European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

L-serie


2026/564

12.3.2026

BESLUIT (EU) 2026/564 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK

van 13 februari 2026

inzake de delegatie van de bevoegdheid om besluiten vast te stellen betreffende fusies, splitsingen en verwervingen van deelnemingen van betekenis (ECB/2026/5)

DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (1), en met name artikel 4, lid 1, punten d) en e), artikel 4, lid 3, en artikel 9, lid 1,

Gezien Besluit (EU) 2017/933 van de Europese Centrale Bank van 16 november 2016 betreffende een algemeen kader voor de delegatie van besluitvormingsbevoegdheden voor met toezichttaken verband houdende rechtsinstrumenten (ECB/2016/40) (2), en met name artikel 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Binnen het kader van artikel 6 van Verordening (EU) nr. 1024/2013 heeft de Europese Centrale Bank (ECB) de exclusieve taak toezicht te houden op kredietinstellingen met het oog op een consistente toepassing van de toezichtsnormen, bevordering van de financiële stabiliteit en garantie van gelijke voorwaarden.

(2)

Krachtens artikel 9, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 1024/2013 heeft de ECB voor de uitvoering van de haar bij artikel 4 van die verordening opgedragen taken alle in Verordening (EU) nr. 1024/2013 vastgestelde bevoegdheden en verplichtingen en alle bevoegdheden en verplichtingen waarover de bevoegde autoriteiten krachtens het toepasselijke Unierecht beschikken.

(3)

Krachtens de wijzigingen van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad (3), die werden ingevoerd bij Richtlijn (EU) 2024/1619 van het Europees Parlement en de Raad (4) die op 11 januari 2026 van kracht werd, beschikken toezichthouders van kredietinstellingen over alle toezichtsbevoegdheden die nodig zijn voor het bestrijken van transacties van materieel belang die door de onder toezicht staande entiteiten kunnen worden uitgevoerd. De ECB is derhalve bevoegd om besluiten te nemen in het kader van de uitoefening van de krachtens Richtlijn 2013/36/EU verleende toezichtsbevoegdheden in gevallen van fusies, splitsingen of verwervingen van deelnemingen van betekenis waarbij belangrijke onder toezicht staande entiteiten betrokken zijn. Dit komt boven op de bevoegdheden van de ECB om besluiten te nemen in het kader van de uitoefening van de krachtens het nationale recht verleende toezichtsbevoegdheden.

(4)

In overeenstemming met artikel 4, lid 3 van Verordening (EU) nr. 1024/2013 past de ECB alle toepasselijke Uniewetgeving toe, en wanneer dat Unierecht bestaat uit richtlijnen, eveneens de nationale wetgeving waarbij de richtlijnen zijn omgezet.

(5)

Om het besluitvormingsproces te vergemakkelijken, is een delegatiebesluit nodig met betrekking tot de vaststelling van besluiten inzake fusies, splitsingen of verwervingen van deelnemingen van betekenis. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft bevestigd dat delegatie van bevoegdheid noodzakelijk is opdat een instelling die een aanzienlijk aantal besluiten moet vaststellen, haar taken kan vervullen. Evenzo heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie erkend dat het noodzakelijk is de werking van een besluitvormend orgaan te waarborgen, zijnde een beginsel dat inherent is aan alle institutionele stelsels (5).

(6)

Delegatie van besluitvormende bevoegdheden moet beperkt en evenredig zijn en de delegatiereikwijdte moet duidelijk omschreven zijn.

(7)

Bij de vaststelling van de criteria voor de delegatie van besluiten die zijn genomen in het kader van de uitoefening van krachtens Richtlijn 2013/36/EU verleende toezichtsbevoegdheden in gevallen van fusies, splitsingen of verwervingen van deelnemingen van betekenis waarbij belangrijke onder toezicht staande entiteiten betrokken zijn, is het passend dat bepaalde criteria van toepassing zijn gedurende een periode van ten minste drie jaar vanaf de effectieve datum van de betrokken verrichting. De reden hiervoor is dat de door de betrokken onder toezicht staande entiteit ingediende documenten met betrekking tot de beoordeling van de betrokken verrichting deze periode bestrijken.

