European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

L-serie


2026/808

20.4.2026

VERORDENING (EU) 2026/808 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 30 maart 2026

tot wijziging van Verordening (EU) nr. 806/2014 wat betreft vroegtijdige-interventiemaatregelen, voorwaarden voor afwikkeling en financiering van afwikkelingsmaatregelen

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank (1),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het afwikkelingskader van de Unie voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (“instellingen”) is opgezet in de nasleep van de wereldwijde financiële crisis van 2008-2009 en naar aanleiding van de voor het eerst door de Raad voor financiële stabiliteit in oktober 2011 bekendgemaakte Key Attributes of Effective Resolution Regimes for Financial Institutions (Belangrijkste kenmerken van effectieve afwikkelingsregelingen voor financiële instellingen). Het afwikkelingskader van de Unie bestaat uit Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad (4) en Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad (5). Beide wetgevingshandelingen zijn van toepassing op instellingen en op andere entiteiten die onder het toepassingsgebied van die richtlijn of dat van die verordening vallen (gezamenlijk “entiteiten”). Het afwikkelingskader van de Unie moet ervoor zorgen dat er op een ordelijke manier met het falen van entiteiten wordt omgegaan door hun kritieke functies in stand te houden en gevaren voor de financiële stabiliteit af te wenden, en tegelijkertijd deposanten en overheidsmiddelen te beschermen. Daarnaast wordt met het afwikkelingskader van de Unie beoogd de ontwikkeling van de interne markt voor bankzaken te bevorderen door een geharmoniseerde regeling tot stand te brengen om grensoverschrijdende crises op gecoördineerde wijze aan te pakken en door problemen in verband met verstoringen van de mededinging en risico’s op ongelijke behandeling te vermijden.

(2)

Het afwikkelingskader van de Unie wordt al verscheidene jaren uitgevoerd, maar levert niet de beoogde resultaten op ten aanzien van enkele van die doelstellingen. In het bijzonder wordt het afwikkelingskader van de Unie maar zelden gebruikt, ondanks het feit dat entiteiten aanzienlijke vooruitgang hebben geboekt op weg naar afwikkelbaarheid en daar veel middelen aan hebben besteed, met name door middel van de opbouw van de verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit en de opvulling van afwikkelingsfinancieringsregelingen. In plaats daarvan wordt het falen van bepaalde kleinere en middelgrote entiteiten meestal aangepakt door middel van niet-geharmoniseerde nationale maatregelen. Hiervoor wordt nog steeds belastinggeld gebruikt in plaats van door de sector gefinancierde vangnetten zoals afwikkelingsfinancieringsregelingen. Die situatie lijkt het gevolg te zijn van ontoereikende prikkels. Die ontoereikende prikkels vloeien voort uit de wisselwerking tussen het afwikkelingskader van de Unie en nationale regels, waarbij de ruime beoordelingsvrijheid van de afwikkelingsautoriteiten bij het uitvoeren van de beoordeling van het openbaar belang niet altijd wordt gebruikt op een manier die de beoogde toepassing van het afwikkelingskader van de Unie weerspiegelt. Tegelijkertijd werd het afwikkelingskader van de Unie weinig gebruikt vanwege het risico voor deposanten van met deposito’s gefinancierde entiteiten op het dragen van verliezen om ervoor te zorgen dat die entiteiten bij afwikkeling toegang hebben tot externe financiering, met name bij gebrek aan andere bail-inbare passiva. Tot slot heeft het feit dat voor de toegang tot financiering buiten afwikkeling minder strenge regels gelden dan voor de toegang tot financiering bij afwikkeling ertoe geleid dat de toepassing van het afwikkelingskader van de Unie werd ontmoedigd ten gunste van andere oplossingen, waarbij vaak belastinggeld wordt gebruikt in plaats van de eigen middelen van entiteiten of door de sector gefinancierde vangnetten. Die situatie leidt vervolgens tot het risico op versnippering, het risico op suboptimale resultaten bij de aanpak van het falen van entiteiten, met name in het geval van kleinere en middelgrote entiteiten, en alternatieve kosten als gevolg van ongebruikte financiële middelen. Het is daarom noodzakelijk om een doeltreffendere en samenhangendere toepassing van het afwikkelingskader van de Unie te waarborgen en ervoor te zorgen dat het kan worden toegepast wanneer dit in het openbaar belang is, ook voor bepaalde kleinere en middelgrote entiteiten die hoofdzakelijk met deposito’s worden gefinancierd en die niet over voldoende andere bail-inbare passiva beschikken.

(3)

Op grond van Verordening (EU) nr. 806/2014 worden lidstaten die een nauwe samenwerking tussen de Europese Centrale Bank (ECB) en de respectieve nationale bevoegde autoriteiten tot stand hebben gebracht, voor de toepassing van die verordening beschouwd als deelnemende lidstaten. Die verordening bevat echter geen details over het proces ter voorbereiding van de start van de nauwe samenwerking bij afwikkelingsgerelateerde taken. Die details moeten derhalve worden vastgesteld.

(4)

De intensiteit en de mate van gedetailleerdheid van de werkzaamheden op het gebied van afwikkelingsplanning die nodig zijn met betrekking tot dochterondernemingen die niet als af te wikkelen entiteiten zijn aangemerkt, variëren afhankelijk van de omvang van de betrokken entiteiten, hun risicoprofiel, hun rol bij het uitvoeren van kritieke functies, hun kernbedrijfsonderdelen, hun belang voor de operationele continuïteit van de groep na afwikkeling en de strategie voor groepsafwikkeling, en van het belang van de dochteronderneming in de lidstaat waar zij is gevestigd, met inbegrip van haar potentiële systemische belang en haar potentiële impact op de beschikbare financiële middelen van het depositogarantiestelsel in geval van liquidatie volgens normale insolventieprocedures. De gemeenschappelijke afwikkelingsraad (de “afwikkelingsraad”) moet die factoren derhalve in aanmerking kunnen nemen bij het vaststellen van de maatregelen die ten aanzien van die dochterondernemingen moeten worden genomen en in voorkomend geval een passende aanpak volgen.

(5)

Een entiteit die op grond van het interne recht wordt geliquideerd naar aanleiding van een vaststelling dat de entiteit faalt of waarschijnlijk zal falen en een conclusie van de afwikkelingsraad dat de afwikkeling van die entiteit niet in het openbaar belang is, zal uiteindelijk de markt verlaten. In die gevallen is er geen plan voor de afwikkeling van die entiteit meer nodig, ongeacht of de bevoegde autoriteit de vergunning van die entiteit reeds heeft ingetrokken. Hetzelfde geldt voor een resterend deel van een instelling in afwikkeling na de overdracht van activa, rechten en passiva in het kader van een overdrachtsstrategie. Het is derhalve passend om te specificeren dat de goedkeuring van afwikkelingsplannen in die situaties niet vereist is.

(6)

De afwikkelingsraad kan momenteel besluiten bepaalde uitkeringen te verbieden wanneer een entiteit, ongeacht of zij al dan niet een af te wikkelen entiteit is, niet voldoet aan het gecombineerde buffervereiste wanneer dit wordt beschouwd als aanvulling op het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva (minimum requirement for own funds and eligible liabilities — MREL). Met het oog op de rechtszekerheid en de afstemming op de bestaande procedures voor de uitvoering van door de afwikkelingsraad genomen besluiten, moeten de rollen van de autoriteiten die betrokken zijn bij het proces voor het verbieden van dergelijke uitkeringen echter duidelijker worden gespecificeerd. Daarom is het passend te bepalen dat de afwikkelingsraad de nationale afwikkelingsautoriteit moet opdragen dergelijke uitkeringen te verbieden, en dat die autoriteit die opdracht van de afwikkelingsraad moet uitvoeren. Bovendien kan in bepaalde situaties van een entiteit worden vereist dat zij op een andere basis aan het MREL voldoet dan de basis waarop die entiteit aan het gecombineerde buffervereiste moet voldoen. Die situatie leidt tot onzekerheid wat betreft de voorwaarden voor de uitoefening van de bevoegdheden van de afwikkelingsraad om uitkeringen te verbieden en voor de berekening van het maximaal uitkeerbare bedrag voor het MREL. Er moet derhalve worden vastgelegd dat de afwikkelingsraad in die gevallen de nationale afwikkelingsautoriteiten moet opdragen bepaalde uitkeringen te verbieden op basis van het geraamde gecombineerde buffervereiste dat voortvloeit uit de methode die is vastgelegd in de op grond van artikel 45 quater, lid 4, van Richtlijn 2014/59/EU vastgestelde gedelegeerde handeling. Om transparantie en rechtszekerheid te waarborgen, moet de afwikkelingsraad de entiteit in kennis stellen van het geraamde gecombineerde buffervereiste en moet de entiteit dat vereiste vervolgens openbaar maken.

(7)

In Richtlijn 2014/59/EU en Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad (6) zijn door afwikkelingsautoriteiten uit te oefenen bevoegdheden vastgelegd, waarvan sommige niet in Verordening (EU) nr. 806/2014 zijn opgenomen. In het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme (GAM) kan dat leiden tot onzekerheid over de vraag wie die bevoegdheden moet uitoefenen en onder welke voorwaarden dat moet gebeuren. Het is derhalve noodzakelijk te specificeren hoe de nationale afwikkelingsautoriteiten bepaalde bevoegdheden moeten uitoefenen die alleen in Richtlijn 2014/59/EU zijn vastgelegd met betrekking tot entiteiten en groepen die onder de directe verantwoordelijkheid van de afwikkelingsraad vallen. De afwikkelingsraad moet daarom, wanneer hij dat nodig acht, de nationale afwikkelingsautoriteiten kunnen opdragen die bevoegdheden uit te oefenen. De afwikkelingsraad moet met name de nationale afwikkelingsautoriteiten kunnen opdragen een entiteit te verplichten om gedetailleerde gegevens bij te houden van de financiële contracten waarbij de entiteit partij is, de bevoegdheid uit te oefenen om sommige financiële verplichtingen op grond van artikel 33 bis van Richtlijn 2014/59/EU op te schorten en de vertrouwelijkheid van voorwetenschap op grond van artikel 84 ter van die richtlijn te waarborgen. Aangezien voor de toestemming voor het verminderen van in aanmerking komende passiva-instrumenten op grond van Verordening (EU) nr. 575/2013, die ook van toepassing is op entiteiten en op passiva die onder het MREL vallen, geen nationale regels moeten worden toegepast, moet de afwikkelingsraad die toestemming evenwel rechtstreeks aan entiteiten kunnen verlenen, zonder dat hij de nationale afwikkelingsautoriteiten hoeft op te dragen die bevoegdheid uit te oefenen.

(8)

Deposito’s die voldoen aan de voorwaarden om als in aanmerking komende passiva te worden aangemerkt, kunnen worden gebruikt om aan het MREL te voldoen. Gezien de specifieke aard van deposito’s en de rol die zij spelen in de reële economie en bij het behoud van het vertrouwen in het bankenstelsel, moeten echter strengere vereisten gelden voor de opname van deposito’s als onderdeel van de passiva die worden gebruikt om aan het MREL te voldoen, zodat de voor het MREL in aanmerking komende middelen in hun geheel kunnen worden gebruikt om de verliezen te dragen en bij te dragen tot de herkapitalisatie van een kredietinstelling in geval van falen. Ten eerste mag het niet mogelijk zijn dat deposito’s die voor het MREL worden gebruikt, worden aangehouden door natuurlijke personen of door kleine, middelgrote en micro-ondernemingen, zoals dat het geval is volgens de huidige regels. Ten tweede moet worden verduidelijkt dat deposito’s die de eigenaar ervan recht geven op vervroegde terugbetaling, niet in aanmerking kunnen komen voor het MREL, ook niet wanneer in de contractuele bepalingen staat dat voor een vervroegde terugbetaling een boete moet worden betaald. Ten derde moet in de desbetreffende contractuele bepalingen, om transparantie te waarborgen en het risico op ongepaste plaatsing van die deposito’s tot een minimum te beperken, uitdrukkelijk worden verwezen naar het voornemen van de kredietinstelling om die deposito’s te gebruiken om aan het MREL te voldoen, alsook naar het feit dat zij niet als in aanmerking komende deposito’s worden aangemerkt en dat het depositogarantiestelsel derhalve geen enkel deel van dat deposito terugbetaalt in geval van niet-beschikbaarheid. Ten vierde mag het gebruik van deposito’s in het kader van het MREL in de regel niet worden toegestaan tenzij de afwikkelingsraad vooraf toestemming heeft gegeven voor de opname ervan in de voor het MREL in aanmerking komende middelen op basis van een beoordeling dat die deposito’s in geval van afwikkeling niet tegen verliezen hoeven te worden beschermd en niet zouden leiden tot een wezenlijke belemmering voor de afwikkelbaarheid. De afwikkelingsraad moet elke af te wikkelen entiteit kunnen toestaan deposito’s te gebruiken om op algemene basis aan het MREL te voldoen, zonder een individuele beoordeling van elk deposito, en moet de opname van deposito’s om aan het MREL te voldoen, kunnen beperken tot vaste bedragen. Gestructureerde deposito’s kunnen, hoewel ze passiva met verankerde derivaten zijn, ook als in aanmerking komende passiva van een kredietinstelling worden aangemerkt, mits aan alle andere voorwaarden is voldaan.

(9)

Om klifeffecten te voorkomen, moet grandfathering worden toegepast op bestaande deposito’s die als in aanmerking komende passiva worden aangemerkt. Deposito’s die vóór 12 mei 2028 in ontvangst zijn genomen, hoeven niet te voldoen aan de nieuwe criteria om in aanmerking te komen. De grandfathering moet op 11 mei 2029 eindigen.

(10)

Bij de Verordeningen (EU) 2019/876 (7) en (EU) 2019/877 (8) van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn (EU) 2019/879 van het Europees Parlement en de Raad (9) is het internationale overzicht van minimumvoorwaarden van de totale verliesabsorptiecapaciteit (Total Loss-Absorbing Capacity — TLAC), dat op 9 november 2015 door de Raad voor financiële stabiliteit is gepubliceerd (de “TLAC-norm”), voor mondiaal systeemrelevante banken, in het Unierecht aangeduid als mondiaal systeemrelevante instellingen (MSI’s), in het Unierecht uitgevoerd. Bij Verordening (EU) 2019/877 en Richtlijn (EU) 2019/879 is ook het MREL zoals vastgesteld bij Richtlijn 2014/59/EU en Verordening (EU) nr. 806/2014 gewijzigd. De bepalingen betreffende het MREL in Verordening (EU) nr. 806/2014 moeten in overeenstemming worden gebracht met de uitvoering van de TLAC-norm voor MSI’s met betrekking tot bepaalde passiva die kunnen worden gebruikt om te voldoen aan het deel van het MREL dat moet worden voldaan met eigen vermogen en andere achtergestelde passiva. Met name passiva met dezelfde rang als bepaalde uitgesloten passiva moeten in de eigen middelen en achtergestelde in aanmerking komende instrumenten van af te wikkelen entiteiten worden opgenomen indien het bedrag van die uitgesloten passiva op de balans van de af te wikkelen entiteit niet hoger is dan 5 % van het bedrag van het eigen vermogen en in aanmerking komende passiva van de af te wikkelen entiteit en uit die opname geen risico’s voortvloeien die verband houden met het beginsel dat geen enkele crediteur slechter af mag zijn.

(11)

Voor bepaalde af te wikkelen entiteiten berust de in het afwikkelingsplan of het groepsafwikkelingsplan beschreven voorkeursafwikkelingsstrategie in de eerste plaats op de overdracht van de bedrijfsactiviteiten van de instelling in afwikkeling aan een particuliere verkrijger of aan een overbruggingsinstelling. In die gevallen kan het depositogarantiestelsel worden verzocht bij te dragen aan afwikkelingsmaatregelen om eventueel de bescherming van bepaalde deposito’s die niet door het depositogarantiestelsel worden gedekt, te waarborgen. Om het morele wangedrag tot een minimum te beperken, moet worden verduidelijkt dat indien het afwikkelingsplan voorziet in de toepassing van het instrument van verkoop van de onderneming of het instrument van de overbruggingsinstelling en het verlaten van de markt van de af te wikkelen entiteit, het MREL voor de betrokken af te wikkelen entiteit niet onder bepaalde drempels mag liggen. Indien de toepassing van de regels voor de kalibratie van het MREL resulteert in een bedrag boven die drempels, moet dat hogere bedrag prevaleren. Die drempels mogen niet van toepassing zijn op het MREL dat is vastgesteld voor een af te wikkelen entiteit waarvan de voorkeursafwikkelingsstrategie erin bestaat het instrument van bail-in toe te passen om de entiteit zodanig te herkapitaliseren dat zij de activiteiten waarvoor haar vergunning is verleend, kan blijven uitoefenen, zelfs indien de voorkeursafwikkelingsstrategie voorziet in de toepassing van het instrument van bail-in in combinatie met andere afwikkelingsinstrumenten die op aanvullende wijze worden gebruikt.

(12)

Verordening (EU) nr. 806/2014 bevat geen specifieke regels inzake overgangsregelingen en tussentijdse streefbedragen om na 2024 aan het MREL te voldoen. Er zijn echter situaties waarin entiteiten niet onmiddellijk moeten worden verplicht om te voldoen aan een hoger door de afwikkelingsraad vastgesteld MREL, waaronder gevallen waarin het MREL wordt verhoogd als gevolg van wezenlijke veranderingen in de entiteit, bijvoorbeeld door fusies of overnames, of door wijzigingen in de voorkeursafwikkelingsstrategie. Met name wanneer de voorkeursafwikkelingsstrategie overgaat van een liquidatie volgens een normale insolventieprocedure naar de toepassing van een afwikkelingsmaatregel, is het mogelijk dat de entiteit niet onmiddellijk volledig kan voldoen aan het door de afwikkelingsraad vastgestelde MREL. De afwikkelingsraad moet derhalve de bevoegdheid krijgen om passende overgangsperioden vast te stellen om aan het MREL te voldoen. Bovendien moet de afwikkelingsraad de bevoegdheid krijgen om bindende tussentijdse streefbedragen voor die entiteiten vast te stellen om ervoor te zorgen dat zij hun voor het MREL in aanmerking komende middelen op passende wijze opbouwen. Om het gewettigd vertrouwen te beschermen, mogen de nieuwe regels geen afbreuk doen aan de overgangsperioden die eerder door de afwikkelingsraad zijn vastgesteld op basis van de op de relevante datum toepasselijke regels.

(13)

Op grond van artikel 4 van Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad (10) is de ECB bevoegd toezichthoudende taken uit te voeren met betrekking tot vroegtijdige interventie. Het is noodzakelijk de risico’s te beperken die voortvloeien uit de uiteenlopende omzetting in nationaal recht van de in Richtlijn 2014/59/EU bepaalde vroegtijdige-interventiemaatregelen en de effectieve en consistente toepassing door de ECB van haar bevoegdheden om vroegtijdige-interventiemaatregelen te nemen, te vergemakkelijken. Die vroegtijdige-interventiemaatregelen zijn ingevoerd om de bevoegde autoriteiten in staat te stellen de verslechtering van de financiële en economische situatie van een entiteit te verhelpen en het risico en de gevolgen van een eventuele afwikkeling zo veel mogelijk te beperken. Vanwege een gebrek aan zekerheid met betrekking tot de voorwaarden voor de toepassing van die vroegtijdige-interventiemaatregelen en gedeeltelijke overlappingen met toezichtsmaatregelen, is er echter zelden gebruikgemaakt van vroegtijdige-interventiemaatregelen. De bepalingen van Richtlijn 2014/59/EU betreffende vroegtijdige-interventiemaatregelen moeten derhalve worden weerspiegeld in Verordening (EU) nr. 806/2014, waardoor één enkel en rechtstreeks toepasselijk rechtsinstrument voor de ECB wordt gewaarborgd, en de voorwaarden voor de toepassing van die vroegtijdige-interventiemaatregelen moeten worden vereenvoudigd en nader worden gespecificeerd. Om onzekerheden ten aanzien van de voorwaarden en het tijdschema voor het ontslag van het leidinggevend orgaan van een entiteit en de benoeming van tijdelijk bewindvoerders weg te nemen, moeten die maatregelen uitdrukkelijk worden aangemerkt als vroegtijdige-interventiemaatregelen en moeten dezelfde voorwaarden gelden voor de toepassing ervan. Onder specifieke omstandigheden kan een geleidelijke liquidatie van activiteiten een kosteneffectieve oplossing zijn die het voor een entiteit met een zwak bedrijfsmodel gemakkelijker maakt om de markt te verlaten, waardoor een langdurige achteruitgang die uiteindelijk leidt tot het falen van de entiteit wordt vermeden. De ECB moet de bevoegdheid hebben om vroegtijdig in te grijpen en te verzoeken om de indiening van een plan dat moet worden uitgevoerd in het geval van een vrijwillige liquidatie van de activiteiten van een entiteit, waarbij het besluit over de uitvoering van een dergelijk plan aan de betrokken entiteit wordt overgelaten. Bij de uitoefening van vroegtijdige-interventiebevoegdheden moet de ECB worden verplicht om passende maatregelen te kiezen voor het aanpakken van een specifieke situatie, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel. Om de ECB in staat te stellen rekening te houden met reputatierisico’s of risico’s in verband met het witwassen van geld of informatie- en communicatietechnologie, moet de ECB de voorwaarden voor de toepassing van vroegtijdige-interventiemaatregelen niet alleen beoordelen op basis van kwantitatieve indicatoren, waaronder kapitaal- of liquiditeitsvereisten, niveau van hefboomwerking, niet-renderende leningen of concentratie van blootstellingen, maar ook op basis van kwalitatieve voorwaarden. Het besluitvormingsproces met betrekking tot vroegtijdige-interventiemaatregelen moet het mogelijk maken die maatregelen snel te overwegen en, in voorkomend geval, toe te passen, teneinde een verdere verslechtering van de situatie van de entiteit te voorkomen.

(14)

De afwikkelingsraad moet zich kunnen voorbereiden op de mogelijke afwikkeling van een entiteit. De ECB of de betrokken nationale bevoegde autoriteit moet de afwikkelingsraad derhalve tijdig op de hoogte stellen van de verslechtering van de situatie van een entiteit, en de afwikkelingsraad moet over de nodige bevoegdheden beschikken voor de uitvoering van voorbereidende maatregelen. Belangrijk is dat, om de afwikkelingsraad in staat te stellen zo snel mogelijk te reageren op een verslechtering van de situatie van een entiteit, de voorafgaande toepassing van vroegtijdige-interventiemaatregelen voor de afwikkelingsraad geen voorwaarde mag zijn om regelingen te treffen voor de verkoop van de entiteit of om informatie op te vragen om het afwikkelingsplan te actualiseren en de waardering voor te bereiden. Bij de verkoop van een entiteit die aan een institutioneel protectiestelsel (IPS) deelneemt, moet de afwikkelingsraad maatregelen overwegen die het IPS vóór de afwikkeling kan nemen om het wezenlijke risico af te wenden dat de entiteit zal falen of waarschijnlijk zal falen. Om een consistente, gecoördineerde, effectieve en tijdige reactie op de verslechtering van de situatie van een entiteit te waarborgen en een goede voorbereiding op een eventuele afwikkeling te treffen, is het noodzakelijk de interactie en coördinatie tussen de ECB, de nationale bevoegde autoriteiten en de afwikkelingsraad te versterken. Zodra een entiteit voldoet aan de voorwaarden voor de toepassing van vroegtijdige-interventiemaatregelen, moeten de ECB, de nationale bevoegde autoriteiten en de afwikkelingsraad hun informatie-uitwisseling, met inbegrip van voorlopige informatie, opvoeren en gezamenlijk toezicht houden op de situatie van de entiteit.

(15)

Het is noodzakelijk te zorgen voor tijdige actie en vroegtijdige coördinatie tussen de afwikkelingsraad en de ECB, of de betrokken nationale bevoegde autoriteit, met betrekking tot minder belangrijke grensoverschrijdende groepen terwijl een entiteit nog steeds een “going concern” is, maar er een wezenlijk risico bestaat dat die entiteit faalt. De ECB of de betrokken nationale bevoegde autoriteit moet de afwikkelingsraad derhalve zo vroeg mogelijk van dat risico in kennis te stellen. Die kennisgeving moet de redenen voor de beoordeling van de ECB of de betrokken nationale bevoegde autoriteit bevatten, alsmede een niet-uitputtend overzicht van de alternatieve maatregelen van de particuliere sector, toezichtmaatregelen of vroegtijdige-interventiemaatregelen die beschikbaar zijn om het falen van de entiteit binnen een redelijk tijdsbestek te voorkomen. Die vroegtijdige kennisgeving heeft geen gevolgen voor alternatieve maatregelen van de particuliere sector, waaronder maatregelen van een IPS, die het falen of het waarschijnlijke falen van de entiteit binnen een redelijk tijdsbestek zouden voorkomen of afbreuk zouden doen aan de procedures om te bepalen of aan de voorwaarden voor afwikkeling is voldaan. De voorafgaande kennisgeving door de ECB of door de betrokken nationale bevoegde autoriteit aan de afwikkelingsraad van een wezenlijk risico dat een entiteit faalt of waarschijnlijk zal falen, of het verstrijken van het gespecificeerde tijdsbestek voor de uitvoering van de maatregelen om dat wezenlijk risico aan te pakken, mag geen voorwaarde zijn voor, of anderszins noodzakelijkerwijs impliceren dat later wordt vastgesteld dat een entiteit faalt of waarschijnlijk zal falen. Indien in een later stadium wordt geoordeeld dat de entiteit faalt of waarschijnlijk zal falen en er geen alternatieve oplossingen zijn om dat falen binnen een redelijk tijdsbestek te voorkomen, moet de afwikkelingsraad bovendien een besluit nemen over het nemen van afwikkelingsmaatregelen. In dat geval kan de tijdigheid van het besluit om afwikkelingsmaatregelen op de entiteit toe te passen van fundamenteel belang zijn voor de succesvolle uitvoering van de afwikkelingsstrategie, met name omdat een vroegere interventie in de entiteit kan bijdragen tot het garanderen van voldoende verliesabsorptiecapaciteit en liquiditeit om die strategie uit te voeren. Het is derhalve aangewezen dat de afwikkelingsraad in nauwe samenwerking met de ECB of de betrokken nationale bevoegde autoriteit kan beoordelen wat een redelijk tijdsbestek is om alternatieve maatregelen uit te voeren om het falen van de entiteit te voorkomen. Om een tijdig resultaat te verzekeren en de afwikkelingsraad in staat te stellen zich naar behoren voor te bereiden op de mogelijke afwikkeling van de entiteit, moeten de afwikkelingsraad en de ECB, of de betrokken nationale bevoegde autoriteit, regelmatig bijeenkomen, en moet de afwikkelingsraad een besluit nemen over de frequentie van die bijeenkomsten, rekening houdend met de omstandigheden van het geval.

