European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

L-serie


2026/319

13.2.2026

UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2026/319 VAN DE COMMISSIE

van 12 februari 2026

tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op valine van oorsprong uit de Volksrepubliek China

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (1) (“de basisverordening”), en met name artikel 9, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   PROCEDURE

1.1.   Opening van het onderzoek

(1)

Op 19 december 2024 heeft de Europese Commissie (“de Commissie”) op grond van artikel 5 van de basisverordening een antidumpingonderzoek geopend met betrekking tot de invoer van valine van oorsprong uit de Volksrepubliek China (“de VRC” of “het betrokken land”). Zij heeft daartoe een bericht van inleiding gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (2) (“het bericht van inleiding”).

(2)

De Commissie heeft het onderzoek geopend naar aanleiding van een klacht die op 5 november 2024 is ingediend door Eurolysine SAS (“Eurolysine” of “de klager”). De klacht is ingediend door de bedrijfstak van de Unie voor valine in de zin van artikel 5, lid 4, van de basisverordening. Het bij de klacht gevoegde bewijsmateriaal over dumping en de aanmerkelijke schade als gevolg daarvan werd voldoende geacht om een onderzoek te openen.

1.2.   Registratie

(3)

De Commissie heeft de invoer van valine van oorsprong uit de VRC bij Uitvoeringsverordening (EU) 2025/326 van de Commissie (3) (“de registratieverordening”) aan registratie onderworpen.

1.3.   Voorlopige maatregelen

(4)

Overeenkomstig artikel 19 bis van de basisverordening heeft de Commissie de belanghebbenden op 17 juli 2025 een overzicht van de voorgestelde rechten verstrekt, alsook nadere gegevens over de berekening van de dumpingmarges en de marges die toereikend zijn om de schade voor de bedrijfstak van de Unie weg te nemen. De belanghebbenden werd verzocht om binnen drie werkdagen hun opmerkingen over de juistheid van de berekeningen kenbaar te maken.

(5)

Op 23 juli 2025 heeft Bayannur Huaheng Biotechnology Co., Ltd (“BHB”, samen met zijn verbonden ondernemingen “Huaheng Group”) schriftelijke opmerkingen ingediend waarin het zijn standpunten over de vermeende schrijffouten bij de berekening van de voor hem geldende dumpingmarge kenbaar maakte en aanvoerde dat de Commissie ten onrechte i) de bankkosten tweemaal in mindering had gebracht, ii) alleen rekening had gehouden met de eenheidsprijs van maiszetmeel in plaats van met het gemiddelde van de eenheidsprijzen van maiszetmeel en eiwitpoeder in verhouding tot de opwaartse correctie van de benchmark voor maiszetmeel in verband met de toeslag voor niet-genetisch gemodificeerde mais (“niet-ggo-mais”), en iii) een percentage van 23,3 % had gehanteerd voor verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten (“VAA-kosten”) waarin een bedrag van 17 848 USD voor distributiekosten was opgenomen aangezien die distributiekosten op de uitvoerprijs in mindering zouden zijn gebracht.

(6)

De Commissie achtte het argument onder ii) gegrond en heeft de dumpingmarge voor Huaheng Group dienovereenkomstig gecorrigeerd. Het argument punt i) werd in de voorlopige fase afgewezen, maar werd, naar aanleiding van de indiening van aanvullend bewijsmateriaal, na de mededeling van de voorlopige bevindingen vervolgens heroverwogen in overweging 145. Een argument van CJ (Shenyang) Biotechnology Co., Ltd (“CJS”) dat vergelijkbaar was met het argument onder iii), werd afgewezen in de voorlopige fase en in de overwegingen 140 tot en met 141.

(7)

Op 14 augustus 2025 heeft de Commissie bij Uitvoeringsverordening (EU) 2025/1737 van de Commissie (4) (“de voorlopige verordening”) een voorlopig antidumpingrecht ingesteld op valine van oorsprong uit de VRC.

1.4.   Vervolg van de procedure

(8)

Na de mededeling van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan een voorlopig antidumpingrecht was ingesteld (“de mededeling van de voorlopige bevindingen”), hebben de klager en de twee in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs, CJS (samen met zijn verbonden ondernemingen) en Huaheng Group binnen de in artikel 2, lid 1, van de voorlopige verordening vastgestelde termijn schriftelijke opmerkingen over de voorlopige bevindingen ingediend.

(9)

De belanghebbenden die daartoe een verzoek hadden ingediend, zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Er zijn hoorzittingen gehouden met de klager, CJS (samen met zijn verbonden ondernemingen) en Huaheng Group.

(10)

Naar aanleiding van de mededeling van de voorlopige bevindingen heeft Ajinomoto Omnichem, België (“Ajinomoto”), een importeur die verbonden is met de niet-meewerkende Chinese producent-exporteur Shanghai Ajinomoto Amino Acid Co. Ltd, zich als belanghebbende geregistreerd en opmerkingen over de productomschrijving ingediend. Die argumenten worden behandeld in de overwegingen 27 tot en met 37.

(11)

De Commissie is doorgegaan met het verzamelen en controleren van alle informatie die zij voor haar definitieve bevindingen nodig achtte. Bij het vaststellen van de definitieve bevindingen heeft de Commissie de opmerkingen van de belanghebbenden in overweging genomen en waar passend haar voorlopige conclusies herzien.

(12)

De Commissie heeft alle belanghebbenden ingelicht over de belangrijkste feiten en overwegingen op basis waarvan zij voornemens was een definitief antidumpingrecht in te stellen op valine van oorsprong uit de VRC (“de mededeling van de definitieve bevindingen”). Alle belanghebbenden konden hierover binnen een bepaalde termijn na deze mededeling opmerkingen indienen. Er zijn opmerkingen ontvangen van de klager, Huaheng Group, CJS en Ajinomoto.

(13)

De belanghebbenden die daartoe een verzoek hadden ingediend, zijn tevens in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Er zijn hoorzittingen gehouden met de klager, Huaheng Group en CJS.

1.5.   Samenstelling van de steekproeven

(14)

Aangezien er geen opmerkingen over de steekproef van niet-verbonden importeurs zijn ontvangen, heeft de Commissie haar conclusies in overweging 8 van de voorlopige verordening bevestigd.

(15)

Wat de steekproef van producenten-exporteurs betreft, voerde de klager aan dat in de gegevens van het onderzoektijdvak (OT), waarop de steekproef van de producenten-exporteurs was gebaseerd, niet naar behoren rekening was gehouden met de marktdynamiek die vóór het onderzoektijdvak een aanvang had genomen. Met name voerde de klager aan dat het verkoopvolume van CJS op de markt van de Unie uiterst beperkt was in vergelijking met de verkoop van CJS op de Chinese markt. De klager betoogde aldus dat, aangezien dumping wordt berekend als het verschil tussen de uitvoerprijs en de binnenlandse prijs, CJS niet representatief zou zijn voor de situatie op de markt.

(16)

De Commissie merkte op dat het onderzoek had uitgewezen dat er sprake was van verstoringen van betekenis op de markt voor valine in de VRC, en dat de normale waarde derhalve niet gebaseerd is op de binnenlandse verkoop van de producenten-exporteurs. Hoe dan ook heeft de Commissie, zoals aangegeven in overweging 10 van de voorlopige verordening, de steekproef van producenten-exporteurs geselecteerd op basis van het grootste representatieve volume van de uitvoer naar de Unie dat binnen de beschikbare tijd redelijkerwijs kon worden onderzocht, in overeenstemming met artikel 17 van de basisverordening, en CJS was in dat opzicht representatief. Dit argument werd derhalve afgewezen.

(17)

De klager herhaalde ook dat CJS niet representatief was omdat het niet in Chinese handen was. Ter ondersteuning wees de klager erop dat CJS een van de klagers was tegen lopende antidumpingonderzoeken naar de invoer van lysine uit de VRC in Brazilië en in de Verenigde Staten van Amerika (“VS”).

(18)

De Commissie had een deel van dit argument, namelijk dat CJS een in de VRC actieve buitenlandse onderneming was en derhalve niet onder dezelfde voorwaarden opereerde als ondernemingen in Chinese handen, reeds afgewezen in overweging 16 van de voorlopige verordening, aangezien dit criterium niet relevant was voor de steekproef overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening, waarin is bepaald dat een steekproef moet worden gebaseerd op het grootste representatieve volume van de uitvoer naar de Unie dat binnen de beschikbare tijd redelijkerwijs kan worden onderzocht. De rol van de ondernemingen die bij andere producten betrokken zijn en onder de bevoegdheid van andere rechtsgebieden vallen, is evenmin relevant. Dit argument werd derhalve afgewezen.

(19)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde de klager aan dat de uitvoer van CJS naar de Unie drastisch was gedaald ten voordele van andere Chinese exporteurs, aangezien valine van CJS aanzienlijk hoger is geprijsd. De klager voegde eraan toe dat dit door de bevindingen van de Commissie in overweging 133 werd bevestigd met betrekking tot het gebruik van de winstmarge van de niet-verbonden importeur (Quimidroga’s SA — “Quimidroga”), die niet representatief werd geacht.

(20)

De Commissie merkte op dat overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening de steekproef wordt gebaseerd op de op het tijdstip van de selectie van de steekproef beschikbare gegevens. Op basis van deze gegevens achtte de Commissie de steekproef representatief voor de uitvoer van het betrokken product in het onderzoektijdvak. Omstandigheden na het onderzoektijdvak zijn niet relevant voor de selectie van de steekproef. In dezelfde zin was de prijs van de ingevoerde valine niet relevant voor de selectie van de steekproef, die was gebaseerd op het grootste representatieve volume van uitvoer naar de Unie dat binnen de beschikbare tijd redelijkerwijs kon worden onderzocht. Dit argument werd derhalve afgewezen.

(21)

De klager voerde verder aan dat de niet in de steekproef opgenomen meewerkende Chinese producenten-exporteurs buitensporig voordeel zullen halen uit de lage dumpingmarge van CJS, aangezien deze opgenomen is in de berekening van de gewogen gemiddelde dumpingmarge voor de in de steekproef opgenomen ondernemingen die ook van toepassing is op de niet in de steekproef opgenomen medewerkende ondernemingen. De klager voegde eraan toe dat een gewogen gemiddelde dumpingmarge van de steekproef niet toereikend zou zijn om de bedrijfstak van de Unie te beschermen tegen de invoer met dumping. Derhalve verzocht de klager de Commissie om de dumpingmarge voor niet in de steekproef opgenomen meewerkende ondernemingen te berekenen op een wijze die de marktsituatie beter zou weerspiegelen en de bedrijfstak van de Unie effectiever zou beschermen.

(22)

De klager heeft geen specifieke methode verstrekt om een op de niet in de steekproef opgenomen meewerkende producenten-exporteurs toepasselijke dumpingmarge te berekenen. Voorts is in artikel 9, lid 6, van de basisverordening bepaald dat bij een steekproef overeenkomstig artikel 17 van die verordening het voor de niet in de steekproef opgenomen meewerkende producenten-exporteurs geldende antidumpingrecht “de gewogen gemiddelde dumpingmarge die voor de partijen in de steekproef is vastgesteld, niet [mag] overschrijden”. Op grond hiervan heeft de Commissie dit argument afgewezen.

(23)

Aangezien er geen andere opmerkingen over de steekproef van producenten-exporteurs zijn ontvangen, heeft de Commissie haar conclusies in de overwegingen 10 tot en met 18 van de voorlopige verordening bevestigd.

1.6.   Individueel onderzoek

(24)

Aangezien er geen opmerkingen over individueel onderzoek zijn ontvangen, heeft de Commissie haar conclusies in overweging 19 van de voorlopige verordening bevestigd.

1.7.   Antwoorden op de vragenlijst en controlebezoeken

(25)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen werd krachtens artikel 16 van de basisverordening een controle ter plaatse verricht bij de niet-verbonden importeur die de vragenlijst volledig had beantwoord:

Quimidroga SA, Barcelona, Spanje

1.8.   Onderzoektijdvak en beoordelingsperiode

(26)

Aangezien er geen opmerkingen over het onderzoektijdvak en de beoordelingsperiode zijn ontvangen, heeft de Commissie haar conclusies in overweging 24 van de voorlopige verordening bevestigd.

2.   BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

(27)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen heeft Ajinomoto, een verbonden importeur van een niet-meewerkende Chinese producent-exporteur, opmerkingen over de productomschrijving ingediend waarin werd aangevoerd dat valine voor farmaceutische toepassingen (farmaceutische kwaliteit) andere fysische, technische en chemische basiseigenschappen en andere beoogde gebruiksdoeleinden, een andere mate van onderlinge verwisselbaarheid, alsook andere kwaliteitsnormen en distributiekanalen zou hebben dan valine van levensmiddelen- en diervoederkwaliteit, en verzocht de onderneming om uitsluiting van valine van farmaceutische kwaliteit van de productomschrijving.

(28)

Ajinomoto onderbouwde zijn argument met een verwijzing naar de niet-preferentiële oorsprongsregels voor hoofdstuk 29 waarin het betrokken product wordt behandeld, op basis waarvan zuivering wordt beschouwd als een ingrijpende be- of verwerking van het product. Op basis hiervan en op grond dat valine van farmaceutische kwaliteit een dergelijk zuiveringsproces ondergaat, betoogde Ajinomoto dat deze soort valine niet onder de productomschrijving zou moeten vallen.

(29)

Het argument over de productomschrijving werd pas na de instelling van de voorlopige maatregelen ingediend, terwijl volgens het bericht van inleiding argumenten over de productomschrijving moeten worden ingediend binnen tien dagen na de opening van dit onderzoek. Het argument werd bijgevolg te laat ingediend en is in dit stadium derhalve niet langer ontvankelijk.

(30)

Niettemin merkte de Commissie ten eerste op dat zij in overweging 32 van de voorlopige verordening had geconcludeerd dat de verschillende soorten valine dezelfde fysische, technische en chemische basiseigenschappen hebben: ze bestaan uit hetzelfde molecuul en hebben dezelfde basisfuncties, namelijk het verstrekken van valine met een hoge verteerbaarheid aan dieren en mensen, in farmaceutische producten, in levensmiddelen (als voedingssupplement) of in diervoeders. Bovendien worden alle kwaliteiten volgens hetzelfde procedé vervaardigd, met verschillende zuiverings- en extractiegraden. Alle soorten valine worden onder dezelfde Taric-codes ingevoerd.

(31)

Ajinomoto heeft geen bewijsmateriaal verstrekt dat het argument zou hebben gestaafd dat valine van farmaceutische kwaliteit andere fysische, technische en chemische eigenschappen zou hebben. In feite bevestigde Ajinomoto dat het product chemisch gezien hetzelfde is als valine van levensmiddelen- of diervoederkwaliteit en gebaseerd is op hetzelfde molecuul (L-valine). Bovendien brengen de beweerdelijk verschillende kwaliteitsnormen die van toepassing zijn op producenten van valine van farmaceutische kwaliteit, geen verandering in de chemische samenstelling van het product.

(32)

Ajinomoto voerde aan dat valine van farmaceutische kwaliteit een meer kristallijne poederkleur zou hebben als gevolg van de verdere verwerking van valine van diervoederkwaliteit door Ajinomoto. De Commissie merkt echter op dat de producten ondanks dit verschil nog steeds grote overeenkomsten vertonen en dat de basiskenmerken ervan dezelfde blijven.

(33)

Ten tweede heeft het product, zoals geconcludeerd in overweging 32 van de voorlopige verordening, hoewel de eisen inzake zuiverheid van farmaceutische valine strenger zijn, nog steeds dezelfde functie, d.w.z. het verstrekken van het essentiële aminozuur aan dieren en mensen, in farmaceutische producten, in levensmiddelen (als voedingssupplement), of in diervoeders.

(34)

Ten derde heeft Ajinomoto, wat de niet-preferentiële oorsprongsregels voor hoofdstuk 29 betreft, zelf bevestigd dat de conclusie in overweging 32 van de voorlopige verordening van toepassing is voor de levensmiddelenkwaliteit, maar niet van toepassing zou moeten zijn voor valine van farmaceutische kwaliteit, omdat valine van diervoederkwaliteit door de zuivering ervan een ingrijpende be- of verwerking ondergaat. De niet-preferentiële oorsprongsregels voor hoofdstuk 29 waarnaar de importeur verwijst, bestrijken echter niet alleen de verwerking voor farmaceutische toepassingen, maar ook de verwerking voor stoffen van levensmiddelenkwaliteit. Zuivering voor farmaceutische doeleinden is derhalve een productieproces van dezelfde categorie als voor levensmiddelenkwaliteit.

(35)

Voorts is volgens Ajinomoto valine van farmaceutische kwaliteit door de klager niet als betrokken product beschouwd. Ajinomoto voert aan dat valine van farmaceutische kwaliteit in de Unie wordt geproduceerd door een andere onderneming dan de klager. Aangezien de klager naar eigen zeggen 100 % van de valineproductie in de Unie vertegenwoordigde en hem geen andere producenten bekend waren, betoogde Ajinomoto dat de klacht geen betrekking mag hebben op de farmaceutische kwaliteit. De Commissie bevestigde haar bevindingen in overweging 33 van de voorlopige verordening, namelijk dat het onderzoek heeft uitgewezen dat Eurolysine, na het verkrijgen van de desbetreffende wettelijke vergunningen, technisch in staat was om alle soorten valine te produceren. Bovendien is het product in de productomschrijving in de klacht gedefinieerd als een aminozuur met een chemische formule die geldt voor valine van alle kwaliteiten, waaronder de farmaceutische kwaliteit.

(36)

Concluderend werden de argumenten van de importeur afgewezen.

(37)

Aangezien er geen andere opmerkingen over het onderzochte product, het betrokken product en het soortgelijke product zijn ontvangen, heeft de Commissie haar conclusies in de overwegingen 25 tot en met 33 van de voorlopige verordening bevestigd.

(38)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen herhaalde Ajinomoto zijn opmerkingen uit de voorlopige fase, waarop de Commissie reeds is ingegaan in de overwegingen 27 tot en met 36. De onderneming diende opmerkingen in over het prijsverschil tussen valine van farmaceutische kwaliteit en valine van diervoederkwaliteit, waarin zij aanvoerde dat de prijs voor producten van farmaceutische kwaliteit aanzienlijk hoger is, en dat bijgevolg niet is aangetoond dat de invoer van farmaceutische kwaliteit de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade heeft berokkend. De onderneming wees ook op het verschil in activiteiten tussen haar verbonden producenten in de VRC en de producenten in de Unie. Ajinomoto voerde aan dat Eurolysine het onderzochte product produceerde, terwijl Shanghai Ajinomoto het zuivert tot valine van farmaceutische kwaliteit, wat een heel ander proces is dat niet kan worden uitgevoerd door de klager. Bovendien voerde de onderneming aan dat de twee producten niet voor dezelfde gebruikers bestemd zijn, aangezien valine van farmaceutische kwaliteit wordt gebruikt voor farmaceutische doeleinden, terwijl valine van diervoederkwaliteit wordt gebruikt voor diervoeders. Tot slot herhaalde zij dat valine van farmaceutische kwaliteit niet in de klacht zou zijn opgenomen en derhalve niet binnen de reikwijdte van de huidige procedure zou vallen.

(39)

De Commissie bevestigde haar beoordelingen en merkte op dat valine van farmaceutische kwaliteit, zoals door Ajinomoto zelf werd bevestigd, een versie van valine (d.w.z. het onderzochte product) met een bepaalde zuiverheidsgraad is. Ondanks het prijsverschil, het feit dat Ajinomoto een ander deel van het productieproces van het onderzochte product uitvoert en de verschillende beoogde gebruiksdoeleinden, vormt dit derhalve geen toereikende basis om de verschillende soorten valine als verschillende producten te beschouwen, zoals nader uiteengezet in de overwegingen 27 tot en met 36.

