|
Publicatieblad |
NL L-serie |
|
2026/347 |
18.2.2026 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2026/347 VAN DE COMMISSIE
van 17 februari 2026
tot instelling van een definitief antidumpingrecht op suikermais van oorsprong uit het Koninkrijk Thailand naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (1) (“de basisverordening”), en met name artikel 11, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
1. PROCEDURE
1.1. Voorafgaande onderzoeken en geldende maatregelen
|
(1) |
Bij Verordening (EG) nr. 682/2007 (2) heeft de Raad antidumpingrechten ingesteld op bepaalde bereide of verduurzaamde suikermais in korrels, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 2001 90 30 en ex 2005 80 00 , van oorsprong uit Thailand (de “oorspronkelijke maatregelen”). Het onderzoek dat tot de instelling van de oorspronkelijke maatregelen heeft geleid, wordt hierna aangeduid als het “oorspronkelijke onderzoek”. De maatregel bestond uit een ad-valoremrecht variërend van 3,1 % tot 12,9 %. |
|
(2) |
Verordening (EG) nr. 682/2007 van de Raad (3) werd gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 954/2008 van de Raad, wat het recht voor een van de ondernemingen en dat voor “alle andere ondernemingen” betreft. De gewijzigde rechten bedroegen 3,1 % tot 14,3 %. De invoer door twee Thaise producenten-exporteurs van wie verbintenissen werden aanvaard bij Besluit 2007/424/EG van de Commissie (4), werd vrijgesteld van het recht. |
|
(3) |
De Raad heeft in Verordening (EG) nr. 847/2009 (5) geconcludeerd dat prijsverbintenissen met vaste minimuminvoerprijzen niet langer geschikt waren om het schade veroorzakende effect van dumping te neutraliseren. De al aanvaarde verbintenissen werden derhalve opgezegd en het aanbod van tien andere Thaise producenten-exporteurs werd afgewezen. |
|
(4) |
Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 875/2013 (6) heeft de Raad definitieve antidumpingmaatregelen ingesteld op de invoer van bepaalde bereide of verduurzaamde suikermais in korrels van oorsprong uit Thailand voor nog eens vijf jaar, naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen. |
|
(5) |
Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 307/2014 (7) heeft de Raad, naar aanleiding van een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek, het antidumpingrecht gewijzigd dat in Uitvoeringsverordening (EU) nr. 875/2013 was ingesteld voor River Kwai International Food Industry Co. Ltd. |
|
(6) |
Op grond van de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 december 2017 en 28 maart 2019 in, respectievelijk, de zaken T-460/14 en C-144/18 P, heeft de Commissie op 29 augustus 2019 het antidumpingonderzoek heropend (8) betreffende de invoer van bepaalde bereide of verduurzaamde suikermais in korrels van oorsprong uit Thailand dat heeft geleid tot de vaststelling van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 307/2014. Dat onderzoek werd uitsluitend heropend voor zover het River Kwai International Food Industry Co. Ltd betrof, en werd hervat op het punt waarop de onregelmatigheid zich heeft voorgedaan. |
|
(7) |
Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1996 (9) heeft de Europese Commissie (“de Commissie”) definitieve antidumpingmaatregelen ingesteld op de invoer van bepaalde bereide of verduurzaamde suikermais in korrels van oorsprong uit Thailand voor nog eens vijf jaar, naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen (“het vorige nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen”). |
|
(8) |
Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/342 (10) heeft de Commissie het definitieve antidumpingrecht voor River Kwai International Food Industry Co. Ltd wederingesteld. |
|
(9) |
De momenteel geldende antidumpingrechten zijn ad-valoremrechten van 3,1 % tot 14,3 % voor invoer van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs, 12,9 % voor de niet in de steekproef opgenomen medewerkende ondernemingen en 14,3 % voor alle andere ondernemingen in Thailand. |
1.2. Verzoek om een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van maatregelen
|
(10) |
Na de bekendmaking van een bericht dat de maatregelen op korte termijn zouden komen te vervallen (11) heeft de Commissie een verzoek om een nieuw onderzoek overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening ontvangen. |
|
(11) |
Het verzoek om een nieuw onderzoek werd op 31 augustus 2024 ingediend door de “Association Européenne des Transformateurs de Maïs Doux (AETMD)” (“de indiener van het verzoek”) namens de bedrijfstak van de Unie voor bepaalde bereide of verduurzaamde suikermais in korrels in de zin van artikel 5, lid 4, van de basisverordening. Het verzoek om een nieuw onderzoek werd ingediend op grond dat het vervallen van de maatregelen waarschijnlijk zou leiden tot de voortzetting of herhaling van dumping en tot herhaling van schade voor de bedrijfstak van de Unie. |
1.3. Opening van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen
|
(12) |
Daar de Commissie, na raadpleging van het bij artikel 15, lid 1, van de basisverordening ingestelde comité had vastgesteld dat er voldoende bewijsmateriaal was om een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen te openen, heeft zij op 29 november 2024 op grond van artikel 11, lid 2, van de basisverordening een nieuw onderzoek geopend in verband met de invoer in de Unie van bepaalde bereide of verduurzaamde suikermais in korrels van oorsprong uit Thailand (“het betrokken land”). Zij heeft daartoe een bericht van opening gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (12) (“het bericht van opening”). |
1.4. Tijdvak van het nieuwe onderzoek en beoordelingsperiode
|
(13) |
Het onderzoek naar de waarschijnlijkheid van voortzetting of herhaling van dumping had betrekking op de periode van 1 oktober 2023 tot en met 30 september 2024 (“het tijdvak van het nieuwe onderzoek” of “het TNO”). Het onderzoek van de ontwikkelingen die relevant zijn voor de beoordeling van de waarschijnlijkheid van voortzetting of herhaling van schade had betrekking op de periode van 1 januari 2021 tot het einde van het tijdvak van het nieuwe onderzoek (“de beoordelingsperiode”). |
1.5. Belanghebbenden
|
(14) |
In het bericht van opening zijn de belanghebbenden uitgenodigd contact met de Commissie op te nemen om aan het onderzoek mee te werken. Daarnaast heeft de Commissie de indiener van het verzoek, andere haar bekende producenten in de Unie, de haar bekende producenten in Thailand, de autoriteiten in Thailand alsmede de haar bekende importeurs, gebruikers en handelaren specifiek in kennis gesteld van de opening van het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen en hen uitgenodigd mee te werken. |
|
(15) |
De belanghebbenden zijn in de gelegenheid gesteld hun opmerkingen over de opening van het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen kenbaar te maken en een hoorzitting met de Commissie en/of de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures aan te vragen. |
|
(16) |
Een Thaise onderneming, Malee Sampran Public Co. Ltd, heeft de Commissie laten weten dat zij de productie van het betrokken product heeft stopgezet. Nu de onderneming niet langer een producent-exporteur van het betrokken product is, heeft de Commissie haar geschrapt uit de lijst van niet in de steekproef opgenomen medewerkende ondernemingen. |
1.6. Steekproeven
|
(17) |
In het bericht van opening deelde de Commissie mee dat zij mogelijk een steekproef van de belanghebbenden zou samenstellen in overeenstemming met artikel 17 van de basisverordening. |
Steekproef van producenten in de Unie
|
(18) |
In het bericht van opening kondigde de Commissie aan dat zij een voorlopige steekproef van producenten in de Unie had samengesteld. De Commissie had de steekproef samengesteld op basis van het geraamde productie- en verkoopvolume van het soortgelijke product in de EU tijdens het onderzoektijdvak. Deze steekproef bestond uit twee producenten in de Unie. De in de steekproef opgenomen producenten in de Unie vertegenwoordigden meer dan [29-38] % van het geschatte totale productievolume en meer dan [39-48] % van het geschatte totale verkoopvolume in de Unie. De Commissie heeft de belanghebbenden uitgenodigd om opmerkingen over de voorlopige steekproef in te dienen. De Commissie heeft geen opmerkingen over de steekproef ontvangen. De steekproef van de bedrijfstak van de Unie werd derhalve bevestigd. |
Steekproef van importeurs
|
(19) |
Om te kunnen beslissen of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, deze te kunnen samenstellen, heeft de Commissie niet-verbonden importeurs verzocht de in het bericht van opening gevraagde informatie te verstrekken. |
|
(20) |
Geen enkele niet-verbonden importeur heeft de gevraagde informatie verstrekt of ermee ingestemd om in de steekproef te worden opgenomen. De Commissie heeft daarom besloten dat een steekproef niet noodzakelijk was. |
Steekproef van producenten in Thailand
|
(21) |
Om te beslissen of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, deze te kunnen samenstellen, heeft de Commissie alle haar bekende producenten in Thailand verzocht de in het bericht van opening gevraagde informatie te verstrekken. Bovendien heeft de Commissie de vertegenwoordiging van het Koninkrijk Thailand bij de Europese Unie gevraagd eventuele andere producenten die in deelname aan het onderzoek geïnteresseerd konden zijn, op te sporen en/of contact met hen op te nemen. |
