|
Publicatieblad |
NL L-serie |
|
2026/565 |
12.3.2026 |
BESLUIT (EU) 2026/565 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK
van 3 maart 2026
houdende benoeming van hoofden van arbeidseenheden met het oog op de vaststelling van gedelegeerde besluiten betreffende fusies, splitsingen en verwervingen van deelnemingen van betekenis (ECB/2026/6)
DE DIRECTIE VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, en met name artikel 11.6,
Gezien Besluit (EU) 2017/933 van de Europese Centrale Bank van 16 november 2016 betreffende een algemeen kader voor de delegatie van besluitvormingsbevoegdheden voor met toezichttaken verband houdende rechtsinstrumenten (ECB/2016/40) (1), en met name de artikelen 4 en 5,
Gezien Besluit (EU) 2026/564 van de Europese Centrale Bank van 13 februari 2026 betreffende de delegatie van de bevoegdheid om besluiten vast te stellen betreffende fusies, splitsingen en verwervingen van deelnemingen van betekenis (ECB/2026/5) (2), en met name artikel 3,
Gezien Besluit ECB/2004/2 van de Europese Centrale Bank van 19 februari 2004 houdende goedkeuring van het reglement van orde van de Europese Centrale Bank (3), en met name artikel 10,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Ingevolge de wijzingen van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad (4), ingevoerd bij Richtlijn (EU) 2024/1619 van het Europees Parlement en de Raad (5), beschikken toezichthouders van kredietinstellingen over alle toezichtsbevoegdheden die nodig zijn voor het bestrijken van transacties van materieel belang die door de onder toezicht staande entiteiten kunnen worden uitgevoerd. De Europese Centrale Bank (ECB) is derhalve bevoegd om besluiten te nemen bij de uitoefening van de krachtens Richtlijn 2013/36/EU verleende toezichtsbevoegdheden ingeval van fusies, splitsingen of verwervingen van deelnemingen van betekenis waarbij belangrijke onder toezicht staande entiteiten betrokken zijn. |
|
(2) |
Om het hoofd te kunnen bieden aan het aanzienlijk aantal besluiten dat de ECB bij de uitvoering van haar toezichttaken moet vaststellen, is een procedure ingericht voor de vaststelling van specifieke gedelegeerde besluiten. |
|
(3) |
Een delegatiebesluit wordt van kracht na de vaststelling van een besluit door de directie waarbij een of meerdere hoofden van arbeidseenheden worden benoemd om besluiten te nemen op basis van een delegatiebesluit. |
|
(4) |
De directie houdt bij de benoeming van hoofden van arbeidseenheden rekening met het belang van het delegatiebesluit en het aantal geadresseerden aan wie gedelegeerde besluiten verzonden moeten worden. |
|
(5) |
In artikel 10.1 van Besluit ECB/2004/2 is bepaald dat de directie een besluit neemt over het aantal, de naam en de respectieve bevoegdheden van alle arbeidseenheden van de ECB. |
|
(6) |
De voorzitter van de Raad van toezicht werd geraadpleegd over de hoofden van arbeidseenheden aan wie de bevoegdheid tot vaststelling van gedelegeerde besluiten betreffende verleende toezichtsbevoegdheden met betrekking tot fusies, splitsingen en verwervingen van deelnemingen van betekenis waarbij ten minste één belangrijke onder toezicht staande entiteit is betrokken, moet worden gedelegeerd. |
|
(7) |
Aangezien de bij Richtlijn 2013/36/EU ingevoerde wijzigingen met betrekking tot de relevante toezichtsbevoegdheden op 11 januari 2026 van kracht zijn geworden, is het aangewezen dat besluiten in het kader van de uitoefening van die toezichtbevoegdheden zo spoedig mogelijk na die datum overeenkomstig dit besluit worden gedelegeerd, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Gedelegeerde besluiten betreffende fusies en splitsingen
1. Gedelegeerde besluiten uit hoofde van artikel 4 (met betrekking tot fusies) en artikel 5 (met betrekking tot splitsingen) van Besluit (EU) 2026/564 (ECB/2026/5) waarbij belangrijke onder toezicht staande entiteiten als gedefinieerd in artikel 2, punt 16, van Verordening (EU) nr. 468/2014 van de Europese Centrale Bank (ECB/2014/17) (6) betrokken zijn, worden vastgesteld door de directeur-generaal of de plaatsvervangend directeur-generaal van het directoraat-generaal SSM Governance en Operations — of indien zij niet beschikbaar zijn, het hoofd van de afdeling Autorisatie — en een van de volgende hoofden van arbeidseenheden:
|
a) |
de directeur-generaal of een plaatsvervangend directeur-generaal van het directoraat-generaal Systeem- en Internationale Banken, indien het toezicht op de betrokken onder toezicht staande entiteit of groep wordt uitgeoefend door het directoraat-generaal Systeem- & Internationale Banken; |
|
b) |
de directeur-generaal of een plaatsvervangend directeur-generaal van het directoraat-generaal Universele & Gediversifieerde Instellingen, indien het toezicht op de betrokken onder toezicht staande entiteit of groep wordt uitgeoefend door het directoraat-generaal Universele & Gediversifieerde Instellingen; |
|
c) |
de directeur-generaal of een plaatsvervangend directeur-generaal van het directoraat-generaal Gespecialiseerde Instellingen en LSI’s, indien het toezicht op de betrokken onder toezicht staande entiteit of groep wordt uitgeoefend door het directoraat-generaal Gespecialiseerde Instellingen en LSI’s. |
2. Indien bij een gedelegeerd besluit uit hoofde van de artikel 4 (met betrekking tot fusies) en artikel 5 (met betrekking tot splitsingen) van Besluit (EU) 2026/564 (ECB/2026/5) meer dan één belangrijke onder toezicht staande entiteit betrokken is, is de relevante onder toezicht staande entiteit de onder toezicht staande entiteit die voortvloeit uit de voorgenomen verrichting ingeval van een fusie, of de entiteit die wordt gesplitst ingeval van een splitsing.
