European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

L-serie


2026/693

15.4.2026

UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2026/693 VAN DE COMMISSIE

van 19 maart 2026

tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2023/1695 betreffende nieuwe testspecificaties, een reeks beperkte specificaties en overgangsmaatregelen

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Europese Unie (1), en met name artikel 5, lid 11, en artikel 48, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig Gedelegeerd Besluit (EU) 2017/1474 van de Commissie (2) moeten de technische specificaties inzake interoperabiliteit (TSI’s) worden herzien om rekening te houden met ontwikkelingen in het spoorwegsysteem van de Unie met betrekking tot onderzoeks- en innovatieactiviteiten, en om verwijzingen naar geactualiseerde normen te integreren.

(2)

De boordunits van het Europees treinbesturingssysteem (ETCS) en de geautomatiseerde treinbesturing (ATO) moeten veilig gebruikt kunnen worden op lijnen uitgerust met ETCS en ATO, met een aanvaardbaar prestatieniveau. ETCS-baan- en boordapparatuur op basis van baseline 4-specificaties en ATO-apparatuur op basis van baseline 1-specificaties moeten volgens geschikte nieuwe procedures getest worden. Daarom moet de TSI van de subsystemen besturing en seingeving (CCS) worden gewijzigd om te voorzien in nieuwe testprocedures.

(3)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2023/1695 van de Commissie (3) is het concept ingevoerd van één specificatiereeks voor de implementatie van drie functieniveaus voor de systeemversies 2.1, 2.2 en 3.0. Dit betekent dat eventuele specificatiefouten slechts één keer gecorrigeerd moeten worden en dan gelden voor alle systeemversies die onder de tekst van de specificaties vallen. In Uitvoeringsverordening (EU) 2023/1695 zijn alleen de functies gedefinieerd van de volledigste systeemversie, versie 3.0. Daarom moet deze TSI worden gewijzigd om een gedetailleerde beschrijving te geven van de functies van de twee beperkte systeemversies, namelijk de versies 2.1 en 2.2.

(4)

Uitvoeringsverordening (EU) 2023/1695 bevat overgangsmaatregelen om de spoorwegsector concurrerend te houden en onnodige kosten als gevolg van te snel opeenvolgende wijzigingen in het rechtskader te voorkomen. Dergelijke overgangsmaatregelen zijn van toepassing op lopende contracten en op projecten die zich op de datum van toepassing van de desbetreffende TSI in een vergevorderd stadium van ontwikkeling bevinden. De bepalingen voor overgangsperioden in de punten 7.2.4 en 7.4.1.2 en in aanhangsel B van bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2023/1695 kunnen echter tot uiteenlopende interpretaties leiden. Uit de toepassing van de overgangsregelingen in dat aanhangsel B is gebleken dat die niet uitgebreid genoeg zijn om onnodige kosten voor de spoorwegsector te voorkomen. Daarom moeten de bepalingen voor overgangsregelingen gewijzigd worden.

(5)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2023/1695 zijn bepalingen vastgesteld voor de voortzetting van de verplichtingen van de infrastructuurbeheerders met betrekking tot de compatibiliteit van het ETCS-systeem. Soortgelijke bepalingen met betrekking tot de compatibiliteit van radiosystemen zijn echter niet opgenomen. Daarom moet Uitvoeringsverordening (EU) 2023/1695 worden aangevuld met bepalingen voor de voortzetting van de verplichtingen van de infrastructuurbeheerders met betrekking tot de compatibiliteit van radiosystemen.

(6)

Hoewel de wijzigingen van Uitvoeringsverordening (EU) 2023/1695 en de bijlagen daarbij beperkt zijn qua reikwijdte, zijn het er wel veel. Daarom moeten de bijlagen in hun geheel vervangen worden.

(7)

Om onzekerheid te voorkomen, moet krachtens artikel 3, lid 5, punt h), van Gedelegeerd Besluit (EU) 2017/1474 in elke gewijzigde TSI bepaald zijn of de conformiteitsbeoordelingsinstanties die op basis van een vorige versie van de TSI zijn aangemeld, opnieuw moeten worden aangemeld en of een vereenvoudigde aanmeldingsprocedure moet worden toegepast. Voor de bij deze verordening ingevoerde wijzigingen zijn geen specifieke nieuwe competenties voor de conformiteitsbeoordeling nodig en dus hoeven de conformiteitsbeoordelingsinstanties die op basis van vorige versies van de TSI CCS krachtens de Uitvoeringsverordening (EU) 2023/1695 en Verordening (EU) 2016/919 van de Commissie (4) zijn aangemeld, niet opnieuw te worden aangemeld.

(8)

Op 19 december 2024 heeft het Spoorwegbureau van de Europese Unie (het Bureau) een aanbeveling gedaan tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2023/1695 ten aanzien van de testeisen voor de nieuwe specificaties van ETCS-baseline 4 en ATO-baseline 1. In de aanbeveling heeft het Bureau ook specificaties verstrekt voor de definitie van de ETCS-baseline 4-systeemversies 2.1 en 2.2, alsmede nauwkeurigere bepalingen voor overgangsmaatregelen.

(9)

Uitvoeringsverordening (EU) 2023/1695 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(10)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 51, lid 1, van Richtlijn (EU) 2016/797 ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Uitvoeringsverordening (EU) 2023/1695 wordt als volgt gewijzigd:

1)

artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 1 wordt de tweede zin geschrapt;

b)

de leden 2 en 3 worden vervangen door:

“2.   De TSI is niet van toepassing op bestaande baan- en boordsubsystemen CCS van het spoorwegsysteem die op 28 september 2023 reeds op de markt waren gebracht en in gebruik waren genomen op het hele spoorwegnet van een lidstaat of een deel daarvan, behalve als:

a)

het subsysteem wordt vernieuwd of verbeterd overeenkomstig punt 7 van bijlage I bij deze verordening;

b)

het gebruiksgebied van een voertuig wordt uitgebreid overeenkomstig artikel 54, lid 3, van Richtlijn (EU) 2016/797 tot ten minste drie lidstaten, of in het RINF is vermeld dat ETCS in de loop van de volgende vijf jaar in het nieuwe gebruiksgebied wordt uitgerold. In dat geval is punt 7.4.2.3 van bijlage I bij deze verordening van toepassing;

c)

het subsysteem is onderworpen aan de eisen inzake het bijhouden van de onderhoudsspecificaties van punt 7.2.10 van bijlage I bij deze verordening.

3.   Het technisch en geografisch toepassingsgebied van deze TSI is uiteengezet in de punten 1.1 en 1.2 van bijlage I.”

;

c)

lid 4 wordt geschrapt;

2)

in artikel 8 wordt lid 2 vervangen door:

“2.   Voor voertuigen waarop lid 1 van toepassing is en die met boordsystemen van klasse B moeten worden uitgerust voor de exploitatie op lijnen die uitsluitend met klasse B-systemen zijn uitgerust, kunnen financiële EU-middelen worden verleend als de in punt 4.2.6.1, 1) en 2), van bijlage I bedoelde opties worden toegepast, en tot en met 31 december 2040 ook als de in punt 4.2.6.1, 3), van bijlage I bedoelde optie wordt toegepast.”

;

3)

in artikel 13 worden de leden 4 en 5 vervangen door:

“4.   Binnen zes maanden na de publicatie in deze TSI van de specifieke gevallen die onder artikel 13, lid 1, vallen, trekken de lidstaten alle nationale voorschriften inzake compatibiliteit met treindetectiesystemen in, met uitzondering van de gevallen die onder artikel 13, lid 2, punt f), van Richtlijn (EU) 2016/797 vallen.

5.   Het Bureau neemt de economische en technische rechtvaardiging voor specifieke gevallen van treindetectiesystemen in de zin van deze verordening en de bijbehorende einddata in overweging, om de interoperabiliteit en de technische harmonisatie van het Europese spoorwegsysteem te verbeteren, ten minste eenmaal na elke actualisering van de nationale uitvoeringsplannen. Op basis daarvan en indien nodig doet het Bureau aanbevelingen over de specifieke gevallen aan de Commissie.”

;

4)

in artikel 14, vierde alinea, wordt “punt 6.1.2.4” vervangen door “de punten 6.1.2.4 en 6.1.2.5”;

5)

bijlage I wordt vervangen door de tekst in bijlage I bij deze verordening;

6)

bijlage II wordt vervangen door de tekst in bijlage II bij deze verordening.

Artikel 2

Voor de bij deze verordening ingevoerde wijzigingen van de TSI CCS is geen nieuwe aanmelding nodig bij de conformiteitsbeoordelingsinstanties die zijn aangemeld op basis van vorige versies van de TSI CCS krachtens Uitvoeringsverordening (EU) 2023/1695 en Verordening (EU) 2016/919.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 19 maart 2026.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 138 van 26.5.2016, blz. 44, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2016/797/oj.

(2)  Gedelegeerd Besluit (EU) 2017/1474 van de Commissie van 8 juni 2017 tot aanvulling van Richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad met specifieke doelstellingen voor de opstelling, aanneming en herziening van de technische specificaties inzake interoperabiliteit (PB L 210 van 15.8.2017, blz. 5, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_del/2017/1474/oj).

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) 2023/1695 van de Commissie van 10 augustus 2023 betreffende de technische specificatie inzake interoperabiliteit van de subsystemen besturing en seingeving van het spoorwegsysteem in de Europese Unie en tot intrekking van Verordening (EU) 2016/919 (PB L 222 van 8.9.2023, blz. 380, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2023/1695/oj).

(4)  Verordening (EU) 2016/919 van de Commissie van 27 mei 2016 betreffende de technische specificatie inzake interoperabiliteit van de subsystemen besturing en seingeving van het spoorwegsysteem in de Europese Unie (PB L 158 van 15.6.2016, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2016/919/oj).


BIJLAGE I

“BIJLAGE I

1.

INLEIDING 8

1.1.

Technisch toepassingsgebied 8

1.2.

Geografisch toepassingsgebied 8

1.3.

Inhoud van deze TSI 8

2.

OMSCHRIJVING EN TOEPASSINGSGEBIED VAN HET SUBSYSTEEM 9

2.1.

Inleiding 9

2.2.

Toepassingsgebied 9

2.3.

Toepassingsniveaus voor baanapparatuur (ETCS) 10

3.

ESSENTIËLE EISEN VAN DE SUBSYSTEMEN CCS 10

3.1.

Algemene punten 10

3.2.

Specifieke aspecten van de subsystemen CCS 12

3.2.1.

Veiligheid 12

3.2.2.

Betrouwbaarheid en beschikbaarheid 12

3.2.3.

Technische compatibiliteit 12

3.3.

Essentiële eisen die niet direct door deze TSI worden bestreken 13

3.3.1.

Veiligheid 13

3.3.2.

Gezondheid 13

3.3.3.

Milieubescherming 13

3.3.4.

Technische compatibiliteit 14

3.3.5.

Toegankelijkheid 14

4.

KENMERKEN VAN DE SUBSYSTEMEN 14

4.1.

Inleiding 14

4.1.1.

Fundamentele parameters 14

4.1.2.

Overzicht van de eisen 14

4.1.3.

Onderdelen van subsystemen CCS 15

4.2.

Functionele en technische specificaties van de subsystemen 16

4.2.1.

Betrouwbaarheids-, beschikbaarheids- en veiligheidskenmerken van besturing en seingeving die relevant zijn voor de interoperabiliteit 16

4.2.2.

ETCS-boordfunctionaliteit 18

4.2.3.

ETCS-baanfunctionaliteit 19

4.2.4.

Functies van mobiele communicatie voor spoorwegen RMR 20

4.2.5.

RMR/ETCS- en ATO-airgapinterfaces 21

4.2.6.

Interfaces binnen het boordsysteem CCS 22

4.2.7.

Interfaces binnen het baansysteem CCS 23

4.2.8.

Beheer van encryptiesleutels 24

4.2.9.

Beheer van ETCS-ID’s 24

4.2.10.

Baansystemen voor treindetectie 24

4.2.11.

Elektromagnetische compatibiliteit tussen rollend materieel en baanapparatuur voor besturing en seingeving 25

4.2.12.

ETCS DMI (machinisteninterface) 25

4.2.13.

RMR DMI (machinisteninterface) 25

4.2.14.

Interface voor gegevensregistratie in het kader van wettelijke verplichtingen 25

4.2.15.

Baanobjecten CCS 25

4.2.16.

Constructie van uitrusting die in subsystemen CCS wordt gebruikt 26

4.2.17.

Compatibiliteit van het ETCS-systeem en het radiosysteem 26

4.2.18.

ATO-boordfunctionaliteit 30

4.2.19.

ATO-baanfunctionaliteit 30

4.2.20.

Technische documentatie voor onderhoud 30

4.3.

Functionele en technische specificaties van de interfaces met andere subsystemen 32

4.3.1.

Interface met het subsysteem exploitatie en verkeersleiding 32

4.3.2.

Interface met het subsysteem rollend materieel 33

4.3.3.

Interfaces met het subsysteem infrastructuur 35

4.3.4.

Interfaces met het subsysteem energie 35

4.3.5.

Interfaces met veiligheid in spoorwegtunnels 36

4.4.

Exploitatievoorschriften 36

4.5.

Onderhoudsvoorschriften 36

4.6.

Beroepsbekwaamheden 36

4.7.

Gezondheid en veiligheid 36

4.8.

Registers 37

4.9.

Controle van de compatibiliteit van de voertuigen met de trajecten voor het eerste gebruik van het vergunde voertuig 37

5.

INTEROPERABILITEITSONDERDELEN 37

5.1.

Definitie 37

5.2.

Lijst van interoperabiliteitsonderdelen 37

5.2.1.

Elementaire interoperabiliteitsonderdelen 37

5.2.2.

Groepering van interoperabiliteitsonderdelen 37

5.3.

Prestaties en specificaties van onderdelen 38

6.

BEOORDELING VAN DE CONFORMITEIT EN/OF GESCHIKTHEID VOOR GEBRUIK VAN DE ONDERDELEN EN CONTROLE VAN DE SUBSYSTEMEN 44

6.1.

Inleiding 44

6.1.1.

Algemene beginselen 44

6.1.2.

Beginselen voor het testen van ETCS, ATO en RMR 44

6.2.

Interoperabiliteitsonderdelen 45

6.2.1.

Beoordelingsprocedures voor interoperabiliteitsonderdelen voor besturing en seingeving 45

6.2.2.

Modules voor interoperabiliteitsonderdelen voor besturing en seingeving 45

6.2.3.

Beoordelingseisen 46

6.2.4.

Speciale onderwerpen 48

6.3.

Subsystemen CCS 49

6.3.1.

Beoordelingsprocedures voor subsystemen CCS 49

6.3.2.

Modules voor subsystemen CCS 50

6.3.3.

Beoordelingseisen voor een boordsubsysteem 50

6.3.4.

Beoordelingseisen voor een baansubsysteem 54

6.4.

Bepalingen in geval van gedeeltelijke beoordeling van de TSI-eisen 58

6.4.1.

Beoordeling van onderdelen van de subsystemen CCS 58

6.4.2.

Tussentijdse keuringsverklaring 59

6.5.

Beheer van fouten 59

6.5.1.

Inhoud van EG-certificaten 60

6.5.2.

Inhoud van EG-verklaringen 60

7.

UITVOERING VAN DE TSI CCS 60

7.1.

Inleiding 60

7.2.

Algemeen toepasselijke regels 60

7.2.1.

Verbetering of vernieuwing van het subsystemen CCS of delen daarvan 60

7.2.2.

Wijzigingen aan een bestaand boordsubsysteem 60

7.2.3.

Modernisering of vernieuwing van het bestaande baansubsysteem 67

7.2.4.

Certificaten van EG-typeonderzoek of -ontwerponderzoek 69

7.2.5.

Oudere systemen 72

7.2.6.

Beschikbaarheid van specifieke transmissiemodules en interfaces voor boordsystemen van klasse B 72

7.2.7.

Aanvullende klasse B-apparatuur op een lijn met klasse A-uitrusting 72

7.2.8.

Voertuigen met apparatuur van klasse A en klasse B 73

7.2.9.

Voorwaarden voor verplichte en facultatieve functies 73

7.2.10.

Onderhoud van de specificaties (foutcorrectie) 74

7.3.

Specifieke voorschriften voor de uitvoering van RMR 76

7.3.1.

Installatie baanapparatuur 76

7.3.2.

Boordapparatuur 76

7.4.

Specifieke voorschriften voor de uitvoering van ETCS 77

7.4.1.

Baanapparatuur 77

7.4.2.

Boordapparatuur 79

7.4.3.

Nationale eisen 80

7.4.4.

Nationale uitvoeringsplannen 81

7.5.

Uitvoeringsvoorschriften voor controles van de compatibiliteit van het ETCS-systeem en het radiosysteem 82

7.6.

Specifieke voorschriften voor de uitvoering van treindetectiesystemen 83

7.7.

Specifieke gevallen 83

7.7.1.

Inleiding 83

7.7.2.

Lijst van specifieke gevallen 84
Aanhangsel A 95

Tabel A 1

Referenties tussen fundamentele parameters en bindende specificities 95

Tabel A 2

Lijst van bindende specificities 98

Tabel A 3

Lijst van normen 103

Tabel A 4

Lijst van bindende normen voor erkende laboratoria 104
Aanhangsel B 105

B1.

Wijzigingen van eisen en overgangsregelingen voor boordsubsystemen 105

B2.

Wijzigingen van eisen en overgangsregelingen voor het baansubsysteem CCS 126

B3.

Wijzigingen van de vereisten voor interoperabiliteitsonderdelen en overgangsregelingen voor subsysteem CCS 130
Aanhangsel C 134
Aanhangsel C.1: Model ESC-verklaring 134
Aanhangsel C.2: Model ESC-verklaring voor interoperabiliteitsonderdelen 135
Aanhangsel C.3: Model RSC-verklaring 136
Aanhangsel C.4: Model van de RSC-verklaring voor interoperabiliteitsonderdelen 137
Aanhangsel C.5: Model gecombineerde ESC/RSC-verklaring 138
Aanhangsel C.6: Model gecombineerde ESC/RSC-verklaring voor een interoperabiliteitsonderdeel 139
Aanhangsel D 140
Aanhangsel E 141
Aanhangsel F 145
Aanhangsel G 146
Aanhangsel H 147
JAAR VAN AFGIFTE — NATIONAAL UITVOERINGSPLAN 148

1.   INLEIDING

1.1.   Technisch toepassingsgebied

Deze technische specificatie inzake interoperabiliteit (TSI) heeft betrekking op de boord- en baansubsystemen besturing en seingeving (Command Control and Signalling, hierna “CCS”).

Deze TSI is van toepassing op baansubsystemen CCS als gedefinieerd in punt 1.2 (Geografisch toepassingsgebied) van deze TSI en op de boordsubsystemen CCS van voertuigen die op dat spoornet (zullen) worden geëxploiteerd. Deze voertuigen behoren tot een van de volgende typen (als gedefinieerd in punt 2 van bijlage I bij Richtlijn (EU) 2016/797):

(1)

rollend materieel – “locomotieven en reizigerstreinen” – met inbegrip van al dan niet elektrische tractievoertuigen, al dan niet elektrische reizigerstreinen en rijtuigen, indien uitgerust met een stuurcabine;

(2)

bijzondere voertuigen, zoals spoormachines, indien uitgerust met een stuurcabine en bestemd om in rijmodus op eigen wielen te functioneren.

Tot deze voertuigen behoren voertuigen die speciaal zijn ontworpen voor de diverse typen in punt 1.2 (Geografisch toepassingsgebied) beschreven hogesnelheidslijnen.

1.2.   Geografisch toepassingsgebied

Het geografisch toepassingsgebied van deze TSI is het volledige spoorwegsysteem, zoals beschreven in punt 1 van bijlage I bij Richtlijn (EU) 2016/797, uitgezonderd de in artikel 1, leden 3 en 4, van Richtlijn (EU) 2016/797 bedoelde infrastructuur.

De TSI is van toepassing op netwerken met een spoorwijdte van 1 435 mm, 1 520 mm, 1 524 mm, 1 600 mm en 1 668 mm. Ze is evenwel niet van toepassing op korte landsgrensoverschrijdende lijnen met een spoorwijdte van 1 520 mm die de verbinding vormen met netwerken van derde landen.

1.3.   Inhoud van deze TSI

Overeenkomstig artikel 4, lid 3, van Richtlijn (EU) 2016/797 wordt in deze TSI het volgende vastgesteld:

(1)

het beoogde toepassingsgebied – hoofdstuk 2 (Omschrijving en toepassingsgebied van het subsysteem);

(2)

de essentiële eisen voor de subsystemen CCS en de interfaces hiervan met de overige subsystemen – hoofdstuk 3 (Essentiële eisen van de subsystemen CCS);

(3)

de functionele en technische specificaties waaraan de subsystemen en hun interfaces met andere subsystemen moeten voldoen – hoofdstuk 4 (Kenmerken van de subsystemen);

(4)

de interoperabiliteitsonderdelen en interfaces waarvoor Europese specificaties moeten worden vastgesteld, waaronder de Europese normen, die noodzakelijk zijn om de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Unie tot stand te brengen – hoofdstuk 5 (Interoperabiliteitsonderdelen);

(5)

per beoogd geval, de procedures die moeten worden gevolgd voor de beoordeling van de conformiteit of de geschiktheid voor gebruik van interoperabiliteitsonderdelen en voor de EG-keuring van de subsystemen – hoofdstuk 6 (Beoordeling van de conformiteit en/of geschiktheid voor gebruik van de onderdelen en controle van de subsystemen);

(6)

de uitvoeringsstrategie voor deze TSI – hoofdstuk 7 (Uitvoering van de TSI CCS);

(7)

de vereiste competenties en de voorschriften voor gezondheid en veiligheid op het werk voor de medewerkers die deze subsystemen exploiteren en onderhouden en die deze TSI toepassen – hoofdstuk 4 (Kenmerken van de subsystemen);

(8)

de bepalingen die van toepassing zijn op bestaande subsystemen, met name moderniseringen en vernieuwingen daarvan en, in zulke gevallen, op aanpassingen ervan die de aanvraag van een nieuwe vergunning voor het voertuig of het baansubsysteem vereisen – hoofdstuk 7 (Uitvoering van de TSI CCS);

(9)

de door spoorwegondernemingen te controleren parameters van de subsystemen en toe te passen procedures om die parameters te controleren tussen het moment waarop een vergunning om een voertuig in de handel te brengen is afgegeven en het eerste gebruik van dat voertuig, teneinde te waarborgen dat de voertuigen compatibel zijn met de trajecten waarop ze zullen worden ingezet – hoofdstuk 4 (Kenmerken van de subsystemen).

Overeenkomstig artikel 4, lid 5, van Richtlijn (EU) 2016/797 zijn bepalingen voor specifieke gevallen vermeld in hoofdstuk 7 (Uitvoering van de TSI CCS).

In hoofdstuk 4 (Kenmerken van de subsystemen) van deze TSI zijn ook de exploitatie- en onderhoudsregels beschreven die specifiek van toepassing zijn op het in de punten 1.1 en 1.2 vermelde toepassingsgebied.

2.   OMSCHRIJVING EN TOEPASSINGSGEBIED VAN HET SUBSYSTEEM

2.1.   Inleiding

De subsystemen CCS zijn in bijlage II bij Richtlijn (EU) 2016/797 gedefinieerd als:

(1)

baanuitrusting voor besturing en seingeving: “alle uitrusting op en langs de spoorbaan die nodig is om de veiligheid te waarborgen en voor de besturing en controle van de bewegingen van de op het netwerk toegelaten treinen”;

(2)

boorduitrusting voor besturing en seingeving: “alle boorduitrusting die nodig is om de veiligheid te waarborgen en voor de besturing en controle van de bewegingen van de op het netwerk toegelaten treinen”.

De eigenschappen van de subsystemen CCS zijn:

(1)

de functies die essentieel zijn voor de veilige besturing van het spoorwegverkeer en die essentieel zijn voor de exploitatie, met inbegrip van de functies die vereist zijn bij gestoord bedrijf (1);

(2)

de interfaces;

(3)

het prestatieniveau dat vereist is om aan de essentiële eisen te voldoen.

2.2.   Toepassingsgebied

De TSI CCS beschrijft enkel de eisen waaraan moet worden voldaan om de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Unie te bereiken en om de essentiële eisen na te leven (2).

De subsystemen CCS omvatten de volgende onderdelen:

(1)

treinbeveiliging;

(2)

radiosysteem voor spraakcommunicatie;

(3)

radiosysteem voor datacommunicatie;

(4)

treindetectie;

(5)

geautomatiseerde treinbesturing (3).

ERTMS (European Rail Traffic Management System) bestaat uit treinbeveiliging (ETCS), radiocommunicatie (RMR) en geautomatiseerde treinbesturing (ATO).

Het treinbeveiligingssysteem van klasse A is ETCS (Europees treinbesturingssysteem) (4) en het radiosysteem van klasse A is RMR (mobiele spoorwegradio). In deze TSI omvat RMR twee radiosystemen van klasse A: GSM-R en het toekomstig mobiel spoorwegcommunicatiesysteem (FRMCS), die beide tegelijk of elk afzonderlijk kunnen worden toegepast (5).

Voor treindetectie specificeert deze TSI alleen de eisen voor de interface met andere subsystemen.

De lijst van systemen van klasse B staat in bijlage II bij deze verordening.

De eisen voor het boordsubsysteem CCS zijn vastgesteld voor mobiele radioapparatuur, treinbeveiliging en geautomatiseerde treinbesturing van klasse A.

De eisen voor het baansubsysteem CCS zijn vastgesteld voor:

(1)

het radionetwerk van klasse A;

(2)

de treinbeveiliging van klasse A;

(3)

de geautomatiseerde treinbesturing van klasse A;

(4)

de interface-eisen voor treindetectiesystemen om hun compatibiliteit met het rollend materieel te waarborgen.

Alle subsystemen CCS, zelfs als ze niet gespecificeerd zijn in deze TSI, moeten worden beoordeeld overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) nr. 402/2013 van de Commissie (6).

2.3.   Toepassingsniveaus voor baanapparatuur (ETCS)

De in deze TSI omschreven interfaces regelen de overdracht van gegevens naar en eventueel afkomstig van treinen. De ETCS-specificaties waarnaar in deze TSI wordt verwezen, voorzien in een aantal toepassingsniveaus. In het kader van de installatie van baanapparatuur kan daaruit de overdrachtswijze worden gekozen die het best aansluit bij de uitvoeringseisen.

Deze TSI bepaalt de eisen voor alle toepassingsniveaus. Voor de technische definitie van de ETCS-toepassingsniveaus, zie aanhangsel A, tabel A 1, 4.1 c.

3.   ESSENTIËLE EISEN VAN DE SUBSYSTEMEN CCS

3.1.   Algemene punten

In Richtlijn (EU) 2016/797 is bepaald dat de subsystemen en de interoperabiliteitsonderdelen, met inbegrip van de interfaces, moeten voldoen aan de essentiële eisen die in algemene zin zijn beschreven in bijlage III bij de richtlijn.

De essentiële eisen zijn:

(1)

veiligheid;

(2)

betrouwbaarheid en beschikbaarheid;

(3)

gezondheid;

(4)

milieubescherming;

(5)

technische compatibiliteit;

(6)

toegankelijkheid.

De essentiële eisen voor systemen van klasse A zijn beschreven in tabel 3.1.

Voor de eisen met betrekking tot systemen van klasse B zijn de betrokken lidstaten verantwoordelijk.

De volgende tabel geeft de in bijlage III bij Richtlijn (EU) 2016/797 vastgestelde en genummerde essentiële eisen aan die in aanmerking zijn genomen in de fundamentele parameters die zijn vastgesteld in hoofdstuk 4 van deze TSI.

Tabel 3.1

Verband tussen de essentiële eisen en de fundamentele parameters

Punt fundamentele parameter

Titel fundamentele parameter

Veiligheid

Betrouwbaarheid/beschikbaarheid

Gezondheid

Milieubescherming

Technische compatibiliteit

4.2.1

Betrouwbaarheids-, beschikbaarheids- en veiligheidskenmerken van besturing en seingeving die relevant zijn voor de interoperabiliteit

1.1.1

1.1.3

2.3.1

1.2

 

 

 

4.2.2

ETCS-boordfunctionaliteit

1.1.1

 

 

 

1.5

2.3.2

4.2.3

ETCS-baanfunctionaliteit

1.1.1

 

 

 

1.5

2.3.2

4.2.4

Functies van mobiele communicatie voor spoorwegen RMR

 

 

 

1.4.3

1.5

2.3.2

4.2.5

RMR/ETCS- en ATO-airgapinterfaces

 

 

 

 

1.5

2.3.2

4.2.6

Interfaces binnen het boordsysteem CCS

 

 

 

 

1.5

2.3.2

4.2.7

Interfaces binnen het baansysteem CCS

 

 

 

 

1.5

2.3.2

4.2.8

Beheer van encryptiesleutels

 

 

 

 

1.5

2.3.2

4.2.9

Beheer van ETCS-ID’s

 

 

 

 

1.5

2.3.2

4.2.10

Baansystemen voor treindetectie

 

 

 

 

1.5

2.3.2

4.2.11

Elektromagnetische compatibiliteit tussen rollend materieel en baanapparatuur voor besturing en seingeving

 

 

 

1.4.3

1.5

2.3.2

4.2.12

ETCS DMI (machinisteninterface)

 

 

 

 

1.5

2.3.2

4.2.13

RMR DMI (machinisteninterface)

 

 

 

 

1.5

2.3.2

4.2.14

Interface voor gegevensregistratie in het kader van wettelijke verplichtingen

1.1.1

 

 

 

1.5

2.3.2

4.2.15

Baanobjecten CCS

 

 

 

 

1.5

2.3.2

4.2.16

Constructie van uitrusting die in subsystemen CCS wordt gebruikt

1.1.3

1.1.4

 

1.3.2

1.4.2

 

4.2.17

Compatibiliteit van het ETCS-systeem en het radiosysteem

 

 

 

 

1.5

2.3.2

4.2.18

ATO-boordfunctionaliteit

 

 

 

 

1.5

2.3.2

4.2.19

ATO-baanfunctionaliteit

 

 

 

 

1.5

2.3.2

4.2.20

Technische documentatie voor onderhoud

1.1.5

1.1.1

 

 

 

 

3.2.   Specifieke aspecten van de subsystemen CCS

3.2.1.   Veiligheid

Voor elk project met betrekking tot de subsystemen CCS moeten de noodzakelijke maatregelen worden genomen om aan te tonen dat het risico van een fout in de subsystemen CCS niet groter is dan de voor de dienst gestelde veiligheidsdoelstelling.

Om ervoor te zorgen dat de genomen veiligheidsmaatregelen de interoperabiliteit niet in gevaar brengen, moet worden voldaan aan de eisen van de fundamentele parameter in punt 4.2.1 (Betrouwbaarheids-, beschikbaarheids- en veiligheidskenmerken van besturing en seingeving die relevant zijn voor de interoperabiliteit).

Voor het ETCS-systeem van klasse A moet de veiligheidsdoelstelling evenredig worden verdeeld over de boord- en baansubsystemen CCS. De gedetailleerde eisen worden gespecificeerd in de fundamentele parameter in punt 4.2.1 (Betrouwbaarheids-, beschikbaarheids- en veiligheidskenmerken van besturing en seingeving die relevant zijn voor de interoperabiliteit). Er moet worden voldaan aan zowel deze veiligheidseis als aan de beschikbaarheidseisen van punt 3.2.2 (Betrouwbaarheid en beschikbaarheid).

3.2.2.   Betrouwbaarheid en beschikbaarheid

Voor het systeem van klasse A moeten de doelstellingen van betrouwbaarheid en beschikbaarheid evenredig worden verdeeld over de boord- en baansubsystemen CCS. De gedetailleerde eisen worden gespecificeerd in de fundamentele parameter in punt 4.2.1 (Betrouwbaarheids-, beschikbaarheids- en veiligheidskenmerken van besturing en seingeving die relevant zijn voor de interoperabiliteit).

Het risico als gevolg van veroudering en slijtage van de in het subsysteem gebruikte onderdelen moet worden bewaakt. De onderhoudseisen in punt 4.5 moeten worden nageleefd.

3.2.3.   Technische compatibiliteit

De technische compatibiliteit omvat tevens de voor interoperabiliteit vereiste functies, interfaces en prestaties.

De eisen voor technische compatibiliteit worden in de volgende drie categorieën ingedeeld:

(1)

De eerste categorie betreft de algemene ontwerpeisen voor interoperabiliteit, met name milieutechnische condities, interne elektromagnetische compatibiliteit (EMC) op de spoorwegterreinen, en installatie. Deze compatibiliteitseisen worden in dit hoofdstuk omschreven.

(2)

De tweede categorie beschrijft de wijze waarop de subsystemen CCS technisch moeten worden toegepast en welke functies ze moeten kunnen uitvoeren om interoperabiliteit te bereiken. Deze categorie is omschreven in hoofdstuk 4.

(3)

De derde categorie beschrijft de interface tussen de subsystemen CCS en het subsysteem exploitatie en verkeersleiding om operationele interoperabiliteit te bereiken. Deze categorie staat beschreven in hoofdstuk 4.

3.2.3.1.   Compatibiliteit van het ontwerp

3.2.3.1.1.   Milieutechnische omstandigheden

De besturings- en seingevingsapparatuur moet kunnen worden gebruikt onder de klimatologische en fysieke omstandigheden die langs het betrokken deel van het spoorwegsysteem in de Unie bestaan.

De eisen van de fundamentele parameter 4.2.16 (Construction of equipment used in CCS subsystems) moeten worden nageleefd.

3.2.3.1.2.   Interne elektromagnetische compatibiliteit van de spoorweg

De fundamentele parameter voor elektromagnetische compatibiliteit tussen rollend materieel en baanapparatuur CCS is beschreven in punt 4.2.11 (Elektromagnetische compatibiliteit tussen rollend materieel en baanapparatuur voor besturing en seingeving).

3.3.   Essentiële eisen die niet direct door deze TSI worden bestreken

3.3.1.   Veiligheid

De essentiële eis 1.1.2 in bijlage III bij Richtlijn (EU) 2016/797 valt niet binnen het toepassingsgebied van deze TSI.

De essentiële eis 1.1.4 in bijlage III bij Richtlijn (EU) 2016/797 voor de baansubsystemen CCS valt onder de geldende Europese en nationale bepalingen.

3.3.2.   Gezondheid

Op grond van de EU-wetgeving en de met de EU-wetgeving verenigbare nationale wetgeving moeten er voorzorgsmaatregelen worden getroffen om ervoor te zorgen dat de gebruikte materialen en het ontwerp van subsystemen CCS de gezondheid van degenen die er toegang toe hebben niet in gevaar kunnen brengen. Dit houdt verband met de essentiële eis 1.3.1 in bijlage III bij Richtlijn (EU) 2016/797. De essentiële eis 1.3.2 in bijlage III bij Richtlijn (EU) 2016/797 voor de baansubsystemen CCS wordt bestreken door de geldende Europese en nationale bepalingen.

3.3.3.   Milieubescherming

Op grond van de EU-wetgeving en de met de EU-wetgeving verenigbare nationale regelgeving:

(1)

mag de besturings- en seingevingsapparatuur de grenswaarden voor de uitstoot van voor het milieu gevaarlijke en schadelijke rook of gassen niet overschrijden indien zij wordt blootgesteld aan buitengewone hitte of brand. Dit houdt verband met de essentiële eis 1.4.2 in bijlage III bij Richtlijn (EU) 2016/797;

(2)

mag de besturings- en seingevingsapparatuur geen stoffen bevatten die onder normale bedrijfsomstandigheden het milieu buitensporig kunnen schaden. Dit houdt verband met de essentiële eis 1.4.1 in bijlage III bij Richtlijn (EU) 2016/797;

(3)

moeten besturings- en seingevingssystemen voldoen aan de geldende EU-wetgeving inzake emissiegrenswaarden en de gevoeligheid voor elektromagnetische interferentie langs de grenzen van spoorwegterreinen. Dit houdt verband met de essentiële eis 1.4.3 in bijlage III bij Richtlijn (EU) 2016/797;

(4)

moet de besturings- en seingevingsapparatuur voldoen aan de geldende wetgeving inzake geluidshinder. Dit houdt verband met de essentiële eis 1.4.4 in bijlage III bij Richtlijn (EU) 2016/797;

(5)

mag de besturings- en seingevingsapparatuur geen onaanvaardbaar hoge trillingen veroorzaken waardoor schade aan de infrastructuur kan ontstaan (indien de infrastructuur correct is onderhouden). Dit houdt verband met de essentiële eis 1.4.5 in bijlage III bij Richtlijn (EU) 2016/797.

3.3.4.   Technische compatibiliteit

3.3.4.1.   Interne elektromagnetische compatibiliteit van de spoorweg

Op grond van de EU-wetgeving en de met de EU-wetgeving verenigbare nationale regelgeving mag besturings- en seingevingsapparatuur geen andere besturings- en seingevingsapparatuur of andere subsystemen storen of erdoor worden gestoord.

3.3.5.   Toegankelijkheid

De essentiële eis 1.6 in bijlage III bij Richtlijn (EU) 2016/797 valt niet binnen het toepassingsgebied van deze TSI.

4.   KENMERKEN VAN DE SUBSYSTEMEN

4.1.   Inleiding

4.1.1.   Fundamentele parameters

De subsystemen CCS worden overeenkomstig de relevante essentiële eisen gekenmerkt door de volgende fundamentele parameters:

(1)

Betrouwbaarheids-, beschikbaarheids- en veiligheidskenmerken van besturing en seingeving die relevant zijn voor de interoperabiliteit (punt 4.2.1)

(2)

ETCS-boordfunctionaliteit (punt 4.2.2)

(3)

ETCS-baanfunctionaliteit (punt 4.2.3)

(4)

Functies van mobiele communicatie voor spoorwegen RMR (punt 4.2.4)

(5)

RMR/ETCS- en ATO-airgapinterfaces (punt 4.2.5)

(6)

Interfaces binnen het boordsysteem CCS (punt 4.2.6)

(7)

Interfaces binnen het baansysteem CCS (punt 4.2.7)

(8)

Beheer van encryptiesleutels (punt 4.2.8)

(9)

Beheer van ETCS-ID’s (punt 4.2.9)

(10)

Baansystemen voor treindetectie (punt 4.2.10)

(11)

Elektromagnetische compatibiliteit tussen rollend materieel en baanapparatuur voor besturing en seingeving (punt 4.2.11)

(12)

ETCS DMI (machinisteninterface) (punt 4.2.12)

(13)

RMR DMI (machinisteninterface) (punt 4.2.13)

(14)

Interface voor gegevensregistratie in het kader van wettelijke verplichtingen (punt 4.2.14)

(15)

Baanobjecten CCS (punt 4.2.15)

(16)

Constructie van uitrusting die in subsystemen CCS wordt gebruikt (punt 4.2.16)

(17)

Compatibiliteit van het ETCS-systeem en het radiosysteem (punt 4.2.17)

(18)

ATO-boordfunctionaliteit (punt 4.2.18)

(19)

ATO-baanfunctionaliteit (punt 4.2.19)

(20)

Technische documentatie voor onderhoud (punt 4.2.20)

4.1.2.   Overzicht van de eisen

Alle voorschriften in punt 4.2 (Functionele en technische specificaties van de subsystemen) in verband met deze fundamentele parameters moeten worden toegepast voor systemen van klasse A.

De betrokken lidstaten zijn verantwoordelijk voor de eisen voor systemen van klasse B en voor STM’s (waarmee klasse A-boordsystemen kunnen worden gebruikt in een klasse B-infrastructuur).

Het uitgangspunt van deze TSI is de compatibiliteit tussen het baansubsysteem CCS en TSI-conforme boordsubsystemen CCS. Daartoe:

(1)

zijn de functies, interfaces en prestaties van het boordsubsysteem CCS gestandaardiseerd, zodat elke trein op voorspelbare wijze reageert op gegevens die hij van baanapparatuur ontvangt;

(2)

is de baan-naar-boord- en boord-naar-baancommunicatie voor het baansubsysteem CCS volledig gestandaardiseerd in deze TSI. Dankzij de specificaties waarnaar in onderstaande punten wordt verwezen, kunnen de besturings- en seingevingsfuncties van de baanapparatuur op flexibele wijze worden toegepast, zodat ze optimaal in het spoorwegsysteem kunnen worden geïntegreerd. Deze flexibiliteit moet worden benut zonder de beweging van voertuigen met TSI-conforme boordsubsystemen te beperken.

De besturings- en seingevingsfuncties zijn ingedeeld in categorieën die aangeven of zij facultatief of bindend zijn. De categorieën zijn omschreven in punt 7.2.9 van deze TSI en in specificaties waarnaar in aanhangsel A wordt verwezen, waarin ook is toegelicht hoe de functies zijn ingedeeld.

Aanhangsel A, tabel A 1, 4.1 c, bevat een lijst van ETCS- en ATO-termen en -definities, die worden gebruikt in de specificaties waarnaar in aanhangsel A wordt verwezen.

4.1.3.   Onderdelen van subsystemen CCS

Overeenkomstig punt 2.2 (Toepassingsgebied) bestaan de subsystemen CCS uit drie onderdelen.

De volgende tabel vermeldt welke fundamentele parameters relevant zijn voor elk subsysteem en elk onderdeel.

Tabel 4.1

Onderdelen van subsystemen CCS

Subsysteem

Onderdeel

Fundamentele parameters

Boordapparatuur voor besturing en seingeving

Treinbeveiliging

4.2.1, 4.2.2, 4.2.5, 4.2.6, 4.2.8, 4.2.9, 4.2.12, 4.2.14, 4.2.16, 4.2.17, 4.2.20

Radiosysteem voor spraakcommunicatie

4.2.1.2, 4.2.4.1, 4.2.4.2, 4.2.5.1, 4.2.13, 4.2.16, 4.2.17, 4.2.20

Radiosysteem voor datacommunicatie

4.2.1.2, 4.2.4.1, 4.2.4.3, 4.2.5.1, 4.2.6.2, 4.2.16, 4.2.17, 4.2.20

Geautomatiseerde treinbesturing

4.2.1.2, 4.2.5.1, 4.2.6, 4.2.12, 4.2.16, 4.2.17, 4.2.20

Baanapparatuur voor besturing en seingeving

Treinbeveiliging

4.2.1, 4.2.3, 4.2.5, 4.2.7, 4.2.8, 4.2.9, 4.2.15, 4.2.16, 4.2.17, 4.2.20

Radiosysteem voor spraakcommunicatie

4.2.1.2, 4.2.4, 4.2.5.1.1, 4.2.13, 4.2.16, 4.2.17, 4.2.20

Radiosysteem voor datacommunicatie

4.2.1.2, 4.2.4, 4.2.5.1 4.2.7.3, 4.2.16, 4.2.17, 4.2.20

Treindetectie

4.2.10, 4.2.11

Geautomatiseerde treinbesturing

4.2.1.2, 4.2.5.1, 4.2.7, 4.2.16, 4.2.19, 4.2.20

4.2.   Functionele en technische specificaties van de subsystemen

4.2.1.   Betrouwbaarheids-, beschikbaarheids- en veiligheidskenmerken van besturing en seingeving die relevant zijn voor de interoperabiliteit

Deze fundamentele parameter beschrijft de eisen voor de boord- en baansubsystemen CCS met verwijzing naar de punten 3.2.1 (Veiligheid) en 3.2.2 (Betrouwbaarheid en beschikbaarheid).

Om bij de invoering van boord- en baansubsystemen CCS-interoperabiliteit te bereiken, moeten de volgende bepalingen worden nageleefd:

(1)

Het ontwerp, de uitvoering en het gebruik van een boord- of baansubsysteem CCS mag geen eisen exporteren:

(a)

via de interface tussen boord- en baansubsystemen CCS naast de in deze TSI vermelde eisen;

(b)

naar andere subsystemen naast de in de overeenkomstige TSI’s vermelde eisen.

(2)

De hieronder in de punten 4.2.1.1 en 4.2.1.2 uiteengezette eisen moeten worden nageleefd.

4.2.1.1.   Veiligheid

De boord- en baansubsystemen CCS moeten voldoen aan de in deze TSI vermelde eisen voor ETCS-apparatuur en -installaties.

Voor het risico “de voor ETCS aanbevolen maximumsnelheid en/of -afstand overschrijden” bedraagt de aanvaardbare risicofactor (THR) voor zowel ETCS-boordapparatuur als -baanapparatuur 10-9 h-1 voor willekeurige defecten. Zie aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.1 a.

Om interoperabiliteit te bereiken, moet ETCS-boordapparatuur volledig voldoen aan alle in aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.1, vermelde eisen. Voor ETCS-baanapparatuur mogen echter minder strenge veiligheidseisen worden aanvaard, indien in combinatie met de TSI-conforme boordsubsystemen CCS aan de veiligheidsdoelstelling voor de dienst wordt voldaan.

Voor het ETCS-systeem van klasse A:

(1)

moeten de door de spoorwegondernemingen en de infrastructuurbeheerders aangebrachte wijzigingen om preventief of correctief onderhoud uit te voeren, worden beheerd in overeenstemming met de processen en procedures van hun veiligheidsbeheersysteem overeenkomstig artikel 9 van Richtlijn (EU) 2016/798 van het Europees Parlement en de Raad (Richtlijn spoorwegveiligheid) (7);

(2)

moeten andere soorten wijzigingen door spoorwegondernemingen en infrastructuurbeheerders (bv. wijzigingen van het ontwerp of de implementatie van ETCS), alsmede de wijzigingen door andere actoren (bv. fabrikanten of andere leveranciers) worden beheerd volgens het risicobeheerproces van bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 402/2013, als bedoeld in artikel 6, lid 1, punt a), van Richtlijn (EU) 2016/798.

Daarnaast moet de correcte toepassing van het in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 402/2013 beschreven risicobeheerproces, en de geschiktheid van de resultaten van deze toepassing, onafhankelijk worden beoordeeld door een GVM-beoordelingsinstantie overeenkomstig artikel 6 van die verordening. Er zijn geen beperkingen met betrekking tot de onafhankelijkheid van de GVM-beoordelingsinstantie van het type A, B of C, zoals toegestaan bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 402/2013. De aangestelde GVM-beoordelingsinstantie moet geaccrediteerd of erkend zijn overeenkomstig de eisen van bijlage II bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 402/2013 op het gebied van het subsysteem “besturing en seingeving”, zoals opgenomen in rubriek 5, “Classificatie”, van de ERADIS-databank voor beoordelingsinstanties.

De accreditatie of erkenning op het gebied van het subsysteem “besturing en seingeving” betreft de bevoegdheid van de GVM-beoordelingsinstantie om onafhankelijk de “veilige integratie” van een ETCS-subsysteem of een ETCS-interoperabiliteitsonderdeel te beoordelen. Dit omvat de bevoegdheid voor:

(1)

de beoordeling van de veilige integratie van alle interne componenten en interfaces die de architectuur van het ETCS-subsysteem of het ETCS-interoperabiliteitsonderdeel vormen;

(2)

de beoordeling van de veilige integratie van alle externe interfaces van het ETCS-subsysteem, of het ETCS-interoperabiliteitsonderdeel, binnen zijn directe fysieke, functionele, omgevings-, operationele en onderhoudscontext.

De toepassing van de normen als bedoeld in aanhangsel A, tabel A 3, is een geschikt middel om volledig te voldoen aan het risicobeheerproces zoals beschreven in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 402/2013 voor het ontwerp, de uitvoering, de productie, de installatie en de validering (met inbegrip van veiligheidsgoedkeuring) van interoperabiliteitsonderdelen en subsystemen. Wanneer andere dan de in aanhangsel A, tabel A 3, genoemde normen worden toegepast, moet ten minste gelijkwaardigheid worden aangetoond.

Wanneer de in aanhangsel A, tabel A 3, voor een ETCS-subsysteem of ETCS-interoperabiliteitsonderdeel bedoelde specificaties worden toegepast als een geschikt middel om volledig te voldoen aan het risicobeheerproces zoals beschreven in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 402/2013, worden, om onnodige overlappingen tussen onafhankelijke beoordelingswerkzaamheden te vermijden, de op grond van de in aanhangsel A, tabel A 3, bedoelde specificaties vereiste onafhankelijke veiligheidsbeoordelingsactiviteiten uitgevoerd door een geaccrediteerde of erkende GVM-beoordelingsinstantie als bedoeld in de vijfde en zesde alinea van dit punt, in plaats van door een onafhankelijke veiligheidsbeoordelaar van het Cenelec.

4.2.1.2.   Beschikbaarheid/betrouwbaarheid

Dit punt heeft betrekking op exploitatiestoringen die geen veiligheidsrisico’s opleveren, maar wel tot situaties van gestoord bedrijf leiden en waarvan het beheer de algemene veiligheid van het systeem verlaagt.

In de context van deze parameter betekent “storing” het einde van de mogelijkheid om een vereiste functie met de vereiste prestaties te vervullen en “exploitatiestoring” het effect waardoor een storing aan het licht komt.

Om te waarborgen dat de betrokken infrastructuurbeheerders en spoorwegondernemingen alle informatie ontvangen die zij nodig hebben om passende procedures vast te stellen voor het beheer van situaties van gestoord bedrijf, moeten in het technisch dossier dat bij de EG-keuringsverklaring voor een baan- of boordsubsysteem CCS wordt gevoegd de berekende beschikbaarheids-/betrouwbaarheidswaarden worden opgenomen voor exploitatiestoringen die een impact hebben op de mogelijkheid van het subsysteem CCS om toe te zien op de veilige beweging van één of meer voertuigen of om een spraakverbinding via de radio tot stand te brengen tussen de verkeersleiding en de machinisten.

De naleving van de volgende berekende waarden moet worden gewaarborgd:

(1)

gemiddeld aantal uren exploitatie tussen storingen van een boordsubsysteem CCS die de isolatie van de treinbeveiligingsfuncties vergen: (open punt);

(2)

gemiddeld aantal uren exploitatie tussen storingen van een boordsubsysteem CCS die het onmogelijk maken om een spraakverbinding via de radio tussen de verkeersleiding en de machinist tot stand te brengen: (open punt).

Om infrastructuurbeheerders en spoorwegondernemingen in staat te stellen tijdens de levensduur van de subsystemen toe te zien op het risiconiveau en de naleving van de betrouwbaarheids- en beschikbaarheidswaarden die voor de vaststelling van de procedures voor het beheer van situaties van gestoord bedrijf worden gehanteerd, moeten de in punt 4.2.20 (Technische documentatie voor onderhoud) vastgestelde onderhoudseisen in acht worden genomen.

4.2.2.   ETCS-boordfunctionaliteit

4.2.2.1.   Voornaamste ETCS-functies

De fundamentele parameter voor ETCS-boordfunctionaliteit beschrijft alle functies die nodig zijn om een trein veilig te laten rijden. De belangrijkste functie bestaat uit automatische treinbeveiliging met inbegrip van cabineseingeving:

(1)

de eigenschappen van de trein invoeren (bv. maximale treinsnelheid, remvermogen);

(2)

de bewakingsmodus selecteren op basis van de informatie van baanapparatuur;

(3)

odometriefuncties uitvoeren;

(4)

de positie van de trein bepalen in een coördinatiesysteem op basis van Eurobalise-locaties;

(5)

het dynamisch snelheidsprofiel voor de rit berekenen op basis van de eigenschappen van de trein en informatie van de baanapparatuur;

(6)

het dynamisch snelheidsprofiel bewaken tijdens de rit;

(7)

de interventiefunctie verzorgen.

Deze functies moeten worden toegepast overeenkomstig aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.2 b, en de prestaties ervan moeten voldoen aan aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.2 a.

De eisen voor de tests zijn opgenomen in aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.2 a.

4.2.2.2.   Andere ETCS-functies

De belangrijkste functionaliteit wordt ondersteund door andere functies, waarop aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.2 a en b, ook van toepassing zijn, alsook de onderstaande aanvullende specificaties:

(1)

Communicatie met het baansubsysteem CCS.

(a)

Eurobalise-datatransmissie. Zie punt 4.2.5.2 (Eurobalise-communicatie met de trein voor ERTMS-toepassingen).

(b)

Euroloop-datatransmissie. Zie punt 4.2.5.3 (Euroloop-communicatie met de trein voor ERTMS-toepassingen). Deze functionaliteit is facultatief aan boord, tenzij vereist in specifieke gevallen in punt 7.7, die alleen mogen verwijzen naar de specificaties in aanhangsel A.

(c)

Radiodatatransmissie voor radio-infill. Zie aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.2 d, punten 4.2.5.1 (RMR-airgapinterface), 4.2.6.2 (Interface tussen RMR-gegevenscommunicatie en ETCS/ATO-toepassingen) en 4.2.8 (Beheer van encryptiesleutels). Deze functionaliteit is facultatief aan boord, tenzij vereist in specifieke gevallen in punt 7.7. De toepassing van deze functie, ook voor specifieke gevallen, moet beantwoorden aan de specificaties van aanhangsel A.

(d)

Radiodatatransmissie. Zie punten 4.2.5.1 (RMR-airgapinterface), 4.2.6.2 (Interface tussen RMR-gegevenscommunicatie en ETCS/ATO-toepassingen) en 4.2.8 (Beheer van encryptiesleutels). Deze radiodatatransmissie is facultatief, tenzij op ETCS-lijnen van niveau 2 (voorheen ETCS-niveau 2 of 3).

(2)

Communicatie met de machinist. Zie aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.2 e, punt 4.2.12 (ETCS DMI (machinisteninterface)).

(3)

Communicatie met de STM. Zie punt 4.2.6.1 (ETCS en treinbeveiliging van klasse B). Deze functie omvat:

(a)

het beheren van de output van STM’s;

(b)

het aanleveren van data aan de STM;

(c)

het beheren van overgangen tussen STM’s.

(4)

Informatie beheren over:

(a)

de volledigheid van de trein – verstrekken van informatie over de treinintegriteit en de veilige lengte van de treinsamenstelling aan het boordsubsysteem is facultatief, tenzij dit voor het baansubsysteem vereist is;

(b)

CMD (cold movement detection) – de ETCS-boordapparatuur wordt uitgerust met CMD.

(5)

Controle van apparatuur en ondersteuning bij gestoord bedrijf. Deze functie omvat:

(a)

het initialiseren van de ETCS-boordfunctionaliteit;

(b)

ondersteuning bij gestoord bedrijf;

(c)

het isoleren van de ETCS-boordfunctionaliteit.

(6)

Ondersteuning van gegevensregistratie in het kader van wettelijke verplichtingen. Zie punt 4.2.14 (Interface voor gegevensregistratie in het kader van wettelijke verplichtingen).

(7)

Informatie/opdrachten doorsturen en statusinformatie over rollend materieel ontvangen:

naar/van de boordinterface. Zie aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.2 f.

Opmerking:

De ETCS-boordfunctionaliteit hoeft alleen compatibel te zijn met de trein-FFFIS op nieuw ontwikkelde voertuigontwerpen waarvoor een eerste vergunning vereist is als gedefinieerd in artikel 14, lid 1, punt a), van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/545 van de Commissie (8).

(8)

Communicatie met de ATO. Zie aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.2 h.

Deze functie omvat:

(a)

het beheren van de output van ATO’s;

(b)

het aanleveren van data aan de ATO;

(c)

het beheren van overgangen tussen ATO’s.

4.2.3.   ETCS-baanfunctionaliteit

Deze fundamentele parameter beschrijft de baanfunctionaliteit voor ETCS. Hij omvat de volledige ETCS-functionaliteit die nodig is om een trein een veilig treinpad te bieden.

De belangrijkste functionaliteiten zijn:

(1)

het bepalen van de positie van de trein in een coördinatiesysteem op basis van Eurobalise-locaties (ETCS-niveau 2);

(2)

het omzetten van de informatie van baanapparatuur voor lichtseinen in een genormaliseerd formaat voor het boordsubsysteem CCS;

(3)

het versturen van movement authorities met inbegrip van spoorbeschrijvingen en opdrachten naar een specifieke trein.

Deze functies moeten worden toegepast overeenkomstig aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.3 b, en de prestaties ervan moeten voldoen aan aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.3 a.

De belangrijkste functionaliteit wordt ondersteund door andere functies, waarop aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.3 a en b, ook van toepassing zijn, alsook de onderstaande aanvullende specificaties:

(1)

communicatie met het boordsubsysteem CCS. Daarbij gaat het om:

(a)

Eurobalise-datatransmissie. Zie de punten 4.2.5.2 (Eurobalise-communicatie met de trein voor ERTMS-toepassingen) en 4.2.7.4 (Eurobalise/LEU).