(16)

Om materiële inbreuken op de prudentiële vereisten te dekken, moeten de voorwaarden om te bepalen of moederondernemingen, met inbegrip van holdings, falen of waarschijnlijk zullen falen, nader worden gespecificeerd. Een inbreuk op die vereisten door een moederonderneming moet materieel zijn wanneer de aard en de omvang van die inbreuk vergelijkbaar is met een inbreuk die, indien deze door een kredietinstelling was begaan, de intrekking van de vergunning door de bevoegde autoriteit overeenkomstig artikel 18 van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad (11) zou rechtvaardigen.

(17)

Het afwikkelingskader moet kunnen worden toegepast op elke entiteit, ongeacht haar omvang en bedrijfsmodel, indien de krachtens het nationale recht beschikbare instrumenten niet volstaan om het falen ervan te beheren. Sommige doelstellingen van het kader moeten echter nader worden gespecificeerd om de harmonisatie te vergroten en de convergentie te bevorderen. De afwikkelingsdoelstelling om de continuïteit van kritieke functies te waarborgen, is bedoeld om de financiële stabiliteit en de reële economie te beschermen. Daarom moet ervoor worden gezorgd dat de verrichting van kritieke functies niet wordt stopgezet. Met name moet worden verduidelijkt dat de afwikkelingsraad, afhankelijk van de specifieke omstandigheden, kan concluderen dat bepaalde functies van een entiteit als kritieke functies worden beschouwd, zelfs indien de stopzetting ervan alleen op regionaal niveau de financiële stabiliteit of diensten die essentieel zijn voor de reële economie, zou verstoren. Wat het in ontvangst nemen van deposito’s betreft, moet de afwikkelingsraad de nodige aandacht besteden aan het risico van verlies van vertrouwen van deposanten die deposito’s aanhouden die niet onder Richtlijn 2014/49/EU van het Europees Parlement en de Raad (12) vallen. Overheidsmiddelen moeten worden beschermd door het beroep op buitengewone openbare financiële steun tot een minimum te beperken, met name wanneer die uit de begroting van een lidstaat komt. Deposanten die onder Richtlijn 2014/49/EU vallen, beleggers die onder Richtlijn 97/9/EG van het Europees Parlement en de Raad (13) vallen, en gelden en activa van cliënten moeten eveneens worden beschermd.

(18)

Tijdens de fase van de afwikkelingsplanning, wanneer wordt beslist of een entiteit moet worden bestemd voor afwikkeling, moet het feit dat een entiteit onderworpen is aan vereenvoudigde verplichtingen, in het algemeen door de afwikkelingsraad worden gebruikt als een indicator dat de afwikkeling ervan in geval van falen niet in het algemeen belang zou zijn. Omgekeerd kan het feit dat een entiteit niet aan vereenvoudigde verplichtingen is onderworpen, erop wijzen dat de afwikkeling ervan in geval van falen in het algemeen belang zou zijn.

(19)

De liquidatie van een entiteit volgens een normale insolventieprocedure kan in sommige gevallen de financiële stabiliteit in gevaar brengen en de verrichting van kritieke functies onderbreken. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer insolventie waarschijnlijk zou leiden tot verliezen op een wezenlijk deel van de deposito’s of tot aanzienlijke moeilijkheden bij de continuïteit van de toegang tot deposito’s, en wanneer de afwikkelingsraad van oordeel is dat die verliezen of moeilijkheden aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor de verrichting van kritieke functies, de financiële stabiliteit via besmetting of de reële economie. In die gevallen is het zeer waarschijnlijk dat er een algemeen belang is om de entiteit in afwikkeling te plaatsen in plaats van haar volgens een normale insolventieprocedure te liquideren. Bij de beoordeling of de afwikkeling van een entiteit in het algemeen belang is, moet ook, voor zover mogelijk, rekening worden gehouden met het verschil tussen, enerzijds, financiering via door de sector gefinancierde vangnetten, namelijk de afwikkelingsfinancieringsregelingen of de depositogarantiestelsels en, anderzijds, financiering door de lidstaten met belastinggeld. Bij die financiering door de lidstaten is er een groter risico op moreel wangedrag en een geringere prikkel tot marktdiscipline. Bij de beoordeling van de doelstelling om de afhankelijkheid van buitengewone openbare financiële steun tot een minimum te beperken, moet de afwikkelingsraad derhalve de voorkeur geven aan financiering via het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds (het “Fonds”) of de depositogarantiestelsels boven financiering via een gelijk bedrag aan middelen uit de begroting van de lidstaten.

(20)

Bij de beoordeling van het algemeen belang moet de afwikkelingsraad beoordelen of een van de afwikkelingsdoelstellingen in gevaar zou komen indien de falende entiteit wordt geliquideerd volgens een normale insolventieprocedure. Afwikkelingsmaatregelen mogen niet worden geacht noodzakelijk te zijn in het algemeen belang wanneer geen van de afwikkelingsdoelstellingen in gevaar zou komen indien de entiteit wordt geliquideerd volgens een normale insolventieprocedure. Indien de afwikkelingsraad oordeelt dat ten minste één afwikkelingsdoelstelling in gevaar zou komen in het geval van liquidatie volgens een normale insolventieprocedure, mag de uitkomst van de beoordeling van het algemeen belang alleen negatief zijn wanneer de liquidatie van de falende entiteit volgens een normale insolventieprocedure de afwikkelingsdoelstellingen niet alleen in dezelfde mate als met afwikkeling, maar doeltreffender zou verwezenlijken.

(21)

In het licht van de ervaring die is opgedaan bij de uitvoering van Verordening (EU) nr. 806/2014 en de Richtlijnen 2014/49/EU en 2014/59/EU, moeten de voorwaarden waaronder preventieve maatregelen die als buitengewone openbare financiële steun kunnen worden aangemerkt, bij wijze van uitzondering kunnen worden verleend, nader worden gespecificeerd. Er moet worden gewaarborgd dat er tijdig preventieve maatregelen worden genomen. Bovendien kunnen maatregelen ter ondersteuning van problematische activa, zoals vehikels voor activabeheer of garantieregelingen voor activa, doeltreffend en efficiënt blijken om de oorzaken van mogelijke financiële moeilijkheden van entiteiten aan te pakken en hun falen te voorkomen, en kunnen zij derhalve relevante preventieve maatregelen vormen. Daarom moet worden gespecificeerd dat preventieve maatregelen de vorm kunnen aannemen van maatregelen voor problematische activa.

(22)

Om de marktdiscipline in stand te houden, de overheidsmiddelen te beschermen en verstoringen van de mededinging te voorkomen, moeten preventieve maatregelen een uitzondering blijven en alleen worden genomen om ernstige verstoringen op de markt aan te pakken en de financiële stabiliteit te handhaven, met name in het geval van een systeemcrisis. Bovendien mogen preventieve maatregelen niet worden gebruikt om geleden of te verwachten verliezen aan te pakken. Het meest betrouwbare instrument om geleden of te verwachten verliezen te kwantificeren, is een beoordeling van de kwaliteit van de activa door de ECB, door de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit — EBA), opgericht bij Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad (14), of door de nationale bevoegde autoriteiten. De ECB en de nationale bevoegde autoriteiten moeten die evaluatie of, in voorkomend geval, inspecties ter plaatse gebruiken om geleden of te verwachten verliezen te kwantificeren, indien die evaluatie of inspectie binnen een redelijk tijdsbestek kan worden uitgevoerd. Indien dat niet mogelijk is, moeten de ECB en de nationale bevoegde autoriteiten de geleden of te verwachten verliezen op de meest betrouwbare wijze kwantificeren onder de heersende omstandigheden, in voorkomend geval op basis van de balans van de entiteit, mits de balans voldoet aan de toepasselijke boekhoudregels en -normen, zoals bevestigd door een onafhankelijke externe auditor. De overweging dat een entiteit solvabel is, met het oog op steunmaatregelen in de vorm van preventieve herkapitalisatie en staatsgaranties voor nieuw uitgegeven verplichtingen, moet gebaseerd zijn op een toekomstgerichte beoordeling van de vraag of de entiteit kan voldoen aan de eigenvermogensvereisten die zijn vastgelegd in Verordening (EU) nr. 575/2013 of Verordening (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad (15), en aan het aanvullend-eigenvermogensvereiste van Richtlijn 2013/36/EU of Richtlijn (EU) 2019/2034 van het Europees Parlement en de Raad (16).

(23)

Het doel van preventieve herkapitalisatie is de ondersteuning van levensvatbare entiteiten waarvan is vastgesteld dat zij in de nabije toekomst te maken zullen hebben met tijdelijke moeilijkheden, om te voorkomen dat hun situatie verder verslechtert. Om te voorkomen dat overheidssubsidies worden verleend aan ondernemingen die reeds onrendabel zijn, mogen preventieve maatregelen in de vorm van de verwerving van eigenvermogensinstrumenten of andere kapitaalinstrumenten of via maatregelen voor problematische activa, niet worden toegekend voor een bedrag dat hoger is dan het bedrag dat nodig is om de kapitaaltekorten te dekken die in het ongunstige scenario van een stresstest of een gelijkwaardige exercitie zijn vastgesteld. Om ervoor te zorgen dat de overheidsfinanciering uiteindelijk wordt stopgezet, moeten die preventieve maatregelen ook in de tijd beperkt zijn en een duidelijk tijdschema bevatten voor de beëindiging ervan (“strategie om uit de steunmaatregel te stappen”). Eeuwigdurende instrumenten, waaronder tier 1-kernkapitaal, mogen alleen in uitzonderlijke omstandigheden worden gebruikt en moeten aan bepaalde kwantitatieve beperkingen worden onderworpen omdat zij door hun aard niet geschikt zijn om te voldoen aan de voorwaarde dat zij tijdelijk zijn. De ECB of de betrokken nationale bevoegde autoriteit moet entiteiten die niet voldoen aan de voorwaarden van de strategie om uit de steunmaatregel te stappen, verzoeken om een eenmalig plan van corrigerende maatregelen. Om ervoor te zorgen dat entiteiten die niet levensvatbaar blijken te zijn, de markt verlaten, moet een betrokken autoriteit bepalen of de entiteit faalt of waarschijnlijk zal falen indien de ECB of de betrokken nationale bevoegde autoriteit niet tevreden is met het plan van corrigerende maatregelen of indien de entiteit het plan van corrigerende maatregelen niet naleeft.

(24)

Preventieve maatregelen moeten beperkt blijven tot het bedrag dat de entiteit nodig heeft om haar solvabiliteit te handhaven in het geval van een ongunstig scenario van een stresstest of een gelijkwaardige exercitie. In het geval van preventieve maatregelen in de vorm van maatregelen voor problematische activa moet de ontvangende entiteit het toegekende bedrag kunnen gebruiken om verliezen op de overgedragen activa te dekken of in combinatie met een verwerving van kapitaalinstrumenten, mits het totale bedrag van het vastgestelde tekort niet wordt overschreden. Ook moet ervoor worden gezorgd dat preventieve maatregelen in de vorm van maatregelen voor problematische activa in overeenstemming zijn met de bestaande staatssteunregels en beste praktijken, dat zij de levensvatbaarheid van de entiteit op lange termijn herstellen, dat de staatssteun tot het noodzakelijke minimum beperkt blijft en dat concurrentieverstoringen worden vermeden. Om die redenen moeten de betrokken autoriteiten, in het geval van preventieve maatregelen in de vorm van maatregelen voor problematische activa, rekening houden met de specifieke richtsnoeren, met inbegrip van de blauwdruk van de Commissie voor de wijze waarop nationale vermogensbeheerders kunnen worden opgericht en de mededeling van de Commissie van 16 december 2020 over de aanpak van niet-renderende leningen in de nasleep van de COVID-19-pandemie. Voor preventieve maatregelen in de vorm van maatregelen voor problematische activa moet altijd de dwingende voorwaarde gelden dat zij tijdelijk zijn. Verwacht wordt dat overheidsgaranties die voor een bepaalde periode worden verleend met betrekking tot de problematische activa van de betrokken entiteit, een betere naleving van die voorwaarde garanderen dan overdrachten van die activa aan een door de overheid gesteunde entiteit.

(25)

Het is van belang dat de afwikkelingsraad snel en tijdig afwikkelingsmaatregelen neemt wanneer het gaat om de toekenning van staatssteun of steun uit het Fonds. Daarom moet de afwikkelingsraad de betrokken afwikkelingsregeling kunnen aannemen voordat de Commissie heeft beoordeeld of die steun verenigbaar is met de interne markt. Om de goede werking van de interne markt in een dergelijk scenario te garanderen, moeten afwikkelingsregelingen die de verlening van staatssteun of steun uit het Fonds inhouden, echter uiteindelijk onderworpen blijven aan de goedkeuring van de Commissie. Om de Commissie in staat te stellen zo spoedig mogelijk te beoordelen of de steun uit het Fonds verenigbaar is met de interne markt, en om een vlotte informatiestroom te waarborgen, moeten de afwikkelingsraad en de Commissie onverwijld alle nodige informatie over het mogelijke gebruik van de steun uit het Fonds uitwisselen. Er moeten specifieke regels worden vastgesteld over wanneer de afwikkelingsraad de informatie aan de Commissie moet verstrekken en welke informatie hij moet verstrekken, om de Commissie in staat te stellen de verenigbaarheid van de steun uit het Fonds te beoordelen.

(26)

De procedure voor de afwikkeling en de procedure voor een besluit tot toepassing van de bevoegdheden tot afschrijving en omzetting zijn vergelijkbaar. Het is derhalve passend om de respectieve taken van de afwikkelingsraad en van hetzij de ECB, hetzij de nationale bevoegde autoriteit, naargelang het geval, op elkaar af te stemmen wanneer zij, enerzijds, beoordelen of de voorwaarden voor de toepassing van de bevoegdheden tot afschrijving en omzetting aanwezig zijn en, anderzijds, wanneer zij de voorwaarden voor de aanneming van een afwikkelingsregeling beoordelen.

(27)

Het is mogelijk dat, waar afwikkelingsmaatregelen moeten worden toegepast op een af te wikkelen entiteit die deel uitmaakt van een af te wikkelen groep, bevoegdheden tot afschrijving en omzetting moeten worden toegepast op een andere entiteit van dezelfde groep. Onderlinge afhankelijkheden tussen dergelijke entiteiten, waaronder het bestaan van geconsolideerde kapitaalvereisten die moeten worden hersteld en de noodzaak om mechanismen voor verliesopname en kapitaalafname in werking te stellen, kunnen het moeilijk maken om de verliesabsorptie en de herkapitalisatiebehoeften van elke entiteit afzonderlijk te beoordelen, en dus om de noodzakelijke bedragen te bepalen die voor elke entiteit moeten worden afgeschreven en omgezet. Daarom moet een procedure worden gespecificeerd waarbij de afwikkelingsraad met dergelijke onderlinge afhankelijkheden rekening moet houden bij de toepassing van de bevoegdheid in die situaties tot afschrijving en omzetting van kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva. Wanneer een entiteit aan de voorwaarden voor de toepassing van de bevoegdheden tot afschrijving en omzetting voldoet en een andere entiteit binnen dezelfde groep tegelijkertijd aan de voorwaarden voor afwikkeling voldoet, moet de afwikkelingsraad daartoe een gemeenschappelijke afwikkelingsregeling vaststellen die op beide entiteiten betrekking heeft.

(28)

Om de rechtszekerheid te vergroten, en gezien de mogelijke relevantie van verplichtingen die voortvloeien uit toekomstige onzekere gebeurtenissen, waaronder de uitkomst van rechtszaken die op het moment van afwikkeling aanhangig zijn, is het nodig om de behandeling te bepalen die die verplichtingen voor de toepassing van het instrument van bail-in moeten krijgen. De afwikkelingsraad moet een onderscheid maken tussen verplichtingen, gebaseerd op bestaande, uit gebeurtenissen in het verleden voortvloeiende verplichtingen die zullen leiden tot een verlies waarvan het tijdstip of het bedrag onzeker is, en verplichtingen die in de toekomst zouden kunnen ontstaan maar niet tot een verlies zouden leiden of die in de toekomst alleen zouden kunnen ontstaan als zich een onzekere gebeurtenis voordoet.

(29)

Ook moet worden gespecificeerd dat verplichtingen waarvan het tijdstip of het bedrag onzeker is, indien die verplichtingen gebaseerd zijn op bestaande, uit gebeurtenissen in het verleden voortvloeiende verplichtingen die zullen leiden tot een verlies, op dezelfde wijze moeten worden behandeld als andere verplichtingen. Die verplichtingen moeten bail-inbaar zijn, tenzij zij voldoen aan een van de specifieke criteria om van het toepassingsgebied van het instrument van bail-in te worden uitgesloten. Gezien de potentiële relevantie van die verplichtingen bij afwikkeling en om zekerheid te bieden bij de toepassing van het instrument van bail-in, moet worden gespecificeerd dat zij deel uitmaken van de bail-inbare passiva en dat bijgevolg het instrument van bail-in erop van toepassing kan zijn. Om ervoor te zorgen dat het instrument van bail-in doeltreffend wordt toegepast op verplichtingen waarvan het tijdstip of het bedrag onzeker is, moet de afwikkelingsraad de bevoegdheid hebben om de met betrekking tot die verplichtingen verschuldigde hoofdsom te verlagen, zelfs tot nul, en die verplichtingen om te zetten in aandelen of andere eigendomsinstrumenten. De verlaging of omzetting kan echter alleen van kracht worden indien en zodra de verplichting waarvan het tijdstip of het bedrag onzeker is, definitief is vastgesteld wat betreft het tijdstip en het bedrag ervan.

(30)

Er moet worden gewaarborgd dat een verplichting die in de toekomst zou kunnen voortvloeien uit een onzekere gebeurtenis of een verplichting waarvan het tijdstip of het bedrag onzeker is en die gebaseerd is op een bestaande verplichting op het moment van afwikkeling, geen afbreuk doet aan de doeltreffendheid van de afwikkelingsstrategie en met name van het instrument van bail-in. Om dat doel te bereiken moet de taxateur, als onderdeel van de waardering ten behoeve van de afwikkeling, die verplichtingen beoordelen en de potentiële waarde ervan naar diens beste vermogen kwantificeren. Om ervoor te zorgen dat de entiteit na de afwikkelingsprocedure gedurende een passende periode voldoende marktvertrouwen kan behouden, moet de taxateur met die potentiële waarde rekening houden bij de vaststelling van het bedrag waarmee de bail-inbare passiva moeten worden afgeschreven of omgezet om de kapitaalratio’s van de instelling in afwikkeling te herstellen. De afwikkelingsraad moet met name zijn omzettingsbevoegdheden toepassen op bail-inbare passiva voor zover dat nodig is om ervoor te zorgen dat de herkapitalisatie van de instelling in afwikkeling voldoende is om potentiële verliezen te dekken die kunnen worden veroorzaakt door een verplichting die in de toekomst zou kunnen voortvloeien uit een onzekere gebeurtenis of die gebaseerd is op een bestaande verplichting, maar onzeker is wat betreft het tijdstip of het bedrag ervan. Bij de beoordeling van het af te schrijven of om te zetten bedrag moet de afwikkelingsraad het effect van het potentiële verlies op de instelling in afwikkeling zorgvuldig afwegen op basis van een aantal factoren, waaronder de waarschijnlijkheid dat de gebeurtenis zich voordoet, het tijdsbestek waarbinnen dat gebeurt en het bedrag van de verplichting.

(31)

In bepaalde omstandigheden kan de afwikkelingsraad, nadat het Fonds een bijdrage van ten hoogste 5 % van de totale passiva van de entiteit inclusief eigen vermogen heeft geleverd, gebruikmaken van aanvullende financieringsbronnen om zijn afwikkelingsmaatregel verder te ondersteunen. Er moet duidelijker worden aangegeven in welke omstandigheden het Fonds verdere steun kan verlenen wanneer alle bail-inbare passiva die geen in aanmerking komende deposito’s zijn, met een lagere prioriteitsrangorde dan die van niet-gedekte deposito’s van natuurlijke personen en kleine, middelgrote en micro-ondernemingen en die niet vrijwillig van bail-in zijn uitgesloten, volledig zijn afgeschreven of omgezet.

(32)

Het succes van de afwikkeling hangt af van de tijdige toegang van de afwikkelingsraad tot relevante informatie van de entiteiten die onder de verantwoordelijkheid van de afwikkelingsraad vallen en van overheidsinstellingen en -instanties. In die context moet de afwikkelingsraad toegang hebben tot informatie van statistische aard die de ECB in het kader van haar centralebankfunctie heeft verzameld, naast de informatie waarover de ECB als toezichthouder in het kader van Verordening (EU) nr. 1024/2013 beschikt. Op grond van Verordening (EG) nr. 2533/98 van de Raad (17) moet de afwikkelingsraad de fysieke en logische bescherming van vertrouwelijke statistische gegevens verzekeren en moet hij toestemming van de ECB vragen voor de verdere doorgifte die noodzakelijk kan zijn voor de uitvoering van de taken van de afwikkelingsraad. Aangezien de verstrekking van informatie met betrekking tot het geaggregeerde aantal klanten waarvoor een entiteit de enige of voornaamste bankpartner is, die wordt bijgehouden door de gecentraliseerde automatische mechanismen die zijn ingesteld op grond van Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad (18), nodig en evenredig kan zijn om de beoordeling van het algemeen belang uit te voeren, moet de afwikkelingsraad die informatie per geval kunnen ontvangen. Het precieze tijdstip van indirecte toegang tot informatie door de afwikkelingsraad moet ook worden gespecificeerd. Wanneer informatie die de afwikkelingsraad nodig heeft om zijn taken uit te voeren, beschikbaar is voor een overheidsinstelling of -instantie die verplicht is met de afwikkelingsraad samen te werken, moet die instelling of autoriteit die informatie bovendien op verzoek aan de afwikkelingsraad verstrekken. Indien de informatie echter op dat moment niet beschikbaar is, ongeacht de reden, moet de afwikkelingsraad die informatie kunnen verkrijgen van de natuurlijke of rechtspersoon die over die informatie beschikt via de nationale afwikkelingsautoriteiten of rechtstreeks, na de nationale afwikkelingsautoriteiten daarvan in kennis te hebben gesteld. De afwikkelingsraad moet ook de procedure en de vorm kunnen bepalen op basis waarvan hij informatie van entiteiten wil ontvangen om ervoor te zorgen dat hij de informatie krijgt die het best aan zijn behoeften voldoet, onder meer met betrekking tot virtuele dataruimten. Om bovendien een zo breed mogelijke samenwerking te waarborgen met alle overheidsinstellingen en -instanties die mogelijk over gegevens beschikken die relevant zijn voor de afwikkelingsraad en die nodig zijn voor de uitvoering van de aan de afwikkelingsraad opgedragen taken, en om dubbele verzoeken te vermijden, moeten de overheidsinstellingen en -instanties waarmee de afwikkelingsraad moet kunnen samenwerken, de beschikbaarheid van informatie controleren en informatie uitwisselen, de leden van het Europees Stelsel van centrale banken, de betrokken depositogarantiestelsels, het Europees Comité voor systeemrisico’s, de Europese toezichthoudende autoriteiten en het Europees stabiliteitsmechanisme omvatten. Ten slotte moet de afwikkelingsraad, om te zorgen voor een tijdige interventie van financiële regelingen die voor het Fonds zijn aangegaan in geval van nood, de Commissie en de ECB ervan in kennis stellen dat het volgens hem nodig kan zijn dergelijke financiële regelingen te activeren, en de Commissie en de ECB alle informatie verstrekken die nodig is voor de uitvoering van hun taken met betrekking tot die financiële regelingen.

(33)

In artikel 86, lid 1, van Richtlijn 2014/59/EU wordt bepaald dat een normale insolventieprocedure met betrekking tot onder die richtlijn vallende entiteiten slechts op initiatief van de afwikkelingsautoriteit mag worden ingeleid en dat een besluit tot plaatsing van een entiteit in een normale insolventieprocedure slechts met instemming van de afwikkelingsautoriteit mag worden genomen. Die bepaling is niet besloten in Verordening (EU) nr. 806/2014. In overeenstemming met de in Verordening (EU) nr. 806/2014 gespecificeerde taakverdeling moeten de nationale afwikkelingsautoriteiten de afwikkelingsraad raadplegen voordat zij overeenkomstig artikel 86, lid 1, van Richtlijn 2014/59/EU optreden met betrekking tot entiteiten die onder de rechtstreekse verantwoordelijkheid van de afwikkelingsraad vallen.

(34)

De selectiecriteria voor de functie van vicevoorzitter van de afwikkelingsraad zijn dezelfde als die voor de selectie van de voorzitter en de andere voltijdse leden van de afwikkelingsraad. Het is derhalve passend aan de vicevoorzitter van de afwikkelingsraad dezelfde stemrechten toe te kennen als aan de voorzitter en de voltijdse leden van de afwikkelingsraad.

(35)

Om de afwikkelingsraad in staat te stellen in zijn plenaire vergadering een voorlopige beoordeling van het begrotingsvoorontwerp te formuleren voordat de voorzitter het definitieve ontwerp indient, moet de termijn waarbinnen de voorzitter een eerste voorstel voor de jaarlijkse begroting van de afwikkelingsraad kan indienen, worden verlengd.

(36)

Om de samenwerking binnen het GAM tussen de afwikkelingsraad en de nationale afwikkelingsautoriteiten verder te versterken, moet de afwikkelingsraad in bestuursvergadering de afwikkelingsraad in plenaire vergadering raadplegen over richtsnoeren, algemene instructies en andere instrumenten van algemene strekking binnen het GAM waarin uiteen wordt gezet hoe de afwikkelingsraad voornemens is Verordening (EU) nr. 806/2014 uit te voeren.

