|
Publicatieblad |
NL L-serie |
|
2026/479 |
4.3.2026 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2026/479 VAN DE COMMISSIE
van 3 maart 2026
tot instelling van een definitief compenserend recht op biodiesel van oorsprong uit Indonesië naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 18 van Verordening (EU) 2016/1037 van het Europees Parlement en de Raad
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2016/1037 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (1) (“de basisverordening”), en met name artikel 18,
Overwegende hetgeen volgt:
1. PROCEDURE
1.1. Voorafgaande onderzoeken en geldende maatregelen
|
(1) |
Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2092 (2) (“de definitieve verordening”) heeft de Commissie een definitief compenserend recht ingesteld op biodiesel van oorsprong uit Indonesië (“het betrokken land”) (“de oorspronkelijke maatregelen”). Het onderzoek dat tot de instelling van de oorspronkelijke maatregelen heeft geleid, wordt hierna “het oorspronkelijke onderzoek” genoemd. |
|
(2) |
Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2025/1883 (3) heeft de Commissie de definitieve verordening gerectificeerd om de GN-codes ex 2710 19 11 , ex 2710 19 15 , ex 2710 19 21 , ex 2710 19 25 en ex 2710 19 29 en de overeenkomstige Taric-codes voor duurzame luchtvaartbrandstoffen (SAF’s, sustainable aviation fuels) op te nemen. De wijziging had geen gevolgen voor de productomschrijving onder de geldende maatregelen. |
1.2. Verzoek om een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van maatregelen
|
(3) |
Na de bekendmaking van het bericht dat de geldende compenserende maatregelen op korte termijn vervallen (4), heeft de Commissie een verzoek ontvangen voor de opening van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de compenserende maatregelen op grond van artikel 18 van de basisverordening (“het verzoek”). |
|
(4) |
Het verzoek werd op 8 september 2024 ingediend door de European Biodiesel Board (“de EBB” of “de indiener van het verzoek”) namens de bedrijfstak van de Unie voor biodiesel in de zin van artikel 10, lid 6, van de basisverordening. De reden voor dit verzoek was dat het vervallen van de compenserende maatregelen waarschijnlijk zou leiden tot voortzetting of herhaling van subsidiëring en schade voor de bedrijfstak van de Unie. |
1.3. Opening van een nieuw onderzoek en opmerkingen over de opening van het onderzoek
|
(5) |
Daar de Commissie, na raadpleging van het bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad (5) ingestelde comité, tot de conclusie was gekomen dat er voldoende bewijsmateriaal was om een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen te openen, heeft zij op 6 december 2024 door de bekendmaking van een bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie (6) (“het bericht van opening”) de opening van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de compenserende maatregelen op grond van artikel 18 van de basisverordening aangekondigd. |
|
(6) |
Voorafgaand aan de opening van het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen heeft de Commissie in overeenstemming met artikel 10, lid 7, van de basisverordening de Indonesische overheid ervan in kennis gesteld dat zij een met het nodige bewijsmateriaal gestaafd verzoek om een nieuw onderzoek had ontvangen en heeft zij de Indonesische overheid voor voorafgaand overleg uitgenodigd om de situatie ten aanzien van de inhoud van dat verzoek op te helderen en overeenstemming over een oplossing te bereiken. De Indonesische overheid aanvaardde de uitnodiging voor het overleg, dat vervolgens plaatsvond op 5 december 2024. Daarbij kon geen overeenstemming worden bereikt. |
|
(7) |
De Indonesische overheid heeft opmerkingen ingediend over de opening van het onderzoek. Zij voerde aan dat i) noch het palmolieplantagefonds (“OPPF”, Oil Palm Plantation Fund), noch de levering van ruwe palmolie door de Indonesische overheid tegen een minder dan toereikende beloning een subsidie is in de zin van de WTO-overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen (“SCM-overeenkomst van de WTO”) en dat ii) de beëindiging van het compenserende recht op de invoer van biodiesel uit Indonesië in de EU geen schade of mogelijke herhaling van schade voor de producenten van biodiesel in de Unie zou veroorzaken. |
|
(8) |
Het verstrekte bewijsmateriaal over de voortzetting van subsidiëring in Indonesië was in de openingsfase toereikend. Concreet gezegd bevatte het verzoek bewijsmateriaal waaruit blijkt dat de door de Indonesische overheid in haar opmerkingen genoemde regelingen nog steeds van kracht zijn, dat zij subsidies zijn aangezien zij in eerdere EU-onderzoeken aanleiding bleken te geven tot compenserende maatregelen, en dat zij beschikbaar zijn voor producenten in de sector. De diensten van de Commissie beschikten ten tijde van de opening van het onderzoek niet over bewijsmateriaal dat in tegenspraak was met het bewijsmateriaal met betrekking tot subsidieregelingen in het verzoek dat tot de opening van het onderzoek heeft geleid. |
|
(9) |
Evenzo was het verstrekte bewijsmateriaal over de waarschijnlijkheid van herhaling van schade in de openingsfase toereikend. Concreet gezegd bevatte het verzoek bewijsmateriaal inzake de biodieselcapaciteit in Indonesië, de aantrekkelijkheid van de markt van de Unie voor Indonesische producenten en het schadeveroorzakende prijsniveau waarop de invoer uit Indonesië de Unie zou binnenkomen indien de maatregelen zouden worden ingetrokken. Op basis van deze elementen bevatte het verzoek voldoende bewijsmateriaal waaruit bleek dat de intrekking van de maatregelen waarschijnlijk zou leiden tot herhaling van de schade voor de bedrijfstak van de Unie. |
|
(10) |
De Indonesische overheid heeft geen bewijs van het tegendeel geleverd in haar opmerkingen tijdens de raadplegingsprocedure voorafgaand aan de opening van het onderzoek. Op grond hiervan heeft de Commissie geconcludeerd dat het in het verzoek gepresenteerde bewijsmateriaal voldoende was om de opening van het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen te rechtvaardigen. Het argument werd derhalve afgewezen. |
1.4. Tijdvak van het nieuwe onderzoek en beoordelingsperiode
|
(11) |
Het onderzoek naar de waarschijnlijkheid van voortzetting of herhaling van subsidiëring had betrekking op de periode van 1 oktober 2023 tot en met 30 september 2024 (“het tijdvak van het nieuwe onderzoek” of “het TNO”). Het onderzoek van de ontwikkelingen die relevant zijn voor de beoordeling van de waarschijnlijkheid van voortzetting of herhaling van schade had betrekking op de periode van 1 januari 2021 tot het einde van het tijdvak van het nieuwe onderzoek (“de beoordelingsperiode”). |
1.5. Belanghebbenden
|
(12) |
In het bericht van opening heeft de Commissie belanghebbenden uitgenodigd contact met haar op te nemen om aan het onderzoek mee te werken. Daarnaast heeft de Commissie de indiener van het verzoek, de haar bekende producenten in de Unie, de haar bekende niet-verbonden importeurs in de Unie, de niet-verbonden gebruikers in de Unie waarvan bekend is dat zij hierbij betrokken zijn, de haar bekende producenten in Indonesië en de autoriteiten van Indonesië specifiek in kennis gesteld van de opening van het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen en hen uitgenodigd daaraan mee te werken. |
|
(13) |
De belanghebbenden is verzocht hun standpunt kenbaar te maken en informatie en bewijsmateriaal in te dienen binnen de in het bericht van opening neergelegde termijnen. De belanghebbenden werden tevens in de gelegenheid gesteld een schriftelijk verzoek om een hoorzitting met de onderzoeksdiensten van de Commissie en/of de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures in te dienen. De Commissie heeft evenwel geen verzoek daartoe ontvangen. |
1.6. Steekproeven
|
(14) |
In het bericht van opening deelde de Commissie mee dat zij mogelijk een steekproef van de belanghebbenden zou samenstellen in overeenstemming met artikel 27 van de basisverordening. |
1.6.1. Steekproef van producenten in de Unie
|
(15) |
In het bericht van opening heeft de Commissie verklaard dat zij een voorlopige steekproef van producenten in de Unie had samengesteld overeenkomstig artikel 27 van de basisverordening. Voorafgaand aan de opening hebben 32 producenten in de Unie de voor de samenstelling van de steekproef gevraagde gegevens verstrekt en zich bereid verklaard om mee te werken met de Commissie. Op basis van deze informatie had de Commissie een voorlopige steekproef samengesteld van vier producenten die representatief bleken te zijn voor de bedrijfstak van de Unie, in termen van omvang van de productie en verkoop van het soortgelijke product in de Unie betreft. De in de steekproef opgenomen producenten in de Unie vertegenwoordigden ongeveer 12 % van de geschatte totale productie van de bedrijfstak van de Unie en ongeveer 13 % van de totale verkoop door de bedrijfstak van de Unie aan niet-verbonden afnemers in de Unie gedurende het tijdvak van het nieuwe onderzoek. De Commissie heeft de belanghebbenden uitgenodigd om opmerkingen over de voorlopige steekproef in te dienen. Er werden geen opmerkingen ontvangen en de voorlopige steekproef werd derhalve bevestigd. |
1.6.2. Steekproef van importeurs
|
(16) |
Om te kunnen beslissen of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, deze te kunnen samenstellen, heeft de Commissie niet-verbonden importeurs verzocht de in het bericht van opening gevraagde informatie te verstrekken. Geen van hen heeft hierop gereageerd. |
1.6.3. Steekproef van producenten-exporteurs in Indonesië
|
(17) |
Om te kunnen beslissen of een steekproef ten aanzien van de producenten-exporteurs noodzakelijk was en, zo ja, deze te kunnen samenstellen, heeft de Commissie alle bekende producenten-exporteurs in Indonesië verzocht de in het bericht van opening gevraagde informatie te verstrekken. Bovendien heeft de Commissie de vertegenwoordiging van de Republiek Indonesië bij de Europese Unie gevraagd eventuele andere producenten-exporteurs die in deelname aan het onderzoek geïnteresseerd konden zijn, op te sporen en/of contact met hen op te nemen. |
|
(18) |
Geen enkele producent-exporteur heeft het steekproefformulier teruggestuurd. Vervolgens heeft de Commissie op 8 april 2025 de Indonesische overheid ervan in kennis gesteld dat de producenten-exporteurs in Indonesië geen medewerking hadden verleend en dat zij derhalve overeenkomstig artikel 28 van de basisverordening haar conclusies over voortzetting en herhaling van subsidiëring en schade kan trekken aan de hand van de beschikbare gegevens. Er werden geen opmerkingen ontvangen. |
1.7. Vragenlijsten en controlebezoeken
|
(19) |
De Commissie heeft de vier in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, de indiener van het verzoek en de Indonesische overheid vragenlijsten toegezonden. De vragenlijsten voor de producenten in de Unie, de niet-verbonden importeurs, de gebruikers, en de producenten-exporteurs in Indonesië werden op de dag van opening van het onderzoek ook online beschikbaar gesteld (7). |
|
(20) |
De vier in de steekproef opgenomen producenten in de Unie en de indiener van het verzoek hebben de vragenlijsten beantwoord teruggestuurd. |
|
(21) |
De Commissie heeft alle gegevens verzameld en gecontroleerd die zij nodig achtte om vast te stellen of het waarschijnlijk was dat de subsidiëring en de schade zouden voortduren of opnieuw zouden optreden en om het belang van de Unie te bepalen. Bij de volgende ondernemingen werden controlebezoeken uitgevoerd:
|
1.8. Vervolg van de procedure
|
(22) |
Op 24 november 2025 heeft de Commissie de belangrijkste feiten en overwegingen meegedeeld op basis waarvan zij voornemens was de van kracht zijnde compenserende rechten te handhaven. Alle belanghebbenden konden hierover binnen een bepaalde termijn na de mededeling opmerkingen indienen. |
|
(23) |
De EBB en de Indonesische overheid hebben opmerkingen over de mededeling van de definitieve bevindingen ingediend. De EBB was het eens met het voornemen van de Commissie om de compenserende rechten te handhaven. De opmerkingen van de Indonesische overheid worden geanalyseerd in de desbetreffende afdelingen van deze verordening. Geen van de partijen heeft verzocht om een hoorzitting. |
2. BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT
2.1. Onderzocht product
|
(24) |