(b)

Euroloop-datatransmissie. Zie de punten 4.2.5.3 (Euroloop-communicatie met de trein voor ERTMS-toepassingen) en 4.2.7.5 (Euroloop/LEU). Euroloop is alleen relevant op niveau 1, waarin dit facultatief is;

(c)

radiodatatransmissie voor radio-infill. Zie de punten 4.2.5.1.2.1 (GSM-R-airgapinterface voor toepassing van ETCS), 4.2.7.3.1.1 (GSM-R/ETCS-baanfunctionaliteit) en 4.2.8 (Beheer van encryptiesleutels). Radio-infill is alleen relevant op niveau 1, waarin dit facultatief is;

(d)

radiodatatransmissie. Zie de punten 4.2.5.1 (RMR-airgapinterface), 4.2.7.3 (RMR/ETCS-baanfunctionaliteit en RMR/ATO-baanfunctionaliteit) en 4.2.8 (Beheer van encryptiesleutels). Radiodatatransmissie is alleen relevant voor ETCS-niveau 2;

(2)

het genereren van informatie/opdrachten naar de ETCS-boordapparatuur, bv. informatie over het openen of sluiten van de luchtventilatie, het neerlaten of opzetten van de stroomafnemer, het openen of sluiten van de hoofdschakelaar, het overschakelen van tractiesysteem A op tractiesysteem B. Deze functionaliteit is facultatief voor baanapparatuur. Zij kan evenwel vereist zijn op grond van andere toepasselijke TSI’s, nationale voorschriften of een risico-evaluatie en -beoordeling teneinde de veilige integratie van subsystemen te waarborgen;

(3)

het beheren van overgangen tussen gebieden die door verschillende centra voor bloksystemen met radiocommunicatie (RBC’s) worden bewaakt (alleen relevant voor ETCS-niveau 2). Zie de punten 4.2.7.1 (Functionele interface tussen centra voor bloksystemen met radiocommunicatie (RBC’s)) en 4.2.7.2 (RBC/RBC).

4.2.4.   Functies van mobiele communicatie voor spoorwegen RMR

Deze fundamentele parameter beschrijft de functies van radiocommunicatie. Dergelijke functies moeten in de boord- en baansubsystemen CCS worden opgenomen overeenkomstig de onderstaande specificaties.

4.2.4.1.   Fundamentele communicatiefunctie

4.2.4.1.1.   Fundamentele communicatiefunctie GSM-R

De algemene eisen worden uiteengezet in aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.4 a.

Voorts moeten de volgende specificaties worden nageleefd:

(1)

ASCI-eigenschappen; aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.4 b;

(2)

simkaart; aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.4 c;

(3)

locatieafhankelijke afhandeling; aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.4 e.

4.2.4.1.2.   Fundamentele communicatiefunctie FRMCS

De algemene eisen worden uiteengezet in aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.4 l.

Voorts moeten de volgende specificaties worden nageleefd:

(1)

FRMCS-profiel; Aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.4 n.

4.2.4.2.   Toepassingen voor spraak- en operationele communicatie

4.2.4.2.1.   GSM-R-toepassingen voor spraak- en operationele communicatie

De algemene eisen zijn gedefinieerd in aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.4 f.

De eisen voor de tests zijn opgenomen in aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.4 g.

Voorts moeten de volgende specificaties worden nageleefd:

(1)

bevestiging van dringende oproepen; aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.4 h;

(2)

functiegeoriënteerde afhandeling; aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.4 j;

(3)

voorstelling van functienummers; aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.4 k;

(4)

signalering van gebruiker naar gebruiker; aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.4 d.

4.2.4.2.2.   FRMCS-toepassingen voor spraak- en operationele communicatie

De algemene eisen zijn gedefinieerd in aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.4 m.

De eisen voor de tests zijn opgenomen in aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.4 o.

4.2.4.3.   Datacommunicatietoepassingen voor ETCS en ATO

4.2.4.3.1.   Datacommunicatie voor ETCS

Het onderdeel “dataradiocommunicatie” van het boordsubsysteem CCS moet de totstandbrenging van minstens twee gelijktijdige communicatiesessies met ETCS kunnen ondersteunen.

4.2.4.3.1.1.   GSM-R-datacommunicatie voor ETCS

De algemene eisen zijn gedefinieerd in aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.4 f.

De eisen voor de tests zijn opgenomen in aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.4 g.

Deze functionaliteit is alleen verplicht bij toepassingen met ETCS-niveau 2 en radio-infill.

4.2.4.3.1.2.   FRMCS-datacommunicatie voor ETCS

De algemene eisen zijn gedefinieerd in aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.4 m.

De eisen voor de tests zijn opgenomen in aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.4 o.

Deze functionaliteit is verplicht bij toepassingen met ETCS-niveau 2.

4.2.4.3.2.   Datacommunicatie voor ATO

4.2.4.3.2.1.   GSM-R-datacommunicatie voor ATO

De algemene eisen zijn gedefinieerd in aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.4 f.

De eisen voor de tests zijn opgenomen in aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.4 g.

4.2.4.3.2.2.   FRMCS-datacommunicatie voor ATO

De algemene eisen zijn gedefinieerd in aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.4 m.

De eisen voor de tests zijn opgenomen in aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.4 o.

4.2.5.   RMR/ETCS- en ATO-airgapinterfaces

Deze fundamentele parameter bepaalt de eisen voor de airgap tussen baan- en boordsubsystemen CCS en moet in aanmerking worden genomen samen met de eisen voor de interfaces tussen ETCS-, ATO- en RMR-apparatuur, zoals bepaald in punt 4.2.6 (Interfaces binnen het boordsysteem CCS) en punt 4.2.7 (Interfaces binnen het baansysteem CCS).

Deze fundamentele parameter omvat:

(1)

de fysieke, elektrische en elektromagnetische waarden die vereist zijn voor een veilige werking;

(2)

het te gebruiken communicatieprotocol;

(3)

de beschikbaarheid van het communicatiekanaal.

De onderstaande specificaties zijn van toepassing.

4.2.5.1.   RMR-airgapinterface

4.2.5.1.1.   Algemene RMR-airgapinterface

4.2.5.1.1.1.   GSM-R-airgapinterface

De airgapinterface moet voldoen aan de eisen die zijn opgenomen in aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.5 a en 4.2.4 f.

Opmerking 1:

De interfaces voor GSM-R-radio voor datacommunicatie moeten werken binnen de in aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.5 a en 4.2.4 f, gespecificeerde frequentieband.

Opmerking 2:

Boordsubsystemen CCS moeten worden beschermd tegen interferentie en moeten voldoen aan de eisen die zijn opgenomen in aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.4 f.

4.2.5.1.1.2.   FRMCS-airgapinterface

De airgapinterface moet voldoen aan de eisen die zijn opgenomen in aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.5 f.

4.2.5.1.2.   RMR-airgapinterface voor toepassing van ETCS

4.2.5.1.2.1.   GSM-R-airgapinterface voor toepassing van ETCS

De datacommunicatieprotocollen moeten voldoen aan aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.5 b.

Bij toepassing van radio-infill moeten ook de eisen in aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.5 c, worden nageleefd.

4.2.5.1.2.2.   FRMCS-airgapinterface voor toepassing van ETCS

De datacommunicatieprotocollen moeten voldoen aan aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.5 j.

4.2.5.1.3.   RMR-airgapinterface voor toepassing van ATO

4.2.5.1.3.1.   GSM-R-airgapinterface voor toepassing van ATO

Er moet gebruik worden gemaakt van pakketschakelcommunicatie en de datacommunicatieprotocollen moeten voldoen aan de desbetreffende eisen die zijn opgenomen in aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.5 h.

Het gebruik van andere draadloze communicatienetwerken, bijvoorbeeld beheerd door een openbare of particuliere mobiele netwerkexploitant, is toegestaan voor de ATO-toepassing, maar valt buiten het toepassingsgebied van deze TSI.

Het gebruik van deze netwerken mag de spraak- en datacommunicatie van GSM-R niet verstoren.

4.2.5.1.3.2.   FRMCS-airgapinterface voor toepassing van ATO

De datacommunicatieprotocollen moeten voldoen aan aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.5 i.

4.2.5.2.   Eurobalise-communicatie met de trein voor ERTMS-toepassingen

Eurobalise-communicatie-interfaces moeten voldoen aan aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.5 d.

4.2.5.3.   Euroloop-communicatie met de trein voor ERTMS-toepassingen

Euroloop-communicatie-interfaces moeten voldoen aan aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.5 e.

4.2.6.   Interfaces binnen het boordsysteem CCS

Deze fundamentele parameter bestaat uit de volgende delen:

4.2.6.1.   ETCS en treinbeveiliging van klasse B

Waar ETCS en treinbeveiligingsfuncties van klasse B op de trein zijn geïnstalleerd, dienen de integratie en de overgangen daartussen te worden beheerd met een van de volgende middelen:

(1)

een gestandaardiseerde interface (STM); of

(2)

een niet-gestandaardiseerde interface; of

(3)

klasse B en klasse A geïntegreerd in dezelfde apparatuur (bijvoorbeeld “bi-standaarden”); of

(4)

geen directe interface tussen beide apparaten.

Wanneer de integratie van en overgangen tussen ETCS- en klasse B-systemen worden beheerd met de gestandaardiseerde interface (STM), dient deze te voldoen aan de eisen van aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.6 a.

Aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.6 b, specificeert de K-interface (om bepaalde STM’s in staat te stellen via de ETCS-boordantenne informatie van klasse B-balises uit te lezen) en aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.6 c, de G-interface (airgap tussen de ETCS-boordantenne en klasse-B-balises).

Uitrusting met een K-interface is facultatief, maar dient te voldoen aan de eisen die zijn opgenomen in aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.6 b.

Indien een K-interface is geïnstalleerd, moet het transmissiekanaal bovendien aan boord de eigenschappen in aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.6 c, kunnen verwerken.

Indien de integratie en overgangen tussen ETCS en de treinbeveiliging van klasse B aan boord niet worden beheerd door de gestandaardiseerde interface zoals aangegeven in aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.6 a, zal de methode geen aanvullende eisen opleggen aan het baansubsysteem CCS.

4.2.6.2.   Interface tussen RMR-radiocommunicatie en ETCS/ATO-toepassingen

4.2.6.2.1.   Interface tussen RMR-radiodatacommunicatie en ETCS

4.2.6.2.1.1.   Interface tussen GSM-R-radiodatacommunicatie en ETCS

De eisen voor de interface tussen de GSM-R- en de ETCS-boordfunctionaliteit zijn gespecificeerd in aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.6 d.

Bij toepassing van radio-infill moeten de eisen in aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.6 e, worden nageleefd.

4.2.6.2.1.2.   Interface tussen FRMCS-radiodatacommunicatie en ETCS

De eisen voor de interface tussen de FRMCS- en de ETCS-boordfunctionaliteit zijn gespecificeerd in aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.6 g.

4.2.6.2.2.   Interface tussen RMR-radiodatacommunicatie en ATO

4.2.6.2.2.1.   Interface tussen GSM-R-radiodatacommunicatie en ATO

De eisen voor de interface tussen de GSM-R- en de ATO-boordfunctionaliteit zijn gespecificeerd in aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.6 j.

4.2.6.2.2.2.   Interface tussen FRMCS-radiodatacommunicatie en ATO

De eisen voor de interface tussen de FRMCS- en de ATO-boordfunctionaliteit zijn gespecificeerd in aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.6 k.

4.2.6.2.3.   Interface tussen FRMCS-boordtoepassing voor spraakcommunicatie en FRMCS-boordfunctionaliteit

De eisen voor de interface tussen de FRMCS-boordtoepassing voor spraakcommunicatie en de FRMCS-boordfunctionaliteit worden gespecificeerd in aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.6 l.

4.2.6.3.   Odometrie

Er zijn geen specifieke eisen voor de odometrie-interface.

4.2.6.4.   Interface tussen ATO en ETCS

De eisen voor de interface tussen de ATO-boordfunctionaliteit en de ETCS-boordfunctionaliteit zijn beschreven in aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.6 h.

4.2.6.5.   Extra interfaces binnen het boordsysteem CCS

4.2.6.5.1.   Communicatielagen van het CCS-netwerk van de treinsamenstelling

De interface tussen de eindapparatuur (bv. ETCS-boordapparatuur, ATO-boordapparatuur en FRMCS-boordapparatuur) en het Ethernet Consist Network (ECN) dient te voldoen aan aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.6 i, tenzij anders vermeld. Deze interface is alleen van toepassing op nieuw ontwikkelde voertuigontwerpen waarvoor een eerste vergunning vereist is zoals gedefinieerd in artikel 14, lid 1, punt a), van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/545.

4.2.7.   Interfaces binnen het baansysteem CCS

Deze fundamentele parameter bestaat uit vijf delen.

4.2.7.1.   Functionele interface tussen centra voor bloksystemen met radiocommunicatie (RBC’s)

Deze interface bepaalt de gegevens die moeten worden uitgewisseld tussen naburige RBC’s om een trein veilig naar een volgend RBC-gebied te laten rijden:

(1)

informatie van het overdragende RBC naar het ontvangende RBC;

(2)

informatie van het ontvangende RBC naar het overdragende RBC.

(3)

De algemene eisen zijn opgenomen in aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.7 a.

4.2.7.2.   TUSSEN RBC’S ONDERLING

Dit is de technische interface tussen twee RBC’s. De algemene eisen zijn opgenomen in aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.7 b.

4.2.7.3.   RMR/ETCS-baanfunctionaliteit en RMR/ATO-baanfunctionaliteit

4.2.7.3.1.   RMR/ETCS-baanfunctionaliteit

4.2.7.3.1.1.   GSM-R/ETCS-baanfunctionaliteit

De eisen voor de interface tussen GSM-R en de ETCS-baanfunctionaliteit zijn opgenomen in aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.7 c.

4.2.7.3.1.2.   FRMCS/ETCS-baanfunctionaliteit

De eisen voor de interface tussen FRMCS en de ETCS-baanfunctionaliteit zijn opgenomen in aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.7 f.

4.2.7.3.2.   RMR/ATO-baanfunctionaliteit

4.2.7.3.2.1.   GSM-R/ATO-baanfunctionaliteit

De eisen voor de interface tussen GSM-R en de ATO-baanfunctionaliteit zijn opgenomen in aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.7 g.

4.2.7.3.2.2.   FRMCS/ATO-baanfunctionaliteit

De eisen voor de interface tussen FRMCS en de ATO-baanfunctionaliteit zijn opgenomen in aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.7 h.

4.2.7.4.   Eurobalise/LEU

Dit is de interface tussen Eurobalise en de elektronische baaneenheid (LEU). De algemene eisen zijn opgenomen in aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.7 d.

Deze interface levert alleen een bijdrage aan deze fundamentele parameter wanneer Eurobalise en LEU’s worden geleverd als afzonderlijke interoperabiliteitsonderdelen (zie punt 5.2.2, Groepering van interoperabiliteitsonderdelen).

4.2.7.5.   Euroloop/LEU

Dit is de interface tussen Euroloop en de LEU. De algemene eisen zijn opgenomen in aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.7 e.

Deze interface levert alleen een bijdrage aan deze fundamentele parameter wanneer Euroloop en LEU’s worden geleverd als afzonderlijke interoperabiliteitsonderdelen (zie punt 5.2.2, Groepering van interoperabiliteitsonderdelen).

4.2.8.   Beheer van encryptiesleutels

Deze fundamentele parameter bepaalt de eisen voor het beheer van versleuteling bij het verzenden van gegevens via een radioverbinding.

De algemene eisen zijn opgenomen in aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.8 a. Alleen de eisen met betrekking tot de interfaces van besturings- en seingevingsapparatuur vallen onder het toepassingsgebied van deze TSI.

4.2.9.   Beheer van ETCS-ID’s

Deze fundamentele parameter heeft betrekking op de ETCS-identiteiten (ETCS-ID’s) voor apparatuur in baan- en boordsubsystemen CCS.

De algemene eisen zijn opgenomen in aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.9 a.

4.2.10.   Baansystemen voor treindetectie

Deze fundamentele parameter bepaalt de eisen voor de interface tussen de baansystemen voor treindetectie en het rollend materieel met betrekking tot het ontwerp en de exploitatie van voertuigen.

De interface-eisen waaraan de treindetectiesystemen moeten voldoen, zijn opgenomen in aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.10 a.

4.2.11.   Elektromagnetische compatibiliteit tussen rollend materieel en baanapparatuur voor besturing en seingeving

Deze fundamentele parameter bepaalt de interface-eisen voor elektromagnetische compatibiliteit tussen rollend materieel en treindetectieapparatuur voor besturing en seingeving langs de baan.

De interface-eisen waaraan de treindetectiesystemen moeten voldoen, zijn opgenomen in aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.11 a.

4.2.12.   ETCS DMI (machinisteninterface)

Deze fundamentele parameter beschrijft de informatie die door ETCS en ATO aan de machinist wordt aangeboden en de informatie die door de machinist in het boordsysteem wordt ingevoerd. Zie aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.12 a.

Hij omvat:

(1)

ergonomie (inclusief zicht);

(2)

weer te geven ETCS- en ATO-functies;

(3)

ETCS- en ATO-functies die worden geactiveerd door invoer van de machinist.

4.2.13.   RMR DMI (machinisteninterface)

Deze fundamentele parameter beschrijft de informatie die door RMR aan de machinist wordt aangeboden en de informatie die door de machinist in de RMR-boordapparatuur wordt ingevoerd.

Hij omvat:

(1)

ergonomie (inclusief zicht);

(2)

weer te geven RMR-functies;

(3)

uitgaande oproepgebonden informatie;

(4)

inkomende oproepgebonden informatie.

4.2.13.1.   GSM-R DMI (machinisteninterface)

Zie aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.13 a, voor GSM-R.

4.2.13.2.   FRMCS DMI (machinisteninterface)

Zie aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.13 b, voor FRMCS.

4.2.14.   Interface voor gegevensregistratie in het kader van wettelijke verplichtingen

Deze fundamentele parameter beschrijft de uitwisseling van gegevens tussen het ETCS-boordsysteem en het registratietoestel van het rollend materieel.

Zie aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.14 a.

4.2.15.   Baanobjecten CCS

Deze fundamentele parameter beschrijft:

(1)

de eigenschappen van reflecterende borden om een correcte zichtbaarheid te waarborgen;

(2)

de eigenschappen van interoperabele markeerborden;

(3)

de plaatsing van interoperabele markeerborden om het beoogde operationele doel ervan te bereiken.

Zie voor 1) en 2), aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.15 a.

Zie voor 3), aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.15 b.

Bovendien moet de installatie van baanobjecten voor besturing en seingeving compatibel zijn met het gezichtsveld van de machinist en de infrastructuureisen.

4.2.16.   Constructie van uitrusting die in subsystemen CCS wordt gebruikt

De omgevingsomstandigheden die zijn gespecificeerd in de in aanhangsel A, tabel A 2, van deze TSI genoemde documenten moeten in acht worden genomen.

Interoperabiliteitsonderdelen van de boordapparatuur en boordsubsystemen CCS moeten voldoen aan de eisen voor materialen als bedoeld in Verordening (EU) nr. 1302/2014 van de Commissie (9) (TSI LOC&PAS) (bv. voor bescherming tegen brand).

4.2.17.   Compatibiliteit van het ETCS-systeem en het radiosysteem

Wegens de verschillende mogelijke implementaties en de status van de migratie naar volledig conforme subsystemen CCS moeten er controles worden uitgevoerd om de technische compatibiliteit tussen de boord- en baansubsystemen CCS aan te tonen. De noodzaak van deze controles wordt beschouwd als een maatregel om het vertrouwen in de technische compatibiliteit tussen de subsystemen CCS te vergroten. Naar verwachting zullen deze controles worden beperkt tot het in punt 6.1.2.1 genoemde beginsel is gerealiseerd.

4.2.17.1.   Compatibiliteit van het ETCS-systeem

Onder compatibiliteit van het ETCS-systeem (ESC) wordt verstaan: de registratie van de technische compatibiliteit tussen de ETCS-boordonderdelen en de ETCS-baanonderdelen van de subsystemen CCS binnen een exploitatiegebied.

Elk ESC-type identificeert de reeks ESC-controles (bv. documentcontrole, laboratorium- of baanproef, ...) die van toepassing zijn op een spoor of een groep sporen binnen een exploitatiegebied. Het is mogelijk hetzelfde ESC-type te gebruiken voor landsgrensoverschrijdende infrastructuur en voor verschillende nationale infrastructuren.

De resultaten van de ESC-controles voor boordapparatuur op het niveau van het interoperabiliteitsonderdeel of het subsysteem, met inbegrip van de bevindingen en de ontstane omstandigheden, worden vastgelegd in het ESC-controleverslag.

“Representatieve configuratie”: een configuratie op basis waarvan testresultaten kunnen worden bereikt die geldig zijn voor verschillende configuraties van hetzelfde gecertificeerde interoperabiliteitsonderdeel van de ETCS-boordapparatuur of van een gecertificeerd boordsubsysteem. Deze resultaten moeten ook gelijkwaardig zijn voor verschillende configuraties van een gecertificeerd ETCS-baansubsysteem.

Voor ESC-controles op het niveau van het interoperabiliteitsonderdeel van de ETCS-boordapparatuur dient het volgende in acht te worden genomen:

(1)

De ESC-verklaring van het interoperabiliteitsonderdeel legt de ESC-resultaten van het interoperabiliteitsonderdeel van de ETCS-boordapparatuur vast voor het (de) ESC-type(n), die geldig is/zijn ongeacht de specifieke configuratie van het interoperabiliteitsonderdeel van de ETCS-boordapparatuur. Dit document wordt opgesteld door de leverancier van de boordapparatuur. Het model in aanhangsel C.2 of C.6 moet worden gebruikt.

(2)

De ESC-verklaring van het interoperabiliteitsonderdeel bevat de samenvatting van de bevindingen en voorwaarden van het (de) ESC-controleverslag(en) betreffende de resultaten van de uitgevoerde ESC-controles (gedefinieerd in een of meer ESC-type), die geldig zijn onafhankelijk van de specifieke configuratieparameters van het interoperabiliteitsonderdeel aan boord en derhalve in elk toepasselijk specifiek niveau boordsubsysteem CCS kunnen worden gebruikt.

(3)

De ESC-verklaring van het interoperabiliteitsonderdeel bevat de lijst van ESC-controles die voor het (de) ESC-type(n) zijn uitgevoerd.

(4)

In de ESC-verklaring van het interoperabiliteitsonderdeel wordt verwezen naar het beoordelingsverslag van de aangemelde instantie overeenkomstig 6.2.4.3 (Controles van de compatibiliteit van het ETCS-systeem en het radiosysteem voor het interoperabiliteitsonderdeel).

De ESC van het specifieke boordsubsysteem CCS met betrekking tot een of meer ESC-typen is vastgelegd in de ESC-verklaring. Het model in aanhangsel C.1 of C.5 moet worden gebruikt.

Op subsysteemniveau moet de ESC-verklaring tevens de samenvatting van het ESC-controleverslag bevatten en aantonen dat aan de vereiste ESC-controles (voor elk in de verklaring opgenomen ESC-type) is voldaan, zoals gepubliceerd in het technisch document ESC/RSC van het Bureau, naast de reeds verstrekte ESC-verklaring van het interoperabiliteitsonderdeel.

De ESC-verklaring bevat tevens de volledige lijst van ESC-verklaringen van interoperabiliteitsonderdelen die bij de beoordeling in aanmerking zijn genomen (indien van toepassing), de voorwaarden (indien van toepassing) met betrekking tot de verschillende ESC-typen en het beoordelingsverslag van de aangemelde instantie overeenkomstig 6.3.3.1 (Controles van de compatibiliteit van het ETCS-systeem en het radiosysteem).

4.2.17.2.   Eisen voor compatibiliteit van het ETCS-systeem

De infrastructuurbeheerder is verantwoordelijk voor het definiëren van het (de) ESC-type(n). Alle secties van het netwerk van de Unie die dezelfde reeks controles voor het aantonen van ESC vereisen, hebben hetzelfde ESC-type.

De lijst van ESC-typen wordt gepubliceerd en bijgehouden door het Spoorwegbureau van de Europese Unie in het technisch document “Technisch document ESC/RSC, TD/011REC1028”. Zie aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.17 a. Het Bureau analyseert de wijzigingen van bestaande typen die bestaan uit de volledige of gedeeltelijke verwijdering van typen en/of controles, of die van redactionele aard zijn. De analyse door het Bureau vindt plaats binnen twee maanden na ontvangst, tenzij tussen het Bureau en de infrastructuurbeheerder een langere periode is overeengekomen van maximaal vier maanden. Het technische document wordt binnen tien werkdagen na een positieve analyse bijgewerkt.

De ESC-typen mogen alleen worden gebruikt als ze in het technische document van het Bureau “ESC/RSC technical document, TD/011REC1028” met de status “geldig” zijn gepubliceerd.

De infrastructuurbeheerders leggen, met de steun van de ETCS-leveranciers voor hun netwerk, aan het Bureau de definitie voor van de noodzakelijke controles voor elk ESC-type in hun netwerk. De volgende informatie moet minimaal worden opgenomen:

(1)

definitie van elke uit te voeren controle;

(2)

criteria om voor elke controle te slagen;

(3)

of een controle alleen vereist is voor treinen die compatibel zijn met een specifieke M_VERSION-functionaliteit en een bepaalde TSI-release;

(4)

of de controles in laboratoria dan wel op de baan moeten worden uitgevoerd. In het geval van een baanproef moet worden aangegeven of een specifieke locatie vereist is;

(5)

contactgegevens om de uitvoering van elke controle aan te vragen;

(6)

beschrijving van de representatieve configuratie van een in een laboratorium uit te voeren controle wanneer die door de desbetreffende IM is gedefinieerd;

(7)

voorstel voor de overgangsperiode tussen de nieuwe versie van de definitie van ESC-typen en de vorige versie, of de nationale procedure. Tevens wordt de geldigheid van de vorige ESC-typen aangegeven. De definitieve overgangsperiode wordt met het Bureau overeengekomen. Bij gebrek aan overeenstemming wordt een overgangsperiode van zes maanden aangehouden.

Infrastructuurbeheerders delen de ETCS-lijnen in volgens de ESC-typen en registreren de ESC-typen in het RINF. Indien geen ESC-definitie is gepubliceerd in het technisch document ESC/RSC of door het Bureau is ontvangen, wordt ervan uitgegaan dat de betrokken lijnen zijn uitgerust met ETCS en dat er geen ESC-controles vereist zijn.

De infrastructuurbeheerder zorgt voor de nodige middelen, het laboratorium of toegang tot de infrastructuur, om de controles uit te voeren, zoals vereist in artikel 6 van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/545.

Infrastructuurbeheerders leggen alle wijzigingen aan de hierboven genoemde controles op hun netwerk voor aan het Bureau.

De ESC-typen zijn onbeperkt geldig, tenzij ze door de infrastructuurbeheerder worden gewijzigd of ingetrokken. In geval van wijzigingen worden de bepalingen inzake 7.2.3.4 (Gevolgen voor de technische compatibiliteit tussen de boord- en baanonderdelen van de subsystemen CCS) in acht genomen. Indien een boordsysteem opnieuw moet worden gecontroleerd, hoeven alleen de nieuwe/bijgewerkte ESC-controles te worden uitgevoerd, waarbij het beginsel geldt dat reeds uitgevoerde controles geldig blijven indien het voertuig niet wordt gewijzigd.

Wanneer ESC-controles door het Bureau worden gepubliceerd of bijgewerkt in het technisch document “Technisch document ESC/RSC, TD/011REC1028”, worden de overeenkomstige bestaande nationale voorschriften voor ETCS-compatibiliteitstests ingetrokken en worden er alleen ESC-controles uitgevoerd om de technische compatibiliteit tussen de subsystemen aan te tonen. De IM vermeldt de gelijkwaardigheid (geen, gedeeltelijk of volledig) van de ESC met de vorige nationale procedure, indien dat het geval is. In dat geval kunnen de interoperabiliteitsonderdelen of subsystemen waarvan de technische compatibiliteit met de vorige nationale procedure is aangetoond, dit opnieuw gebruiken om de naleving van het gelijkwaardige deel van de nieuwe ESC aan te tonen, zonder dat de tests opnieuw hoeven te worden uitgevoerd. Indien dit deel niet volledig gelijkwaardig is, vermeldt de IM een overgangsperiode als bedoeld in 7), vierde alinea.

De entiteit die belast is met het aantonen van ESC bepaalt een representatieve configuratie van het ETCS-boordsubsysteem.

De ESC-verklaring wordt opgesteld door de entiteit die een aanvraag indient om ESC aan te tonen.

De entiteit die een aanvraag indient om ESC aan te tonen, moet het ESC-controleverslag voor het interoperabiliteitsonderdeel of subsysteem door een aangemelde instantie laten beoordelen overeenkomstig de punten 6.2.4.3 (Controles van de compatibiliteit van het ETCS-systeem en het radiosysteem voor het interoperabiliteitsonderdeel) of 6.3.3.1 (Controles van de compatibiliteit van het ETCS-systeem en het radiosysteem).

Indien een controleverslag of een ESC-verklaring van het interoperabiliteitsonderdeel waarnaar in de ESC-verklaring wordt verwezen voorwaarden bevat, moeten alle voorwaarden worden geregistreerd, met vermelding van de status en, indien overeengekomen, de wijze waarop zij door de betrokken partij worden beheerd (bv. de RU die de compatibiliteit met een traject wil aantonen), en moet deze verantwoordelijkheid in de ESC-verklaring worden vastgelegd.

4.2.17.3.   Compatibiliteit van het radiosysteem

Compatibiliteit van het radiosysteem (RSC) is de registratie van de technische compatibiliteit tussen spraak- of dataradiosystemen aan boord en de baanonderdelen van RMR van de subsystemen CCS binnen een exploitatiegebied.

Elk RSC-type identificeert de reeks RSC-controles (bv. documentcontrole, laboratorium- of baanproef) die van toepassing zijn op een sectie of groep secties binnen een exploitatiegebied. Het is mogelijk hetzelfde RSC-type te gebruiken voor landsgrensoverschrijdende infrastructuur en voor verschillende nationale infrastructuren.

De resultaten van de RSC-controles voor een onderdeel van het spraak- of dataradiosysteem op het niveau van het interoperabiliteitsonderdeel of het subsysteem, met inbegrip van de bevindingen en de ontstane omstandigheden, worden vastgelegd in het RSC-controleverslag.

Representatieve configuratie is een configuratie op basis waarvan testresultaten kunnen worden bereikt die geldig zijn voor verschillende configuraties van hetzelfde gecertificeerde interoperabiliteitsonderdeel of van een gecertificeerd boordsubsysteem. Deze resultaten moeten ook gelijkwaardig zijn voor verschillende configuraties van een gecertificeerd RMR-baansubsysteem.

Voor RSC-controles op het niveau van het interoperabiliteitsonderdeel moet het volgende in acht worden genomen:

(1)

De RSC-interoperabiliteitsverklaring legt de RSC-resultaten van het interoperabiliteitsonderdeel (bv. radio in de stuurcabine of EDOR) vast voor het (de) RSC-type(n), die geldig zijn ongeacht de specifieke configuratie van het interoperabiliteitsonderdeel. Dit document wordt opgesteld door de leverancier. Het model in aanhangsel C.4 of C.6 moet worden gebruikt.

(2)

De RSC-interoperabiliteitsverklaring bevat de samenvatting van de bevindingen en voorwaarden van het (de) RSC-controleverslag(en) betreffende de resultaten van de uitgevoerde RSC-controles (gedefinieerd in een of meer RSC-type), die geldig zijn onafhankelijk van de specifieke configuratieparameters van het interoperabiliteitsonderdeel aan boord en derhalve in elk toepasselijk niveau boordsubsysteem CCS kunnen worden gebruikt.

(3)

De RSC-interoperabiliteitsverklaring bevat de lijst van RSC-controles die voor het (de) RSC-type(n) zijn uitgevoerd.

(4)

In de RSC-verklaring van het interoperabiliteitsonderdeel wordt verwezen naar het beoordelingsverslag van de aangemelde instantie overeenkomstig 6.2.4.3 (Controles van de compatibiliteit van het ETCS-systeem en het radiosysteem voor het interoperabiliteitsonderdeel).

De RSC van het specifieke boordsubsysteem CCS met betrekking tot een of meer RSC-typen is vastgelegd in de RSC-verklaring. Het model in aanhangsel C.3 of C.5 moet worden gebruikt.

Op subsysteemniveau moet de RSC-verklaring tevens de samenvatting van het controleverslag bevatten en aantonen dat aan de vereiste RSC-controles (voor elk in de verklaring opgenomen RSC-type) is voldaan, zoals gepubliceerd in het technisch document ESC/RSC van het Bureau, naast de reeds verstrekte RSC-interoperabiliteitsverklaring.

De RSC-verklaring bevat tevens de volledige lijst van RSC-verklaringen van interoperabiliteitsonderdelen die bij de beoordeling in aanmerking zijn genomen (indien van toepassing), de voorwaarden (indien van toepassing) met betrekking tot de verschillende RSC-typen en het beoordelingsverslag van de aangemelde instantie overeenkomstig 6.3.3.1 (Controles van de compatibiliteit van het ETCS-systeem en het radiosysteem).

4.2.17.4.   Eisen voor compatibiliteit van het radiosysteem

De infrastructuurbeheerder is verantwoordelijk voor het definiëren van het (de) RSC-type(n). Alle secties van het netwerk van de Unie die dezelfde reeks controles voor het aantonen van RSC vereisen, hebben hetzelfde RSC-type.

De lijst van RSC-typen wordt gepubliceerd en bijgehouden door het Spoorwegbureau van de Europese Unie in het technisch document “Technisch document ESC/RSC, TD/011REC1028”. Zie aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.17 a. Het Bureau analyseert de wijzigingen van bestaande typen die bestaan uit de volledige of gedeeltelijke verwijdering van typen en/of controles, of die van redactionele aard zijn. De analyse door het Bureau vindt plaats binnen twee maanden na ontvangst, tenzij tussen het Bureau en de infrastructuurbeheerder een langere periode is overeengekomen van maximaal vier maanden. Het technische document wordt binnen tien werkdagen na een positieve analyse bijgewerkt.

De RSC-typen mogen alleen worden gebruikt als ze in het technische document van het Bureau “ESC/RSC technical document, TD/011REC1028” met de status “geldig” zijn gepubliceerd.

De infrastructuurbeheerders leggen, met de steun van de RMR-leveranciers voor hun netwerk, aan het Bureau de definitie voor van de noodzakelijke controles voor elk RSC-type in hun netwerk. De volgende informatie moet minimaal worden opgenomen:

(1)

definitie van elke uit te voeren controle;

(2)

criteria om voor elke controle te slagen;

(3)

of een controle alleen vereist is voor treinen die zijn uitgerust met een specifieke RMR GSM-R/FRMCS-basislijn en een bepaalde TSI-uitgave;

(4)

of de controles in laboratoria dan wel op de baan moeten worden uitgevoerd. In het geval van een baanproef moet worden aangegeven of een specifieke locatie vereist is;

(5)

contactgegevens om de uitvoering van elke controle aan te vragen;

(6)

beschrijving van de representatieve configuratie van een in een laboratorium uit te voeren controle wanneer die door de betreffende IM is gedefinieerd;

(7)

voorstel voor de overgangsperiode tussen de nieuwe versie van de definitie van RSC-typen en de vorige versie, of de nationale procedure. Tevens wordt de geldigheid van de vorige RSC-typen aangegeven. De definitieve overgangsperiode wordt met het Bureau overeengekomen. Bij gebrek aan overeenstemming wordt een overgangsperiode van zes maanden aangehouden.

Infrastructuurbeheerders delen hun lijnen in volgens RSC-typen voor spraakcommunicatie en, indien van toepassing, ETCS-gegevens. Deze indeling in RSC-typen wordt in het RINF geregistreerd. Indien er geen RSC-definitie is gepubliceerd in het technisch document ESC/RSC of het Bureau deze niet heeft ontvangen, wordt ervan uitgegaan dat er de betrokken lijnen zijn uitgerust met RMR GSM-R en dat er geen RSC-controles vereist zijn.

De infrastructuurbeheerder zorgt voor de nodige middelen, het laboratorium of toegang tot de infrastructuur, om de controles uit te voeren, zoals vereist in artikel 6 van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/545.

Infrastructuurbeheerders leggen alle wijzigingen aan de hierboven genoemde controles op hun netwerk voor aan het Bureau.

De RSC-typen zijn onbeperkt geldig, tenzij ze door de infrastructuurbeheerder worden gewijzigd of ingetrokken. In geval van wijzigingen worden de bepalingen inzake 7.2.3.4 (Gevolgen voor de technische compatibiliteit tussen de boord- en baanonderdelen van de subsystemen CCS) in acht genomen. Indien een boordsysteem opnieuw moet worden gecontroleerd, hoeven alleen de nieuwe/bijgewerkte RSC-controles te worden uitgevoerd, waarbij het beginsel geldt dat reeds uitgevoerde controles geldig blijven indien het voertuig niet wordt gewijzigd.

Wanneer RSC-controles door het Bureau worden gepubliceerd of bijgewerkt in het technisch document “Technisch document ESC/RSC, TD/011REC1028”, worden de overeenkomstige bestaande nationale voorschriften voor toetsing van compatibiliteit van radiosystemen ingetrokken en worden er alleen RSC-controles uitgevoerd om de technische compatibiliteit tussen subsystemen aan te tonen. De IM vermeldt de gelijkwaardigheid (geen, gedeeltelijk of volledig) van de RSC met de vorige nationale procedure, indien dat het geval is. In dat geval kunnen de interoperabiliteitsonderdelen of subsystemen waarvan de technische compatibiliteit met de vorige nationale procedure is aangetoond, dit opnieuw gebruiken om het gelijkwaardige deel van de RSC aan te tonen, zonder dat de tests opnieuw hoeven te worden uitgevoerd.

De entiteit die belast is met het aantonen van RSC bepaalt een representatieve configuratie van het boordsubsysteem voor radiocommunicatie.

De RSC-verklaring wordt opgesteld door de entiteit die een aanvraag indient om RSC aan te tonen.

De entiteit die een aanvraag indient om RSC aan te tonen, moet het RSC-controleverslag voor het interoperabiliteitsonderdeel of subsysteem door een aangemelde instantie laten beoordelen overeenkomstig punt 6.2.4.3 (Controles van de compatibiliteit van het ETCS-systeem en het radiosysteem voor het interoperabiliteitsonderdeel) of 6.3.3.1 (Controles van de compatibiliteit van het ETCS-systeem en het radiosysteem).

Indien een controleverslag of een RSC-interoperabiliteitsverklaring waarnaar in de RSC-verklaring wordt verwezen voorwaarden bevat, moeten alle voorwaarden worden geregistreerd, met vermelding van de status en, indien overeengekomen, de wijze waarop zij door de betrokken partij worden beheerd (bv. de RU die de compatibiliteit met een traject wil aantonen), en moet deze verantwoordelijkheid in de RSC-verklaring worden vastgelegd.

4.2.18.   ATO-boordfunctionaliteit

Deze fundamentele parameter beschrijft de ATO-functionaliteit die nodig is om een trein tot en met automatiseringsgraad 2 te laten rijden, waarbij ETCS de automatische treinbeveiliging levert om dit mogelijk te maken. De functies worden uitgevoerd overeenkomstig aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.18 a, in aanvulling op de in punt 4.2.2 (ETCS-boordfunctionaliteit) genoemde eisen.

De ATO-functionaliteit wordt ondersteund door de hieronder aangegeven aanvullende specificaties:

(1)

Communicatie met het baansubsysteem CCS voor radiodatatransmissie. Zie punten 4.2.5.1 (RMR-airgapinterface) en 4.2.6.2 (Interface tussen RMR-gegevenscommunicatie en ETCS/ATO-toepassingen).

(2)

Communicatie met de machinist. Zie aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.2 e en 4.2.12 a (ETCS DMI).

(3)

Informatie/opdrachten doorsturen en statusinformatie ontvangen over rollend materieel. Zie aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.18 c.

(4)

Informatie/opdrachten doorsturen en statusinformatie ontvangen over de ETCS-boordapparatuur. Zie aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.18 d.

De eisen voor de tests zijn gespecificeerd in aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.18 b.

4.2.19.   ATO-baanfunctionaliteit

Deze fundamentele parameter beschrijft de ATO-baanfunctionaliteit die nodig is om een trein tot en met automatiseringsgraad 2 te laten rijden, waarbij ETCS de automatische treinbeveiliging levert om dit mogelijk te maken.

Naast de in punt 4.2.3 (ETCS-baanfunctionaliteit) genoemde eisen, worden de functies uitgevoerd overeenkomstig aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.19 a.

De ATO-functionaliteit wordt ondersteund met de aanvullende specificaties voor communicatie met het boordsubsysteem CCS op basis van radiodatatransmissie. Zie punten 4.2.5.1 (RMR-airgapinterface) en 4.2.7.3 (RMR/ETCS-baanfunctionaliteit en RMR/ATO-baanfunctionaliteit).

De eisen voor de tests zijn gespecificeerd in aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.19 b.

4.2.20.   Technische documentatie voor onderhoud

Deze fundamentele parameter beschrijft de noodzakelijke eisen met betrekking tot de technische documentatie voor onderhoud waaraan de fabrikanten van apparatuur en de aanvrager van de keuring van het subsysteem moeten voldoen.

4.2.20.1.   Verantwoordelijkheid van de fabrikant van de apparatuur

De fabrikant van de apparatuur die in het subsysteem wordt opgenomen, dient het volgende op te geven:

(1)

alle onderhoudseisen en -procedures (met inbegrip van de gezondheidsmonitoring, diagnose van voorvallen, testmethoden en -instrumenten, alsook de vereiste vakbekwaamheden) die noodzakelijk zijn om te voldoen aan de essentiële eisen en de waarden die zijn omschreven in de bindende eisen van deze TSI gedurende de levensduur van de apparatuur (transport en opslag vóór installatie, normaal bedrijf, storingen, reparatiewerk, controles en onderhoudswerkzaamheden, ontmanteling enz.). Voor meer details over foutcorrecties, zie de punten 6.5 (Beheer van fouten) en 7.2.10 (Onderhoud van de specificaties (foutcorrectie));

(2)

alle eisen en procedures (testmethoden en -instrumenten, de vereiste vakbekwaamheid en de beoordeling van de gevolgen van het bijgewerkte interoperabiliteitsonderdeel voor het subsysteem) die nodig zijn om bijgewerkte interoperabiliteitsonderdelen ten gevolge van correcties van specificatiefouten gedurende de gehele levenscyclus van de apparatuur toe te passen (onderhoud van specificaties). Dit omvat de vaststelling van de noodzakelijke procedures voor updates van goedgekeurde systeemmodules en -processen, gedurende alle fasen van de levenscyclus, wanneer er overeenkomstig artikel 9 van deze verordening foutcorrecties van toepassing zijn op de subsystemen;

(3)

alle gezondheids- en veiligheidsrisico’s voor het publiek en onderhoudsmedewerkers;

(4)

de voorwaarden voor eerstelijnsonderhoud, d.w.z. de omschrijving van vervangbare onderdelen (LRU’s), de omschrijving van goedgekeurde compatibele hard- en softwareversies, de procedures voor de vervanging van defecte LRU’s en de omstandigheden voor opslag van LRU’s en reparatie van defecte LRU’s;

(5)

de controles die uitgevoerd moeten worden wanneer apparatuur aan buitengewone belastingen onderhevig is (bv. slechte weersomstandigheden of abnormale schokken);

(6)

de controles die uitgevoerd moeten worden wanneer naast de besturings- en seingevingsapparatuur andere apparatuur geïnstalleerd is die een invloed heeft op de subsystemen CCS (bv. om de wieldiameter te veranderen).

4.2.20.2.   Verantwoordelijkheid van de aanvrager voor de keuring van het subsysteem

De aanvrager dient:

(1)

ervoor te zorgen dat de onderhoudseisen in punt 4.2.20.1 (Verantwoordelijkheid van de fabrikant van de apparatuur) zijn omschreven voor alle componenten binnen deze TSI, ongeacht of zij al dan niet interoperabiliteitsonderdelen zijn;

(2)

aan de bovenstaande eisen in punt 4.2.20.1 te voldoen en daarbij rekening te houden met de risico’s ten gevolge van onderlinge invloeden van verschillende componenten van het subsysteem en interfaces met andere subsystemen;

(3)

procedures vast te stellen voor de invoering van bijgewerkte interoperabiliteitsonderdelen als gevolg van correcties van specificatiefouten (onderhoud van specificaties) overeenkomstig de relevante documentatie van het interoperabiliteitsonderdeel, indien van toepassing. De aanvrager verstrekt een configuratiebeheersysteem om de gevolgen voor het subsysteem vast te stellen. De aanvrager waarborgt de beschikbaarheid van de documentatie betreffende de versie van de interoperabiliteitsonderdelen in zijn subsystemen.

4.2.20.3.   Systeemidentificator

De ERTMS (ETCS, RMR, ATO)-functionaliteit van interoperabiliteitsonderdelen en CCS-subsystemen wordt beschreven met een “systeemidentificator”, een nummering om de systeemversie te identificeren en het onderscheid te maken tussen een functionele identificator en een uitvoeringsidentificator. De “functionele identificator” maakt deel uit van de systeemidentificator en bestaat uit een door het individuele configuratiebeheer gedefinieerd cijfer of aantal cijfers, dat een referentie vormt van de functionaliteit voor besturing en seingeving die in een subsysteem CCS of interoperabiliteitsonderdeel zijn ingevoerd. De “uitvoeringsidentificator” maakt deel uit van de systeemidentificator en bestaat uit een door het individuele configuratiebeheer van een leverancier gedefinieerd cijfer of aantal cijfers, dat een specifieke configuratie (bv. HW en SW) van een subsysteem CCS of interoperabiliteitsonderdeel aanduidt. De “systeemidentificator”, de “functionele identificator” en de “uitvoeringsidentificator” worden door elke leverancier gedefinieerd.

4.3.   Functionele en technische specificaties van de interfaces met andere subsystemen

4.3.1.   Interface met het subsysteem exploitatie en verkeersleiding

Interface met het subsysteem exploitatie en verkeersleiding

Referentie TSI CCS

 

Referentie TSI Exploitatie en verkeersleiding (10)

 

Parameter

Punt

Parameter

Punt

Exploitatievoorschriften

Lijst van geharmoniseerde tekstindicaties en berichten die op de ETCS-machinisteninterface worden weergegeven.

4.4

Aanhangsel E

Rule Book

Exploitatievoorschriften

Voor de exploitatie relevante ERTMS-baaninformatie

4.2.1.2.1

4.4

Aanhangsel D3

Baanobjecten CCS

4.2.15

Eisen voor waarneembaarheid van seinen en borden

4.2.2.8

Remprestaties en -karakteristieken van de trein

4.2.2

Remvermogen

4.2.2.6

Gebruik van installaties voor zandstrooien

Smering van flenzen op de trein

Gebruik van composiet remblokken

4.2.10

Rule Book

4.2.1.2.1

Interface voor gegevensregistratie in het kader van wettelijke verplichtingen

4.2.14

Registratie van gegevens

4.2.3.5

ETCS DMI (machinisteninterface)

4.2.12

Formaat van het treinnummer

4.2.3.2.1

RMR DMI (machinisteninterface)

4.2.13

Formaat van het treinnummer

4.2.3.2.1

Beheer van encryptiesleutels

4.2.8

Rijvaardigheidsborging

4.2.2.7

Controle van de compatibiliteit van de voertuigen met de trajecten voor het eerste gebruik van het vergunde voertuig

4.9

Parameters voor de compatibiliteit van het voertuig en de trein over het geplande traject

Aanhangsel D1

4.3.2.   Interface met het subsysteem rollend materieel

Interface met de TSI’s Rollend materieel

Referentie TSI CCS

Referentie TSI’s Rollend materieel

Parameter

Punt

Parameter

 

Punt

Compatibiliteit met baansystemen voor treindetectie: voertuigontwerp

4.2.10

Karakteristieken van het rollend materieel die compatibel moeten zijn met treindetectiesystemen op basis van spoorstroomkringen

TSI LOC&PAS

TSI Goederenwagens (11)

4.2.3.3.1.1

4.2.3.2

Karakteristieken van het rollend materieel die compatibel moeten zijn met treindetectiesystemen op basis van assentellers

TSI LOC&PAS

TSI Goederenwagens

4.2.3.3.1.2

4.2.3.3

Karakteristieken van het rollend materieel die compatibel moeten zijn met lusuitrusting

TSI LOC&PAS

TSI Goederenwagens

4.2.3.3.1.3

4.2.3.3

Elektromagnetische compatibiliteit tussen rollend materieel en baanapparatuur voor besturing en seingeving

4.2.11

Karakteristieken van het rollend materieel die compatibel moeten zijn met treindetectiesystemen op basis van spoorstroomkringen

TSI LOC&PAS

TSI Goederenwagens

4.2.3.3.1.1

4.2.3.3

Karakteristieken van het rollend materieel die compatibel moeten zijn met treindetectiesystemen op basis van assentellers

TSI LOC&PAS

TSI Goederenwagens

4.2.3.3.1.2

4.2.3.3

Remprestaties en -karakteristieken van de trein

4.2.2

4.2.18

Remprestaties

TSI LOC&PAS Noodremming

TSI LOC&PAS Dienstremming

TSI Goederenwagens

4.2.4.5.2

4.2.4.5.3

4.2.4.3.2

Plaats van boordantennes voor besturing en seingeving

4.2.2

Kinematisch omgrenzingsprofiel

TSI LOC&PAS

TSI Goederenwagens

4.2.3.1

Geen

Isoleren van de ETCS-boordfunctionaliteit

4.2.2

Exploitatievoorschriften

TSI LOC&PAS

TSI Goederenwagens

4.2.12.3

Geen

Baanobjecten CCS

4.2.15

Zicht naar buiten

Frontseinen

TSI LOC&PAS

TSI Goederenwagens

4.2.7.1.1

Geen

Het gezichtsveld van de machinist naar buiten

TSI LOC&PAS Zichtlijn Frontruit

TSI Goederenwagens

4.2.9.1.3.1

4.2.9.2

Geen

Interface voor gegevensregistratie in het kader van wettelijke verplichtingen

4.2.14

Registratietoestel

TSI LOC&PAS

TSI Goederenwagens

4.2.9.6

Geen

ETCS-boordapparatuur: Informatie/opdrachten doorsturen en statusinformatie over rollend materieel ontvangen

4.2.2

Scheidingssecties

TSI LOC&PAS

TSI Goederenwagens

4.2.8.2.9.8

Geen

Bediening van de dynamische remmen

TSI LOC&PAS

TSI Goederenwagens

4.2.4.4.4

Geen

Magneetrem

TSI LOC&PAS

TSI Goederenwagens

4.2.4.8.2

Geen

Wervelstroomrem

TSI LOC&PAS

TSI Goederenwagens

4.2.4.8.3

Geen

Maximaal vermogen en maximale stroom die aan de bovenleiding mogen worden opgenomen

TSI LOC&PAS

TSI Goederenwagens

4.2.8.2.4

Geen

Deuren openen

TSI LOC&PAS

TSI Goederenwagens

4.2.5.5.6

Geen

Prestatie-eisen

TSI LOC&PAS

TSI Goederenwagens

4.2.8.1.2

Geen

Rookbestrijding

TSI LOC&PAS

TSI Goederenwagens

4.2.10.4.2

Geen

Radiobesturing op afstand voor medewerkers bij rangeerbeweging

TSI LOC&PAS

TSI Goederenwagens

4.2.9.3.6

Geen

Stuurtafel van de machinist – ergonomie

TSI LOC&PAS

TSI Goederenwagens

4.2.9.1.6

Geen

Eisen voor het beheer van ETCS-modi: sleeping mode

TSI LOC&PAS

TSI Goederenwagens

4.2.9.3.7.1

Geen

Eisen voor het beheer van ETCS-modi: passief rangeren

TSI LOC&PAS

TSI Goederenwagens

4.2.9.3.7.2

Geen

Eisen voor het beheer van ETCS-modi: tweede krachtvoertuig

TSI LOC&PAS

TSI Goederenwagens

4.2.9.3.7.3

Geen

Type remsysteem

TSI LOC&PAS

TSI Goederenwagens

4.2.4.3

Geen

Tractiestatus

TSI LOC&PAS

TSI Goederenwagens

4.2.9.3.8

Geen

Dynamisch rijgedrag

TSI LOC&PAS

TSI Goederenwagens

4.2.3.4.2

Geen

ATO-boordapparatuur: Informatie/opdrachten doorsturen en statusinformatie over rollend materieel ontvangen

4.2.18

Interface-eisen met geautomatiseerde treinbesturing op de trein

TSI LOC&PAS

TSI Goederenwagens

4.2.13

Geen

Bediening van de noodremmen

4.2.2

Bediening van de noodremmen

TSI LOC&PAS

TSI Goederenwagens

4.2.4.4.1

Geen

Constructie van uitrusting die in subsystemen CCS wordt gebruikt

4.2.16

Materiaaleisen

TSI LOC&PAS

TSI Goederenwagens

4.2.10.2.1

Geen

Bediening van de dienstremmen

4.2.2

Bediening van de dienstremmen

TSI LOC&PAS

TSI Goederenwagens

4.2.4.4.2

Geen

4.3.3.   Interfaces met het subsysteem infrastructuur

Interface met TSI Infrastructuur

Referentie TSI CCS

 

Referentie TSI Infrastructuur

 

Parameter

Punt

Parameter

 

Punt

Eurobalise-communicatie (ruimte voor installatie)

4.2.5.2

Vrijeruimteprofiel

TSI INF (12)

4.2.3.1

Euroloop-communicatie (ruimte voor installatie)

4.2.5.3

Vrijeruimteprofiel

TSI INF

4.2.3.1

Baanobjecten CCS

4.2.15

Vrijeruimteprofiel

TSI INF

4.2.3.1

4.3.4.   Interfaces met het subsysteem energie

Interface met TSI Energie

Referentie TSI CCS

 

Referentie TSI Energie

 

Parameter

Punt

Parameter

 

Punt

Opdrachten naar apparatuur op rollend materieel

4.2.2

4.2.3

Fasescheidingssecties

Systeemscheidingssecties

TSI ENE (13)

4.2.15

4.2.16

4.3.5.   Interfaces met veiligheid in spoorwegtunnels

Interface met TSI Veiligheid in spoorwegtunnels

Referentie TSI CCS

 

Referentie TSI SRT

 

Parameter

Punt

Parameter

 

Punt

Functies van mobiele communicatie voor spoorwegen RMR

4.2.4

Radiocommunicatie

TSI SRT (14)

4.2.1.8, a)

Essentiële eisen

Punt 3

Materiaaleisen

TSI SRT (14)

4.2.1.3

4.2.3.1.1

4.4.   Exploitatievoorschriften

De exploitatievoorschriften voor spoorweginfrastructuur met ETCS, ATO en RMR zijn bepaald in de TSI Exploitatie en verkeersleiding.

De geharmoniseerde tekstindicaties en berichten die op de ETCS-machinisteninterface worden weergegeven, staan vermeld in aanhangsel E.

4.5.   Onderhoudsvoorschriften

Door middel van de onderhoudsvoorschriften van de subsystemen waarop deze TSI betrekking heeft, moet worden gewaarborgd dat de waarden die worden genoemd in de fundamentele parameters in hoofdstuk 4 tijdens de levensduur van de subsystemen binnen de voorgeschreven grenswaarden blijven. Tijdens preventief of correctief onderhoud is het echter mogelijk dat het subsysteem afwijkt van de in de fundamentele parameters genoemde waarden; door middel van onderhoudsvoorschriften dient te worden gewaarborgd dat de veiligheid tijdens dergelijke werkzaamheden niet in het geding komt.

De dienst die verantwoordelijk is voor de subsystemen CCS dient de onderhoudsvoorschriften te bepalen om bovenstaande doelstellingen te bereiken. De voorbereiding van deze voorschriften geschiedt met behulp van de vereisten in punt 4.2.20 (Technische documentatie voor onderhoud).

4.6.   Beroepsbekwaamheden

De fabrikanten van de apparatuur en van het subsysteem dienen voldoende informatie te verschaffen om de voor de installatie, de eindcontrole en het onderhoud van de subsystemen CCS vereiste vakbekwaamheden te kunnen bepalen. Zie punt 4.5 (Onderhoudsvoorschriften).

4.7.   Gezondheid en veiligheid

Overeenkomstig de EU-wetgeving en de daarmee verenigbare nationale wetgeving moeten er maatregelen worden getroffen om de gezondheid en veiligheid van onderhouds- en bedieningsmedewerkers te waarborgen.

Fabrikanten dienen te vermelden welke gezondheids- en veiligheidsrisico’s aan het gebruik en onderhoud van hun apparatuur en subsystemen zijn verbonden. Zie de punten 4.4 (Exploitatievoorschriften) en 4.5 (Onderhoudsvoorschriften).

4.8.   Registers

De gegevens die moeten worden verstrekt voor de registers waarin de artikelen 48 en 49 van Richtlijn (EU) 2016/797 voorzien, zijn vermeld in Uitvoeringsbesluit 2011/665/EU van de Commissie (15) en Uitvoeringsverordening (EU) 2019/777 van de Commissie (16).

4.9.   Controle van de compatibiliteit van de voertuigen met de trajecten voor het eerste gebruik van het vergunde voertuig

De parameters van het boordsubsysteem CCS die de spoorwegonderneming moet gebruiken bij het controleren van de compatibiliteit met de trajecten, zijn beschreven in aanhangsel D1 van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/773.

5.   INTEROPERABILITEITSONDERDELEN

5.1.   Definitie

Overeenkomstig artikel 2, lid 7, van Richtlijn (EU) 2016/797 is het begrip “interoperabiliteitsonderdeel” gedefinieerd als “een basiscomponent, groep componenten, deel van een samenstel of volledig samenstel van voorzieningen, deel uitmakend of bestemd om deel uit te maken van een subsysteem, waarvan de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem direct of indirect afhankelijk is, met inbegrip van materiële en immateriële objecten”.

