|
Publicatieblad |
NL L-serie |
|
2026/270 |
5.2.2026 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2026/270 VAN DE COMMISSIE
van 4 februari 2026
tot instelling van voorlopige antidumpingrechten op 1,4-butaandiol van oorsprong uit de Volksrepubliek China, het Koninkrijk Saudi-Arabië en de Verenigde Staten van Amerika
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (1) (“de basisverordening”), en met name artikel 7,
Na raadpleging van de lidstaten,
Overwegende hetgeen volgt:
1. PROCEDURE
1.1. Inleiding
|
(1) |
Op 6 juni 2025 heeft de Europese Commissie (“de Commissie”) op grond van artikel 5 van de basisverordening een antidumpingonderzoek geopend met betrekking tot de invoer van 1,4-butaandiol (“BDO”) van oorsprong uit de Volksrepubliek China (“de VRC”), het Koninkrijk Saudi-Arabië (“Saudi-Arabië”) en de Verenigde Staten van Amerika (“de VS” en, tezamen met de VRC en Saudi-Arabië, “de betrokken landen”). Zij heeft een bericht van inleiding bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (2) (“het bericht van inleiding”). |
|
(2) |
De Commissie heeft het onderzoek geopend naar aanleiding van een klacht die op 24 april 2025 was ingediend door INEOS Solvents SA (“de klager” of “Ineos”). De klacht is ingediend door de bedrijfstak van de Unie voor BDO in de zin van artikel 5, lid 4, van de basisverordening. Het bij de klacht gevoegde bewijsmateriaal over dumping en aanmerkelijke schade als gevolg daarvan werd voldoende geacht om een onderzoek te openen. |
1.2. Registratie
|
(3) |
De Commissie heeft de invoer van het betrokken product bij Uitvoeringsverordening (EU) 2025/1718 van de Commissie (3) (“de registratieverordening”) aan registratie onderworpen. |
1.3. Belanghebbenden
|
(4) |
In het bericht van inleiding werd belanghebbenden verzocht met de Commissie contact op te nemen om aan het onderzoek mee te werken. Daarnaast heeft de Commissie specifiek onder andere de klager, andere haar bekende producenten in de Unie, de haar bekende producenten-exporteurs alsmede de autoriteiten van de betrokken landen en de haar bekende betrokken importeurs, leveranciers, gebruikers, handelaren en verenigingen op de hoogte gesteld van de opening van het onderzoek en hen verzocht daaraan mee te werken. |
|
(5) |
Qore LLC, een producent van BDO in de Verenigde Staten, verzocht om als belanghebbende te worden geregistreerd omdat het mogelijk gevolgen van de procedure zou ondervinden. Volgens artikel 6, lid 7, van de basisverordening worden onder belanghebbenden verstaan producenten in de Unie, vakbonden, importeurs, exporteurs en hun representatieve verenigingen, gebruikers en consumentenorganisaties, alsmede de vertegenwoordigers van het land van uitvoer. Aangezien Qore niet naar de Unie exporteerde, voldeed het niet aan de in de basisverordening vastgestelde criteria voor een belanghebbende. Het verzoek werd derhalve afgewezen. Volgens Qore en de federale overheid van de Verenigde Staten (“de overheid van de VS”) moest de Commissie Qore ongeacht de uitvoeractiviteiten van die onderneming als belanghebbende toelaten omdat het uitoefenen van uitvoeractiviteiten geen vereiste is om krachtens de antidumpingovereenkomst van de WTO (“Antidumpingovereenkomst”) als belanghebbende te worden beschouwd. De Commissie merkte op dat niets in de Antidumpingovereenkomst of in de rechtspraak van de WTO in tegenspraak is met het besluit van de Commissie om de status van belanghebbende te weigeren aan producenten die niet naar de Unie uitvoeren. Artikel 6.11 van de Antidumpingovereenkomst vereist namelijk dat twee categorieën producenten onder de definitie van “belanghebbenden” in de zin van de overeenkomst vallen: een “buitenlandse producent [...] van een product waarop het onderzoek betrekking heeft” (artikel 6.11, punt i), van de Antidumpingovereenkomst) en “een producent van het soortgelijke product in het importerende lid” (artikel 6.11, punt ii), van de Antidumpingovereenkomst). Aangezien Qore LLC een buitenlandse producent van een soortgelijk product is, valt het niet onder een van die twee categorieën. De overheid van de VS heeft derhalve niet aangetoond waarom de Commissie Qore als belanghebbende zou moeten toelaten op grond van de wetgeving die op deze procedure van toepassing is, namelijk de basisverordening. |
|
(6) |
De belanghebbenden zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over de opening van het onderzoek en een hoorzitting met de Commissie en/of de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures aan te vragen. |
1.4. Opmerkingen over de opening van het onderzoek
|
(7) |
Lyondell Chemie Nederland B.V. (“LYB”), Sahara International Petrochemical Co. (“Sipchem”), Helm AG (“Helm”), Qore LLC (“Qore”), de overheid van het Koninkrijk Saudi-Arabië (“de Saudi-Arabische overheid”) en de overheid van de VS dienden opmerkingen in over de klacht en de opening van het onderzoek. |
|
(8) |
Om te beginnen heeft de Commissie opgemerkt dat zij de klacht overeenkomstig artikel 5 van de basisverordening heeft onderzocht en heeft geconcludeerd dat was voldaan aan de vereisten om een onderzoek te openen, dat wil zeggen dat er voldoende bewijsmateriaal was om het onderzoek te openen. |
|
(9) |
Overeenkomstig artikel 5, lid 2, van de basisverordening moet een klacht de gegevens bevatten waarover de klager redelijkerwijs beschikt. Het juridisch vereiste bewijsniveau om een onderzoek te openen (“voldoende” bewijsmateriaal) verschilt van het bewijsniveau dat nodig is voor een voorlopige of eindbeslissing over het bestaan van dumping, schade of een oorzakelijk verband. Derhalve kan bewijsmateriaal dat kwantitatief of kwalitatief ontoereikend is om een voorlopige of eindbeslissing over het bestaan van dumping, schade of een oorzakelijk verband te rechtvaardigen, niettemin toereikend zijn om de opening van een onderzoek te rechtvaardigen. |
|
(10) |
Krachtens artikel 5, lid 4, van de basisverordening wordt een klacht geacht “door of namens de bedrijfstak van de Unie te zijn ingediend” indien zij wordt gesteund door producenten in de Unie wier gezamenlijke productie meer dan 50 % bedraagt van de totale productie van het soortgelijke product dat wordt vervaardigd door dat deel van de bedrijfstak van de Unie dat zich voor of tegen de klacht heeft uitgesproken, en indien zij wordt gesteund door producenten in de Unie die meer dan 25 % van de totale productie van het soortgelijke product door de bedrijfstak van de Unie voor hun rekening nemen. |
|
(11) |
LYB betwistte de analyse van de Commissie met betrekking tot de mate van steun voor de klacht (“de beoordeling van de representativiteit”). Concreet was het van mening dat het onderzoek niet had mogen worden geopend voor Saudi-Arabië en de VS omdat de klager niet voldeed aan het representativiteitsvereiste van artikel 5, lid 4, van de basisverordening, aangezien alleen de productie van LYB al meer dan de helft vertegenwoordigt van de productie van het betrokken product door de producenten in de Unie die zich over het onderzoek hebben uitgesproken, en nam het met betrekking tot de opening van het onderzoek een “neutraal” standpunt in omdat het “niet bezorgd was over de invoer uit Saudi-Arabië en de VS” en “een onderzoek naar invoer van oorsprong uit de VRC steunde”. |
|
(12) |
Ook volgens Sipchem zou het onderzoek naar de invoer van BDO uit Saudi-Arabië en de VS moeten worden stopgezet. Concreet stelde Sipchem dat de Commissie bij haar beoordeling van de representativiteit twee fouten had gemaakt: in de eerste plaats door LYB als neutraal te beschouwen met betrekking tot het onderzoek naar de invoer van BDO uit Saudi-Arabië en de VS, en, in de tweede plaats, door te concluderen dat de klacht voldeed aan de vereisten van artikel 5, lid 4, van de basisverordening. Derhalve concludeerde Sipchem dat het onderzoek ten onrechte was geopend voor wat betreft de invoer van BDO uit Saudi-Arabië en de VS, en verzocht het de Commissie bijgevolg om het onmiddellijk te beëindigen, behalve voor de VRC. |
|
(13) |
Ook volgens de Saudi-Arabische overheid heeft de klager niet aangetoond tijdens het onderzoektijdvak een groot deel van de productie van BDO in de Unie te vertegenwoordigen, en derhalve niet voldaan aan het representativiteitsvereiste. De Saudi-Arabische overheid benadrukte dat de klager zelf heeft aangegeven 39,1 % van de totale productie van het betrokken product in de Unie tijdens het onderzoektijdvak te vertegenwoordigen. Zonder bewijs aangaande het standpunt van de twee andere producenten in de Unie, te weten LYB en Novamont, kan volgens de Saudi-Arabische overheid daarom niet worden aangenomen dat was voldaan aan het representativiteitsvereiste van 50 %. |
|
(14) |
Met betrekking tot de beoordeling van de representativiteit heeft de Commissie op 2 juni 2025 een notitie voor het dossier over de representativiteit (“notitie betreffende de representativiteit”) aan de belanghebbenden ter inzage gegeven. Bij de analyse werd vastgesteld dat de ondernemingen die de klacht steunden in 2024 tussen 45 % en 46 % van de totale productie in de Unie vertegenwoordigden, dat zich geen enkele producent met bezwaren heeft gemeld, en dat één producent aangaf een neutraal standpunt in te nemen. Derhalve heeft de Commissie geconcludeerd dat was voldaan aan de voorwaarden van artikel 5, lid 4, van de basisverordening om te kunnen oordelen dat de klacht was ingediend door of namens de bedrijfstak van de Unie. LYB gaf uitdrukkelijk aan dat het een neutraal standpunt innam. De argumenten werden derhalve afgewezen. |
|
(15) |
In de tweede plaats moet invoer uit de VS volgens LYB gescheiden van die uit Saudi-Arabië en de VRC worden behandeld omdat voor deze laatste twee niet dezelfde mededingingsvoorwaarden zouden gelden en zij daarom niet zouden mogen worden samengenomen met invoer uit de VS. Volgens LYB i) wordt BDO van oorsprong uit de VS door slechts twee producenten in de Unie ingevoerd, te weten LYB zelf en BASF, ii) is het grootste deel van die invoer waarschijnlijk voor intern verbruik door de bedrijfstak van de Unie bestemd, en iii) werden de resterende volumes niet ingevoerd voor rechtstreekse verkoop aan onafhankelijke afnemers op de markt van de Unie. Sipchem voerde soortgelijke argumenten aan over de invoer uit Saudi-Arabië. |
|
(16) |
De Commissie stelde op grond van de beschikbare informatie en statistieken vast dat aan de voorwaarden voor cumulatie van de betrokken landen in het stadium van de klacht was voldaan. |
|
(17) |
De dumpingmarges in de klacht bleken hoger te zijn dan het de-minimisniveau. Zoals uit de beschikbare officiële invoerstatistieken blijkt, was de omvang van de invoer met dumping voor geen van de betrokken landen verwaarloosbaar. Bovendien werden de mededingingsvoorwaarden als vergelijkbaar beschouwd, aangezien:
|
|
(18) |
De argumenten dat geen onderzoek had mogen worden geopend naar de gecombineerde invoer uit de betrokken landen werden derhalve door de Commissie afgewezen. Verder worden de opmerkingen over cumulatie behandeld in punt 4.3 (“Invoer uit de betrokken landen”) van deze verordening. |
|
(19) |
Volgens LYB werd door de bedrijfstak van de Unie geleden schade rechtstreeks veroorzaakt door invoer van BDO uit de VRC. Bijgevolg was volgens LYB het prijsstellingsgedrag van de Chinese BDO-sector verantwoordelijk voor de situatie in de bedrijfstak van de Unie. Dientengevolge moest de bedrijfstak van de Unie het prijsstellingsgedrag van de Chinese BDO-sector wel volgen om niet te worden overspoeld door de sterk toegenomen invoer van BDO uit de VRC. Naar de mening van LYB viel de sterke toename van de invoer van BDO uit de VRC in 2023 rechtstreeks samen met een gelijktijdige duidelijke afname van de productie van de bedrijfstak van de Unie, die vervolgens in 2024 omdraaide toen de bedrijfstak van de Unie begon te herstellen. De afname van de invoer van BDO uit de VRC kon volgens LYB niet worden toegeschreven aan een stelselmatige verandering in de dumpingpraktijken van de Chinese industrie, maar was veeleer een gevolg van het besluit van BASF om zich uit zijn joint ventures in de VRC terug te trekken. Meer in het bijzonder deed de afname van de invoer uit de VRC zich volgens LYB voor in combinatie met een relatief stabiele stroom van invoer uit de VS in 2023 en 2024 omdat BASF na het wegvallen van de aanvoer uit de VRC moest overstappen op BDO uit de VS. LYB benadrukte echter dat deze ontwikkeling kunstmatig was omdat de invoer van BDO uit de VS alleen voor intern verbruik door BASF bestemd was. |
|
(20) |
De Commissie bestrijdt niet dat de invoer met dumping uit de VRC en het Chinese prijsbeleid hebben bijgedragen aan de schade voor de bedrijfstak van de Unie. Op basis van de klacht kon echter niet worden geconcludeerd dat deze alleen aan invoer uit de VRC te wijten was. De klacht bevatte voldoende bewijsmateriaal over de rol van invoer uit de VS en Saudi-Arabië bij het ontstaan van schade voor de bedrijfstak van de Unie, waaronder de sterk toenemende omvang van invoer en marktaandelen in de Unie, in combinatie met aanzienlijke en stelselmatige prijsverlagingen voor invoer uit de VS en Saudi-Arabië in de periode waarop de klacht betrekking had. Op basis van de klacht kon de Commissie daarnaast vaststellen dat sprake was van prijsbederf, prijsonderbieding en dumping door de betrokken landen. Tot slot werden deze opmerkingen ook nader onderzocht bij de beoordeling van de schade en het oorzakelijk verband. |