(8)

Besluit (EU) 2017/933 (ECB/2016/40) verduidelijkt de voor de vaststelling van delegatiebesluiten betreffende toezicht te volgen procedure en verduidelijkt tevens aan welke personen besluitvormingsbevoegdheden gedelegeerd mogen worden. Dat besluit doet geen afbreuk aan de vervulling van toezichttaken door de ECB en laat de bevoegdheden van de Raad van toezicht om volledige ontwerpbesluiten aan de Raad van bestuur voor te leggen, onverlet.

(9)

Indien niet is voldaan aan de in dit besluit vastgelegde criteria voor de vaststelling van een gedelegeerd besluit, moeten besluiten worden vastgesteld overeenkomstig de geen-bezwaarprocedure van artikel 26, lid 8, van Verordening (EU) nr. 1024/2013 en verder gespecificeerd in artikel 13 octies van Besluit ECB/2004/2 van de Europese Centrale Bank (6). Voorts zou de geen-bezwaarprocedure ook moeten worden gebruikt indien de hoofden van arbeidseenheden betwijfelen of is voldaan aan de beoordelingscriteria vanwege de complexiteit van de beoordeling, de gevoeligheid van de aangelegenheid — wat betreft de gevolgen voor de reputatie van de ECB en/of voor de werking van het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme — of de verwevenheid van het besluit van de ECB met betrekking tot de fusie, splitsing of verwerving van een deelneming van betekenis met een of meer andere besluiten die door de toezichthouder moeten worden goedgekeurd.

(10)

ECB-toezichtbesluiten kunnen administratief getoetst worden overeenkomstig artikel 24 van Verordening (EU) nr. 1024/2013 en zoals nader bepaald in Besluit ECB/2014/16 van de Europese Centrale Bank (7). In het geval van een dergelijke administratieve toetsing dient de Raad van toezicht rekening te houden met het advies van de administratieve raad voor toetsing en een nieuw ontwerpbesluit aan de Raad van bestuur voor te leggen ter vaststelling onder de geen-bezwaarprocedure.

(11)

Aangezien de in Richtlijn 2013/36/EU aangebrachte wijzigingen met ingang van 11 januari 2026 van kracht zijn, is het passend dat besluiten in het kader van de uitoefening van de krachtens die richtlijn verleende toezichtbevoegdheden zo spoedig mogelijk na die datum overeenkomstig dit besluit kunnen worden gedelegeerd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Definities

Binnen het kader van dit besluit zijn de volgende definities van toepassing:

1)

“fusie”: een verrichting als gedefinieerd in artikel 27 nonies, derde alinea, punt 1), van Richtlijn 2013/36/EU;

2)

“splitsing”: een verrichting als gedefinieerd in artikel 27 nonies, derde alinea, punt 2), van Richtlijn 2013/36/EU;

3)

“verwerving van een deelneming van betekenis”: verwerving van een deelneming die overeenkomstig artikel 27 bis, lid 2, van Richtlijn 2013/36/EU als van materieel belang wordt beschouwd;

4)

“belangrijke onder toezicht staande entiteit”: een belangrijke onder toezicht staande entiteit als gedefinieerd in artikel 2, punt 16, van Verordening (EU) nr. 468/2014 van de Europese Centrale Bank (ECB/2014/17) (8);

5)

“gedelegeerd besluit”: heeft dezelfde betekenis als in artikel 3, punt 4), van Besluit (EU) 2017/933 (ECB/2016/40);

6)

“geen-bezwaarprocedure”: de in artikel 26, lid 8 van Verordening (EU) nr. 1024/2013 neergelegde procedure die nader wordt beschreven in artikel 13 octies van Besluit ECB/2004/2;

7)

“hoofd van een arbeidseenheid”: een persoon van de ECB aan wie de bevoegdheid tot het vaststellen van besluiten inzake fusies, splitsingen en verwervingen van deelnemingen van betekenis is gedelegeerd;

8)