5.2.   Lijst van interoperabiliteitsonderdelen

5.2.1.   Elementaire interoperabiliteitsonderdelen

De elementaire interoperabiliteitsonderdelen van de subsystemen CCS zijn opgenomen in:

(1)

tabel 5.1 voor het boordsubsysteem CCS;

(2)

tabel 5.2 voor het baansubsysteem CCS.

5.2.2.   Groepering van interoperabiliteitsonderdelen

5.2.2.1

De functies van elementaire interoperabiliteitsonderdelen kunnen worden gecombineerd tot een groep. De groep wordt dan gedefinieerd door die functies en door de resterende externe interfaces. Een groep die op deze wijze is gevormd, moet als een interoperabiliteitsonderdeel worden beschouwd.

De conformiteit van de interfaces binnen de groep interoperabiliteitsonderdelen met de fundamentele parameters van hoofdstuk 4 hoeft niet te worden gecontroleerd. De conformiteit van interfaces buiten de groep interoperabiliteitsonderdelen moet worden gecontroleerd om de conformiteit aan te tonen met de fundamentele parameters met betrekking tot de eisen van deze externe interfaces.

5.2.2.2

Wanneer interoperabiliteitsonderdelen worden gegroepeerd, moeten de gegroepeerde functies en hun afhandeling zodanig kunnen worden geconfigureerd dat de gegroepeerde functies van de ATO, ETCS en de radio-IC’s tijdens de levensduur van het subsysteem CCS kunnen worden vervangen door een externe ATO, ETCS of radio-IC’s. Derhalve moeten de volgende interfaces in een gegroepeerd interoperabiliteitsonderdeel extern toegankelijk worden gemaakt in de communicatielagen van het CCS-netwerk van de treinsamenstelling, zoals opgenomen in aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.6 i:

(1)

interface tussen de ATO-boordapparatuur en ETCS-boordapparatuur, zoals opgenomen in aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.6 h;

(2)

interface tussen de ATO-boordapparatuur en de GSM-R-radio voor datacommunicatie, zoals opgenomen in aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.6 j;

(3)

interface tussen de FRMCS-boordapparatuur en de toepassingen besturing en seingeving (ETCS in aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.6 g, en ATO in aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.6 k).

5.3.   Prestaties en specificaties van onderdelen

Voor elk elementair interoperabiliteitsonderdeel of elke groep interoperabiliteitsonderdelen is in de tabellen van hoofdstuk 5 het volgende beschreven:

(1)

in kolom 3 de functies en interfaces. Een aantal interoperabiliteitsonderdelen bezit facultatieve functies en/of interfaces;

(2)

in kolom 4 de bindende specificaties voor de conformiteitsbeoordeling van elke functie of interface, indien van toepassing, door verwijzing naar het relevante punt in hoofdstuk 4.

Tabel 5.1

Elementaire interoperabiliteitsonderdelen binnen het boordsubsysteem CCS

Nr.

Interoperabiliteitsonderdeel (IO)

Kenmerken

Specifieke eisen die moeten worden beoordeeld onder verwijzing naar hoofdstuk 4

1

ETCS-boordapparatuur

Betrouwbaarheid, beschikbaarheid, onderhoudbaarheid, veiligheid (RAMS):

 

Veiligheid

 

Beschikbaarheid/betrouwbaarheid

 

Onderhoudbaarheid

4.2.1.1

4.2.1.2

4.2.20.1

ETCS-boordfunctionaliteit (uitgezonderd odometrie)

Systeemidentificator

4.2.2

4.2.20.3

ETCS-airgapinterface

 

RBC (radiodatatransmissie facultatief)

 

Radio-infilleenheid (functionaliteit facultatief)

 

Airgap Eurobalise-systeem

 

Airgap Euroloop-systeem (functionaliteit facultatief)

4.2.5

4.2.5.1.2

4.2.5.1.2.1

4.2.5.2

4.2.5.3

Interfaces

 

STM (implementatie van K-interface facultatief)

 

GSM-R-radio voor datacommunicatie

 

FRMCS-boordapparatuur

 

Beheer van encryptiesleutels

 

Beheer van ETCS-ID’s

 

ETCS-machinisteninterface

 

Boordinterface (zie onderstaande opmerking)

 

Registratietoestel aan boord

 

ATO-interface

 

Communicatielagen van het CCS-netwerk van de treinsamenstelling

Opmerking

over de boordinterface: De implementatie van alle in aanhangsel A, tabel A 2, indexnr. 7, beschreven functies is verplicht op het niveau van de interoperabiliteitsonderdelen.

4.2.6.1

4.2.6.2.1.1

4.2.6.2.1.2

4.2.8

4.2.9

4.2.12

4.2.2

4.2.14

4.2.6.4

4.2.6.5.1

Bouw van uitrusting

4.2.16

Compatibiliteit van het ETCS-systeem (ECS) (facultatief)

4.2.17.1

4.2.17.2

2

Apparatuur voor odometrie

Betrouwbaarheid, beschikbaarheid, onderhoudbaarheid, veiligheid (RAMS):

 

Veiligheid

 

Beschikbaarheid/betrouwbaarheid

 

Onderhoudbaarheid

4.2.1.1

4.2.1.2

4.2.20.1

ETCS-boordfunctionaliteit: alleen odometrie

4.2.2

Bouw van uitrusting

4.2.16

3

Gestandaardiseerde interface (STM)

Interfaces

 

ETCS-boordapparatuur

4.2.6.1

4

GSM-R-radio in de stuurcabine

Opmerking: Simkaart, antenne, aansluitkabels en filters maken geen deel uit van dit interoperabiliteitsonderdeel

Betrouwbaarheid, beschikbaarheid, onderhoudbaarheid (RAM):

 

Beschikbaarheid/betrouwbaarheid

 

Onderhoudbaarheid

4.2.1.2

4.2.20.1

Fundamentele communicatiefuncties

4.2.4.1.1

Toepassingen voor spraak- en operationele communicatie

Systeemidentificator

4.2.4.2.1

4.2.20.3

Interfaces

 

GSM-R-airgap

 

GSM-R-machinisteninterface

4.2.5.1.1.1

4.2.13.1

Bouw van uitrusting

4.2.16

Compatibiliteit van het radiosysteem (RCS) (facultatief)

4.2.17.3

4.2.17.4

5

GSM-R-radio voor datacommunicatie

Opmerking: Simkaart, antenne, aansluitkabels en filters maken geen deel uit van dit interoperabiliteitsonderdeel

Betrouwbaarheid, beschikbaarheid, onderhoudbaarheid (RAM):

 

Beschikbaarheid/betrouwbaarheid

 

Onderhoudbaarheid

4.2.1.2

4.2.20.1

Fundamentele communicatiefuncties

4.2.4.1.1

Toepassingen voor ETCS-datacommunicatie

Systeemidentificator

4.2.4.3.1.1

4.2.20.3

Interfaces

 

ETCS-boordapparatuur

 

ATO-boordapparatuur

 

GSM-R-airgap

 

GSM-R-airgap voor ETCS

 

GSM-R-airgap voor ATO

4.2.6.2.1.1

4.2.6.2.2.1

4.2.5.1.1.1

4.2.5.1.2.1

4.2.5.1.3.1

Bouw van uitrusting

4.2.16

Compatibiliteit van het radiosysteem (RCS) (facultatief)

4.2.17.3

4.2.17.4

6

GSM-R-simkaart

Opmerking: De simkaarten die in de GSM-R-terminals moeten worden ingevoerd, worden aan de spoorwegondernemingen afgegeven door de exploitanten van de GSM-R-netwerken.

Fundamentele communicatiefuncties

Systeemidentificator

4.2.4.1.1

4.2.20.3

Bouw van uitrusting

4.2.16

Compatibiliteit van het radiosysteem (RCS) (facultatief)

4.2.17.3

4.2.17.4

7

ATO-boordapparatuur

Betrouwbaarheid, beschikbaarheid, onderhoudbaarheid (RAM):

 

Beschikbaarheid/betrouwbaarheid

 

Onderhoudbaarheid

4.2.1.2

4.2.20.1

ATO-boordfunctionaliteit (uitgezonderd communicatie)

Systeemidentificator

4.2.18

4.2.20.3

ATO-airgapinterface

4.2.5.1.3

Interfaces

 

GSM-R-radio voor datacommunicatie

 

FRMCS-boordapparatuur

 

Boordinterface

 

ETCS-interface

 

Communicatielagen van het CCS-netwerk van de treinsamenstelling

4.2.6.2.2.1

4.2.6.2.2.2

4.2.18

4.2.6.4

4.2.6.5.1

Bouw van uitrusting

4.2.16

8

FRMCS-boordapparatuur voor spraakcommunicatie

Betrouwbaarheid, beschikbaarheid, onderhoudbaarheid (RAM):

 

Beschikbaarheid/betrouwbaarheid

 

Onderhoudbaarheid

4.2.1.2

4.2.20.1

Fundamentele communicatiefuncties

4.2.4.1.2

Toepassingen voor spraak- en operationele communicatie

Systeemidentificator

4.2.4.2.2

4.2.20.3

Interfaces

 

FRMCS-boordapparatuur

 

FRMCS-machinisteninterface

4.2.6.2.3

4.2.13.2

Bouw van uitrusting

4.2.16

Compatibiliteit van het radiosysteem (RCS) (facultatief)

4.2.17.3

4.2.17.4

9

FRMCS-boordapparatuur

Betrouwbaarheid, beschikbaarheid, onderhoudbaarheid (RAM):

 

Beschikbaarheid/betrouwbaarheid

 

Onderhoudbaarheid

4.2.1.2

4.2.20.1

Fundamentele communicatiefuncties

Systeemidentificator

4.2.4.1.2

4.2.20.3

Interfaces

 

FRMCS-boordapparatuur voor spraakcommunicatie

 

FRMCS-airgap

 

FRMCS-airgap voor toepassing ETCS

 

FRMCS-airgap voor toepassing ATO

 

ETCS-boordapparatuur

 

ATO-boordapparatuur

 

Communicatielagen van het CCS-netwerk van de treinsamenstelling

4.2.6.2.3

4.2.5.1.1.2

4.2.5.1.2.2

4.2.5.1.3.2

4.2.6.2.1.2

4.2.6.2.2.2

4.2.6.5.1

Bouw van uitrusting

4.2.16

Compatibiliteit van het radiosysteem (RCS) (facultatief)

4.2.17.3

4.2.17.4

10

FRMCS-profiel

Opmerking: De exploitant van het FRMCS-netwerk zorgt ervoor dat het FRMCS-profiel aan de abonnees ter beschikking wordt gesteld.

Fundamentele communicatiefuncties

Systeemidentificator

4.2.4.1.2

4.2.20.3

Bouw van uitrusting

4.2.16

Compatibiliteit van het radiosysteem (RCS) (facultatief)

4.2.17.3

4.2.17.4

Tabel 5.2

Elementaire interoperabiliteitsonderdelen binnen het baansubsysteem CCS

1

2

3

4

Nr.

Interoperabiliteitsonderdeel (IO)

Kenmerken

Specifieke eisen die moeten worden beoordeeld onder verwijzing naar hoofdstuk 4

1

RBC

Betrouwbaarheid, beschikbaarheid, onderhoudbaarheid, veiligheid (RAMS):

 

Veiligheid

 

Beschikbaarheid/betrouwbaarheid

 

Onderhoudbaarheid

4.2.1.1

4.2.1.2

4.2.20.1

ETCS-baanfunctionaliteit (met uitzondering van communicatie via Eurobalises, radio-infill en Euroloop)

Systeemidentificator

4.2.3

4.2.20.3

RMR-, ETCS- en ATO-airgapinterfaces: alleen radiocommunicatie met trein

 

GSM-R-airgapinterface voor ETCS

 

FRMCS-airgapinterface voor ETCS

4.2.5.1.2.1

4.2.5.1.2.2

Interfaces

 

Naburige RBC

 

GSM-R-radio voor datacommunicatie

 

FRMCS-baanapparatuur

 

Beheer van encryptiesleutels

 

Beheer van ETCS-ID’s

4.2.7.1, 4.2.7.2

4.2.7.3.1.1

4.2.7.3.1.2

4.2.8

4.2.9

Bouw van uitrusting

4.2.16

2

Radio-infillapparatuur

Betrouwbaarheid, beschikbaarheid, onderhoudbaarheid, veiligheid (RAMS):

 

Veiligheid

 

Beschikbaarheid/betrouwbaarheid

 

Onderhoudbaarheid

4.2.1.1

4.2.1.2

4.2.20.1

ETCS-baanfunctionaliteit (met uitzondering van communicatie via Eurobalises, Euroloop en functionaliteit op niveau 2)

Systeemidentificator

4.2.3

4.2.20.3

RMR-, ETCS- en ATO-airgapinterfaces: alleen radiocommunicatie met trein

 

GSM-R-airgapinterface voor ETCS

4.2.5.1.2.1

Interfaces

 

GSM-R-radio voor datacommunicatie

 

Beheer van encryptiesleutels

 

Beheer van ETCS-ID’s

 

Spoorbeveiliging en LEU

4.2.7.3

4.2.8

4.2.9

4.2.3

Bouw van uitrusting

4.2.16

3

Eurobalise

Betrouwbaarheid, beschikbaarheid, onderhoudbaarheid, veiligheid (RAMS):

 

veiligheid

 

Beschikbaarheid/betrouwbaarheid

 

Onderhoudbaarheid

4.2.1.1

4.2.1.2

4.2.20.1

ETCS- en RMR-airgapinterfaces: alleen Eurobalise-communicatie met trein

Systeemidentificator

4.2.5.2

4.2.20.3

Interfaces

 

LEU – Eurobalise

4.2.7.4

Bouw van uitrusting

4.2.16

4

Euroloop

Betrouwbaarheid, beschikbaarheid, onderhoudbaarheid, veiligheid (RAMS):

 

veiligheid

 

Beschikbaarheid/betrouwbaarheid

 

Onderhoudbaarheid

4.2.1.1

4.2.1.2

4.2.20.1

ETCS- en RMR-airgapinterfaces: alleen Euroloop-communicatie met trein

Systeemidentificator

4.2.5.3

4.2.20.3

Interfaces

 

LEU – Euroloop

4.2.7.5

Bouw van uitrusting

4.2.16

5

LEU Eurobalise

Betrouwbaarheid, beschikbaarheid, onderhoudbaarheid, veiligheid (RAMS):

 

veiligheid

 

Beschikbaarheid/betrouwbaarheid

 

Onderhoudbaarheid

4.2.1.1

4.2.1.2

4.2.20.1

ETCS-baanfunctionaliteit (met uitzondering van communicatie via radio-infill, Euroloop en functionaliteit op niveau 2)

Systeemidentificator

4.2.3

4.2.20.3

Interfaces

 

LEU – Eurobalise

4.2.7.4

Bouw van uitrusting

4.2.16

6

LEU Euroloop

Betrouwbaarheid, beschikbaarheid, onderhoudbaarheid, veiligheid (RAMS):

 

Veiligheid

 

Beschikbaarheid/betrouwbaarheid

 

Onderhoudbaarheid

4.2.1.1

4.2.1.2

4.2.20.1

ETCS-baanfunctionaliteit (met uitzondering van communicatie via radio-infill, Eurobalise en functionaliteit op niveau 2)

Systeemidentificator

4.2.3

4.2.20.3

Interfaces

 

LEU – Euroloop

4.2.7.5

Bouw van uitrusting

4.2.16

7

Assenteller

Baansystemen voor treindetectie (alleen parameters die relevant zijn voor assentellers)

4.2.10

Elektromagnetische compatibiliteit (alleen parameters die relevant zijn voor assentellers)

4.2.11

8

Markeerbord

Baanobjecten voor besturing en seingeving (alleen de punten 1 en 2)

4.2.15

Bouw van uitrusting

4.2.16

9

ATO-baanapparatuur

Betrouwbaarheid, beschikbaarheid, onderhoudbaarheid (RAM):

 

Beschikbaarheid/betrouwbaarheid

 

Onderhoudbaarheid

4.2.1.2

4.2.20.1

ATO-baanfunctionaliteit

Systeemidentificator

4.2.19

4.2.20.3

RMR-, ETCS- en ATO-airgapinterfaces: alleen radiocommunicatie met trein

 

GSM-R-airgapinterface voor ATO

 

FRMCS-airgapinterface voor ATO

4.2.5.1.3.1

4.2.5.1.3.2

Interfaces:

 

GSM-R-radio voor datacommunicatie

 

FRMCS-baanapparatuur

4.2.7.3.2.1

4.2.7.3.2.2

Bouw van uitrusting

4.2.16

6.   BEOORDELING VAN DE CONFORMITEIT EN/OF GESCHIKTHEID VOOR GEBRUIK VAN DE ONDERDELEN EN CONTROLE VAN DE SUBSYSTEMEN

6.1.   Inleiding

6.1.1.   Algemene beginselen

6.1.1.1.   Overeenstemming met de fundamentele parameters

De overeenstemming met de in hoofdstuk 4 genoemde fundamentele parameters moet waarborgen dat voldaan is aan de essentiële eisen van hoofdstuk 3 van deze TSI.

Die overeenstemming blijkt uit:

(1)

de beoordeling van de overeenstemming van de interoperabiliteitsonderdelen als bedoeld in hoofdstuk 5 (zie de punten 6.2.1, 6.2.2, 6.2.3 en 6.2.4);

(2)

controle van de subsystemen (zie de punten 6.3 en 6.4).

In geval van wijzigingen aan bestaande subsystemen moeten de eisen in punt 7.2.2 voor boordsubsystemen en punt 7.2.3 voor baansubsystemen in aanmerking worden genomen bij de beoordeling.

6.1.1.2.   Gedeeltelijke naleving van de eisen van de TSI

Een boordsubsysteem mag, indien het aan beide onderstaande voorwaarden voldoet, niet alle in deze TSI gespecificeerde verplichte functies uitvoeren:

(1)

de functies zijn vermeld in aanhangsel G;

(2)

de infrastructuurbeheerder heeft (met steun van de lidstaat) in het RINF aangegeven dat de gedeeltelijke naleving van de genoemde eis geen belemmering vormt voor een optimale en veilige werking op zijn netwerk.

Wanneer een interoperabiliteitsonderdeel of een subsysteem CCS niet alle in deze TSI gespecificeerde functies uitvoert, moet dit worden vermeld in de relevante gebruiksvoorwaarden in overeenstemming met de bepalingen van de punten 6.5.1 en 6.5.2.

6.1.2.   Beginselen voor het testen van ETCS, ATO en RMR

6.1.2.1.   Beginsel

Het beginsel bestaat erin dat een boordsubsysteem CCS met een EG-keuringsverklaring kan functioneren op elk baansubsysteem CCS met een EG-keuringsverklaring overeenkomstig de in deze TSI aangegeven voorwaarden en zonder aanvullende controles.

Dit beginsel wordt mede gerealiseerd door:

(1)

regels voor het ontwerp en de installatie van de boord- en baansubsystemen CCS;

(2)

testspecificaties om aan te tonen dat de boord- en baansubsystemen CCS voldoen aan de eisen van deze TSI en onderling compatibel zijn.

6.1.2.2.   Operationele testscenario’s

Voor de toepassing van deze TSI betekent “operationeel testscenario” een opeenvolging van baan- en boordgebeurtenissen die verband houden met of een invloed hebben op de subsystemen CCS (bv. verzenden en ontvangen van berichten, overschrijden van een maximumsnelheid, handelingen van exploitanten) en de vastgestelde timing daartussen, teneinde het beoogde spoorwegsysteem te testen in situaties die relevant zijn voor ETCS, ATO en RMR (bv. binnenrijden van een uitgerust gebied, alarmeren van een trein, voorbijrijden van een stopsein).

De operationele testscenario’s zijn gebaseerd op de voor het project vastgestelde ontwerpvoorschriften.

De overeenstemming tussen de reële uitvoering met een operationeel testscenario kan worden gecontroleerd door informatie te verzamelen via gemakkelijk toegankelijke interfaces (bij voorkeur de in deze TSI gespecificeerde standaardinterfaces).

6.1.2.3.   Eisen voor operationele testscenario’s

De ontwerpvoorschriften voor de baanonderdelen van ETCS, ATO en RMR en de daaraan gekoppelde operationele testscenario’s voor baansubsystemen CCS moeten volstaan om alle beoogde systeemhandelingen te beschrijven die relevant zijn voor de subsystemen CCS in normaal bedrijf en gedefinieerde situaties van gestoord bedrijf, en:

(1)

moeten in overeenstemming zijn met de in deze TSI genoemde specificaties;

(2)

moeten waarborgen dat de functies, interfaces en prestaties van de boordsubsystemen CCS die samenwerken met de baansubsystemen, in overeenstemming zijn met de eisen van deze TSI;

(3)

moeten de voorschriften zijn die worden gebruikt voor de EG-keuring van de baansubsystemen CCS, om na te gaan of de gebruikte functies, interfaces en prestaties kunnen waarborgen dat de beoogde systeemhandelingen in combinatie met de relevante modi en transities tussen niveaus en modi van de subsystemen CCS worden nageleefd.

6.2.   Interoperabiliteitsonderdelen

6.2.1.   Beoordelingsprocedures voor interoperabiliteitsonderdelen voor besturing en seingeving

Alvorens een interoperabiliteitsonderdeel en/of groepen interoperabiliteitsonderdelen op de markt word(t)(en) gebracht, stelt de fabrikant of zijn in de Europese Unie gevestigde gemachtigde een EG-conformiteitsverklaring op als bedoeld in artikel 10, lid 1, en artikel 9, lid 2, van Richtlijn (EU) 2016/797.

De beoordelingsprocedure wordt uitgevoerd aan de hand van een van de in punt 6.2.2 (Modules voor interoperabiliteitsonderdelen voor besturing en seingeving) gespecificeerde modules.

Voor interoperabiliteitsonderdelen voor besturing en seingeving is geen EG-verklaring van geschiktheid voor gebruik vereist. Conformiteit met de desbetreffende fundamentele parameters, gestaafd door een EG-verklaring van conformiteit, volstaat om interoperabiliteitsonderdelen op de markt te kunnen brengen (17).

6.2.2.   Modules voor interoperabiliteitsonderdelen voor besturing en seingeving

Voor de beoordeling van interoperabiliteitsonderdelen van de subsystemen CCS kan de fabrikant of zijn in de Europese Unie gevestigde gemachtigde kiezen voor:

(1)

de procedure voor typekeuring (module CB) van de ontwerp- en ontwikkelingsfase, in combinatie met de procedure voor het systeem van kwaliteitsborging voor de productie (module CD) voor de productiefase; of

(2)

de procedure voor typekeuring (module CB) voor de ontwerp- en ontwikkelingsfase in combinatie met de keuringsprocedure voor het product (module CF); of

(3)

het volledige kwaliteitsborgingssysteem met de procedure voor onderzoek van het ontwerp (module CH1).

Om het interoperabiliteitsonderdeel van de simkaart en het markeerbord te controleren, kan de fabrikant of zijn gemachtigde bovendien opteren voor module CA.

De modules zijn uitvoerig beschreven in Besluit 2010/713/EU van de Commissie (18).

Onderstaande toelichtingen zijn van toepassing op het gebruik van enkele modules:

(1)

Hoofdstuk 2 van module CB: een EG-typekeuring moet worden uitgevoerd door een combinatie van productietype en ontwerptype;

(2)

Hoofdstuk 3 van module CF (keuring van producten): een statistische keuring is niet toegestaan, d.w.z. alle interoperabiliteitsonderdelen moeten afzonderlijk worden onderzocht.

6.2.3.   Beoordelingseisen

Ongeacht de gekozen module:

(1)

moet aan de eisen in punt 6.2.4.1 van deze TSI worden voldaan voor het interoperabiliteitsonderdeel ETCS-boordapparatuur;

(2)

moeten de activiteiten in tabel 6.1.1 worden uitgevoerd wanneer de overeenstemming van een interoperabiliteitsonderdeel of een groep interoperabiliteitsonderdelen wordt beoordeeld overeenkomstig hoofdstuk 5 van deze TSI. Alle keuringen moeten worden uitgevoerd onder verwijzing naar de toepasselijke tabel in hoofdstuk 5 en de daar vermelde fundamentele parameters.

(3)

De fabrikant van de apparatuur moet een aangemelde instantie in kennis stellen van alle wijzigingen die van invloed zijn op de conformiteit van het interoperabiliteitsonderdeel als gevolg van de eisen van de toepasselijke TSI-release. De fabrikant moet ook aantonen of deze specificaties van foutcorrecties nieuwe controles vereisen, overeenkomstig tabel 6.1.1 en door toepassing van modules voor de EG-conformiteit overeenkomstig punt 6.2.2. Deze informatie wordt verstrekt door de fabrikant, met opgave van de overeenkomstige verwijzingen naar de technische documentatie betreffende de bestaande EG-verklaring. De fabrikant moet aantonen en documenteren dat op het niveau van de interoperabiliteitsonderdelen aan de toepasselijke eisen is voldaan, hetgeen door een aangemelde instantie moet worden beoordeeld.

De fabrikant informeert de betrokken entiteiten over wijzigingen, bv. met betrekking tot bediening en onderhoud, die gevolgen hebben voor bestaande en reeds geïmplementeerde producten/componenten.

Tabel 6.1.1

Eisen inzake conformiteitsbeoordeling van een interoperabiliteitsonderdeel of een groep interoperabiliteitsonderdelen

Nr.

Aspect

Wat te beoordelen

Ondersteunend bewijs

1a

Functies, interfaces en prestaties

Controleer of alle verplichte functies, interfaces en prestaties als beschreven in de fundamentele parameters waarnaar in de betreffende tabel in hoofdstuk 5 wordt verwezen, zijn geïmplementeerd en of ze voldoen aan de eisen van deze TSI.

Ontwerpdocumentatie en uitvoering van testcases en testsequenties als beschreven in de fundamentele parameters waarnaar in de betreffende tabel in hoofdstuk 5 wordt verwezen.

1b

Controleer welke facultatieve functies en interfaces als beschreven in de fundamentele parameters waarnaar in de betreffende tabel in hoofdstuk 5 wordt verwezen, zijn geïmplementeerd en of ze voldoen aan de eisen van deze TSI.

Ontwerpdocumentatie en uitvoering van testcases en testsequenties als beschreven in de fundamentele parameters waarnaar in de betreffende tabel in hoofdstuk 5 wordt verwezen.

1c

Controleer welke extra functies en interfaces (die niet in deze TSI worden vermeld) zijn geïmplementeerd en of ze geen conflicten veroorzaken met de in deze TSI vermelde geïmplementeerde functies.

Effectbeoordeling

2a

Bouw van uitrusting

Controleer of de verplichte voorschriften worden nageleefd, indien vermeld in de fundamentele parameters waarnaar in de betreffende tabel in hoofdstuk 5 wordt verwezen.

Documentatie over de gebruikte materialen en, indien nodig, tests om na te gaan of er wordt voldaan aan de eisen van de fundamentele parameters waarnaar in de betreffende tabel van hoofdstuk 5 wordt verwezen.

2b

Controleer daarnaast of het interoperabiliteitsonderdeel correct werkt binnen de omgevingsvoorschriften waarvoor het is ontworpen.

Tests volgens de specificaties van de aanvrager.

3

Betrouwbaarheid, beschikbaarheid, onderhoudbaarheid, veiligheid (RAMS)

Controleer of er wordt voldaan aan de veiligheidseisen die zijn gespecificeerd in de fundamentele parameters waarnaar in de betreffende tabel van hoofdstuk 5 wordt verwezen, d.w.z.:

1.

naleving van de kwantitatieve aanvaardbare risicofactoren (THR’s) veroorzaakt door willekeurige defecten;

2.

het ontwikkelingsproces kan systematische defecten opsporen en verhelpen.

1.

Berekeningen voor de THR’s veroorzaakt door willekeurige defecten, op basis van betrouwbaarheidsgegevens.

2.1.

Het kwaliteits- en veiligheidsbeheer van de fabrikant tijdens het ontwerp, de productie en de tests voldoet aan een erkende norm (zie noot).

2.2.

De ontwikkelingscyclus van software, de ontwikkelingscyclus van hardware, en de integratie van hardware en software verlopen elk volgens een erkende norm (zie opmerking).

2.3.

Het veiligheidskeurings- en valideringsproces verloopt volgens een erkende norm (zie opmerking) en voldoet aan de veiligheidseisen die zijn beschreven in de fundamentele parameters waarnaar wordt verwezen in de betreffende tabel van hoofdstuk 5.

2.4.

De functionele en technische veiligheidseisen (correcte en foutloze werking, gevolgen van fouten en van invloeden van buitenaf) worden gecontroleerd volgens een erkende norm (zie opmerking).

Opmerking:

De norm voldoet minstens aan de volgende eisen:

1)

is in overeenstemming met de eisen voor de praktijkcode, zoals vermeld in punt 2.3.2 van bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 402/2013;

2)

wordt algemeen erkend in de spoorwegsector. Zo niet, dan moet de norm worden gemotiveerd t.a.v. de aangemelde instantie en door deze instantie worden aanvaard;

3)

is relevant voor de beheersing van de gevaren die werden vastgesteld in het te beoordelen systeem;

4)

is openbaar voor alle actoren die hem willen gebruiken.

4

Controleer of de door de aanvrager vermelde kwantitatieve doelstelling (voor willekeurige defecten) voor betrouwbaarheid wordt behaald.

Berekeningen

5

Uitsluiting van systematische defecten

Tests van apparatuur (volledig interoperabiliteitsonderdeel of afzonderlijke subsystemen) in operationele omstandigheden, inclusief reparaties wanneer defecten worden geconstateerd.

Vermeld in de documentatie bij het certificaat welk type keuring heeft plaatsgevonden, welke normen werden toegepast en op basis van welke criteria is bepaald of de tests afgerond waren (volgens het besluit van de aanvrager).

6

Technische documentatie voor onderhoud

Controleer of aan de onderhoudseisen is voldaan – punt 4.2.20.1.

Documentcontrole

6.2.4.   Speciale onderwerpen

6.2.4.1.   Verplichte tests voor ETCS-boordapparatuur

Er moet bijzondere aandacht worden besteed aan de conformiteitsbeoordeling van het interoperabiliteitsonderdeel ETCS-boordapparatuur, aangezien dit een complex onderdeel is dat belangrijk is om interoperabiliteit tot stand te brengen.

Ongeacht de gekozen module, CB of CH1, dient de aangemelde instantie te controleren of:

(1)

een representatief exemplaar van het interoperabiliteitsonderdeel ter beschikking is gesteld voor een volledige reeks testsequenties, inclusief alle benodigde testcases voor de controle van de in punt 4.2.2 (ETCS-boordfunctionaliteit) genoemde functies. De aanvrager dient de testcases en de organisatie daarvan in sequenties te definiëren, tenzij die reeds zijn gedefinieerd in de in deze TSI genoemde specificaties;

(2)

de tests worden uitgevoerd in een laboratorium dat overeenkomstig Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad (19) en de normen als bedoeld in aanhangsel A, tabel A 4, is erkend voor de uitvoering van tests op basis van de in aanhangsel A, tabel A 1, 4.2.2 c, gespecificeerde testarchitectuur en procedures:

Het laboratorium stelt een volledig verslag op met een duidelijke vermelding van de testresultaten en de gebruikte sequenties. De aangemelde instantie beoordeelt of de testcases en sequenties geschikt zijn voor de controle van de conformiteit met alle relevante eisen en de beoordeling van de resultaten met het oog op de certificering van het interoperabiliteitsonderdeel.

6.2.4.2.   Interfaces van klasse B

Elke lidstaat dient na te gaan of de systemen van klasse B en hun interfaces met het interoperabiliteitsonderdeel ETCS-boordapparatuur voldoen aan zijn nationale eisen.

De controle van de gestandaardiseerde STM-interface met de ETCS-boordapparatuur vereist een conformiteitsbeoordeling door een aangemelde instantie.

6.2.4.3.   Controles van de compatibiliteit van het ETCS-systeem en het radiosysteem voor het interoperabiliteitsonderdeel

Aangezien de ESC/RSC-controles niet vereist zijn in tabel 6.1.1, zijn zij niet vereist voor de afgifte van een certificaat voor een interoperabiliteitsonderdeel.

Indien ESC/RSC-controles op het niveau van het interoperabiliteitsonderdeel worden uitgevoerd, heeft de aangemelde instantie met betrekking tot de ESC/RSC-interoperabiliteitsverklaring(en) en het bijbehorende verslag tot taak de juistheid en de volledigheid van het ESC/RSC-controleverslag voor het interoperabiliteitsonderdeel te verifiëren overeenkomstig de eisen in dit punt.

In overeenstemming met Richtlijn (EU) 2016/797 kan de aangemelde instantie die deze beoordeling uitvoert een andere instantie zijn dan de aangemelde instantie die de EG-keuringsprocedure voor overeenstemming of geschiktheid voor het interoperabiliteitsonderdeel uitvoert.

Tabel 6.1.2

Beoordeling door de aangemelde instantie van de compatibiliteitscontrole van het ETCS- of het radiosysteem voor interoperabiliteitsonderdelen

Nr.

Aspect

Wat te beoordelen

Ondersteunend bewijs

1

Beschikbaarheid van de resultaten

Beoordeel of het controleverslag verwijst naar de controles volgens de definitie van de ESC/RSC-typen in het door het Bureau gepubliceerde technische document (20).

Beoordeel of het verslag over de interoperabiliteitscontroles duidelijk aangeeft welke controles zijn geverifieerd voor het ESC/RSC-type.

Evaluatie van het ESC/RSC-controleverslag.

2

Beschikbaarheid van de resultaten

Beoordeel of de ESC/RSC-resultaten voor elke ESC/RSC-controle aangeven of de ESC/RSC-controle al dan niet volgens de specificaties is geslaagd.

Evaluatie van het ESC/RSC-controleverslag.

3

Onverenigbaarheden en gemelde fouten

Beoordeel of voor elke ESC/RSC-controle die niet volgens de specificaties is geslaagd, de onverenigbaarheden en fouten die tijdens ESC/RSC-controles zijn gemeld, worden vermeld.

Evaluatie van het ESC/RSC-controleverslag.

4

Effectbeoordeling

Beoordeel of voor elke ESC/RSC-controle die niet volgens de voorschriften is geslaagd, een effectbeoordeling van de gevolgen voor ESC/RSC is uitgevoerd en geregistreerd aan de hand van het model in aanhangsel D.

Evaluatie van het ESC/RSC-controleverslag.

6.3.   Subsystemen CCS

6.3.1.   Beoordelingsprocedures voor subsystemen CCS

In dit hoofdstuk worden de EG-keuringsverklaring voor het boordsubsysteem CCS en de EG-keuringsverklaring voor het baansubsysteem CCS behandeld.

Op verzoek van de aanvrager verricht de aangemelde instantie een EG-keuring van een boord- of baansubsysteem CCS overeenkomstig bijlage IV bij Richtlijn (EU) 2016/797.

De aanvrager stelt voor het spoor- en baansubsysteem CCS de EG-keuringsverklaring op overeenkomstig artikel 15, leden 1 en 9, van Richtlijn (EU) 2016/797.

De inhoud van de EG-keuringsverklaring moet in overeenstemming zijn met artikel 15, lid 9, van Richtlijn (EU) 2016/797.

De beoordelingsprocedure wordt uitgevoerd aan de hand van de in punt 6.2.2 (Modules voor subsystemen CCS) gespecificeerde modules.

De EG-keuringsverklaringen van een boordsubsysteem CCS en van een baansubsysteem CCS worden in combinatie met de conformiteitsverklaringen toereikend geacht om te waarborgen dat de subsystemen compatibel zijn onder de in deze TSI vermelde omstandigheden.

6.3.2.   Modules voor subsystemen CCS

Alle onderstaande modules zijn beschreven in Besluit 2010/713/EU.

6.3.2.1.   Boordsubsysteem

Voor de keuring van het boordsubsysteem CCS kan de aanvrager kiezen voor:

(1)

de procedure voor typekeuring (module SB) van de ontwerp- en ontwikkelingsfase, in combinatie met het systeem van kwaliteitsborging voor de productie (module SD) voor de productiefase; of

(2)

de procedure voor typekeuring (module SB) voor de ontwerp- en ontwikkelingsfase in combinatie met de keuringsprocedure voor het product (module SF); of

(3)

de procedure voor totale kwaliteitsborging met toetsing van het ontwerp (module SH1).

6.3.2.2.   Baansubsysteem

Voor de keuring van het baansubsysteem CCS kan de aanvrager kiezen voor:

(1)

de procedure voor stuksgewijze controle (module SG); of

(2)

de procedure voor typekeuring (module SB) van de ontwerp- en ontwikkelingsfase, in combinatie met het systeem van kwaliteitsborging voor de productie (module SD) voor de productiefase; of

(3)

de procedure voor typekeuring (module SB) voor de ontwerp- en ontwikkelingsfase in combinatie met de keuringsprocedure voor het product (module SF); of

(4)

de procedure voor totale kwaliteitsborging met toetsing van het ontwerp (module SH1).

6.3.2.3.   Voorwaarden voor het gebruik van modules voor boord- en baansubsystemen

Overeenkomstig punt 4.2 van module SB (typekeuring) is een onderzoek van het ontwerp vereist.

Overeenkomstig punt 4.2 van module SH1 (totale kwaliteitsborging met ontwerptoetsing) is een aanvullende typekeuring vereist.

6.3.3.   Beoordelingseisen voor een boordsubsysteem

In tabel 6.2.1 is vermeld welke controles moeten worden uitgevoerd bij de keuring van een boordsubsysteem CCS en de fundamentele parameters die daarbij moeten worden nageleefd.

Ongeacht de gekozen module:

(1)

moet de keuring aantonen dat het boordsubsysteem CCS, wanneer het in het voertuig wordt ingebouwd, voldoet aan de fundamentele parameters;

(2)

vereisen de functionaliteit en prestaties van interoperabiliteitsonderdelen die al onder hun EG-conformiteitsverklaring vallen geen extra keuringen;

(3)

vereist de update als gevolg van het onderhoud van de specificaties van een reeds geïntegreerd interoperabiliteitsonderdeel geen aanvullende keuring door een aangemelde instantie van het subsysteem indien de aangemelde instantie van het interoperabiliteitsonderdeel bevestigt dat de gevolgen van de te beoordelen update beperkt blijven tot het interoperabiliteitsonderdeel en indien de GVM-beoordelingsinstantie die de integratie van de update in het subsysteem beoordeelt, geen gevolgen op het niveau van het subsysteem vaststelt.

Tabel 6.2.1

Eisen inzake conformiteitsbeoordeling van een boordsubsysteem of een groep onderdelen

Nr.

Aspect

Wat te beoordelen

Ondersteunend bewijs

1a

Gebruik van interoperabiliteitsonderdelen

Controleer of de interoperabiliteitsonderdelen die in het subsysteem moeten worden geïntegreerd, allemaal door een EG-conformiteitsverklaring en overeenkomstig certificaat zijn bestreken.

Het subsysteem moet worden gecontroleerd met een simkaart die voldoet aan de eisen van deze TSI. De vervanging van een simkaart door een andere die aan de TSI voldoet, is geen wijziging van het subsysteem.

Aanwezigheid en inhoud van documenten

1b

Controleer hoe de voorwaarden en beperkingen voor het gebruik van interoperabiliteitsonderdelen zich verhouden tot de eigenschappen van het subsysteem en van de omgeving.

Analyse aan de hand van documenten

1c

Voor interoperabiliteitsonderdelen die zijn gekeurd volgens een versie van de TSI CCS die verschilt van de versie die is toegepast voor de EG-keuring van het subsysteem, en/of volgens een reeks specificaties die verschilt van de reeks specificaties die is toegepast voor de EG-keuring, moet worden gecontroleerd of het certificaat nog altijd waarborgt dat het subsysteem aan de eisen van de momenteel geldende TSI voldoet.

Effectbeoordeling aan de hand van documenten

2a

Integratie van interoperabiliteitsonderdelen in het subsysteem

Controleer of de interne interfaces van het subsysteem correct zijn geïnstalleerd en correct werken – fundamentele parameter 4.2.6.

Controles volgens specificaties

2b

Controleer of de extra functies (die niet in deze TSI worden vermeld) de verplichte functies niet beïnvloeden.

Effectbeoordeling

2c

Controleer of de waarden van de ETCS-ID’s binnen het toegelaten bereik vallen en, indien vereist door deze TSI, uniek zijn – fundamentele parameter 4.2.9.

Controle van ontwerpspecificaties

2d

Controleer of er een systeemidentificator is voor het ETCS-deel van het subsysteem.

Controleer in geval van wijziging van het functionele of uitvoeringsdeel van de systeemidentificator of de wijziging overeenstemt met de definitie – fundamentele parameter 4.2.20.3.

Documentcontrole

3

Integratie van onderdelen in het subsysteem

Controleer de interfaces en integratie tussen de verschillende onderdelen van het subsysteem – tabel 4.1 en fundamentele parameter 4.2.6.

Effectbeoordeling aan de hand van documenten

4a

Integratie met rollend materieel

Controleer of de apparatuur correct is geïnstalleerd – fundamentele parameters 4.2.2, 4.2.4, 4.2.14 en 4.2.18, en de door de fabrikant vastgestelde installatievoorschriften.

Resultaten van controles (volgens specificaties waarnaar wordt verwezen in de fundamentele parameters en de installatievoorschriften van de fabrikant)

4b

Controleer of het boordsubsysteem CCS compatibel is met de omgeving van het rollend materieel – fundamentele parameter 4.2.16.

Documentcontrole (controleer hoe de certificaten van interoperabiliteitsonderdelen en mogelijke integratiemethoden zich verhouden tot de eigenschappen van het rollend materieel)

4c

Controleer of de parameters (bv. remparameters) correct zijn geconfigureerd en of ze binnen het toegelaten bereik vallen.

Documentcontrole (controleer hoe de waarden van de parameters zich verhouden tot de eigenschappen van het rollend materieel)

5a

Integratie met klasse B, afhankelijk van ETCS-boordapparatuur en interface klasse B

Controleer of de gestandaardiseerde interface STM met TSI-conforme interfaces op de ETCS-boordapparatuur is aangesloten

Niets te testen: er is al een standaardinterface op het niveau van de interoperabiliteitsonderdelen getest. De werking is al getest bij de controle van de integratie van interoperabiliteitsonderdelen in het subsysteem.

5b

Controleer of de functies van klasse B die in ETCS-boordapparatuur zijn geïmplementeerd – fundamentele parameter 4.2.6.1 – wegens de overgangen geen extra eisen opleggen aan het baansubsysteem CCS.

Niets te testen: alles is al op het niveau van de interoperabiliteitsonderdelen getest.

5c

Controleer of afzonderlijke apparatuur van klasse B die niet op de ETCS-boordapparatuur is aangesloten – fundamentele parameter 4.2.6.1 – wegens de overgangen geen extra eisen oplegt aan het baansubsysteem CCS.

Niets te testen: geen interface (21).

5d

Controleer of afzonderlijke apparatuur van klasse B die op de ETCS-boordapparatuur is aangesloten en (deels) niet-TSI-conforme interfaces gebruikt – fundamentele parameter 4.2.6.1 – wegens de overgangen geen extra eisen oplegt aan het baansubsysteem CCS. Controleer ook of de ETCS-functies niet worden beïnvloed.

Effectbeoordeling door documentcontrole en verslag over integratietests

6a

Integratie met baansubsystemen CCS

Controleer of Eurobalise-telegrammen kunnen worden gelezen (deze test beperkt zich tot het controleren of de antenne correct is geïnstalleerd. De reeds op het niveau van het interoperabiliteitsonderdeel uitgevoerde tests hoeven niet te worden herhaald) – fundamentele parameter 4.2.5.

Test met behulp van een gecertificeerde Eurobalise: de mogelijkheid een telegram correct te lezen geldt als ondersteunend bewijs.

6b

Controleer of Euroloop-telegrammen (indien van toepassing) kunnen worden gelezen – fundamentele parameter 4.2.5.

Test met behulp van een gecertificeerde Euroloop: de mogelijkheid een telegram correct te lezen geldt als ondersteunend bewijs.

6c

Controleer of de apparatuur spraak- en dataverkeer van een RMR (indien van toepassing) kan verwerken – fundamentele parameter 4.2.5.

Test met behulp van een gecertificeerd RMR-netwerk. De mogelijkheid een verbinding tot stand te brengen, te handhaven en te verbreken geldt als ondersteunend bewijs.

7a

Betrouwbaarheid, beschikbaarheid, onderhoudbaarheid, veiligheid (RAMS)

Controleer of de apparatuur voldoet aan de veiligheidseisen – fundamentele parameter 4.2.1.

Toepassing van procedures als bepaald in de gemeenschappelijke veiligheidsmethode voor risico-evaluatie en -beoordeling.

7b

Controleer of de kwantitatieve doelstelling voor betrouwbaarheid is behaald – fundamentele parameter 4.2.1.

Berekeningen

7c

Controleer of aan de onderhoudseisen wordt voldaan – punt 4.2.20.2.

Documentcontrole

8

Integratie met baansubsystemen CCS en met andere subsystemen:

tests onder omstandigheden die representatief zijn voor de beoogde exploitatie.

Test het gedrag van het subsysteem onder zoveel verschillende voor de beoogde exploitatie representatieve omstandigheden als redelijkerwijs haalbaar is (bv. helling van de lijn, treinsnelheid, trillingen, tractievermogen, weersomstandigheden, ontwerp van de functionaliteit van baanapparatuur voor besturing en seingeving). Met de tests moet kunnen worden gecontroleerd:

(1)

of de odometriefuncties correct zijn uitgevoerd – fundamentele parameter 4.2.2;

(2)

of het boordsubsysteem CCS compatibel is met de omgeving van het rollend materieel – fundamentele parameter 4.2.16.

Deze tests moeten ook van dien aard zijn dat ze de zekerheid over de afwezigheid van systematische storingen nog vergroten.

Deze tests sluiten alle tests uit die in verschillende stadia zijn uitgevoerd: tests op de interoperabiliteitsonderdelen en tests op het subsysteem in een gesimuleerde omgeving moeten in aanmerking worden genomen.

Voor boordapparatuur voor spraakverkeer via RMR zijn tests onder operationele omstandigheden niet nodig.

Opmerking: Vermeld in het certificaat welke omstandigheden zijn getest en welke normen zijn toegepast.

Verslagen van testritten.

6.3.3.1.   Controles van de compatibiliteit van het ETCS-systeem en het radiosysteem

Indien ze op het niveau van het interoperabiliteitsonderdeel wordt uitgevoerd, heeft de aangemelde instantie met betrekking tot de ESC/RSC-interoperabiliteitsverklaring tot taak de juistheid en de volledigheid van het ESC/RSC-controleverslag voor het subsysteem te controleren, overeenkomstig de eisen in dit punt.

Aangezien de ESC/RSC-controles niet vereist zijn in tabel 6.2.1, zijn zij niet vereist voor de afgifte van een certificaat voor een baansubsysteem. Een dergelijk boordsubsysteem wordt derhalve alleen als compatibel met infrastructuren van klasse A beschouwd wanneer er geen specifieke ESC/RSC-controle vereist is om de technische compatibiliteit aan te tonen (d.w.z. door de IM aangeduid als ESC-EU-0 of RSC-EU-0 in het RINF).

Tabel 6.2.2

Beoordeling door de aangemelde instantie van de compatibiliteitscontrole van het ETCS- of het radiosysteem voor boordsubsystemen

Nr.

Aspect

Wat te beoordelen

Ondersteunend bewijs

1

Beschikbaarheid van de resultaten

Beoordeel of het controleverslag verwijst naar de controles volgens de definitie van de ESC/RSC-typen in het door het Bureau gepubliceerde technische document (22).

Beoordeel of alle vereiste ESC/RSC-controles van dat ESC/RSC-type zijn geëvalueerd.

Evaluatie van het ESC/RSC-controleverslag.

2

Beschikbaarheid van de resultaten

Beoordeel of de ESC/RSC-resultaten voor elke ESC/RSC-controle aangeven of de ESC/RSC-controle al dan niet volgens de specificaties is geslaagd.

Evaluatie van het ESC/RSC-controleverslag.

3

Onverenigbaarheden en gemelde fouten

Beoordeel of voor elke ESC/RSC-controle die niet volgens de specificaties is geslaagd, de onverenigbaarheden en fouten die tijdens ESC/RSC-controles zijn gemeld, worden vermeld.

Evaluatie van het ESC/RSC-controleverslag.

4

Effectbeoordeling

Beoordeel of voor elke ESC/RSC-controle die niet volgens de voorschriften is geslaagd, een effectbeoordeling van de gevolgen voor ESC/RSC is uitgevoerd en geregistreerd aan de hand van het model in aanhangsel D.

Evaluatie van het ESC/RSC-controleverslag.

5

Voorwaarden

Beoordeel of alle voorwaarden in het controleverslag zijn vermeld.

Evaluatie van het ESC/RSC-controleverslag.

6

Integratie van de ESC/RSC-interoperabiliteitsverklaringen

Beoordeel of, indien de ESC/RSC-verklaring gebaseerd is op ESC/RSC-interoperabiliteitsverklaringen, de resultaten van de ESC/RSC-interoperabiliteitsverklaring van toepassing zijn op het betrokken subsysteem.

Evaluatie van het ESC/RSC-controleverslag.

De aangemelde instantie mag geen enkel aspect opnieuw controleren dat is behandeld tijdens de reeds uitgevoerde EG-keuringsprocedure voor het boordsubsysteem of dat al is behandeld in de ESC/RSC-interoperabiliteitsverklaring.

In overeenstemming met Richtlijn (EU) 2016/797 kan de aangemelde instantie die deze beoordeling uitvoert een andere instantie zijn dan de aangemelde instantie die de EG-keuringsprocedure voor het boordsubsysteem uitvoert of de aangemelde instantie die de beoordeling van het controleverslag van de ESC/RSC-interoperabiliteitsonderdelen uitvoert.

6.3.4.   Beoordelingseisen voor een baansubsysteem

Beoordelingen die binnen het toepassingsgebied van deze TSI worden uitgevoerd, zijn bedoeld om na te gaan of de apparatuur voldoet aan de in hoofdstuk 4 vermelde eisen.

Voor het ontwerp van het ETCS-deel van het baansubsysteem CCS is echter toepassingsspecifieke informatie nodig. Deze informatie omvat:

(1)

eigenschappen van de lijn, zoals hellingshoeken, afstanden, plaats van trajectonderdelen en Eurobalise-bakens of Euroloop-lussen, te beschermen locaties enz.;

(2)

de seingevingsinformatie en -voorschriften die het ETCS-systeem moet verwerken.

Deze TSI bestrijkt niet de controles om na te gaan of de toepassingsspecifieke informatie correct is.

Ongeacht de gekozen module:

(1)

is in tabel 6.3 vermeld welke controles moeten worden uitgevoerd bij de keuring van een baansubsysteem CCS, en de fundamentele parameters die daarbij moeten worden nageleefd;

(2)

vereisen de functionaliteit en prestaties die al op het niveau van de interoperabiliteitsonderdelen zijn gecontroleerd geen extra keuring;

(3)

vereist de update als gevolg van het onderhoud van de specificaties van een reeds geïntegreerd interoperabiliteitsonderdeel geen aanvullende keuring door een aangemelde instantie van het subsysteem indien de aangemelde instantie van het interoperabiliteitsonderdeel bevestigt dat de gevolgen van de te beoordelen update beperkt blijven tot het interoperabiliteitsonderdeel en indien de GVM-beoordelingsinstantie die de integratie van de update in het subsysteem beoordeelt, geen gevolgen op het niveau van het subsysteem vaststelt.

Tabel 6.3

Eisen inzake conformiteitsbeoordeling van een baansubsysteem

Nr.

Aspect

Wat te beoordelen

Ondersteunend bewijs

1 a

Gebruik van interoperabiliteitsonderdelen

Controleer of alle interoperabiliteitsonderdelen die in het subsysteem moeten worden geïntegreerd door een EG-conformiteitsverklaring en het overeenkomstige certificaat worden bestreken.

Aanwezigheid en inhoud van documenten

1b

Controleer hoe de voorwaarden en beperkingen voor het gebruik van interoperabiliteitsonderdelen zich verhouden tot de eigenschappen van het subsysteem en van de omgeving.

Effectbeoordeling aan de hand van documenten

1c

Voor interoperabiliteitsonderdelen die zijn gecertificeerd volgens een versie van de TSI CCS, die verschilt van de versie die is toegepast voor de EG-keuring van het subsysteem en/of volgens een reeks specificaties die verschilt van de reeks specificaties die is toegepast voor de EG-keuring, moet worden gecontroleerd of het certificaat nog altijd waarborgt dat aan de eisen van de momenteel geldende TSI wordt voldaan.

Effectbeoordeling door vergelijking van specificaties waarnaar in de TSI wordt verwezen en certificaten van de interoperabiliteitsonderdelen

2a

Integratie van interoperabiliteitsonderdelen in het subsysteem

Opmerking: Alleen die met een specifieke beoordeling op subsysteemniveau.

Controleer of de interne interfaces van het subsysteem correct zijn geïnstalleerd en correct werken – fundamentele parameters 4.2.5 en 4.2.7 en door de fabrikant gespecificeerde omstandigheden.

(N.v.t. voor interoperabiliteitsonderdelen assentellers en markeerborden)

Controles volgens specificaties

2b

Controleer of de extra functies (die niet in deze TSI worden vermeld) de verplichte functies niet beïnvloeden.

(N.v.t. voor interoperabiliteitsonderdelen assentellers en markeerborden)

Effectbeoordeling

2c

Controleer of de waarden van de ETCS-ID’s binnen het toegelaten bereik vallen en, indien vereist door deze TSI, uniek zijn – fundamentele parameter 4.2.9.

(N.v.t. voor interoperabiliteitsonderdelen assentellers en markeerborden)

Controle van ontwerpspecificaties

2d

Voor interoperabiliteitsonderdeel assentellers (alleen):

de integratie van het interoperabiliteitsonderdeel in het subsysteem moet worden gecontroleerd:

Controleer indexnr. 77 in hoofdstuk 4, tabel 16 (Conformiteitsbeoordeling).

Controleer de correcte installatie van de apparatuur en voorschriften van de fabrikant en/of de infrastructuurbeheerder.

Documentcontrole

2e

 

Controleer of er een systeemidentificator is voor het ETCS-deel van het subsysteem.

Controleer in geval van wijziging van het functionele of uitvoeringsdeel van de systeemidentificator, of de wijziging overeenstemt met de definitie – fundamentele parameter 4.2.20.3.

Documentcontrole

3

Baanobjecten voor besturing

Controleer of voldaan is aan de eisen voor de in deze TSI gespecificeerde markeerborden (eigenschappen, compatibiliteit met de infrastructuureisen (omgrenzingsprofiel enz.), compatibiliteit met het gezichtsveld van de machinist, plaatsing van interoperabele markeerborden voor hun beoogde operationele doel) – fundamentele parameter 4.2.15.

Ontwerpdocumentatie, resultaten van tests of testritten met TSI-conform rollend materieel

4a

Integratie met infrastructuur

Controleer of de ETCS-, RMR- en ATO-apparatuur correct is geïnstalleerd – fundamentele parameters 4.2.3, 4.2.4 en 4.2.19, en de installatievoorschriften van de fabrikant.

Resultaten van controles (volgens specificaties waarnaar wordt verwezen in de fundamentele parameters en de installatievoorschriften van de fabrikant)

4b

Controleer of het baansubsysteem CCS compatibel is met de omgeving van de baanapparatuur – fundamentele parameter 4.2.16.

Documentcontrole (controleer hoe de certificaten van interoperabiliteitsonderdelen en mogelijke integratiemethoden zich verhouden tot de eigenschappen van de baanapparatuur)

5a

Integratie met baanapparatuur voor lichtseinen

(n.v.t. op het treindetectiedeel)

Controleer of alle door de toepassing vereiste functies zijn geïmplementeerd volgens de specificaties waarnaar in deze TSI wordt verwezen – fundamentele parameter 4.2.3.

Documentcontrole (ontwerpspecificatie van de aanvrager en certificaten van interoperabiliteitsonderdelen)

5b

Controleer of de parameters correct zijn geconfigureerd (Eurobalise-telegrammen, RBC-berichten, positie van markeerborden enz.)

Documentcontrole (controleren hoe de parameters zich verhouden tot de eigenschappen van de baanapparatuur voor seingeving)

5c

Controleer of de interfaces correct zijn geïnstalleerd en correct werken.

Keuring van het ontwerp en tests volgens de informatie van de aanvrager

5d

Controleer of het baansubsysteem CCS correct werkt volgens de informatie bij de interfaces met baanapparatuur voor lichtseinen (bv. correcte aanmaak van Eurobalise-telegrammen door een LEU of van berichten door een RBC).

Keuring van het ontwerp en tests volgens de informatie van de aanvrager

6a

Integratie met baansubsystemen CCS

Controleer of de RMR een goede dekking biedt – fundamentele parameter 4.2.4.

Metingen ter plaatse

6b

Controleer of alle door de toepassing vereiste functies zijn geïmplementeerd volgens de specificaties waarnaar in deze TSI wordt verwezen – fundamentele parameters 4.2.3, 4.2.4 en 4.2.5.

Verslagen van de operationele testscenario’s als bepaald in punt 6.1.2 met ten minste gecertificeerde boordsubsystemen CCS van verschillende leveranciers. Het verslag moet vermelden welke operationele testscenario’s zijn getest, welke boordapparatuur is gebruikt en of de tests zijn uitgevoerd in laboratoria, op testlijnen of in reële situaties.