|
(22) |
Zeven producenten uit het betrokken land hebben de verlangde informatie verstrekt en ermee ingestemd in de steekproef te worden opgenomen. De Commissie heeft twee ondernemingen verzocht om toelichting van inconsistenties in hun antwoorden in de steekproefformulieren. Deze twee ondernemingen hebben het verzoek om toelichting niet beantwoord. |
|
(23) |
Overeenkomstig artikel 17, lid 1, van de basisverordening heeft de Commissie een steekproef van twee ondernemingen geselecteerd, samengesteld op basis van het grootste representatieve volume van uitvoer naar de Unie dat binnen de beschikbare tijd redelijkerwijs kon worden onderzocht. Op basis van de gegevens die beschikbaar waren ten tijde van het steekproefbesluit, vertegenwoordigde de uitvoer naar de EU door de in de steekproef opgenomen ondernemingen bijna de volledige uitvoer naar de EU door alle medewerkende ondernemingen en meer dan 80 % van de totale uitvoer van het betrokken product naar de EU. Overeenkomstig artikel 17, lid 2, van de basisverordening zijn alle bekende betrokken producenten-exporteurs en de autoriteiten van het betrokken land geraadpleegd over de samenstelling van de steekproef. De Commissie heeft geen opmerkingen ontvangen. |
1.7. Antwoorden op de vragenlijst
|
(24) |
De Commissie heeft de producenten-exporteurs, de producenten in de Unie, de niet-verbonden importeurs en de gebruikers verzocht om de vragenlijsten in te vullen, die op de dag van de opening van het onderzoek op haar specifieke website (13) voor handelsbeschermingsinstrumenten beschikbaar waren gesteld. De belanghebbenden werd gevraagd hun standpunt bekend te maken, gestaafd met bewijsmateriaal en binnen de in het bericht tot inleiding vastgestelde termijn. |
|
(25) |
Er werden ingevulde vragenlijsten ontvangen van de twee in de steekproef opgenomen producenten, twee in de steekproef opgenomen producenten in de Unie en AETMD. |
1.8. Controle
|
(26) |
De Commissie heeft alle gegevens verzameld en gecontroleerd die zij nodig achtte om vast te stellen of voortzetting of herhaling van dumping en schade waarschijnlijk was, en om het belang van de Unie vast te stellen. Krachtens artikel 16 van de basisverordening zijn controlebezoeken verricht bij de volgende ondernemingen:
|
1.9. Vervolg van de procedure
|
(27) |
Op 20 november 2025 deelde de Commissie de belangrijkste feiten en overwegingen mee op basis waarvan zij voornemens was de geldende antidumpingrechten te handhaven. Alle belanghebbenden konden hierover binnen een bepaalde termijn na deze mededeling opmerkingen indienen. |
|
(28) |
De belanghebbenden hebben geen opmerkingen gemaakt en hebben geen hoorzitting aangevraagd. |
2. ONDERZOCHT PRODUCT, BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT
2.1. Onderzocht product
|
(29) |
Het product waarop dit nieuwe onderzoek betrekking heeft, is hetzelfde als dat waarom het ging in het oorspronkelijke onderzoek en in de vorige twee nieuwe onderzoeken in verband met het vervallen van maatregelen, namelijk suikermais (Zea mays var. saccharata) in korrels, bereid of verduurzaamd in azijn of azijnzuur, niet bevroren, en suikermais (Zea mays var. saccharata) in korrels, op andere wijze bereid dan in azijn of azijnzuur, niet bevroren, andere dan de producten bedoeld bij post 2006, momenteel ingedeeld onder CN codes ex 2001 90 30 (Taric-code 2001 90 30 10) en ex 2005 80 00 (Taric-code 2005 80 00 10) (“het onderzochte product”). |
|
(30) |
Suikermais is bestemd voor menselijke consumptie. Het product wordt doorgaans in blik aangeboden, maar ook in glazen potten, tetrapakken of zakjes. |
2.2. Betrokken product
|
(31) |
Het betrokken product in dit onderzoek is het onderzochte product van oorsprong uit Thailand (“het betrokken product”). |
2.3. Soortgelijk product
|
(32) |
Zoals vastgesteld in het oorspronkelijke onderzoek en in de vorige nieuwe onderzoeken in verband met het vervallen van de maatregelen, is in dit nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen bevestigd dat de volgende producten dezelfde fysische, chemische en technische basiskenmerken hebben en voor dezelfde basisdoeleinden worden gebruikt:
|
|
(33) |
Deze producten worden derhalve beschouwd als soortgelijke producten in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening. |
2.4. Opmerkingen over de opening van het onderzoek
|
(34) |
Na de opening van het nieuwe onderzoek stelde het ministerie van Handel, afdeling Buitenlandse Handel, van het Koninkrijk Thailand dat een nieuw onderzoek niet gerechtvaardigd was. Het ministerie stelde dat de invoer vanuit Thailand minimaal was in vergelijking met die uit een ander belangrijk land van uitvoer en dat de invoer in de beoordelingsperiode was afgenomen. Het voerde tevens aan dat de gemiddelde invoerprijzen van dat andere land aanzienlijk lager waren dan die van Thailand. Het ministerie verwees naar artikel 11.3 van de antidumpingovereenkomst van de WTO ter ondersteuning van zijn stelling dat niet was voldaan aan de voorwaarden voor de opening van een nieuw onderzoek omdat er geen bewijs zou zijn van voortzetting van dumping en schade. |
|
(35) |
De Commissie heeft deze argumenten ongegrond bevonden. Het verzoek om een nieuw onderzoek bevatte voldoende bewijsmateriaal om het onderzoek te openen. De Commissie bracht in herinnering dat op grond van artikel 11.3 van de antidumpingovereenkomst van de WTO en artikel 11, lid 2, van de basisverordening, bewijs van voortzetting van dumping geen vereiste is om een nieuw onderzoek te openen, en dat de waarschijnlijkheid van herhaling van dumping toereikend is. De door het ministerie aangevoerde argumenten met betrekking tot de invoervolumes en prijsverschillen ontkrachtten het door de indiener van het verzoek voorgelegde bewijsmateriaal niet en voldeden evenmin aan de wettelijke drempel die de opening van een nieuw onderzoek belet. |
3. DUMPING
3.1. Inleidende opmerkingen
|
(36) |
In het tijdvak van het nieuwe onderzoek werd de invoer van bepaalde bereide of verduurzaamde suikermais in korrels uit Thailand voortgezet, zij het in kleinere hoeveelheden dan in het tijdvak van het oorspronkelijke onderzoek (van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005). Volgens de Comext-databank van Eurostat was het marktaandeel van de invoer van suikermais uit Thailand goed voor ongeveer 1,3 % van de markt van de Unie in het tijdvak van het nieuwe onderzoek, vergeleken met 12,7 % tijdens het oorspronkelijke onderzoek, 6 % tijdens het eerste nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen en 3,9 % tijdens het vorige nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen. In absolute zin bedroeg de invoer uit Thailand in het tijdvak van het nieuwe onderzoek 3 638 ton. Dit volgde op een daling van de invoer van 41 973 ton in het oorspronkelijke onderzoek tot 21 856 ton gedurende het eerste nieuwe onderzoek bij het vervallen van maatregelen en een verdere daling tot 13 343 ton in het vorige nieuwe onderzoek bij het vervallen van maatregelen. |
3.2. Normale waarde
|
(37) |
Eerst heeft de Commissie onderzocht of de totale binnenlandse verkoop van iedere in de steekproef opgenomen producent-exporteur representatief was in de zin van artikel 2, lid 2, van de basisverordening. De binnenlandse verkoop is representatief als het totale volume van de binnenlandse verkoop van het soortgelijke product aan onafhankelijke afnemers op de binnenlandse markt per producent-exporteur tijdens het onderzoektijdvak ten minste 5 % bedroeg van het totale volume van zijn uitvoer van het onderzochte product naar de Unie. Op basis hiervan was de totale verkoop op de binnenlandse markt van het soortgelijke product door elke in de steekproef opgenomen producent-exporteur representatief. |
|
(38) |
Vervolgens is de Commissie voor de producenten-exporteurs met een representatieve binnenlandse verkoop nagegaan welke productsoorten die op de binnenlandse markt werden verkocht, identiek waren aan of vergelijkbaar waren met de naar de Unie uitgevoerde productsoorten. |
|
(39) |
Daarna heeft de Commissie onderzocht of de binnenlandse verkoop door iedere in de steekproef opgenomen producent-exporteur op zijn binnenlandse markt voor elke productsoort die identiek is aan of vergelijkbaar is met een productsoort die wordt uitgevoerd naar de Unie, representatief was in de zin van artikel 2, lid 2, van de basisverordening. De binnenlandse verkoop van een productsoort is representatief als de totale binnenlandse verkoop van die productsoort aan onafhankelijke afnemers in het tijdvak van het nieuwe onderzoek ten minste 5 % bedraagt van de totale verkoop ten uitvoer van de identieke of vergelijkbare productsoort naar de Unie. De Commissie stelde vast dat de binnenlandse verkoop van bepaalde productsoorten niet representatief was voor de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs. |
|
(40) |
Verder heeft de Commissie overeenkomstig artikel 2, lid 4, van de basisverordening voor elke productsoort het aandeel van de winstgevende verkoop aan onafhankelijke afnemers op de binnenlandse markt in het tijdvak van het nieuwe onderzoek bepaald om uit te maken of zij de werkelijke binnenlandse verkoop kon gebruiken voor de berekening van de normale waarde. |