Het onderzochte product is hetzelfde product als in het oorspronkelijk onderzoek, dat wil zeggen door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasoliën van niet-fossiele oorsprong, in zuivere vorm of in mengsels (“het onderzochte product”), momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 1516 20 98 (Taric-codes 1516 20 98 21, 1516 20 98 29 en 1516 20 98 33), ex 1518 00 91 (Taric-codes 1518 00 91 21, 1518 00 91 29 en 1518 00 91 33), ex 1518 00 95 (Taric-codes 1518 00 95 21, 1518 00 95 33), ex 1518 00 99 (Taric-codes 1518 00 99 21, 1518 00 99 29 en 1518 00 99 33), ex 2710 19 11 (Taric-code 2710 19 11 10), ex 2710 19 15 (Taric-code 2710 19 15 10), ex 2710 19 21 (Taric-code 2710 19 21 10), ex 2710 19 25 (Taric-code 2710 19 25 10), ex 2710 19 29 (Taric-code 2710 19 29 10), ex 2710 19 42 (Taric-codes 2710 19 42 21 en 2710 19 42 29), ex 2710 19 44 (Taric-codes 2710 19 44 21, 2710 19 44 29 en 2710 19 44 33), ex 2710 19 46 (Taric-codes 2710 19 46 21, 2710 19 46 29 en 2710 19 46 33), ex 2710 19 47 (Taric-codes 2710 19 47 21, 2710 19 47 29 en 2710 19 47 33), 2710 20 11 , 2710 20 16 , ex 3824 99 92 (Taric-codes 3824 99 92 10, 3824 99 92 14 en 3824 99 92 17), 3826 00 10 en ex 3826 00 90 (Taric-codes 3826 00 90 11, 3826 00 90 19 en 3826 00 90 33) (8). |
|
(25) |
In het oorspronkelijke onderzoek werd vastgesteld dat biodiesel die in Indonesië wordt geproduceerd, voornamelijk palmoliemethylester (“palm oil methyl ester” — “PME”) is, een derivaat van palmolie (9). Het huidige onderzoek heeft geen gegevens aan het licht gebracht die deze bevinding zouden hebben ontkracht. |
|
(26) |
Biodiesel wordt voornamelijk gebruikt in de vervoerssector, met name in dieselmotoren, en kan worden gemengd met minerale diesels of worden gebruikt in zuivere vorm. |
2.2. Betrokken product
|
(27) |
Het betrokken product in dit onderzoek is het onderzochte product van oorsprong uit Indonesië (“het betrokken product”). |
2.3. Soortgelijk product
|
(28) |
Dit nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen heeft bevestigd wat was vastgesteld in het oorspronkelijke onderzoek, namelijk dat de volgende producten dezelfde fysische, chemische en technische basiseigenschappen hebben en voor dezelfde basisdoeleinden worden gebruikt:
Deze producten worden derhalve beschouwd als soortgelijke producten in de zin van artikel 2, punt c), van de basisverordening. |
3. WAARSCHIJNLIJKHEID VAN VOORTZETTING OF HERHALING VAN SUBSIDIËRING
|
(29) |
Overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening, en zoals vermeld in het bericht van opening, heeft de Commissie onderzocht of voortzetting of herhaling van de subsidiëring waarschijnlijk zou zijn indien de bestaande maatregelen zouden komen te vervallen. |
3.1. Niet-medewerking en gebruik van beschikbare gegevens overeenkomstig artikel 28, lid 1, van de basisverordening
|
(30) |
Op 7 maart 2025 heeft de Commissie de Indonesische overheid de antisubsidievragenlijst toegezonden samen met een specifiek aanhangsel (“aanhangsel A”), dat een vragenlijst voor leveranciers van inputs omvat. |
|
(31) |
Er werd geen antwoord op de vragenlijst of op aanhangsel A ontvangen, noch van de Indonesische overheid, noch van Indonesische producenten-exporteurs van biodiesel of leveranciers van inputs. |
|
(32) |
In haar opmerkingen van 21 maart 2025 deelde de Indonesische overheid de Commissie mee dat zij niet aan het onderzoek zou meewerken en verklaarde zij uitdrukkelijk dat “zowel de Indonesische overheid als de Indonesische producenten van biobrandstoffen zich zullen richten op zaak DS618: Europese Unie — Compenserende rechten op de invoer van biodiesel uit Indonesië, die nog steeds aanhangig is bij het Orgaan voor Geschillenbeslechting van de WTO. Derhalve dienen wij geen antwoorden op de onderzoeksvragenlijst in” (10). |
|
(33) |
Door het gebrek aan medewerking kon de Commissie niet de informatie verzamelen die zij relevant achtte voor haar bevindingen in dit onderzoek. Zo kon de Commissie van de Indonesische overheid geen informatie over de markt voor palmolie verkrijgen die gebaseerd was op rechtstreeks door de leveranciers van ruwe palmolie verstrekte gegevens en had zij geen informatie over de rol die PT Perkebunan Nusantara (“PTPN”), een producent van ruwe palmolie die volledig in handen is van de Indonesische overheid, speelt ten aanzien van de bedrijfstak voor biodiesel. |
|
(34) |
Derhalve heeft de Commissie, zoals toegelicht in overweging 18, de Indonesische autoriteiten bij verbale nota van 8 april 2025 meegedeeld dat zij vanwege het gebrek aan medewerking van de Indonesische overheid en de Indonesische producenten-exporteurs voornemens was haar bevindingen vast te stellen op basis van de beschikbare gegevens, overeenkomstig artikel 28, lid 1, van de basisverordening. De Indonesische overheid en de Indonesische producenten-exporteurs werden er ook op gewezen dat op beschikbare gegevens gebaseerde bevindingen minder gunstig zouden kunnen uitpakken dan het geval zou zijn wanneer zij zouden meewerken. |
|
(35) |
Er werden in dit verband geen opmerkingen ontvangen. Bij gebrek aan informatie van de Indonesische overheid of de leveranciers van inputs heeft de Commissie zich overeenkomstig artikel 28 van de basisverordening voor haar bevindingen in verband met de voortzetting van subsidiepraktijken van Indonesië in de bedrijfstak voor biodiesel gebaseerd op de beschikbare gegevens. |
|
(36) |
Dienovereenkomstig heeft de Commissie voor haar analyse alle gegevens gebruikt waarover zij beschikte, in het bijzonder:
|
3.2. Subsidies en subsidieprogramma’s die in het huidige onderzoek zijn onderzocht
|
(37) |
Om vast te stellen of er sprake was van voortzetting van subsidiëring, heeft de Commissie onderzocht of de subsidies waartegen in het oorspronkelijke onderzoek compenserende maatregelen waren ingesteld, voordeel bleven verschaffen aan de producenten-exporteurs van biodiesel uit Indonesië. Vervolgens is de Commissie nagegaan of de Indonesische producenten van biodiesel voordeel hebben behaald uit de subsidies waartegen in het oorspronkelijke onderzoek geen compenserende maatregelen waren ingesteld (“aanvullende subsidies”), zoals in het verzoek was gesteld (11). |
3.2.1. Steun van de Indonesische overheid aan de bedrijfstak voor biodiesel door rechtstreekse overdracht van middelen via het palmolieplantagefonds
3.2.1.1. Bevindingen van het oorspronkelijke onderzoek
|
(38) |
Om te beginnen moet worden opgemerkt dat de Commissie in deze verordening verwijst naar het OPPF in plaats van naar het subsidiefonds voor biodiesel. Die laatste term is door de klager gebruikt in de oorspronkelijke klacht en is door de indiener van het verzoek opnieuw gebruikt in het verzoek. De officiële naam van de subsidieregeling luidt echter OPPF. |
|
(39) |
In het oorspronkelijke onderzoek heeft de Commissie het volgende vastgesteld:
|
|
(40) |
In het oorspronkelijke onderzoek werd vastgesteld dat alle Indonesische producenten-exporteurs van biodiesel zich met de aankoop van biodiesel bezighielden en derhalve verplicht waren het maandelijkse quotum te verkopen aan de petrofuel-entiteiten die de bijmengverplichting uitvoerden (20). Er werd ook vastgesteld dat de referentieprijs voor biodiesel hoger was dan de referentieprijs voor diesel, wat resulteerde in betalingen uit het OPPF ten gunste van de Indonesische producenten van biodiesel (21). Hieruit volgt dat er geen echte marktprijs voor biodiesel in Indonesië bestond vanwege het ingrijpen door de Indonesische overheid om de hele Indonesische waardeketen voor ruwe palmolie-biodiesel te reguleren en te verstoren (22). De door de Indonesische overheid vastgestelde referentieprijs voor biodiesel weerspiegelde niet wat de prijs onder niet-verstoorde marktvoorwaarden zonder ingrijpen door de Indonesische overheid zou zijn (23). |
|
(41) |
De Commissie heeft ook vastgesteld dat de Indonesische overheid het OPPF heeft opgericht en het beheersbureau uitdrukkelijk heeft belast met de taak om betalingen aan producenten van biodiesel te verrichten (24). Voorts werd de kwalificatie van het OPPF als een overheidsinstantie niet betwist (25). De middelen van het OPPF, die werden gefinancierd via de gebruikelijke inning van belasting- en overheidsinkomsten door de Indonesische overheid (26), waren overheidsmiddelen die werden geïnd op basis van een verplichte uitvoerheffing (27), en de betalingen van het OPPF ten gunste van de Indonesische producenten-exporteurs van biodiesel vormden een rechtstreekse overdracht van middelen in de vorm van een subsidie (28). |
|
(42) |
De analyse door de Commissie van het rechtskader op grond waarvan uitvoering wordt gegeven aan het OPPF, bevestigde uitdrukkelijk dat de middelen van het OPPF bestemd waren voor de Indonesische producenten van biodiesel (29), zonder dat enige tegenprestatie werd verwacht (30). Daartoe heeft de Indonesische overheid het beheersbureau zowel het recht verleend om uitvoerbelastingen op ruwe palmolie te gebruiken als de verplichting opgelegd om biodiesel aan te kopen en te gebruiken (31). |
3.2.1.2. Voortzetting van subsidiëring
|
(43) |
In het verzoek voerde de indiener van het verzoek aan dat het subsidiefonds voor biodiesel sinds 2015 het belangrijkste subsidieprogramma is dat beschikbaar is voor de Indonesische producenten van biodiesel. Het was de bedoeling dat het subsidiefonds voor biodiesel de door de Indonesische overheid ingestelde bijmengverplichting, die dateert van 2006, zou uitvoeren met een oorspronkelijk mengsel van 1 % biodiesel en 99 % dieselbrandstof (“B01”) en als een van de meest agressieve ter wereld wordt beschouwd (32). Volgens het door de indiener van het verzoek aangeleverde bewijsmateriaal had de Indonesische overheid in 2023 een bijmengverplichting ingevoerd van 35 % biodiesel en 65 % dieselbrandstof (“B35”) (33). In dit verband merkte de indiener van het verzoek op dat de Indonesische overheid in 2018 de bijmengverplichting had uitgebreid tot sectoren voor niet-openbaredienstverplichtingen (“ODV’s”), wat heeft geleid tot een sterke stijging van de subsidiëring, die nu beschikbaar is voor zowel ODV’s als niet-ODV’s (34). |
|
(44) |
Het subsidiefonds voor biodiesel is onderdeel van het OPPF, zoals vastgesteld bij presidentieel decreet 61/2015. Het OPPF bestaat in een geldsom die wordt geïnd door het beheersbureau (35), een overheidsinstantie die door de Indonesische overheid is opgericht met het specifieke doel om de middelen van het OPPF te innen, te administreren, te beheren, te bewaren en uit te keren (36). Overeenkomstig de onderliggende rechtsgrondslag omvatten de middelen uitvoerheffingen op producten op basis van ruwe palmolie en/of hun derivaten (37). In dit verband wees de indiener van het verzoek op de wettelijke bepaling op grond waarvan “[h]et gebruik van middelen […] het verschil tussen de marktindexprijs van dieselbrandstofolie en de marktindexprijs van biodieselbiobrandstof moet dekken voor bepaalde soorten brandstofolie” (38). |
|
(45) |
De indiener van het verzoek voerde aan dat volgens de subsidieregeling Indonesische producenten van biodiesel die aan het programma wilden deelnemen, op de Indonesische binnenlandse markt het quotum voor biodiesel aan de petrofuel-entiteiten, Pertamina en AKR, moesten verkopen tegen een referentieprijs voor minerale diesel in plaats van de werkelijke prijs voor biodiesel (39). Aldus ontvingen de Indonesische producenten in ruil daarvoor subsidies van de Indonesische overheid. Deze subsidies waren gelijk aan het verschil tussen de door de Indonesische overheid vastgestelde referentieprijs voor biodiesel en de referentieprijs voor minerale diesel, d.w.z. de prijs waartegen oliemaatschappijen biodiesel aankochten. Volgens de indiener van het verzoek waren de subsidies afkomstig uit de op palmolieproducten ingestelde uitvoerheffingen en leverden zij de Indonesische producenten van biodiesel een voordeel op in de zin van artikel 3, lid 2, van de basisverordening. |
|
(46) |
De indiener van het verzoek voerde tevens aan dat het beheersbureau overheidsfuncties uitoefende binnen de Indonesische biodieselsector. Met name was het beheersbureau de vector waarmee de Indonesische overheid middelen gelijk aan het verschil tussen de referentieprijs voor diesel en de referentieprijs voor biodiesel rechtstreeks aan de Indonesische producenten van biodiesel overdraagt (40), overeenkomstig artikel 3, lid 1, punt a), i), van de basisverordening. |
|
(47) |
De indiener van het verzoek benadrukte dat de geïnde uitvoerbelastingen op ruwe palmolie voornamelijk bestemd waren voor het subsidiefonds voor biodiesel en verstrekte bewijsmateriaal dat 91,3 % van de tussen 2015 en 2023 geïnde middelen als stimulans aan Indonesische producenten van biodiesel was betaald (41). In dit verband verstrekte de indiener van het verzoek bewijsmateriaal waaruit blijkt dat in 2023 de aan het subsidiefonds voor biodiesel toegewezen middelen 2 124 miljoen EUR bedroegen, wat zich vertaalde in een achtvoudige stijging ten opzichte van 2019 en in een geschatte subsidietoewijzing van 0,2128 EUR/l voor op de Indonesische binnenlandse markt verkochte biodiesel (42). |