(40)

Bovendien konden de informatie over het verschil in productieproces, de vermeende specifieke kenmerken van valine van farmaceutische kwaliteit en de prijzen tijdens het onderzoek niet worden gecontroleerd, aangezien de met Ajinomoto verbonden Chinese producent niet aan dit onderzoek heeft meegewerkt en Ajinomoto ervoor heeft gekozen om pas na de instelling van de voorlopige maatregelen aan het onderzoek mee te werken. Daarnaast worden de argumenten van Ajinomoto niet door enig inhoudelijk bewijsmateriaal gestaafd. Bijgevolg heeft de Commissie bepaald dat alle soorten valine onder het onderzochte product vallen en als zodanig de in de afdelingen 4 en 5 van de voorlopige verordening beschreven schade hebben veroorzaakt. De Commissie heeft de gevolgen van alle invoer van het betrokken product voor de bedrijfstak van de Unie beoordeeld, en derhalve werd het argument van Ajinomoto afgewezen.

(41)

Het argument dat de bedrijfstak van de Unie niet in staat zou zijn valine van farmaceutische kwaliteit te produceren en dat valine van deze kwaliteit niet in de klacht was opgenomen, is reeds behandeld in overweging 35. Daarnaast was valine van farmaceutische kwaliteit specifiek in de klacht specifiek vermeld als deel uitmakend van de productomschrijving. Tot slot bevestigde de bedrijfstak van de Unie dat hij in staat is valine voor de niet-diervoedermarkt te produceren en dat de verschillende zuiverheidsgraden van valine dezelfde basisfunctie hadden, namelijk het verstrekken van valine aan dieren en mensen. Deze argumenten werden derhalve afgewezen.

(42)

Derhalve heeft de Commissie haar beoordeling bevestigd en het verzoek om uitsluiting van valine van farmaceutische kwaliteit van de productomschrijving afgewezen.

3.   DUMPING

(43)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen hebben de twee in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs, CJS, Huaheng Group en de klager opmerkingen ingediend.

3.1.   Procedure voor de vaststelling van de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening

(44)

Aangezien er geen opmerkingen over de procedure voor de vaststelling van de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening zijn ontvangen, heeft de Commissie haar conclusies in de overwegingen 34 tot en met 40 van de voorlopige verordening bevestigd.

3.2.   Normale waarde

3.2.1.   Bestaan van verstoringen van betekenis

(45)

Aangezien er geen opmerkingen over het bestaan van verstoringen van betekenis in de VRC zijn ontvangen, heeft de Commissie haar conclusies in de overwegingen 44 tot en met 139 van de voorlopige verordening bevestigd.

3.2.2.   Representatief land

(46)

In zijn opmerkingen over de mededeling van de voorlopige bevindingen steunde de klager het besluit van de Commissie om Colombia als het representatieve land te selecteren.

(47)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen verzette Huaheng Group zich tegen het besluit van de Commissie om Colombia als het representatieve land te selecteren. Ten eerste betoogde Huaheng Group dat Indonesië het meest geschikte representatieve land was, aangezien dit het enige land was dat i) valine produceerde, ii) een aanzienlijke niet-verstoorde invoer van alle belangrijke productiefactoren rapporteerde, en iii) onmiddellijk beschikbare financiële gegevens voor het gehele onderzoektijdvak aanbood. Ten tweede voerde Huaheng Group aan dat indien de Commissie Indonesië niet zou gebruiken, zij terug zou moeten vallen op Maleisië, dat was geselecteerd in de tweede mededeling over de bronnen voor de vaststelling van de normale waarde van 4 juni 2025 (“tweede mededeling”). Ten derde zou Colombia moeten worden gediskwalificeerd vanwege de verstoringen in de meeste belangrijke productiefactoren en het ontbreken van beschikbare financiële gegevens. Voor het geval dat Colombia echter toch zou worden gehandhaafd, verzocht Huaheng Group de Commissie om de benchmark voor maiszetmeel te vervangen.

—   Indonesië

(48)

Huaheng Group voerde aan dat de productie van een product in dezelfde algemene categorie of sector alleen dan mag worden overwogen indien het onderzochte product in geen enkel land met een vergelijkbaar niveau van economische ontwikkeling wordt geproduceerd. In het onderhavige geval zou van de twee landen die op basis van deze criteria beschikbaar zijn, Brazilië en Indonesië, de voorkeur moeten worden gegeven aan Indonesië, omdat dit land aanzienlijke hoeveelheden van de belangrijkste productiefactoren invoert. Wat Brazilië betreft, heeft de Commissie in de tweede mededeling bevestigd dat zelfs indien Brazilië in het onderzoektijdvak valine produceerde, er geen geactualiseerde financiële informatie voorhanden was. Brazilië moest derhalve als potentieel representatief land worden afgewezen.

(49)

De Commissie merkte op dat in de benadering van Huaheng Group werd voorbijgegaan aan de omstandigheid dat er in het onderhavige geval geen onmiddellijk beschikbare financiële gegevens voorhanden waren voor enige producent van valine in Indonesië. Derhalve moest de Commissie gebruikmaken van een product in dezelfde algemene categorie of sector als valine. In haar opmerkingen over de mededeling van de voorlopige bevindingen herhaalde Huaheng Group zelf alleen de mogelijkheid om gebruik te maken van de producent van citroenzuur PT. Indo Acidatama Tbk. Hoe dan ook merkte de Commissie verder op dat zij Indonesië als een passend representatief land had afgewezen op basis van het aanzienlijke aandeel invoer uit de VRC voor ten minste vier van de belangrijkste productiefactoren en vanwege de verstoringen op de markt voor mais en steenkool. Dit argument werd derhalve afgewezen.

(50)

Voorts was Huaheng Group het niet eens met het standpunt van de Commissie dat Huaheng Group selectief zou hebben gekeken naar Brazilië en Turkije als mogelijke representatieve landen waarmee zij Indonesië vergeleek, in plaats van Indonesië te vergelijken met Maleisië en Colombia (5). Om aan de voorlopige bevinding van de Commissie tegemoet te komen, wees Huaheng Group erop dat in Indonesië aanzienlijke hoeveelheden mais werden ingevoerd en gaf zij aan dat was verwacht dat Colombia een onderzoek naar de invoer van mais van oorsprong uit de VS zou openen. Het feit dat een dergelijk onderzoek niet werd geopend, wees er volgens Huaheng Group op dat de prijs van mais in Colombia mogelijk verstoord was vanwege de vermeende invoer met subsidiëring uit de VS, aangezien bijna 97 % van de totale invoer van mais in Colombia door de VS werd geleverd. De Commissie achtte het argument van Huaheng Group speculatief en niet onderbouwd, aangezien Huaheng geen enkel bewijs had aangevoerd voor de vermeende subsidiëring van Amerikaanse mais en Colombia geen handelsbeschermingsonderzoek had geopend met betrekking tot mais uit de VS. Dit argument werd derhalve afgewezen.

(51)

Huaheng Group wees erop dat de volumes van de invoer van maiszetmeel in Indonesië in overeenstemming waren met de volumes van de invoer in Maleisië en dat zij hoger waren dan de invoervolumes in Colombia.

(52)

De Commissie had deze argumenten reeds afgewezen in overweging 161 van de voorlopige verordening. Aangezien Huaheng Group geen verdere argumenten ter staving van deze beweringen had aangevoerd, wees de Commissie deze af op basis van de in overweging 161 van de voorlopige verordening uiteengezette redenering.

(53)

Voorts voerde Huaheng Group aan dat de wijze waarop de Commissie alleen had gekeken naar de productiefactoren die door het aanzienlijke aandeel invoer uit de VRC waren beïnvloed, misleidend was omdat zij geen rekening had gehouden met alle productiefactoren. Derhalve waren volgens Huaheng Group de benchmarks op basis van de invoer in Colombia van maiszetmeel, steenkool en actieve kool eveneens onbetrouwbaar. In dit verband herhaalde Huaheng Group haar in overweging 184 van de voorlopige verordening samengevatte opmerkingen over de invoer van dergelijke productiefactoren in Indonesië, in vergelijking met de invoer in Maleisië en Colombia.

(54)

De Commissie was het echter niet eens met dit argument, aangezien zij alle door Huaheng Group genoemde productiefactoren, waaronder mais, in Indonesië had geanalyseerd. Zo heeft de Commissie in de eerste mededeling over de bronnen voor de vaststelling van de normale waarde van 2 april 2025 (“eerste mededeling”) het bestaan van het verbod op de invoer van mais in Indonesië aan de orde gesteld. Bovendien heeft de Commissie niet vastgesteld dat de invoer van maiszetmeel, steenkool en actieve kool in Colombia verstoord was. Op dit punt is specifiek ingegaan in de overwegingen 66, 68 en 70. Dit argument werd derhalve afgewezen.

(55)

Huaheng Group betwistte de lezing van de Commissie in overweging 187 van de voorlopige verordening dat het verbod op de invoer van mais in Indonesië de reden kan zijn dat het invoervolume lager is dan dat in Maleisië en Colombia (6). Volgens Huaheng Group werd de lezing van de Commissie weerlegd door het feit dat de gemiddelde prijs van mais bij invoer in Indonesië identiek was aan de prijs bij invoer in Maleisië en hoger was dan de prijs bij invoer in Colombia. Bovendien werd het verbod op de invoer van mais in Indonesië naar de mening van Huaheng Group niet weerspiegeld in de invoervolumes van Indonesië. Evenzo betoogde Huaheng Group wat steenkool betreft, een sector die was beïnvloed door marktverstoringen die de Commissie in de eerste mededeling had vastgesteld, dat de prijs bij invoer in Indonesië vergelijkbaar was met die bij invoer in Maleisië.

(56)

De door Huaheng Group gemaakte prijsvergelijking was bedoeld om aan te tonen dat de voor mais en steenkool vastgestelde marktverstoringen niet van invloed waren op de prijs van deze productiefactoren bij invoer in Indonesië. In overweging 187 van de voorlopige verordening voerde de Commissie echter aan dat het verbod op de invoer van mais van invloed kon zijn geweest op het invoervolume, maar dat zij in dit verband niet het prijseffect van een dergelijk verbod beoordeelde. In de door Huaheng Group aangevoerde argumenten werd derhalve niet ingegaan op de redenering van de Commissie, en deze argumenten deden geen afbreuk aan de bevindingen van de Commissie in dit verband. Bovendien herinnerde de Commissie eraan dat, wat het argument betreft dat het verbod op de invoer van mais niet werd weerspiegeld in het volume van de invoer in Indonesië, zij in de eerste mededeling had toegelicht dat op grond van dit invoerverbod de invoer van mais in bepaalde maanden is toegestaan, mits de lokale productie niet aan de binnenlandse vraag voldoet (7). Het verbod op de invoer van mais is derhalve geen volledig verbod en de invoer van mais blijft doorgaan, zij het op een lager niveau. Uit invoerstatistieken kon dan niet blijken dat in Indonesië geen mais werd ingevoerd, zoals Huaheng Group lijkt te suggereren. Integendeel, uit de statistieken blijkt dat wel mais werd ingevoerd, maar in lagere volumes dan in Maleisië en Colombia, een punt waarop Huaheng Group niet is ingegaan. Tot slot blijkt uit de door Huaheng Group voor zowel mais als steenkool gemaakte vergelijking met de prijzen in Maleisië en Colombia hoe dan ook niet of de marktverstoringen de prijs van mais en steenkool in Indonesië hebben beïnvloed. Dit argument werd derhalve afgewezen.

(57)

Tot slot voerde Huaheng Group aan dat, op basis van de redenering van de Commissie dat een laag volume betekende dat er sprake was van een verstoring, maiszetmeel in Colombia ook verstoord zou zijn door het lage invoervolume, wat ook zou worden weerspiegeld in de hoge prijs in Colombia.

(58)

De Commissie heeft het argument dat de prijs van maiszetmeel bij invoer in Colombia verstoord zou zijn, in overweging 66 behandeld en afgewezen.

—   Maleisië

(59)

In haar opmerkingen na de mededeling van de voorlopige bevindingen bestreed Huaheng Group de conclusie van de Commissie dat de financiële gegevens van Ajinomoto Malaysia geen betrouwbare benchmark voor de VAA-kosten en de winst konden vormen omdat Ajinomoto Malaysia de productie van MNG, het andere product dat volgens de Commissie in dezelfde algemene categorie als valine valt, in Maleisië had stopgezet. In dit verband trok Huaheng Group de betrouwbaarheid van het jaarverslag 2024 van Ajinomoto Malaysia over de stopzetting van de MNG-productie in twijfel vanwege de vermeende onduidelijke bewoordingen van het jaarverslag.

(60)

De Commissie merkte op dat het feit dat Ajinomoto Malaysia niet langer bij de productie van MNG betrokken was, ook werd bevestigd in een recent onderzoek, in het kader waarvan de Maleisische autoriteiten de Commissie meedeelden dat Ajinoriki Malaysia de enige producent van MNG in het land was (8). Derhalve konden de gegevens van Ajinomoto Malaysia niet worden gebruikt en werd dit argument afgewezen.

(61)

Wat Ajinoriki Malaysia betreft, betwistte Huaheng Group de conclusie van de Commissie dat de financiële gegevens van Ajinoriki Malaysia geen betrouwbare benchmark voor VAA-kosten en winst konden vormen vanwege de betrokkenheid van de onderneming bij ontwijkingspraktijken (9). Volgens Huaheng Group werd de deelname van Ajinoriki Malaysia aan ontwijkingspraktijken bij de MNG-productie namelijk alleen beoordeeld voor de verslagperiode van dat onderzoek (1 juli 2023 tot en met 30 juni 2024).

(62)

De Commissie merkte op dat de veranderde structuur van het handelsverkeer die in het onderhavige antiontwijkingsonderzoek was vastgesteld, het gevolg was van de toename van de uitvoer van de verbonden handelaar van Ajinoriki Malaysia in de VRC naar Maleisië, die in 2021 begon, tijdens het onderzoektijdvak van het antiontwijkingsonderzoek (10). De door de Commissie in het antiontwijkingsonderzoek vastgestelde veranderde structuur van het handelsverkeer was derhalve van invloed op de financiële gegevens voor 2022 van Ajinoriki Malaysia. Dit argument werd derhalve afgewezen.

(63)

Wat het feit betreft dat de meest recente beschikbare financiële gegevens van Ajinoriki Malaysia uit 2022 dateren, voerde Huaheng Group bovendien aan dat de Commissie zich op de nog oudere winstgegevens van niet-verbonden importeurs uit het onderzoek naar de invoer van bepaalde soorten polyvinylalcohol van oorsprong uit de VRC (“polyvinylalcoholonderzoek”) (11) had gebaseerd om de winst van verbonden handelaren en importeurs vast te stellen.

(64)

De Commissie merkte op dat de redelijke winst van een producent in een representatief land bij de vaststelling van de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening enerzijds en de voor de correctie van de uitvoerprijs op grond van artikel 2, lid 9, en artikel 2, lid 10, punt i), van de basisverordening gebruikte winstmarge anderzijds, op een verschillende rechtsgrondslag zijn gebaseerd en een verschillend doel dienen en dat zij derhalve niet vergelijkbaar zijn. Derhalve kon de Commissie zich niet baseren op de financiële gegevens voor 2022 van Ajinoriki Malaysia en werd dit argument afgewezen.

—   Colombia

(65)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen voerde Huaheng Group aan dat de Colombiaanse benchmark voor maiszetmeel verstoord was en dat de Commissie deze zou moeten vervangen door een geschiktere benchmark, zoals de prijs bij invoer in Indonesië of Maleisië, of een “mondiale invoerprijs”. Ten eerste voerde Huaheng Group aan dat het volume van de invoer in Colombia te laag was om representatief te zijn, bijvoorbeeld in vergelijking met Indonesië of Maleisië, die beide grote importeurs van maiszetmeel zijn. Ten tweede voerde Huaheng Group aan dat het extreem lage volume van de invoer in Colombia tot abnormaal hoge invoerprijzen had geleid, bijvoorbeeld in vergelijking met Brazilië (37 % hoger), Thailand (27 %), Indonesië (72 %) en Maleisië (65 %). Ten derde heeft Huaheng Group gegevens over de invoer in Colombia per land van invoer en per land van oorsprong ingediend. Huaheng Group voerde aan dat één invoerende onderneming verantwoordelijk was voor bijna 50 % van alle invoer in Colombia. Huaheng Group betoogde verder dat alle invoer van die invoerende onderneming afkomstig was van verbonden leveranciers, een omstandigheid die volgens Huaheng Group twijfel doet rijzen over de vraag of de aankoopprijs marktconform was. Ten vierde voerde Huaheng Group aan dat de belangrijkste activiteiten van die invoerende onderneming werden verricht in de levensmiddelen-, dranken- en farmaceutische sector en dat het derhalve waarschijnlijk was dat de prijs van het door die onderneming ingevoerde maiszetmeel hoger was dan die van het industriële maiszetmeel voor valine dat werd gebruikt door de producent van Huaheng Group, te weten BHB.

(66)

Wat het eerste en het tweede punt betreft, heeft de Commissie in de eerste mededeling geconcludeerd dat mais in Indonesië was beïnvloed door marktverstoringen in de vorm van een verbod op invoer van mais. Bovendien heeft de Commissie een beoordeling uitgevoerd van gegevens voor het onderzoektijdvak uit de GTA met betrekking tot het bedrag en de waarde van de invoer in alle landen van oorsprong uit alle landen met uitzondering van de VRC en de in bijlage 1 bij Verordening (EU) 2015/755 van het Europees Parlement en de Raad vermelde landen (12). Uit de gegevens is gebleken dat de prijs in Maleisië weliswaar 40 % lager was dan in Colombia, maar dat er ook landen met grote invoervolumes waren met soortgelijke of hogere prijzen dan Colombia, zoals Duitsland (dezelfde prijs als in Colombia), Frankrijk (26 % hogere prijs dan in Colombia), Canada (34 % hoger dan Colombia), het Verenigd Koninkrijk (64 % hoger dan Colombia) en Australië (1 % hoger dan Colombia). De Commissie merkte tevens op dat hoewel Huaheng Group Brazilië noemde als een voorbeeld van een land met een lagere invoerprijs dan Colombia, het volume van de invoer in Brazilië 21 % lager was dan in Colombia. De Commissie is derhalve tot de conclusie gekomen dat het volume van de invoer in Colombia niet tot een abnormaal hoge invoerprijs heeft geleid. Op basis hiervan kan het feit dat de invoerprijzen per land verschilden, op zich niet rechtvaardigen dat hogere of lagere prijzen als abnormaal worden aangemerkt en bijgevolg moeten worden afgewezen. Wat het derde punt betreft, heeft Huaheng Group geen bewijsmateriaal ingediend waaruit blijkt of de invoerende onderneming en haar leveranciers al dan niet met elkaar verbonden waren. Bovendien heeft de Commissie de door Huaheng Group ingediende gegevens beoordeeld en opgemerkt dat de prijzen waartegen de door Huaheng Group aangewezen invoerende onderneming maiszetmeel kocht, sterk uiteenliepen naargelang van het land van levering, en derhalve toonden de verstrekte gegevens niet aan dat het verschil kon worden verklaard door een mogelijk beleid inzake verrekenprijzen. Verder waren er andere importeurs in Colombia die tegen een vergelijkbare prijs hadden gekocht in hetzelfde land van levering. Tot slot merkte de Commissie op dat op de website van de invoerende onderneming (13) producten en activiteiten vermeld zijn die niet tot levensmiddelen, dranken en farmaceutische producten beperkt blijven, bijvoorbeeld diervoeding en industriële toepassingen. Derhalve achtte de Commissie het argument dat de invoerende onderneming waarschijnlijk hooggeprijsd maiszetmeel had ingekocht, niet onderbouwd. De Commissie heeft de argumenten derhalve afgewezen en was van oordeel dat de Colombiaanse benchmark voor maiszetmeel redelijk was.