Artikel 2
Gedelegeerde besluiten betreffende verwervingen van deelnemingen van betekenis
1. Gedelegeerde besluiten uit hoofde van artikel 6 van Besluit (EU) 2026/564 (ECB/2026/5) die geen verband houden met een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling als bedoeld in artikel 22, lid 1, van Richtlijn 2013/36/EU en waarbij belangrijke onder toezicht staande entiteiten als gedefinieerd in artikel 2, punt 16, van Verordening (EU) nr. 468/2014 betrokken zijn, worden vastgesteld door een van de volgende hoofden van arbeidseenheden:
|
a) |
de directeur-generaal of een plaatsvervangend directeur-generaal van het directoraat-generaal Systeem- & Internationale Banken, indien het toezicht op de betrokken onder toezicht staande entiteit of groep wordt uitgeoefend door het directoraat-generaal Systeem- & Internationale Banken; |
|
b) |
de directeur-generaal of een plaatsvervangend directeur-generaal van het directoraat-generaal Universele & Gediversifieerde Instellingen, indien het toezicht op de betrokken onder toezicht staande entiteit of groep wordt uitgeoefend door het directoraat-generaal Universele & Gediversifieerde Instellingen; |
|
c) |
de directeur-generaal of een plaatsvervangend directeur-generaal van het directoraat-generaal Gespecialiseerde Instellingen LSI’s, indien het toezicht op de betrokken onder toezicht staande entiteit of groep wordt uitgeoefend door het directoraat-generaal Gespecialiseerde Instellingen en LSI’s. |
2. Gedelegeerde besluiten uit hoofde van artikel 6 van Besluit (EU) 2026/564 (ECB/2026/5) die verband houden met een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling als bedoeld in artikel 22, lid 1, van Richtlijn 2013/36/EU en waarbij belangrijke onder toezicht staande entiteiten als gedefinieerd in artikel 2, punt 16, van Verordening (EU) nr. 468/2014 betrokken zijn, worden, naast de in lid 1 genoemde hoofden van arbeidseenheden, vastgesteld door de directeur-generaal of de plaatsvervangend directeur-generaal van het directoraat-generaal SSM Governance en Operations, of indien zij niet beschikbaar zijn, het hoofd van de afdeling Autorisatie.
3. Indien bij een gedelegeerd besluit uit hoofde van artikel 6 van Besluit (EU) 2026/564 (ECB/2026/5) meer dan één belangrijke onder toezicht staande entiteit betrokken is, is de relevante onder toezicht staande entiteit elk van de onder toezicht staande entiteiten die de deelneming van betekenis verwerven.
Artikel 3
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking op de vijfde dag volgende op die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Frankfurt am Main, 3 maart 2026.
De president van de ECB
Christine LAGARDE
(1) PB L 141 van 1.6.2017, blz. 14, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2017/933/oj.
(2) PB L, 2026/564, 12.3.2026, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2026/564/oj.
(3) PB L 80 van 18.3.2004, blz. 33, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2004/257/oj.
(4) PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2013/36/oj.
(5) Richtlijn (EU) 2024/1619 van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 2024 tot wijziging van Richtlijn 2013/36/EU wat betreft toezichtsbevoegdheden, sancties, bijkantoren uit derde landen en ecologische, sociale en governancerisico’s (PB L, 2024/1619, 19.6.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2024/1619/oj).
(6) Verordening (EU) nr. 468/2014 van de Europese Centrale Bank van 16 april 2014 tot vaststelling van een kader voor samenwerking binnen het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme tussen de Europese Centrale Bank en nationale bevoegde autoriteiten en met nationale aangewezen autoriteiten (GTM-kaderverordening) (ECB/2014/17) (PB L 141 van 14.5.2014, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2014/468/oj).
ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2026/565/oj
ISSN 1977-0758 (electronic edition)