|
Publicatieblad |
NL L-serie |
|
2026/831 |
15.4.2026 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2026/831 VAN DE COMMISSIE
van 14 april 2026
tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde continuglasvezelproducten (glasvezelversterkingen) van oorsprong uit Bahrein, Egypte en Thailand
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (1) (“de basisverordening”), en met name artikel 9, lid 4,
Na raadpleging van de lidstaten,
Overwegende hetgeen volgt:
1. PROCEDURE
1.1. Opening van het onderzoek
|
(1) |
Op 17 februari 2025 heeft de Europese Commissie (“de Commissie”) op grond van artikel 5 van de basisverordening een antidumpingonderzoek geopend met betrekking tot de invoer van continuglasvezelproducten (glasvezelversterkingen) van oorsprong uit Bahrein, Egypte en Thailand (“de betrokken landen”). Zij heeft daartoe een bericht van inleiding gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (2) (“het bericht van inleiding”). |
|
(2) |
De Commissie heeft het onderzoek geopend naar aanleiding van een klacht die op 3 januari 2025 was ingediend door Glass Fibre Europe (“GFE”) (“de klager”). De klacht is ingediend namens de bedrijfstak van de Unie voor glasvezelversterkingen in de zin van artikel 5, lid 4, van de basisverordening. Het bij de klacht gevoegde bewijsmateriaal over dumping en de aanmerkelijke schade als gevolg daarvan werd voldoende geacht om een onderzoek te openen. |
1.2. Registratie
|
(3) |
De Commissie heeft de invoer van het betrokken product bij de registratieverordening (3) aan registratie onderworpen. |
1.3. Belanghebbenden
|
(4) |
In het bericht van inleiding heeft de Commissie belanghebbenden uitgenodigd contact met haar op te nemen om aan het onderzoek mee te werken. Daarnaast heeft de Commissie specifiek andere haar bekende producenten in de Unie, de haar bekende producenten-exporteurs, alsmede de autoriteiten van de betrokken landen, de haar bekende betrokken importeurs, gebruikers en verenigingen op de hoogte gesteld van de opening van het onderzoek en hen uitgenodigd daaraan mee te werken. |
|
(5) |
De belanghebbenden zijn in de gelegenheid gesteld hun opmerkingen over de opening van het onderzoek kenbaar te maken en een aanvraag in te dienen voor een hoorzitting met de Commissie en/of de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures. |
1.4. Opmerkingen over de opening van het onderzoek
|
(6) |
De Egyptische overheid voerde aan dat de opening van het onderzoek niet voldeed aan de vereisten van de artikelen 5.3 en 5.4 van de Antidumpingovereenkomst van de WTO. Egypte voerde in het bijzonder aan dat de klacht niet voldoende, nauwkeurig en adequaat bewijsmateriaal bevatte om de opening van een onderzoek te rechtvaardigen, zoals vereist op grond van artikel 5.3 van de Antidumpingovereenkomst van de WTO. Egypte voerde voorts aan dat in de klacht niet op transparante wijze was vermeld welke binnenlandse producenten de klacht steunden en dat daarin geen adequate niet-vertrouwelijke samenvattingen van belangrijke informatie waren opgenomen, waardoor belanghebbenden hun recht van verweer niet naar behoren konden uitoefenen en niet konden nagaan of aan het representativiteitsvereiste van artikel 5.4 van de Antidumpingovereenkomst van de WTO was voldaan. Bovendien maakte Egypte bezwaar tegen wat het beschouwde als een buitensporige gebruikmaking van vertrouwelijke behandeling, met het argument dat dit de transparantie en zinvolle deelname aan het onderzoek in de openingsfase ondergroef. Tot slot toonde Egypte zich bezorgd over het risico van dubbele corrigerende maatregelen, omdat op de Egyptische uitvoer reeds compenserende rechten van toepassing zijn en de inleiding van een parallelle antidumpingprocedure zou kunnen leiden tot elkaar overlappende maatregelen, hetgeen in strijd is met de WTO-regels. |
|
(7) |
In het kader van de analyse van een klacht en in overeenstemming met artikel 5.4 van de Antidumpingovereenkomst van de WTO hebben de diensten van de Commissie voorafgaand aan de opening van het onderzoek een representativiteitsonderzoek uitgevoerd. Daartoe is contact opgenomen met alle producenten in de Unie die in de klacht worden genoemd en anderszins voorafgaand aan de opening van het onderzoek bij de Commissie bekend waren. Deze zijn bij de berekening van de representativiteit van de klager in aanmerking genomen. Deze berekening was gebaseerd op de geproduceerde hoeveelheden van het betrokken product zoals vermeld in de afzonderlijke verklaringen van deze producenten en verenigingen van producenten, en op informatie in de klacht, die ook informatie over de totale productie in de Unie bevat. Daarom werd in de openingsfase geconcludeerd dat er aan de voorwaarden van artikel 5.4 van de Antidumpingovereenkomst van de WTO was voldaan. Het argument van de Egyptische overheid werd derhalve afgewezen. |
|
(8) |
De Commissie was van oordeel dat in de versie van de klacht voor inzage door belanghebbenden alle essentiële bewijzen en betekenisvolle niet-vertrouwelijke overzichten van als vertrouwelijk verstrekte gegevens waren opgenomen om belanghebbenden in staat te stellen tijdens de hele procedure hun recht van verweer uit te oefenen. In elk geval heeft de klager de inhoud van de vertrouwelijke onderdelen van de klacht op zinvolle wijze samengevat. De in de beperkt toegankelijke bijlagen bij de klacht verstrekte inlichtingen vallen onder deze categorieën. De klager verstrekte ook een zinvolle samenvatting van de informatie in de beperkt toegankelijke bijlagen bij de klacht, zodat belanghebbenden een redelijk inzicht in de wezenlijke inhoud van de als vertrouwelijk verstrekte inlichtingen kunnen hebben, zoals bepaald in artikel 19, lid 2, van de basisverordening. Het argument van de Egyptische overheid werd derhalve afgewezen. |
|
(9) |
Om dubbele corrigerende maatregelen te voorkomen, brengt de Commissie bij gelijktijdige toepassing van antidumping- en compenserende maatregelen het reeds door de compenserende maatregelen gecompenseerde bedrag van de subsidiëring (uitvoersubsidies) in mindering op het feitelijke antidumpingrecht. Er is dus geen sprake van dubbeltelling. Het argument werd derhalve afgewezen. |
|
(10) |
De Egyptische overheid betwistte de stellingen dat de bedrijfstak van de Unie schade had geleden door de invoer van glasvezelversterkingen uit Egypte en voerde daarbij aan dat de conclusies achterhaald en selectief waren. Zij kwam op tegen de argumenten dat ontwijking van rechten de enige reden voor de geografische verplaatsing van de productie was. Voorts beweerde Egypte dat er in de klacht geen uitgebreide analyse was opgenomen van andere factoren die van invloed zijn op de markt van de Unie, zoals productiekosten en schommelingen van de grondstofprijzen. Uit gegevens kwam naar voren dat de Egyptische uitvoerprijzen markttrends hadden gevolgd, wat in tegenspraak was met stellingen inzake agressieve prijsstelling. De invoervolumes namen in de periode 2021-2023 af, wat twijfels doet rijzen ten aanzien van de bewering dat er sprake zou zijn van een aanzienlijke beïnvloeding van de markt. De Egyptische overheid voerde aan dat de geringe prijswijzigingen in de Unie niet wezen op aanzienlijke neerwaartse prijsdruk en veeleer normale marktomstandigheden weerspiegelden dan schade door invoer. Zij stelde dat deze factoren aantoonden dat de klacht niet het door de Antidumpingovereenkomst van de WTO vereiste objectieve bewijsmateriaal bevatte. |
|
(11) |
Anders dan de Egyptische overheid beweerde, stelde de Commissie vast dat de klacht toereikend bewijsmateriaal bevatte waaruit bleek hoe de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade had geleden door de invoer van glasvezelproducten uit Egypte. Voorts versterkte de uitgebreide marktanalyse bij de klacht het verband tussen de invoer uit Egypte en de schade voor de bedrijfstak van de Unie, zoals vereist in de WTO-regels. Bovendien bevatte de klacht toereikend bewijsmateriaal ter zake dat de invoer uit Egypte tot aanzienlijke prijsonderbieding leidde en ervoor zorgde dat de bedrijfstak van de Unie zijn prijzen niet kon verhogen en die prijzen sterk onder druk kwamen te staan. De door Egypte aangehaalde dalingen van de invoervolumes worden als tijdelijk beschouwd, aangezien in de klacht een ruimere context wordt geschetst ten aanzien van de vraag waarbij het effect van de invoer uit Egypte niet geringer is. Het argument werd derhalve afgewezen. |
|
(12) |
De Egyptische overheid betwistte de analyse van de schade in de klacht en stelde dat deze niet voldeed aan de vereisten van de artikelen 3.4 en 3.5 van de Antidumpingovereenkomst van de WTO, omdat verschillende economische factoren waren weggelaten. Zij voerde aan dat een analyse van productiviteit, lonen, rendement van investeringen, kasstroom, vermogen om kapitaal aan te trekken, voorraden en algemene groei van de bedrijfstak in de klacht ontbrak, terwijl die allemaal nodig waren voor een volledige schadevaststelling. De Egyptische overheid wees er voorts op dat de analyse van de economische indicatoren zoals productie, bezettingsgraad, winstgevendheid en werkgelegenheid misleidend en onvolledig was. Zij benadrukte dat niet alleen de invoer uit Egypte maar ook andere factoren zoals de wereldwijde neergang en de toegenomen concurrentie uit andere landen van invloed waren op de bedrijfstak van de Unie. Daarnaast voerde zij aan dat het marktaandeel van de Unie minimaal was gekrompen en niet duidde op aanzienlijke schade, aangezien de krimp een weerspiegeling was van een bredere marktdynamiek, waaronder een verminderde invoer uit andere derde landen, die door Egypte werd ingevuld, hetgeen in overeenstemming is met de vereisten van artikel 3.5 om onderscheid te maken tussen oorzaken van schade. |
|
(13) |
De Commissie was het niet eens met de argumenten van de Egyptische overheid. Uit het bewijsmateriaal in de klacht bleek in voldoende mate dat de invoer uit Egypte een nadelige invloed had op de bedrijfstak van de Unie. De klacht bevatte een uitgebreide analyse van economische indicatoren zoals productieniveaus, bezettingsgraad en winstgevendheid, waaruit duidelijk bleek hoe deze negatief waren beïnvloed door de goedkope Egyptische invoer. Anders dan door Egypte werd beweerd, bleek uit het bewijsmateriaal in de klacht in voldoende mate dat deze krimp niet uitsluitend het gevolg was van externe economische omstandigheden, maar rechtstreeks verband hield met agressieve prijsstrategieën voor de invoer. Het gedetailleerde bewijsmateriaal in de klacht voldeed aan de WTO-vereisten en toonde het oorzakelijke verband aan tussen de invoer uit Egypte en de door de bedrijfstak van de Unie geleden aanmerkelijke schade, wat de noodzaak van antidumpingmaatregelen rechtvaardigde. Het argument van de Egyptische overheid werd derhalve afgewezen. |
|
(14) |
HELM AG, een importeur in de Unie, voerde namens vier andere gebruikers in de Unie (“HELM”) aan dat de bedrijfstak van de Unie geen aanmerkelijke schade leed door de invoer van glasvezelversterkingen uit Bahrein, Egypte en Thailand. Het beweerde dat de prestaties van de bedrijfstak in 2024 duidden op stabilisatie na de uitzonderlijke prestaties in de periode 2021-2022 en niet op aanmerkelijke schade. Het verlies aan marktaandeel vanaf 2023 tot en met de eerste helft van 2024 bedroeg slechts 1 %. Bovendien duidden belangrijke indicatoren zoals de uitvoer, die tussen 2021 en medio 2024 met 29 % was gestegen, en de aanzienlijke investeringen die de bedrijfstak van de Unie in de periode 2021-2023 had gedaan, op een goede concurrentiepositie en goede financiële gezondheid. Ondanks een geringe terugval van de productiecapaciteit in 2023 als gevolg van fabriekssluitingen bleef de bezettingsgraad stabiel en slonken de voorraden aanzienlijk. HELM benadrukte dat deze factoren wezen op een terugkeer naar normale bedrijfsomstandigheden en niet op aanmerkelijke schade. |
|
(15) |
De Commissie merkte op dat HELM er feitelijk terecht op wees dat niet alle schade-indicatoren tijdens de beoordelingsperiode een verslechtering lieten zien. Bepaalde indicatoren, zoals de uitvoer, die tussen 2021 en het OT met 33 % steeg, en de investeringen, die in de periode 2021-2023 aanzienlijk waren, vertoonden inderdaad een positieve ontwikkeling. Deze verbeteringen wegen echter niet op tegen de in de voor de beoordeling van de schade relevante kernindicatoren waargenomen negatieve trends. Zo daalde in het bijzonder het verkoopvolume op de vrije markt van de Unie met 15 %, kromp het marktaandeel van 47 % in 2021 tot 40 % in het OT, daalde de productie met 14 % en bleef de winstgevendheid in drie van de vier jaren van de beoordelingsperiode negatief. De Commissie herinnert eraan dat het voor de vaststelling van aanmerkelijke schade volgens artikel 5, lid 2, van de basisverordening niet nodig is dat alle schade-indicatoren zijn verslechterd, zolang het bewijsmateriaal in het geheel genomen op schade wijst. Bovendien viel de verslechtering van de situatie van de bedrijfstak van de Unie samen met de toename van de invoer met dumping uit Bahrein, Egypte en Thailand en de dalende prijzen van deze invoer. Deze invoer zorgde voor een sterke prijsdruk, die leidde tot prijsonderbieding en een aanzienlijke verhindering van de prijsverhoging, waardoor er sprake was van een oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping en de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade. Het argument van HELM werd derhalve afgewezen. |
|
(16) |
CPIC Abahsain Fiberglass W.L.L. (“CPIC Bahrain”) pleitte tegen het gebruik van de streefcijfers voor de winstgevendheid uit 2016, omdat deze niet representatief zijn voor de gangbare winstgevendheidsniveaus, maar om de nagestreefde winstgevendheid vast te stellen op basis van de tijdens de beoordelingsperiode heersende werkelijke economische omstandigheden. Daarnaast pleitte CPIC Bahrain ervoor om bij de analyse voor de berekening van de prijsonderbieding of het prijsbederf uit te gaan van de werkelijke uitvoerprijzen en niet van door berekening vastgestelde prijzen zodat het effect van de invoer met dumping op de prijzen op de binnenlandse markt exact kan worden beoordeeld en een eerlijk onderzoek kan worden gewaarborgd. |
|
(17) |
De Commissie merkte op dat het gebruik van streefcijfers voor de winstgevendheid uit 2016 een referentiepunt biedt om inzicht te krijgen in haalbare winstgevendheidsniveaus onder eerlijke concurrentievoorwaarden, aangezien de economische omstandigheden in latere jaren zijn beïnvloed doordat er sprake was van invoer met dumping. CPIC Bahrain stelde voor om voor de analyse uit te gaan van de werkelijke uitvoerprijzen, maar hierdoor zou mogelijk niet volledig rekening worden gehouden met de verstoringen door deze laaggeprijsde invoer naar de Unie. Daarom kunnen door berekening vastgestelde prijzen helpen bij het bepalen van de reële waarde, vooral wanneer de werkelijke marktprijzen door externe factoren kunnen worden beïnvloed. Het argument van CPIC werd derhalve afgewezen. |
|
(18) |
De stellingen in de klacht dat de CPIC-groep zijn fabriek in Bahrein gebruikt om de handelsbeperkingen op de invoer van glasvezelversterkingen uit de VRC te ontwijken, werden door CPIC Bahrain zowel juridisch niet ter zake doend als feitelijk onjuist genoemd. Het bedrijf benadrukte dat de overname deel uitmaakte van een wereldwijde langetermijnstrategie die geen verband hield met ontwijkingsconstructies, aangezien de eerste besprekingen in 2007 waren begonnen, ruim voor de antidumpingmaatregelen die in 2011 werden ingesteld op de invoer van glasvezelversterkingen uit de VRC. CPIC Bahrain wees met nadruk op verbeteringen in operationele doelmatigheid en marktpositionering om te bewijzen dat het zich inzette voor echte bedrijfsgroei in plaats van de handelsbeperkingen van de Unie te ontduiken. Daarnaast weerlegde het beweringen dat het subsidies kreeg en merkte op dat zijn activiteiten met particuliere middelen en zonder overheidssteun worden gefinancierd. Het verduidelijkte dat de vermeende voordelen in het kader van de Nieuwe Zijderoute geen bewijskracht hadden, aangezien de overname lang vóór een relevant memorandum van overeenstemming van 2018 plaatsvond. Tot slot voerde CPIC Bahrain aan dat beweringen over subsidies irrelevant zijn voor antidumpingonderzoeken, aangezien dergelijke beweringen via afzonderlijke antisubsidieklachten moeten worden behandeld, en verzocht het om verzoeken tot correcties in de berekeningen van dumping en prijsbederf af te wijzen op grond van een gebrek aan rechtsgrondslag. |
|
(19) |
De Commissie nam nota van de opmerkingen over subsidiëring en ontwijking, maar was van oordeel dat deze argumenten buiten het kader van het onderhavige onderzoek vielen. |
|
(20) |
HELM, CPIC Bahrain en het Technical Secretariat of Anti-Injurious Practices in International Trade of the Gulf Cooperation Council (“GCC-TSAIP”) voerden bij de opening van het onderzoek aan dat de vermeende schade voor de bedrijfstak van de Unie niet hoofdzakelijk wordt veroorzaakt door de invoer van glasvezelversterkingen uit Bahrein, Egypte en Thailand. HELM benadrukte dat externe factoren zoals veranderingen in de vraag, met name tijdens en na de COVID-19-pandemie, gestegen energiekosten door de afhankelijkheid van de Unie van Russische invoer en aanzienlijke investeringen in de industrie de belangrijkste aan enige vermeende schade bijdragende factoren zijn. CPIC Bahrain wees met nadruk op het geringe marktaandeel van 2-3 % vanuit Bahrein in de Unie, wat suggereert dat het onwaarschijnlijk is dat deze invoer aanzienlijlke gevolgen heeft voor de bedrijfstak van de Unie. Het stelt dat interne en externe factoren zoals stijgende energie- en arbeidskosten, inflatie, een afgenomen binnenlandse vraag en concurrentie uit de VRC en Egypte meer invloed hebben. Beide partijen beweren dat de eigen ondoelmatigheden en strategische beslissingen van de bedrijfstak van de Unie samen met de stabiliserende vraag op de markt een grotere rol spelen bij de uitdagingen van de bedrijfstak dan de invoer uit de drie landen. |
|
(21) |
De Commissie was van oordeel dat het argument van HELM, CPIC Bahrain en GCC-TSAIP dat andere factoren verantwoordelijk zijn voor de moeilijkheden van de bedrijfstak van de Unie het oorzakelijke verband tussen de invoer met dumping en de schade niet kan verzwakken. Uit het bewijsmateriaal in de klacht blijkt dat de dumpingmarges van de invoer uit Bahrein hoger dan minimaal zijn en dat deze invoer deel uitmaakt van de cumulatie die bijdraagt aan de schade in de Unie, waardoor er nog steeds een werkelijk en aanzienlijk oorzakelijk verband is tussen de invoer met dumping en de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade. Alle overige bekende factoren die de situatie van de bedrijfstak van de Unie kunnen beïnvloeden, komen in punt 5.2 van deze verordening gedetailleerd aan bod. De argumenten van HELM AG, CPIC Bahrain en GCC-TSAIP werden derhalve afgewezen. |
|
(22) |
HELM beweerde bij de opening van het onderzoek dat de beoordeling van de gevolgen van de invoer uit andere derde landen selectief en gebrekkig is en de rol van andere belangrijke leveranciers zoals India niet accuraat weergeeft. Ondanks het feit dat India voor de Unie een van de grootste leveranciers van glasvezelversterkingen is, werden de bijdragen van India uit de analyse weggelaten, wat de bevindingen ervan vertekende. Ook houdt de klager volgens HELM onvoldoende rekening met de gevolgen van de invoer uit Turkije door de gevolgen ervan ten onrechte toe te schrijven aan de invoer uit Bahrein, Egypte en Thailand. Ondanks de opmerkelijke stijging van de invoer uit zowel India als Turkije richt de klacht zich uitsluitend op het marktaandeel van de drie landen, wat leidt tot een onvolledige en misleidende analyse. |
|
(23) |
Als antwoord op de argumenten dat de Commissie in haar analyse rekening moet houden met de invoer uit andere derde landen zoals de VRC, India en Turkije, houdt de Commissie staande dat deze invoer het oorzakelijke verband tussen de vermeende schade voor de bedrijfstak van de Unie en de invoer uit de betrokken landen niet verzwakt. Hoewel invoer uit de VRC inderdaad tot de schade heeft bijgedragen, doet dit niets af aan de gevolgen van de invoer uit Bahrein, Egypte en Thailand voor de bedrijfstak van de Unie. Tegelijkertijd werden de geldende antidumpingmaatregelen en compenserende maatregelen ten aanzien van de invoer uit de VRC opnieuw beoordeeld en traden op 25 november 2025 aangescherpte maatregelen in werking (4) om de door de invoer met dumping uit de VRC veroorzaakte schade weg te nemen. Hoewel de invoer uit Turkije in de beoordelingsperiode is toegenomen, wordt deze ook beïnvloed door de goedkopere invoer uit Egypte en Bahrein, waardoor de Turkse markt mogelijk wordt verstoord. Uit openbaar beschikbare informatie (5) blijkt dat het Turkse ministerie van Handel op 19 juli 2025 antidumpingmaatregelen heeft ingesteld tegen glasvezelversterkingen uit Egypte en Bahrein. Tot slot merkt de Commissie met betrekking tot de beweringen van HELM over de aanzienlijke invoer van glasvezelversterkingen uit India op dat de door HELM verstrekte cijfers niet worden gestaafd door bewijsmateriaal. Volgens Eurostat waren de hoeveelheden glasvezelversterkingen die in 2024 vanuit India in de Unie werden ingevoerd, aanzienlijk kleiner dan zowel de door HELM genoemde hoeveelheden als de uit de landen ingevoerde hoeveelheden, waaruit eens te meer blijkt dat deze invoer niets afdoet aan het effect van de invoer uit Bahrein, Egypte en Thailand op de bedrijfstak van de Unie. Het argument van HELM werd derhalve afgewezen. |
|
(24) |
CPIC Bahrain voerde bij de opening van het onderzoek aan dat de invoer van glasvezelversterkingen uit Bahrein bij de beoordeling van de gevolgen van de invoer uit de betrokken landen voor de bedrijfstak van de Unie niet mocht worden gecombineerd met de invoer uit Egypte. Het verwees naar artikel 3, lid 4, van de basisverordening, waarin is bepaald dat cumulatieve beoordelingen alleen zijn toegestaan indien dit gezien de concurrentieverhoudingen tussen ingevoerde en binnenlandse producten passend is. CPIC Bahrain wees erop dat de invoervolumes uit Bahrein en het marktaandeel van Bahrein in de periode waarop de klacht betrekking heeft, aanzienlijk kleiner waren dan die uit respectievelijk van Egypte, terwijl de prijzen zonder uitzondering hoger waren dan die van de invoer uit Egypte. Vanwege deze grote verschillen in marktaandeel en prijstrends verzocht CPIC Bahrain de Commissie om bij haar analyse afzonderlijk rekening te houden met de invoer uit Bahrein, omdat er — wanneer deze met de Egyptische invoer zou worden gecumuleerd— een verkeerd beeld van de werkelijke gevolgen daarvan voor de binnenlandse bedrijfstak zou kunnen ontstaan. |
|
(25) |
De diensten van de Commissie stelden op grond van de beschikbare informatie en statistieken vast dat aan de voorwaarden voor cumulatie van Bahrein en Thailand in het stadium van de klacht was voldaan. De dumpingmarges bleken hoger dan minimaal te zijn. Zoals uit de beschikbare officiële invoerstatistieken blijkt, was het volume van de invoer met dumping voor alle betrokken landen niet verwaarloosbaar (groter dan minimaal). Bovendien werden de concurrentievoorwaarden als vergelijkbaar beschouwd, aangezien er wat betreft geografische aanwezigheid sprake was van een algemene overlapping tussen de producten uit de betrokken landen en die van de bedrijfstak van de Unie, de prijzen uit alle landen onder het prijsniveau en het volledige kostenniveau van de bedrijfstak van de Unie lagen en de op de markt aanwezige invoer uit alle betrokken landen tijdens de onderzochte periode aanzienlijk was. Het argument van CPIC werd derhalve afgewezen. |
|
(26) |