(67)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen voerde CJS aan dat de benchmarks van de Commissie voor actieve kool en azijnzuur onbetrouwbaar waren. Wat actieve kool betreft, voerde CJS aan dat de lage volumes van de invoer in Colombia tot een te hoge benchmark hadden geleid, omdat alle andere door de Commissie in de eerste mededeling aangewezen hogermiddeninkomenslanden, namelijk Brazilië, Indonesië, Colombia, Thailand en Turkije, veel hogere invoervolumes hadden. CJS stelde voor om de gewogen gemiddelde prijs van de invoer in Turkije of een internationale benchmark als een representatiever alternatief te gebruiken, aangezien deze benchmarks de marktprijzen voor actieve kool nauwkeuriger zouden weerspiegelen. Ter ondersteuning van zijn voorstel verwees CJS tevens naar andere gevallen waarin de Commissie alternatieve benchmarks had gebruikt.

(68)

De Commissie was van mening dat CJS onvoldoende bewijsmateriaal had verstrekt ter onderbouwing van zijn argument dat de prijs van actieve kool bij invoer in Colombia buitensporig hoog is. De volumes van de invoer in Colombia waren toereikend om een betrouwbare benchmark vast te stellen. Bovendien is het gebruik door de Commissie van landspecifieke benchmarks in overeenstemming met haar vaste praktijk. CJS verwees naar andere gevallen waarin alternatieve benchmarks waren gebruikt, zonder aan te tonen waarom deze voorbeelden in dit geval, en voor de specifieke marktomstandigheden ten tijde van het onderzoek, relevant zijn. De Commissie heeft het argument van CJS derhalve afgewezen.

(69)

Wat azijnzuur betreft, voerde CJS aan dat de invoerprijs buitensporig hoog is en 40 % tot 80 % hoger is dan de gemiddelde prijzen bij invoer in de andere hogermiddeninkomenslanden die door de Commissie in de eerste mededeling in kaart zijn gebracht. CJS schreef dit toe aan twee belangrijke factoren: ten eerste het relatief lage volume van de invoer van azijnzuur in Colombia in vergelijking met de andere hogermiddeninkomenslanden, en ten tweede het feit dat de in Colombia ingevoerde soort azijnzuur een hogere zuiverheidsgraad zou hebben en daardoor duurder is. Om dit argument te staven, merkte CJS op dat wanneer Colombia azijnzuur uit Duitsland en Nederland invoert, de prijs aanzienlijk hoger is dan wanneer Turkije azijnzuur invoert uit dezelfde landen, waarschijnlijk door het verschil in zuiverheidsgraad van het ingevoerde azijnzuur. CJS stelde voor om gebruik te maken van de prijs bij invoer in Brazilië of een internationale benchmark als een nauwkeurigere benchmark voor azijnzuur.

(70)

De Commissie was van mening dat CJS onvoldoende bewijsmateriaal heeft verstrekt ter staving van zijn argument dat de prijs van azijnzuur bij invoer in Colombia buitensporig hoog is, aangezien de onderneming uitsluitend verwees naar de Colombiaanse invoer uit Duitsland en Nederland. De Commissie merkte op dat de invoer uit Duitsland en Nederland minder dan 0,1 % van de totale invoer van Colombia vertegenwoordigde en derhalve niet representatief is voor het totale invoerpatroon van Colombia. Zoals vermeld in overweging 66, betekent het enkele feit dat de invoerprijzen per land verschilden, op zich niet dat de prijs bij invoer in Colombia abnormaal is en buiten beschouwing moet worden gelaten. Aangezien er geen bewijs is van verstoringen op de Colombiaanse markt, blijven de benchmarks van de Commissie voor actieve kool en azijnzuur een betrouwbare en representatieve indicator voor de marktprijs. De Commissie heeft het argument van CJS derhalve afgewezen.

(71)

De klager voerde aan dat de invoer van steenkool in Colombia laag was omdat Colombia een grote exporteur van steenkool was, en betoogde dat de Commissie in overweging 161 van de voorlopige verordening niet op die lage invoer was ingegaan. De klager voerde aan dat een passender resultaat zou worden verkregen door gebruik te maken van het gewogen gemiddelde van de eenheidsprijzen van de invoer in alle landen van oorsprong uit alle landen met uitzondering van de VRC en de in bijlage 1 bij Verordening (EU) 2015/755 genoemde landen, zoals vermeld in de GTA.

(72)

De Commissie merkte op dat de klager niet had onderbouwd en niet met bewijsmateriaal had aangetoond waarom het vermeende lage volume van de invoer van steenkool in Colombia in dit specifieke geval van invloed was op de betrouwbaarheid van de benchmark. De Commissie was derhalve van oordeel dat het volume van de invoer van steenkool in Colombia in dit geval toereikend was om een redelijke benchmark vast te stellen zonder gebruik te moeten maken van een alternatieve internationale benchmark. Dit argument werd derhalve afgewezen.

3.2.2.1.   Opmerkingen na de mededeling van de definitieve bevindingen

—   Indonesië

(73)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde Huaheng Group aan dat de Commissie niet volledig was ingegaan op haar argument na de mededeling van de voorlopige bevindingen om Indonesië als een representatief land te selecteren, volgens welk argument de prijs van mais bij invoer in Colombia was beïnvloed door het aanzienlijke aandeel invoer uit de VS. De Commissie heeft deze opmerking samengevat en behandeld in overweging 50. Huaheng Group herhaalde haar argument dat de prijs van de beweerde invoer met subsidiëring uit de VS lager was dan de prijs van alternatieve bronnen (Brazilië, Paraguay, Argentinië en Ecuador) en de prijs van mais bij invoer in Colombia kunstmatig drukte in vergelijking met de prijs bij invoer in Indonesië, Thailand en Maleisië, die minder mais uit de VS invoerden. Huaheng Group rechtvaardigde het feit dat Brazilië een nog lagere invoerprijs had dan Colombia met het feit dat Brazilië de op twee na grootste maisproducent ter wereld is, wat de invoervraag van Brazilië zou verminderen en de invoerprijzen zou drukken.

(74)

De Commissie stelde vast dat het argument van Huaheng Group speculatief was. De redenering van Huaheng Group is namelijk gebaseerd op het feit dat de invoer van mais uit de VS de door de prijs van mais bij invoer in Colombia vertegenwoordigde benchmark heeft verstoord en dat deze prijs derhalve minder geschikt zou zijn dan de prijs van mais bij invoer in Indonesië. Anders dan de invoer van mais uit de VRC, waar in het huidige onderzoek verstoringen van betekenis in de zin van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening zijn vastgesteld in overweging 138 van de voorlopige verordening, bleek de invoer van mais uit de VS echter niet verstoord te zijn. Het antisubsidieonderzoek dat Colombia zou openen, werd overigens niet geopend. Huaheng Group voerde aan dat een dergelijk onderzoek mogelijk niet werd geopend vanwege bezorgdheid over vergelding door de VS, zonder enig bewijs voor deze bewering te leveren. Huaheng Group heeft derhalve niet aangetoond dat de invoer uit de VS verstoord was. Als gevolg daarvan was de rest van het argument ongegrond. Het feit dat de prijs van de invoer uit de VS lager was dan die uit alternatieve leveringsbronnen, betekende niet dat de prijs van mais bij invoer in Colombia verstoord was of kunstmatig werd gedrukt. Dit bevestigde veeleer het standpunt dat de prijs van mais bij invoer in Colombia reageerde op, en het resultaat was van, de normale marktdynamiek, die wordt weerspiegeld door de lage prijs van de belangrijkste bron ervan, de VS. Dit argument werd derhalve afgewezen.

(75)

Huaheng Group was het niet eens met de wijze waarop de Commissie haar argument naar aanleiding van de mededeling van de voorlopige bevindingen had behandeld dat het volume van de invoer van maiszetmeel in Colombia lager was dan het volume van de invoer in Indonesië, dat juist aanzienlijk was en vergelijkbaar was met dat van Maleisië. De Commissie heeft dit argument samengevat in overweging 51 en behandeld in overweging 52, onder verwijzing naar overweging 161 van de voorlopige verordening. Huaheng Group voerde echter aan dat de Commissie in overweging 161 van de voorlopige verordening enkel had opgemerkt dat in Colombia minder productiefactoren door een aanzienlijk aandeel invoer uit de VRC werden beïnvloed dan in andere potentiële representatieve landen.

(76)

Het argument van Huaheng Group dat het volume van de invoer van maiszetmeel in Colombia lager was dan dat in Indonesië, is behandeld in overweging 161 van de voorlopige verordening, waarin de Commissie evenals Huaheng Group aangaf dat de invoer van maiszetmeel in Colombia lager was dan in Indonesië. De opmerking van Huaheng Group werd derhalve in aanmerking genomen, maar een lager invoervolume dan een ander potentieel representatief land trok de representativiteit of betrouwbaarheid van de op basis daarvan vastgestelde benchmark op zich niet in twijfel. De afzonderlijke vraag of het volume van de invoer van maiszetmeel in Colombia van invloed was op de betrouwbaarheid van de benchmark, is behandeld in overweging 66 en verder in de overwegingen 97 tot en met 99. Het volume van de invoer van maiszetmeel in Colombia was tevens beoordeeld in overweging 161 van de voorlopige verordening met de daaropvolgende analyse van de Commissie met betrekking tot het aandeel van de invoer uit de VRC (ten opzichte van de totale invoer) van de productiefactoren, wat verklaarde waarom Indonesië geen passend representatief land was. Het argument over het niet ingaan op het invoervolume van maiszetmeel werd derhalve afgewezen.

(77)

Huaheng Group was het evenmin eens met de wijze waarop de Commissie is ingegaan op haar argument na de mededeling van de voorlopige bevindingen dat de Commissie niet had mogen kijken naar het aantal productiefactoren dat door de invoer uit de VRC was beïnvloed, maar had moeten kijken naar het aandeel van de potentieel beïnvloede productiefactoren in de productiekosten van de producenten-exporteurs. Volgens Huaheng had vanuit dit oogpunt moeten worden gekeken naar de volumes van de invoer van maiszetmeel, steenkool en actieve kool in Colombia, die lager waren dan die van de invoer in Indonesië. De Commissie heeft dit argument samengevat in overweging 53 en behandeld in overweging 54. Huaheng Group was echter van mening dat de Commissie haar argument in overweging 54 niet had weerlegd. Naar de mening van Huaheng Group moeten de productiefactoren worden geëvalueerd ten opzichte van het aandeel ervan in de productiekosten, omdat dit bij de berekening van de normale waarde de verstorende gevolgen rechtstreeks zou weerspiegelen, terwijl het tellen van de productiefactoren geen nauwkeurig beeld gaf van de mate van de verstoring. Huaheng Group voerde aan dat, indien alle productiefactoren in aanmerking worden genomen, de verstorende gevolgen, afgezet tegen de totale productiekosten, in Colombia aanzienlijk groter waren dan in Indonesië of Maleisië, rekening houdend met het aandeel van maiszetmeel. Bij deze conclusie heeft Huaheng Group er rekening mee gehouden dat het verbod op de invoer van mais in Indonesië geen verstorend effect had op de invoerprijzen, zoals uiteengezet in de overwegingen 82 en 83, terwijl het geringe volume van de invoer van maiszetmeel in Colombia wel een verstorend effect had.

(78)

Het argument van Huaheng Group is gedeeltelijk niet onderbouwd. Door te verwijzen naar het aantal productiefactoren dat door het aanzienlijke aandeel invoer uit de VRC werd beïnvloed, heeft de Commissie ook rekening gehouden met het aandeel van de productiefactoren in de productiekosten van beide in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs (dat kan verschillen naargelang van de kostenstructuur van elke producent), zoals uiteengezet in overweging 186 van de voorlopige verordening. In overweging 186 van de voorlopige verordening en de bijbehorende voetnoten heeft de Commissie immers gedetailleerd uiteengezet dat de invoer uit de VRC in Indonesië van invloed was op vier factoren, met een aandeel van 45 % tot 83 % van de totale invoer per factor: i) glucose-monohydraat en SOD-poeder, ii) fosforzuur, iii) natriumhydroxide, en iv) actieve kool. De Commissie heeft aangegeven dat deze vier productiefactoren [1-10] % van de productiekosten van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs uitmaakten. De invoer uit de VRC in Maleisië was daarentegen van invloed op drie factoren, met een aandeel van 49 % tot 81 % van de totale invoer per factor: i) glucose-monohydraat en SOD-poeder, ii) azijnzuur, en iii) actieve kool. Deze factoren maakten [1-6] % uit van de totale productiekosten van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs. Tot slot was de invoer uit de VRC in Colombia van invloed op drie factoren, met een kleiner aandeel van 36 % tot 65 % van de totale invoer per factor: i) glucose-monohydraat en SOD-poeder, ii) fosforzuur, en iii) actieve kool. Deze factoren maakten [1-8] % uit van de totale productiekosten van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs. De Commissie heeft derhalve terdege rekening gehouden met de aandelen van de productiefactoren in de productiekosten van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs. Hieruit bleek echter dat een groter deel van de productiekosten zou zijn beïnvloed indien Indonesië als representatief land was gebruikt in plaats van Maleisië en Colombia. De reden waarom Huaheng Group tot een andere conclusie kwam, namelijk dat, op basis van het deel van de productiekosten dat was beïnvloed, Colombia sterker door de invoer uit de VRC was getroffen dan Indonesië en Maleisië, berustte op de onjuiste veronderstelling dat de invoer van mais, maiszetmeel, steenkool en actieve kool in Colombia verstoord was of anderszins niet bruikbaar was. Dit is echter voor geen van deze vier productiefactoren aangetoond. Derhalve concludeerde de Commissie in overweging 74 dat de prijs van mais bij invoer in Colombia niet verstoord was, in de overwegingen 93 en 97 tot en met 99 dat de prijs van maiszetmeel bij invoer in Colombia redelijk was, in overweging 72 dat de prijs van steenkool bij invoer in Colombia eveneens redelijk was, en in overweging 68 dat de prijs van actieve kool bij invoer in Colombia betrouwbaar was. Derhalve is het argument van Huaheng Group dat in Colombia de door de invoer uit de VRC beïnvloede productiefactoren gevolgen hadden voor een groter deel van de productiekosten, gebaseerd op een aantal onjuiste veronderstellingen. Voorts heeft de Commissie bij haar conclusie dat, wat het aandeel van de invoer uit de VRC betreft, Indonesië sterker was getroffen dan Colombia, geen rekening gehouden met het verbod op de invoer van mais in Indonesië. Rekening houdend met het verbod op de invoer van mais in Indonesië, alsook met de marktbeperkingen ten aanzien van steenkool, zou de Commissie nog steeds hebben geconcludeerd dat Indonesië niet als een geschikt representatief land kon worden beschouwd. Het argument van Huaheng Group werd derhalve afgewezen.

(79)

Voorts voerde Huaheng Group aan dat de Commissie niet was ingegaan op haar opmerkingen na de mededeling van de voorlopige bevindingen over de invoer van glucose-monohydraat en SOD-poeder, fosforzuur, natriumhydroxide en actieve kool in Indonesië, ten opzichte van de invoer van deze productiefactoren in Maleisië en Colombia.

(80)

Zoals uiteengezet in overweging 53, heeft Huaheng Group, in haar opmerkingen na de mededeling van de voorlopige bevindingen, enkel haar reeds na de tweede mededeling ingediende opmerkingen herhaald. De Commissie heeft deze opmerkingen samengevat in overweging 184 van de voorlopige verordening en behandeld in de overwegingen 185 tot en met 188 van die verordening. Na de mededeling van de voorlopige bevindingen richtte Huaheng Group zich op een vergelijking van Indonesië met Colombia en Maleisië, en verzocht zij de Commissie om op deze vergelijking in te gaan. De Commissie heeft echter het standpunt van Huaheng Group dat i) glucose-monohydraat en SOD-poeder, ii) fosforzuur, iii) natriumhydroxide, en iv) actieve kool een beperkte relevantie hadden in de productiekosten, reeds weerlegd in overweging 186 van de voorlopige verordening, waaruit blijkt dat het aandeel van de invoer uit de VRC van deze factoren in Maleisië en Columbia lager was dan het aandeel van deze invoer in Indonesië.

(81)

Hoe dan ook, de Commissie heeft bij een vergelijking van specifiek het aandeel van de invoer uit de VRC van deze factoren in Indonesië met het aandeel van de invoer uit de VRC van dezelfde factoren in Maleisië en Colombia, het volgende geconcludeerd: Huaheng Group heeft erkend dat het aandeel van de invoer uit de VRC van actieve kool in Indonesië (45,11 %) hoger was dan het aandeel van de invoer uit de VRC in Colombia (39,59 %). Bovendien is de Commissie op de representativiteit van de benchmark voor actieve kool ingegaan in overweging 68. Wat glucose-monohydraat en SOD-poeder betreft, werd met het feit dat Indonesië, Maleisië en Colombia alle door invoer uit de VRC werden getroffen, niet weerlegd dat Colombia wat het aandeel van de invoer uit de VRC betreft, het minst was getroffen, met een aandeel van 36,38 %, tegenover 80,55 % in Maleisië en 83,46 % in Indonesië. In dezelfde zin werd met het feit dat de prijs van de invoer van fosforzuur in Indonesië in overeenstemming was met de prijs bij invoer in Maleisië en Colombia, niet weerlegd dat de prijs bij invoer in Indonesië van de drie landen de laagste was en dat het aandeel van de invoer uit de VRC van 82,36 % in Indonesië hoger was dan in Colombia, waar de invoer uit de VRC slechts 65,30 % vertegenwoordigde, en Maleisië, dat zelfs niet werd geacht door de invoer uit de VRC te zijn getroffen. Tot slot was, wat natriumhydroxide betreft, ondanks het feit dat de prijs bij invoer in Indonesië het hoogst was, deze prijs ook in overeenstemming met de prijs van de invoer uit de VRC in Maleisië. De Commissie is derhalve tot de conclusie gekomen dat geen van de door Huaheng Group naar voren gebrachte elementen haar bevindingen ongedaan kon maken en heeft de opmerkingen afgewezen.

(82)

Tot slot voerde Huaheng Group aan dat, door de Commissie een vergelijking van de prijzen van mais bij invoer in Indonesië, Maleisië en Colombia te verstrekken, zij de bevinding van de Commissie zou hebben weerlegd dat het lage volume van de invoer van mais in Indonesië mogelijk het gevolg was van het verbod op de invoer van mais. Huaheng Group voerde verder aan dat de Commissie de invoerprijzen als irrelevant beschouwde en dat zij haar conclusies alleen op de invoervolumes zou hebben gebaseerd. Tot slot betoogde Huaheng Group dat Indonesië een niet-verstoorde representatieve invoerprijs voor mais had, ondanks het bestaan van het invoerverbod.

(83)

De Commissie was het niet eens met de interpretatie van Huaheng Group dat de Commissie alleen rekening had gehouden met de invoervolumes. In overweging 56 is de Commissie enkel ingegaan op een opmerking van Huaheng Group. De Commissie kwam tot de conclusie dat uit de door de onderneming verstrekte informatie niet was gebleken dat de marktverstoringen de prijs van mais in Indonesië niet hadden beïnvloed. Uit het enkele feit dat de maisprijzen in de drie landen (Indonesië, Maleisië en Colombia) in het onderzoektijdvak op één lijn lagen, bleek als zodanig niet dat de prijs van mais bij invoer in Indonesië niet door het invoerverbod was beïnvloed. In elk geval werd Indonesië niet alleen op basis van het verbod op de invoer van mais als een representatief land afgewezen, maar ook vanwege het aandeel van de invoer uit de VRC voor vier productiefactoren en de verstoringen op de steenkoolmarkt. Dit argument werd derhalve afgewezen.