|
(41) |
De normale waarde wordt gebaseerd op de werkelijke binnenlandse prijs per productsoort, ongeacht of die verkoop winstgevend is, indien:
|
|
(42) |
In dit geval is de normale waarde het gewogen gemiddelde van de prijzen van alle binnenlandse verkopen van die productsoort in het tijdvak van het nieuwe onderzoek. |
|
(43) |
De normale waarde is gelijk aan de werkelijke binnenlandse prijs per productsoort van uitsluitend de winstgevende binnenlandse verkopen van de productsoorten tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek indien:
|
|
(44) |
Uit de analyse van de binnenlandse verkoop bleek dat, afhankelijk van de productsoort en de producent-exporteur, tussen 50 % en 100 % van alle binnenlandse verkopen winstgevend was en dat de gewogen gemiddelde verkoopprijs hoger was dan de productiekosten. Dienovereenkomstig werd de normale waarde berekend als het gewogen gemiddelde van de prijzen van de totale binnenlandse verkoop in het tijdvak van het nieuwe onderzoek of als een gewogen gemiddelde van uitsluitend de winstgevende verkoop. |
|
(45) |
Voor een productsoort van het soortgelijke product waarvan in het kader van normale handelstransacties onvoldoende hoeveelheden werden verkocht of voor een productsoort waarvan op de binnenlandse markt geen representatieve hoeveelheden werden verkocht, heeft de Commissie de normale waarde berekend overeenkomstig artikel 2, leden 3 en 6, van de basisverordening. Voor productsoorten van het soortgelijke product waarvan geen binnenlandse verkoop had plaatsgevonden, keek de Commissie of er alternatieve bronnen voor prijzen in het kader van normale handelstransacties beschikbaar waren. Aangezien er bij de andere in de steekproef opgenomen producent geen binnenlandse verkoop had plaatsgevonden of de binnenlandse verkoopprijs van de andere in de steekproef opgenomen producent voor die productsoort niet op zinvolle wijze kon worden bekendgemaakt zonder afbreuk te doen aan de vertrouwelijkheid van de gegevens van die producent, en aangezien er geen andere bronnen voor de prijzen van de desbetreffende productsoorten beschikbaar waren, stelde de Commissie de normale waarde vast overeenkomstig artikel 2, leden 3 en 6, van de basisverordening. |
|
(46) |
De normale waarde werd door berekening vastgesteld door de gemiddelde productiekosten van het soortgelijke product van de in de steekproef opgenomen meewerkende producenten-exporteurs in het tijdvak van het nieuwe onderzoek te vermeerderen met:
|
|
(47) |
Voor de productsoorten waarvan de op de binnenlandse markt verkochte hoeveelheden niet representatief waren, zijn de gemiddelde VAA-kosten en de gemiddelde winst op transacties in het kader van normale handelstransacties op de binnenlandse markt bijgeteld. Voor productsoorten die in het geheel niet waren verkocht op de binnenlandse markt, zijn de gewogen gemiddelde VAA-kosten en de winst op alle transacties in het kader van normale handelstransacties op de binnenlandse markt bijgeteld. |
3.3. Uitvoerprijs
|
(48) |
De uitvoer naar de Unie door de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs vond rechtstreeks naar onafhankelijke afnemers plaats. |
|
(49) |
Daarom was de uitvoerprijs de werkelijk betaalde of te betalen prijs van het onderzochte product dat met het oog op uitvoer naar de Unie werd verkocht, overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening. |
3.4. Vergelijking
|
(50) |
De Commissie moet overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening een billijke vergelijking tussen de normale waarde en de prijs bij uitvoer in hetzelfde handelsstadium maken en correcties toepassen om rekening te houden met verschillen die van invloed waren op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen. In het onderhavige geval heeft de Commissie ervoor gekozen de normale waarde en de uitvoerprijs van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs te vergelijken in het handelsstadium af fabriek. Zoals hieronder verder wordt toegelicht, werden de normale waarde en de uitvoerprijs waar nodig aangepast om: i) deze terug te rekenen tot het stadium af fabriek, en ii) correcties toe te passen voor verschillen tussen factoren waarvan werd beweerd en aangetoond dat zij van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen. |
3.4.1. Correcties van de normale waarde
|
(51) |
Voor de verkoop van productsoorten waarvoor de normale waarde is vastgesteld, werd, zoals uiteengezet in overweging 46, de normale waarde in het handelsstadium af fabriek vastgesteld door gebruik te maken van de productiekosten, samen met de bedragen voor de VAA-kosten en de winst, die voor dat handelsstadium redelijk werden geacht. Daarom waren er geen correcties nodig om de normale waarde terug te rekenen tot het stadium af fabriek. |
|
(52) |
Voor de verkoop van productsoorten waarvoor in het kader van normale handelstransacties verkoop had plaatsgevonden, zijn er correcties voor vervoerskosten toegepast om de normale waarde terug te rekenen tot het handelsstadium af fabriek. Bovendien zijn er correcties toegepast voor bankkosten en provisies. De Commissie zag verder geen redenen om nog meer correcties op de normale waarde toe te passen. |
3.4.2. Correcties van de uitvoerprijs
|
(53) |
Om de uitvoerprijs terug te rekenen tot het handelsstadium af fabriek, zijn er correcties toegepast voor vervoer, verzekering, laden en lossen en aanverwante kosten. |
|
(54) |
Bovendien zijn er correcties toegepast voor de volgende factoren die van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen: kredietkosten, bankkosten en provisies. |
3.5. Dumpingmarges
|
(55) |
Voor de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs heeft de Commissie de gewogen gemiddelde normale waarde van elke soort van het soortgelijke product vergeleken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs van de overeenkomstige soort van het onderzochte product, zoals bepaald in artikel 2, leden 11 en 12, van de basisverordening. |
|
(56) |
Hieruit bleek dat de gewogen gemiddelde dumpingmarges, uitgedrukt in procenten van de cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring, voor de in de steekproef opgenomen producenten 4 % tot 5,7 % bedroegen. Bijgevolg werd geconcludeerd dat de dumping in het tijdvak van het nieuwe onderzoek werd voortgezet. |
4. WAARSCHIJNLIJKHEID VAN VOORTZETTING VAN DUMPING
|
(57) |
Na te hebben vastgesteld dat in het tijdvak van het nieuwe onderzoek sprake was van dumping, is de Commissie, in overeenstemming met artikel 11, lid 2, van de basisverordening, nagegaan hoe waarschijnlijk voortzetting van dumping is indien de maatregelen zouden worden ingetrokken. De volgende bijkomende elementen zijn onderzocht met betrekking tot de waarschijnlijke ontwikkeling van de uitvoer indien de maatregelen worden ingetrokken: de productiecapaciteit en reservecapaciteit in Thailand en de aantrekkelijkheid van de markt van de Unie. |
4.1. Productiecapaciteit en reservecapaciteit in Thailand
|
(58) |
De bij de Commissie beschikbare informatie over productie- en reservecapaciteit bestaat uit de gegevens die de vijf medewerkende Thaise producenten-exporteurs hebben overgelegd en beschikbaar gesteld, waaronder twee in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs die gedetailleerd antwoord hebben gegeven op de vragenlijst. Na aanmaningen tot het verstrekken van ontbrekende gegevens en controlebezoeken hebben de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs de informatie over hun werkelijke productie en productiecapaciteit herzien. |
|
(59) |
Op basis van de gecontroleerde gegevens voor de twee in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs en de steekproefformulieren van de andere drie, bedroeg de productiecapaciteit van deze vijf medewerkende producenten-exporteurs tenminste 180 000 ton van het onderzochte product in het tijdvak van het nieuwe onderzoek. Bijna 50 % daarvan werd niet gebruikt, wat 32 % vertegenwoordigde van het totale verbruik in de Unie van het onderzochte product in het tijdvak van het nieuwe onderzoek. Aangezien deze producenten goed waren voor ongeveer 40 % van de totale productie van alle Thaise producenten volgens de schatting in het verzoek om een nieuw onderzoek (240 000 ton) (14), lag de reservecapaciteit in Thailand vermoedelijk ruimschoots boven 32 % van het verbruik in de Unie tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek. |
|
(60) |
De Commissie kwam derhalve tot de conclusie dat de Thaise producenten van suikermais uitgebreide reservecapaciteit beschikbaar hebben om de uitvoer naar de markt in de Unie te vergroten, mochten de huidige antidumpingmaatregelen komen te vervallen. |
4.2. Aantrekkelijkheid van de markt van de Unie
|
(61) |
Ondanks de geldende antidumpingrechten exporteerde Thailand in het tijdvak van het nieuwe onderzoek nog steeds naar de Unie, met een marktaandeel van 1,3 %, waaruit blijkt dat de markt van de Unie nog steeds een aantrekkelijke markt en een aantrekkelijke uitvoerbestemming is. |
|
(62) |