De Association of Independent EU Glass Fibre Weavers, de Egyptische overheid, CPIC Bahrain en HELM waren alle gekant tegen een antidumpingonderzoek met het oog op de instelling van rechten met betrekking tot de invoer van glasvezelversterkingen uit Bahrein, Egypte en Thailand, waarbij zij aanvoerden dat zulks niet in het voordeel van de Unie zou zijn. De Association benadrukte dat de Unie niet in staat was om bepaalde glasvezelversterkingen, zoals low-tex rovings, te produceren, waardoor zij afhankelijk is van invoer en de concurrentie in gevaar komt doordat verticaal geïntegreerde ondernemingen meer marktmacht krijgen. De Egyptische overheid voerde aan dat dergelijke rechten schade zouden toebrengen aan belangrijke sectoren zoals de automobielindustrie en die van de hernieuwbare energie, die aangewezen zijn op een stabiele aanvoer van glasvezelversterkingen om aan klimaatdoelstellingen te kunnen voldoen, en zij bepleitte aldus dat het algemeen belang met de invoer uit Egypte is gediend. CPIC Bahrain voegde eraan toe dat de rechten zouden leiden tot prijsstijgingen en lagere welvaart, wat vooral gevolgen zou hebben voor de hernieuwbare-energie-industrie, en stelde voor om zich te richten op de invoer uit gevestigde bronnen zoals Egypte en de VRC vanwege het betrouwbare aanbod uit die landen. HELM beweerde bovendien dat deze maatregelen het aanbod zouden verstoren, de kosten zouden doen escaleren en de levensvatbaarheid van de van glasvezelversterkingen afhankelijke downstreamindustrieën in gevaar zouden brengen, waardoor het concurrentie- en innovatievermogen van de Unie verder zouden worden aangetast. Al met al betoogde het dat het instellen van dergelijke rechten het concurrentievermogen en de winstgevendheid van de Unie in gevaar zou kunnen brengen, waardoor ondernemingen mogelijk uit de markt zouden worden gedreven en bredere strategische economische doelen zouden worden tegengewerkt. |
|
(27) |
De Commissie merkte op dat argumenten over het belang van de Unie met betrekking tot de opening van het onderzoek niet ter zake doen, aangezien er in de fase vóór de opening van het onderzoek geen onderzoek naar het belang van de Unie plaatsvindt. Wel heeft de Commissie tijdens het onderzoek onderzocht of de instelling van maatregelen in het belang van de Unie is. |
|
(28) |
De Egyptische overheid voerde ook aan dat de berekening van de dumping in de klacht niet in overeenstemming was met de Antidumpingovereenkomst van de WTO. De Egyptische overheid voerde met name aan dat het gebruik van de cif-gegevens van Eurostat en de in artikel 14, lid 6, bedoelde gegevens niet de werkelijke uitvoerprijzen af fabriek weergeeft en tot een kunstmatig lage uitvoerprijs leidt. De Egyptische overheid voerde verder aan dat de normale waarde onjuist was berekend door invoerrechten op te nemen die Jushi Egypt for Fiberglass Industry S.A.E. (“Jushi Egypt”) niet zou hebben betaald op grond van de verordeningen betreffende de economische zone Suezkanaal, en dit in strijd met artikel 2.2.1.1 van de Antidumpingovereenkomst van de WTO. De Egyptische overheid voerde ook aan dat de klacht niet voorzag in een billijke vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs, met name wat de verschillen in verkoopvoorwaarden, marktvoorwaarden en handelsstadium betreft, en dat het gebruik van gemiddelde maandelijkse wisselkoersen in plaats van wisselkoersen op de transactiedatum de vergelijking vertekende. Tot slot voerde de Egyptische overheid aan dat de klacht onvoldoende ondersteunend bewijs bevatte om veel van de beweringen daarin over de valutaomrekeningen en kostenaanpassingen te staven en verzocht zij om beëindiging van het onderzoek. |
|
(29) |
In dit verband benadrukte de Commissie dat een verzoek toereikend bewijsmateriaal moet bevatten voor het bestaan van dumping, schade en oorzakelijk verband. Met name verschilt volgens vaste rechtspraak de hoeveelheid en de kwaliteit van het bewijsmateriaal dat nodig is om te voldoen aan de criteria van toereikendheid van het bewijsmateriaal om een onderzoek te openen, van die welke noodzakelijk zijn voor de voorlopige of definitieve vaststelling van het bestaan van dumping en schade (6). |
|
(30) |
Wat betreft de uitvoerprijs merkte de Commissie op dat het, wanneer transactiespecifieke prijzen af fabriek niet openbaar toegankelijk zijn, het gepast is om redelijkerwijs beschikbare statistische bronnen in de openingsfase te gebruiken. De exacte vaststelling van de uitvoerprijzen en eventuele noodzakelijke correcties hebben betrekking op de inhoudelijke beoordeling van dumping, die wordt uitgevoerd op basis van gecontroleerde gegevens die tijdens het onderzoek en niet in de openingsfase zijn verkregen. Wat de berekening van de normale waarde betreft, was de Commissie van oordeel dat het ingediende bewijsmateriaal het bestaan van dumping aantoonde, ongeacht de specifieke behandeling van bepaalde kostenposten. Ook merkte de Commissie op dat de door de Egyptische overheid ingediende argumenten met betrekking tot de vergelijkbaarheid, het handelsstadium en de wisselkoersmethode verband hielden met de inhoudelijke analyse van de dumping, waarvoor niet-openbare informatie vereist was en waartoe de klager geen toegang had op het moment dat hij de klacht indiende. Deze kwesties werden in de loop van het onderzoek uitvoerig onderzocht en worden behandeld in de overwegingen 81 tot en met 151. |
|
(31) |
Tegen deze achtergrond was de Commissie van oordeel dat het verzoek toereikend bewijsmateriaal voor dumping bevatte om het onderzoek te openen. De argumenten betreffende het bestaan van dumping door de Egyptische overheid werden derhalve afgewezen. |
|
(32) |
Voorts diende GCC-TSAIP pas opmerkingen in over de aan de klacht ten grondslag liggende methode nadat de termijn voor het indienen van opmerkingen over de opening van het onderzoek was verstreken. In ieder geval herinnerde de Commissie er, zoals uiteengezet in overweging 29, aan dat de bewijsdrempel bij de opening van het onderzoek toereikend bewijsmateriaal inzake dumping, schade en oorzakelijk verband, maar geen definitieve vaststelling vereist. De door GCC-TSAIP aan de orde gestelde kwesties met betrekking tot de berekening van de normale waarde, de berekening van de uitvoerprijzen en mogelijke correcties voor vergelijkbaarheid in verband met de inhoudelijke beoordeling van dumping voor Bahrein, die in de loop van het onderzoek naar behoren zijn onderzocht en worden behandeld in de overwegingen 55 tot en met 80. |
1.5. Samenstelling van de steekproef
|
(33) |
In het bericht van inleiding deelde de Commissie mee dat zij mogelijk een steekproef van de belanghebbenden zou samenstellen in overeenstemming met artikel 17 van de basisverordening. |
Steekproef van producenten in de Unie
|
(34) |
In het bericht van inleiding kondigde de Commissie aan dat zij een voorlopige steekproef van producenten in de Unie had samengesteld. De Commissie heeft de steekproef samengesteld op basis van de productie- en verkoopvolumes. De steekproef bestond uit drie producenten in de Unie. De in de steekproef opgenomen producenten in de Unie vertegenwoordigden meer dan 63 % van het geschatte totale productievolume en meer dan 70 % van de geschatte totale verkoop van het soortgelijke product in de Unie. De Commissie heeft de belanghebbenden uitgenodigd om opmerkingen over de voorlopige steekproef in te dienen. Aangezien de belanghebbenden geen opmerkingen hebben ingediend, achtte de Commissie de steekproef representatief voor de bedrijfstak van de Unie. |
Steekproef van niet-verbonden importeurs
|
(35) |
Om te kunnen beslissen of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, deze te kunnen samenstellen, heeft de Commissie niet-verbonden importeurs verzocht de in het bericht van inleiding gevraagde informatie te verstrekken. |
|
(36) |
Eén niet-verbonden importeur heeft de gevraagde informatie geleverd en ermee ingestemd in de steekproef te worden opgenomen. Gezien het geringe aantal reacties heeft de Commissie besloten dat een steekproef niet noodzakelijk was. Er werden geen opmerkingen ontvangen. |
Producenten-exporteurs
|
(37) |
Gezien het beperkte aantal betrokken producenten-exporteurs heeft de Commissie in haar bericht van inleiding alle producenten-exporteurs uit de betrokken landen verzocht zich kenbaar te maken en de vragenlijst volledig te beantwoorden. |
1.6. Antwoorden op de vragenlijst en controlebezoeken
|
(38) |
De Commissie heeft de vragenlijsten online gepubliceerd (7) voor de producenten-exporteurs, de gebruikers, de niet-verbonden importeurs en de producenten in de Unie. |
|
(39) |
De Commissie heeft antwoorden op de vragenlijst ontvangen van één producent-exporteur in Bahrein, één producent-exporteur in Egypte en twee producenten-exporteurs in Thailand. |
|
(40) |
De Commissie heeft alle gegevens die zij voor de definitieve vaststelling van dumping, de schade als gevolg daarvan en het belang van de Unie nodig achtte, verzameld en gecontroleerd. Overeenkomstig artikel 16 van de basisverordening werden kruislingse controles op afstand voor de producenten in de Unie uitgevoerd. Bij alle meewerkende producenten-exporteurs werden controlebezoeken afgelegd. Voor de producent-exporteur in Bahrein werd ook een kruislingse controle op afstand uitgevoerd omdat het oorspronkelijk geplande controlebezoek vanwege de situatie in het Midden-Oosten in juni-juli 2025 moest worden uitgesteld:
|
|
(41) |
Asia Composite Materials (“ACM”), een van de Thaise producenten-exporteurs, voerde aan dat Wanda New Material (Thailand) Co., Ltd (“Wanda”), de andere Thaise producent-exporteur, geen echte producent van glasvezelversterkingen was omdat het alleen matten van ingevoerde glasvezelrovings produceert. Volgens ACM zouden de door Wanda uitgevoerde activiteiten niet meer dan 20 % van de totale waarde van de door Wanda in Thailand geproduceerde glasvezelversterkingen bedragen en zouden de door Wanda naar de Unie uitgevoerde producten derhalve mogelijk niet van Thaise oorsprong zijn. |
|
(42) |
De Commissie heeft het argument van ACM afgewezen. De activiteiten van Wanda omvatten een aanzienlijke productie, veranderen de vorm en het gebruik van het product en leiden tot een wijziging van de tariefindeling. Overeenkomstig de niet-preferentiële oorsprongsregels vormen de activiteiten van Wanda derhalve een ingrijpende be- of verwerking en verkrijgen de geproduceerde matten Thaise oorsprong. Daarom concludeerde de Commissie dat Wanda als een echte producent van het betrokken product zou moeten worden beschouwd en achtte zij het argument van ACM ongegrond. |
1.7. Onderzoektijdvak en beoordelingsperiode
|
(43) |
Het onderzoek naar de dumping en de schade had betrekking op de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024 (“het onderzoektijdvak”). Het onderzoek van de ontwikkelingen die relevant zijn voor de schadebeoordeling had betrekking op de periode van 1 januari 2021 tot het einde van het onderzoektijdvak (“de beoordelingsperiode”). |
1.8. Niet-instelling van voorlopige maatregelen
|
(44) |
Overeenkomstig artikel 7, lid 1, van de basisverordening was de uiterste termijn voor de instelling van voorlopige maatregelen 17 oktober 2025. Op 25 september 2025 heeft de Commissie de belanghebbenden overeenkomstig artikel 19 bis, lid 2, van de basisverordening in kennis gesteld van haar voornemen geen voorlopige maatregelen in te stellen. |
|
(45) |
De Commissie is doorgegaan met het verzamelen en controleren van alle informatie die zij voor haar definitieve bevindingen nodig achtte. |
1.9. Vervolg van de procedure
|
(46) |
Op 23 februari 2026 heeft de Commissie alle belanghebbenden ingelicht over de belangrijkste feiten en overwegingen op basis waarvan zij voornemens was een definitief antidumpingrecht in te stellen op bepaalde continuglasvezelproducten van oorsprong uit Bahrein, Egypte en Thailand (“mededeling van de definitieve bevindingen”). Opmerkingen die door de partijen naar aanleiding van de mededeling van de definitieve bevindingen zijn ingediend, werden in de desbetreffende punten hieronder behandeld. De belanghebbenden die daartoe een verzoek hadden ingediend, zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. |
|
(47) |
Na de ten aanzien van de mededeling van de definitieve bevindingen ontvangen opmerkingen heeft de Commissie op 12 maart 2026 een aanvullende mededeling van de definitieve bevindingen aan alle belanghebbenden gedaan. Deze aanvullende mededeling bevatte de geactualiseerde bevindingen en overwegingen. De belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken over deze aanvullende mededeling, en de ontvangen opmerkingen werden in de desbetreffende punten hieronder behandeld. De belanghebbenden die daartoe een verzoek hadden ingediend, zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. |
|
(48) |
Na de ten aanzien van de mededeling van de definitieve bevindingen ontvangen opmerkingen heeft de Commissie op 13 maart 2026 een tweede aanvullende mededeling van de definitieve bevindingen aan alle belanghebbenden gedaan. Deze tweede aanvullende mededeling bevatte de geactualiseerde bevindingen en overwegingen. De belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken over deze tweede aanvullende mededeling van feiten en overwegingen. De Commissie heeft geen opmerkingen ontvangen. De belanghebbenden die daartoe een verzoek hadden ingediend, zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. |
2. ONDERZOCHT PRODUCT, BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT
2.1. Onderzocht product
|
(49) |
Het product waarop dit onderzoek betrekking heeft, omvat gesneden glasvezelstrengen met een lengte van niet meer dan 50 mm; glasvezelrovings, met uitzondering van glasvezelrovings die worden geïmpregneerd en gecoat en een gloeiverlies van meer dan 3 % hebben (zoals vastgesteld volgens ISO-norm 1887), en matten van glasvezelfilamenten, met uitzondering van glaswolmatten, momenteel ingedeeld onder de GN-codes 7019 11 00 , ex 7019 12 00 (Taric-codes 7019 12 00 22, 7019 12 00 25, 7019 12 00 26, 7019 12 00 39), 7019 14 00 en 7019 15 00 . De GN- en Taric-codes worden slechts ter informatie en onder voorbehoud van latere wijzigingen van de tariefindeling vermeld. |
|
(50) |
Het onderzochte product is een grondstof die in de composietenindustrie het meest wordt gebruikt om thermoplastische en thermohardende harsen te versterken. De daaruit resulterende composietmaterialen (met glasvezelfilamenten versterkte materialen) worden in een groot aantal bedrijfstakken gebruikt: vervoer (auto-industrie, zeevaart, lucht- en ruimtevaart, militair), elektrotechniek/elektronica, windenergie, de bouw, reservoirs/buizen, consumentenartikelen enz. |
2.2. Betrokken product
|
(51) |
Het betrokken product is het onderzochte product van oorsprong uit Bahrein, Egypte en Thailand (“het betrokken product”). |
2.3. Soortgelijk product
|
(52) |
Uit het onderzoek is gebleken dat de volgende producten dezelfde fysische, chemische en technische basiseigenschappen hebben en voor dezelfde basisdoeleinden worden gebruikt:
|
|
(53) |
De Commissie heeft in dit stadium geconcludeerd dat die producten derhalve soortgelijke producten zijn in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening. |
2.4. Argumenten betreffende de productomschrijving
|
(54) |
Er zijn geen argumenten ontvangen betreffende de productomschrijving. |
3. DUMPING
3.1. Bahrein
3.1.1. Normale waarde
|
(55) |
Om de normale waarde vast te stellen heeft de Commissie eerst onderzocht of het totale volume van de binnenlandse verkoop van de meewerkende producent-exporteur representatief was in de zin van artikel 2, lid 2, van de basisverordening. De binnenlandse verkoop is representatief als het totale volume van de binnenlandse verkoop van het soortgelijke product aan onafhankelijke afnemers op de binnenlandse markt per producent-exporteur tijdens het onderzoektijdvak ten minste 5 % bedroeg van het totale volume van zijn uitvoer van het betrokken product naar de Unie. |
|
(56) |
Op basis hiervan is gebleken dat de totale verkopen op de binnenlandse markt van het soortgelijke product door de producent-exporteur niet representatief was. |
|
(57) |
Voor productsoorten van het soortgelijke product waarvan in het kader van normale handelstransacties onvoldoende hoeveelheden werden verkocht of voor productsoorten waarvan op de binnenlandse markt geen representatieve hoeveelheden werden verkocht, heeft de Commissie de normale waarde berekend overeenkomstig artikel 2, leden 3 en 6, van de basisverordening. Voor productsoorten van het soortgelijke product waarvan in het kader van normale handelstransacties geen verkoop had plaatsgevonden, heeft de Commissie onderzocht of er als grondslag voor de normale waarde alternatieve bronnen voor prijzen in het kader van normale handelstransacties konden worden gebruikt. Aangezien er in het betrokken land geen andere meewerkende of beschikbare binnenlandse producenten van het soortgelijke product waren, waren dergelijke prijzen niet beschikbaar. Bijgevolg heeft de Commissie de normale waarde berekend overeenkomstig artikel 2, leden 3 en 6, van de basisverordening. |
|
(58) |
De normale waarde werd door berekening vastgesteld door de gemiddelde productiekosten van het soortgelijke product van de meewerkende producent-exporteur in het onderzoektijdvak per productsoort van het soortgelijke product te vermeerderen met:
|
|
(59) |
De meewerkende producent-exporteur verzocht om een correctie op de productiekosten op basis van inkomsten uit de verkoop van productieafval. De onderneming voerde aan dat dergelijke inkomsten in haar administratie als andere inkomsten waren geboekt en verstrekte berekeningen om het effect op de gemiddelde productiekosten aan te tonen. |
|
(60) |
De Commissie stelde vast dat de betrokken inkomsten na het onderzoektijdvak werden ontvangen en niet in de administratie van de producent-exporteur waren opgenomen als inkomsten met betrekking tot het onderzoektijdvak. Bij ontbreken van bewijs was dat dergelijke inkomsten verband hielden met of werden geboekt voor de productie tijdens het onderzoektijdvak, concludeerde de Commissie dat een correctie op de productiekosten voor de berekening van de normale waarde niet gerechtvaardigd was. De Commissie heeft dit verzoek dan ook afgewezen. |
|
(61) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde GCC-TSAIP aan dat de Commissie bij de berekening van de productiekosten van CPIC Bahrain rekening had moeten houden met de inkomsten uit de verkoop van productieafval. GCC-TSAIP voerde aan dat het productieafval een inherent resultaat is van het productieproces en dat de verkoop van dergelijk afval een vorm van kostenterugwinning is, die tot uiting had moeten komen in de structuur van de totale productiekosten. GCC-TSAIP verklaarde verder dat het tijdstip van de erkenning van inkomsten dergelijke inkomsten niet automatisch van de berekening mag uitsluiten, aangezien commerciële overwegingen de verkoop of registratie van afvalinkomsten kunnen vertragen. Volgens GCC-TSAIP heeft het uitsluiten van deze inkomsten van de productiekosten de productiekosten kunstmatig opgedreven en geleid tot een te hoge normale waarde. |
|
(62) |
De Commissie heeft het argument van GCC-TSAIP afgewezen. Hoewel de Commissie erkende dat het productieafval een inherent resultaat van het productieproces is en dat de verkoop van dergelijk afval een vorm van kostenterugwinning is, kan de door GCC-TSAIP gevraagde correctie voor de productiekosten van CPIC-TSAIP Bahrain niet worden aanvaard bij gebrek aan bewijs waaruit blijkt dat de inkomsten verband houden met de productie tijdens het onderzoektijdvak. Inkomsten die na het onderzoektijdvak zijn geboekt, kunnen, zelfs indien zij commercieel verband houden met de productie, niet worden gebruikt om de productiekosten tijdens het onderzoektijdvak te corrigeren met het oog op de berekening van de normale waarde. |
3.1.2. Uitvoerprijs
|
(63) |
De uitvoer van de meewerkende producent-exporteur naar de Unie heeft hetzij rechtstreeks naar onafhankelijke afnemers, hetzij via een in Nederland gevestigde als importeur optredende verbonden onderneming plaatsgevonden. De verbonden importeur verkocht het betrokken product door aan niet-verbonden afnemers in de Unie. De verbonden importeur was ook betrokken bij de rechtstreekse verkoop naar de Unie. |
|
(64) |
In het geval waarin de producent-exporteur het betrokken product rechtstreeks naar onafhankelijke afnemers in de Unie had uitgevoerd, was de uitvoerprijs overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening de voor het betrokken product met het oog op uitvoer naar de Unie werkelijk betaalde of te betalen prijs. |
|
(65) |
In het geval waarin de producenten-exporteurs het betrokken product via een als importeur optredende verbonden onderneming naar de Unie hadden uitgevoerd, werd de uitvoerprijs overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening vastgesteld op basis van de prijs waartegen het ingevoerde product voor het eerst aan onafhankelijke afnemers in de Unie was doorverkocht. In dit geval werden correcties toegepast voor alle tussen invoer en wederverkoop gemaakte kosten, met inbegrip van VAA-kosten, en voor de winst. |
|
(66) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde CPIC Bahrein aan dat de Commissie bepaalde bedragen tweemaal in mindering had gebracht bij de berekening van de uitvoerprijs voor indirecte verkoop via de verbonden importeur overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening. Ten eerste voerde CPIC Bahrein aan dat de gerapporteerde correcties reeds het invoerrecht van de EU omvatten en dat de daaropvolgende afzonderlijke aftrek van het douanerecht van 7 % derhalve tot dubbeltelling leidde. Ten tweede voerde CPIC Bahrein aan dat de door de verbonden importeur betaalde commissies in de gerapporteerde correcties waren opgenomen, maar bij de berekening van de uitvoerprijs niet in mindering waren gebracht op de VAA-kosten van de verbonden importeur, wat tot dubbeltelling leidde. |
|
(67) |
De Commissie heeft de argumenten onderzocht en bevestigd dat de afzonderlijke aftrek van het invoerrecht en het ontbreken van een overeenkomstige correctie voor commissies in de VAA-kosten van de verbonden importeur tot dubbeltelling hebben geleid. Bijgevolg heeft de Commissie de berekening gecorrigeerd door de afzonderlijke aftrek van het douanerecht te schrappen en door de gerapporteerde commissiebedragen in mindering te brengen op de VAA van de verbonden importeur bij de berekening van de uitvoerprijs, overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening. |
3.1.3. Vergelijking
|
(68) |
In overeenstemming met artikel 2, lid 10, van de basisverordening moet de Commissie de normale waarde en de uitvoerprijs op billijke wijze en in hetzelfde handelsstadium vergelijken met inachtneming van andere verschillen die van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen. In het onderhavige geval heeft de Commissie ervoor gekozen de normale waarde en de uitvoerprijs van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs te vergelijken in het handelsstadium af fabriek. Zoals hieronder nader toegelicht, zijn de normale waarde en de uitvoerprijs indien passend gecorrigeerd om: i) deze terug te rekenen tot het stadium af fabriek, en ii) correcties toe te passen voor verschillen tussen factoren waarvan werd gesteld en aangetoond dat zij van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen. |
3.1.3.1.
|
(69) |
Om de normale waarde te corrigeren tot het handelsstadium af fabriek, zijn er correcties toegepast voor: de kosten van binnenlands vervoer, lading, overlading en lossing, aanverwante kosten. |
|
(70) |
Er werd rekening gehouden met kredietkosten om de vergelijkbaarheid van de prijzen te waarborgen. |
3.1.3.2.