“gevoeligheid”: een kenmerk of factor die een negatieve impact kan hebben op de reputatie van de ECB en/of op de doeltreffende en consistente werking van het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme, met inbegrip van, maar niet beperkt tot het volgende: a) de betrokken onder toezicht staande entiteit was voorheen of is momenteel onderworpen aan strenge toezichtsmaatregelen, zoals maatregelen voor vroegtijdige interventie; b) het ontwerpbesluit, zodra het is aangenomen, zou een nieuw precedent scheppen dat de ECB in de toekomst zou kunnen binden; c) het ontwerpbesluit, zodra het is aangenomen, zou negatieve aandacht van de media of het publiek kunnen trekken, of d) een nationale bevoegde autoriteit die een nauwe samenwerking met de ECB is aangegaan, deelt haar ongenoegen met betrekking tot het ontwerpbesluit aan de ECB mee;

9)

“besluit genomen in het kader van de uitoefening van krachtens het Unierecht verleende toezichtbevoegdheden”: a) een toezichtbesluit; b) de goedkeuring van een positieve beoordeling indien een toezichtbesluit uit hoofde van het Unierecht niet vereist is; c) een instructie die krachtens artikel 7 van Verordening (EU) nr. 1024/2013 gericht is tot de nationale bevoegde autoriteiten waarmee de ECB een nauwe samenwerking is aangegaan;

10)

“negatief besluit”: een besluit dat geen toestemming verleent, of de door de belangrijke onder toezicht staande entiteit verzochte toestemming niet volledig verleent. Een besluit met aanvullende bepalingen zoals voorwaarden of verplichtingen wordt als een negatief besluit beschouwd, tenzij die aanvullende bepalingen: a) verzekeren dat de onder toezicht staande entiteit voldoet aan de relevante bepalingen van het Unierecht, zoals omgezet in nationaal recht, en schriftelijk zijn overeengekomen, of b) slechts een of meer van de bestaande vereisten herhalen waaraan de instelling moet voldoen op grond van bepalingen van het Unierecht, zoals omgezet in nationaal recht, of informatie vereisen over de naleving van een of meer van die vereisten;

11)

“SREP-besluit”: een door de ECB op basis van artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1024/2013 vastgesteld besluit, volgend op de jaarlijkse toetsing en evaluatie door de toezichthouder zoals bedoeld in artikel 97 van Richtlijn 2013/36/EU en welk besluit prudentiële vereisten vaststelt;

12)

“tier 1-kernkaptiaalratio”, “tier 1-kapitaalratio” en “totale kapitaalratio: tier 1-kernapitaalratio, tier 1-kapitaalratio en totale kapitaalratio zoals respectievelijk bedoeld in artikel 92, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad (9);

13)

“gelijkwaardige toezichts- en reguleringsnormen”: alle toezichts- en reguleringsvereisten of -regelingen die een derde land of gebied toepast en die erkend zijn door de Europese Commissie als gelijkwaardig aan die welke in de Unie worden toegepast overeenkomstig artikel 107, lid 4, en artikel 114, lid 7, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Artikel 2

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   Dit besluit legt de criteria vast voor de delegatie van besluitvormingsbevoegdheden aan de hoofden van arbeidseenheden voor de vaststelling van besluiten die worden genomen in het kader van de uitoefening van krachtens het Unierecht verleende toezichtsbevoegdheden met betrekking tot: a) fusies waarbij ten minste één belangrijke onder toezicht staande entiteit betrokken is; b) splitsingen waarin de entiteit die de verrichting uitvoert een belangrijke onder toezicht staande entiteit is, en c) verwervingen van deelnemingen van betekenis in kredietinstellingen of niet-kredietinstellingen door een belangrijke onder toezicht staande entiteit.

2.   De delegatie van besluitvormingsbevoegdheden doet geen afbreuk aan de uitvoering van beoordelingen door de toezichthouder met betrekking tot fusies, splitsingen en verwervingen van deelnemingen van betekenis.