—   Maleisië

(84)

Huaheng Group voerde aan dat de Commissie niet was ingegaan op haar argument na de mededeling van de voorlopige bevindingen dat het jaarverslag 2024 van Ajinomoto Malaysia niet duidelijk zou aantonen dat de MNG-productie was stopgezet, maar veeleer zou wijzen op een verplaatsing of geleidelijke afschaffing van bepaalde processen, zodat haar financiële gegevens nog steeds als een betrouwbare benchmark konden worden gebruikt. Huaheng Group voerde verder aan dat de bevestiging door de Maleisische autoriteiten in een ander onderzoek dat Ajinoriki Malaysia de enige producent van MNG in het land was, zoals uiteengezet in overweging 60, beperkt was tot de producenten die de Maleisische autoriteiten bekend waren, en geen betrekking had op alle producenten in het land. Volgens Huaheng Group blijkt uit deze elementen samen niet dat de productie van MNG in Maleisië volledig was stopgezet, en de onderneming voerde aan dat de Commissie derhalve de financiële gegevens voor 2024 van Ajinomoto Malaysia nog steeds had kunnen gebruiken.

(85)

In tegenstelling tot wat werd betoogd door Huaheng Group, heeft de Commissie rekening gehouden met de aangevoerde argumenten. Zoals uiteengezet in overweging 60, bevestigde de door de Maleisische autoriteiten ontvangen bevestiging de conclusie van de Commissie dat de financiële gegevens van Ajinomoto Malaysia niet konden worden gebruikt. Het feit dat de door de Maleisische autoriteiten ontvangen bevestiging mogelijk alleen betrekking had op de bekende producenten, en niet op alle producenten, kon deze conclusie niet in twijfel trekken, aangezien de Commissie van mening was dat de autoriteiten van een land redelijk goed geïnformeerd zijn over de producenten in dat land. De Commissie was derhalve van mening dat de vermeende dubbelzinnigheid die Huaheng Group in het jaarverslag 2024 van Ajinomoto Malaysia had opgemerkt, de conclusie van Huaheng Group dat de MNG-productie in Maleisië was voortgezet, niet kon ondersteunen, met name niet wanneer rekening wordt gehouden met de tegenstrijdige elementen die door de Maleisische autoriteiten zijn verstrekt en met de informatie in het bericht van opening van onderzoek en tot instelling van tussentijdse maatregelen — EAPA Consolidated Case 7950 van de Amerikaanse Customs and Border Protection (14), zoals door andere belanghebbenden aan de Commissie verstrekt in de opmerkingen over de tweede mededeling en zoals vermeld in overweging 189 van de voorlopige verordening. Derhalve konden de financiële gegevens van Ajinomoto Malaysia niet worden gebruikt en heeft de Commissie dit argument afgewezen.

(86)

Huaheng Group betoogde verder dat niet was ingegaan op haar argument na de mededeling van de voorlopige bevindingen dat de Commissie de VAA-kosten en de winst van Ajinomoto Malaysia niet als onredelijk mocht kwalificeren, aangezien deze de gegevens voor 2024 weerspiegelden, terwijl de Colombiaanse cijfers betrekking hadden op 2023.

(87)

In overweging 199 van de voorlopige verordening heeft de Commissie echter het gebruik van de financiële gegevens van Ajinomoto Malaysia als benchmark voor redelijke VAA-kosten en een redelijke winst afgewezen op basis van het feit dat Ajinomoto Malaysia de productie van MNG in Maleisië had stopgezet, en niet omdat de VAA-kosten en winst van Ajinomoto Malaysia als zodanig niet redelijk zouden zijn. De “redelijke VAA-kosten en een redelijke winst” hadden namelijk betrekking op de norm van de benchmark, en niet op een kwalificatie van de financiële gegevens van Ajinomoto Malaysia als zodanig. Dit argument werd derhalve afgewezen.

(88)

Met betrekking tot de conclusies van de Commissie in overweging 200 van de voorlopige verordening, en in overweging 61 over de betrokkenheid van Ajinoriki Malaysia bij ontwijkingspraktijken, voerde Huaheng Group aan dat de uitvoer van de verbonden handelaar van Ajinoriki Malaysia in de VRC naar Maleisië in 2021 in absolute cijfers nog zeer beperkt was (15), zodat kan worden betwijfeld of dit kan neerkomen op een verandering in de structuur van het handelsverkeer, wat een van de voorwaarden is om de uitvoer aan te merken als ontwijking van antidumpingmaatregelen. Huaheng Group voegde eraan toe dat een verandering in de structuur van het handelsverkeer ook slechts een van de vier cumulatieve voorwaarden was om het bestaan van ontwijking overeenkomstig de basisverordening vast te stellen en dat de gegevens die nodig zijn voor het beoordelen van het bewijs van dumping, dat een van die voorwaarden is, alleen waren verzameld voor de in overweging 61 vermelde verslagperiode van het antiontwijkingsonderzoek, d.w.z. 1 juli 2023 tot en met 30 juni 2024. Derhalve konden de financiële gegevens voor 2022 van Ajinoriki Malaysia nog steeds worden gebruikt.

(89)

In overweging 200 van de voorlopige verordening heeft de Commissie de financiële gegevens voor 2022 van Ajinoriki Malaysia afgewezen, omdat deze ook voortvloeiden uit de overlading van Chinese MNG via Maleisië, en niet alleen uit de werkelijke productie. In dezelfde zin verwees de Commissie in overweging 62 naar de verandering in de structuur van het handelsverkeer. Zelfs indien de vier cumulatieve voorwaarden voor het vaststellen van ontwijking niet waren vastgesteld voor 2021, was de overlading derhalve van invloed op de financiële gegevens voor 2022 van Ajinoriki Malaysia, zodat de Commissie deze niet als betrouwbaar kon beschouwen. Dit argument werd derhalve afgewezen.

(90)

Tot slot voerde Huaheng Group aan dat de norm voor het vaststellen van een representatieve winstmarge op grond van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening en op grond van artikel 2, leden 9 en 10, van de basisverordening niet dezelfde mag zijn en dat de Commissie zich derhalve zou moeten baseren op de financiële gegevens voor 2022 van Ajinoriki Malaysia, aangezien zij zich bij de correctie van de uitvoerprijs op grond van artikel 2, leden 9 en 10, van de basisverordening op nog oudere gegevens heeft gebaseerd.

(91)

De Commissie merkte op dat er, wat Colombia betreft, gegevens voor 2024 en 2023 van de producent van citroenzuur Sucroal beschikbaar waren en dat Huaheng Group niet had toegelicht waarom de Commissie zich op de financiële gegevens voor 2022 van Ajinoriki Malaysia zou moeten baseren, wanneer er recentere financiële gegevens in Colombia beschikbaar waren. Deze conclusie wordt verder ondersteund door het feit dat de Commissie reeds heeft vastgesteld dat de gegevens voor 2022 van Ajinoriki Malaysia waren beïnvloed door de overladingen van zijn verbonden handelaar, zoals toegelicht in de overwegingen 62 en 89. Rekening houdend met deze elementen kon de Commissie zich niet baseren op de financiële gegevens voor 2022 van Ajinoriki Malaysia. Dit argument werd derhalve afgewezen. Een vergelijking met de vaststelling van de uitvoerprijs op grond van artikel 2, leden 9 en 10, van de basisverordening is in deze context niet passend, omdat bij de vaststelling van een redelijke winstmarge op grond van deze bepalingen andere overwegingen worden gevolgd.

—   Colombia

(92)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde Huaheng Group aan dat, aangezien de Commissie Colombia als een representatief land had gekozen zonder een correctie toe te passen voor de beweerdelijk kunstmatig hoge prijzen van maiszetmeel in dat land, de resulterende rechten in tegenspraak waren met de economische werkelijkheid. Huaheng Group voerde derhalve aan dat, hoewel het door haar gebruikte productieproces tot lagere kosten leidt dan dat van CJS, het voor Huaheng Group berekende antidumpingrecht meer dan 20 % hoger was dan dat voor CJS.

(93)

De Commissie merkte op dat het resultaat van de antidumpingrechten uitsluitend voortvloeide uit het gebruik van de in de basisverordening genoemde methode, zoals vermeld in overweging 44. Zoals beschreven in overweging 113, heeft de Commissie de verstoorde kosten in de VRC voor elke productiefactor vervangen door de overeenkomstige benchmarks in het passende representatieve land. Bovendien heeft de Commissie in de overwegingen 66, 97, 98 en 99 toegelicht waarom zij de benchmark voor maiszetmeel in Colombia redelijk achtte. De Commissie heeft dit argument derhalve afgewezen.

(94)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen gaf Huaheng Group aan het niet eens te zijn met de bevinding van de Commissie in overweging 66 dat de prijs van maiszetmeel in Colombia redelijk was en voerde zij aan dat de bevinding op gespannen voet stond met artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening en niet in overeenstemming was met de eerdere praktijk van de Commissie, zoals hierna nader wordt uiteengezet.

(95)

Ten eerste voerde Huaheng Group aan dat de Commissie op grond van artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening moet vaststellen of een invoerprijs redelijk is door deze te vergelijken met landen die een vergelijkbaar niveau van economische ontwikkeling hebben als de VRC, in plaats van met landen die een ander niveau van economische ontwikkeling hebben. Huaheng Group voerde aan dat dit de benadering was die door de Commissie werd gevolgd toen zij voorlopige maatregelen instelde ten aanzien van de invoer van elektrolytisch mangaandioxide van oorsprong uit de VRC (16) (“voorlopige EMD-verordening”). Huaheng Group voegde hieraan toe dat de prijs van maiszetmeel bij invoer in Colombia 31 % tot 33 % hoger was dan het gemiddelde van de invoerprijs in landen met hetzelfde niveau van economische ontwikkeling als de VRC, afhankelijk van de gebruikte vergelijkingsmethode.

(96)

Ten tweede heeft Huaheng Group, wat de invoer van maiszetmeel in Colombia betreft, gegevens ingediend in het kader van het argument dat de vier ondernemingen met “Ingredion” in hun naam alle deel uitmaakten van Ingredion Group en betwistte zij de bevinding van de Commissie dat de prijzen niet waren beïnvloed door het interne prijsstellingsbeleid van Ingredion Group. Huaheng Group voerde aan dat de prijzen van Ingredion Colombia bij invoer van Ingredion Mexico en van Ingredion Peru slechts kleine verschillen vertoonden, wat erop wees dat deze prijzen niet marktconform waren. Huaheng Group betoogde verder dat de prijzen van de invoer van Ingredion Brazil weliswaar sterker fluctueerden, maar dat dit mogelijk kon worden verklaard door de verschillende productielocaties van Ingredion Brazil. Huaheng Group voerde tevens aan dat de verschillende activiteiten van Ingredion Colombia (diervoeding, levensmiddelen enz.) ook de verschillen in invoerprijzen van Ingredion Colombia zouden kunnen verklaren. Huaheng Group betoogde tevens dat de gemiddelde invoerprijzen van Ingredion Colombia bijna 80 % hoger waren dan die van de andere invoer van maiszetmeel in Colombia en dat zelfs de laagst geprijsde invoer door Ingredion Colombia 10 % tot 25 % hoger was dan het gemiddelde voor andere invoer in Colombia. Tot slot voerde Huaheng Group aan dat de prijzen van de andere invoer in Colombia alleen voor transacties met zeer lage volumes vergelijkbaar waren met die van Ingredion Colombia.

(97)

De Commissie was het, zoals toegelicht in de overwegingen 98 en 99, niet met Huaheng Group eens dat de prijs van maiszetmeel bij invoer in Colombia niet redelijk was en dat de bevinding niet in overeenstemming was met artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening of in strijd was met de eerdere praktijk van de Commissie.

(98)

Wat het eerste argument betreft, was de Commissie van mening dat in artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening de bronnen zijn vermeld die de Commissie kan gebruiken voor het vervangen van verstoorde prijzen en kosten, maar dat dit artikel geen richtsnoeren bevat voor de wijze waarop de Commissie kan vaststellen of een specifieke benchmark al dan niet abnormaal hoog is. Met het oog op de vaststelling of de prijs van maiszetmeel bij invoer in Colombia abnormaal hoog was, heeft de Commissie deze prijs vergeleken met die in landen in de wereld met hogere invoervolumes van maiszetmeel dan Colombia, ongeacht hun niveau van economische ontwikkeling. Zoals aangegeven in overweging 66, heeft de Commissie vastgesteld dat er verschillende landen met grote invoervolumes waren die hogere invoerprijzen hadden dan die in Colombia. Zelfs indien de Commissie het argument van Huaheng Group zou aanvaarden om de vergelijking te beperken tot landen met hetzelfde niveau van economische ontwikkeling als de VRC, was de Commissie niet van mening dat een prijs die 31 % tot 33 % hoger is, abnormaal hoog zou worden bevonden. Huaheng Group verwees naar de voorlopige EMD-verordening, zoals in overweging 95 in herinnering is gebracht. Ondanks het feit dat elk geval uniek is en op zichzelf wordt beoordeeld, heeft de Commissie de referentie van Huaheng Group onderzocht en vastgesteld dat de prijzen in die zaak als abnormaal hoog werden beschouwd wanneer zij 102 %, 1 115 %, 1 233 % en 2 608 % hoger waren dan de gemiddelde prijs bij invoer in alle landen met een vergelijkbaar niveau van economische ontwikkeling als de VRC. In de voorlopige EMD-verordening werd één productiefactor met een 29 % hogere prijs ook vervangen, omdat het invoervolume ervan 0,00006 % bedroeg van de invoer in alle landen met een vergelijkbaar niveau van economische ontwikkeling als de VRC en in dat onderzoek als extreem laag werd beschouwd. De Commissie merkte op dat in dit onderzoek de invoer van maiszetmeel in Colombia, die meer dan 644 000 ton bedroeg, 0,8 % van de invoer in alle in aanmerking komende landen met hetzelfde niveau van ontwikkeling als de VRC vertegenwoordigde. Colombia was ook de op negen na grootste importeur van maiszetmeel van de 41 in aanmerking komende landen uit die groep (17). Daarom heeft de Commissie het argument afgewezen.

(99)

Wat het tweede argument betreft, herinnerde de Commissie eraan dat, zoals uiteengezet in overweging 66, Huaheng Group geen bewijsmateriaal had verstrekt ter ondersteuning van het argument dat de “Ingredion”-entiteiten met elkaar verbonden waren en dat er verrekenprijzen waren gehanteerd. Het aspect van het argument dat betrekking had op de verschillen in invoerprijzen van Ingredion Colombia, werd ongegrond bevonden. Het deel van het argument dat betrekking had op de verschillende activiteiten van Ingredion Colombia, was eveneens ongegrond. De Commissie stelde derhalve vast dat, zelfs indien de Ingredion-ondernemingen met elkaar verbonden waren, de argumenten en ondersteunende gegevens van Huaheng Group speculatief waren en geen bewijs vormden voor de waargenomen verschillen in invoerprijs. Wat de door Huaheng Group verstrekte aanvullende vergelijkingen op het niveau van de invoertransacties in Colombia betreft, achtte de Commissie de verschillen niet abnormaal en merkte zij op dat Huaheng Group geen bewijsmateriaal had verstrekt om deze verschillen toe te lichten. Daarom heeft de Commissie het argument afgewezen.

(100)

Aangezien er geen andere opmerkingen over het representatieve land zijn ontvangen, heeft de Commissie haar conclusies in de overwegingen 140 tot en met 208 van de voorlopige verordening bevestigd.

3.2.3.   Bronnen die zijn gebruikt om kosten en benchmarks vast te stellen

(101)

De berekening van de normale waarde werd meer in detail weergegeven in de overwegingen 41 tot en met 261 van de voorlopige verordening.

(102)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen wees de klager erop dat de in tabel 1 van de voorlopige verordening vermelde niet-verstoorde waarden van de benchmarks voor grondstoffen niet overeenstemden met de waarden die waren vermeld in de bijlage bij de voorafgaande kennisgeving met de benchmarks.

(103)

De Commissie bevestigde dat de bij de berekening gebruikte waarden inderdaad die waren welke in de bijlage met de benchmarks voor grondstoffen waren vermeld, die van tevoren aan de partijen bekend was gemaakt, met uitzondering van mais en maiszetmeel, waaraan de in overweging 224 van de voorlopige verordening beschreven correctie werd toegevoegd. Ter wille van de duidelijkheid heeft de Commissie een geactualiseerde en gecorrigeerde versie van tabel 1 verstrekt.

Tabel 1

Productiefactoren voor valine

Productiefactor

Goederencode (18)

Gegevensbron

Niet-verstoorde waarde

Meeteenheid

Grondstoffen

Mais

1005 90 11  (19)

GTA

1,81 (20)

CNY/kg

Maiszetmeel

1108 12

GTA

5,75 (20)

CNY/kg

Glucose-monohydraat en SOD-poeder/poeder/r-temp/c

1702 30

GTA

5,84

CNY/kg

Fosforzuur

2809 20

GTA

8,33

CNY/kg

Vloeibare ammoniak

2814 10

GTA

3,77

CNY/kg

Natriumhydroxide (NaOH 30 %)/vloeistof/r-temp/cn

2815 12

GTA

1,77

CNY/kg

Azijnzuur/C2H4O2/vloeistof/r-temp/cn

2915 21

GTA

6,22

CNY/kg

Actieve kool

3802 10

GTA

22,46

CNY/kg

Arbeid

Arbeid

n.v.t.

IAO

20,44

CNY/uur

Energie

Steenkool

2701 12 00 10, 2701 12 00 90

GTA

0,64

CNY/kg

Elektriciteit

n.v.t.

Tarieven van de Colombiaanse leverancier Enel Colombia (21)

1,46

CNY/kWh

Water

n.v.t.

Tarieven van de Colombiaanse leverancier Acueducto (22)

8,47

CNY/m3

Bijproducten

Maiskiemen

1104 30

GTA (23)

Pro rata (23)

CNY/kg

Eiwitpoeder

2309 90

GTA (23)

Pro rata (23)

CNY/kg

Maisvezels (van de maiskorrels) 40 kg, maisglutenvoeder, maiseiwitpoeder en glycoproteïne

2302 10

GTA (23)

Pro rata (23)

CNY/kg

Maiskiemmeel 40 kg, cn_sy csl (verkoop), cn_sy maisgluten 40 kg, maisvezels (van de schutbladeren) en maisstroop/melk

2303 10

GTA (23)

Pro rata (23)

CNY/kg

3.2.3.1.   Grondstoffen

(104)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen voerde Huaheng Group aan dat de Commissie bij de beslissing om voor de berekening van haar productiekosten mais of maiszetmeel te gebruiken als een relevante productiefactor, geen rekening had gehouden met de economische werkelijkheid. Huaheng Group voegde daaraan toe dat de Commissie bij haar keuze Huaheng Group had gediscrimineerd ten opzichte van de andere in de steekproef opgenomen producent-exporteur.

(105)

De Commissie merkte op dat zij als productiefactoren alle inputs had gebruikt die waren gekocht voor de productie van valine en dat zij derhalve rekening had gehouden met de economische werkelijkheid. De Commissie heeft dezelfde benadering gevolgd voor de andere in de steekproef opgenomen producent-exporteur en heeft derhalve geen producenten gediscrimineerd. De Commissie heeft dit argument afgewezen.