(37)

De procedure voor het houden van raadplegingen over richtsnoeren, algemene instructies en andere instrumenten van algemene strekking binnen het GAM moet worden begrepen met inachtneming van de bestaande procedures voor het houden van raadplegingen overeenkomstig het in artikel 31, lid 1, van Verordening (EU) nr. 806/2014 bedoelde kader. Indien dat kader reeds voorziet in specifieke regelingen met betrekking tot richtsnoeren en algemene instructies, moeten die bestaande procedures in voorkomend geval van toepassing zijn naast de nieuwe raadplegingsprocedure.

(38)

Na de initiële opbouwperiode van het in Verordening (EU) nr. 806/2014 bedoelde Fonds kunnen de beschikbare financiële middelen licht dalen tot onder hun streefbedrag, met name als gevolg van een toename van de gedekte deposito’s. Het bedrag van de vooraf te betalen bijdragen dat in die omstandigheden waarschijnlijk zal worden opgevraagd, zal dus waarschijnlijk gering zijn. Het is dus mogelijk dat het bedrag van die vooraf te betalen bijdragen in sommige jaren niet meer in verhouding staat tot de kosten van de inning van die bijdragen. De afwikkelingsraad moet derhalve de inning van de vooraf te betalen bijdragen voor maximaal drie jaar kunnen uitstellen totdat het te innen bedrag een hoogte bereikt die in verhouding staat tot de kosten van de inningsprocedure, mits dat uitstel de mogelijkheid van de afwikkelingsraad om gebruik te maken van het Fonds, niet wezenlijk aantast.

(39)

Onherroepelijke betalingstoezeggingen zijn een van de componenten van de beschikbare financiële middelen van het Fonds. Daarom moeten de omstandigheden waarin die betalingstoezeggingen kunnen worden opgevraagd, worden gespecificeerd. Ingeval een entiteit niet langer onderworpen is aan de verplichting om bijdragen aan het Fonds te betalen na een besluit om afstand te doen van haar vergunning, moet de onherroepelijke betalingstoezegging worden geannuleerd. Om ervoor te zorgen dat de annulering van de onherroepelijke betalingstoezegging niet leidt tot een situatie waarin de beschikbare financiële middelen in het Fonds dalen tot onder een niveau dat de afwikkelingsraad passend acht, moet de afwikkelingsraad de bevoegdheid hebben om een bijdrage vast te stellen die de betrokken entiteit moet betalen. In zijn besluit moet de afwikkelingsraad terdege rekening houden met de noodzaak om een gelijk speelveld te handhaven voor alle deelnemende entiteiten, met inbegrip van de entiteit die niet langer binnen het toepassingsgebied van artikel 2 van Verordening (EU) nr. 806/2014 valt. De afwikkelingsraad moet zijn besluit uitvoerig motiveren en dat besluit, met inbegrip van zijn motivering, in zijn jaarverslag bekendmaken. Om meer transparantie en zekerheid te bieden met betrekking tot het aandeel van de onherroepelijke betalingstoezeggingen in het totale bedrag van de vooraf te betalen bijdragen, moet de afwikkelingsraad dit aandeel bovendien jaarlijks bepalen, met inachtneming van de toepasselijke limieten. De ECB, of de betrokken nationale bevoegde autoriteit, moet ernaar streven ervoor te zorgen dat de eventuele procyclische effecten van onherroepelijke betalingstoezeggingen, afhankelijk van de boekhoudkundige verwerking ervan, worden gelimiteerd.

(40)

Het maximale jaarlijkse bedrag aan buitengewone achteraf te betalen bijdragen aan het Fonds is momenteel beperkt tot driemaal het bedrag van de vooraf te betalen bijdragen. Na de initiële opbouwperiode waarin Verordening (EU) nr. 806/2014 voorziet, zullen die vooraf te betalen bijdragen, in andere omstandigheden dan het gebruik van het Fonds, alleen afhangen van variaties in het niveau van de gedekte deposito’s en daarom waarschijnlijk klein worden. Het maximumbedrag van de buitengewone achteraf te betalen bijdragen vaststellen op basis van vooraf te betalen bijdragen zou derhalve tot gevolg kunnen hebben dat de mogelijkheid voor het Fonds om achteraf te betalen bijdragen te heffen, drastisch wordt beperkt, waardoor de slagvaardigheid van het Fonds wordt verminderd. Om die uitkomst te voorkomen, moet er een andere limiet gelden en moet het maximumbedrag aan op te vragen buitengewone achteraf te betalen bijdragen worden vastgesteld op driemaal een achtste van het streefbedrag van het Fonds.

(41)

In geval van afwikkeling moet er ook een passende koppeling tussen beloning en prestaties worden gehanteerd, met name wanneer verliezen waarschijnlijk aan het Fonds zullen worden doorberekend. In die gevallen moeten alle variabele beloningen van de leden van het leidinggevend orgaan en het hoger management van de instelling in afwikkeling die nog niet zijn uitbetaald of verworven, worden geannuleerd. Tenzij een lid van het leidinggevend orgaan of het hoger management aantoont dat hij niet heeft deelgenomen aan of niet verantwoordelijk was voor het gedrag dat heeft geleid of heeft bijgedragen tot het falen van de instelling in afwikkeling, moet de variabele beloning die in de 24 maanden voorafgaand aan het besluit om de afwikkelingsmaatregel te nemen verworven of uitbetaald is, worden teruggegeven of terugbetaald.

(42)

Het Fonds kan worden gebruikt ter ondersteuning van de toepassing van het instrument van verkoop van de onderneming of van het instrument van de overbruggingsinstelling, waarbij een reeks activa, rechten en passiva van de instelling in afwikkeling aan een ontvanger worden overgedragen. In dat geval kan de afwikkelingsraad een vordering hebben op de resterende entiteit bij de latere liquidatie ervan volgens een normale insolventieprocedure. Dat kan gebeuren wanneer het Fonds wordt gebruikt in verband met verliezen die crediteuren anders zouden hebben gedragen, onder meer in de vorm van garanties voor activa en passiva of dekking van het verschil tussen de overgedragen activa en passiva. Om ervoor te zorgen dat de aandeelhouders en crediteuren die in de resterende entiteit achterblijven, de verliezen van de instelling in afwikkeling daadwerkelijk absorberen en de mogelijkheid van terugbetalingen aan de afwikkelingsraad in geval van insolventie te verbeteren, moeten de vorderingen van de afwikkelingsraad op de resterende entiteit en vorderingen die voortvloeien uit redelijke uitgaven die de afwikkelingsraad naar behoren heeft gemaakt, bij insolventie dezelfde positie in de rangorde krijgen als de positie in de rangorde van de vorderingen van de nationale afwikkelingsfinancieringsregelingen in elke deelnemende lidstaat, die hoger moet zijn dan de positie in de rangorde van deposito’s en depositogarantiestelsels. Aangezien de compensatie die aan aandeelhouders en crediteuren uit het Fonds wordt betaald wegens inbreuken op het beginsel dat geen enkele crediteur slechter af mag zijn, bedoeld is om hen te compenseren voor de gevolgen van de afwikkelingsmaatregel, mag die compensatie geen aanleiding geven tot vorderingen van de afwikkelingsraad.

(43)

Om voldoende flexibiliteit te waarborgen en interventies van depositogarantiestelsels ter ondersteuning van het gebruik van de afwikkelingsinstrumenten te vergemakkelijken, indien zij leiden tot het verlaten van de markt van de instelling in afwikkeling, moeten bepaalde aspecten van het gebruik van depositogarantiestelsels bij afwikkeling worden gespecificeerd. Het is met name noodzakelijk te specificeren dat middelen van het depositogarantiestelsel kunnen worden gebruikt om transfertransacties te ondersteunen waarin deposito’s zitten, met inbegrip van in aanmerking komende deposito’s boven het door het betrokken depositogarantiestelsel geboden dekkingsniveau, en ook de niet in aanmerking komende deposito’s die zijn opgenomen in de algemene deposantenbevoorrechting, in bepaalde gevallen onder duidelijke voorwaarden. De bijdrage van een depositogarantiestelsel moet gericht zijn op het dekken van het tekort in de waarde van de activa die worden overgedragen aan een koper of een overbruggingsinstelling in vergelijking met de waarde van de overgedragen deposito’s. Als een bijdrage door de koper vereist is als onderdeel van de transactie om de kapitaalneutraliteit ervan te waarborgen en naleving van de kapitaalvereisten van de koper te behouden, moet het depositogarantiestelsel ook in die zin bijdragen. De steun die door een depositogarantiestelsel wordt verstrekt aan de afwikkelingsmaatregel moet de vorm aannemen van cash of andere vormen, zoals garanties of verliesdelingsregelingen die het effect van de steun op de beschikbare financiële middelen van het depositogarantiestelsel kunnen beperken en tegelijkertijd de bijdrage van dat depositogarantiestelsel om zijn doelstellingen te behalen, mogelijk maken.

(44)

Aan de bijdrage van het depositogarantiestelsel bij afwikkeling moeten bepaalde limieten worden opgelegd. Ten eerste mag het totale bedrag van de bijdrage van het depositogarantiestelsel in een afwikkeling niet hoger zijn dan het bedrag van de gedekte deposito’s in de betrokken kredietinstelling. Ten tweede moet worden gewaarborgd dat elke interventie van het depositogarantiestelsel in een afwikkelingsmaatregel die in de eerste plaats op het instrument van bail-in berust met het oog op de herkapitalisatie van de instelling in afwikkeling en de voortzetting van haar activiteiten, niet groter is dan het verlies dat het depositogarantiestelsel zou lijden bij insolventie als het gedekte deposanten zou uitbetalen en zou subrogeren in hun vorderingen over de activa van de instelling. Ten derde mag, wanneer het depositogarantiestelsel wordt gebruikt ter ondersteuning van afwikkelingsmaatregelen die voornamelijk bestaan in de overdracht van de onderneming aan een verkrijger of aan een overbruggingsinstelling, het bedrag van de bijdrage van het depositogarantiestelsel niet hoger zijn dan 62,5 % van het streefbedrag, tenzij de uit hoofde van Richtlijn 2014/49/EU aangewezen autoriteit ervoor kiest die limiet niet toe te passen om nadelige gevolgen voor de financiële stabiliteit te voorkomen of de toegang van deposanten tot hun deposito’s te vrijwaren. Ten vierde mag het bedrag van de bijdrage van het depositogarantiestelsel niet groter zijn dan het verschil tussen de overgedragen activa en de overgedragen deposito’s en passiva met dezelfde of een hogere positie in de rangorde bij insolventie dan die deposito’s. Op die manier zou worden gewaarborgd dat de bijdrage van het depositogarantiestelsel alleen wordt gebruikt om te vermijden dat verliezen worden afgewenteld op deposanten, indien passend, en niet ter bescherming van crediteuren die lager gerangschikt zijn dan deposito’s bij insolventie. Indien van toepassing kan de bijdrage echter ook een bedrag omvatten dat noodzakelijk is om de kapitaalneutraliteit van de ontvangende entiteit te waarborgen.

(45)

Er moet worden gespecificeerd dat het depositogarantiestelsel alleen mag bijdragen tot een andere overdracht van passiva dan gedekte deposito’s in de context van een afwikkeling als de afwikkelingsraad per geval concludeert dat andere deposito’s die deel uitmaken van de algemene deposantenbevoorrechting dan gedekte deposito’s, niet kunnen worden onderworpen aan het instrument van bail-in, noch achter kunnen blijven in de resterende instelling in afwikkeling die zal worden geliquideerd, en als niet aan de voorwaarden voor het gebruik van het Fonds wordt voldaan via bijdragen van aandeelhouders en crediteuren. De afwikkelingsraad moet met name de kans krijgen verliezen te vermijden op die deposito’s waar de uitsluiting strikt noodzakelijk en evenredig is om de continuïteit van de kritieke functies en cruciale bedrijfsonderdelen te behouden of indien dat nodig is om wijdverspreide besmetting en financiële instabiliteit te vermijden, die zouden kunnen leiden tot een ernstige verstoring in de economie van de Unie of van een lidstaat. Dezelfde redenen moeten van toepassing zijn op de opname in de overdracht naar een koper of naar een overbruggingsinstelling van andere bail-inbare passiva met een lagere positie in de prioriteitsrangorde dan die van gedekte deposito’s. In dat geval mag de overdracht van die bail-inbare passiva niet worden ondersteund door de bijdrage van het depositogarantiestelsel. Indien externe financiële steun voor de overdracht van die bail-inbare passiva nodig is, moet die steun door het Fonds worden verleend.

(46)

Gezien de mogelijkheid om bij afwikkeling gebruik te maken van depositogarantiestelsels, moeten de voorwaarden waaronder de bijdrage van het depositogarantiestelsel kan meetellen om te voldoen aan de vereisten voor toegang tot het Fonds, nader worden gespecificeerd. Die mogelijkheid mag alleen beschikbaar zijn voor kredietinstellingen waarvan de totale waarde van de activa gelijk is aan of lager is dan 80 miljard EUR en in de context van een afwikkelingsmaatregel die hoofdzakelijk berust op de toepassing van het instrument van verkoop van de onderneming of het instrument van de overbruggingsinstelling. Om ervoor te zorgen dat de afwikkeling in hoofdzaak gefinancierd blijft worden door de interne middelen van de kredietinstellingen en om concurrentieverstoringen tot een minimum te beperken, mag het gebruik van de bijdrage van het depositogarantiestelsel om toegang tot het Fonds te waarborgen, alleen mogelijk zijn voor kredietinstellingen waarvoor, in de 24 maanden voordat de afwikkelingsmaatregel is genomen, het afwikkelingsplan of het groepsafwikkelingsplan niet voorziet in hun liquidatie op ordelijke wijze in geval van faling, aangezien het MREL dat door de afwikkelingsraad is bepaald voor die kredietinstellingen was vastgelegd op een niveau dat zowel de verliesabsorptie als de herkapitalisatiebedragen omvat. Het door de afwikkelingsraad vastgestelde MREL moet voldoen aan de minimumniveaus van het MREL voor entiteiten met voorkeursafwikkelingsstrategieën die hoofdzakelijk voorzien in het gebruik van overdrachtsinstrumenten bij afwikkeling, zelfs indien het respectieve afwikkelingsplan of groepsafwikkelingsplan in andere maatregelen had voorzien en het MREL van die kredietinstellingen derhalve niet aan die minimumniveaus hoefde te voldoen. Voorts moet de bijdrage van het depositogarantiestelsel zo veel mogelijk worden voorafgegaan door de bijdrage van eigen vermogen en in aanmerking komende passiva aan verliesabsorptie en herkapitalisatie. Tot slot mag er bij de instelling in afwikkeling binnen een bepaalde periode voorafgaand aan de afwikkelingsmaatregel geen sprake geweest zijn van niet-naleving van haar MREL of de bindende tussentijdse doelstellingen, behoudens kortdurende technische niet-nalevingen van het MREL.

(47)

Als de bijdrage van aandeelhouders en crediteuren van de instelling in afwikkeling via vermindering, afschrijving of omzetting van hun passiva of via de verliezen die zij naar verwachting zullen lijden bij de liquidatie van de resterende entiteit, samen met de bijdrage die wordt gedaan door het depositogarantiestelsel, ten minste 8 % van de totale passiva inclusief eigen vermogen van de instelling, bedraagt, moet de afwikkelingsraad het Fonds kunnen gebruiken om verdere financiering te verstrekken indien dat nodig is om een doeltreffende afwikkeling overeenkomstig de afwikkelingsdoelstellingen te waarborgen. In die gevallen moet de bijdrage van het depositogarantiestelsel beperkt zijn tot het bedrag dat noodzakelijk is om toegang tot het Fonds mogelijk te maken. Daarnaast mag de bijdrage van het depositogarantiestelsel voor een kredietinstelling met een totale waarde van haar activa op individuele basis tussen 30 miljard EUR en 80 miljard EUR niet meer bedragen dan 2,5 % van de totale passiva inclusief eigen vermogen van de kredietinstelling op individuele basis.

(48)

In buitengewone omstandigheden kan het voorkomen dat de bijdrage van het Fonds van 5 % van de totale passiva inclusief eigen vermogen, niet volstaat om de financieringsbehoeften van een bepaalde afwikkelingsmaatregel te dekken. In dergelijke gevallen, en wanneer die bijdrage mogelijk is gemaakt door de interventie van het depositogarantiestelsel, moet het depositogarantiestelsel onder bepaalde voorwaarden een aanvullende bijdrage leveren die gelijk is aan het bedrag van de verliezen die gedekte deposito’s zouden hebben geleden indien zij niet waren beschermd. De kosten van die aanvullende bijdrage mogen niet hoger zijn dan de verliezen die het depositogarantiestelsel zou hebben geleden in het hypothetische scenario van een liquidatie volgens een normale insolventieprocedure en de terugbetaling van gedekte deposito’s. Bovendien mag de som van de aanvankelijke bijdrage en de aanvullende bijdrage van het depositogarantiestelsel niet hoger zijn dan het bedrag van de gedekte deposito’s in de betrokken kredietinstelling. Samen met de aanvullende bijdrage van het depositogarantiestelsel moet de afwikkelingsraad verdere financiering uit alternatieve financieringsbronnen kunnen verkrijgen indien aan de voorwaarden voor die financiering is voldaan.

(49)

Gezien het gemutualiseerde karakter van het Fonds is het passend een specifieke procedure vast te stellen die moet worden gevolgd zodra het netto geaccumuleerde gebruik van het Fonds, indien mogelijk gemaakt door een eerdere bijdrage van het depositogarantiestelsel, bepaalde drempels bereikt. Een dergelijke procedure mag er niet toe leiden dat bij een volgende afwikkelingsmaatregel geen beroep meer kan worden gedaan op de middelen van het Fonds. Wanneer het netto gebruik van het Fonds in drie jaar een drempel bereikt die gelijk is aan 10 % van het streefbedrag, moet de plenaire vergadering richtsnoeren verstrekken voor toekomstig gebruik van het Fonds, gefaciliteerd door de bijdrage van het depositogarantiestelsel, totdat het Fonds weer is aangevuld. Indien het netto gebruik van het Fonds in drie jaar tijd 20 % van het streefbedrag bereikt, moet de afwikkelingsraad de Raad en de Commissie daarvan in kennis stellen. Op dat punt moet de Commissie de regels inzake de bijdragen van de depositogarantiestelsels bij afwikkeling waarin het verdere gebruik van het Fonds is toegestaan, evalueren, en beoordelen of de toepasselijke regelingen voor de inning van bijdragen om het Fonds in die gevallen weer aan te vullen, passend zijn. Bovendien moet de termijn om het streefbedrag op nieuw te bereiken, worden verlengd tot tien jaar.

(50)

Indien de middelen van het depositogarantiestelsel worden gebruikt bij de toepassing van het instrument van verkoop van de onderneming of het instrument van de overbruggingsinstelling, ofwel afzonderlijk ofwel in combinatie met bijdragen uit het fonds, moet de resterende entiteit na de overdracht van de activa, rechten en passiva op ordelijke wijze worden geliquideerd overeenkomstig het toepasselijke nationale recht, op grond van artikel 22, lid 5, van Verordening (EU) nr. 806/2014. Daarnaast moeten, wanneer de middelen van het depositogarantiestelsel worden gebruikt ter ondersteuning van het instrument van de overbruggingsinstelling, de activiteiten van de overbruggingsinstelling worden beëindigd overeenkomstig artikel 41, leden 3, 5 en 6, van Richtlijn 2014/59/EU.

(51)

Transparantie is essentieel om de marktintegriteit, de marktdiscipline en de bescherming van de beleggers te waarborgen. Om ervoor te zorgen dat de afwikkelingsraad inspanningen voor meer transparantie kan bevorderen en eraan kan deelnemen, moet hij informatie die voortvloeit uit zijn eigen analyses, beoordelingen en vaststellingen, met inbegrip van zijn afwikkelbaarheidsbeoordelingen, openbaar kunnen maken indien die openbaarmaking de bescherming van het algemeen belang op het gebied van financieel, monetair of economisch beleid niet ondermijnt en een hoger algemeen belang openbaarmaking gebiedt.

(52)

Met het oog op de samenhang moeten de bij deze verordening in Verordening (EU) nr. 806/2014 aangebrachte wijzigingen die vergelijkbaar zijn met de wijzigingen die door Richtlijn (EU) 2026/806 van het Europees Parlement en de Raad (19) in Richtlijn 2014/59/EU zijn aangebracht, worden toegepast vanaf dezelfde datum als de datum voor de omzetting van Richtlijn (EU) 2026/806, namelijk 11 mei 2028. Er is echter geen reden om de toepassing van de bij deze verordening in Verordening (EU) nr. 806/2014 ingevoerde wijzigingen die uitsluitend betrekking hebben op de werking van het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme uit te stellen. Die wijzigingen moeten derhalve van toepassing zijn met ingang van 11 juni 2026.

(53)

Daar de doelstelling van deze verordening, namelijk het verbeteren van de effectiviteit en efficiëntie van het herstel- en afwikkelingskader voor entiteiten, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt vanwege de risico’s die uiteenlopende nationale benaderingen voor de integriteit van de interne markt met zich mee kunnen brengen, maar door wijziging van reeds op Unieniveau vastgestelde regels, beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.

(54)

Verordening (EU) nr. 806/2014 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijziging van Verordening (EU) nr. 806/2014

Verordening (EU) nr. 806/2014 wordt als volgt gewijzigd:

1)

in artikel 3 wordt lid 1 als volgt gewijzigd:

a)

punt 21 wordt vervangen door:

“21.

“dochteronderneming”: een dochteronderneming zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 16, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en, voor de toepassing van artikel 8, artikel 10, lid 10, de artikelen 12 tot en met 12 duodecies en de artikelen 21 en 53 van deze verordening op af te wikkelen groepen als bedoeld in punt 24 ter, b), van dit lid, indien en voor zover passend, daaronder begrepen kredietinstellingen of financiële instellingen die blijvend aangesloten zijn bij een centraal orgaan, het centrale orgaan zelf, en hun respectieve dochterondernemingen, rekening houdend met de manier waarop die af te wikkelen groepen voldoen aan artikel 12 septies, lid 3, van deze verordening;”

;

b)

punt 24 bis wordt vervangen door:

“24 bis.

“af te wikkelen entiteit”: een in een deelnemende lidstaat gevestigde rechtspersoon die overeenkomstig artikel 8 van deze verordening door de afwikkelingsraad of de nationale afwikkelingsautoriteit is aangemerkt als een entiteit waarvoor het afwikkelingsplan in een afwikkelingsmaatregel voorziet;”

;

c)

in punt 24 ter wordt punt b) vervangen door:

“b)

kredietinstellingen of financiële instellingen die blijvend aangesloten zijn bij een centraal orgaan en het centrale orgaan zelf, indien ten minste een van die kredietinstellingen of financiële instellingen of het centrale orgaan een af te wikkelen entiteit is, en hun respectieve dochterondernemingen;”

;

d)

de volgende punten worden ingevoegd:

“24 quinquies.

“niet-EU-MSI”: een niet-EU-MSI als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 134, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

24 sexies.

“MSI-entiteit”: een MSI-entiteit als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 136, van Verordening (EU) nr. 575/2013;”

;

e)

punt 49 wordt vervangen door:

“49.

“bail-inbare passiva”: de passiva, waaronder verplichtingen waarvan het tijdstip of het bedrag onzeker is, en kapitaalinstrumenten die niet in aanmerking komen als tier 1-kernkapitaalinstrumenten, aanvullende tier 1-instrumenten of tier 2-instrumenten van een entiteit als bedoeld in artikel 2 en die niet van het toepassingsgebied van het instrument van bail-in zijn uitgesloten op grond van artikel 27, lid 3;”

;

f)

het volgende punt wordt ingevoegd:

“49 bis bis.

“verplichtingen waarvan het tijdstip of het bedrag onzeker is”: verplichtingen, gebaseerd op bestaande, uit gebeurtenissen in het verleden voortvloeiende verplichtingen die zullen leiden tot een verlies en waarvan het tijdstip of het bedrag onzeker is;”

;

g)

punt 49 ter wordt vervangen door:

“49 ter.

“achtergestelde in aanmerking komende instrumenten”: instrumenten die voldoen aan alle voorwaarden als bedoeld in artikel 72 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013, met uitzondering van die van artikel 72 ter, leden 3, 4 en 5, van die verordening, en, waar van toepassing, als bedoeld in artikel 12 quater, lid 1 bis, van deze verordening;”

;

h)

het volgende punt wordt ingevoegd:

“50 bis.

“aangewezen autoriteit”: een aangewezen autoriteit als gedefinieerd in artikel 2, lid 1, punt 18, van Richtlijn 2014/49/EU;”

;

2)

in artikel 4 wordt het volgende lid ingevoegd:

“1 bis.   Lidstaten die verzoeken om nauwe samenwerking met de ECB op grond van artikel 7 van Verordening (EU) nr. 1024/2013, brengen de afwikkelingsraad daar zo spoedig mogelijk van op de hoogte.

Na de kennisgeving op grond van artikel 7 van Verordening (EU) nr. 1024/2013 en voordat een nauwe samenwerking tot stand komt, verstrekken de lidstaten alle informatie over de op hun grondgebied gevestigde entiteiten en groepen die de afwikkelingsraad nodig kan hebben om de hem bij deze verordening en de Overeenkomst opgedragen taken voor te bereiden.”

;

3)

in artikel 5 wordt het volgende lid ingevoegd:

“1 bis.   Alle verwijzingen naar overeenkomstig artikel 3 van Richtlijn 2014/59/EU aangewezen autoriteiten in artikel 7, lid 6, punt e), artikel 10, lid 3, artikel 63, lid 3, punt j), artikel 65, lid 2, punt k), en artikel 70, lid 4, van Richtlijn (EU) 2025/1 van het Europees Parlement en de Raad (*1) worden gelezen als verwijzingen naar de afwikkelingsraad met betrekking tot de in artikel 7, lid 2, van deze verordening bedoelde entiteiten en groepen en met betrekking tot de in artikel 7, lid 4, punt b), en artikel 7, lid 5, van deze verordening bedoelde entiteiten en groepen indien aan de voorwaarden voor de toepassing van die bepalingen is voldaan.