|
(48) |
Tot slot concludeerde de indiener van het verzoek dat de Indonesische overheid sinds 2015 krachtige steun geeft aan het programma voor verplichte bijmenging van biodiesel, op grond waarvan door het beheersbureau beheerde middelen die voortvloeien uit de inning van uitvoerbelastingen op ruwe palmolie, mochten worden gebruikt om het prijsverschil tussen biodiesel en minerale diesel te subsidiëren (43). |
3.2.1.3. Voordeel
|
(49) |
Gezien het bovenstaande heeft de Commissie vastgesteld dat de rechtstreekse overdracht van middelen door het beheersbureau een voordeel, in de vorm van subsidies (44), opleverde voor de Indonesische producenten-exporteurs van biodiesel. Met name verwierven producenten van biodiesel door die subsidies een betere marktpositie dan anders het geval zou zijn geweest, omdat zij zonder deze regeling hun prijzen hadden moeten afstemmen op de marktprijs van minerale diesel in plaats van op de referentieprijs (45). |
|
(50) |
Derhalve is de Commissie tot de conclusie gekomen dat het geld dat het beheersbureau aan de producenten van biodiesel voor de verkochte biodiesel betaalde ter compensatie van het verschil tussen de door Pertamina betaalde referentieprijs voor diesel en de referentieprijs voor biodiesel in het tijdvak van het nieuwe onderzoek, een voordeel was in de zin van artikel 3, lid 2, van de basisverordening (46). |
3.2.1.4. Specificiteit
|
(51) |
Aangezien het OPPF in het tijdvak van het nieuwe onderzoek alleen beschikbaar was voor de bedrijven die betrokken waren bij de waardeketen voor ruwe palmolie, concludeerde de Commissie dat het OPPF specifiek is op grond van artikel 4, lid 2, punt a), van de basisverordening (47). |
3.2.1.5. Conclusie
|
(52) |
Dit onderzoek heeft geen informatie aan het licht gebracht die in tegenspraak is met de oorspronkelijke bevindingen. Bijgevolg heeft de Commissie geconcludeerd dat het OPPF als een tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek werd voortgezet. |
3.2.2. Levering van ruwe palmolie tegen een ontoereikende prijs
3.2.2.1. Bevindingen van de eerdere onderzoeken
|
(53) |
In het oorspronkelijke onderzoek (48) heeft de Commissie vastgesteld dat de door de Indonesische overheid vastgestelde reeks maatregelen heeft geleid tot een financiële bijdrage in de vorm van een levering van ruwe palmolie van overheidswege tegen een ontoereikende prijs aan de Indonesische producenten-exporteurs van biodiesel (49). De Commissie heeft tevens vastgesteld dat de Indonesische overheid overeenkomstig artikel 3, lid 1, punt a), iv), van de basisverordening de Indonesische producenten van ruwe palmolie functies heeft toevertrouwd en hen met functies heeft belast om goederen aan de Indonesische producenten van biodiesel te leveren (50). |
|
(54) |
Uit het oorspronkelijke onderzoek is gebleken dat de Indonesische overheid de uitvoerbeperkingen voor ruwe palmolie heeft ontwikkeld, ingevoerd en gemonitord met als specifiek doel de prijzen voor ruwe palmolie op een lager niveau te handhaven ten behoeve van de downstreambedrijfstakken (51). Met name heeft de Indonesische overheid, door de binnenlandse prijs van ruwe palmolie in Indonesië te drukken, ervoor gezorgd dat de prijs van grondstoffen voor biodiesel aanzienlijk lager bleef dan de wereldmarktprijzen, wat een voordeel opleverde voor Indonesische producenten van biodiesel (52). |
|
(55) |
Op grond van de daaropvolgende analyse heeft de Commissie vastgesteld dat de Indonesische producenten van biodiesel een voordeel genieten in de zin van artikel 3, lid 2, van de basisverordening (53). Dit voordeel ontstond door de levering van grondstoffen tegen een ontoereikende prijs door de producenten van ruwe palmolie, waarbij PTPN feitelijk als prijszetter optrad (54): de door PTPN vastgestelde prijs was de maximumprijs op de binnenlandse markt, die weer werd gevolgd door alle producenten van ruwe palmolie en biodiesel op de Indonesische markt (55). De binnenlandse prijs van ruwe palmolie was inderdaad een duidelijke afspiegeling van de gunningsprijs van de dagelijkse PTPN-veilingen (56). Hieruit volgt dat de Indonesische overheid door haar handelen de leveranciers van ruwe palmolie met de functie belastte om ruwe palmolie tegen een ontoereikende prijs te leveren aan Indonesische producenten van biodiesel, door feitelijk een maximumprijs voor de Indonesische markt vast te stellen (57). |
|
(56) |
Op basis van de informatie in het dossier van het oorspronkelijke onderzoek is vastgesteld dat de prijzen van ruwe palmolie in Indonesië verstoord waren wegens het ingrijpen van de Indonesische overheid. |
|
(57) |
Bovendien bleek dit subsidieprogramma specifiek te zijn in de zin van artikel 4, lid 2, punt c), van de basisverordening, gezien het feit dat ruwe palmolie door slechts een beperkt aantal sectoren en ondernemingen in Indonesië binnen hun productieproces werd gebruikt (58). |
|
(58) |
Tot slot stelde de Commissie vast dat de Indonesische overheid bij presidentieel decreet 66/2018 een expliciet beleid had ingevoerd om de ontwikkeling van de binnenlandse bedrijfstak voor biodiesel te ondersteunen (59), en herinnerde zij eraan dat de Indonesische overheid expliciet haar steun voor de bedrijfstak voor biodiesel had toegezegd door de instelling van het OPPF, dat bedoeld was om uitsluitend de bedrijfstak voor biodiesel te ondersteunen (60). |
3.2.2.2. Voortzetting van het subsidieprogramma
|
(59) |
In het verzoek voerde de indiener van het verzoek aan dat de prijzen van ruwe palmolie in het tijdvak van het nieuwe onderzoek verstoord waren wegens het ingrijpen van de Indonesische overheid, en benadrukte hij dat de Indonesische overheid sinds 1994 beschikt over een regeling voor uitvoerbeperkingen met betrekking tot ruwe palmolie, de belangrijkste grondstof voor de productie van biodiesel in Indonesië, als een instrument om de prijzen van downstreamproducten te controleren en te beïnvloeden (61). Ruwe palmolie vertegenwoordigt ongeveer 85 % van de totale productiekosten van biodiesel (62). |
|
(60) |
De indiener van het verzoek voerde aan dat de regeling voor uitvoerbeperkingen met betrekking tot ruwe palmolie in het tijdvak van het nieuwe onderzoek nog volledig van kracht was in Indonesië, ondanks enkele wijzigingen in het onderliggende rechtskader (63). Bij decreet 154/PMK.05/2022 van het Ministerie van Financiën van de Republiek Indonesië, dat sinds 1 januari 2023 van kracht is, heeft de Indonesische overheid i) de prijsvork voor de uitvoerbelastingen en -heffingen op ruwe palmolie en biodiesel gewijzigd, namelijk door de uitvoerrechten in te stellen wanneer de referentieprijs voor ruwe palmolie daalt tot onder 680 USD/Mt (in plaats van de voorheen toepasselijke drempel van 750 USD/Mt) (64), en ii) de prijsvorken voor de uitvoerheffing op biodiesel gewijzigd (65). Bij decreet 123/PMK.010/2022 van het Ministerie van Financiën heeft de Indonesische overheid prijsvorken en de relatieve uitvoerheffingen voor ruwe palmolie en biodiesel vastgesteld (66). De prijsvorken zijn ingetrokken bij decreet 38/PMK.010/2024 van het Ministerie van Financiën, waarin niettemin de uitvoerrechten die van toepassing zijn op ruwe palmolie en biodiesel, zijn gehandhaafd (67). |
|
(61) |
De indiener van het verzoek voerde aan dat de Indonesische overheid deze subsidieregelingen sinds 2019 heeft gehandhaafd (68). Naast de regelingen voor uitvoerbeperkingen is de Indonesische overheid op de Indonesische markt blijven ingrijpen om feitelijk de prijzen voor ruwe palmolie te controleren via PTPN, een overheidsinstantie en staatsonderneming die volledig in handen is van de Indonesische overheid (69). Via dagelijkse veilingen is PTPN feitelijk als een prijszetter voor ruwe palmolie opgetreden overeenkomstig de doelstelling van de Indonesische overheid om de binnenlandse prijzen voor ruwe palmolie lager te houden, zodat de downstreambedrijfstakken — met name de bedrijfstak voor biodiesel — daarvan kunnen profiteren (70). Op die manier heeft de Indonesische overheid de Indonesische bedrijfstak voor biodiesel gesteund en kunstmatig gestimuleerd. Hieruit volgt dat, volgens de indiener van het verzoek, de Indonesische overheid overeenkomstig artikel 3, lid 1, punt a), iv), van de basisverordening de Indonesische leveranciers van ruwe palmolie functies heeft toevertrouwd of hen met functies heeft belast om inputs tegen een ontoereikende prijs te leveren aan de binnenlandse gebruikers van ruwe palmolie, met name Indonesische producenten van biodiesel (71). De indiener van het verzoek concludeerde dat de Indonesische overheid een systeem heeft opgezet dat leidt tot een grote vraag naar biodiesel door de bijmengverplichting (72), waardoor de producenten van ruwe palmolie verantwoordelijk zijn voor een kunstmatige, laaggeprijsde binnenlandse markt voor ruwe palmolie (73). |
3.2.2.3. Voordeel
|
(62) |
De levering van ruwe palmolie tegen een ontoereikende prijs is een subsidie in de zin van artikel 3, lid 1, punt a), iii), van de basisverordening, omdat de Indonesische overheid deze leveranciers van inputs functies heeft toevertrouwd of hen met functies heeft belast om te leveren tegen een prijs die onder de marktwaarde ligt. |
|
(63) |
Aangezien de Indonesische overheid ernaar streefde de binnenlandse prijs van ruwe palmolie kunstmatig te verlagen, heeft de Commissie aan de hand van het verschil tussen de prijzen die werden betaald door binnenlandse producenten van biodiesel die ruwe palmolie op de lokale markt aankochten en de benchmark op basis van de voor ruwe palmolie heersende marktomstandigheden, vastgesteld dat de steun van de Indonesische overheid voor de Indonesische bedrijfstak voor biodiesel een voordeel inhield. Het verschil tussen de twee prijzen leverde een voordeel op voor de Indonesische producenten van biodiesel, die de belangrijkste grondstof voor biodiesel konden verkrijgen tegen een prijs onder de internationale marktprijs (74). Wat de bij de vergelijking te gebruiken passende benchmark betreft, achtte de Commissie in het oorspronkelijke onderzoek de Indonesische fob-prijs voor ruwe palmolie bij uitvoer naar de rest van de wereld, zoals die wordt vermeld in de Indonesia Export Statistics, passend. De Commissie heeft de door de Indonesische producenten betaalde binnenlandse prijs van ruwe palmolie vergeleken met de berekende benchmark. Zij stelde vast dat het verschil overeenkwam met de “besparing” die werd verkregen door de Indonesische producenten van biodiesel die ruwe palmolie aankochten op de verstoorde binnenlandse markt, ten opzichte van de prijs die zij zonder de verstoringen hadden moeten betalen. Dit totale bedrag kwam overeen met het in het tijdvak van het nieuwe onderzoek door de Indonesische producenten van biodiesel van de Indonesische overheid verkregen voordeel. |
|
(64) |
Bij gebrek aan medewerking van de Indonesische producenten-exporteurs had de Commissie geen bedrijfsspecifieke informatie op basis waarvan zij het tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek toegekende subsidiebedrag kon berekenen. |
3.2.2.4. Specificiteit
|
(65) |
De desbetreffende subsidie is specifiek in de zin van artikel 4, lid 2, punt c), van de basisverordening, gelet op het feit dat de beschikbaarheid ervan beperkt is tot bepaalde ondernemingen in Indonesië, met name die welke actief zijn in de waardeketen voor palmolie (75). |
3.2.2.5. Conclusie
|
(66) |
Dit onderzoek heeft geen informatie aan het licht gebracht die in tegenspraak is met de oorspronkelijke bevindingen. |
|
(67) |
Bijgevolg heeft de Commissie geconcludeerd dat de levering van ruwe palmolie tegen een ontoereikende prijs als een tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek werd voortgezet. Bovendien heeft de Commissie bevestigd dat de Indonesische overheid in het tijdvak van het nieuwe onderzoek door een reeks maatregelen, waaronder de uitvoerbelasting en de uitvoerheffing, en door op de markt feitelijk als prijszetter op te treden, de binnenlandse producenten van ruwe palmolie ertoe heeft aangezet ruwe palmolie lokaal te verkopen en deze producenten de functie heeft toevertrouwd en hen met de functie heeft belast om deze grondstof tegen een ontoereikende prijs te leveren aan Indonesische producenten van biodiesel. |
3.2.3. Vrijstelling van invoerrechten voor machines die in een bonded zone worden ingevoerd
