|
Publicatieblad |
NL L-serie |
|
2026/720 |
24.3.2026 |
AANBEVELING (EU) 2026/720 VAN DE COMMISSIE
van 18 maart 2026
betreffende de definitie van innovatieve ondernemingen, innovatieve start-ups en innovatieve scale-ups
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 292,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
In de mededeling van de Commissie over het EU-kompas voor concurrentievermogen (1) wordt eraan herinnerd dat innovatie een belangrijke aanjager van concurrentievermogen en groei in de Unie is. |
|
(2) |
Om ook in de toekomst de economische groei te bevorderen, is een nieuw model voor concurrentievermogen, gebaseerd op innovatiegedreven productiviteit, nodig. Innovatieve ondernemingen, innovatieve start-ups en innovatieve scale-ups, met name op het gebied van deep tech, spelen een belangrijke rol bij de ontwikkeling en het op de markt brengen van innovatieve technologieën, en vervullen dus een spilfunctie in op innovatie gebaseerde economische modellen. |
|
(3) |
In haar mededeling over de EU-strategie voor start-ups en scale-ups (2) kondigde de Commissie aan dat zij een definitie van innovatieve ondernemingen, start-ups en scale-ups zou voorstellen. |
|
(4) |
Deeptech-ondernemingen, onder meer maar niet uitsluitend op het gebied van strategische technologieën zoals digitale technologie, biotechnologie en schone technologie, zijn bijzonder belangrijk voor innovatie omdat zij grensverleggende wetenschappelijke en technologische doorbraken omzetten in schaalbare producten en industrieën, die vaak transformatieve oplossingen bieden met aanzienlijke economische en maatschappelijke effecten op de lange termijn. Daarom moet in de definities rekening worden gehouden met de specifieke kenmerken van deeptech-ondernemingen, aangezien hun ontwikkelingscycli doorgaans langer en kapitaalintensiever zijn als gevolg van de complexe activiteiten op het gebied van onderzoeks- en ontwikkeling (O & O), wettelijke validatie en technologische doorontwikkeling die zij ontplooien. |
|
(5) |
Diverse lidstaten hebben verschillende wettelijke definities van innovatieve ondernemingen, start-ups en scale-ups vastgesteld, terwijl ook Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie (3) en Verordening (EU) 2021/695 van het Europees Parlement en de Raad (4) definities op het niveau van de Unie bevatten voor hun respectieve toepassingsgebieden. |
|
(6) |
Zowel op het niveau van de lidstaten als op Unieniveau zijn innovatiebeleidsmaatregelen ontworpen om innovatieve ondernemingen, innovatieve start-ups of innovatieve scale-ups te ondersteunen. Bij gebrek aan gemeenschappelijke definities kan het voorkomen dat dergelijke maatregelen op inconsistente wijze worden toegepast tussen de lidstaten onderling en tussen de Unie en de lidstaten. Dit kan ertoe leiden dat ondernemingen die in de ene lidstaat als innovatieve onderneming, innovatieve start-up of innovatieve scale-up zijn geclassificeerd in een andere lidstaat niet in aanmerking komen voor vergelijkbare steunregelingen, waardoor hun grensoverschrijdende activiteiten en uitbreiding binnen de eengemaakte markt worden beperkt. Dergelijke rechtsonzekerheid kan een van de vele redenen zijn die dergelijke ondernemingen ervan weerhouden in verschillende lidstaten actief te zijn of zich elders te vestigen. Volgens de logica van een eengemaakte EU-markt zonder binnengrenzen en om ervoor te zorgen dat de EU-instellingen en de lidstaten één consistent referentiepunt hebben, zou het gebruik van gemeenschappelijke definities van innovatieve ondernemingen, innovatieve start-ups en innovatieve scale-ups ervoor helpen zorgen dat ondernemingen in de hele Unie gelijk worden behandeld. |
|
(7) |
