|
Publicatieblad |
NL L-serie |
|
2026/567 |
18.3.2026 |
BESLUIT (EU) 2026/567 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK
van 5 maart 2026
betreffende het totale bedrag van de jaarlijkse vergoeding voor toezicht voor 2025 (ECB/2026/7)
DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (1), en met name artikel 30,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Overeenkomstig artikel 12, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1163/2014 van de Europese Centrale Bank (ECB/2014/41) (2), moet de Europese Centrale Bank (ECB) jaarlijks en binnen zes maanden na het begin van de volgende vergoedingsperiode aan elke schuldenaar van de vergoeding een vergoedingskennisgeving toezenden. |
|
(2) |
Uit hoofde van artikel 5, leden 1 en 2, van Verordening (EU) nr. 1163/2014 (ECB/2014/41) worden de jaarlijkse kosten voor toezicht die op de onder toezicht staande entiteiten worden verhaald berekend op basis van de jaarlijkse uitgaven van de ECB. Het bedrag van de jaarlijkse kosten wordt vastgesteld op basis van het bedrag van de jaarlijkse uitgaven, bestaande uit door de ECB in de desbetreffende vergoedingsperiode gedane uitgaven die direct of indirect verband houden met haar toezichttaken. |
|
(3) |
In overeenstemming met artikel 8 van Verordening (EU) nr. 1163/2014 (ECB/2014/41) moeten voor de berekening van de jaarlijkse vergoeding voor toezicht, verschuldigd door belangrijke onder toezicht staande entiteiten en belangrijke onder toezicht staande groepen en door minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten en minder belangrijke onder toezicht staande groepen, de totale kosten worden uitgesplitst op basis van de uitgaven die worden toegerekend aan de betreffende functies die het directe toezicht uitoefenen op belangrijke onder toezicht staande entiteiten en belangrijke onder toezicht staande groepen, en die het indirecte toezicht uitoefenen op minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten en minder belangrijke onder toezicht staande groepen. |
|
(4) |
Overeenkomstig artikel 5, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1163/2014 (ECB/2014/41) moet bij de vaststelling van de jaarlijkse kosten in voorkomend geval ook rekening worden gehouden met de niet-inbare vergoedingsbedragen die verband houden met vorige vergoedingsperiodes, met ontvangen rentebetalingen overeenkomstig artikel 14 en bepaalde andere ontvangen of terugbetaalde bedragen overeenkomstig artikel 7, lid 3, van die verordening. |
|
(5) |
Overeenkomstig artikel 5, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1163/2014 (ECB/2014/41) moet binnen vier maanden na afloop van elke vergoedingsperiode het totale bedrag van de jaarlijkse vergoeding voor toezicht voor elke categorie van onder toezicht staande groepen voor die vergoedingsperiode op de ECB-website worden bekendgemaakt, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Definities
Voor de toepassing van dit besluit gelden de definities van Verordening (EU) nr. 468/2014 van de Europese Centrale Bank (ECB/2014/17) (3) en Verordening (EU) nr. 1163/2014 (ECB/2014/41).
Artikel 2
Totale bedrag van de jaarlijkse vergoeding voor toezicht voor 2025
1. Het totale bedrag van de jaarlijkse vergoeding voor toezicht voor 2025 bedraagt 690 027 932 EUR berekend zoals weergegeven in de bijlage.
2. Elke categorie van onder toezicht staande entiteiten en onder toezicht staande groepen betaalt het volgende totale bedrag van de jaarlijkse vergoeding voor toezicht:
|
a) |
belangrijke onder toezicht staande entiteiten en belangrijke onder toezicht staande groepen: 659 093 053 EUR; |
|
b) |
minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten en minder belangrijke onder toezicht staande groepen: 30 934 879 EUR. |
Artikel 3
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking op de vijfde dag volgende op die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Frankfurt am Main, 5 maart 2026.
De president van de ECB
Christine LAGARDE
(1) PB L 287 van 29.10.2013, blz. 63, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2013/1024/oj.
(2) Verordening (EU) nr. 1163/2014 van de Europese Centrale Bank van 22 oktober 2014 betreffende een vergoeding voor toezicht (ECB/2014/41) (PB L 311 van 31.10.2014, blz. 23, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2014/1163/oj).
(3) Verordening (EU) nr. 468/2014 van de Europese Centrale Bank van 16 april 2014 tot vaststelling van een kader voor samenwerking binnen het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme tussen de Europese Centrale Bank en nationale bevoegde autoriteiten en met nationale aangewezen autoriteiten (GTM-kaderverordening) (ECB/2014/17) (PB L 141 van 14.5.2014, blz. 1). ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2014/468/oj).
BIJLAGE
Berekening van het totale bedrag van de jaarlijkse vergoeding voor toezicht voor 2025
|
(EUR) |
|||
|
|
Belangrijke onder toezicht staande entiteiten en belangrijke onder toezicht staande groepen |
Minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten en minder belangrijke onder toezicht staande groepen |
Totaal |
|
Werkelijke jaarlijkse kosten voor 2025 |
659 019 260 |
30 763 479 |
689 782 738 |
|
Bedragen waarmee overeenkomstig artikel 5, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1163/2014 (ECB/2014/41) rekening moet worden gehouden |
|
|
|
|
Met vorige vergoedingsperiodes verband houdende niet-inbare vergoedingsbedragen |
|
|
|
|
Overeenkomstig artikel 14 van de bovengenoemde verordening ontvangen rentebetalingen |
–7 973 |
–22 471 |
–30 444 |
|
Overeenkomstig artikel 7, lid 3, van de van de bovengenoemde verordening ontvangen of terugbetaalde bedragen |
81 767 |
193 871 |
275 638 |
|
TOTAAL |
659 093 053 |
30 934 879 |
690 027 932 |
|
Totalen kunnen door afronding enigszins afwijken. |
|||
ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2026/567/oj
ISSN 1977-0758 (electronic edition)