3.2.3.1. Bevindingen van het vorige onderzoek
|
(68) |
In het oorspronkelijke onderzoek (76) stelde de Commissie vast dat de bonded-zoneregeling, waarbij de Indonesische overheid i) de invoerrechten op ingevoerde machines opschortte en ii) vrijstelling van btw verleende voor ingevoerde machines, een subsidie was in de zin van artikel 3, lid 1, punt a), ii), en artikel 3, lid 2, van de basisverordening. |
|
(69) |
De Commissie stelde tevens vast dat de subsidie specifiek was in de zin van artikel 4, lid 2, punten a) en c), van de basisverordening, omdat de bonded-zoneregeling slechts beschikbaar was voor “exportgerichte ondernemingen”, d.w.z. ondernemingen die meer dan 50 % van hun omzet uit uitvoer halen (77). Niettemin heeft de Indonesische overheid in het oorspronkelijke onderzoek tegenover de Commissie verklaard dat ondernemingen in de bedrijfstak voor biodiesel voor de regeling in aanmerking kwamen, hoewel zij niet voldeden aan het vereiste om meer dan 50 % van hun omzet uit uitvoer te halen. De reden voor een dergelijke vrijstelling was dat deze ondernemingen daardoor konden voldoen aan de door de Indonesische overheid opgelegde bijmengverplichting (78). De Commissie concludeerde derhalve dat uitsluitend de Indonesische overheid over de toekenning van de vrijstelling met betrekking tot de subsidiabiliteitscriteria kon beslissen (79). |
|
(70) |
Wat de voordelen van de bonded-zoneregeling betreft, stelde de Commissie vast dat deze regeling resulteerde in i) opschorting van de invoerrechten, of ii) vrijstelling van btw voor in de bonded zone ingevoerde goederen, tot deze goederen op de Indonesische binnenlandse markt werden verkocht of rechtstreeks werden uitgevoerd. Hieruit volgde dat indien die goederen binnen de bonded zone bleven of rechtstreeks werden uitgevoerd, er geen invoerrechten of btw verschuldigd waren (80). In wezen betekende dit dat de Indonesische producenten-exporteurs nooit invoerrechten of btw betaalden over de machines die zij voor het eerst invoerden en die vervolgens binnen de bonded zone bleven of rechtstreeks werden uitgevoerd (81). |
|
(71) |
De Commissie concludeerde derhalve dat de opschorting van de invoerrechten en de btw-vrijstelling voor de in de bonded zones ingevoerde goederen een financiële bijdrage vormden die door de Indonesische overheid werd toegekend in de vorm van inkomsten waarvan de overheid afstand had gedaan (82). Met name werden de invoerrechten en btw op ingevoerde machines pas geheven wanneer de goederen op de Indonesische binnenlandse markt werden verkocht of rechtstreeks werden uitgevoerd (83). |
3.2.3.2. Voortzetting van het subsidieprogramma
|
(72) |
In het verzoek van de indiener werd bewijsmateriaal verstrekt waaruit bleek dat Indonesische producenten van biodiesel nog steeds profiteerden van i) de opschorting van invoerrechten en ii) de btw-vrijstelling voor machines die in het tijdvak van het nieuwe onderzoek in de bonded zones werden ingevoerd (84). |
|
(73) |
De indiener van het verzoek gaf aan dat decreet 188/PMK.010/2015 van de minister van Financiën over de tweede wijziging van decreet 176/PMK.011/2009 van de minister van Financiën over vrijstelling van rechten op ingevoerde machines, goederen en materialen voor de opbouw en ontwikkeling van de industrie in het kader van investeringen nog steeds de rechtsgrondslag voor deze subsidieregeling vormde (85). |
|
(74) |
Volgens de indiener van het verzoek i) kwam de opschorting van invoerrechten op ingevoerde machines erop neer dat de overheid afstand had gedaan van inkomsten die haar toekwamen of deze niet had geïnd in de zin van artikel 3, lid 1, punt ii), van de basisverordening, en ii) kwam de btw-vrijstelling er specifiek op neer dat afstand werd gedaan van overheidsinkomsten, omdat Indonesische producenten-exporteurs van biodiesel onder normale omstandigheden eerst btw aan de staat zouden hebben afgedragen en zij deze btw vervolgens bij verkoop van de ingevoerde goederen op de binnenlandse markt zouden hebben gecompenseerd (86). |
3.2.3.3. Voordeel
|
(75) |
Noch de Indonesische overheid, noch enige Indonesische producent-exporteur heeft bewijsmateriaal verstrekt waaruit blijkt dat de bedrijfstak voor biodiesel niet langer van de hierboven beschreven regeling gebruikmaakte. |
|
(76) |
Aangezien de Indonesische overheid en Indonesische producenten-exporteurs geen medewerking verleenden, had de Commissie geen bedrijfsspecifieke informatie op basis waarvan zij het tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek toegekende subsidiebedrag kon berekenen. In het vorige onderzoek werd vastgesteld dat in de bonded zones gebruikte machines in het algemeen werden ingevoerd en na de installatie, vanwege de stimuli, de bonded zone niet meer verlieten (87). Wat de invoerrechten op deze machines betreft, kwam het dan ook nooit tot betaling. Evenzo waren deze machines feitelijk steeds vrijgesteld van btw, aangezien de Indonesische producenten-exporteurs het voordeel van de beschikbaarheid van liquide middelen hadden (88). |
|
(77) |
De Commissie bevestigde dat de Indonesische producenten-exporteurs dankzij deze regeling beter af waren dan zonder een dergelijke regeling het geval zou zijn geweest. Indien een dergelijke regeling niet had bestaan, zouden de Indonesische producenten-exporteurs bij invoer van machines in de bonded zones zowel invoerrechten als btw hebben betaald (89). |
|
(78) |
Met betrekking tot de bevindingen inzake voortzetting van subsidiëring in het huidige nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen bevestigde de Commissie de berekening van het subsidiebedrag van het oorspronkelijke onderzoek. Wat de vrijstelling van invoerrechten op ingevoerde machines betreft, bestond het voordeel uit het totaalbedrag aan niet-betaalde rechten dat aan het tijdvak van het nieuwe onderzoek werd toegerekend op basis van de economische gebruiksduur van de onderliggende activa, terwijl wat de btw-vrijstelling betreft, het voordeel te verwaarlozen was en derhalve geen wezenlijke gevolgen had voor de definitieve resultaten (90). Het is waarschijnlijk dat de subsidiëring op zijn minst werd voortgezet op hetzelfde niveau als dat van het oorspronkelijke onderzoek. |
3.2.3.4. Specificiteit
|
(79) |
De subsidie is specifiek in de zin van artikel 4, lid 2, punt a), en artikel 4, lid 3, van de basisverordening, aangezien zij tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek enkel openstond voor bepaalde ondernemingen afhankelijk van zowel hun uitvoerprestaties als hun locatie in specifieke geografische gebieden binnen het gebied van de bevoegdheden van de subsidieverlenende autoriteit (91). |
3.2.3.5. Conclusie
|
(80) |
De juridische situatie is niet wezenlijk veranderd en dit onderzoek heeft geen informatie aan het licht gebracht die in tegenspraak is met de oorspronkelijke bevindingen. Bijgevolg heeft de Commissie geconcludeerd dat de bonded-zoneregeling en de vrijstelling van invoerrechten en btw op ingevoerde machines als tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies ook in het tijdvak van het nieuwe onderzoek een voordeel opleverden voor de bedrijfstak voor biodiesel. |
3.2.4. Andere regelingen
|
(81) |
In het kader van het oorspronkelijke onderzoek identificeerde de klager een aantal andere subsidieprogramma’s, met name de vennootschapsbelastingvoordelen voor beursgenoteerde beleggingen, de subsidies voor bedrijventerreinen en de belastingvoordelen voor speerpuntindustrie (92). De Commissie stelde echter vast dat geen enkele Indonesische producent-exporteur van die regelingen gebruik heeft gemaakt (93). |
|
(82) |
In het verzoek herinnerde de indiener aan die andere subsidieprogramma’s (94) en erkende hij dat, in vergelijking met het oorspronkelijke onderzoek, het decreet tot vaststelling van vennootschapsbelastingvoordelen voor beursgenoteerde beleggingen niet langer van kracht was, aangezien het was ingetrokken bij Overheidsbesluit 78 van de Republiek Indonesië van 2019 (95). In dit verband merkte de indiener van het verzoek op dat in de nieuwe rechtshandeling de bedrijfstak voor biodiesel niet langer was opgenomen onder de bedrijfstakken die in aanmerking komen voor de daarin vermelde stimuli in de vorm van subsidiëring (96). De indiener van het verzoek heeft derhalve specifieke argumenten aangevoerd die alleen betrekking hebben op de overige twee subsidieprogramma’s (97), te weten de subsidies voor bedrijventerreinen en de belastingvoordelen voor speerpuntindustrie. |
|
(83) |
De indiener van het verzoek heeft echter geen bewijsmateriaal verstrekt over Indonesische producenten-exporteurs van biodiesel die kunnen worden aangemerkt als “industriële onderneming” of die gevestigd zijn in een geografische gebied dat voldoet aan de vereisten voor een “bedrijventerrein”, een subsidiabiliteitsvereiste om in aanmerking te komen voor de subsidie voor bedrijventerreinen, of over Indonesische producenten-exporteurs die beschikken over een nieuw investeringsplan ter waarde van ten minste 500 miljard roepia, een subsidiabiliteitsvereiste voor het belastingvoordeel voor speerpuntindustrie. Bij gebrek aan medewerking van de Indonesische overheid en Indonesische producenten-exporteurs kon de Commissie niet vaststellen dat er sprake was van een voordeel, aangezien er geen informatie is op grond waarvan kan worden beoordeeld of de Indonesische producenten-exporteurs van biodiesel van dit subsidieprogramma gebruik hebben gemaakt. |
|
(84) |
Bijgevolg is er geen bewijs waaruit blijkt dat deze regelingen in het tijdvak van het nieuwe onderzoek van kracht waren als tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies. |
3.3. Conclusie betreffende de voortzetting van de subsidiëring
|
(85) |
In het licht van het bovenstaande heeft de Commissie geconcludeerd dat Indonesische producenten van biodiesel ook in het tijdvak van het nieuwe onderzoek tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies ontvingen. |
|
(86) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde de Indonesische overheid aan dat noch het OPPF, noch de levering van ruwe palmolie tegen een ontoereikende prijs een subsidie was op grond van de WTO-overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen. Dit argument was gebaseerd op haar opmerkingen in het oorspronkelijke onderzoek en op de bevindingen van het panel in zaak DS618 (98): Europese Unie — Compenserende rechten op de invoer van biodiesel uit Indonesië. |
|
(87) |
Vanwege de uitdrukkelijke niet-medewerking van zowel de Indonesische overheid als de Indonesische producenten werden de conclusies van de Commissie inzake voortzetting van subsidiëring in dit nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen gebaseerd op de beschikbare gegevens, zoals toegelicht in de overwegingen 32 tot en met 36. Daartoe heeft de Commissie gebruikgemaakt van het verzoek om een nieuw onderzoek en de bevindingen van het vorige onderzoek. De in het oorspronkelijke onderzoek gemaakte opmerkingen en de inhoud ervan zijn reeds behandeld in dat onderzoek, waarin werd vastgesteld dat beide regelingen tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies vormden (99). De Europese Unie heeft beroep aangetekend tegen de bevindingen van het panel in zaak DS618 (100). Derhalve zijn de bevindingen van het panel in zaak DS618 volgens vaste rechtspraak van de WTO niet definitief en hebben zij geen juridische status in het WTO-systeem (101), aangezien zij niet door het Orgaan voor Geschillenbeslechting zijn bekrachtigd door middel van een besluit van de WTO-leden en derhalve de bevindingen van het huidige nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen niet in twijfel kunnen trekken. Bovendien werden de opmerkingen van de Indonesische overheid pas na de mededeling van de definitieve bevindingen ingediend en bevatten zij in elk geval geen feitelijke informatie die of nieuw bewijsmateriaal dat in tegenspraak was met de conclusies van het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen. De opmerkingen van de Indonesische overheid werden derhalve afgewezen. |
3.4. Ontwikkeling van de invoer indien de maatregelen worden ingetrokken
|
(88) |
Na te hebben vastgesteld dat in het tijdvak van het nieuwe onderzoek sprake was van subsidiëring, heeft de Commissie onderzoek gedaan naar de waarschijnlijke ontwikkeling van de invoer met subsidiëring in de Unie uit het betrokken land indien de maatregelen zouden worden ingetrokken. De volgende elementen zijn onderzocht: de productiecapaciteit en reservecapaciteit in Indonesië en de aantrekkelijkheid van de markt van de Unie. Wegens het gebrek aan medewerking werden deze elementen vastgesteld aan de hand van de beschikbare gegevens in de zin van artikel 28 van de basisverordening, d.w.z. het verzoek en de bevindingen van het vorige onderzoek. |