Gemeenschappelijke definities zijn ook nodig met het oog op de uitgebreide interactie tussen nationale en Uniemaatregelen ter ondersteuning van innovatieve ondernemingen, innovatieve start-ups en innovatieve scale-ups. Als de Commissie, de lidstaten, de Europese Investeringsbank (EIB) en het Europees Investeringsfonds (EIF) dezelfde definities zouden gebruiken, zou dat bovendien ten goede komen aan de afstemming, consistentie en doeltreffendheid van beleid dat gericht is op innovatieve ondernemingen, innovatieve start-ups en innovatieve scale-ups en zou zo het risico op verstoring van de mededinging in verband met ongelijke toegang tot overheidssteun worden beperkt (5). |
|
(8) |
De Commissie heeft al definities vastgesteld waarmee ondernemingen naar omvang worden ingedeeld, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s), kleine midcaps en grote ondernemingen. De definities van innovatieve ondernemingen, innovatieve start-ups en innovatieve scale-ups mogen op geen enkele wijze afbreuk doen aan die gevestigde indeling. In voorkomend geval moeten de definities van innovatieve ondernemingen, innovatieve start-ups en innovatieve scale-ups voortbouwen op de vastgestelde criteria voor kmo’s en kleine midcaps, waaronder de maximumomvang en structurele kenmerken. |
|
(9) |
Om ervoor te zorgen dat de definities geschikt zijn voor de beoogde doeleinden, moeten zij de onderscheidende kenmerken van een zeer specifieke groep ondernemingen (innovatieve ondernemingen, innovatieve start-ups en innovatieve scale-ups) weerspiegelen en voortbouwen op objectieve criteria en drempelwaarden. Daarom moeten die definities worden gebaseerd op gemakkelijk toepasbare criteria, zoals investeringen in innovatieactiviteiten, leeftijd, omvang of groei. |
|
(10) |
In overeenstemming met veelgebruikte internationale classificaties moeten “innovaties” worden gedefinieerd als nieuwe of verbeterde producten, diensten of processen die aanzienlijk verschillen van eerdere producten, diensten of processen en die beschikbaar zijn gemaakt voor potentiële gebruikers. |
|
(11) |
Er kan worden aangetoond dat activiteiten innovatie inhouden aan de hand van O & O-inspanningen: georganiseerde en doelbewuste activiteiten die gericht zijn op het genereren van nieuwe kennis en het ontwikkelen van nieuwe of verbeterde producten, diensten en processen. O & O-processen moeten worden gedefinieerd in overeenstemming met veelgebruikte internationale classificaties (6) en met Unievoorschriften. De strategische toewijding van een onderneming aan O & O-activiteiten kan worden aangetoond aan de hand van de middelen die in dergelijke activiteiten worden geïnvesteerd (doorgaans “O & O-intensiteit” genoemd), hetzij als percentage van de exploitatiekosten, hetzij als percentage van de inkomsten. |
|
(12) |
Een onderneming kan ook innovatief zijn als zij niet in O & O-activiteiten investeert. Een onderneming moet ook als innovatief worden beschouwd als zij kan aantonen dat zij, in de afgelopen drie jaar producten, diensten of bedrijfsprocessen heeft ontwikkeld, deze momenteel ontwikkelt of in de toekomst zal ontwikkelen, die nieuw zijn of aanzienlijk verbeterd zijn ten opzichte van de stand van de techniek in haar sector en waarvoor een risico op technologische of industriële mislukking bestaat, met als doel deze op de markt te brengen. |
|
(13) |
Innovatieve start-ups en innovatieve scale-ups moeten worden gedefinieerd als een subgroep van innovatieve ondernemingen, aangezien innovatie het belangrijkste onderscheidende kenmerk is op basis waarvan een verschillende beleidsaanpak, gerichte overheidssteun en vereenvoudigde regelgeving gerechtvaardigd zouden kunnen zijn en dat hen onderscheidt van gewone nieuwe of snelgroeiende ondernemingen die uitbreiden zonder nieuwe producten, diensten, technologieën of bedrijfsmodellen te genereren. |
|
(14) |