(106)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen voerde Huaheng Group aan dat op maiszetmeel geen correctie had mogen worden toegepast voor genetisch gemodificeerd (“ggo”) maiszetmeel, aangezien er bijna geen invoer was uit de VS, waar de penetratie van ggo-producten hoog is (24). Huaheng Group betoogde dat het hoge prijsniveau van maiszetmeel in Colombia erop wees dat het bij deze invoer ging om niet genetisch gemodificeerd maiszetmeel, dat, zoals uiteengezet in overweging 224 van de voorlopige verordening, duurder is dan ggo-maiszetmeel.

(107)

De Commissie was het ermee eens dat het volume van de invoer van maiszetmeel uit de VS in Colombia laag was. De Commissie was het er echter niet mee eens dat het prijsniveau van maiszetmeel in Colombia erop wees dat de invoer niet genetisch gemodificeerd was. Uit het onderzoek is namelijk gebleken dat de mais die wordt geteeld in de drie landen waar Colombia het meeste maiszetmeel kocht (tot 89 %), voor het grootste deel genetisch gemodificeerd was: 90 % in Brazilië (25), 99 % in Argentinië (26) en 80 % in Paraguay (27). De Commissie handhaafde derhalve de correctie en wees het argument af.

(108)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen verzocht de klager om bevestiging dat in de benchmark voor mais ook de vervoerskosten na invoer waren opgenomen.

(109)

In de overwegingen 220, 222 en 230 van de voorlopige verordening heeft de Commissie toegelicht dat zij aan de niet-verstoorde benchmarks voor grondstoffen de binnenlandse vervoerskosten had toegevoegd.

(110)

De klager verzocht de Commissie tevens om verduidelijking van het verschil tussen de in tabel 1 vermelde benchmark voor mais, waaronder de niet-ggo-toeslag, en de in de desbetreffende bijlage bij de voorafgaande kennisgeving vermelde benchmark voor mais.

(111)

Zoals in overweging 103 is aangegeven, heeft de Commissie de in tabel 1 vermelde waarde gecorrigeerd. Daarnaast is de niet-ggo-toeslag, zoals toegelicht in overweging 224 van de voorlopige verordening, een aanvulling op de benchmark van 5,7 % van de waarde van de in de desbetreffende bijlage bij de voorafgaande kennisgeving vermelde benchmark. De resulterende niet-verstoorde waarde is vermeld in tabel 1.

(112)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen maakte CJS er bezwaar tegen dat de Commissie de prijs van de productiefactoren bij invoer in Colombia had verhoogd met de verhouding van de vervoerskosten tot de aankoopwaarde van de inputs zoals opgegeven door CJS, in plaats van met de werkelijke vervoerskosten zoals opgegeven door CJS, met het argument dat de Commissie derhalve zonder gegronde reden zijn werkelijke vervoerskosten buiten beschouwing had gelaten. CJS betoogde met name dat de Commissie niet had aangetoond dat zijn vervoerskosten verstoord waren en dat zij de werkelijke kosten voor binnenlands vervoer, laden en lossen op de uitvoerprijs in mindering had gebracht en niet door een benchmark had vervangen, en deze kosten derhalve als betrouwbaar beschouwde.

(113)

De Commissie heeft bij de toepassing van artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening vastgesteld dat het vanwege het bestaan van verstoringen van betekenis in de VRC niet passend is om gebruik te maken van de binnenlandse Chinese prijzen en kosten. Derhalve heeft de Commissie de normale waarde uitsluitend berekend op basis van productie- en verkoopkosten waarin niet-verstoorde prijzen of benchmarks tot uiting komen. Hiertoe heeft de Commissie zich op de prijs van de productiefactoren bij invoer in Colombia gebaseerd als een benchmark ter vervanging van de prijs van dezelfde productiefactoren voor de VRC. Overeenkomstig haar vaste praktijk heeft de Commissie zich gebaseerd op de verhouding van de vervoerskosten tot de werkelijke aankoopwaarde van de inputs zoals opgegeven door de Chinese producenten-exporteurs, als een schatting van de vervoerskosten in Colombia. Tijdens het onderzoek heeft CJS niet met zekerheid aangetoond dat zijn vervoerskosten niet verstoord waren. Bijgevolg werd de schatting van de vervoerskosten in Colombia op basis van de verhouding van deze kosten tot de werkelijke aankoopwaarde van de invoer zoals opgegeven door de Chinese producenten-exporteurs, als nauwkeurig beschouwd. Dit argument werd derhalve afgewezen.

3.2.3.2.   Bijproducten

(114)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen voerde CJS een argument aan dat betrekking had op de door de Commissie gebruikte referentie om de benchmark voor de bijproducten te berekenen. In de vertrouwelijke versie van zijn opmerkingen heeft CJS dit argument nader uitgewerkt.

(115)

De Commissie heeft dit argument afgewezen. Verdere details van de beoordeling van de Commissie werden in haar specifieke mededeling aan CJS verstrekt, aangezien deze vertrouwelijke informatie bevatte.

(116)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen voerde de klager aan dat bij de verwerking van maiszetmeel tot glucose geen eiwitpoeder als bijproduct werd verkregen, aangezien het eiwitdeel van de mais in de eerdere fasen van het droogmaalproces reeds was verwijderd. Bovendien hadden eiwitrijke bijproducten volgens de klager doorgaans een andere waarde dan eiwit dat voornamelijk koolhydraten bevat.

(117)

De Commissie bevestigde tijdens het controlebezoek ter plaatse dat bij gebruik van bepaalde inputs voor de productie van valine eiwitpoeder een bijproduct was. Wat de waarde van eiwitpoeder betreft, herinnerde de Commissie eraan dat bij de in overweging 246 van de voorlopige verordening beschreven methode voor de waardering van bijproducten geen rekening was gehouden met de prijs waartegen deze bijproducten werden verhandeld. De Commissie merkte tevens op dat de klager niet verder had verduidelijkt hoe de waarde van eiwitpoeder moest worden vastgesteld. Dit argument werd derhalve afgewezen.

(118)

Verder vroeg de klager zich af of de basis voor de door de Commissie berekende verhouding van de bijproducten wel juist was. Hij lichtte dit argument echter niet nader toe en gaf evenmin aan welke basis voor de verhouding tussen de prijs van de bijproducten in de VRC en de prijs van de belangrijkste input in de VRC in plaats daarvan had moeten worden gebruikt. Daarom werd dit argument afgewezen.

3.2.3.3.   Opmerkingen na de mededeling van de definitieve bevindingen

(119)

Huaheng Group voerde aan dat de Commissie een van haar opmerkingen na de mededeling van de voorlopige bevindingen niet had behandeld. Met name voerde Huaheng Group aan dat de benadering van de Commissie om maiszetmeel in plaats van mais als productiefactor te hanteren, in strijd was met het vereiste van artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening om de normale waarde te berekenen op het niveau van de onderzochte partij, dat wil zeggen Huaheng Group in plaats van BHB.

(120)

De Commissie was het er niet mee eens dat zij het argument niet had behandeld. De Commissie heeft dit argument in overweging 104 samengevat en in overweging 105 behandeld op basis van de informatie die in de niet-vertrouwelijke versie van de opmerkingen van Huaheng Group beschikbaar was gesteld. Wat betreft de methode voor de vaststelling van de door berekening vastgestelde normale waarde, beschouwde de Commissie, zoals uiteengezet in overweging 105, als productiefactoren alle inputs die de werkelijke producent-exporteur BHB had gekocht voor de productie van valine. Hoewel in het oorspronkelijke antwoord van BHB op de vragenlijst (vóór schriftelijke aanmaningen en controle) zowel mais als maiszetmeel als productiefactoren waren vermeld, stelde de Commissie vast dat BHB geen mais maar alleen maiszetmeel van verbonden en niet-verbonden leveranciers had gekocht. De Commissie verzocht BHB derhalve om de tabellen met productiekosten, te beginnen met de aangekochte grondstoffen, waaronder maiszetmeel, in te dienen. Deze wijze van identificatie van de productiefactoren komt overeen met het productieproces van de producent-exporteur waarvoor de normale waarde wordt vastgesteld. Dit was ook de informatie die door de Commissie ter plaatse werd gecontroleerd en waartegen Huaheng Group niet heeft aangevoerd dat de Commissie een andere productiefactor in aanmerking had moeten nemen. Daarom heeft de Commissie het argument afgewezen.

(121)

Eurolysine voerde aan dat de door de Commissie gebruikte steenkoolbenchmark niet representatief was vanwege de structuur van de Colombiaanse steenkoolmarkt. De onderneming betoogde dat Colombia voornamelijk stoomkool uitvoert in zeer grote hoeveelheden, terwijl de invoer marginaal is en beperkt is tot specifieke soorten zoals metallurgische steenkool en cokes, en een verwaarloosbaar aandeel van de binnenlandse productie uitmaakt. Volgens Eurolysine zijn de invoerprijzen vanwege het lage volume en de heterogene kwaliteit van deze invoer statistisch onbetrouwbaar en waarschijnlijk neerwaarts beïnvloed. De onderneming merkte verder op dat de Commissie in een recent antidumpingonderzoek betreffende lysine van oorsprong uit de VRC, dat op 11 juli 2025 door de Commissie werd afgesloten (28) (“lysineonderzoek”) en waarin vergelijkbare marktomstandigheden werden vastgesteld, een mondiale steenkoolbenchmark had toegepast, en voerde aan dat het volgen van dezelfde benadering in het huidige onderzoek voor consistentie zou zorgen.

(122)

De Commissie heeft het argument onderzocht en merkte op dat het verstrekte materiaal bestond uit algemene statistische bronnen over de Colombiaanse productie en uitvoer van steenkool. Deze statistieken bevestigen weliswaar dat er voornamelijk stoomkool werd uitgevoerd, maar verschaffen geen productspecifieke informatie over de in Colombia ingevoerde steenkoolsoorten en tonen evenmin aan dat de voor de benchmark gebruikte invoerprijzen niet representatief of vertekend zouden zijn. Uit het argument bleek derhalve niet dat er een verband was tussen de algemene structuur van de Colombiaanse steenkoolmarkt en de gehanteerde benchmark. De Commissie merkte verder op dat de verwijzing naar het lysineonderzoek betrekking had op een andere steenkoolsoort en derhalve niet van doorslaggevende relevantie was. Het argument werd derhalve afgewezen.

(123)

Eurolysine betoogde verder dat de door de Commissie gebruikte benchmark voor water niet de werkelijke kosten van industrieel water weerspiegelde. De onderneming voerde aan dat de gebruikte waarde leek overeen te komen met afvalwater in plaats van waterlevering, en dat in deze waarde geen vaste leveringskosten of kosten van afvalwaterbehandeling waren opgenomen.

(124)

Dit argument was echter gebaseerd op gegevens voor een andere regio dan die welke in het onderzoek werd gebruikt. Zoals beschreven in overweging 213 van de voorlopige verordening, heeft de Commissie zich gebaseerd op informatie van de waterleverancier van Bogotà, de hoofdstad van Colombia, Acueducto SA, terwijl Eurolysine verwees naar cijfers voor Soacha. Het argument werd derhalve afgewezen.

(125)

Eurolysine voerde tevens aan dat de berekening door de Commissie van de elektriciteitskosten alleen betrekking had op variabele verbruikskosten, en niet de vaste kosten van industriële gebruikers weerspiegelde. De onderneming betoogde dat de tariefstructuur van de Colombiaanse leverancier ENEL verschillende niet-optionele vaste componenten bevat die van toepassing zijn op grote verbruikers, zoals het maandelijkse basistarief, systeembeschikbaarheid en administratiekosten, kosten voor contractueel vastgelegde vraag, en netwerkkosten. Deze kosten moeten volgens Eurolysine aan de benchmark worden toegevoegd. De onderneming merkte verder op dat de Commissie in het lysineonderzoek, waarin Colombia en ENEL eveneens als bron werden gebruikt, vaste elektriciteitskosten in de niet-verstoorde waarde had opgenomen, en voerde aan dat toepassing van dezelfde benadering hier voor consistentie zou zorgen.

(126)

De Commissie heeft het argument onderzocht en merkte op dat het argument met betrekking tot vaste elektriciteitskosten was gebaseerd op een onjuiste lezing van de in het lysineonderzoek gevolgde benadering. In dat geval was de benchmark, net als in het onderhavige geval, namelijk gebaseerd op de door ENEL gepubliceerde niveau 3-tarieven voor de industriële sector (sector no residencial). Bovendien werden er, zoals toegelicht in overweging 194 van Uitvoeringsverordening (EU) 2025/74 van de Commissie (29), geen bijkomende lasten toegevoegd, aangezien de gerapporteerde prijs alle kosten dekt. De benadering van het lysineonderzoek en die van het huidige onderzoek waren derhalve met elkaar in overeenstemming, aangezien in geen van de twee onderzoeken bijkomende lasten werden toegevoegd. Het argument werd derhalve afgewezen.

(127)

Aangezien er geen andere opmerkingen zijn ontvangen over de bronnen aan de hand waarvan de kosten en benchmarks voor de bepaling van de normale waarde worden vastgesteld, heeft de Commissie haar conclusies in de overwegingen 209 tot en met 261 van de voorlopige verordening bevestigd.

3.3.   Uitvoerprijs

(128)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen voerde CJS aan dat bij de berekening van de uitvoerprijs een creditnota niet naar behoren in aanmerking was genomen, aangezien de Commissie alleen de waarde van de creditnota, maar niet het overeenkomstige volume van de gerapporteerde transacties had afgetrokken.

(129)

De Commissie merkte op dat in de creditnota werd verwezen naar een transactie waarbij het in het leveringsdocument vermelde volume niet overeenstemde met het door de afnemer ontvangen volume, dat lager was. CJ Europe GmbH (“CJE”) verstrekte derhalve een creditnota voor de waarde van het ontbrekende volume, zonder het volume zelf te vermelden. Uit het bewijsmateriaal in het dossier blijkt dat het ontbrekende volume in kwestie de fabriek van CJE wel heeft verlaten, en derhalve bleef het in de tabellen van CJE vermelde oorspronkelijke volume de juiste hoeveelheid. Dit argument werd derhalve afgewezen.

(130)

CJS voerde tevens aan dat de winst op basis waarvan de Commissie de correctie op grond van artikel 2, lid 9, van de basisverordening heeft toegepast, gebaseerd was op een oud onderzoek betreffende de invoer van PVA van oorsprong uit de VRC (30). In de vertrouwelijke versie van zijn opmerkingen heeft CJS dit argument nader uitgewerkt. CJS wees er verder op dat zowel Quimidroga als Millenis SAS (“Millenis”) de vragenlijst voor niet-verbonden importeurs had beantwoord.

(131)

De Commissie heeft dit argument afgewezen. Verdere details van de beoordeling van de Commissie werden in haar specifieke mededeling aan CJS verstrekt, aangezien deze vertrouwelijke informatie bevatte.

(132)

De Commissie merkte op dat zij van twee importeurs antwoorden op de vragenlijst had ontvangen, maar dat één van de antwoorden onvolledig was en op basis daarvan de winstmarge niet kon worden vastgesteld. De tweede onderneming verstrekte een volledige reeks gegevens en de winst met betrekking tot het onderzochte product, en stemde na de instelling van voorlopige maatregelen in met de controle van haar antwoord op de vragenlijst, de bekendmaking van haar winstmarge in het onderzoektijdvak en het gebruik ervan bij de berekening.

(133)

Na de controle van de door de onderneming verstrekte gegevens en informatie werd in het onderzoek vastgesteld dat de importeur al meer dan tien jaar uitsluitend aminozuren koopt, waaronder het onderzochte product, van een van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs, die als zijn exclusieve distributeur optreedt in één lidstaat. Deze exclusiviteit is gebaseerd op een mondelinge overeenkomst tussen de partijen. Als gevolg van een dergelijke exclusiviteit kan de importeur niet bij andere leveranciers inkopen. Dit wordt bevestigd door de tijdens het onderzoek vastgestelde feiten. De importeur kocht de valine namelijk uitsluitend bij deze producent en verkocht het product alleen in die lidstaat (31). In het onderzoek is ook vastgesteld dat de winstmarge van de importeur in het onderzoektijdvak, zoals de importeur zelf toegeeft, bijzonder laag was, aangezien hij een deel van de ingevoerde goederen met verlies moest verkopen en daardoor nauwelijks kostendekkend was. Een dergelijke lage winst was een gevolg van het feit dat de importeur geen valine kon kopen bij andere Chinese producenten-exporteurs die verkochten tegen lagere prijzen, die op hun beurt de importeur in staat zouden hebben gesteld om de valine vervolgens met een hogere winst door te verkopen, alsook van de over het geheel genomen ongunstige marktsituatie die wordt gekenmerkt door grote hoeveelheden goedkope invoer met dumping die concurreerde met de verkoop van de importeurs. Bijgevolg heeft de Commissie vastgesteld dat de door deze importeur in het onderzoektijdvak behaalde winstmarge niet kon worden beschouwd als representatief voor de winst die een onafhankelijke importeur zou behalen die geen banden met producenten-exporteurs heeft en bijgevolg bij alle leveranciers kan kopen. Zoals hierboven werd opgemerkt en door de onderneming werd erkend, was de winst van deze onderneming in het onderzoektijdvak bijzonder laag vanwege de exclusiviteitsovereenkomst in combinatie met de sterke stijging van de hoeveelheden goedkope invoer tegen dalende prijzen van andere Chinese producenten. In het licht van het bovenstaande concludeerde de Commissie dat een dergelijke winst niet kan worden beschouwd als een redelijke winst in de zin van artikel 2, lid 9, van de basisverordening. Anderzijds is de in de voorlopige fase van het huidige onderzoek gehanteerde winstmarge om de in overweging 265 van de voorlopige verordening vermelde redenen representatief voor een dergelijke activiteit. Derhalve werd het argument van CJS afgewezen en heeft de Commissie zich gebaseerd op een winst van 6,89 %, die als redelijk werd beschouwd in het lysineonderzoek (32) en in het eerdere PVA-onderzoek (33).

(134)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen herhaalde CJS zijn argument dat de Commissie bij de berekening van de uitvoerprijs niet alleen rekening had moeten houden met de waarde van een creditnota, maar ook het overeenkomstige volume van de gerapporteerde transacties had moeten aftrekken. CJS was het niet eens met de verklaring van de Commissie dat het ontbrekende volume de fabriek van CJE wel had verlaten, omdat een bewijs ter staving van deze conclusie zou ontbreken.

(135)

De Commissie herinnerde aan de twee elementen van het in het dossier opgenomen bewijsmateriaal dat tijdens de controle ter plaatse was verzameld en dat haar bevinding ondersteunde dat het ontbrekende volume in kwestie de bedrijfsruimten van CJE had verlaten. Ten eerste bleek uit het op pagina 7 van controledocument 14 opgenomen leveringsdocument dat het gewicht van de in de vrachtwagen geladen valine ook het volume in kwestie omvatte. Ten tweede bleek uit de creditnota dat deze uitsluitend was verstrekt voor de waarde van het ontbrekende volume, zonder overeenkomstige correctie voor het volume. De Commissie concludeerde derhalve dat de valine inderdaad de fabriek van CJE had verlaten, ongeacht de vraag of het product door de afnemer was ontvangen. Aangezien CJE zelf, nadat zijn afnemer de inconsistentie had gesignaleerd, het niet passend achtte het volume aan valine in zijn voorraad te corrigeren, kan van de Commissie niet worden verlangd dat zij een correctie toepast die de onderneming in eerste instantie niet had uitgevoerd. De Commissie wees dit argument derhalve af.

(136)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde CJS aan dat de Commissie niet de achterhaalde winst uit het PVA-onderzoek mocht hanteren om zijn uitvoerprijs te berekenen, maar de winstmarge van [1-5] % moest gebruiken die was gehanteerd in een recent antidumpingonderzoek betreffende de invoer van epoxyharsen van oorsprong uit de VRC, Taiwan en Thailand (34) (“onderzoek naar epoxyharsen”).