|
(21) |
Volgens LYB zouden antidumpingmaatregelen tegen de VS het belang van de Unie rechtstreeks schaden omdat de Amerikaanse leveringen van BDO door LYB als een “belangrijke levensader voor de bedrijfstak van de Unie” werden beschouwd aangezien zij sterk met de productie in de Unie zijn verweven, bij BASF dienen voor intern gebruik en bij LYB om in uitzonderlijke omstandigheden tekorten in de productie op te vangen. Volgens Qore zou de instelling van antidumpingmaatregelen tegen de invoer van BDO uit de VS schadelijk zijn voor downstreamgebruikers in de Unie. Chimica Organica Industriale Milanese S.p.a. (“COIM”), een gebruiker van het betrokken product in de Unie, voerde soortgelijke argumenten aan, namelijk dat de instelling van maatregelen tegen het belang van de Unie zou indruisen omdat zij i) negatieve effecten zou hebben door de cumulatie met mogelijke antidumpingrechten op adipinezuur uit de VRC, ii) schadelijk zou zijn voor de verwerkende industrie in de Unie, iii) gebruikers in de Unie afhankelijk zouden maken van de klager, en iv) de positie van gebruikers in de Unie ten opzichte van concurrenten uit derde landen zou schaden. Wegens het vermeende gebrek aan belang van de Unie riep COIM de Commissie op om het onderzoek te beëindigen en geen maatregelen in te stellen. |
|
(22) |
Overwegingen met betrekking tot het belang van de Unie zijn niet relevant voor het openen van een onderzoek. Deze argumenten worden daarom behandeld in punt 7.3 (“Belang van gebruikers”) van deze verordening. |
|
(23) |
Volgens LYB zou de Commissie ervoor moeten zorgen dat de economische realiteit van de invoer van BDO uit de VS bij de vaststelling van de schademarge op een juiste wijze tot uitdrukking komt. LYB betoogde dat de Commissie een schademarge moet vaststellen die overeenkomt met de prijsonderbiedingsmarge en derhalve de prijs van BDO bij uitvoer uit de VS niet moet corrigeren overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening, en evenmin “een kunstmatige en volledig hypothetische” (4) uitvoerprijs aan de grens van de Unie moet berekenen. Bijgevolg concludeerde LYB dat de prijsvergelijking zou moeten plaatsvinden aan de hand van de prijs die daadwerkelijk wordt betaald door de eerste onafhankelijke afnemer in de Unie. |
|
(24) |
Dit argument is niet relevant voor het openen van het onderzoek. Het werd dan ook afgewezen. |
|
(25) |
Volgens Qore i) heeft de bedrijfstak van de Unie geen aanmerkelijke schade geleden; ii) heeft de klager niet aangetoond dat de invoer van BDO uit de VS de bedrijfstak van de Unie schade heeft toegebracht, en iii) kunnen de in de klacht omschreven ontwikkelingen van de prijzen en volumes veeleer worden toegeschreven aan interne beslissingen van de bedrijfstak van de Unie zelf, verschuivingen in downstreammarkten, en door kosten veroorzaakte volatiliteit. |
|
(26) |
Qore heeft zijn argument niet met bewijsmateriaal gestaafd, zodat het niet onderbouwd was. Daarnaast was er op basis van de klacht voldoende bewijs voor schade, waaronder sterk gedaalde volumes, marktaandelen en verkoopprijzen, in combinatie met een sterk negatieve winstgevendheid wegens de invoer met dumping. De argumenten van Qore werden derhalve afgewezen. |
|
(27) |
Volgens de Saudi-Arabische overheid voldeed de klacht niet aan de eisen voor het openen van een antidumpingonderzoek omdat er onvoldoende bewijs in was opgenomen voor dumping, schade en het oorzakelijk verband daartussen. |
|
(28) |
Uit de analyse van het door de klagers verstrekte bewijsmateriaal blijkt dat de klacht voldoende voorlopig bewijsmateriaal bevatte voor dumping van BDO op de markt van de Unie. De klacht bevatte namelijk voldoende bewijsmateriaal over zowel normale waarden als uitvoerprijzen voor alle betrokken landen, en stelde op basis daarvan dumpingmarges vast van 87 % voor de VRC, 27 % voor Saudi-Arabië, en 57 % tot 78 % voor de Verenigde Staten. Met betrekking tot schade en oorzakelijk verband was in de klacht overeenkomstig de beginselen van artikel 2 van de basisverordening voorlopig bewijsmateriaal opgenomen over door de bedrijfstak van de Unie geleden schade als gevolg van invoer met dumping — die in de beoordelingsperiode aan steeds lagere prijzen werd aangeboden — uit de in de klacht genoemde landen, waaronder een aanzienlijk verlies van marktaandeel van de Unie, in combinatie met een sterke toename van het marktaandeel van de betrokken landen in de Unie. Als gevolg hiervan waren de prijzen lager dan de productiekosten, en leden de producenten in de Unie aanzienlijke verliezen. Verder bevatte de klacht voldoende bewijs voor prijsbederf en prijsonderbieding. |
|
(29) |
Volgens de overheid van de VS heeft de Commissie biogebaseerd BDO ten onrechte samen met fossiel BDO in de productomschrijving opgenomen, hoewel er tussen deze twee stoffen fundamentele verschillen zouden bestaan. De overheid van de VS verwees naar de opmerkingen van Qore en BASF, die de Commissie beide verzochten om biogebaseerd BDO uit te sluiten van de productomschrijving voor dit onderzoek. Tot slot zou biogebaseerd BDO volgens de overheid van de VS naast BDO moeten worden onderzocht als een afzonderlijk soortgelijk binnenlands product. Chimica Organica Industriale Milanese S.p.a. (“COIM”), een gebruiker uit de Unie van het betrokken product, heeft van meet af aan betoogd dat biogebaseerd BDO fundamenteel van fossiel BDO verschilt. Het verzoek om uitsluiting van biogebaseerd BDO van de productomschrijving komt aan de orde in punt 2.4 (“Argumenten betreffende de productomschrijving”) van deze verordening. |
|
(30) |
Bij de opening van het onderzoek voerde COIM aan dat de bedrijfstak van de Unie geen aanmerkelijke schade lijdt omdat er volgens hem geen significant prijsverschil is tussen in de Unie geproduceerd BDO en uit de betrokken landen ingevoerd BDO. Vermeende schade is in geen geval toe te schrijven aan invoer van BDO uit de betrokken landen, maar uitsluitend aan de oplopende productiekosten in de bedrijfstak van de Unie. |
|
(31) |
De Commissie heeft nota genomen van de argumenten van COIM. COIM heeft echter geen van de aangevoerde argumenten onderbouwd. Overeenkomstig de beginselen van artikel 3 van de basisverordening was in de klacht voldoende bewijs opgenomen voor door de bedrijfstak van de Unie geleden schade als gevolg van invoer met dumping — die in de beoordelingsperiode aan steeds lagere prijzen werd aangeboden — uit de betrokken landen, waaronder een aanzienlijk verlies van marktaandeel van de Unie, in combinatie met een sterke toename van het marktaandeel van de betrokken landen in de Unie. Daarnaast bevatte de klacht voorlopig bewijsmateriaal voor prijsbederf en prijsonderbieding. Derhalve werden de argumenten van COIM afgewezen. |
1.5. Samenstelling van een steekproef
|
(32) |
In het bericht van inleiding heeft de Commissie verklaard dat zij mogelijk een steekproef van de belanghebbenden zou samenstellen overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening. |
Steekproef van producenten in de Unie
|
(33) |
In het bericht van inleiding kondigde de Commissie aan dat zij een voorlopige steekproef van producenten in de Unie had samengesteld. Deze steekproef bestond uit alle drie producenten in de Unie die aan de samenstelling van de steekproef hadden deelgenomen. Het betrof:
|
|
(34) |
De in de steekproef opgenomen producenten in de Unie vertegenwoordigden meer dan 70 % van de op de markt van de Unie geproduceerde en verkochte hoeveelheden. De Commissie heeft de belanghebbenden uitgenodigd om opmerkingen over de voorlopige steekproef in te dienen. Er werden geen opmerkingen over de steekproef ontvangen. De steekproef werd representatief geacht voor de bedrijfstak van de Unie. |
Steekproef van niet-verbonden importeurs
|
(35) |
Om te kunnen beslissen of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, deze te kunnen samenstellen, heeft de Commissie niet-verbonden importeurs verzocht de in het bericht van inleiding gevraagde informatie te verstrekken. |
|
(36) |
Geen enkele niet-verbonden importeurs heeft de gevraagde informatie verstrekt en ermee ingestemd om in de steekproef te worden opgenomen. Industriële gebruikers/importeurs die zich als belanghebbenden hebben gemeld, werd verzocht om vragenlijsten voor gebruikers in te vullen. In het licht hiervan heeft de Commissie besloten dat een steekproef niet noodzakelijk was. |
Steekproef van producenten-exporteurs
|
(37) |
Om te kunnen beslissen of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, deze te kunnen samenstellen, heeft de Commissie alle producenten-exporteurs in de VRC en de VS verzocht de in het bericht van inleiding vermelde informatie te verstrekken. Daarnaast heeft de Commissie de vertegenwoordiging van de Volksrepubliek China bij de Europese Unie, de vertegenwoordiging van het Koninkrijk Saudi-Arabië bij de Europese Unie en de vertegenwoordiging van de Verenigde Staten van Amerika bij de Europese Unie verzocht eventuele andere producenten-exporteurs die geïnteresseerd zouden kunnen zijn in medewerking aan het onderzoek, op te sporen en/of contact met hen op te nemen. |
|
(38) |
Zes producenten-exporteurs in de VRC hebben de gevraagde informatie verstrekt en ermee ingestemd om in de steekproef te worden opgenomen. Overeenkomstig artikel 17, lid 1, van de basisverordening heeft de Commissie een steekproef van twee producenten samengesteld op basis van het grootste representatieve uitvoervolume naar de Unie dat binnen de beschikbare tijd redelijkerwijs kon worden onderzocht. Eén producent-exporteur, Shandong Yuanli Science and Technology Co., Ltd (“Shandong Yuanli”), verzocht in een opmerking bij zijn reactie op de samenstelling van de steekproef om in de steekproef te worden opgenomen wegens de specifieke kenmerken van het BDO dat hij produceerde. De Commissie heeft het verzoek bij de reactie op de samenstelling van de steekproef bestudeerd en geconcludeerd dat het niet gerechtvaardigd was omdat dergelijke specifieke kenmerken op zichzelf, bezien in samenhang met het door Shandong Yuanli naar de Unie uitgevoerde volume, onvoldoende reden zijn om Shandong Yuanli op te nemen in een steekproef die is samengesteld op basis van het grootste representatieve uitvoervolume naar de Unie dat binnen de beschikbare tijd redelijkerwijs kan worden onderzocht. |
|
(39) |
Overeenkomstig artikel 17, lid 2, van de basisverordening zijn alle bekende betrokken producenten-exporteurs en de Chinese autoriteiten over de samenstelling van de steekproef geraadpleegd. De Commissie heeft geen opmerkingen ontvangen. |
|
(40) |
Voor de VS hebben twee producenten-exporteurs de gevraagde informatie verstrekt en ermee ingestemd om in de steekproef te worden opgenomen. Gezien het geringe aantal reacties heeft de Commissie besloten dat een steekproef niet noodzakelijk was. |
|
(41) |
Op 23 juni 2025 heeft de Commissie de twee producenten-exporteurs uit de VS meegedeeld dat zij had besloten geen steekproef samen te stellen, en hen verzocht om binnen dertig dagen op de vragenlijst te reageren. |
1.6. Individueel onderzoek
|
(42) |
Geen enkele producent-exporteur in de VRC, Saudi-Arabië of de VS heeft verzocht om een individueel onderzoek overeenkomstig artikel 17, lid 3, van de basisverordening. |
1.7. Antwoorden op de vragenlijst en controlebezoeken
|
(43) |
De Commissie heeft de overheid van de Volksrepubliek China (“de Chinese overheid”) een vragenlijst toegezonden betreffende het bestaan van verstoringen van betekenis in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt b), van de basisverordening in de VRC. |
|
(44) |
De Commissie heeft vragenlijsten toegezonden aan de haar bekende producenten in de Unie, de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs in de VRC, de haar bekende producenten-exporteurs in de VS en Saudi-Arabië, en de haar bekende importeurs en gebruikers. Die vragenlijsten werden op de dag van de opening van het onderzoek ook online (5) beschikbaar gesteld. |
|
(45) |
Op 8 juli 2025 heeft een van de producenten-exporteurs in de VS, BASF Corporation (US), de Commissie meegedeeld de vragenlijst niet te zullen beantwoorden. De uiterste termijn voor het indienen van de antwoorden op de vragenlijst verliep op 23 juli 2025. Op 1 augustus 2025 heeft de Commissie BASF Corporation per brief meegedeeld dat zij voornemens was om artikel 18 van de basisverordening toe te passen. De Commissie heeft geen opmerkingen ontvangen. |
|
(46) |
De Commissie heeft alle gegevens die zij voor de voorlopige vaststelling van dumping, de schade als gevolg daarvan en het belang van de Unie nodig achtte, verzameld en gecontroleerd. Krachtens artikel 16 van de basisverordening werden controlebezoeken ter plaatse verricht bij de volgende ondernemingen:
|
1.8. Tijdvak van het nieuwe onderzoek en beoordelingsperiode
|
(47) |