Artikel 3

Delegatie van besluiten die zijn genomen in het kader van de uitoefening van toezichtbevoegdheden uit hoofde van het Unierecht met betrekking tot fusies, splitsingen en verwervingen van deelnemingen van betekenis

1.   Overeenkomstig artikel 4 van Besluit (EU) 2017/933 (ECB/2016/40) delegeert de Raad van bestuur hierbij aan de hoofden van arbeidseenheden, die overeenkomstig artikel 5 van dat besluit door de directie zijn benoemd, de bevoegdheid om besluiten vast te stellen die worden genomen bij de uitoefening van de toezichtsbevoegdheden die krachtens het Unierecht zijn verleend met betrekking tot fusies, splitsingen en verwervingen van deelnemingen van betekenis.

2.   De in lid 1 bedoelde besluiten worden door middel van een gedelegeerd besluit vastgesteld indien is voldaan aan de in artikelen 4, 5 en 6 bedoelde vaststellingscriteria voor gedelegeerde besluiten.

3.   De in lid 1 bedoelde besluiten worden niet bij gedelegeerd besluit vastgesteld indien de complexiteit van de beoordeling of de gevoeligheid van de aangelegenheid vereist dat ze volgens de geen-bezwaarprocedure worden vastgesteld.

4.   Hoofden van arbeidseenheden van de ECB leggen een besluit als bedoeld in lid 1, en dat voldoet aan de in de artikelen 4, 5 en 6 neergelegde criteria voor de vaststelling van gedelegeerde besluiten, ter vaststelling in het kader van de geen-bezwaarprocedure voor aan de Raad van toezicht en de Raad van bestuur indien de toezichthoudende beoordeling van dat besluit rechtstreeks van invloed is op de toezichthoudende beoordeling van een ander besluit dat volgens de geen-bezwaarprocedure moet worden vastgesteld.

5.   Negatieve besluiten worden niet middels een gedelegeerd besluit vastgesteld.

6.   Wanneer een besluit niet mag worden vastgesteld middels een gedelegeerd besluit, wordt het vastgesteld in overeenstemming met de geen-bezwaarprocedure.

Artikel 4

Criteria voor de vaststelling van gedelegeerde besluiten betreffende fusies

1.   Besluiten betreffende de goedkeuring van fusies waarbij minstens één belangrijke onder toezicht staande entiteit betrokken is, worden genomen bij gedelegeerd besluit indien aan alle van de volgende criteria is voldaan:

a)

de impact op het eigen vermogen van de belangrijke onder toezicht staande entiteit die uit de fusie voortvloeit, is zowel op geconsolideerd als op individueel niveau beperkt, hetgeen betekent dat al het volgende van toepassing is:

i)

gedurende ten minste drie jaar vanaf de effectieve datum van de fusie is het eigen vermogen groter dan de som van: 1) de vereisten van artikel 92, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013; 2) het overeenkomstig artikel 16, lid 2, punt a), van Verordening (EU) nr. 1024/2013 verplicht aan te houden eigen vermogen; 3) het in artikel 128, punt 6), van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde gecombineerde buffervereiste, en 4) naargelang van het geval, de Pijler 2-kaptiaalrichtsnoeren zoals bedoeld in het meest recente SREP-besluit;

ii)

de impact van een verlaging op de tier 1-kernkapitaalratio, de tier 1-kapitaalratio en de totale kapitaalratio bedraagt minder dan honderd basispunten, of gedurende ten minste drie jaar vanaf de effectieve datum van de fusie, wordt het totaal van de genoemde vereisten en, in voorkomend geval, de richtsnoeren als bedoeld in punt i) met ten minste zeven procentpunten overschreden;

b)

de impact op de liquiditeitspositie van de belangrijke onder toezicht staande entiteit als gevolg van de fusie is beperkt, hetgeen betekent dat gedurende ten minste drie jaar vanaf de effectieve datum van de fusie al het navolgende van toepassing is:

i)

de liquiditeitsdekkingsratio (LCR) en de nettostabielefinancieringsratio (NSFR) blijven boven 110 % en liggen boven de in het meest recente SREP-besluit vastgestelde liquiditeitsvereisten, indien deze hoger zijn dan de vereisten van Verordening (EU) nr. 575/2013;

ii)

op geconsolideerd niveau worden de LCR en NSFR niet met meer dan 50 % verlaagd.

c)

de governancestructuur van de belangrijke onder toezicht staande entiteit of entiteiten als gevolg van de fusie doet geen problemen rijzen inzake toezicht.