3.4.1. Productiecapaciteit en reservecapaciteit in Indonesië
|
(89) |
Volgens openbaar beschikbare informatie die in 2024 werd verstrekt door de EBB en de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, wordt de productiecapaciteit in Indonesië geschat op meer dan 16 miljoen ton, terwijl de productie en het verbruik worden geschat op ongeveer 11 miljoen ton (102). Op basis hiervan wordt de reservecapaciteit in Indonesië geschat op bijna 5 miljoen ton, hetgeen neerkomt op ongeveer 30 % van het verbruik in de Unie tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek. |
|
(90) |
Om deze reden en gezien de bevindingen in de overwegingen 91 tot en met 93 over de aantrekkelijkheid van de markt van de Unie, was de Commissie van mening dat indien de maatregelen worden ingetrokken, de Indonesische producenten van biodiesel in staat zouden zijn hun uitvoer naar de markt van de Unie te verhogen. |
3.4.2. Aantrekkelijkheid van de markt van de Unie
|
(91) |
De markt van de Unie blijft een zeer aantrekkelijke markt voor Indonesische producenten van biodiesel. De Unie is “s werelds grootste markt voor biodiesel en zal naar verwachting in 2028 de belangrijkste gebruiker van biodiesel ter wereld zijn, met een aandeel van 33 % in het totale wereldwijde gebruik van biodiesel, vóór de Verenigde Staten van Amerika (“VS”) met 22 % van het totale wereldwijde gebruik van biodiesel (103). Bovendien hebben de VS in 2018 antidumpingmaatregelen en compenserende maatregelen ingesteld ten aanzien van de invoer van biodiesel van oorsprong uit Indonesië, die beide in juli 2023 zijn verlengd, met respectievelijk dumpingmarges variërend van 92,52 % tot 276,65 % en subsidiepercentages variërend van 34,45 % tot 64,73 % (104). |
|
(92) |
De markt van de Unie is voor Indonesische producenten-exporteurs ook aantrekkelijk wat prijzen betreft. Zoals uiteengezet in de overwegingen 108 en 146, zou de invoer uit Indonesië in de Unie op het prijsniveau daarvan in het tijdvak van het nieuwe onderzoek zonder de compenserende rechten de prijzen van de bedrijfstak van de Unie met 5,8 % onderbieden. De Commissie heeft ook de Indonesische prijzen bij uitvoer naar de Unie vergeleken met de Indonesische prijzen bij uitvoer naar de markten van andere derde landen. Bij gebrek aan medewerking heeft de Commissie gebruikgemaakt van GTA-statistieken (105) voor de Indonesische uitvoer onder de onderverdelingen van het geharmoniseerd systeem (“GS”) 1516 20 , 1518 00 , 2710 19 , 2710 20 , 3826 00 en 3824 99 op fob-niveau. Uit de vergelijking is gebleken dat de gemiddelde prijs bij uitvoer naar de Unie in het tijdvak van het nieuwe onderzoek 989 EUR per ton bedroeg, terwijl de gemiddelde prijs bij uitvoer naar alle andere derde landen samen 642 EUR per ton bedroeg. Dit wijst erop dat de markt van de Unie aantrekkelijk is, aangezien deze markt de Indonesische producenten betere prijzen biedt dan andere markten en deze prijzen nog steeds lager zouden zijn dan de prijzen van de bedrijfstak van de Unie. |
|
(93) |
De Commissie was derhalve van mening dat, mochten de bestaande maatregelen worden ingetrokken, het waarschijnlijk is dat de Indonesische producenten van biodiesel ten minste een deel van hun reservecapaciteit op de Unie zouden richten en de uitvoer naar de Unie zouden verleggen. |
3.5. Conclusie betreffende de waarschijnlijkheid van voortzetting van de subsidiëring
|
(94) |
De Commissie stelde vast dat er voldoende bewijs is dat de subsidiëring van de bedrijfstak voor biodiesel in Indonesië in het tijdvak van het nieuwe onderzoek werd voortgezet. Deze subsidiëring zal in de toekomst waarschijnlijk worden voortgezet, rekening houdend met de in overweging 43 beschreven steeds grotere bijmengverplichting. Meer specifiek zullen, wat het OPPF en de levering van ruwe palmolie tegen een ontoereikende prijs betreft, gezien de wijze waarop deze regelingen sinds de invoering ervan fungeren, de daaruit voortvloeiende voordelen voor de Indonesische producenten-exporteurs van biodiesel in de toekomst waarschijnlijk blijven bestaan (106). |
|
(95) |
De Commissie heeft tevens vastgesteld dat intrekking van de compenserende maatregelen waarschijnlijk zou leiden tot een toename van de uitvoer van gesubsidieerde Indonesische biodiesel naar de markt van de Unie. |
|
(96) |
De Commissie heeft derhalve geconcludeerd dat het zeer waarschijnlijk is dat de subsidiëring wordt voortgezet indien de compenserende maatregelen komen te vervallen. |
4. SCHADE
4.1. Omschrijving van de bedrijfstak van de Unie en de productie in de Unie
|
(97) |
Het soortgelijke product werd vervaardigd door 40 producenten in de Unie die lid waren van de EBB, plus naar schatting 20 andere producenten in de Unie die geen lid zijn van de EBB. Zij vormen de “bedrijfstak van de Unie” in de zin van artikel 9, lid 1, van de basisverordening. |
|
(98) |
De totale productie in de Unie tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek werd vastgesteld op ongeveer 14 179 182 ton. De Commissie heeft dit cijfer vastgesteld op basis van de gecontroleerde macro-economische vragenlijst die door de EBB is ingediend. De gegevens van de EBB over de productie van biodiesel in de Unie werden geschat op basis van de gegevens van een externe aanbieder van marktinformatie (107) voor 2023, waarop de procentuele ontwikkeling tussen 2023 en het tijdvak van het nieuwe onderzoek van de productie van EBB-leden werd toegepast. |
|
(99) |
Zoals in overweging 15 is vermeld, vertegenwoordigden de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie samen 12 % van de totale productie van het soortgelijke product in de Unie in het tijdvak van het nieuwe onderzoek. |
4.2. Verbruik in de Unie
|
(100) |
De Commissie heeft het verbruik in de Unie vastgesteld op basis van het verkoopvolume van de bedrijfstak van de Unie op de markt van de Unie dat in het antwoord op de macro-economische vragenlijst door de EBB werd opgegeven en aan de hand van invoergegevens van Eurostat (Comext). |
|
(101) |
Het aldus vastgestelde verbruik in de Unie heeft zich als volgt ontwikkeld: Tabel 1 Verbruik in de Unie (ton)
|
||||||||||||||||||||||
|
(102) |
Tijdens de beoordelingsperiode daalde het verbruik van biodiesel in de Unie in totaal met 7 %. Dit verbruik steeg in 2022 ten opzichte van 2021 met 4 %, bleef in 2023 stabiel en daalde tussen 2023 en het einde van het tijdvak van het nieuwe onderzoek met 11 %. |
4.3. Invoer uit het betrokken land
4.3.1. Volume en marktaandeel van de invoer uit het betrokken land
|
(103) |
De Commissie heeft het volume van de invoer vastgesteld op basis van invoerstatistieken van Eurostat. Het marktaandeel werd vastgesteld op basis van het volume van de invoer uit het betrokken land en het verbruik in de Unie. |
|
(104) |
De invoer uit Indonesië in de Unie heeft zich tijdens de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 2 Invoerhoeveelheid (ton) en marktaandeel
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(105) |
Het volume van de invoer van biodiesel uit Indonesië was gedurende het tijdvak van het nieuwe onderzoek te verwaarlozen. Dit volume fluctueerde, maar nam in de beoordelingsperiode over het geheel genomen af (–39 % in totaal). Het marktaandeel van deze invoer was eveneens te verwaarlozen, met een daling van 0,6 % in 2021 tot 0,4 % in het tijdvak van het nieuwe onderzoek. |
4.3.2. Prijzen van de invoer uit Indonesië en prijsonderbieding
|
(106) |
In de beoordelingsperiode heeft de prijs van de invoer uit Indonesië in de Unie zich als volgt ontwikkeld: Tabel 3 Invoerprijzen (EUR/ton)
|
||||||||||||||||||||||
|
(107) |
De prijzen van de invoer uit Indonesië stegen in 2022 met 37 %, maar vielen vervolgens terug tot het voorgaande niveau en vertoonden tussen 2023 en het einde van het tijdvak van het nieuwe onderzoek een lichte daling (met 4 %). In het tijdvak van het nieuwe onderzoek bedroeg de gemiddelde prijs van de invoer uit Indonesië 1 113 EUR/ton. |
|
(108) |
Vanwege de niet-medewerking van de Indonesische producenten-exporteurs heeft de Commissie de prijsonderbieding in het tijdvak van het nieuwe onderzoek vastgesteld op basis van de beschikbare gegevens in de zin van artikel 28 van de basisverordening. De Commissie heeft derhalve de in Eurostat vermelde gemiddelde invoerprijs, op cif-basis, met de nodige correcties voor standaarddouanerechten en kosten na invoer, vergeleken met de gewogen gemiddelde verkoopprijs van de bedrijfstak van de Unie aan niet-verbonden afnemers op de markt van de Unie, op basis van de gecontroleerde antwoorden op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie. Op deze basis werd er geen prijsonderbieding geconstateerd. Zoals ook uiteengezet in overweging 146, onderboden de Indonesische prijzen na aftrek van de compenserende rechten de verkoopprijs van de bedrijfstak van de Unie echter met 5,8 %. |
4.4. Invoer uit andere derde landen dan Indonesië
|
(109) |
De invoer van biodiesel uit andere derde landen dan Indonesië was voornamelijk afkomstig uit de VRC, het Verenigd Koninkrijk en Singapore. |
|
(110) |
Het volume van de invoer in de Unie evenals het marktaandeel en de prijsontwikkelingen voor de invoer van biodiesel uit andere derde landen ontwikkelden zich als volgt: Tabel 4 Invoer uit derde landen
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(111) |
Tijdens de beoordelingsperiode zijn de volumes van de invoer uit andere derde landen licht gedaald, maar gezien de grotere daling van het totale verbruik steeg het marktaandeel van deze invoer. De invoer uit de VRC nam echter aanzienlijk toe, en het respectieve marktaandeel verdrievoudigde. Wat de prijzen betreft, was de gemiddelde prijs bij invoer uit andere derde landen in het tijdvak van het nieuwe onderzoek iets hoger dan de prijs bij invoer uit Indonesië. |
4.5. Economische situatie van de bedrijfstak van de Unie
4.5.1. Algemene opmerkingen
|
(112) |
De beoordeling van de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie omvatte een beoordeling van alle economische indicatoren die in de beoordelingsperiode op de situatie van de bedrijfstak van de Unie van invloed waren. |
|
(113) |
Zoals vermeld in overweging 15, is de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie beoordeeld aan de hand van een steekproef. |
|
(114) |
Voor de schadevaststelling heeft de Commissie onderscheid gemaakt tussen macro-economische en micro-economische schade-indicatoren. De Commissie heeft de macro-economische indicatoren beoordeeld op basis van de gegevens in het antwoord van de indiener van het verzoek op de macrovragenlijst. De gegevens hadden betrekking op alle producenten in de Unie. De Commissie heeft de micro-economische indicatoren beoordeeld op basis van de gegevens die de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie in de antwoorden op de vragenlijst hadden verstrekt. Beide gegevensreeksen bleken representatief te zijn voor de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie. |
|
(115) |
De macro-economische indicatoren zijn: productie, productiecapaciteit, bezettingsgraad, verkoopvolume, marktaandeel, werkgelegenheid, productiviteit, groei, hoogte van de subsidiemarges en herstel van de gevolgen van subsidiëring in het verleden. |
|
(116) |
De micro-economische indicatoren (gemiddelde eenheidsprijzen, kosten per eenheid, loonkosten, voorraden, winstgevendheid, kasstroom, investeringen, rendement van investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken) zijn geanalyseerd op het niveau van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie. De beoordeling werd gebaseerd op hun informatie, die tijdens een controlebezoek ter plaatse naar behoren is geverifieerd. |
4.5.2. Macro-economische indicatoren
4.5.2.1. Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad
|
(117) |
In de beoordelingsperiode hebben de productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad van de bedrijfstak van de Unie zich als volgt ontwikkeld: Tabel 5 Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(118) |
De productiecapaciteit is in 2022 licht gestegen en in het tijdvak van het nieuwe onderzoek weer gedaald tot een vergelijkbaar niveau als in 2021. Het productievolume en de bezettingsgraad zijn van 2020 tot het einde van het tijdvak van het nieuwe onderzoek voortdurend afgenomen en in totaal gedaald met respectievelijk 7 % en 6 %. |
4.5.2.2. Verkoopvolume en marktaandeel in de Unie
|
(119) |
Het verkoopvolume en het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 6 Verkoopvolume (ton) en marktaandeel