7

Compatibiliteit van systemen voor treindetectie

(uitgezonderd assentellers)

Controleer of de treindetectiesystemen voldoen aan de eisen van deze TSI – fundamentele parameters 4.2.10 en 4.2.11. Controleer het document bij indexnr. 77 in hoofdstuk 4.

Controleer de correcte installatie van de apparatuur en voorschriften van de fabrikant en/of de infrastructuurbeheerder.

Bewijs van compatibiliteit van apparatuur van bestaande installaties (voor typen treindetectiesystemen die al in gebruik zijn); voer tests uit volgens de normen (voor nieuwe typen treindetectiesystemen op de lijn).

Metingen ter plaatse om de juistheid van de installatie aan te tonen.

Documentcontrole van de correcte installatie van apparatuur.

8a

Betrouwbaarheid, beschikbaarheid, onderhoudbaarheid, veiligheid (RAMS)

(uitgezonderd treindetectie)

Controleer of aan de veiligheidseisen wordt voldaan – fundamentele parameter 4.2.1.1.

Toepassing van de in de gemeenschappelijke veiligheidsmethode voor risico-evaluatie en -beoordeling gespecificeerde procedures

8b

Controleer of de kwantitatieve doelstellingen voor betrouwbaarheid worden behaald – fundamentele parameter 4.2.1.2.

Berekeningen

8c

Controleer of aan de onderhoudseisen wordt voldaan – punt 4.2.20.2.

Documentcontrole

9

Integratie met boordsubsystemen CCS en met rollend materieel: tests onder omstandigheden die representatief zijn voor de beoogde exploitatie.

Test het gedrag van het subsysteem onder zoveel verschillende voor de beoogde exploitatie representatieve omstandigheden als redelijkerwijs haalbaar is (bv. treinsnelheid, aantal treinen op de lijn, weersomstandigheden). Met de tests moet kunnen worden gecontroleerd:

(1)

of de treindetectiesystemen correct werken – fundamentele parameters 4.2.10 en 4.2.11;

(2)

of het baansubsysteem CCS compatibel is met de omgeving van de baanapparatuur – fundamentele parameter 4.2.16.

Deze tests vergroten ook de zekerheid over het gebrek aan systematische storingen.

Deze tests sluiten alle tests uit die in verschillende stadia werden uitgevoerd: tests op het niveau van de interoperabiliteitsonderdelen en tests van het subsysteem in een gesimuleerde omgeving moeten in aanmerking worden genomen.

Opmerking: Vermeld in het certificaat welke omstandigheden zijn getest en welke normen zijn toegepast.

Verslagen van testritten.

10

Compatibiliteit van het ETCS-systeem en het radiosysteem

De voorgestelde ESC- en RSC-controles betreffen uitsluitend TSI-eisen en zijn in overeenstemming met de specificaties – fundamentele parameter 4.2.17.

• Documentcontrole van de beoogde ESC/RSC-typen indien deze nieuw of gewijzigd zijn.

OF

• De technische compatibiliteitscontroles voor ESC- en RSC-type worden als “geldig” gepubliceerd in het technisch document ESC/RSC van het Bureau indien zij ongewijzigd blijven.

6.4.   Bepalingen in geval van gedeeltelijke beoordeling van de TSI-eisen

6.4.1.   Beoordeling van onderdelen van de subsystemen CCS

Overeenkomstig artikel 15, lid 7, van Richtlijn (EU) 2016/797 mag de aangemelde instantie EG-conformiteitsverklaringen afgeven die betrekking hebben op bepaalde onderdelen van deze subsystemen, als dat volgens de betrokken TSI’s is toegestaan.

Zoals vermeld in punt 2.2 (Toepassingsgebied) van deze TSI bestaan de boord- en baansubsystemen CCS uit verschillende onderdelen, gespecificeerd in punt 4.1 (Inleiding), en heeft dit deel alleen betrekking op die gedefinieerde onderdelen.

Voor elk onderdeel of elke combinatie van onderdelen zoals gespecificeerd in deze TSI, kan een EG-conformiteitsverklaring worden afgegeven.

Ongeacht de gekozen module moet de aangemelde instantie controleren of aan de eisen (alle relevante de eisen zoals beschreven in tabel 6.2.1) wordt voldaan ten aanzien van:

(1)

het betreffende onderdeel; en

(2)

de interfaces daarvan met de ongewijzigde onderdelen van het subsysteem; en

(3)

de integratie met de ongewijzigde onderdelen van het subsysteem.

Voor het boordsubsysteem CCS: In elk geval wordt bij de beoordeling van onderdelen in door de aangemelde instantie(s) afgegeven EG-conformiteitsverklaringen rekening gehouden met een van de volgende opties:

(1)

een EG-conformiteitsverklaring van het boordsubsysteem CSS dat alle onderdelen omvat, of

(2)

een EG-conformiteitsverklaring voor elk van de volgende groepen onderdelen:

(a)

treinbeveiliging, radiosystemen voor datacommunicatie en geautomatiseerde treinbesturing; en

(b)

radiosystemen voor spraakcommunicatie.

Op de EG-conformiteitsverklaring moet op een van de volgende manieren worden vermeld en aangetoond dat aan alle vereisten in tabel 6.2.1 is voldaan, en informatie worden vermeld over mogelijke interfaces tussen onderdelen of het ontbreken daarvan:

(1)

het ontbreken van interfaces met het andere onderdeel/de andere groep onderdelen; of

(2)

in het geval van interfaces met het andere onderdeel/de andere groep onderdelen, het ontbreken van de voorwaarden en beperkingen voor het gebruik van het andere onderdeel/de andere groep onderdelen.

In het geval van interfaces die voorwaarden en beperkingen voor gebruik vereisen in overeenstemming met de eisen die zijn gespecificeerd in tabel 6.2.1 van deze TSI en exportbeperkingen voor het andere onderdeel/de andere groep onderdelen, moet er een EG-verklaring voor het subsysteem zijn; of

(3)

In het geval dat het subsysteem slechts uit één onderdeel/groep onderdelen bestaat, is geen aanvullende beoordeling op subsysteemniveau nodig als de beoordeling van het onderdeel/de groep onderdelen alle TSI-vereisten voor dat onderdeel/die groep onderdelen omvat. In dit geval vervangt de EG-conformiteitsverklaring voor het onderdeel de EG-conformiteitsverklaring van het subsysteem.

6.4.2.   Tussentijdse keuringsverklaring

Indien de conformiteit wordt beoordeeld voor door de aanvrager gespecificeerde subsystemen die verschillen van de in tabel 4.1 toegestane onderdelen, en het beoordelingsproces verschilt van het in punt 6.4.1 (Beoordeling van onderdelen van de subsystemen CCS) van deze TSI beschreven proces, of indien slechts bepaalde stadia van de keuringsprocedure zijn doorlopen, mag slechts een tussentijdse keuringsverklaring worden afgegeven.

6.5.   Beheer van fouten

Wanneer tijdens de tests of tijdens de exploitatie van een subsysteem afwijkingen van de beoogde functies en/of prestaties worden geconstateerd, brengen de aanvragers en/of exploitanten het Bureau en de vergunningverlenende entiteit die de vergunning voor de betrokken baansubsystemen of voertuigen heeft afgegeven, daarvan onverwijld op de hoogte, teneinde de procedure in artikel 16 van Richtlijn (EU) 2016/797 te starten. Als gevolg van de toepassing van artikel 16, lid 3, van die richtlijn:

(1)

wanneer de afwijking te wijten is aan een foutieve toepassing van deze TSI of aan fouten in het ontwerp van de installatie of apparatuur, treft de aanvrager van de betrokken certificaten de nodige corrigerende maatregelen en worden de getroffen certificaten en/of de desbetreffende technische dossiers (voor interoperabiliteitsonderdelen en/of subsystemen) alsmede de desbetreffende EG-verklaringen bijgewerkt;

(2)

indien de afwijking te wijten is aan fouten in deze TSI of de daarin genoemde specificaties, wordt de procedure in artikel 6 van Richtlijn (EU) 2016/797 gestart.

De aanvragers en/of leveranciers mogen hun eigen oplossing toepassen op de geïdentificeerde fout zodra het met deze fout verband houdende wijzigingsverzoek is gevalideerd aan de hand van de in artikel 28, lid 2, van Verordening (EU) 2016/796 bedoelde procedure voor de behandeling van verzoeken tot wijziging (CCM). Deze validatie vindt plaats binnen drie maanden nadat de volledige informatie is ingediend.

Een dergelijke tijdelijke oplossing voor de geïdentificeerde fout, waarbij beperkingen niet naar het andere subsysteem worden geëxporteerd, kan worden toegepast totdat de overeengekomen foutcorrectie is goedgekeurd in een nieuwe versie van de TSI CCS. Zodra in een nieuwe versie van de TSI een oplossing voor de vastgestelde fout is goedgekeurd, passen de aanvragers en/of leveranciers de gekozen oplossing toe op de bestaande voertuigen naar gelang welke van de volgende omstandigheden zich het eerst voordoet:

(a)

indien geen vergunning vereist is voor de toepassing van de oplossing: bij de volgende gelegenheid wanneer de oplossing verplicht is uit hoofde van tabel B1.1, rij 1, en in elk geval niet vóór 1 juni 2026;

(b)

indien toestemming vereist is voor de toepassing van de oplossing: bij de volgende hervergunning die voortvloeit uit een andere wijziging van het veiligheidssysteem van het voertuig (ETCS);

(c)

bij de volgende upgrade naar een hogere systeemversie van het veiligheidssysteem van het voertuig.

Opmerking:

Voor interoperabiliteitsonderdelen waarvoor het resultaat van de eerder te verstrekken informatie, zoals beschreven in punt 7.2.10.1, aangeeft dat er geen gevolgen zijn voor de veiligheid, bediening en interoperabiliteit; is een update niet vereist.

Foutcorrecties kunnen gevolgen hebben voor de baan- en boordsubsystemen CCS. Het Bureau verwerkt alle ingediende informatie op een efficiënte manier om het wijzigingsbeheerproces te faciliteren met het oog op de verbetering en verdere ontwikkeling van de specificaties, met inbegrip van de testspecificaties.

6.5.1.   Inhoud van EG-certificaten

Overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) 2019/250 van de Commissie (23) beschrijven de aangemelde instanties de beperkingen en voorwaarden voor het gebruik van interoperabiliteitsonderdelen en subsystemen in de desbetreffende EG-certificaten.

De aangemelde instanties plegen in de op grond van artikel 29 van Verordening (EU) 2016/796 opgerichte werkgroep overleg met het Bureau over de manier waarop fouten, beperkingen en voorwaarden voor het gebruik van interoperabiliteitsonderdelen en subsystemen in de toepasselijke EG-keuringsverklaringen en begeleidende technische dossiers worden beheerd.

In het begeleidende technische dossier van de aangemelde instantie wordt het model van aanhangsel D gebruikt.

6.5.2.   Inhoud van EG-verklaringen

Overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) 2019/250 moet de fabrikant van interoperabiliteitsonderdelen of de aanvrager van het subsysteem in de EG-verklaring van conformiteit of EG-keuringsverklaring de beperkingen en voorwaarden voor gebruik beschrijven.

In de begeleidende technische dossiers wordt het model van aanhangsel D gebruikt.

7.   UITVOERING VAN DE TSI CCS

7.1.   Inleiding

Dit hoofdstuk beschrijft de strategie en de bijbehorende technische maatregelen voor de uitvoering van de TSI, en in het bijzonder de voorwaarden voor de migratie naar systemen van klasse A.

Er moet rekening worden gehouden met het feit dat de uitvoering van een TSI op gezette tijden moet worden gecoördineerd met de uitvoering van andere TSI’s.

7.2.   Algemeen toepasselijke regels

7.2.1.   Verbetering of vernieuwing van het subsystemen CCS of delen daarvan

De verbetering of vernieuwing van de subsystemen CCS kan betrekking hebben op alle willekeurige onderdelen daarvan, als gespecificeerd in punt 2.2 (Toepassingsgebied).

Deze verschillende onderdelen van de subsystemen CCS kunnen derhalve afzonderlijk worden verbeterd of vernieuwd (voor zover de interoperabiliteit niet in het geding komt).

Zie punt 4.1 (Inleiding) voor de bepaling van de fundamentele parameters voor elk onderdeel.

7.2.2.   Wijzigingen aan een bestaand boordsubsysteem

In dit punt worden de beginselen vastgelegd die de entiteiten die de wijziging beheren en de vergunningverlenende entiteiten moeten toepassen in overeenstemming met de EG-keuringsprocedure als beschreven in artikel 15, lid 9, en artikel 21, lid 12, van en bijlage IV bij Richtlijn (EU) 2016/797. Deze procedure is nader omschreven in de artikelen 13, 15 en 16 van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/545 en in Besluit 2010/713/EU.

Dit punt is van toepassing in geval van wijzigingen aan bestaande boordsubsystemen of een bestaand type boordsubsysteem, met inbegrip van vernieuwingen of moderniseringen daarvan. Het is niet van toepassing op wijzigingen die onder artikel 15, lid 1, punt a), van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/545 vallen.

7.2.2.1.   Regels voor het beheer van wijzigingen aan boordsubsystemen CCS

(1)

Onderdelen, zoals gedefinieerd in tabel 4.1 van deze TSI, en fundamentele parameters van het boordsubsysteem waarvoor de wijzigingen geen gevolgen hebben, zijn vrijgesteld van een conformiteitsbeoordeling op basis van de bepalingen van deze TSI. De lijst van onderdelen en fundamentele parameters waarvoor de wijzigingen wel gevolgen hebben, moet worden verstrekt door de entiteit die de wijziging beheert.

(2)

De entiteit die de wijziging beheert, brengt een aangemelde instantie op de hoogte van alle wijzigingen die gevolgen hebben voor de conformiteit van het subsysteem met de eisen van de desbetreffende TSI(’s) die nieuwe controles vereisen, overeenkomstig de artikelen 15 en 16 van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/545 en Besluit 2010/713/EU en door toepassing van de modules SB, SD/SF of SH1 voor de EG-keuring en, indien relevant, artikel 15, lid 5, van Richtlijn (EU) 2016/797. Deze informatie wordt verstrekt door de entiteit die de wijziging beheert, met opgave van de overeenkomstige verwijzingen naar de technische documentatie betreffende de bestaande EG-verklaring.

(3)

De entiteit die de wijziging beheert, rechtvaardigt en bewijst schriftelijk dat de toepasselijke eisen consistent blijven op het niveau van het subsysteem, en dit moet worden beoordeeld door een aangemelde instantie.

(4)

De wijzigingen die gevolgen hebben voor de fundamentele ontwerpkenmerken van het boordsubsysteem zijn in tabel 7.1 (Fundamentele ontwerpkenmerken) gedefinieerd als fundamentele ontwerpkenmerken en worden ingedeeld als wijziging overeenkomstig artikel 15, lid 1, punten c) en d), van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/545, en in overeenstemming met tabel 7.1. Wijzigingen van fundamentele ontwerpkenmerken die geen gevolgen hebben voor, maar wel verband houden met de fundamentele ontwerpkenmerken, worden door de entiteit die de wijziging beheert, ingedeeld als artikel 15, lid 1, punt b), van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/545.

(5)

Wijzigingen die niet onder punt 7.2.2.4, 4), vallen, worden geacht geen gevolgen te hebben voor de fundamentele ontwerpkenmerken. Deze worden door de entiteit die de wijziging beheert, ingedeeld als artikel 15, lid 1, punten a) of b), van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/545.

Opmerking:

De in de punten 7.2.2.1, 4) en 5), uiteengezette wijzigingen worden ingedeeld door de entiteit die de wijziging beheert, zonder afbreuk te doen aan de veiligheidsbeoordeling als voorgeschreven in artikel 21, lid 12, punt b), van Richtlijn (EU) 2016/797.

(6)

Alle wijzigingen blijven in overeenstemming met de toepasselijke TSI’s, ongeacht hun indeling.

Tabel 7.1

Fundamentele ontwerpkenmerken

1. TSI-punt

2. Betreffende fundamentele ontwerpkenmerken

3. Wijzigingen die geen gevolgen hebben voor de fundamentele ontwerpkenmerken overeenkomstig artikel 15, lid 1, punt b), van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/545

4. Wijzigingen die gevolgen hebben voor de fundamentele ontwerpkenmerken maar binnen het aanvaardbare bereik van de parameters vallen, en dus worden ingedeeld als wijzigingen zoals bedoeld in artikel 15, lid 1, punt c), van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/545

5. Wijzigingen die gevolgen hebben voor de fundamentele ontwerpkenmerken en buiten het aanvaardbare bereik van de parameters vallen, en dus worden ingedeeld als wijzigingen zoals bedoeld in artikel 15, lid 1, punt d), van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/545

4.2.2 ETCS-boordfunctionaliteit

ETCS-boordapparatuur en de specificatiereeks van aanhangsel A van de TSI CCS

Niet van toepassing

Niet van toepassing

Gebruik een andere reeks specificaties van aanhangsel A

 

Enveloppe van legale ETCS-systeemversies

Niet van toepassing

Niet van toepassing

Installatie of aanvang van het operationele gebruik van ETCS;

wijziging van de enveloppe van legale ETCS-systeemversies uit de reeks specificaties van aanhangsel A

 

Implementatie van ETCS-boordapparatuur

Voldoen aan alle voorwaarden van punt 7.2.2.2 (wijziging van de uitvoeringsidentificator)

Niet van toepassing

Niet voldoen aan alle voorwaarden van punt 7.2.2.2 (wijziging van de functionele identificator)

 

Beheren van informatie over de volledigheid van de trein (niet van de machinist)

Niet van toepassing

Toevoegen of verwijderen van bewaking van de treinintegriteit

Niet van toepassing

 

Informatie over de veilige lengte van de treinsamenstelling van boordapparatuur die nodig is voor toegang tot de lijn en het SIL

Niet van toepassing

Toevoegen of verwijderen van informatie over de veilige lengte van de treinsamenstelling

Niet van toepassing

4.2.17.1 Compatibiliteit van het ETCS-systeem

Compatibiliteit van het ETCS-systeem

Niet van toepassing

Toevoegen of verwijderen van een ESC-verklaring die voldoet aan alle voorwaarden van punt 7.2.2.4

Toevoegen of verwijderen van een ESC-verklaring die niet voldoet aan alle voorwaarden van punt 7.2.2.4

4.2.4 Functies van mobiele communicatie voor spoorwegen RMR

4.2.4.2.1 GSM-R-toepassingen voor spraak- en operationele communicatie

GSM-R-boordradio voor spraakcommunicatie en zijn baseline

Gebruik van een andere baselinerelease die voldoet aan alle voorwaarden van punt 7.2.2.3

Niet van toepassing

Installatie of aanvang van het operationele gebruik van GSM-R-radio in de stuurcabine;

gebruik van een andere baseline die niet voldoet aan alle voorwaarden van punt 7.2.2.3

GSM-R-toepassingen voor spraak- en operationele communicatie

Voldoen aan alle voorwaarden van punt 7.2.2.3 (wijziging van de uitvoeringsidentificator)

Niet van toepassing

Niet voldoen aan alle voorwaarden van punt 7.2.2.3 (wijziging van de functionele identificator)

GSM-R-ondersteuning simkaart voor spraakcommunicatie met groeps-ID 555

Niet van toepassing

Wijzigen van simkaart-ondersteuning met groeps-ID 555

Niet van toepassing

4.2.17.3 Compatibiliteit van het ETCS-systeem en het radiosysteem

Compatibiliteit van het radiosysteem voor spraakcommunicatie

Niet van toepassing

Toevoegen of verwijderen van een RSC-verklaring die voldoet aan alle voorwaarden van punt 7.2.2.4

Toevoegen of verwijderen van een RSC-verklaring die niet voldoet aan alle voorwaarden van punt 7.2.2.4

4.2.4 Functies van mobiele communicatie voor spoorwegen RMR

4.2.4.3.1.1 GSM-R-datacommunicatie voor ETCS

4.2.4.3.2.1 GSM-R-datacommunicatie voor ATO

GSM-R-boordradio voor datacommunicatie en zijn baseline

Gebruik van een andere baselinerelease die voldoet aan alle voorwaarden van punt 7.2.2.3

Niet van toepassing

Installatie of aanvang van het operationele gebruik van GSM-R EDOR;

gebruik van een andere baseline die niet voldoet aan alle voorwaarden van punt 7.2.2.3

GSM-R-datacommunicatie voor uitvoering van ETCS en ATO

Voldoen aan alle voorwaarden van punt 7.2.2.3 (wijziging van de uitvoeringsidentificator)

Niet van toepassing

Niet voldoen aan alle voorwaarden van punt 7.2.2.3 (wijziging van de functionele identificator)

4.2.17.3 Compatibiliteit van het ETCS-systeem en het radiosysteem

Compatibiliteit van het radiosysteem voor datacommunicatie

Niet van toepassing

Toevoegen of verwijderen van een RSC-verklaring die voldoet aan alle voorwaarden van punt 7.2.2.4

Toevoegen of verwijderen van een RSC-verklaring die niet voldoet aan alle voorwaarden van punt 7.2.2.4

4.2.4 Functies van mobiele communicatie voor spoorwegen RMR

4.2.4.1.1 Fundamentele communicatiefunctie GSM-R

Simkaart voor spraakcommunicatie voor het nationaal GSM-R-netwerk

Niet van toepassing

Vervangen van een TSI-conforme simkaart voor GSM-R door een andere TSI-conforme simkaart met een ander nationaal GSM-R-netwerk

Niet van toepassing

Simkaart voor datacommunicatie voor het nationaal GSM-R-netwerk

Niet van toepassing

Vervangen van een TSI-conforme simkaart voor GSM-R door een andere TSI-conforme simkaart met een ander nationaal GSM-R-netwerk

Niet van toepassing

4.2.18 ATO-boordfunctionaliteit

Systeemversie ATO-boordapparatuur

Niet van toepassing

Veranderen van de ATO-systeemversie die voldoet aan alle voorwaarden van punt 7.2.2.3

Toevoegen of verwijderen van het ATO-gedeelte van het boordsubsysteem CCS; start van het operationele gebruik van ATO.

Of veranderen van de ATO-systeemversie die niet voldoet aan alle voorwaarden van punt 7.2.2.3

Implementatie van ATO-boordapparatuur

Voldoen aan alle voorwaarden van punt 7.2.2.3 (wijziging van de uitvoeringsidentificator)

Niet van toepassing

Niet voldoen aan alle voorwaarden van punt 7.2.2.3 (wijziging van de functionele identificator)

7.2.5

Oudere systemen

Klasse B- of andere geïnstalleerde treinbeveiligings-, besturings- en cabinesignaleringssystemen (systeem en, indien van toepassing, versie)

Voor de eisen met betrekking tot systemen van klasse B zijn de betrokken lidstaten verantwoordelijk.

Voor de eisen met betrekking tot systemen van klasse B zijn de betrokken lidstaten verantwoordelijk.

Toevoegen of verwijderen van treinbeveiligingssystemen van klasse B.

Voor de eisen met betrekking tot systemen van klasse B zijn de betrokken lidstaten verantwoordelijk.

Klasse B- of andere geïnstalleerde oude radiosystemen (systeem en, indien van toepassing, versie)

Voor de eisen met betrekking tot systemen van klasse B zijn de betrokken lidstaten verantwoordelijk.

Voor de eisen met betrekking tot systemen van klasse B zijn de betrokken lidstaten verantwoordelijk.

Toevoegen of verwijderen van oude radiosystemen van klasse B.

Voor de eisen met betrekking tot systemen van klasse B zijn de betrokken lidstaten verantwoordelijk.

(7)

Om de EG-verklaring vast te stellen, mag de aangemelde instantie verwijzen naar:

(a)

de oorspronkelijke EG-keuringsverklaring voor onderdelen van het ontwerp die ongewijzigd blijven of die weliswaar gewijzigd zijn, maar geen gevolgen hebben voor de conformiteit van het subsysteem, voor zover deze nog geldig is;

(b)

wijzigingen in de oorspronkelijke EG-keuringsverklaring voor gewijzigde onderdelen van het ontwerp die gevolgen hebben voor de conformiteit van het subsysteem met de toepasselijke TSI-versie die voor de EG-keuring is gebruikt.

(8)

De entiteit die de wijziging beheert, zorgt er in elk geval voor dat de technische documentatie die betrekking heeft op de EG-verklaring dienovereenkomstig wordt bijgewerkt.

(9)

De bijgewerkte technische documentatie met betrekking tot de EG-verklaring wordt vermeld in het technisch dossier bij de EG-keuringsverklaring die is afgegeven door de instantie die de wijziging beheert, voor het boordsubsysteem dat in overeenstemming met het gewijzigde type is verklaard.

7.2.2.2.   Voorwaarden voor een wijziging in de ETCS-treinfunctionaliteit die geen gevolgen heeft voor de fundamentele ontwerpkenmerken

(1)

De doelfunctionaliteit (24) blijft ongewijzigd of is ingesteld op de toestand die reeds tijdens de oorspronkelijke certificering of vergunningverlening werd verwacht. De doelfunctionaliteit wordt als ongewijzigd beschouwd wanneer het in punt 7.2.10 beschreven proces voor het onderhoud van de specificaties (foutcorrectie) wordt toegepast, die de uitvoering van foutcorrecties of de uitvoering van verzachtende maatregelen omvat.

(2)

De interfaces die relevant zijn voor veiligheid en technische compatibiliteit blijven ongewijzigd of zijn ingesteld op de toestand die reeds tijdens de oorspronkelijke certificering of vergunningverlening werd verwacht.

(3)

Het resultaat van de veiligheidsbeoordeling (bv. veiligheidsanalyse volgens EN 50126) blijft ongewijzigd.

(4)

Er zijn als gevolg van de wijziging geen nieuwe veiligheidsgerelateerde toepassingsvoorwaarden (SRAC) of interoperabiliteitsbeperkingen toegevoegd.

(5)

Een GVM-beoordelingsinstantie (CSM RA) zoals gespecificeerd in punt 4.2.1 heeft de risicobeoordeling van de aanvrager onafhankelijk beoordeeld, waarin wordt aangetoond dat de wijziging de veiligheid niet nadelig beïnvloedt. De aanvrager moet bij de bewijsvoering onder meer aantonen dat de wijziging de oorzaken van de oorspronkelijke afwijking van de functionaliteit daadwerkelijk corrigeert.

(6)

Afhankelijk van de soort verandering:

(a)

indien de wijziging het gevolg is van een productfout, wordt de wijziging uitgevoerd volgens een door een aangemelde instantie goedgekeurd kwaliteitsbeheersysteem. Voor andere modules moet worden gerechtvaardigd dat de uitgevoerde keuring geldig blijft (25);

(b)

indien de wijziging het gevolg is van het onderhoud van de specificaties (er zijn bijgewerkte specificaties in aanhangsel A, tabel A 2, met de beschrijvingen van de correctie van de fout), is een bijgewerkt EG-certificaat voor ontwerponderzoek of typeonderzoek voor de interoperabiliteitsonderdelen of het subsysteem met de uitvoering van foutcorrecties nodig. In dit geval zijn de bepalingen van punt 6.3.3, 3), van toepassing.

(7)

Het individuele configuratiebeheer definieert een “systeemidentificator” (zoals gedefinieerd in 4.2.20.3) en de “functionele identificator” van de “systeemidentificator” is na de wijziging niet gewijzigd.

(8)

De wijziging maakt deel uit van het op grond van artikel 5 van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/545 vereiste configuratiebeheer.

7.2.2.3.   Voorwaarden voor een wijziging van de boordfuncties van mobiele communicatie voor spoorwegen of de ATO-boordfunctionaliteit die geen gevolgen heeft voor de fundamentele ontwerpkenmerken

(1)

De doelfunctionaliteit (26) blijft ongewijzigd of is ingesteld op de toestand die reeds tijdens de oorspronkelijke certificering of vergunningverlening werd verwacht. De doelfunctionaliteit wordt als ongewijzigd beschouwd wanneer het in punt 7.2.10 beschreven proces voor het onderhoud van de specificaties (foutcorrectie) wordt toegepast, die de uitvoering van foutcorrecties of van verzachtende maatregelen omvat.

(2)

De interfaces die relevant zijn voor technische compatibiliteit blijven ongewijzigd of zijn ingesteld op de toestand die reeds tijdens de oorspronkelijke certificering of vergunningverlening werd verwacht.

(3)

Afhankelijk van de soort verandering:

(a)

indien de wijziging het gevolg is van een productfout, wordt de wijziging uitgevoerd volgens een door een aangemelde instantie goedgekeurd kwaliteitsbeheersysteem. Voor andere modules moet worden gerechtvaardigd dat de uitgevoerde keuring geldig blijft (27);

(b)

indien de wijziging het gevolg is van het onderhoud van de specificaties (er zijn bijgewerkte specificaties in aanhangsel A, tabel A 2, met de beschrijvingen van de correctie van de fout), is een bijgewerkt EG-certificaat voor ontwerponderzoek of typeonderzoek voor de interoperabiliteitsonderdelen of het subsysteem met de uitvoering van foutcorrecties nodig. In dit geval zijn de bepalingen van punt 6.3.3, 3), van toepassing.

(4)

De wijziging maakt deel uit van het op grond van artikel 5 van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/545 vereiste configuratiebeheer.

7.2.2.4.   Voorwaarden voor een wijziging in het boordsubsysteem met betrekking tot compatibiliteit van het ETCS- of radiosysteem die geen gevolgen hebben voor de fundamentele ontwerpkenmerken

Er zijn geen veiligheidsgerelateerde toepassingsvoorwaarden (SRAC) of interoperabiliteitsbeperkingen in verband met de technische compatibiliteit met het netwerk toegevoegd of verwijderd als gevolg van de toevoeging of verwijdering van een ESC- of RSC-verklaring.

7.2.3.   Modernisering of vernieuwing van het bestaande baansubsysteem

In dit punt worden de beginselen vastgelegd die de entiteiten die de wijziging beheren en de vergunningverlenende entiteiten moeten toepassen in overeenstemming met de EG-keuringsprocedure als beschreven in artikel 15, lid 9, en artikel 18, lid 6, van Richtlijn (EU) 2016/797 en in Besluit 2010/713/EU.

7.2.3.1.   Regels voor het beheer van de modernisering of vernieuwing van bestaande baansubsystemen CCS

In geval van modernisering of vernieuwing van de subsystemen CCS met een EG-keuringsverklaring zijn de volgende regels van toepassing:

(1)

De wijzigingen vereisen een nieuwe vergunning, indien zij van invloed zijn op de fundamentele parameters zoals gedefinieerd in tabel 7.2.

Tabel 7.2

Wijzigingen van de fundamentele baanparameters waarvoor een nieuwe vergunning nodig is

Fundamentele parameter

Wijziging waarvoor een nieuwe vergunning nodig is

4.2.3

ETCS-baanfunctionaliteit

Niet voldoen aan alle voorwaarden van punt 7.2.3.2

4.2.4

4.2.4.2

Functies van mobiele communicatie voor spoorwegen RMR

Toepassingen voor spraak- en operationele communicatie

Niet voldoen aan alle voorwaarden van punt 7.2.3.2

4.2.4

4.2.4.3

Functies van mobiele communicatie voor spoorwegen RMR

Datacommunicatietoepassingen voor ETCS en ATO

Niet voldoen aan alle voorwaarden van punt 7.2.3.2

4.2.19

ATO-baanfunctionaliteit

Niet voldoen aan alle voorwaarden van punt 7.2.3.3

(2)

De wijzigingen mogen worden verwerkt door alleen die wijzigingen opnieuw te beoordelen die van invloed zijn op de conformiteit van het subsysteem met de toepasselijke versie van de TSI’s die voor de EG-keuring is gebruikt. De entiteit die de wijziging beheert, rechtvaardigt en bewijst schriftelijk dat de toepasselijke eisen consistent blijven op het niveau van het subsysteem, en dit moet worden beoordeeld door een aangemelde instantie.

(3)

De entiteit die de wijziging beheert, brengt de aangemelde instantie op de hoogte van alle wijzigingen die van invloed kunnen zijn op de conformiteit van het subsysteem met de eisen van de desbetreffende TSI(’s) of de voorwaarden voor de geldigheid van de verklaring.

Deze informatie wordt verstrekt door de entiteit die de wijziging beheert, met opgave van de overeenkomstige verwijzingen naar de technische documentatie betreffende de bestaande EG-verklaring.

(4)

Een EG-certificaat waarin de wijzigingen die van invloed zijn op de overeenstemming met de TSI worden weergegeven, wordt opgesteld door een aangemelde instantie. Voor het opstellen van het EG-certificaat kan de aangemelde instantie verwijzen naar:

(a)

de oorspronkelijke EG-verklaring voor onderdelen van het ontwerp die ongewijzigd blijven of die weliswaar gewijzigd zijn, maar geen gevolgen hebben voor de conformiteit van het subsysteem, voor zover deze nog geldig is;

(b)

andere EG-verklaringen (die de oorspronkelijke verklaring wijzigen) voor gewijzigde onderdelen van het ontwerp die gevolgen hebben voor de conformiteit van het subsysteem met de toepasselijke TSI-versie die voor de EG-keuring is gebruikt.

(5)

De entiteit die de wijziging beheert, zorgt er in elk geval voor dat de technische documentatie die betrekking heeft op de EG-verklaring dienovereenkomstig wordt bijgewerkt.

(6)

“Configuratiebeheer”: een systematisch organisatorisch, technisch en administratief proces dat tijdens de hele levenscyclus van een subsysteem CCS wordt toegepast om de samenhang van de documentatie en de traceerbaarheid van de wijzigingen te waarborgen en in stand te houden, zodat:

(a)

de toepasselijke EU-regelgeving en de nationale voorschriften worden nageleefd;

(b)

wijzigingen worden gecontroleerd en gedocumenteerd in de technische dossiers of in het dossier bij de afgegeven vergunning;

(c)

de informatie en gegevens actueel en accuraat blijven;

(d)

de betrokken partijen waar passend op de hoogte worden gebracht van wijzigingen.

7.2.3.2.   Voorwaarden voor een modernisering of vernieuwing van de ETCS-baanfunctionaliteit waarvoor, indien hier niet aan wordt voldaan, een nieuwe vergunning tot indienststelling nodig is

(1)

De doelfunctionaliteit (28) van de fundamentele parameter 4.2.3 blijft ongewijzigd of is ingesteld op de toestand die reeds tijdens de oorspronkelijke certificering of vergunningverlening werd verwacht. De doelfunctionaliteit wordt als ongewijzigd beschouwd wanneer het in punt 7.2.10 beschreven proces voor het onderhoud van de specificaties (foutcorrectie) wordt toegepast, die de uitvoering van foutcorrecties of van verzachtende maatregelen omvat.

(2)

De interfaces van de fundamentele parameter 4.2.3 die relevant zijn voor veiligheid en technische compatibiliteit, blijven ongewijzigd of zijn ingesteld op de toestand die reeds tijdens de oorspronkelijke certificering of vergunningverlening werd verwacht.

(3)

Het resultaat van de veiligheidsbeoordeling (bv. veiligheidsanalyse volgens EN 50126) blijft ongewijzigd.

(4)

Er zijn als gevolg van de wijziging geen nieuwe veiligheidsgerelateerde toepassingsvoorwaarden (SRAC) of interoperabiliteitsbeperkingen toegevoegd.

(5)

Indien vereist in punt 4.2.1, heeft een GVM-beoordelingsinstantie (CSM RA) de risicobeoordeling van de aanvrager onafhankelijk beoordeeld, waarin wordt aangetoond dat de wijziging de veiligheid niet nadelig beïnvloedt. Indien de verandering het gevolg is van een productfout, moet de aanvrager aantonen dat de verandering de oorzaken van de productfout daadwerkelijk corrigeert.

(6)

Afhankelijk van de soort verandering:

(a)

indien de wijziging het gevolg is van een productfout, wordt de wijziging uitgevoerd volgens een door een aangemelde instantie goedgekeurd kwaliteitsbeheersysteem. Voor andere modules moet worden gerechtvaardigd dat de uitgevoerde keuring geldig blijft (29);

(b)

indien de wijziging het gevolg is van het onderhoud van de specificaties (er zijn bijgewerkte specificaties in aanhangsel A, tabel A 2, met de beschrijvingen van de correctie van de fout), is een bijgewerkt EG-certificaat voor de interoperabiliteitsonderdelen of het subsysteem met de uitvoering van foutcorrecties nodig. In dit geval zijn de bepalingen van punt 6.3.4, 3), van toepassing.

(7)

Het individuele configuratiebeheer definieert een “systeemidentificator” (zoals gedefinieerd in 4.2.20.3) en de “functionele identificator” van de “systeemidentificator” is na de wijziging niet gewijzigd.

(8)

De wijziging maakt deel uit van het configuratiebeheer zoals gedefinieerd in 7.2.3.1, 6).

7.2.3.3.   Voorwaarden voor een modernisering of vernieuwing van de baanfuncties van mobiele communicatie voor spoorwegen of de ATO-baanfunctionaliteit waarvoor, indien hier niet aan wordt voldaan, een nieuwe vergunning tot indienststelling nodig is

(1)

De doelfunctionaliteit (30) van de fundamentele parameters 4.2.4.2, 4.2.4.3 en 4.2.19 blijft ongewijzigd of is ingesteld op de toestand die reeds tijdens de oorspronkelijke certificering of vergunningverlening werd verwacht. De doelfunctionaliteit wordt als ongewijzigd beschouwd wanneer het in punt 7.2.10 beschreven proces voor het onderhoud van de specificaties (foutcorrectie) wordt toegepast, die de uitvoering van foutcorrecties of van verzachtende maatregelen omvat.

(2)

De interfaces van de fundamentele parameters 4.2.4.2, 4.2.4.3 en 4.2.19 die relevant zijn voor de technische compatibiliteit, blijven ongewijzigd of zijn ingesteld op de toestand die reeds tijdens de oorspronkelijke certificering of vergunningverlening werd verwacht.

(3)

Afhankelijk van de soort verandering:

(a)

indien de wijziging het gevolg is van een productfout, wordt de wijziging uitgevoerd volgens een door een aangemelde instantie goedgekeurd kwaliteitsbeheersysteem (bv. volgens de modules CH1, SH1, CD, SD). Voor andere modules (bv. CF, SF, SG) moet worden gerechtvaardigd dat de uitgevoerde keuring geldig blijft (31);

(b)

indien de wijziging het gevolg is van het onderhoud van de specificaties (er zijn bijgewerkte specificaties in aanhangsel A, tabel A 2, met de beschrijvingen van de correctie van de fout), is een bijgewerkt EG-certificaat voor de interoperabiliteitsonderdelen of het subsysteem met de uitvoering van foutcorrecties nodig. In dit geval zijn de bepalingen van punt 6.3.4, 3) van toepassing.

(4)

De wijziging maakt deel uit van het configuratiebeheer zoals gedefinieerd in 7.2.3.1, 6).

7.2.3.4.   Gevolgen voor de technische compatibiliteit tussen de boord- en baanonderdelen van de subsystemen CCS

Infrastructuurbeheerders zorgen ervoor dat wijzigingen aan een bestaand baansubsysteem de voortzetting mogelijk maken van de exploitatie van TSI-conforme boordsubsystemen (32) die in gebruik zijn op de lijnen waarop de wijzigingen betrekking hebben.

Deze eis is niet van toepassing wanneer de wijzigingen het gevolg zijn van de invoering van een nieuw toepassingsniveau voor baanapparatuur, uit hoofde van de eisen van 7.2.9.1, 1) en 4), of door eisen van een incompatibele toepassing (bv. verandering naar een nieuwe X van M_VERSION zoals gedefinieerd in 7.4.2.4).

7.2.4.   Certificaten van EG-typeonderzoek of -ontwerponderzoek

7.2.4.1.   Boordsubsysteem CCS

7.2.4.1.1.   Definities

(1)   Eerste beoordelingskader voor boordsubsystemen CCS

Het oorspronkelijke beoordelingskader is de TSI CCS, die aan het begin van de ontwerpfase van toepassing is wanneer de aanvrager een overeenkomst sluit met de aangemelde instantie voor het boordsubsysteem CCS.

(2)   Certificeringskader voor boordsubsystemen CCS

Het certificeringskader is de TSI CCS, die op het moment van afgifte van het certificaat van EG-typeonderzoek of -ontwerponderzoek van toepassing is. Het is het oorspronkelijke beoordelingskader dat is aangepast met de herzieningen van de TSI’s die tijdens de ontwerpfase van kracht zijn geworden, en dat van toepassing is volgens de in aanhangsel B beschreven overgangsregeling.

(3)   Ontwerpfase voor boordsubsystemen CCS

De ontwerpfase voor boordsubsystemen CCS start zodra de aanvrager een overeenkomst sluit met een aangemelde instantie, die verantwoordelijk is voor de EG-keuring, en eindigt als het certificaat van EG-typeonderzoek of -ontwerponderzoek wordt verstrekt.

Een ontwerpfase heeft betrekking op het in een voertuigtype en een of meer typevarianten en -uitvoeringen geïntegreerde subsysteem CCS. Voor alle typevarianten en -uitvoeringen wordt de ontwerpfase geacht op hetzelfde tijdstip te beginnen als voor het hoofdtype.

(4)   Productiefase voor boordsubsystemen CCS

De productiefase is de periode waarin het boordsubsysteem CCS in de handel mag worden gebracht op basis van een EG-keuringsverklaring waarin wordt verwezen naar een geldig certificaat van EG-typeonderzoek of -ontwerponderzoek.

Voor een aanvraag tot vergunning in verband met conformiteit met het type, voldoen voertuigen in de productiefase aan de eisen van het boordsubsysteem CCS na de termijn die in de kolom “Productiefase”van de tabellen B1.1, B1.1b, B1.2 en B1.2b vermeld is. Dit hangt er niet van af of de daarmee verband houdende ontwerpfase van het voertuigtype voltooid is voor of nadat de TSI CCS in werking is getreden.

(5)   Gebruik van het voertuig

Het voertuig is in gebruik als het is geregistreerd met de “geldige” registratiecodes “00” en “11” in het Europees voertuigregister overeenkomstig Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/1614 van de Commissie (33) en in veilige staat wordt gehouden overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) 2019/779 van de Commissie (34).

7.2.4.1.2.   Regels in verband met het certificaat van EG-typeonderzoek of -ontwerponderzoek

(1)

De aangemelde instantie geeft het certificaat van EG-typeonderzoek of -ontwerponderzoek af waarin wordt verwezen naar het certificeringskader.

(2)

Voor projecten die uiterlijk 28 september 2023 in de ontwerpfase zijn, geeft de aangemelde instantie het certificaat van EG-typeonderzoek of -ontwerponderzoek af volgens de onderstaande regels:

Voor wijzigingen in de TSI CCS die door deze verordening zijn ingevoerd en niet in aanhangsel B zijn opgenomen, wordt conformiteit met het initiële beoordelingskader zoals vastgesteld door Verordening (EU) 2016/919, Verordening (EU) 2016/919 zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2019/776, Verordening (EU) 2016/919 zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2020/387 of Verordening (EU) 2016/919 zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2020/420 geacht te voldoen aan het certificeringskader. De aangemelde instantie geeft het certificaat van EG-typeonderzoek of -ontwerponderzoek af onder verwijzing naar het certificeringskader zonder aanvullende beoordeling.

Voor wijzigingen in de TSI CCS die door deze verordening zijn ingevoerd en waarnaar wordt verwezen in aanhangsel B, is de toepassing ervan verplicht overeenkomstig de in aanhangsel B omschreven overgangsregeling. Gedurende de vastgestelde overgangsperiode mag de aangemelde instantie het certificaat van EG-typeonderzoek of -ontwerponderzoek onder verwijzing naar het certificeringskader zonder aanvullende beoordeling afgeven. De aangemelde instantie vermeldt in het certificaat van EG-typeonderzoek of -ontwerponderzoek alle punten (uit de tabellen B1.1 en B1.1b) die zijn beoordeeld volgens het oorspronkelijke beoordelingskader.

(3)

Als er tijdens de ontwerpfase meerdere herzieningen van deze TSI van kracht worden, overweegt de aangemelde instantie wijzigingen in de TSI CCS die door die herzieningen zijn ingevoerd op de wijze beschreven in 2), bij de afgifte van het certificaat van EG-typeonderzoek of -ontwerponderzoek.

(4)

Het is altijd toegestaan (maar niet verplicht) om de recentste versie van een TSI te gebruiken, in zijn geheel of voor bepaalde punten, tenzij anderszins is aangegeven bij de herziening van die TSI’s; als slechts bepaalde punten zijn toegepast, moet de aanvrager rechtvaardigen en documenteren dat de toepasselijke eisen consistent blijven en moet dit door de aangemelde instantie worden goedgekeurd.

7.2.4.1.3.   Geldigheid van het certificaat van EG-typeonderzoek of -ontwerponderzoek

Vanaf 28 september 2023 blijft het certificaat van EG-typeonderzoek of -ontwerponderzoek dat voor het subsysteem afgegeven is overeenkomstig Verordening (EU) 2016/919, Verordening (EU) 2016/919 zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2019/776, Verordening (EU) 2016/919 zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2020/387 of Verordening (EU) 2016/919 zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2020/420 geldig, tenzij het moet worden herzien volgens de specifieke overgangsregeling zoals bepaald in aanhangsel B van deze bijlage.

7.2.4.2.   Baansubsystemen CCS

Volgens artikel 4, lid 2, van Richtlijn (EU) 2016/797 moet het baansubsysteem CCS voldoen aan de TSI die op het moment van de vergunningsaanvraag voor de indienststelling van kracht is.

Vanaf 28 september 2023 blijft het certificaat van EG-typeonderzoek of -ontwerponderzoek dat voor het subsysteem afgegeven is overeenkomstig Verordening (EU) 2016/919, Verordening (EU) 2016/919 zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2019/776, Verordening (EU) 2016/919 zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2020/387 of Verordening (EU) 2016/919 zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2020/420 geldig, tenzij het moet worden herzien volgens de overgangsregeling zoals bepaald in aanhangsel B, tabel B2, van deze bijlage.

Voor certificaten van EG-typeonderzoek of -ontwerponderzoek die voor TSI CCS-versies zijn afgegeven vóór Verordening (EU) 2016/919 wordt een specifieke kloofanalyse uitgevoerd om eventuele verschillen binnen het toepassingsgebied van de voor het subsysteem voorgestelde wijzigingen te bepalen tussen de andere versie van de TSI CCS en de TSI CCS die is vastgelegd bij Verordening (EU) 2016/919, Verordening (EU) 2016/919 zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2019/776, Verordening (EU) 2016/919 zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2020/387 of Verordening (EU) 2016/919 zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2020/420. De verschillen tussen de TSI CCS die zijn vastgelegd bij Verordening (EU) 2016/919, Verordening (EU) 2016/919 zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2019/776, Verordening (EU) 2016/919 zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2020/387 of Verordening (EU) 2016/919 zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2020/420 en de TSI CCS die is vastgelegd bij deze verordening worden beheerd volgens de overgangsregeling voor deze TSI CCS zoals bepaald in aanhangsel B, tabel B2, van deze bijlage.

7.2.4.3.   Interoperabiliteitsonderdelen

EG-typecertificaten of -ontwerpcertificaten van interoperabiliteitsonderdelen die al op de markt gebracht zijn en gebaseerd zijn op een TSI CCS die is vastgelegd bij Verordening (EU) 2016/919, Verordening (EU) 2016/919 zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2019/776, Verordening (EU) 2016/919 zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2020/387 of Verordening (EU) 2016/919 zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2020/420 blijven geldig na 28 september 2023, zelfs als na die datum een herziening van de TSI in werking treedt, tenzij er een eis van toepassing is op het subsysteem CCS dat het interoperabiliteitsonderdeel beïnvloedt (zoals bepaald in de tabellen B1.1 en B1.1b of B2 en B2b van aanhangsel B van deze bijlage) of tenzij anderzijds expliciet vermeld in de tabellen B3 en B3b van aanhangsel B van deze bijlage.

Gedurende deze overgangsperiode mogen deze interoperabiliteitsonderdelen op de markt worden gebracht zonder een nieuwe keuring van het ontwerp of type.

7.2.5.   Oudere systemen

Lidstaten waarborgen dat de functionaliteit van oudere systemen en hun interfaces ongewijzigd blijven, tenzij er aanpassingen nodig zijn om veiligheidsgebreken in die systemen weg te werken (35).

7.2.6.   Beschikbaarheid van specifieke transmissiemodules en interfaces voor boordsystemen van klasse B

Indien baansystemen die onder het toepassingsgebied van deze TSI vallen niet zijn uitgerust met het treinbeveiligingssysteem van klasse A, dient de lidstaat te zorgen voor de beschikbaarheid van een specifieke transmissiemodule (STM) of voor producten en/of specificaties die de integratie van het oudere treinbeveiligingssysteem van klasse B met het treinbeveiligingssysteem van klasse A mogelijk maken. Voor lijnen met meer dan één systeem van klasse B is deze eis van toepassing op ten minste één van deze systemen van klasse B.

De lidstaat deelt binnen een jaar na de inwerkingtreding van de TSI mee voor welke systemen van klasse B aan deze eis is voldaan.

De boordapparatuur van klasse B en de interface daarvan, voor bestaande producten waarvan de integratie met TSI-conforme producten van klasse A reeds is aangetoond, dienen te voldoen aan een van de technische mogelijkheden die zijn omschreven in punt 4.2.6.1. Indien er geen systeem beschikbaar is waarvan de integratie met een TSI-conform boordsysteem van klasse A reeds is aangetoond, dient de ter beschikking gestelde oplossing te bestaan uit een gestandaardiseerde interface (STM).

De lidstaat deelt binnen een jaar na de inwerkingtreding van de TSI de specificaties mee van de interfaces tussen treinbeveiligingssystemen van klasse A en klasse B.

Als de enige op de markt beschikbare oplossing voor een bepaald systeem van klasse B bestaat uit klasse B en klasse A geïntegreerd in dezelfde apparatuur, moeten de houder(s) van de specificaties van klasse B (bv. de leverancier, spoorwegonderneming, infrastructuurbeheerder), voor de onderdelen waarover zij beschikken, de specificaties verstrekken die nodig zijn voor de integratie van dit klasse B-systeem met conforme ETCS-boordapparatuur. Alle relevante intellectuele eigendom die zij bezitten, wordt beschikbaar gesteld op basis van frand-voorwaarden (billijk, redelijk en niet-discriminerend). De houder(s) van de specificaties moeten ervoor zorgen dat de verstrekte informatie volstaat om andere fabrikanten in staat te stellen klasse B te integreren in om het even welk ETCS aan boord van bestaand rollend materieel.

In dit verband moet de nodige aandacht worden geschonken aan het waarborgen van een open markt voor klasse B en STM’s onder billijke handelsvoorwaarden. Indien de beschikbaarheid van een STM of klasse B met de complete interfacespecificaties voor een systeem van klasse A om technische of economisch redenen niet kan worden gewaarborgd – waaronder de toepasselijke intellectuele-eigendomsrechten – stelt de betrokken lidstaat het comité als bedoeld in artikel 51, lid 1, van Richtlijn (EU) 2016/797 in kennis van de onderliggende oorzaken van het probleem en van de maatregelen die hij voornemens is te treffen om de toegang tot zijn infrastructuur voor exploitanten – en in het bijzonder buitenlandse exploitanten – te waarborgen. De betrokken lidstaten stellen het comité daarvan uiterlijk 1 oktober 2026 in kennis en werken die informatie jaarlijks bij.

7.2.7.   Aanvullende klasse B-apparatuur op een lijn met klasse A-uitrusting

Op een met ETCS en/of RMR uitgeruste lijn mag aanvullende baanapparatuur van klasse B worden geplaatst om tijdens de implementatiefase van klasse A-boordapparatuur verkeer mogelijk te maken met rollend materieel dat niet geschikt is voor klasse A.

Elke infrastructuurbeheerder dient na te gaan of het baanontwerp de overgangen tussen klasse A en klasse B ondersteunt en geen extra eisen stelt aan de boordapparatuur van klasse A voor besturing en seingeving; het baansubsysteem CCS dient te worden ontworpen alsof het boordsysteem CCS van klasse A een gestandaardiseerde interface (STM) tussen systemen van klasse A en klasse B gebruikt.

7.2.8.   Voertuigen met apparatuur van klasse A en klasse B

Een voertuig kan zijn uitgerust met systemen van zowel klasse A als klasse B, zodat het op meerdere lijnen kan worden ingezet.

De betrokken lidstaat mag het gebruik van een boordsysteem van klasse B beperken op lijnen waar geen overeenkomstig baansysteem van klasse B is geïnstalleerd.

Voor een voertuig dat is uitgerust met zowel klasse A als klasse B dient te worden aangetoond dat het technisch compatibel is met het baansysteem van klasse A op lijnen die dubbel zijn uitgerust met klasse A naast klasse B. De uitrusting met een klasse B-systeem boven op een systeem van klasse A mag niet als eis worden gesteld voor de compatibiliteit van een voertuig met lijnen die zijn uitgerust met zowel klasse B als klasse A.

Voor voertuigen die zijn uitgerust met treinbeveiligingssystemen van klasse A mogen systemen van klasse B worden toegepast overeenkomstig de voorschriften in punt 4.2.6.1 en volgens de voorschriften in punt 7.2.6.

7.2.9.   Voorwaarden voor verplichte en facultatieve functies

De aanvrager van een EG-keuring van een baansubsysteem CCS gaat na of de baanfuncties besturing en seingeving die in deze TSI als “facultatief” zijn gedefinieerd, vereist zijn op grond van andere TSI’s, nationale voorschriften of de toepassing van de risico-evaluatie en -beoordeling om de veilige integratie van subsystemen te waarborgen.

De uitrusting van de baan met nationale of facultatieve functies moet technisch compatibel zijn en mag geen belemmering vormen voor het gebruik van die infrastructuur door treinen die slechts voldoen aan de bindende eisen voor boordsystemen van klasse A, behalve indien dat is vereist voor de volgende facultatieve boordfuncties in de punten 7.2.9.1 en 7.2.9.3. De uitrusting van de baan met een van deze facultatieve functies die leidt tot een nieuwe verplichte eis voor boordapparatuur op specifieke lijnen, moet ten minste vijf jaar voordat de functie een bindende eis kan worden, worden gemeld. De kennisgeving van een nieuwe bindende eis voor boordapparatuur geschiedt in het RINF en deze wijzigingen in het RINF worden vermeld in de netverklaring overeenkomstig artikel 27 van Richtlijn 2012/34/EU van het Europees Parlement en de Raad (36). Een kennisgevingstermijn korter dan vijf jaar is alleen toegestaan indien dit is overeengekomen tussen de IM en de RU’s die op deze lijnen diensten verlenen of voornemens zijn te verlenen (op het moment dat de overeenkomst wordt gesloten). De Europese Commissie wordt op de hoogte gesteld van deze overeenkomst over een kortere kennisgevingstermijn.

Bij een boordsubsysteem met een KER STM kan de uitvoering van de K-interface vereist zijn.

7.2.9.1.   ETCS

(1)

ETCS-baanapparatuur van toepassingsniveau 2 met geen of beperkte treindetectie (voorheen ETCS-niveau 3) is afhankelijk van treininformatie om de spoorbezetting te bepalen en vereist dat de boordapparatuur kan voldoen aan de eisen inzake de bevestigde lengte van de treinsamenstelling als gespecificeerd in aanhangsel A, tabel A 2, indexnr. 27.

(2)

Voor baanapparatuur van ETCS-niveau 1 met infill moet boordapparatuur uitgerust zijn met overeenkomstige de datatransmissie voor infill (Euroloop of radio) wanneer de release speed om veiligheidsredenen op nul is gezet (bv. bescherming van gevarenzones).

(3)

Wanneer voor ETCS-datatransmissie via radiocommunicatie vereist is, is het in deze TSI gespecificeerde onderdeel radiocommunicatie voor dataverkeer vereist.

(4)

Wanneer ETCS-baanapparatuur een specifieke ETCS-systeemversie nodig heeft, wordt het boordsysteem uitgerust volgens de uitvoeringsvoorschriften van punt 7.4.2.4.2.

7.2.9.2.   ATO

(1)

ATO-baanapparatuur: de uitrusting van de baan met ATO is een facultatieve functie voor interoperabiliteit die het gebruik van die infrastructuur door een trein die niet is uitgerust met ATO-boordapparatuur technisch niet verhindert. Waar ATO GoA1/2-functionaliteit via ETCS-baanapparatuur wordt geïmplementeerd, moeten de specificaties van ATO in aanhangsel A van deze TSI worden toegepast.

Opmerking:

Waar ATO GoA1/2-functionaliteit via klasse B-baanapparatuur wordt geïmplementeerd, moeten de specificaties van ATO-baanapparatuur in aanhangsel A van deze TSI worden toegepast om de toekomstige migratie naar ATO op met ETCS uit te rusten lijnen te vergemakkelijken.

(2)

ATO-boordapparatuur: de plaatsing van ATO in een boordsubsysteem CCS is verplicht (37) wanneer ETCS voor het eerst in het voertuig wordt geïnstalleerd en het voertuig ook bestemd is voor gebruik op een lijn met ten minste één sectie met ATO waar de IM in het RINF de diensten heeft aangemeld waarvoor ATO-boordapparatuur verplicht is.