(*1)  Richtlijn (EU) 2025/1 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2024 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2007/36/EG, 2014/59/EU en (EU) 2017/1132 en de Verordeningen (EU) nr. 1094/2010, (EU) nr. 648/2012, (EU) nr. 806/2014 en (EU) 2017/1129 (PB L, 2025/1, 8.1.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2025/1/oj).”;"

4)

artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 3 wordt de vierde alinea vervangen door:

“De nationale afwikkelingsautoriteiten passen bij het verrichten van de in dit lid bedoelde taken de desbetreffende bepalingen van deze verordening toe. Alle verwijzingen naar de afwikkelingsraad in artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 5, artikel 8, leden 6, 8, 10, derde alinea, 11 bis, 12 en 13, artikel 10, leden 1 tot en met 10, artikel 10 bis, de artikelen 11 tot en met 14, artikel 15, leden 1, 2 en 3, artikel 16, artikel 18, leden 1, 1 bis, 2, 5 en 6, artikel 20, artikel 21, leden 1 tot en met 7, artikel 21, lid 8, tweede alinea, artikel 21, leden 9 en 10, artikel 22, leden 1, 3, 5 en 6, de artikelen 23 en 24, artikel 25, lid 3, artikel 27, leden 1 tot en met 15, artikel 27, lid 16, tweede alinea, tweede zin, derde alinea, en vierde alinea, eerste, derde en vierde zin, artikel 30, leden 2 ter en 2 quater, artikel 30 bis, leden 1 en 2, artikel 32 en artikel 79, leden 1, 2, 7 en 8 worden met betrekking tot de in de eerste alinea van dit lid bedoelde groepen en entiteiten gelezen als verwijzingen naar de nationale afwikkelingsautoriteiten. Daartoe oefenen de nationale afwikkelingsautoriteiten de krachtens de bepalingen van nationaal recht tot omzetting van Richtlijn 2014/59/EU aan hen verleende bevoegdheden uit volgens de in het nationaal recht neergelegde voorwaarden.”

;

b)

lid 5 wordt vervangen door:

“5.   Niettegenstaande lid 3 van dit artikel kunnen de deelnemende lidstaten besluiten dat de afwikkelingsraad alle bij deze verordening aan hem verleende bevoegdheden en verantwoordelijkheden uitoefent met betrekking tot andere op hun grondgebied gevestigde entiteiten en groepen dan die bedoeld in lid 2 van dit artikel. In dat geval zijn de leden 3 en 4 van dit artikel, artikel 9, artikel 12, lid 3, en artikel 31, lid 1, niet van toepassing. lidstaten die voornemens zijn van die mogelijkheid gebruik te maken, stellen de afwikkelingsraad en de Commissie daarvan in kennis. De kennisgeving wordt van kracht op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Nadat de in de eerste alinea van dit lid bedoelde kennisgeving van kracht is geworden, kunnen de deelnemende lidstaten besluiten dat de verantwoordelijkheid voor het uitvoeren van de taken met betrekking tot andere op hun grondgebied gevestigde entiteiten en groepen dan die bedoeld in lid 2, wordt teruggegeven aan de nationale afwikkelingsautoriteiten, in welk geval de eerste alinea van dit lid niet langer van toepassing is. Lidstaten die voornemens zijn van die mogelijkheid gebruik te maken, stellen de afwikkelingsraad en de Commissie daarvan in kennis. De kennisgeving wordt van kracht op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.”

;

5)

artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

a)

aan lid 2 wordt de volgende alinea toegevoegd:

“De afwikkelingsraad kan de nationale afwikkelingsautoriteiten opdragen de in artikel 10, lid 8, van Richtlijn 2014/59/EU bedoelde bevoegdheden uit te oefenen. De nationale afwikkelingsautoriteiten voeren de instructies van de afwikkelingsraad uit in overeenstemming met artikel 29 van deze verordening.”

;

b)

lid 10 wordt als volgt gewijzigd:

i)

de tweede alinea wordt vervangen door:

“In overeenstemming met de in de eerste alinea genoemde maatregelen vermeldt het afwikkelingsplan voor elke groep de af te wikkelen entiteiten en de af te wikkelen groepen en, in voorkomend geval, de liquidatie-entiteiten.”

;

ii)

de volgende alinea wordt toegevoegd:

“Bij het bepalen van de maatregelen die moeten worden genomen ten aanzien van de in de eerste alinea, punt b), bedoelde dochterondernemingen die geen af te wikkelen entiteiten zijn, kan de afwikkelingsraad een evenredige aanpak volgen indien een dergelijke aanpak de afwikkelbaarheid van de groep niet negatief beïnvloedt, rekening houdend met de omvang van de dochteronderneming, haar risicoprofiel, haar rol ten behoeve van kritieke functies en kernbedrijfsonderdelen, haar belang voor de operationele continuïteit van de groep na de afwikkeling, en de afwikkelingsstrategie van de groep. De afwikkelingsraad houdt terdege rekening met het belang van de dochteronderneming in de lidstaat waar zij is gevestigd, met inbegrip van haar potentieel systemische belang, en met de mogelijke impact ervan op de beschikbare financiële middelen van het depositogarantiestelsel in geval van liquidatie volgens een normale insolventieprocedure.”

;

c)

het volgende lid wordt ingevoegd:

“11 bis.   Indien op grond van artikel 32 ter van Richtlijn 2014/59/EU een procedure is ingeleid om een entiteit te liquideren overeenkomstig het toepasselijke nationale recht, of indien artikel 22, lid 5, van deze verordening van toepassing is, stelt de afwikkelingsraad geen afwikkelingsplan voor die entiteit vast of neemt hij die entiteit niet langer op in het groepsafwikkelingsplan.”

;

6)

artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 4 wordt de vierde alinea vervangen door:

“De in de derde alinea bedoelde beoordeling wordt uitgevoerd in aanvulling op de beoordeling van de afwikkelbaarheid van de hele groep.”

;

b)

lid 7 wordt vervangen door:

“7.   Indien de afwikkelingsraad, na raadpleging van de bevoegde autoriteiten, met inbegrip van de ECB, op grond van een overeenkomstig lid 3 of lid 4 uitgevoerde beoordeling van de afwikkelbaarheid van een entiteit of een groep vaststelt dat er wezenlijke belemmeringen voor de afwikkelbaarheid van de entiteit of de groep bestaan, stelt de afwikkelingsraad, in samenwerking met de bevoegde autoriteiten, een verslag op dat tot de entiteit of de moederonderneming is gericht en waarin de wezenlijke belemmeringen voor de doeltreffende toepassing van de afwikkelingsinstrumenten en de uitoefening van de afwikkelingsbevoegdheden worden geanalyseerd. In dat verslag wordt het effect op het bedrijfsmodel van de entiteit of de groep onderzocht en worden evenredige en gerichte maatregelen aanbevolen die volgens de afwikkelingsraad nodig of passend zijn om die belemmeringen overeenkomstig lid 10 weg te nemen.”

;

c)

het volgende lid wordt ingevoegd:

“9 bis.   Indien de afwikkelingsraad vaststelt dat de door de betrokken entiteit of moederonderneming voorgestelde maatregelen de wezenlijke belemmeringen voor de afwikkelbaarheid daadwerkelijk verminderen of wegnemen, neemt de afwikkelingsraad, na raadpleging van de ECB of de betrokken nationale bevoegde autoriteit en, in voorkomend geval, de aangewezen macroprudentiële autoriteit, een besluit. In dat besluit wordt aangegeven dat de afwikkelingsraad de voorgestelde maatregelen heeft beoordeeld als adequaat om de wezenlijke belemmeringen voor de afwikkelbaarheid daadwerkelijk te verminderen of weg te nemen en wordt de nationale afwikkelingsautoriteiten opgedragen om de entiteit, de moederonderneming of een dochteronderneming van de betrokken groep te verplichten de voorgestelde maatregelen uit te voeren.”

;

d)

lid 10 wordt vervangen door:

“10.   Indien de afwikkelingsraad vaststelt dat de door de betrokken entiteit of moederonderneming voorgestelde maatregelen de wezenlijke belemmeringen voor de afwikkelbaarheid niet daadwerkelijk verminderen of wegnemen, neemt de afwikkelingsraad, na raadpleging van de bevoegde autoriteiten en, in voorkomend geval, van de aangewezen macroprudentiële autoriteit, een besluit. In dat besluit wordt aangegeven dat de afwikkelingsraad van oordeel is dat de voorgestelde maatregelen de wezenlijke belemmeringen voor de afwikkelbaarheid niet effectief verminderen of wegnemen, en wordt de nationale afwikkelingsautoriteiten opgedragen om de instelling, de moederonderneming of een dochteronderneming van de betrokken groep te verplichten een van de in lid 11 vermelde maatregelen te nemen.

Bij het voorstellen van alternatieve maatregelen toont de afwikkelingsraad aan waarom de door de betrokken entiteit of moederonderneming voorgestelde maatregelen de wezenlijke belemmeringen voor de afwikkelbaarheid niet zouden kunnen wegnemen en waarom de voorgestelde alternatieve maatregelen voor het wegnemen van de belemmeringen evenredig zijn. De afwikkelingsraad houdt rekening met de bedreiging van de financiële stabiliteit welke van die belemmeringen voor de afwikkelbaarheid uitgaat, en met de gevolgen van de maatregelen voor de bedrijfsactiviteiten van de betrokken entiteit of moederonderneming, haar stabiliteit en haar vermogen om een bijdrage te leveren aan de economie, de interne markt voor financiële diensten en de financiële stabiliteit in andere lidstaten en in de Unie als geheel.

De afwikkelingsraad houdt tevens rekening met de noodzaak om elk effect op de betrokken entiteit of groep te vermijden dat verder gaat dan nodig is om de belemmering voor de afwikkelbaarheid weg te nemen of dat onevenredig zou zijn.”

;

7)

artikel 10 bis wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 1 wordt de aanhef vervangen door:

“Indien een entiteit zich in een situatie bevindt waarin zij voldoet aan het gecombineerde buffervereiste, wanneer dit vereiste in beschouwing wordt genomen naast elk van de in artikel 141 bis, lid 1, punten a), b) en c), van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde vereisten, maar niet voldoet aan het gecombineerde buffervereiste wanneer het in beschouwing wordt genomen naast de in de artikelen 12 quinquies en 12 sexies van deze verordening bedoelde vereisten, als berekend overeenkomstig artikel 12 bis, lid 2, punt a), van deze verordening, heeft de afwikkelingsraad de bevoegdheid, overeenkomstig de leden 2 en 3 van dit artikel, de nationale afwikkelingsautoriteit op te dragen een entiteit te verbieden uitkeringen voor een bedrag dat hoger is dan het maximaal uitkeerbare bedrag voor het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva (“M-MDA”), berekend overeenkomstig lid 4 van dit artikel, te verrichten door het stellen van een van de volgende handelingen:”

;

b)

het volgende lid wordt toegevoegd:

“7.   Indien een af te wikkelen entiteit of een entiteit die zelf geen af te wikkelen entiteit is, niet op dezelfde basis aan het gecombineerde buffervereiste is onderworpen als de basis waarop zij aan de in de artikelen 12 quinquies en 12 sexies van deze verordening bedoelde vereisten moet voldoen, past de afwikkelingsraad de leden 1 tot en met 6 van dit artikel toe op basis van het geraamde gecombineerde buffervereiste dat voortvloeit uit de methode die is vastgelegd in de op grond van artikel 45 quater, lid 4, van Richtlijn 2014/59/EU vastgestelde gedelegeerde handeling. Artikel 128, vierde alinea, van Richtlijn 2013/36/EU is van toepassing.

De afwikkelingsraad neemt het in de eerste alinea van dit lid bedoelde geraamde gecombineerde buffervereiste mee in het besluit tot vaststelling van de in de artikelen 12 quinquies en 12 sexies van deze verordening bedoelde vereisten. De entiteit maakt het geraamde gecombineerde buffervereiste samen met de in artikel 45 decies, lid 3, van Richtlijn 2014/59/EU bedoelde informatie openbaar.”

;

8)

aan artikel 12 wordt het volgende lid toegevoegd:

“8.   De afwikkelingsraad is verantwoordelijk voor het verlenen van de in artikel 77, lid 2, en artikel 78 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde toestemmingen aan de in lid 1 van dit artikel bedoelde entiteiten. De afwikkelingsraad richt een besluit tot de betrokken entiteit.”

;

9)

in artikel 12 bis wordt lid 1 vervangen door:

“1.   De afwikkelingsraad en de nationale afwikkelingsautoriteiten zorgen ervoor dat de in artikel 12, leden 1 en 3, bedoelde entiteiten te allen tijde voldoen aan de vereisten voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva indien vereist en zoals bepaald door de afwikkelingsraad overeenkomstig dit artikel en de artikelen 12 ter tot en met 12 decies.”

;

10)

artikel 12 quater wordt als volgt gewijzigd:

a)

de volgende leden worden ingevoegd:

“1 bis.   Af te wikkelen entiteiten nemen deposito’s alleen op in het bedrag aan eigen vermogen en in aanmerking komende passiva indien de afwikkelingsraad daartoe overeenkomstig lid 1 ter toestemming heeft gegeven en indien die deposito’s aan alle volgende voorwaarden voldoen:

a)

de deposito’s voldoen aan alle voorwaarden van lid 1, eerste alinea;

b)

de deposito’s worden niet aangehouden door natuurlijke personen of kleine, middelgrote en micro-ondernemingen;

c)

de deposito’s zijn termijndeposito’s met een oorspronkelijke looptijd van ten minste één jaar en geven de eigenaar geen recht op vervroegde terugbetaling, zelfs indien voor een vervroegde terugbetaling een boete moet worden betaald;

d)

in de desbetreffende contractuele documentatie wordt uitdrukkelijk verwezen naar:

i)

het voornemen van de af te wikkelen entiteit om de deposito’s op te nemen in het bedrag aan eigen vermogen en in aanmerking komende passiva;

ii)

het feit dat de deposito’s op grond van artikel 5, lid 1, punt l), van Richtlijn 2014/49/EU zijn uitgesloten van terugbetaling door een depositogarantiestelsel.

1 ter.   De afwikkelingsraad kan de af te wikkelen entiteit toestaan deposito’s geheel of gedeeltelijk op te nemen in het bedrag aan eigen vermogen en in aanmerking komende passiva indien hij ervan overtuigd is dat aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de afwikkelingsraad verwacht dat die deposito’s niet geheel of gedeeltelijk van een bail-in zouden worden uitgesloten op grond van artikel 27, lid 5, of niet volledig aan een ontvanger zouden worden overgedragen bij een gedeeltelijke overdracht;

b)

de afwikkelingsraad heeft geconcludeerd dat de opname niet of waarschijnlijk niet leidt tot een wezenlijke belemmering voor de afwikkelbaarheid, met name vanwege de gevolgen voor de haalbaarheid van een dusdanig gebruik van afwikkelingsinstrumenten dat de afwikkelingsdoelstellingen worden verwezenlijkt.

De afwikkelingsraad trekt de toestemming in indien hij concludeert dat niet langer aan een van de in de eerste alinea vermelde voorwaarden wordt voldaan. In dat geval neemt de af te wikkelen entiteit niet langer deposito’s op in het bedrag aan eigen vermogen en in aanmerking komende passiva.”

;

b)

in de leden 4 en 5 wordt de term “MSI’s” vervangen door de term “MSI-entiteiten”;

c)

in lid 7 wordt de aanhef vervangen door:

“In afwijking van lid 4 van dit artikel kan de afwikkelingsraad besluiten dat af te wikkelen entiteiten die MSI-entiteiten zijn of onder artikel 12 quinquies, lid 4 of lid 5, van deze verordening vallen, aan het in artikel 12 septies van deze verordening bedoelde vereiste moeten voldoen met gebruik van eigen vermogen, achtergestelde in aanmerking komende instrumenten of passiva als bedoeld in lid 3 van dit artikel, voor zover de som van dat eigen vermogen en die instrumenten en passiva uit hoofde van de verplichting van de af te wikkelen entiteit om te voldoen aan het gecombineerde buffervereiste en de vereisten van artikel 92 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013, artikel 12 quinquies, lid 4, en artikel 12 septies van deze verordening, niet hoger is dan:”

;

d)

lid 8 wordt als volgt gewijzigd:

i)

in de eerste alinea wordt de term “MSI’s” vervangen door de term “MSI-entiteiten”;

ii)

in de tweede alinea, punt c), wordt de term “MSI” vervangen door de term “MSI-entiteit”;

e)

het volgende lid wordt toegevoegd:

“10.   De afwikkelingsraad kan de af te wikkelen entiteit toestaan aan de in de leden 4, 5 en 7 bedoelde vereisten te voldoen met gebruikmaking van eigen vermogen of passiva als bedoeld in de leden 1 en 3 indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a)

voor entiteiten die MSI-entiteiten zijn of af te wikkelen entiteiten waarop artikel 12 quinquies, lid 4 of 5, van toepassing is, heeft de afwikkelingsraad het in lid 4 van dit artikel bedoelde vereiste niet op grond van de eerste alinea van dat lid verlaagd;

b)

de in lid 1 van dit artikel bedoelde passiva die niet voldoen aan de in artikel 72 ter, lid 2, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde voorwaarde, voldoen aan de voorwaarden van artikel 72 ter, lid 4, punten b) tot en met e), van die verordening.”

;

11)

artikel 12 quinquies wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 2 bis, tweede alinea, wordt punt b) vervangen door:

“b)

passiva die voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen die zijn bedoeld in artikel 72 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013, met uitzondering van die van artikel 72 ter, lid 2, punten b) en d), van die verordening, en — indien van toepassing — in artikel 12 quater, lid 1 bis, van deze verordening;”

;

b)

in lid 3, achtste alinea, worden de woorden “kritieke economische functies” vervangen door de term “kritieke functies”;

c)

het volgende lid wordt ingevoegd:

“5 bis.   Voor af te wikkelen entiteiten waarvan de voorkeursafwikkelingsstrategie hoofdzakelijk voorziet in de toepassing van het instrument van verkoop van de onderneming of het instrument van de overbruggingsinstelling en het verlaten van de markt, is het niveau van het in lid 3 van dit artikel bedoelde vereiste ten minste gelijk aan:

a)

16 % indien berekend overeenkomstig artikel 12 bis, lid 2, punt a), en

b)

4,75 % indien berekend overeenkomstig artikel 12 bis, lid 2, punt b).

De eerste alinea van dit lid is niet van toepassing op af te wikkelen entiteiten waarvan de voorkeursafwikkelingsstrategie voor de toepassing van artikel 27, lid 1, punt a), voorziet in de toepassing van het instrument van bail-in, hetzij afzonderlijk hetzij in combinatie met andere afwikkelingsinstrumenten.”

;

d)

in lid 6, achtste alinea, worden de woorden “kritieke economische functies” vervangen door de term “kritieke functies”;

12)

in artikel 12 sexies, lid 1, wordt de aanhef vervangen door:

“Het in artikel 12 bis, lid 1, bedoelde vereiste voor een af te wikkelen entiteit die een MSI-entiteit is, bestaat uit het volgende:”

;

13)

artikel 12 octies wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt als volgt gewijzigd:

i)

de tweede alinea wordt vervangen door:

“De afwikkelingsraad kan na raadpleging van de bevoegde autoriteiten, met inbegrip van de ECB, besluiten om het in dit artikel neergelegde vereiste toe te passen op een in artikel 2, punt b), bedoelde entiteit of op een in artikel 2, punt c), bedoelde financiële instelling die een dochteronderneming van een af te wikkelen entiteit is, maar zelf geen af te wikkelen entiteit is.”

;

ii)

de derde alinea wordt vervangen door:

“In afwijking van de eerste en de tweede alinea van dit lid voldoen EU-moederondernemingen die zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn en die dochterondernemingen van entiteiten uit derde landen zijn, op geconsolideerde basis aan de in de artikelen 12 quinquies en 12 sexies neergelegde vereisten.”

;

iii)

de vijfde alinea wordt vervangen door:

“Voor overeenkomstig artikel 3, lid 1, punt 24 ter, b), aangewezen af te wikkelen groepen voldoen kredietinstellingen of financiële instellingen die blijvend bij een centraal orgaan aangesloten zijn maar zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn, centrale organen die zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn, alsmede alle af te wikkelen entiteiten die niet onder een vereiste uit hoofde van artikel 12 septies, lid 3, vallen, op individuele basis aan artikel 12 quinquies, lid 6.”

;

b)

in lid 2 wordt punt a), ii), vervangen door:

“ii)

die voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen zoals bedoeld in artikel 72 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013, met uitzondering van die van artikel 72 ter, lid 2, punten b), c), k), l) en m), en artikel 72 ter, leden 3, 4 en 5, van die verordening, en, indien van toepassing, zoals bedoeld in artikel 12 quater, lid 1 bis, van de onderhavige verordening;”

;

c)

het volgende lid wordt toegevoegd:

“4.   Indien in de Unie gevestigde dochterondernemingen, of een EU-moederonderneming en haar dochterinstellingen, overeenkomstig de algemene afwikkelingsstrategie geen af te wikkelen entiteiten zijn en de leden van het Europees afwikkelingscollege, indien dat op grond van artikel 89 van Richtlijn 2014/59/EU is opgericht, met die strategie instemmen, voldoen in de Unie gevestigde dochterondernemingen of, op geconsolideerde basis, de EU-moederonderneming aan het vereiste van artikel 12 bis, lid 1, van deze verordening door de in lid 2, punten a) en b), van dit artikel bedoelde instrumenten te verstrekken aan een van de volgende entiteiten:

a)

hun uiteindelijke moederonderneming die in een derde land is gevestigd;

b)

de dochterondernemingen van die uiteindelijke moederonderneming die in hetzelfde derde land zijn gevestigd;

c)

andere entiteiten onder de voorwaarden van lid 2, punt a), i), en punt b), ii), van dit artikel.”

;

14)

artikel 12 decies wordt vervangen door:

“Artikel 12 decies

Vrijstelling voor centrale organen, of voor kredietinstellingen of financiële instellingen die blijvend aangesloten zijn bij een centraal orgaan

De afwikkelingsraad kan centrale organen, of kredietinstellingen of financiële instellingen die blijvend bij een centraal orgaan zijn aangesloten, geheel of gedeeltelijk vrijstelling verlenen van de toepassing van artikel 12 octies indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de kredietinstellingen of financiële instellingen en het centrale orgaan zijn onderworpen aan toezicht door dezelfde bevoegde autoriteit, zijn gevestigd in dezelfde deelnemende lidstaat, en maken deel uit van dezelfde af te wikkelen groep;

b)

de verbintenissen van het centrale orgaan en van de blijvend bij haar aangesloten kredietinstellingen of financiële instellingen zijn hoofdelijke verplichtingen, of de verbintenissen van de blijvend aangesloten kredietinstellingen of financiële instellingen worden volledig door het centrale orgaan gewaarborgd;

c)

het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva, en de solvabiliteit en de liquiditeit van het centrale orgaan en van alle blijvend aangesloten kredietinstellingen of financiële instellingen worden in hun totaliteit gemonitord op basis van de geconsolideerde jaarrekening van die instellingen;

d)

in het geval van een vrijstelling voor een kredietinstelling of financiële instelling die blijvend bij een centraal orgaan is aangesloten, is de leiding van het centrale orgaan bevoegd om instructies te geven aan de leiding van de blijvend aangesloten instelling;

e)

de betreffende af te wikkelen groep voldoet aan het in artikel 12 septies, lid 3, bedoelde vereiste, en

f)

er is geen bestaande of te voorziene wezenlijke, praktische of juridische belemmering voor de onmiddellijke overdracht van eigen vermogen of de onmiddellijke terugbetaling van passiva tussen het centrale orgaan en de blijvend aangesloten kredietinstellingen of financiële instellingen in het geval van afwikkeling.”

;

15)

artikel 12 duodecies wordt als volgt gewijzigd:

a)

de leden 1 en 2 worden vervangen door:

“1.   De afwikkelingsraad kan passende overgangsperioden, van ten hoogste drie jaar, bepalen voor entiteiten om te voldoen aan de in artikel 12 septies of artikel 12 octies neergelegde vereisten of aan de vereisten die voortvloeien uit de toepassing van artikel 12 quater, lid 4, 5 of 7, naargelang het geval, indien naleving van die vereisten zonder overgangsperiode niet evenredig zou zijn. De afwikkelingsraad kan tussentijdse streefbedragen bepalen voor in artikel 12 septies of artikel 12 octies neergelegde vereisten, of voor de vereisten die voortvloeien uit de toepassing van artikel 12 quater, lid 4, 5 of 7, naargelang het geval, waaraan entiteiten op een door de afwikkelingsraad bepaalde datum moeten voldoen. De tussentijdse streefbedragen zorgen in de regel voor een lineaire opbouw van eigen vermogen en in aanmerking komende passiva naar het vereiste toe.

2.   In afwijking van lid 1 kan de door de afwikkelingsraad bepaalde overgangsperiode voor entiteiten waarvoor de voorkeursafwikkelingsstrategie wordt gewijzigd van liquidatie volgens een normale insolventieprocedure naar het toepassen van afwikkelingsmaatregelen, ten hoogste vier jaar bedragen.

De afwikkelingsraad kan, indien naar behoren gerechtvaardigd en passend op basis van de in lid 7 bedoelde criteria, een langere overgangsperiode van ten hoogste zes jaar bepalen.

De afwikkelingsraad kan tussentijdse streefbedragen bepalen voor het vereiste in artikel 12 quinquies, of voor de vereisten die voortvloeien uit de toepassing van artikel 12 quater, lid 4, 5 of 7, naargelang het geval, waaraan entiteiten op een door de afwikkelingsraad bepaalde datum moeten voldoen. De tussentijdse streefbedragen zorgen in de regel voor een lineaire opbouw van eigen vermogen en in aanmerking komende passiva naar het vereiste toe.”

;

b)

in lid 3 wordt punt a) vervangen door:

“a)

de afwikkelingsraad het instrument van bail-in heeft toegepast, of”

;

c)

lid 4 wordt vervangen door:

“4.   De vereisten, bedoeld in artikel 12 quater, leden 4 en 7, en in artikel 12 quinquies, leden 4 en 5, naargelang het geval, gelden niet binnen de periode van drie jaar die volgt op de datum waarop de af te wikkelen entiteit of de groep waartoe de af te wikkelen entiteit behoort, als een MSI of als een niet-EU-MSI is aangemerkt, of die volgt op de datum vanaf welke de af te wikkelen entiteit zich in de in artikel 12 quinquies, lid 4 of lid 5, bedoelde situatie bevindt.”