|
(71) |
Om de uitvoerprijs terug te rekenen tot het handelsstadium af fabriek, zijn er correcties toegepast voor: douanerechten, vervoer, zeevracht en -verzekering, lading, overlading, lossing en aanverwante kosten. |
|
(72) |
Bovendien zijn er correcties toegepast voor de volgende factoren die van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen: kredietkosten en bankkosten. |
|
(73) |
De Commissie merkte op dat alle verkopen van de producent-exporteur naar de Unie werden afgehandeld via een verbonden handelaar, die alle wezenlijke verkoopfuncties uitvoerde die vergelijkbaar waren met die van een agent die op commissiebasis werkt. Gezien de betrokkenheid van de verbonden handelaar bij de rechtstreekse verkoop naar de Unie heeft de Commissie op grond van artikel 2, lid 10, punt i), op de verkoop een correctie wegens commissie toegepast. Gezien de relatie tussen de handelaar en de producent en bij gebrek aan medewerking van niet-verbonden importeurs, werd de commissie geschat op basis van de fictieve winstmarge van 5 % die in het oorspronkelijke onderzoek naar stoffen van glasvezels (8) voor een downstreamglasvezelproduct werd vastgesteld voor een niet-verbonden importeur, en op basis van de werkelijke verkoop-, algemene en administratiekosten van de betrokken handelaar. |
|
(74) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde CPIC Bahrein aan dat bepaalde door de verbonden importeur in verband met de directe verkoop gemaakte VAA-kosten niet aan de indirecte verkopen moeten worden toegerekend, om dubbeltelling bij de correctie van 5 % voor de commissie op grond van artikel 2, lid 10, punt i), te voorkomen. CPIC Bahrain betwistte ook de kwalificatie door de Commissie van de verbonden importeur als verkoopagent met het oog op de correctie inzake commissie. |
|
(75) |
Bij ontbreken van enige rechtvaardiging waarom de verbonden importeur niet als een op commissiebasis werkende agent zou moeten worden behandeld, bevestigde de Commissie haar bevindingen in overweging 73 en handhaafde zij de correctie voor een commissie overeenkomstig artikel 2, lid 10, punt i), zoals beschreven in overweging 73. |
|
(76) |
Vervolgens heeft de Commissie het argument van CPIC Bahrain onderzocht dat de correctie op grond van artikel 2, lid 10, punt i), voor de directe verkopen van CPIC Bahrein een verlaging van de hoogte van de aftrek voor VAA-kosten op grond van artikel 2, lid 9, voor indirecte verkopen vereiste. De Commissie stelde vast dat de VAA-kosten die overeenkomstig artikel 2, lid 9, voor indirecte verkopen in mindering zijn gebracht, gebaseerd zijn op de werkelijke kosten die in de boekhouding van de verbonden importeur zijn opgenomen. Deze kosten weerspiegelen de kosten die voor alle verkopen zijn gemaakt en geen enkel deel van deze kosten kan kunstmatig worden weggelaten uit de voor indirecte verkopen in mindering gebrachte VAA. De Commissie stelde vast dat elke poging om een deel van de VAA-kosten opnieuw toe te rekenen in verband met indirecte verkopen, de totaal geboekte VAA-kosten niet zou wijzigen. De Commissie heeft het argument van de CPIC derhalve afgewezen. |
3.1.4. Dumpingmarges
|
(77) |
Voor de meewerkende producent-exporteur heeft de Commissie de gewogen gemiddelde berekende normale waarde van elke soort van het soortgelijke product vergeleken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs van de overeenkomstige soort van het betrokken product, overeenkomstig artikel 2, leden 11 en 12, van de basisverordening. |
|
(78) |
Op grond hiervan is de definitieve gewogen gemiddelde dumpingmarges, uitgedrukt in procenten van de cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring:
|
|
(79) |
De mate van medewerking is in dit geval hoog, aangezien de invoer van de meewerkende producent-exporteur goed was voor 100 % van de totale uitvoer naar de Unie tijdens het OT. De Commissie heeft op basis hiervan besloten de residuele dumpingmarge vast te stellen op het niveau van de meewerkende producent-exporteur. |
|
(80) |
De volgende tabel bevat de definitieve dumpingmarges, uitgedrukt als percentage van de cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring:
|
3.2. Egypte
3.2.1. Normale waarde
|
(81) |
Om de normale waarde vast te stellen, heeft de Commissie de door Jushi Egypt verstrekte informatie geanalyseerd. Nadat de Commissie de informatie had onderzocht die zij via de antwoorden van de onderneming op de vragenlijst had verkregen en tijdens het controlebezoek had verzameld, stelde zij vast dat de onderneming was blootgesteld aan wisselkoersschommelingen en dat de omvang van de kosten en de verkoop in vreemde valuta de redelijkheid van de verstrekte kosten- en verkoopgegevens beïnvloedde. De Commissie merkte met name op dat de door de Egyptische overheid gelaste liberalisering van het Egyptische pond (EGP) op 6 maart 2024 en de eerdere discrepantie tussen de wisselkoersen op de officiële en de parallelle markt van invloed waren geweest op de registratie van de kosten tijdens het onderzoektijdvak. De Commissie heeft de onderneming op 17 december 2025 per brief laten weten dat zij betwijfelde of de door Jushi Egypt verstrekte in EGP uitgedrukte geregistreerde kosten een redelijk beeld gaven van de werkelijke aan de productie en de verkoop van het betrokken product verbonden kosten in de zin van artikel 2, lid 5, van de basisverordening, en heeft om aanvullende informatie verzocht. |
|
(82) |
Jushi Egypt heeft hierop geantwoord dat de liberalisering van de wisselkoers niet van invloed was op de betrouwbaarheid van de geregistreerde kosten en betwistte dat artikel 2, lid 5, van de basisverordening een gepaste grondslag vormde om de in haar administratie geregistreerde kosten buiten beschouwing te laten. Jushi Egypt voerde aan dat het verschil tussen de wisselkoersen op de officiële en de parallelle markt pas vanaf november 2023 significant werd en dat de gevolgen voor de geregistreerde kosten in het onderzoektijdvak derhalve beperkt waren. Jushi Egypt gaf verder aan dat niet-monetaire posten, waaronder voorraden en vaste activa, na de liberalisering van de wisselkoers in maart 2024 in de administratie werden opgenomen tegen historische officiële koersen, terwijl monetaire posten, zoals contant geld, vorderingen, schulden en leningen, werden omgerekend tegen de geldende contante koers op de balansdatum, waarbij de daaruit voortvloeiende verschillen in winst of verlies werden opgenomen. Dienovereenkomstig hield Jushi Egypt vol dat in het licht van deze praktijken slechts een beperkt aantal kostenposten voor leningen, voorraden, energieverbruik en vaste activa die overeenkwamen met de periode van maart 2023 tot maart 2024, konden worden beïnvloed door voor het onderzoektijdvak relevante verschillen tussen de officiële wisselkoers en de parallelle wisselkoers. |
|
(83) |
Jushi Egypt gaf verder aan dat eventuele wisselkoersverliezen als gevolg van de omrekening van monetaire posten tegen de contante wisselkoers op de balansdatum na de liberalisering werden geboekt in overeenstemming met de boekhoudkundige standaardpraktijken en geen wezenlijke invloed hadden op de werkelijke productiekosten. Dienovereenkomstig voerde Jushi Egypt aan dat de opgegeven wisselkoersverliezen de betrouwbaarheid van de kostenrapportage van Jushi Egypt of de vergelijkbaarheid ervan met de verkoopprijzen tijdens het onderzoektijdvak niet ondergroeven. |
|
(84) |
Niettemin en onverminderd deze argumenten verstrekte Jushi Egypt gecorrigeerde kosten- en verkoopgegevens die waren berekend op basis van de parallelle marktwisselkoers. |
|
(85) |
De Commissie heeft de door de onderneming verstrekte gecorrigeerde kosten- en verkoopgegevens onderzocht en is tot de conclusie gekomen dat de door Jushi Egypt voorgestelde correcties nog steeds onvoldoende waren en dat deze geen redelijk beeld gaven van de werkelijke aan de productie en de verkoop van het betrokken product verbonden kosten in de zin van artikel 2, lid 5, van de basisverordening. De gecorrigeerde gegevens hielden met name onvoldoende rekening met de invloed van historische wisselkoersverstoringen ten aanzien van grondstoffen, afschrijvingen en andere kostenposten. De Commissie heeft derhalve aan Jushi Egypt meegedeeld dat zij artikel 18 van de basisverordening zou kunnen toepassen om de normale waarde vast te stellen, omdat de gegevens die nodig zijn voor de berekening van de normale waarde in de zin van artikel 18 van de basisverordening niet was verstrekt. |
|
(86) |
Jushi Egypt antwoordde hierop dat er geen grond was voor gebruikmaking van de beschikbare gegevens voor de berekening van de normale waarde, aangezien Jushi Egypt gedurende het onderzoek volledige medewerking had verleend aan de Commissie en de Commissie niet had gespecificeerd welke noodzakelijke informatie niet door de onderneming was verstrekt. Daarnaast verzocht Jushi Egypt om een hoorzitting met de raadadviseur-auditeur om de vermeende inbreuk op zijn recht van verweer aan de orde te stellen, alsook het voornemen van de Commissie om op grond van artikel 18 van de basisverordening gebruik te maken van de beschikbare gegevens. |
|
(87) |
Op 4 februari 2026 verzocht Jushi Egypt, in reactie op de brief van 27 januari 2026 op grond van artikel 18 van de basisverordening, om een hoorzitting met de raadadviseur-auditeur om verduidelijking te verkrijgen van de Commissie over i) de exacte bepaling van artikel 18 van de basisverordening in kwestie (waarbij de onderneming opmerkte dat zij volledig aan het onderzoek had meegewerkt) en ii) de informatie die Jushi Egypt niet naar behoren had verstrekt (waarbij de onderneming opmerkte dat zij zonder dergelijke cruciale informatie in het ongewisse was gelaten over hoe zij haar belangen kon verdedigen). Op 10 februari 2026 heeft de raadadviseur-auditeur Jushi Egypt ervan in kennis gesteld interventie voorbarig te achten, aangezien de dienst de verschillende elementen in het dossier, waaronder die met betrekking tot de toepassing van artikel 2, lid 5, en artikel 18 van de basisverordening, nog aan het beoordelen was om tot een besluit te komen. Jushi Egypt zou na de mededeling van feiten en overwegingen nog steeds de gelegenheid hebben opmerkingen te maken, zodat de belanghebbende zijn procedurele rechten in deze zaak ten volle zou kunnen uitoefenen. |
|
(88) |
Jushi Egypt betoogde voorts dat een beroep op artikel 2, lid 5, van de basisverordening onrechtmatig was omdat de uitzondering op de algemene regel dat voor de berekening van de normale waarde de boekhouding van de producent-exporteur moet worden gebruikt, eng moet worden uitgelegd. Jushi Egypt voerde dienovereenkomstig aan dat zijn administratie de primaire bron is voor de vaststelling van de normale waarde en dat het aan de Commissie was om aan te tonen dat deze geen redelijk beeld gaf van de aan de productie en de verkoop van het onderzochte product verbonden kosten. Daarnaast voerde Jushi Egypt aan dat de feitelijke elementen die ten grondslag lagen aan de bezorgdheid van de Commissie onvoldoende waren om de toepassing van artikel 2, lid 5, van de basisverordening te rechtvaardigen. |
|
(89) |
Jushi Egypt betoogde tevens dat de Commissie hem anders behandelde dan exporteurs in eerdere zaken met vergelijkbare transacties in buitenlandse valuta en lokale devaluaties, en wees daarbij op onderzoeken waarbij de Commissie de opgegeven kosten aan de hand van officiële wisselkoersen had geaccepteerd, ondanks valutaschommelingen of beweringen van onderwaardering, en de parallelle marktkoersen had afgewezen (9). |
|
(90) |
Jushi Egypt voerde verder aan dat gebruikmaking van de beschikbare gegevens niet kon leiden tot een normale waarde die hoger was dan de waarde die het resultaat zou zijn geweest van het gebruik van de parallelle marktwisselkoersen. In elk geval voerde Jushi Egypt aan dat binnenlandse transacties in EGP vanwege de aard ervan niet werden beïnvloed door de devaluatie van het EGP en daarom niet buiten beschouwing mochten worden gelaten. Ten slotte voerde Jushi Egypt aan dat, indien de Commissie zou besluiten zijn rekeningen te corrigeren om rekening te houden met de devaluatie van het EGP, het bedrag dat reeds wordt gecompenseerd door middel van het compenserende recht met betrekking tot de depreciatie van de valuta, in mindering moest worden gebracht op deze correctie om de met artikel 14, lid 1, tweede alinea, van de basisverordening strijdige dubbele instelling van maatregelen te voorkomen. |
|
(91) |
Na grondig onderzoek van de door Jushi Egypt ingediende argumenten en informatie is de Commissie tot de conclusie gekomen dat de administratie van Jushi Egypt geen redelijk beeld geeft van de aan de productie van het onderzochte product verbonden werkelijke kosten als bedoeld in artikel 2, lid 5, van de basisverordening. |
|
(92) |
De Commissie merkte op dat Egypte tussen 2011 en 2024 te maken had met aanzienlijke politieke en economische instabiliteit, waardoor de beschikbaarheid van buitenlandse valuta beperkt was. Herhaalde controles op het kapitaalverkeer leidden tot het ontstaan en voortbestaan van parallelle buitenlandse valutamarkten. Deze wisselkoersontwikkelingen, waaronder de grote devaluaties en de geleidelijke overgang naar een volledig geliberaliseerde munt in maart 2024, hebben de kloof tussen de officiële en de parallelle koersen verkleind, maar niet volledig opgeheven. Deze ontwikkelingen hadden een wezenlijke invloed op de economische omgeving waarin Jushi Egypt werkzaam was, waaronder de waardering van activa, kostenregistratie en blootstelling aan wisselkoersschommelingen (10). |
|
(93) |
De Commissie merkte op dat de Egyptische economie tijdens het onderzoektijdvak dan ook werd gekenmerkt door aanzienlijke verstoringen van de wisselkoers, met als hoogtepunt de verdere liberalisering van het EGP op 6 maart 2024. Aan het begin van het onderzoektijdvak was de officiële wisselkoers ongeveer 30 EGP per USD, terwijl de parallelle marktkoers soms meer dan 100 % verschilde. |
|
(94) |
De Commissie merkte verder op dat de wisselkoersontwikkelingen in Egypte in de periode 2016-2024 de waardering van de activa en daarmee verbonden kostencomponenten van Jushi Egypt wezenlijk beïnvloedden. In dit verband bleven de belangrijkste historische kostenposten, waaronder afschrijvingen, voorraden en eerdere investeringen, waarden weergeven die werden geregistreerd tegen officiële wisselkoersen die tijdens het onderzoektijdvak aanzienlijk lager lagen dan de economische realiteit. |
|
(95) |
Gezien het feit dat een aanzienlijk deel van de transacties van Jushi Egypt, waaronder verkopen, aankopen van grondstoffen en energie, leningen, investeringen en andere kostenposten, in buitenlandse valuta luidden, wat de situatie van deze onderneming onderscheidt van die in de andere onderzoeken waarnaar door Jushi Egypt werd verwezen, leidde het gebruik van de officiële wisselkoers tot een systematische onderwaardering van de in EGP gerapporteerde kosten. Met name investeringen en voorraden die vóór en tijdens het onderzoektijdvak in vreemde valuta werden aangekocht, werden tegen historisch lage officiële wisselkoersen in de administratie geregistreerd, wat resulteerde in een te laag weergegeven waarde van de activa en bijgevolg in te lage afschrijvingen en andere historische kostencomponenten. Zo werden ook de aankopen van grondstoffen in vreemde valuta tijdens de eerste maanden van het onderzoektijdvak geregistreerd tegen de lage officiële wisselkoersen die de heersende marktvoorwaarden niet weerspiegelden. |
|
(96) |
Anders dan Jushi Egypt in zijn antwoorden van 5 januari 2026 en 3 februari 2026 beweerde, kwam uit deze factoren naar voren dat een aanzienlijk deel van de productie- en kostencomponenten al lang voor maart 2023 wezenlijk werd beïnvloed door het verschil tussen de officiële en de parallelle wisselkoersen. Hoewel Jushi Egypt opmerkte dat niet-monetaire posten werden geboekt tegen historische officiële koersen en monetaire posten werden omgerekend tegen de contante koers, gaven de officiële koersen historisch gezien de economische waarde van activa en kosten te laag weer, terwijl de behandeling van wisselkoersverliezen onder niet-gerealiseerde resultaten de verstoring van de operationele productiekosten niet verminderde. De Commissie merkte voorts op dat het argument van Jushi Egypt dat monetaire posten niet werden beïnvloed, wordt tegengesproken door zijnr eigen correcties, zoals vermeld in overweging 84, waarbij parallelle-marktkoersen werden toegepast op monetaire posten, met inbegrip van vorderingen. De Commissie stelde vast dat de behandeling van de monetaire posten in de correcties van Jushi Egypt eens te meer bevestigde dat het onderscheid tussen monetaire en niet-monetaire posten zonder praktische betekenis is, aangezien beide soorten posten wezenlijk werden beïnvloed. Dienovereenkomstig was het effect op voorraden, vaste activa, afschrijvingen, kosten van grondstoffen en andere historische kostencomponenten aanzienlijk gedurende het gehele onderzoektijdvak, en niet, zoals Jushi Egypt suggereerde, alleen in de laatste maanden. |
|
(97) |
Bovendien werden aanzienlijke wisselkoersverliezen die het gevolg waren van de herwaardering van monetaire activa en passiva na de liberalisering van maart 2024, ondanks het feit dat deze in overeenstemming met de Egyptische boekhoudnormen onder niet-gerealiseerde resultaten waren opgenomen, niet weerspiegeld in de aan de Commissie gerapporteerde productiekosten, wat ook de situatie van deze onderneming onderscheidt van die in de andere onderzoeken van de Commissie waarnaar door Jushi Egypt wordt verwezen. Gezien de mate van blootstelling aan vreemde valuta en het grote verschil tussen de officiële en de parallelle wisselkoersen concludeerde de Commissie dat de administratie van Jushi Egypt geen redelijk beeld gaf van de tijdens het onderzoektijdvak aan de productie en de verkoop van het onderzochte product verbonden kosten in de zin van artikel 2, lid 5, van de basisverordening. |
|
(98) |
Gezien het voorgaande heeft de Commissie overeenkomstig artikel 2, lid 5, van de basisverordening onderzocht of de door Jushi Egypt ingediende herziene kostengegevens, die waren gebaseerd op schattingen van de niet-officiële/de parallelle wisselkoersen, als een geschikte basis voor de berekening van de normale waarde konden dienen. De Commissie stelde vast dat er met de gecorrigeerde gegevens weliswaar bepaalde vertekeningen in de administratie van de onderneming waren gecorrigeerd en de economische realiteit van de productie tijdens het onderzoektijdvak beter werd weergegeven, maar dat niet alle overige discrepanties hiermee volledig werden weggewerkt. |
|
(99) |
Aangezien de vastgestelde vertekeningen gedeeltelijk werden verholpen door de voorgestelde methode en de gecorrigeerde gegevens, besloot de Commissie akkoord te gaan met de voorgestelde algehele methode en correcties. De Commissie heeft derhalve de door Jushi Egypt ingediende gecorrigeerde kostengegevens niet volledig buiten beschouwing gelaten, maar deze gebruikt als basis voor haar berekeningen van de normale waarde, overeenkomstig artikel 18, lid 3, van de basisverordening. De Commissie heeft met name aanvullende gerichte correcties doorgevoerd voor specifieke kostenposten waarmee Jushi Egypt onvoldoende rekening had gehouden, waaronder grondstoffen, afschrijving en slijtage van edele metalen. Deze correcties werden toegepast om ervoor te zorgen dat de uiteindelijk gebruikte kosten een redelijk beeld gaven van de aan de productie en de verkoop van het onderzochte product verbonden kosten, zoals vereist op grond van artikel 2, lid 5, van de basisverordening. De Commissie concludeerde dat deze methode en aanvullende correcties haar in staat stelden de berekening van de normale waarde te baseren op de gegevens van de onderneming in plaats van in dit stadium gebruik te maken van informatie van andere representatieve markten. |
|
(100) |
Voorts merkte de Commissie op dat het argument van Jushi Egypt dat artikel 2, lid 5, van de basisverordening eng moet worden uitgelegd en dat zijn boekhouding de primaire bron voor de normale waarde vormen, niet strookte met de feitelijke en juridische context. De Commissie kan op grond van artikel 2, lid 5, van de basisverordening kosten corrigeren wanneer de administratie van een producent-exporteur geen redelijk beeld geeft van de aan de productie en de verkoop van het onderzochte product verbonden kosten. In het onderhavige geval leidt de discrepantie tussen de officiële koersen en de economische realiteit, in combinatie met een aanzienlijke blootstelling aan vreemde valuta, er duidelijk toe dat dergelijke gerichte correcties moeten worden doorgevoerd. Hoe dan ook was de Commissie van oordeel dat de berekening van de normale waarde op basis van de gecorrigeerde gegevens van Jushi Egypt, zoals die op 5 januari 2026 door de onderneming waren ingediend en die de eigen methode voor de behandeling van wisselkoerseffecten weerspiegelden, een betere beeld gaven van de in het onderzoektijdvak aan de productie en de verkoop van het betrokken product verbonden kosten. De Commissie achtte het, zoals opgemerkt in overweging 99, passend de administratie van de onderneming niet in haar geheel te vervangen. In plaats daarvan werden gerichte correcties in de herziene gegevensreeks van Jushi Egypt aangebracht zodat de in de administratie geregistreerde kosten een redelijk beeld zouden geven van de werkelijke tijdens het onderzoektijdvak aan de productie en de verkoop verbonden kosten. |
|
(101) |
Ten slotte is de bewering van Jushi Egypt dat de praktijk van de Commissie in eerdere zaken, waar ongeacht lokale devaluaties officiële koersen werden gebruikt, de Commissie zou verplichten om die aanpak ook in het onderhavige geval te volgen, ongegrond. De Commissie merkte op dat elk antidumpingonderzoek moet worden beoordeeld op de eigen specifieke feiten en economische omstandigheden ervan en de rechtmatigheid van de vaststelling van antidumping door de Commissie in het licht van rechtsregels, en niet op basis van een beweerdelijke eerdere besluitvormingspraktijk van de onderzoekende autoriteit. De Commissie merkte verder op dat haar praktijk afhangt van de vraag of en in welke mate de betrokken producent-exporteur door wisselkoersproblemen werd getroffen. Wanneer dit door de feitelijke omstandigheden van een zaak werd gerechtvaardigd, heeft de Commissie zich in het verleden op parallelle marktwisselkoersen gebaseerd (11). In het onderhavige geval hebben de langdurige en ernstige devaluatie van het EGP, het aanhoudende en aanzienlijke verschil tussen de wisselkoersen op de officiële en de parallelle markt dat van invloed is op de waardering van activa en bijgevolg op de afschrijvingen (die een aanzienlijk deel uitmaken van de productiekosten in kapitaalintensieve industrieën), en het hoge percentage transacties in vreemde valuta, gezamenlijk een unieke situatie gecreëerd die wezenlijk verschilde van alle eerdere door de partij genoemde onderzoeken. Historische precedenten waarin officiële koersen wel werden aanvaard, onderscheiden zich duidelijk van de onderhavige omstandigheden en deden niet af aan de noodzaak van gerichte correcties op grond van artikel 2, lid 5, in het onderhavige geval. |
|
(102) |
De Commissie concludeerde, tegen de achtergrond van de in de overwegingen 91 tot en met 97 weergegeven bevindingen, dat de in de boekhouding van Jushi Egypt opgenomen kosten geen redelijk beeld gaven van de aan de productie en de verkoop van het onderzochte product verbonden kosten in de zin van artikel 2, lid 5, van de basisverordening. |
|
(103) |
Dienovereenkomstig heeft de Commissie als grondslag voor haar berekeningen van de normale waarde gebruikgemaakt van de gecorrigeerde kostengegevens van Jushi Egypt. De Commissie aanvaardde de algemene methode en de door de onderneming voorgestelde correcties, maar voerde daarnaast aanvullende gerichte correcties door voor posten die door Jushi Egypt niet voldoende in acht waren genomen, maar welke noodzakelijk werden geacht om te komen tot kosten die een redelijk beeld geven van de aan de productie en de verkoop van het betrokken product verbonden kosten, zoals uiteengezet in overweging 99. Nadere details inzake de correcties en de desbetreffende bronnen werden, gezien de vertrouwelijke aard van de informatie, aan de producent-exporteur in een afzonderlijke mededeling verstrekt. |
|
(104) |
De Commissie zag wat het argument van Jushi Egypt dat de correctie voor de devaluatie van het EGP zou leiden tot dubbeltelling als gevolg van het compenserende recht, niet in hoe een aan de hand van de devaluatie berekend belastingvoordeel een geval van dubbeltelling zou kunnen vormen. Bij ontbreken van verdere toelichtingen en bewijsmateriaal waaruit zou blijken dat hetzelfde element tweemaal in aanmerking was genomen, werd het argument afgewezen. |
|
(105) |
Op 26 februari 2026 verzocht Jushi Egypt om tussenkomst van de raadadviseur-auditeur, waarbij de onderneming opmerkte dat zij nog steeds niet op de hoogte was gebracht van welke informatie niet was verstrekt of niet in alle opzichten toereikend was verstrekt, aangezien dit in de mededeling van de definitieve bevindingen nergens was toegelicht. De raadadviseur-auditeur heeft de onderneming geantwoord op diezelfde datum geantwoord dat de Commissie de door Jushi Egypt verstrekte informatie zo goed als mogelijk had gebruikt, overeenkomstig artikel 18, lid 3, van de basisverordening. Wanneer de verstrekte gecorrigeerde gegevens niet geschikt waren (waardoor het bereiken van redelijk betrouwbare conclusies onnodig werd bemoeilijkt), heeft de Commissie aanvullende correcties doorgevoerd ten aanzien van specifieke kostenposten, zoals uiteengezet in de mededeling van de definitieve bevindingen en de bijlagen daarbij. De raadadviseur-auditeur heeft Jushi Egypt aangemoedigd om contact op te nemen met de dienst van de Commissie, zodat de onderneming de relevante gegevens zou kunnen verstrekken als onderdeel van haar schriftelijke opmerkingen over de mededeling van de definitieve bevindingen. |
|
(106) |
De raadadviseur-auditeur heeft op 4 maart 2026 een hoorzitting met de belanghebbende en de dienst van de Commissie georganiseerd, zodat Jushi Egypt beter kon begrijpen welk soort informatie de onderneming de Commissie nog kon verstrekken voor diens vaststelling van de normale waarde, en aldus haar schriftelijke opmerkingen dienovereenkomstig kon voorbereiden. Tijdens de hoorzitting onder voorzitterschap van de raadadviseur-auditeur had Jushi Egypt de gelegenheid om tijdig nader contact met de dienst op te nemen over een aantal specifieke punten, teneinde nuttige richtsnoeren te krijgen ter voorbereiding van de schriftelijke opmerkingen over de mededeling van de definitieve bevindingen. De dienst heeft ook aangeboden Jushi Egypt tijdens een afzonderlijke hoorzitting te horen over de mededeling van de definitieve bevindingen. In het licht hiervan concludeerde de raadadviseur-auditeur dat de rechten van verdediging van Jushi Egypt naar behoren waren gewaarborgd. |
|
(107) |
De raadadviseur-auditeur heeft tevens een verzoek om verlenging van de termijn voor Jushi Egypt om opmerkingen te maken over de mededeling van de definitieve bevindingen afgewezen. De dienst had een dergelijke termijn reeds verlengd van vrijdag 6 maart 2026 tot maandag 9 maart 2026, 13 uur, en Jushi Egypt heeft geen aanvullende omstandigheden aangevoerd die tot een verdere verlenging van de termijn noopten. |
|