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(120) |
De verkoop van de bedrijfstak van de Unie op de markt van de Unie is in de beoordelingsperiode gedaald, in totaal met 9 %. Dit wordt weerspiegeld in een daling van het marktaandeel van 74,5 % in 2020 tot 72,8 % in het tijdvak van het nieuwe onderzoek. Het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie daalde in 2022 ten opzichte van 2021 met 10 %, gevolgd door een herstel in 2023 en een verdere stijging in het tijdvak van het nieuwe onderzoek. In het tijdvak van het nieuwe onderzoek lag het marktaandeel echter nog steeds onder het niveau van 2021. |
4.5.2.3. Groei
|
(121) |
In een context van een afnemend verbruik en een dalende productie verloor de bedrijfstak van de Unie verkoopvolume en marktaandeel. In de beoordelingsperiode voor de bedrijfstak van de Unie was er over het geheel genomen geen sprake van groei. |
4.5.2.4. Werkgelegenheid en productiviteit
|
(122) |
In de beoordelingsperiode hebben de werkgelegenheid en de productiviteit binnen de bedrijfstak van de Unie zich als volgt ontwikkeld: Tabel 7 Werkgelegenheid en productiviteit
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(123) |
Het aantal bij de productie van het onderzochte product in de Unie betrokken werknemers fluctueerde, maar is in het tijdvak van het nieuwe onderzoek over het geheel genomen gedaald. De productiviteit van de werknemers van de bedrijfstak van de Unie is in het tijdvak van het nieuwe onderzoek eveneens gedaald. |
4.5.2.5. Omvang van de subsidiëring en herstel van subsidiëring in het verleden
|
(124) |
De subsidiëring hield in het tijdvak van het nieuwe onderzoek aan, zoals toegelicht in punt 3. Aangezien het volume van de invoer met subsidiëring uit Indonesië in het tijdvak van het nieuwe onderzoek verwaarloosbaar was, heeft de Commissie echter geconcludeerd dat de gevolgen van de omvang van de subsidiëring van de invoer uit Indonesië voor de bedrijfstak van de Unie beperkt waren. |
4.5.3. Micro-economische indicatoren
4.5.3.1. Prijzen en factoren die de prijzen beïnvloeden
|
(125) |
De gemiddelde verkoopprijs per eenheid van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie voor verkoop aan niet-verbonden afnemers in de Unie heeft zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 8 Verkoopprijzen en productiekosten in de Unie (EUR/ton)
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(126) |
De gemiddelde verkoopprijzen van de bedrijfstak zijn in 2022 drastisch gestegen, te weten met 42 %, en zijn sindsdien gedaald, in overeenstemming met de ontwikkeling van de kosten. Ondanks een daling in 2023 en in het tijdvak van het nieuwe onderzoek blijven de prijzen aanzienlijk hoger dan in 2021. |
|
(127) |
De productiekosten per eenheid zijn in 2022 en 2023 aanzienlijk gestegen en zijn vervolgens in het tijdvak van het nieuwe onderzoek gedaald, maar bleven ruim boven het niveau van 2021 en boven de verkoopprijs. Sinds 2023 is de bedrijfstak van de Unie niet in staat geweest om de productiekosten in zijn verkoopprijs te weerspiegelen. |
4.5.3.2. Loonkosten
|
(128) |
De gemiddelde loonkosten van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 9 Gemiddelde loonkosten per werknemer
|
||||||||||||||||||||||
|
(129) |
Tijdens de beoordelingsperiode stegen de gemiddelde loonkosten met 11 %. Hoewel het aantal werknemers licht daalde maar in dezelfde periode over het geheel genomen stabiel bleef (zoals blijkt uit tabel 7), stegen de gemiddelde loonkosten per werknemer. |
4.5.3.3. Voorraden
|
(130) |
De voorraden van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 10 Voorraden
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(131) |
Zoals reeds vastgesteld in het oorspronkelijke onderzoek, is het niveau van de voorraden een minder betekenisvolle indicator voor dit soort bedrijfstakken (108). De Commissie heeft bevestigd dat de bedrijfstak van de Unie ernaar streefde de voorraden laag te houden, maar dat dit niet altijd mogelijk was in het licht van de marktsituatie, die werd gekenmerkt door een sterke aanwezigheid van invoer met dumping uit de VRC/een dalende vraag. Zij heeft ook opgemerkt dat, aangezien het onderzochte product in bulk wordt verkocht, één enkele levering een aanzienlijk volume van meer dan 10 000 ton kan omvatten, wat een aanzienlijke invloed kan hebben op het voorraadniveau, afhankelijk van de precieze datum van de transactie. |
4.5.3.4. Winstgevendheid, kasstroom, investeringen, rendement van investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken
|
(132) |
De winstgevendheid, de kasstroom, de investeringen en het rendement van de investeringen van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 11 Winstgevendheid, kasstroom, investeringen en rendement van investeringen
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(133) |
De Commissie heeft de winstgevendheid van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie vastgesteld door de nettowinst vóór belastingen op de verkoop van het soortgelijke product aan niet-verbonden afnemers in de Unie uit te drukken als een percentage van de aldus gerealiseerde omzet. Na een zeer lage winstgevendheid in 2021 en 2022 leden de in de steekproef opgenomen producenten verlies in 2023 en in het tijdvak van het nieuwe onderzoek. |
|
(134) |
De nettokasstroom is het vermogen van de producenten in de Unie om hun activiteiten zelf te financieren. Een drastische daling in 2021 werd gevolgd door een sterk herstel in 2023 en in het tijdvak van het nieuwe onderzoek. Dit herstel was te danken aan een van de in de steekproef opgenomen producenten die grote hoeveelheden biodiesel uit voorraad verkocht. |
|
(135) |
De investeringen lagen in 2021 en 2022 op een laag niveau en de sterke relatieve stijging in 2023 moet tegen deze achtergrond worden gezien. In het tijdvak van het nieuwe onderzoek zijn de investeringen opnieuw licht gedaald. De investeringen waren in het algemeen gericht op het diversifiëren van het productassortiment met het doel om over te schakelen op meer winstgevende producten en concurrerend te blijven. |
|
(136) |
Het rendement van investeringen is de winst uitgedrukt als percentage van de nettoboekwaarde van de investeringen. Het rendement van investeringen daalde in de beoordelingsperiode en was negatief in 2023 en in het tijdvak van het nieuwe onderzoek, in overeenstemming met de negatieve winstgevendheid. |
4.6. Conclusie over schade
|
(137) |
Tijdens de beoordelingsperiode lieten de meeste schade-indicatoren een negatieve ontwikkeling zien. Dit komt met name duidelijk naar voren in de neerwaartse trend van de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie en de verlieslijdende situatie van de bedrijfstak vanaf 2023, Ook andere belangrijke indicatoren vertoonden een dalende lijn, zoals productie- en verkoopvolumes, bezettingsgraad, werkgelegenheid en productiviteit, alsook de kasstroom en het rendement van investeringen. |
|
(138) |
Hoewel het marktaandeel vanaf 2023 een stijgende trend vertoonde, na een sterke daling in 2022, was de bedrijfstak van de Unie ondanks deze positieve ontwikkeling niet in staat hetzelfde niveau te bereiken als in 2021. De verkoopprijzen lieten eveneens een positieve ontwikkeling zien, maar gezien de gelijktijdige stijging van de productiekosten bleven deze prijzen in de laatste twee jaar van de beoordelingsperiode onder de productiekosten, wat tot een verliesgevende situatie leidde. Tot slot lagen de investeringen, die een positieve trend te zien gaven, gedurende de beoordelingsperiode op een laag niveau. |
|
(139) |
Op basis van het bovenstaande concludeerde de Commissie dat de bedrijfstak van de Unie in het tijdvak van het nieuwe onderzoek aanmerkelijke schade heeft geleden. |
5. OORZAKELIJK VERBAND
|
(140) |
Na het instellen van compenserende maatregelen in 2019 daalde de invoer van Indonesische biodiesel en bleef deze onder de de-minimisdrempel als bedoeld in artikel 10, lid 9, van de basisverordening, met een marktaandeel van 0,4 % in het tijdvak van het nieuwe onderzoek. De in het tijdvak van het nieuwe onderzoek geleden aanmerkelijke schade kon derhalve niet worden toegeschreven aan de invoer met subsidiëring uit Indonesië. |
|
(141) |
Op 14 augustus 2024 heeft de Commissie echter voorlopige maatregelen ingesteld tegen de VRC (109), dat wil zeggen aan het einde van het tijdvak van het nieuwe onderzoek in het kader van het huidige onderzoek. Deze maatregelen werden bevestigd op 10 februari 2025, toen de Commissie definitieve antidumpingmaatregelen instelde (110). Zoals tijdens dit onderzoek is vastgesteld, werd de door de bedrijfstak van de Unie geleden aanmerkelijke schade veroorzaakt door de invoer uit de VRC (111). |
6. WAARSCHIJNLIJKHEID VAN HERHALING VAN SCHADE DIE WORDT VEROORZAAKT DOOR DE INVOER UIT INDONESIË
|
(142) |
Zoals de Commissie in overweging 139 heeft geconcludeerd, heeft de bedrijfstak van de Unie in het tijdvak van het nieuwe onderzoek aanmerkelijke schade geleden. De Commissie heeft bovendien in de bovenstaande afdeling geconcludeerd dat de voor het tijdvak van het nieuwe onderzoek vastgestelde schade voor de bedrijfstak van de Unie niet kon zijn veroorzaakt door de invoer met subsidiëring uit Indonesië, omdat het volume van deze invoer laag was. De Commissie heeft derhalve overeenkomstig artikel 18, lid 2, van de basisverordening beoordeeld of herhaling van de oorspronkelijk door de invoer met subsidiëring uit Indonesië veroorzaakte schade waarschijnlijk is, mochten de geldende maatregelen komen te vervallen. |
|
(143) |
In dit verband heeft de Commissie het volgende onderzocht: de productie- en de reservecapaciteit in Indonesië, de aantrekkelijkheid van de markt van de Unie en de waarschijnlijke prijsniveaus van de invoer uit Indonesië zonder compenserende maatregelen en de gevolgen daarvan voor de bedrijfstak van de Unie. |
6.1. Productiecapaciteit en reservecapaciteit in Indonesië
|
(144) |
Zoals geconcludeerd in overweging 89, beschikken de producenten in Indonesië over een aanzienlijke reservecapaciteit, die overeenkomstig de onderstaande bevindingen inzake de aantrekkelijkheid van de markt van de Unie ten minste gedeeltelijk voor uitvoer naar de Unie beschikbaar zou zijn indien de maatregelen zouden komen te vervallen. |
6.2. Aantrekkelijkheid van de markt van de Unie
|
(145) |
Zoals beschreven in de overwegingen 91 tot en met 93, is de markt van de Unie voor Indonesische producenten aantrekkelijk vanwege de omvang ervan en wat de prijzen betreft, en ook vanwege het feit dat de VS handelsbeschermingsmaatregelen hebben ingesteld, waardoor het waarschijnlijk is dat Indonesische producenten van biodiesel bij het vervallen van de maatregelen ten minste een deel van hun reservecapaciteit op de Unie zouden richten en hun uitvoer naar de Unie zouden verleggen. |
6.3. Waarschijnlijke prijzen van de invoer uit Indonesië en gevolgen voor de bedrijfstak van de Unie
|
(146) |
Zoals toegelicht in overweging 108, was bij de prijzen van de invoer uit Indonesië geen sprake van onderbieding van de verkoopprijs van de bedrijfstak van de Unie in het tijdvak van het nieuwe onderzoek. De Commissie heeft verder onderzocht wat het waarschijnlijke prijsniveau van de invoer uit Indonesië zou zijn indien de maatregelen zouden komen te vervallen en is tot de conclusie gekomen dat een redelijke maatstaf voor de vaststelling van dat prijsniveau de prijs bij invoer uit Indonesië in het tijdvak van het nieuwe onderzoek na aftrek van de compenserende rechten was. Op basis hiervan heeft de Commissie een prijsonderbiedingsmarge van 5,8 % vastgesteld. Dergelijke prijsniveaus zouden ook duidelijk onder het niveau van de kosten per eenheid van de bedrijfstak van de Unie liggen. Redelijkerwijs kan worden aangenomen dat grotere hoeveelheden invoer van Indonesische biodiesel prijsniveaus met zich mee zouden brengen die, onder overigens gelijkblijvende omstandigheden, vergelijkbaar zouden zijn met de tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek vastgestelde niveaus. Aangezien bovendien de door de Indonesische producenten gehanteerde prijzen bij uitvoer naar derde landen lager zijn dan de prijzen bij uitvoer naar de Unie, zoals toegelicht in overweging 92, kan worden geconcludeerd dat de producenten-exporteurs de mogelijkheid hebben hun prijzen bij uitvoer naar de Unie nog verder te verlagen indien de maatregelen zouden worden ingetrokken. |
|
(147) |