Innovatieve start-ups moeten worden gedefinieerd aan de hand van criteria die de innovatieve aard ervan weerspiegelen, in combinatie met een maximale omvang en leeftijd. Om voor zo veel mogelijk consistentie met Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie (7) te zorgen, moeten de criteria met betrekking tot het balanstotaal en de omzet voor een kleine onderneming, zoals vastgesteld in die aanbeveling, ook in de definitie van een innovatieve start-up worden opgenomen. Wat het aantal werknemers betreft, is het echter passender om het maximumaantal werknemers vast te stellen op 99, aangezien dit veel innovatieve start-ups, met name in de deeptechsector en schaalintensieve sectoren, in staat kan stellen om tijdens hun vroege groeifase grotere multidisciplinaire teams op te zetten. Voor innovatieve start-ups is passend de maximumleeftijd vast te stellen op tien jaar, zodat de definitie ook van toepassing is op start-ups, met name deeptech-start-ups, waarvoor wellicht langere O & O-cycli, kapitaalintensieve ontwikkelingsfasen en wettelijke validatieprocessen nodig zijn of die pas later inkomsten genereren. |
|
(15) |
Innovatieve scale-ups moeten worden gedefinieerd aan de hand van criteria die de innovatieve aard en de omvang- en groeidynamiek ervan weerspiegelen, op basis van de logica die ten grondslag ligt aan de kwantitatieve definitie van “scalers” van de OESO zoals uiteengezet in veelgebruikte classificaties. Om innvatieve scale-ups te onderscheiden van meer gevestigde ondernemingen, is het passend om voor beursgenoteerde ondernemingen een maximumomvang vast te stellen op basis van de in Aanbeveling (EU) 2025/1099 van de Commissie (8) vastgestelde drempelwaarden voor kleine midcaps. Om ervoor te zorgen dat de definitie van innovatieve scale-ups voldoende mature ondernemingen omvat en geen overlap vertoont met de definitie van innovatieve start-ups, moet bovendien een minimumomzet of -balanstotaal gelden, gebaseerd op de desbetreffende drempelwaarden die in Aanbeveling 2003/361/EG voor middelgrote ondernemingen zijn vastgesteld, |
HEEFT DE VOLGENDE AANBEVELING VASTGESTELD:
|
1. |
Deze aanbeveling betreft de definitie van innovatieve ondernemingen, innovatieve start-ups en innovatieve scale-ups, zoals gehanteerd in het binnen de Unie en de Europese Economische Ruimte toegepaste Uniebeleid. |
|
2. |
De lidstaten, de Europese Investeringsbank (EIB) en het Europees Investeringsfonds (EIF) wordt aanbevolen:
|
|
3. |
Deze aanbeveling is gericht tot de lidstaten, de EIB en het EIF. |
|
4. |
De lidstaten, de EIB en het EIF wordt verzocht de Commissie in kennis te stellen van de eventuele maatregelen die zij hebben genomen om deze aanbeveling uit te voeren. |
Gedaan te Brussel, 18 maart 2026.
Voor de Commissie
Ekaterina ZAHARIEVA
Lid van de Commissie
(1) Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s, “Het EU-kompas voor concurrentievermogen”, (COM(2025) 30 final van 29 januari 2025).
(2) Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s, “De EU-strategie voor start-ups en scale-ups”, (COM(2025) 270 final van 28 mei 2025).
(3) Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB L 187 van 26.6.2014, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2014/651/oj).
(4) Verordening (EU) 2021/695 van het Europees Parlement en de Raad van 28 april 2021 tot vaststelling van Horizon Europa — het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie, tot vaststelling van de regels voor deelname en verspreiding, en tot intrekking van de Verordeningen (EU) nr. 1290/2013 en (EU) nr. 1291/2013 (PB L 170 van 12.5.2021, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/695/oj).
(5) Dit is behoudens eventuele aanvullende of afwijkende vereisten die kunnen worden opgelegd om de doelstellingen van toekomstige beleidsinitiatieven te verwezenlijken.
(6) Bijvoorbeeld: OESO, Frascati Manual 2015 — Guidelines for Collecting and Reporting Data on Research and Experimental Development.
(7) Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36, ELI: http://data.europa.eu/eli/reco/2003/361/oj).