2.   De beoordeling van fusies wordt uitgevoerd overeenkomstig artikel 27 undecies van Richtlijn 2013/36/EU, zoals omgezet in nationaal recht.

Artikel 5

Criteria voor de vaststelling van gedelegeerde besluiten betreffende splitsingen

1.   Besluiten betreffende de goedkeuring van splitsingen waarin de entiteit die de verrichting uitvoert een belangrijke onder toezicht staande entiteit is, worden genomen door middel van een gedelegeerd besluit indien aan elk van de volgende criteria is voldaan:

a)

de impact op het eigen vermogen van de bij de splitsing betrokken belangrijke onder toezicht staande entiteit of entiteiten, is zowel op geconsolideerd als op individueel niveau beperkt, hetgeen betekent dat al het volgende van toepassing is:

i)

gedurende ten minste drie jaar vanaf de effectieve datum van de splitsing is het eigen vermogen groter dan de som van: 1) de vereisten van artikel 92, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013; 2) het overeenkomstig artikel 16, lid 2, punt a), van Verordening (EU) nr. 1024/2013 verplicht aan te houden eigen vermogen; 3) het in artikel 128, punt 6), van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde gecombineerde buffervereiste, en 4) naargelang van het geval, de Pijler 2-kaptiaalrichtsnoeren zoals bedoeld in het meest recente SREP-besluit;

ii)

de impact van een verlaging op de tier 1-kernkapitaalratio, de tier 1-kapitaalratio en de totale kapitaalratio bedraagt minder dan honderd basispunten, of gedurende ten minste drie jaar vanaf de effectieve datum van de splitsing, wordt het totaal van de genoemde vereisten en, in voorkomend geval, de richtsnoeren als bedoeld in punt i) met ten minste zeven procentpunten overschreden;

b)

de impact op de liquiditeitspositie van de bij de splitsing betrokken belangrijke onder toezicht staande entiteit of entiteiten is beperkt, hetgeen betekent dat gedurende ten minste drie jaar vanaf de effectieve datum van de splitsing al het navolgende van toepassing is:

i)

de LCR en de NSFR blijven boven 110 % en liggen boven de in het meest recente SREP-besluit vastgestelde liquiditeitsvereisten, indien deze hoger zijn dan de vereisten van Verordening (EU) nr. 575/2013;

ii)

op geconsolideerd niveau worden de LCR en NSFR niet met meer dan 50 % verlaagd.

c)

de governancestructuur van de belangrijke onder toezicht staande entiteit of entiteiten ten gevolge van de splitsing doet geen problemen rijzen inzake toezicht.

2.   De beoordeling van een splitsing wordt uitgevoerd overeenkomstig artikel 27 undecies van Richtlijn 2013/36/EU, zoals omgezet in nationaal recht.

Artikel 6

Criteria voor de vaststelling van gedelegeerde besluiten betreffende verwervingen van deelnemingen van betekenis

1.   Besluiten betreffende de goedkeuring van verwervingen van deelnemingen van betekenis in kredietinstellingen of niet-kredietinstellingen door een belangrijke onder toezicht staande entiteit worden genomen bij gedelegeerd besluit indien aan elk van de volgende criteria is voldaan:

a)

de impact op het eigen vermogen van de verwervende belangrijke onder toezicht staande entiteit, is zowel op geconsolideerd als op individueel niveau beperkt, hetgeen betekent dat al het volgende van toepassing is:

i)

gedurende ten minste drie jaar vanaf de effectieve datum van de verwerving van de deelneming van betekenis is het eigen vermogen groter dan de som van: 1) de vereisten van artikel 92, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013; 2) het overeenkomstig artikel 16, lid 2, punt a), van Verordening (EU) nr. 1024/2013 verplicht aan te houden eigen vermogen; 3) het in artikel 128, punt 6), van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde gecombineerde buffervereiste, en 4) naargelang van het geval, de Pijler 2-kaptiaalrichtsnoeren zoals bedoeld in het meest recente SREP-besluit;