(108) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen herhaalde Jushi Egypt haar argument dat de toepassing van artikel 18, lid 3, van de basisverordening ongegrond was. Jushi Egypt voerde aan dat de bepaling betrekking heeft op niet-medewerking en dat de Commissie niet heeft aangetoond hoe Jushi Egypt niet of onvoldoende heeft meegewerkt. Jushi Egypt voerde met name aan dat de Commissie niet had gespecificeerd welke voor het ondezoek noodzakelijke informatie zij niet had verstrekt, of welke informatie niet in alle opzichten toereikend was verstrekt. Daarnaast voerde Jushi Egypt aan dat de Commissie, door niet te specificeren welke informatie Jushi Egypt moest verstrekken, de bewijslast om de ontbrekende noodzakelijke informatie vast te stellen en te verstrekken, had omgekeerd zodat deze nu op Jushi Egypt was komen te rusten. Jushi Egypt voerde ook aan dat zij, indien de Commissie daarom zou hebben verzocht, alle nodige informatie aan de Commissie had kunnen verstrekken, onder meer door “haar rekeningen te corrigeren door ze terug te brengen naar USD of ze te baseren op de huidige EGP-wisselkoersen”. |
|
(109) |
Daarnaast herhaalde Jushi Egypt na de mededeling van de definitieve bevindingen haar argument dat de toepassing van artikel 2, lid 5, van de basisverordening als rechtsgrondslag voor kostencorrecties ongerechtvaardigd is, met het argument dat de Commissie zich ten onrechte heeft gebaseerd op het bestaan van parallelle marktwisselkoersen en de devaluatie van het EGP op 6 maart 2024, zonder te onderbouwen hoe deze factoren de betrouwbaarheid van haar geboekte kosten hebben beïnvloed. Jushi Egypt voerde met name aan dat de Commissie de gevolgen van de devaluatie van maart 2024 heeft verward met het bestaan van parallelle wisselkoersen vóór die datum, en dat zij niet heeft uitgelegd hoe verschillen tussen officiële en parallelle wisselkoersen van invloed kunnen zijn op niet-monetaire posten. Jushi Egypt voerde verder aan dat bepaalde correcties van de Commissie niet onderbouwd waren, aangezien zij de waarde van activa, voorraden en andere kostenposten verhoogden zonder de kosten in EGP te isoleren die niet door wisselkoersschommelingen zouden zijn beïnvloed. |
|
(110) |
Tot slot heeft Jushi Egypt verschillende opmerkingen ingediend over de gerichte correcties die de Commissie heeft toegepast op de gecorrigeerde kostengegevens van Jushi Egypt, zoals beschreven in overweging 103. Deze opmerkingen omvatten argumenten met betrekking tot de correcties van de Commissie voor in het eerste kwartaal van 2024 aangekochte grondstoffen, afschrijving, slijtage van edele metalen, kosten van grondstoffen en verpakking, voorraden gereed product en wisselkoersverlies. |
|
(111) |
Wat de argumenten van Jushi Egypt over de toepassing van artikel 18, lid 3, van de basisverordening betreft, merkte de Commissie op dat deze bepaling de Commissie niet verplicht een belanghebbende te gidsen bij de vraag welke aanvullende informatie moet worden verstrekt. Artikel 18, lid 3, van de basisverordening bepaalt enkel dat de door een belanghebbende verstrekte inlichtingen niet buiten beschouwing worden gelaten wanneer zij niet in alle opzichten toereikend zijn, mits de tekortkomingen niet tot onnodige moeilijkheden leiden om tot redelijk betrouwbare conclusies te komen, de inlichtingen tijdig zijn verstrekt, controleerbaar zijn en de betrokkene naar beste vermogen heeft gehandeld. De bepaling stelt derhalve de voorwaarden vast waaronder informatie die niet in alle opzichten toereikend is, niettemin door de Commissie moet worden gebruikt. Aangezien de Commissie voor de gegevens in kwestie heeft vastgesteld dat aan de voorwaarden was voldaan, heeft zij de door Jushi Egypt ingediende gegevens aanvaard. Bijgevolg is het argument van Jushi Egypt dat de Commissie de bewijslast heeft omgekeerd door niet te specificeren welke informatie ontbrak, ongegrond. |
|
(112) |
In elk geval merkte de Commissie op dat zij Jushi Egypt gedurende het gehele onderzoek in kennis had gesteld van de problemen die met betrekking tot haar kostengegevens waren vastgesteld. De Commissie heeft in haar correspondentie met Jushi Egypt van 17 december 2025 en 27 januari 2026 met name de bezorgdheid toegelicht over de redelijkheid van bepaalde kostenelementen die in de rekeningen van de onderneming waren opgenomen, in het licht van het verschil tussen de officiële en de parallelle wisselkoersen en de aanzienlijke blootstelling van de onderneming aan vreemde valuta. Deze kwesties werden vervolgens nader toegelicht in de specifieke mededeling van de definitieve bevindingen. De Commissie was derhalve van oordeel dat Jushi Egypt naar behoren was geïnformeerd over de aard van de vastgestelde problemen en tijdens het onderzoek verschillende mogelijkheden had om informatie te verstrekken om die problemen aan te pakken. De Commissie merkte verder op dat het vastgestelde probleem structureel was en van invloed was op de registratie van verschillende kostencategorieën in de boekhouding van de onderneming. In deze omstandigheden was het aan de onderneming, die het best in staat was om de aard en de omvang van de in haar eigen boekhoudsysteem beschikbare informatie te kennen, om gegevens te verstrekken waarmee deze kwesties konden worden aangepakt. De Commissie was derhalve van oordeel dat het argument van Jushi Egypt dat zij niet kon voorzien welke informatie had kunnen worden verlangd, ongegrond was. |
|
(113) |
De Commissie merkte tevens op dat Jushi Egypt, in tegenstelling tot haar argument na de mededeling van de definitieve bevindingen over haar bereidheid om haar boekhouding te reconstrueren, in haar antwoord van 3 februari 2026 had aangegeven dat het voor de onderneming een “onmogelijke last” zou vormen om parallelle markttarieven toe te passen “op al haar transacties en rekeningen vanaf de start van haar activiteiten in 2014”. Deze verklaring bevestigde voorts het structurele karakter van het door de Commissie vastgestelde probleem. Op basis van de door de onderneming verstrekte informatie heeft de Commissie, zoals beschreven in overweging 103, zich vervolgens gebaseerd op de door de onderneming verstrekte gecorrigeerde gegevens, met daarbij bepaalde aanvullende gerichte correcties. |
|
(114) |
In dit verband merkte de Commissie op dat, in tegenstelling tot wat Jushi Egypt betoogt, de toepassing van artikel 18, lid 3, van de basisverordening de beoordelingsbevoegdheid van de Commissie niet heeft uitgebreid, maar juist heeft beperkt. Zonder de toepassing van artikel 18, lid 3, van de basisverordening had de Commissie, zodra zij op grond van artikel 2, lid 5, van de basisverordening had geconcludeerd dat de in de boekhouding van Jushi Egypt geregistreerde kosten geen redelijk beeld gaven van de aan de productie en de verkoop van het onderzochte product verbonden kosten, volledig kunnen afwijken van de kosteninformatie van de onderneming en de relevante kosten overeenkomstig die bepaling op een andere redelijke basis kunnen vaststellen. In feite schept artikel 18, lid 3, van de basisverordening echter de verplichting voor de Commissie om door een belanghebbende verstrekte informatie niet buiten beschouwing te laten wanneer aan de voorwaarden van die bepaling is voldaan. Bijgevolg heeft de toepassing van artikel 18, lid 3, van de basisverordening ervoor gezorgd dat de Commissie zich heeft gebaseerd op de door Jushi Egypt verstrekte informatie, voor zover die informatie nog kon worden gebruikt voor de berekening van de normale waarde. |
|
(115) |
De Commissie merkte hoe dan ook op dat, zelfs zonder de toepassing van artikel 18, lid 3, van de basisverordening, de aanvullende gerichte correcties voor de kostengegevens van Jushi Egypt volledig gerechtvaardigd zouden zijn op grond van enkel artikel 2, lid 5, van de basisverordening. Zoals aangegeven in de overwegingen 91 tot en met 97, heeft de structurele impact van de wisselkoersontwikkelingen in Egypte, met inbegrip van terugkerende devaluaties, het voortbestaan van parallelle valutamarkten en de liberalisering van het EGP op 6 maart 2024, aanzienlijke gevolgen gehad voor de registratie van kosten en de waardering van activa, met name gezien de aanzienlijke blootstelling van Jushi Egypt aan wisselkoersschommelingen. De Commissie merkte op dat, zoals toegelicht in overweging 96 en anders dan Jushi Egypt had betoogd, het onderscheid tussen monetaire en niet-monetaire posten zonder praktische betekenis is, aangezien beide soorten posten wezenlijk waren beïnvloed. |
|
(116) |
Ten slotte heeft de Commissie, wat de opmerkingen van Jushi Egypt over de aanvullende gerichte correcties van de Commissie betreft, de aan de orde gestelde punten zorgvuldig onderzocht en, indien passend, de normale waarde herberekend om gerechtvaardigde correcties weer te geven. Gezien het vertrouwelijke karakter van de onderliggende gegevens werden deze herberekeningen aan de onderneming meegedeeld door middel van een aanvullende specifieke mededeling van feiten en overwegingen. |
|
(117) |
Jushi Egypt diende naar aanleiding van de aanvullende mededeling van de definitieve bevindingen verschillende opmerkingen in over de gerichte correcties die de Commissie op de gecorrigeerde kostengegevens van Jushi Egypt had toegepast, zoals beschreven in overweging 86 van de mededeling van de definitieve bevindingen. Deze opmerkingen omvatten argumenten met betrekking tot de correcties van de Commissie voor afschrijving en slijtage van edele metalen. De Commissie heeft de aan de orde gestelde punten zorgvuldig onderzocht en, indien passend, de normale waarde herberekend om gerechtvaardigde correcties weer te geven. Gezien het vertrouwelijke karakter van de onderliggende gegevens werden deze aanvullende herberekeningen aan de onderneming meegedeeld door middel van een tweede aanvullende specifieke mededeling, waarna geen nieuwe opmerkingen werden ontvangen. |
|
(118) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen betoogde de Egyptische overheid dat de aanpak van de Commissie niet in overeenstemming was met artikel 2.2.1.1 van de Antidumpingovereenkomst van de WTO, waarin is bepaald dat de administratie van de onderzochte producent de voorkeursbron is voor het bepalen van de productiekosten, tenzij die administratie niet in overeenstemming is met de algemeen aanvaarde boekoudkundige beginselen (GAAP) of geen redelijk beeld geeft van de aan de productie en de verkoop van het onderzochte product verbonden kosten. Volgens de Egyptische overheid heeft de Commissie niet gesteld dat de rekeningen van Jushi Egypt niet in overeenstemming waren met de GAAP of dat daarin de werkelijk gemaakte kosten niet waren opgenomen. In plaats daarvan had de Commissie de administratie afgewezen op grond dat deze geen redelijk beeld gaf van de aan de productie en de verkoop van het betrokken product verbonden kosten als gevolg van macro-economische factoren zoals valutadevaluatie en het langdurige en aanzienlijke verschil tussen de officiële en de parallelle wisselkoersen, waardoor de toegepaste officiële wisselkoers de werkelijke marktomstandigheden niet nauwkeurig weergaf. |
|
(119) |
De Egyptische overheid voerde verder aan dat de aanvaarding door de Commissie van de door Jushi Egypt ingediende gecorrigeerde gegevens bevestigde dat de onderliggende administratie fundamenteel betrouwbaar was. Volgens de Egyptische overheid kan de administratie, indien zij met correcties kan worden gebruikt, logischerwijze niet worden geacht geen redelijk beeld van de kosten te kunnen geven. De Egyptische overheid voerde voorts aan dat de daaropvolgende correcties door de Commissie met betrekking tot vaste activa, voorraden en afschrijvingen hebben geleid tot een hybride methode waarbij de kosten in feite werden gereconstrueerd zonder een passende rechtsgrondslag in de zin van artikel 2.2 van de Antidumpingovereenkomst van de WTO. |
|
(120) |
Tot slot voerde de Egyptische overheid aan dat de door Jushi Egypt toegepaste boekhoudkundige behandeling de verplichte Egyptische boekhoudstandaarden volgde en niet ter vrije keuze stond. Zij voerde nader aan dat de macro-economische wisselkoersontwikkelingen niet konden rechtvaardigen dat de administratie van de onderneming buiten beschouwing werd gelaten zonder dat er sprake was van een specifieke verstoring die van invloed was op de kosten van de producent. De Egyptische overheid was tevens van mening dat de aanpak van de Commissie niet strookte met het parallelle antisubsidieonderzoek, waarin hetzelfde boekhoudkundige kader werd onderzocht als mogelijk kostenverlagend, terwijl het in het onderhavige onderzoek wordt beschouwd als kostenopdrijvend of -verstorend. |
|
(121) |
De Commissie heeft de argumenten van de Egyptische overheid grondig onderzocht en afgewezen. Ten eerste herinnerde de Commissie eraan dat artikel 2.2.1.1 van de Antidumpingovereenkomst van de WTO de onderzoekende autoriteiten verplicht de kostenberekening te baseren op de administratie van de exporteur of producent, mits die administratie in overeenstemming is met de algemeen aanvaarde boekhoudkundige beginselen van het land van uitvoer en een redelijk beeld geeft van de aan de productie en de verkoop van het onderzochte product verbonden kosten. De Commissie heeft, zoals aangegeven in de overwegingen 91 tot en met 98, weliswaar niet betwist dat de rekeningen van Jushi Egypt waren opgesteld in overeenstemming met de toepasselijke boekhoudstandaarden, maar heeft vastgesteld dat de in die rekeningen geboekte kosten geen redelijk beeld gaven van de tijdens het onderzoektijdvak aan de productie en de verkoop van het onderzochte product verbonden kosten. Met name het langdurige en aanzienlijke verschil tussen de officiële en de parallelle wisselkoersen, in combinatie met de aanzienlijke blootstelling van de onderneming aan transacties in vreemde valuta, heeft ertoe geleid dat belangrijke kostenelementen zoals vaste activa, afschrijvingen, voorraden en bepaalde aankopen van grondstoffen werden geregistreerd tegen historische officiële wisselkoersen die de economische waarde ervan tijdens het onderzoektijdvak aanzienlijk onderschatten. |
|
(122) |
Ten tweede merkte de Commissie op dat haar gebruik van de door Jushi Egypt ingediende gecorrigeerde gegevens niet aantoonde dat de oorspronkelijke administratie een redelijk beeld gaf van de relevante kosten. De Commissie concludeerde, zoals uiteengezet in de overwegingen 94 tot en met 98, dat de administratie van de onderneming verstoringen bevatte die voortvloeiden uit de hierboven beschreven wisselkoersontwikkelingen, en geen redelijk beeld gaf van de met de tijdens het onderzoektijdvak aan de productie en de verkoop van het onderzochte product verbonden kosten. In de gecorrigeerde gegevensreeks die de onderneming heeft ingediend nadat zij van het punt in kennis was gesteld, werden deze verstoringen gedeeltelijk aangepakt. De Commissie heeft die gegevensreeks derhalve gebruikt als basis voor de berekening van de normale waarde, terwijl zij gerichte correcties heeft toegepast op kostenelementen die inconsistent bleven. Deze aanpak zorgde ervoor dat de bij de berekening gebruikte kosten een redelijk beeld gaven van de aan de productie en de verkoop van het onderzochte product verbonden kosten. Daarnaast verwierp de Commissie het argument dat haar aanpak tot de vervanging van de werkelijke kosten van de onderneming door hypothetische kosten had geleid. Zoals uiteengezet in overweging 99, heeft de Commissie zich gebaseerd op de eigen gecorrigeerde gegevens en methode van de onderneming, en heeft zij alleen gerichte correcties toegepast voor specifieke kostengegevens. De Commissie heeft derhalve niet de kosten van de onderneming vervangen door externe referentiewaarden, maar ervoor gezorgd dat de in de berekening gebruikte kosten een redelijk beeld gaven van de economische realiteit van de productie van Jushi Egypt tijdens het onderzoektijdvak. |
|
(123) |
Tot slot was de Commissie van mening dat de argumenten met betrekking tot het verplichte karakter van de boekhoudkundige behandeling volgens de Egyptische boekhoudstandaarden en de vermeende inconsistentie met het parallelle antisubsidieonderzoek ongegrond zijn. Ten eerste merkte de Commissie op dat de boekhoudkundige behandelingen die in het kader van Egyptische boekhoudstandaard nr. 13 zijn ingevoerd om de gevolgen van wisselkoersaanpassingen aan te pakken, zijn ontworpen als facultatieve en niet verplichte mechanismen ter beschikking van ondernemingen. De Commissie benadrukte hoe dan ook dat de naleving van de nationale boekhoudkundige standaarden een onderzoekende autoriteit niet belet om voor de toepassing van artikel 2.2.1.1 van de Antidumpingovereenkomst van de WTO te beoordelen of de geboekte kosten een redelijk beeld geven van de aan de productie en de verkoop van het onderzochte product verbonden kosten. De Commissie merkte voorts op dat de juridische beoordeling in het kader van een subsidieonderzoek betrekking had op onderscheiden wettelijke bepalingen en niet van invloed was op de analyse die in het kader van het onderhavige onderzoek overeenkomstig de basisverordening en de Antidumpingovereenkomst van de WTO is uitgevoerd. De Commissie heeft het argument van de Egyptische overheid derhalve afgewezen. |
|
(124) |
Nadat de Commissie de productiekosten had vastgesteld, onderzocht zij of het totale volume van de binnenlandse verkoop van Jushi Egypt representatief was in de zin van artikel 2, lid 2, van de basisverordening. De binnenlandse verkoop is representatief als het totale volume van de binnenlandse verkoop van het soortgelijke product aan onafhankelijke afnemers op de binnenlandse markt per producent-exporteur tijdens het onderzoektijdvak ten minste 5 % bedroeg van het totale volume van zijn uitvoer van het betrokken product naar de Unie. |
|
(125) |
Op basis hiervan werden de totale verkopen op de binnenlandse markt van het soortgelijke product door de producent-exporteur representatief geacht. |
|
(126) |
Vervolgens is de Commissie voor de producent-exporteur met een representatieve binnenlandse verkoop nagegaan welke productsoorten die op de binnenlandse markt werden verkocht, identiek waren aan of vergelijkbaar waren met de naar de Unie uitgevoerde productsoorten. |
|
(127) |
Daarna heeft de Commissie onderzocht of de binnenlandse verkoop door de producent-exporteur op zijn binnenlandse markt voor elke productsoort die identiek is aan of vergelijkbaar is met een productsoort die wordt uitgevoerd naar de Unie, representatief was in de zin van artikel 2, lid 2, van de basisverordening. De binnenlandse verkoop van een identieke of een vergelijkbare productsoort is representatief als het totale volume van de binnenlandse verkoop van die productsoort aan onafhankelijke afnemers in het onderzoektijdvak ten minste 5 % bedraagt van het totale volume van de verkoop ten uitvoer van die productsoort naar de Unie. |
|
(128) |
De Commissie heeft vastgesteld dat de binnenlandse verkoop voor bepaalde productsoorten representatief was. Voor sommige productsoorten, die [50 % – 60 %] van de uitvoer naar de Unie vertegenwoordigden, was er geen binnenlandse verkoop of bedroeg de binnenlandse verkoop minder dan 5 % en was deze dus niet representatief. Voor deze productsoorten waren geen andere bronnen voor binnenlandse prijzen beschikbaar. De normale waarde werd berekend volgens de methode in overweging 129. |
|
(129) |
Verder heeft de Commissie overeenkomstig artikel 2, lid 4, van de basisverordening voor elke productsoort het aandeel van de winstgevende verkoop aan onafhankelijke afnemers op de binnenlandse markt in het onderzoektijdvak bepaald om uit te maken of zij de werkelijke binnenlandse verkoop kon gebruiken voor de berekening van de normale waarde. |
|
(130) |
De normale waarde wordt gebaseerd op de werkelijke binnenlandse prijs per productsoort, ongeacht of die verkoop winstgevend is, indien:
|
|
(131) |
Indien aan beide criteria is voldaan, is de normale waarde het gewogen gemiddelde van de prijzen van alle binnenlandse verkopen van die productsoort in het onderzoektijdvak. |
|
(132) |
De normale waarde is gelijk aan de werkelijke binnenlandse prijs per productsoort van uitsluitend de winstgevende binnenlandse verkopen van de productsoorten tijdens het onderzoektijdvak indien:
|
|
(133) |
Uit de analyse van de binnenlandse verkoop bleek dat [2 %-5 %] van alle binnenlandse verkoop winstgevend was en dat de gewogen gemiddelde verkoopprijs lager was dan de productiekosten. Dienovereenkomstig werd de normale waarde berekend als een gewogen gemiddelde van de prijzen van de winstgevende binnenlandse verkopen in het OT. |
|
(134) |
Voor productsoorten van het soortgelijke product waarvan in het kader van normale handelstransacties onvoldoende hoeveelheden werden verkocht of voor productsoorten waarvan op de binnenlandse markt geen representatieve hoeveelheden werden verkocht, heeft de Commissie de normale waarde berekend overeenkomstig artikel 2, leden 3 en 6, van de basisverordening. Voor productsoorten van het soortgelijke product waarvan in het kader van normale handelstransacties geen verkoop had plaatsgevonden, heeft de Commissie onderzocht of er als grondslag voor de normale waarde alternatieve bronnen voor prijzen in het kader van normale handelstransacties konden worden gebruikt. Aangezien er in het betrokken land geen andere meewerkende of beschikbare binnenlandse producenten van het soortgelijke product waren, waren dergelijke prijzen niet beschikbaar. Bijgevolg heeft de Commissie de normale waarde berekend overeenkomstig artikel 2, leden 3 en 6, van de basisverordening. |
|
(135) |
In dit geval werd de normale waarde door berekening vastgesteld per productsoort, door de gemiddelde productiekosten van het soortgelijke product van de onderzochte producenten-exporteurs tijdens het onderzoektijdvak te vermeerderen met:
|
|
(136) |
Voor de productsoorten waarvan de op de binnenlandse markt verkochte hoeveelheden niet representatief waren, zijn de gemiddelde VAA-kosten en de gemiddelde winst op transacties in het kader van normale handelstransacties op de binnenlandse markt bijgeteld. Voor productsoorten die in het geheel niet op de binnenlandse markt werden verkocht of waarvan geen verkopen in het kader van normale handelstransacties bekend waren, werd het gewogen gemiddelde van de VAA-kosten en de winst van alle transacties in het kader van normale handelstransacties op de binnenlandse markt bij de normale waarde opgeteld. |
|
(137) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde Jushi Egypt aan dat de Commissie haar binnenlandse VAA ten onrechte had verhoogd door de toerekening van kosten voor handelsmerken en gerealiseerde wisselkoersverliezen. Jushi Egypt voerde aan dat de kosten voor handelsmerken die in haar rekeningen waren opgenomen, een betaling binnen de groep aan haar moedermaatschappij vormden, die niet overeenkwam met een verleende dienst en uiteindelijk in de geconsolideerde jaarrekening zou worden geëlimineerd. Jushi Egypt merkte voorts op dat alle binnenlandse verkopen in EGP plaatsvonden en derhalve geen aanleiding gaven tot wisselkoerswinsten of -verliezen. |
|
(138) |
De Commissie heeft deze argumenten onderzocht en afgewezen. De Commissie stelde vast dat de als kosten voor handelsmerken opgegeven bedragen geen geldoverboeking vormden. Indien dit wel het geval was, zouden zij niet in de winst- en verliesrekening, maar alleen in de balans worden opgenomen. De Commissie stelde derhalve vast dat deze kosten een vergoeding voor de moedermaatschappij vormden die als kosten werd geboekt en dat het niet gerechtvaardigd was deze kosten van de berekening van de normale waarde uit te sluiten. Met betrekking tot de binnenlandse verkoop merkte de Commissie op dat de bewering van Jushi Egypt dat gerealiseerde wisselkoersverliezen niet mochten worden toegerekend, ongegrond was. Terwijl de binnenlandse verkoop plaatsvond in EGP, werd een aanzienlijk deel van de grondstoffen aangekocht in buitenlandse valuta. Bijgevolg hadden de wisselkoersschommelingen een wezenlijke invloed op de productiekosten, met inbegrip van die welke aan de binnenlandse verkoop kunnen worden toegerekend. De Commissie verwierp derhalve het argument dat wisselkoersverliezen geen effect hadden op de binnenlandse verkoop, aangezien de winstgevendheid van die verkoop werd beïnvloed door wisselkoersschommelingen op ingevoerde inputs. |
3.2.2. Uitvoerprijs
|
(139) |
De uitvoer van de meewerkende producent-exporteur naar de Unie heeft hetzij rechtstreeks naar onafhankelijke afnemers, hetzij via in Frankrijk, Italië en Spanje gevestigde als importeur optredende verbonden ondernemingen plaatsgevonden. De verbonden importeurs verkochten het betrokken product door aan niet-verbonden afnemers in de Unie. |
|
(140) |
In het geval waarin de producent-exporteur het betrokken product rechtstreeks naar onafhankelijke afnemers in de Unie had uitgevoerd, was de uitvoerprijs overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening de voor het betrokken product met het oog op uitvoer naar de Unie werkelijk betaalde of te betalen prijs. |
|
(141) |
In het geval waarin de producenten-exporteurs het betrokken product via een als importeur optredende verbonden onderneming naar de Unie hadden uitgevoerd, werd de uitvoerprijs overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening vastgesteld op basis van de prijs waartegen het ingevoerde product voor het eerst aan onafhankelijke afnemers in de Unie was doorverkocht. In dit geval werden correcties toegepast voor alle tussen invoer en wederverkoop gemaakte kosten, met inbegrip van VAA-kosten, en voor de winst. |
|
(142) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde Jushi Egypt aan dat bepaalde directe verkoopkosten voor verbonden handelaren tweemaal in mindering waren gebracht. De Commissie heeft deze argumenten onderzocht en aanvaard dat voor Jushi Italia en Jushi Spanje de bankkosten respectievelijk de verzekeringskosten inderdaad tweemaal in mindering waren gebracht en heeft deze fouten gecorrigeerd. Met betrekking tot Jushi France verwierp de Commissie het argument van Jushi Egypt en merkte zij op dat de waardevermindering van de voorraden betrekking heeft op het onderzochte product zoals tijdens het onderzoektijdvak geregistreerd en door de onderneming zelf werd toegerekend. Bijgevolg zijn deze kosten op passende wijze opgenomen in de VAA-kosten voor de berekening van de uitvoerprijs. |
3.2.3. Vergelijking
|
(143) |
In overeenstemming met artikel 2, lid 10, van de basisverordening moet de Commissie de normale waarde en de uitvoerprijs op billijke wijze en in hetzelfde handelsstadium vergelijken met inachtneming van andere verschillen die van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen. In het onderhavige geval heeft de Commissie ervoor gekozen de normale waarde en de uitvoerprijs van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs te vergelijken in het handelsstadium af fabriek. Zoals hieronder nader toegelicht, zijn de normale waarde en de uitvoerprijs indien passend gecorrigeerd om: i) deze terug te rekenen tot het stadium af fabriek, en ii) correcties toe te passen voor verschillen tussen factoren waarvan werd gesteld en aangetoond dat zij van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen. |
3.2.3.1.
|
(144) |
Om de normale waarde terug te rekenen naar het handelsstadium af fabriek, zijn er correcties toegepast voor binnenlands vervoer. |
|
(145) |
Er werd rekening gehouden met kredietkosten om de vergelijkbaarheid van de prijzen te waarborgen. |
3.2.3.2.