;

d)

de leden 5 en 6 worden vervangen door:

“5.   In afwijking van artikel 12 bis, lid 1, bepaalt de afwikkelingsraad een geschikte overgangsperiode om te voldoen aan de vereisten van artikel 12 septies of artikel 12 octies, of aan een vereiste die voortvloeit uit de toepassing van artikel 12 quater, lid 4, 5 of 7, naargelang het geval, voor entiteiten waarop afwikkelingsinstrumenten of de afschrijvings- of omzettingsbevoegdheid bedoeld in artikel 21 zijn toegepast.

6.   Voor de toepassing van de leden 1 tot en met 5 van dit artikel stelt de afwikkelingsraad de entiteit in kennis van een gepland minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva voor elke periode van twaalf maanden gedurende de overgangsperiode teneinde een geleidelijke opbouw van haar verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit te faciliteren. Aan het einde van de overgangsperiode is het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva gelijk aan het bedrag, bepaald overeenkomstig artikel 12 quater, lid 4, 5, of 7, artikel 12 quinquies, lid 4 of 5, artikel 12 septies of artikel 12 octies, naargelang het geval.”

;

16)

artikel 13 wordt vervangen door:

“Artikel 13

Vroegtijdige-interventiemaatregelen

1.   De ECB beraadt zich zonder onnodige vertraging op vroegtijdige-interventiemaatregelen, en past ze in voorkomend geval toe, indien een entiteit als bedoeld in artikel 7, lid 2, punt a):

a)

voldoet aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 102 van Richtlijn 2013/36/EU of in artikel 16, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1024/2013, en een van de volgende elementen van toepassing is:

i)

de entiteit heeft niet de door de ECB vereiste corrigerende maatregelen genomen, waaronder de maatregelen bedoeld in artikel 104 van Richtlijn 2013/36/EU of in artikel 16, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1024/2013;

ii)

de ECB oordeelt dat andere corrigerende maatregelen dan vroegtijdige-interventiemaatregelen onvoldoende zijn om de problemen van die entiteit aan te pakken;

b)

inbreuk maakt op de in artikel 12 septies of artikel 12 octies neergelegde vereisten, of

c)

in de twaalf maanden na de beoordeling door de ECB een of meer van de vereisten schendt die zijn vastgelegd in titel II van Richtlijn 2014/65/EU of in de artikelen 3 tot en met 7, de artikelen 14 tot en met 17, of de artikelen 24, 25 en 26 van Verordening (EU) nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad (*2), of deze waarschijnlijk zal schenden.

De ECB kan bepalen dat aan de in de eerste alinea, punt a), ii), van dit lid bedoelde voorwaarde is voldaan zonder eerder andere corrigerende maatregelen te hebben genomen, zoals de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in artikel 104 van Richtlijn 2013/36/EU of in artikel 16, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1024/2013.

Voor de toepassing van de eerste alinea, punten b) en c), van dit lid, stelt de afwikkelingsraad of de bevoegde autoriteit als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 26, van Richtlijn 2014/65/EU de ECB onverwijld in kennis van de inbreuk of de waarschijnlijke inbreuk.

2.   Voor de toepassing van lid 1 omvatten de vroegtijdige-interventiemaatregelen het volgende:

a)

het vereiste dat het leidinggevend orgaan van de entiteit:

i)

een of meer regelingen of maatregelen van het herstelplan uitvoert, of

ii)

het herstelplan overeenkomstig artikel 5, lid 2, van Richtlijn 2014/59/EU bijwerkt, wanneer de omstandigheden die tot de vroegtijdige interventie hebben geleid verschillen van de aannamen in het oorspronkelijke herstelplan, en binnen een specifieke termijn een of meer van de in het bijgewerkte herstelplan opgenomen regelingen of maatregelen uitvoert;

b)

het vereiste dat het leidinggevend orgaan van de entiteit een vergadering van aandeelhouders van de entiteit bijeenroept, of, indien het leidinggevend orgaan niet aan dat vereiste voldoet, de rechtstreekse bijeenroeping van een dergelijke vergadering door de ECB, en in beide gevallen de agenda vaststellen en verlangen dat bepaalde besluiten ter aanneming aan de aandeelhouders worden voorgelegd;

c)

het vereiste dat het leidinggevend orgaan van de entiteit een plan opstelt, in voorkomend geval in overeenstemming met het herstelplan, voor onderhandelingen over de herstructurering van de schuld met sommige of al haar crediteuren;

d)

het vereiste om de juridische structuur van de entiteit te wijzigen;

e)

het vereiste om het hoger management of het leidinggevend orgaan van de entiteit in zijn geheel, of individuele leden van die organen, te ontslaan of overeenkomstig artikel 13 bis te vervangen;

f)

de benoeming van een of meer tijdelijk bewindvoerders van de entiteit overeenkomstig artikel 13 ter;

g)

het vereiste dat het leidinggevend orgaan van de entiteit een plan opstelt dat de entiteit kan uitvoeren indien zij besluit een vrijwillige liquidatie van haar activiteiten in gang te zetten.

3.   De ECB kiest de passende in lid 2 bedoelde vroegtijdige-interventiemaatregelen op basis van wat evenredig is met de nagestreefde doelstellingen, gelet op de ernst van de inbreuk of waarschijnlijke inbreuk en de snelheid waarmee de financiële situatie van de entiteit verslechtert, naast andere relevante informatie.

4.   Voor elk van de in lid 2 bedoelde vroegtijdige-interventiemaatregelen bepaalt de ECB een uitvoeringstermijn die strikt beperkt is tot de tijd die nodig is om de betrokken maatregel onder redelijke voorwaarden uit te voeren. De ECB verricht onmiddellijk na het verstrijken van de termijn een evaluatie van de doeltreffendheid van de maatregel en deelt die evaluatie met de afwikkelingsraad.

Indien uit de evaluatie naar voren komt dat de vroegtijdige-interventiemaatregelen niet volledig zijn uitgevoerd of niet doeltreffend zijn, kan de ECB beoordelen of is voldaan aan de in artikel 18, lid 1, punt a), bedoelde voorwaarde.

5.   Indien een groep als bedoeld in artikel 7, lid 2, punt a), van deze verordening entiteiten omvat die in deelnemende lidstaten en in niet-deelnemende lidstaten zijn gevestigd, vertegenwoordigt de ECB de nationale bevoegde autoriteiten van de deelnemende lidstaten, met het oog op de raadpleging van en samenwerking met de niet-deelnemende lidstaten overeenkomstig artikel 30 van Richtlijn 2014/59/EU.

Indien een groep als bedoeld in artikel 7, lid 2, punt a), entiteiten omvat die in deelnemende lidstaten zijn gevestigd, en dochterondernemingen opgericht in, of significante bijkantoren gelegen in niet-deelnemende lidstaten, deelt de ECB eventuele voor de groep relevante besluiten of maatregelen als bedoeld in de artikelen 13 tot en met 13 quater tijdig mee aan de bevoegde autoriteiten en de afwikkelingsautoriteiten van de niet-deelnemende lidstaten, naargelang van het geval.

(*2)  Verordening (EU) nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten in financiële instrumenten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 84, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2014/600/oj).”;"

17)

de volgende artikelen worden ingevoegd in hoofdstuk 2:

“Artikel 13 bis

Vervanging van het hoger management of het leidinggevend orgaan

Voor de toepassing van artikel 13, lid 2, punt e), wordt het nieuwe hoger management of leidinggevend orgaan, of individuele leden daarvan, benoemd overeenkomstig de wetgeving van de Unie en de nationale wetgeving, en worden die benoemingen onderworpen aan de goedkeuring van de ECB.

Artikel 13 ter

Tijdelijk bewindvoerder

1.   Voor de toepassing van artikel 13, lid 2, punt f), kan de ECB, op basis van wat onder de omstandigheden evenredig is, een of meer tijdelijk bewindvoerders aanstellen om:

a)

tijdelijk het leidinggevend orgaan van de entiteit te vervangen, of

b)

tijdelijk samen te werken met het leidinggevend orgaan van de entiteit.

Bij de aanstelling van de tijdelijk bewindvoerder specificeert de ECB of die aanstelling geldt voor de toepassing van punt a) of punt b) van de eerste alinea.

Voor de toepassing van de eerste alinea, punt b), specificeert de ECB voorts op het moment van benoeming de rol, taken en bevoegdheden van de tijdelijk bewindvoerder en eventuele vereisten voor het leidinggevend orgaan van de entiteit om de tijdelijk bewindvoerder te raadplegen of de goedkeuring van de tijdelijk bewindvoerder te verkrijgen alvorens bepaalde besluiten of maatregelen te nemen.

De ECB maakt de aanstelling van een tijdelijk bewindvoerder openbaar, tenzij de tijdelijk bewindvoerder geen bevoegdheid heeft om de entiteit te vertegenwoordigen.

Elke tijdelijk bewindvoerder moet over voldoende kennis, vaardigheden en ervaring beschikken om zijn of haar taken uit te voeren en moet voldoen aan de vereisten van artikel 91, leden 2 en 2 bis, van Richtlijn 2013/36/EU. De beoordeling door de ECB of de tijdelijk bewindvoerder over die kennis, vaardigheden en ervaring beschikt en aan die vereisten voldoet, maakt integraal deel uit van het besluit tot benoeming van die tijdelijk bewindvoerder.

2.   Welke bevoegdheden de tijdelijk bewindvoerder heeft, wordt bij zijn of haar aanstelling door de ECB naargelang de omstandigheden bepaald. Die bevoegdheden kunnen sommige of alle bevoegdheden omvatten die het leidinggevend orgaan van de entiteit krachtens de statuten van de entiteit en het nationale recht heeft, met inbegrip van de bevoegdheid om sommige of alle bestuurlijke functies van het leidinggevend orgaan van de entiteit uit te oefenen. De bevoegdheden van de tijdelijk bewindvoerder met betrekking tot de entiteit moeten voldoen aan het toepasselijke vennootschapsrecht. De ECB kan die bevoegdheden aanpassen in geval van gewijzigde omstandigheden.

3.   De ECB specificeert de rol en taken van de tijdelijk bewindvoerder op het ogenblik van zijn of haar aanstelling. Die rol en taken kunnen het volgende omvatten:

a)

het onderzoeken van de financiële positie van de entiteit;

b)

het beheer van de bedrijfsactiviteiten of een deel van de bedrijfsactiviteiten van de entiteit om haar financiële positie in stand te houden of te herstellen;

c)

het nemen van maatregelen om de gezonde en prudente bedrijfsvoering van de entiteit te herstellen;

d)

het waarborgen van de naleving door de entiteit van alle vereisten op grond van artikel 13 quater, lid 3, tweede alinea, lid 4, eerste alinea, of lid 5.

De ECB bakent bij de aanstelling van de tijdelijk bewindvoerder de grenzen van diens rol en taken af.

4.   De ECB heeft de exclusieve bevoegdheid om een tijdelijk bewindvoerder aan te stellen en van zijn functie te ontheffen. De ECB kan de tijdelijk bewindvoerder te allen tijde om welke reden dan ook van zijn functie ontheffen. De ECB kan de aanstellingsvoorwaarden voor een tijdelijk bewindvoerder te allen tijde wijzigen, met inachtneming van dit artikel.

5.   De ECB kan eisen dat voor bepaalde handelingen van een tijdelijk bewindvoerder de voorafgaande goedkeuring van de ECB is vereist. Die vereisten worden door de ECB bij de aanstelling van de tijdelijk bewindvoerder, of bij een eventuele wijziging van de voorwaarden voor diens aanstelling nader omschreven.

Hoe dan ook mag de tijdelijk bewindvoerder de bevoegdheid om de algemene aandeelhoudersvergadering van de entiteit bijeen te roepen en de agenda van die vergadering vast te stellen, alleen uitoefenen na voorafgaande toestemming van de ECB.

6.   Op verzoek van de ECB stelt de tijdelijk bewindvoerder met door de ECB vastgestelde tussenpozen verslagen op over de financiële positie van de entiteit en over de handelingen die hij of zij gedurende zijn of haar mandaat heeft verricht. De tijdelijk bewindvoerder stelt in elk geval een dergelijk verslag op aan het einde van zijn of haar mandaat.

7.   De tijdelijk bewindvoerder wordt benoemd voor ten hoogste één jaar. De ECB kan die termijn bij wijze van uitzondering eenmaal verlengen met een duur die in verhouding staat tot de omstandigheden, indien de voorwaarden voor het aanstellen van de tijdelijk bewindvoerder nog steeds gelden. De ECB is ervoor verantwoordelijk te bepalen of aan die voorwaarden is voldaan, en moet een verlenging van het mandaat van de tijdelijk bewindvoerder tegenover de aandeelhouders rechtvaardigen.

8.   De aanstelling van een tijdelijk bewindvoerder laat, onder voorbehoud van dit artikel, de rechten van de aandeelhouders, zoals vastgelegd in het vennootschapsrecht van de Unie of van de betreffende lidstaat onverlet.

9.   Een overeenkomstig de leden 1 tot en met 8 aangestelde tijdelijk bewindvoerder wordt niet geacht een schaduwdirecteur of een feitelijke directeur van de betrokken entiteit op grond van het nationale recht te zijn.

Artikel 13 quater

Voorbereiding van de afwikkeling

1.   Wat betreft de in artikel 7, lid 2, bedoelde entiteiten en groepen, en de in artikel 7, lid 4, punt b), en artikel 7, lid 5, bedoelde entiteiten en groepen, indien aan de voorwaarden voor de toepassing van die bepalingen is voldaan, stellen de ECB of de nationale bevoegde autoriteiten de afwikkelingsraad onverwijld in kennis van het volgende:

a)

elke maatregel als bedoeld in artikel 16, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1024/2013, in artikel 104, lid 1, van Richtlijn 2013/36/EU, of in artikel 39, lid 2, van Richtlijn (EU) 2019/2034, die zij nemen of die zij een entiteit of groep doen nemen;

b)

dat, zoals aangetoond door toezichtactiviteiten, aan de voorwaarden van artikel 13, lid 1, van deze verordening of artikel 27, lid 1, van Richtlijn 2014/59/EU met betrekking tot een entiteit of groep is voldaan, ongeacht het feit of vroegtijdige-interventiemaatregelen zijn toegepast;

c)

de toepassing van elke in artikel 13 van deze verordening of artikel 27 van Richtlijn 2014/59/EU bedoelde vroegtijdige-interventiemaatregel.

De afwikkelingsraad stelt de Commissie in kennis van elke kennisgeving die hij op grond van de eerste alinea heeft ontvangen.

De ECB of de betrokken nationale bevoegde autoriteit houdt, in nauwe samenwerking met de afwikkelingsraad, nauwlettend toezicht op de situatie van de in de eerste alinea bedoelde entiteiten en groepen en op hun naleving van de in de eerste alinea, punt a), bedoelde maatregelen die erop gericht zijn een verslechtering van de situatie van die entiteiten en groepen aan te pakken, en van de in de eerste alinea, punt c), bedoelde vroegtijdige-interventiemaatregelen.

2.   De ECB of de betrokken nationale bevoegde autoriteit stelt de afwikkelingsraad zo snel mogelijk in kennis, indien zij van mening is dat er een wezenlijk risico bestaat dat één of meer van de in artikel 18, lid 4, genoemde omstandigheden van toepassing zijn op een entiteit als bedoeld in artikel 7, lid 2, of een entiteit als bedoeld in artikel 7, lid 4, punt b), en artikel 7, lid 5, indien aan de voorwaarden voor de toepassing van die bepalingen is voldaan. Die kennisgeving bevat:

a)

de redenen van de melding;

b)

een overzicht van de in overweging genomen maatregelen die het falen van de betrokken entiteit binnen een redelijk tijdsbestek zouden voorkomen, het verwachte effect daarvan op de entiteit wat betreft de in artikel 18, lid 4, bedoelde omstandigheden en het verwachte tijdschema voor de uitvoering van die maatregelen.

Na ontvangst van de in de eerste alinea van dit lid bedoelde kennisgeving beoordeelt de afwikkelingsraad, in nauwe samenwerking met de ECB of de betrokken nationale bevoegde autoriteit, wat een redelijk tijdsbestek is voor de beoordeling van de in artikel 18, lid 1, punt b), bedoelde voorwaarde, rekening houdend met de snelheid waarmee de situatie van de entiteit verslechtert, de noodzaak om de afwikkelingsstrategie effectief uit te voeren en andere overwegingen die bij de zaak van belang zijn. De afwikkelingsraad kan het tijdsbestek te allen tijde opnieuw beoordelen en aan de omstandigheden van de zaak aanpassen. De afwikkelingsraad deelt die beoordeling of herbeoordeling zo spoedig mogelijk mee aan de ECB of aan de betrokken nationale bevoegde autoriteit.

Na ontvangst van de in de eerste alinea bedoelde kennisgeving houden de ECB of betrokken nationale bevoegde autoriteit en de afwikkelingsraad in nauwe samenwerking toezicht op de situatie van de entiteit, de uitvoering van de desbetreffende maatregelen binnen het verwachte tijdsbestek en eventuele andere relevante ontwikkelingen. Daartoe komen de ECB of betrokken nationale bevoegde autoriteit en de afwikkelingsraad regelmatig bijeen, met een door de afwikkelingsraad te bepalen frequentie, rekening houdend met de omstandigheden van de zaak. De ECB of betrokken nationale bevoegde autoriteit en de afwikkelingsraad verstrekken elkaar onverwijld alle relevante informatie.

De afwikkelingsraad stelt de Commissie in kennis van alle informatie die hij op grond van de eerste alinea heeft ontvangen.

3.   De ECB of de betrokken nationale bevoegde autoriteit verschaft de afwikkelingsraad alle door de afwikkelingsraad gevraagde informatie die nodig is voor een van de volgende acties:

a)

het actualiseren van het afwikkelingsplan en het voorbereiden van de mogelijke afwikkeling van een in artikel 7, lid 2 bedoelde entiteit, of een in artikel 7, lid 4, punt b), en artikel 7, lid 5, bedoelde entiteit, indien aan de voorwaarden voor de toepassing van die bepalingen is voldaan;

b)

het uitvoeren van een in artikel 20, leden 1 tot en met 15, bedoelde waardering.

Indien de ECB of de nationale bevoegde autoriteiten nog niet over dergelijke informatie beschikken, werken de afwikkelingsraad en de ECB en die nationale bevoegde autoriteiten samen en coördineren zij hun werkzaamheden om die informatie te verkrijgen. Te dien einde zijn de ECB, de afwikkelingsraad (via de nationale afwikkelingsautoriteiten of direct, na hen te hebben geïnformeerd) en de nationale bevoegde autoriteiten bevoegd om van de entiteit te verlangen dat zij dergelijke informatie verstrekt, onder meer door inspecties ter plaatse, en om elkaar die informatie te verstrekken.

4.   De afwikkelingsraad is bevoegd, via de nationale afwikkelingsautoriteiten of direct, na hen te hebben geïnformeerd, om de in artikel 7, lid 2, bedoelde entiteit of de in artikel 7, lid 4, punt b), en artikel 7, lid 5 bedoelde entiteit, indien aan de voorwaarden voor de toepassing van die bepalingen is voldaan, aan potentiële verkrijgers te verkopen, regelingen voor een dergelijke verkoop te treffen, of de entiteit daartoe te verplichten, voor de volgende doeleinden:

a)

om de afwikkeling van die entiteit voor te bereiden, met inachtneming van de in artikel 39, lid 2, van Richtlijn 2014/59/EU neergelegde criteria en de in artikel 88 van deze verordening neergelegde vereisten inzake het beroepsgeheim;

b)

om de beoordeling door de afwikkelingsraad van de in artikel 18, lid 1, punt b), van deze verordening bedoelde voorwaarde uit te voeren.

Indien de afwikkelingsraad, bij de uitoefening van de in de eerste alinea bedoelde bevoegdheid, besluit de entiteit rechtstreeks aan potentiële verkrijgers te verkopen, houdt hij naar behoren rekening met de omstandigheden van de zaak, in het bijzonder de preventieve maatregelen die een depositogarantiestelsel eventueel zou kunnen nemen of maatregelen die een IPS eventueel zou kunnen nemen, en met de mogelijke gevolgen die de uitoefening van die bevoegdheid zou kunnen hebben voor de algehele positie van de entiteit.

5.   De afwikkelingsraad heeft de bevoegdheid om van de relevante nationale afwikkelingsautoriteit te verlangen dat zij:

a)

de betrokken entiteit eist de noodzakelijke regelingen te treffen, waaronder het opzetten van een digitaal platform, voor het delen van informatie met potentiële verkrijgers of met door de afwikkelingsraad ingeschakelde adviseurs en taxateurs;

b)

een voorlopige afwikkelingsregeling voor de betrokken entiteit opstelt.

Indien de afwikkelingsraad de bevoegdheid uitoefent die hem krachtens de eerste alinea, punt a), van dit lid is toegekend, is artikel 88 van toepassing.

6.   De voorafgaande kennisgeving door de ECB of de betrokken nationale bevoegde autoriteit overeenkomstig lid 1, eerste alinea, is geen noodzakelijke voorwaarde voor de afwikkelingsraad om de afwikkeling van de entiteit voor te bereiden of de in de leden 3, 4 en 5 bedoelde bevoegdheden uit te oefenen.

7.   De afwikkelingsraad stelt de Commissie, de ECB, de betrokken nationale bevoegde autoriteiten en de relevante nationale afwikkelingsautoriteiten onverwijld in kennis van elke maatregel die hij op grond van leden 3, 4 en 5 neemt.

8.   De ECB, de relevante nationale bevoegde autoriteiten, de afwikkelingsraad en de relevante nationale afwikkelingsautoriteiten werken nauw samen in de volgende gevallen:

a)

wanneer zij overwegen de in lid 1, eerste alinea, punt a), bedoelde maatregelen om een verslechtering van de situatie van een entiteit of een groep aan te pakken, alsmede de in lid 1, eerste alinea, punt c), bedoelde maatregelen te nemen;

b)

wanneer zij overwegen een van de in de leden 3, 4 en 5 bedoelde maatregelen te nemen;

c)

tijdens de uitvoering van de in punten a) en b) van deze alinea bedoelde maatregelen.

De ECB, de relevante nationale bevoegde autoriteiten, de afwikkelingsraad en de relevante nationale afwikkelingsautoriteiten dragen er zorg voor dat die maatregelen en acties consistent, gecoördineerd en effectief zijn.

9.   De afwikkelingsraad kan de nationale afwikkelingsautoriteiten opdragen de in artikel 84 ter, lid 1, van Richtlijn 2014/59/EU bedoelde bevoegdheden uit te oefenen. De nationale afwikkelingsautoriteiten voeren de instructies van de afwikkelingsraad uit in overeenstemming met artikel 29 van deze verordening.”

;

18)

in artikel 14, lid 2, wordt punt c) vervangen door:

“c)

overheidsmiddelen beschermen door het beroep op buitengewone openbare financiële steun tot een minimum te beperken, met name wanneer deze uit de begroting van een lidstaat komt;”

;

19)

in artikel 16 wordt lid 2 vervangen door:

“2.   De afwikkelingsraad neemt een afwikkelingsmaatregel ten aanzien van een in artikel 2, punt b), bedoelde moederonderneming indien aan de in artikel 18, lid 1, gestelde voorwaarden is voldaan, rekening houdend met de noodzaak om de afwikkelingsstrategie doeltreffend uit te voeren.

Voor het nemen van een afwikkelingsmaatregel wordt een in artikel 2, punt b), bedoelde moederonderneming beschouwd als een falende of waarschijnlijk falende entiteit in een van de volgende omstandigheden:

a)

de moederonderneming voldoet aan één of meer van de voorwaarden van artikel 18, lid 4, punt b), c) of d);

b)

de moederonderneming maakt wezenlijk inbreuk, of er zijn objectieve elementen waaruit blijkt dat de moederonderneming in de nabije toekomst wezenlijk inbreuk zal maken, op de toepasselijke voorschriften van Verordening (EU) nr. 575/2013 of van de nationale bepalingen tot omzetting van Richtlijn 2013/36/EU.”

;

20)

artikel 18 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de leden 1, 1 bis, 2 en 3 worden vervangen door:

“1.   De afwikkelingsraad stelt op grond van lid 6 van dit artikel een afwikkelingsregeling vast met betrekking tot de in artikel 7, lid 2, bedoelde entiteiten en met betrekking tot de in artikel 7, lid 4, punt b), en artikel 7, lid 5, bedoelde entiteiten, indien aan de voorwaarden voor de toepassing van die bepalingen wordt voldaan maar enkel indien hij op zijn bestuursvergadering, na ontvangst van een mededeling op grond van de tweede alinea van dit lid, of op eigen initiatief, en gelet op de noodzaak om de afwikkelingsstrategie effectief uit te voeren, heeft vastgesteld dat aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

de entiteit faalt of zal waarschijnlijk falen;

b)

gezien de timing en andere relevante omstandigheden valt het redelijkerwijs niet te verwachten dat ten aanzien van de entiteit genomen alternatieve maatregelen van de particuliere sector, met inbegrip van maatregelen door een institutioneel protectiestelsel, preventieve maatregelen als bedoeld in artikel 11, lid 3, van Richtlijn 2014/49/EU, maatregelen van een toezichthouder, vroegtijdige-interventiemaatregelen of de afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva als bedoeld in artikel 21, lid 1, van deze verordening het falen van de entiteit binnen een redelijk tijdsbestek zouden voorkomen;

c)

een afwikkelingsmaatregel is noodzakelijk in het algemeen belang op grond van lid 5.