ii)

de impact van een verlaging op de tier 1-kernkapitaalratio, de tier 1-kapitaalratio en de totale kapitaalratio bedraagt minder dan honderd basispunten bedraagt, of gedurende ten minste drie jaar vanaf de verwerving van de deelneming van betekenis, het totaal van de genoemde vereisten en, in voorkomend geval, de richtsnoeren als bedoeld in punt i) met ten minste zeven procentpunten wordt overschreden;

b)

de impact op de liquiditeitspositie van de verwervende belangrijke onder toezicht staande entiteit is beperkt, hetgeen betekent dat gedurende ten minste drie jaar vanaf de effectieve datum van de verwerving van de deelneming van betekenis al het navolgende van toepassing is:

i)

de LCR en de NSFR blijven boven 110 % en liggen boven de in het meest recente SREP-besluit vastgestelde liquiditeitsvereisten, indien deze hoger zijn dan de vereisten van Verordening (EU) nr. 575/2013;

ii)

op geconsolideerd niveau worden de LCR en NSFR niet met meer dan 50 % verlaagd.

c)

de doelentiteit is gelegen in de Unie of in de Europese Economische Ruimte, of in een derde land of gebied met gelijkwaardige toezichts- en reguleringsnormen.

2.   De beoordeling van de verwerving van deelnemingen wordt uitgevoerd overeenkomstig artikel 27 ter van Richtlijn 2013/36/EU, zoals omgezet in nationaal recht.

Artikel 7

Overgangsbepaling

Dit besluit is niet van toepassing wanneer de kennisgeving van een van de in artikel 3, lid 1, genoemde verrichtingen vóór de inwerkingtreding van dit besluit bij de ECB is ingediend.

Artikel 8

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de vijfde dag volgende op de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Frankfurt am Main, 13 februari 2026.

De president van de ECB

Christine LAGARDE


(1)   PB L 287 van 29.10.2013, blz. 63, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2013/1024/oj.

(2)   PB L 141 van 1.6.2017, blz. 14, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2017/933/oj.

(3)  Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2013/36/oj).

(4)  Richtlijn (EU) 2024/1619 van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 2024 tot wijziging van Richtlijn 2013/36/EU wat betreft toezichtsbevoegdheden, sancties, bijkantoren uit derde landen en ecologische, sociale en governancerisico’s (PB L, 2024/1619, 19.6.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2024/1619/oj).

(5)  Zie bijvoorbeeld het arrest van het Hof van Justitie van 23 september 1986, AKZO Chemie tegen Commissie, C-5/85, ECLI:EU:C:1986:328, punt 37, en het arrest van het Hof van Justitie van 26 mei 2005, Carmine Salvatore Tralli tegen ECB, C-301/02 P, ECLI:EU:C:2005:306, punt 59.

(6)  Besluit ECB/2004/2 van de Europese Centrale Bank van 19 februari 2004 houdende goedkeuring van het reglement van orde van de Europese Centrale Bank (PB L 80 van 18.3.2004, blz. 33, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2004/257/oj).

(7)  Besluit ECB/2014/16 van de Europese Centrale Bank van 14 april 2014 betreffende de oprichting van een administratieve raad voor toetsing en zijn werkwijze (PB L 175 van 14.6.2014, blz. 47, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2014/360/oj).

(8)  Verordening (EU) nr. 468/2014 van de Europese Centrale Bank van 16 april 2014 tot vaststelling van een kader voor samenwerking binnen het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme tussen de Europese Centrale Bank en nationale bevoegde autoriteiten en met nationale aangewezen autoriteiten (GTM-kaderverordening) (ECB/2014/17) (PB L 141 van 14.5.2014, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2014/468/oj).

(9)  Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2013/575/oj).


ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2026/564/oj

ISSN 1977-0758 (electronic edition)