(8) Aanbeveling (EU) 2025/1099 van de Commissie van 21 mei 2025 betreffende de definitie van kleine midcapondernemingen (PB L, 2025/1099, 28.5.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/reco/2025/1099/oj).
BIJLAGE
DEFINITIE VAN INNOVATIEVE ONDERNEMINGEN, INNOVATIEVE Start-UPS EN INNOVATIEVE SCALE-UPS
1. Inleiding
Voor de toepassing van deze aanbeveling wordt verstaan onder:
|
a) |
“exploitatiekosten”: de kosten die de onderneming maakt in het kader van haar normale bedrijfsactiviteiten, bestaande uit alle kosten die nodig zijn voor de productie van goederen en de verlening van diensten tijdens de boekhoudperiode, inclusief personeelskosten, kosten voor materialen, uitbestede diensten, communicatie, energie, onderhoud, huur en administratie, maar exclusief financierings- en fiscale posten; |
|
b) |
“netto-omzet”: het bedrag met betrekking tot de verkoop van goederen en de verlening van diensten, na aftrek van kortingen en belasting over de toegevoegde waarde en andere rechtstreeks met de omzet verbonden belastingen; |
|
c) |
“onderzoek en ontwikkeling”: alle werkzaamheden die vallen onder de begrippen “fundamenteel onderzoek”, “industrieel onderzoek” of “experimentele ontwikkeling”, zoals gedefinieerd in artikel 2, punten 84, 85 en 86, van Verordening (EU) nr. 651/2014; |
|
d) |
“onderneming”: een entiteit die een economische activiteit uitoefent, ongeacht de rechtsvorm ervan, met inbegrip van maatschappen en persoonsvennootschappen of verenigingen die regelmatig een economische activiteit uitoefenen. |
2. Innovatieve onderneming
|
2.1. |
Een “innovatieve onderneming” is een onderneming die aan ten minste een van de volgende criteria voldoet:
|
|
2.2. |
Voor de bepaling van het bedrag van de in punt 2.1, a), bedoelde onderzoeks- en ontwikkelingskosten, omvatten die onderzoeks- en ontwikkelingskosten de volgende kosten:
|
3. Innovatieve start-up
Een “innovatieve start-up” is een onderneming die aan de volgende criteria voldoet:
|
a) |
het betreft een innovatieve onderneming in de zin van punt 2; |
|
b) |
het betreft een zelfstandige onderneming in de zin van punt 5.1; |
|
c) |
het betreft een onderneming met minder dan 100 werknemers en met een jaaromzet en/of een jaarlijks balanstotaal van maximaal 10 miljoen EUR, en |
|
d) |
de onderneming is sinds haar registratie minder dan tien jaar actief. |
4. Innovatieve scale-up
Een “innovatieve scale-up” is een onderneming die aan de volgende criteria voldoet:
|
a) |
het betreft een innovatieve onderneming in de zin van punt 2; |
|
b) |
het betreft een zelfstandige onderneming in de zin van punt 5.1; |
|
c) |
het betreft een onderneming met een jaaromzet en/of balanstotaal van meer dan 10 miljoen EUR; |
|
d) |
het betreft een onderneming waarvan het aantal werknemers of de inkomsten in de voorgaande twee jaren gemiddeld met meer dan 20 % per jaar zijn toegenomen, en |
|
e) |
de onderneming voldoet aan ten minste een van de volgende twee criteria:
|
5. Soorten ondernemingen die voor de berekening van het aantal werkzame personen en de financiële bedragen in aanmerking worden genomen
|
5.1. |
Een “zelfstandige onderneming” is een onderneming die niet als partneronderneming in de zin van punt 5.2 of als verbonden onderneming in de zin van punt 5.5 wordt aangemerkt. |
|
5.2. |
“Partnerondernemingen” zijn alle ondernemingen die niet als verbonden ondernemingen in de zin van punt 5.4 worden aangemerkt en waarbij een onderneming (van een hoger niveau), alleen of samen met een of meer verbonden ondernemingen in de zin van punt 5.5, 25 % of meer van het kapitaal of de stemrechten van een andere onderneming (van een lager niveau) heeft. |
|
5.3. |
Behoudens de in punt 5.4 bedoelde gevallen wordt een onderneming niet als innovatieve start-up of innovatieve scale-up aangemerkt indien een of meer overheidsinstanties of openbare lichamen gezamenlijk direct of indirect zeggenschap hebben over 25 % of meer van het kapitaal of de stemrechten. |