Opmerking:

Waar ATO GoA1/2-functionaliteit via klasse B-baanapparatuur wordt geïmplementeerd, is de ATO-boordapparatuur gebaseerd op contractuele overeenkomsten tussen de IM en de RU’s, en als zodanig zijn er geen verplichte ATO GoA1/2-implementatievereisten totdat de ATO-baanapparatuur en de lijnen van klasse B-baansystemen zijn gemigreerd naar een volledig conform ETCS-systeem, met toepassing van de ATO-baanspecificaties in aanhangsel A van deze TSI.

7.2.9.3.   RMR

GSM-R en/of FRMCS moeten worden geïmplementeerd overeenkomstig de eisen in punt 7.3.2.

7.2.10.   Onderhoud van de specificaties (foutcorrectie)

7.2.10.1.   Verantwoordelijkheden tijdens het wijzigingsbeheerproces

Tijdens het CCM-proces van de ERTMS-specificaties en vóór de inwerkingtreding van de goedgekeurde release van deze TSI worden fouten geclassificeerd als een belemmering voor de normale werking of als niet-belemmering voor de normale werking.

Voor de fouten die de normale werking in de weg staan, moeten fabrikanten van boordapparatuur (met de steun van exploitanten, bv. door informatie te geven over het optreden van de fout tijdens de normale werking) en infrastructuurbeheerders (met de nodige input van de baanfabrikanten) hun producten en systeemimplementaties beschrijven met betrekking tot de situatie die is vastgesteld, door de vragenlijsten van het Bureau (waarin de oplossingen van de fouten en de risicobeperkende maatregelen zijn opgenomen) in te vullen.

De antwoorden op deze vragenlijsten van het Bureau moeten binnen drie maanden na publicatie van de vragenlijsten worden verstrekt, waarbij met name de infrastructuurbeheerder middels de vragenlijst van het Bureau moet beoordelen of:

(1)

de gevolgen van de fout aanvaardbaar zijn wat betreft de veiligheid en de werking van het netwerk;

(2)

de gevolgen van de fout aanvaardbaar zijn voor de interoperabiliteit, hetgeen betekent dat:

(a)

indien baanfouten niet worden gecorrigeerd, elk ERTMS-voertuig dat aan de laatste TSI-release voldoet, normaal kan werken op het netwerk;

of

(b)

indien boordfouten niet worden gecorrigeerd, dat ERTMS-voertuig normaal kan werken op het netwerk dat aan de TSI voldoet.

Het Bureau maakt de resultaten van de vragenlijsten op transparante wijze bekend.

7.2.10.2.   Verantwoordelijkheden van de fabrikant van boord- en baanapparatuur

Na de publicatie van de foutcorrecties in een goedgekeurde release werken de fabrikanten hun interoperabiliteitsonderdelen dienovereenkomstig bij en zijn ze verantwoordelijk voor het onderhoud van de interoperabiliteitsonderdelen zoals aangegeven in punt 4.2.20.1 (inclusief het onderhoud van de bijbehorende EG-certificaten) en volgens de overgangsbepalingen in aanhangsel B (tabel B3b). Deze bijgewerkte interoperabiliteitsonderdelen (inclusief de bijbehorende EG-certificaten) moeten beschikbaar worden gesteld voor integratie in de betrokken subsystemen overeenkomstig aanhangsel B (tabel B3b).

Opmerking:

Voor interoperabiliteitsonderdelen waarvoor de eerder verstrekte informatie, zoals beschreven in punt 7.2.10.1, aangeeft dat er geen gevolgen zijn voor de veiligheid, bediening en interoperabiliteit; is een update niet vereist.

7.2.10.3.   Verantwoordelijkheden infrastructuurbeheerder en spoorwegonderneming

7.2.10.3.1.   Verantwoordelijkheden van de infrastructuurbeheerder

Indien de gevolgen van een van de fouten, zoals beschreven in punt 7.2.10.1, op het netwerk van de infrastructuurbeheerder onaanvaardbaar worden geacht, moet de infrastructuurbeheerder op basis van de eerder door de fabrikanten van boordapparatuur via de vragenlijsten van het Bureau verstrekte informatie vaststellen voor welke ERTMS-voertuigen die op zijn netwerk mogen rijden of mogen gaan rijden, geen maatregel is toegepast die het door de specificatiefout veroorzaakte interoperabiliteits- of veiligheidsprobleem vermindert. In geval van aanzienlijke gevolgen voor bestaande voertuigen die op zijn netwerk rijden, zoals gemeld door de fabrikanten van boordapparatuur (met de ondersteuning van exploitanten), kan de infrastructuurbeheerder vrijwillig besluiten om de uitvoering van tijdelijke corrigerende maatregelen voor baanapparatuur te evalueren om de verdere exploitatie van bestaande voertuigen mogelijk te maken totdat de foutcorrecties in boordapparatuur zijn uitgevoerd.

De infrastructuurbeheerder moet in de betreffende RINF-parameter (38) registreren welke foutcorrecties van toepassing zijn (d.w.z. de fouten die een normale dienst in het netwerk verhinderen) voor de boordapparatuur. Foutcorrecties worden geregistreerd: de eerste keer niet later dan zes maanden na de publicatie door het Bureau van de analyse van de baselinecompatibiliteit (BCA) inclusief de antwoorden op de vragenlijsten; en telkens als er zich een wijziging voordoet in de toepasselijke foutcorrecties vanwege de nieuwe of aangepaste uitvoering van baanapparatuur in het netwerk van de infrastructuurbeheerder.

Voor de getroffen ERTMS-baansubsystemen voeren de infrastructuurbeheerders de relevante correcties voor baanfouten uit zodat een TSI-conform boordsubsysteem CCS (met inbegrip van de implementatie van correctie van fouten in boordapparatuur) een normale dienst kan verlenen, in overeenstemming met aanhangsel B (tabel B2) van deze TSI CCS.

Deze infrastructuurbeheerder werkt – indien van toepassing – het bestaande type ETCS en controles van de compatibiliteit van het radiosysteem (ESC/RSC) bij (d.w.z. dit mag niet leiden tot het creëren van een nieuw ESC/RSC-type).

Bij een nieuwe of aangepaste uitvoering van baanapparatuur doet de infrastructuurbeheerder al het mogelijke om de toepasselijke foutcorrecties vóór de indienststelling van die uitvoering publiceren, zodat de boordsystemen naar behoren bijgewerkt kunnen worden conform aanhangsel B (tabel B1.1) van deze TSI CCS.

7.2.10.3.2.   Verantwoordelijkheden spoorwegondernemingen

De spoorwegondernemingen vergelijken de in het RINF geregistreerde foutcorrecties voor het exploitatiegebied van het voertuig met de eerder verstrekte informatie, zoals beschreven in punt 7.2.10.1, om vast te stellen welke foutcorrecties in de voertuigen moeten worden doorgevoerd.

Voor de getroffen ERTMS-boordsubsystemen voeren de spoorwegondernemingen met ondersteuning van de fabrikanten van boordapparatuur de benodigde foutcorrecties in de boordsubsystemen CCS uit in overeenstemming met aanhangsel B (tabel B1.1) van deze TSI CCS.

7.3.   Specifieke voorschriften voor de uitvoering van RMR

7.3.1.   Installatie baanapparatuur

7.3.1.1.

De installatie van GSM-R of FRMCS is verplicht wanneer:

(1)

het radiocommunicatiegedeelte van een baansubsysteem CCS voor de eerste keer wordt geïnstalleerd. Wanneer FRMCS het eerste klasse A-radiosysteem op een lijn is, moet worden voldaan aan de eisen in punt 7.3.1.3;

(2)

het reeds in gebruik zijnde radiocommunicatiegedeelte van een baansubsysteem CCS zo wordt verbeterd dat het de functies of prestaties van het subsysteem wijzigt. Het gaat hierbij niet om aanpassingen die noodzakelijk worden geacht om veiligheidsgebreken in de oudere installatie weg te werken;

(3)

voor de uitvoering van ETCS-niveau 2 dataradiocommunicatie nodig is;

(4)

voor de implementatie van ETCS-niveau 1 met radio-infill GSM-R-datacommunicatie nodig is.

7.3.1.2.

GSM-R mag alleen buiten bedrijf worden gesteld wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:

voorwaarde 1: minimale kennisgevingstermijn van vijf jaar waar de GSM-R-diensten worden beëindigd. Deze kennisgeving zal slechts worden gedaan wanneer de specificaties van de interoperabiliteitsonderdelen van het FRMCS-boordsysteem, zoals opgenomen in tabel 5.1 en aanhangsel A, worden aangevuld en gepubliceerd met een wijziging van deze TSI CCS, die de aanbesteding van de volledige FRMCS-boordapparatuur mogelijk maakt. Deze kennisgeving geschiedt in het RINF en deze wijzigingen in het RINF worden vermeld in de netverklaring overeenkomstig artikel 27 van Richtlijn 2012/34/EU;

en

voorwaarde 2: FRMCS is in gebruik.

Een kortere termijn is toegestaan indien dit wordt overeengekomen tussen de IM en de RU’s die diensten verlenen of voornemens zijn te verlenen (op het moment dat de overeenkomst wordt gesloten). De Europese Commissie wordt op de hoogte gesteld van deze overeenkomst over een kortere kennisgevingstermijn.

7.3.1.3.

De uitvoering van alleen FRMCS-baandiensten, zonder reeds bestaande GSM-R, is toegestaan indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

minimale kennisgevingstermijn van vijf jaar waar FRMCS-diensten worden geleverd. Deze kennisgeving kan slechts worden gedaan wanneer de specificaties van de interoperabiliteitsonderdelen van het FRMCS-boordsysteem, zoals opgenomen in tabel 5.1 en aanhangsel A, worden aangevuld en gepubliceerd met een wijziging van deze TSI CCS, die de aanbesteding van de volledige FRMCS-boordapparatuur mogelijk maakt. Deze kennisgeving geschiedt in het RINF en deze wijzigingen in het RINF worden vermeld in de netverklaring overeenkomstig artikel 27 van Richtlijn 2012/34/EU.

Een kortere termijn is toegestaan indien dit wordt overeengekomen tussen de IM en de RU’s die diensten verlenen of voornemens zijn te verlenen (op het moment dat de overeenkomst wordt gesloten). De Commissie wordt op de hoogte gesteld van deze overeenkomst.

7.3.2.   Boordapparatuur

7.3.2.1.

De plaatsing van GSM-R in rollend materieel dat is bestemd om te worden gebruikt op een lijn waarvan minstens één sectie is uitgerust met GSM-R en niet met FRMCS of op een lijn waarvan in elk geval één RBC FRMCS niet ondersteunt (zelfs als uitbreiding op een ouder radiocommunicatiesysteem), is verplicht wanneer:

(1)

het radiocommunicatiegedeelte voor spraak van een boordsubsysteem CCS voor de eerste keer wordt geïnstalleerd;

(2)

het reeds in de handel zijnde radiocommunicatiegedeelte voor spraak van een boordsubsysteem CCS (klasse B) zo wordt verbeterd dat het de functies of prestaties van het subsysteem wijzigt. Dit geldt niet voor aanpassingen die noodzakelijk worden geacht om veiligheidsgebreken in de oudere installatie weg te werken;

(3)

voor de invoering van ETCS-niveau 2 of 1 met radio-infill radiocommunicatie nodig is.

7.3.2.2.   De installatie van FRMCS in rollend materieel is verplicht voor voertuigen die bestemd zijn om te rijden op een lijn waar de IM de implementatie van FRMCS-baanapparatuur heeft aangemeld:

(1)

het radiocommunicatiegedeelte voor spraak van een boordsubsysteem CCS voor de eerste keer wordt geïnstalleerd;

(2)

het reeds in de handel zijnde radiocommunicatiegedeelte voor spraak van een boordsubsysteem CCS (klasse B of GSM-R) zo wordt verbeterd dat het de functies of prestaties van het subsysteem wijzigt. Dit geldt niet voor aanpassingen die noodzakelijk worden geacht om veiligheidsgebreken in de oudere installatie weg te werken;

(3)

voor de uitvoering van ETCS-niveau 2 dataradiocommunicatie nodig is;

7.4.   Specifieke voorschriften voor de uitvoering van ETCS

7.4.1.   Baanapparatuur

De artikelen 1 en 2 van en bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/6 van de Commissie (39) zijn van toepassing als bedoeld in artikel 47 van Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad (40) en elke update van deze verordening.

Euroloop en datatransmissie voor radio-infill worden niet geïnstalleerd en geëxploiteerd in baanapparatuur, behalve bij lijnen/baangebieden die als specifieke gevallen worden aangegeven in punt 7.7.

De baaninstallaties moeten voldoen aan de geharmoniseerde technische voorschriften als bedoeld in deze TSI en moeten worden geëxploiteerd zonder de beperkingen van de exploitatievoorschriften in aanhangsel A van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/773.

De infrastructuurbeheerder deelt via het RINF aan exploitanten het tijdstip en de datum mee waarop goedgekeurde ERTMS-baaninstallaties in gebruik zullen worden genomen.

7.4.1.1.   Hogesnelheidsnetwerk

Het is verplicht om ETCS-baanapparatuur te installeren als:

(1)

het treinbeveiligingsdeel van een baansubsysteem CCS (met of zonder systeem van klasse B) voor de eerste keer wordt geïnstalleerd; of

(2)

het bestaande treinbeveiligingsdeel van een baansubsysteem CCS wordt aangepast, indien dat de functies, prestaties en/of interfaces voor interoperabiliteit (airgaps) van het bestaande oudere systeem verandert. Dit geldt niet voor aanpassingen die noodzakelijk worden geacht om veiligheidsgebreken in de oudere installatie weg te werken.

7.4.1.2.   Reeks specificaties van vorige versies van de TSI CCS.

Netwerken waarop vóór de inwerkingtreding van deze TSI ETCS-lijnen werden ingevoerd en geëxploiteerd overeenkomstig de voormalige specificatiereeks 1 zoals in bijlage A, tabel A 2.1 van eerdere versies van deze TSI, en waarin vóór 31 december 2020 op de kernnetwerkcorridors meer dan 1 000 km of 25 % in gebruik of in aanbouw was, kunnen bij wijze van uitzondering onder de volgende voorwaarden deze ETCS-specificaties tot zeven jaar na 28 september 2023 voor nieuwe projecten en tot tien jaar na 28 september 2023 voor moderniserings- of vernieuwingsprojecten op het netwerk blijven gebruiken:

(1)

De Europese Commissie wordt binnen twee jaar na de publicatiedatum van deze TSI in kennis gesteld van het voornemen om de voormalige specificatiereeks 1 en het voorgenomen toepassingsgebied en plan in te voeren.

(2)

De infrastructuurbeheerder zorgt ervoor dat deze lijnen de implementatie omvatten van alle relevante foutcorrectiemaatregelen waarmee ETCS-boordapparatuur die aan deze TSI voldoet (met inbegrip van de implementatie van foutcorrectie in boordapparatuur) een normale dienst kan verlenen.

(3)

De infrastructuurbeheerder implementeert de relevante foutcorrecties en de geharmoniseerde of gelijkwaardige mitigatiemaatregelen in adviezen van het Bureau of gepubliceerde releases van de specificaties, overeenkomstig punt 7.2.10.

(4)

Bovendien moet elke aanpassing in de infrastructuur die voldoet aan de voormalige specificatiereeks 1 ervoor zorgen dat aan de eerdere voorwaarden 2) en 3) wordt voldaan.

Netwerken die op lijnen ETCS invoeren of exploiteren overeenkomstig de voormalige specificatiereeksen 2 of 3 zoals in bijlage A, tabellen A2.2 en A2.3 van eerdere versies van deze TSI, kunnen bij wijze van uitzondering onder de volgende voorwaarden die specificaties blijven gebruiken tot zeven jaar na 28 september 2023 voor nieuwe projecten en tot tien jaar na 28 september 2023 voor moderniserings- of vernieuwingsprojecten op het netwerk:

(1)

De infrastructuurbeheerder zorgt ervoor dat deze lijnen de implementatie omvatten van alle relevante foutcorrectiemaatregelen waarmee ETCS-boordapparatuur die aan deze TSI voldoet (met inbegrip van de implementatie van foutcorrectie in boordapparatuur) een normale dienst kan verlenen.

(2)

De infrastructuurbeheerder implementeert de relevante foutcorrecties en de geharmoniseerde of gelijkwaardige mitigatiemaatregelen in adviezen van het Bureau of gepubliceerde releases van de specificaties, overeenkomstig punt 7.2.10.

(3)

Bovendien moet elke aanpassing in de infrastructuur die voldoet aan de voormalige specificatiereeksen 2 of 3 ervoor zorgen dat aan de eerdere voorwaarden 1) en 2) wordt voldaan.

7.4.1.3.   Uitvoeringsvoorschriften voor de ETCS-systeemversie

Bij de uitrusting van de baan kan worden gekozen welke ETCS-functies moeten worden uitgevoerd uit de reeks specificaties in aanhangsel A. De specificaties in aanhangsel A bevatten functies uit de volgende systeemversies: 1.0, 1.1, 2.0, 2.1, 2.2, 2.3 en 3.0. In overeenstemming met het proces dat is omschreven in punt 7.4.4, moet de IM meedelen welke systeemversie op welke lijn wordt gebruikt. Deze kennisgeving geschiedt in het RINF en deze wijzigingen in het RINF worden vermeld in de netverklaring overeenkomstig artikel 27 van Richtlijn 2012/34/EU.

De uitrusting van de baan die leidt tot gebruik van versie 3.0 van het ETCS-boordsysteem, is toegestaan indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

Een minimale kennisgevingstermijn van vijf jaar voor de lijnen waar het ETCS-systeem versie 3.0 is verplicht voor boordapparatuur voor de voertuigen die op het netwerk rijden. De kennisgeving voor lijnen waarvoor versie 3.0 van het ETCS-boordsysteem is vereist, zowel voor voertuigen waarvoor een vergunning is verleend als voor voertuigen die op het netwerk actief zijn, kan pas verplicht worden na een relevante wijziging van deze TSI CCS (41) (zie tabel B1.1). Een kortere termijn is toegestaan indien dit wordt overeengekomen tussen de IM en de RU’s die op deze lijnen diensten verlenen of voornemens zijn te verlenen (op het moment dat de overeenkomst wordt gesloten). De Commissie wordt op de hoogte gesteld van deze overeenkomst.

7.4.2.   Boordapparatuur

7.4.2.1.   Nieuwe voertuigen

Om overeenkomstig artikel 21 van Richtlijn (EU) 2016/797 in de handel te worden gebracht, moeten nieuwgebouwde voertuigen overeenkomstig deze TSI met ETCS worden uitgerust en bedrijfsklaar zijn.

7.4.2.2.   Bestaande voertuigen

Bij de toelating van bestaande voertuigen in overeenstemming met artikel 21 van Richtlijn (EU) 2016/797 moeten zij worden uitgerust met ETCS (treinbeveiligingssysteem van klasse A) en bedrijfsklaar gemaakt in overeenstemming met deze TSI wanneer zij een nieuw treinbeveiligingssysteem van klasse B installeren in een boordsubsysteem CCS.

Het is verplicht te voldoen aan de punten 7.4.2.4.1 en 7.4.2.4.2 wanneer het bestaande gedeelte van de ETCS-boordapparatuur in een voertuig wordt verbeterd.

Het is niet verplicht te voldoen aan de punten 7.4.2.4.1 en 7.4.2.4.2 wanneer de functionaliteit van de bestaande ETCS-boordapparatuur in een voertuig wordt gecorrigeerd.

7.4.2.3.   Regels voor de uitbreiding van het exploitatiegebied van bestaande voertuigen

De volgende regels zijn van toepassing op bestaande voertuigen die op het moment waarop de uitbreiding van het exploitatiegebied wordt aangevraagd reeds in gebruik zijn en zijn ingeschreven in het nationaal voertuigregister overeenkomstig Beschikking 2007/756/EG van de Commissie of in het Europees voertuigregister overeenkomstig Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/1614:

(1)

Voertuigen moeten voldoen aan de bijzondere bepalingen die van toepassing zijn in de specifieke gevallen als bedoeld in punt 7.7 van deze bijlage en aan de toepasselijke nationale voorschriften als bedoeld in artikel 13, lid 2, punten a), c) en d), van Richtlijn (EU) 2016/797 die zijn aangemeld overeenkomstig artikel 14 van die richtlijn.

(2)

Voertuigen die reeds met ETCS, GSM-R of FRMCS zijn uitgerust, hoeven niet te worden verbeterd, tenzij dat noodzakelijk is om de technische compatibiliteit met ETCS, GSM-R of FRMCS te waarborgen.

(3)

Voertuigen die niet met ETCS zijn uitgerust, moeten worden uitgerust met ETCS en voldoen aan reeksen specificaties als bedoeld in tabel A 2 van aanhangsel A. Het is verplicht te voldoen aan de punten 7.4.2.4.1 en 7.4.2.4.2.

(4)

Wanneer het voertuig bestemd is voor gebruik op een netwerk waarvan ten minste één sectie is uitgerust met RMR van klasse A, moeten voertuigen die nog niet zijn uitgerust met een RMR-radiosysteem voor spraakcommunicatie van klasse A, worden uitgerust met een RMR-radiosysteem voor spraak in de stuurcabine van klasse A dat technisch compatibel is met het radionetwerk, behalve indien dit netwerk is gekoppeld aan een ouder radiocommunicatiesysteem van klasse B dat compatibel is met het systeem van klasse B dat reeds in het voertuig is geïnstalleerd. In dat geval moet het RMR-radiosysteem voor spraakcommunicatie van klasse A voldoen aan de specificaties waarnaar wordt verwezen in tabel A 2 van aanhangsel A.

(5)

Wanneer het voertuig moet worden uitgerust met ETCS overeenkomstig punt 3) en het bestemd is om in het uitgebreide exploitatiegebied in een netwerk te rijden dat is uitgerust met ETCS van niveau 2, moeten voertuigen die nog niet zijn uitgerust met de RMR-radiosysteem voor datacommunicatie van klasse A, ten minste worden uitgerust met één RMR-radiosysteem voor datacommunicatie van klasse A dat technisch compatibel is met het radionetwerk. In dat geval moet het RMR-radiosysteem voor datacommunicatie van klasse A voldoen aan de specificaties waarnaar wordt verwezen in tabel A 2 van aanhangsel A.

(6)

Wanneer voor vergunde voertuigen overeenkomstig artikel 9 van Richtlijn 2008/57/EG ontheffing wordt verleend van de TSI’s of delen daarvan, dient de aanvrager overeenkomstig artikel 7 van Richtlijn (EU) 2016/797 om ontheffing(en) te verzoeken in de lidstaten van het uitgebreide exploitatiegebied.

(7)

Wanneer het verzoek om uitbreiding van het exploitatiegebied wordt gecombineerd met een verzoek om een nieuwe vergunning, waarbij het beveiligingsgedeelte van het bestaande boordsysteem CCS wordt bijgewerkt, moet worden voldaan aan de punten 7.4.2.4.1 en 7.4.2.4.2.

7.4.2.4.   Uitvoeringsvoorschriften voor de ETCS-systeemversie

7.4.2.4.1.

Het op de markt gebrachte interoperabiliteitsonderdeel van de ETCS-boordapparatuur moet een van de volgende enveloppen implementeren:

(1)

enveloppe van legale ETCS-systeemversies 1.0 tot en met 2.1;

(2)

enveloppe van legale ETCS-systeemversies 1.0 tot en met 2.2;

(3)

enveloppe van legale ETCS-systeemversies 1.0 tot en met 3.0.

7.4.2.4.2.

Een voertuigtype moet het passende interoperabiliteitsonderdeel van de ETCS-treinapparatuur integreren met de vereiste enveloppe van legale ETCS-systeemversies als omschreven in 7.4.2.4.1 (42). De vereiste enveloppe van legale ETCS-systeemversies wordt bepaald op basis van de aangemelde systeemversies in het RINF (43) voor het beoogde exploitatiegebied van het voertuigtype dat in de vergunning is gespecificeerd. Het voertuigtype moet worden uitgerust met de ETCS-systeemversie die minimaal voldoet aan de aangemelde ETCS-systeemversie die volgens het tijdschema in aanhangsel B in de komende vijf jaar van toepassing wordt, wanneer:

(1)

het ETCS-gedeelte van een boordsubsysteem CCS voor de eerste keer wordt geïnstalleerd;

of

(2)

het reeds in de handel zijnde gedeelte ETCS-gedeelte van een boordsubsysteem CCS zo wordt verbeterd dat het de functies of subsysteem wijzigt. Dit geldt niet voor wijzigingen die noodzakelijk worden geacht voor het uitvoeren van foutcorrecties zoals vermeld in 7.2.10.

7.4.3.   Nationale eisen

7.4.3.1.

De lidstaten kunnen aanvullende eisen op nationaal niveau invoeren, met name om alleen met ETCS uitgeruste voertuigen toegang te geven tot met ETCS uitgeruste lijnen, zodat de bestaande nationale systemen buiten dienst kunnen worden gesteld. Dit moet ten minste vijf jaar voor de buitendienststelling worden gemeld. Een kortere termijn is toegestaan indien dit wordt overeengekomen tussen de IM en de RU’s die op deze lijnen diensten verlenen of voornemens zijn te verlenen (op het moment dat de overeenkomst wordt gesloten). Deze kennisgeving geschiedt in het RINF en deze wijzigingen in het RINF worden vermeld in de netverklaring overeenkomstig artikel 27 van Richtlijn 2012/34/EU (44). De kennisgevingstermijn van 5 jaar geldt niet voor eisen waarbij uitsluitend met ETCS uitgeruste voertuigen toegang krijgen tot met ETCS uitgeruste lijnen, die in de netverklaring zijn aangekondigd, vóór de inwerkingtreding van deze verordening.

7.4.3.2.

De lidstaten kunnen besluiten speciale voertuigen zoals gedefinieerd in punt 2.2.2.C van de TSI LOC&PAS, met inbegrip van spoorwegvoertuigen, uit te sluiten van de verplichting om deze voertuigen uit te rusten met ETCS, RMR of ATO voor een specifiek exploitatiegebied, indien de exploitatie van deze voertuigen dit de buitengebruikstelling van klasse B niet in de weg staat. Dat wordt in het RINF geregistreerd (45).

7.4.3.3.

De lidstaten kunnen besluiten om reizigerstreinen die uitsluitend voor lokaal gebruik zijn bestemd, overeenkomstig artikel 1, lid 4, punt b), van Richtlijn (EU) 2016/797, en rangeervoortuigen in de zin van Verordening (EU) nr. 1302/2014 van de Commissie die uitsluitend worden ingezet op een deel van het nationale netwerk dat niet met ETCS is uitgerust en totdat het daarmee is uitgerust.

7.4.4.   Nationale uitvoeringsplannen

De lidstaten stellen een nationaal plan op voor de uitvoering van deze TSI, in overleg met de betrokken infrastructuurbeheerders en spoorwegondernemingen, rekening houdend met de coherentie van het hele spoorsysteem in de Europese Unie en met de financiële levensvatbaarheid, interoperabiliteit en veiligheid van het spoorwegsysteem. De lidstaten raadplegen de buurlanden met het oog op een coherente planning van de landsgrensoverschrijdende spoorwegtrajecten. Dit plan omvat alle lijnen die onder het toepassingsgebied van de TSI vallen, met inbegrip van TEN-T-lijnen en de knooppunten en “last mile”-verbindingen.

De lidstaten coördineren het proces tussen alle belanghebbenden om de technische en indicatieve financiële migratiestrategie op te stellen die nodig is voor de totale ERTMS-ontwikkeling van dit nationale uitvoeringsplan.

De lidstaten beoordelen nemen in hun Nationaal uitvoeringsplan ook de beoordeling op van de door de spoorwegondernemingen en infrastructuurbeheerders geuite behoeften ten aanzien van het subsysteem CCS wat betreft de voorwaarden voor verplichte en facultatieve functies als vermeld in punt 7.2.9.

Op basis van deze beoordeling nemen de lidstaten een beslissing over een migratiestrategie waarin de verwachte totale gevolgen voor het spoorwegsysteem worden beschreven (vanuit het perspectief van de Unie) en wordt aangegeven hoe de gevolgen op niet-discriminerende wijze tussen de betrokken belanghebbenden worden verdeeld. Het resultaat van dit coördinatieproces is de vaststelling van de technische en financiële migratiestrategie die wordt uitgevoerd.

Het nationale uitvoeringsplan moet informatie bevatten over alle nieuwe, vernieuwde en verbeterde lijnen met betrekking tot de in punt 7.2.9 vermelde verplichte en facultatieve functies en ervoor zorgen dat de RU’s ten minste vijf jaar van tevoren in kennis worden gesteld in geval van nieuwe bindende eisen voor boordapparatuur voor exploitatie op het netwerk. Dit wordt gemeld in het RINF (46) en deze wijzigingen in het RINF worden vermeld in de netverklaring overeenkomstig artikel 27 van Richtlijn 2012/34/EU. De kennisgevingstermijn van 5 jaar geldt niet voor eisen die in de netverklaring zijn aangekondigd, vóór de inwerkingtreding van deze CCS TSI.

De nationale uitvoeringsplannen bestrijken een periode van minstens 20 jaar en worden regelmatig bijgewerkt, d.w.z. minstens om de vijf jaar. De plannen volgen het model in aanhangsel H voor de eerste vijf jaren van de desbetreffende periode. Voor de volgende vijftien jaren volgt het plan dit model in de mate van het mogelijke, zij het minder gedetailleerd.

De Commissie publiceert de nationale uitvoeringsplannen op haar website en informeert de lidstaten daarover via het comité als bedoeld in artikel 51, lid 1, van Richtlijn (EU) 2016/797.

De Commissie stelt een analyse van de nationale uitvoeringsplannen op die onder meer een vergelijking van de plannen en de vaststelling van de behoeften aan aanvullende coördinatiemaatregelen omvat.

Het nationale uitvoeringsplan moet de volgende informatie bevatten (47):

(1)

Algemene migratiestrategie, zoals hierboven beschreven, met inbegrip van een beoordeling van de door de spoorwegondernemingen en infrastructuurbeheerders gemelde behoeften

(2)

Contextbeschrijving van de huidige status, met inbegrip van:

(a)

feiten en cijfers over geïnstalleerde treinbeveiligings-, ATO-, radio- en treindetectiesystemen, met details over de voordelen die zij bieden op het gebied van capaciteit, veiligheid, betrouwbaarheid en prestaties en met de wettelijke verwijzingen naar de CCS-eisen voor boordapparatuur;

(b)

klasse B-systemen en hun resterende economische levensduur, waaronder een beschrijving van de maatregelen die zijn genomen om open marktvoorwaarden te waarborgen voor oudere treinbeveiligings- en radiosystemen van klasse B, zoals uiteengezet in punt 7.2.6;

(c)

boordsubsysteem CCS, op basis van de beschikbare informatie.

(3)

Definitie van de migratiestrategie (toekomstige status).

De technische migratiestrategie omvat informatie over en planning van:

(1)

ETCS-gedeelte: ETCS-niveau en de vereiste systeemversie per lijn en per netwerk, met gedetailleerde informatie over landsgrensoverschrijdende delen en knooppunten. Indien van toepassing, informatie over de baseline en de strategie voor het updaten van de niveaus;

(2)

radiogedeelte: informatie over radiosystemen (bv. radiocircuitschakeling, pakketschakeling, radio-infillopties voor ETCS);

(3)

ATO-gedeelte: informatie over de noodzaak van het inzetten van ATO;

(4)

treindetectiegedeelte: informatie over de migratie naar het TSI-conforme treindetectiesysteem;

(5)

specifieke gevallen: informatie over de geleidelijke afschaffing van specifieke gevallen;

(6)

boordsubsystemen CCS;

(7)

financiële trein- en spoorinformatie.

Planning (netwerkkaarten) die een overzicht geven van de veranderingen in de komende 20 jaar met betrekking tot:

(1)

Treinbeveiligingsgedeelte:

(a)

een netwerkkaart met datums waarop ETCS in gebruik wordt genomen; gedetailleerde informatie over landsgrensoverschrijdende lijnen en knooppunten;

(b)

indien van toepassing, een netwerkkaart waarop is aangegeven vanaf welke datum het gebruik van klasse B niet meer is toegestaan of alleen nog met ETCS mag worden gewerkt; en indien niet vergelijkbaar, een netwerkkaart met datums waarop het systeem van klasse B buiten dienst wordt gesteld;

(2)

Radiogedeelte:

(a)

netwerkkaart met datums waarop GSM-R in gebruik wordt genomen; gedetailleerde informatie over landsgrensoverschrijdende lijnen en knooppunten;

(b)

indien van toepassing, netwerkkaart met datums waarop het gebruik van een radiosysteem van klasse B niet meer is toegestaan; en indien niet vergelijkbaar, een netwerkkaart met datums waarop het radiosysteem van klasse B buiten dienst wordt gesteld;

(c)

netwerkkaart met datums waarop FRMCS in gebruik wordt genomen;

(d)

indien van toepassing, netwerkkaart met datums waarop het gebruik van GSM-R niet meer is toegestaan; en indien niet vergelijkbaar, een netwerkkaart met datums waarop GSM-R buiten dienst wordt gesteld;

(3)

ATO-gedeelte:

(a)

indien van toepassing, netwerkkaart met datums waarop ATO in gebruik wordt genomen; gedetailleerde informatie over landsgrensoverschrijdende lijnen en knooppunten.

(4)

Treindetectiegedeelte:

(a)

netwerkkaart met datums waarop het TSI-conforme treindetectiesysteem in gebruik wordt genomen; gedetailleerde informatie over landsgrensoverschrijdende lijnen en knooppunten;

(5)

Boordsubsystemen CCS, met operationele informatie over landsgrensoverschrijdende voertuigen.

7.5.   Uitvoeringsvoorschriften voor controles van de compatibiliteit van het ETCS-systeem en het radiosysteem

Bestaande voertuigen, en hun overeenkomstige voertuigtype, uitgerust met ETCS en RMR, worden geacht compatibel te zijn met de compatibiliteitstypen voor ETCS-systemen en radiosystemen van de netwerken waarop zij op 16 januari 2020 worden ingezet. Hierbij worden geen verdere controles verricht en worden de bestaande beperkingen of voorwaarden voor gebruik gehandhaafd.

Elke latere wijziging van het voertuig, het overeenkomstige voertuigtype of de infrastructuur met betrekking tot de technische of trajectcompatibiliteit wordt beheerd overeenkomstig de eisen voor de compatibiliteit van het ETCS-systeem en het radiosysteem zoals gespecificeerd in deze TSI.

7.6.   Specifieke voorschriften voor de uitvoering van treindetectiesystemen

In het kader van deze TSI is een treindetectiesysteem de baanapparatuur die de aan- of afwezigheid van voertuigen op een volledige lijn of traject of op een lokale sectie detecteert.

Baansystemen die informatie van detectieapparatuur gebruiken (bv. spoorbeveiligings- of overwegcontrolesystemen), worden niet beschouwd als een onderdeel van het treindetectiesysteem.

Deze TSI omschrijft de eisen voor de interface met het rollend materieel slechts voor zover nodig om de compatibiliteit tussen TSI-conform rollend materieel en baansystemen CCS te waarborgen.

De invoering van een treindetectiesysteem dat voldoet aan de eisen van deze TSI, kan onafhankelijk plaatsvinden van de installatie van ETCS of GSM-R.

De eisen van deze TSI met betrekking tot treindetectiesystemen moeten worden nageleefd wanneer:

(1)

het treindetectiesysteem wordt verbeterd;

(2)

het treindetectiesysteem wordt vernieuwd, op voorwaarde dat de naleving van de eisen van deze TSI geen ongewenste aanpassingen of verbeteringen van andere baan- of boordsystemen impliceert;

(3)

het treindetectiesysteem wordt vernieuwd omdat baansystemen die informatie van het treindetectiesysteem gebruiken ook worden gemoderniseerd of vernieuwd;

(4)

treinbeveiligingssystemen van klasse B worden verwijderd, ingeval de treindetectie- en treinbeveiligingssystemen zijn geïntegreerd.

Tijdens de migratiefase moet worden gewaarborgd dat de installatie van een TSI-conform treindetectiesysteem een minimale negatieve impact heeft op bestaand niet-TSI-conform rollend materieel.

Daarom wordt aangeraden dat de infrastructuurbeheerder een TSI-conform treindetectiesysteem kiest dat tegelijkertijd compatibel is met het niet-TSI-conform rollend materieel dat al op de betrokken infrastructuur wordt ingezet.

7.7.   Specifieke gevallen

7.7.1.   Inleiding

Onderstaande bijzondere bepalingen zijn toegestaan in de hieronder genoemde specifieke gevallen.

Voor deze specifieke gevallen kunnen twee categorieën worden onderscheiden: de bepalingen zijn van permanente (“P”) of tijdelijke aard, te verwijderen vóór 2040 (“T”) of vóór een nader te specificeren datum (“T2”).

De hieronder vermelde specifieke gevallen moeten worden gelezen in samenhang met de relevante punten van hoofdstuk 4 en/of met de specificaties waarnaar in dat hoofdstuk wordt verwezen.

De specifieke gevallen vervangen de overeenkomstige eisen uit hoofdstuk 4.

Indien voor de eisen uit het desbetreffende punt in hoofdstuk 4 geen specifiek geval geldt, worden ze hieronder niet overgenomen en blijven ze onveranderd gelden.

De beoordeling van de specifieke gevallen met betrekking tot de basisparameters 4.2.10 en 4.2.11, waar in de kolom “Opmerkingen” “van toepassing op voertuigen” is aangegeven, moet worden beoordeeld door de aangemelde instantie van het subsysteem rollend materieel.

Alle specifieke gevallen en de relevante datums worden bij toekomstige herzieningen van de TSI opnieuw bekeken met het oog op de beperking van hun technisch en geografisch toepassingsgebied op basis van een beoordeling van hun gevolgen voor de veiligheid, interoperabiliteit, landsgrensoverschrijdende diensten, TEN-T-corridors en de praktische en economische gevolgen van de handhaving of afschaffing ervan. Daarbij zal in het bijzonder rekening worden gehouden met de beschikbaarheid van EU-financiering. De treindetectiesystemen en de overeenkomstige einddata worden opnieuw onderzocht overeenkomstig artikel 13, lid 5, van deze verordening.

Specifieke gevallen worden beperkt tot het traject of het netwerk waar zij strikt noodzakelijk zijn en rekening houdend met procedures voor de compatibiliteit van doorgaande routes.

7.7.2.   Lijst van specifieke gevallen

7.7.2.1.   België

Specifiek geval

Categorie

Opmerkingen

4.2.10

Baansystemen voor treindetectie

Indexnr. 77, punt 3.1.2.3:

De afstand tussen de eerste en laatste as L - (b1 + b2) (fig. 1) bedraagt minstens 16 000  mm.

T

Van toepassing op HSL 1

Van toepassing op voertuigen

Dit specifieke geval houdt verband met het gebruik van TVM.

4.2.10

Baansystemen voor treindetectie

Indexnr. 77, punt 3.1.7:

Het gewicht van een afzonderlijk voertuig of treinstel bedraagt minstens 40 t.

Indien het gewicht van een afzonderlijk voertuig of treinstel minder dan 90 t bedraagt, moet dat voertuig uitgerust zijn met een systeem ter beveiliging van rangeerbewegingen, met een elektrische basis van 16 000  mm of meer.

T

Van toepassing op HSL 1, 2, 3 en 4

Van toepassing op voertuigen

Dit specifieke geval houdt verband met het gebruik van TVM.

7.7.2.2.   VK voor Noord-Ierland

Specifiek geval

Categorie

Opmerkingen

4.2.10

Baansystemen voor treindetectie

Indexnr. 77, punt 3.1.3.1:

De dikte van de velg (BR) voor een spoorwijdte van 1 600  mm bedraagt minstens 127 mm.

T

Van toepassing in Noord-Ierland

4.2.10

Baansystemen voor treindetectie

Indexnr. 77, punt 3.1.3.3:

De dikte van de wielflens (Sd) voor een spoorwijdte van 1 600  mm bedraagt minstens 24 mm.

T

Van toepassing in Noord-Ierland

4.2.10

Baansystemen voor treindetectie

Indexnr. 77, punt 3.1.4.1:

In aanvulling op de eisen in punt 3.1.4.1, is zandstrooien ten behoeve van de tractie van samengestelde eenheden:

a)

niet toegestaan voor de voorste as bij snelheden van minder dan 40 km/u; en

b)

enkel toegestaan wanneer kan worden aangetoond dat minstens zes andere assen van de samengestelde eenheid zich voorbij de ligpositie bevinden.

T

 

4.2.12

ETCS DMI (machinisteninterface)

Indexnr. 6:

Er mag een alfanumeriek toetsenbord worden gebruikt om het treinnummer in te voeren indien het daartoe bestemde technische voorschrift ondersteuning voor alfanumerieke treinnummers vereist.

T

Dit heeft geen gevolgen voor de interoperabiliteit.

4.2.12

ETCS DMI (machinisteninterface)

Indexnr. 6:

De ETCS DMI mag de dynamische informatie i.v.m. de treinsnelheid in mijl per uur (“mph”) weergeven wanneer op delen van het hoofdnetwerk van Groot-Brittannië wordt gereden.

T

Dit heeft geen gevolgen voor de interoperabiliteit.

7.7.2.3.   Frankrijk

Specifiek geval

Categorie

Opmerkingen

4.2.10

Baansystemen voor treindetectie

Indexnr. 77, punt 3.1.2.3:

De afstand tussen de eerste en laatste as L - (b1 + b2) (fig. 1) bedraagt minstens 16 000  mm.

T2

Van toepassing op de infrastructuur

Van toepassing op voertuigen

Dit specifieke geval is gekoppeld aan het gebruik van spoorstroomkringen met elektrische verbindingen.

4.2.10

Baansystemen voor treindetectie

Indexnr. 77, punt 3.1.9:

De elektrische weerstand tussen de loopvlakken van de tegenoverliggende wielen van een wielstel bedraagt niet meer dan 0,05 Ohm, gemeten bij een spanning tussen 1,8 VDC en 2,0 VDC (open stroomkring).

Daarenboven bedraagt, voor een niet-conventioneel wielstel (“conventioneel wielstel” moet worden opgevat als twee monoblokwielen op een metalen as), de elektrische reactantie tussen de loopvlakken van de tegenoverliggende wielen van een wielstel niet meer dan f/100 mOhm wanneer f tussen 500 Hz en 40 kHz ligt, bij een meetstroom van ten minste 10 ARMS en een open spanning van 2 VRMS.

T2

Van toepassing op de infrastructuur

Van toepassing op voertuigen

Dit specifieke geval kan worden herzien wanneer het open punt met betrekking tot het frequentiebeheer voor spoorstroomkringen is afgesloten.

4.2.10

Baansystemen voor treindetectie

Indexnr. 77, punt 3.1.7:

Het gewicht van een afzonderlijk voertuig of treinstel bedraagt minstens 40 t.

Indien het gewicht van een afzonderlijk voertuig of treinstel minder dan 90 t bedraagt, moet dat voertuig uitgerust zijn met een systeem ter beveiliging van rangeerbewegingen, met een elektrische basis van 16 000  mm of meer.

T

Van toepassing op de infrastructuur

Van toepassing op voertuigen

Dit specifieke geval houdt verband met het gebruik van TVM.

4.2.10

Baansystemen voor treindetectie

Indexnr. 77, punt 3.1.3.2:

Afmeting D (figuur 2) bedraagt niet minder dan:

450 mm ongeacht de snelheid.

T

Van toepassing op de infrastructuur

Van toepassing op voertuigen

4.2.10

Baansystemen voor treindetectie

Indexnr. 77, punt 3.1.4.1.

In aanvulling op de TSI-eisen bedraagt de toegestane maximale hoeveelheid zand per eenheid en per spoor binnen 30 seconden: 750 g.

T2

Dit specifieke geval houdt verband met het gebruik van spoorstroomkringen met een hogere gevoeligheid voor de isolatielaag tussen wielen en sporen als gevolg van zandstrooien op het Franse netwerk.

7.7.2.4.   Polen

Specifiek geval

Categorie

Opmerkingen

4.2.10

Baansystemen voor treindetectie

Indexnr. 77, punt 3.1.9:

De elektrische weerstand tussen de loopvlakken van de tegenoverliggende wielen van een wielstel bedraagt niet meer dan 0,05 Ohm, gemeten bij een spanning tussen 1,8 VDC en 2,0 VDC (open stroomkring).

Daarnaast bedraagt de elektrische reactantie tussen de loopvlakken van de tegenoverliggende wielen van een wielstel niet meer dan f/100 mOhm wanneer f tussen 500 Hz en 40 kHz ligt, bij een meetstroom van ten minste 10 ARMS en een open spanning van 2 VRMS.

T

Van toepassing op de infrastructuur

Van toepassing op voertuigen

Dit specifieke geval kan worden herzien wanneer het open punt met betrekking tot het frequentiebeheer voor spoorstroomkringen is afgesloten.

7.7.2.5.   Litouwen, Letland en Estland

Specifiek geval

Categorie

Opmerkingen

4.2.10

Baansystemen voor treindetectie

Indexnr. 77, punt 3.1.3.3:

De dikte van de wielflens (Sd) voor een spoorwijdte van 1 520  mm bedraagt minstens 20 mm.

T

Van toepassing op de infrastructuur

Van toepassing op voertuigen

Dit specifieke geval is vereist zolang ČME-locomotieven op een netwerk met een spoorwijdte van 1 520  mm blijven rijden.

4.2.10

Baansystemen voor treindetectie

Indexnr. 77, punt 3.1.3.4:

De flenshoogte (Sh) voor een netwerk met een spoorwijdte van 1 520  mm bedraagt minstens 26,25 mm.

T

Van toepassing op de infrastructuur

Van toepassing op voertuigen

Dit specifieke geval is vereist zolang ČME-locomotieven op een netwerk met een spoorwijdte van 1 520  mm blijven rijden.

4.2.11

Elektromagnetische compatibiliteit tussen rollend materieel en baanapparatuur voor besturing en seingeving

Indexnr. 77, punt 3.2.2.4:

De grenswaarden en bijbehorende parameters voor de evaluatie van de emissies van het rollend materieel staan in de onderstaande tabel:

T

Van toepassing op voertuigen

Dit specifieke geval houdt verband met het gebruik van ALSN op het netwerk met een spoorwijdte van 1 520  mm.

Frequentiebereik

Interferentiestroomlimiet [RMS-waarde]

15-21 Hz

21-29 Hz

29-35 Hz

65-85 Hz

167-184 Hz

408-432 Hz

468-492 Hz

568-592 Hz

708-732 Hz

768-792 Hz

4 462,5 -4 537,5  Hz

4 507,5 -4 582,5  Hz

4 962,5 -5 037,5  Hz

5 462,5 -5 537,5  Hz

5 517,5 -5 592,5  Hz

4,1 A

1,0 A

4,1 A

4,1 A

0,4 A

0,35 A

0,35 A

0,35 A

0,35 A

0,35 A

0,2 A

0,2 A

0,2 A

0,2 A

0,2 A

4.2.11

Elektromagnetische compatibiliteit tussen rollend materieel en baanapparatuur voor besturing en seingeving

Indexnr. 77, punt 3.2.2.6:

De grenswaarden en bijbehorende parameters voor de evaluatie van de emissies van het rollend materieel staan in de onderstaande tabel:

T

Van toepassing op voertuigen

Dit specifieke geval houdt verband met het gebruik van ALSN op het netwerk met een spoorwijdte van 1 520  mm.

Frequentiebereik

Interferentiestroomlimiet [RMS-waarde]

19-21 Hz

21-29 Hz

29-31 Hz

40-46 Hz

46-54 Hz

54-60 Hz

167-184 Hz

408-432 Hz

468-492 Hz

568-592 Hz

708-732 Hz

768-792 Hz

4 507,5 -4 582,5  Hz

4 962,5 -5 037,5  Hz

5 517,5 -5 592,5  Hz

11,6 A

1,0 A

11,6 A

5,0 A

1,3 A

5,0 A

0,4 A

0,35 A

0,35 A

0,35 A

0,35 A

0,35 A

0,2 A

0,2 A

0,2 A

7.7.2.6.   Zweden

Specifiek geval

Categorie

Opmerkingen

4.2.4

Functies van mobiele communicatie voor spoorwegen RMR

Indexnr. 33, punt 4.2.3:

Het is toegestaan om spoorsubsystemen CCS in de handel te brengen, met inbegrip van GSM-R-cabineradio’s van 2 watt. De subsystemen dienen in netwerken met -82 dBm te kunnen werken.

P

Dit heeft geen gevolgen voor de interoperabiliteit

4.2.10

Baansystemen voor treindetectie

Indexnr. 77, punt 3.1.2.1:

Maximale asafstand tussen twee assen ≤ 17,5 m (ai in fig. 1, punt 3.1.2.1).

P

Van toepassing op voertuigen

4.2.10

Baansystemen voor treindetectie

Indexnr. 77, punt 3.1.2.3:

Minimale asafstand tussen de eerste en de laatste as ≥ 4,5 m (L-b1-b2 in fig. 1, punt 3.1.2.3).

P

Van toepassing op voertuigen

4.2.11

Elektromagnetische compatibiliteit tussen rollend materieel en baanapparatuur voor besturing en seingeving

Indexnr. 77, punt 3.2.2.5:

Frequentiebereik: 0,0-2,0 Hz

Interferentiestroomlimiet [RMS-waarde]: 25,0 A Evaluatiemethode: laagdoorlaatfilter

Evaluatieparameters: (Downsampling tot 1 kHz, gevolgd door) 2.0 Hz Butterworth-laagdoorlaatfilters van de 4e orde, gevolgd door een ideale gelijkrichter om de absolute waarde te geven.

De maximale interferentiestroom voor een spoorvoertuig mag niet meer bedragen dan 25,0 A in het frequentiebereik 0,0–2,0 Hz. De inkomende stroom mag 45,0 A gedurende minder dan 1,5 seconden en 25 A gedurende minder dan 2,5 seconden overschrijden.

P

Van toepassing op de infrastructuur

Van toepassing op voertuigen

7.7.2.7.   Luxemburg

Specifiek geval

Categorie

Opmerkingen

4.2.10

Baansystemen voor treindetectie

Indexnr. 77, punt 3.1.4.1:

(1)

De capaciteit van de zandstrooiers op het voertuig dient onder de 0,3 l per minuut per rail te liggen.

(2)

Het is verboden om zand te strooien in de stations die in het infrastructuurregister zijn opgenomen.

(3)

Het is verboden om zand te strooien in de buurt van wissels.

(4)

Er gelden geen beperkingen voor noodremmingen.

T

 

4.2.11

Elektromagnetische compatibiliteit tussen rollend materieel en baanapparatuur voor besturing en seingeving

Indexnr. 77, punt 3.2.2.3:

Het meten en beoordelen van rollend materieel met individuele spoorstroomkringen moet gebeuren overeenkomstig document GI.II.STC-VF (parameters A1, A4, V2 en D1).

T

Van toepassing op voertuigen

Dit specifieke geval is nodig zolang er spoorstroomkringen (bedrijfsfrequentie 83,3 Hz) worden gebruikt.

Document GI.II.STC.VF is beschikbaar op de website van de NSA LU (48).

4.2.11

Elektromagnetische compatibiliteit tussen rollend materieel en baanapparatuur voor besturing en seingeving

Indexnr. 77, punt 3.2.2.3:

Het meten en beoordelen van rollend materieel met individuele spoorstroomkringen moet gebeuren overeenkomstig document GI.II.STC-VF (parameters A5, V2 en D2).

T

Van toepassing op voertuigen

Dit specifieke geval is nodig zolang er spoorstroomkringen (bedrijfsfrequentie 125 Hz) worden gebruikt.

Document GI.II.STC.VF is beschikbaar op de website van de NSA LU.

7.7.2.8.   Duitsland

Specifiek geval

Categorie

Opmerkingen

4.2.10

Baansystemen voor treindetectie

Indexnr. 77, punt 3.1.7.1:

Voor bepaalde in het infrastructuurregister vermelde lijnen bedraagt de minimale aslast van voertuigen 5 t.

Dit specifieke geval geldt alleen voor voertuigen. Het heeft geen gevolgen voor de technische eisen voor treindetectiesystemen als gespecificeerd in indexnr. 77 en punt 7.2.8 betreffende de uitvoering daarvan.

T

Van toepassing op voertuigen

Dit specifieke geval is nodig zolang er spoorstroomkringen van het type WSSB worden gebruikt.

4.2.11

Elektromagnetische compatibiliteit tussen rollend materieel en baanapparatuur voor besturing en seingeving

Indexnr. 77, punt 3.2.2.5:

Frequentiebereik: 93 - 110 Hz

Interferentiestroomlimiet [RMS-waarde]:

 

2,8 A (voor beïnvloedingseenheid)

 

2 A (voor één tractie-eenheid)

Evaluatiemethode: banddoorlaatfilters

Evaluatieparameters:

Eigenschappen banddoorlaatfilter:

Centrale frequenties: 95, 96, 98, 100, 102, 104, 106 en 108 Hz

3 dB-bandbreedte: 4 Hz

Butterworth, 6e orde

RMS-berekening:

Integratietijd: 0,5 s

Tijdsoverlapping: 50 %

T

Van toepassing op de infrastructuur

Van toepassing op voertuigen

Dit specifieke geval is nodig omdat deze spoorstroomkringen kunnen worden gewijzigd door de centrale frequentie te verschuiven van 100 Hz naar 106,7 Hz. Dit zou een nationaal technisch voorschrift inzake voertuigen dat een 100 Hz-bewakingssysteem vereist, overbodig maken.

7.7.2.9.   Italië

Specifiek geval

Categorie

Opmerkingen

4.2.10

Baansystemen voor treindetectie

Indexnr. 77, punt 3.1.4.1

In aanvulling op de TSI-eisen, moeten de volgende specificaties worden nageleefd:

De toegestane maximale hoeveelheid zand per zandapparaat binnen 30 s is:

1)

bij een snelheid v ≤ 140 km/u: 400 g + 100 g;

2)

bij een snelheid v > 140 km/u: 650 g + 150 g.

T

De national values voor het strooien van zand blijven geldig totdat er geharmoniseerde testspecificaties beschikbaar zijn (momenteel bestaan deze niet) om aan te tonen dat verschillende manieren voor het strooien van zand veilig zijn voor treindetectiesystemen die in Italië actief zijn.

4.2.10

Baansystemen voor treindetectie

Indexnr. 77, punt 3.1.4.2

In aanvulling op de TSI-eisen, moeten de volgende specificaties worden nageleefd:

Granulometrie

≥ 85 % van het zandmengsel, met korreldiameters tussen 0,1 mm en 0,6 mm;

en met name:

 

0,07 mm ÷ 0,1 mm ≤ 3 % van het zandmengsel;

 

0,1 mm ÷ 0,15 mm ≤ 5 % van het zandmengsel;

 

0,15 mm ÷ 0,2 mm ≤ 25 % van het zandmengsel;

 

0,2 mm ÷ 0,3 mm tot en met 100 % van het zandmengsel;

 

0,3 mm ÷ 0,4 mm tot en met 100 % van het zandmengsel;

 

0,4 mm ÷ 0,6 mm ≤ 65 % van het zandmengsel;

 

0,6 mm ÷ 1,5 mm ≤ 4 % van het zandmengsel.

Samenstelling:

kiezelhoudend zand;

percentage klei in het mengsel: ≤ 2 %;

percentage vocht in het mengsel: ≤ 0,5 %.

T

De national values voor het zandmengsel blijven geldig totdat er geharmoniseerde testspecificaties beschikbaar zijn (momenteel bestaan deze niet) om aan te tonen dat verschillende soorten zandmengsels veilig zijn voor treindetectiesystemen die in Italië actief zijn.

4.2.11

Elektromagnetische compatibiliteit tussen rollend materieel en baanapparatuur voor besturing en seingeving

Indexnr. 77, punten 3.2.2.4 en 3.2.2.6:

Frequentiebereik: 82 - 86 Hz

Interferentiestroomlimiet [RMS-waarde]: 1 125  mA (per beïnvloedingseenheid)

Evaluatiemethode: FFT (Fast Fourier Transformatie)

Evaluatieparameters: Tijdvenster 1 s, Hanning-venster, 50 % overlapping, gemiddelde op 6 opeenvolgende vensters

T2

Van toepassing op de infrastructuur

Van toepassing op voertuigen

4.2.2

ETCS-boordfunctionaliteit

4.2.3

ETCS-baanfunctionaliteit

Voor baanapparatuur van ETCS-niveau 1 met infill moet boordapparatuur uitgerust zijn met overeenkomstige datatransmissie voor radio-infill wanneer de release speed om veiligheidsredenen op nul is gezet.