De beoordeling van de in punt a) van de eerste alinea van dit lid bedoelde voorwaarde geschiedt door de ECB voor de entiteiten bedoeld in artikel 7, lid 2, punt a), of door de betrokken nationale bevoegde autoriteit voor de entiteiten bedoeld in artikel 7, lid 2, punt b), artikel 7, lid 3, tweede alinea, artikel 7, lid 4, punt b), en artikel 7, lid 5, na raadpleging van de afwikkelingsraad. De afwikkelingsraad kan op zijn bestuursvergadering een beoordeling in die zin vaststellen maar enkel nadat hij de ECB of de betrokken nationale bevoegde autoriteit van zijn voornemen om een dergelijke beoordeling te maken, op de hoogte heeft gesteld en enkel als de ECB of de betrokken nationale bevoegde autoriteit niet zelf binnen drie kalenderdagen na ontvangst van die informatie een beoordeling in die zin vaststelt. De ECB of de betrokken nationale bevoegde autoriteit verschaft de afwikkelingsraad onverwijld alle relevante informatie waarom de afwikkelingsraad verzoekt ter uitvoering van zijn beoordeling, voordat of nadat zij door de afwikkelingsraad in kennis is gesteld van zijn voornemen de in punt a) van de eerste alinea van dit lid bedoelde voorwaarde te beoordelen.

Indien de ECB of de relevante nationale bevoegde autoriteit heeft geoordeeld dat met betrekking tot een entiteit als bedoeld in de eerste alinea, is voldaan aan de in de eerste alinea, punt a), bedoelde voorwaarde, deelt zij die beoordeling onverwijld mee aan de Commissie en de afwikkelingsraad.

De beoordeling of aan de in de eerste alinea, punt b), bedoelde voorwaarde is voldaan, geschiedt door de afwikkelingsraad in zijn bestuursvergadering en in nauwe samenwerking met de ECB of de betrokken nationale bevoegde autoriteit. De ECB of de betrokken nationale bevoegde autoriteit verstrekt de afwikkelingsraad onverwijld alle relevante informatie die de afwikkelingsraad opvraagt teneinde zijn beoordeling te kunnen uitvoeren. De ECB of de betrokken nationale bevoegde autoriteit kan de afwikkelingsraad ook meedelen dat zij van mening is dat aan de in de eerste alinea, punt b), vastgelegde voorwaarde wordt voldaan.

Bij het beoordelen van de in de eerste alinea, punten a) en b), bedoelde voorwaarden wint de ECB, de betrokken nationale bevoegde autoriteit of de afwikkelingsraad bij het depositogarantiestelsel of, in voorkomend geval, het institutioneel protectiestelsel waarvan de entiteit lid is, de meest recente beschikbare informatie in die relevant is voor een dergelijke beoordeling, mede voor het beantwoorden van de vraag of het depositogarantiestelsel of het institutioneel protectiestelsel het falen kan voorkomen.

1 bis.   De afwikkelingsraad kan een afwikkelingsregeling vaststellen overeenkomstig lid 1 met betrekking tot een centraal orgaan en alle blijvend aangesloten kredietinstellingen of financiële instellingen die deel uitmaken van dezelfde af te wikkelen groep indien het centraal orgaan en alle blijvend aangesloten kredietinstellingen of financiële instellingen, of de af te wikkelen groep waartoe zij behoren, als geheel aan de voorwaarden van lid 1, eerste alinea, voldoen.

2.   Onverminderd de gevallen waarin de ECB op grond van artikel 6, lid 5, punt b), van Verordening (EU) nr. 1024/2013 heeft besloten rechtstreeks toezichthoudende taken met betrekking tot kredietinstellingen uit te oefenen, deelt de afwikkelingsraad, indien hij een mededeling op grond van lid 1 van dit artikel ontvangt met betrekking tot een entiteit of groep als bedoeld in artikel 7, lid 3, van deze verordening zijn beoordeling als bedoeld in lid 1, vierde alinea, van dit artikel onverwijld mee aan de ECB of de betrokken nationale bevoegde autoriteit.

3.   De voorafgaande vaststelling van een maatregel op grond van artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1024/2013, artikel 27 van Richtlijn 2014/59/EU, artikel 13 van deze verordening of artikel 104 van Richtlijn 2013/36/EU is geen voorwaarde voor het nemen van een afwikkelingsmaatregel.”

;

b)

lid 4 wordt als volgt gewijzigd:

i)

in de eerste alinea wordt punt d) vervangen door:

“d)

er is buitengewone openbare financiële steun nodig, tenzij die steun wordt verleend in een van de in artikel 18 bis, lid 1, bedoelde vormen.”

;

ii)

de tweede, de derde en de vierde alinea worden geschrapt;

c)

lid 5 wordt vervangen door:

“5.   Voor de toepassing van lid 1, eerste alinea, punt c), is een afwikkelingsmaatregel niet noodzakelijk in het algemeen belang indien de afwikkelingsraad concludeert dat geen van de afwikkelingsdoelstellingen in gevaar zou komen indien de entiteit volgens een normale insolventieprocedure zou worden geliquideerd.

Indien de afwikkelingsraad concludeert dat een of meer afwikkelingsdoelstellingen in gevaar zouden komen bij de liquidatie van de entiteit volgens een normale insolventieprocedure, concludeert de afwikkelingsraad dat een afwikkelingsmaatregel noodzakelijk is in het algemeen belang indien deze noodzakelijk is voor de verwezenlijking van een of meer van de afwikkelingsdoelstellingen en daarmee evenredig is, en indien de afwikkelingsdoelstellingen die gevaar lopen, met de liquidatie van de entiteit volgens een normale insolventieprocedure niet doeltreffender zouden worden bereikt.

Bij het uitvoeren van de in de eerste alinea bedoelde beoordeling overweegt en vergelijkt de afwikkelingsraad, op basis van de informatie waarover hij op het moment van die beoordeling beschikt, buitengewone openbare financiële steun waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat deze aan de entiteit zal worden verleend, zowel bij afwikkeling als bij liquidatie overeenkomstig het toepasselijke nationale recht.

Bij het verrichten van de in de tweede alinea bedoelde beoordeling overweegt de afwikkelingsraad de afwikkelingskosten en de kosten van een normale insolventieprocedure, en tracht hij waardevernietiging zo veel mogelijk te beperken en te voorkomen, tenzij deze noodzakelijk is om de afwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken.”

;

d)

in lid 7 wordt de tweede alinea vervangen door:

“Binnen 24 uur vanaf de toezending van de afwikkelingsregeling door de afwikkelingsraad bevestigt de Commissie de afwikkelingsregeling of maakt zij daartegen bezwaar, hetzij met betrekking tot de discretionaire aspecten van de afwikkelingsregeling in de gevallen waarin niet is voorzien in de derde alinea van dit lid, hetzij met betrekking tot het voorgestelde gebruik van staatssteun of steun van het Fonds die niet verenigbaar met de interne markt wordt geacht.”

;

e)

de volgende leden worden toegevoegd:

“11.   Indien aan de in lid 1, eerste alinea, punten a) en b), van dit artikel bedoelde voorwaarden wordt voldaan, kan de afwikkelingsraad de nationale afwikkelingsautoriteiten opdragen de bevoegdheden naar nationaal recht ter omzetting van artikel 33 bis van Richtlijn 2014/59/EU uit te oefenen, overeenkomstig de in het nationale recht vastgelegde voorwaarden. De nationale afwikkelingsautoriteiten voeren de instructies van de afwikkelingsraad uit overeenkomstig artikel 29 van deze verordening.

12.   De afwikkelingsraad kan de nationale afwikkelingsautoriteiten opdragen de in artikel 84 ter, lid 2, van Richtlijn 2014/59/EU bedoelde bevoegdheden uit te oefenen. De nationale afwikkelingsautoriteiten voeren de instructies van de afwikkelingsraad uit in overeenstemming met artikel 29 van deze verordening.”

;

21)

het volgende artikel wordt ingevoegd:

“Artikel 18 bis

Buitengewone openbare financiële steun

1.   Buitengewone openbare financiële steun buiten afwikkelingsmaatregelen om kan bij wijze van uitzondering aan een entiteit als bedoeld in artikel 2 worden verleend, mits de buitengewone openbare financiële steun voldoet aan de voorwaarden en vereisten die in de staatssteunregels van de Unie zijn vastgelegd, en wel alleen in de volgende gevallen:

a)

indien de buitengewone openbare financiële steun, teneinde een ernstige verstoring van uitzonderlijke of systemische aard in de economie van een lidstaat te verhelpen en de financiële stabiliteit in stand te houden, een of meer van de volgende vormen aanneemt:

i)

een staatsgarantie ter dekking van liquiditeitsfaciliteiten die door centrale banken tegen de voor centrale banken geldende voorwaarden worden verschaft;

ii)

een staatsgarantie met betrekking tot nieuwe verplichtingen;

iii)

een verwerving van andere eigenvermogensinstrumenten dan tier 1-kernkapitaalinstrumenten of van andere kapitaalinstrumenten, of een gebruik van maatregelen voor problematische activa, tegen prijzen, looptijd en overige voorwaarden die de betrokken entiteit geen onrechtmatig voordeel opleveren, indien zich geen van de in artikel 18, lid 4, punten a), b) en c), en artikel 21, lid 1, bedoelde omstandigheden voordoet op het tijdstip waarop de openbare steun wordt verleend;

b)

indien de buitengewone openbare financiële steun de vorm aanneemt van een interventie door een depositogarantiestelsel, als bedoeld in artikel 11, lid 3, van Richtlijn 2014/49/EU;

c)

indien de buitengewone openbare financiële steun de vorm aanneemt van een interventie door een depositogarantiestelsel, als bedoeld in artikel 11, lid 5, van Richtlijn 2014/49/EU;

d)

indien de buitengewone openbare financiële steun de vorm aanneemt van staatssteun die wordt verleend aan een entiteit als bedoeld in artikel 32 ter van Richtlijn 2014/59/EU, met uitzondering van de steun die wordt verleend door een depositogarantiestelsel op grond van artikel 11, lid 5, van Richtlijn 2014/49/EU.

2.   De in lid 1, punt a), bedoelde steunmaatregelen:

a)

blijven beperkt tot solvabele entiteiten, zoals bevestigd door de ECB of door de betrokken nationale bevoegde autoriteit;

b)

hebben een preventief en tijdelijk karakter en zijn gebaseerd op een vooraf bepaalde, door de ECB of de betrokken nationale bevoegde autoriteit goedgekeurde strategie om uit de steunmaatregelen te stappen, met duidelijke vermelding van de einddatum, de verkoopdatum of het terugbetalingsschema voor elk van die maatregelen;

c)

zijn evenredig zijn om de gevolgen van de ernstige verstoring van uitzonderlijke of systemische aard in de economie van een lidstaat te verhelpen en de financiële stabiliteit in stand te houden, en

d)

worden niet gebruikt ter compensatie van verliezen die de entiteit heeft geleden of in ten minste de volgende twaalf maanden waarschijnlijk zal lijden.

De in de eerste alinea, punt b), van dit lid bedoelde vooraf bepaalde strategie wordt pas openbaar gemaakt nadat de entiteit uit de betrokken steunmaatregelen is gestapt of nadat de in de lid 6, tweede alinea, van dit artikel bedoelde beoordeling is afgerond, met inachtneming van verplichtingen tot openbaarmaking waarvoor geen uitstel mogelijk is, als bedoeld in artikel 17 van Verordening (EU) nr. 596/2014.

3.   Voor de toepassing van lid 2, eerste alinea, punt a), van dit artikel wordt, indien de buitengewone openbare financiële steun de vorm aanneemt van de in lid 1, punt a), ii) en iii), van dit artikel bedoelde steunmaatregelen, een entiteit geacht solvabel te zijn indien de ECB of de betrokken nationale bevoegde autoriteit heeft geconcludeerd dat er zich geen schending heeft voorgedaan of, op basis van de huidige verwachtingen, de komende twaalf maanden waarschijnlijk zal voordoen van een of meer van de vereisten bedoeld in artikel 92, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013, artikel 104 bis van Richtlijn 2013/36/EU, artikel 11, lid 1, van Verordening (EU) 2019/2033, artikel 40 van Richtlijn (EU) 2019/2034 of van de toepasselijke vereisten krachtens Unierecht of nationaal recht.

Bij het beoordelen of er zich een schending van de in de eerste alinea van dit lid bedoelde vereisten heeft voorgedaan, laat de ECB of de betrokken nationale bevoegde autoriteit eventuele schendingen buiten beschouwing die op het moment van de beoordeling daadwerkelijk zijn verholpen. Indien de ECB of de betrokken nationale bevoegde autoriteit concludeert dat er zich in de komende twaalf maanden waarschijnlijk een schending van de in artikel 104 bis van Richtlijn 2013/36/EU of artikel 40 van Richtlijn (EU) 2019/2034 bedoelde vereisten zal voordoen, kan zij een entiteit bij wijze van uitzondering als solvabel beschouwen indien zij vaststelt dat de inbreuk van korte duur zal zijn en dat door de entiteit doeltreffende herstelmaatregelen voor het verhelpen van de schending zijn gepland die door de ECB of de betrokken nationale bevoegde autoriteit op het moment van de beoordeling als geloofwaardig zijn beoordeeld.

4.   Voor de toepassing van lid 2, eerste alinea, punt d), kwantificeert de ECB of de betrokken nationale bevoegde autoriteit de verliezen die de entiteit heeft geleden of waarschijnlijk zal lijden. Die kwantificering is gebaseerd op door de ECB, de EBA of de nationale autoriteiten verrichte beoordelingen van de kwaliteit van de activa of, in voorkomend geval, op door de ECB of de betrokken nationale bevoegde autoriteit verrichte inspecties ter plaatse. Indien die beoordelingen of inspecties niet binnen redelijke tijd kunnen worden uitgevoerd, kan de ECB of de betrokken nationale bevoegde autoriteit de kwantificering baseren op de balans van de entiteit, mits de balans voldoet aan de toepasselijke boekhoudregels en -normen, zoals bevestigd door een onafhankelijke externe accountant. De kwantificering geschiedt zo dicht mogelijk bij de datum van toekenning van de steunmaatregelen en aan de hand van de meest recente informatie waarover de ECB of de betrokken nationale bevoegde autoriteit beschikt.

5.   De in lid 1, punt a), iii), bedoelde steunmaatregelen blijven beperkt tot maatregelen die door de ECB of de nationale bevoegde autoriteit noodzakelijk worden geacht om de solvabiliteit van de entiteit in stand te houden door het aanpakken van het kapitaaltekort dat is vastgesteld in het ongunstige scenario van nationale, Unie- of GTM-brede stresstests of gelijkwaardige exercities die door de ECB, de EBA of nationale autoriteiten, naargelang het geval, zijn uitgevoerd en door de ECB of de betrokken bevoegde autoriteit zijn bevestigd.

In afwijking van lid 1, punt a), iii), van dit artikel is de verwerving van tier 1-kernkapitaalinstrumenten bij wijze van uitzondering toegestaan indien het vastgestelde tekort van dien aard is dat de verwerving van andere eigenvermogensinstrumenten of andere kapitaalinstrumenten de betrokken entiteit niet in staat zou stellen haar in het ongunstige scenario van de desbetreffende stresstest of gelijkwaardige exercitie vastgestelde kapitaaltekort aan te pakken. Het bedrag van de verworven tier 1-kernkapitaalinstrumenten mag niet hoger zijn dan 2 % van het totaal van de risicoposten van de betrokken entiteit, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

In uitzonderlijke omstandigheden kan de ECB of de betrokken nationale bevoegde autoriteit toestaan dat de limiet van 2 % wordt overschreden indien zij heeft aangetoond dat dit noodzakelijk en passend is voor de uitvoering van de steunmaatregelen, gelet op de specifieke omstandigheden van het geval. De limiet mag slechts worden overschreden met een bedrag dat geen risico’s met zich meebrengt voor de tijdige en geloofwaardige uitvoering van de vooraf bepaalde strategie om uit de steunmaatregelen te stappen. De ECB of de betrokken nationale bevoegde autoriteit verstrekt de Commissie, met het oog op een beoordeling van mogelijke staatssteun, de analyse die ten grondslag ligt aan de toestemming voor het overschrijden van de limiet van 2 %.

6.   Indien een of meer van de in lid 1, punt a), bedoelde steunmaatregelen niet worden afgelost, terugbetaald of anderszins beëindigd volgens de voorwaarden van de bij de toekenning van een dergelijke maatregel bepaalde strategie om uit de steunmaatregel te stappen, verzoekt de ECB of de betrokken nationale bevoegde autoriteit de entiteit een eenmalig plan van corrigerende maatregelen in te dienen. In het plan van corrigerende maatregelen worden de stappen beschreven die moeten worden ondernomen om binnen twee jaar uit de steunmaatregel te stappen en de levensvatbaarheid van de entiteit op lange termijn te waarborgen. Het plan van corrigerende maatregelen houdt geen beperking in van de bevoegdheid van de betrokken autoriteiten om te allen tijde te beoordelen of te bepalen of de entiteit faalt of waarschijnlijk zal falen.

Indien de ECB of de betrokken nationale bevoegde autoriteit er niet van overtuigd is dat het plan van corrigerende maatregelen geloofwaardig of haalbaar is, of indien de entiteit het plan van corrigerende maatregelen niet naleeft, beoordelen de betrokken autoriteiten of de entiteit faalt of waarschijnlijk zal falen.

7.   De ECB of de betrokken nationale bevoegde autoriteit stelt de afwikkelingsraad in kennis van de resultaten van haar beoordeling of wordt voldaan aan de voorwaarden van lid 2, eerste alinea, punten a), b) en d), van dit artikel met betrekking tot de in artikel 7, lid 2, bedoelde entiteiten en groepen en tot de in artikel 7, lid 4, punt b), en lid 5, bedoelde entiteiten en groepen, indien aan de voorwaarden voor de toepasselijkheid van die bepalingen wordt voldaan.”

;

22)

artikel 19 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt vervangen door:

“1.   Indien in het kader van een afwikkelingsmaatregel staatssteun op grond van artikel 107, lid 1, VWEU of steun uit het Fonds overeenkomstig lid 3 van dit artikel wordt verleend, treedt de in artikel 18, lid 6, van deze verordening bedoelde afwikkelingsregeling pas in werking nadat de Commissie een positief of een voorwaardelijk besluit heeft genomen, of een besluit om geen bezwaar te maken, over de verenigbaarheid van het gebruik van dergelijke steun met de interne markt. De Commissie stelt, rekening houdend met de noodzaak van de tijdige uitvoering van de afwikkelingsregeling door de afwikkelingsraad, het besluit over de verenigbaarheid van het gebruik van staatssteun of steun uit het Fonds met de interne markt uiterlijk vast op het moment dat zij de afwikkelingsregeling goedkeurt of daartegen bezwaar maakt op grond van artikel 18, lid 7, tweede alinea, van deze verordening of vóór het verstrijken van de in artikel 18, lid 7, vijfde alinea, van deze verordening bedoelde termijn van 24 uur, naargelang welke datum vroeger valt.

Bij de uitvoering van de bij artikel 18 van deze verordening aan hen toegewezen taken beschikken de instellingen van de Unie over structurele regelingen die de operationele onafhankelijkheid waarborgen en belangenconflicten voorkomen die zich tussen de met de uitvoering van die taken belaste functies en andere functies zouden kunnen voordoen, en maken zij op passende wijze alle relevante informatie over hun interne organisatie ter zake openbaar.”

;

b)

lid 3 wordt vervangen door:

“3.   Zodra de afwikkelingsraad van oordeel is dat het nodig kan zijn het Fonds te gebruiken, neemt hij informeel, onverwijld en op vertrouwelijke wijze contact op met de Commissie om het mogelijke gebruik van het Fonds te bespreken, met inbegrip van de juridische en economische aspecten van het gebruik ervan. Zodra de afwikkelingsraad voldoende zekerheid heeft dat de beoogde afwikkelingsregeling het gebruik van steun uit het Fonds met zich meebrengt, stelt de afwikkelingsraad de Commissie formeel in kennis van het voorgestelde gebruik van het Fonds. Die kennisgeving bevat alle informatie die de Commissie nodig heeft om haar beoordelingen op grond van dit lid te maken en die de afwikkelingsraad in zijn bezit heeft of overeenkomstig deze verordening bevoegd is om te verkrijgen.

Na ontvangst van de in de eerste alinea bedoelde kennisgeving beoordeelt de Commissie of het gebruik van het Fonds de mededinging zou verstoren of dreigen te verstoren door de begunstigde onderneming of een andere onderneming zodanig te bevoordelen dat het van invloed zou zijn op de handel tussen de lidstaten en daarmee onverenigbaar met de interne markt is. De Commissie past op het gebruik van het Fonds de in artikel 107 VWEU verankerde criteria toe die voor de toepassing van de staatssteunregels zijn vastgesteld. De afwikkelingsraad verstrekt de Commissie de informatie die hij in zijn bezit heeft of overeenkomstig deze verordening bevoegd is om te verkrijgen en die de Commissie noodzakelijk acht om die beoordeling uit te voeren.

Bij het opstellen van haar beoordeling laat de Commissie zich leiden door alle ter zake doende, uit hoofde van artikel 109 VWEU vastgestelde verordeningen, alsmede relevante mededelingen en richtsnoeren van de Commissie en maatregelen die de Commissie heeft vastgesteld ter uitvoering van de Verdragsbepalingen inzake staatssteun die van kracht zijn op het moment dat de beoordeling moet worden uitgevoerd. Bij de toepassing van die maatregelen wordt aangenomen dat verwijzingen naar de lidstaat die verantwoordelijk is voor het aanmelden van de steun, verwijzingen zijn naar de afwikkelingsraad, en worden andere eventueel noodzakelijke wijzigingen aangebracht.

De Commissie stelt een besluit vast over de verenigbaarheid van het gebruik van het Fonds met de interne markt en richt dat besluit tot de afwikkelingsraad en de nationale afwikkelingsautoriteiten van de betrokken lidstaat of lidstaten. Aan dat besluit kunnen voorwaarden, verplichtingen of verbintenissen voor de begunstigde worden verbonden en in het besluit wordt rekening gehouden met de noodzaak van een tijdige uitvoering van de afwikkelingsmaatregel door de afwikkelingsraad.

In het besluit kunnen tevens verplichtingen worden opgelegd aan de afwikkelingsraad, de nationale afwikkelingsautoriteiten in de betrokken deelnemende lidstaat of lidstaten, of de begunstigde om te kunnen controleren of het besluit wordt nageleefd. Daartoe kan de eis behoren dat een trustee of andere onafhankelijke persoon wordt benoemd om bij de controle te helpen. Een trustee of andere onafhankelijke persoon kan de in het besluit van de Commissie te specificeren functies vervullen.

Elk op grond van dit lid genomen besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

De Commissie kan een tot de afwikkelingsraad gericht afwijzend besluit vaststellen indien zij besluit dat het voorgestelde gebruik van het Fonds niet verenigbaar zou zijn met de interne markt en dat dit niet in de door de afwikkelingsraad voorgestelde vorm ten uitvoer kan worden gelegd. De afwikkelingsraad heroverweegt na ontvangst van een dergelijk besluit zijn afwikkelingsregeling en stelt een herziene afwikkelingsregeling op.”

;

c)

lid 10 wordt vervangen door:

“10.   In afwijking van lid 3 kan de Raad, op verzoek van een lidstaat of de afwikkelingsraad, binnen zeven dagen nadat het verzoek is ingediend, met eenparigheid van stemmen besluiten dat het gebruik van het Fonds als verenigbaar met de interne markt moet worden beschouwd indien uitzonderlijke omstandigheden een dergelijk besluit rechtvaardigen. De Commissie neemt een besluit over de zaak indien de Raad binnen die termijn van zeven dagen geen besluit heeft genomen.”

;

23)

artikel 20 wordt als volgt gewijzigd:

a)

het volgende lid wordt ingevoegd:

“8 bis.   Indien dit noodzakelijk is om de in lid 5, punten c) en d), bedoelde besluiten te onderbouwen, vult de taxateur de in lid 7, punt c), bedoelde informatie aan met een raming van de waarde van de activa buiten de balanstelling en de waarde van de passiva die in de toekomst zouden kunnen voortvloeien uit een onzekere gebeurtenis, en van de verplichtingen waarvan het tijdstip of het bedrag onzeker is.”

;

b)

in lid 17 wordt punt a) vervangen door:

“a)

de behandeling die aandeelhouders en crediteuren, of de desbetreffende depositogarantiestelsels in de gevallen bedoeld in artikel 79, lid 1, punt a), en lid 6), zouden hebben genoten indien op het moment dat het besluit over de afwikkelingsmaatregel(en) werd genomen, een normale insolventieprocedure zou zijn geopend ten aanzien van een instelling in afwikkeling waarop de afwikkelingsmaatregel(en) betrekking had(den);”

;

24)

artikel 21 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt als volgt gewijzigd:

i)

de eerste alinea wordt als volgt gewijzigd:

de aanhef wordt vervangen door:

“De afwikkelingsraad oefent overeenkomstig de procedure van artikel 18 met betrekking tot de in artikel 7, lid 2, bedoelde entiteiten en groepen en de in artikel 7, lid 4, punt b), en artikel 7, lid 5, bedoelde entiteiten en groepen de bevoegdheid tot afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva als bedoeld in lid 7 bis van dit artikel uit wanneer aan de voorwaarden voor de toepassing van die bepalingen is voldaan, maar alleen als hij in zijn bestuursvergadering, na ontvangst van een mededeling op grond van de tweede alinea van dit lid of op eigen initiatief en gelet op de noodzaak om de afschrijvings- of omzettingsbevoegdheid of, in voorkomend geval, de afwikkelingsstrategie voor de af te wikkelen groep doeltreffend uit te voeren, vaststelt dat er zich een of meer van de volgende omstandigheden voordoen:”

;

punt e) wordt vervangen door:

“e)

de entiteit of groep heeft buitengewone openbare financiële steun nodig, tenzij die steun wordt verleend in een van de in artikel 18 bis bedoelde vormen.”

;

ii)

de tweede alinea wordt vervangen door:

“De beoordeling van de in de eerste alinea, punten a) tot en met d), van dit lid bedoelde voorwaarden geschiedt door de ECB voor entiteiten bedoeld in artikel 7, lid 2, punt a), of door de betrokken nationale bevoegde autoriteit voor entiteiten bedoeld in artikel 7, lid 2, punt b), en artikel 7, lid 4, punt b), en artikel 7, lid 5, en door de afwikkelingsraad in zijn bestuursvergadering, overeenkomstig de taakverdeling op grond van de procedure van artikel 18, leden 1 en 2.”