Het onderzoek naar de dumping en de schade had betrekking op de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024 (“het onderzoektijdvak”). Het onderzoek naar ontwikkelingen die relevant zijn voor de schadebeoordeling had betrekking op de periode van 1 januari 2021 tot aan het einde van het onderzoektijdvak (“de beoordelingsperiode”). |
2. ONDERZOCHT PRODUCT, BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT
2.1. Onderzocht product
|
(48) |
Het onderzochte product is BDO, gewoonlijk vallend onder CAS-nummer 110-63-4 van de Chemical Abstracts Service, in de Europese inventaris van bestaande chemische handelsstoffen (Einecs) gewoonlijk ingedeeld onder EG-nummer 203-786-5, en momenteel ingedeeld onder de GN-codes 2905 39 26 en 2905 39 28 (“het onderzochte product”). |
|
(49) |
De belangrijkste productieprocessen voor BDO zijn: i) het Reppe-proces, op basis van acetyleen; ii) een proces met n-butaan/maleïnezuuranhydride (MAN), waarbij maleïnezuuranhydride in butaandiol of n-butaan in maleïnezuuranhydride wordt omgezet; iii) een proces met propyleenoxide (PO), waarbij propyleenoxide wordt gebruikt om allylalcohol te vormen; iv) een bioproces waarbij suikers, biomassamateriaal of andere op koolstof gebaseerde verbindingen worden gebruikt. |
|
(50) |
BDO wordt in verwerkende industrieën gebruikt bij de productie van een breed scala aan chemische downstreamproducten, waaronder polybutyleentereftalaat (PBT), polybutyleenadipaattereftalaat (PBAT), polyurethaan (PU), verzadigd polyester (SAT), tetrahydrofuraan (THF), n-methylpyrrolidon (NMP), thermoplastisch copolyester (TPC) en gamma-butyrolacton (GBL), die vervolgens uiteindelijk voor uiteenlopende toepassingen worden gebruikt, onder meer in de auto-industrie en op het gebied van defensie, textiel, kunststoffen, elektronica, de bouw, accu’s, farmaceutische producten en cosmetica. |
2.2. Betrokken product
|
(51) |
Het betrokken product is het onderzochte product van oorsprong uit de VRC, Saudi-Arabië en de VS, gewoonlijk vallend onder CAS-nummer 110-63-4 van de Chemical Abstracts Service, in de Europese inventaris van bestaande chemische handelsstoffen (Einecs) gewoonlijk ingedeeld onder EG-nummer 203-786-5, en momenteel ingedeeld onder de GN-codes 2905 39 26 (“biogebaseerd BDO”) en 2905 39 28 (“overig BDO” of “fossiel BDO”). |
2.3. Soortgelijk product
|
(52) |
Uit het onderzoek is gebleken dat de volgende producten dezelfde fysische, chemische en technische basiseigenschappen hebben en voor dezelfde basisdoeleinden worden gebruikt:
|
|
(53) |
De Commissie heeft in dit stadium geconcludeerd dat die producten derhalve soortgelijke producten zijn in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening. |
2.4. Argumenten betreffende de productomschrijving
|
(54) |
BASF, Helm AG, COIM en Qore hebben opmerkingen gemaakt waarin zij vroegen om BDO met een biogebaseerd koolstofgehalte van 100 massapercenten, ingedeeld onder GN-code 2905 39 26 of “biogebaseerd BDO” uit te sluiten van het onderzochte product en dus van het toepassingsgebied van de maatregelen. Deze belanghebbenden wezen op meerdere verschillen tussen biogebaseerd BDO en fossiel BDO. |
|
(55) |
De belangrijkste genoemde verschillen zijn:
|
|
(56) |
Tijdens het onderzoek constateerde de Commissie dat voor de productie van BDO verschillende processen worden toegepast, waarbij grondstoffen voor zowel biogebaseerd BDO als overig BDO op verschillen manieren worden gebruikt. Zo wordt bij de productie van biogebaseerd BDO gewoonlijk gebruikgemaakt van fermentatie van suikers met bijvoorbeeld E. coli-bacteriën, worden methoden met furfural- of barnsteenzuur toegepast, en kan het worden geproduceerd met behulp van uiteenlopende grondstoffen, waaronder mais, agrarisch afval, suikerriet of tarwe. Overig BDO wordt gewoonlijk met behulp van fossiele materialen geproduceerd in een aantal fabricageprocessen, waaronder het Reppe-proces met acetyleen (een proces met n-butaan), het maleïnezuuranhydrideproces (waarbij maleïnezuuranhydride (MAN) wordt omgezet in butaandiol of n-butaan in maleïnezuuranhydride), of een proces met propyleenoxide (PO) (waarbij propyleenoxide wordt gebruikt om allylalcohol te vormen). Volgens de belanghebbenden zijn het productieproces en de verschillende wijzen waarop grondstoffen voor biogebaseerd BDO worden gebruikt van invloed op de fysische en chemische eigenschappen en het beoogde gebruik van BDO, zijn de verschillen in productieprocessen van cruciaal belang, en resulteren zij in belangrijke verschillen in fysische eigenschappen, perceptie door de consument en eindgebruik tussen de twee producten (biogebaseerd BDO en overig BDO). |
|
(57) |
De Commissie merkte echter op dat beide BDO-producten, volgens de opmerkingen van BASF zelf, in hun gebruik uitwisselbaar zijn, omdat overig BDO en biogebaseerd BDO “… chemisch identiek zijn (C4H10O2) en dezelfde fysische en chemische eigenschappen hebben, namelijk dat het kleurloze en dikvloeibare vloeistoffen met een milde geur zijn, en zij niet in gewicht verschillen”, hoewel hun productieproces of het gebruik van grondstoffen verschilt. Daarnaast stelde Ineos, zoals ook werd bevestigd in de opmerkingen van Novamont, dat BDO weliswaar met verschillende grondstoffen en in verschillende productieprocessen kan worden gefabriceerd, maar dat deze verschillen in productie niet van invloed zijn op het eindresultaat van het downstreamproduct. Daarnaast bevestigden BASF, Ineos en Novamont dat biogebaseerd BDO en overig BDO voor downstreamproducten volledig interoperabel zijn omdat zij chemisch identiek zijn. Ondanks de geconstateerde grote verschillen in grondstoffen en productieprocessen voor BDO (zowel biogebaseerd BDO als overig BDO), stelde de Commissie tijdens het onderzoek vast dat de producten in gebruik uitwisselbaar zijn, dezelfde fysische, chemische en technische eigenschappen hebben, en ook in eindgebruik niet verschillen. |
|
(58) |
Volgens BASF zou bij vervanging van biogebaseerd BDO door overig BDO het “biogebaseerde gehalte” van het eindproduct verloren gaan, bijvoorbeeld in bioplastics en PBAT. Ook volgens Qore kan biogebaseerd BDO niet door fossiel BDO worden vervangen zonder afbreuk te doen aan de eisen van downstreamverbruikers. Volgens Helm AG zijn biogebaseerd BDO en overig BDO geen uitwisselbare producten, en is “biogebaseerd BDO van essentieel belang voor gespecialiseerde toepassingen die duurzame eigenschappen vereisen die conventioneel BDO niet kan bieden”. De Commissie oordeelde echter, net als Novamont, dat beide BDO-producten uitwisselbaar zijn, en in verschillende mengverhoudingen kunnen worden gebruikt om een reeks van downstreamproducten in de Unie te fabriceren, waaronder producten die onder PBAT of bioplastics vallen. Er werden geen andere specifieke voorbeelden gegeven van de wijze waarop downstreamconsumenten en/of -producten gevolgen zouden kunnen ondervinden van het verschillende gebruik van BDO en biogebaseerd BDO. De Commissie merkte echter op dat biogebaseerd BDO en overig BDO dezelfde moleculen en dezelfde basisfuncties hebben en uitwisselbaar zijn, ook al geven downstreamconsumenten de voorkeur aan verschillende BDO-mengsels voor hun ontwerp van downstreamproducten of uit marketingoverwegingen. Daarnaast wordt in de opmerkingen van BASF zelf verduidelijkt dat zowel biogebaseerd BDO als overig BDO kunnen worden gebruikt voor de fabricage van PBAT of biologisch afbreekbare kunststoffen. In elk geval kan fossiel BDO, zoals ook door Ineos uiteengezet, in technische zin worden geproduceerd met een lagere totale koolstofvoetafdruk dan biogebaseerd BDO, waardoor het aantal toepassingen toeneemt en downstreamgebruikers van BDO minder CO2 verbruiken. |
|
(59) |
Volgens Helm AG hebben consumenten een heel ander beeld van biogebaseerd BDO dan van conventioneel BDO, en wordt biogebaseerd BDO aangeboden als een “groen”, biogebaseerd en koolstofarm basisproduct, terwijl overig BDO primair wordt vermarkt als een chemische grondstof voor uiteenlopende industriële toepassingen waarbij biologisch gehalte of traceerbaarheid geen rol speelt. Volgens Qore is er in de Unie niet alleen een markt voor biogebaseerd BDO omdat consumenten er zelf een voorkeur voor hebben, maar ook vanwege bindende contracten met consumenten of het recht van de Unie, waarvoor BDO geen vervanger van biogebaseerd BDO is, omdat het “duurzaamheidsspecificaties zou verstoren of op certificering gebaseerde productclaims zou ondergraven”. De belanghebbenden merkten op dat biogebaseerd BDO gewoonlijk niet met overig BDO concurreert. De Commissie wees er echter op dat fossiel BDO en biogebaseerd BDO beide worden gebruikt voor de productie van diverse downstreamproducten, waaronder gecertificeerde of biologisch afbreekbare producten, en dat gebruikers de BDO-mix indien nodig aanpassen. Bijgevolg worden biogebaseerd BDO en overig BDO voor dezelfde doeleinden gebruikt, worden zij verwerkt in hetzelfde fabricageproces voor downstreamproducten, en concurreren zij met elkaar in de Unie. |
|
(60) |
BASF, Helm AG en Qore merkten op dat biogebaseerd BDO een ander productieproces heeft, met hogere kosten en dus een hogere verkoopprijs, hetgeen tot gevolg kan hebben dat de consumenten en gebruiksdoeleinden van die van overig BDO kunnen verschillen, en dat de twee producten (biogebaseerd en overig BDO) door een andere prijsstelling niet met elkaar concurreren. De Commissie merkte echter op dat het geconstateerde prijsverschil in de toekomst ook kan veranderen en tijdelijk kan zijn: i) zoals door BASF en Qore uiteengezet, wordt gewerkt aan nieuwe capaciteit voor biogebaseerd BDO, hetgeen ertoe kan leiden dat er meer aan de Unie wordt geleverd, op basis van nieuwe productietechnologie, en dat de prijzen dalen; ii) een aanzienlijk deel van de kosten wordt bepaald door uiteenlopende en aan instabiliteit onderhevige grondstoffen, zoals opgemerkt door BASF, en aangezien de prijzen voor deze grondstoffen door die instabiliteit variëren, kunnen zij, in vergelijking met het fabricageproces van fossiel BDO, in de toekomst ook een lager prijsniveau bereiken. De Commissie merkte namelijk op dat biogebaseerd BDO, zoals ook door Novamont opgemerkt, in economisch opzicht in bepaalde perioden in de jaren 2021-2023, toen de olie- en gasprijzen torenhoog waren, al voordeliger is geworden dan overig BDO. Een prijsverschil op zichzelf is in geen geval een reden voor uitsluiting van biogebaseerd BDO van de productomschrijving. |
|
(61) |
Verder wordt biogebaseerd BDO volgens BASF, Helm AG en Qore niet door de klager (Ineos) gefabriceerd en moet het daarom van het onderzoek worden uitgesloten. Daarnaast voerde Helm AG aan dat biogebaseerd BDO niet uit de betrokken landen in de Unie wordt ingevoerd en evenmin buiten de Unie wordt geproduceerd, en om die reden niet met dumping kan worden ingevoerd. De Commissie wees er echter op dat biogebaseerd BDO tijdens het onderzoektijdvak in de Unie werd ingevoerd, zoals ook werd bevestigd tijdens de controlebezoeken. Bovendien wordt biogebaseerd BDO binnen de bedrijfstak van de Unie ook gefabriceerd door producent Novamont. |
|
(62) |
Tot slot voerde Helm AG aan dat het onderscheid tussen biogebaseerd BDO en overig BDO in hun respectieve douane-indeling tot uitdrukking komt omdat zij met hun verschillende GN-codes als twee verschillende producten worden beschouwd. Beide GN-codes hebben echter uitsluitend betrekking op BDO, en zoals reeds uiteengezet, volstaat een verschil in het productieproces niet om welke soort BDO dan ook uit te sluiten van de productomschrijving van het onderzoek. |
|
(63) |
Concluderend bestrijdt de Commissie niet dat er tussen biogebaseerd BDO en overig BDO verschillen in grondstoffen en productieprocessen bestaan. Aangezien biogebaseerd en fossiel BDO echter dezelfde technische, chemische en fysische basiseigenschappen hebben en in gebruik grotendeels uitwisselbaar zijn, werden de door belanghebbenden aangegeven verschillen niet als doorslaggevend beschouwd en moeten de producten als een en hetzelfde product worden beschouwd. Bovendien zijn deze verschillen in productiemethoden en grondstoffen ook aanwezig binnen de productindeling voor biogebaseerd BDO en overig BDO. Daarnaast kan een (groen) product met een kleine koolstofvoetafdruk technisch gezien ook worden gefabriceerd op basis van fossiele bronnen, hetgeen inhoudt dat aan afnemers die een groen product eisen ook overig BDO kan worden geleverd. De kosten en verkoopprijzen van biogebaseerde BDO-producten kunnen hoger zijn, maar die kosten en verkoopprijzen variëren en kunnen minder sterk uiteen gaan lopen of zelfs lager worden. Derhalve heeft de Commissie bovenstaande argumenten voor uitsluiting van biogebaseerd BDO van de productomschrijving afgewezen. |
3. DUMPING
3.1. VRC
3.1.1. Procedure voor de vaststelling van de normale waarde op grond van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening
|
(64) |
Aangezien er bij de inleiding van het onderzoek voldoende bewijsmateriaal beschikbaar was dat wees op het bestaan van verstoringen van betekenis in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt b), van de basisverordening met betrekking tot de VRC, achtte de Commissie het passend om met betrekking tot de producenten-exporteurs uit dit land het onderzoek te openen uit hoofde van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening. |
