European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

L-serie


2026/861

15.4.2026

BESLUIT (EU) 2026/861 VAN DE RAAD

van 5 maart 2026

betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de deskundigengroep inzake de Europese Overeenkomst nopens de arbeidsvoorwaarden voor de bemanningen van motorrijtuigen in het internationale vervoer over de weg (AETR) en in de Werkgroep voor Wegvervoer van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties,over een voorstel om toetreding van Mongolië tot de AETR toe te laten

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 91, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Europese Overeenkomst nopens de arbeidsvoorwaarden voor de bemanningen van motorrijtuigen in het internationale vervoer over de weg (AETR) (1) is op 5 januari 1976 in werking getreden. De Unie is exclusief bevoegd voor de kwesties waarop de AETR betrekking heeft (2).

(2)

Met uitzondering van niet-Europese staten die al lid zijn van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE), staat de AETR op grond van artikel 14, lid 1, van de AETR, alleen open voor toetreding van niet-Europese staten die zijn opgenomen in een gesloten lijst, met name Algerije, Egypte, Jordanië, Libanon, Marokko en Tunesië. Als een niet-Europese staat die geen lid is van de VN/ECE en die niet is opgenomen in de lijst in artikel 14, lid 1, van de AETR tot de AETR wil toetreden, moet hij een overeenkomstsluitende partij vinden die bereid is een voorstel tot wijziging van artikel 14, lid 1, van de AETR in te dienen met het doel de betrokken staat in de lijst op te nemen.

(3)

Mongolië wil toetreden tot de AETR. Mongolië heeft momenteel bilaterale overeenkomsten met verschillende lidstaten van de Unie en met verschillende andere partijen bij de AETR die geen deel uitmaken van de Unie. De toetreding van Mongolië zou bepaalde voordelen kunnen opleveren, waaronder meer geharmoniseerde regels voor internationaal wegvervoer van en naar Mongolië. De toetreding van Mongolië tot de AETR is daarom in het belang van de Unie, en het is daarom passend dat de Unie een voorstel indient om de AETR met dat doel te wijzigen.

(4)

Op grond van artikel 21 van de AETR kunnen voorstellen tot wijziging van de AETR door elke overeenkomstsluitende partij worden ingediend bij de secretaris-generaal van de Verenigde Naties (VN). Voordat de voorstellen bij de secretaris-generaal van de VN worden ingediend, worden ze gewoonlijk eerst ingediend bij en onderzocht en goedgekeurd door de Werkgroep voor Wegvervoer (SC.1) van de VN/ECE. In het kader van de AETR heeft de VN/ECE een deskundigengroep inzake de AETR opgericht. Die groep is een orgaan dat bevoegd is om voorstellen tot wijziging van de AETR op te stellen en in te dienen bij de Werkgroep voor Wegvervoer (SC.1) van de VN/ECE. De Unie zal op basis van dit besluit voorstellen dat de deskundigengroep van de VN/ECE inzake de AETR, tijdens zijn volgende zittingen, en de Werkgroep voor Wegvervoer (SC.1) van de VN/ECE, tijdens zijn geplande 121e zitting van 28 tot en met 30 oktober 2026 en tijdens latere zittingen, een wijziging van de AETR bespreken om toetreding van Mongolië tot de AETR toe te laten.

(5)

Het is passend het standpunt te bepalen dat namens de Unie moet worden ingenomen in de deskundigengroep van de VN/ECE inzake de AETR en in de Werkgroep voor Wegvervoer (SC.1) van de VN/ECE, omdat het voorstel tot wijziging van de AETR dat ze worden verzocht op te stellen en goed te keuren, uit hoofde van het internationale recht bindend zou zijn overeenkomstig artikel 21, lid 6, van de AETR.

(6)

De lidstaten mogen er geen bezwaar tegen maken dat de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, uit hoofde van artikel 21, lid 1, van de AETR, kennisgeving doet van de voorgestelde wijziging die in de bijlage bij dit besluit is opgenomen. Als een kennisgeving van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties niet beperkt blijft tot de wijziging die in de bijlage bij dit besluit wordt voorgesteld, mogen de lidstaten geen bezwaar maken tegen de voorgestelde wijziging die in de bijlage bij dit besluit is opgenomen.

(7)

Het standpunt van de Unie in de deskundigengroep van de VN/ECE inzake de AETR moet tot uitdrukking worden gebracht door de Commissie, en het standpunt van de Unie in de Werkgroep voor Wegvervoer (SC.1) van de VN/ECE moet tot uitdrukking worden gebracht door de lidstaten, die gezamenlijk in het belang van de Unie optreden,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de latere zittingen van de deskundigengroep van de VN/ECE inzake de Europese Overeenkomst nopens de arbeidsvoorwaarden voor de bemanningen van motorrijtuigen in het internationale vervoer over de weg (AETR) en van de Werkgroep voor Wegvervoer (SC.1) van de VN/ECE met betrekking tot een voorstel tot wijziging van artikel 14, lid 1, van de AETR om toetreding van Mongolië tot de AETR toe te laten, is opgenomen in de bijlage bij dit besluit.

Over formele en kleine wijzigingen van het in de eerste alinea bedoelde standpunt kan overeenstemming worden bereikt zonder nader besluit van de Raad.

Artikel 2

Het in artikel 1 bedoelde standpunt wordt in de deskundigengroep van de VN/ECE inzake de AETR tot uitdrukking gebracht door de Commissie en in de Werkgroep voor Wegvervoer (SC.1) van de VN/ECE door de lidstaten, die gezamenlijk optreden in het belang van de Unie.

Artikel 3

Als de in de bijlage bij dit besluit opgenomen voorgestelde wijziging door de Werkgroep voor Wegvervoer (SC.1) van de VN/ECE is goedgekeurd, dienen de lidstaten, die gezamenlijk optreden in het belang van de Unie, deze in bij de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, overeenkomstig artikel 21, lid 1, van de AETR.

De lidstaten maken er geen bezwaar tegen dat de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, uit hoofde van artikel 21, lid 1, van de AETR, kennisgeving doet van de voorgestelde wijziging die in de bijlage bij dit besluit is opgenomen.

Artikel 4

Dit besluit is gericht tot de Commissie en tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 5 maart 2026.

Voor de Raad

De voorzitter

N. IOANNIDES


(1)   PB L 95 van 8.4.1978, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/agree_internation/1977/2829/oj.

(2)  Arrest van het Hof van Justitie van 31 maart 1971, Commissie/Raad, C-22/70, ECLI:EU:C:1971:32, punten 30 en 31.


BIJLAGE

Artikel 14, lid 1, van de AETR wordt vervangen door:

“1.   Deze overeenkomst staat tot 31 maart 1971 open voor ondertekening en, na deze datum, voor toetreding door de lidstaten van de Economische Commissie voor Europa, alsmede door staten die uit hoofde van paragraaf 8 of 11 van het mandaat van deze commissie met adviserende bevoegdheid tot haar werkzaamheden zijn toegelaten. Toetredingen uit hoofde van paragraaf 11 van het mandaat van deze commissie zijn beperkt tot de volgende staten: Algerije, Egypte, Jordanië, Libanon, Mongolië, Marokko en Tunesië.”.


ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2026/861/oj

ISSN 1977-0758 (electronic edition)