T

Dit is van toepassing op deze projecten, waarvan de Europese Commissie uiterlijk 30 juni 2020 in kennis is gesteld:

Vignale – Domodossola

Vignale – Novara

Novara – Novara Boschetto (Torino)

Vicenza – Treviso

7.7.2.10.   Tsjechië

Specifiek geval

Categorie

Opmerkingen

4.2.11

Elektromagnetische compatibiliteit tussen rollend materieel en baanapparatuur voor besturing en seingeving

Indexnr. 77, punten 3.2.2.4 en 3.2.2.6:

Frequentiebereik: 70,5-79,5 Hz

Interferentiestroomlimiet [RMS-waarde]: 1 A

Evaluatiemethode: banddoorlaatfilters

Evaluatieparameters:

Eigenschappen banddoorlaatfilter:

Centrale frequenties: 73, 75, 77 Hz (doorlopende band)

3 dB-bandbreedte: 5 Hz

Butterworth, orde 2*4

RMS-berekening:

Integratietijd: 0,5 s

Tijdsoverlapping: min. 75 %

Frequentiebereik: 271,5 - 278,5 Hz

Interferentiestroomlimiet [RMS-waarde]: 0,5 A

Evaluatiemethode: banddoorlaatfilters

Evaluatieparameters:

Eigenschappen banddoorlaatfilter:

Centrale frequenties: 274, 276 Hz (doorlopende band)

3 dB-bandbreedte: 5 Hz

Butterworth, orde 2*4

RMS-berekening:

Integratietijd: 0,5 s

Tijdsoverlapping: min. 75 %

T

Van toepassing op de infrastructuur

Van toepassing op voertuigen

7.7.2.11.   Nederland

Specifiek geval

Categorie

Opmerkingen

4.2.11

Elektromagnetische compatibiliteit tussen rollend materieel en baanapparatuur voor besturing en seingeving

Indexnr. 77, punt 3.2.2.6:

Frequentiebereik: 65-85 Hz

(ATBEG-grens)

Interferentiestroomlimiet [RMS-waarde]: 0,5 A

Evaluatiemethode: banddoorlaatfilters

Evaluatieparameters:

Eigenschappen banddoorlaatfilter:

Centrale frequentie: 75 Hz

3 dB-bandbreedte: 20 Hz

20 dB-bandbreedte: 40 Hz

RMS-berekening:

Integratietijd: 5 s

Tijdsoverlapping: 80 %

Transiënt korter dan 1 s die alleen de ATBEG-grenswaarde en niet de GRS-grenswaarde overschrijdt, mag worden genegeerd.

Frequentiebereik: 65-85 Hz

(GRS TC-grenswaarde)

Interferentiestroomlimiet [RMS-waarde]: 1,7 A

Evaluatiemethode: banddoorlaatfilters

Evaluatieparameters:

Eigenschappen banddoorlaatfilter:

Centrale frequentie: 75 Hz

3 dB-bandbreedte: 20 Hz

20 dB-bandbreedte: 40 Hz

RMS-berekening:

Integratietijd: 1,8 s

Tijdsoverlapping: 80 %

P

Van toepassing op de infrastructuur

Van toepassing op voertuigen

Dit specifieke geval is nodig in het kader van het ATBEG-systeem van klasse B.

Alternatieve demonstraties, die tot een vermoeden van conformiteit leiden, zijn toegestaan op voorwaarde dat wordt voldaan aan de nationale regels met betrekking tot retourstromen in de sporen die voor dit doel worden aangemeld.

7.7.2.12.   Ierland

Specifiek geval

Categorie

Opmerkingen

4.2.10

Baansystemen voor treindetectie

Indexnr. 77, punt 3.1.4:

Er mag geen zand worden gestrooid bij de voorste as van een trein.

T

Dit specifieke geval houdt verband met het IE-systeem van klasse B en bepaalde treindetectiesystemen die vereisen dat de eerste as van een trein goed elektrisch contact maakt met het spoor.

4.2.13.1

GSM-R DMI (machinisteninterface)

Indexnrs. 32 en 33:

De Ierse treinritnummers worden als volgt in het GSM-R-systeem (dus in de cabineradio en FTS) gecodeerd in het numerieke treinritnummer van een CT2-nummer:

De eerste drie cijfers van het numerieke treinritnummer staan voor het eerste teken van het alfanumerieke treinritnummer dat gecodeerd is zoals bepaald in de tabel hieronder, de overige cijfers zijn toegevoegd.

Als het daaruit voortkomende numerieke treinritnummer uit minder dan vijf cijfers bestaat (dus één teken plus één cijfer), worden vooraan nullen toegevoegd volgens het EIRENE SRS.

Voor het vijfcijferige numerieke deel van de treinritnummers wordt een specifiek algoritme gebruikt bij de omzetting van of naar het treinritnummer. Dat is noodzakelijk aangezien EIRENE nullen vooraan in treinritnummers met vijf cijfers buiten beschouwing laat omdat die enkel als opvulling dienen. Om dubbelzinnige situaties te vermijden, gelden de volgende regels:

Een alfanumeriek treinritnummer met als eerste teken “A” moet bestaan uit een numeriek deel van minstens drie cijfers om duidelijk geïdentificeerd te worden. Alleen zo is er een duidelijke identificatie mogelijk van de overeenkomstige code “099” die wordt gebruikt voor het voorvoegsel “A”.

Alle andere tekens die als voorvoegsel dienen, ondersteunen een numeriek deel van minstens één cijfer.

T

Dit vormt een aanvulling op, maar geen vervanging van de andere TSI-eisen voor het beheer van treinnummers, zodat alle nieuwe apparatuur ook volledig compatibel blijft met de interoperabiliteitseisen.

Een overgang naar onbenoemde numerieke treinritnummers wordt zo dus mogelijk en wordt overwogen zodra alle treinbeheersystemen in Ierland zijn uitgerust voor onbenoemde numerieke treinnummers.

Voorvoegsel

Cijfers

Voorvoegsel

Cijfers

Voorvoegsel

Cijfers

A

099

J

909

S

990

B

199

K

919

T

991

C

299

L

929

U

992

D

399

M

939

V

993

E

499

N

949

W

994

F

599

O

959

X

995

G

699

P

969

Y

996

H

799

Q

979

Z

997

I

899

R

989

 

 

Identificatie van tekens in cijfers

4.2.12

ETCS DMI (machinisteninterface)

Indexnr. 6:

De ETCS DMI moet zodanig kunnen worden geconfigureerd dat naast de standaard km/u ook de snelheid in mph kan worden weergegeven. De configureerbare opties zijn als volgt:

weergave van de snelheid in zowel km/u als mph, zoals in de onderstaande afbeelding, als aangegeven als voorbeeld voor de configuratie tot 180 km/u:

Image 1

weergave van de snelheid alleen in km/u.

T

Dit vormt een aanvulling op, maar geen vervanging van de TSI-eisen voor het beheer van de interface voor de machinist, zodat alle nieuwe apparatuur ook volledig compatibel blijft met de interoperabiliteitseisen.

Een overgang naar een snelheidsweergave alleen in km/u wordt dus mogelijk en wordt overwogen zodra het Ierse netwerk volledig is uitgerust met ETCS, of alle snelheidsbeperkingsborden langs de lijn kunnen worden gewijzigd in km/u (d.w.z. alle bestaande treinen zijn voorzien van een snelheidsmeter in km/u).

7.7.2.13.   Bulgarije

Specifiek geval

Categorie

Opmerkingen

4.2.10

Baansystemen voor treindetectie

Indexnr. 77, punt 3.1.2.5:

De afstand bx (fig. 1) is maximaal 3 000  mm.

T

Van toepassing op voertuigen

7.7.2.14.   Oostenrijk

Specifiek geval

Categorie

Opmerkingen

4.2.2

ETCS-boordfunctionaliteit

4.2.3

ETCS-baanfunctionaliteit

Voor baanapparatuur van ETCS-niveau 1 met infill moet boordapparatuur uitgerust zijn met overeenkomstige Euroloop-datatransmissie voor infill wanneer de release speed om veiligheidsredenen op nul is gezet.

T

Dit is van toepassing op projecten waarvan de Europese Commissie voor 30 juni 2020 in kennis is gesteld.

4.2.10

Baansystemen voor treindetectie

Indexnr. 77, punt 3.1.7.1:

De minimaal toegestane aslast voor onbeperkt gebruik op het netwerk is 2,0 ton voor wagens met een lage vloer. Dit specifieke geval geldt alleen voor wagens met een lage vloer.

Dit specifieke geval geldt alleen voor wagens met een lage vloer. Het heeft geen gevolgen voor de technische eisen voor treindetectiesystemen als gespecificeerd in indexnr. 77 en punt 7.2.8 betreffende de uitvoering daarvan.

T2

Van toepassing op wagens met een lage vloer.

“Aanhangsel A (49 52 57 81 82)

Referenties

Onderstaande tabel vermeldt voor elke referentie in de fundamentele parameters (punt 4 van deze TSI) de overeenkomstige bindende specificaties aan de hand van de indexnrs. in tabel A 2.

Tabel A 1

Referenties tussen fundamentele parameters en bindende specificaties

Referentie in hoofdstuk 4

Indexnr. (zie tabel A 2)

4.1

 

4.1a

Geschrapt

4.1b

Geschrapt

4.1 c

3, 102

4.2.1

 

4.2.1 a

27, 104

4.2.2

 

4.2.2 a

14, 104

4.2.2 b

4, 13, 60, 104

4.2.2 c

31, 37 b, 37 c, 37 d, 104

4.2.2 d

20

4.2.2 e

6, 104

4.2.2 f

7, 81, 82, 104

4.2.2 g

Geschrapt

4.2.2 h

84, 87, 104

4.2.3

 

4.2.3 a

14

4.2.3 b

4, 13, 60

4.2.4

 

4.2.4 a

64, 65

4.2.4 b

66

4.2.4 c

67

4.2.4 d

68

4.2.4 e

73, 74

4.2.4 f

72, 33

4.2.4 g

48

4.2.4 h

69, 70

4.2.4 i

Geschrapt

4.2.4 j

71, 72

4.2.4 k

75, 76

4.2.4 l

93, 94, 95, 99

4.2.4 m

93, 94, 95

4.2.4 n

96

4.2.4 o

97

4.2.5

 

4.2.5 a

64, 65

4.2.5 b

10a, 10b, 10d, 34, 39, 40, 104

4.2.5 c

19, 20

4.2.5 d

9, 43

4.2.5 e

16, 50

4.2.5 f

93, 94, 95, 104

4.2.5 g

Geschrapt

4.2.5 h

86, 10a, 10d, 33, 34, 104

4.2.5 i

86, 10a, 10c, 10d, 92, 94, 95, 104

4.2.5 j

10a, 10b, 10c, 10d, 39, 40, 92, 94, 95

4.2.6

 

4.2.6 a

8, 25, 26, 36 c, 49, 52, 104

4.2.6 b

29, 45

4.2.6 c

46

4.2.6 d

10a, 10b, 10d, 34, 104

4.2.6 e

10a, 20, 104

4.2.6 f

Geschrapt

4.2.6 g

92, 10a, 10b, 10c, 10d, 104

4.2.6 h

87, 89, 104

4.2.6 i

90, 104

4.2.6 j

10a, 10d, 34, 104

4.2.6 k

10a, 10c, 10d, 92, 104

4.2.6 l

92, 93, 94, 95, 99, 104

4.2.7

 

4.2.7 a

12

4.2.7 b

63

4.2.7 c

34, 10a, 10b, 10d

4.2.7 d

9

4.2.7 e

16

4.2.7 f

92, 10a, 10b, 10c, 10d

4.2.7 g

34, 10a, 10d

4.2.7 h

92, 10a, 10c, 10d

4.2.8

 

4.2.8 a

10d, 11, 79, 83, 104

4.2.9

 

4.2.9 a

23

4.2.10

 

4.2.10 a

77 (punt 3.1)

4.2.11

 

4.2.11 a

77 (punt 3.2)

4.2.12

 

4.2.12 a

6, 104

4.2.13

 

4.2.13 a

32, 33

4.2.13 b

93, 94

4.2.14

 

4.2.14 a

5, 104

4.2.15

 

4.2.15 a

38

4.2.15 b

101

4.2.17

 

4.2.17 a

103

4.2.18

 

4.2.18 a

84, 85, 104

4.2.18 b

98

4.2.18 c

88

4.2.18 d

87, 104

4.2.19

 

4.2.19 a

84, 85

4.2.19 b

98

Specificaties

Wanneer in een document dat in tabel A 2 wordt genoemd een afschrift of referentie is opgenomen naar een welomschreven punt van een ander document, geldt enkel en alleen dat punt als een onderdeel van het in tabel A 2 genoemde document.

Wanneer in het kader van deze TSI in een van de in tabel A 2 genoemde documenten een “bindende” of “normatieve” referentie is opgenomen naar een document dat niet in tabel A 2 wordt genoemd, wordt dat document steeds beschouwd als een aanvaardbare wijze van naleving van de fundamentele parameters (die kunnen worden gebruikt voor de certificering van interoperabiliteitsonderdelen en subsystemen en die geen toekomstige herziening van de TSI vergen) en niet als een bindende specificatie.

Opmerking: Specificaties die in tabel A 2 als “gereserveerd” zijn aangemerkt, worden eveneens vermeld als open punten in aanhangsel F wanneer nationale voorschriften moeten worden aangemeld om de overeenkomstige open punten te sluiten. Gereserveerde documenten die niet als open punten zijn genoemd, zijn bedoeld om het systeem te verbeteren.

Tabel A 2

Lijst van bindende specificaties

Indexnr.

ETCS-baseline 4 release 1; RMR: GSM-R-baseline 1 onderhoudsrelease 1 + FRMCS-baseline 0; ATO-baseline 1 release 1

Referentie

Naam specificatie

Versie

Opmerkingen

1

Geschrapt

 

 

 

2

Geschrapt

 

 

 

3

SUBSET-023

Glossary of Terms and Abbreviations (Lijst van termen en afkortingen)

4.0.0

 

4

SUBSET-026

System Requirements Specification (Specificatie van systeemvereisten)

4.0.0

 

5

SUBSET-027

FIS Juridical Recording (juridische vastlegging)

4.0.0

 

6

ERA_ERTMS_015560

ETCS Driver Machine interface (ETCS-machinisteninterface)

4.0.0

 

7

SUBSET-034

Train Interface FIS (FIS boordinterface)

4.0.0

 

8

SUBSET-035

Specific Transmission Module FFFIS (FFFIS specifieke transmissiemodule)

4.0.0

 

9

SUBSET-036

FFFIS for Eurobalise (FFFIS voor Eurobalise)

4.0.0

 

10a

SUBSET-037-1

EuroRadio FIS GSM-R – Part 1

[Communicatielaag en coördinatiefunctie]

4.0.0

 

10b

SUBSET-037-2

EuroRadio FIS – Part 2

[Veiligheidslaag]

4.0.0

 

10c

SUBSET-037-3

EuroRadio FIS – Part 3

[FRMCS-interface]

4.0.0

 

10d

SUBSET-146

ERTMS End-to-End Security (ERTMS end-to-endbeveiliging)

4.0.0

 

11

SUBSET-038

Offline key management FIS (FIS offline encryptiesleutelbeheer)

4.0.0

 

12

SUBSET-039

FIS for the RBC/RBC handover (FIS voor de overdracht RBC/RBC)

4.0.0

 

13

SUBSET-040

Dimensioning and Engineering rules (dimensionerings- en ontwerpvoorschriften)

4.0.0

 

14

SUBSET-041

Performance Requirements for Interoperability (prestatie-eisen voor interoperabiliteit)

4.0.0

 

15

Geschrapt

 

 

 

16

SUBSET-044

FFFIS for Euroloop (FFFIS voor Euroloop)

2.4.0

 

17

Geschrapt

 

 

 

18

Geschrapt

 

 

 

19

SUBSET-047

Trackside-Trainborne FIS for Radio infill (FIS baan en trein voor radio-infill)

4.0.0

 

20

SUBSET-048

Trainborne FFFIS for Radio infill (FFFIS trein voor radio-infill)

3.0.0

 

21

Geschrapt

 

 

 

22

Geschrapt

 

 

 

23

SUBSET-054

Responsibilities and rules for the assignment of values to ETCS variables (verantwoordelijkheden en voorschriften voor de toewijzing van waarden aan ETCS-variabelen)

4.0.0

 

24

Geschrapt

 

 

 

25

SUBSET-056

STM FFFIS Safe time layer (STM FFFIS veilige tijdlaag)

3.0.0

 

26

SUBSET-057

STM FFFIS Safe link layer (STM FFFIS veilige verbindingslaag)

3.1.0

 

27

SUBSET-091

Safety Requirements for the Technical Interoperability of ETCS (veiligheidseisen voor de technische interoperabiliteit van ETCS)

4.0.0

 

28

Geschrapt

 

 

 

29

SUBSET-102

Test specification for interface “K” (testspecificatie voor de interface “K”)

2.0.0

 

30

Geschrapt

 

 

 

31

SUBSET-094

Functional requirements for an onboard reference test facility (functionele eisen voor een referentietestfaciliteit aan boord)

4.0.0

 

32

EIRENE FRS

GSM-R Functional requirements specification (specificatie functionele eisen GSM-R)

8.1.0

Opmerking 7

33

EIRENE FRS

GSM-R System requirements specification (specificatie systeemeisen GSM-R)

16.1.0

Opmerking 7

34

A11T6001

(MORANE) Radio Transmission FFFIS for EuroRadio (radiotransmissie FFFIS voor EuroRadio)

14.0.0

 

35

Geschrapt

 

 

 

36 a

Geschrapt

 

 

 

36 b

Geschrapt

 

 

 

36 c

SUBSET-074-2

FFFIS STM Test cases document (FFFIS STM-document met testcases)

4.0.0

 

37 a

Geschrapt

 

 

 

37 b

SUBSET-076-5-2

Test cases related to features (testcases met betrekking tot functies)

4.0.0

 

37 c

SUBSET-076-6-3

Test sequences (testsequenties)

4.0.0

 

37 d

SUBSET-076-7

Scope of the test specifications (toepassingsgebied van de testspecificaties)

4.0.0

 

37 e

Geschrapt

 

 

 

38

EN 16494

Railway applications (spoorwegtoepassingen) Requirements for ERTMS Trackside Boards (eisen voor ERTMS-borden langs het spoor)

2025

 

39

SUBSET-092-1

ERTMS EuroRadio Conformance Requirements (ERTMS EuroRadio-conformiteitseisen)

4.0.0

 

40

SUBSET-092-2

ERTMS EuroRadio test cases safety layer (ERTMS EuroRadio-veiligheidslaag voor testcases)

4.0.0

 

41

Geschrapt

 

 

 

42

Geschrapt

 

 

 

43

SUBSET-085

Test specification for Eurobalise FFFIS (testspecificatie voor Eurobalise FFFIS)

4.0.0

 

44

Geschrapt

 

 

 

45

SUBSET-101

Interface “K” Specification (specificatie “K”-interface)

2.0.0

 

46

SUBSET-100

Interface “G” Specification (specificatie “G”-interface)

2.0.0

 

47

Geschrapt

 

 

 

48

Voorbehouden

Test specification for mobile equipment GSM-R (testspecificatie voor mobiele GSM-R-uitrusting)

 

Opmerking 3

49

SUBSET-059

Performance requirements for STM (prestatie-eisen voor STM)

4.0.0

 

50

SUBSET-103

Test specification for Euroloop (testspecificaties voor Euroloop)

1.1.0

 

51

Geschrapt

 

 

 

52

SUBSET-058

FFFIS STM Application layer (FFFIS STM-toepassingslaag)

4.0.0

 

53

Geschrapt

 

 

 

54

Geschrapt

 

 

 

55

Geschrapt

 

 

 

56

Geschrapt

 

 

 

57

Geschrapt

 

 

 

58

Geschrapt

 

 

 

59

Geschrapt

 

 

 

60

SUBSET-104

ETCS System Version Management (ETCS-systeemversiebeheer)

4.0.0

 

61

Geschrapt

 

 

 

62

Geschrapt

 

 

 

63

SUBSET-098

RBC-RBC Safe Communication Interface (RBC-RBC veilige communicatie-interface)

4.0.0

 

64

EN 301 515

Global System for Mobile Communication (GSM) (wereldwijd systeem voor mobiele communicatie (GSM)) Requirements for GSM operation on railways (eisen voor gebruik GSM op het spoor)

3.0.0

Opmerking 1

65

TS 102 281

Detailed requirements for GSM operation on railways (gedetailleerde eisen voor gebruik GSM op het spoor)

3.1.1

Opmerking 2

66

TS 103 169

ASCI Options for Interoperability (ASCI-opties voor interoperabiliteit)

1.1.1

 

67

(MORANE) P 38 T 9001

FFFIS for GSM-R SIM Cards (FFFIS voor simkaarten GSM-R)

6.0.0

Opmerking 7

68

ETSI TS 102 610

Railway Telecommunication (spoorwegtelecommunicatie) GSM; Usage of the UUIE for GSM operation on railways (Gebruik van de UUIE voor gebruik van GSM op het spoor)

1.3.0

 

69

(MORANE) F 10 T 6002

FFFS for Confirmation of High Priority Calls (FFFS voor bevestiging van oproepen met hoge prioriteit)

5

 

70

(MORANE) F 12 T 6002

FIS for Confirmation of High Priority Calls (FFFS voor bevestiging van oproepen met hoge prioriteit)

5

 

71

(MORANE) E 10 T 6001

FFFS for Functional Addressing (FFFS voor functionele adressering)

4.1

 

72

(MORANE) E 12 T 6001

FIS for Functional Addressing (FFFS voor functionele adressering)

5.1

 

73

(MORANE) F 10 T 6001

FFFS for Location Dependent Addressing (FFFS voor plaatsafhankelijke adressering)

4

 

74

(MORANE) F 12 T 6001

FIS for Location Dependent Addressing (FFFS voor plaatsafhankelijke adressering)

3

 

75

(MORANE) F 10 T 6003

FFFS for Presentation of Functional Numbers to Called and Calling Parties (FFFS voor de presentatie van functionele nummers aan de opgeroepen en de oproepende partij)

4

 

76

(MORANE) F 12 T 6003

FIS for Presentation of Functional Numbers to Called and Calling Parties (FFFS voor de presentatie van functionele nummers aan de opgeroepen en de oproepende partij)

4

 

77

ERA/ERTMS/033281

Interfaces between CCS trackside and other subsystems (interfaces tussen baanapparatuur voor besturing en seingeving en andere subsystemen)

5.1

Opmerking 6

78

Geschrapt

 

 

Opmerking 5

79

SUBSET-114

KMC-ETCS Entity Off-line KM FIS (KMC-ETCS-entiteit offline KM FIS)

4.0.0

 

80

Geschrapt

 

 

Opmerking 4

81

SUBSET-119

Train Interface FFFIS (FIS boordinterface)

4.0.0

 

82

SUBSET-120

Train Interface — Safety requirements

4.0.0

 

83

SUBSET-137

On-line Key Management FFFIS (FFFIS online encryptiesleutelbeheer)

4.0.0

 

84

SUBSET-125

ERTMS/ATO

Specificatie van systeemvereisten (System Requirement Specification)

1.1.0

 

85

SUBSET-126

ATO-OB/ATO-TS FFFIS Application Layer (ATO-OB/ATO-TS FFFIS-toepassingslaag)

1.1.0

 

86

SUBSET-148

ATO-OB/ATO-TS FFFIS Transport and Security Layers (ATO-OB/ATO-TS FFFIS-vervoers- en beveiligingslagen)

1.0.0

 

87

SUBSET-130

ATO-OB/ETCS-OB FFFIS

Application Layer (toepassingslaag)

1.0.0

 

88

SUBSET-139

ATO-OB/Rolling Stock FFFIS Application Layer (ATO-OB/rollend materieel FFFIS-toepassingslaag)

1.0.0

 

89

SUBSET-143

Interface Specification Communication Layers for On-board Communication (interfacespecificatie communicatielagen voor boordcommunicatie)

1.0.0

 

90

SUBSET-147

CCS Consist network communication Layers FFFIS (FFFIS voor communicatielagen van het CCS-netwerk van de treinsamenstelling)

1.0.0

 

91

Geschrapt

 

 

 

92

FFFIS-7950

FRMCS FFFIS

1.0.0

Opmerking 8

93

FU-7120

FRMCS FRS

1.0.0

Opmerking 9

94

AT-7800

FRMCS SRS

1.0.0

Opmerking 9

95

FIS-7970

FRMCS FIS

1.0.0

Opmerking 8

96

Voorbehouden

[FFFIS for FRMCS profile placeholder] (FFFIS voor FRMCS plaatshouder profiel)

 

 

97

Voorbehouden

[FRMCS Test specifications placeholder] (FRMCS plaatshouder testspecificaties)

 

 

98

SUBSET-151

ATO-OB/ATO-TS Test Specifications (ATO-OB/ATO-TS-testspecificaties)

1.0.0

 

99

TOBA-7510

On-board FRMCS TOBA FRS

1.0.0

Opmerking 9

100

Geschrapt

 

 

 

101

21E089

Engineering rules for harmonised marker boards (ontwerpvoorschriften voor geharmoniseerde markeerborden)

2-

 

102

13E154

ERTMS/ATO Glossary (woordenlijst)

2-

 

103

TD/011REC1028

ESC/RSC technical document (technisch document)

Versie gepubliceerd op de website van het Spoorwegbureau van de Europese Unie

 

104

SUBSET-153

ERTMS/ETCS & ERTMS/ATO

Uitzonderingen voor beperkte boordenveloppen van ETCS-systeemversies

1.0.0

 

Opmerking 1:

De punten van de specificaties die zijn genoemd in punt 2.1 van EN 301 515 en die onder de indexnrs. 32 en 33 als “MI” zijn aangegeven, zijn bindend.

Opmerking 2:

De in de tabellen 1 en 2 van TS 102 281 genoemde wijzigingsverzoeken (CR’s) die van invloed zijn op de punten die onder de indexnrs. 32 en 33 als “MI” zijn aangegeven, zijn bindend.

Opmerking 3:

Indexnr. 48 verwijst enkel naar testcases voor mobiele GSM-R-apparatuur. Deze wordt voorlopig “voorbehouden”. Indien dit wordt overeengekomen in een toekomstige herziening van de TSI, zal de catalogus van beschikbare geharmoniseerde testcases voor de beoordeling van mobiele apparatuur en netwerken, overeenkomstig de in punt 6.1.2 van deze TSI beschreven stappen, in deze tabellen worden opgenomen.

Opmerking 4:

De producten die op de markt worden aangeboden, zijn reeds afgestemd op de behoeften van de RU inzake de GSM-R-machinisteninterface en zijn volledig interoperabel. Derhalve is er geen behoefte aan een norm in de TSI CCS.

Opmerking 5:

De informatie die bestemd was voor indexnr. 78 is nu opgenomen onder indexnr. 27 (SUBSET-091).

Opmerking 6:

Dit document staat los van de ETCS-, RMR- en ATO-baseline.

Opmerking 7:

Enkel de (MI)-eisen zijn bindend volgens de TSI CCS.

Opmerking 8:

Deze specificaties, wat betreft ETCS- en ATO-boordapparatuur, moeten volledig worden toegepast.

Opmerking 9:

Deze specificaties, in hun huidige versie, met betrekking tot de FRMCS-boordapparatuur, worden niet als volledig beschouwd voor de aanbesteding van de boordapparatuur.


Tabel A 3

Lijst van normen

Onverminderd de bepalingen in de punten 4 en 6 van deze TSI, is de toepassing van de versie van de normen in de onderstaande tabel en de latere wijzigingen daarvan, voor zover zij als geharmoniseerde norm in het certificeringsproces worden gepubliceerd, een geschikt middel om volledig te voldoen aan het risicobeheerproces zoals uiteengezet in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 402/2013.


Nr.

Referentie

Documentnaam en opmerkingen

Versie

Opmerking

A1

EN 50126-1

Spoorwegtoepassingen – De specificatie en het bewijs van de betrouwbaarheid, beschikbaarheid, onderhoudbaarheid en veiligheid (RAMS) – Deel 1: Algemene activiteiten en procedures in het kader van RAMS

2017

1

A2

EN 50716

Spoorwegtoepassingen – Vereisten voor softwareontwikkeling

2023

3

A3

EN 50129

Spoorwegtoepassingen – Communicatie, signalering en processystemen – Elektronische signaleringssystemen met betrekking tot veiligheid

2018 +AC:2019

1

A4

EN 50159

Spoorwegtoepassingen – Communicatiesystemen, seinwezen en procesleiding

2010 +A1:2020

1

A5

EN 50126-2

Spoorwegtoepassingen – De specificatie en het bewijs van de betrouwbaarheid, beschikbaarheid, onderhoudbaarheid en veiligheid (RAMS) – Deel 2: systeembenadering van veiligheidsgerelateerde aspecten

2017

1, 2

Opmerking 1:

Deze norm is geharmoniseerd, zie de mededeling van de Commissie in het kader van de uitvoering van Richtlijn 2008/57/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Gemeenschap (herschikking) () en Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/453 van de Commissie () betreffende de ter ondersteuning van Richtlijn 2008/57/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Gemeenschap opgestelde geharmoniseerde normen voor spoorwegproducten, waarin ook gepubliceerde redactionele correcties zijn aangegeven.

Opmerking 2:

Te gebruiken in combinatie met EN 50126-1:2017.

Opmerking 3:

De vorige EN 50128 kan nog steeds gebruikt worden volgens de tabellen B1.1 en B2.


Tabel A 4

Lijst van bindende normen voor erkende laboratoria

Nr.

Referentie

Documentnaam en opmerkingen

Versie

Opmerking

A6

ISO/IEC 17025

Algemene eisen voor de competentie van beproevings- en kalibratielaboratoria

2017

 

“Aanhangsel B

B1.   Wijzigingen van eisen en overgangsregelingen voor boordsubsystemen

De aangemelde instantie past punt 7.2.4.1 toe bij de afgifte van het certificaat van EG-typeonderzoek of -ontwerponderzoek.

Tabel B1.1

Overgangsregeling  (49 52 57 81 82) voor boordsubsystemen CCS

Nr.

TSI-punt(en)

TSI-punt(en) in de vorige versie zoals vastgesteld bij Uitvoeringsverordening (EU) 2016/919

Verklaring over wijziging van TSI CCS ingevoerd bij deze verordening

Overgangsregeling

Ontwerpfase gestart na 28 september 2023

Ontwerpfase gestart vóór 28 september 2023

Productiefase

Gebruik van het voertuig

Correctie fouten in boordapparatuur CCS

1

Aanhangsel A + punt 7.2.10.3

Geen verplichte uitvoering van in technische adviezen gepubliceerde foutcorrecties.

Subsystemen CCS met verplichte implementatie van geregistreerde foutcorrecties voor ETCS-functionaliteit tot en met systeemversie 2.1 en GSM-R.

Voor wettige releases (met behoud van specificaties) die vóór 1 juni 2026 zijn gepubliceerd:

Indien een of meer geregistreerde fouten in het RINF worden vastgesteld voor het exploitatiegebied waarvoor een nieuwe vergunning vereist is:

moet het in een voertuigtype geïntegreerde subsysteem CCS de benodigde foutcorrectie uiterlijk zes maanden na het bijwerken van de betrokken interoperabiliteitsonderdelen uitvoeren.

Opmerking:

Indien een of meer geregistreerde fouten in het RINF worden vastgesteld voor het exploitatiegebied waarvoor geen nieuwe vergunning vereist is, wordt het CCS-subsysteem dat in een voertuigtype is geïntegreerd, geacht te voldoen aan de actualisering van de desbetreffende interoperabiliteitsonderdelen (zoals gedefinieerd in tabel B3).

Voor wettige releases (met behoud van specificaties) die vóór 1 juni 2026 zijn gepubliceerd:

Indien een of meer geregistreerde fouten in het RINF worden vastgesteld voor het exploitatiegebied:

moet in het in een voertuig geïntegreerde subsysteem CCS de noodzakelijke foutcorrecties worden uitgevoerd uiterlijk:

1 jaar na het bijwerken van de betrokken interoperabiliteitsonderdelen (als gedefinieerd in tabel B3) wanneer geen nieuwe vergunning vereist is;

of

1 jaar na het bijwerken van het voertuigtype indien een nieuwe vergunning vereist is.

 

 

 

 

Voor wettige releases (met behoud van specificaties) die na 1 juni 2026 zijn gepubliceerd:

Indien een of meer geregistreerde fouten in het RINF worden vastgesteld voor het exploitatiegebied waarvoor een nieuwe vergunning vereist is:

moet het in een voertuigtype geïntegreerde subsysteem CCS het volledige onderhoudspakket met foutcorrecties uiterlijk zes maanden na het bijwerken van de betrokken interoperabiliteitsonderdelen uitvoeren.

Opmerking:

Indien een of meer geregistreerde fouten in het RINF worden vastgesteld voor het exploitatiegebied waarvoor geen nieuwe vergunning vereist is, wordt het CCS-subsysteem dat in een voertuigtype is geïntegreerd, geacht te voldoen aan de actualisering van de desbetreffende interoperabiliteitsonderdelen (zoals gedefinieerd in tabel B3).

Voor wettige releases (met behoud van specificaties) die na 1 juni 2026 zijn gepubliceerd:

Indien een of meer geregistreerde fouten in het RINF worden vastgesteld voor het exploitatiegebied:

moet het in een voertuig geïntegreerde subsysteem CCS het volledige onderhoudspakket met foutcorrecties uitvoeren uiterlijk:

1 jaar na het bijwerken van de betrokken interoperabiliteitsonderdelen (als gedefinieerd in tabel B3) wanneer geen nieuwe vergunning vereist is;

of

1 jaar na het bijwerken van het voertuigtype indien een nieuwe vergunning vereist is.

Implementatie ETCS-boordapparatuur

2

Punten 7.4.2.1 en 7.4.3

7.4.2.1.2. en 7.4.3(2) verlenen vrijstellingen voor nieuwe voertuigen die met ETCS moeten worden uitgerust.

7.4.2.1.2. en punt 7.4.3(2) worden geschrapt.

Alle nieuwe voertuigen moeten met ETCS worden uitgerust.

Direct van toepassing

Opmerking:

Ontwerpfase gestart na 28 september 2023 heeft hier betrekking op “RST-ontwerpfase” voor voertuigen zonder ETCS.

Voor speciale voertuigen van toepassing vanaf 1 januari 2026, tenzij de lidstaten besluiten hebben uitgevaardigd krachtens 7.4.3.2.

Van toepassing als de ontwerpfase eindigt op of na 1 januari 2028.

Opmerking:

Ontwerpfase gestart voor 28 september 2023 heeft hier betrekking op “RST-ontwerpfase” voor voertuigen zonder ETCS.

Voor speciale voertuigen van toepassing als de ontwerpfase eindigt op of na 1 januari 2030, tenzij de lidstaten besluiten hebben uitgevaardigd krachtens 7.4.3.2.

Van toepassing op nieuwe voertuigen die vanaf 1 januari 2030 op de markt worden gebracht.

Voor speciale voertuigen van toepassing op nieuwe voertuigen die op of na 1 januari 2030 op de markt gebracht zijn, tenzij de lidstaten besluiten hebben uitgevaardigd krachtens 7.4.3.2.

Niet van toepassing

3

Punten 7.4.2.2 en 7.4.3.

7.4.2.2 is alleen van toepassing op de verbetering van bestaande hogesnelheidsvoertuigen.

7.4.2.2 is van toepassing op voertuigtypen en/of voertuigen waarvoor een nieuwe vergunning nodig is.

Direct van toepassing

Van toepassing voor speciale voertuigen, tenzij de lidstaten besluiten hebben uitgevaardigd krachtens 7.4.3.2:

als de ontwerpfase begint op of na 1 januari 2026;

of

als de ontwerpfase eindigt op of na 1 januari 2030.

Van toepassing als de ontwerpfase eindigt op of na 1 januari 2028.

Opmerking:

Blijft volgens de vorige TSI CCS direct van toepassing op hogesnelheidsvoertuigen.

Voor speciale voertuigen van toepassing als de ontwerpfase eindigt op of na 1 januari 2030, tenzij de lidstaten besluiten hebben uitgevaardigd krachtens 7.4.3.2.

Niet van toepassing

Opmerking:

Blijft volgens de vorige TSI CCS direct van toepassing op hogesnelheidsvoertuigen.

Niet van toepassing

4

Punt 7.4.2.3 (3)

7.4.2.4 uitbreiding van het exploitatiegebied: vrijstellingen om ETCS te installeren in punt (3)

7.4.2.3 uitbreiding van het exploitatiegebied: vrijstellingen geschrapt in punt (3)

Opmerking:

De uitvoeringseisen van de TSI CCS zoals vastgesteld bij Verordening (EU) 2016/919 in 7.4.2.4, 3), blijven rechtstreeks van toepassing.

Niet van toepassing

Niet van toepassing

Niet van toepassing

Van toepassing vanaf 1 januari 2030, als in het RINF is vermeld dat ETCS in de loop van de volgende vijf jaar in het nieuwe exploitatiegebied wordt uitgerold of het exploitatiegebied minstens drie lidstaten bestrijkt

ETCS-systeemversies

5

Geschrapt

 

 

 

 

 

 

6

Aanhangsel A – 7.4.2.4.1 en 7.4.2.4.2 voor de enveloppe van legale ETCS-systeemversies van 1.0 tot en met 2.2

Niet van toepassing

Implementatie aan boord van aangemelde ETCS-functies vanaf systeemversie 2.2.

Ontwerpfase gestart op of na kennisgeving van de IM en de kennisgeving is gedaan op of na 1 januari 2025:

ETCS-systeemversie 2.2 is direct van toepassing.

ETCS-systeemversie 2.2 is van toepassing indien de ontwerpfase niet uiterlijk in de termijn tussen de volgende datums is beëindigd:

1 januari 2030;

5 jaar na de datum van kennisgeving aangegeven door de IM.

Niet van toepassing

Niet van toepassing

 

 

 

 

Ontwerpfase gestart vóór kennisgeving van de IM of kennisgeving voor 1 januari 2025:

ETCS-systeemversie 2.2 is van toepassing indien de ontwerpfase niet uiterlijk in de termijn tussen de volgende datums is beëindigd:

1 januari 2030;

5 jaar na de datum van kennisgeving van de IM.

 

 

 

7

Aanhangsel A – 7.4.2.4.1, 7.4.2.4.2 en 7.4.1.3 voor de enveloppe van legale ETCS-systeemversies van 1.0 tot en met 3.0

Niet van toepassing

Implementatie aan boord van aangemelde ETCS-functies vanaf systeemversie 3.0 (50 53 58 83).

Niet van toepassing.

Opmerking:

Overgangsregeling na inwerkingtreding van de wijziging van de TSI CCS (51 54 59 84):

de ontwerpfase is gestart na kennisgeving van de IM en de kennisgeving geschiedt twee jaar na de inwerkingtreding van de wijziging van de TSI CCS:

ETCS-systeemversie 3.0 is direct van toepassing.

Niet van toepassing.

Opmerking:

Overgangsregeling na inwerkingtreding van de wijziging van de TSI CCS (51 54 59 84):

ETCS-systeemversie 3.0 is van toepassing indien de ontwerpfase niet uiterlijk is beëindigd op:

5 jaar na de inwerkingtreding van de wijziging van de TSI CCS die de geharmoniseerde FRMCS-specificaties bevat;

5 jaar na de datum van kennisgeving aangegeven door de IM.

Niet van toepassing.

Opmerking:

Overgangsregeling na inwerkingtreding van de wijziging van de TSI CCS (51 54 59 84):

de aangemelde ETCS-systeemversie 3.0 is verplicht wanneer dat nodig is voor compatibiliteit met de ETCS-baanapparatuur van ETCS TS 3.0.

Niet van toepassing.

Opmerking:

Overgangsregeling na inwerkingtreding van de wijziging van de TSI CCS (51 54 59 84):

de aangemelde ETCS-systeemversie 3.0 is verplicht wanneer dat nodig is voor compatibiliteit met de ETCS-baanapparatuur van ETCS TS 3.0.

 

 

 

 

De ontwerpfase is gestart vóór kennisgeving van de IM of kennisgeving is gedaan vóór de inwerkingtreding van de wijziging van de TSI CCS:

zie de overgangsregeling in de kolom “Ontwerpfase gestart voor 28 september 2023”.

 

 

 

8

Geschrapt

 

 

 

 

 

 

Eerdere specificatiereeksen 2 en 3

9

Aanhangsel A – tabellen A 1 en A 2

7.4.2.4.1 en 7.4.2.4.2

7.4.2.3 (7)

Bijlage A – tabellen A 1 en A 2 2 – Specificatiereeks 2

De minimale beperkte boordenveloppe is de enveloppe tot en met ETCS-systeemversie 2.0.

De specificaties in aanhangsel A, tabellen A 1 en A 2, omvatten niet ETCS-systeemversie 2.0, omdat de minimale beperkte boordenveloppe de enveloppe tot en met ETCS-systeemversie 2.1 is.

Van toepassing

als de ontwerpfase begint op of na 28 september 2026;

of

als de ontwerpfase eindigt op of na 1 januari 2030.

In ieder geval moeten de bepalingen voor de foutcorrectie in punt 7.2.10 met de bijbehorende overgangsperiode in acht worden genomen.

Er mag geen beperking worden geëxporteerd naar het andere subsysteem.

Van toepassing als de ontwerpfase eindigt op of na 1 januari 2030.

In ieder geval moeten de bepalingen voor de foutcorrectie in punt 7.2.10 met de bijbehorende overgangsperiode in acht worden genomen.

Er mag geen beperking worden geëxporteerd naar het andere subsysteem.

Van toepassing op nieuwe voertuigen die vanaf 1 januari 2030 op de markt worden gebracht.

In ieder geval moeten de bepalingen voor de foutcorrectie in punt 7.2.10 met de bijbehorende overgangsperiode in acht worden genomen.

Er mag geen beperking worden geëxporteerd naar het andere subsysteem.

Niet van toepassing

In ieder geval moeten de bepalingen voor de foutcorrectie in punt 7.2.10 met bijbehorende overgangsperiode acht worden genomen.

Er mag geen beperking worden geëxporteerd naar het andere subsysteem.

10

Aanhangsel A – tabellen A 1 en A 2

Bijlage A – tabellen A 1 en A 2 3 – Specificatiereeks 3

De specificaties in aanhangsel A, tabellen A 1 en A 2, bevatten de overeengekomen versie van de foutcorrectie van de voormalige specificatiereeks 3

Van toepassing

als de ontwerpfase begint op of na 28 september 2026;

of

als de ontwerpfase eindigt op of na 1 januari 2030.

In ieder geval moeten de bepalingen voor de foutcorrectie in punt 7.2.10 met de bijbehorende overgangsperiode in acht worden genomen.

Er mag geen beperking worden geëxporteerd naar het andere subsysteem.

Van toepassing als de ontwerpfase eindigt op of na 1 januari 2030.

In ieder geval moeten de bepalingen voor de foutcorrectie in punt 7.2.10 met de bijbehorende overgangsperiode in acht worden genomen.

Er mag geen beperking worden geëxporteerd naar het andere subsysteem.

Van toepassing op nieuwe voertuigen die vanaf 1 januari 2032 op de markt worden gebracht.

In ieder geval moeten de bepalingen voor de foutcorrectie in punt 7.2.10 met de bijbehorende overgangsperiode acht worden genomen.

Er mag geen beperking worden geëxporteerd naar het andere subsysteem.

Niet van toepassing

In ieder geval moeten de bepalingen voor de foutcorrectie in punt 7.2.10 met de bijbehorende overgangsperiode acht worden genomen.

Er mag geen beperking worden geëxporteerd naar het andere subsysteem.

CMD

11

4.2.2 b) – Detectie koude bewegingen (CMD)

CMD facultatief

CMD verplicht

Direct van toepassing wanneer ETCS voor het eerst in een voertuigontwerp wordt geïnstalleerd.

Van toepassing als de ontwerpfase eindigt na 1 januari 2028 wanneer ETCS voor het eerst in een voertuigontwerp wordt geïnstalleerd.

Van toepassing op nieuwe voertuigen die vanaf 1 januari 2030 op de markt worden gebracht.

Niet van toepassing

Implementatie ATO-boordapparatuur

12

4.2.18 + 7.2.9.2

Niet van toepassing

Specificatie- en uitvoeringseisen voor ATO-boordapparatuur

Ontwerpfase gestart op of na kennisgeving van de IM en de kennisgeving is gedaan op of na 1 januari 2025:

eisen ATO-boordapparatuur zijn direct van toepassing.

Ontwerpfase gestart vóór kennisgeving van de IM of kennisgeving voor 1 januari 2025:

eisen ATO-boordapparatuur zijn van toepassing indien de ontwerpfase niet uiterlijk in de termijn tussen de volgende datums is beëindigd:

1 januari 2030;

5 jaar na de datum van kennisgeving van de IM.

Eisen ATO-boordapparatuur zijn van toepassing indien de ontwerpfase niet uiterlijk in de termijn tussen de volgende datums is beëindigd:

1 januari 2030;

5 jaar na de datum van kennisgeving aangegeven door de IM.

Niet van toepassing

Niet van toepassing

Modulariteit CCS-boordapparatuur

13

4.2.6.5.1 Communicatielagen van het CCS-netwerk van de treinsamenstelling

Indexnr. 90

+ punt 5.2.2.2

Niet van toepassing

Verplichte invoering van een op Ethernet gebaseerd platform

Nieuwe eisen in het geval van groepering van interoperabiliteitsonderdelen zoals aangegeven in tabel 5.1.

Van toepassing op nieuw ontwikkelde voertuigontwerpen waarvoor een eerste vergunning vereist is

als de ontwerpfase begint op of na 28 september 2025;

of

als de ontwerpfase eindigt op of na 28 september 2030.

Van toepassing op nieuw ontwikkelde voertuigontwerpen waarvoor een eerste vergunning vereist is als de ontwerpfase eindigt op of na 28 september 2030.

Niet van toepassing

Niet van toepassing

14

4.2.2.2, 7) – 4.2.18, 3)

Informatie/opdrachten doorsturen en statusinformatie ontvangen over rollend materieel.

4.2.6.5.1 Communicatielagen van het CCS-netwerk van de treinsamenstelling

Aanhangsel A – Interfaces CCS en RST

Indexnrs. 81, 82, 88, 90

Niet van toepassing

Verplichte implementatie van boordinterfaces tussen het subsysteem CCS en het subsysteem RST.

Van toepassing op nieuw ontwikkelde voertuigontwerpen waarvoor een eerste vergunning vereist is

als de ontwerpfase begint op of na 28 september 2025;

of

als de ontwerpfase eindigt op of na 28 september 2030.

Van toepassing op nieuw ontwikkelde voertuigontwerpen waarvoor een eerste vergunning vereist is als de ontwerpfase eindigt op of na 28 september 2030.

Niet van toepassing

Niet van toepassing

Implementatie FRMCS-boordapparatuur:

15

7.3.2.2

Niet van toepassing

Implementatie van FRMCS-boordapparatuur3

Niet van toepassing.

Opmerking:

Overgangsregeling na wijziging van de TSI:

de ontwerpfase is gestart na kennisgeving van de IM en de kennisgeving geschiedt twee jaar na de inwerkingtreding van de wijziging van de TSI CCS: implementatie van FRMCS-boordapparatuur is direct van toepassing.

Niet van toepassing.

Opmerking:

Overgangsregeling na wijziging van de TSI:

implementatie van FRMCS-boordapparatuur is van toepassing indien de ontwerpfase niet uiterlijk in de termijn tussen de volgende datums is beëindigd:

5 jaar na de wijziging van de TSI CCS die de FRMCS-specificaties bevat;

5 jaar na de datum van kennisgeving aangegeven door de IM.

Niet van toepassing.

Opmerking:

De implementatie van FRMCS-boordapparatuur is verplicht wanneer dat nodig is voor compatibiliteit met de implementatie van baanapparatuur alleen voor FRMCS.

Niet van toepassing.

Opmerking:

De implementatie van FRMCS-boordapparatuur is verplicht wanneer dat nodig is voor compatibiliteit met de implementatie van baanapparatuur alleen voor FRMCS.

 

 

 

 

De ontwerpfase is gestart vóór de melding van IM:

zie de overgangsregeling in de kolom “Ontwerpfase gestart voor 28 september 2023”.

 

 

 

Gedeeltelijke naleving:

16

6.1.1.2

De punten 6.1.1.3 en 6.4.3 worden geschrapt.

Met betrekking tot 6.1.1.2 is het niet langer mogelijk om verplichte functionaliteiten, interfaces of prestaties uit te sluiten, behalve indien vermeld in aanhangsel G.

Van toepassing

als de ontwerpfase eindigt op of na 28 september 2030.

Bij gedeeltelijke naleving wordt in de vergunning voor het in de handel brengen van voertuigen een gebruiksvoorwaarde opgenomen om naleving bij de volgende modernisering van het treinbeveiligingsgedeelte van het voertuig af te dwingen.

Functies in de systeemversies 2.2 en 3.0 die vanwege gedeeltelijke naleving niet worden ingevoerd en die niet essentieel zijn voor het beoogde exploitatiegebied, worden ingevoerd bij het eerste van de volgende voorvallen:

a)

de volgende hervergunning die voortvloeit uit een andere wijziging van het veiligheidssysteem van het voertuig (ETCS);

b)

de volgende upgrade naar een hogere systeemversie van het ETCS-treinbeveiligingsgedeelte.

Niet van toepassing

Niet van toepassing

Vertaling DMI-indicatie

17

Aanhangsel E

Geen verplichte geharmoniseerde vertaling van DMI-indicaties.

Geharmoniseerde vertaling van DMI-indicaties.

Direct van toepassing

Van toepassing als de ontwerpfase eindigt op of na 28 september 2030.

Niet van toepassing

Niet van toepassing

ESC/RSC-verklaringen

18

4.2.17 Compatibiliteit van het ETCS-systeem en het radiosysteem

6.2.4.3 Controles van de compatibiliteit van het ETCS-systeem en het radiosysteem voor het interoperabiliteitsonderdeel

6.3.3.1 Controles van de compatibiliteit van het ETCS-systeem en het radiosysteem

Eerste versie van de eisen voor ESC/RSC-verklaringen.

Bijgewerkte eisen voor de beoordeling van ESC/RSC-verklaringen, inclusief de ESC/RSC IC-verklaring.

Van toepassing als de ontwerpfase eindigt na 28 maart 2024.

Van toepassing als de ontwerpfase eindigt na 28 maart 2024.

Niet van toepassing

Niet van toepassing

Systeemidentificator

19

4.2.20.3 Systeemidentificator

Tabel 6.2.1, rij 2d

Niet van toepassing

Controle door aangemelde instantie voor systeemidentificator.

Van toepassing als de ontwerpfase eindigt na 28 maart 2024.

Van toepassing als de ontwerpfase eindigt na 28 maart 2024.

Niet van toepassing

Niet van toepassing

Certificaat voor subsysteem en integratie tussen delen

20

4.2.6 Interfaces binnen het boordsysteem CCS

Tabel 6.2.1, rij 3

6.4 Bepalingen in geval van gedeeltelijke beoordeling van de TSI-eisen

Niet uitdrukkelijk behandeld in de tabel.

Integratie tussen onderdelen van het subsysteem

Structuur van de certificaten van het subsysteem

Opmerking:

Geen nieuwe eis maar een verduidelijking.

Direct van toepassing

Direct van toepassing

Niet van toepassing

Niet van toepassing

Model van aanhangsel D

21

6.5.1 Inhoud van EG-certificaten

6.5.2 Inhoud van EG-verklaringen

Niet van toepassing

Verplicht gebruik van het model van aanhangsel D in EG-certificaten en -verklaringen.

Van toepassing als de ontwerpfase eindigt na 28 maart 2024.

Van toepassing als de ontwerpfase eindigt na 28 maart 2024.

Niet van toepassing

Niet van toepassing

Specifieke gevallen

22

Punt 7.7.2

7.7.2.9 Italië, 7.7.2.12 Ierland, 7.7.2.14 Oostenrijk

7.6. Vorige versie van specifieke gevallen

Update van specifieke gevallen door voor bepaalde lidstaten nieuwe eisen voor het boordsubsysteem CCS te introduceren.

Direct van toepassing

Direct van toepassing

Van toepassing op nieuwe voertuigen die vanaf 1 januari 2030 op de markt worden gebracht.

Niet van toepassing

Normen

23

Aanhangsel A, tabel A3

Bijlage A, tabel A3

EN 50128 is vervangen door de nieuwe norm EN 50716

Direct van toepassing

Van toepassing als de ontwerpfase eindigt na 30 oktober 2026.

Niet van toepassing

Niet van toepassing


Tabel B1.1b

Overgangsregeling voor boordsubsystemen CCS

Nr.

TSI-punt(en)

TSI-punt(en) in de versie vóór de wijziging ingevoerd bij Uitvoeringsverordening (EU) 2026/693

Verklaring over wijziging van TSI CCS ingevoerd bij Uitvoeringsverordening (EU) 2026/693

Overgangsregeling

Ontwerpfase gestart na 5 mei 2026

Ontwerpfase gestart vóór 5 mei 2026

Productiefase

Gebruik van het voertuig

Testspecificaties

1

Aanhangsel A, tabel A 2, indexnr. 98

Indexnr. 98 was gereserveerd.

Inclusief de vorige versie van het document.

Van toepassing als de ontwerpfase eindigt na 1 januari 2026 als het ATO-deel (ATO baseline 1 release 1) ingevoerd is.

Van toepassing als de ontwerpfase eindigt na 1 januari 2026 als het ATO-deel (ATO baseline 1 release 1) ingevoerd is.

Niet van toepassing

Niet van toepassing

Beperkte enveloppen

2

Aanhangsel A, tabel A 2, indexnrs. 84, 85 en 104.

Indexnr. 104 was gereserveerd.

Implementatie van ATO-boordapparatuur op basis van indexnrs. 84 en 85, v1.0.0.

Inclusief de laatste versie van het document; de tweede rij van aanhangsel G is verwijderd.

Referenties in tabel A1 naar indexnr. 104 worden aangevuld waar nodig.

Implementatie van ATO-boordapparatuur op basis van indexnrs. 84 en 85, v1.1.0.

Van toepassing als de ontwerpfase eindigt na 1 januari 2026 als ETCS baseline 4 release 1 of ATO baseline 1 release 1 ingevoerd is.

Van toepassing als de ontwerpfase eindigt na 1 januari 2026 als ETCS baseline 4 release 1 of ATO baseline 1 release 1 ingevoerd is.

Niet van toepassing

Niet van toepassing

Vertaling DMI-indicaties

3

Aanhangsel E

Aanhangsel E

Toevoeging van ontbrekende termen

Zelfde als tabel B1.1, rij 17

Verduidelijking van overgangsregeling

4

Aanhangsel B, tabel B1.1

Verduidelijkingen van aanhangsel B, tabel B1.1

Verduidelijkingen en correcties van overgangsregeling

Direct van toepassing


Tabel B1.2

Overgangsregeling  (56 61) voor RST-subsysteem

Nr.

TSI-punt(en)

TSI-punt(en) in de versie zoals vastgesteld bij Uitvoeringsverordening (EU) 2016/919

Verklaring over wijziging van TSI CCS ingevoerd bij deze verordening

Overgangsregeling

Ontwerpfase gestart na 28 september 2025

Ontwerpfase gestart vóór 28 september 2025

Productiefase

Gebruik van het voertuig

1

Indexnr. 77

V4 – Frequentiebeheer is niet volledig gedefinieerd voor het voertuig.

V5 – Frequentiebeheer is volledig gedefinieerd voor het voertuig.

Direct van toepassing, met uitzondering van punt 3.2.2. Dit punt is van toepassing op nieuw ontwikkelde voertuigontwerpen waarvoor een eerste vergunning nodig is zoals bepaald in artikel 14, lid 1, punt a), van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/545 van de Commissie als de ontwerpfase begint op of na 28 september 2025 of als ze eindigt op of na 28 september 2030.

Van toepassing op aangepaste voertuigontwerpen waarvoor een nieuwe vergunning nodig is zoals bepaald in artikel 14, lid 1, punt d), van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/545 van de Commissie als de ontwerpfase eindigt op of na 28 september 2030.

Van toepassing als de ontwerpfase eindigt op of na 28 september 2030.

Niet van toepassing

Niet van toepassing

2

Punt 7.7.2

7.7.2.5 Litouwen, Letland en Estland

7.7.2.7 Luxemburg

7.7.2.9 Italië

7.7.2.12 Ierland

7.7.2.13 Bulgarije

7.6. Vorige versie van specifieke gevallen

Update van specifieke gevallen door voor bepaalde lidstaten nieuwe eisen voor het RST-subsysteem te introduceren.

Direct van toepassing

Van toepassing als de ontwerpfase eindigt op of na 28 september 2030.

Niet van toepassing

Niet van toepassing


Tabel B1.2b

Overgangsregeling voor RST-subsysteem

Nr.

TSI-punt(en)

TSI-punt(en) in de vorige versie zoals vastgesteld bij Uitvoeringsverordening (EU) 2023/1695

Verklaring over wijziging van TSI CCS in Uitvoeringsverordening (EU) 2026/693

Overgangsregeling

Ontwerpfase gestart 5 mei 2026

Ontwerpfase gestart vóór 5 mei 2026

Productiefase

Gebruik van het voertuig

1

Aanhangsel B, tabel B1.2

Verduidelijkingen van aanhangsel B, tabel B1.2

Verduidelijkingen en correcties van overgangsregeling

Direct van toepassing

B2.   Wijzigingen van eisen en overgangsregelingen voor het baansubsysteem CCS

De aangemelde instantie past de punten 7.2.4.2 en 7.4.1.2 toe bij de afgifte van het certificaat van EG-typeonderzoek of -ontwerponderzoek.

Tabel B2

Overgangsregeling voor baansubsysteem CCS

Nr.