|
(65) |
Om de benodigde gegevens voor de uiteindelijke toepassing van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening te verzamelen, heeft de Commissie bijgevolg in het bericht van inleiding alle producenten-exporteurs in de VRC verzocht informatie over de basisproducten voor de vervaardiging van BDO te verstrekken. Twee producenten-exporteurs hebben de desbetreffende informatie verstrekt. |
|
(66) |
Om de informatie te verkrijgen die zij voor haar onderzoek met betrekking tot de vermeende verstoringen van betekenis nodig achtte, heeft de Commissie de Chinese overheid een vragenlijst toegezonden. Bovendien heeft de Commissie in punt 5.3.2 van het bericht van inleiding alle belanghebbenden uitgenodigd om binnen 37 dagen na de datum van bekendmaking van dat bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie hun standpunt kenbaar te maken, informatie in te dienen en ondersteunend bewijsmateriaal te verstrekken ten aanzien van de toepassing van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening. De Chinese overheid reageerde niet binnen de daarvoor gestelde termijn op de vragenlijst, en diende evenmin opmerkingen in over de toepassing van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening. Vervolgens heeft de Commissie de Chinese overheid ervan in kennis gesteld dat zij overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening de beschikbare gegevens zou gebruiken om de aanwezigheid van verstoringen van betekenis in de VRC vast te stellen. Van de Chinese overheid werden geen opmerkingen over het gebruik van beschikbare gegevens ontvangen. |
|
(67) |
In punt 5.3.2 van het bericht van inleiding heeft de Commissie ook vermeld dat zij, gezien het beschikbare bewijsmateriaal, op grond van artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening voorlopig Maleisië had geselecteerd als passend representatief land voor de vaststelling van de normale waarde aan de hand van niet-verstoorde prijzen of benchmarks. De Commissie merkte verder op dat zij andere mogelijk passende representatieve landen zou onderzoeken overeenkomstig de criteria als bedoeld in artikel 2, lid 6 bis, punt a), eerste streepje, van de basisverordening. |
|
(68) |
Op 18 juli 2025 heeft de Commissie de belanghebbenden door middel van een mededeling (“de mededeling”) op de hoogte gebracht van de relevante bronnen die zij voornemens was te gebruiken om de normale waarde vast te stellen. In die mededeling heeft de Commissie een lijst verstrekt van alle productiefactoren zoals grondstoffen, arbeid en energie die bij de productie van BDO een rol spelen. Daarnaast heeft de Commissie op basis van de criteria voor de keuze van niet-verstoorde prijzen of benchmarks een aantal landen als mogelijk passende representatieve landen aangewezen, te weten Brazilië en Maleisië. De Commissie heeft opmerkingen over de mededeling ontvangen van de klager, LYB, en Wanhua Chemical (Sichuan) Co., Ltd en zijn verbonden ondernemingen (“Wanhua Group”). |
|
(69) |
De Commissie is in punt 3.1.2.4.1 uitvoerig op de ontvangen opmerkingen ingegaan. Op basis van de ontvangen opmerkingen heeft de Commissie bepaald welke bronnen zij voornemens is te gebruiken voor de vaststelling van de normale waarde, met Brazilië als representatief land. Ook heeft zij geconcludeerd dat zij op basis van de beschikbare informatie voor het onderzoektijdvak verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten (“VAA-kosten”) en winst zou vaststellen voor Rhodia Brasil SA (“Rhodia Brasil”), een producent in Brazilië. |
3.1.2. Normale waarde
|
(70) |
Artikel 2, lid 1, van de basisverordening bepaalt: “De normale waarde is normaal gebaseerd op de prijzen die door onafhankelijke afnemers in het land van uitvoer in het kader van normale handelstransacties worden betaald of dienen te worden betaald.” |
|
(71) |
Artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening bepaalt echter het volgende: “Wanneer [...] wordt vastgesteld dat het wegens het bestaan van verstoringen van betekenis in de zin van punt b) in het land van uitvoer niet passend is gebruik te maken van de binnenlandse prijzen en kosten in dat land, wordt de normale waarde uitsluitend berekend aan de hand van productie- en verkoopkosten waarin niet-verstoorde prijzen of benchmarks tot uitdrukking komen”, en deze normale waarde “omvat een niet-verstoord en redelijk bedrag voor administratiekosten, verkoopkosten en algemene kosten en voor winst” (voor “administratiekosten, verkoopkosten en algemene kosten” wordt hierna de afkorting “VAA-kosten” gebruikt). |
|
(72) |
Zoals hieronder nader wordt toegelicht, heeft de Commissie in dit onderzoek geconcludeerd dat het op basis van het beschikbare bewijsmateriaal en gezien het gebrek aan medewerking van de Chinese overheid juist was artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening toe te passen. |
3.1.2.1.
|
(73) |
In recente onderzoeken betreffende de chemische sector in de VRC (6) heeft de Commissie vastgesteld dat er sprake was van verstoringen van betekenis in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt b), van de basisverordening. |
|
(74) |
In die onderzoeken heeft de Commissie vastgesteld dat er in de VRC sprake is van aanzienlijk overheidsingrijpen, wat leidt tot een verstoring van de doeltreffende toewijzing van middelen volgens marktbeginselen (7). De Commissie heeft met name geconcludeerd dat de Chinese overheid niet alleen nog steeds een aanzienlijk deel van de chemische sector in handen heeft als bedoeld in artikel 2, lid 6 bis, punt b), eerste streepje, van de basisverordening (8), maar de Chinese overheid zich ook kan mengen in de prijzen en kosten via overheidsaanwezigheid in ondernemingen zoals bedoeld in artikel 2, lid 6 bis, punt b), tweede streepje, van de basisverordening (9). De Commissie heeft verder vastgesteld dat de aanwezigheid van de staat op de financiële markten en het ingrijpen door de staat op die markten, alsmede bij de verstrekking van grondstoffen en basisproducten, een extra verstorend effect hebben op de markt. In feite leidt het planningssysteem van de VRC er over de gehele linie toe dat er middelen worden geconcentreerd in sectoren die door de Chinese overheid als strategisch of anderszins politiek belangrijk zijn bestempeld, in plaats van dat de allocatie overeenkomstig marktwerking plaatsvindt (10). Bovendien heeft de Commissie geconcludeerd dat de Chinese faillissementswetgeving en eigendomswetgeving niet naar behoren functioneren in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt b), vierde streepje, van de basisverordening, en dus verstoringen veroorzaken, in het bijzonder wanneer in de VRC insolvente ondernemingen op de been worden gehouden en wanneer grondgebruiksrechten worden toegewezen (11). Ook stelde de Commissie vast dat er sprake was van verstoringen van de loonkosten in de chemische sector in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt b), vijfde streepje, van de basisverordening (12), alsmede van verstoringen op de financiële markten in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt b), zesde streepje, van de basisverordening, met name wat de toegang tot kapitaal voor ondernemingen in de VRC betreft (13). |
|
(75) |
Net als in de voorafgaande onderzoeken met betrekking tot de chemische sector in de VRC is de Commissie in het huidige onderzoek nagegaan of het wegens de aanwezigheid van verstoringen van betekenis in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt b), van de basisverordening al dan niet passend was om gebruik te maken van de binnenlandse prijzen en kosten in de VRC. Daartoe maakte de Commissie gebruik van het beschikbare bewijsmateriaal in het dossier, met inbegrip van het bewijsmateriaal in de klacht, en in het werkdocument van de diensten van de Commissie over verstoringen van betekenis in de economie van de Volksrepubliek China met het oog op handelsbeschermingsonderzoeken (14) (“het rapport”), dat op openbaar beschikbare bronnen is gebaseerd. Bij deze analyse is niet alleen gekeken naar het aanzienlijke overheidsingrijpen in de economie van de VRC in het algemeen, maar ook naar de specifieke marktsituatie in de betrokken sector, met inbegrip van het onderzochte product. De Commissie heeft deze bewijselementen verder aangevuld met haar eigen onderzoek naar de verschillende criteria die relevant zijn om het bestaan van verstoringen van betekenis in de VRC aan te tonen, zoals die ook in het kader van haar eerdere onderzoeken in dit verband zijn vastgesteld. |
|
(76) |
Volgens de klacht is in de Chinese BDO-sector sprake van verstoringen van betekenis. In de klacht werd verwezen naar het rapport en met name naar het economische systeem van de VRC als een “socialistische markteconomie” en de actieve rol van de CCP in zowel de publieke als de particuliere sector in de VRC (15). |
|
(77) |
Meer in het bijzonder werd gewezen op het volgende:
|
|
(78) |
Concluderend werd in de klacht het standpunt ingenomen dat de prijzen en kosten, waaronder de kosten van grondstoffen, energie en arbeid, niet door vrije marktwerking tot stand komen omdat zij worden beïnvloed door aanzienlijk overheidsingrijpen in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt b), van de basisverordening. Op grond daarvan is het volgens de klacht in dit geval niet passend om voor de vaststelling van de normale waarde gebruik te maken van de binnenlandse prijzen en kosten. |
|
(79) |
De Commissie heeft onderzocht of het wegens het bestaan van verstoringen van betekenis in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt b), van de basisverordening al dan niet passend was gebruik te maken van de binnenlandse prijzen en kosten in de VRC. Bij deze analyse werd niet alleen gekeken naar het aanzienlijke overheidsingrijpen in de economie van de VRC in het algemeen, maar ook naar de specifieke marktsituatie in de desbetreffende sector, met inbegrip van het betrokken product. |
|
(80) |
In dit verband heeft de Commissie eerst beoordeeld of de BDO-sector in de VRC voor een groot deel wordt bediend door ondernemingen die in handen zijn van de Chinese autoriteiten, waarover zij zeggenschap hebben, waarop zij beleidstoezicht uitoefenen of waarvoor zij beleidsadvies geven in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt b), eerste streepje, van de basisverordening. De sector van het betrokken product wordt bediend door particuliere ondernemingen, waaronder Shandong Yuanli (23) (24) en Inner Mongolia Dongjing Bioenvironmental Protection Ltd (25), dat voor 100 % in handen is van de particuliere onderneming Inner Mongolia Dongyuan Science and Technology Group Co., Ltd (26) (27), en van particuliere ondernemingen waarin de staat een minderheidsbelang heeft, waaronder de Wanhua Chemical Group Co., Ltd (28) (29), en van staatsondernemingen als Xinjiang Markor Chemical Industry Co., Ltd (30), Henan Kaixiang Fine Chemical Co. Ltd (31), Xinjiang Blue Ridge Tunhe Energy Co. Ltd (32) of de Sinopec Group (33). De exacte verhouding tussen particuliere en staatsproducenten op de BDO-markt kon niet worden bepaald. De Commissie stelde echter vast dat verschillende producenten rechtstreeks onder zeggenschap van de staat staan. Voorbeelden daarvan zijn Xinjiang Markor Chemical Industry Co., Ltd (34) en Xinjiang Blue Ridge Tunhe Energy Co. Ltd (35), die beide onder de uiteindelijke zeggenschap staan van de Commissie voor toezicht op en beheer van staatsactiva van de Oeigoerse autonome regio Xinjiang. Verder is de Sinopec Group een centrale onderneming waarover de zeggenschap wordt uitgeoefend door de Commissie voor toezicht op en beheer van staatsactiva (“Sasac”) van de staatsraad (36) en produceert Sinopec zowel BDO als calciumcarbide, een basisproduct voor de fabricage van BDO (37). |
|
(81) |
Interventies van de CCP in de operationele besluitvorming zijn bovendien de norm geworden, niet alleen in staatsondernemingen, maar ook in particuliere ondernemingen (38), waarbij de CCP een leidende rol opeist ten aanzien van vrijwel elk aspect van de economie van het land. De invloed van de staat door middel van CCP-structuren binnen ondernemingen leidt er feitelijk toe dat marktdeelnemers onder zeggenschap en beleidstoezicht van de overheid staan, gezien de mate waarin de staats- en partijstructuren in de VRC zijn vervlochten. |
|
(82) |
Uit het onderzoek is gebleken dat de nationale brancheorganisatie voor de chemische sector de China Petroleum and Chemical Industry Federation (“CPCIF”) (39) is, en meer in het bijzonder het Chemical New Materials Professional Committee (40) van deze organisatie. De CPCIF onderschrijft het algemene leiderschap van de CCP, verricht partijactiviteiten en schept de nodige voorwaarden voor de activiteiten van partijorganisaties (41). Bovendien wordt de functie van “registratie- en beheersautoriteit van de organisatie vervuld door het ministerie van Burgerzaken” (42) en moeten gegadigden voor de rol van vertegenwoordiger van de CPCIF onder meer “het leiderschap van de CCP onderschrijven, het socialisme met Chinese kenmerken ondersteunen, de lijn, de beginselen en het beleid van de partij vastberaden uitvoeren en goede politieke kwaliteiten bezitten” (43). |