(137)

De Commissie merkte op dat de in het onderzoek naar expoxyharsen gebruikte winstmarge was gebaseerd op de winst van één enkele meewerkende niet-verbonden importeur (35). De importeur in kwestie stemde ermee in dat de Commissie zijn winst kon gebruiken voor de berekeningen in het onderzoek naar epoxyharsen, maar stemde niet in met de bekendmaking van zijn winst, die inderdaad in Uitvoeringsverordening (EU) 2025/393 was vermeld als het bereik [1-5] %. De in het PVA-onderzoek gebruikte winstmarge was daarentegen gebaseerd op de winstmarge van drie meewerkende niet-verbonden importeurs (36). Het gemiddelde van die winst, 6,89 %, dat nu niet meer vertrouwelijk was, werd bekendgemaakt in Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1336. De Commissie kon de door één enkele meewerkende niet-verbonden importeur in een afzonderlijk onderzoek verstrekte maar vanwege de ondernemingsspecifieke vertrouwelijkheid ervan niet bekendgemaakte winstmarge niet gebruiken wanneer een niet-vertrouwelijke winstmarge openbaar beschikbaar was in een ander onderzoek. Tot slot merkte de Commissie op dat CJS niet had toegelicht waarom de winstmarge van het onderzoek naar epoxyharsen tot redelijkere bedragen voor winst zou leiden dan de in het PVA-onderzoek gebruikte winstmarge, afgezien van het feit dat deze winstmarge in een recenter onderzoek is vastgesteld. Dit argument werd derhalve afgewezen.

(138)

Aangezien er geen andere opmerkingen over de vaststelling van de uitvoerprijs zijn ontvangen, heeft de Commissie haar conclusies in de overwegingen 262 en 263 van de voorlopige verordening bevestigd.

3.4.   Vergelijking

(139)

De Commissie heeft de normale waarde en de uitvoerprijs van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs vergeleken in het stadium af fabriek. Wanneer dit werd gerechtvaardigd door de noodzaak om te zorgen voor een billijke vergelijking, heeft de Commissie de normale waarde en/of de uitvoerprijs gecorrigeerd voor verschillen die van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen.

3.4.1.   Correcties op de normale waarde

(140)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen voerde CJS aan dat, in tegenstelling tot de verklaring van de Commissie in overweging 270 van de voorlopige verordening, de VAA-kosten van Sucroal ook distributiekosten omvatten, en verzocht de onderneming de Commissie derhalve om deze kosten van de normale waarde af te trekken om een billijke vergelijking te maken in het stadium af fabriek.

(141)

In overweging 270 van de voorlopige verordening heeft de Commissie aangegeven voornemens te zijn te verwijzen naar vervoerskosten in plaats van naar distributiekosten. Dit blijkt uit de zin na de verklaring waarnaar CJS verwees en waarin de Commissie verwees naar “niet-onderbouwde beweringen dat […] bedragen voor VAA-kosten […] vervoerskosten omvatten”. In de verklaring van de Commissie in overweging 270 werd benadrukt dat er geen informatie beschikbaar was waaruit bleek dat de VAA-kosten van Sucroal, en met name de post voor distributiekosten, ook vervoerskosten omvatte, die van de normale waarde zouden moeten worden afgetrokken. De boekhoudkundige categorie “distributiekosten” komt namelijk niet noodzakelijkerwijs overeen met de kosten van fysieke vracht of levering na het stadium af fabriek. Overeenkomstig de gangbare boekhoudpraktijk kunnen dergelijke kosten betrekking hebben op een reeks commerciële en administratieve kosten, waaronder opslag, logistiek beheer, verkooppersoneel en marketing, die deel uitmaken van de VAA-kosten in het stadium af fabriek en niet van de normale waarde mogen worden afgetrokken. Deze VAA-kosten, waaronder commerciële en administratieve kosten, mogen inderdaad op legitieme gronden deel blijven uitmaken van de normale waarde in het stadium af fabriek, mits niet is gebleken dat zij overlappen met kosten die van de uitvoerprijs zijn afgetrokken. De uitsplitsing van de distributiekosten van Sucroal of van de post “overige kosten” was niet openbaar beschikbaar, en CJS heeft evenmin bewijsmateriaal verstrekt waaruit blijkt dat de “distributiekosten” in de rekeningen van Sucroal uitsluitend overeenstemden met downstreamkosten voor vracht en verlading die vergelijkbaar waren met die welke van zijn uitvoerprijs waren afgetrokken. Dit argument werd derhalve afgewezen.

(142)

Derhalve heeft de Commissie haar conclusies in de overwegingen 267 tot en met 271 van de voorlopige verordening bevestigd.

3.4.2.   Correcties op de uitvoerprijs

(143)

Zoals uiteengezet in de overwegingen 272 en 273 van de voorlopige verordening, werden er correcties toegepast voor douanerechten, andere invoerheffingen, vracht, verzekering, lading, overlading, lossing en aanverwante kosten, verpakking, kredietkosten, commissies en bankkosten, overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening.

(144)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen wees CJS erop dat de Commissie de verpakkingskosten en bankkosten van CJE tweemaal van de uitvoerprijs had afgetrokken. CJS verzocht de Commissie te waarborgen dat deze kosten slechts eenmaal werden afgetrokken. De Commissie achtte dit argument gegrond en heeft haar berekening gecorrigeerd.

(145)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen voerde Huaheng Group aan dat de Commissie bij de berekening van de uitvoerprijs een bepaalde kostenpost dubbel had geteld. De Commissie achtte dit argument gegrond en heeft haar berekening gecorrigeerd.

(146)

Na de bekendmaking van de voorlopige verordening voerde Huaheng Group aan dat de Commissie niet aan haar bewijslastverplichtingen had voldaan om overeenkomstig artikel 2, lid 10, punt i), van de basisverordening de uitvoerprijs te corrigeren voor producten die door de producent zijn verkocht aan een verbonden onderneming en vervolgens zijn uitgevoerd naar de Unie, zoals uiteengezet in overweging 274 van de voorlopige verordening. Met name voerde Huaheng Group aan dat i) de Commissie niet had toegelicht waarom het maken van winst of het verhandelen van een breed scala aan goederen betekende dat de verbonden handelaar functies uitoefende die vergelijkbaar waren met die van een op commissiebasis werkende agent, en ii) waarom een dergelijke correctie nodig was voor de vergelijkbaarheid tussen de uitvoerprijs en de normale waarde.

(147)

De Commissie achtte het argument ongegrond. In overweging 275 van de voorlopige verordening concludeerde de Commissie dat Huaheng Group een onderneming binnen haar groep had gebruikt voor handelsdoeleinden. Verdere details van de beoordeling van de Commissie werden in haar specifieke mededeling aan Huaheng verstrekt, aangezien deze vertrouwelijke informatie bevatte. Op basis van deze beoordeling heeft de Commissie geconcludeerd dat de verbonden handelaar Anhui Huaheng Biotechnology Co., Ltd (“AHB”) functies uitoefende die vergelijkbaar waren met die van een op commissiebasis werkende agent. Derhalve was een correctie op grond van artikel 2, lid 10, punt i), van de basisverordening gerechtvaardigd.

(148)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen voerde CJS aan dat niet was voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de correctie op grond van artikel 2, lid 10, punt i), van de basisverordening met betrekking tot zijn verbonden handelaar CJ CheilJedang Corp. (“CJCJ”) en verstrekte de onderneming ter ondersteuning van het argument vertrouwelijke gegevens over de door CJCJ uitgevoerde activiteiten.

(149)

De Commissie heeft de argumenten van CJS zorgvuldig geanalyseerd en achtte deze gegrond. De Commissie is echter nagegaan of de specifieke opzet van de groep wat de uitvoer betreft, een factor was die van invloed was op de vergelijkbaarheid van de prijzen met het oog op een billijke vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs op grond van artikel 2, lid 10, punt k), van de basisverordening.

(150)

In het onderzoek werd vastgesteld dat CJS in het onderzoektijdvak aan de Unie verkocht via een verbonden handelaar en dat deze handelaar kosten maakte en winst behaalde die aan de verkopen in de Unie konden worden toegerekend. Anderzijds werd de normale waarde voor het betrokken product berekend overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening, en omvatte deze derhalve een niet-verstoord en redelijk bedrag voor VAA-kosten en voor winst. Zoals opgemerkt in overweging 254 van de voorlopige verordening, werden deze kosten en winst redelijk geacht voor het handelsstadium af fabriek en konden deze derhalve niet de kosten en winst van een verbonden handelaar omvatten.

(151)

Hieruit volgt dat de vergelijking tussen die normale waarde en die uitvoerprijs niet billijk was, aangezien de uitvoerprijs kosten en winst van een verbonden handelaar omvatte en de normale waarde zonder deze elementen werd berekend. Dit heeft een asymmetrie veroorzaakt die van invloed is op de vergelijkbaarheid van de normale waarde met de uitvoerprijs. Bijgevolg heeft de Commissie geconcludeerd dat een correctie op grond van artikel 2, lid 10, punt k), van de basisverordening gerechtvaardigd was.

(152)

Gezien het bovenstaande heeft de Commissie, met het oog op een billijke vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs, de niet in de normale waarde opgenomen VAA-kosten en winst van de verbonden handelaar van de uitvoerprijs afgetrokken. In de specifieke opzet van het uitvoerkanaal van de groep werd de correctie uitgevoerd aan de hand van de werkelijke VAA-kosten van CJCJ en, gezien de relatie en de winsttoerekening tussen CJCJ en CJS, die de behaalde winst vertekende, de in overweging 133 vermelde fictieve winst van 6,89 %.

(153)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde CJS aan dat, om een correctie op grond van artikel 2, lid 10, punt k), van de basisverordening toe te passen, de Commissie moest aantonen hoe de betrokkenheid van CJCJ bij de facturering van de uitvoer van invloed was op de vergelijkbaarheid van de prijzen met de normale waarde. CJS voerde verder aan dat zij weliswaar erkende dat niet was voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van een correctie op grond van artikel 2, lid 10, punt i), van de basisverordening, maar dat de Commissie dezelfde correctie op grond van artikel 2, lid 10, punt k), van de basisverordening had toegepast zonder aan te tonen dat de afnemers van CJS op de binnenlandse markt verschillende prijzen betaalden vanwege de betrokkenheid van CJCJ bij de uitvoer van het onderzochte product naar de Unie. In de vertrouwelijke versie van de opmerkingen heeft CJS verdere details toegevoegd wat betreft de correctie van de VAA-kosten en de winst.

(154)

Niet betwist wordt dat CJS aan de Unie verkoopt via een verbonden handelaar: CJCJ. Een deel van de VAA-kosten van die handelaar kan redelijkerwijs worden toegerekend aan de verkoop van het betrokken product op de markt van de Unie. CJCJ maakt eveneens winst.

(155)

In het arrest-CCCME merkte het Gerecht op dat een op grond van artikel 2, lid 6 bis, berekende normale waarde “in beginsel niet [wordt] beïnvloed door elementen die afbreuk kunnen doen aan de vergelijkbaarheid ervan, aangezien zij kunstmatig is vastgesteld” (37). Met andere woorden, indien niet kan worden aangetoond dat een element waarvoor om een correctie wordt verzocht, is gebruikt bij de berekening van de normale waarde, kan de correctie niet worden toegepast. Aangezien, zoals vermeld in de overwegingen 253 en 267 tot en met 271 van de voorlopige verordening, de normale waarde in het onderhavige geval was berekend door onder meer gebruik te maken van de VAA-kosten die redelijk werden geacht voor het handelsstadium af fabriek, konden deze kosten per definitie geen kosten van een verbonden handelaar omvatten.

(156)

Het is moeilijk om een effect op de vergelijkbaarheid tussen de uitvoerprijs en de normale waarde duidelijker te laten zien dan door aan te tonen dat een element, in dit geval de VAA-kosten van een verbonden handelaar, aanwezig is in die eerste en afwezig is in die laatste waarde. Met andere woorden, door aan te tonen dat de uitvoerprijs en de normale waarde asymmetrisch zijn. Het begrip vergelijkbaarheid tussen de uitvoerprijs en de normale waarde is onlosmakelijk verbonden met het begrip symmetrie tussen deze waarden. Het Gerecht heeft dit in de zaak Dashiqiao Sanqiang (38) als volgt verduidelijkt: “Volgens de rechtspraak blijkt voorts zowel uit de letter als uit de opzet van artikel 2, lid 10, van de basisverordening dat de uitvoerprijs of de normale waarde alleen mag worden gecorrigeerd om rekening te houden met verschillen in factoren die van invloed zijn op de prijzen en dus op de vergelijkbaarheid daarvan. Doel van een correctie is, met andere woorden, het herstel van de symmetrie tussen de normale waarde en de uitvoerprijs van een product, zodat, wanneer de correctie naar behoren werd toegepast, de symmetrie tussen de normale waarde en de uitvoerprijs is hersteld (39)”.

(157)

Het Gerecht heeft vervolgens geconcludeerd dat “[t]er beoordeling of de toegepaste vergelijkingsmethode billijk is, […] het begrip symmetrie tussen de normale waarde en de uitvoerprijs dus van wezenlijk belang [is] voor de noodzakelijke vaststelling of de prijzen vergelijkbaar zijn in de zin van artikel 1, lid 2, van de basisverordening” (40).

(158)

Asymmetrie tussen de normale waarde en de uitvoerprijs in het kader van een correctie op grond van artikel 2, lid 10, punt k), is door het Gerecht onderzocht in de zaak Sinopec. Het Gerecht herinnerde om te beginnen aan de bevinding van de Commissie dat er sprake was van asymmetrie tussen de uitvoerprijs en de normale waarde als gevolg van de aanwezigheid van niet-terugvorderbare btw in die eerste en de afwezigheid ervan in die laatste waarde (41), en concludeerde vervolgens dat “de Commissie heeft aangetoond dat de […] bestreden correctie noodzakelijk was” (42). Het Gerecht stelde weliswaar vast dat de correctie niet op grond van artikel 2, lid 10, punt b), kon zijn toegepast en dat de Commissie derhalve blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, maar oordeelde ook dat “een dergelijke onjuiste grondslag geen beslissende invloed heeft gehad op het oordeel van de opsteller ervan” (43). De reden hiervoor was dat, volgens het Gerecht, de Commissie op grond van artikel 2, lid 10, punt k), van de basisverordening “de […] bestreden correctie immers kon toepassen om de symmetrie tussen de normale waarde en de uitvoerprijs van het betrokken product te herstellen en een billijke vergelijking tussen deze twee waarden te waarborgen” (44). Met andere woorden, het Gerecht heeft bevestigd dat de beoordeling door de Commissie, die beperkt was tot de bevinding van asymmetrie (vergelijkbaar met de beoordeling in de zaak voor dit Gerecht), voldoende was om de correctie toe te passen op grond van artikel 2, lid 10, punt k), van de basisverordening.

(159)

Gezien het voorgaande merkte de Commissie op dat de correctie op grond van artikel 2, lid 10, punt k), van de basisverordening nodig was om de symmetrie tussen de normale waarde en de uitvoerprijs te herstellen, en derhalve om een billijke vergelijking te waarborgen. De vergelijking moet immers worden gemaakt in het stadium af fabriek, zoals uiteengezet in overweging 117. Hoewel de normale waarde in het stadium af fabriek werd vastgesteld, kan een uitvoerprijs inclusief de VAA-kosten en de winst van een verbonden handelaar in het stadium af fabriek niet in aanmerking worden genomen. De Commissie moet derhalve de kosten van CJCJ en de fictieve winst elimineren om de normale waarde en de uitvoerprijs op hetzelfde niveau te kunnen vergelijken. De betrokkenheid van CJCJ, die beperkt is tot de uitvoer, resulteert in kosten en winst die derhalve in aanmerking moeten worden genomen. CJS kan immers niet van de economische activiteit van CJCJ en de daaraan verbonden belastingvoordelen profiteren en tegelijkertijd beweren dat de afwezigheid van een dergelijke activiteit niets in het verkoopkanaal zou veranderen. Het argument werd derhalve afgewezen.

(160)

Voorts voerde CJS aan dat de Commissie het lex specialis-beginsel van het Unierecht had geschonden, op grond waarvan een instelling van de Unie een specifiekere bepaling niet kan omzeilen door zich te beroepen op een algemene bepaling. CJS voerde in dit verband aan dat artikel 2, lid 10, punt k), van de basisverordening een algemene bepaling zou zijn, terwijl artikel 2, lid 10, punt i), een specifieke bepaling zou zijn.

(161)

De Commissie heeft dit argument afgewezen, aangezien artikel 2, lid 10, punt k), van de basisverordening geen algemene bepaling is vergeleken met artikel 2, lid 10, punt i), van de basisverordening, maar veeleer een ander geval waarin correcties kunnen worden toegepast. In artikel 2, lid 10, punt k), van de basisverordening wordt namelijk verwezen naar “andere factoren dan vermeld punt a) tot en met j)”. CJS voerde aan en de Commissie was het ermee eens dat artikel 2, lid 10, punt i), van de basisverordening in dit geval niet van toepassing kon zijn, aangezien er geen commissie in de zin van die bepaling was betaald. De Commissie heeft, in plaats van een specifieke bepaling te omzeilen door zich te beroepen op een algemene bepaling, eenvoudigweg de correcte kwalificatie aan de feiten van het geval toegekend. Bovendien is een dergelijke benadering in overeenstemming met het arrest van het Gerecht in de zaak Sinopec, dat is samengevat in overweging 158. Dit argument werd derhalve afgewezen.

(162)

Tot slot voerde CJS aan dat indien de Commissie haar correctie op grond van artikel 2, lid 10, punt k), van de basisverordening handhaaft, een dergelijke correctie niet gelijk kan zijn aan de correctie op grond van artikel 2, lid 10, punt i), van de basisverordening, omdat de twee correcties niet dezelfde zijn en omdat de Commissie heeft vastgesteld dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van een correctie op grond van artikel 2, lid 10, punt i). Bijgevolg verzocht CJS de Commissie om te kwantificeren hoe de betrokkenheid van CJCJ bij de facturering van de uitvoer van invloed was op de vergelijkbaarheid van de prijzen met de normale waarde. Met name voerde CJS aan dat indien de Commissie van mening was dat de winst van CJCJ van invloed was op de prijsvergelijkbaarheid, een dergelijke winst ten hoogste 2 % zou mogen bedragen, net als de winst die werd gebruikt in het antidumpingonderzoek naar bepaalde warmgewalste platte producten van ijzer, van niet-gelegeerd staal of van ander gelegeerd staal van oorsprong uit Egypte, Japan en Vietnam (“het onderzoek naar warmgewalste platte staalproducten”) (45).

(163)

De Commissie merkte op dat de Commissie bij de berekening van de correctie voor de VAA-kosten kostenposten die niet relevant waren voor de verkoop van het onderzochte product aan de Unie, reeds van de VAA-kosten had uitgesloten, zoals aangegeven in overweging 165. De Commissie heeft derhalve voor de correctie van de VAA-kosten alleen rekening gehouden met de uit de rol van CJCJ voortvloeiende posten die van invloed waren op de prijsvergelijkbaarheid. Wat de winst betreft, kon de Commissie zich niet baseren op de werkelijke winst van CJCJ, aangezien het daarbij gaat om een winst tussen verbonden entiteiten, en heeft zij gebruikgemaakt van de fictieve winst uit het PVA-onderzoek, als de betrouwbaarste bron van informatie die in dit geval beschikbaar was, zoals vastgesteld in overweging 265 van de voorlopige verordening en in de overwegingen 133 en 137. CJS heeft niet aangetoond waarom de in het onderzoek naar warmgewalste platte staalproducten gebruikte winst passender zou zijn, behalve dat die winst lager is. Daarnaast werd een dergelijke winst in het onderzoek inzake warmgewalst staal vastgesteld voor een andere economische sector, namelijk de staalsector, en heeft die winst anders dan de in het PVA-onderzoek vastgestelde fictieve winst geen betrekking op de chemische sector. Dit argument werd derhalve afgewezen.