;

b)

lid 2 wordt geschrapt;

c)

in lid 3 wordt punt b) vervangen door:

“b)

gezien het tijdsbestek en andere ter zake doende omstandigheden, valt redelijkerwijze niet te verwachten dat een andere maatregel, inclusief alternatieve maatregelen van de particuliere sector, maatregelen van een toezichthouder of vroegtijdige-interventiemaatregelen, dan de afschrijving of omzetting van de relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva als bedoeld in lid 7 bis het falen van de betrokken entiteit of groep binnen een redelijk tijdsbestek zou voorkomen.”

;

d)

lid 9 wordt vervangen door:

“9.   Indien met betrekking tot een in dat lid bedoelde entiteit aan een of meer van de in lid 1 van dit artikel bedoelde voorwaarden is voldaan en met betrekking tot die entiteit of een entiteit die tot dezelfde groep behoort ook aan de in artikel 18, lid 1, bedoelde voorwaarden is voldaan, is de in artikel 18, leden 6, 7 en 8, opgenomen procedure van toepassing. De afwikkelingsraad stelt een gemeenschappelijke afwikkelingsregeling vast voor de entiteit waarvoor aan de in artikel 18, lid 1, bedoelde voorwaarden is voldaan, alsook voor elke in lid 1 van dit artikel bedoelde entiteit.”

;

25)

in artikel 22 wordt lid 5 vervangen door:

“5.   Indien de in lid 2, punt a) of b), bedoelde afwikkelingsinstrumenten onafhankelijk of in combinatie met andere afwikkelingsinstrumenten worden gebruikt om slechts een deel van de activa, rechten of passiva van de instelling in afwikkeling over te dragen, wordt elke resterende entiteit na de overdracht van de activa, rechten of passiva en, in voorkomend geval, de toepassing van andere afwikkelingsinstrumenten op ordelijke wijze geliquideerd overeenkomstig het toepasselijke nationale recht.

De eerste alinea van dit lid is niet van toepassing indien het instrument van bail-in, in combinatie met andere afwikkelingsinstrumenten, wordt toegepast op een instelling in afwikkeling voor de toepassing van artikel 27, lid 1, punt a).

In de in de eerste alinea van dit lid bedoelde gevallen kan de afwikkelingsraad, indien een afwikkelingsmaatregel ertoe zou leiden dat crediteuren verliezen lijden of dat hun vorderingen worden omgezet, besluiten de in lid 1 van dit artikel bedoelde bevoegdheid om kapitaalinstrumenten af te schrijven en om te zetten overeenkomstig artikel 21 niet uit te oefenen, indien die instrumenten in de resterende entiteit moeten blijven en de toepassing van de in lid 2, punt a) of b), van dit artikel bedoelde afwikkelingsinstrumenten samen met de liquidatie van de resterende entiteit er op basis van de in artikel 20 bedoelde waardering voor zou zorgen dat zij eerder verliezen zouden dragen dan alle andere crediteuren van de instelling in afwikkeling.”

;

26)

artikel 27 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 7 wordt vervangen door:

“7.   Het Fonds mag een in lid 6 bedoelde bijdrage enkel leveren indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a)

een bijdrage tot verliesabsorptie en herkapitalisatie ten belope van een bedrag van niet minder dan 8 % van de totale passiva inclusief eigen vermogen van de instelling in afwikkeling, gemeten overeenkomstig de in artikel 20, leden 1 tot en met 15, van deze verordening bedoelde waardering, is geleverd door de aandeelhouders, door de houders van relevante kapitaalinstrumenten en van andere bail-inbare passiva door middel van vermindering, afschrijving of omzetting op grond van artikel 48, lid 1, van Richtlijn 2014/59/EU en artikel 21, lid 10, van deze verordening, en door het depositogarantiestelsel op grond van artikel 79 van deze verordening, indien van toepassing;

b)

de bijdrage van het Fonds is niet groter dan 5 % van de totale passiva, met inbegrip van het eigen vermogen van de instelling in afwikkeling, bepaald volgens de in artikel 20, leden 1 tot en met 15, bepaalde waarderingsmethode.”

;

b)

lid 9 wordt vervangen door:

“9.   In buitengewone omstandigheden kan de afwikkelingsraad verdere middelen uit alternatieve financieringsbronnen trachten te verkrijgen nadat:

a)

het Fonds een bijdrage heeft geleverd op grond van lid 6 en de in lid 7, punt b), bedoelde limiet van 5 % is bereikt, en

b)

alle bail-inbare passiva die geen in aanmerking komende deposito’s zijn, die een lagere rang hebben dan de in artikel 108, lid 1, eerste alinea, punt b), van Richtlijn 2014/59/EU bedoelde deposito’s en die niet op grond van lid 5 van dit artikel van bail-in zijn uitgesloten, volledig zijn afgeschreven of omgezet.”

;

c)

lid 13 wordt vervangen door:

“13.   De afwikkelingsraad raamt op basis van een waardering die aan de vereisten van artikel 20, leden 1 tot en met 15, voldoet, het totaal van:

a)

in voorkomend geval, het bedrag waarmee de bail-inbare passiva moeten worden afgeschreven om ervoor te zorgen dat de nettowaarde van de activa van de instelling in afwikkeling gelijk is aan nul, en

b)

in voorkomend geval, het bedrag waarvoor bail-inbare passiva in aandelen of andere soorten kapitaalinstrumenten moeten worden omgezet om de tier 1-kernkapitaalratio te herstellen van:

i)

de instelling in afwikkeling, of

ii)

de overbruggingsinstelling.

13 bis.   Bij de in lid 13 bedoelde raming wordt het bedrag vastgesteld waarmee, respectievelijk waarvoor de bail-inbare passiva moeten worden afgeschreven of omgezet met de volgende doeleinden:

a)

om de tier 1-kernkapitaalratio van de instelling in afwikkeling te herstellen of, in voorkomend geval, de ratio van de overbruggingsinstelling vast te stellen, rekening houdend met een eventuele kapitaalinbreng door het Fonds op grond van artikel 76, lid 1, punt d);

b)

om voldoende marktvertrouwen in de instelling in afwikkeling of de overbruggingsinstelling te handhaven, rekening houdend met passiva die in de toekomst kunnen voortvloeien uit een onzekere gebeurtenis, of verplichtingen waarvan het tijdstip of het bedrag onzeker is, die niet zijn afgeschreven of omgezet, en om die instelling in staat te stellen gedurende ten minste één jaar aan de vergunningsvoorwaarden te blijven voldoen en de werkzaamheden te blijven uitoefenen waarvoor haar overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU of 2014/65/EU vergunning is verleend.

Indien de afwikkelingsraad voornemens is het instrument van afsplitsing van activa als bedoeld in artikel 26 te gebruiken, wordt in het bedrag waarmee de bail-inbare passiva moeten worden verminderd, indien nodig rekening gehouden met een prudente raming van de kapitaalbehoeften van het vehikel voor activabeheer.”

;

27)

artikel 30 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de titel wordt vervangen door:

“Verplichting tot samenwerking en informatie-uitwisseling”

;

b)

lid 2 wordt vervangen door:

“2.   Bij de uitoefening van hun respectieve verantwoordelijkheden op grond van deze verordening werken de afwikkelingsraad, de Raad, de Commissie, de ECB, de nationale afwikkelingsautoriteiten en de nationale bevoegde autoriteiten nauw samen, met name in de fasen van afwikkelingsplanning, vroegtijdige interventie en afwikkeling op grond van de artikelen 8 tot en met 29. Zij verstrekken elkaar alle informatie die nodig is voor de uitvoering van hun respectieve taken, met inbegrip van de in de leden 2 bis, 2 ter en 2 quater van dit artikel bedoelde informatie.”

;

c)

de volgende leden worden ingevoegd:

“2 bis.   De afwikkelingsraad, het ESRB, de EBA, de ESMA en de Eiopa werken nauw samen en verstrekken elkaar alle informatie die nodig is voor de uitvoering van hun respectieve taken.

2 ter.   De ECB en de andere leden van het Europees Stelsel van centrale banken (ESCB) werken nauw met de afwikkelingsraad samen en verstrekken hem alle informatie die nodig is voor de uitvoering van zijn taken, met inbegrip van de informatie die door hen is verzameld op grond van de statuten van het ESCB en van de ECB. Artikel 88, lid 6, is van toepassing op al die uitwisselingen van informatie.

2 quater.   De aangewezen autoriteiten en de depositogarantiestelsels werken nauw samen met de afwikkelingsraad. De aangewezen autoriteiten, de depositogarantiestelsels en de afwikkelingsraad verstrekken elkaar alle informatie die nodig is voor de uitvoering van hun respectieve taken. De aangewezen autoriteiten en de depositogarantiestelsels zijn gebonden door het beroepsgeheim als bedoeld in artikel 88.”

;

d)

de leden 6 en 7 worden vervangen door:

“6.   De afwikkelingsraad streeft naar nauwe samenwerking met alle openbare financiële-bijstandsfaciliteiten, waaronder de Europese Faciliteit voor financiële stabiliteit (European Financial Stability Facility — EFSF) en het Europees stabiliteitsmechanisme (European Stability Mechanism — ESM), met name in alle volgende situaties:

a)

in de buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 27, lid 9, en wanneer een dergelijke faciliteit directe of indirecte financiële bijstand heeft verleend of waarschijnlijk zal verlenen aan in een deelnemende lidstaat gevestigde entiteiten;

b)

wanneer de afwikkelingsraad voor het Fonds een financiële regeling heeft getroffen op grond van artikel 74.

7.   Zo nodig sluit de afwikkelingsraad een memorandum van overeenstemming met de ECB en de andere leden van het ESCB, de nationale afwikkelingsautoriteiten en de nationale bevoegde autoriteiten, en de aangewezen autoriteiten en de depositogarantiestelsels, waarin op algemene wijze wordt beschreven hoe zij uit hoofde van de leden 2 tot en met 2 quater en 4 van dit artikel en van artikel 74, tweede alinea, zullen samenwerken bij de uitoefening van hun respectieve taken krachtens het Unierecht. Het memorandum wordt regelmatig geëvalueerd en wordt openbaar gemaakt met inachtneming van de vereisten inzake geheimhouding.”

;

28)

het volgende artikel wordt ingevoegd:

“Artikel 30 bis

Informatie in het bezit van gecentraliseerde automatische mechanismen

1.   De autoriteiten die de op grond van artikel 32 bis van Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad (*3) ingestelde gecentraliseerde automatische mechanismen beheren, verstrekken de afwikkelingsraad op zijn verzoek informatie over het geaggregeerde aantal klanten waarvoor een in artikel 2 van deze verordening bedoelde entiteit de enige of voornaamste bankpartner is.

2.   De afwikkelingsraad vraagt de in lid 1 bedoelde informatie alleen per geval op en wanneer dat nodig en evenredig is voor de uitvoering van zijn taken uit hoofde van deze verordening.

3.   De afwikkelingsraad deelt de op grond van lid 1 verkregen informatie met de relevante nationale afwikkelingsautoriteiten in het kader van de uitoefening van hun taken uit hoofde van deze verordening.

(*3)  Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PB L 141 van 5.6.2015, blz. 73, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2015/849/oj).”;"

29)

aan artikel 31 wordt het volgende lid toegevoegd:

“3.   Voor de in artikel 7, lid 2, van deze verordening bedoelde entiteiten en groepen, en voor de in artikel 7, lid 4, punt b), en artikel 7, lid 5, van deze verordening bedoelde entiteiten en groepen, indien aan de voorwaarden voor de toepassing van die bepalingen is voldaan, raadplegen de nationale afwikkelingsautoriteiten de afwikkelingsraad alvorens op grond van artikel 86 van Richtlijn 2014/59/EU te handelen.

De nationale afwikkelingsautoriteiten stellen een passende termijn vast waarbinnen de afwikkelingsraad op het verzoek om raadpleging moet reageren, die niet korter mag zijn dan twee werkdagen na de indiening van het verzoek door de nationale afwikkelingsautoriteit. Indien de afwikkelingsraad zijn standpunt niet binnen die termijn kenbaar maakt of om verlenging van die termijn verzoekt, wordt ervan uitgegaan dat hij geen opmerkingen heeft.”

;

30)

in artikel 32, lid 1, wordt de eerste alinea vervangen door:

“Wanneer een groep entiteiten omvat die in deelnemende lidstaten en in niet-deelnemende lidstaten of derde landen zijn gevestigd, vertegenwoordigt de afwikkelingsraad, onverminderd enige uit hoofde van deze verordening vereiste goedkeuring door de Raad of de Commissie, de nationale afwikkelingsautoriteiten van de deelnemende lidstaten met het oog op overleg en samenwerking met de niet-deelnemende lidstaten of derde landen overeenkomstig de artikelen 7, 8, 12, 13, 16, 18, 45 nonies, 55 en de artikelen 88 tot en met 92 van Richtlijn 2014/59/EU.”

;

31)

artikel 34 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 1 wordt de aanhef vervangen door:

“De afwikkelingsraad kan, met volledige gebruikmaking van alle informatie die reeds voor de ECB beschikbaar is, met inbegrip van de informatie die door de leden van het ESCB op grond van zijn statuten en door de leden van de ECB is verzameld, of van alle informatie waarover de nationale bevoegde autoriteiten, het ESRB, de EBA, de ESMA of de Eiopa beschikken, via de nationale afwikkelingsautoriteiten of rechtstreeks, na de nationale afwikkelingsautoriteiten op de hoogte te hebben gebracht, van de volgende natuurlijke of rechtspersonen verlangen dat zij hem alle informatie verstrekken die hij nodig heeft om zijn taken uit te voeren, volgens de procedure en in de vorm, gevraagd door de afwikkelingsraad:”

;

b)

de leden 5 en 6 worden vervangen door:

“5.   De afwikkelingsraad, de ECB, de leden van het ESCB, de nationale bevoegde autoriteiten, het ESRB, de EBA, de ESMA, de Eiopa en de nationale afwikkelingsautoriteiten kunnen memoranda van overeenstemming opstellen waarin een procedure voor de uitwisseling van informatie wordt vastgelegd. De uitwisseling van informatie tussen de afwikkelingsraad, de ECB en de andere leden van het ESCB, de nationale bevoegde autoriteiten, het ESRB, de EBA, de ESMA, de Eiopa en de nationale afwikkelingsautoriteiten wordt niet beschouwd als schending van de vereisten inzake beroepsgeheim.

6.   De nationale bevoegde autoriteiten, de ECB, de leden van het ESCB, het ESRB, de EBA, de ESMA, de Eiopa en de nationale afwikkelingsautoriteiten werken samen met de afwikkelingsraad om na te gaan of de gevraagde informatie geheel of gedeeltelijk reeds beschikbaar is op het moment dat het verzoek wordt ingediend. Indien dergelijke informatie beschikbaar is, verstrekken de nationale bevoegde autoriteiten, de ECB en de andere leden van het ESCB, het ESRB, de EBA, de ESMA, de Eiopa of de nationale afwikkelingsautoriteiten die informatie aan de afwikkelingsraad.”

;

32)

het volgende artikel wordt ingevoegd:

“Artikel 41 bis

Beroep bij het Hof van Justitie van de Europese Unie

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft volledige rechtsmacht ter zake van beroep tegen besluiten van de afwikkelingsraad waarbij een geldboete of een dwangsom wordt opgelegd. Het kan het bedrag van de opgelegde geldboete of dwangsom annuleren, verlagen of verhogen.”

;

33)

artikel 43 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 1 wordt het volgende punt ingevoegd:

“a bis)

de overeenkomstig artikel 56 benoemde vicevoorzitter;”

;

b)

lid 2 wordt vervangen door:

“2.   Elk lid, met inbegrip van de voorzitter en de vicevoorzitter, heeft één stem.”

;

34)

artikel 45 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de titel wordt vervangen door:

“Transparantie en verantwoordingsplicht”

;

b)

het volgende lid wordt ingevoegd:

“3 bis.   De afwikkelingsraad maakt zijn beleid, richtsnoeren, algemene instructies en werkdocumenten over afwikkeling in het algemeen en over de afwikkelingspraktijken en -methoden die in het kader van het GAM moeten worden toegepast openbaar, mits een dergelijke openbaarmaking niet leidt tot de bekendmaking van vertrouwelijke informatie. Dat openbaarmakingsvereiste is niet van toepassing op documenten die richtsnoeren of instructies voor interne afwikkelingsteams bevatten, noch op andere documenten die louter met het oog op de interne uitwisseling van informatie binnen het GAM zijn opgesteld.”

;

35)

in artikel 50, lid 1, wordt punt n) vervangen door:

“n)

een rekenplichtige en een interne auditeur benoemen met inachtneming van het Statuut en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden, die functioneel onafhankelijk zijn bij de uitvoering van hun taken;”

;

36)

artikel 53 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 1 wordt de eerste alinea vervangen door:

“De afwikkelingsraad in bestuursvergadering is samengesteld uit de voorzitter, de vicevoorzitter en de vier leden als bedoeld in artikel 43, lid 1, punt b). De afwikkelingsraad in bestuursvergadering komt zo vaak als nodig bijeen.”

;

b)

lid 5 wordt vervangen door:

“5.   De in artikel 43, lid 1, punten a), a bis) en b), bedoelde leden van de afwikkelingsraad zien erop toe dat de afwikkelingsbesluiten en -maatregelen, met name wat het gebruik van het Fonds betreft, in de verschillende samenstellingen van de bestuursvergaderingen van de afwikkelingsraad coherent, passend en proportioneel zijn.”

;

37)

artikel 54 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 2 wordt als volgt gewijzigd:

i)

de aanhef wordt vervangen door:

“Bij de uitoefening van zijn taken op grond van lid 1 van dit artikel moet de afwikkelingsraad in zijn bestuursvergadering:”

;

ii)

het volgende punt wordt toegevoegd:

“f)

overeenkomstig de procedure van lid 2 bis overleg plegen over richtsnoeren, algemene instructies en andere instrumenten van algemene strekking binnen het GAM waarin uiteen wordt gezet hoe de afwikkelingsraad voornemens deze verordening uit te voeren.”

;

b)

het volgende lid wordt ingevoegd:

“2 bis.   Voor de toepassing van lid 2, punt f), is de volgende procedure van toepassing:

a)

de afwikkelingsraad in bestuursvergadering legt een ontwerpinstrument voor aan de afwikkelingsraad in plenaire vergadering;

b)

de afwikkelingsraad zorgt er in plenaire vergadering voor dat de in artikel 43, lid 1, punt c), bedoelde leden van de afwikkelingsraad over het ontwerpinstrument worden geraadpleegd;

c)

de afwikkelingsraad in bestuursvergadering beoordeelt alle opmerkingen die in het kader van de in punt b) bedoelde raadpleging zijn ingediend;

d)

na de beoordeling van de opmerkingen legt de afwikkelingsraad in bestuursvergadering zijn beoordeling van die opmerkingen ter bespreking voor aan de afwikkelingsraad in plenaire vergadering;

e)

de afwikkelingsraad in bestuursvergadering neemt een besluit over de definitieve versie van het instrument na de in punt d) bedoelde bespreking en na terdege rekening te hebben gehouden met alle ontvangen opmerkingen.

De afwikkelingsraad in bestuursvergadering verschaft de afwikkelingsraad in plenaire vergadering gepaste redenen voor de gemaakte keuzes met betrekking tot het in de eerste alinea van dit lid bedoelde instrument. Een samenvatting van die redenen wordt bekendgemaakt in het in artikel 45, lid 2, bedoelde jaarverslag van de afwikkelingsraad.”

;

38)

in artikel 55 worden de leden 1 en 2 vervangen door:

“1.   Indien bij de beraadslaging over een individuele entiteit of een groep die slechts in één deelnemende lidstaat is gevestigd, niet alle in artikel 53, leden 1 en 3, bedoelde leden binnen een door de voorzitter gestelde termijn bij consensus tot overeenstemming kunnen komen, nemen de voorzitter, de vicevoorzitter en de in artikel 43, lid 1, punt b), bedoelde leden een besluit bij gewone meerderheid.

2.   Indien bij de beraadslaging over een grensoverschrijdende groep niet alle in artikel 53, leden 1 en 4, bedoelde leden binnen een door de voorzitter gestelde termijn bij consensus tot overeenstemming kunnen komen, nemen de voorzitter, de vicevoorzitter en de in artikel 43, lid 1, punt b), bedoelde leden een besluit bij gewone meerderheid.”

;

39)

artikel 56 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 2 wordt punt d) vervangen door:

“d)

het opstellen van een voorlopige ontwerpbegroting en een ontwerpbegroting van de afwikkelingsraad overeenkomstig artikel 61, en het uitvoeren van de begroting van de afwikkelingsraad overeenkomstig artikel 63;”

;

b)

in lid 5 wordt de eerste alinea vervangen door:

“De ambtstermijn van de voorzitter, de vicevoorzitter en de in artikel 43, lid 1, punt b), bedoelde leden bedraagt vijf jaar. Die termijn is niet hernieuwbaar.”

;

c)

lid 7 wordt vervangen door:

“7.   De voorzitter, de vicevoorzitter en de in artikel 43, lid 1, punt b), bedoelde leden blijven in functie totdat hun opvolgers zijn benoemd en in functie zijn getreden overeenkomstig het in lid 6 van dit artikel bedoelde besluit van de Raad.”

;

d)

lid 8 wordt geschrapt;

40)

artikel 61 wordt vervangen door:

“Artikel 61

Opstelling van de begroting

1.   Uiterlijk op 31 maart van elk jaar stelt de voorzitter een voorlopige ontwerpbegroting van de afwikkelingsraad op, met een raming van de ontvangsten en uitgaven van de afwikkelingsraad voor het volgende jaar, samen met de ontwerp-personeelsformatie voor het volgende jaar, en legt hij deze ter goedkeuring voor aan de afwikkelingsraad in zijn plenaire vergadering.

De afwikkelingsraad past in zijn plenaire vergadering zo nodig de voorlopige ontwerpbegroting van de afwikkelingsraad samen met de ontwerp-personeelsformatie aan.

2.   Op basis van de voorlopige ontwerpbegroting die door de afwikkelingsraad in zijn plenaire vergadering is aangenomen, stelt de voorzitter een ontwerpbegroting van de afwikkelingsraad op en legt hij deze ter goedkeuring voor aan de afwikkelingsraad in zijn plenaire vergadering.

Uiterlijk op 30 november van elk jaar stelt de afwikkelingsraad in zijn plenaire vergadering de door de voorzitter voorgelegde ontwerpbegroting zo nodig bij en keurt hij de definitieve begroting van de afwikkelingsraad, samen met de personeelsformatie, goed.”

;

41)

in artikel 62 wordt lid 3 vervangen door:

“3.   De afwikkelingsraad in plenaire vergadering is verantwoordelijk voor het vaststellen van interne controlenormen en het invoeren van interne controlesystemen en -procedures die zijn toegesneden op de uitvoering van de taken van de interne auditeur.”

;

42)

in artikel 69 wordt lid 4 vervangen door:

“4.   Indien de beschikbare financiële middelen niet volstaan om het in lid 1 van dit artikel vermelde streefbedrag te bereiken, worden de overeenkomstig artikel 70 berekende vooraf te betalen bijdragen geïnd totdat het streefbedrag is bereikt. De afwikkelingsraad kan de inning van de overeenkomstig artikel 70 geïnde vooraf te betalen bijdragen tot drie jaar uitstellen om ervoor te zorgen dat het te innen bedrag een bedrag bereikt dat in verhouding staat tot de kosten van de inningsprocedure, mits een dergelijk uitstel de capaciteit van de afwikkelingsraad om het Fonds op grond van afdeling 3 te gebruiken, niet wezenlijk aantast. Indien de beschikbare financiële middelen minder dan twee derde van het streefbedrag bedragen, worden de bijdragen vastgesteld op een niveau dat het mogelijk maakt dat het streefbedrag binnen een redelijke termijn van ten hoogste zes jaar wordt bereikt.

Indien het netto geaccumuleerde gebruik van het Fonds over de afgelopen drie jaar, dat mogelijk is gemaakt door de bijdrage van depositogarantiestelsels overeenkomstig artikel 79, lid 4, echter de drempel van 20 % van het streefbedrag van het Fonds heeft bereikt en de beschikbare financiële middelen zijn teruggebracht tot minder dan twee derde van het streefbedrag, dan worden de vooraf te betalen bijdragen die door dat gebruik noodzakelijk zijn geworden, vastgesteld op een niveau dat het mogelijk maakt dat het streefbedrag binnen tien jaar wordt bereikt.

Bij het vaststellen van de jaarlijkse vooraf te betalen bijdragen in het kader van dit lid wordt terdege rekening gehouden met de conjunctuurcyclus en met het mogelijke effect van procyclische bijdragen.”

;

43)

artikel 70 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 3 wordt vervangen door:

“3.   De in aanmerking te nemen beschikbare financiële middelen om het in artikel 69 vermelde streefbedrag te bereiken, kunnen ook onherroepelijke betalingstoezeggingen omvatten die volledig zijn gedekt door zekerheden of activa met een laag risico die niet met rechten van derden zijn bezwaard, waarover vrij kan worden beschikt en waarvan uitsluitend gebruik kan worden gemaakt door de afwikkelingsraad voor de in artikel 76, lid 1, vermelde doeleinden. Het aandeel van onherroepelijke betalingstoezeggingen is niet hoger dan 30 % van het totaalbedrag dat overeenkomstig dit artikel wordt geïnd. Binnen dat maximum bepaalt de afwikkelingsraad jaarlijks het aandeel van de onherroepelijke betalingstoezeggingen in het totale bedrag van de overeenkomstig dit artikel te heffen bijdragen.”

;

b)

het volgende lid wordt ingevoegd:

“3 bis.   De afwikkelingsraad vraagt de op grond van lid 3 van dit artikel gedane onherroepelijke betalingstoezeggingen op wanneer het gebruik van het Fonds op grond van artikel 76 nodig is.

Wanneer een entiteit niet langer onder artikel 2 valt, annuleert de afwikkelingsraad de op grond van lid 3 van dit artikel gedane onherroepelijke betalingstoezeggingen en wordt de zekerheid ter dekking van de toezeggingen teruggegeven.