|
5.4. |
In afwijking van punt 5.2 kan een onderneming toch als zelfstandige onderneming, dus als onderneming zonder partnerondernemingen, worden aangemerkt indien 25 % of meer van het kapitaal of de stemrechten van die onderneming in bezit is van een van de volgende investeerders en deze individueel noch gezamenlijk met de betrokken onderneming verbonden zijn in de zin van punt 5.5:
|
|
5.5. |
“Verbonden ondernemingen” zijn ondernemingen die met elkaar een van de volgende banden onderhouden:
Er wordt aangenomen dat geen sprake is van overheersende invloed indien de in punt 5.4 bedoelde investeerders zich niet direct of indirect inlaten met de bedrijfsvoering van de desbetreffende onderneming, onverminderd de rechten die zij als aandeelhouders of vennoten bezitten. |
|
5.5.1. |
Ondernemingen worden eveneens als verbonden ondernemingen beschouwd indien zij via een of meer andere ondernemingen of via de in punt 5.4 bedoelde investeerders een van de in punt 5.5 hierboven bedoelde banden onderhouden. |
|
5.5.2. |
Ondernemingen die via een natuurlijke persoon of een in gemeenschappelijk overleg handelende groep van natuurlijke personen de in punt 5.5 hierboven bedoelde banden onderhouden, worden eveneens als verbonden ondernemingen beschouwd indien zij hun activiteiten of een deel van hun activiteiten op dezelfde markt of op aanverwante markten uitoefenen. Voor de toepassing van dit punt wordt de producten- of dienstenmarkt die zich direct boven of onder het niveau van de relevante markt bevindt als de “aanverwante markt” beschouwd.
Ondernemingen kunnen een verklaring opstellen over hun hoedanigheid van zelfstandige onderneming, partneronderneming of verbonden onderneming, met inbegrip van de gegevens met betrekking tot de in de punten 2, 3 en 4 vermelde grenswaarden. |
|
5.5.3. |
Indien een alternatieve beleggingsinstelling in de zin van artikel 4, lid 1, punt a), van Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad (1) in een onderneming heeft geïnvesteerd, worden de volgende entiteiten voor de toepassing van punt 5.5 van deze bijlage niet als “verbonden ondernemingen” beschouwd:
De eerste alinea van dit punt is alleen van toepassing indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
Deze verklaring kan ook worden opgesteld als het vanwege de spreiding van het kapitaal onmogelijk is precies te weten wie het in handen heeft, mits de onderneming te goeder trouw verklaart dat zij redelijkerwijs kan aannemen niet voor 25 % of meer in handen te zijn van één onderneming of van verscheidene verbonden ondernemingen gezamenlijk of via natuurlijke personen afzonderlijk of in een groep. Dergelijke verklaringen doen geen afbreuk aan de controles of verificaties waarin de nationale regelgeving of Unieregelgeving voorziet. |
6. Gegevens voor de berekening van het aantal werkzame personen en van de financiële bedragen en referentieperiode
|
6.1. |
De gegevens voor de berekening van het aantal werkzame personen en de financiële bedragen hebben betrekking op het laatste afgesloten boekjaar en worden jaarlijks berekend. Zij worden vanaf de datum van sluiting van de rekeningen in aanmerking genomen. Het bedrag van de omzet wordt berekend exclusief belasting over de toegevoegde waarde en andere indirecte belastingen. |
|
6.2. |
Wanneer een onderneming op de datum van afsluiting van de rekeningen vaststelt dat de op jaarbasis berekende gegevens boven of onder de in punt 2 aangegeven drempels voor het aantal werkzame personen of de financiële maxima liggen, verkrijgt of verliest zij de hoedanigheid van innovatieve onderneming slechts wanneer deze situatie zich in twee opeenvolgende boekjaren voordoet. |
|
6.3. |