Zonder de bestaande antidumpingrechten zou de invoer van de twee in de steekproef opgenomen Thaise ondernemingen de prijzen van de bedrijfstak van de Unie onderbieden met 37,7 %, zoals aangegeven in overweging 134. Beide Thaise ondernemingen hadden in het tijdvak van het nieuwe onderzoek een aanzienlijke uitvoer naar andere derde landen en de gemiddelde uitvoerprijs van de productsoort die het meest werd uitgevoerd naar de EU was hoger dan de gemiddelde prijs voor dezelfde productsoort die verkocht werd aan andere landen. Uit deze feiten blijkt dat de markt van de Unie qua prijs aantrekkelijk is voor Thaise producenten, omdat deze markt betere prijzen biedt voor hun producten dan andere markten, en deze prijzen die van de bedrijfstak van de Unie waarschijnlijk nog steeds zouden onderbieden. Daarom is het waarschijnlijk dat als de maatregelen zouden komen te vervallen, een deel van die uitvoer naar derde landen zal worden verlegd naar de Unie. |
|
(63) |
Als de maatregelen komen te vervallen, zal de invoer uit Thailand in de Unie dus waarschijnlijk toenemen en tegen dumpingprijzen op de markt van de Unie worden gebracht. |
4.3. Conclusie betreffende de waarschijnlijkheid van voortzetting van dumping
|
(64) |
Op basis van haar bevindingen met betrekking tot de voortzetting van dumping in het tijdvak van het nieuwe onderzoek, zoals vastgesteld in de overwegingen 36 tot en met 56, en tot de waarschijnlijke ontwikkeling van de uitvoer indien de maatregelen zouden vervallen, zoals uiteengezet in de overwegingen 57 tot en met 63, heeft de Commissie geconcludeerd dat het zeer waarschijnlijk is dat het vervallen van de antidumpingmaatregelen ten aanzien van de invoer uit Thailand tot voortzetting van de dumping zal leiden. |
5. SCHADE
5.1. Meeteenheid
|
(65) |
De invoerstatistieken worden in Eurostat (Comext) gerapporteerd als het nettogewicht, dat het gewicht van de suikermaiskorrels en de vloeistof weergeeft. Bijgevolg wordt het nettogewicht tijdens dit onderzoek als meeteenheid gebruikt. |
5.2. Omschrijving van de bedrijfstak van de Unie en de productie in de Unie
|
(66) |
Het soortgelijke product werd tijdens het onderzoektijdvak vervaardigd door elf producenten en producentengroeperingen in de Unie. Zij vormen de “bedrijfstak van de Unie” in de zin van artikel 4, lid 1, van de basisverordening. |
|
(67) |
De totale productie in de Unie tijdens het onderzoektijdvak werd vastgesteld op ongeveer 259 400 ton. De Commissie heeft dit cijfer gebaseerd op alle informatie die over de bedrijfstak van de Unie beschikbaar was, zoals rechtstreekse informatie van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie en van de producenten in de Unie die het verzoek ondersteunen. Zoals vermeld in overweging 18 vertegenwoordigden de twee in de steekproef opgenomen producenten in de Unie meer dan [29-38] % van de totale productie van het soortgelijke product in de Unie. |
5.3. Verbruik in de Unie
|
(68) |
Het verbruik in de Unie werd vastgesteld op basis van i) invoerstatistieken van Eurostat, en ii) verkoopvolumes van de bedrijfstak van de Unie in de Unie zoals opgegeven door de indiener van het verzoek. |
|
(69) |
Het verbruik in de Unie heeft zich als volgt ontwikkeld: Tabel 1 Verbruik in de Unie
|
||||||||||||||||||||||
|
(70) |
Het totale verbruik in de Unie steeg is gestegen met 3 %, van 299 021 ton in 2021 tot 307 619 ton in 2022. Van 2022 tot 2023 daalde het verbruik met 4 procentpunten tot 295 208 ton. Tot het einde van het onderzoektijdvak daalde het verbruik verder met 8 procentpunten tot 272 245 ton. |
5.4. Invoer uit het betrokken land
5.4.1. Volume en marktaandeel van de invoer uit het betrokken land
|
(71) |
De Commissie heeft de omvang en het marktaandeel van de invoer vastgesteld op basis van gegevens van Eurostat (Comext). |
|
(72) |
De invoer in de Unie uit het betrokken land heeft zich als volgt ontwikkeld: Tabel 2 Invoervolume en marktaandeel
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(73) |
De omvang van de invoer uit Thailand daalde in de beoordelingsperiode van 4 345 ton in 2021 tot 3 638 ton in het tijdvak van het nieuwe onderzoek. Deze trend kwam ook tot uiting in het marktaandeel, dat in dezelfde periode afnam van 1,5 % tot 1,3 %. |
5.4.2. Prijzen van de invoer uit het betrokken land en prijsonderbieding
|
(74) |
De Commissie heeft de prijzen van de invoer vastgesteld op basis van de in de statistieken van Eurostat (Comext) vermelde EUR per ton (nettogewicht). De prijsonderbieding van de invoer werd vastgesteld op basis van de gecontroleerde antwoorden van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs en producenten in de Unie op de vragenlijst. |
|
(75) |
De gemiddelde prijs van de invoer in de Unie uit het betrokken land heeft zich als volgt ontwikkeld: Tabel 3 Invoerprijzen
|
||||||||||||||||||||||
|
(76) |
De gemiddelde prijs van de invoer uit Thailand steeg tussen 2021 en 2022 met 25 % van 1 115 EUR per ton tot 1 392 EUR per ton. Deze prijzen zijn echter in 2023 met 19 procentpunten gedaald. In het onderzoektijdvak stegen de prijzen weer met 7 procentpunt tot 1 264 EUR per ton. Tijdens de beoordelingsperiode bleven de invoerprijzen in het algemeen lager dan de prijzen van de Unie, zoals blijkt uit tabel 8. |
|
(77) |
De Commissie heeft de prijsonderbieding tijdens het onderzoektijdvak vastgesteld aan de hand van een vergelijking van:
|
|
(78) |
De prijzen werden vergeleken per productsoort voor transacties in hetzelfde handelsstadium, zo nodig na correctie, en met aftrek van kortingen en rabatten. Het resultaat van de vergelijking werd uitgedrukt als een percentage van de theoretische omzet in het onderzoektijdvak van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie. Daaruit bleek een aanzienlijke prijsonderbiedingsmarge tussen 29,8 % en 33,2 % voor de invoer uit het betrokken land op de markt van de Unie. |
5.5. Invoer uit andere derde landen dan Thailand
|
(79) |
De invoer van suikermais uit andere derde landen dan Thailand was voornamelijk afkomstig uit de Volksrepubliek China (“VRC”). |
|
(80) |
Het (geaggregeerde) volume van de invoer in de Unie alsmede het marktaandeel en de prijsontwikkelingen van de invoer van suikermais uit andere derde landen hebben zich als volgt ontwikkeld: Tabel 4 Invoer uit derde landen
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(81) |
De invoer uit de VRC steeg aanzienlijk van 6 484 ton in 2021 tot 46 631 ton in 2023. Tijdens het TNO daalde het volume van de invoer licht tot 40 052 ton. |
|
(82) |
Deze trend kwam ook tot uiting in het marktaandeel, dat toenam van 2 % in 2021 tot 16 % in 2023, gevolgd door een lichte daling tot 15 % in het TNO. |
|
(83) |
De gemiddelde prijs van de invoer uit de VRC steeg van 1 164 EUR in 2021 tot 1 570 EUR in 2022, daalde vervolgens in 2023 en in het TNO, waarin de gemiddelde prijs per ton daalde tot 1 192 EUR/ton. In de beoordelingsperiode bleef het prijsniveau voortdurend onder het prijsniveau en de eenheidskosten voor verkochte producten van de bedrijfstak van de Unie. |
|
(84) |
De Commissie was van oordeel dat de invoer uit andere derde landen gedurende de hele beoordelingsperiode aanzienlijk toenam. Het marktaandeel van alle andere derde landen daalde van 3 % in 2021 tot 16 % in het tijdvak van het nieuwe onderzoek. Zoals vermeld in overweging (81), kan deze toename volledig worden toegeschreven aan de invoer uit de VRC, aangezien de omvang van de invoer uit andere derde landen met uitzondering van de VRC en Thailand over het algemeen zeer gering bleef. De gemiddelde prijs van de invoer uit de VRC lag gedurende de hele beoordelingsperiode onder het prijsniveau van de bedrijfstak van de Unie. |
5.6. Economische situatie van de bedrijfstak van de Unie
5.6.1. Algemene opmerkingen
|
(85) |
De beoordeling van de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie omvatte een evaluatie van alle economische indicatoren die in de beoordelingsperiode van invloed waren op de situatie van de bedrijfstak van de Unie. |
|
(86) |
Zoals vermeld in overweging 18 is voor de beoordeling van de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie gebruikgemaakt van een steekproef. |
|
(87) |
Voor de schadevaststelling heeft de Commissie onderscheid gemaakt tussen macro-economische en micro-economische schade-indicatoren. De Commissie heeft de macro-economische indicatoren beoordeeld op basis van de gegevens in het gecontroleerde antwoord van de indiener van het verzoek op de vragenlijst dat gegevens bevat over alle producenten in de Unie. De Commissie heeft de micro-economische indicatoren beoordeeld op basis van de gegevens die de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie in de antwoorden op de vragenlijst hadden verstrekt. Beide gegevensreeksen werden representatief geacht voor de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie. |
|
(88) |
De macro-economische indicatoren zijn: productie, productiecapaciteit, bezettingsgraad, verkoopvolume, marktaandeel, groei, werkgelegenheid, productiviteit, hoogte van de dumpingmarge en herstel van eerdere dumping. |
|
(89) |
De micro-economische indicatoren zijn: gemiddelde prijzen per eenheid, kosten per eenheid, loonkosten, voorraden, winstgevendheid, kasstroom, investeringen, rendement van investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken. |
5.6.2. Macro-economische indicatoren
5.6.2.1.