|
(83) |
De Sinopec Group en Xinjiang Zhongtai Chemical Co. Ltd, de houdstermaatschappij van Xinjiang Markor Chemical Industry Co., Ltd, zijn beide aangesloten bij de CPCIF (44). |
|
(84) |
Meer in het bijzonder is uit het onderzoek ook gebleken dat de producenten van BDO tevens worden vertegenwoordigd door brancheorganisatie China Chemical Fibers Association (“CCFA”). De CCFA onderschrijft het algemene leiderschap van de CCP, verricht partijactiviteiten en schept de nodige voorwaarden voor de activiteiten van partijorganisaties (45). Bovendien wordt de functie van “registratie- en beheersautoriteit van de organisatie vervuld door het ministerie van Burgerzaken” (46) en moeten gegadigden voor de rol van vertegenwoordiger van de CCFA onder meer “het leiderschap van de CCP onderschrijven, het socialisme met Chinese kenmerken ondersteunen, de lijn, de beginselen en het beleid van de partij vastberaden uitvoeren en goede politieke kwaliteiten bezitten” (47). |
|
(85) |
De Wanhua Chemical Group Co. Ltd en diverse entiteiten van de Sinopec Group zijn aangesloten bij de CCFA (48). |
|
(86) |
Zowel staats- als particuliere ondernemingen in de chemische sector staan onder beleidstoezicht en krijgen beleidsadvies. De meest recente Chinese beleidsdocumenten met betrekking tot de chemische en petrochemische sector bevestigen dat de Chinese overheid belang blijft hechten aan de sector en voornemens is in de sector in te grijpen om deze vorm te geven in overeenstemming met het overheidsbeleid. Dit blijkt uit het 14e vijfjarenplan voor economische en sociale ontwikkeling en de vooruitzichten voor 2035, waarin is vastgelegd dat de Chinese overheid voornemens is om “de transformatie en de verbetering van belangrijke sectoren, waaronder de chemische industrie, te versnellen” (49). |
|
(87) |
Daarnaast is in het richtinggevende advies over bevordering van de hoogwaardige ontwikkeling van de petrochemische en chemische industrie tijdens het 14e vijfjarenplan (50) (“het richtinggevend advies”) ook bepaald dat de Chinese overheid “de transformatie en modernisering van traditionele sectoren zal versnellen, nieuwe chemische materialen en fijnchemicaliën daadkrachtig zal ontwikkelen, […] en China’s overgang van een groot petrochemisch en chemisch land naar een sterke petrochemische en chemische mogendheid zal bevorderen. […] Tegen 2025 […] zal de bulkproductie van chemische producten verder worden geconcentreerd en zal de bezetttingsgraad meer dan 80 % bedragen” (51). Ook zal de Chinese overheid de “aanpassing van de industriële structuur bevorderen: specifieke maatregelen aanscherpen, de schaal van de industrie wetenschappelijk reguleren [en] nieuwe productiecapaciteit in onder meer de sector [...] calciumcarbide strikt controleren, [...] en de afbouw van inefficiënte en verouderde productiecapaciteit versnellen; een hoogwaardige, gediversifieerde en koolstofarme ontwikkeling van de steenkoolchemie bevorderen, en gestaag en ordelijk een moderne steenkoolchemie ontwikkelen overeenkomstig de vereisten van ecologische prioriteit, op water gebaseerde productie, beheersing van de totale hoeveelheden, en de ontwikkeling van clusters” (52). |
|
(88) |
Ook in de mededeling inzake bevordering van een gezonde ontwikkeling van een moderne steenkoolchemie (53) wordt bepaald dat “op basis van de moderne opzet van de steenkoolchemie, zoals omschreven in het [14e vijfjarenplan] en overeenkomstig de regionale kernstrategieën [en] gecoördineerde regionale ontwikkelingsstrategieën” de Chinese overheid „zijn richtsnoeren voor de planning verder zal versterken, de opzet van de sector optimaliseren, en de versnelde uitvoering van geavanceerde technologie en verbetering van installaties voor bestaande projecten in een moderne steenkoolchemie bevorderen” (54). |
|
(89) |
Bovendien wordt met het werkplan voor de gestage groei van de chemische en petrochemische sector (2025-2026) (55) (“het werkplan”) beoogd om “chemieprojecten voor de verwerking van steenkool tot olie en van steenkool tot chemische producten op passende wijze uit te rollen, en om demonstratieprojecten uit te voeren voor industriële toepassingen in de steenkoolchemie, in combinatie met nieuwe energiebronnen, geavanceerde materialen, technologie en uitrusting en industriële bedrijfsvoeringssystemen” (56), en om “geavanceerde fabricageclusters en specifieke industriële clusters van kleine en middelgrote ondernemingen en vooraanstaande ondernemingen op het gebied van petrochemie, steenkoolchemie, fosforchemie, biochemie en fijnchemie te stimuleren en te versterken” (57). |
|
(90) |
Op provincieniveau kunnen vergelijkbare voorbeelden worden waargenomen van het voornemen van de Chinese autoriteiten om de ontwikkeling van de BDO-sector te controleren en aan te sturen, zoals in het 14e vijfjarenplan van Shandong voor de ontwikkeling van de chemische industrie, waarmee wordt beoogd “de modernisering van de industriële basis en de modernisering van de industriële keten te bevorderen, de uitfasering van verouderde en inefficiënte productiecapaciteit te versnellen, en de ontwikkeling van chemische producten in de richting van functionalisering, verfijning en differentiatie te bevorderen. Ondernemingen begeleiden bij fusies en reorganisaties, de toewijzing van middelen en de structuur van de industriële keten optimaliseren, en de efficiëntie en winstgevendheid van de productie verbeteren” (58). Ook wordt in dit plan bepaald dat de Chinese overheid “gebruik zal maken van belangrijke [chemie]parken, de toewijzing van middelen zal optimaliseren, een aantal grote projecten zal realiseren [en] een structuur voor de ontwikkeling van hoogwaardige chemie met uitmuntende technische voordelen en een ordelijke regionale coördinatie tot stand zal brengen; […] ruim baan zal geven aan de voordelen van de basis-steenkoolchemie […] en onderzoek naar en de ontwikkeling en productie van fijnchemische producten op basis van steenkool in de downstreamindustrie zal versnellen” (59). |
|
(91) |
Met name wordt de BDO-sector in de lijst van aangemoedigde sectoren in de westelijke regio’s (2025) (60) voor diverse provincies, waaronder Ningxia, Guizhou en Xinjiang, als een aangemoedigde sector aangemerkt. |
|
(92) |
Ten aanzien van het feit dat de Chinese overheid zich door overheidsaanwezigheid in ondernemingen in prijzen en kosten kan mengen in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt b), tweede streepje, van de basisverordening, heeft de Commissie vastgesteld dat de voorzitter van Shandong Yuanli tevens secretaris van de partijafdeling is, en het beginsel voorstaat dat “opbouw van de partij de onderneming richting geeft, en dat de partij en de onderneming sterk verweven zijn” (61). |
|
(93) |
Ook is tijdens het onderzoek gebleken dat de Dongyuan Science and Technology Group Co. Ltd geregeld bij partijopbouwactiviteiten betrokken is om “leidinggevenden en werknemers de grootheid van de partij te laten inzien” (62). |
|
(94) |
De voorzitter en een directeur van de Wanhua Chemical Group Co. Ltd zijn respectievelijk ook secretaris en adjunct-secretaris van het partijcomité (63). |
|
(95) |
Bovendien is de algemeen directeur van Zhongtai Chemical, het moederbedrijf van Xinjiang Markor Chemical Industry Co., Ltd ook adjunct-secretaris van het partijcomité. |
|
(96) |
Evenzo treedt de voorzitter van de raad van bestuur van de Sinopec Group op als secretaris van het partijcomité, en fungeren verschillende leden van de raad van bestuur als adjunct-secretarissen van het partijcomité (64). De Sinopec Group gaf aan dat hij van plan is “zich te richten op de nieuwe missie en de nieuwe taken van de onderneming op het nieuwe traject, de zelfrevolutionaire geest van de partij uit te dragen, het leiderschap van de partij en de partijopbouw op globale en geïntegreerde wijze te versterken, en het alomvattende en strikte bestuur door de partij systematisch te bevorderen om een sterke garantie te bieden dat een nieuw hoofdstuk zal worden geschreven in de moderne petrochemische sector van de VRC” (65). |
|
(97) |
Niet in alle gevallen konden persoonlijke banden tussen alle Chinese BDO-producenten en de CCP worden vastgesteld. Aangezien het onderzochte product echter een subsector van de chemische sector vormt, was de Commissie van oordeel dat de informatie die werd vergaard in de recente onderzoeken met betrekking tot de chemische sector, zoals vermeld in overweging 74, ook relevant is voor het onderzochte product. |
|
(98) |
Voorts is er in de BDO-sector sprake van discriminerend beleid dat binnenlandse producenten bevoordeelt of dat de markt anderszins beïnvloedt in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt b), derde streepje, van de basisverordening. De Commissie heeft verschillende documenten aangetroffen waaruit blijkt dat de BDO-sector profiteert van richtsnoeren en ingrijpen van de overheid in de chemische sector, aangezien BDO een subsector van de chemische sector is. |
|
(99) |
De Chinese overheid beschouwt de chemische sector consequent als een sleutelsector (66). Dit wordt bevestigd in de talrijke op chemische stoffen toegespitste plannen, richtlijnen en andere documenten die op nationaal, regionaal en gemeentelijk niveau worden uitgevaardigd. In het kader van het 14e vijfjarenplan heeft de Chinese overheid de chemische sector aangewezen voor optimalisering en modernisering (67). Ook wordt in het 14e vijfjarenplan voor de ontwikkeling van de grondstoffensector bepaald dat de Chinese overheid “de organisatiestructuur als volgt zal optimaliseren: toonaangevende ondernemingen groter en sterker maken; […] ondernemingen ondersteunen om fusies en reorganisaties tussen regio’s en eigenaars te versnellen, de industriële concentratie te vergroten en internationale activiteiten uit te voeren; In de sectoren chemie, petrochemie, staal, non-ferrometalen en bouwmaterialen alsmede in andere sectoren een groep toonaangevende ondernemingen in de industriële keten met ecologische dominantie en een groot concurrentievermogen stimuleren” (68). |
|
(100) |
Meer in het bijzonder heeft de provincie Shandong een baanbrekend actieplan voor de hoogwaardige ontwikkeling van een toonaangevende chemische topsector (2021-2022) uitgebracht (69) en “tien hoogwaardige industriële ketens in de chemische sector geselecteerd, waaronder steenkoolchemie, fluormaterialen, polyurethaan, nylon en elektronische chemicaliën, en 25 ondernemingen als “leider in de industrieketen” aangemerkt.” BDO is een van de geselecteerde industriële ketens en de provincie Shandong “zal gebruikmaken van financiële beloningen, experimenten stimuleren, prioriteiten toekennen, en andere middelen inzetten om de Wanhua Chemical Group Ltd […] en andere ondernemingen te stimuleren om hun basisvoordelen te versterken en een aantal vooraanstaande, grootschalige, zeer efficiënte ondernemingen met een groot innovatievermogen te ontwikkelen” (70). |
|
(101) |
Verder stimuleerde de gemeente Wuhai in 2022 “de voorbereiding van belangrijke projecten, […] loste zij de bestaande moeilijkheden bij de ontwikkeling van het project voortvarend op, trof zij voorbereidingen voor diverse productiefactoren, en waarborgde zij dat de projecten volgens planning vorderden […]. Dankzij de focus op de productie van nieuwe energie en nieuwe materialen is de ontwikkeling van een aantal grote projecten in [Wuhai] dit jaar versneld. Na meer dan een jaar van intensieve voorbereidingen heeft Inner Mongolia Dongjing Bioenvironmental Protection Technology Co., Ltd onlangs de opdracht gegeven voor een project voor 280 000 ton 1,4-butaandiol (BDO) met een jaarlijkse output van 280 000 ton. Na de officiële inbedrijfstelling van het project zal Dongyuan Technology Co., Ltd een jaarlijkse productiecapaciteit van 380 000 ton BDO hebben, en daarmee de grootste BDO-producent in de hele industriële keten van diepverwerkte downstreamproducten in de VRC worden” (71). |
|
(102) |
Samengevat heeft de Chinese overheid maatregelen getroffen om marktdeelnemers ertoe te bewegen zich aan de doelstellingen van het overheidsbeleid te houden om aangemoedigde sectoren te ondersteunen, waaronder de vervaardiging van het onderzochte product. Dergelijke maatregelen belemmeren de vrije marktwerking. |
|
(103) |
Uit het onderhavige onderzoek is niet gebleken dat de discriminerende toepassing of ontoereikende handhaving van de faillissements- en eigendomswetten overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt b), vierde streepje, van de basisverordening in de chemische sector geen gevolgen zou hebben voor de fabrikanten van het onderzochte product. |
|
(104) |
Het onderzochte product wordt daarnaast ook beïnvloed door verstoringen van de loonkosten in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt b), vijfde streepje, van de basisverordening, zoals vermeld in overweging 74. Die verstoringen zijn zowel direct (bij het vervaardigen van het onderzochte product of de belangrijkste inputs ervan) als indirect (bij het krijgen van toegang tot inputs van ondernemingen die in de VRC aan hetzelfde arbeidsrechtstelsel onderworpen zijn) van invloed op de sector (72). |