In het geval van recent opgerichte ondernemingen waarvan de eerste jaarrekening nog niet is afgesloten, worden de in aanmerking te nemen gegevens afgeleid van een gedurende het boekjaar te goeder trouw gemaakte schatting. |
7. Aantal werkzame personen
|
7.1. |
Het aantal werkzame personen komt overeen met het aantal personen dat het gehele referentiejaar voltijds in de betrokken onderneming of voor rekening van deze onderneming heeft gewerkt (“arbeidsjaareenheden”). Het werk van personen die niet het gehele jaar hebben gewerkt of deeltijd hebben gewerkt, ongeacht de duur ervan, en het werk van seizoenarbeiders worden in breuken van arbeidsjaareenheden uitgedrukt. Tot werkzame personen worden gerekend:
|
|
7.2. |
Leerlingen en studenten die een beroepsopleiding volgen met een leerling- of beroepsopleidingsovereenkomst worden niet meegerekend in het aantal werkzame personen. De duur van zwangerschaps- of ouderschapsverlof wordt niet meegerekend. |
8. Vaststelling van de gegevens van een onderneming
|
8.1. |
In het geval van een zelfstandige onderneming worden de gegevens, met inbegrip van het aantal werkzame personen, uitsluitend op basis van de rekeningen van die onderneming vastgesteld. |
|
8.2. |
De gegevens, met inbegrip van het aantal werkzame personen, van een onderneming die partnerondernemingen of verbonden ondernemingen als bedoeld in punt 5 heeft, worden vastgesteld op basis van de rekeningen en andere gegevens van de onderneming of in voorkomend geval van de geconsolideerde rekeningen van de onderneming of van de geconsolideerde rekeningen waarin de onderneming door consolidatie is opgenomen.
De in de eerste alinea van dit punt bedoelde gegevens worden samengeteld met de gegevens van de eventuele partnerondernemingen van de betrokken onderneming, die zich direct boven of onder het niveau van die onderneming bevinden. De samentelling geschiedt in verhouding tot het aandeel in het kapitaal of de stemrechten (het hoogste van de twee percentages). Bij wederzijdse participatie geldt het hoogste van deze percentages. De in de eerste en tweede alinea van dit punt bedoelde gegevens worden samengeteld met alle nog niet door consolidatie in de rekeningen opgenomen gegevens (100 %) van de eventuele, direct of indirect met de betrokken onderneming verbonden ondernemingen. |
|
8.3. |
Voor de toepassing van punt 8.2 worden de gegevens van de partnerondernemingen van de desbetreffende onderneming in voorkomend geval afgeleid uit de geconsolideerde rekeningen en andere gegevens. Deze gegevens worden samengeteld met alle gegevens (100 %) van de met deze partnerondernemingen verbonden ondernemingen, tenzij hun gegevens reeds door consolidatie daarin zijn opgenomen.
Voor de toepassing van punt 8.2 moeten de gegevens van de met de betrokken onderneming verbonden ondernemingen in voorkomend geval worden afgeleid uit hun geconsolideerde rekeningen en andere gegevens. Deze gegevens worden pro rata samengeteld met de gegevens van de eventuele partnerondernemingen van deze verbonden ondernemingen, die zich meteen boven of onder het niveau van laatstgenoemde ondernemingen bevinden, mits deze gegevens in de geconsolideerde jaarrekeningen nog niet zijn opgenomen in een verhouding die ten minste gelijk is aan het in punt 8.2, tweede alinea, vastgestelde percentage. |
|
8.4. |
Indien het aantal werkzame personen van een bepaalde onderneming niet uit de geconsolideerde rekeningen blijkt, wordt dit berekend door de gegevens van haar partnerondernemingen pro rata samen te tellen en daaraan de gegevens toe te voegen van de ondernemingen waarmee de onderneming is verbonden. |
(1) Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010 (PB L 174 van 1.7.2011, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2011/61/oj).
ELI: http://data.europa.eu/eli/reco/2026/720/oj
ISSN 1977-0758 (electronic edition)