TSI-punt(en)

TSI-punt(en) in de versie zoals vastgesteld bij Uitvoeringsverordening (EU) 2016/919

Verklaring over wijziging van TSI CCS ingevoerd bij deze verordening

Overgangsregeling

Correcties fouten baansubsysteem CCS

1

Aanhangsel A

+ punten 7.4.1.2 en 7.2.10.3

Specificatiereeksen 1, 2 en 3 zonder foutcorrectie.

Tabel A2 omvat het onderhoud van de functies in één specificatiereeks.

Baansubsystemen CCS die zich in een gevorderde ontwikkelingsfase bevinden of in bedrijf zijn, moeten de vastgestelde reeks correcties voor de onaanvaardbare fouten als beschreven in punt 7.2.10.1 uitvoeren binnen:

twee jaar en zes maanden na de publicatie door het Bureau van de BCA inclusief de antwoorden op de vragenlijsten als er geen nieuwe vergunning vereist is;

drie jaar na de publicatie door het Bureau van de BCA inclusief de antwoorden op de vragenlijsten als er wel een nieuwe vergunning vereist is.

Baansubsystemen CCS die in dienst zijn gesteld na 28 september 2023 en zich niet in een gevorderde ontwikkelingsfase bevinden, moeten direct voldoen aan de gehandhaafde specificaties van deze TSI.

Verbeteringen baansubsysteem CCS

2

ETCS: aanhangsel A; + punt 7.4.1.3

Niet van toepassing

Nieuwe ETCS-functies uit systeemversies 2.2 tot en met 3.0.

Indien toegepast (facultatieve baanfunctie), direct van toepassing op lijnen die zijn uitgerust met ETCS.

3

ETCS: Punt 4.2.1

Aanhangsel A, tabel 6.3, rij 3; tabel A.2 – indexnrs. 38, 101

Definitie markeerbord gebaseerd op 06E068.

EN 16494 en ontwerpvoorschriften voor geharmoniseerde markeerborden

Direct van toepassing als:

voor het eerst markeerborden geïnstalleerd worden op een lijn die met ERTMS wordt uitgerust (en zich niet in een vergevorderde ontwikkelingsfase bevindt), zelfs als tegelijkertijd ook een systeem van klasse B wordt geïnstalleerd;

of

markeerborden geïnstalleerd worden tijdens de vernieuwing of modernisering (die zich niet in een vergevorderde ontwikkelingsfase bevindt) van het infrastructuursubsysteem op een lijn die met ERTMS is uitgerust.

In aanhangsel A, tabel A.2, indexnr. 101 staan gedetailleerde bepalingen voor de toepasselijke eisen om geharmoniseerde markeerborden aan te brengen.

4

4.2.19

Geen specificaties

Installatie van ATO-baanapparatuur

Indien toegepast (facultatieve baanfunctie), direct van toepassing voor de uitvoering van ATO GoA1/2 op lijnen die zijn uitgerust met ETCS.

5

FRMCS-radiosysteem

Geen specificaties

Nieuwe reeks FRMCS-specificaties

Indien toegepast (facultatieve baanfunctie), direct van toepassing voor FRMCS-project als FRMCS-specificaties zijn ingevuld en gepubliceerd met een wijziging van deze de TSI CCS.

Gedeeltelijke naleving:

6

Niet van toepassing

De punten 6.1.1.3 en 6.4.3 worden geschrapt.

Wanneer ze worden geïmplementeerd, moeten alle functionaliteiten, prestaties en interfaces of prestaties voldoen aan de bepalingen van hoofdstuk 4 (met inbegrip van de specificaties waarnaar wordt verwezen in aanhangsel A).

Na 28 september 2030.

Voormalige specificatiereeksen 1, 2 en 3

7

Aanhangsel A, tabel A 2

Bijlage A, tabel A 2 1, specificatiereeks 1 – tabel A 2 2, specificatiereeks 2 – tabel A 2 3, specificatiereeks 3

Tabel A 2 omvat het onderhoud van de functies in één specificatiereeks.

Eisen en termijn zoals bepaald in punt 7.4.1.2 van bijlage I bij deze TSI.

Normen

8

Aanhangsel A 3

Bijlage A – tabel A 3

EN 50128 is vervangen door de nieuwe norm EN 50716

Na 30 oktober 2026.

ESC/RSC-definities

9

4.2.17 Compatibiliteit van het ETCS-systeem en het radiosysteem

Tabel 6.3.1, rij 10

Analyse door het Bureau van indieningen door IM’s

Beoordeling door de aangemelde instantie van de nieuwe of bijgewerkte ESC/RSC-definitie

Van toepassing sinds 28 september 2024.

Systeemidentificator

10

4.2.20.3 Systeemidentificator

Tabel 6.3, rij 2e

Niet van toepassing

Controle voor systeemidentificator

Van toepassing sinds 28 maart 2024.

Model van aanhangsel D

1

6.5.1 Inhoud van EG-certificaten

6.5.2 Inhoud van EG-verklaringen

Niet van toepassing

Verplicht gebruik van model van aanhangsel D.

Van toepassing sinds 28 maart 2024.


Tabel B2b

Overgangsregeling voor baansubsysteem CCS

Nr.

TSI-punt(en)

TSI-punt(en) in de versie vóór de wijziging ingevoerd bij Uitvoeringsverordening (EU) 2026/693

Verklaring over wijziging van TSI CCS ingevoerd bij Uitvoeringsverordening (EU) 2026/693

Overgangsregeling voor wijzigingen van TSI CCS ingevoerd bij Uitvoeringsverordening (EU) 2026/693

Testspecificaties

1

Aanhangsel A, tabel A 2, indexnr. 98

Indexnr. 98 was gereserveerd.

Inclusief de vorige versie van het document.

Van toepassing vanaf 1 januari 2026 als het ATO-deel (ATO baseline 1 release 1) ingevoerd is.

ATO

2

4.2.19

Implementatie van ATO-baanapparatuur op basis van indexnrs. 84 en 85, v1.0.0.

Implementatie van ATO-baanapparatuur op basis van indexnrs. 84 en 85, v1.1.0.

Van toepassing vanaf 1 januari 2026 als het ATO-deel (ATO baseline 1 release 1) ingevoerd is.

Geharmoniseerde markeerborden

3

ETCS: Aanhangsel A, tabel A.2, indexnrs. 38 en 101.

EN 16494 2015 en ontwerpvoorschriften voor geharmoniseerde markeerborden v1.

EN 16494 2025 en ontwerpvoorschriften voor geharmoniseerde markeerborden v2.

Direct van toepassing als:

voor het eerst markeerborden geïnstalleerd worden op een lijn die met ERTMS wordt uitgerust (en zich niet in een vergevorderde ontwikkelingsfase bevindt), zelfs als tegelijkertijd ook een systeem van klasse B wordt geïnstalleerd;

of

markeerborden geïnstalleerd worden tijdens de vernieuwing of modernisering (die zich niet in een vergevorderde ontwikkelingsfase bevindt) van het infrastructuursubsysteem op een lijn die met ERTMS is uitgerust.

In aanhangsel A, tabel A.2, indexnr. 101 staan gedetailleerde bepalingen voor de toepasselijke eisen om geharmoniseerde markeerborden aan te brengen.

Verduidelijking van overgangsregeling

4

Aanhangsel B, tabel B2

Verduidelijkingen van aanhangsel B, tabel B2

Verduidelijkingen en correcties van de overgangsregeling.

Direct van toepassing

B3.   Wijzigingen van de vereisten voor interoperabiliteitsonderdelen en overgangsregelingen voor subsysteem CCS

De aangemelde instantie past punten 7.2.4.3 toe bij de afgifte van het certificaat van EG-typeonderzoek of -ontwerponderzoek.

7.2.4.3.

De voor de subsystemen CCS bepaalde overgangsperioden zijn van toepassing op de interoperabiliteitsonderdelen, tenzij anders vermeld in deze tabellen.

Tabel B3

Overgangsregeling voor interoperabiliteitsonderdelen CCS

Nr.

TSI-punt(en)

TSI-punt(en) in de versie zoals vastgesteld bij Uitvoeringsverordening (EU) 2016/919

Verklaring over wijziging van TSI CCS ingevoerd bij deze verordening

Overgangsregeling

1

Aanhangsel A

+ punten 4.2.20.1

+ 7.2.10.2

Technische adviezen over fouten onder artikel 10 zijn niet juridisch bindend.

Uitvoering van foutcorrecties in de interoperabiliteitsonderdelen voor ERTMS-boordapparatuur voor bestaande subsystemen CCS voor ETCS-functionaliteit tot en met systeemversie 2.1 en GSM-R.

Indien een of meer geregistreerde fouten worden vastgesteld voor het exploitatiegebied dat is gespecificeerd in de vergunning voor het voertuig:

a)

voor wettelijke releases (met specificaties van foutcorrecties) die vóór 1 januari 2026 zijn gepubliceerd: in een voertuig geïntegreerde interoperabiliteitsonderdelen voor ERTMS-boordapparatuur moeten de noodzakelijke foutcorrecties binnen het in de vergunning vermelde exploitatiegebied uiterlijk 18 maanden na de registratie in het RINF van de toepasselijke CR uitvoeren;

b)

voor wettelijke releases (met specificaties van foutcorrecties) die na 1 januari 2026 zijn gepubliceerd: in een voertuig geïntegreerde interoperabiliteitsonderdelen voor ERTMS-boordapparatuur moeten binnen 18 maanden na de registratie in het RINF van de toepasselijke CR voldoen aan de gehandhaafde specificatiereeks in deze TSI.

Deze overgangsregeling kan flexibel worden gehanteerd in overleg met de aanvrager van de EG-keuring van het boordsubsysteem en de spoorwegonderneming, zolang er aan de algemene overgangsregeling (volgens de tabellen B1.1 en B3) wordt voldaan.

Opmerking:

Indien voor het betrokken exploitatiegebied geen fouten worden geregistreerd, zal de foutencorrectie verplicht worden uitgevoerd volgens de overgangsregeling die gekoppeld is aan het punt van gedeeltelijke naleving.

2

Aanhangsel A

+ punten 4.2.20.1

+ 7.2.10.2

Technische adviezen over fouten onder artikel 10 zijn niet juridisch bindend.

Uitvoering van foutcorrecties in de interoperabiliteitsonderdelen voor ERTMS-baanapparatuur voor nieuwe baanprojecten CCS voor ETCS-functionaliteit tot en met systeemversie 2.1 en GSM-R.

Interoperabiliteitsonderdelen voor baansubsystemen met ERTMS die zijn geïntegreerd in een baansubsysteem CCS waarvoor het project zich niet in een gevorderde ontwikkelingsfase bevindt, moeten direct voldoen aan de gehandhaafde specificaties van deze TSI.

3

Aanhangsel A

+ punten 4.2.20.1

+ 7.2.10.2

Technische adviezen over fouten onder artikel 10 zijn niet juridisch bindend.

Uitvoering van foutcorrecties in de interoperabiliteitsonderdelen voor ERTMS-baanapparatuur voor bestaande baanprojecten CCS (oftewel baansubsystemen die zich in een gevorderde ontwikkelingsfase bevinden of in bedrijf zijn).

Interoperabiliteitsonderdelen voor ERTMS-baansubsystemen die zijn geïntegreerd in een baansubsysteem CCS waarvan het project zich in een gevorderde ontwikkelingsfase bevindt of die zijn geïntegreerd in een operationeel baansubsysteem CCS, moeten de vastgestelde reeks correcties voor de onaanvaardbare baanfouten implementeren binnen twee jaar na de laatste datum tussen de inwerkingtreding van de TSI en de publicatie door het Bureau van de BCA inclusief de antwoorden op de vragenlijsten.

4

Aanhangsel A, tabel A.2

Indexnrs. 90, 92

+ 5.2.2.2

+ 4.2.2.2 (7)

+ 4.2.6

N.v.t.

Implementatie van op Ethernet gebaseerde communicatie voor integratie met interoperabiliteitsonderdelen van ATO-boordapparatuur en FRMCS-boordapparatuur.

Nieuwe interoperabiliteitsonderdelen van ETCS-boordapparatuur die binnen twee jaar na de inwerkingtreding van de TSI op de markt worden gebracht, moeten de op Ethernet gebaseerde verbindingen implementeren die vereist zijn voor ATO- en FRMCS-interfaces, zoals gespecificeerd in indexnr. 90 (punten 3.1.1.2 en 3.1.1.3) en zoals gespecificeerd in indexnr. 92 (punt 7.2).

5

4.2.20.3 Systeemidentificator

Tabel 5.1, rijen 1, 4, 5 en 6.

Tabel 5.2, rijen 1, 2, 3, 4, 5 en 6.

Niet van toepassing

Controle door aangemelde instantie voor systeemidentificator.

Van toepassing sinds 28 maart 2024.

6

6.5.1 Inhoud van EG-certificaten

6.5.2 Inhoud van EG-verklaringen

Niet van toepassing

Verplicht gebruik van model van aanhangsel D.

Van toepassing sinds 28 maart 2024.

Tabel B3b

Overgangsregeling voor interoperabiliteitsonderdelen CCS

Nr.

TSI-punt(en)

TSI-punt(en) in de versie vóór de wijziging ingevoerd bij Uitvoeringsverordening (EU) 2023/1695

Verklaring over wijziging van TSI CCS ingevoerd bij Uitvoeringsverordening (EU) 2023/1695

Overgangsregeling voor wijzigingen van TSI CCS ingevoerd bij Uitvoeringsverordening (EU) 2026/693

1

Aanhangsel B, tabel B3

Verduidelijkingen van aanhangsel B, tabel B3

Verduidelijkingen en correcties van de overgangsregeling.

Direct van toepassing

2

Aanhangsel A, tabel A 2, indexnrs. 31, 37b, 37c en 37d.

Aanhangsel A, tabel A 2, indexnrs. 31, 37b, 37c en 37d.

Inclusief de bijgewerkte versies van het document.

Van toepassing vanaf uiterlijk 1 juli 2026 of vanaf de beschikbaarheid van de nieuwe SUBSET-76-versie als technisch advies van het Bureau.

3

Aanhangsel A, tabel, indexnr. 104

Aanhangsel A, tabel, indexnr. 104

Inclusief de geactualiseerde versie van het document.

Van toepassing vanaf zes maanden na de inwerkingtreding.

“Aanhangsel C

In dit aanhangsel worden de modellen gegeven voor de verschillende ESC/RSC-verklaringen (voor interoperabiliteitsonderdelen).

Aanhangsel C.1: Model ESC-verklaring

MODEL VOOR COMPATIBILITEITSVERKLARING ETCS-SYSTEEM

COMPATIBILITEITSVERKLARING ETCS-SYSTEEM

Document Compatibiliteitsverklaring ETCS-systeem [documentnummer]  (49 52 57 81 82)

Wij, de aanvrager:

[naam van de onderneming]

[volledig postadres]

verklaren op onze eigen verantwoordelijkheid dat het volgende subsysteem (50 53 58 83):

[naam/korte beschrijving van het subsysteem, relevante configuratie, unieke identificator van het subsysteem]

waarop deze verklaring betrekking heeft, is onderworpen aan de relevante controles die overeenkomen met het (de) volgende ESC-type(n):

[verwijzing naar: identificatoren ESC-type zoals opgenomen in het technische document van het Bureau]

beoordeeld is door de volgende aangemelde instantie:

Naam van de onderneming

Registratienummer

Volledig adres

in overeenstemming met het (de) volgende rapport(en):

[verslagnummer(s), afgiftedatum(s)]

De volgende gebruiksvoorwaarden en andere beperkingen zijn van toepassing (51 54 59 84)(55 60):

[verwijzing naar het document met de lijst van gebruiksvoorwaarden en andere beperkingen]

Hierbij zijn de volgende ESC-verklaringen voor interoperabiliteitsonderdelen in overweging genomen:

[geef het gebruik aan van de ESC-verklaringen voor interoperabiliteitsonderdelen]

Verwijzing naar eerdere compatibiliteitsverklaring van het ETCS-systeem (indien van toepassing)

[ja/nee]

Gedaan op:

[datum DD/MM/JJJJ]

Handtekening van aanvrager,

voornaam, achternaam

Aanhangsel C.2: Model ESC-verklaring voor interoperabiliteitsonderdelen

MODEL VOOR ESC-VERKLARING VOOR INTEROPERABILITEITSONDERDELEN

ESC-VERKLARING VOOR INTEROPERABILITEITSONDERDELEN

Document Compatibiliteitsverklaring ETCS-systeem voor het interoperabiliteitsonderdeel [documentnummer]  (56 61)

Wij, de aanvrager:

[naam van de onderneming]

[volledig postadres]

verklaren op onze eigen verantwoordelijkheid dat het volgende interoperabiliteitsonderdeel (62):

[naam/korte beschrijving van het interoperabiliteitsonderdeel, relevante configuratie, unieke identificator van het interoperabiliteitsonderdeel]

waarop deze verklaring betrekking heeft, is onderworpen aan de relevante controles die overeenkomen met het (de) volgende ESC-type(n):

[verwijzing naar: identificatoren ESC-type zoals opgenomen in het technische document van het Bureau]

beoordeeld is door de volgende aangemelde instantie:

Naam van de onderneming

Registratienummer

Volledig adres

in overeenstemming met het (de) volgende rapport(en):

[verslagnummer(s), afgiftedatum(s)]

De volgende gebruiksvoorwaarden en andere beperkingen zijn van toepassing (63)(64):

[verwijzing naar het document met de lijst van gebruiksvoorwaarden en andere beperkingen]

Verwijzing naar eerdere compatibiliteitsverklaring voor interoperabiliteitsonderdelen voor het ETCS-systeem (indien van toepassing)

[ja/nee]

Gedaan op:

[datum DD/MM/JJJJ]

Handtekening van aanvrager,

voornaam, achternaam

Aanhangsel C.3: Model RSC-verklaring

MODEL VOOR COMPATIBILITEITSVERKLARING RADIOSYSTEEM

COMPATIBILITEITSVERKLARING RADIOSYSTEEM

Document Compatibiliteitsverklaring radiosysteem [documentnummer]  (65)

Wij, de aanvrager:

[naam van de onderneming]

[volledig postadres]

verklaren op onze eigen verantwoordelijkheid dat het volgende subsysteem (66):

[naam/korte beschrijving van het subsysteem, relevante configuratie, unieke identificator van het subsysteem]

waarop deze verklaring betrekking heeft, is onderworpen aan de relevante controles die overeenkomen met het (de) volgende RSC-type(n):

[verwijzing naar: identificatoren RSC-type zoals opgenomen in het technische document van het Bureau]

beoordeeld is door de volgende aangemelde instantie:

Naam van de onderneming

Registratienummer

Volledig adres

in overeenstemming met het (de) volgende rapport(en):

[verslagnummer(s), afgiftedatum(s)]

De volgende gebruiksvoorwaarden en andere beperkingen zijn van toepassing (67)(68):

[verwijzing naar het document met de lijst van gebruiksvoorwaarden en andere beperkingen]

Hierbij zijn de volgende RSC-verklaringen voor interoperabiliteitsonderdelen in overweging genomen:

[geef het gebruik aan van de RSC-verklaringen voor interoperabiliteitsonderdelen]

Verwijzing naar eerdere compatibiliteitsverklaring van het radiosysteem (indien van toepassing)

[ja/nee]

Gedaan op:

[datum DD/MM/JJJJ]

Handtekening van aanvrager,

voornaam, achternaam

Aanhangsel C.4: Model van de RSC-verklaring voor interoperabiliteitsonderdelen

MODEL VAN DE RSC-VERKLARING VOOR INTEROPERABILITEITSONDERDELEN

RSC-VERKLARING VOOR INTEROPERABILITEITSONDERDELEN

Document compatibiliteitsverklaring radiosysteem voor het interoperabiliteitsonderdeel [documentnummer]  (69)

Wij, de aanvrager:

[naam van de onderneming]

[volledig postadres]

verklaren op onze eigen verantwoordelijkheid dat het volgende interoperabiliteitsonderdeel (70):

[naam/korte beschrijving van het interoperabiliteitsonderdeel, relevante configuratie, unieke identificator van het interoperabiliteitsonderdeel]

waarop deze verklaring betrekking heeft, is onderworpen aan de relevante controles die overeenkomen met het (de) volgende RSC-type(n):

[verwijzing naar: identificatoren RSC-type zoals opgenomen in het technische document van het Bureau]

beoordeeld is door de volgende aangemelde instantie:

Naam van de onderneming

Registratienummer

Volledig adres

in overeenstemming met het (de) volgende rapport(en):

[verslagnummer(s), afgiftedatum(s)]

De volgende gebruiksvoorwaarden en andere beperkingen zijn van toepassing (71)(72):

[verwijzing naar het document met de lijst van gebruiksvoorwaarden en andere beperkingen]

Verwijzing naar eerdere compatibiliteitsverklaring voor interoperabiliteitsonderdelen voor het radiosysteem (indien van toepassing)

[ja/nee]

Gedaan op:

[datum DD/MM/JJJJ]

Handtekening van aanvrager,

voornaam, achternaam

Aanhangsel C.5: Model gecombineerde ESC/RSC-verklaring

MODEL VOOR COMPATIBILITEITSVERKLARING ETCS- EN RADIOSYSTEEM

COMPATIBILITEITSVERKLARING ETCS- EN RADIOSYSTEEM

Document Compatibiliteitsverklaring ETCS- en radiosysteem [documentnummer]  (73)

Wij, de aanvrager:

[naam van de onderneming]

[volledig postadres]

verklaren op onze eigen verantwoordelijkheid dat het volgende subsysteem (74):

[naam/korte beschrijving van het subsysteem, relevante configuratie, unieke identificator van het subsysteem]

waarop deze verklaring betrekking heeft, is onderworpen aan de relevante controles die overeenkomen met de volgende ESC- en RSC-typen:

[verwijzing naar: identificatoren ESC- en RSC-type zoals opgenomen in het technische document van het Bureau]

beoordeeld is door de volgende aangemelde instantie:

Naam van de onderneming

Registratienummer

Volledig adres

in overeenstemming met het (de) volgende rapport(en):

[verslagnummer(s), afgiftedatum(s)]

De volgende gebruiksvoorwaarden en andere beperkingen zijn van toepassing (75)(76):

[verwijzing naar het document met de lijst van gebruiksvoorwaarden en andere beperkingen]

Hierbij zijn de volgende ESC- en RSC-verklaringen voor interoperabiliteitsonderdelen in overweging genomen:

[geef het gebruik aan van de ESC- en RSC-verklaringen voor interoperabiliteitsonderdelen]

Verwijzing naar eerdere RSC-verklaring en compatibiliteitsverklaring ETCS-systeem (indien van toepassing)

[ja/nee]

Gedaan op:

[datum DD/MM/JJJJ]

Handtekening van aanvrager,

voornaam, achternaam

Aanhangsel C.6: Model gecombineerde ESC/RSC-verklaring voor een interoperabiliteitsonderdeel

MODEL VAN DE GECOMBINEERDE ESC- EN RSC-VERKLARING VOOR EEN INTEROPERABILITEITSONDERDEEL

GECOMBINEERDE ESC- EN RSC-VERKLARING VOOR EEN INTEROPERABILITEITSONDERDEEL

Document compatibiliteitsverklaring ETCS- en RSC-verklaring voor een interoperabiliteitsonderdeel [documentnummer]  (77)

Wij, de aanvrager:

[naam van de onderneming]

[volledig postadres]

verklaren op onze eigen verantwoordelijkheid dat het volgende interoperabiliteitsonderdeel (78):

[naam/korte beschrijving van het interoperabiliteitsonderdeel, relevante configuratie, unieke identificator van het interoperabiliteitsonderdeel]

waarop deze verklaring betrekking heeft, is onderworpen aan de relevante controles die overeenkomen met de volgende ESC- en RSC-typen:

[verwijzing naar: identificatoren ESC- en RSC-type zoals opgenomen in het technische document van het Bureau]

beoordeeld is door de volgende aangemelde instantie:

Naam van de onderneming

Registratienummer

Volledig adres

in overeenstemming met het (de) volgende rapport(en):

[verslagnummer(s), afgiftedatum(s)]

De volgende gebruiksvoorwaarden en andere beperkingen zijn van toepassing (79)(80):

[verwijzing naar het document met de lijst van gebruiksvoorwaarden en andere beperkingen]

Verwijzing naar eerdere ESC-verklaring en compatibiliteitsverklaring voor interoperabiliteitsonderdelen voor het radiosysteem (indien van toepassing)

[ja/nee]

Gedaan op:

[datum DD/MM/JJJJ]

Handtekening van aanvrager,

voornaam, achternaam

“Aanhangsel D

In dit aanhangsel wordt het model gegeven voor de beschrijving van voorwaarden, beperkingen en toegevoegde functies.

Het document beschrijft het model en het gebruik ervan op de webpagina van het Bureau in de sectie ERTMS.

“Aanhangsel E

Lijst van geharmoniseerde tekstindicaties en berichten die op de ETCS-machinisteninterface worden weergegeven.

Tabel E1

Lijst van geharmoniseerde tekstindicaties en berichten die op de ETCS-machinisteninterface worden weergegeven.

ID-nummer

Tekstaanduiding/bericht

1

Bevestiging

2

Adhesie

3

Luchtverversing gesloten

4

ATO-gegevens

5

Invoer ATO-gegevens compleet?

6

ATO-gegevens tonen

7

ATO heeft gegevens nodig

8

ATO-keuzeschakelaar

9

Aslastcategorie

10

Leesfout balise

11

BMM-reactie onderdrukken

12

Rempercentage

13

Helderheid

14

Communicatiefout met RBC

15

Inbellen bij laatste RBC

16

Verder rijden in SM

17

Gegevens

18

Gegevens tonen

19

Verwijderen

20

ID machinist/treinbestuurder

21

Noodremming (Emergency stop)

22

Einde invoer gegevens (Data Entry)

23

Gegevens invoeren

24

RBC-gegevens invoeren

25

Binnenrijden FS

26

Binnenrijden OS

27

Binnenrijden SM

28

Verlaten SH

29

Verlaten SM

113

FRMCS-netwerkregistratie mislukt

114

ID GSM-R-netwerk

115

GSM-R-netwerkregistratie mislukt

30

Activeren SM

31

Taal

32

Lengte (m)

33

Niveau (Level)

34

Overweg niet beveiligd

35

Omgrenzingsprofiel/Laadprofiel

36

Hoofdmenu

37

SH behouden

38

Maximumsnelheid

116

Rit met één radiosysteem

39

NL niet meer toegestaan

40

Nr.

41

Geen MA bij niveau-overgang/level-transitie

42

Geen spoorgegevens/infra-gegevens

43

Glad spoor uitschakelen

44

Non-Leading

45

Odometrie afwijking

46

Aan

47

Actieve systeemversie

48

Buiten profiel GC

49

Override

50

PT-afstand overschreden

51

Radiogegevens

52

Radionetwerk ID

53

Radionetwerkregistratie mislukt

117

Radionetwerktype

54

RBC-gegevens

55

Invoer RBC-gegevens compleet?

56

RBC ID

57

RBC-telefoonnummer

58

BMM-reactie niet meer onderdrukken

59

Verwijderen VBC

60

Invoer voor verwijderen VBC compleet?

61

Route niet geschikt — Aslastcategorie

62

Route niet geschikt — Omgrenzingsprofiel/Laadprofiel

63

Route niet geschikt — Tractiesysteem

64

Onbedoelde beweging

65

RV-afstand overschreden

66

Probleem TIMS

67

Type selecteren

68

VBC instellen

69

Invoer voor instellen VBC compleet?

70

Instellingen

71

SH geweigerd door RBC

72

SH-aanvraag mislukt

73

SH — Stopbevel (Stop Order)

74

Shunting

75

Glad spoor inschakelen

76

SM geweigerd door RBC

77

SM-aanvraag mislukt

78

Speciaal

79

Specifieke gegevensinvoer

80

SR-afstand overschreden

81

SR-snelheid/SR-afstand

82

Invoer SR-snelheid/SR-afstand compleet?

83

SR — Stopbevel (Stop Order)

84

Stand-by

85

Start

86

Systeemversie

87

Storing ETCS-infra

88

ETCS-versies komen niet overeen

89

Treincategorie

90

Treingegevens (Train Data)

91

Treingegevens (Train Data) gewijzigd

92

Invoer treingegevens (Train Data) compleet?

93

Treinintegriteit

94

Trein geweigerd door RBC

95

Treinnummer

96

Treintype

97

EOA/LOA zonder toestemming gepasseerd/overschreden

98

Snelkeuze

99

ATO-gegevens valideren

100

[naam NTC]-gegevens valideren

101

Verwijderen van VBC valideren

102

Instellen van VBC valideren

103

Treingegevens (Train Data) valideren

104

VBC[n]-code instellen

105

VBC-code

106

Volume

107

Ja

108

[naam van NTC]-remingreep

109

Invoer [naam NTC]-gegevens compleet?

110

[naam NTC] gestoord

111

[naam NTC] niet beschikbaar

112

[naam van NTC] heeft gegevens nodig

“Aanhangsel F (49 52 57 81 82)

Open punten

Open punt

Opmerkingen

Eisen inzake betrouwbaarheid/beschikbaarheid

Vaak voorkomende situaties van gestoord bedrijf door defecten van de besturings- en seingevingsapparatuur verminderen de veiligheid van het systeem. Zie punt 4.2.1.2

“Aanhangsel G

Gedeeltelijke naleving

Niettegenstaande de in deze TSI toegestane opties, bv. onder punt 7.3.2 of in subset 34, mag van deze TSI worden afgeweken op voorwaarde dat wordt voldaan aan de bepalingen van punt 6.1.1.2 en dat de afwijking binnen een van de onderstaande categorieën valt en beperkt is tot de in de onderstaande tabel gedefinieerde gevallen:

(1)

functies waarvoor upgrades van bestaande installaties nodig zijn, wat de economische levensvatbaarheid van een project met betrekking tot upgrades van reeds goedgekeurde hardware die in de voertuigen is geïnstalleerd in gevaar zou brengen.

Gedeeltelijke naleving van de eis van de TSI

Voorwaarden en risicobeperkende maatregelen

Toepassingsgebied van gedeeltelijke naleving

SUBSET-091: er kan worden afgezien van veiligheidseisen die leiden tot DMI SIL 2.

De daarmee gepaard gaande gevaren in verband met de veiligheidseisen die tot DMI SIL 2 leiden, moeten met passende maatregelen worden beperkt.

Alleen toegestaan in geval van een upgrade van een bestaand ETCS-onderdeel (met DMI SIL 0).

Geschrapt (49 52 57 81 82).

Geschrapt.

Geschrapt (50 53 58 83)  (51 54 59 84).

Geschrapt

Geschrapt

Geschrapt

“Aanhangsel H

In dit aanhangsel is het model voor het Nationaal uitvoeringsplan opgenomen.

JAAR VAN AFGIFTE

NATIONAAL UITVOERINGSPLAN

[LIDSTAAT]

Inhoudsopgave

1.

ALGEMENE MIGRATIESTRATEGIE — INLEIDING 151

2.

ALGEMENE CONTEXTBESCHRIJVING VAN DE HUIDIGE STATUS 151

2.1.

Contextbeschrijving van de systemen van klasse A, ATO en het treindetectiegedeelte 151

2.1.1

Huidige implementatiestatus van de systemen van klasse A, ATO en het treindetectiegedeelte 151

2.1.2

Voordelen op de aspecten capaciteit, veiligheid, betrouwbaarheid en prestaties 159

2.1.3

Huidige verplichte eisen boordapparatuur 159

2.1.4

Huidige status implementatie CCS-boordsubsystemen 160

2.1.5

Informatie over het ESC/RSC-type dat gekoppeld is aan lijnen en activiteiten voor integratie langs het spoor/in het voertuig 160

2.1.6

Informatie over landsgrensoverschrijdende lijnen 160

2.1.7

Informatie over knooppunten 160

2.2.

Contextbeschrijving systemen van klasse B 160

2.2.1

Huidige status systemen van klasse B 161

2.2.2

Maatregelen die zijn genomen om open marktvoorwaarden te waarborgen 165

3.

TECHNISCHE MIGRATIESTRATEGIE 165

3.1.

Technische migratiestrategie voor het ETCS-gedeelte 165

3.1.1

Baseline en strategie voor het updaten van de niveaus 166

3.2.

Technische migratiestrategie voor het radiogedeelte 167

3.3.

Technische migratiestrategie voor het ATO-gedeelte 171

3.4.

Technische migratiestrategie voor het treindetectiegedeelte 173

3.5.

Migratiestrategie voor specifieke gevallen 175

3.6.

Technische migratiestrategie voor CCS-boordsubsystemen 175

4.

FINANCIËLE TREIN- EN SPOORINFORMATIE 175

5.

PLANNING 175

5.1.

Planning voor het treinbeveiligingsgedeelte 175

5.1.1

Datums waarop het ETCS in gebruik wordt genomen 175

5.1.2

Buitengebruikstelling van treinbeveiligingssystemen van klasse B 175

5.1.3

Informatie over landsgrensoverschrijdende lijnen 176

5.1.4

Informatie over knooppunten 176

5.2.

Planning voor het radiogedeelte 176

5.2.1

Datums waarop GSM-R in gebruik wordt genomen 176

5.2.2

Buitengebruikstelling radiosystemen van klasse B 176

5.2.3

Datums waarop het FRMCS in gebruik wordt genomen 177

5.2.4

Buitengebruikstelling van GSM-R 177

5.2.5

Informatie over landsgrensoverschrijdende lijnen 178

5.2.6

Informatie over knooppunten 178

5.3.

Planning voor het ATO-gedeelte 178

5.3.1

Informatie over landsgrensoverschrijdende lijnen 178

5.3.2

Informatie over knooppunten 178

5.4.

Planning voor het treindetectiegedeelte 179

5.4.1

Informatie over landsgrensoverschrijdende lijnen 179

5.4.2

Informatie over knooppunten 179

5.5.

Planning voor CCS-boordsubsystemen 179

5.5.1

Informatie over landsgrensoverschrijdende voertuigen 179

6.

NIEUWE VERPLICHTE EISEN BOORDAPPARATUUR 179

1.   ALGEMENE MIGRATIESTRATEGIE — INLEIDING

[In dit deel kan de lidstaat de algemene uitrolstrategie beschrijven.]

2.   ALGEMENE CONTEXTBESCHRIJVING VAN DE HUIDIGE STATUS

2.1.   Contextbeschrijving van de systemen van klasse A, ATO en het treindetectiegedeelte

2.1.1.   Contextbeschrijving van de systemen van klasse A, ATO en het treindetectiegedeelte

[Dit deel bevat feiten en cijfers over de huidige status van geïnstalleerde systemen van klasse A (zowel treinbeveiliging als radio), ATO en treindetectiesystemen.

Deze informatie moet worden verstrekt, met inbegrip van een kaart en een tabel met relevante informatie over de huidige inzetsituatie voor elk van de systemen.

Het model dat moet worden ingevuld om de informatie in dit gedeelte te verstrekken, wordt hieronder gegeven.]

—   Huidige status van de inzet van een treinbeveiligingssysteem van klasse A

[Geef hier, indien relevant, toelichting over de huidige stand van zaken wat de uitrol van ETCS betreft.]

Figuur 1

Huidige status ETCS-implementatie

[Voeg hier een kaart toe met de huidige status van de ETCS-uitrol. Op die kaart moet duidelijk worden aangeduid of ETCS reeds in werking is, dan wel reeds geïnstalleerd, maar nog niet in werking.

Ook als alleen de lijnen waarop ETCS reeds is geïnstalleerd op de kaart worden aangeduid, moeten alle lijnen die onder TSI vallen, met inbegrip van de knooppunten en “last mile”-verbindingen, op de kaart worden weergegeven. De kaart en legende moeten duidelijk leesbaar zijn.]

Tabel 1

Huidige status ETCS-implementatie

ID

Lijn

Huidige implementatiestatus

Verplichte deadline ETCS-toepassing

Aanvullende informatie

Aantekening

Huidige status

Datum waarop ETCS in gebruik is genomen

Lengte

Niveau(s)

Baseline en systeemversie

[Vermeld hier het lijnidentificatienummer]

[Vermeld hier de naam van de lijn]

[Vermeld hier de huidige status van de ETCS-implementatie op de lijn. ETCS in bedrijf/ETCS geïnstalleerd]

[Voor lijnen met ETCS dat al in bedrijf is. Vermeld hier de datum waarop ETCS in gebruik is genomen.]

[Vermeld hier de laatste deadline voor apparatuur van de lijn met ETCS, zoals vastgelegd in de EU-regelgeving]

[Vermeld hier de totale lengte van de lijn]

[Vermeld hier het (de) geïmplementeerde ETCS-niveau(s)]

[Vermeld hier de baseline en de systeemversie van het geïmplementeerde ETCS]

[Voeg hier, indien relevant, aanvullende opmerkingen toe]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

—   Huidige status implementatie ATO-systeem

[Dit punt is alleen verplicht als de ATO-implementatie al is gestart]

[Geef hier, indien relevant, toelichting over de uitrol van ATO.]

Figuur 2

Huidige status ATO-implementatie

[Voeg hier een kaart toe met de huidige status van de ATO-uitrol. Op die kaart moet duidelijk worden aangeduid of ATO reeds in werking is, dan wel reeds geïnstalleerd, maar nog niet in werking.

Ook als alleen de lijnen waarop ATO reeds is geïnstalleerd op de kaart worden aangeduid, moeten alle lijnen die onder TSI vallen, met inbegrip van de knooppunten en “last mile”-verbindingen, op de kaart worden weergegeven. De kaart en legende moeten duidelijk leesbaar zijn.]


Tabel 2

Huidige status ATO-implementatie

ID

Lijn

Huidige status ATO-implementatie

Aanvullende informatie

Aantekening

Huidige status

Datum waarop ATO in gebruik is genomen

Lengte

Baseline

Andere relevante aspecten voor ATO-implementatie (bv. GoA)

[Vermeld hier het lijnidentificatienummer]

[Vermeld hier de naam van de lijn]

[Vermeld hier de huidige status van de ATO-implementatie op de lijn. ATO in bedrijf/ATO geïnstalleerd]

[Voor lijnen met ATO dat al in bedrijf is. Vermeld hier de datum waarop ATO in gebruik is genomen.]

[Vermeld hier de totale lengte van de lijn]

[Vermeld hier de baseline van de geïmplementeerde ATO]

[Vermeld hier …]

[Voeg hier, indien relevant, aanvullende opmerkingen toe]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

—   Huidige status implementatie radiosysteem van klasse A

[Geef hier, indien relevant, toelichting over de huidige stand van zaken wat de uitrol van een radiosysteem van klasse A betreft.]

Figuur 3

Huidige status GSM-R-implementatie

[Voeg hier een kaart toe met de huidige status van de GSM-R-uitrol. Op die kaart moet duidelijk worden aangeduid of GSM-R reeds in werking is, dan wel reeds geïnstalleerd, maar nog niet in werking.

Ook als alleen de lijnen waarop GSM-R reeds is geïnstalleerd op de kaart worden aangeduid, moeten alle lijnen die onder TSI vallen, met inbegrip van de knooppunten en “last mile”-verbindingen, op de kaart worden weergegeven. De kaart en legende moeten duidelijk leesbaar zijn.]

Figuur 4

Huidige status FRMCS-implementatie

[Voeg hier een kaart toe met de huidige status van de FRMCS-uitrol. Op die kaart moet duidelijk worden aangeduid of FRMCS reeds in werking is, dan wel reeds geïnstalleerd, maar nog niet in werking.

Ook als alleen de lijnen waarop FRMCS reeds is geïnstalleerd op de kaart worden aangeduid, moeten alle lijnen die onder TSI vallen, met inbegrip van de knooppunten en “last mile”-verbindingen, op de kaart worden weergegeven. De kaart en legende moeten duidelijk leesbaar zijn.

Deze kaart is alleen verplicht als de FRMCS-implementatie al is gestart]

Tabel 3

Huidige status GSM-R-implementatie

 

 

Huidige status GSM-R-implementatie

Aanvullende informatie

Aantekening

ID

Lijn

Huidige status

Datum waarop GSM-R in gebruik is genomen

Lengte

GSM-R spraak/GSM-R data

Baseline

[Vermeld hier het lijnidentificatienummer]

[Vermeld hier de naam van de lijn]

[Vermeld hier de huidige status van GSM-R-implementatie op de lijn. GSM-R in bedrijf/GSM-R geïnstalleerd]

[Voor lijnen met een GSM-R-radiosysteem dat al in bedrijf is. Vermeld hier de datum waarop het radiosysteem van klasse A in gebruik is genomen.]

[Vermeld hier de totale lengte van de lijn]

[Geef hier aan of GSM-R spraak of data is geïnstalleerd]

[Vermeld hier de baseline van de geïmplementeerde GSM-R]

[Voeg hier, indien relevant, aanvullende opmerkingen toe]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Tabel 4

Huidige status FRMCS-implementatie

 

 

Huidige status FRMCS-implementatie

Aanvullende informatie

Aantekening

ID

Lijn

Huidige status

Datum waarop FRMCS in gebruik is genomen

Lengte

GSM-R-status

Baseline

[Vermeld hier het lijnidentificatienummer]

[Vermeld hier de naam van de lijn]

[Vermeld hier de huidige status van FRMCS-implementatie op de lijn. FRMCS in bedrijf/FRMCS geïnstalleerd]

[Voor lijnen met een FRMCS-radiosysteem dat al in bedrijf is. Vermeld hier de datum waarop het radiosysteem van klasse A in gebruik is genomen.]

[Vermeld hier de totale lengte van de lijn]

[Specificeer hier de status van de lijn ten opzichte van GSM-R. GSM-R in bedrijf/GSM-R niet in bedrijf]

[Vermeld hier de baseline van de geïmplementeerde FRMCS]

[Voeg hier, indien relevant, aanvullende opmerkingen toe]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[Het toevoegen van tabel 4 (Huidige status FRMCS-implementatie) is alleen verplicht als de FRMCS-implementatie al is gestart]

—   Huidige status implementatie TSI-conform treindetectiesysteem

[Geef hier, indien relevant, toelichting over de uitrol van een TSI-conform treindetectiesysteem.]

Figuur 5

Huidige status implementatie TSI-conform treindetectiesysteem

[Voeg hier een kaart toe met de huidige status van een TSI-conform treindetectiesysteem. Op die kaart moet duidelijk worden aangeduid of het TSI-conform treindetectiesysteem reeds in werking is, dan wel reeds geïnstalleerd, maar nog niet in werking.

Ook als alleen de lijnen waarop het TSI-conform treindetectiesysteem reeds is geïnstalleerd op de kaart worden aangeduid, moeten alle lijnen die onder TSI vallen, met inbegrip van de knooppunten en “last mile”-verbindingen, op de kaart worden weergegeven. De kaart en legende moeten duidelijk leesbaar zijn.]

Tabel 5

Huidige status implementatie TSI-conform treindetectiesysteem

ID

Lijn

Huidige status implementatie TSI-conform treindetectiesysteem

Aanvullende informatie

Aantekening

Huidige status

Datum waarop TSI-conform treindetectiesysteem in gebruik is genomen

Lengte

[Andere relevante aspecten voor TSI-conform treindetectiesysteem]

[Vermeld hier het lijnidentificatienummer]

[Vermeld hier de naam van de lijn]

[Vermeld hier de huidige status van de implementatie op de lijn van het TSI-conforme treindetectiesysteem. TSI-conform treindetectiesysteem in bedrijf/TSI-conform treindetectiesysteem geïnstalleerd]

[Voor lijnen waar al een TSI-conform treindetectiesysteem in bedrijf is. Vermeld hier de datum waarop het TSI-conform treindetectiesysteem in gebruik is genomen.]

[Vermeld hier de totale lengte van de lijn]

[Vermeld hier …]

[Voeg hier, indien relevant, aanvullende opmerkingen toe]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

2.1.2.   Voordelen op de aspecten capaciteit, veiligheid, betrouwbaarheid en prestaties

[Dit deel moet informatie bevatten over de voordelen die worden geboden door TSI-conforme systemen van klasse A (zowel treinbeveiliging als radio), ATO en treindetectiesystemen met betrekking tot capaciteit, veiligheid, betrouwbaarheid en prestaties.

Voor de volledigheid bevat dit deel zowel de methode die is gebruikt om de voordelen te meten als de feiten en cijfers over de gevolgen.

Het model dat moet worden ingevuld om de informatie in dit gedeelte te verstrekken, wordt hieronder gegeven]

[Voeg hier de beschrijving toe van de methoden of indicatoren die gebruikt worden om de voordelen te meten met betrekking tot capaciteit, veiligheid, betrouwbaarheid en prestaties.]


Tabel 6

Verwachte voordelen voor de capaciteit, veiligheid, betrouwbaarheid en prestaties

Voordelen:

Gevolgen voor het systeem

Sociale gevolgen

Belanghebbende

Capaciteit

[Vermeld hier de indicatoren van de gevolgen voor het systeem wat betreft capaciteit.

Een voorbeeld: % verkorting rijtijd per trein, % verkorting intervaltijd...]

[Vermeld hier de indicatoren van de sociale gevolgen wat betreft capaciteit.

Een voorbeeld: jaarlijks aantal door alle reizigers gewonnen reisuren]

[Vermeld hier de belanghebbenden die de behoefte hebben uitdrukt en de afspraken die binnen de lidstaten zijn gemaakt voor de uitgesproken behoeften]

Veiligheid

[Vermeld hier de indicatoren van de gevolgen voor het systeem wat betreft veiligheid.

Een voorbeeld: % verlaging SPAD]

[Vermeld hier de indicatoren van de sociale gevolgen wat betreft veiligheid.

Een voorbeeld: Vermindering van het aantal sterfgevallen per jaar]

[Vermeld hier de belanghebbenden die de behoefte hebben uitdrukt en de afspraken die binnen de lidstaten zijn gemaakt voor de uitgesproken behoeften]

Betrouwbaarheid

[Vermeld hier de indicatoren van de gevolgen voor het systeem wat betreft betrouwbaarheid.

Een voorbeeld: % vermindering van het aantal treinvertragingen als gevolg van storingen]

[Vermeld hier de indicatoren van de sociale gevolgen wat betreft betrouwbaarheid.

Een voorbeeld: Vermindering van het verwachte aantal verloren uren van reizigers.]

[Vermeld hier de belanghebbenden die de behoefte hebben uitdrukt en de afspraken die binnen de lidstaten zijn gemaakt voor de uitgesproken behoeften]

Prestaties

[Vermeld hier de indicatoren van de gevolgen voor het systeem wat betreft prestaties.]

[Vermeld hier de indicatoren van de sociale gevolgen wat betreft prestaties.]

[Vermeld hier de belanghebbenden die de behoefte hebben uitdrukt en de afspraken die binnen de lidstaten zijn gemaakt voor de uitgesproken behoeften]

 

[De lijst van voordelen en gevolgen kan worden aangepast afhankelijk van de analyse die door de lidstaten is uitgevoerd]

2.1.3.   Huidige verplichte eisen boordapparatuur

[Dit deel bevat de huidige wettelijke nationale verwijzing naar de eisen voor CCS-boordapparatuur. Indien deze eisen verschillen tussen de verschillende lijnen van het netwerk, moet duidelijk worden gedefinieerd welke eisen in elk geval van toepassing zijn.

Het model dat moet worden ingevuld om de informatie in dit gedeelte te verstrekken, wordt hieronder gegeven]

[Geef hier, indien relevant, toelichting over de huidige nationale wetgeving voor de eisen voor CCS-boordapparatuur.]


Tabel 7

Gegevens investeringsplan

Jaar

Belanghebbenden

Actie

[Vermeld hier het jaar waarin de investering zal worden gedaan]

[Vermeld hier welke belanghebbende(n) de investering zal/zullen realiseren]

[Vermeld hier welke actie (s) met deze investering is/worden voorzien]

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Tabel 8

Huidige eisen CCS-boordapparatuur

Geografisch toepassingsgebied

Wettelijke nationale verwijzing naar eisen CCS-boordapparatuur

[Vermeld hier het geografische toepassingsgebied waarin de specifieke eisen momenteel van toepassing zijn. Een voorbeeld: Het complete netwerk of specifieke lijnen.]

[Vermeld hier de wettelijke verwijzing naar de eisen voor CCS-boordapparatuur of specificeer hier de toepasselijke eisen.]

 

 

 

 

 

 

2.1.4.   Huidige status implementatie CCS-boordsubsystemen.

[Dit deel bevat feiten en cijfers over de huidige status van CCS-boordsubsystemen, op basis van de beschikbare informatie]

2.1.5.   informatie over het ESC/RSC-type dat gekoppeld is aan lijnen en activiteiten voor integratie langs het spoor/in het voertuig.

[Dit deel omvat de huidige status van de ESC/RSC-types, zo lang die bestaan.]

2.1.6.   Informatie over landsgrensoverschrijdende lijnen

[In dit deel wordt de actuele status van landsgrensoverschrijdende lijnen vermeld]

2.1.7.   Informatie over knooppunten

[In dit deel wordt de actuele status van knooppunten vermeld]

2.2.   Contextbeschrijving systemen van klasse B

[Dit deel is niet verplicht in de lidstaten die de buitengebruikstelling van klasse B reeds hebben voltooid.]

2.2.1.   Huidige status systemen van klasse B

[Dit deel moet een contextbeschrijving bevatten van de huidige status van systemen van klasse B en hun economische levensduur. Voor de volledigheid bevat de beschrijving ten minste:

een contextbeschrijving van de geïnstalleerde systemen van klasse B;

de resterende economische levensduur van de bestaande systemen van klasse B.

Er moet informatie worden verstrekt over het systeem van klasse B dat momenteel in elke lijn is geïnstalleerd, met inbegrip van een kaart en een tabel met relevante informatie.

Het model dat moet worden ingevuld om de informatie in dit gedeelte te verstrekken, wordt hieronder gegeven]

—   Huidige status treinbeveiligingssysteem van klasse B

[Geef hier toelichting over de verschillende treinbeveiligingssystemen van klasse B die op dit moment geïnstalleerd zijn en over de resterende levensduur van elk van die systemen.]

Figuur 6

Geïnstalleerd treinbeveiligingssysteem van klasse B

[Voeg hier een kaart toe met een overzicht van de lijnen die op dit moment met een treinbeveiligingssysteem van klasse B zijn uitgerust.

Op die kaart moet duidelijk worden aangegeven of het treinbeveiligingssysteem van klasse B nog in werking is, dan wel is geïnstalleerd maar niet in werking of reeds buiten werking gesteld. Als er meer dan één treinbeveiligingssysteem van klasse B is, moet voor elke lijn op de kaart worden aangeduid met welk systeem zij is uitgerust.

Ook als alleen de lijnen die nog met een treinbeveiligingssysteem van klasse B op de kaart worden aangeduid, moeten alle lijnen die onder TSI vallen, met inbegrip van de knooppunten en “last mile”-verbindingen, op de kaart worden weergegeven. De kaart en legende moeten duidelijk leesbaar zijn.]

Tabel 9

Geïnstalleerd treinbeveiligingssysteem van klasse B

ID

Lijn

Huidige status

Lengte

Geïnstalleerd treinbeveiligingssysteem van klasse B

Aantekening

[Vermeld hier het lijnidentificatienummer]

[Vermeld hier de naam van de lijn]

[Vermeld hier de huidige status van het treinbeveiligingssysteem van klasse B op de lijn. In bedrijf/geïnstalleerd maar niet in bedrijf/wordt buiten gebruik gesteld]

[Vermeld hier de totale lengte van de lijn]

[Vermeld hier het geïnstalleerde treinbeveiligingssysteem van klasse B]

[Voeg hier, indien relevant, aanvullende opmerkingen toe]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

—   Huidige status radiosysteem van klasse B

[Geef hier toelichting over de verschillende radiosystemen van klasse B die op dit moment geïnstalleerd zijn en over de resterende levensduur van elk van die systemen.]

Figuur 7

Geïnstalleerd radiosysteem van klasse B

[Voeg hier een kaart toe met een overzicht van de lijnen die op dit moment met een radiosysteem van klasse B zijn uitgerust.

Op die kaart moet duidelijk worden aangegeven of het radiosysteem van klasse B nog in werking is, dan wel is geïnstalleerd maar niet in werking of reeds buiten werking gesteld. Als er meer dan één radiosysteem van klasse B is, moet voor elke lijn op de kaart worden aangeduid met welk systeem zij is uitgerust.

Ook als alleen de lijnen die nog steeds met een radiosysteem van klasse B zijn uitgerust op de kaart worden aangeduid, moeten alle lijnen die onder TSI vallen, met inbegrip van de knooppunten en “last mile”-verbindingen, op de kaart worden weergegeven. De kaart en legende moeten duidelijk leesbaar zijn.]

Tabel 10

Geïnstalleerd radiosysteem van klasse B

ID

Lijn

Huidige status

Lengte

Geïnstalleerd radiosysteem van klasse B

Aantekening

[Vermeld hier het lijnidentificatienummer]

[Vermeld hier de naam van de lijn]

[Vermeld hier de huidige status van het radiosysteem van klasse B op de lijn. In bedrijf/geïnstalleerd maar niet in bedrijf/wordt buiten gebruik gesteld]

[Vermeld hier de totale lengte van de lijn]

[Vermeld hier het geïnstalleerde radiosysteem van klasse B]

[Voeg hier, indien relevant, aanvullende opmerkingen toe]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

2.2.2.   Maatregelen die zijn genomen om open marktvoorwaarden te waarborgen

[Dit deel moet een beschrijving bevatten van de maatregelen die zijn genomen om open marktvoorwaarden te waarborgen voor oude systemen van klasse B als bedoeld in punt 7.2.3.

Het model dat moet worden ingevuld om de informatie in dit gedeelte te verstrekken, wordt hieronder gegeven]

[Vermeld hier de specifieke maatregelen die voor de oude klasse B-systemen op het netwerk zijn genomen overeenkomstig punt 7.2.3. In de verstrekte informatie moet een onderscheid worden gemaakt tussen de specifieke maatregelen voor elk klasse-B-systeem. De volgende informatie moet worden vermeld:

Type product van klasse B en/of de specificaties van klasse B die vrij beschikbaar zijn voor integratie met een ETCS-boordsysteem in bestaand rollend materieel.

Maatregelen die zijn genomen om de beschikbaarheid van klasse B-producten en/of de specificaties te waarborgen.

Bevestiging van de beschikbaarheid van functionele en interfacespecificaties. Met inbegrip van de link naar de specificaties

Specificeer de risicobeperkende maatregelen als de beschikbaarheid vanwege technische of commerciële redenen niet kan worden gewaarborgd.]

3.   TECHNISCHE MIGRATIESTRATEGIE

3.1.   Technische migratiestrategie voor het ETCS-gedeelte

[Dit deel moet de informatie en de planning bevatten van de technische migratiestrategie van het ETCS-gedeelte, met inbegrip van het ETCS-niveau en de vereiste systeemversie per lijn en per netwerk.

Voor de volledigheid moet ten minste de volgende informatie worden verstrekt:

Redenen voor de beslissing over het ETCS-niveau en de systeemversie voor elke lijn of type lijn.

Implementatiestrategie. Overlay in de trein of overlay langs de baan.

Tabel met voor elke lijn de geplande implementatiedata, het ETCS-niveau, de systeemversie, de planningsdata voor de buitengebruikstelling van klasse B op de lijn en andere relevante informatie. De tabel moet volledige informatie bevatten over veranderingen in de komende 20 jaar.

De lijnen in deze tabel bestrijken, samen met de lijnen die zijn opgenomen in tabel 1 (Huidige status ETCS-implementatie), alle netwerklijnen die binnen het toepassingsgebied van de TSI vallen, met inbegrip van de knooppunten en “last mile”-verbindingen.

Het model dat moet worden ingevuld om de informatie in dit gedeelte te verstrekken, wordt hieronder gegeven.]

—   Beschrijving van de geïmplementeerde oplossing

[Vermeld hier de verschillende toegepaste oplossingen en de specifieke redenen om op het netwerk of voor elk type lijn voor die oplossingen te kiezen.]

—   Implementatiestrategie voor de uitrol van ETCS

[Geef hier een gedetailleerde beschrijving van de migratiestrategie voor de uitrol van ETCS.

Een voorbeeld: Overlay aan boord of langs de baan, geplande datum vanaf dewelke alleen met ETCS uitgeruste voertuigen toegestaan zullen zijn…]

—   Planning voor de implementatie van ETCS en de buitengebruikstelling van klasse B

[Geef hier, indien relevant, toelichting over de planning voor de uitrol van ETCS en de uitfasering van klasse B.]


Tabel 11

Planning voor de implementatie van ETCS en de buitengebruikstelling van treinbeveiliging van klasse B

ID

Lijn

Planning voor de uitrol van ETCS

Planning voor de buitengebruikstelling van treinbeveiliging van klasse B

Aanvullende informatie over de implementatie

Aantekening

Huidige status

Datum waarop ETCS in gebruik wordt genomen

Verplichte deadline ETCS-toepassing

Datums waarop uitsluitend met ETCS uitgeruste voertuigen mogen rijden

Datums waarop gebruik van klasse B niet meer is toegestaan

Datums waarop klasse B buiten bedrijf is gesteld

Lengte

Niveau(s)

Baseline en systeemversie

Soort actie

[Vermeld hier het lijnidentificatienummer]

[Vermeld hier de naam van de lijn.]

[Vermeld hier de huidige status van de ETCS-implementatie op de lijn. In aanbouw/ nog niet in aanbouw]

[Vermeld hier de datum waarop ETCS in gebruik wordt genomen.]