|
(90) |
De totale productie in de Unie, de productiecapaciteit en de bezettingsgraad in de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 5 Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(91) |
Het productievolume daalde tussen 2021 en 2022 met 13 % van ongeveer 368 786 ton tot 319 410 ton. Deze ontwikkeling kan worden gekoppeld aan de slechte suikermaisoogst van 2022 als gevolg van droogte in 2022, die resulteerde in lagere productievolumes. In 2023 steeg het productievolume met 15 procentpunten tot 375 541 ton, hetgeen een herstel betekende na de slechte oogst in de Unie in 2022. In het onderzoektijdvak daalde het productievolume echter opnieuw aanzienlijk met 11 procentpunten tot 333 973 ton, wat samenviel met de toename van de invoer uit de VRC, zoals vastgesteld in de verordening tot instelling van voorlopige maatregelen ten aanzien van de VRC (15). Tijdens de beoordelingsperiode is het productievolume in totaal met 9 % gedaald. |
|
(92) |
De productiecapaciteit van de bedrijfstak van de Unie nam in de beoordelingsperiode gestaag toe met 8 %, wat de investeringen weerspiegelde waartoe werd besloten vóór de toename van de invoer uit de VRC. In de periode 2021-2022 steeg de capaciteit met 3 %, gevolgd door een verdere toename met 3 procentpunten in 2022 en 2 extra procentpunten tijdens het onderzoektijdvak. |
|
(93) |
De bezettingsgraad volgde de trend van het productievolume. In de periode van 2021 tot en met 2022 daalde deze van 85 % naar 71 %, gevolgd door een stijging tot 81 %. In het onderzoektijdvak daalde de bezettingsgraad opnieuw tot 71 %. |
5.6.2.2.
|
(94) |
Het verkoopvolume en het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 6 Verkoopvolume en marktaandeel
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(95) |
Gedurende de beoordelingsperiode daalde het verkoopvolume in de Unie aanzienlijk met 21 %. Tussen 2021 en 2022 daalde het verkoopvolume met 2 % van 284 883 ton tot 279 277 ton. In 2023 daalde de verkoop sterk met 13 procentpunten tot 241 039 ton. In het tijdvak van het nieuwe onderzoek daalde de verkoop met nog eens 6 procentpunten tot 225 854 ton. |
|
(96) |
Het marktaandeel van de verkoop in de Unie daalde van 95 % in 2021 tot 91 % in 2022, wat neerkomt op een daling van 4 procentpunten. In 2023 daalde het marktaandeel aanzienlijk tot 82 %, gevolgd door een lichte stijging tot 83 % in het tijdvak van het nieuwe onderzoek. |
|
(97) |
De daling van het verkoopvolume in 2022 kan deels worden gekoppeld aan de slechte oogst zoals hierboven aangegeven in overweging 91 en het verminderde productievolume zoals vermeld in tabel 5. De belangrijkste daling van het verkoopvolume in de Unie in 2023 en in het tijdvak van het nieuwe onderzoek was echter te wijten aan de marktpenetratie van de invoer uit de VRC, zoals uiteengezet in de verordening tot instelling van voorlopige maatregelen ten aanzien van de VRC. |
|
(98) |
De ontwikkeling van het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie in de beoordelingsperiode werd bepaald door dezelfde factoren. Het forse verlies aan marktaandeel in 2023 viel samen met de snelle toename van de invoer uit de VRC in de markt van de Unie. |
5.6.2.3.
|
(99) |
In de beoordelingsperiode verloor de bedrijfstak van de Unie 12 procentpunten aan marktaandeel, terwijl het verkoopvolume aanzienlijk daalde met 21 %. Het belangrijkste verlies aan marktaandeel kan worden toegeschreven aan de invoer uit de VRC, aangezien dat samenviel met een toegenomen marktaandeel van de VRC, dat in de beoordelingsperiode aanzienlijk steeg van 2 % naar 15 % en de daling van het verbruik in de Unie met 9 % overtrof. De bedrijfstak van de Unie heeft derhalve, ondanks de uitbreiding van de productiecapaciteit, geen groei doorgemaakt in termen van productie- en verkoopvolumes. |
5.6.2.4.
|
(100) |
De werkgelegenheid en de productiviteit hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 7 Werkgelegenheid en productiviteit
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(101) |
De werkgelegenheid in de bedrijfstak van de Unie is in het onderzoektijdvak met 5 % gedaald, van ongeveer 3 460 voltijdse werknemers (“vte’s”) in 2021 tot 3 456 vte’s. Deze ontwikkeling volgt grotendeels de trend van de productiecapaciteit zoals weergegeven in tabel 5. |
|
(102) |
Aangezien de cijfers voor de productie en de werkgelegenheid nauw met elkaar verbonden zijn, is de productiviteit in termen van ton per werknemer in overeenstemming met de ontwikkeling van het productievolume zoals weergegeven in tabel 5. |
5.6.2.5.
|
(103) |
De tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek vastgestelde dumpingmarges in verband met invoer uit Thailand lagen allemaal boven de de-minimisdrempel. Tegelijkertijd was de invoer uit Thailand in het tijdvak van het nieuwe onderzoek relatief gering, namelijk slechts 1,3 % van het verbruik in de Unie. De gevolgen van de omvang van de werkelijke dumpingmarges voor de bedrijfstak van de Unie waren derhalve vrij beperkt. |
|
(104) |
De bedrijfstak van de Unie toonde in 2021 tekenen van herstel van de eerdere gevolgen van invoer met dumping uit Thailand, maar de economische situatie werd beïnvloed door de invoer met dumping uit de VRC, zoals uiteengezet in overweging (99). |
5.6.3. Micro-economische indicatoren
5.6.3.1.
|
(105) |
De gewogen gemiddelde verkoopprijs per eenheid van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie voor verkoop aan niet-verbonden afnemers in de Unie heeft zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 8 Verkoopprijzen en productiekosten in de Unie
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(106) |
De gemiddelde verkoopprijs aan niet-verbonden afnemers in de Unie steeg in de beoordelingsperiode met 42 %. De gemiddelde verkoopprijs van de bedrijfstak van de Unie nam tussen 2021 en 2022 met 13 % toe van [1 302-2 028] EUR/ton tot [1 473-2 294] EUR/ton. De gemiddelde verkoopprijs steeg in 2023 met nog eens 22 procentpunten tot [1 754-2 732] EUR/ton. In het tijdvak van het nieuwe onderzoek steeg de gemiddelde verkoopprijs verder met 7 procentpunten tot [1 843-2 870] EUR/ton. |
|
(107) |
De gemiddelde eenheidskosten van de verkochte goederen zijn tussen 2021 en 2022 met 15 % gestegen van [1 146-1 784] EUR/ton tot [1 323-2 059] EUR/ton. In 2023 stegen de kosten verder tot [1 590-2 476] EUR/ton, wat neerkomt op een extra stijging met 24 procentpunten ten opzichte van 2022. In het tijdvak van het nieuwe onderzoek stegen de gemiddelde eenheidskosten per ton met 5 procentpunten tot [1 655-2 577] EUR/ton. Bijgevolg bleven de gemiddelde prijzen van de invoer uit Thailand tijdens de in overweging 76 beschreven beoordelingsperiode consequent onder de gemiddelde eenheidskosten van de verkochte goederen. |
5.6.3.2.
|
(108) |
De gemiddelde loonkosten van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 9 Gemiddelde loonkosten per werknemer
|
||||||||||||||||||||||
|
(109) |
De gemiddelde loonkosten per werknemer stegen in 2022 met 15 %, gevolgd door een daling van 13 % in 2023. In het tijdvak van het nieuwe onderzoek zijn de gemiddelde loonkosten per werknemer met 12 % gestegen. De stijging van de gemiddelde loonkosten was gekoppeld aan de door de inflatie veroorzaakte stijging van de minimumlonen. |
5.6.3.3.
|
(110) |
De voorraden van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 10 Voorraden
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(111) |
Tussen 2021 en 2022 is de eindvoorraad van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie met 4 % gedaald van [72 917-113 542] tot [70 300-109 467] ton. In 2023 nam de eindvoorraad echter aanzienlijk toe met 27 procentpunten [89 648-139 596] ton, met een nog grotere toename van nog eens 32 procentpunten vergeleken met 2021 [112 712-175 509] ton. |
|
(112) |
Het verminderde voorraadniveau in 2022 kan worden gekoppeld aan de slechte oogst in de Unie. Hoewel de stijging van de voorraden aan het einde van het kalenderjaar in verband kan worden gebracht met een seizoensgebonden effect, was de aanzienlijke stijging van de voorraden in 2023 en het TNO een duidelijk gevolg van de stijging van de invoer met dumping uit de VRC, wat erop wijst dat de producenten in de Unie hun producten niet konden verkopen, zoals vastgesteld in de verordening tot instelling van voorlopige maatregelen ten aanzien van de VRC. |
5.6.3.4.