|
(105) |
Bovendien is in het onderhavige onderzoek geen bewijsmateriaal overgelegd waaruit blijkt dat de BDO-sector niet wordt beïnvloed door overheidsingrijpen in het financiële stelsel in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt b), zesde streepje, van de basisverordening. Dit soort overheidsingrijpen wordt ook zeer goed geïllustreerd in het eerdergenoemde leidend advies, waarin wordt geëist dat “het ondersteunende beleid wordt verbeterd en de coördinatie tussen het fiscale, financiële, regionale, investerings- en in- en uitvoerbeleid en het industriebeleid wordt versterkt, teneinde het nationale samenwerkingsplatform tussen industrie en financiën ten volle te benutten en de band tussen ondernemingen en banken te bevorderen” (73). Daarom leidt het aanzienlijke overheidsingrijpen in het financiële stelsel ertoe dat de marktomstandigheden op alle niveaus sterk worden beïnvloed. |
|
(106) |
Tot slot wijst de Commissie erop dat voor de fabricage van het onderzochte product meerdere basisproducten nodig zijn. Wanneer de producenten van het onderzochte product deze basisproducten aankopen of daarvoor een contract sluiten, zijn de prijzen die zij betalen (en die als hun kosten worden geregistreerd), duidelijk blootgesteld aan dezelfde systemische verstoringen als hierboven genoemd. Zo zetten leveranciers van basisproducten bijvoorbeeld arbeidskrachten in die aan de verstoringen onderhevig zijn. Zij kunnen geld lenen dat onderhevig is aan de verstoringen in de financiële sector/kapitaaltoewijzing. Daarnaast zijn zij onderworpen aan het planningsysteem dat op alle niveaus van de overheid en op alle sectoren van toepassing is. |
|
(107) |
Dientengevolge zijn niet alleen de binnenlandse verkoopprijzen van het onderzochte product ongeschikt om te worden gebruikt in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening, maar geldt dat ook voor alle kosten voor basisproducten (waaronder grondstoffen, energie, grond, financiering, arbeid enz.), omdat de prijsvorming ervan wordt beïnvloed door aanzienlijk overheidsingrijpen, zoals beschreven in de delen I en II van het rapport. Het overheidsingrijpen dat met betrekking tot de toewijzing van kapitaal, grond, arbeid, energie en grondstoffen is beschreven, vindt namelijk plaats in de gehele VRC. Dit betekent bijvoorbeeld dat een basisproduct dat in de VRC is geproduceerd door de combinatie van een reeks productiefactoren aan verstoringen van betekenis onderhevig is. Hetzelfde geldt voor het basisproduct voor het basisproduct enz. |
|
(108) |
Samengevat is uit het beschikbare bewijsmateriaal gebleken dat de prijzen en kosten van het onderzochte product, waaronder de kosten van grondstoffen, grond, energie en arbeid, niet door vrije marktwerking tot stand zijn gekomen omdat zij worden beïnvloed door aanzienlijk overheidsingrijpen in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt b), van de basisverordening, zoals blijkt uit de daadwerkelijke of mogelijke gevolgen van een of meer van de daarin genoemde relevante factoren. |
3.1.2.2.
|
(109) |
De Chinese overheid heeft geen opmerkingen gemaakt of bewijsmateriaal verstrekt ter ondersteuning of weerlegging van het bestaande bewijsmateriaal in het dossier, waaronder het rapport en het door de klager verstrekte aanvullende bewijsmateriaal, over de aanwezigheid van verstoringen van betekenis en/of de geschiktheid van de toepassing van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening in het onderhavige geval. |
|
(110) |
De Commissie heeft van de Wanhua Group opmerkingen ontvangen over de verstoringen van betekenis in de BDO-sector. Volgens de Wanhua Group moet de bewering uit de klacht over “verstoringen van betekenis” in de VRC overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening in de specifieke procedure door de Commissie worden bevestigd en mag een conclusie in deze zin niet bij voorbaat vaststaan. |
|
(111) |
Gelet op het bovenstaande werd tijdens het onderzoek van de Commissie bewijs aangetroffen van verstoringen van betekenis van de BDO-sector in de VRC, en is daarmee de toepassing van de methode van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening voor de berekening van de normale waarde gerechtvaardigd. Het argument van de Wanhua Group werd derhalve afgewezen. |
3.1.2.3.
|
(112) |
In het licht van het bovenstaande concludeerde de Commissie dat het in dit geval niet passend was om voor het vaststellen van de normale waarde gebruik te maken van de binnenlandse prijzen en kosten. Bijgevolg heeft de Commissie de normale waarde uitsluitend berekend aan de hand van productie- en verkoopkosten waarin niet-verstoorde prijzen of benchmarks tot uitdrukking komen, dat wil zeggen in dit geval aan de hand van de overeenkomstige productie- en verkoopkosten in een passend representatief land in overeenstemming met artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening en zoals wordt besproken in het volgende punt. |
3.1.2.4.
3.1.2.4.1. Algemene opmerkingen
|
(113) |
De keuze van het representatieve land overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening werd gebaseerd op de volgende criteria:
|
|
(114) |
Zoals uiteengezet in overweging 68 heeft de Commissie een mededeling over de bronnen voor de vaststelling van de normale waarde bekendgemaakt. In deze mededeling zijn de feiten en het bewijsmateriaal beschreven die ten grondslag liggen aan de relevante criteria. Op basis van de ontvangen opmerkingen beschouwde de Commissie Brazilië in dit geval als een passend representatief land. |
Een niveau van economische ontwikkeling dat vergelijkbaar is met dat van de VRC
|
(115) |
In de mededeling zette de Commissie uiteen dat het onderzochte product niet leek te worden gefabriceerd in een land met een niveau van economische ontwikkeling dat volgens de Wereldbank vergelijkbaar is met dat van de VRC. De klager vermeldde ook dat BASF Petronas Chemical tot maart 2021 BDO had geproduceerd in Maleisië, en stelde daarom voor om Maleisië als representatief land te gebruiken. |
|
(116) |
De Commissie stelde in de mededeling dat zij had gekeken naar de productie van een product uit dezelfde algemene categorie en/of dezelfde sector als het onderzochte product omdat alle landen waar BDO wordt geproduceerd een ander niveau van economische ontwikkeling dan de VRC hebben en omdat in Maleisië geen BDO meer wordt geproduceerd. De Commissie heeft daarom aangegeven dat zij de productie van mono-ethyleenglycol (“MEG”), een product dat vergelijkbaar is met BDO, zou gebruiken om een passend representatief land vast te stellen voor de toepassing van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening. Zoals in de mededeling wordt uitgelegd, is mono-ethyleenglycol immers een diol dat, net als BDO, een relatief hoog kookpunt en een vergelijkbare viscositeit heeft en ook mengbaar is met water. Bovendien is MEG, zoals sommige productietrajecten voor de productie van BDO, afhankelijk van een gefaseerde katalytische omzetting van petrochemische producten. Bovendien wordt MEG geproduceerd uit ethyleen, dat op zijn beurt kan worden verkregen uit bijvoorbeeld het kraken van aardgas, ethaan of nafta, waarvan sommige de grondstoffen zijn die nodig zijn voor de productie van BDO in bepaalde van de mogelijke productietrajecten. Bovendien zijn de productieprocessen voor zowel BDO als MEG energie-intensief. Wat de toepassingen betreft, kunnen BDO en MEG worden gebruikt voor de productie van polymeren, als oplosmiddelen, chemische tussenproducten, antivriescomponenten of humectanten. Kortom, beide producten hebben vergelijkbare chemische structuren, kunnen fossiele brandstoffen als grondstof delen en hun productieprocessen kunnen vergelijkbare chemische en energie-intensieve processen omvatten. |
|
(117) |
De Commissie heeft vastgesteld dat MEG wordt geproduceerd in de volgende landen waar het niveau van economische ontwikkeling vergelijkbaar is met dat van de VRC: Brazilië, Indonesië, Maleisië, Mexico, Thailand en Turkije. |
|
(118) |
Naar aanleiding van de mededeling vroeg de Wanhua Group of de productiefactoren die voor de fabricage van MEG worden gebruikt als representatief voor die van de productie van BDO kunnen worden beschouwd. |
|
(119) |
De Commissie merkte op dat zij bij de vaststelling van de normale waarde uitsluitend de productiefactoren in aanmerking nam die worden gebruikt voor de fabricage van het onderzochte product (in dit geval BDO). Bijgevolg werd MEG alleen geïdentificeerd als een product in dezelfde algemene categorie als BDO met het oog op de selectie van een geschikt representatief land dat niet-verstoorde benchmarks en representatieve VAA-kosten en winsten van een BDO-producent kon verstrekken. De benchmarks waren dus alleen nodig voor productiefactoren die worden gebruikt voor de fabricage van BDO, en niet voor MEG. Bovendien heeft de Wanhua Group geen alternatief product uit dezelfde algemene categorie of sector als BDO voorgesteld. Dit argument werd derhalve afgewezen. |
|
(120) |
De klager steunde de aanpak van de Commissie en de keuze voor MEG, geproduceerd in Maleisië en Brazilië, de naar zijn mening meest geschikte representatieve landen. |
|
(121) |
Ook LYB was het met de Commissie eens dat diolen tot dezelfde algemene categorie als BDO behoorden. Het was echter wel van mening dat ook de precursoren van de productie van diolen, waaronder ethyleen en propyleen, maar ook oplosmiddelen als di-ethyleenglycol, propyleenglycol of tetrahydrofuraan, tot dezelfde algemene categorie als BDO behoorden. Op basis van deze aanname heeft LYB gezocht naar beschikbare financiële gegevens over 2024 van winstgevende ondernemingen die dergelijke producten fabriceren, maar heeft het deze niet kunnen vinden in Indonesië, Mexico of Thailand. Bovendien stelde LYB voor Maleisië geen andere ondernemingen voor. LYB stelde daarentegen voor een producent van oplosmiddelen en propyleen in Brazilië te gebruiken, of om gebruik te maken van sectorale gegevens van de chemiesector in Turkije. |
|
(122) |
De Commissie heeft de door LYB voorgestelde andere producten onderzocht die tot dezelfde algemene categorie of sector als BDO zouden behoren. De Commissie heeft vastgesteld dat ethyleen en propyleen grondstoffen voor de productie van BDO zijn. Hoewel propyleen door LYB zelf als propyleenoxide wordt gebruikt bij de productie van BDO, wordt ethyleen gewoonlijk als ethyleenoxide gebruikt bij de productie van MEG, zoals uiteengezet in de mededeling. Hieruit blijkt dat BDO en MEG weliswaar dezelfde positie in de productieketen innemen en dus een vergelijkbare kostenstructuur hebben, maar dat propyleen en ethyleen zich enkele stappen eerder in de productieketen bevinden, waardoor zij met betrekking tot hun kostenstructuur verder van BDO verwijderd zijn. MEG is derhalve in vergelijking met ethyleen en propyleen een specifieker en geschikter product uit dezelfde algemene categorie of sector als BDO. Derhalve was de Commissie van mening dat MEG een geschikter product was uit dezelfde algemene categorie of sector als BDO. De Commissie heeft daarnaast gekeken naar oplosmiddelen als di-ethyleenglycol, propyleenglycol of tetrahydrofuraan. De Commissies heeft vastgesteld dat di-ethyleenglycol een bijproduct van de productie van MEG is (75) en dus in dezelfde landen wordt geproduceerd als MEG. Propyleenglycol blijkt veel te worden gebruikt in de voedings- en geneesmiddelensector, hetgeen aanzienlijk verschilt van de toepassingen van BDO. Tetrahydrofuraan is daarentegen een derivaat van BDO en bevindt zich daarom op een ander niveau in de waardeketen dan BDO, waardoor het geen goede vervanger voor BDO zelf kan zijn en het risico bestaat dat zijn producenten de BDO uit de VRC betrekken. MEG bleef daarom het meest geschikte product uit dezelfde algemene categorie of sector als BDO. De Commissie heeft derhalve geen nader onderzoek gedaan naar de productie van deze alternatieve producten in landen met hetzelfde ontwikkelingsniveau als de VRC, waaronder met name Brazilië en Turkije. |
Aanwezigheid van relevante onmiddellijk beschikbare gegevens in het representatieve land
|
(123) |
In de mededeling heeft de Commissie aangegeven dat voor de landen waarvan is vastgesteld dat er MEG wordt geproduceerd, te weten Brazilië, Indonesië, Maleisië, Mexico, Thailand en Turkije, de beschikbaarheid van gegevens nader moet worden geverifieerd, in het bijzonder met betrekking tot onmiddellijk beschikbare financiële gegevens van MEG-producenten. |
|
(124) |
Daarnaast werd naar aanleiding van de reacties op de informatie over inputs voor producenten-exporteurs en de mededeling een extra productiefactor opgegeven door de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs en vervolgens door de Commissie geverifieerd tijdens de controlebezoeken, namelijk formaldehyde. Bijgevolg werd ook formaldehyde door de Commissie in aanmerking genomen in haar onderstaande analyse.