Een dergelijk laag prijsniveau in combinatie met een waarschijnlijk aanzienlijke stijging van de invoer uit Indonesië indien de maatregelen zouden komen te vervallen, zal tot extra prijsdruk op de markt van de Unie leiden. Gezien de negatieve winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie zou de extra druk op de prijzen van de bedrijfstak van de Unie zijn winstgevendheid waarschijnlijk nog verder drukken en uiteindelijk tot verlies van werkgelegenheid en investeringen leiden. Het is niet waarschijnlijk dat de bedrijfstak van de Unie in staat zou zijn om zijn prijsniveaus te handhaven, laat staan te verhogen, om in de nabije toekomst zijn streefwinst te halen, indien de invoer uit Indonesië tegen dergelijke lage prijzen toegang tot de markt van de Unie zou krijgen. |
|
(148) |
Gezien het bovenstaande is de Commissie tot de conclusie gekomen dat indien de maatregelen zouden komen te vervallen, de invoer uit Indonesië niet alleen aanzienlijk zou toenemen maar ook zou binnenkomen tegen schadeveroorzakende prijzen, waardoor de bedrijfstak van de Unie nog meer schade zou lijden. |
6.4. Conclusie
|
(149) |
Gezien het bovenstaande wordt geconcludeerd dat het ontbreken van maatregelen naar alle waarschijnlijkheid zou leiden tot een aanzienlijke toename van de invoer met subsidiëring uit Indonesië op schadeveroorzakende niveaus en dat zich waarschijnlijk opnieuw schade als gevolg van invoer met subsidiëring uit Indonesië zou voordoen. |
|
(150) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde de Indonesische overheid aan dat er geen sprake is van een bewezen risico van aanmerkelijke schade voor de bedrijfstak van de Unie voor biodiesel en dat de conclusies in de mededeling van de definitieve bevindingen in strijd zijn met artikel 15.5 van de WTO-overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen. De Indonesische overheid voerde daarvoor de volgende argumenten aan: |
|
(151) |
Sinds de instelling van maatregelen zijn het volume van de invoer van biodiesel uit Indonesië en het marktaandeel ervan in de Unie aanzienlijk afgenomen, waardoor er geen sprake kan zijn van schade als gevolg van deze invoer. |
|
(152) |
De Commissie heeft geen andere bekende factoren dan de invoer met subsidiëring onderzocht die de bedrijfstak van de Unie schade berokkenen (zoals stijgende kosten, veranderingen in de vraag, invoer uit derde landen en sectorspecifieke regelgeving) en heeft de door deze factoren veroorzaakte schade niet onderscheiden van de effecten van de invoer met subsidiëring. |
|
(153) |
De bevindingen inzake herhaling van schade berusten volledig op oude argumenten die door het Orgaan voor Geschillenbeslechting zijn afgewezen in WTO-zaak DS618. |
|
(154) |
Zoals uiteengezet in overweging 140, heeft de Commissie, in tegenstelling tot wat in de opmerkingen van de Indonesische overheid werd gesuggereerd, niet vastgesteld dat de door de bedrijfstak van de Unie geleden aanmerkelijke schade werd veroorzaakt door de invoer uit Indonesië. De Commissie heeft slechts vastgesteld dat de door de invoer uit Indonesië veroorzaakte schade zich waarschijnlijk zal herhalen indien de maatregelen zouden komen te vervallen. In het licht hiervan is de afname van de invoer uit Indonesië, die volgens de Indonesische overheid het gevolg was van de instelling van maatregelen, niet in tegenspraak met de bevindingen van de Commissie. Deze afname ondersteunt juist de conclusie dat indien de maatregelen komen te vervallen, het volume van de invoer waarschijnlijk aanzienlijk zal toenemen. |
|
(155) |
In dezelfde zin is een gedetailleerder onderzoek van andere factoren dan de invoer uit Indonesië, en het toeschrijven van een oorzakelijk verband aan die factoren, niet relevant, aangezien de door de bedrijfstak van de Unie geleden aanmerkelijke schade niet door de invoer uit Indonesië werd veroorzaakt. |
|
(156) |
Tot slot waren, in tegenstelling tot wat in de opmerkingen van de Indonesische overheid werd verklaard, de bevindingen inzake de waarschijnlijkheid van herhaling van schade, zoals uiteengezet in de overwegingen 142 tot en met 148, gebaseerd op i) de beoordeling van de waarschijnlijke ontwikkeling van het invoervolume, ii) het waarschijnlijke prijsgedrag van de Indonesische producenten-exporteurs indien de maatregelen zouden komen te vervallen, en iii) het waarschijnlijke effect op de situatie van de bedrijfstak van de Unie, uitgaande van de in het dossier van het huidige onderzoek beschikbare informatie. De Indonesische overheid heeft geen opmerkingen over deze beoordeling gemaakt of bewijs aangeleverd dat de conclusies van de Commissie zou weerleggen. |
|
(157) |
In elk geval herinnerde de Commissie eraan dat de bevindingen van het panel in zaak DS618 niet definitief zijn, aangezien de Europese Unie beroep heeft aangetekend tegen het verslag van het panel, en derhalve kan zij de bevindingen in dit onderzoek niet nader in twijfel trekken. |
|
(158) |
Gezien het voorgaande werden de argumenten van de Indonesische overheid afgewezen. |
7. BELANG VAN DE UNIE
|
(159) |
Overeenkomstig artikel 31 van de basisverordening heeft de Commissie onderzocht of handhaving van de bestaande compenserende maatregelen in strijd zou zijn met het belang van de Unie in haar geheel. Het belang van de Unie werd vastgesteld op basis van een afweging van alle betrokken belangen, met inbegrip van die van de bedrijfstak van de Unie, importeurs en gebruikers. |
7.1. Belang van de bedrijfstak van de Unie
|
(160) |
De bedrijfstak van de Unie bestaat uit ongeveer 60 producenten in de hele Unie en biedt ongeveer 5 500 directe arbeidsplaatsen. |
|
(161) |
De Commissie stelde vast dat indien de maatregelen zouden komen te vervallen, de situatie van de bedrijfstak van de Unie verder zou verslechteren als gevolg van een sterke toename van laaggeprijsde invoer van biodiesel uit Indonesië. |
|
(162) |
Anderzijds zou voortzetting van de bestaande maatregelen de bedrijfstak van de Unie in staat stellen zijn herstelproces te vervolgen en uiteindelijk duurzame winstniveaus tot zijn streefwinst te bereiken, waardoor verdere investeringen in de sector mogelijk zijn. |
|
(163) |
Derhalve is de Commissie tot de conclusie gekomen dat de verlenging van de maatregelen in het belang van de bedrijfstak van de Unie zou zijn. |
7.2. Belang van gebruikers en niet-verbonden importeurs
|
(164) |
De Commissie heeft contact opgenomen met alle haar bekende gebruikers en niet-verbonden importeurs. Er zijn geen gebruikers of niet-verbonden importeurs die zich kenbaar hebben gemaakt en aan dit onderzoek hebben meegewerkt. Twee in de Unie actieve handelaren werden als belanghebbende in de procedure geregistreerd, maar hebben geen opmerkingen gemaakt. Gezien het gebrek aan medewerking van gebruikers en niet-verbonden importeurs, en bij gebrek aan enig bewijs van het tegendeel, wordt de voortzetting van de maatregelen niet tegen het belang van gebruikers en importeurs geacht. |
7.3. Conclusie
|
(165) |
Op basis van het bovenstaande is de Commissie tot de conclusie gekomen dat er, wat het belang van de Unie betreft, geen dwingende redenen zijn om de bestaande compenserende maatregelen ten aanzien van de invoer van biodiesel van oorsprong uit Indonesië niet te handhaven. |
8. COMPENSERENDE MAATREGELEN
|
(166) |
Op basis van de conclusies van de Commissie inzake de waarschijnlijkheid van zowel voortzetting van subsidiëring als herhaling van door de invoer met subsidiëring uit Indonesië veroorzaakte schade alsook het belang van de Unie, moeten de compenserende maatregelen ten aanzien van biodiesel uit Indonesië worden gehandhaafd. |
|
(167) |
Om het risico van ontwijking als gevolg van het verschil in rechten zo veel mogelijk te beperken, zijn speciale maatregelen nodig om de toepassing van de individuele compenserende rechten te garanderen. De heffing van individuele compenserende rechten is enkel van toepassing op vertoon van een geldige handelsfactuur aan de douaneautoriteiten van de lidstaten. Deze factuur moet voldoen aan de in artikel 1, lid 3, van deze verordening vastgestelde vereisten. Totdat een dergelijke factuur is voorgelegd, moet de invoer worden onderworpen aan het compenserende recht dat van toepassing is op “alle overige invoer van oorsprong uit Indonesië”. |
|
(168) |
Hoewel de douaneautoriteiten van de lidstaten over deze factuur moeten beschikken om ten aanzien van de invoer de individuele compenserende rechten te kunnen toepassen, is overlegging van die factuur niet de enige factor waarmee de douaneautoriteiten rekening moeten houden. Zelfs als aan hen een factuur wordt overgelegd die voldoet aan alle vereisten van artikel 1, lid 3, van deze verordening, moeten de douaneautoriteiten van de lidstaten namelijk hun gebruikelijke controles uitvoeren en kunnen zij, net als in alle andere gevallen, aanvullende documenten (vervoersdocumenten enz.) verlangen om de juistheid van de gegevens in de aangifte te controleren en te waarborgen dat het lagere recht vervolgens terecht wordt toegepast, in overeenstemming met de douanewetgeving. |
|
(169) |
Indien de uitvoer door een van de ondernemingen waarvoor een lager individueel recht geldt, na de instelling van de maatregelen in kwestie aanzienlijk toeneemt, kan dit op zich worden beschouwd als een verandering in de structuur van het handelsverkeer als gevolg van de instelling van maatregelen in de zin van artikel 23, lid 1, van de basisverordening. In dergelijke omstandigheden kan, mits aan de voorwaarden is voldaan, een onderzoek naar ontwijking van de maatregelen worden geopend. Hierbij kan onder meer worden onderzocht of het nodig is de individuele rechten in te trekken en een voor het gehele land geldend recht in te stellen. |
|
(170) |
De individuele compenserende rechten voor ondernemingen die in deze verordening worden genoemd, zijn uitsluitend van toepassing op de invoer van het onderzochte product voor zover het van oorsprong is uit Indonesië en is geproduceerd door de genoemde rechtspersonen. Op de invoer van biodiesel die is geproduceerd door andere ondernemingen die in het dispositief van deze verordening niet uitdrukkelijk worden genoemd, met inbegrip van entiteiten die met de specifiek genoemde ondernemingen verbonden zijn, is het recht van toepassing dat geldt voor “alle overige invoer van oorsprong uit Indonesië”. Die invoer mag niet worden onderworpen aan de individuele compenserende rechten. |
|
(171) |
Een onderneming die haar naam wijzigt, mag vragen deze individuele compenserende rechten te blijven toepassen. Het verzoek moet worden gericht aan de Commissie. Het moet alle relevante informatie bevatten waaruit blijkt dat de wijziging geen invloed heeft op het recht van de onderneming om in aanmerking te komen voor het recht dat op haar van toepassing is. Als de naamswijziging van de onderneming niet van invloed is op haar recht om in aanmerking te komen voor het recht dat op haar van toepassing is, zal een verordening over de naamswijziging worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie. |
|
(172) |
Indien een bedrag moet worden terugbetaald naar aanleiding van een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, geldt ingevolge artikel 109 van Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad (112) als rentevoet de rente die de Europese Centrale Bank voor haar basisherfinancieringstransacties hanteert, zoals bekendgemaakt in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie op de eerste kalenderdag van elke maand. |
|
(173) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) 2016/1036 ingestelde comité, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Er wordt een definitief compenserend recht ingesteld op door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, in zuivere vorm of in mengsels, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 1516 20 98 (Taric-codes 1516 20 98 21, 1516 20 98 29 en 1516 20 98 33), ex 1518 00 91 (Taric-codes 1518 00 91 21, 1518 00 91 29 en 1518 00 91 33), ex 1518 00 95 (Taric-codes 1518 00 95 21, 1518 00 95 33), ex 1518 00 99 (Taric-codes 1518 00 99 21, 1518 00 99 29 en 1518 00 99 33), ex 2710 19 11 (Taric-code 2710 19 11 10), ex 2710 19 15 (Taric-code 2710 19 15 10), ex 2710 19 21 (Taric-code 2710 19 21 10), ex 2710 19 25 (Taric-code 2710 19 25 10), ex 2710 19 29 (Taric-code 2710 19 29 10), ex 2710 19 42 (Taric-codes 2710 19 42 21 en 2710 19 42 29), ex 2710 19 44 (Taric-codes 2710 19 44 21, 2710 19 44 29 en 2710 19 44 33), ex 2710 19 46 (Taric-codes 2710 19 46 21, 2710 19 46 29 en 2710 19 46 33), ex 2710 19 47 (Taric-codes 2710 19 47 21, 2710 19 47 29 en 2710 19 47 33), 2710 20 11 , 2710 20 16 , ex 3824 99 92 (Taric-codes 3824 99 92 10, 3824 99 92 14 en 3824 99 92 17), 3826 00 10 en ex 3826 00 90 (Taric-codes 3826 00 90 11, 3826 00 90 19 en 3826 00 90 33), van oorsprong uit Indonesië.