|
(146) |
Om de uitvoerprijs terug te rekenen tot het handelsstadium af fabriek, zijn er correcties toegepast voor: douanerechten, binnenlands vervoer, zeevracht en -verzekering, lading, overlading, lossing en aanverwante kosten. |
|
(147) |
Bovendien zijn er correcties toegepast voor de volgende factoren die van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen: kredietkosten, commissies, kortingen en bankkosten. |
3.2.4. Dumpingmarges
|
(148) |
Voor de meewerkende producent-exporteur heeft de Commissie de gewogen gemiddelde berekende normale waarde van elke soort van het soortgelijke product vergeleken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs van de overeenkomstige soort van het betrokken product, overeenkomstig artikel 2, leden 11 en 12, van de basisverordening. |
|
(149) |
Op grond hiervan is de definitieve gewogen gemiddelde dumpingmarges, uitgedrukt in procenten van de cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring:
|
|
(150) |
De mate van medewerking is in dit geval hoog, aangezien de invoer van de meewerkende producent-exporteur goed was voor 100 % van de totale uitvoer naar de Unie tijdens het OT. De Commissie heeft op basis hiervan besloten de residuele dumpingmarge vast te stellen op het niveau van de meewerkende producent-exporteur. |
|
(151) |
De volgende tabel bevat de definitieve dumpingmarges, uitgedrukt als percentage van de cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring:
|
3.3. Thailand
3.3.1. Normale waarde
|
(152) |
Om de normale waarde vast te stellen heeft de Commissie eerst onderzocht of de totale binnenlandse verkoop van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs representatief was in de zin van artikel 2, lid 2, van de basisverordening. De binnenlandse verkoop wordt als representatief beschouwd als het totale volume van de binnenlandse verkoop van het soortgelijke product aan onafhankelijke afnemers per producent-exporteur tijdens het onderzoektijdvak ten minste 5 % bedraagt van het totale volume van de uitvoer van het betrokken product naar de Unie. |
|
(153) |
Op basis daarvan werd vastgesteld dat de binnenlandse verkoop representatief was voor Asia Composite Materials (Thailand) Co., Ltd (“Asia Composite”), terwijl de totale binnenlandse verkoop van Wanda New Material (Thailand) Co., Ltd (“Wanda”) de representativiteitsdrempel niet haalde. |
|
(154) |
Voor productsoorten van het soortgelijke product waarvan in het kader van normale handelstransacties onvoldoende hoeveelheden werden verkocht of voor productsoorten waarvan op de binnenlandse markt geen representatieve hoeveelheden werden verkocht, heeft de Commissie de normale waarde berekend overeenkomstig artikel 2, leden 3 en 6, van de basisverordening. Voor productsoorten van het soortgelijke product waarvan in het kader van normale handelstransacties geen verkoop had plaatsgevonden, keek de Commissie of er alternatieve bronnen voor prijzen in het kader van normale handelstransacties beschikbaar waren. Aangezien er bij de andere in de steekproef opgenomen producent geen binnenlandse verkoop had plaatsgevonden of de binnenlandse verkoopprijs van de andere in de steekproef opgenomen producent voor die productsoort niet op zinvolle wijze kon worden bekendgemaakt zonder afbreuk te doen aan de vertrouwelijkheid van de gegevens van die producent, en aangezien er geen andere bronnen voor de prijzen van de desbetreffende productsoorten beschikbaar waren, heeft de Commissie de normale waarde berekend overeenkomstig artikel 2, leden 3 en 6, van de basisverordening. |
|
(155) |
Indien een productsoort niet op de binnenlandse markt werd verkocht, werd de normale waarde door berekening vastgesteld door de gemiddelde productiekosten van het soortgelijke product van de meewerkende producent-exporteur in het onderzoektijdvak te vermeerderen met:
|
|
(156) |
Wanneer een productsoort op de binnenlandse markt was verkocht maar niet in representatieve hoeveelheden, werd de normale waarde berekend door de gemiddelde VAA-kosten en de gemiddelde winst op transacties in het kader van normale handelstransacties op de binnenlandse markt voor die productsoort toe te voegen. |
|
(157) |
Voor Asia Composite, dat een representatieve binnenlandse verkoop had, heeft de Commissie binnenlandse productsoorten gevonden die identiek of rechtstreeks vergelijkbaar waren met de naar de Unie uitgevoerde soorten. |
|
(158) |
Vervolgens beoordeelde de Commissie overeenkomstig artikel 2, lid 2, van de basisverordening de representativiteit van de binnenlandse verkoop van de producent-exporteur voor elke productsoort die identiek of vergelijkbaar is met een productsoort die voor uitvoer naar de Unie wordt verkocht. De binnenlandse verkoop van een identieke of een vergelijkbare productsoort wordt representatief geacht als de totale binnenlandse verkoop van die productsoort aan onafhankelijke afnemers in het onderzoektijdvak ten minste 5 % bedraagt van de totale verkoop ten uitvoer van die productsoort naar de Unie. |
|
(159) |
De Commissie heeft vastgesteld dat de binnenlandse verkoop van een groot aantal productsoorten representatief was. Voor sommige productsoorten, die 38 % van de uitvoer naar de Unie vertegenwoordigden, was er echter geen sprake van binnenlandse verkoop of bleef de binnenlandse verkoop onder de drempel van 5 %, waardoor deze niet representatief was. Voor deze productsoorten werd de normale waarde berekend volgens de in de overwegingen 155 en 156 beschreven methode. |
|
(160) |
De Commissie stelde vervolgens, overeenkomstig artikel 2, lid 4, van de basisverordening, voor elke productsoort het aandeel van de winstgevende verkoop aan onafhankelijke afnemers op de binnenlandse markt in het onderzoektijdvak vast, teneinde te kunnen bepalen of de werkelijke binnenlandse verkoop kon worden gebruikt voor de berekening van de normale waarde. De normale waarde wordt gebaseerd op de werkelijke binnenlandse prijs per productsoort, ongeacht of die verkoop winstgevend is, indien:
|
|
(161) |
Indien aan beide criteria is voldaan, is de normale waarde het gewogen gemiddelde van de prijzen van alle binnenlandse verkopen van die productsoort in het onderzoektijdvak. |
|
(162) |
De normale waarde is gelijk aan de werkelijke binnenlandse prijs per productsoort van uitsluitend de winstgevende binnenlandse verkopen van de productsoorten tijdens het onderzoektijdvak indien:
|
|
(163) |
Uit de analyse van de binnenlandse verkoop door Asia Composite bleek dat het volume van de winstgevende verkopen van sommige productsoorten in het onderzoektijdvak minder dan 80 % van het totale volume van de verkopen van die soorten bedroeg. De normale waarde werd voor deze productsoorten bijgevolg berekend als het gewogen gemiddelde van de prijzen van uitsluitend de winstgevende verkopen. Voor alle andere productsoorten was het in de overwegingen 160 en 126 beschreven scenario van toepassing en werd de normale waarde berekend als een gewogen gemiddelde van de prijzen van alle binnenlandse verkopen tijdens het onderzoektijdvak. |
|
(164) |
Indien een productsoort niet in representatieve hoeveelheden of in het geheel niet op de binnenlandse markt werd verkocht in de zin van artikel 2, lid 3, eerste zin, van de basisverordening, heeft de Commissie de normale waarde door berekening vastgesteld overeenkomstig artikel 2, leden 3 en 6, van de basisverordening. |
3.3.2. Uitvoerprijs
|
(165) |
De twee Thaise producenten-exporteurs, Asia Composite en Wanda, voerden het betrokken product rechtstreeks uit naar onafhankelijke afnemers in de Unie. Daarom werd vastgesteld dat de uitvoerprijs de werkelijk betaalde of te betalen prijs was van het betrokken product dat met het oog op uitvoer naar de Unie werd verkocht, overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening. |
3.3.3. Vergelijking
|
(166) |
In overeenstemming met artikel 2, lid 10, van de basisverordening moet de Commissie de normale waarde en de uitvoerprijs op billijke wijze en in hetzelfde handelsstadium vergelijken met inachtneming van andere verschillen die van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen. In het onderhavige geval heeft de Commissie ervoor gekozen de normale waarde en de uitvoerprijs van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs te vergelijken in het handelsstadium af fabriek. Zoals hieronder nader toegelicht, zijn de normale waarde en de uitvoerprijs indien passend gecorrigeerd om: i) deze terug te rekenen tot het stadium af fabriek, en ii) correcties toe te passen voor verschillen tussen factoren waarvan werd gesteld en aangetoond dat zij van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen. |
3.3.3.1.
|
(167) |
Om de normale waarde vast te stellen in het handelsstadium af fabriek, zijn er correcties toegepast voor binnenlands vervoer. |
|
(168) |
Bovendien zijn er correcties toegepast voor de volgende factoren die van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen: kredietkosten en bankkosten. |
3.3.3.2.
|
(169) |
Om de uitvoerprijs terug te rekenen tot het handelsstadium af fabriek, zijn er correcties toegepast voor: binnenlands vervoer, zeevracht en -verzekeringen, en lading, overlading en lossing. |
|
(170) |
Er werden correcties toegepast voor de volgende factoren die van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen: kredietkosten, bankkosten, kortingen en aan een niet-verbonden agent betaalde commissies. |
3.3.4. Argumenten ingediend na de mededeling van de definitieve bevindingen
|
(171) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen is de Commissie ingegaan op het argument van ACM dat de normale waarde van Wanda op de binnenlandse verkoop van ACM zou moeten worden gebaseerd. De Commissie herinnerde eraan dat de argumenten met betrekking tot de in het arrest Hansol Paper gevolgde aanpak reeds waren behandeld in overweging 154. De Commissie herinnerde eraan dat ACM bij de indiening van gegevens over de binnenlandse verkoop in haar antwoord op de antidumpingvragenlijst heeft verklaard dat deze gegevens vertrouwelijk waren in de zin van artikel 19 van de basisverordening. ACM heeft niet-vertrouwelijke samenvattingen verstrekt van de gegevens die overeenkomstig artikel 19, lid 2, van de basisverordening in het niet-vertrouwelijke dossier moeten worden opgenomen. De Commissie aanvaardde dit argument. Tijdens het onderzoek heeft ACM op geen enkel moment aangevoerd dat zij haar binnenlandse verkoopgegevens niet langer als vertrouwelijk beschouwt, heeft de Commissie gemachtigd deze in het niet-vertrouwelijke dossier in plaats van in de samenvattingen openbaar te maken en heeft de redenen toegelicht op grond waarvan de relevante informatie door ACM niet langer als vertrouwelijk werd beschouwd. De Commissie heeft, zoals uiteengezet in overweging 154, de normale waarde voor de relevante productsoorten berekend overeenkomstig artikel 2, lid 3, en artikel 2, lid 6, van de basisverordening, aangezien de binnenlandse verkoop van andere in de steekproef opgenomen producenten voor de relevante productsoorten niet kon worden bekendgemaakt zonder de vertrouwelijkheid van de gegevens van de betrokken producent te schenden, en aangezien er geen andere betrouwbare prijsbronnen beschikbaar waren. De Commissie was derhalve van mening dat dit argument ongegrond was. |
|
(172) |
Met betrekking tot het argument van ACM dat de kredietkosten ten onrechte zouden zijn gebruikt voor de verkopen ten uitvoer naar de Unie, merkte de Commissie op dat de in de berekening gebruikte kredietkosten waren gebaseerd op de informatie die ACM tijdens het controlebezoek in document 5 had verstrekt. De rentepercentages van 4,9 % voor verkopen in USD en 3,75 % voor verkopen in EUR zijn door ACM in dat document geïntroduceerd. Aangezien in het verslag van het inspectiebezoek geen problemen met betrekking tot deze percentages naar voren kwamen, achtte de Commissie de in bewijsstuk 5 verstrekte informatie aanvaardbaar. Derhalve kan het argument van ACM met betrekking tot het vermeende onjuiste gebruik van deze kredietkosten niet worden aanvaard. |
|
(173) |
Met betrekking tot het argument van ACM over het vermeende onjuiste gebruik van kredietkosten voor binnenlandse verkoop merkte de Commissie op dat zowel in het antwoord op de antidumpingvragenlijst als in de informatie die tijdens het controlebezoek in document 5 werd verstrekt, het kredietkostenpercentage werd vermeld dat voor de berekening werd gebruikt. ACM heeft tijdens de verificatie geen wijziging/correctie van dit percentage aangegeven, zoals weergegeven in het verslag ter zake de inspectie van de onderneming, noch deze in twijfel getrokken zodra het verslag aan haar was meegedeeld. Het vermeende percentage kon niet als geverifieerd worden beschouwd, in tegenstelling tot de percentages in inspectiedocument 5. Het argument werd derhalve afgewezen. |
|
(174) |
Wanda voerde tevens aan dat bankkosten en kredietkosten op de normale waarde in mindering hadden moeten worden gebracht. De Commissie bevestigt dat de voor de vergelijking gebruikte normale waarde na aftrek van deze gestelde correcties is berekend. Het effect van een dergelijke aftrek is echter verwaarloosbaar, alleen zichtbaar vanaf de derde decimaal, en heeft derhalve geen wezenlijke invloed op de dumpingmarge, die 15,3 % blijft. |
|
(175) |
ACM voerde voorts aan dat de Commissie de cif-waarde voor verkopen via niet-verbonden handelaren buiten de Unie moet verhogen door bijtelling van bedragen voor VAA-kosten en winst van die handelaren, met het argument dat dit de cif-waarde aan de grens van de Unie beter zou weerspiegelen. De Commissie merkte in dit verband op dat die ondernemingen niet handelden als handelaren, maar als agenten die de verkoop namens ACM regelden. Volgens dit commissiemodel factureert de producent de eindafnemer rechtstreeks (rechtstreekse verkoop), terwijl de “handelaar” alleen een commissie ontvangt voor het regelen van de transactie. De Commissie was derhalve van oordeel dat de cif-waarde moest worden gebaseerd op de aan de eindafnemer gefactureerde prijs en dat een correctie voor de VAA-kosten of winst van de agenten niet gerechtvaardigd was. |
|
(176) |
Ten slotte voerde ACM aan dat zij een administratieve fout had gemaakt bij de berekening van de binnenlandse vracht voor uitvoerfactuur ACM24NCM007, en verstrekte zij gegevens op basis van een herziene berekening. De Commissie merkte op dat deze informatie in een zeer laat stadium van het onderzoek (na de mededeling van de definitieve bevindingen) werd ingediend en derhalve niet kon worden bevestigd. Het effect van de voorgestelde correctie is hoe dan ook niet van belang; de correctie zou het resultaat slechts met een paar centen verlagen, waarbij de totale dumpingmarge op hetzelfde niveau zou blijven. De Commissie wees dit argument derhalve af. |
3.3.5. Dumpingmarges
|
(177) |
Voor de twee Thaise producenten-exporteurs heeft de Commissie de gewogen gemiddelde normale waarde van elke soort van het soortgelijke product vergeleken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs van de overeenkomstige soort van het betrokken product, zoals bepaald in artikel 2, leden 11 en 12, van de basisverordening. |
|
(178) |
Op grond hiervan zijn de definitieve gewogen gemiddelde dumpingmarges, uitgedrukt in procenten van de cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring:
|
|
(179) |
De mate van medewerking wordt als hoog aangemerkt, aangezien de uitvoer van de meewerkende producent-exporteur goed was voor de gehele invoer uit Thailand naar de Unie in het OT. De Commissie heeft op basis hiervan besloten de residuele dumpingmarge vast te stellen op het niveau van de hoogste marge die werd vastgesteld voor de meewerkende producenten-exporteurs. |
|
(180) |
De volgende tabel bevat de definitieve dumpingmarges, uitgedrukt als percentage van de cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring:
|
4. SCHADE
4.1. Omschrijving van de bedrijfstak van de Unie en de productie in de Unie
|
(181) |
Het soortgelijke product werd aan het begin van de beoordelingsperiode door tien producenten in de Unie vervaardigd; twee van die producenten staakten de productie in het OT. Zij vormen de “bedrijfstak van de Unie” in de zin van artikel 4, lid 1, van de basisverordening. |
|
(182) |
De totale productie in de Unie tijdens het onderzoektijdvak werd vastgesteld op 529 828 ton. De Commissie heeft dit cijfer vastgesteld op basis van de beschikbare informatie over de bedrijfstak van de Unie zoals die door Glass Fibre Europe (“GFE”) was verstrekt. Zoals vermeld in overweging 34, werd een steekproef van drie producenten in de Unie samengesteld die 69 % van de totale productie van het soortgelijke product in de Unie vertegenwoordigden. |
4.2. Verbruik in de Unie
|
(183) |
De Commissie heeft het verbruik in de Unie vastgesteld op basis van i) de omvang van de verkoop van de bedrijfstak van de Unie op de markt van de Unie als vastgesteld aan de hand van de door de GFE verstrekte gegevens, en ii) de invoer uit derde landen als vastgesteld aan de hand van de gegevens ontleend aan Eurostat (Comext). |
|
(184) |
Aangezien een deel van de bedrijfstak van de Unie verticaal geïntegreerd is en glasvezelversterkingen worden gebruikt als een tussenproduct voor de vervaardiging van verschillende downstreamproducten, werden het interne verbruik en het verbruik op de vrije markt afzonderlijk geanalyseerd. |
|
(185) |
Het onderscheid tussen de markt voor intern verbruik en de vrije markt is relevant voor de schadeanalyse omdat de producten bestemd voor intern gebruik niet rechtstreeks concurreren met de invoer aangezien zij worden verkocht binnen dezelfde onderneming of groep van ondernemingen op basis van verrekenprijzen die overeenkomstig intern prijsbeleid worden vastgesteld en derhalve niet rechtstreeks in verband staan met de prijzen op de vrije markt. De productie voor de verkoop op de vrije markt concurreert daarentegen rechtstreeks met het ingevoerde product. |
|
(186) |
Om een zo volledig mogelijk beeld van de bedrijfstak van de Unie te verkrijgen, heeft de Commissie gegevens verzameld over de volledige activiteit inzake glasvezelversterkingen en heeft zij bepaald of de productie voor intern gebruik dan wel voor de vrije markt bestemd was. |
|
(187) |
De Commissie heeft bepaalde economische indicatoren met betrekking tot de bedrijfstak van de Unie enkel op basis van gegevens voor de vrije markt onderzocht. Deze indicatoren zijn: verkoopvolume en verkoopprijzen op de markt van de Unie; marktaandeel; uitvoervolume en -prijzen; winstgevendheid; rendement van investeringen, en kasstroom. Waar mogelijk en passend werden de bevindingen van het onderzoek vergeleken met gegevens voor de markt voor eigen gebruik, teneinde een volledig beeld van de situatie van de bedrijfstak van de Unie te schetsen. |
|
(188) |
Andere economische indicatoren zouden echter slechts zinvol kunnen worden onderzocht door aan de gehele glasvezelversterkingen-activiteit, waaronder het interne gebruik van de bedrijfstak van de Unie, te refereren. Dit zijn: productie; capaciteit en bezettingsgraad; investeringen; voorraden; werkgelegenheid; productiviteit; lonen en vermogen om kapitaal aan te trekken. Deze zijn immers afhankelijk van de gehele productieactiviteit, ongeacht of de glasvezelversterkingen bestemd zijn voor intern gebruik dan wel voor verkoop op de vrije markt. |
|
(189) |
Het verbruik in de Unie heeft zich als volgt ontwikkeld: Tabel 1 Verbruik op de markt van de Unie (ton)
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(190) |
Tabel 1 laat zien dat tijdens de beoordelingsperiode maximaal 10 % van het verbruik van glasvezelversterkingen in de Unie bestemd was voor de markt voor intern gebruik, terwijl de rest op de vrije markt werd verkocht. |
|
(191) |
In de beoordelingsperiode is het totale verbruik in de Unie met 2 % afgenomen. In eerste instantie — in de periode 2021-2022 — steeg het totale verbruik in de Unie met 10 %, waarna het in 2023 met 12 % daalde, maar in het OT liet het opnieuw een stijging zien, tot een niveau dat bijna gelijk was aan dat aan het begin van de beoordelingsperiode. |
|
(192) |
Het verbruik op de vrije markt volgde vrijwel dezelfde trend als het totale verbruik in de Unie, met eerst een stijging van 11 % in de periode 2021-2022, gevolgd door een daling met 13 % en vervolgens een stijging tot hetzelfde niveau als aan het begin van de beoordelingsperiode. De in 2022 waargenomen stijging van het verbruik op de vrije markt in de Unie was voornamelijk toe te schrijven aan het economisch herstel na de opheffing van de COVID-19-maatregelen, aangezien gebruikers opnieuw bestellingen begonnen te plaatsen om hun voorraden aan te vullen en de productie weer op te starten. In 2023 daalde de vraag naar glasvezelversterkingen in de Unie echter als gevolg van een daling van het verbruik en een daaropvolgend zwak herstel. In het OT herstelde het verbruik in de Unie zich tot bijna het niveau van 2021. |
|
(193) |
Het interne verbruik is tijdens de beoordelingsperiode met 9 % gedaald. Aangezien het interne verbruik relatief laag was, was deze daling niet terug te zien in het totale verbruik in de Unie. |
4.3. Invoer uit de betrokken landen
4.3.1. Cumulatieve beoordeling van de gevolgen van de invoer uit de betrokken landen
|
(194) |
De Commissie heeft onderzocht of de invoer van het onderzochte product uit de betrokken landen cumulatief moest worden beoordeeld overeenkomstig artikel 3, lid 4, van de basisverordening. |
|
(195) |
De dumpingmarge die werd vastgesteld ten aanzien van de invoer uit Bahrein, Egypte en Thailand lag boven de de-minimisdrempel die in artikel 9, lid 3, van de basisverordening is vastgelegd. De invoer uit elk van de betrokken landen was niet te verwaarlozen in de zin van artikel 5, lid 7, van de basisverordening. De marktaandelen in het onderzoektijdvak bedroegen respectievelijk 4 %, 18 % en 2 %. |
|
(196) |
De concurrentieverhoudingen tussen de invoer met dumping van glasvezelversterkingen uit de betrokken landen en tussen hun invoer en het door de bedrijfstak van de Unie verkochte soortgelijke product waren vergelijkbaar. Meer in het bijzonder bleek uit het onderzoek op basis van de antwoorden op de vragenlijst door de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs, importeurs en producenten in de Unie dat de ingevoerde producten en het soortgelijke product via vergelijkbare verkoopkanalen werden verkocht. Bovendien werden de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie in aanzienlijke mate onderboden door alle invoer uit de betrokken landen. |
|
(197) |
Aan alle criteria van artikel 3, lid 4, van de basisverordening was dus voldaan en de invoer uit de betrokken landen werd voor de schadevaststelling cumulatief beoordeeld. |
4.3.2. Volume en marktaandeel van de invoer uit de betrokken landen
|
(198) |
De Commissie heeft de omvang van de invoer vastgesteld op basis van gegevens van Eurostat. Het marktaandeel van de invoer werd vastgesteld door de invoervolumes te vergelijken met het verbruik in de Unie. |
|
(199) |
De invoer in de Unie uit de betrokken landen heeft zich als volgt ontwikkeld: Tabel 2 Invoervolume en marktaandeel
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(200) |
Het gecombineerde volume van de invoer uit de betrokken landen steeg tijdens de beoordelingsperiode zowel in relatieve als in absolute zin en het gecombineerde marktaandeel ervan steeg van 14 % in 2021 tot 24 % in het OT. |
4.3.3. Prijzen van de invoer uit de betrokken landen en prijsonderbieding
|
(201) |
De Commissie heeft de prijzen van de invoer vastgesteld aan de hand van gegevens van Eurostat. De gewogen gemiddelde prijs van de invoer in de Unie uit de betrokken landen heeft zich als volgt ontwikkeld: Tabel 3 Invoerprijzen (EUR/ton)
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(202) |
De gemiddelde prijs van de invoer uit Bahrein naar de Unie daalde tijdens de beoordelingsperiode met 8 % en bleef tijdens deze periode, met uitzondering van 2022, ruim onder het prijsniveau van de verkoopprijs van de bedrijfstak van de Unie. Ook de gemiddelde prijs van de invoer uit Egypte naar de Unie daalde tijdens de beoordelingsperiode en wel met 10 % en lag tijdens deze gehele periode onder het niveau van de bedrijfstak van de Unie. De gemiddelde prijs van de invoer uit Thailand naar de Unie daalde tijdens de beoordelingsperiode met 50 %, voornamelijk doordat de prijs in 2021 relatief hoog was terwijl de ingevoerde hoeveelheden vrij laag waren. Na 2021 lag de gemiddelde prijs van de invoer uit Thailand naar de Unie ruim onder het niveau van de verkoopprijs van de bedrijfstak van de Unie. |
|
(203) |
De Commissie heeft de prijsonderbieding tijdens het onderzoektijdvak vastgesteld aan de hand van een vergelijking van:
|
|
(204) |
De prijzen werden vergeleken per productsoort voor transacties in hetzelfde handelsstadium, zo nodig na correctie, en met aftrek van kortingen en rabatten. Het resultaat van de vergelijking werd uitgedrukt als een percentage van de theoretische omzet in het onderzoektijdvak van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie. Hieruit bleek dat de prijzen van de bedrijfstak van de Unie in het OT door de invoer van het onderzochte product van oorsprong uit de betrokken landen met 30,6 % tot 39,0 % werden onderboden. |
|
(205) |
Er werd vastgesteld dat er naast prijsonderbieding ook sprake was van zowel aanzienlijke verhindering van een prijsverhoging als aanzienlijke neerwaartse prijsdruk. Vanwege de aanzienlijke prijsdruk als gevolg van de laaggeprijsde invoer met dumping uit de betrokken landen zag de bedrijfstak van de Unie zich genoodzaakt om zijn prijzen te verlagen om te kunnen concurreren met de invoer en was hij niet in staat zijn prijzen gedurende het OT te verhogen overeenkomstig de ontwikkeling van de productiekosten en een redelijke winst te realiseren, zoals uiteengezet in tabel 8 hieronder. De aanzienlijke verhindering van een prijsverhoging en de aanzienlijke neerwaartse prijsdruk werden bevestigd door de gegevens in tabel 3 en door het prijsbederf dat is vastgesteld op basis van de door de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs verstrekte gegevens. Als gevolg daarvan werd de bedrijfstak van de Unie gedwongen te verkopen tegen niet-kostendekkende prijzen, wat bijdroeg tot de verslechtering van zijn financiële situatie. |
4.4. Economische situatie van de bedrijfstak van de Unie
4.4.1. Algemene opmerkingen
|
(206) |
Overeenkomstig artikel 3, lid 5, van de basisverordening omvatte het onderzoek naar de gevolgen van de invoer met dumping voor de bedrijfstak van de Unie een beoordeling van alle economische indicatoren die tijdens de beoordelingsperiode van invloed waren op de situatie van de bedrijfstak van de Unie. |
|
(207) |
Zoals vermeld in overweging 34, werd voor de vaststelling van de mogelijke door de bedrijfstak van de Unie geleden schade gebruikgemaakt van een steekproef. |
|
(208) |
Voor de schadevaststelling heeft de Commissie onderscheid gemaakt tussen macro-economische en micro-economische schade-indicatoren. De Commissie beoordeelde de macro-economische indicatoren op basis van de door GFE verstrekte gegevens. De gegevens hadden betrekking op alle producenten in de Unie. De Commissie heeft de micro-economische indicatoren beoordeeld op basis van de gegevens die de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie in de antwoorden op de vragenlijst hadden verstrekt. |
|
(209) |
De macro-economische indicatoren zijn: productie, productiecapaciteit, bezettingsgraad, verkoopvolume, marktaandeel, groei, werkgelegenheid, productiviteit, hoogte van de dumpingmarge en herstel van eerdere dumping. |
|
(210) |
De micro-economische indicatoren zijn: gemiddelde prijzen per eenheid, kosten per eenheid, loonkosten, voorraden, winstgevendheid, kasstroom, investeringen, rendement van investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken. |
4.4.2. Macro-economische indicatoren
4.4.2.1.