|
|
(125) |
Volgens de Wanhua Group was de prijs voor de invoer van zuurstof, natriumhydroxide en stikstof in Brazilië uitzonderlijk hoog, omdat deze hoger was dan de eigen inkoopprijs van de groep. De klager gaf echter niet aan dat er sprake zou zijn van verstoringen in de prijzen van productiefactoren in Brazilië. |
|
(126) |
De Commissie merkte op dat zij na controle natriumhydroxide en stikstof als verbruiksgoederen beschouwde, zoals uiteengezet in de overwegingen 180 tot en met 182. De opmerking van de Wanhua Group was daarom in dit verband niet meer relevant. Bovendien merkte de Commissie op dat de Wanhua Group niet heeft toegelicht waarom de invoerprijs van zuurstof in Brazilië niet zou moeten worden beschouwd als een niet-verstoorde benchmark. Het feit dat deze prijs hoger was dan de eigen inkoopprijs van de Wanhua Group, toont niet aan dat de invoerprijs in Brazilië niet als een niet-verstoorde benchmark kan worden beschouwd. Daarom heeft de Commissie besloten om zich te baseren op de invoerprijs van zuurstof in Brazilië. |
|
(127) |
Hoewel de klager de gegevens uit 2022 over VAA-kosten en winst van de in Brazilië gevonden MEG-producenten betrouwbaar achtte, waren de financiële gegevens van Oxiteno SA Industria e Comercio volgens de Wanhua Group en LYB verouderd, en voegde LYB daaraan toe dat de onderneming in 2023 verliesgevend was. |
|
(128) |
Ook waren de financiële gegevens van Rhodia Brasil volgens de Wanhua Group en LYB verouderd omdat zij betrekking hadden op het boekjaar 2022. Bovendien was volgens de Wanhua Group Solvay SA (“Solvay”), het concern dat eigenaar is van Rhodia Brasil, een producent van een groot aantal producten en kwam in zijn winst- en verliesrekening de positie van BDO en MEG niet tot uitdrukking, waardoor de onderneming niet representatief kon worden geacht. LYB stemde wel in met het gebruik van de gegevens van het concern. Volgens LYB verschilden de door de Commissie verkregen gegevens echter van de gegevens uit het jaarverslag van Solvay over 2024. Daarom stelde LYB voor om het toegewezen deel van de opbrengsten uit het “performance chemical”-segment uit de gepubliceerde versie van de jaarrekening te gebruiken. |
|
(129) |
De Commissie merkte op dat de financiële gegevens van Rhodia Brasil over het onderzoektijdvak ondertussen beschikbaar waren gekomen (76). Daarom besloot de Commissie zich te baseren op de gegevens van Rhodia Brasil voor het onderzoektijdvak, zodat de opmerkingen over Solvay irrelevant werden. |
|
(130) |
In de mededeling sprak de Commissie de verwachting uit dat met betrekking tot de keuze voor Brazilië als geschikt representatief land nader onderzoek zou moeten plaatsvinden naar het geringe ingevoerde volume aan waterstof en het grote aandeel van de VRC (80 %) in de invoer van calciumcarbide in Brazilië. |
|
(131) |
In dit verband meende LYB dat er weinig waterstof in Brazilië wordt ingevoerd omdat het land een grote producent van waterstof is. LYB stelde voor om als alternatieve benchmark voor waterstof ofwel een benchmark binnen Brazilië te gebruiken, ofwel de gemiddelde uitvoerprijs van waterstof uit Brazilië naar alle landen. |
|
(132) |
De Commissie erkende dat het niet mogelijk was om op basis van de zes kubieke meter waterstof die tijdens het onderzoektijdvak in Brazilië was ingevoerd een niet-verstoorde benchmark vast te stellen. Daarom heeft de Commissie besloten om als niet-verstoorde benchmark een internationale benchmark te gebruiken, vertegenwoordigd door de prijsindex voor grijze waterstof voor de Europese regio, zoals gepubliceerd door Business Analytiq (77). |
|
(133) |
LYB merkte op dat de Commissie had voorgesteld nader onderzoek te doen naar het grote aandeel van de VRC in de invoer van calciumcarbide in Brazilië en stelde voor om de gemiddelde invoerprijs in alle landen als benchmark te gebruiken. De klager merkte op dat het aandeel van de VRC in de invoer van calciumcarbide in Brazilië aanzienlijk kleiner was dan in Maleisië, en dat daarom wellicht zou moeten worden aangenomen dat de gegevens over de invoer van calciumcarbide minder door verstoringen beïnvloed zijn dan in andere voorgestelde landen. |
|
(134) |
De Commissie merkte op dat alle potentiële representatieve landen, met uitzondering van Turkije, aangaven dat hun invoer van calciumcarbide voor een groot deel uit de VRC afkomstig was. Met uitzondering van Turkije waren de aandelen van de invoer van calciumcarbide uit de VRC in andere potentiële representatieve landen groter dan de aandelen van de invoer van calciumcarbide uit de VRC in Brazilië. Daarom oordeelde de Commissie dat calciumcarbide een grondstof is die gewoonlijk door alle potentiële representatieve landen in de VRC wordt ingekocht, en dat invoer in Brazilië de meest geschikte benchmark was, ook rekening houdend met het feit dat i) Turkije niet als een passend representatief land kan worden beschouwd, zoals toegelicht in de overwegingen 166 tot en met 174; ii) de prijs van invoer uit de VRC in Brazilië vergelijkbaar is met de prijs van invoer uit andere landen, en iii) het aandeel van de VRC in de invoer van calciumcarbide in Brazilië lager is dan in alle andere mogelijk representatieve landen, met uitzondering van Turkije. |
|
(135) |
De Commissie heeft ook de gegevens over de invoer van formaldehyde in Brazilië onderzocht. Zij stelde vast dat in Brazilië in het kader van een gering aantal transacties een verwaarloosbare hoeveelheid formaldehyde wordt ingevoerd, en dat de invoerprijs daarom waarschijnlijk niet representatief is. Daarom heeft de Commissie zich voor de gemiddelde uitvoerprijs uit Brazilië in het onderzoektijdvak gebaseerd op gegevens uit de Global Trade Atlas (“GTA”) (78). |
|
(136) |
Concluderend heeft de Commissie daarom vastgesteld dat Brazilië het meest passende representatieve land is.
|
|
(137) |
Volgens de Wanhua Group was de prijs voor de invoer van zuurstof en natriumhydroxide in Indonesië uitzonderlijk hoog, omdat deze hoger was dan de eigen inkoopprijs van de groep. |
|
(138) |
De Commissie merkte op dat zij na controle natriumhydroxide als verbruiksgoed beschouwde, zoals uiteengezet in de overwegingen 180 tot en met 182. De opmerking van de Wanhua Group was daarom in dit verband niet meer relevant. Bovendien merkte de Commissie op dat de Wanhua Group niet heeft toegelicht waarom de invoerprijs van zuurstof in Indonesië niet zou moeten worden beschouwd als een niet-verstoorde benchmark. Het feit dat deze prijs hoger was dan de eigen inkoopprijs van de Wanhua Group, toont niet aan dat de invoerprijs in Indonesië niet als een niet-verstoorde benchmark kan worden beschouwd. Het argument werd derhalve afgewezen. |
|
(139) |
Volgens de klager en de Wanhua Group waren de voor PT Polychem Indonesia Tbk beschikbare financiële gegevens verouderd en was de onderneming verliesgevend. Daarom zouden de gegevens van deze onderneming niet door de Commissie kunnen worden gebruikt. |
|
(140) |
De Commissie herhaalde dat zij een dergelijke winst niet redelijk achtte. |
|
(141) |
Verder zou Indonesië volgens LYB als mogelijk representatief land moeten worden afgewezen vanwege het grote aandeel van de invoer uit de VRC voor een aantal productiefactoren en vanwege de uitvoerbeperkingen op steenkool die in de mededeling waren geconstateerd, in combinatie met het grote aandeel van de invoer van steenkool uit Rusland. Ook volgens de klager kon Indonesië niet als een passend representatief land worden beschouwd vanwege het grote aandeel van de invoer van steenkool uit Rusland, gezien de door de Unie ingestelde sancties tegen Rusland en het feit dat de energieprijzen in Rusland onder sterke invloed van de staat stonden. |
|
(142) |
De Commissie concludeerde dat Indonesië niet als passend representatief land kon worden geselecteerd vanwege het grote aandeel van de invoer uit de VRC voor calciumcarbide (meer dan 99 %) en katalysatoren (meer dan 82 %), als gevolg van de marktverstoringen die in de mededeling werden geconstateerd voor steenkool, en van het ontbreken van redelijke financiële gegevens. Aangezien Indonesië niet als passend representatief land kon worden beschouwd, behoefden de andere argumenten met betrekking tot Indonesië niet te worden behandeld.
|
|
(143) |
Volgens de Wanhua Group was de prijs voor de invoer van zuurstof, natriumhydroxide en stikstof in Maleisië uitzonderlijk hoog, omdat deze hoger was dan de eigen inkoopprijs van de groep. |
|
(144) |
De Commissie merkte op dat zij na controle natriumhydroxide en stikstof als verbruiksgoederen beschouwde, zoals uiteengezet in de overwegingen 180 tot en met 182. De opmerking van de Wanhua Group was daarom in dit verband niet meer relevant. Bovendien merkte de Commissie op dat de Wanhua Group niet heeft toegelicht waarom de invoerprijs van zuurstof in Maleisië niet zou moeten worden beschouwd als een niet-verstoorde benchmark. Het feit dat deze prijs hoger was dan de eigen inkoopprijs van de Wanhua Group, toont niet aan dat de invoerprijs in Maleisië niet als een niet-verstoorde benchmark kan worden beschouwd. Het argument werd derhalve afgewezen. |
|
(145) |
Volgens de Wanhua Group en LYB rapporteerde Pengerang Petrochemical Company Sdn. Bhd een verlies voor 2023 en mogen dergelijke financiële gegevens daarom niet worden gebruikt. Bovendien wees LYB op het feit dat de gegevens uit 2023 dateerden. |
|
(146) |
De Commissie herhaalde dat een dergelijke winst niet als redelijk kan worden beschouwd. |
|
(147) |
De klager achtte de gegevens over 2023 van Petronas Chemicals Glycols Sdn. Bhd betrouwbaar. Volgens de Wanhua Group waren de financiële gegevens van de Petronas Chemicals Group Berhad (“Petronas Group”), het concern waartoe Petronas Chemicals Glycols Sdn. Bh behoort, niet representatief omdat zij betrekking hadden op 2023 en de onderneming ook actief was op andere gebieden dan BDO of MEG. LYB had geen bezwaar tegen het gebruik van de gegevens van de Petronas Group, maar stelde voor om de gegevens niet uit te splitsen in de segmenten voor alkenen en derivaten omdat dat zou leiden tot een winst van 1 %. |
|
(148) |
Volgens de Commissie waren, zoals in de mededeling aangegeven, financiële gegevens voor de Petronas Group beschikbaar voor 2024, d.w.z. het onderzoektijdvak. De financiële gegevens van de Petronas Group konden echter niet verder worden uitgesplitst om aan de zorgen van de Wanhua Group tegemoet te komen. De financiële gegevens van de Petronas Group voor 2024 bleven de meest gedetailleerde gegevens die beschikbaar waren voor Maleisië. Toch waren zij minder gedetailleerd dan de vergelijkbare financiële gegevens die voor het onderzoektijdvak beschikbaar waren voor Rhodia Brasil in Brazilië, omdat de Petronas Group slechts de moederentiteit is van een MEG-producent in Maleisië, terwijl Rhodia Brasil de onderneming is die in Brazilië MEG produceert, waardoor de financiële gegevens van Petronas Group directer verband houden met de productie van MEG. |
|
(149) |
De Commissie verwachtte dat met betrekking tot de keuze voor Maleisië als geschikt representatief land nader onderzoek zou moeten plaatsvinden naar het grote aandeel van de VRC in de invoer van calciumcarbide in Maleisië. |
|
(150) |
Gezien het feit dat voor slechts één productiefactor (calciumcarbide) een groot deel van de invoer uit de VRC afkomstig was, was Maleisië volgens de klager in dit verband een passender representatief land dan de andere, waar meer productiefactoren uit de VRC of Rusland werden ingevoerd of gegevens niet onmiddellijk beschikbaar waren. Met betrekking tot het grote aandeel van de VRC in de invoer van calciumcarbide stelde LYB voor om de gemiddelde invoerprijs in alle landen als benchmark te gebruiken. |
|
(151) |
De Commissie merkte op dat alle potentiële representatieve landen, met uitzondering van Turkije, aangaven dat hun invoer van calciumcarbide grotendeels uit de VRC afkomstig was, terwijl dat aandeel in Brazilië het laagst was. Met name in Maleisië was meer dan 98 % van de invoer van calciumcarbide uit de VRC afkomstig. Derhalve werd het argument van de klager afgewezen. |
|
(152) |
De Commissie heeft derhalve geconcludeerd dat Maleisië niet als een passend representatief land kon worden beschouwd omdat van de invoer van calciumcarbide in dat land een groter deel uit de VRC afkomstig is dan in Brazilië, de invoer van katalysatoren voor 61 % en dus eveneens grotendeels uit de VRC afkomstig is, en dat de in Maleisië onmiddellijk beschikbare financiële gegevens minder nauwkeurig zijn dan de financiële gegevens die voor het onderzoektijdvak in Brazilië beschikbaar zijn.