2. Het definitieve compenserende recht dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, van de in lid 1 genoemde en door de hieronder vermelde ondernemingen vervaardigde producten is als volgt:
|
Onderneming |
Compenserend recht (%) |
Aanvullende Taric-code |
|
PT Ciliandra Perkasa |
8,0 |
B786 |
|
PT Intibenua Perkasatama en PT Musim Mas (Musim Mas Group) |
16,3 |
B787 |
|
PT Pelita Agung Agrindustri en PT Permata Hijau Palm Oleo (Permata Group) |
18,0 |
B788 |
|
PT Wilmar Nabati Indonesia en PT Wilmar Bioenergu Indonesia (Wilmar Group) |
15,7 |
B789 |
|
Alle overige invoer van oorsprong uit Indonesië |
18,0 |
C999 |
3. De individuele compenserende rechten die zijn vastgesteld voor de in lid 2 vermelde ondernemingen zijn uitsluitend van toepassing indien aan de douaneautoriteiten van de lidstaten een geldige handelsfactuur wordt overgelegd die een verklaring bevat die is gedateerd en ondertekend door een met naam en functie geïdentificeerde medewerker van de entiteit die deze factuur heeft opgesteld, en die als volgt luidt: “Ondergetekende verklaart dat de (volume in ton) biodiesel die naar de Europese Unie wordt uitgevoerd en waarop deze factuur betrekking heeft, is vervaardigd door (naam en adres van de onderneming) (aanvullende Taric-code) in Indonesië. Ondergetekende verklaart dat de in deze factuur verstrekte informatie juist en volledig is.”. Als een dergelijke factuur niet wordt overgelegd, wordt het recht toegepast dat voor alle andere ondernemingen geldt.
4. Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 3 maart 2026.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 176 van 30.6.2016, blz. 55, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2016/1037/oj.
(2) Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2092 van de Commissie van 28 november 2019 tot instelling van een definitief compenserend recht op biodiesel van oorsprong uit Indonesië (PB L 317 van 9.12.2019, blz. 42, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2019/2092/oj).
(3) Uitvoeringsverordening (EU) 2025/1883 van de Commissie van 12 september 2025 tot rectificatie van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2092 tot instelling van een definitief compenserend recht op biodiesel van oorsprong uit Indonesië (PB L, 2025/1883, 15.9.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/1883/oj).
(4) Bericht van het naderend vervallen van bepaalde antisubsidiemaatregelen (PB C, C/2024/2122, 11.3.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/2122/oj).
(5) Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (PB L 176 van 30.6.2016, blz. 21, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2016/1036/oj).
(6) Bericht van opening van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de antisubsidiemaatregelen die van toepassing zijn op de invoer van biodiesel van oorsprong uit Indonesië, PB C, C/2024/7405, 6.12.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/7405/oj).
(7) Handelsbeschermingsonderzoeken, https://tron.trade.ec.europa.eu/investigations/case-view?caseId=2760.
(8) De lijst in het bericht van inleiding was slechts ter informatie. De definitieve lijst bevat de huidige indeling.
(9) Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1344 van de Commissie van 12 augustus 2019 tot instelling van een voorlopig compenserend recht op biodiesel van oorsprong uit Indonesië (PB L 212 van 13.8.2019, blz. 1, http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2019/1344/oj) (“de voorlopige verordening”), overwegingen 32 tot en met 34).
(10) Opmerkingen van de Indonesische overheid van 21 maart 2025.
(11) Verzoek, punten 155 tot en met 158.
(12) Voorlopige verordening, overweging 41; presidentieel decreet 61/2015, artikel 1, lid 4.
(13) Voorlopige verordening, overweging 42.
(14) Voorlopige verordening, overweging 44.
(15) Voorlopige verordening, overwegingen 45 en 46; definitieve verordening, overweging 37.
(16) Voorlopige verordening, overweging 47.
(17) Voorlopige verordening, overweging 49.
(18) Voorlopige verordening, overweging 50.
(19) Voorlopige verordening, overweging 50.
(20) Definitieve verordening, overweging 48.
(21) Voorlopige verordening, overweging 53.
(22) Definitieve verordening, overweging 73.
(23) Definitieve verordening, overweging 84.
(24) Voorlopige verordening, overweging 56.
(25) Definitieve verordening, overweging 33.
(26) Definitieve verordening, overweging 62.
(27) Definitieve verordening, overweging 43.
(28) Definitieve verordening, overwegingen 38, 46 en 50.
(29) Voorlopige verordening, overweging 59.
(30) Definitieve verordening, overweging 50.
(31) Voorlopige verordening, overweging 60.
(32) Verzoek, punten 45, 47 en 48.
(33) Verzoek, punt 48.
(34) Verzoek, punt 49.
(35) Artikel 1, lid 4, van presidentieel decreet 61/2015.
(36) Artikel 1, lid 6, van presidentieel decreet 61/2015.
(37) Artikel 3 van presidentieel decreet 61/2015.
(38) Artikel 18 van presidentieel decreet 61/2015.
(39) Verzoek, punt 46.
(40) Verzoek, punt 58.
(41) Verzoek, punt 65.
(42) Verzoek, punten 70 tot en met 72.
(43) Verzoek, punt 67.
(44) Definitieve verordening, overweging 86.
(45) Voorlopige verordening, overwegingen 70 en 71.
(46) Voorlopige verordening, overweging 72.
(47) Voorlopige verordening, overwegingen 73 tot en met 77.
(48) Voorlopige verordening, overweging 172.
(49) Voorlopige verordening, overweging 172.
(50) Definitieve verordening, overweging 112.
(51) Definitieve verordening, overwegingen 114, 115 en 118.
(52) Voorlopige verordening, overweging 85; definitieve verordening, overwegingen 116 en 147.
(53) Voorlopige verordening, overweging 201.
(54) Definitieve verordening, overweging 131.
(55) Voorlopige verordening, overweging 150.
(56) Voorlopige verordening, overweging 139.
(57) Voorlopige verordening, overweging 169; definitieve verordening, overweging 160.
(58) Voorlopige verordening, overweging 202.
(59) Voorlopige verordening, overweging 182.
(60) Voorlopige verordening, overweging 186.
(61) Verzoek, punt 80.
(62) Voorlopige verordening, overweging 83.
(63) Verzoek, punten 83 tot en met 93.
(64) Verzoek, punten 84 en 85.
(65) Verzoek, punt 87.
(66) Verzoek, punt 90.
(67) Verzoek, punt 91.
(68) Verzoek, punt 101.
(69) Verzoek, punt 102.
(70) Verzoek, punten 103 tot en met 105.
(71) Verzoek, punten 106 en 112.
(72) Verzoek, punt 121.
(73) Verzoek, punt 106.
(74) Definitieve verordening, overweging 171.
(75) Voorlopige verordening, overweging 202; definitieve verordening, overweging 187.
(76) Voorlopige verordening, overwegingen 209 tot en met 236.
(77) Voorlopige verordening, overweging 212.
(78) Voorlopige verordening, overweging 213. In het oorspronkelijke onderzoek voegde de Indonesische overheid daaraan toe dat deze regeling uitsluitend beschikbaar is voor ondernemingen die goederen in Indonesië invoeren voor verdere verwerking. Derhalve kunnen ondernemingen die zich uitsluitend met invoer bezighouden, niet in aanmerking komen voor de bonded-zonestatus.
(79) Voorlopige verordening, overweging 214.
(80) Voorlopige verordening, overwegingen 216 en 217.
(81) Verzoek, punten 146 en 147.
(82) Voorlopige verordening, overweging 228.
(83) Voorlopige verordening, overweging 229.
(84) Verzoek, punten 142 en 143.
(85) Verzoek, punt 144.
(86) Verzoek, punt 149.
(87) Voorlopige verordening, overweging 231.
(88) Voorlopige verordening, overweging 233.
(89) Voorlopige verordening, overweging 234.
(90) Voorlopige verordening, overweging 237.
(91) Voorlopige verordening, overweging 235.
(92) Voorlopige verordening, overweging 239.
(93) Voorlopige verordening, overweging 240. Zie specifiek voor de subsidies voor bedrijventerreinen overweging 251 en voor de belastingvoordelen voor speerpuntindustrie overweging 255.
(94) Verzoek, punt 155.
(95) Overheidsbesluit 78 van de Republiek Indonesië van 2019 over faciliteiten op het gebied van vennootschapsbelasting voor investeringen in bepaalde zakelijke sectoren en/of in bepaalde regio’s.
(96) Verzoek, punt 157.
(97) Verzoek, punt 158.
(98) Panelverslag, EU — CVDs on Biodiesel (Indonesia), WT/DS618/R, verspreid onder de WTO-leden op 22 augustus 2025, beroep aangetekend op 29 september 2025.
(99) Zie bijvoorbeeld de punten 3.2 en 3.3 van de definitieve verordening.
(100) European Union — countervailing duties on imports of biodiesel from Indonesia. Notification of an appeal by the European Union under article 16.4 and article 17.1 of the Understanding on rules and procedures governing the settlement of disputes (DSU), and under rule 20(1) of the working procedures for appellate review (https://docs.wto.org/dol2fe/Pages/SS/directdoc.aspx?filename=q:/WT/DS/618-5.pdf&Open=True).
(101) Zie bijvoorbeeld verslag van de Beroepsinstantie, Japan — Taxes on Alcoholic Beverages, WT/DS8/AB/R, WT/DS10/AB/R, WT/DS11/AB/R, goedgekeurd op 1 november 1996, DSR 1996:I, blz. 97, op blz. 14-15.
(102) GAIN-verslag 2024, blz. 20, beschikbaar op: https://apps.fas.usda.gov/newgainapi/api/Report/DownloadReportByFileName?fileName=Biofuels%20Annual_Jakarta_Indonesia_ID2024-0018. De gegevens in miljoen liter werden omgerekend naar ton met de volgende equivalentiefactor: 1 000 l = 1 m3 = 0,885 t.
(103) Verzoek, punt 233.
(104) US international trade commission, Biodiesel from Argentina and Indonesia Investigation Nos. 701-TA-571-572 and 731-TA-1347-1348 (review), publication 5428, juni 2023, beschikbaar op: https://www.usitc.gov/publications/701_731/pub5428_0.pdf; en Ministerie van Handel, Dienst voor Internationale Handel, A-357-820, C-357-821, A-560-830, C-560-831, Biodiesel From Argentina and Indonesia: Continuation of Antidumping Duty Orders and Countervailing Duty Orders, Order No 2023/12827, blz. I-3, beschikbaar op: https://www.federalregister.gov/documents/2023/06/15/2023-12827/biodiesel-from-argentina-and-indonesia-continuation-of-antidumping-duty-orders-and-countervailing.
(105) Global Trade Atlas (GTA) is een door S&P (voorheen IHS Markit) verleende dienst met wereldwijde uitvoer- en invoergegevens, beschikbaar op: https://connect.ihsmarkit.com/gta/home/.
(106) Definitieve verordening, overweging 198.
(107) Stratas.
(108) Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1344, overweging 333.
(109) Uitvoeringsverordening (EU) 2024/2163 van de Commissie van 14 augustus 2024 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op biodiesel van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L, 2024/2163, 16.8.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2024/2163/oj).
(110) Uitvoeringsverordening (EU) 2025/261 van de Commissie van 10 februari 2025 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op biodiesel van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L, 2025/261, 11.2.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/261/oj).
(111) Uitvoeringsverordening (EU) 2024/2163 van de Commissie, overwegingen 378 tot en met 380.
(112) Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2024 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (PB L, 2024/2509, 26.9.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/2509/oj).
ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2026/479/oj
ISSN 1977-0758 (electronic edition)