|
(211) |
De totale productie in de Unie, de productiecapaciteit en de bezettingsgraad in de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 4 Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(212) |
Het productievolume is in 2022 ten opzichte van 2021 licht toegenomen na de versoepeling van de COVID-19-maatregelen, die een stabielere productie mogelijk maakte. Bovendien verhoogden verschillende in de steekproef opgenomen producenten in de Unie in 2022 hun productievolume om voorraden eindproducten op te bouwen met het oog op geplande ovenrenovaties. In 2023 en het OT was er echter sprake van een aanzienlijke daling van het productievolume doordat de producenten in de Unie opgebouwde voorraden verkochten en de bedrijfstak van de Unie tegelijkertijd werd geconfronteerd met een toename van de invoer van glasvezelversterkingen met dumping. |
|
(213) |
De productiecapaciteit nam gedurende de beoordelingsperiode gestaag af en daalde met 7 %. De afname van de productiecapaciteit van 2021 tot het einde van het OT was een gevolg van het feit dat sommige producenten in de Unie hun productie staakten, zoals Krosglass SA dat de productie van glasvezelversterkingen in Polen stopzette, en Electric Glass Fiber NL, B.V. waartegen een faillissementsprocedure werd ingeleid. |
|
(214) |
De bezettingsgraad daalde in de beoordelingsperiode met zeven procentpunten, aangezien het productievolume sterker afnam dan de productiecapaciteit. |
4.4.2.2.
|
(215) |
De verkoophoeveelheid en het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie op de vrije markt hebben zich in de beoordelingsperiode ontwikkeld als volgt: Tabel 5 Verkoophoeveelheid (ton) en marktaandeel op de vrije markt
|
|||||||||||||||||||||||||||
|
(216) |
In de beoordelingsperiode is op de vrije markt in de Unie het door de producenten in de Unie gerealiseerde verkoopvolume met 15 % afgenomen. Tegelijkertijd daalde het verbruik op de vrije markt tijdens de beoordelingsperiode slechts met 2 %, maar daalde het verkoopvolume van de bedrijfstak van de Unie nog sterker, waardoor het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie afnam van 47 % in 2021 tot 40 % in het OT. |
|
(217) |
Wat de markt voor intern gebruik betreft, ontwikkelden het volume van het interne gebruik en het aandeel in de markt van de Unie zich in de beoordelingsperiode als volgt: Tabel 6 Volume van het interne gebruik en marktaandeel
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(218) |
De verkoophoeveelheid voor intern gebruik op de markt van de Unie daalde in de beoordelingsperiode met 9 %. Hoewel de verkoop op zowel de vrije markt als de markt voor intern gebruik van 2021 tot het einde van het OT een vergelijkbare trend volgde, was de afname van de verkoop op de markt voor intern gebruik zes procentpunten lager dan op de vrije markt. |
|
(219) |
Het aandeel van de bedrijfstak van de Unie op de markt voor intern gebruik (uitgedrukt als percentage van de totale productie van de Unie) nam in 2022 licht af en bleef vervolgens gedurende de resterende periode stabiel op ca. 18 %. |
|
(220) |
Daarom werd geconcludeerd dat de daling van de verkoop door de bedrijfstak van de Unie op de vrije markt het gevolg was van de toegenomen druk als gevolg van de invoer uit de betrokken landen. |
4.4.2.3.
|
(221) |
Het verbruik in de Unie bleef tijdens de beoordelingsperiode stabiel, terwijl het verkoopvolume van de bedrijfstak van de Unie op de markt van de Unie daalde met 15 %. De bedrijfstak van de Unie heeft dus marktaandeel verloren, in tegenstelling tot de invoer uit de betrokken landen, die in de beoordelingsperiode aan marktaandeel won. |
4.4.2.4.
|
(222) |
De werkgelegenheid en de productiviteit hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 7 Werkgelegenheid en productiviteit
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(223) |
In de beoordelingsperiode is het aantal werknemers in de bedrijfstak van de Unie eerst licht gestegen en daarna aanzienlijk gedaald. De aanvankelijke stijging in 2022 van 2 % ten opzichte van 2021 kwam overeen met de toegenomen productie- en verkoopvolumes na de versoepeling van de COVID-19-maatregelen. Daarna moest de bedrijfstak van de Unie het aantal werknemers verminderen om zich aan de uitdagende marktomstandigheden aan te passen en de operationele efficiëntie te behouden, wat resulteerde in een algemene daling van 17 % tijdens de beoordelingsperiode. Deze daling van de werkgelegenheid hield ook verband met fabriekssluitingen. |
|
(224) |
De productiviteit daalde tussen 2021 en 2023 van 190 MT/werknemer tot 166 MT/werknemer alvorens in het OT opnieuw toe te nemen tot 198 MT/werknemer nadat het aantal werknemers aanzienlijk was verminderd. Na investeringen in de ovens door verschillende producenten van glasvezelversterkingen in de Unie verbeterde ook de efficiëntie. |
4.4.2.5.
|
(225) |
Dit is het eerste afgeronde antidumpingonderzoek betreffende het betrokken product uit Bahrein, Egypte en Thailand. Daarom waren er geen gegevens beschikbaar om de gevolgen van mogelijke dumping in het verleden vast te stellen. |
4.4.3. Micro-economische indicatoren
4.4.3.1.
|
(226) |
De gewogen gemiddelde verkoopprijs per eenheid van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie voor verkoop aan niet-verbonden afnemers in de Unie heeft zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 8 Verkoopprijzen in de Unie
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(227) |
De gemiddelde verkoopprijzen stegen in 2022 ten opzichte van 2021, aangezien de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie de door de inflatie veroorzaakte kostenstijging aan hun afnemers konden doorberekenen dankzij een toename van de vraag. In 2023 en tijdens het OT zijn de gemiddelde verkoopprijzen echter gedaald als gevolg van een daling van de vraag op de markt van de Unie in 2023, het slechts gedeeltelijke herstel daarvan in het OT en de toegenomen prijsdruk van de invoer. |
|
(228) |
De productiekosten per eenheid stegen tussen 2021 en 2023 met 26 % als gevolg van een stijging van de loonkosten en de grondstofkosten. Bovendien waren de energiekosten volatiel, met aanzienlijke gevolgen voor industrieën die sterk afhankelijk zijn van energie. De productiekosten per eenheid daalden in het OT ten opzichte van 2023, maar bleven ver boven het niveau van 2021 dankzij een daling van de energieprijzen, een verbeterde energie-efficiëntie en succesvolle strategieën voor kostenbeheer. In de beoordelingsperiode zijn de productiekosten al met al met 24 % gestegen. |
4.4.3.2.
|
(229) |
De gemiddelde loonkosten van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 9 Gemiddelde loonkosten per werknemer
|
||||||||||||||||||||||
|
(230) |
De gemiddelde loonkosten per werknemer volgden een aanhoudende opwaartse trend met een totale stijging van 14 % in de beoordelingsperiode. De stijging was voornamelijk het gevolg van de druk op de arbeidsmarkt doordat ondernemingen de lonen verhoogden om werknemers te behouden en aan te trekken op een krappe arbeidsmarkt na COVID-19, die werd gekenmerkt door een hoge inflatie. |
4.4.3.3.
|
(231) |
De voorraden van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 10 Voorraden
|
||||||||||||||||||||||
|
(232) |
De toename van de voorraden in 2022 werd aanvankelijk veroorzaakt door een strategische voorraadopbouw met het oog op geplande ovenrenovaties. Dit kwam overeen met een eerdere periode tijdens het herstel na de COVID-19-pandemie, toen de vraag aanzienlijk toenam, wat problemen met de toeleveringsketen veroorzaakte, waardoor de producenten in de Unie te veel grondstoffen gingen bestellen om aan de productiebehoeften te voldoen. Na de voltooiing van de ovenrenovaties namen de voorraden af doordat de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie in 2023 de bestaande voorraden wisten te verkopen. In het OT was er echter sprake van een toename van de voorraden met 9,8 % ten opzichte van 2023 doordat het verbruik sterker steeg dan de verkoop in de Unie en het marktaandeel van de invoer toenam. Naarmate de productie de groei van de verkoop overtrof, stapelden de voorraden zich op. Winstgevendheid, kasstroom, investeringen, rendement van investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken |
|
(233) |
De winstgevendheid, de kasstroom, de investeringen en het rendement van de investeringen van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 11 Winstgevendheid, kasstroom, investeringen en rendement van investeringen
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(234) |
De Commissie heeft de winstgevendheid van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie vastgesteld door de nettowinst vóór belastingen op de verkoop van het soortgelijke product aan niet-verbonden afnemers in de Unie uit te drukken als een percentage van de aldus gerealiseerde omzet. Hoewel de bedrijfstak van de Unie in 2021 verlies leed, steeg de winstgevendheid in 2022 doordat de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie de stijging van de productiekosten per eenheid aan hun afnemers konden doorberekenen dankzij gunstige marktomstandigheden in verband met een hoge vraag. In 2023 en in het OT daalde de winstgevendheid echter als gevolg van de hogere kosten die niet door een stijging van de verkoopprijzen konden worden gecompenseerd vanwege een toename van de invoervolumes tegen dumpingprijzen die de prijzen van de bedrijfstak van de Unie onderboden en de verhoging ervan verhinderden. |
|
(235) |
Tijdens de beoordelingsperiode zijn de investeringen gestegen. Deze investeringen hadden voornamelijk betrekking op renovaties van ovens van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie die erop gericht waren de levensduur van de apparatuur te waarborgen. De investeringen, die lang van tevoren waren gepland, vonden plaats tegen de achtergrond van ongunstige marktomstandigheden in 2023 en in het OT. |
|
(236) |
De kasstroom vertoonde tussen 2021 en het einde van het OT aanzienlijke fluctuaties als gevolg van volatiele marktomstandigheden. In de beoordelingsperiode was 2022 het enige jaar waarin alle in de steekproef opgenomen producenten in de Unie aanzienlijke winsten behaalden — die bij de opbouw van voorraden met het oog op de geplande ovenrenovaties gedeeltelijk werden tenietgedaan — wat tot een positieve kasstroom leidde. In 2023 en in het OT bleven de kasstromen ondanks zware verliezen positief. Deze ogenschijnlijk tegenstrijdige situatie kon grotendeels worden toegeschreven aan het aanzienlijke positieve kasstroomeffect als gevolg van de afname van de voorraden die in 2022 waren opgebouwd. |
|
(237) |
Het rendement van investeringen is de winst uitgedrukt als percentage van de nettoboekwaarde van de investeringen. Het rendement van investeringen heeft zich in overeenstemming met de winstgevendheid ontwikkeld. Het steeg eerst in 2022 en verslechterde vervolgens in 2023 en nog verder in het OT, waardoor de bedrijfstak van de Unie moeilijker kapitaal kon aantrekken en moeilijker kon groeien. |
4.5. Conclusie over schade
|
(238) |
Tijdens de beoordelingsperiode was de bedrijfstak van de Unie alleen in 2022 winstgevend, waarna hij verlieslijdend werd. In 2023 en in het OT viel de verlieslijdende situatie van de bedrijfstak van de Unie samen met een toename van de invoer uit Bahrein, Egypte en Thailand tegen prijzen die onder de gemiddelde verkoopprijzen en productiekosten van de bedrijfstak van de Unie lagen. |
|
(239) |
De bedrijfstak van de Unie kon zijn prijsniveau in 2022 verhogen om een winstgevende situatie te bereiken. In 2023 en in het OT werd het verschil tussen de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie en de prijzen van de invoer uit de betrokken landen echter groter. De prijzen in de Unie stegen in de beoordelingsperiode met 7 %, terwijl i) de prijzen bij invoer uit Bahrein met 8 % daalden, ii) de prijzen bij invoer uit Egypte met 10 % daalden en iii) de prijzen bij invoer uit Thailand met 50 % daalden. Als gevolg daarvan verloor de bedrijfstak van de Unie, hoewel hij met verlies moest verkopen, tussen 2021 en het OT marktaandeel. |
|
(240) |
Bijna alle schade-indicatoren wezen in de beoordelingsperiode op een algemene negatieve trend. De productie, de productiecapaciteit, de bezettingsgraad, de winstgevendheid en het rendement van investeringen verslechterden allemaal, in overeenstemming met de afgenomen verkoopvolumes en het afgenomen marktaandeel. In 2022 wist de Unie zich tot op zekere hoogte te herstellen doordat de vraag naar glasvezelversterkingen na de opheffing van de COVID-19-maatregelen opnieuw steeg. In 2023 en in het OT verslechterde de situatie van de bedrijfstak van de Unie echter verder als gevolg van de stijging van het volume van de invoer met dumping tegen dalende prijzen, zoals blijkt uit de toegenomen verliezen van de bedrijfstak. |
|
(241) |
Zoals hierboven uiteengezet, waren andere economische indicatoren, zoals het rendement van investeringen, in de beoordelingsperiode negatief, met uitzondering van het jaar 2022. Dit heeft gevolgen gehad voor het vermogen van de bedrijfstak van de Unie om zijn activiteiten zelf te financieren en om kapitaal aan te trekken, waardoor de groei van de bedrijfstak werd belemmerd en zelfs het voortbestaan ervan op middellange tot lange termijn in gevaar kwam. |
|
(242) |
Op basis van het bovenstaande is de Commissie in dit stadium tot de conclusie gekomen dat de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade heeft geleden in de zin van artikel 3, lid 5, van de basisverordening. |
5. OORZAKELIJK VERBAND
|
(243) |
Overeenkomstig artikel 3, lid 6, van de basisverordening heeft de Commissie onderzocht of de bedrijfstak van de Unie door de invoer met dumping uit de betrokken landen aanmerkelijke schade heeft geleden. |
|
(244) |
Overeenkomstig artikel 3, lid 7, van de basisverordening heeft de Commissie ook onderzocht of de bedrijfstak van de Unie in dezelfde periode door andere bekende factoren schade kon hebben geleden. De Commissie heeft zich ervan verzekerd dat eventuele schade die werd veroorzaakt door andere factoren dan de invoer met dumping uit de betrokken landen, niet aan de invoer met dumping werd toegeschreven. Deze factoren waren de invoer uit andere derde landen dan de betrokken landen, de uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Unie, de stijging van de grondstofkosten en de energiekosten voor de bedrijfstak van de Unie, en de ontwikkeling op de markt voor intern gebruik. |
5.1. Gevolgen van de invoer met dumping
|
(245) |
De Commissie heeft de ontwikkeling van het volume van de invoer uit het betrokken land en de gevolgen daarvan voor de bedrijfstak van de Unie onderzocht, zoals vereist op grond van artikel 3, lid 6, van de basisverordening. |
|
(246) |
Uit het onderzoek is gebleken dat het volume van de invoer met dumping uit de betrokken landen, waarbij de prijzen van de bedrijfstak van de Unie werden onderboden, tijdens de beoordelingsperiode zowel in absolute als in relatieve zin is toegenomen, aangezien het gecombineerde marktaandeel van de betrokken landen systematisch is gestegen van 14 % in 2021 tot 24 % in het OT. |
|
(247) |
Tegelijkertijd daalde het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie in de beoordelingsperiode met negen procentpunten. |
|
(248) |
De gemiddelde prijzen per eenheid van de invoer met dumping uit Bahrein, Egypte en Thailand zijn tussen 2021 en het einde van het OT met respectievelijk 8 %, 10 % en 50 % gedaald en lagen onder die van de bedrijfstak van de Unie in dezelfde periode. |
|
(249) |
Uit het onderzoek is gebleken dat de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie tijdens het onderzoektijdvak permanent door de invoer uit de betrokken landen werden onderboden, met prijsonderbiedingsmarges die varieerden van 30,6 % tot 39,0 %. Tegelijkertijd bleken de invoerprijzen aanzienlijk lager te zijn dan de productiekosten van de bedrijfstak van de Unie. Hoewel de gemiddelde kosten per eenheid van de bedrijfstak van de Unie tijdens de beoordelingsperiode met 24 % stegen, voornamelijk als gevolg van hogere energie- en grondstofkosten, verhinderde de prijsdruk vanwege de invoer met dumping een dienovereenkomstige verhoging van de verkoopprijzen. Als gevolg daarvan bleven de verkoopprijzen, ook toen deze in 2022 tijdelijk stegen, in de daaropvolgende jaren dicht bij of onder het kostenniveau, waardoor de bedrijfstak van de Unie zijn kosten niet kon dekken en geen redelijke winstmarge kon behalen. Door het gecombineerde effect van de continue prijsonderbieding en het feit dat de bedrijfstak van de Unie zijn prijzen niet in evenredigheid met de kosten kon laten meestijgen, werd een prijsverhoging in aanzienlijke mate verhinderd. |
|
(250) |
De bedrijfstak van de Unie leed verlies in 2021, werd winstgevend in 2022, maar bleef verlies lijden vanaf 2023. Hoewel de winstgevendheid in 2022 aanzienlijk verbeterde, verslechterde deze daarna sterk, tot — 7,3 % in 2023 en — 10,6 % in het onderzoektijdvak. Deze verslechtering viel samen met een duidelijke daling van de invoerprijzen uit de betrokken landen na 2022. Hoewel de invoerprijzen in 2022 ten opzichte van 2021 stegen, daalden zij in 2023 aanzienlijk en namen zij tijdens het onderzoektijdvak nog verder af. Het volume van de invoer uit deze drie landen bereikte een piek in 2022, daalde in 2023 en steeg vervolgens sterk tijdens het onderzoektijdvak, tot een niveau dat ongeveer 65 % hoger lag dan in 2021. De combinatie van dalende prijzen in de Unie, toenemende laaggeprijsde invoer en hernieuwde groei van de invoervolumes oefende neerwaartse druk uit op de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie, wat bijdroeg tot de verslechtering van zijn winstgevendheid vanaf 2023. |
|
(251) |
Gezien bovenstaande overwegingen concludeerde de Commissie dat de toename van de invoer met dumping uit de betrokken landen in de beoordelingsperiode leidde tot een aanzienlijke toename van het marktaandeel ervan ten koste van de bedrijfstak van de Unie. Deze invoer oefende een aanzienlijke druk uit op de bedrijfstak van de Unie, aangezien bovendien de prijzen van de bedrijfstak van de Unie door deze invoer werden onderboden en een verhoging van die prijzen erdoor werd verhinderd, waardoor de situatie van de bedrijfstak van de Unie tijdens de beoordelingsperiode aanzienlijk verslechterde. |
|
(252) |
Gezien de bovenstaande overwegingen heeft de Commissie vastgesteld dat de door de bedrijfstak van de Unie geleden aanmerkelijke schade werd veroorzaakt door de invoer met dumping uit de betrokken landen in de zin van artikel 3, lid 6, van de basisverordening. |
5.2. Gevolgen van andere factoren
5.2.1. Invoer uit derde landen
|
(253) |
Het volume van de invoer in de Unie evenals het marktaandeel en de prijstrends voor de invoer van glasvezelversterkingen uit andere derde landen hebben zich als volgt ontwikkeld: Tabel 12 Invoer uit andere derde landen
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(254) |
De invoer uit de VRC naar de Unie steeg met 78 %, waardoor het marktaandeel tussen 2021 en 2022 steeg van 5 % naar 10 %, alvorens in 2023 en het OT te dalen naar 9 %. De Chinese prijzen inclusief rechten lagen in 2021 en 2022 boven het niveau van de bedrijfstak van de Unie, maar in 2023 en tijdens het OT lagen zij onder het niveau van de bedrijfstak van de Unie, wat derhalve tevens bijdroeg tot de door de bedrijfstak van de Unie tijdens het onderzoektijdvak geleden aanmerkelijke schade. De prijzen van de invoer uit de betrokken landen lagen tijdens de beoordelingsperiode echter aanzienlijk lager dan de invoerprijzen uit de VRC, met uitzondering van het (geringe) invoervolume uit Thailand in 2021 en 2022. Dit terwijl de invoervolumes uit de betrokken landen in de beoordelingsperiode steevast aanzienlijk groter waren dan de invoervolumes uit de VRC. De Commissie heeft daarom geconcludeerd dat, hoewel de invoer uit de VRC ook heeft bijgedragen aan de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade, de aanwezigheid van die invoer het reële en aanzienlijke oorzakelijke verband tussen de invoer met dumping uit de betrokken landen en de in dit onderzoek vastgestelde aanmerkelijke schade niet verzwakt. |
|
(255) |
De invoer van glasvezelversterkingen uit het Verenigd Koninkrijk in de Unie tussen 2021 en het einde van het onderzoektijdvak liet een afname in volume en een relatief stabiel marktaandeel zien. De volumes van de invoer uit het Verenigd Koninkrijk namen in 2022 ten opzichte van 2021 toe, waarna zij in 2023 afnamen met ongeveer 21 % en in het OT met nog eens 19 %. Het marktaandeel daalde in de beoordelingsperiode van 4 % tot 3 %. De gemiddelde prijs per ton van de invoer uit het Verenigd Koninkrijk lag op een niveau dat vergelijkbaar was met of hoger was dan de gemiddelde prijs van de bedrijfstak van de Unie en was hoger dan de prijs van de invoer uit de betrokken landen. De invoerprijzen uit het Verenigd Koninkrijk stegen aanvankelijk met 39 % in de periode 2021-2023,voordat zij in het OT daalden tot 1 244 EUR. De Commissie concludeerde derhalve dat de invoer uit het Verenigd Koninkrijk, gezien de neerwaartse trend, het beperkte marktaandeel en de hogere prijsniveaus, niet bijdroeg tot de door de bedrijfstak van de Unie geleden aanmerkelijke schade en het oorzakelijke verband met de invoer met dumping uit de betrokken landen niet verzwakt. |
|
(256) |