|
(113) |
De winstgevendheid, de kasstroom, de investeringen en het rendement van de investeringen van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 11 Winstgevendheid, kasstroom, investeringen en rendement van investeringen
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(114) |
De Commissie heeft de winstgevendheid van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie vastgesteld door de nettowinst vóór belastingen op de verkoop van het soortgelijke product aan niet-verbonden afnemers in de Unie uit te drukken als een percentage van de aldus gerealiseerde omzet. |
|
(115) |
De winstgevendheid daalde in de beoordelingsperiode met 15 %. |
|
(116) |
Hoewel de bedrijfstak van de Unie in de beoordelingsperiode nog steeds winstgevend was, bleef deze voortdurend achter op de streefwinst van 14 %. De ontwikkeling van de winstgevendheid moet worden beschouwd in het licht van de aanzienlijke daling van de verkoopvolumes, de verminderde productie, de bezettingsgraad en de werkgelegenheid, alsmede de aanzienlijke toename van de voorraden. In wezen wist de bedrijfstak van de Unie winstgevend te blijven, maar ten koste van haar verkoopvolumes. |
|
(117) |
De nettokasstroom is het vermogen van de producenten in de Unie om hun activiteiten zelf te financieren. Tussen 2021 en 2022 is de kasstroom drastisch gedaald met 184 %, en in 2023 daalde de kasstroom verder met 225 procentpunten. In het tijdvak van het nieuwe onderzoek is de kasstroom nagenoeg hersteld tot hetzelfde niveau als in 2021. |
|
(118) |
De in de steekproef opgenomen producenten in de Unie zijn in de beoordelingsperiode bleven investeren, zoals blijkt uit de bovenstaande investeringscijfers. De investeringen zijn gestegen met 84 % van [5 084 019-7 916 544] EUR in 2021 tot [9 363 438-14 580 211] EUR in 2022. In 2023 stegen de investeringen met 96 % tot [14 746 664-22 962 663] EUR. In het tijdvak van het nieuwe onderzoek zijn de investeringen toegenomen met 38 % tot [12 310 955-19 169 915] EUR. Er zijn investeringen gedaan voor de uitbreiding van de productiecapaciteit zoals beschreven in overweging 92 en voor de vervanging van apparatuur. De bedrijfstak is over het algemeen zeer kapitaalintensief en vereist grote investeringen in productiefaciliteiten. De bedrijfstak van de Unie was in staat het nodige kapitaal aan te trekken. |
|
(119) |
Het rendement van investeringen is de winst uitgedrukt als percentage van de nettoboekwaarde van de investeringen. Tussen 2021 en 2022 daalde het met 12 % van [17-27] % tot [15-23] %. In 2023 daalde het rendement van investeringen verder met 9 % tot [14-21] %. Tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek vertoonde het rendement van investeringen een verdere daling met 3 % tot [13-20] %. |
5.7. Conclusie over schade
|
(120) |
De invoer op de markt van de Unie werd in de beoordelingsperiode beheerst door die uit de VRC, terwijl de invoer uit Thailand op een relatief laag niveau lag. De invoer uit de VRC steeg van 6 484 ton in 2021 tot 40 052 ton in het tijdvak van het nieuwe onderzoek, zoals blijkt uit tabel 4. Het marktaandeel van deze invoer steeg van 2 % in 2021 tot 15 % in het tijdvak van het nieuwe onderzoek. Er is vastgesteld dat deze invoer plaatsvond tegen dumpingprijzen (16). De invoer uit Thailand bleef daarentegen in de beoordelingsperiode op een algemeen laag niveau en daalde in die periode van 1,5 % tot 1,3 %, zoals blijkt uit tabel 2. |
|
(121) |
De verslechtering van de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie vond plaats op een markt met een dalende vraag. In de beoordelingsperiode daalde het verbruik met 9 %, maar het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie daalde van 95 % in 2021 tot 83 % in de beoordelingsperiode. Dit was voornamelijk te wijten aan de prijsdruk als gevolg van de invoer uit de VRC, met een aanzienlijke prijsonderbieding en in ieder geval met verhindering van een prijsverhoging, aangezien de invoer uit de VRC voortdurend onder de gemiddelde eenheidskosten van de verkochte goederen lag. Deze verhindering van een prijsverhoging belette de bedrijfstak van de Unie om zijn verkoopprijzen volledig aan te passen aan de hogere kosten, wat resulteerde in een dalende winstgevendheid die in de beoordelingsperiode voortdurend onder de streefwinst bleef, gecombineerd met een aanzienlijke daling van het verkoopvolume. |
|
(122) |
De ontwikkeling van de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie in de beoordelingsperiode vertoonde een positieve trend met een stijging van 42 %, maar dit woog niet op tegen de aanzienlijke stijging van de kosten. |
|
(123) |
De meeste indicatoren lieten een negatieve trend zien, met een daling van verkoopvolumes, productievolumes, bezettingsgraad, winstgevendheid en kasstroom. De prijzen van de invoer uit Thailand lagen voortdurend onder het niveau van de gemiddelde verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie en de gemiddelde eenheidskosten van de verkochte goederen, maar het volume was over het algemeen zeer gering. |
|
(124) |
In de beoordelingsperiode is de bedrijfstak van de Unie erin geslaagd investeringen te doen om de productiecapaciteit uit te breiden, met de verwachting van een gelijk speelveld op de EU-markt om onder eerlijke voorwaarden te kunnen concurreren. |
|
(125) |
Op basis van het bovenstaande is de Commissie in dit stadium tot de conclusie gekomen dat de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade heeft geleden in de zin van artikel 3, lid 5, van de basisverordening. |
6. OORZAKELIJK VERBAND
|
(126) |
Na de instelling van antidumpingmaatregelen voor de invoer van suikermais uit Thailand in 2007, nam de invoer uit dat land aanmerkelijk af en bleef deze in de beoordelingsperiode op een zeer laag niveau. In het tijdvak van het nieuwe onderzoek maakte de invoer uit Thailand slechts rond de 1,3 % van het totale verbruik in de Unie uit. |
|
(127) |
De bedrijfstak van de Unie werd daarentegen geconfronteerd met toenemende concurrentie van aanzienlijke volumes van laaggeprijsde invoer met dumping uit de Volksrepubliek China. Deze invoer steeg sterk in de beoordelingsperiode en bereikte een marktaandeel van ongeveer 15 % in het tijdvak van het nieuwe onderzoek. Het prijsniveau van de invoer uit de VRC bleef consequent onder dat van de bedrijfstak van de Unie en zelfs onder de gemiddelde kosten van verkochte goederen van de producenten in de Unie, en oefende dan ook een aanzienlijke neerwaartse druk uit op de prijzen, zoals blijkt uit de overwegingen 120 tot en met 125. |
|
(128) |
Als gevolg van deze prijsdruk was de bedrijfstak van de Unie niet in staat om zijn prijzen te verhogen in lijn met de stijgende kosten. Dit leidde tot een daling van de winstgevendheid, een lagere bezettingsgraad en een verlies aan marktaandeel. Op basis van het bovenstaande heeft de Commissie tijdens het parallelle antidumpingonderzoek naar de invoer van suikermais van oorsprong uit de VRC geconcludeerd dat de aanmerkelijke schade voor de bedrijfstak van de Unie in het tijdvak van het nieuwe onderzoek voornamelijk werd veroorzaakt door invoer met dumping van oorsprong uit de Volksrepubliek China. |
|
(129) |
Daarom heeft de Commissie op 7 augustus 2025 voorlopige antidumpingmaatregelen ingesteld tegen de invoer van suikermais van oorsprong uit de VRC. |
|
(130) |
Er kan niet worden uitgesloten dat de invoer uit Thailand heeft bijgedragen aan de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade, omdat de prijzen die van de bedrijfstak van de Unie onderboden, zoals beschreven in overweging 78. De gevolgen werden echter beperkt geacht gezien het geringe volume. Derhalve heeft de Commissie de waarschijnlijkheid van herhaling van schade wat betreft Thailand beoordeeld. |
7. WAARSCHIJNLIJKHEID VAN HERHALING VAN SCHADE
|
(131) |
Zoals de Commissie in overweging 125 heeft geconcludeerd, heeft de bedrijfstak van de Unie in het tijdvak van het nieuwe onderzoek aanmerkelijke schade geleden. De Commissie heeft in de overwegingen 128 en 130 ook geconcludeerd dat de in het tijdvak van het nieuwe onderzoek vastgestelde schade voor de bedrijfstak van de Unie voornamelijk werd veroorzaakt door de invoer uit de VRC. Daarom heeft de Commissie overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening beoordeeld of herhaling van de oorspronkelijk door de invoer met dumping uit Thailand veroorzaakte schade waarschijnlijk is, mochten de maatregelen tegen deze invoer komen te vervallen. |
|
(132) |
In dit verband heeft de Commissie de productiecapaciteit en de reservecapaciteit in Thailand, de aantrekkelijkheid van de markt van de Unie en de waarschijnlijke gevolgen voor de bedrijfstak van de Unie van de invoer uit Thailand onderzocht. |
7.1. Productiecapaciteit en reservecapaciteit in Thailand
|
(133) |
Zoals beschreven in overweging 58, beschikken Thaise exporteurs over de nodige reservecapaciteit om hun uitvoer naar de Unie te vergroten, mochten de maatregelen komen te vervallen. |
7.2. Aantrekkelijkheid van de markt van de Unie
|
(134) |