(164)

CJS voerde tevens een argument aan met betrekking tot de kwantificering van de correctie op basis van de aftrek van de VAA-kosten van CJCJ oorspronkelijk overeenkomstig artikel 2, lid 10, punt i), van de basisverordening, en in deze fase overeenkomstig artikel 2, lid 10, punt k), van de basisverordening. Dit argument had met name betrekking op vijf posten die relevant zijn voor de vaststelling van de VAA-kosten van CJCJ. In de vertrouwelijke versie van zijn opmerkingen heeft CJS dit argument nader uitgewerkt.

(165)

De Commissie achtte dit argument ten dele gegrond voor drie van de vijf posten en heeft deze posten dienovereenkomstig in mindering gebracht op de VAA-kosten die relevant zijn voor de correctie. Voor de overige twee posten werd het argument afgewezen. Verdere details van de beoordeling van de Commissie werden in haar specifieke mededeling aan CJS verstrekt, aangezien deze vertrouwelijke informatie bevatte.

(166)

Tot slot voerde CJS een argument aan met betrekking tot de kwantificering van de correctie op basis van de aftrek van een redelijke winst van 6,89 % oorspronkelijk overeenkomstig artikel 2, lid 10, punt i), van de basisverordening, en in deze fase overeenkomstig artikel 2, lid 10, punt k), van de basisverordening. In de vertrouwelijke versie van zijn opmerkingen heeft CJS dit argument nader uitgewerkt.

(167)

De Commissie heeft dit argument afgewezen. Zoals uiteengezet in de overwegingen 149 tot en met 152, heeft de Commissie de correctie voor een fictieve winst van 6,89 %, die werd vastgesteld zoals besproken in overweging 133, gehandhaafd. Verdere details van de beoordeling van de Commissie werden in haar specifieke mededeling aan CJS verstrekt, aangezien deze vertrouwelijke informatie bevatte.

(168)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde Huaheng Group aan dat de Commissie niet was ingegaan op het argument na de mededeling van de voorlopige bevindingen dat de Commissie niet had gerechtvaardigd waarom een correctie van de uitvoerprijs noodzakelijk was om de vergelijkbaarheid tussen de normale waarde en de uitvoerprijs te waarborgen. In dit verband voerde Huaheng Group aan dat uitgaven in verband met door AHB verrichte diensten van de uitvoerprijs waren afgetrokken, maar dat de uitgaven voor dezelfde diensten in de normale waarde waren opgenomen en in mindering hadden moeten worden gebracht. Huaheng Group voerde tevens aan dat de in overweging 141 uiteengezette bevinding dat bepaalde VAA-kosten inderdaad op legitieme gronden deel mogen blijven uitmaken van de normale waarde in het stadium af fabriek, mits niet is gebleken dat zij overlappen met kosten die van de uitvoerprijs zijn afgetrokken, verder bewijs van die asymmetrie zou vormen.

(169)

De Commissie heeft vastgesteld dat het gerechtvaardigd was om de uitvoerprijs te corrigeren, aangezien zij in overweging 147 had geconcludeerd dat AHB functies had die vergelijkbaar waren met die van een op commissiebasis werkende agent. Zoals ook uiteengezet in de overwegingen 274 tot en met 276 van de voorlopige verordening, heeft AHB een handelsmarge op de wederverkoop van het betrokken product ontvangen, en aangezien deze onderneming functies bleek uit te oefenen die vergelijkbaar waren met die van een op commissiebasis werkende agent, was een correctie voor commissies gerechtvaardigd. De reden hiervoor was dat, zoals uiteengezet in overweging 261 van de voorlopige verordening, de normale waarde in het stadium af fabriek was berekend. Met andere woorden, zoals uiteengezet in de overwegingen 156 en 157, hebben de aanwezigheid van een element (een commissie) in de uitvoerprijs en de afwezigheid ervan in de normale waarde een asymmetrie tussen die twee waarden veroorzaakt die moet worden gecorrigeerd om de vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs “billijk” te maken in de zin van artikel 2, lid 10, van de basisverordening. Wat de kwantificering van de correctie voor commissies betreft, mag de Commissie, zoals door het Gerecht bevestigd in de zaak Çolakoğlu (46), bij de vaststelling van het passende bedrag van de toe te passen correctie rekening houden met de relatie tussen de fabrikant en de verbonden handelaar. In het geval van verbondenheid tussen de fabrikant en de handelaar mag de Commissie de correctie kwantificeren door artikel 2, lid 9, van de basisverordening naar analogie toe te passen. In dergelijke gevallen wordt de correctie toegepast voor een commissie die is berekend op basis van de VAA-kosten van de handelaar in kwestie en een fictieve winst. Aangezien BHB en AHB deel uitmaakten van Huaheng Group, en hun relatie niet van zakelijke aard bleek te zijn, zoals ondersteund door de bepalingen in de schriftelijke overeenkomst tussen BHB en AHB, was de correctie gebaseerd op de VAA-kosten van de verbonden handelaar en een fictieve winst. Derhalve achtte de Commissie, aangezien zij geen correctie heeft toegepast voor VAA-kosten en winst, maar voor een op basis van de VAA-kosten en een fictieve winst berekende commissie, het argument dat de correctie voor VAA-kosten tot een asymmetrie tussen de normale waarde en de uitvoerprijs had geleid, niet van toepassing. Tijdens het onderzoek heeft Huaheng Group op geen enkel moment aangevoerd dat de door berekening vastgestelde normale waarde een commissie bevatte, laat staan een dergelijke bewering onderbouwd of gekwantificeerd, zoals vereist door de rechtspraak waarnaar wordt verwezen in overweging 269 van de voorlopige verordening. De normale waarde was immers, zoals vermeld in overweging 168, berekend exclusief commissies. De Commissie was hoe dan ook niet van mening dat zij, zelfs indien zij een correctie voor VAA-kosten en winst zou moeten toepassen, kosten van de VAA-kosten had moeten aftrekken om de vergelijkbaarheid tussen de normale waarde en de uitvoerprijs te waarborgen. Ten eerste heeft Huaheng Group geen bewijsmateriaal verstrekt waaruit blijkt dat de voor de berekening van de commissie gebruikte VAA-kosten in de normale waarde waren opgenomen. Ten tweede waren de in de normale waarde opgenomen VAA-kosten die welke daadwerkelijk door een producent waren gemaakt, met name de door Sucroal in Colombia gemaakte VAA-kosten. Ten derde waren de van de uitvoerprijs afgetrokken VAA-kosten die welke daadwerkelijk door AHB waren gemaakt in zijn functie als verbonden handelaar. Aangezien de VAA-kosten betrekking hadden op verschillende activiteiten (producent-exporteur en verbonden handelaar), hadden er geen kosten van de VAA-kosten van de Colombiaanse producent Sucroal op de normale waarde in mindering moeten worden gebracht. Daarom heeft de Commissie het argument afgewezen.

(170)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde Huaheng Group verder aan dat de Commissie niet had voldaan aan de vereiste bewijslastverplichting ten aanzien van de correctie van de uitvoerprijs in de zin van artikel 2, lid 10, punt i), van de basisverordening, met name dat er geen correctie kon worden toegepast wanneer juridisch gescheiden ondernemingen interne verkoopafdelingen waren die een EEE (één enkele economische eenheid) vormden.

(171)

De Commissie heeft in overweging 147 de redenen genoemd waarom zij AHB beschouwde als een handelaar met functies die vergelijkbaar waren met die van een op commissiebasis werkende agent. Bovendien stelde de Commissie vast dat deze bevinding volstond voor het toepassen van een correctie op de uitvoerprijs op grond van artikel 2, lid 10, punt i), van de basisverordening en dat er in dit verband geen verder bewijs nodig was. Daarnaast had Huaheng Group nooit aangevoerd dat AHB en de producent-exporteur een EEE vormden. Er zij aan herinnerd dat wanneer de Commissie melding heeft gemaakt van met elkaar overeenstemmende aanwijzingen waaruit blijkt dat een met een producent verbonden distributeur functies uitoefent die vergelijkbaar zijn met die van een op commissiebasis werkende agent, het aan deze distributeur of deze producent is om het bewijs aan te voeren dat een correctie op grond van artikel 2, lid 10, punt i), van de basisverordening niet gerechtvaardigd is, bijvoorbeeld door aan te tonen dat zij één enkele economische eenheid vormen (47).

(172)

Aangezien er geen andere opmerkingen over de correcties op de uitvoerprijs zijn ontvangen, heeft de Commissie haar conclusies in de overwegingen 272 tot en met 276 van de voorlopige verordening bevestigd.

3.5.   Dumpingmarges

(173)

Zoals beschreven in de overwegingen 144, 145, 164 en 165, heeft de Commissie naar aanleiding van argumenten van belanghebbenden de dumpingmarges herzien.

(174)

De definitieve dumpingmarges, uitgedrukt als percentage van de cif-prijs (kosten, verzekering en vracht), grens Unie, vóór inklaring, zijn als volgt:

Onderneming

Definitieve dumpingmarge (%)

CJ (Shenyang) Biotechnology Co., Ltd

31,3

Bayannur Huaheng Biotechnology Co., Ltd

53,8

Andere meewerkende ondernemingen

42,2

Alle overige invoer van oorsprong uit de Volksrepubliek China

53,8

4.   SCHADE

4.1.   Omschrijving van de bedrijfstak van de Unie en de productie in de Unie

(175)

Aangezien er geen opmerkingen over de vaststelling van de bedrijfstak van de Unie en de productie in de Unie zijn ontvangen, heeft de Commissie haar conclusies in de overwegingen 281 tot en met 283 van de voorlopige verordening bevestigd.

4.2.   Verbruik in de Unie

(176)

Aangezien er geen opmerkingen over het verbruik in de Unie zijn ontvangen, heeft de Commissie haar conclusies in de overwegingen 284 tot en met 289 van de voorlopige verordening bevestigd.

4.3.   Invoer uit het betrokken land

(177)

Aangezien er geen opmerkingen over de invoer uit het betrokken land zijn ontvangen, heeft de Commissie haar conclusies in de overwegingen 290 tot en met 294 van de voorlopige verordening bevestigd.

4.3.1.   Prijzen van de invoer uit het betrokken land en prijsonderbieding

(178)

Aangezien er geen opmerkingen zijn ontvangen, heeft de Commissie haar conclusies in de overwegingen 295 tot en met 301 van de voorlopige verordening bevestigd.

(179)

Gezien de correctie van de berekening zoals gespecificeerd in overweging 195, is het resultaat van de prijsvergelijking, uitgedrukt als een percentage van de theoretische omzet van de bedrijfstak van de Unie in het onderzoektijdvak, herzien, en uit deze herziening bleek dat de gewogen gemiddelde prijsonderbiedingsmarge van de invoer uit het betrokken land op de markt van de Unie tussen 15,0 % en 22,2 % bedroeg.

4.4.   Economische situatie van de bedrijfstak van de Unie

4.4.1.   Algemene opmerkingen

(180)

Aangezien er geen opmerkingen zijn ontvangen, heeft de Commissie haar conclusies in de overwegingen 302 tot en met 306 van de voorlopige verordening bevestigd.

4.4.2.   Macro-economische indicatoren

4.4.2.1.   Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad

(181)

Aangezien er geen opmerkingen over de productie, de productiecapaciteit en de bezettingsgraad zijn ontvangen, werden de overwegingen 307 tot en met 310 van de voorlopige verordening bevestigd.

4.4.2.2.   Verkoopvolume en marktaandeel

(182)

Aangezien er geen opmerkingen over het verkoopvolume en het marktaandeel zijn ontvangen, werden de overwegingen 311 tot en met 313 van de voorlopige verordening bevestigd.

4.4.2.3.   Werkgelegenheid en productiviteit

(183)

Aangezien er geen opmerkingen over de werkgelegenheid en de productiviteit zijn ontvangen, werden de overwegingen 314 tot en met 316 van de voorlopige verordening bevestigd.

4.4.2.4.   Hoogte van de dumpingmarge en herstel van eerdere dumping

(184)

Aangezien er geen opmerkingen over de hoogte van de dumpingmarge en het herstel van eerdere dumping zijn ontvangen, werden de overwegingen 317 en 318 van de voorlopige verordening bevestigd.

4.4.3.   Micro-economische indicatoren

4.4.3.1.   Prijzen en factoren die de prijzen beïnvloeden

(185)

Aangezien er geen opmerkingen zijn ontvangen over prijzen en factoren die de prijzen beïnvloeden, werden de overwegingen 319 tot en met 321 van de voorlopige verordening bevestigd.

4.4.3.2.   Loonkosten

(186)

Aangezien er geen opmerkingen over de loonkosten zijn ontvangen, werden de overwegingen 322 en 323 van de voorlopige verordening bevestigd.

4.4.3.3.   Voorraden

(187)

Aangezien er geen opmerkingen over de voorraden zijn ontvangen, werden de overwegingen 324 tot en met 326 van de voorlopige verordening bevestigd.

4.4.3.4.   Winstgevendheid, kasstroom, investeringen, rendement van investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken

(188)

Aangezien er geen opmerkingen over de winstgevendheid, de kasstroom, de investeringen, het rendement van investeringen en het vermogen om kapitaal aan te trekken zijn ontvangen, werden de overwegingen 327 tot en met 332 van de voorlopige verordening bevestigd.

4.5.   Conclusie over schade

(189)

Aangezien er geen verdere opmerkingen zijn ontvangen, heeft de Commissie op basis van de bevindingen in de voorlopige verordening geconcludeerd dat de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade heeft geleden in de zin van artikel 3, lid 5, van de basisverordening en heeft zij de overwegingen 333 tot en met 338 van de voorlopige verordening bevestigd.

5.   OORZAKELIJK VERBAND

5.1.   Gevolgen van de invoer met dumping

(190)

Aangezien er geen opmerkingen zijn ontvangen, werden de overwegingen 339 tot en met 341 van de voorlopige verordening bevestigd.

5.2.   Gevolgen van andere factoren

5.2.1.   Invoer uit derde landen

(191)

Aangezien er geen opmerkingen zijn ontvangen, werden de overwegingen 342 en 343 van de voorlopige verordening bevestigd.

5.2.2.   Uitvoerprestatie van de bedrijfstak van de Unie

(192)

Aangezien er geen opmerkingen zijn ontvangen, werden de overwegingen 344 tot en met 347 van de voorlopige verordening bevestigd.

5.3.   Conclusie inzake het oorzakelijk verband

(193)

Aangezien er geen opmerkingen zijn ontvangen, heeft de Commissie op basis van de bevindingen in de voorlopige verordening geconcludeerd dat de invoer met dumping uit de VRC de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade heeft berokkend en dat de andere factoren, ongeacht of zij individueel dan wel collectief werden beschouwd, het oorzakelijke verband tussen de invoer met dumping en de aanmerkelijke schade niet hebben verbroken of afgezwakt. De overwegingen 348 tot en met 352 van de voorlopige verordening werden bevestigd.

6.   NIVEAU VAN DE MAATREGELEN

6.1.   Schademarge

(194)

Aangezien er geen opmerkingen zijn ontvangen, werden de overwegingen 353 tot en met 359 van de voorlopige verordening bevestigd.

(195)

Aangezien er geen opmerkingen zijn ontvangen, werd overweging 360 van de voorlopige verordening bevestigd. De Commissie merkte echter op dat de prijzen van één producent-exporteur voor de prijsvergelijking niet tot het niveau grens Unie waren gecorrigeerd. De Commissie heeft de berekening dienovereenkomstig gecorrigeerd, en voor de meewerkende producenten-exporteurs en alle andere ondernemingen gelden de volgende definitieve schademarges:

Land

Onderneming

Definitieve schademarge (%)

Volksrepubliek China

CJ (Shenyang) Biotechnology Co., Ltd

118,1

Bayannur Huaheng Biotechnology Co., Ltd

141,0

Andere meewerkende ondernemingen

129,2

Alle overige invoer van oorsprong uit de Volksrepubliek China

141,0

6.2.   Conclusie inzake het niveau van de maatregelen

(196)

Na bovenstaande beoordeling moeten de definitieve antidumpingrechten overeenkomstig artikel 7, lid 2, van de basisverordening als volgt worden vastgesteld:

Land

Onderneming

Dumpingmarge (%)

Schademarge (%)

Definitief antidumpingrecht (%)

Volksrepubliek China

CJ (Shenyang) Biotechnology Co., Ltd

31,3

118,1

31,3

Bayannur Huaheng Biotechnology Co., Ltd

53,8

141,0

53,8

Andere meewerkende ondernemingen opgenomen in de bijlage

42,2

129,2

42,2

Alle overige invoer van oorsprong uit de Volksrepubliek China

53,8

141,0

53,8

7.   BELANG VAN DE UNIE

7.1.   Belang van de bedrijfstak van de Unie

(197)

Aangezien er geen opmerkingen zijn ontvangen, werden de overwegingen 363 tot en met 366 van de voorlopige verordening bevestigd.

7.2.   Belang van niet-verbonden importeurs

(198)

Aangezien er geen opmerkingen zijn ontvangen, werden de overwegingen 367 tot en met 369 van de voorlopige verordening bevestigd.

7.3.   Belang van de gebruikers

(199)

Aangezien er geen opmerkingen zijn ontvangen, werden de overwegingen 370 tot en met 374 van de voorlopige verordening bevestigd.

7.4.   Conclusie betreffende het belang van de Unie

(200)

Aangezien er geen opmerkingen over het belang van de Unie zijn ontvangen, werd overweging 375 van de voorlopige verordening bevestigd.

8.   DEFINITIEVE ANTIDUMPINGMAATREGELEN

8.1.   Definitieve maatregelen

(201)

In het licht van de conclusies inzake dumping, schade, het oorzakelijk verband, de hoogte van de maatregelen en het belang van de Unie, en overeenkomstig artikel 9, lid 4, van de basisverordening, moeten definitieve antidumpingmaatregelen worden ingesteld om te voorkomen dat de bedrijfstak van de Unie nog meer schade lijdt door de invoer met dumping van het betrokken product.

(202)

Gezien het voorgaande moeten de definitieve antidumpingrechten, uitgedrukt in cif-prijs grens Unie, vóór inklaring, als volgt worden vastgesteld:

Land

Onderneming

Definitief antidumpingrecht (%)

Volksrepubliek China

CJ (Shenyang) Biotechnology Co., Ltd

31,3

Bayannur Huaheng Biotechnology Co., Ltd

53,8

Andere meewerkende ondernemingen

42,2

Alle overige invoer van oorsprong uit de Volksrepubliek China

53,8

(203)

De bij deze verordening voor bepaalde ondernemingen vastgestelde individuele antidumpingrechten zijn vastgesteld op basis van de bevindingen van dit onderzoek. Daarin wordt derhalve de situatie weerspiegeld die bij het onderzoek voor die ondernemingen werd geconstateerd. Deze rechten zijn dus uitsluitend van toepassing op het onderzochte product van oorsprong uit het betrokken land en geproduceerd door de genoemde juridische entiteiten. Deze rechten zijn niet van toepassing op de invoer van het betrokken product indien dat is vervaardigd door andere, niet specifiek in het dispositief van deze verordening genoemde ondernemingen, ook al gaat het hierbij om entiteiten die verbonden zijn met de specifiek genoemde ondernemingen; op die producten is het recht van toepassing dat geldt voor “alle overige invoer uit de Volksrepubliek China”.