De ontwikkeling van de invoer uit Maleisië in de Unie van 2021 tot het einde van het OT liet zowel wat betreft volume als wat betreft marktaandeel behalve prijsschommelingen ook een aanzienlijke daling zien. De invoervolumes daalden sterk van 136 086 ton in 2021 tot 76 909 ton in 2023, waarna er in het OT een gering herstel optrad, tot 86 303 ton. Dienovereenkomstig nam het marktaandeel van de invoer uit Maleisië af van 16 % tot 10 %. De gemiddelde prijs per ton steeg aanvankelijk met 32 % in 2022, maar daalde aanzienlijk in 2023 en in het OT. De Commissie concludeerde daarom dat de invoer uit Maleisië tot op zekere hoogte kan hebben bijgedragen tot de door de bedrijfstak van de Unie geleden aanmerkelijke schade, met name doordat de invoerprijzen ervan onder de productiekosten per eenheid van de producenten in de Unie lagen. Echter, gezien de in het algemeen afnemende volumes en het krimpende marktaandeel, verzwakte deze invoer niet het reële en aanzienlijke oorzakelijke verband tussen de invoer met dumping uit de betrokken landen en de vastgestelde aanmerkelijke schade. |
|
(257) |
De invoer van glasvezelversterkingen uit andere derde landen met uitzondering van die welke hiervoor zijn vermeld, naar de Unie is in de beoordelingsperiode met 2 % gedaald en het marktaandeel ervan is stabiel gebleven op 13 %. De gemiddelde prijzen van de invoer uit deze landen waren hoger dan de prijzen van de invoer uit de betrokken landen. De Commissie concludeerde dat de invoer uit andere derde landen tot op zekere hoogte kan hebben bijgedragen tot de door de bedrijfstak van de Unie geleden aanmerkelijke schade doordat de invoerprijzen ervan onder de productiekosten per eenheid van de producenten in de Unie lagen. Gezien de hogere prijzen ten opzichte van de invoer met dumping uit de betrokken landen verzwakte deze invoer echter niet het reële en aanzienlijke oorzakelijke verband tussen de invoer met dumping uit de betrokken landen en de vastgestelde aanmerkelijke schade. |
|
(258) |
De analyse van de invoergegevens voor glasvezelversterkingen van oorsprong uit het Verenigd Koninkrijk, Maleisië en andere derde landen laat een gemengd beeld zien. De invoer uit Maleisië daalde tijdens de beoordelingsperiode in absolute en in relatieve zin, terwijl de prijs ervan onder de prijzen van de bedrijfstak van de Unie lag. De invoer uit het Verenigd Koninkrijk vertoonde sinds 2022 een neerwaartse trend, maar de prijzen lagen boven die van de bedrijfstak van de Unie. Het volume van de invoer uit andere derde landen is tijdens de beoordelingsperiode gedaald. Al met al was er geen invoer van betekenis uit derde landen waarvan in de beoordelingsperiode, en/of in het OT in het bijzonder, het marktaandeel toenam en de prijzen onder de prijzen van de bedrijfstak van de Unie lagen. |
|
(259) |
Hoewel de Commissie vaststelde dat de invoer uit de VRC bijdroeg tot de tijdens het onderzoektijdvak vastgestelde schade, concludeerde zij dat deze factor, hoe belangrijk ook, het reële en aanzienlijke oorzakelijke verband tussen de invoer met dumping uit de betrokken landen en de door de bedrijfstak van de Unie geleden aanmerkelijke schade niet kon verzwakken. Immers, de toename van de volumes en de aanhoudende prijsdruk uit de betrokken landen vielen rechtstreeks samen met de verslechtering van de verkoop, het marktaandeel en de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie en vormden daardoor onmiskenbaar een bron van schade. |
|
(260) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde GCC-TSAIP aan dat de Commissie geen adequate niet-toerekeningsanalyse had uitgevoerd met betrekking tot de invoer uit andere derde landen. Zij voerden met name aan dat met de vaststelling onvoldoende werd toegelicht hoe de Commissie een onderscheid had gemaakt tussen de schadelijke gevolgen van de invoer uit de betrokken landen en de gevolgen van invoer uit andere landen. Volgens GCC-TSAIP bevatten de bevindingen van de Commissie slechts algemene verklaringen dat de invoer uit andere bronnen het oorzakelijke verband niet verbrak, zonder een voldoende gedetailleerde kwantitatieve beoordeling van het volume, het prijsniveau en de ontwikkeling van het marktaandeel ervan te verstrekken. Zij betoogden derhalve dat uit de vaststelling niet bleek dat de door andere invoer veroorzaakte schade naar behoren was onderscheiden van de schade die door de invoer met dumping zou zijn veroorzaakt. |
|
(261) |
De Commissie heeft deze argumenten afgewezen. Er wordt verwezen naar de overwegingen 254 tot en met 259, waarin wordt beschreven hoe de Commissie andere bekende factoren heeft onderzocht die tot de door de bedrijfstak van de Unie geleden aanmerkelijke schade konden hebben bijgedragen, waaronder de invoer uit de VRC, het Verenigd Koninkrijk, Maleisië en andere derde landen. Uit de analyse van de volumes, marktaandelen en prijsniveaus van deze invoer is gebleken dat, hoewel een deel van deze invoer kan hebben bijgedragen tot de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade, zij ofwel een dalend volume, een beperkt marktaandeel of een hoger prijsniveau had dan de invoer met dumping uit de betrokken landen. De Commissie heeft daarom geconcludeerd dat, hoewel een deel van deze invoer kan hebben bijgedragen aan de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade, geen van deze factoren het reële en aanzienlijke oorzakelijke verband tussen de invoer met dumping uit de betrokken landen en de in dit onderzoek vastgestelde aanmerkelijke schade verzwakte. |
|
(262) |
In het licht van het bovenstaande is de Commissie tot de conclusie gekomen dat de invoer uit andere derde landen het reële en aanzienlijke oorzakelijke verband tussen de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade en de invoer met dumping uit de betrokken landen niet verzwakte. |
5.2.2. Uitvoerprestatie van de bedrijfstak van de Unie
|
(263) |
De uitvoer van de bedrijfstak in de Unie heeft zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 13 Uitvoerprestaties van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(264) |
De uitvoer van de bedrijfstak van de Unie is sinds 2021 geleidelijk gestegen, maar bleef gering in vergelijking met de totale verkopen. Deze uitvoer bestond grotendeels uit producten met hogere technische specificaties en werd daardoor beschermd tegen directe prijsconcurrentie. Bijgevolg kon de Unie op de internationale markten hogere prijzen voor deze glasvezelversterkingen realiseren dan op de markt van de Unie. Dit weerspiegelde een strategische focus op buitenlandse nichemarkten. |
|
(265) |
De uitvoer stelde de bedrijfstak van de Unie in staat zijn algehele financiële situatie te verbeteren dankzij het toegenomen verkoopvolume en de bereikte prijsniveaus, die hoger waren dan op de markt van de Unie. |
5.2.3. Kosten van energie en grondstoffen
|
(266) |
De gemiddelde energieprijs van de bedrijfstak van de Unie heeft zich gedurende de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 14 Prijzen van energie en grondstoffen in de Unie (EUR)
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(267) |
De energieprijzen in de Unie vertoonden tijdens de beoordelingsperiode aanzienlijke volatiliteit alvorens zich uiteindelijk te stabiliseren. De scherpe stijging in 2022, ten opzichte van 2021, werd nog verergerd door de gevolgen van de geopolitieke spanningen die van invloed waren op de energievoorziening en voornamelijk werden veroorzaakt door de ongerechtvaardigde en niet-uitgelokte aanvalsoorlog van Rusland tegen Oekraïne. De piek in de energieprijzen had aanzienlijke gevolgen voor de productiekosten van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie. In 2023 daalden de energieprijzen. |
|
(268) |
Uit het onderzoek is gebleken dat de kosten van de belangrijkste grondstoffen in 2022 aanzienlijk waren gestegen, wat tot een significante stijging van de verkoopprijs per eenheid heeft bijgedragen aangezien de bedrijfstak van de Unie deze kosten aan zijn afnemers kon doorberekenen. In 2023 bleven de grondstofkosten stijgen, maar daalde de verkoopprijs per eenheid daarentegen doordat de bedrijfstak van de Unie deze extra kosten niet aan zijn afnemers kon doorberekenen. Hoewel de grondstofkosten in het OT daalden in vergelijking met de in de jaren 2023 en 2022 waargenomen kosten, gingen de prijzen op de markt van de Unie in die periode nog verder omlaag doordat de bedrijfstak van de Unie niet in staat was zijn prijzen te handhaven of te verhogen als gevolg van de prijsdruk door de invoer met dumping. |
|
(269) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde GCC-TSAIP aan dat de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade voornamelijk werd veroorzaakt door specifieke stijgingen van de energie-, grondstof- en vervoerskosten en niet door invoer met dumping. In dit verband voerde zij aan dat de productiekosten van de producenten in de Unie tussen 2022 en het onderzoektijdvak aanzienlijk waren gestegen, als gevolg van de sterke stijging van de energieprijzen naar aanleiding van de energiecrisis. In de opmerkingen werd voorts verwezen naar openbare verklaringen van producenten in de Unie waaruit bleek dat de exploitatiekosten, met inbegrip van elektriciteit en andere energie-inputs, aanzienlijk waren gestegen en dat dit had geleid tot prijsstijgingen en financiële moeilijkheden voor bepaalde producenten. Volgens GCC-TSAIP bleek uit deze ontwikkelingen dat de verslechtering van de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie voornamelijk werd veroorzaakt door hogere energie- en inputkosten in plaats van door invoer uit de betrokken landen. |
|
(270) |
De Commissie heeft dit argument afgewezen. Onder eerlijke mededingingsvoorwaarden zouden dergelijke kostenstijgingen doorgaans in hogere verkoopprijzen worden weerspiegeld. Uit het onderzoek is echter gebleken dat de bedrijfstak van de Unie deze kostenstijgingen niet volledig aan zijn afnemers kon doorberekenen, als gevolg van de aanzienlijke prijsdruk die door de invoer uit de betrokken landen werd uitgeoefend, zoals uiteengezet in de overwegingen 201 tot en met 205. Hoewel hogere elektriciteits- en grondstofkosten kunnen hebben bijgedragen tot een stijging van de productiekosten van de producenten in de Unie, verzwakken zij bijgevolg niet het werkelijke en aanzienlijke oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping en de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade. Integendeel, de aanwezigheid van grote volumes aan invoer met dumping tegen lage prijzen heeft de negatieve gevolgen van de stijgende kosten versterkt en de bedrijfstak van de Unie belet de duurzame winstgevendheid te herstellen. |
|
(271) |
Op grond hiervan heeft de Commissie geconcludeerd dat de ontwikkeling van de energieprijzen en van de grondstofkosten niet heeft bijgedragen aan de door de bedrijfstak van de Unie geleden aanmerkelijke schade. |
5.2.4. Volume van het interne gebruik van de bedrijfstak van de Unie
|
(272) |
De verkoop op zowel de vrije markt als de markt voor intern gebruik liet in de beoordelingsperiode een vergelijkbare ontwikkeling zien, waarbij de verkopen voor intern gebruik langzamer daalden. De verkopen voor intern gebruik kunnen derhalve niet worden beschouwd als een factor die het oorzakelijke verband tussen de invoer met dumping en de gevolgen daarvan voor de bedrijfstak van de Unie heeft aangetast. |
5.2.5. Conclusie inzake het oorzakelijke verband
|
(273) |
In het algemeen verslechterde de financiële situatie van de bedrijfstak van de Unie in 2023 en in het OT. Deze negatieve omstandigheden vielen samen met het toegenomen marktaandeel van de invoer met dumping van glasvezelversterkingen uit de betrokken landen, waardoor de prijzen en de kosten van de bedrijfstak van de Unie werden onderboden en hij werd verhinderd zijn prijzen en kosten te verhogen. |
|
(274) |
Andere factoren die de bedrijfstak van de Unie schade konden hebben toegebracht, zijn eveneens geanalyseerd. In dit verband stelde de Commissie vast dat de invoer uit andere derde landen, de uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Unie, de stijging van de energieprijzen en de ontwikkeling op de markt voor intern gebruik niet hadden bijgedragen aan de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade. |
|
(275) |
Bovendien is het marktaandeel van de betrokken landen in het onderzoektijdvak meer dan minimaal, wordt geconstateerd dat de uitvoer uit beide landen met dumping plaatsvindt, worden de prijzen van de bedrijfstak van de Unie door de invoer uit die landen onderboden en is vastgesteld dat prijsverhoging wordt verhinderd. Uit deze elementen blijkt dat ook wanneer er geen overige invoer, al dan niet met dumping, is, de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade heeft geleden als gevolg van de invoer met dumping uit de betrokken landen. |
|
(276) |
Na de opening van het onderzoek voerden de Association of Independent EU Glass Fibre Weavers en GCC-TSAIP aan dat de vermeende schade voor de bedrijfstak van de Unie niet werd veroorzaakt door de invoer uit Bahrein, Egypte en Thailand. Deze belanghebbenden legden uit dat het marktaandeel van de invoer uit deze landen relatief gering en stabiel was ten opzichte van het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie en voerden aan dat andere factoren, zoals een toegenomen uitvoer en investeringen door de bedrijfstak van de Unie, bijdroegen aan de verslechtering van hun resultaten. Daarnaast merkten zij op dat de invoer uit de VRC, die door de klager als een belangrijke bron van schade voor de bedrijfstak van de Unie wordt aangewezen, moet worden geacht het oorzakelijke verband tussen de gestelde schade en de invoer uit de betrokken landen te verbreken. |
|
(277) |
Uit het onderzoek is gebleken dat de invoer uit Bahrein, Egypte en Thailand de bedrijfstak van de Unie heeft geschaad door de prijzen te onderbieden, marktaandeel te winnen en de algemene prestaties, de financiële situatie en de werkgelegenheid te beïnvloeden. De Association of Independent EU Glass Fibre Weavers ging niet in op de aanzienlijke mate waarin de bedrijfstak van de Unie werd verhinderd om zijn prijzen te verhogen en de aanzienlijke neerwaartse prijsdruk als gevolg van deze invoer, die stelselmatig tegen veel lagere prijzen dan die van de producenten in de Unie op de markt van de Unie is gebracht. Het argument dat andere factoren, zoals de invoer uit de VRC of de investeringen en toegenomen uitvoer van de bedrijfstak van de Unie, als enige verantwoordelijk zijn voor de schade, is niet juist. Dit argument wordt niet met bewijsmateriaal gestaafd en doet niets af aan het reële en substantiële oorzakelijke verband dat is vastgesteld tussen de invoer uit de betrokken landen en de hierdoor veroorzaakte aanmerkelijke schade. Daarom werd het argument van de Association of Independent EU Glass Fibre Weavers afgewezen. |
6. NIVEAU VAN DE MAATREGELEN
|
(278) |
Om het niveau van de maatregelen te bepalen, heeft de Commissie beoordeeld of een recht lager dan de dumpingmarge toereikend zou zijn om de door de invoer met dumping aan de bedrijfstak van de Unie berokkende schade op te heffen. |
6.1. Schademarge
|
(279) |
De schade zou worden opgeheven indien de bedrijfstak van de Unie een nagestreefde winst zou kunnen behalen door te verkopen tegen een richtprijs in de zin van artikel 7, lid 2 quater en lid 2 quinquies, van de basisverordening. |
|
(280) |
Overeenkomstig artikel 7, lid 2 quater, van de basisverordening hield de Commissie bij de bepaling van de nagestreefde winst rekening met de volgende factoren: de mate van winstgevendheid vóór de toename van de invoer vanuit de aan het onderzoek onderworpen landen, de mate van winstgevendheid die vereist is ter dekking van alle kosten en investeringen, onderzoek en ontwikkeling (O & O) en innovatie, alsmede de onder normale mededingingsvoorwaarden te verwachten mate van winstgevendheid. Die winstmarge mag niet lager zijn dan 6 %. |
|
(281) |
Wat de mate van winstgevendheid vóór de toename van de invoer uit de betrokken landen betreft, was het niet mogelijk op basis van een van de jaren vóór de toename van de invoer uit die landen een winstmarge vast te stellen. Daarnaast bleek het jaar 2022 sterk beïnvloed te zijn door het economisch herstel na COVID-19 en leek dat jaar niet geschikt om op basis daarvan de streefwinst vast te stellen. Daarom nam de Commissie de winst van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie over een langere periode in ogenschouw. In dit verband was zij van mening dat het jaar 2016 passend was, aangezien dit het meest recente jaar was waarin de bedrijfstak van de Unie onder normale marktvoorwaarden opereerde en een winst van 12,28 % behaalde. |
|
(282) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde GCC-TSAIP aan dat het gebruik door de Commissie van winstgevendheidsniveaus uit 2016 als benchmark voor de vaststelling van de streefwinst onvoldoende gerechtvaardigd was. Zij voerde met name aan dat de vaststelling geen gedetailleerde toelichting bevatte waaruit bleek dat 2016 normale en niet-verstoorde marktomstandigheden weerspiegelde. Volgens GCC-TSAIP heeft de Commissie niet beoordeeld of dat jaar werd beïnvloed door conjuncturele of structurele factoren die geen verband hielden met invoer met dumping, noch uitgelegd waarom geen rekening werd gehouden met alternatieve benchmarkjaren of een meerjarengemiddelde. GCC-TSAIP voerde derhalve aan dat het gebruik van één enkel historisch jaar zonder een vergelijkende beoordeling van andere potentiële benchmarkperioden zou kunnen leiden tot een onbetrouwbare schatting van duurzame winstgevendheid en mogelijk niet zou voldoen aan het vereiste van een objectief onderzoek op basis van positief bewijsmateriaal. |
|
(283) |
De Commissie heeft deze argumenten afgewezen. Zoals uiteengezet in overweging 281 is uit het onderzoek gebleken dat het niet mogelijk was een passend benchmarkwinstniveau vast te stellen op basis van de jaren voorafgaand aan de toename van de invoer met dumping. De Commissie achtte het daarom passend gebruik te maken van het door de bedrijfstak van de Unie in 2016 bereikte winstgevendheidsniveau van 12,28 %. Hoewel er in dat jaar sprake was van invoer met dumping op de markt van de Unie, presteerde de bedrijfstak van de Unie nog steeds goed en weerspiegelde de winstgevendheid in 2016 een winstniveau dat de bedrijfstak van de Unie onder normale marktomstandigheden redelijkerwijs kon bereiken. In dit verband herinnerde de Commissie eraan dat de streefwinst tot doel heeft de mate van winstgevendheid te benaderen die de bedrijfstak van de Unie zonder schade veroorzakende dumping zou kunnen bereiken. Het is daarom niet noodzakelijk dat het benchmarkjaar volledig vrij is van invoer met dumping, mits de prestaties van de bedrijfstak van de Unie in dat jaar duurzame bedrijfsomstandigheden weerspiegelen. De Commissie concludeerde bijgevolg dat de in 2016 behaalde winstgevendheid een redelijk en passend referentiepunt vormde voor de vaststelling van de streefwinst en verwierp zij de argumenten van de belanghebbende, die bovendien van algemene aard waren en niet voorzagen in een concrete methode om een beter alternatief voor de gebruikte streefwinst te berekenen. |
|
(284) |
De bedrijfstak van de Unie verstrekte bewijsmateriaal waaruit bleek dat zijn niveau van investeringen, onderzoek en ontwikkeling (O & O) en innovatie tijdens de beoordelingsperiode onder normale mededingingsvoorwaarden hoger zou zijn geweest. De Commissie heeft deze informatie tijdens de kruislingse controles op afstand geverifieerd door de interne administratie van de onderneming met betrekking tot investeringsplannen, managementbesluiten en jaarrekeningen te controleren. De argumenten van de bedrijfstak van de Unie werden gerechtvaardigd geacht. Om hier rekening mee te houden in de streefwinst, heeft de Commissie het verschil berekend tussen de uitgaven voor investeringen, O & O en innovatie onder normale mededingingsvoorwaarden zoals verstrekt door de bedrijfstak van de Unie en gecontroleerd door de Commissie, enerzijds, en de daadwerkelijke desbetreffende uitgaven tijdens de beoordelingsperiode, anderzijds. Op basis van gecontroleerde informatie over investeringen die tijdens de beoordelingsperiode niet konden worden uitgevoerd, werden de streefwinstmarges verhoogd met maximaal 5,27 %, afhankelijk van de in de steekproef opgenomen producenten. |
|
(285) |
De streefwinst die in het kader van dit onderzoek en overeenkomstig artikel 7, lid 2 quater, van de basisverordening werd vastgesteld, varieerde dus van 13,25 % tot 17,55 %, afhankelijk van de situatie van elk van de in de steekproef opgenomen ondernemingen. |
|
(286) |
Op basis hiervan heeft de Commissie voor het soortgelijke product van de bedrijfstak van de Unie een geen schade veroorzakende prijs berekend door de desbetreffende streefwinstmarges toe te voegen aan de productiekosten van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie in het tijdvak van het nieuwe onderzoek. |
|
(287) |
Overeenkomstig artikel 7, lid 2 quinquies, van de basisverordening heeft de Commissie tot slot de toekomstige kosten beoordeeld die voortvloeien uit multilaterale milieuovereenkomsten en de bijbehorende protocollen waarbij de Unie partij is, en die de bedrijfstak van de Unie tijdens de periode van toepassing van de maatregel zal maken. De Commissie heeft op basis van de ingediende informatie, die werd ondersteund door de verslagleggingsinstrumenten en prognoses van de ondernemingen, vastgesteld dat er in het OT geen sprake was van extra kosten voor het naleven van die overeenkomsten. |
|
(288) |
De Commissie heeft vervolgens het niveau van de schademarge bepaald door de gewogen gemiddelde invoerprijs van de in de steekproef opgenomen meewerkende producenten-exporteurs in de betrokken landen te vergelijken met de gewogen gemiddelde, geen schade veroorzakende prijs van het soortgelijke product dat in het onderzoektijdvak door de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie op de markt van de Unie werd verkocht. Als uit deze vergelijking een verschil naar voren kwam, werd dit uitgedrukt als percentage van de gewogen gemiddelde cif-waarde bij invoer. |
|
(289) |
De schademarge voor “alle overige invoer van oorsprong uit het betrokken land” wordt op dezelfde manier vastgesteld als de dumpingmarge voor deze ondernemingen (overwegingen 79 en 179).