Uit het onderzoek is gebleken dat de Thaise invoerprijzen tijdens de beoordelingsperiode steevast lager waren dan de prijzen van producenten in de Unie. Uit de door de Commissie gemaakte vergelijking tussen de gewogen gemiddelde verkoopprijzen van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie (gecorrigeerd, af fabriek) en de cif-prijzen van de uitvoer uit Thailand, gecorrigeerd zoals toegelicht in overweging 77, maar zonder antidumpingrechten, bleek een aanzienlijke onderbiedingsmarge van meer dan 37 %, die wordt beschouwd als de beste indicator voor het verwachte prijsbeleid indien er geen sprake was van maatregelen. Gezien de lucratievere prijzen op de markt van de Unie vergeleken met andere uitvoermarkten als uitgelegd in overweging 62 is het waarschijnlijk dat aanzienlijke hoeveelheden zullen worden verlegd naar de markt van de Unie als de antidumpingmaatregelen vervallen. |
|
(135) |
Op grond hiervan zullen de Thaise producenten na het wegvallen van de maatregelen hun aanwezigheid op de markt van de Unie waarschijnlijk vergroten, zowel qua hoeveelheid als qua marktaandeel, en tegen dumpingprijzen, waardoor de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie nog meer onder druk zouden komen te staan. |
7.3. Effect op de bedrijfstak van de Unie
|
(136) |
Ondanks de geldende antidumpingrechten is Thailand in het tijdvak van het nieuwe onderzoek blijven uitvoeren naar de EU, met een marktaandeel van 1,3 % tegen prijzen die zelfs onder de kosten van de bedrijfstak van de Unie lagen. Indien er geen sprake zou zijn van maatregelen en indien de invoer uit Thailand toeneemt tegen prijzen die de prijzen van de bedrijfstak van de Unie onderbieden, zou de bedrijfstak gedwongen worden om zijn prijzen verder te verlagen of nog meer verkoopvolume te verliezen ten gunste van de Thaise exporteurs. |
|
(137) |
Gezien de situatie van de bedrijfstak van de Unie zou een daling van de productiehoeveelheden en de verkoopprijzen ertoe leiden dat de winstgevendheid van de bedrijfstak en andere prestatie-indicatoren verder zouden verslechteren. |
7.4. Conclusies betreffende de waarschijnlijkheid van herhaling van schade
|
(138) |
Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de aanmerkelijke schade als gevolg van invoer met dumping uit Thailand zich zal herhalen als de huidige antidumpingmaatregelen komen te vervallen. |
8. BELANG VAN DE UNIE
|
(139) |
Overeenkomstig artikel 21 van de basisverordening heeft de Commissie onderzocht of handhaving van de bestaande antidumpingmaatregelen in strijd is met het belang van de Unie in haar geheel. Het belang van de Unie is vastgesteld op basis van een afweging van alle betrokken belangen, waaronder die van de bedrijfstak van de Unie, importeurs, groot- en kleinhandelaren, gebruikers en landbouwers. |
|
(140) |
Tijdens het huidige onderzoek hebben zich geen importeurs, gebruikers of leveranciers kenbaar gemaakt. Gezien het gebrek aan medewerking is de Commissie daarom bij haar bevindingen van het vorige onderzoek bij het vervallen van de maatregelen gebleven dat er, wat het belang van de Unie betreft, geen dwingende redenen zijn om de bestaande maatregelen niet te handhaven. |
|
(141) |
Bovendien is in het parallelle antidumpingonderzoek naar de invoer van suikermais uit de Volksrepubliek China geconcludeerd dat importeurs, gebruikers of leveranciers niet onevenredig zouden worden getroffen door de instelling van maatregelen, gelet op het beperkte aandeel van suikermais in hun totale omzet en de beschikbaarheid van alternatieve leveringsbronnen. |
|
(142) |
Op basis van het bovenstaande heeft de Commissie geconcludeerd dat er, wat het belang van de Unie betreft, geen dwingende redenen zijn om de bestaande antidumpingmaatregelen ten aanzien van de invoer uit Thailand niet te verlengen. |
9. ANTIDUMPINGMAATREGELEN
|
(143) |
Op basis van de conclusies van de Commissie over de waarschijnlijkheid van de voortzetting van dumping en de herhaling van schade, en over het belang van de Unie moeten de antidumpingmaatregelen ten aanzien van suikermais uit Thailand worden gehandhaafd. |
|
(144) |
Om het risico van ontwijking als gevolg van het verschil in rechten zo veel mogelijk te beperken, zijn speciale maatregelen nodig om de toepassing van de individuele antidumpingrechten te garanderen. De heffing van individuele antidumpingrechten is enkel van toepassing indien aan de douaneautoriteiten van de lidstaten een geldige handelsfactuur wordt overgelegd. Deze factuur moet voldoen aan de in artikel 1, lid 3, van deze verordening vastgestelde vereisten. Tot een dergelijke factuur is overgelegd, moet de invoer worden onderworpen aan het antidumpingrecht dat van toepassing is op “alle overige invoer van oorsprong uit Thailand”. |
|
(145) |
Hoewel de douaneautoriteiten van de lidstaten over deze factuur moeten beschikken om ten aanzien van de invoer de individuele antidumpingrechten te kunnen toepassen, is overlegging van die factuur niet de enige factor waarmee de douaneautoriteiten rekening moeten houden. Zelfs als aan hen een factuur wordt overgelegd die voldoet aan alle vereisten van artikel 1, lid 3, van deze verordening, moeten de douaneautoriteiten van de lidstaten namelijk hun gebruikelijke controles uitvoeren en kunnen zij, net als in alle andere gevallen, aanvullende documenten (vervoersdocumenten enz.) verlangen om de juistheid van de gegevens in de aangifte te controleren en te waarborgen dat het lagere recht vervolgens terecht wordt toegepast, in overeenstemming met de douanewetgeving. |
|
(146) |
Indien de uitvoer door een van de ondernemingen waarvoor een lager individueel recht geldt, na de instelling van de maatregelen in kwestie aanzienlijk toeneemt, kan dit op zich worden beschouwd als een verandering in de structuur van het handelsverkeer als gevolg van de instelling van maatregelen in de zin van artikel 13, lid 1, van de basisverordening. In dergelijke omstandigheden kan, mits aan de voorwaarden is voldaan, een onderzoek naar ontwijking van de maatregelen worden geopend. Hierbij kan onder meer worden onderzocht of het nodig is de individuele rechten in te trekken en een voor het gehele land geldend recht in te stellen. |
|
(147) |
De individuele antidumpingrechten voor ondernemingen die in deze verordening worden genoemd, zijn uitsluitend van toepassing op de invoer van het onderzochte product voor zover het van oorsprong is uit Thailand en is geproduceerd door de genoemde rechtspersonen. Op de invoer van het onderzochte product dat is geproduceerd door andere ondernemingen die in het dispositief van deze verordening niet uitdrukkelijk worden genoemd, met inbegrip van entiteiten die aan de specifiek genoemde ondernemingen zijn verbonden, is het recht van toepassing dat geldt voor “alle overige invoer van oorsprong uit Thailand”. Die invoer mag niet worden onderworpen aan de individuele antidumpingrechten. |
|
(148) |
Een onderneming die later haar naam wijzigt, kan verzoeken om verdere toepassing van deze individuele antidumpingrechten. Dit verzoek moet worden ingediend bij de Commissie (17). Het moet alle relevante informatie bevatten waaruit blijkt dat de wijziging geen invloed heeft op het recht van de onderneming om in aanmerking te komen voor het recht dat op haar van toepassing is. Als de naamswijziging van de onderneming niet van invloed is op haar recht om in aanmerking te komen voor het recht dat op haar van toepassing is, zal een verordening over de naamswijziging worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie. |
|
(149) |
Een exporteur of producent die het betrokken product in de periode die wordt gebruikt voor de vaststelling van de hoogte van het momenteel op zijn uitvoer toepasselijke recht niet naar de Unie heeft uitgevoerd, kan de Commissie verzoeken om toepassing van het antidumpingrecht voor niet in de steekproef opgenomen meewerkende ondernemingen. De Commissie moet een dergelijk verzoek inwilligen mits aan drie voorwaarden wordt voldaan. De nieuwe producent-exporteur zou moeten aantonen dat: i) hij het betrokken product niet naar de Unie heeft uitgevoerd in de periode die werd gebruikt voor de vaststelling van het niveau van het recht dat momenteel van toepassing is op zijn uitvoer; ii) hij niet verbonden is met een onderneming die dat wel heeft gedaan en dus onderworpen is aan de antidumpingrechten, en iii) hij het betrokken product daarna heeft uitgevoerd of een onherroepelijke contractuele verplichting is aangegaan om dit in aanzienlijke hoeveelheden te doen. |
|
(150) |
Alle belanghebbenden zijn in kennis gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan de Commissie wil aanbevelen de bestaande maatregelen te handhaven. Zij konden hierover tevens binnen een bepaalde termijn opmerkingen maken. Er werden geen opmerkingen ontvangen. |
|
(151) |
Indien een bedrag moet worden terugbetaald naar aanleiding van een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, geldt ingevolge artikel 109 van Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad (18) als rentevoet de rente die de Europese Centrale Bank voor haar basisherfinancieringstransacties hanteert, zoals bekendgemaakt in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie op de eerste kalenderdag van elke maand. |
|
(152) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) 2016/1036 ingestelde comité, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op suikermais (Zea mays var. saccharata) in korrels, bereid of verduurzaamd in azijn of azijnzuur, niet bevroren, en suikermais (Zea mays var. saccharata) in korrels, op andere wijze bereid of verduurzaamd dan in azijn of azijnzuur, niet bevroren, andere dan de producten bedoeld bij post 2006, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 2001 90 30 (Taric-code 2001 90 30 10) en ex 2005 80 00 (Taric-code 2005 80 00 10), van oorsprong uit Thailand.