[Vermeld hier de laatste deadline voor apparatuur van de lijn met ETCS, zoals vastgelegd in de EU-regelgeving]

[Vermeld hier vanaf wanneer uitsluitend met ETCS uitgeruste voertuigen mogen rijden]

[Als de lijn is uitgerust met een treinbeveiligingssysteem van klasse B, vermeld dan hier de datum waarop het gebruik van klasse B niet meer is toegestaan.]

[Indien afwijkend van de vorige kolom, vermeld dan hier de datum waarop het klasse B-systeem buiten gebruik wordt gesteld]

[Vermeld hier de totale lengte van de lijn]

[Vermeld hier het (de) te implementeren ETCS-niveau(s)]

[Vermeld hier de baseline en de systeemversie van het te implementeren ETCS]

[Vermeld hier de soort ETCS-actie. Nieuw/vernieuwd/upgrade]

[Voeg hier, indien relevant, aanvullende opmerkingen toe]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

3.1.1.   Baseline en strategie voor het updaten van de niveaus

[Voor zover van toepassing heeft dit deel betrekking op informatie over en planning van de technische migratiestrategie voor ETCS-baselines, bijvoorbeeld van baseline 2 naar baseline 3 en/of van niveau 1 naar niveau 2]

3.2.   Technische migratiestrategie voor het radiogedeelte

[Dit deel moet de informatie en de planning bevatten van de technische migratiestrategie voor het radiogedeelte, met inbegrip van informatie over radiosystemen (bv. radiocircuitschakeling of pakketschakeling, opties voor radio-infill voor ETCS).

Voor de volledigheid moet ten minste de volgende informatie worden verstrekt:

Strategie voor de introductie van GSM-R. Overlay in de trein of overlay langs de baan voor introductie van een radiogedeelte van klasse A.

Strategie voor de introductie van de volgende generatie communicatiesysteem (of -systemen).

Tabel met voor elke lijn de planningsdatums voor de implementatie van GSM-R en de buitengebruikstelling van het radiogedeelte van klasse B, de geïmplementeerde radiocircuitschakeling of alleen pakketschakeling en andere relevante informatie. De tabel moet volledige informatie bevatten over veranderingen in de komende 20 jaar.

Tabel met voor elke lijn de planningsdatums voor de implementatie van FRMCS, indien van toepassing opties voor radio-infill, planning voor de buitengebruikstelling van GSM-R en andere relevante informatie. De tabel moet volledige informatie bevatten over veranderingen in de komende 20 jaar.

De lijnen in deze tabellen samen met de lijnen die zijn opgenomen in de tabellen 3 en 4 (Huidige status GSM-R-implementatie en Huidige status FRMCS-implementatie) bestrijken alle netwerklijnen die binnen het toepassingsgebied van de TSI vallen, met inbegrip van de knooppunten en “last mile”-verbindingen.

Het model dat moet worden ingevuld om de informatie in dit gedeelte te verstrekken, wordt hieronder gegeven.]

—   Strategie voor de introductie van GSM-R

[Geef hier toelichting over de strategie voor de invoering van GSM-R.

Bijvoorbeeld: Migratiestrategie (overlay in de trein of langs de baan) voor radiosystemen van klasse B, radiocircuitschakeling of alleen pakketschakeling…]

—   Strategie voor de introductie van de volgende generatie communicatiesysteem (of -systemen)

[Geef hier een gedetailleerde beschrijving van de communicatiesystemen van de volgende generatie.]

—   Planning voor de GSM-R-implementatie en de buitengebruikstelling van het radiosysteem van klasse B

[Geef hier, indien relevant, toelichting over de planning voor de uitrol van GSM-R en de uitfasering van radiosystemen van klasse B.]


Tabel 12

Planning voor de GSM-R-implementatie en de buitengebruikstelling van het radiogedeelte van klasse B

ID

Lijn

Planning GSM-R-implementatie

Planning buitengebruikstelling van het radiosysteem van klasse B

Aanvullende informatie

Aantekening

Huidige status

Realisatie

Datum waarop GSM-R in gebruik is genomen

Datums waarop gebruik van klasse B niet meer is toegestaan

Datums waarop klasse B buiten bedrijf is gesteld

Lengte

GSM-R spraak/GSM-R data

Baseline

Circuitschakeling/Pakketschakeling

Soort actie

[Vermeld hier het lijnidentificatienummer]

[Vermeld hier de naam van de lijn]

[Vermeld hier de huidige status van de GSM-R-implementatie op de lijn. In aanbouw/ nog niet in aanbouw]

[Vermeld hier de datum waarop de bouw is begonnen of naar verwachting zal beginnen.]

[Vermeld hier de datum waarop GSM-R in gebruik wordt genomen.]

[Als de lijn is uitgerust met een radiosysteem van klasse B, vermeld dan hier de datum waarop gebruik van klasse B niet meer is toegestaan.]

[Indien afwijkend van de vorige kolom, vermeld dan hier de datum waarop het klasse B-systeem buiten gebruik wordt gesteld]

[Vermeld hier de totale lengte van de lijn]

[Geef hier aan of GSM-R spraak of data is geïnstalleerd]

[Vermeld hier de baseline van de te implementeren GSM-R]

[Vermeld hier of radiocircuitschakeling is geïmplementeerd of alleen pakketschakeling]

[Vermeld hier de soort actie voor het radiogedeelte. Nieuw/vernieuwd/upgrade]

[Voeg hier, indien relevant, aanvullende opmerkingen toe]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

—   Planning voor de implementatie van FRMCS en de buitengebruikstelling van GSM-R

[Geef hier, indien relevant, toelichting over de planning voor de uitrol van FFMCS en de uitfasering van GSM-R.]


Tabel 13

Planning voor de implementatie van FRMCS en de buitengebruikstelling van GSM-R

ID

Lijn

Planning implementatie van FRMCS

Planning buitengebruikstelling van GSM-R

Aanvullende informatie

Aantekening

Huidige status

Realisatie

Datum waarop FRMCS in gebruik is genomen

Datums waarop gebruik van GSM-R niet meer is toegestaan

Datums waarop GSM-R buiten bedrijf is gesteld

Lengte

Baseline

Bestaande GSM-R-conditie

Soort actie

[Vermeld hier het lijnidentificatienummer]

[Vermeld hier de naam van de lijn]

[Vermeld hier de huidige status van de FRMCS-implementatie op de lijn. In aanbouw/ nog niet in aanbouw]

[Vermeld hier de datum waarop de bouw is begonnen of naar verwachting zal beginnen.]

[Vermeld hier de datum waarop FRMCS in gebruik wordt genomen.]

[Als de lijn is uitgerust met een GSM-R-systeem, vermeld dan hier de datum waarop gebruik van klasse B niet meer is toegestaan.]

[Indien afwijkend van de vorige kolom, vermeld dan hier de datum waarop het GSM-R-systeem buiten gebruik wordt gesteld]

[Vermeld hier de totale lengte van de lijn]

[Vermeld hier de baseline van het te implementeren FRMCS]

[Specificeer hier de conditie van de lijn ten opzichte van GSM-R. GSM-R in bedrijf/GSM-R in gebruik vóór FRMCS/bestaande GSM-R niet voorzien]

[Vermeld hier de soort actie voor het radiogedeelte. Nieuw/vernieuwd/upgrade]

[Voeg hier, indien relevant, aanvullende opmerkingen toe]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

3.3.   Technische migratiestrategie voor het ATO-gedeelte

[Dit deel moet de informatie en de planning bevatten van de technische migratiestrategie van het ATO-gedeelte, met inbegrip van informatie over de noodzaak om ATO te implementeren.

Voor de volledigheid moet ten minste de volgende informatie worden verstrekt:

Implementatiestrategie. Reden voor implementatie van ATO.

Tabel met voor elke lijn de planningsdatums voor de implementatie van ATO en andere relevante informatie. De tabel moet volledige informatie bevatten over veranderingen in de komende 20 jaar. Het opnemen van deze tabel is alleen verplicht als de ATO naar verwachting in de komende 20 jaar zal worden geïmplementeerd.

Het model dat moet worden ingevuld om de informatie in dit gedeelte te verstrekken, wordt hieronder gegeven.]

—   Implementatiestrategie voor ATO

[Geef hier een gedetailleerde toelichting over de strategie voor de uitrol van ATO, onder meer over de reden om dat systeem uit te rollen.]

—   Planning implementatie van ATO

[Geef hier, indien relevant, toelichting over de planning voor de uitrol van ATO.]


Tabel 14

Planning implementatie van ATO

ID

Lijn

Planning implementatie van ATO

Aanvullende informatie

Aantekening

Huidige status

Datum waarop ATO in gebruik is genomen

Lengte

Baseline

Andere relevante aspecten voor ATO-implementatie (bv. GoA)

[Vermeld hier het lijnidentificatienummer]

[Vermeld hier de naam van de lijn]

[Vermeld hier de huidige status van de ATO-implementatie op de lijn. In aanbouw/ nog niet in aanbouw]

[Vermeld hier de datum waarop ATO in gebruik wordt genomen.]

[Vermeld hier de totale lengte van de lijn]

[Vermeld hier de baseline van het te implementeren ATO]

[Vermeld hier …]

[Voeg hier, indien relevant, aanvullende opmerkingen toe]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

3.4.   Technische migratiestrategie voor het treindetectiegedeelte

[Dit deel moet de informatie en de planning bevatten van de technische migratiestrategie van het TSI-conforme treindetectiegedeelte.

Voor de volledigheid moet ten minste de volgende informatie worden verstrekt:

Implementatiestrategie. informatie over de migratie naar het TSI-conforme treindetectiesysteem.

Tabel met voor elke lijn de planningsdatums voor de implementatie van het TSI-conforme treindetectiesysteem en andere relevante informatie. De tabel moet volledige informatie bevatten over veranderingen in de komende 20 jaar.

Het model dat moet worden ingevuld om de informatie in dit gedeelte te verstrekken, wordt hieronder gegeven]

—   Implementatiestrategie voor het TSI-conforme treindetectiesysteem

[Geef hier gedetailleerde toelichting over de strategie voor de migratie naar een TSI-conform treindetectiesysteem.]

—   Planning implementatie TSI-conform treindetectiesysteem

[Geef hier, indien relevant, toelichting over de planning voor de uitrol van een TSI-conform treindetectiesysteem.]


Tabel 15

Planning implementatie TSI-conforme treindetectie

ID

Lijn

Planning implementatie TSI-conforme treindetectie

Aanvullende informatie

Aantekening

Huidige status

Datum waarop TSI-conforme treindetectie in gebruik is genomen

Lengte

Soort actie

Andere relevante aspecten voor TSI-conform treindetectiesysteem

[Vermeld hier het lijnidentificatienummer]

[Vermeld hier de naam van de lijn]

[Vermeld hier de huidige status van de implementatie op de lijn van het TSI-conforme treindetectiesysteem. In aanbouw/ nog niet in aanbouw]

[Vermeld hier de datum waarop het TSI-conform treindetectiesysteem in gebruik wordt genomen.]

[Vermeld hier de totale lengte van de lijn]

[Vermeld hier de soort actie voor het treindetectiegedeelte. Nieuw/vernieuwd/upgrade]

[Vermeld hier …]

[Voeg hier, indien relevant, aanvullende opmerkingen toe]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

3.5.   Migratiestrategie voor specifieke gevallen

[Dit deel moet de informatie en de planning bevatten van de technische migratiestrategie voor specifieke gevallen, zoals vermeld in punt 7.6 van de TSI CCS.

Het model dat moet worden ingevuld om de informatie in dit gedeelte te verstrekken, wordt hieronder gegeven]

[Vermeld hier informatie over de strategie voor de migratie van de specifieke gevallen als vermeld in punt 7.6 van de TSI CCS.

In de verstrekte informatie moet duidelijk worden aangegeven tot welke specifieke netwerken of routes elk specifiek geval beperkt is; desgevallend met vermelding van de migratiedatums.]

3.6.   Technische migratiestrategie voor CCS-boordsubsystemen

[Dit deel heeft betrekking op informatie over en planning van de technische migratiestrategie voor CCS-boordsubsystemen.]

4.   FINANCIËLE TREIN- EN SPOORINFORMATIE

[Dit deel bevat informatie over beschikbare fondsen, financieringsbronnen en de financiële behoeften]

5.   PLANNING

[Voor alle netwerkkaarten die in dit deel worden opgenomen, moet de kaart een planningsoverzicht geven van wijzigingen in de komende 20 jaar.]

5.1.   Planning voor het treinbeveiligingsgedeelte

5.1.1.   Datum waarop het ETCS in gebruik wordt genomen.

[Dit deel moet een netwerkkaart bevatten met een overzicht van de datums waarop het ETCS in gebruik wordt genomen.

Dit deel is niet verplicht voor de lidstaten die de ETCS-implementatie op alle lijnen die onder de TSI vallen, met inbegrip van de knooppunten en “last mile”-verbindingen, al hebben voltooid en die de komende 20 jaar niet voorzien in een upgrade, vernieuwing of nieuwe lijn.

Het model dat moet worden ingevuld om de informatie in dit gedeelte te verstrekken, wordt hieronder gegeven.]

Figuur 8

Netwerkkaart; datums waarop het ETCS in het gebruik wordt genomen

[Voeg hier een kaart toe met het overzicht van de datums waarop ETCS de volgende 20 jaar in dienst zal worden genomen. Op de kaart moet duidelijk worden aangeduid op welke datums ETCS in dienst wordt genomen, aangevuld met het niveau en de systeemversie.

Zelfs als alleen de lijnen waarop nieuw, verbeterd of vernieuwd ETCS is gepland op de kaart worden aangeduid, moeten alle lijnen die onder TSI vallen, met inbegrip van de knooppunten en “last mile”-verbindingen, op de kaart worden weergegeven. De kaart en legende moeten duidelijk leesbaar zijn.]

5.1.2.   Buitengebruikstelling van treinbeveiligingssystemen van klasse B.

[Dit deel moet een netwerkkaart bevatten met een overzicht van de datums waarop klasse B niet meer is toegestaan. Indien afwijkend, moet dit deel ook een netwerkkaart bevatten met een overzicht van de datums waarop het systeem van klasse B buiten dienst wordt gesteld.

Dit deel is niet verplicht voor de lidstaten die de buitengebruikstelling van het beveiligingssysteem van klasse B al hebben voltooid of die nooit een treinbeveiligingssysteem van klasse B hebben gebruikt.

Het model dat moet worden ingevuld om de informatie in dit gedeelte te verstrekken, wordt hieronder gegeven.]

Figuur 9

Netwerkkaart; datums waarop het gebruik van klasse B niet meer is toegestaan

[Voeg hier een kaart toe met het overzicht van de datums waarop de exploitatie van klasse B-systemen de volgende 20 jaar niet meer zal zijn toegestaan.

Ook als alleen de lijnen waarop klasse B volgens planning niet meer zullen zijn toegestaan op de kaart worden aangeduid, moeten alle lijnen die onder TSI vallen, met inbegrip van de knooppunten en “last mile”-verbindingen, op de kaart worden weergegeven. De kaart en legende moeten duidelijk leesbaar zijn.]

Figuur 10

Netwerkkaart; datums waarop treinbeveiligingssystemen van klasse B buiten bedrijf zijn gesteld

[Voeg hier een kaart toe met het overzicht van de datums waarop klasse-B-systemen de volgende 20 jaar buiten dienst zullen worden gesteld.

Ook als alleen de lijnen waarop treinbeveiligingssystemen van klasse B volgens planning buiten dienst zullen worden gesteld op de kaart worden aangeduid, moeten alle lijnen die onder TSI vallen, met inbegrip van de knooppunten en “last mile”-verbindingen, op de kaart worden weergegeven. De kaart en legende moeten duidelijk leesbaar zijn.

Deze kaart moet niet worden toegevoegd als ze identiek is aan de vorige figuur (nr. 9, Netwerkkaart; datums waarop het gebruik van klasse B niet meer is toegestaan).

5.1.3.   Informatie over landsgrensoverschrijdende lijnen

[Dit deel bevat gedetailleerde informatie over de planning van landsgrensoverschrijdende lijnen]

5.1.4.   Informatie over knooppunten

[Dit deel bevat gedetailleerde informatie over de planning van knooppunten]

5.2.   Planning voor het radiogedeelte

5.2.1.   Datum waarop GSM-R in gebruik wordt genomen.

[Dit deel moet een netwerkkaart bevatten met een overzicht van de datums waarop GSM-R in gebruik wordt genomen.

Dit deel is niet verplicht voor de lidstaten die de GSM-R-implementatie op alle lijnen die onder de TSI vallen, met inbegrip van de knooppunten en “last mile”-verbindingen, al hebben voltooid.

Het model dat moet worden ingevuld om de informatie in dit gedeelte te verstrekken, wordt hieronder gegeven.]

Figuur 11

Netwerkkaart; datums waarop GSM-R in gebruik wordt genomen.

[Voeg hier een kaart toe met het overzicht van de datums waarop GSM-R de volgende 20 jaar in dienst zal worden genomen. Op de kaart moet duidelijk worden aangeduid op welke datums GSM-R in dienst wordt genomen, en of GSM-R-spraak of -data wordt ingevoerd.

Zelfs als alleen de lijnen waarop de uitrol van GSM-R is gepland op de kaart worden aangeduid, moeten alle lijnen die onder TSI vallen, met inbegrip van de knooppunten en “last mile”-verbindingen, op de kaart worden weergegeven. De kaart en legende moeten duidelijk leesbaar zijn.]

5.2.2.   Buitengebruikstelling radiosystemen van klasse B.

[Dit deel moet een netwerkkaart bevatten met een overzicht van de datums waarop gebruik van radiosystemen van klasse B niet meer is toegestaan. Indien afwijkend, moet dit deel ook een netwerkkaart bevatten met een overzicht van de datums waarop radiosystemen van klasse B buiten gebruik wordt gesteld.

Dit deel is niet verplicht voor de lidstaten die de buitengebruikstelling van het radiosysteem van klasse B al hebben voltooid.

Het model dat moet worden ingevuld om de informatie in dit gedeelte te verstrekken, wordt hieronder gegeven.]

Figuur 12

Netwerkkaart; datums waarop gebruik van radiosystemen van klasse B niet meer is toegestaan

[Voeg hier een netwerkkaart toe met een overzicht van de datums waarop het gebruik van radiosystemen van klasse B de volgende 20 jaar niet meer is toegestaan.

Ook als alleen de lijnen waarop het gebruik van radiosystemen van klasse B niet meer is toegestaan op de kaart worden aangeduid, moeten alle lijnen die onder TSI vallen, met inbegrip van de knooppunten en “last mile”-verbindingen, op de kaart worden weergegeven. De kaart en legende moeten duidelijk leesbaar zijn.]

Figuur 13

Netwerkkaart; datums waarop radiosystemen van klasse B buiten bedrijf zijn gesteld

[Voeg hier een kaart toe met het overzicht van de datums waarop klasse-B-radiosystemen de volgende 20 jaar buiten dienst zullen worden gesteld.

Ook als alleen de lijnen waarop het klasse B-radio’s volgens planning buiten dienst worden gesteld op de kaart zijn aangeduid, moeten alle lijnen die onder TSI vallen, met inbegrip van de knooppunten en “last mile”-verbindingen, op de kaart worden weergegeven. De kaart en legende moeten duidelijk leesbaar zijn.

Deze kaart moet niet worden toegevoegd als ze identiek is aan de vorige figuur (nr. 12, Netwerkkaart; datums waarop gebruik van radiosystemen van klasse B niet meer is toegestaan).

5.2.3.   Datum waarop het FRMCS in gebruik wordt genomen.

[Dit deel moet een netwerkkaart bevatten met een overzicht van de datums waarop het FRMCS in gebruik wordt genomen.

Dit deel is niet verplicht voor de lidstaten die de komende 20 jaar geen FRMCS-implementatie hebben voorzien.

Het model dat moet worden ingevuld om de informatie in dit gedeelte te verstrekken, wordt hieronder gegeven.]

Figuur 14

Netwerkkaart; datums waarop het FRMCS in gebruik wordt genomen.

[Voeg hier een kaart toe met het overzicht van de datums waarop FRMCS de volgende 20 jaar in dienst zal worden genomen. Op de kaart moet duidelijk worden aangeduid op welke datums FRMCS in dienst wordt genomen.

Zelfs als alleen de lijnen waarop de uitrol van FRMCS is gepland op de kaart worden aangeduid, moeten alle lijnen die onder TSI vallen, met inbegrip van de knooppunten en “last mile”-verbindingen, op de kaart worden weergegeven. De kaart en legende moeten duidelijk leesbaar zijn.]

5.2.4.   Buitengebruikstelling van GSM-R

[Dit deel moet een netwerkkaart bevatten met een overzicht van de datums waarop gebruik van GSM-R-radiosystemen niet meer is toegestaan. Indien afwijkend, moet dit deel ook een netwerkkaart bevatten met een overzicht van de datums waarop het GSM-R-systeem buiten bedrijf wordt gesteld.

Dit deel is niet verplicht voor de lidstaten die de komende 20 jaar geen buitengebruikstelling van GSM-R hebben voorzien.

Het model dat moet worden ingevuld om de informatie in dit gedeelte te verstrekken, wordt hieronder gegeven]

Figuur 15

Netwerkkaart; datums waarop gebruik van GSM-R-radiosystemen niet meer is toegestaan

[Dit deel moet een netwerkkaart bevatten met een overzicht van de datums in de loop van de volgende 20 jaar waarop gebruik van GSM-R-radiosystemen niet meer is toegestaan.

Ook als alleen de lijnen waarop het gebruik van GSM-R volgens planning niet meer zal worden toegestaan op de kaart worden aangeduid, moeten alle lijnen die onder TSI vallen, met inbegrip van de knooppunten en “last mile”-verbindingen, op de kaart worden weergegeven. De kaart en legende moeten duidelijk leesbaar zijn.]

Figuur 16

Netwerkkaart; datums waarop GSM-R-systemen buiten gebruik zijn gesteld

[Voeg hier een kaart toe met een overzicht van de datums waarop het GSM-R-systeem de volgende 20 jaar buiten dienst zullen worden gesteld.

Ook als alleen de lijnen waarop GSM-R-radio volgens planning buiten dienst zal worden gesteld op de kaart worden aangeduid, moeten alle lijnen die onder TSI vallen, met inbegrip van de knooppunten en “last mile”-verbindingen, zichtbaar zijn op de kaart. De kaart en legende moeten duidelijk leesbaar zijn.

Deze kaart moet niet worden toegevoegd als ze identiek is aan de vorige figuur (nr. 15, Netwerkkaart; datums waarop gebruik van GSM-R-radiosystemen niet meer is toegestaan).

5.2.5.   Informatie over landsgrensoverschrijdende lijnen

[Dit deel bevat gedetailleerde informatie over de planning van landsgrensoverschrijdende lijnen]

5.2.6.   Informatie over knooppunten

[Dit deel bevat gedetailleerde informatie over de planning van knooppunten]

5.3.   Planning voor het ATO-gedeelte

[Dit deel moet een netwerkkaart bevatten met een overzicht van de datums waarop het ATO in gebruik wordt genomen.

Dit deel is niet verplicht voor de lidstaten die de komende 20 jaar geen ingebruikname van ATO hebben voorzien.]

Het model dat moet worden ingevuld om de informatie in dit gedeelte te verstrekken, wordt hieronder gegeven.]

Figuur 17

Netwerkkaart; datums waarop ATO in gebruik wordt genomen.

[Voeg hier een kaart toe met het overzicht van de datums waarop ATO de volgende 20 jaar in dienst zal worden genomen. Op de kaart moet duidelijk worden aangeduid op welke datums ATO in dienst wordt genomen.

Zelfs als alleen de lijnen waarop de uitrol van ATO is gepland op de kaart worden aangeduid, moeten alle lijnen die onder TSI vallen, met inbegrip van de knooppunten en “last mile”-verbindingen, op de kaart worden weergegeven. De kaart en legende moeten duidelijk leesbaar zijn.]

5.3.1.   Informatie over landsgrensoverschrijdende lijnen

[Dit deel bevat gedetailleerde informatie over de planning van landsgrensoverschrijdende lijnen]

5.3.2.   Informatie over knooppunten

[Dit deel bevat gedetailleerde informatie over de planning van knooppunten]

5.4.   Planning voor het treindetectiegedeelte

[Dit deel moet een netwerkkaart bevatten met een overzicht van de datums waarop een TSI-conform treindetectiesysteem in gebruik wordt genomen.

Het model dat moet worden ingevuld om de informatie in dit gedeelte te verstrekken, wordt hieronder gegeven.]

Figuur 18

Netwerkkaart; datums waarop TSI-conforme treindetectie in gebruik wordt genomen

[Voeg hier een kaart toe met het overzicht van de datums waarop in de loop van de volgende 20 jaar een TSI-conforme treindetectiesysteem in dienst wordt genomen. Op de kaart moet duidelijk worden aangeduid op welke datums een TSI-conform treindetectiesysteem in dienst wordt genomen.

Zelfs als alleen de lijnen waarop de uitrol van een TSI-conform treindetectiesysteem is gepland op de kaart worden aangeduid, moeten alle lijnen die onder TSI vallen, met inbegrip van de knooppunten en “last mile”-verbindingen, op de kaart worden weergegeven. De kaart en legende moeten duidelijk leesbaar zijn.]

5.4.1.   Informatie over landsgrensoverschrijdende lijnen

[Dit deel bevat gedetailleerde informatie over de planning van landsgrensoverschrijdende lijnen]

5.4.2.   Informatie over knooppunten

[Dit deel bevat gedetailleerde informatie over de planning van knooppunten]

5.5.   Planning voor CCS-boordsubsystemen

[Dit deel bevat een beschrijving van de planning en installatiedatums van de CCS-boordsubsystemen.]

5.5.1.   Informatie over landsgrensoverschrijdende voertuigen

[Dit deel is facultatief en moet gedetailleerde informatie bevatten over de planning van landsgrensoverschrijdende voertuigen]

6.   NIEUWE VERPLICHTE EISEN BOORDAPPARATUUR

[Dit deel moet informatie bevatten over de nieuwe verplichte eisen voor boordapparatuur voor gebruik op het netwerk, om ervoor te zorgen dat kennisgevingen aan RU’s ten minste vijf jaar van tevoren worden verstrekt.

Het model dat moet worden ingevuld om de informatie in dit gedeelte te verstrekken, wordt hieronder gegeven]

[Voeg hier, indien relevant, een toelichting toe over eisen in verband met boordapparatuur die verplicht zullen zijn voor de exploitatie op het netwerk.]


Tabel 16

Nieuwe verplichte eisen boordapparatuur

Geografisch toepassingsgebied

Nieuwe eisen CCS-boordapparatuur

Datum van toepassing

[Vermeld hier het geografische toepassingsgebied waarin de specifieke eisen van toepassing zullen zijn. Een voorbeeld: het complete netwerk of specifieke lijnen.

[Vermeld hier de wettelijke verwijzing naar de nieuwe eisen voor CCS-boordapparatuur of specificeer hier de nieuwe eisen voor CCS-boordapparatuur.]

[Vermeld hier de datum van toepassing van de nieuwe eisen voor CCS-boordapparatuur. Op zijn vroegst is een periode van vijf jaar vereist.]

 

 

 

 

 

 

 

 

 


(1)  Vormen van gestoord bedrijf zijn operationele omstandigheden waarin fouten worden verholpen. Deze zijn in aanmerking genomen bij de ontwikkeling van de subsystemen CCS.

(2)  De TSI CCS specificeert momenteel geen interoperabiliteitseisen voor spoorbeveiliging, spoorwegovergangen en bepaalde andere elementen van de CCS.

(3)  In dit document verwijst de term ATO naar de ERTMS/ATO-specificaties, namelijk geautomatiseerde treinbesturing van klasse A.

(4)  In sommige documenten waarnaar in deze TSI wordt verwezen, wordt de term “ERTMS” (European Rail Traffic Management System) gebruikt om een systeem aan te duiden dat ETCS, RMR en ATO omvat, en wordt “ETCS” aangeduid als “ERTMS/ETCS”.

(5)  Wanneer wordt verwezen naar beide systemen van klasse A, wordt de term RMR-systeem gebruikt. Wanneer wordt verwezen naar specifiek één van deze systemen van klasse A, worden de termen GSM-R of FRMCS gebruikt.

(6)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 402/2013 van de Commissie van 30 april 2013 inzake de gemeenschappelijke veiligheidsmethode voor risico-evaluatie en -beoordeling en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 352/2009 (PB L 121, 3.5.2013, blz. 8, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2013/402/2015-08-03).

(7)  Richtlijn (EU) 2016/798 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 inzake veiligheid op het spoor (PB L 138, 26.5.2016, blz. 102, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2016/798/oj).

(8)  Uitvoeringsverordening (EU) 2018/545 van de Commissie van 4 april 2018 tot vaststelling van de praktische regelingen voor het proces voor de afgifte van typegoedkeuringen en vergunningen voor spoorvoertuigen overeenkomstig Richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 90, 6.4.2018, blz. 66, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2018/545/oj).

(9)  Verordening (EU) nr. 1302/2014 van de Commissie van 18 november 2014 betreffende een technische specificatie inzake interoperabiliteit van het subsysteem “rollend materieel — locomotieven en reizigerstreinen” van het spoorwegsysteem in de Europese Unie (PB L 356 van 12.12.2014, blz. 228, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2014/1302/oj).

(10)  In overeenstemming met Uitvoeringsverordening (EU) 2019/773 van de Commissie van 16 mei 2019 betreffende de technische specificaties inzake interoperabiliteit van het subsysteem exploitatie en verkeersleiding van het spoorwegsysteem in de Europese Unie en tot intrekking van Besluit 2012/757/EU (PB L 139 I van 27.5.2019, blz. 5).

(11)  In overeenstemming met Verordening (EU) nr. 321/2013 van de Commissie van 13 maart 2013 betreffende de technische specificatie inzake interoperabiliteit van het subsysteem “rollend materieel – goederenwagons” van het spoorwegsysteem in de Europese Unie en tot intrekking van Beschikking 2006/861/EG (PB L 104 van 12.4.2013, blz. 1).

(12)  TSI INF: Verordening (EU) nr. 1299/2014 van de Commissie van 18 november 2014 betreffende de technische specificatie inzake interoperabiliteit van het subsysteem infrastructuur van het spoorwegsysteem in de Europese Unie (PB L 356 van 12.12.2014, blz. 1).

(13)  TSI ENE: Verordening (EU) nr. 1301/2014 van de Commissie van 18 november 2014 betreffende de technische specificatie inzake interoperabiliteit van het subsysteem “energie” van het spoorwegsysteem in de Unie (PB L 356 van 12.12.2014, blz. 179).

(14)  TSI SRT: Verordening (EU) nr. 1303/2014 van de Commissie van 18 november 2014 betreffende de technische specificatie inzake interoperabiliteit betreffende “veiligheid in spoorwegtunnels” van het spoorwegsysteem in de Europese Unie (PB L 356 van 12.12.2014, blz. 394), zoals gewijzigd bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/776 van de Commissie van 16 mei 2019.

(15)  Uitvoeringsbesluit 2011/665/EU van de Commissie van 4 oktober 2011 inzake het Europees register van goedgekeurde spoorwegvoertuigtypen (PB L 264 van 8.10.2011, blz. 32, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2011/665/oj).

(16)  Uitvoeringsverordening (EU) 2019/777 van de Commissie van 16 mei 2019 inzake de gemeenschappelijke specificaties voor het register van de spoorweginfrastructuur en tot intrekking van Uitvoeringsbesluit 2014/880/EU (PB L 139 I van 27.5.2019, blz. 312, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2019/777/oj).

(17)  Controleren of een interoperabiliteitsonderdeel correct wordt gebruikt, maakt deel uit van de algemene EG-keuring van boord- en baansubsystemen CCS als uiteengezet in de punten 6.3.3 en 6.3.4.

(18)  Besluit 2010/713/EU van de Commissie van 9 november 2010 inzake de modules voor de procedures voor de beoordeling van de conformiteit, de geschiktheid voor gebruik en de EG-keuring die moeten worden toegepast in het kader van de overeenkomstig Richtlijn 2008/57/EG van het Europees Parlement en de Raad vastgestelde technische specificaties inzake interoperabiliteit (PB L 319 van 4.12.2010, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2010/713/oj).

(19)  Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 339/93 (PB L 218 van 13.8.2008, blz. 30, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2008/765/oj).

(20)  Dit omvat de documenten waarnaar in het technisch document ESC/RSC van het Bureau wordt verwezen.

(21)  In dit geval moet het beheer van de overgangen worden beoordeeld aan de hand van nationale specificaties.

(22)  Dit omvat de documenten waarnaar in het technisch document ESC/RSC van het Bureau wordt verwezen.

(23)  Uitvoeringsverordening (EU) 2019/250 van de Commissie van 12 februari 2019 inzake de modellen voor EG-verklaringen en certificaten voor interoperabiliteitsonderdelen en -subsystemen, het model voor de verklaring van conformiteit met een vergund voertuigtype en de EG-keuringsprocedures voor subsystemen overeenkomstig Richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 201/2011 van de Commissie (PB L 42 van 13.2.2019, blz. 9, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2019/250/oj).

(24)  Doelfunctionaliteit verwijst naar de ETCS-functionaliteit die is geëvalueerd in de EG-verklaring van het subsysteem. De door het Bureau gepubliceerde technische adviezen waarin fouten in de TSI worden gecorrigeerd, worden beschouwd als een omschrijving van de functionaliteitstoestand die reeds tijdens de oorspronkelijke certificering of vergunningverlening werd verwacht.

(25)  Voor activiteiten die nodig zijn voor een wijziging en die niet volgens een door een aangemelde instantie goedgekeurd kwaliteitsbeheersysteem worden uitgevoerd, zijn mogelijk aanvullende onderzoeken of tests door de aangemelde instantie nodig.

(26)  Doelfunctionaliteit verwijst naar de functionaliteit van mobiele communicatie of de ATO-functionaliteit die is geëvalueerd in de EG-verklaring van het subsysteem. De door het Bureau gepubliceerde technische adviezen en foutcorrecties in de specificatiereleases waarin fouten in de TSI worden gecorrigeerd, worden beschouwd als een omschrijving van de functionaliteitstoestand die reeds tijdens de oorspronkelijke certificering of vergunningverlening werd verwacht.

(27)  Voor activiteiten die nodig zijn voor een wijziging en die niet volgens een door een aangemelde instantie goedgekeurd kwaliteitsbeheersysteem worden uitgevoerd, zijn mogelijk aanvullende onderzoeken of tests door de aangemelde instantie nodig.

(28)  Doelfunctionaliteit verwijst naar de ETCS-functionaliteit die is geëvalueerd in de EG-verklaring van het subsysteem. De door het Bureau gepubliceerde technische adviezen en foutcorrecties in de specificatiereleases waarin fouten in de TSI worden gecorrigeerd, worden beschouwd als een omschrijving van de functionaliteitstoestand die reeds tijdens de oorspronkelijke certificering of vergunningverlening werd verwacht.

(29)  Voor activiteiten die nodig zijn voor een wijziging en die niet volgens een door een aangemelde instantie goedgekeurd kwaliteitsbeheersysteem worden uitgevoerd, zijn mogelijk aanvullende onderzoeken of tests door de aangemelde instantie nodig, zoals beschreven in Besluit 2010/713/EU.

(30)  Doelfunctionaliteit verwijst naar de functionaliteit van mobiele communicatie of de ATO-functionaliteit die is geëvalueerd in de EG-verklaring van het subsysteem. De door het Bureau gepubliceerde technische adviezen waarin fouten in de TSI worden gecorrigeerd, worden beschouwd als een omschrijving van de functionaliteitstoestand die reeds tijdens de oorspronkelijke certificering of vergunningverlening werd verwacht.

(31)  Voor activiteiten die nodig zijn voor een wijziging en die niet volgens een door een aangemelde instantie goedgekeurd kwaliteitsbeheersysteem worden uitgevoerd, zijn mogelijk aanvullende onderzoeken of tests door de aangemelde instantie nodig.

(32)  Boordsubsystemen met voorwaarden en beperkingen voor gebruik of niet-ontdekte gebreken worden geacht niet te voldoen aan dit artikel.

(33)  Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/1614 van de Commissie van 25 oktober 2018 tot vaststelling van specificaties voor de voertuigregisters die zijn vermeld in artikel 47 van Richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad en tot wijziging en intrekking van Beschikking 2007/756/EG van de Commissie (PB L 268 van 26.10.2018, blz. 53, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2018/1614/oj).

(34)  Uitvoeringsverordening (EU) 2019/779 van de Commissie van 16 mei 2019 tot vaststelling van nadere bepalingen inzake een systeem voor de certificering van met het onderhoud van voertuigen belaste entiteiten overeenkomstig Richtlijn (EU) 2016/798 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 445/2011 van de Commissie (PB L 139 I van 27.5.2019, blz. 360, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2019/779/oj).

(35)  Uitbreiding van de functionaliteit wordt niet erkend als een mitigatie van een veiligheidsgebrek.

(36)  Richtlijn 2012/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 tot instelling van één Europese spoorwegruimte (herschikking) (PB L 343 van 14.12.2012, blz. 32, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2012/34/oj).

(37)  De verplichte invoering van ATO-boordapparatuur houdt geen verband met technische compatibiliteit, maar met de regelgevende noodzaak dat de lidstaten of de infrastructuurbeheerder geen specifiek stimuleringsmechanisme voor de invoering van ATO-boordapparatuur ontwikkelen voor voertuigen die voor het eerst ETCS implementeren.

(38)  De netverklaring kan worden gebruikt als instrument indien het RINF nog niet is bijgewerkt om deze wijziging mee te delen.

(39)  Uitvoeringsverordening (EU) 2017/6 van de Commissie van 5 januari 2017 betreffende het Europees implementatieplan voor ERTMS (PB L 3 van 6.1.2017, blz. 6, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2017/6/oj).

(40)  Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende richtsnoeren van de Unie voor de ontwikkeling van het trans-Europees vervoersnetwerk en tot intrekking van Besluit nr. 661/2010/EU (PB L 348 van 20.12.2013, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2013/1315/oj).

(41)  Deze wijziging omvat de publicatie van specificaties voor FRMCS-boordapparatuur of omvat geharmoniseerde technische regels voor baanwerkzaamheden die verband houden met de functionaliteit voor manoeuvres onder toezicht; die regels worden aangevuld door operationele regels van de TSI OPE die erop aansluiten.

(42)  Als specificatiereeks 1 wordt gebruikt op basis van 7.4.2.3, 3), b), van de TSI CCS zoals vastgesteld bij Verordening (EU) 2016/919, blijft de eis van toepassing om naleving van specificatiereeks 2 of 3 af te dwingen binnen een termijn die niet tot na 1 juli 2023 mag lopen.

(43)  De wijzigingen van de aangemelde systeemversies in het RINF worden vermeld in de netverklaring overeenkomstig artikel 27 van Richtlijn 2012/34/EU.

(44)  De netverklaring kan worden gebruikt als instrument indien het RINF nog niet is bijgewerkt om deze wijziging mee te delen.

(45)  De netverklaring kan worden gebruikt als kennisgevingsinstrument indien het RINF nog niet is bijgewerkt om deze wijziging te weerspiegelen.

(46)  De netverklaring kan worden gebruikt als instrument indien het RINF nog niet is bijgewerkt om deze wijziging mee te delen.

(47)  Het volledige model voor het nationaal uitvoeringsplan wordt verstrekt in aanhangsel H.

(48)   “NSA LU” is de “Nationale Veiligheidsinstantie van Luxemburg”: Administration des Chemins de Fer (ACF), www.railinfra.lu (website).

(49)  In eerdere versies van de TSI was dit bijlage A. In sommige documenten van tabel A 2 moeten de verwijzingen naar bijlage A bij de TSI CCS worden gelezen als aanhangsel A van de TSI CCS.

(50)   PB C 282 van 10.8.2018.

(51)  Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/453 van de Commissie van 27 maart 2020 betreffende de ter ondersteuning van Richtlijn 2008/57/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Gemeenschap opgestelde geharmoniseerde normen voor spoorwegproducten (PB L 95 van 30.3.2020, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2020/453/oj).

(52)  Definitie van fasen in punt 7.2.4.1.1.

(53)   Opmerking: Indien een lidstaat met de belanghebbenden is overeengekomen de nieuwe ETCS-systeemversie 3.0 te implementeren na de inwerkingtreding van de wijziging van de TSI CCS (zie 7.4.4), deelt de IM de datums mee waarop het ETCS-boordsysteem versie 3.0 een bindende eis zal zijn overeenkomstig 7.4.1.3. Alle voertuigen die van deze lijnen gebruik maken, moeten het ETCS-boordsysteem versie 3.0 implementeren.

(54)  Dit betreft de nieuwe wettelijke release van de TSI CCS met FRMCS baseline 1 release 1.

(55)   Opmerking: Indien een lidstaat met de belanghebbenden is overeengekomen FRMCS te implementeren (zie 7.4.4), deelt de IM de datums mee waarop het FRMCS-boordsysteem een bindende eis zal zijn overeenkomstig 7.3.1. Alle voertuigen die van deze lijnen gebruik maken, moeten het FRMCS-boordsysteem implementeren.

(56)  Definitie van fasen in punt 7.2.4.1.1.

(57)  De informatie tussen vierkante haken [ ] wordt verstrekt om de gebruiker te helpen het model correct en volledig in te vullen.

(58)  De beschrijving van het subsysteem moet een unieke identificatie en traceerbaarheid mogelijk maken.

(59)  Wanneer naar een lijst van gebruiksvoorwaarden en andere beperkingen wordt verwezen, moet de vergunningverlenende instantie toegang hebben tot die lijst.

(60)  Het model voor beperkingen en toegevoegde functionaliteit in de TSI CCS, aanhangsel D, wordt gebruikt.

(61)  De informatie tussen vierkante haken [ ] wordt verstrekt om de gebruiker te helpen het model correct en volledig in te vullen.

(62)  De beschrijving van het interoperabiliteitsonderdeel moet een unieke identificatie en traceerbaarheid mogelijk maken.

(63)  Wanneer naar een lijst van gebruiksvoorwaarden en andere beperkingen wordt verwezen, moet de vergunningverlenende instantie toegang hebben tot die lijst.

(64)  Het model voor beperkingen en toegevoegde functionaliteit in de TSI CCS, aanhangsel D, wordt gebruikt.

(65)  De informatie tussen vierkante haken [ ] wordt verstrekt om de gebruiker te helpen het model correct en volledig in te vullen.

(66)  De beschrijving van het subsysteem moet een unieke identificatie en traceerbaarheid mogelijk maken.

(67)  Wanneer naar een lijst van gebruiksvoorwaarden en andere beperkingen wordt verwezen, moet de vergunningverlenende instantie toegang hebben tot die lijst.

(68)  Het model voor beperkingen en toegevoegde functionaliteit in de TSI CCS, aanhangsel D, wordt gebruikt.

(69)  De informatie tussen vierkante haken [ ] wordt verstrekt om de gebruiker te helpen het model correct en volledig in te vullen.

(70)  De beschrijving van het interoperabiliteitsonderdeel moet een unieke identificatie en traceerbaarheid mogelijk maken.

(71)  Wanneer naar een lijst van gebruiksvoorwaarden en andere beperkingen wordt verwezen, moet de vergunningverlenende instantie toegang hebben tot die lijst.

(72)  Het model voor beperkingen en toegevoegde functionaliteit in de TSI CCS, aanhangsel D, wordt gebruikt.

(73)  De informatie tussen vierkante haken [ ] wordt verstrekt om de gebruiker te helpen het model correct en volledig in te vullen.

(74)  De beschrijving van het subsysteem moet een unieke identificatie en traceerbaarheid mogelijk maken.

(75)  Wanneer naar een lijst van gebruiksvoorwaarden en andere beperkingen wordt verwezen, moet de vergunningverlenende instantie toegang hebben tot die lijst.

(76)  Het model voor beperkingen en toegevoegde functionaliteit in de TSI CCS, aanhangsel D, wordt gebruikt.

(77)  De informatie tussen vierkante haken [ ] wordt verstrekt om de gebruiker te helpen het model correct en volledig in te vullen.

(78)  De beschrijving van het interoperabiliteitsonderdeel moet een unieke identificatie en traceerbaarheid mogelijk maken.

(79)  Wanneer naar een lijst van gebruiksvoorwaarden en andere beperkingen wordt verwezen, moet de vergunningverlenende instantie toegang hebben tot die lijst.

(80)  Het model voor beperkingen en toegevoegde functionaliteit in de TSI CCS, aanhangsel D, wordt gebruikt.

(81)  In eerdere versies van de TSI heette dit bijlage G. Verwijzingen naar bijlage G bij de TSI CCS moeten worden gelezen als aanhangsel F van de TSI CCS.

(82)  Sommige nieuwe functies die in deze TSI zijn opgenomen, zijn uitgesloten van de boordenveloppen tot en met systeemversies 2.1 en 2.2. Deze beperkte enveloppen worden gespecificeerd in SUBSET-153.

(83)  De volgende boordfuncties die van invloed zijn op de versie van het ETCS-boordsysteem zijn uitgesloten in de beperkte boordenveloppe tot en met systeemversie 2.1 zoals bepaald in SUBSET-153: CR968, CR988, CR1238, CR1244, CR1302, CR1344, CR1346, CR1350, CR1359, CR1363, CR1367, CR1374, CR1375, CR1379, CR1397.

(84)  De volgende boordfuncties die van invloed zijn op de versie van het ETCS-boordsysteem zijn uitgesloten in de beperkte boordenveloppe tot en met systeemversie 2.2 zoals bepaald in SUBSET-153: CR968, CR988, CR1244, CR1302, CR1344, CR1346, CR1350, CR1359, CR1363, CR1367, CR1374, CR1375, CR1379, CR1397.


BIJLAGE II

“BIJLAGE II

Inhoudsopgave

1.

INLEIDING 181

2.

AFKORTINGEN EN ACRONIEMEN 181

3.

SYSTEMEN VAN KLASSE B 181

3.1.

VOORWAARDEN VOOR SYSTEMEN VAN KLASSE B 181

3.2.

GEBRUIK VAN DEZE BIJLAGE 181

3.3.

LIJST VAN TREINBEVEILIGINGSSYSTEMEN VAN KLASSE B 181

3.4.

LIJST VAN RADIOSYSTEMEN VAN KLASSE B 184

1.   INLEIDING

Deze bijlage bevat de lijst van treinbeveiligings- en radiosystemen als bedoeld in de TSI besturing en seingeving.

2.   AFKORTINGEN EN ACRONIEMEN

De acroniemen die als namen van oude systemen worden gebruikt, worden toegelicht in de tabellen in de punten 3.3 en 3.4.

RDD: Databank referentiedocumenten (https://rdd.era.europa.eu/RDD/).

3.   SYSTEMEN VAN KLASSE B

3.1.   VOORWAARDEN VOOR SYSTEMEN VAN KLASSE B

De systemen van klasse B voor het trans-Europese netwerk zijn een beperkt aantal oude treinbeveiligings- en radiosystemen voor spraakcommunicatie die reeds voor 20 april 2001 op het trans-Europese spoorwegnet in gebruik waren.

De systemen van klasse B voor andere delen van het spoorwegsysteem in de Europese Unie zijn een beperkt aantal oude treinbeveiligings- en radiosystemen voor spraakcommunicatie die reeds voor 1 juli 2015 op die delen van het netwerk in gebruik waren.

3.2.   GEBRUIK VAN DEZE BIJLAGE

Deze bijlage is opgesteld op basis van de door de lidstaten, Noorwegen, Zwitserland en het Verenigd Koninkrijk verstrekte informatie en in overeenstemming met de bepalingen van deze TSI.

Zoals vermeld in punt 3.1 van bijlage I bij deze verordening “zijn de betrokken lidstaten verantwoordelijk voor de eisen met betrekking tot systemen van klasse B”. Nadere bijzonderheden over de technische specificaties zijn te vinden in de RDD.

3.3.   LIJST VAN TREINBEVEILIGINGSSYSTEMEN VAN KLASSE B

Lidstaat

Naam van het oude systeem (1)

Toepassingsgebied

Identificatie van de versie

Datum van de laatste vergunning voor indienststelling

Oostenrijk

INDUSI I 60 (2)

Het hele netwerk

 

 

PZB 90 (3)

Het hele netwerk

AT/DE

 

LZB L72

LZB CE I

LZB CE II

Het hele netwerk

Het hele netwerk

Het hele netwerk

 

 

België

Crocodile

Het hele netwerk

 

 

TBL 1

Het hele netwerk

TBL 2

Het hele netwerk

TVM 430

Het hele netwerk

TBL1+

Alleen buiten het TEN

KVB

Toegang tot HSL 1

Bulgarije

EBICAB 700

Het hele netwerk

BU

 

Kroatië

INDUSI I 60 (2)

Het hele netwerk

 

 

Tsjechië

LS

Het hele netwerk

 

 

Denemarken

ZUB 123

Het hele netwerk

SW02A (versie 1.37 editie 04)

2 februari 2004

Estland

ALSN

Het hele netwerk

 

 

Finland

ATP-VR/RHK

Het hele netwerk

 

 

Frankrijk

Crocodile

Het hele netwerk

 

 

KVB

Het hele netwerk

TVM 300

Hogesnelheidslijnen

TVM 430

Hogesnelheidslijnen

KVBP

(voor)stedelijk gebied Parijs

KCVP

(voor)stedelijk gebied Parijs

KCVB

(voor)stedelijk gebied Parijs

NEXTEO

(voor)stedelijk gebied Parijs

DAAT

Het hele netwerk

Duitsland

PZB 90

Het hele netwerk

AT/DE

 

LZB CE I

LZB CE II (4)

Het hele netwerk

Het hele netwerk

GNT (Geschwindigkeitsüberwachung für NeiTech-Züge) (5)

Het hele netwerk (lijnen met een hogere zijdelingse versnelling voor kantelbaktreinen)

Hongarije

EVM

Het hele netwerk

 

 

Ierland

CAWS

Het hele netwerk

 

 

ATP

Het hele netwerk

Italië

SCMT + RSC

Het hele netwerk

 

 

SCMT

Het hele netwerk

SSC

Alleen buiten het TEN

Letland

ALSN

Het hele netwerk

 

 

Litouwen

ALSN

Het hele netwerk

 

 

Noorwegen (6)

ATC (7)

Het hele netwerk

2

1993

Polen

SHP

Het hele netwerk

 

 

PKP-radiosysteem met radiostopfunctie

Het hele netwerk

Portugal

INDUSI I 60

Cascaislijn buiten het TEN

PT

 

EBICAB 700 (CONVEL)

Het hele netwerk

Roemenië

INDUSI I 60 (2)

Het hele netwerk

 

 

Slowakije

LS

Hoofdlijnen

 

 

Slovenië

INDUSI I 60 (2)

Alle hoofdlijnen en 3 regionale lijnen

 

 

Spanje

ASFA

Het conventionele netwerk en de rest van het netwerk uitgerust met stroomrails

CONV

 

HSL’s, behalve sporen uitgerust met stroomrails

AV

Lijnen met meterspoor

RAM

LZB

HSL “Madrid – Sevilla/Toledo/Málaga” Voorstadslijn C5 (Madrid), sectie “Humanes – Mostoles el Soto”

ES

Zweden

ATC (7)

Het hele netwerk behalve de lijn Linköping – Västervik/KISA

2

 

 

 

Linköping – Västervik/KISA

R

 

Zwitserland (6)

EuroSIGNUM (8)

Het hele netwerk

 

 

EuroZub (8)

Het hele netwerk

 

 

Nederland

ATB eerste generatie

Het hele netwerk

 

 

ATB nieuwe generatie

Het hele netwerk

 

 

VK voor Noord-Ierland

GW ATP

Beperkt tot specifieke routes

 

 

RETB

Beperkt tot specifieke routes

TPWS/AWS

Het hele netwerk

Chiltern-ATP

Beperkt tot specifieke routes

Mechanical Trainstop

Beperkt tot specifieke routes

3.4.   LIJST VAN RADIOSYSTEMEN VAN KLASSE B (9)

Lidstaat

Naam van het oude systeem (10)

Toepassingsgebied

Identificatie van de versie

Datum van de laatste vergunning voor indienststelling

Oostenrijk

UIC-radio Hoofdstukken 1-4 + 6

 

 

 

Bulgarije

UIC-radio — Bulgarije

 

 

 

Kroatië

Analoog spoorwegradiosysteem (RDU) — in overeenstemming met UIC 751-3

 

 

 

Tsjechië

SRD/SRV

SRV: specifiek voor regionale lijnen en stations langs die lijnen

 

 

Estland

Netwerk voor treincommunicatie van de spoorwegen in Estland

Het hele netwerk

 

 

Duitsland

Analoge Radio Duitsland — overeenkomstig UIC 751-3 (alle hoofdstukken):

 

 

 

TGL 43886 maart 1987, UKW-Verkehrsfunktechnik, treinradiosysteem;

Lijnen van de voormalige DDR geïnstalleerd vóór 1990

functionele radiospecificaties voor lijnen met weinig verkeer (Lastenheft Zugfunk auf Strecken mit einfachen betrieblichen Verhältnissen), gedetailleerde norm voor een open simplexmodus;

Lijnen met weinig verkeer

functionele specificaties voor de interface voor tweeërlei gebruik voor digitale en analoge cabineradio en digitale radio voor rangeerbewegingen — deel 2 (Lastenheft Dualmode Bedienteil für digitalen und analogen Zugfunk digitalen Rangierfunk — Teil 2 — Funktionale Anforderungen), gedetailleerde norm voor de DMI-cabineradio met functieomschakeling tussen GSM-R en analoge treinradio, gebruikt tijden de migratieperiode

Routes die niet onder het GSM-R-netwerk vallen

Griekenland

CH — Radiosysteem van de Griekse spoorwegen (VHF)

Het hele netwerk, behalve het spoor luchthaven Kiato-Athene en de lijn Egio-Kiato.

 

 

Hongarije

UIC-radio, hoofdstukken 1-4

 

 

 

UIC-radio, hoofdstukken 1-4 + 6 (Iers systeem)

Ierland

UIC-radio Hoofdstukken 1-4 + 6 (Iers systeem)

 

 

 

Italië

GSM-P

Op lijnen zonder GSM--R-dekking

 

 

Letland

LDZ-radiosysteem

DMR

Het hele netwerk

 

 

Litouwen

Treinradiosysteem van de Litouwse spoorwegen

Alle baanvakken tussen stations in grensgebieden

 

 

Radiocommunicatie voor rangeringen

Het hele netwerk (voor manoeuvreren)

Polen

PKP-radiosysteem

Het hele netwerk

 

 

Portugal

UIC-radio, hoofdstukken 1-4 (TTT-radiocommunicatiesysteem van de Cascaislijn)

Cascaislijn buiten het TEN

 

 

TTT-radiosysteem CP_N (RSC — Rádio Solo-Comboio)

Het hele netwerk

Roemenië

Radionetwerk van CFR

 

 

 

Slowakije

Analoog simplexradionetwerk 450 MHz UIC (kanaal C)

Hoofdlijnen en stations

 

 

Analoog simplexradionetwerk Multikom 160 MHz en 450 MHz

Hoofd- en lokale lijnen met gecentraliseerde verkeersleiding

 

 

Analoog simplex-/semiduplexradionetwerk 160 MHz

Hoofd- en lokale lijnen

 

 

Slovenië

Analoog spoorwegradiosysteem RDZ — in overeenstemming met UIC 751-3

Alle hoofdlijnen en vijf regionale lijnen

 

 

Spanje

UIC-radio, hoofdstukken 1-4 + 6

 

 

 

VK voor Noord-Ierland

RETB (spraak)

Alleen RETB-lijnen

 

 


(1)  Dat twee of meer lidstaten hetzelfde systeem gebruiken, betekent niet dat zij compatibel zijn: er moet rekening worden gehouden met de versie.

(2)  Rollend materieel dat is uitgerust met hogere versies (bv. PZB 90) is toegestaan.

(3)  Alle nieuwe goedgekeurde voertuigen moeten uitgerust zijn met PZB 90.

(4)  LZB 72 wordt in Duitsland sinds eind 2023 niet meer gebruikt.

(5)  GNT werkt alleen samen met PZB 90.

(6)  Ter informatie.

(7)  Voorheen “EBICAB 700” genoemd.

(8)  Het Zwitserse systeem van klasse B is alleen toegestaan voor ETCS B2-voertuigen.

(9)  Deze lijst is gebaseerd op de informatie in de Beschikking 2006/860/EG van de Commissie van 7 november 2006 betreffende de technische specificaties inzake interoperabiliteit van het subsysteem Besturing en seingeving van het trans-Europees hogesnelheidsspoorwegsysteem en tot wijziging van bijlage A bij Beschikking 2006/679/EG betreffende de technische specificaties inzake interoperabiliteit van het subsysteem Besturing en Seingeving van het conventionele trans-Europese spoorwegsysteem (PB L 342 van 7.12.2006, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2006/860/oj), en Beschikking 2006/679/EG van de Commissie van 28 maart 2006 betreffende de technische specificaties van het subsysteem besturing en seingeving van het conventionele trans-Europese spoorwegsysteem (PB L 284 van 16.10.2006, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2006/679/oj).

(10)  Dat twee of meer lidstaten hetzelfde systeem gebruiken, betekent niet dat zij compatibel zijn: er moet rekening worden gehouden met de versie.


ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2026/693/oj

ISSN 1977-0758 (electronic edition)