naar de Unie heeft uitgevoerd; ii) hij niet verbonden is met een producent-exporteur die dat wel heeft gedaan; en iii) hij het betrokken product daarna heeft uitgevoerd of een onherroepelijke contractuele verplichting is aangegaan om dit in aanzienlijke hoeveelheden te doen. |
8.2. Definitieve inning van het voorlopige recht
|
(118) |
Gezien de hoogte van de vastgestelde dumpingmarges en de ernst van de schade die de bedrijfstak van de Unie heeft geleden, moeten de bedragen die uit hoofde van de bij de voorlopige verordening ingestelde voorlopige antidumpingrechten als zekerheid zijn gesteld, definitief worden geïnd tot het bij de onderhavige verordening vastgestelde niveau. |
8.3. Inning met terugwerkende kracht
|
(119) |
Zoals vermeld in punt 1.2, heeft de Commissie de invoer van het onderzochte product aan registratie onderworpen. |
|
(120) |
In het definitieve stadium van het onderzoek zijn de in het kader van de registratie verzamelde gegevens beoordeeld. De Commissie heeft onderzocht of aan de criteria van artikel 10, lid 4, van de basisverordening voor de inning van definitieve rechten met terugwerkende kracht is voldaan. |
|
(121) |
Overeenkomstig artikel 10, lid 4, punt d), van de basisverordening houdt een van de voorwaarden voor de inning van rechten met terugwerkende kracht in dat er naast de invoer die in het onderzoektijdvak schade heeft veroorzaakt, een verdere aanzienlijke toename van invoer wordt vastgesteld. Uit de analyse van de Commissie bleek echter dat er geen verdere aanzienlijke toename van de invoer was naast de invoer die in het onderzoektijdvak schade heeft veroorzaakt. Voor deze analyse heeft de Commissie de maandelijkse gemiddelde invoer van het betrokken product in de periode vanaf de maand na de opening van dit onderzoek tot de laatste volledige maand voorafgaand aan de instelling van de voorlopige maatregelen (d.w.z. van april tot en met oktober 2025) vergeleken met de gemiddelde invoer in dezelfde periode van het onderzoektijdvak (d.w.z. van april tot en met oktober 2024). Uit de vergelijking bleek dat het invoervolume was gedaald van gemiddeld 9 621 ton/maand tot 7 774 ton/maand. Soortgelijke trends werden vastgesteld bij vergelijking van de maandelijkse gemiddelde invoer in de periode van april tot en met oktober 2025 met de totale gemiddelde maandelijkse invoer gedurende het gehele onderzoektijdvak, waarbij de gemiddelde invoer daalde van 8 590 ton/maand in het onderzoektijdvak tot 7 774 ton/maand. |
|
(122) |
De Commissie concludeerde derhalve dat niet was voldaan aan een van de wettelijke voorwaarden voor de inning van het definitieve recht met terugwerkende kracht voor de periode waarin de invoer werd geregistreerd. |
9. SLOTBEPALING
|
(123) |
Indien een bedrag moet worden terugbetaald naar aanleiding van een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, geldt ingevolge artikel 109 van Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad (16) als rentevoet de rente die de Europese Centrale Bank voor haar basisherfinancieringstransacties hanteert, zoals bekendgemaakt in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie op de eerste kalenderdag van elke maand. |
|
(124) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) 2016/1036 ingestelde comité, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op adipinezuur, momenteel ingedeeld onder de GN-code 2917 12 00 (Taric-code 2917 12 00 10), van oorsprong uit de Volksrepubliek China.
2. Het definitieve antidumpingrecht dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, van de in lid 1 genoemde en door de hieronder vermelde ondernemingen vervaardigde producten is als volgt:
|
Onderneming |
Definitief antidumpingrecht |
Aanvullende Taric-code |
|
Chongqing Huafon Chemical Co., Ltd |
29,1 % |
89ZW |
|
Tangshan Zhonghao Chemical Co., Ltd |
42,3 % |
89ZX |
|
Andere meewerkende ondernemingen opgenomen in de bijlage |
31,5 % |
Zie bijlage |
|
Alle overige invoer van oorsprong uit de Volksrepubliek China |
42,3 % |
8999 |
3. De individuele rechten die zijn vastgesteld voor de in lid 2 vermelde ondernemingen zijn uitsluitend van toepassing indien aan de douaneautoriteiten van de lidstaten een geldige handelsfactuur wordt overgelegd die een verklaring bevat die is gedateerd en ondertekend door een met naam en functie geïdentificeerde medewerker van de entiteit die deze factuur heeft opgesteld, en die als volgt luidt: “Ondergetekende verklaart dat de (volume in de door ons gebruikte eenheid) (betrokken product) die naar de Europese Unie wordt uitgevoerd en waarop deze factuur betrekking heeft, is vervaardigd door (naam en adres van de onderneming) (aanvullende Taric-code) in [betrokken land]. Ondergetekende verklaart dat de in deze factuur verstrekte informatie juist en volledig is.” Totdat een dergelijke factuur wordt overgelegd, geldt het recht dat van toepassing is op alle overige invoer van oorsprong uit de Volksrepubliek China.
4. Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.
Artikel 2
De bedragen die uit hoofde van het voorlopige antidumpingrecht als zekerheid zijn gesteld op grond van Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2287 worden definitief geïnd. De bedragen die als zekerheid zijn gesteld en die het bedrag van het definitieve antidumpingrecht overschrijden, worden vrijgegeven.
Artikel 3
Artikel 1, lid 2, kan worden gewijzigd om nieuwe producenten-exporteurs uit de VRC toe te voegen en hen te onderwerpen aan het passende gewogen gemiddelde antidumpingrecht voor niet in de steekproef opgenomen meewerkende ondernemingen. Een nieuwe producent-exporteur moet met bewijs aantonen dat:
|
a) |
hij de in artikel 1, lid 1, beschreven goederen tijdens het onderzoektijdvak (1.1.2024 tot en met 31.12.2024) niet heeft uitgevoerd; |
|
b) |
hij niet verbonden is met een exporteur of producent op wie de bij deze verordening ingestelde maatregelen van toepassing zijn, en die aan het oorspronkelijke onderzoek hadden kunnen meewerken, en |
|
c) |
hij het betrokken product na het verstrijken van het onderzoektijdvak daadwerkelijk naar de Unie heeft uitgevoerd dan wel een onherroepelijke contractuele verplichting is aangegaan om een aanzienlijke hoeveelheid naar de Unie uit te voeren. |
Artikel 4
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 4 mei 2026.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 176 van 30.6.2016, blz. 21, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2016/1036/oj.
(2) Bericht van inleiding van een antidumpingprocedure betreffende de invoer van adipinezuur van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB C, C/2025/1608, 14.3.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/1608/oj).
(3) Uitvoeringsverordening (EU) 2025/1041 van de Commissie van 27 mei 2025 tot onderwerping van de invoer van adipinezuur van oorsprong uit de Volksrepubliek China aan registratie (PB L, 2025/1041, 28.5.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/1041/oj).
(4) Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2287 van de Commissie van 12 november 2025 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op adipinezuur van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L, 2025/2287, 13.11.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/2287/oj).
(5) Zie bijvoorbeeld https://www.univarsolutions.com/cyclohexane-2008000; https://www.dcceew.gov.au/environment/protection/npi/substances/fact-sheets/cyclohexane. Uit het soort ondernemingen dat ruw cyclohexaan afneemt van de in de steekproef opgenomen Chinese ondernemingen blijkt dat deze inderdaad tot de industriesegmenten behoren die geïnteresseerd zijn in minder zuiver cyclohexaan.
(6) https://openknowledge.worldbank.org/server/api/core/bitstreams/c579e19c-83a7-4d94-abda-77e4810b4ea4/content.
(7) https://reliefweb.int/report/brazil/acaps-thematic-report-brazil-impact-drought-brazilian-amazon-and-2025-outlook-28-january-2025.
(8) https://www.metropoles.com/sao-paulo/conta-de-agua-da-sabesp-vai-subir-956-a-partir-de-maio-em-sp?utm.
(9) https://exame.com/brasil/tarifa-de-agua-sera-mais-barata-com-privatizacao-da-sabesp-e-tera-um-teto-diz-secretaria/.
(10) https://en.clickpetroleoegas.com.br/sabesp-privatizada-tera-aumento-na-conta-de-agua-em-2026-mhbb01/.
(11) Zie bijvoorbeeld Uitvoeringsverordening (EU) 2023/1404 van de Commissie van 3 juli 2023 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op navulbare vaten van roestvrij staal van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L 169 van 4.7.2023, blz. 1 ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2023/1404/oj).
(12) Zie de overwegingen 309 tot en met 312 van Uitvoeringsverordening (EU) 2024/1064 van de Commissie van 9 april 2024 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op bepaalde alkylfosfaatesters van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L, 2024/1064, 10.4.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2024/1064/oj), en punt 3.4.2 van Uitvoeringsverordening (EU) 2024/2415 van de Commissie van 12 september 2024 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op bepaalde alkylfosfaatesters van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L, 2024/2415, 13.9.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2024/2415/oj).
(13) De nieuwsartikelen over BASF zijn in het dossier opgenomen onder t25.012092.
(14) Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 269 van 10.10.2013, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2013/952/oj).
(15) E-mail: TRADE-TDI-NAME-CHANGE-REQUESTS@ec.europa.eu; Europese Commissie, directoraat-generaal Handel, directoraat G, Wetstraat 170, 1049 Brussel, België.
(16) Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2024 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (herschikking) (PB L, 2024/2509, 26.9.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/2509/oj).
BIJLAGE
Niet in de steekproef opgenomen meewerkende producenten-exporteurs
|
Naam |
Aanvullende Taric-code |
|
China Pingmei Shenma Energy Chemical Group International Trading Co., Ltd |
89ZY |
|
Hengli Petrochemical (Dalian) Chemical Co., Ltd |
8Z00 |
|
Shandong Hualu-Hengsheng Chemical Co., Ltd |
8Z01 |
ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2026/913/oj
ISSN 1977-0758 (electronic edition)