2. Het definitieve antidumpingrecht dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, van de in lid 1 genoemde en door de hieronder vermelde ondernemingen vervaardigde producten is als volgt:
|
Onderneming |
Antidumpingrecht (%) |
Aanvullende Taric-code |
|
Karn Corn Co., Ltd |
3,1 |
A789 |
|
Kuiburi Fruit Canning Co., Ltd. |
14,3 |
A890 |
|
River Kwai International Food Industry Co., Ltd. |
3,6 |
A791 |
|
Sunsweet Public Company Limited |
11,1 |
A792 |
|
In de bijlage vermelde meewerkende producenten exporteurs |
12,9 |
(zie bijlage) |
|
Alle overige invoer van oorsprong uit Thailand |
14,3 |
A999 |
3. De individuele rechten die zijn vastgesteld voor de in lid 2 vermelde ondernemingen zijn uitsluitend van toepassing indien aan de douaneautoriteiten van de lidstaten een geldige handelsfactuur wordt overgelegd die een verklaring bevat die is gedateerd en ondertekend door een met naam en functie geïdentificeerde medewerker van de entiteit die deze factuur heeft opgesteld, en die als volgt luidt: “Ondergetekende verklaart dat de (hoeveelheid) (onderzocht product) die naar de Europese Unie wordt uitgevoerd en waarop deze factuur betrekking heeft, is vervaardigd door (naam van de onderneming) (aanvullende Taric-code) in Thailand. Ondergetekende verklaart dat de in deze factuur verstrekte informatie juist en volledig is.” Totdat een dergelijke factuur is overgelegd, wordt het recht toegepast dat geldt voor alle andere ondernemingen.
4. Artikel 1, lid 2, kan worden gewijzigd om nieuwe producenten-exporteurs uit Thailand toe te voegen en hen te onderwerpen aan het passende gewogen gemiddelde antidumpingrecht voor niet in de steekproef opgenomen meewerkende ondernemingen. Een nieuwe producent-exporteur moet met bewijs aantonen dat:
|
a) |
hij de in artikel 1, lid 1, omschreven goederen van oorsprong uit Thailand tussen 1 januari 2005 en 31 december 2005 (“het tijdvak van het oorspronkelijke onderzoek”) niet heeft uitgevoerd; |
|
b) |
hij niet verbonden is met een exporteur of producent op wie de bij deze verordening ingestelde maatregelen van toepassing zijn en die heeft meegewerkt of had kunnen meewerken aan het onderzoek dat tot het recht heeft geleid, en |
|
c) |
hij het onderzochte product van oorsprong uit Thailand daadwerkelijk heeft uitgevoerd dan wel een onherroepelijke contractuele verplichting is aangegaan om na het verstrijken van het tijdvak van het oorspronkelijke onderzoek een aanzienlijke hoeveelheid naar de Unie uit te voeren. |
5. Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 17 februari 2026.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 176 van 30.6.2016, blz. 21, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2016/1036/oj.
(2) Verordening (EG) nr. 682/2007 van de Raad van 18 juni 2007 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op bepaalde bereide of verduurzaamde suikermaïs in korrels van oorsprong uit Thailand (PB L 159 van 20.6.2007, blz. 14, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2007/682/oj).
(3) Verordening (EG) nr. 954/2008 van de Raad van 25 september 2008 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 682/2007 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op bepaalde bereide of verduurzaamde suikermais in korrels van oorsprong uit Thailand (PB L 260 van 30.9.2008, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2008/954/oj).
(4) Besluit 2007/424/EG van de Commissie van 18 juni 2007 tot aanvaarding van verbintenissen die zijn aangeboden in het kader van de antidumpingprocedure betreffende de invoer van bepaalde bereide of verduurzaamde suikermais in korrels van oorsprong uit Thailand (PB L 159 van 20.6.2007, blz. 42, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2007/424/oj).
(5) Verordening (EG) nr. 847/2009 van de Raad van 15 september 2009 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 682/2007 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde bereide of verduurzaamde suikermaïs in korrels van oorsprong uit Thailand (PB L 246 van 18.9.2009, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2009/847/oj).
(6) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 875/2013 van de Raad van 2 september 2013 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde bereide of verduurzaamde suikermaïs in korrels van oorsprong uit Thailand, naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 (PB L 244 van 13.9.2013, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2013/875/oj).
(7) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 307/2014 van de Raad van 24 maart 2014 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 875/2013 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde bereide of verduurzaamde suikermaïs in korrels van oorsprong uit Thailand, naar aanleiding van een tussentijds nieuw onderzoek op grond van artikel 11, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 (PB L 91 van 27.3.2014, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2014/307/oj).
(8) Bericht naar aanleiding van de arresten van 14 december 2017 en 28 maart 2019 in, respectievelijk, de zaken T-460/14 en C-144/18 P met betrekking tot Uitvoeringsverordening (EU) nr. 307/2014 van de Raad tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 875/2013 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde bereide of verduurzaamde suikermais in korrels van oorsprong uit Thailand (PB C 291 van 29.8.2019, blz. 3).
(9) Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1996 van de Commissie van 28 november 2019 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde bereide of verduurzaamde suikermais in korrels van oorsprong uit het Koninkrijk Thailand, naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EU) 2016/1036 (PB L 310 van 2.12.2019, blz. 6, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2019/1996/oj).
(10) Uitvoeringsverordening (EU) 2021/342 van de Commissie van 25 februari 2021 tot wederinstelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde bereide of verduurzaamde suikermaïs in korrels van oorsprong uit het Koninkrijk Thailand, voor zover het River Kwai International Food Industry Co. Ltd betreft, naar aanleiding van de heropening van het tussentijdse nieuwe onderzoek op grond van artikel 11, lid 3, van Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 68 van 26.2.2021, blz. 149, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2021/342/oj).
(11) PB C, C/2024/1814, 4.3.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/1814/oj).
(12) Bericht van opening van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op de invoer van bepaalde bereide of verduurzaamde suikermais in korrels van oorsprong uit Thailand (PB C, C/2024/7109 van 29.11.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/7109/oj).
(13) https://tron.trade.ec.europa.eu/investigations/case-view?caseId=2761.
(14) Verzoek om een nieuw onderzoek, punt 43.
(15) Uitvoeringsverordening (EU) 2025/1723 van de Commissie van 6 augustus 2025 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op bepaalde bereide of verduurzaamde suikermais in korrels van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L, 2025/1723, 7.8.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/1723/oj).
(16) Uitvoeringsverordening (EU) 2025/1723.
(17) 17 E-mail: TRADE-TDI-NAME-CHANGE-REQUESTS@ec.europa.eu, Europese Commissie, directoraat-generaal Handel en Economische Veiligheid, directoraat G, Wetstraat 170, 1040 Brussel, BELGIË.
(18) Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2024 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (PB L, 2024/2509, 26.9.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/2509/oj).
BIJLAGE
Andere niet in de steekproef opgenomen medewerkende producenten-exporteurs
|
Land |
Naam |
Aanvullende Taric-code |
|
Thailand |
Agro-On (Thailand) Co., Ltd. |
88AA |
|
B.N.H. Canning Co., Ltd. |
88AB |
|
|
Boonsith Enterprise Co., Ltd. |
88AC |
|
|
Erawan Food Public Company Limited |
88AD |
|
|
Great Oriental Food Products Co., Ltd. |
88AE |
|
|
Lampang Food Products Co., Ltd. |
88AF |
|
|
O.V. International Import-Export Co., Ltd. |
88AG |
|
|
Pan Inter Foods Co., Ltd. |
88AH |
|
|
Siam Food Products Public Co., Ltd. |
88AI |
|
|
Viriyah Food Processing Co., Ltd. |
88AJ |
|
|
Vita Food Factory (1989) Ltd. |
88AK |
ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2026/347/oj
ISSN 1977-0758 (electronic edition)