(204)

Een onderneming die later haar naam wijzigt, kan verzoeken om verdere toepassing van deze individuele antidumpingrechten. Dit verzoek moet worden ingediend bij de Commissie (48). Het moet alle relevante informatie bevatten waaruit blijkt dat de wijziging geen invloed heeft op het recht van de onderneming om in aanmerking te komen voor het recht dat op haar van toepassing is. Als de naamswijziging van de onderneming niet van invloed is op haar recht om in aanmerking te komen voor het recht dat op haar van toepassing is, zal een verordening over de naamswijziging worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

(205)

Om het risico van ontwijking als gevolg van het verschil in rechten zo veel mogelijk te beperken, zijn speciale maatregelen nodig om de correcte toepassing van de individuele antidumpingrechten te garanderen. De heffing van individuele antidumpingrechten is enkel van toepassing wanneer aan de douaneautoriteiten van de lidstaten een geldige handelsfactuur wordt overlegd. Deze factuur moet voldoen aan de in artikel 1, lid 3, van deze verordening vastgestelde vereisten. Totdat een dergelijke factuur wordt overgelegd, moet de invoer worden onderworpen aan het antidumpingrecht dat van toepassing is op “alle overige invoer van oorsprong uit de Volksrepubliek China”.

(206)

Hoewel de douaneautoriteiten van de lidstaten over deze factuur moeten beschikken om ten aanzien van de invoer de individuele antidumpingrechten te kunnen toepassen, is overlegging van die factuur niet de enige factor waarmee de douaneautoriteiten rekening moeten houden. Zelfs als aan hen een factuur wordt overgelegd die voldoet aan alle vereisten van artikel 1, lid 3, van deze verordening, moeten de douaneautoriteiten van de lidstaten namelijk hun gebruikelijke controles uitvoeren en kunnen zij, net als in alle andere gevallen, aanvullende documenten (vervoersdocumenten enz.) verlangen om de juistheid van de gegevens in de aangifte te controleren en te waarborgen dat het recht vervolgens terecht wordt toegepast, in overeenstemming met de douanewetgeving.

(207)

Indien de uitvoer door een van de ondernemingen waarvoor een lager individueel recht geldt aanzienlijk toeneemt, met name na de instelling van de maatregelen in kwestie, kan een dergelijke toename op zich worden beschouwd als een verandering in de structuur van het handelsverkeer als gevolg van de instelling van maatregelen in de zin van artikel 13, lid 1, van de basisverordening. In dergelijke omstandigheden kan een onderzoek naar ontwijking worden geopend, mits aan de voorwaarden daarvoor is voldaan. Hierbij kan onder meer worden onderzocht of het nodig is de individuele rechten in te trekken en een voor het gehele land geldend recht in te stellen.

(208)

Om een goede toepassing van het antidumpingrecht te garanderen, moet het antidumpingrecht dat is vastgesteld voor alle overige invoer van oorsprong uit de VRC niet alleen gelden voor de niet-meewerkende producenten-exporteurs in dit onderzoek, maar ook voor de producenten die in het onderzoektijdvak geen producten naar de Unie hebben uitgevoerd.

(209)

Producenten-exporteurs die het betrokken product tijdens het onderzoektijdvak niet naar de Unie hebben uitgevoerd, moeten de Commissie kunnen verzoeken om toepassing van het antidumpingrecht voor niet in de steekproef opgenomen meewerkende ondernemingen. De Commissie moet een dergelijk verzoek inwilligen mits aan drie voorwaarden wordt voldaan. De nieuwe producent-exporteur moet aantonen dat: i) hij het betrokken product tijdens het onderzoektijdvak niet naar de Unie heeft uitgevoerd; ii) hij niet verbonden is met een producent-exporteur die dat wel heeft gedaan; en iii) hij het betrokken product daarna heeft uitgevoerd of een onherroepelijke contractuele verplichting is aangegaan om dit in aanzienlijke hoeveelheden te doen.

8.2.   Definitieve inning van het voorlopige recht

(210)

Gezien de hoogte van de vastgestelde dumpingmarges en de ernst van de schade die de bedrijfstak van de Unie heeft geleden, moeten de bedragen die uit hoofde van de bij de voorlopige verordening ingestelde voorlopige antidumpingrechten als zekerheid zijn gesteld, definitief worden geïnd tot het bij de onderhavige verordening vastgestelde niveau.

8.3.   Inning met terugwerkende kracht

(211)

Zoals vermeld in afdeling 1.2, heeft de Commissie de invoer van het onderzochte product aan registratie onderworpen.

(212)

In het definitieve stadium van het onderzoek zijn de in het kader van de registratie verzamelde gegevens beoordeeld. De Commissie heeft onderzocht of aan de criteria van artikel 10, lid 4, van de basisverordening voor de inning van definitieve rechten met terugwerkende kracht is voldaan.

(213)

Uit het onderzoek van de Commissie is gebleken dat er naast de invoer die in het onderzoektijdvak schade heeft veroorzaakt, geen sprake was van een aanzienlijke toename van invoer in de zin van artikel 10, lid 4, punt d), van de basisverordening. Voor dit onderzoek heeft de Commissie de maandelijkse gemiddelde invoer van het betrokken product gedurende het onderzoektijdvak, die [1 750-2 417] Mt/maand bedroeg, vergeleken met de maandelijkse gemiddelde invoer in de periode vanaf de maand die volgde op de inleiding van dit onderzoek tot de laatste volledige maand die voorafging aan de instelling van de voorlopige maatregelen (1 455 Mt/maand). Ook bij vergelijking van de maandelijkse gemiddelde invoer van het betrokken product gedurende het onderzoektijdvak met de maandelijkse gemiddelde invoer in de periode vanaf de maand die volgde op de inleiding van dit onderzoek tot en met de maand waarin de voorlopige maatregelen werden ingesteld (1 320 Mt/maand), kon geen aanzienlijke verdere toename worden vastgesteld.

Periode

OT

januari-juli 2025

januari-augustus 2025

Maandelijkse gemiddelde invoer (Mt/maand)

[1 750 -2 417 ]

1 455  Mt/maand

1 320

(214)

Op basis daarvan heeft de Commissie geconcludeerd dat niet werd voldaan aan de voorwaarden van artikel 10, lid 4, van de basisverordening voor de toepassing met terugwerkende kracht van de definitieve antidumpingrechten.

(215)

In zijn reactie op de mededeling van de definitieve bevindingen gaf de klager aan het niet eens te zijn met de beoordeling van de Commissie en voerde hij aan dat op basis van gegevens van de gespecialiseerde marktinformatie in de klacht en antwoorden op de vragenlijst, die de Commissie ook heeft gebruikt om de omvang van de invoer van het betrokken product tijdens het onderzoek vast te stellen, was voldaan aan de voorwaarden voor het met terugwerkende kracht innen van de rechten. Op basis van deze gegevens betoogde de klager dat de maandelijkse invoer van het betrokken product na het onderzoektijdvak aanzienlijk was gestegen. De klager voerde specifiek aan dat in 2024 maandelijks gemiddeld tussen 1 en 2,5 ton valine werd verzonden en vervolgens in februari 2025 zesmaal zoveel, en dat in februari en maart 2025 zeer hoge volumes naar de Unie werden verzonden, wat erop wees dat er voorraden waren opgebouwd. Deze sterke toename van de uitvoer uit de VRC naar de Unie na het onderzoektijdvak zou aantonen dat aan de voorwaarden voor het met terugwerkende kracht innen van de rechten is voldaan, en derhalve verzocht de klager de Commissie om rechten met terugwerkende kracht in te stellen.

(216)

Bij het vaststellen van het invoervolume heeft de Commissie de door de klager verstrekte gegevens van de gespecialiseerde marktinformatie gecorrigeerd, zoals beschreven in de overwegingen 287 en 290 van de voorlopige verordening, op basis van correcties die voortvloeiden uit kruislings gecontroleerde gegevens die door de meewerkende exporteurs waren verstrekt en ter plaatse waren gecontroleerd. Bovendien is er sinds de opening van het onderzoek een aparte Taric-code voor het betrokken product, waardoor de Commissie zich volledig kan baseren op de door de lidstaten verstrekte invoerstatistieken. De Commissie zag geen reden om deze gegevens in twijfel te trekken en heeft derhalve de door de lidstaten gerapporteerde gemiddelde maandelijkse invoer vergeleken met de voor het onderzoektijdvak vastgestelde gemiddelde maandelijkse invoer, zoals vermeld in afdeling 4.3 van de voorlopige verordening. De Commissie acht het argument van de klager derhalve niet onderbouwd en bevestigde haar conclusie dat niet was voldaan aan de in artikel 10, lid 4, van de basisverordening genoemde voorwaarden voor de inning met terugwerkende kracht van het definitieve antidumpingrecht.

9.   SLOTBEPALING

(217)

Indien een bedrag moet worden terugbetaald naar aanleiding van een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, geldt ingevolge artikel 109 van Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad (49) als rentevoet de rente die de Europese Centrale Bank voor haar basisherfinancieringstransacties hanteert, zoals bekendgemaakt in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie op de eerste kalenderdag van elke maand.

(218)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) 2016/1036 ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op valine en esters daarvan, zouten daarvan, als een afzonderlijke chemisch welbepaalde organische verbinding, al dan niet met onzuiverheden, momenteel ingedeeld onder GN-code ex 2922 49 85 (Taric-code 2922 49 85 87) en van oorsprong uit de Volksrepubliek China.

2.   Het definitieve antidumpingrecht dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, van de in lid 1 genoemde en door de hieronder vermelde ondernemingen vervaardigde producten is als volgt:

Land van oorsprong

Onderneming

Definitief antidumpingrecht (%)

Aanvullende Taric-code

Volksrepubliek China

CJ (Shenyang) Biotechnology Co., Ltd

31,3

89TX

Bayannur Huaheng Biotechnology Co., Ltd

53,8

89TY

Andere meewerkende ondernemingen opgenomen in de bijlage

42,2

 

Alle overige invoer van oorsprong uit de Volksrepubliek China

53,8

8999

3.   De individuele rechten die zijn vastgesteld voor de in lid 2 vermelde ondernemingen zijn uitsluitend van toepassing indien aan de douaneautoriteiten van de lidstaten een geldige handelsfactuur wordt overgelegd die een verklaring bevat die is gedateerd en ondertekend door een met naam en functie geïdentificeerde medewerker van de entiteit die deze factuur heeft opgesteld, en die als volgt luidt: “Ondergetekende verklaart dat de (hoeveelheid in de door ons gebruikte eenheid) (betrokken product) die naar de Europese Unie wordt uitgevoerd en waarop deze factuur betrekking heeft, is vervaardigd door (naam en adres van de onderneming) (aanvullende Taric-code) in [betrokken land]. Ondergetekende verklaart dat de in deze factuur verstrekte informatie juist en volledig is.” . Totdat een dergelijke factuur wordt overgelegd, geldt het recht dat van toepassing is op alle overige invoer van oorsprong uit de Volksrepubliek China.

4.   Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.

Artikel 2

De bedragen die uit hoofde van het voorlopige antidumpingrecht als zekerheid zijn gesteld op grond van Uitvoeringsverordening (EU) 2025/1737, worden definitief geïnd. De bedragen die als zekerheid zijn gesteld en die het bedrag van het definitieve antidumpingrecht overschrijden, worden vrijgegeven.

Artikel 3

Artikel 1, lid 2, kan worden gewijzigd om nieuwe producenten-exporteurs uit de Volksrepubliek China toe te voegen en hen te onderwerpen aan het passende gewogen gemiddelde antidumpingrecht voor niet in de steekproef opgenomen meewerkende ondernemingen. Een nieuwe producent-exporteur toont met bewijs aan dat:

a)

hij de in artikel 1, lid 1, beschreven goederen tijdens het onderzoektijdvak (1 oktober 2023 tot en met 30 september 2024) niet heeft uitgevoerd;

b)

hij niet verbonden is met een exporteur of producent op wie de bij deze verordening ingestelde maatregelen van toepassing zijn, en die aan het oorspronkelijke onderzoek hadden kunnen meewerken, en

c)

hij het betrokken product na het verstrijken van het onderzoektijdvak daadwerkelijk naar de Unie heeft uitgevoerd dan wel een onherroepelijke contractuele verplichting is aangegaan om een aanzienlijke hoeveelheid naar de Unie uit te voeren.

Artikel 4

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 12 februari 2026.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 176 van 30.6.2016, blz. 21, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2016/1036/oj.

(2)  Bericht van inleiding van een antidumpingprocedure betreffende de invoer van valine van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB C, C/2024/7460, 19.12.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/7460/oj).

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) 2025/326 van de Commissie van 18 februari 2025 tot onderwerping van de invoer van valine van oorsprong uit de Volksrepubliek China aan registratie (PB L, 2025/326, 19.2.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/326/oj).

(4)  Uitvoeringsverordening (EU) 2025/1737 van de Commissie van 13 augustus 2025 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op valine van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L, 2025/1737, 14.8.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/1737/oj).

(5)  Voorlopige verordening, overweging 187.

(6)  Ibid.

(7)   https://globaltradealert.org/intervention/19519.

(8)  Uitvoeringsverordening (EU) 2025/698 van de Commissie van 10 april 2025 tot uitbreiding van het bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/633 ingestelde definitieve antidumpingrecht op mononatriumglutamaat van oorsprong uit de Volksrepubliek China tot uit Maleisië verzonden mononatriumglutamaat, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Maleisië (PB L, 2025/698, 11.4.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/698/oj), overweging 18.

(9)   Ibid, overweging 60.

(10)   Ibid., overwegingen 63-64.

(11)  Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1336 van de Commissie van 25 september 2020 tot instelling van definitieve antidumpingrechten op bepaalde soorten polyvinylalcohol van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L 315 van 29.9.2020, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2020/1336/oj).

(12)  Verordening (EU) 2015/755 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende de gemeenschappelijke regeling voor de invoer uit bepaalde derde landen (PB L 123 van 19.5.2015, blz. 33, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2015/755/oj).

(13)   https://www.ingredion.com/sa/es-co.

(14)  Bericht van opening van onderzoek en tot instelling van tussentijdse maatregelen — EAPA Consolidated Case 7950, 9 juli 2024, blz. 3.

(15)  Uitvoeringsverordening (EU) 2025/698, tabel 4.

(16)  Uitvoeringsverordening (EU) 2023/2120 van de Commissie van 12 oktober 2023 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op elektrolytisch mangaandioxide van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L, 2023/2120, 13.10.2023, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2023/2120/oj), overweging 133.

(17)  Na uitsluiting van de VRC en de landen in bijlage I bij Verordening (EU) 2015/755.

(18)  Tot zes cijfers zoals gedefinieerd in het geharmoniseerde systeem van de Werelddouaneorganisatie (WDO).

(19)  Hoewel ook 1005 90 10 , 1005 90 90 , 1005 90 99 en 100590000019 relevante codes zijn, werden alleen onder code 1005 90 11 GTA-gegevens opgevraagd.

(20)  Prijs gecorrigeerd om rekening te houden met de toeslag voor niet-ggo-mais, zie overweging 224 van de voorlopige verordening.

(21)   https://www.enel.com.co/en/people/energy-rates.html.

(22)   https://www.acueducto.com.co/wps/portal/EAB2/Home/atencion-al-usuario/tarifas/tarifas2023; https://www.acueducto.com.co/wps/portal/EAB2/Home/atencion-al-usuario/tarifas/tarifas_2024.

(23)  De gebruikte GTA-gegevens hadden betrekking op mais (douanecode 1005 90 11 ) of maiszetmeel, waar van toepassing (douanecode 1108 12 ). Voor de pro-rataberekening, zie overweging 246 van de voorlopige verordening.”

(24)  Zie de overwegingen 223 en 224 van de voorlopige verordening.

(25)   https://www.embrapa.br/tema-transgenicos/sobre-o-tema.

(26)   https://geneticliteracyproject.org/2024/09/12/farmers-in-brazil-and-argentina-ramp-up-growing-of-genetically-modified-drought-tolerant-wheat-that-can-grow-in-subtropical-regions/.

(27)   https://gm.agbioinvestor.com/downloads/9.

(28)  Uitvoeringsverordening (EU) 2025/1330 van de Commissie van 10 juli 2025 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op lysine van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L, 2025/1330, 11.7.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/1330/oj), overweging 42.

(29)  Uitvoeringsverordening (EU) 2025/74 van de Commissie van 13 januari 2025 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op lysine van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L, 2025/74, 14.1.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/74/oj).

(30)  Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1336.

(31)  Met uitzondering van een afzonderlijke transactie via de verbonden onderneming van Quimidroga in een andere lidstaat.

(32)  Uitvoeringsverordening (EU) 2025/74, overweging 212, en Uitvoeringsverordening (EU) 2025/1330, overweging 53.

(33)  Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1336, overweging 352.

(34)  Uitvoeringsverordening (EU) 2025/393 van de Commissie van 26 februari 2025 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op epoxyharsen van oorsprong uit de Volksrepubliek China, Taiwan en Thailand (PB L, 2025/393, 27.2.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/393/oj), overweging 208.

(35)  Uitvoeringsverordening (EU) 2025/393, overweging 208.

(36)  Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1336, overwegingen 32, 352 en 358.

(37)  Arrest van het Gerecht van 2 oktober 2024, CCCME e.a./Commissie, T-263/22, ECLI:EU:T:2024:663, punt 188, en de daarin aangehaalde rechtspraak.

(38)  Arrest van het Gerecht van 16 december 2011, Dashiqiao Sanqiang Refractory Materials/Raad, T-423/09, ECLI:EU:T:2011:764.

(39)  Ibid., punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak.

(40)  Ibid., punt 43.

(41)  Arrest van het Gerecht van 21 februari 2024, Sinopec Chongqing SVW Chemical e.a./ Commissie, T-762/20, ECLI:EU:T:2024:113, punt 155.

(42)  Ibid., punt 156.

(43)  Ibid., punt 157.

(44)   Ibid.

(45)  Uitvoeringsverordening (EU) 2025/1919 van de Commissie van 25 september 2025 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op bepaalde warmgewalste platte producten van ijzer, van niet-gelegeerd staal of van ander gelegeerd staal van oorsprong uit Egypte, Japan en Vietnam en tot beëindiging van het onderzoek naar de invoer van die producten uit India (PB L, 2025/1919, 26.9.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/1919/oj), overwegingen 114 en 126.

(46)  Arrest van 8 mei 2024, Çolakoğlu Metalurji AŞ en Çolakoğlu Dış Ticaret/Commissie, T-630/21, ECLI:EU:T:2024:304, punt 94.

(47)  Zie bijvoorbeeld het arrest van het Gerecht van 11 juni 2025, Akgün Seramik Sanayi ve Ticaret e.a./Commissie, T-231/23, ECLI:EU:T:2025:580, punt 155 en de aldaar aangehaalde rechtspraak.

(48)  Email: TRADE-TDI-NAME-CHANGE-REQUESTS@ec.europa.eu; Europese Commissie, directoraat-generaal Handel, directoraat G, Wetstraat 170, 1040 Brussel, België.

(49)  Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2024 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (PB L, 2024/2509, 26.9.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/2509/oj).


BIJLAGE

Andere niet in de steekproef opgenomen meewerkende producenten-exporteurs

Land

Naam

Aanvullende Taric-code

Volksrepubliek China

Xinjiang Meihua Amino Acid Co., Ltd

Tongliao Meihua Biological Sci-tech Co., Ltd

89TZ

Ningxia EPPEN Biotech Co., Ltd

89UA

Hulunbeier Northeast Fufeng Biotechnologies Co., Ltd

Xinjiang Fufeng Biotechnologies Co., Ltd

89UB


ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2026/319/oj

ISSN 1977-0758 (electronic edition)