Gezien de noodzaak om een toereikend niveau van beschikbare financiële middelen in het Fonds in stand te houden of te herstellen, is de afwikkelingsraad in de in de tweede alinea bedoelde gevallen bevoegd om, bij annulering van de onherroepelijke betalingstoezeggingen, een bedrag vast te stellen dat de in de tweede alinea bedoelde entiteit aan het Fonds bijdraagt in de vorm, op de voorwaarden en binnen de tijdspanne die door de afwikkelingsraad in zijn besluit zijn vastgelegd.

De in de derde alinea bedoelde bijdrage is niet hoger dan het bedrag van de onherroepelijke betalingstoezeggingen die op grond van de tweede alinea zijn geannuleerd.”

;

44)

in artikel 71, lid 1, wordt de tweede alinea vervangen door:

“Het totale bedrag van buitengewone achteraf te betalen bijdragen per jaar overschrijdt niet driemaal 12,5 % van het in artikel 69 bepaalde streefbedrag.”

;

45)

aan artikel 74 wordt de volgende alinea toegevoegd:

“De afwikkelingsraad stelt de Commissie en de ECB in kennis zodra hij van oordeel is dat het nodig kan zijn de financiële regelingen te activeren die overeenkomstig dit artikel voor het Fonds zijn aangegaan, en verstrekt de Commissie en de ECB alle informatie die nodig is voor de uitvoering van hun taken met betrekking tot die financiële regelingen.”

;

46)

artikel 76 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 1 wordt punt e) vervangen door:

“e)

om een compensatie te betalen aan aandeelhouders of crediteuren of, in de artikel 79, lid 1), punt a), en artikel 79, lid 6, bedoelde gevallen, aan het depositogarantiestelsel indien zij na een waardering op grond van artikel 20, lid 5, grotere verliezen hebben geleden dan zij zouden hebben geleden na een waardering op grond van artikel 20, lid 16, in een liquidatie volgens een normale insolventieprocedure;”

;

b)

het volgende lid wordt ingevoegd:

“3 bis.   Indien lid 3 van toepassing is, wordt elke variabele beloning, met inbegrip van discretionaire pensioenuitkeringen, van de huidige en de voormalige leden van het leidinggevend orgaan en het hoger management van de instelling in afwikkeling voor de perioden vóór het falen van de instelling die niet is uitbetaald of verworven vóór het besluit om afwikkelingsmaatregelen te nemen, geannuleerd. Een variabele beloning, met inbegrip van discretionaire pensioenuitkeringen, die in de 24 maanden voorafgaand aan het besluit om afwikkelingsmaatregelen te nemen is verworven of uitbetaald aan de huidige en de voormalige leden van het leidinggevend orgaan en het hoger management, wordt door hen worden teruggegeven of terugbetaald, tenzij zij aantonen dat zij niet hebben deelgenomen aan of niet verantwoordelijk waren voor het gedrag dat heeft geleid of heeft bijgedragen tot het falen van de instelling in afwikkeling.

Dit lid is niet van toepassing op variabele beloningen, met inbegrip van discretionaire pensioenuitkeringen, die bij een collectieve arbeidsovereenkomst worden geregeld.”

;

c)

de volgende leden worden toegevoegd:

“5.   Indien de in artikel 22, lid 2, punt a) of b), bedoelde afwikkelingsinstrumenten worden gebruikt om slechts een deel van de activa, rechten of passiva van de instelling in afwikkeling over te dragen, heeft de afwikkelingsraad een vordering op de resterende entiteit voor alle kosten en verliezen van het Fonds als gevolg van bijdragen aan de afwikkeling op grond van de leden 1 en 2 van dit artikel in verband met verliezen die crediteuren anders zouden hebben gedragen.

6.   De in lid 5 van dit artikel en in artikel 22, lid 6, van deze verordening bedoelde vorderingen van de afwikkelingsraad hebben in elke deelnemende lidstaat dezelfde rang als de vorderingen van de nationale afwikkelingsfinancieringsregelingen in het nationale recht van die lidstaat dat de normale insolventieprocedure op grond van artikel 108, lid 9, van Richtlijn 2014/59/EU beheerst.”

;

47)

artikel 79 wordt vervangen door:

“Artikel 79

Gebruik van depositogarantiestelsels in het kader van de afwikkeling

1.   De deelnemende lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer de afwikkelingsraad afwikkelingsmaatregelen met betrekking tot een kredietinstelling neemt, en mits die maatregelen ervoor zorgen dat deposanten toegang blijven hebben tot hun deposito’s, het depositogarantiestelsel waarbij die kredietinstelling is aangesloten, de volgende bedragen bijdraagt:

a)

indien het instrument van bail-in afzonderlijk of in combinatie met andere afwikkelingsinstrumenten wordt toegepast voor het in artikel 27, lid 1, eerste alinea, punt a), bedoelde doel, het bedrag dat bij gedekte deposito’s op grond van artikel 27, lid 13, zou worden afgeschreven of omgezet om de verliezen van de instelling in afwikkeling te absorberen en de instelling te herkapitaliseren indien gedekte deposito’s in het toepassingsgebied van het instrument van bail-in waren opgenomen;

b)

indien het instrument van verkoop van de onderneming of het instrument van de overbruggingsinstelling afzonderlijk of in combinatie met andere afwikkelingsinstrumenten wordt toegepast, met als gevolg dat de instelling in afwikkeling de markt verlaat:

i)

het bedrag dat noodzakelijk is om het verschil te dekken tussen, enerzijds, de waarde van de gedekte deposito’s en van de passiva met dezelfde of een hogere rang dan gedekte deposito’s en, anderzijds, de waarde van de activa van de instelling in afwikkeling die aan een ontvanger moeten worden overgedragen, en

ii)

indien van toepassing, een bedrag dat noodzakelijk is om de kapitaalneutraliteit van de ontvanger na de overdracht te waarborgen.

2.   In de in lid 1, punt b), van dit artikel bedoelde gevallen, indien de overdracht aan de ontvanger deposito’s omvat die geen gedekte deposito’s of andere bail-inbare passiva zijn en de afwikkelingsraad tot de conclusie is gekomen dat er met betrekking tot die deposito’s of passiva sprake is van de in artikel 27, lid 5, bedoelde gevallen, en indien de in artikel 27, lid 7, punt a), vastgelegde drempel voor het gebruik van de afwikkelingsfinancieringsregelingen niet wordt bereikt door de bijdrage aan verliesabsorptie en herkapitalisatie door de aandeelhouders en de houders van relevante kapitaalinstrumenten en van andere bail-inbare passiva, draagt het depositogarantiestelsel de volgende bedragen bij:

a)

het bedrag dat noodzakelijk is om het verschil te dekken tussen, enerzijds, de waarde van de in artikel 108, lid 1, eerste alinea, van Richtlijn 2014/59/EU bedoelde deposito’s en van de passiva met dezelfde of een hogere rang dan gedekte deposito’s en, anderzijds, de waarde van de activa van de instelling in afwikkeling die aan een ontvanger moeten worden overgedragen, en

b)

indien van toepassing, een bedrag dat noodzakelijk is om de kapitaalneutraliteit van de overdracht voor de ontvanger te waarborgen.

Zodra het depositogarantiestelsel een bijdrage heeft geleverd in de in de eerste alinea bedoelde gevallen, onthoudt de instelling in afwikkeling zich van het verwerven van belangen in andere ondernemingen alsmede van het verrichten van uitkeringen in verband met tier 1-kernkapitaal of betalingen op aanvullende tier 1-instrumenten, en van het verrichten van andere activiteiten die kunnen leiden tot een uitstroom van fondsen.

3.   Indien de fondsen van het depositogarantiestelsel worden gebruikt bij de toepassing van het instrument van bail-in overeenkomstig lid 1, punt a), om bij te dragen tot de herkapitalisatie van de instelling in afwikkeling, draagt het depositogarantiestelsel zijn aandelenpakketten of andere eigendomsinstrumenten in de instelling in afwikkeling zo snel als de commerciële en financiële omstandigheden het toelaten, over aan de particuliere sector.

Het depositogarantiestelsel biedt de in de eerste alinea bedoelde aandelen of andere eigendomsinstrumenten op een open en transparante wijze aan. Bij de verkoop ervan wordt geen onjuiste voorstelling gegeven van de aandelen of instrumenten, wordt niet gediscrimineerd tussen potentiële verkrijgers, en de verkoop vindt plaats onder commerciële voorwaarden.

4.   De bijdrage van het depositogarantiestelsel aan een overdracht die deposito’s omvat die geen gedekte deposito’s of andere bail-inbare passiva zijn op grond van lid 2 van dit artikel, wordt meegeteld voor de in artikel 27, lid 7, punt a), vastgelegde drempel indien aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

de totale waarde van de activa van de instelling in afwikkeling is op individuele basis niet hoger dan 80 miljard EUR;

b)

de instelling in afwikkeling is niet in de 24 maanden voorafgaand aan het besluit om afwikkelingsmaatregelen te nemen in het groepsafwikkelingsplan of in het afwikkelingsplan aangemerkt als liquidatie-entiteit;

c)

de eigenvermogensinstrumenten en in aanmerking komende passiva van de instelling in afwikkeling, en alle passiva die niet langer als in aanmerking komende passiva worden aangemerkt omdat ze niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 72 quater, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013, zijn volledig gebruikt voor verliesabsorptie en herkapitalisatie, met uitzondering van de in aanmerking komende passiva ten aanzien waarvan de afwikkelingsraad van oordeel is dat er sprake is van de in artikel 27, lid 5, van deze verordening bedoelde gevallen;

d)

het niveau van het in artikel 12, lid 1, bedoelde vereiste voor de instelling in afwikkeling is ten minste gelijk aan het in artikel 12 quinquies, lid 5 bis, bedoelde niveau;

e)

de instelling in afwikkeling heeft gedurende twee opvolgende kwartalen in de periode van vier jaar die eindigt op de datum voorafgaand aan de eerste dag van de drie volledige kwartalen voorafgaand aan het besluit om afwikkelingsmaatregelen te nemen op grond van het in artikel 12 bis, lid 2, punt a), bedoelde vereiste, met inbegrip van de overeenkomstig artikel 12 duodecies, leden 1 en 2, vastgestelde overeenkomstige tussentijdse streefbedragen niet geschonden.

Voor de toepassing van de eerste alinea, punt e), van dit lid houdt de afwikkelingsraad, indien de ECB, de betrokken nationale bevoegde autoriteit of de afwikkelingsraad ten minste een van de in artikel 12 undecies, lid 1, bedoelde maatregelen heeft toegepast om een schending van het in artikel 12 bis, lid 2, punt a), bedoelde vereiste te verhelpen, geen rekening met schendingen van dat vereiste tijdens de vier volledige kwartalen voorafgaand aan het besluit om afwikkelingsmaatregelen te nemen.

Punt e) van de eerste alinea van dit lid is niet van toepassing op de vereisten die voortvloeien uit de toepassing van artikel 12 quater, lid 4, 5 of 7.

5.   Indien de bijdrage van het depositogarantiestelsel aan een overdracht die deposito’s omvat die op grond van de leden 2 en 4 van dit artikel geen gedekte deposito’s of andere bail-inbare passiva zijn, samen met de bijdrage aan verliesabsorptie en herkapitalisatie door de aandeelhouders, en de houders van relevante kapitaalinstrumenten en andere bail-inbare passiva, het gebruik van het Fonds mogelijk maakt, wordt de bijdrage van het depositogarantiestelsel beperkt tot het bedrag dat nodig is om de in artikel 27, lid 7, punt a), vastgelegde drempel te halen. Na de bijdrage van het depositogarantiestelsel wordt het Fonds gebruikt overeenkomstig de in de artikelen 27 en 76 vervatte beginselen voor het gebruik van het Fonds.

Indien de totale waarde van de activa op individuele basis van een instelling in afwikkeling tussen 30 miljard EUR en 80 miljard EUR bedraagt, is de bijdrage van het depositogarantiestelsel op grond van dit lid niet meer dan 2,5 % van de totale passiva inclusief eigen vermogen van de instelling in afwikkeling.

6.   Indien lid 4 van dit artikel van toepassing is en aan de voorwaarden van artikel 27, lid 9, is voldaan, levert het depositogarantiestelsel een aanvullende bijdrage die gelijk is aan het bedrag van de verliezen die gedekte deposito’s zouden lijden, indien gedekte deposito’s verliezen zouden lijden die in verhouding staan tot de verliezen die crediteuren met dezelfde rang in de nationale insolventiehiërarchie hebben geleden.

De kosten van de in de eerste alinea van dit lid bedoelde aanvullende bijdrage van het depositogarantiestelsel zijn niet hoger dan de verliezen die het had geleden indien de instelling volgens de normale insolventieprocedure was geliquideerd, zoals geraamd op grond van artikel 20, lid 9.

7.   Het totale bedrag van de bijdrage van het depositogarantiestelsel aan een afwikkelingsmaatregel overeenkomstig dit artikel is in geen geval hoger dan het in artikel 11 sexies, punt a), van Richtlijn 2014/49/EU bedoelde bedrag.

Indien het instrument van verkoop van de onderneming of de instrumenten van de overbruggingsinstelling wordt toegepast overeenkomstig lid 1, punt b), of lid 2 van dit artikel, is het bedrag van de bijdrage van het depositogarantiestelsel als bedoeld in die bepalingen niet hoger dan 62,5 % van het streefbedrag van het depositogarantiestelsel als bedoeld in artikel 10, lid 2, van Richtlijn 2014/49/EU.

De aangewezen autoriteit kan besluiten dat de in de tweede alinea van dit lid bedoelde limiet niet van toepassing is indien de afwikkelingsraad ten aanzien van de aangewezen autoriteit motiveert dat een bijdrage van het depositogarantiestelsel van meer dan 62,5 % van het streefbedrag noodzakelijk is om negatieve gevolgen voor de financiële stabiliteit te voorkomen of de toegang van deposanten tot hun deposito’s te vrijwaren.

Indien het instrument van bail-in wordt toegepast overeenkomstig lid 1, punt a), van dit artikel, is het bedrag van de bijdrage van het depositogarantiestelsel niet hoger dan de verliezen die het depositogarantiestelsel had geleden indien de instelling volgens de normale insolventieprocedure was geliquideerd, zoals geraamd op grond van artikel 20, lid 9.

Het depositogarantiestelsel stelt de afwikkelingsraad op verzoek onverwijld in kennis van de in de eerste en de tweede alinea bedoelde bedragen.

8.   De afwikkelingsraad bepaalt het bedrag van de bijdrage van het depositogarantiestelsel overeenkomstig dit artikel en stelt de aangewezen autoriteit en het depositogarantiestelsel in kennis van zijn besluit. Het depositogarantiestelsel voert dat besluit onverwijld uit.

9.   Indien in aanmerking komende deposito’s bij een instelling in afwikkeling aan een andere entiteit worden overgedragen via het instrument van verkoop van de onderneming of het instrument van de overbruggingsinstelling, hebben de deposanten geen vordering uit hoofde van Richtlijn 2014/49/EU op het depositogarantiestelsel met betrekking tot enig deel van hun deposito’s bij de instelling in afwikkeling die niet zijn overgedragen, mits het bedrag van hun overgedragen deposito’s gelijk is aan of groter is dan het totale dekkingsniveau waarin is voorzien in artikel 6 van die richtlijn.

10.   Indien het depositogarantiestelsel een bijdrage levert aan afwikkelingsmaatregelen, is artikel 76, lid 3 bis, van toepassing.

11.   Indien het gebruik van het Fonds voor een instelling in afwikkeling met een totale waarde van haar activa op individuele basis tussen 30 miljard EUR en 80 miljard EUR mogelijk is gemaakt door de bijdrage van een depositogarantiestelsel overeenkomstig lid 4, brengt de afwikkelingsraad aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie verslag uit over de door de afwikkelingsraad vastgestelde afwikkelingsregeling, waarbij hij met name uitlegt waarom de bijdrage van het depositogarantiestelsel en het gebruik van het Fonds nodig waren. Dat verslag wordt binnen drie maanden na de vaststelling van de afwikkelingsregeling ingediend.”

;

48)

de volgende artikelen worden ingevoegd:

“Artikel 79 bis

Geaccumuleerd gebruik van het Fonds en van depositogarantiestelsels

1.   Zodra het netto geaccumuleerde gebruik van het Fonds over de afgelopen drie jaar, dat mogelijk is gemaakt door de bijdrage van depositogarantiestelsels overeenkomstig artikel 79, lid 4, de drempel van 10 % van het streefbedrag van het Fonds heeft bereikt, verschaft de afwikkelingsraad in zijn plenaire vergadering een leidraad voor het gebruik van het Fonds dat mogelijk is gemaakt door de bijdrage van depositogarantiestelsels. De afwikkelingsraad houdt zich in zijn bestuursvergadering bij de daaropvolgende afwikkelingsbesluiten aan die leidraad totdat het Fonds volledig is aangevuld.

De in de eerste alinea van dit lid bedoelde leidraad wordt door de afwikkelingsraad in zijn plenaire vergadering vastgesteld overeenkomstig artikel 52, lid 2.

2.   Zodra het netto geaccumuleerde gebruik van het Fonds over de afgelopen drie jaar, dat mogelijk is gemaakt door de bijdrage van depositogarantiestelsels overeenkomstig artikel 79, lid 4, de drempel van 20 % van het streefbedrag van het Fonds heeft bereikt, stelt de afwikkelingsraad de Raad en de Commissie daarvan in kennis.

Nadat de Commissie de in de eerste alinea van dit lid bedoelde kennisgeving heeft ontvangen, toetst zij:

a)

de werking van de bepalingen inzake de bijdragen van depositogarantiestelsels bij afwikkeling die het gebruik van het Fonds overeenkomstig artikel 79, lid 4, mogelijk maken;

b)

de geschiktheid van de in de artikelen 69, 70 en 71 beschreven regelingen voor de inning van bijdragen nadat het gebruik van Fonds mogelijk is gemaakt door de bijdrage van depositogarantiestelsels.

De Commissie brengt hierover verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad. Dat verslag gaat, in voorkomend geval, vergezeld van een wetgevingsvoorstel.

Artikel 79 ter

Rapportage over liquiditeit bij afwikkeling

Uiterlijk op 31 december 2026 brengt de Commissie verslag uit bij het Europees Parlement en de Raad over het liquiditeitsvraagstuk bij afwikkelingen.

In het in de eerste alinea bedoelde verslag wordt de balans opgemaakt van de bestaande regelingen voor het verstrekken van liquiditeit bij afwikkeling, met inbegrip van zowel particuliere als publieke mechanismen, en worden de meest doeltreffende manieren onderzocht om tijdelijke liquiditeitstekorten aan te pakken, rekening houdend met relevante ontwikkelingen op internationaal niveau. In dat verslag worden beleidsopties voorgesteld.”

;

49)

in artikel 85, lid 3, wordt de eerste alinea vervangen door:

“Elke natuurlijke of rechtspersoon, met inbegrip van afwikkelingsautoriteiten, kan beroep aantekenen tegen een overeenkomstig artikel 10, lid 10, artikel 11, artikel 12, lid 1, de artikelen 38 tot en met 41, artikel 65, lid 3, artikel 71 en artikel 90, lid 3, vastgesteld besluit van de afwikkelingsraad dat tot die persoon gericht is of dat van rechtstreeks en individueel belang is voor die persoon.”

;

50)

artikel 88 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 6 wordt vervangen door:

“6.   Dit artikel belet niet dat de afwikkelingsraad, de Raad, de Commissie, de ECB, de nationale afwikkelingsautoriteiten of de nationale bevoegde autoriteiten, met inbegrip van hun werknemers en deskundigen, informatie delen met elkaar en met bevoegde ministeries, centrale banken, aangewezen autoriteiten, depositogarantiestelsels, beleggerscompensatiestelsels, voor normale insolventieprocedures bevoegde autoriteiten, afwikkelingsautoriteiten voor verzekeraars, toezichthoudende autoriteiten voor verzekeraars, afwikkelingsautoriteiten en bevoegde autoriteiten van niet-deelnemende lidstaten, de EBA, of, behoudens artikel 33, autoriteiten van derde landen die taken uitoefenen die gelijkwaardig zijn aan de taken van de afwikkelingsautoriteiten, of, onder strikte vertrouwelijkheidseisen, met een kandidaat-koper, met het oog op het plannen of uitvoeren van een afwikkelingsmaatregel.”

;

b)

het volgende lid wordt toegevoegd:

“8.   Dit artikel belet niet dat de afwikkelingsraad zijn analyses of beoordelingen openbaar maakt, ook wanneer deze zijn gebaseerd op informatie die is verstrekt door de in artikel 2 bedoelde entiteiten of andere autoriteiten als bedoeld in lid 6 van dit artikel, indien hij oordeelt dat de openbaarmaking de bescherming van het algemeen belang wat betreft het financieel, monetair of economisch beleid niet zou ondermijnen en dat er een algemeen belang bij openbaarmaking is dat zwaarder weegt dan enig ander belang als bedoeld in lid 5 van dit artikel. Voor de toepassing van lid 1 van dit artikel wordt een dergelijke openbaarmaking geacht te zijn gedaan door de afwikkelingsraad in de uitoefening van zijn taken uit hoofde van deze verordening.”

;

51)

het volgende artikel wordt ingevoegd:

“Artikel 93 bis

Overgangsbepalingen

1.   In afwijking van artikel 12 quater, lid 1 bis, mogen de deposito’s die vóór 12 mei 2028 in ontvangst zijn genomen en voldoen aan de voorwaarden van artikel 12 quater, lid 1, eerste alinea, artikel 12 quinquies, lid 2 bis, tweede alinea, of artikel 12 octies, lid 2, punt a), tot en met 11 mei 2029 worden opgenomen in het bedrag aan eigen vermogen en in aanmerking komende passiva.

2.   Met betrekking tot overgangsperioden voor entiteiten om te voldoen aan de vereisten van artikel 12 septies of artikel 12 octies van deze verordening of aan de vereisten die voortvloeien uit de toepassing van artikel 12 quater, lid 4, 5 of 7, van deze verordening naargelang het geval, die vóór 12 mei 2028 door de afwikkelingsraad zijn vastgelegd, is artikel 1, punt 15, a), van Verordening (EU) 2026/808 van het Europees Parlement en de Raad (*4) niet van toepassing.

(*4)  Verordening (EU) 2026/808 van het Europees Parlement en de Raad van 30 maart 2026 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 806/2014 wat betreft vroegtijdige-interventiemaatregelen, voorwaarden voor afwikkeling en financiering van afwikkelingsmaatregelen (PB L, 2026/808, 20.4.2026, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2026/808/oj).”."

Artikel 2

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 11 mei 2028.

Artikel 1, punt 1, b), de punten 2, 3 en 4, punt 5, a), punt 6, a), b) en d), ii), punt 7, a), punt 8, punt 13, a), i), en c), punt 15, b) en d), punt 20, d), punt 20, e), wat artikel 18, lid 11, van Verordening (EU) nr. 806/2014 betreft, punt 22, punt 24, a), ii), b) en d), punt 27, de punten 29 tot en met 41, punt 45, punt 48 met betrekking tot artikel 79 ter van Verordening (EU) nr. 806/2014, en de punten 49 en 50 van deze verordening zijn evenwel van toepassing vanaf 11 juni 2026.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 maart 2026.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

R. METSOLA

Voor de Raad

De voorzitter

M. PANAYIOTOU


(1)   PB C 307 van 31.8.2023, blz. 19.

(2)   PB C 349 van 29.9.2023, blz. 161.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 24 april 2024 (PB C, C/2025/3752, 17.9.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/3752/oj) en standpunt van de Raad in eerste lezing van 5 maart 2026 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad). Standpunt van het Europees Parlement van 26 maart 2026 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(4)  Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2014/59/oj).

(5)  Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB L 225 van 30.7.2014, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2014/806/oj).

(6)  Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2013/575/oj).

(7)  Verordening (EU) 2019/876 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft de hefboomratio, de nettostabielefinancieringsratio, vereisten inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva, tegenpartijkredietrisico, marktrisico, blootstellingen aan centrale tegenpartijen, blootstellingen aan instellingen voor collectieve belegging, grote blootstellingen, rapportage- en openbaarmakingsvereisten, en van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 150 van 7.6.2019, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2019/876/oj).

(8)  Verordening (EU) 2019/877 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 806/2014 met betrekking tot de verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (PB L 150 van 7.6.2019, blz. 226, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2019/877/oj).

(9)  Richtlijn (EU) 2019/879 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Richtlijn 2014/59/EU met betrekking tot de verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en Richtlijn 98/26/EG (PB L 150 van 7.6.2019, blz. 296, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2019/879/oj).

(10)  Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (PB L 287 van 29.10.2013, blz. 63, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2013/1024/oj).

(11)  Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2013/36/oj).

(12)  Richtlijn 2014/49/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 inzake de depositogarantiestelsels (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 149, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2014/49/oj).

(13)  Richtlijn 97/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 maart 1997 inzake de beleggerscompensatiestelsels (PB L 84 van 26.3.1997, blz. 22, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/1997/9/oj).

(14)  Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2010/1093/oj).

(15)  Verordening (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1093/2010, (EU) nr. 575/2013, (EU) nr. 600/2014 en (EU) nr. 806/2014 (PB L 314 van 5.12.2019, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2019/2033/oj).

(16)  Richtlijn (EU) 2019/2034 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende het prudentiële toezicht op beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijnen 2002/87/EG, 2009/65/EG, 2011/61/EU, 2013/36/EU, 2014/59/EU en 2014/65/EU (PB L 314 van 5.12.2019, blz. 64, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2019/2034/oj).

(17)  Verordening (EG) nr. 2533/98 van de Raad van 23 november 1998 met betrekking tot het verzamelen van statistische gegevens door de Europese Centrale Bank (PB L 318 van 27.11.1998, blz. 8, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/1998/2533/oj).

(18)  Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PB L 141 van 5.6.2015, blz. 73, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2015/849/oj).

(19)  Richtlijn (EU) 2026/806 van het Europees Parlement en de Raad van 30 maart 2026 tot wijziging van Richtlijn 2014/59/EU wat betreft vroegtijdige-interventiemaatregelen, voorwaarden voor afwikkeling en financiering van afwikkelingsmaatregelen, en van Richtlijn 2014/24/EU wat betreft waarderingsdiensten bij afwikkeling (PB L, 2026/806, 20.4.2026, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2026/806/oj).


ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2026/808/oj

ISSN 1977-0758 (electronic edition)