|
6.2. Conclusie inzake het niveau van de maatregelen
|
(290) |
Na bovenstaande beoordeling moeten de definitieve antidumpingrechten overeenkomstig artikel 7, lid 2, van de basisverordening als volgt worden vastgesteld:
|
7. BELANG VAN DE UNIE
7.1. Belang van de bedrijfstak van de Unie
|
(291) |
Uit het onderzoek is vast komen te staan dat de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade heeft geleden als gevolg van de invoer met dumping uit de betrokken landen in het OT. Zoals uiteengezet in overweging 212, hebben twee producenten in de Unie tijdens het TNO de productie van glasvezelversterkingen volledig stopgezet als gevolg van ongunstige marktomstandigheden. |
|
(292) |
Het instellen van maatregelen zou de bedrijfstak van de Unie in staat stellen zijn marktaandeel te behouden en/of terug te winnen, de productie en de bezettingsgraad te verhogen, de prijzen te verhogen om de productiekosten te dekken en een mate van winstgevendheid te bereiken die onder normale mededingingsvoorwaarden te verwachten zou zijn. Op basis hiervan zou de bedrijfstak van de Unie naar een houdbare situatie moeten terugkeren om in de toekomst investeringen te kunnen doen. |
|
(293) |
Afzien van maatregelen zou waarschijnlijk leiden tot een verder verlies van marktaandeel en een verdere verslechtering van de winstgevendheid, die in 2023 en in het onderzoektijdvak negatief werd. Dit zou waarschijnlijk leiden tot extra sluitingen van productiefaciliteiten en tot ontslagen, waardoor de levensvatbaarheid van de bedrijfstak van de Unie in gevaar zou kunnen komen. |
|
(294) |
De Commissie kwam derhalve tot de conclusie dat het instellen van antidumpingmaatregelen op de invoer van glasvezelversterkingen van oorsprong uit de betrokken landen in het belang van de bedrijfstak van de Unie zou zijn. |
7.2. Belang van de gebruikers en gebruikersvereniging
|
(295) |
Tijdens het onderzoek meldden zich tien gebruikers; deze beantwoordden de vragenlijst op ontoereikende wijze. De Commissie heeft de betrokken partijen verzocht de ontbrekende gegevens te verstrekken. Zij hebben echter niet aan dit verzoek voldaan. Bijgevolg heeft de Commissie haar beoordeling gebaseerd op de in beperkte mate beschikbare informatie uit de antwoorden op de vragenlijst en op de door de afzonderlijke betrokken partijen ingediende opmerkingen. |
|
(296) |
De gebruikers Rivierasca SpA (IT) en ATP s.r.l (IT) spraken hun steun uit voor het instellen van maatregelen en benadrukten het belang van glasvezel als cruciale input voor hun producten alsmede de noodzaak van een betrouwbare productie van glasvezelversterkingen, om de mechanische integriteit en beschikbaarheid van hun laminaten, die essentieel zijn voor eindgebruikerstoepassingen, in stand te houden. |
|
(297) |
De gebruikersvereniging Tech-Fab Europe, die drie producenten in de Unie omvat waarvan er een klager is, toonde zich voorstander van het instellen van maatregelen. Tech-Fab Europe stelde dat de producenten van open weefsels van glasvezels in de Unie concurrentiedruk ondervinden van de invoer uit buurlanden, die glasvezelversterkingen (hun input) uit de VRC en Egypte zonder antidumping- of antisubsidierechten betrekken, Chinese technologie gebruiken en open weefsels van glasvezels tegen lagere prijzen naar de Unie uitvoeren. Tech-Fab Europe uitte ook haar bezorgdheid over de gevolgen van het vervallen van de antidumping- en antisubsidiemaatregelen met betrekking tot de invoer van stoffen van glasvezels uit de VRC en Egypte, waarbij zij om nieuwe onderzoeken had verzocht, en drong er bij de Commissie op aan om vrijwaringsmaatregelen in te stellen. Deze maatregelen zouden van cruciaal belang zijn om de overcapaciteit in de VRC en Egypte aan te pakken, ontwijkingsrisico’s te beperken en een evenwichtige toeleveringsketen in stand te houden om de glasvezelwaardeketen in de Unie doeltreffend te beschermen. |
|
(298) |
Kelteks uitte zijn bezorgdheid over de mogelijke gevolgen van de antidumpingmaatregelen voor de invoer van glasvezelversterkingen uit de betrokken landen. Kelteks benadrukte dat zijn productie afhankelijk is van de toegang tot concurrerend geprijsde grondstoffen, waardoor het soms nodig is om specifieke stoffen van glasvezels in te voeren die niet met de vereiste specificaties of in voldoende hoeveelheden door producenten in de Unie kunnen worden geleverd. Het waarschuwde ervoor dat het instellen van antidumpingrechten zonder nauwkeurige afstemming de toeleveringsketens zou kunnen verstoren, de productiekosten zou kunnen opdrijven en het concurrentievermogen van in de Unie gevestigde verwerkende ondernemingen zoals Kelteks zelf zou kunnen verzwakken. |
|
(299) |
De gebruikers Tolnatext Fonalfeldolgozo es Müszakiszovet-gyàrto Bt. (“Tolnatext”) en Dr. Günther Kast GmbH & Co. (“Dr. Günther”), die deel uitmaken van de KAST Group, alsook Proxim Plewka I Wspólnicy sp. k. voerden aan dat de producenten in de Unie hun capaciteit om de markt van de Unie te bevoorraden met glasvezelversterkingen, en met name directe rovings, niet hebben verhoogd om aan de vraag van de gebruikers te voldoen, hoewel zij worden beschermd door bestaande antidumping- en compenserende maatregelen. Ook merkten zij op dat bepaalde rovings, zoals low-tex rovings, niet actief door de producenten in de Unie werden gepromoot en verkocht, en dat de producenten in de Unie wat betreft sommige rovings niet aan de door de gebruikers gevraagde technische specificaties voldeden, waardoor gebruikers buitengewoon afhankelijk zijn van de beschikbaarheid van bepaalde producten uit alternatieve bronnen. Bovendien had het steeds sterker geconcentreerde oligopolie van een paar producenten in de Unie negatieve gevolgen voor de gebruikers, met een nog groter risico van afnemende beschikbaarheid van low-tex rovings tot gevolg. Voorts gaven deze gebruikers (producenten van open weefsels van glasvezels) eens te meer uiting aan hun bezorgdheid over concurrentie uit buurlanden zoals Moldavië, Servië, Kosovo en Noord-Macedonië. Producenten in die landen kunnen goedkope, meestal met dumping verkochte grondstoffen (glasvezelversterkingen) betrekken, waardoor zij open weefsels van glasvezels kunnen produceren tegen aanzienlijk lagere prijzen, waarmee de gebruikers (producenten van open weefsels van glasvezels) niet kunnen concurreren. |
|
(300) |
Op 7 mei 2025 vond een hoorzitting plaats met Proxim Plewka I Wspólnicy sp.k., dat te kennen gaf het niet eens te zijn met de mogelijke instelling van antidumpingrechten op invoer uit Bahrein, Egypte en Thailand. Tijdens de hoorzitting en in zijn antwoorden op de vragenlijst heeft het vergelijkbare zorgen geuit als Tolnatext en Dr. Günther. |
|
(301) |
Op 8 mei 2025 vond een hoorzitting plaats met HELM. In zijn uiteenzetting betoogde HELM dat er geen oorzakelijk verband was tussen de invoer van glasvezelversterkingen uit de betrokken landen en de situatie van de bedrijfstak van de Unie. Ook stelde het dat de antidumpingrechten het belang van de Unie zouden schaden omdat er een bevoorradingscrisis zou ontstaan, aangezien een groot aantal uit de betrokken landen ingevoerde producten niet in de Unie werd geproduceerd. |
|
(302) |
Op 11 september 2025 vond een hoorzitting plaats met Tolnatext en Dr. Günther, waarin zij hun standpunt met betrekking tot het onderzoek herhaalden en benadrukten sterk tegen de instelling van maatregelen ten aanzien van de invoer uit de betrokken landen te zijn gekant. |
|
(303) |
Op 16 oktober 2025 vond een hoorzitting plaats met Lamilux, dat aangaf het niet eens te zijn met de mogelijke instelling van antidumpingrechten op glasvezelversterkingen van oorspronig uit de betrokken landen. Tijdens de hoorzitting en in zijn daaropvolgende schriftelijke beantwoording van de vragen van de Commissie heeft Lamilux soortgelijke zorgen kenbaar gemaakt als Tolnatext, Dr. Günther en HELM. |
|
(304) |
Uit het onderzoek is gebleken dat de bewering dat de producenten in de Unie hun capaciteit om de markt van de Unie met glasvezelversterkingen te bevoorraden, niet hadden verhoogd, ongegrond was. Ondanks uitdagende marktomstandigheden heeft de bedrijfstak van de Unie aanzienlijk geïnvesteerd en beschikt hij over reservecapaciteit. Voor een verdere uitbreiding van de capaciteit zijn echter kapitaaltoezeggingen op lange termijn vereist, die afhankelijk zijn van het behoud van een gelijk speelveld waarbij concurrerende producenten kunnen rekenen op een billijk rendement van investeringen. De bedrijfstak van de Unie werd ook geconfronteerd met oneerlijke invoer en moeilijke marktomstandigheden. |
|
(305) |
De Commissie verwierp tevens het argument dat de producenten in de Unie bepaalde specifieke soorten glasvezelversterkingen niet produceren of onvoldoende capaciteit hebben om deze te leveren, of dat niet aan bepaalde technische vereisten wordt voldaan. Door het onderzoek werd specifiek bevestigd dat meerdere producenten in de Unie over de technologie en de capaciteit beschikken om directe low-tex rovings te vervaardigen, en dat de bedrijfstak van de Unie over reservecapaciteit beschikt die voor extra productie kan worden ingezet. Twee van de drie in de steekproef opgenomen producenten in de Unie produceren geassembleerde rovings, en controlebezoeken bevestigden dat de bedrijfstak van de Unie in staat is roving-spray-tex-filamentwindings, roving-spray-2 400 tex voor spuittoepassingen en geweven rovings van 600 gr te produceren. Verschillende typen glasvezelversterkingen kunnen verschillende technische specificaties hebben en zijn niet voor alle toepassingen volledig uitwisselbaar, maar hebben wel dezelfde fysische, chemische en technische basiseigenschappen. Uit het onderzoek kwam ook naar voren dat de invoer van rovings uit de betrokken landen wordt verkocht tegen prijzen die vaak onder de productiekosten van de bedrijfstak van de Unie liggen, waardoor het voor de bedrijfstak van de Unie commercieel niet levensvatbaar is om op dergelijke prijsniveaus te concurreren. Ten slotte staat de eventuele instelling van antidumpingmaatregelen er niet aan in de weg dat de producenten-exporteurs de markt van de Unie zonder dumping blijven bevoorraden, zoals blijkt uit het feit dat er nog steeds producenten aanwezig zijn ten aanzien van welke al maatregelen gelden. Op basis hiervan heeft de Commissie geconcludeerd dat de bedrijfstak van de Unie technologisch in staat is en de capaciteit heeft om de betrokken productsoorten te leveren. |
|
(306) |
De zorgen over marktconcentratie en maatregelen tegen invoer uit andere landen werden geanalyseerd. In dit verband merkte de Commissie op dat regelgevende instanties over het algemeen fusies en overnames zorgvuldig onderzoeken om mededingingbeperkende gedragingen te voorkomen. Voorts heeft het onderzoek niet uitgewezen dat de markt van de Unie wordt gekenmerkt door een gebrek aan concurrentiedruk, aangezien er vanuit derde landen nog steeds aanzienlijke hoeveelheden naar de markt van de Unie worden uitgevoerd. De eventuele instelling van maatregelen ten aanzien van de invoer uit de betrokken landen zou deze bevoorradingsbronnen niet doen verdwijnen, maar wel de aanmerkelijke schade voor de bedrijfstak van de Unie tegengaan. Op basis hiervan werden deze argumenten afgewezen. |
|
(307) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde Lamilux aan dat de instelling van antidumpingrechten op de invoer van glasvezelversterkingen uit Egypte aanzienlijke negatieve gevolgen zou hebben voor haar activiteiten. De onderneming voerde met name aan dat de bedrijfstak van de Unie niet de specifieke voor haar productieproces vereiste productsoort aanbood, te weten gehakte-glasvezelmatten met een vezelstructuur van 15 tex (“15 tex chopped strand mats”) die aan een specifiek technisch vereiste voldoen, waaronder breedten tot 3 400 mm. Volgens Lamilux vormde deze specificatie de belangrijkste glasvezelversterkinginput voor haar composietmaterialen en was zij derhalve verplicht deze van Egyptische leveranciers te bettrekken. Lamilux betoogde voorts dat de instelling van rechten haar grondstofkosten aanzienlijk zou verhogen, wat zij niet aan haar afnemers zou kunnen doorberekenen gezien de concurrentiedruk van ingevoerde downstreamproducten. Op basis hiervan verzocht Lamilux om een productspecifieke uitsluiting voor gesneden-glasmatten met een vezelstructuur van 15 tex die aan haar specificatieprofiel voldoen, met het argument dat de producenten in de Unie deze specifieke productsoort niet produceren en evenmin kunnen produceren en leveren. |
|
(308) |
De Commissie heeft dit argument afgewezen. Uit het door Lamilux ingediende bewijsmateriaal bleek alleen dat de producenten in de Unie momenteel niet de exacte gevraagde specificatie aanbieden, maar het toont niet aan dat de bedrijfstak van de Unie niet over de technologische capaciteit beschikt om vergelijkbare producten met lage tex te produceren. In dit verband bevestigde het onderzoek dat de producenten in de Unie over de nodige technologie beschikken en capaciteit beschikbaar hebben die kan worden toegewezen aan de productie van dergelijke specificaties indien de marktomstandigheden dit rechtvaardigen. De Commissie was derhalve van oordeel dat het verzoek betrekking had op een door een individuele gebruiker verlangde specifieke commerciële specificatie, en niet op een afzonderlijke productsoort. Bijgevolg werd het verzoek om productspecifieke uitsluiting afgewezen. |
|
(309) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerden Saertex en Amiblu aan dat de instelling van antidumpingmaatregelen ten aanzien van de invoer van glasvezelversterkingen uit Bahrein, Egypte en Thailand niet in het belang van de Unie zou zijn omdat deze negatieve gevolgen zou hebben voor downstreambedrijfstakken in de waardeketen van composietmaterialen. Zij voerden met name aan dat de gebruikers van glasvezelproducten in de Unie afhankelijk zijn van ingevoerde rovings om de voorzieningszekerheid en concurrerende prijzen te waarborgen en dat de bedrijfstak van de Unie niet aan de vraag zou kunnen voldoen als de invoer aan rechten zou worden onderworpen. Voorts voerden zij aan dat de voorgestelde maatregelen de grondstofkosten aanzienlijk zouden verhogen voor downstreamfabrikanten die actief zijn op zeer concurrerende wereldmarkten, en die deze kostenstijgingen niet aan de afnemers zouden kunnen doorberekenen. Volgens deze partijen zou de daaruit voortvloeiende stijging van de productiekosten het concurrentievermogen van in de Unie gevestigde fabrikanten verzwakken, de verplaatsing van de productie naar landen buiten de Unie aanmoedigen en buitenlandse producenten van afgewerkte composietproducten in staat stellen marktaandeel in de Unie te veroveren. Zij voerden ook aan dat dergelijke maatregelen de bestaande kostendruk waarmee producenten in de Unie worden geconfronteerd, waaronder hoge energieprijzen en inflatie, zouden verergeren en negatieve gevolgen zouden kunnen hebben voor de werkgelegenheids- en investeringsbeslissingen in de downstreamsector. |
|
(310) |
De Commissie heeft deze argumenten afgewezen. Uit het onderzoek is gebleken dat de invoer uit de betrokken landen aanzienlijke prijsdruk uitoefende op de bedrijfstak van de Unie, waardoor aanmerkelijke schade werd veroorzaakt. De Commissie herinnerde eraan dat antidumpingmaatregelen tot doel hebben eerlijke mededinging op de markt van de Unie te herstellen door de schadelijke gevolgen van de invoer met dumping te compenseren. De door Saertex en Amiblu geuite bezorgdheid over mogelijke leveringstekorten, structurele marktconcentratie en verplaatsing van de productie werd niet met controleerbaar bewijsmateriaal gestaafd. Uit het onderzoek is met name gebleken dat de bedrijfstak van de Unie zijn reserveproductiecapaciteit behoudt en technologisch in staat is om de relevante productsoorten te leveren. Bovendien verhinderen antidumpingmaatregelen niet dat invoer de markt van de Unie binnenkomt, maar zorgen zij er slechts voor dat deze tegen eerlijke prijzen wordt verkocht. De Commissie merkte ook op dat glasvezelversterkingen doorgaans een beperkt deel van de totale productiekosten van downstream-composietproducten vertegenwoordigen. Bijgevolg zal het algehele effect op downstreamgebruikers naar verwachting beperkt blijven, hoewel de maatregelen enige invloed kunnen hebben op de inputprijzen. De Commissie heeft derhalve geconcludeerd dat de argumenten van deze partijen niet opwogen tegen de noodzaak om de door de bedrijfstak van de Unie geleden aanmerkelijke schade aan te pakken, en niets afdeden aan de conclusie dat de instelling van maatregelen in het belang van de Unie zou zijn. |
|
(311) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde GCC-TSAIP aan dat de Commissie in haar beoordeling van het belang van de Unie geen voldoende gedetailleerde motivering heeft verstrekt. Zij voerden met name aan dat in de vaststelling niet duidelijk werd toegelicht hoe de Commissie de belangen van de bedrijfstak van de Unie heeft afgewogen tegen die van importeurs, downstreamgebruikers en andere marktdeelnemers. Volgens deze partijen werd in de motivering onvoldoende gespecificeerd welk analytisch kader of welke economische criteria werden gebruikt om te beoordelen of de potentiële negatieve effecten op downstreambedrijfstakken opwegen tegen de voordelen van herstel van eerlijke concurrentie. |
|
(312) |
De Commissie heeft deze argumenten afgewezen. De Commissie merkte op dat de gebruikers de vragenlijst niet volledig hebben beantwoord. Als gevolg daarvan was de informatie waarover de Commissie beschikte beperkt. Niettemin omvatte het onderzoek een onderzoek van de beschikbare informatie, waaronder schriftelijke opmerkingen van gebruikers en hun verenigingen en de hoorzittingen met verschillende belanghebbenden. De Commissie heeft de geuite bezwaren met betrekking tot de beschikbaarheid van aanbod, de productspecificaties, mogelijke prijsstijgingen en marktconcentratie geanalyseerd, zoals beschreven in de overwegingen 304 en 305. Het onderzoek bevestigde dat de bedrijfstak van de Unie technologisch in staat is en over reservecapaciteit beschikt om de relevante productsoorten te leveren, en dat de instelling van maatregelen niet zou beletten dat de invoer de markt van de Unie tegen eerlijke prijzen blijft bevoorraden. Voorts heeft de Commissie vastgesteld dat de markt van de Unie open blijft voor invoer uit vele derde landen en derhalve niet met een aanbodtekort zou worden geconfronteerd. Op basis daarvan heeft de Commissie geconcludeerd dat de mogelijke negatieve gevolgen voor downstreamgebruikers niet duidelijk opwogen tegen de voordelen van herstel van eerlijke concurrentie voor de bedrijfstak van de Unie, en dat er geen dwingende redenen waren om geen maatregelen in te stellen. |
|
(313) |
Op basis van de informatie waarover de Commissie beschikt en bij ontbreken van een relevant antwoord van gebruikers en importeurs was er geen bewijs dat de conclusie weerlegt dat eventuele negatieve gevolgen van de maatregelen voor niet-verbonden importeurs en gebruikers naar verwachting beperkt zullen zijn en dat zij duidelijk niet zullen opwegen tegen de positieve gevolgen van maatregelen voor de producenten in de Unie. |
7.3. Belang van de leveranciers en vakbond
|
(314) |
Leveranciers van de bedrijfstak van de Unie Kerkosand spol. s r.o., Westlake Epoxy BV, Minerali Industriali SRL, Spolek pro chemickou a hutní výrobu, akciová společnost en de vereniging van leveranciers European Lime Association toonden zich voorstander van de instelling van de maatregelen. Zij benadrukten dat het belangrijk is dat alle essentiële onderdelen en materialen binnen deze waardeketen in de Unie beschikbaar zijn om de veerkracht in strategische sectoren te waarborgen. Bovendien zou het lokaal houden van deze middelen de toeleveringsketen ondersteunen en de Unie beter in staat stellen om met nieuwe ideeën te komen en in de behoeften van de markt te voorzien. |
|
(315) |
Ook de leveranciers LB Minerals s.r.o. en Chimica Organica Industriale Milanese S.p.A. toonden zich voorstander van de instelling van maatregelen. In hun opmerkingen benadrukten zij het belang van glasvezelversterkingen als een cruciale grondstof van gering gewicht waarmee in een oplossing voor huidige uitdagingen kan worden voorzien doordat deze als vervanging kunnen dienen voor zwaardere grondstoffen, en in verschillende sectoren, zoals de vervoer-, de energie- en de bouwsector, innovatieve oplossingen kunnen bieden. |
|
(316) |
De vakbond IndustriAll Europe, die onder andere werknemers in de glasvezelversterkingsbranche vertegenwoordigt, toonde zich voorstander van het instellen van antidumpingmaatregelen en gaf te kennen er bezorgd over te zijn dat de Unie, indien geen doortastende maatregelen zouden worden genomen, te maken zou kunnen krijgen met fabriekssluitingen, waardoor de industriële inspanningen en de ambities van de verordening voor een nettonulindustrie van het industrieel plan voor de Green Deal zouden worden ondergraven, wat een bedreiging zou kunnen vormen voor hoogwaardige banen in de glasvezelversterkingsbranche en downstreamindustrieën. |
|
(317) |
De Commissie kwam derhalve tot de conclusie dat het instellen van antidumpingmaatregelen op de invoer van glasvezelversterkingen van oorsprong uit de betrokken landen in het belang van de leveranciers en vakbonden zou zijn. |
7.4. Conclusie betreffende het belang van de Unie
|
(318) |
Op basis van het voorgaande is de Commissie tot de conclusie gekomen dat er geen dwingende redenen waren om aan te nemen dat de instelling van definitieve maatregelen ten aanzien van de invoer van het betrokken product van oorsprong uit de betrokken landen duidelijk niet in het belang van de Unie zou zijn. |
8. DEFINITIEVE ANTIDUMPINGMAATREGELEN
|
(319) |
Op basis van de conclusies van de Commissie inzake dumping, schade, het oorzakelijke verband, de hoogte van de maatregelen en het belang van de Unie moeten definitieve maatregelen worden ingesteld om te voorkomen dat de bedrijfstak van de Unie nog meer schade lijdt door de invoer met dumping. |
|
(320) |
Er moeten definitieve antidumpingmaatregelen worden ingesteld op de invoer van producten van oorsprong uit Bahrein, Egypte en Thailand, in overeenstemming met de regel van het laagste recht in artikel 7, lid 2, van de basisverordening. De Commissie heeft de in overweging 289 vastgestelde schademarges vergeleken met de in overweging 290 vastgestelde dumpingmarges. Het bedrag van de rechten werd vastgesteld op het niveau van de dumpingmarge, of van de schademarge indien deze lager is. |
|
(321) |
Gezien het voorgaande moeten de definitieve antidumpingrechten, uitgedrukt in cif-prijs grens Unie, vóór inklaring, als volgt worden vastgesteld:
|
|
(322) |
De bij deze verordening voor bepaalde ondernemingen vastgestelde individuele antidumpingrechten zijn vastgesteld op basis van de bevindingen van dit onderzoek. Daarin wordt derhalve de situatie weerspiegeld die bij het onderzoek voor die ondernemingen werd geconstateerd. Deze rechten zijn uitsluitend van toepassing op het betrokken product van oorsprong uit de betrokken landen en geproduceerd door de genoemde juridische entiteiten. Op de invoer van het betrokken product dat is geproduceerd door andere ondernemingen die in het dispositief van deze verordening niet uitdrukkelijk worden genoemd, met inbegrip van entiteiten die met de specifiek genoemde ondernemingen zijn verbonden, is het recht van toepassing dat geldt voor “alle overige invoer van oorsprong uit het betrokken land”. Die invoer mag niet worden onderworpen aan de individuele antidumpingrechten. |
|
(323) |
Om het risico op ontwijking als gevolg van het verschil in rechten zo veel mogelijk te beperken, zijn speciale maatregelen nodig om de toepassing van de individuele antidumpingrechten te garanderen. De heffing van individuele antidumpingrechten is enkel van toepassing wanneer aan de douaneautoriteiten van de lidstaten een geldige handelsfactuur wordt overgelegd. Deze factuur moet voldoen aan de in artikel 1, lid 3, van deze verordening vastgestelde vereisten. Tot een dergelijke factuur wordt overgelegd, moet de invoer worden onderworpen aan het antidumpingrecht dat van toepassing is op “alle overige invoer van oorsprong uit het betrokken land”. |
|
(324) |
Hoewel de douaneautoriteiten van de lidstaten over deze factuur moeten beschikken om ten aanzien van de invoer de individuele antidumpingrechten te kunnen toepassen, is overlegging van die factuur niet de enige factor waarmee de douaneautoriteiten rekening moeten houden. Zelfs als aan hen een factuur wordt overgelegd die voldoet aan alle vereisten van artikel 1, lid 3, van deze verordening, moeten de douaneautoriteiten van de lidstaten namelijk hun gebruikelijke controles uitvoeren en kunnen zij, net als in alle andere gevallen, aanvullende documenten (vervoersdocumenten enz.) verlangen om de juistheid van de gegevens in de aangifte te controleren en te waarborgen dat het lagere recht vervolgens terecht wordt toegepast, in overeenstemming met de douanewetgeving. |
|
(325) |
Indien de uitvoer door een van de ondernemingen waarvoor een lager individueel recht geldt, na de instelling van de maatregelen in kwestie aanzienlijk toeneemt, kan dit op zich worden beschouwd als een verandering in de structuur van het handelsverkeer als gevolg van de instelling van maatregelen in de zin van artikel 13, lid 1, van de basisverordening. In dergelijke omstandigheden kan, mits aan de voorwaarden is voldaan, een onderzoek naar ontwijking van de maatregelen worden geopend. Hierbij kan onder meer worden onderzocht of het nodig is het individuele recht of de individuele rechten in te trekken en een voor het gehele land geldend recht in te stellen. |
9. REGISTRATIE
|
(326) |
Zoals vermeld in overweging 3, heeft de Commissie de invoer van het betrokken product aan registratie onderworpen. De registratie vond plaats om het mogelijk te maken met terugwerkende kracht rechten te innen overeenkomstig artikel 10, lid 4, van de basisverordening. |
|
(327) |
Aangezien bij deze procedure geen voorlopige maatregelen zijn ingesteld, is niet voldaan aan de in artikel 10, lid 4, van de basisverordening genoemde voorwaarden voor de toepassing van het definitieve antidumpingrecht met terugwerkende kracht. |
10. SLOTBEPALINGEN
|
(328) |
Indien een bedrag moet worden terugbetaald naar aanleiding van een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, geldt ingevolge artikel 109 van Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad (12) als rentevoet de rente die de Europese Centrale Bank voor haar basisherfinancieringstransacties hanteert, zoals bekendgemaakt in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie op de eerste kalenderdag van elke maand. |
|
(329) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) 2016/1036 ingestelde comité, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op de invoer van gesneden glasvezelstrengen die momenteel zijn ingedeeld onder de GN-codes 7019 11 00 , ex 7019 12 00 (Taric-codes 7019 12 00 22, 7019 12 00 25, 7019 12 00 26, 7019 12 00 39), 7019 14 00 en 7019 15 00 , van oorsprong uit Bahrein, Egypte en Thailand.
2. Het definitieve antidumpingrecht dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, van de in lid 1 genoemde en door de hieronder vermelde ondernemingen vervaardigde producten is als volgt:
|
Land van oorsprong |
Onderneming |
Definitief antidumpingrecht (%) |
Aanvullende Taric-code |
|
Bahrein |
CPIC Abahsain Fiberglass W.L.L. |
11,8 |
89XI |
|
|
Alle overige invoer van oorsprong uit Bahrein |
11,8 |
8999 |
|
Egypte |
Jushi Egypt for Fiberglass Industry S.A.E. |
11,0 |
88BA |
|
|
Alle overige invoer van oorsprong uit Egypte |
11,0 |
8999 |
|
Thailand |
Asia Composite Materials (Thailand) Co., Ltd. |
25,4 |
89XJ |
|
|
Wanda New Material (Thailand) Co., Ltd. |
15,3 |
89XK |
|
|
Alle overige invoer van oorsprong uit Thailand |
25,4 |
8999 |
3. De individuele rechten die zijn vastgesteld voor de in lid 2 vermelde ondernemingen zijn uitsluitend van toepassing indien aan de douaneautoriteiten van de lidstaten een geldige handelsfactuur wordt overgelegd die een verklaring bevat die is gedateerd en ondertekend door een met naam en functie geïdentificeerde medewerker van de entiteit die deze factuur heeft opgesteld, en die als volgt luidt: “Ondergetekende verklaart dat de (volume in de door ons gebruikte eenheid) (betrokken product) die naar de Europese Unie wordt uitgevoerd en waarop deze factuur betrekking heeft, is vervaardigd door (naam en adres van de onderneming) (aanvullende Taric-code) in (het betrokken land). Ondergetekende verklaart dat de in deze factuur verstrekte informatie juist en volledig is.”. Totdat een dergelijke factuur wordt overgelegd, geldt het recht dat van toepassing is op alle overige invoer van oorsprong uit het betrokken land.
4. Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.
Artikel 2
De douaneautoriteiten wordt opgedragen de bij artikel 1 van Uitvoeringsverordening (EU) 2025/890 ingestelde registratie van de invoer te beëindigen.
Artikel 3
Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 14 april 2026.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 176 van 30.6.2016, blz. 21, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2016/1036/oj.
(2) Bericht van inleiding van een antidumpingprocedure betreffende de invoer van continuglasvezelproducten (“glasvezelversterkingen”) uit Bahrein, Egypte en Thailand (PB C, C/2025/1135, 17.2.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/1135/oj).
(3) Uitvoeringsverordening (EU) 2025/890 van de Commissie van 15 mei 2025 tot onderwerping van de invoer van continuglasvezelproducten van oorsprong uit Bahrein, Egypte en Thailand aan registratie (PB L, 2025/890, 16.5.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/890/oj).
(4) Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2328 van de Commissie van 24 november 2025 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2021/328 tot instelling van een definitief compenserend recht op continuglasvezelproducten van oorsprong uit de Volksrepubliek China naar aanleiding van een nieuw onderzoek beperkt tot schade (PB L, 2025/2328, 25.11.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/2328/oj); Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2337 van de Commissie van 24 november 2025 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2023/1452 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde continuglasvezelproducten van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L, 2025/2337, 25.11.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/2337/oj).
(5) Zie “Türkiye issues final anti-dumping ruling on glass fiber reinforced materials from Egypt and Bahrain”, https://fiberglassnonwoven.com/Knowledge/81.html.
(6) Arrest van het Gerecht van 11 juli 2017, Viraj Profiles Ltd/Raad, T-67/14, ECLI:EU:T:2017:481, punt 98.
(7) https://tron.trade.ec.europa.eu/investigations/case-view?caseId=2777.
(8) Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2337 van de Commissie.
(9) Verwijzend naar Uitvoeringsverordening (EU) 2024/209 van de Commissie van 10 januari 2024 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op platbulbstaal van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Turkije (PB L, 2024/209, 11.1.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2024/209/oj); Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1100 van de Commissie van 5 juli 2021 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op bepaalde warmgewalste platte producten van ijzer, van niet-gelegeerd staal of van ander gelegeerd staal van oorsprong uit Turkije (PB L 238 van 6.7.2021, blz. 32, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2021/1100/oj), overweging 98; Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1395 van de Commissie van 11 augustus 2022 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaald corrosiebestendig staal van oorsprong uit Rusland en Turkije, (PB L 211 van 12.8.2022, blz. 127, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2022/1395/oj), overweging 171, en Uitvoeringsverordening (EU) 2023/265 van de Commissie van 9 februari 2023 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op keramische tegels van oorsprong uit India en Turkije (PB L 41 van 10.2.2023, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2023/265/oj).
(10) Publicatie: Elsafoury, E. Y., Exchange Rate Pass-Through from Parallel Foreign Exchange Markets, https://dash.harvard.edu/entities/publication/38bfa6d8-6d86-4c8e-aa60-e0f93ab6dff3.
(11) Uitvoeringsverordening (EU) 2025/1919 van de Commissie van 25 september 2025 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op bepaalde warmgewalste platte producten van ijzer, van niet-gelegeerd staal of van ander gelegeerd staal van oorsprong uit Egypte, Japan en Vietnam en tot beëindiging van het onderzoek naar de invoer van die producten uit India (PB L, 2025/1919, 26.9.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/1919/oj).
(12) Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2024 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (PB L, 2024/2509, 26.9.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/2509/oj).
ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2026/831/oj
ISSN 1977-0758 (electronic edition)