|
|
(153) |
Volgens de Wanhua Group was de prijs voor de invoer van natriumhydroxide in Mexico uitzonderlijk hoog, omdat deze hoger was dan de eigen inkoopprijs van de groep. |
|
(154) |
De Commissie merkte op dat zij na controle natriumhydroxide als verbruiksgoed beschouwde, zoals uiteengezet in de overwegingen 180 tot en met 182. De opmerking van de Wanhua Group was daarom in dit verband niet meer relevant. |
|
(155) |
De Wanhua Group merkte op dat er voor de Mexicaanse onderneming geen onmiddellijk beschikbare financiële gegevens waren. Gezien het ontbreken van onmiddellijk beschikbare gegevens voor deze productiefactor, kon Mexico volgens de klager niet als een representatief land worden beschouwd. |
|
(156) |
De Commissie herhaalde dat zij geen beschikbare financiële informatie over Idesa Petroquimica SA de CV had kunnen vinden. |
|
(157) |
Daarom kon Mexico niet als een passend representatief land worden beschouwd.
|
|
(158) |
Volgens de Wanhua Group was de prijs voor de invoer van zuurstof en natriumhydroxide in Thailand uitzonderlijk hoog, omdat deze hoger was dan de eigen inkoopprijs van de groep. |
|
(159) |
De Commissie merkte op dat zij na controle natriumhydroxide als verbruiksgoed beschouwde, zoals uiteengezet in de overwegingen 180 tot en met 182. De opmerking van de Wanhua Group was daarom in dit verband niet meer relevant. Bovendien merkte de Commissie op dat de Wanhua Group niet heeft toegelicht waarom de invoerprijs van zuurstof in Thailand niet zou moeten worden beschouwd als een niet-verstoorde benchmark. Het feit dat deze prijs hoger was dan de eigen inkoopprijs van de Wanhua Group, toont niet aan dat de invoerprijs in Thailand niet als een niet-verstoorde benchmark kan worden beschouwd. Het argument werd derhalve afgewezen. |
|
(160) |
De Wanhua Group stelde dat de winst van GC Polyols Company Limited moest worden afgewezen. |
|
(161) |
De Commissie herhaalde dat zij een dergelijke winst niet redelijk achtte. |
|
(162) |
Verder kon volgens de Wanhua Group de door Indorama Petrochem Co., Ltd geboekte winst van 2,9 % als redelijk worden beschouwd. In dit verband merkte de Wanhua Group op dat de in artikel 7, lid 2 quater, van de basisverordening genoemde winstmarge van 6 % alleen wordt gebruikt bij de berekening van de schademarge. Volgens de klager vormde een zeer lage winstmarge van 2,9 % daarentegen een risico voor de betrouwbaarheid van de in dat land onmiddellijk beschikbare informatie. |
|
(163) |
De Commissie merkte op dat, ongeacht de afzonderlijke drempel van 6 % voor de streefwinst in het kader van de vaststelling van de schademarge, een winst van 2,9 % niet als redelijk kon worden beschouwd omdat deze te laag is in vergelijking met de winst van de andere in de mededeling genoemde winstgevende ondernemingen, die ten minste 7,1 % bedroeg. |
|
(164) |
Verder zou Thailand volgens de klager en LYB als mogelijk representatief land moeten worden afgewezen omdat de ingevoerde productiefactoren grotendeels uit de VRC afkomstig zijn. |
|
(165) |
De Commissie concludeerde dat Thailand niet als geschikt representatief land kon worden geselecteerd vanwege het grote aandeel van de invoer uit de VRC voor calciumcarbide en zuurstof, zoals aangegeven in de mededeling, en het gebrek aan onmiddellijk beschikbare gegevens om een redelijk winstniveau in Thailand vast te stellen.
|
|
(166) |
Volgens de Wanhua Group was de prijs voor de invoer van zuurstof en stikstof in Turkije uitzonderlijk hoog, omdat deze hoger was dan de eigen inkoopprijs van de groep. |
|
(167) |
De Commissie merkte op dat zij na controle stikstof als verbruiksgoed beschouwde, zoals uiteengezet in de overwegingen 180 tot en met 182. De opmerking van de Wanhua Group was daarom in dit verband niet meer relevant. Bovendien merkte de Commissie op dat de Wanhua Group niet heeft toegelicht waarom de invoerprijs van zuurstof in Turkije niet zou moeten worden beschouwd als een niet-verstoorde benchmark. Het feit dat deze prijs hoger was dan de eigen inkoopprijs van de Wanhua Group, toont niet aan dat de invoerprijs in Turkije niet als een niet-verstoorde benchmark kan worden beschouwd. Het argument werd derhalve afgewezen. |
|
(168) |
De Wanhua Group en de klager merkten op dat er voor de Turkse producent van MEG geen onmiddellijk beschikbare financiële gegevens waren. Daarom zou Turkije volgens de klager geen representatief land kunnen zijn. |
|
(169) |
De Commissie herhaalde dat zij geen beschikbare financiële informatie over Petkim Petrokimya Holding Anonim Sirketi had kunnen vinden. |
|
(170) |
Volgens LYB was het uit de VRC afkomstige aandeel van 34 % in de invoer van katalysatoren niet groot genoeg om de invoerprijs in Turkije buiten beschouwing te laten. In elk geval zou de Commissie anders de prijs voor invoer in elk ander hogermiddeninkomensland uit de mededeling kunnen gebruiken. |
|
(171) |
Bovendien zou de Commissie volgens LYB gebruik kunnen maken van een internationale benchmark voor steenkool — die door aanzienlijke invoer uit Rusland wordt beïnvloed —, zoals de Australische uitvoerprijs voor steenkool. Anderzijds kon Turkije volgens de klager juist niet als een passend representatief land worden beschouwd vanwege het grote deel van de invoer van steenkool dat uit Rusland afkomstig is, gezien de door de Unie ingestelde sancties tegen Rusland en het feit dat energieprijzen in Rusland onder sterke invloed van de staat stonden. |
|
(172) |
Bij gebrek aan onmiddellijk beschikbare financiële gegevens in Turkije heeft de Commissie de door LYB voorgestelde benadering voor katalysatoren en steenkool niet in overweging genomen. |
|
(173) |
Concluderend kan Turkije niet als een passend representatief land worden beschouwd. |
|
(174) |
Om niet-verstoorde prijzen of benchmarks voor de berekening van de normale waarde te kunnen verkrijgen, heeft de Commissie gezien het bovenstaande Brazilië als passend representatief land gekozen en Rhodia Brasil voor de vaststelling van niet-verstoorde VAA- kosten en winst, overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt a), eerste streepje, van de basisverordening. |
Niveau van sociale en milieubescherming
|
(175) |
Aangezien was vastgesteld dat Brazilië op grond van alle voornoemde factoren het enige beschikbare passende representatieve land was, hoefde er op grond van alle voorgaande elementen geen beoordeling van het niveau van sociale en milieubescherming plaats te vinden overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt a), eerste streepje, laatste zin, van de basisverordening. |
3.1.2.4.2. Conclusie
|
(176) |
Gezien de analyse hierboven voldeed Brazilië aan de criteria van artikel 2, lid 6 bis, punt a), eerste streepje, van de basisverordening om als geschikt representatief land te worden beschouwd. |
3.1.2.5.
|
(177) |
In de mededeling heeft de Commissie de productiefactoren vermeld, waaronder grondstoffen, energie en arbeid, die de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs bij de productie van het onderzochte product gebruiken, en heeft zij de belanghebbenden verzocht om opmerkingen te maken en openbaar beschikbare informatie aan te dragen over niet-verstoorde waarden voor elk van de in die mededeling genoemde productiefactoren. |
|
(178) |
Voor de berekening van de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening heeft de Commissie de GTA gebruikt voor de vaststelling van de niet-verstoorde kosten van de meeste productiefactoren, waaronder met name de grondstoffen. Bovendien heeft de Commissie zich, zoals uiteengezet in de overwegingen 132 en 135, gebaseerd op de prijsindex voor grijs waterstof voor de Europese regio, zoals gepubliceerd door Business Analytiq (79), voor de vaststelling van de niet-verstoorde kosten van waterstof, en op de gemiddelde uitvoerprijs uit Brazilië in het onderzoektijdvak, afkomstig van de GTA, voor de vaststelling van de niet-verstoorde kosten van formaldehyde. |
|
(179) |
Daarnaast maakte de Commissie voor de vaststelling van niet-verstoorde benchmarks voor elektriciteit, aardgas, steenkool en water gebruik van de door het Instituto Brasileiro de Geografia e Estatística (“IBGE”) gepubliceerde statistieken voor de vaststelling van niet-verstoorde kosten voor arbeid (80), de statistieken voor industriële prijzen van elektriciteit, gepubliceerd door het Braziliaanse ministerie van Mijnbouw en Energie (81), de prijs van aardgas voor industriële gebruikers in Brazilië, zoals gepubliceerd door het Braziliaanse ministerie van Mijnbouw en Energie (82), de prijs van steenkool in Brazilië, zoals gepubliceerd door het Braziliaanse ministerie van Mijnbouw en Energie (83), en de watertarieven die worden gehanteerd door de Companhia de Saneamento Básico do Estado de São Paulo (“SABESP”) (84). |
|
(180) |
Wegens het grote aantal productiefactoren van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs die volledige informatie hadden verstrekt en het verwaarloosbare relatieve aandeel van sommige grondstoffen in de totale productiekosten, werden deze verwaarloosbare items gegroepeerd onder “verbruiksgoederen”. Tot deze verbruiksgoederen behoorden met name stikstof, natriumhydroxide, caustische soda, zwavelzuur, katalysatoren op basis van nikkel/aluminium, perslucht, stoom, en andere productiefactoren die afzonderlijk minder dan 0,1 % van de totale productiekosten vertegenwoordigen. |
|
(181) |
De Commissie beschouwde ook enkele bijproducten als verbruiksgoederen. Deze omvatten ammoniumsulfaat, vloeibaar stikstof, teer, vloeibaar argon, koolstofzwart, PSA-gedesorbeerd gas, stoom, en andere bijproducten die afzonderlijk minder dan 0,1 % van de totale productiekosten vertegenwoordigen. |
|
(182) |
Samen bedroegen de productiefactoren die als verbruiksgoederen werden beschouwd minder dan 2,5 % van de totale productiekosten, terwijl de als verbruiksgoederen beschouwde bijproducten een absolute waarde van [0,5-2] % vertegenwoordigden. De Commissie heeft het percentage van de verbruiksgoederen op de totale grondstofkosten berekend en toegepast op de herberekende grondstofkosten wanneer zij gebruikmaakt van de vastgestelde niet-verstoorde benchmarks in het geschikte representatieve land. |
3.1.2.5.1. Productiefactoren
|
(183) |
Aan de hand van alle door de belanghebbenden verstrekte en tijdens de controlebezoeken verzamelde gegevens zijn voor de vaststelling van de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening de volgende productiefactoren en de bronnen daarvan in kaart gebracht: Tabel 1 Productiefactoren voor BDO
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(184) |
De Commissie heeft een waarde voor de overhead-productiekosten opgenomen om de kosten te bestrijken die niet in de bovengenoemde productiefactoren zijn opgenomen. Om dit bedrag vast te stellen, heeft de Commissie gebruikgemaakt van de overhead-productiekosten van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs, toegepast op de niet-verstoorde fabricagekosten. Deze werkwijze wordt uitvoerig toegelicht in de overwegingen 205 tot en met 207. |
Grondstoffen
|
(185) |
Om de niet-verstoorde prijs van grondstoffen (anders dan steenkool, waterstof en formaldehyde) als geleverd aan de fabriekspoort van een producent in het representatieve land te kunnen vaststellen, heeft de Commissie als basis de gewogen gemiddelde invoerprijs voor het representatieve land gebruikt, zoals opgegeven in de GTA, en deze vermeerderd met invoerrechten en vervoerskosten. Er werd een invoerprijs in het representatieve land vastgesteld als gewogen gemiddelde van de eenheidsprijzen van invoer uit alle derde landen met uitzondering van de VRC en de in bijlage I bij Verordening (EU) 2015/755 van het Europees Parlement en de Raad genoemde landen die geen lid zijn van de WTO (86). De Commissie heeft besloten de invoer uit de VRC in het representatieve land uit te sluiten, aangezien zij in overweging 112 tot de conclusie is gekomen dat het wegens de aanwezigheid van verstoringen van betekenis in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt b), van de basisverordening, niet passend is om de binnenlandse prijzen en kosten in de VRC te gebruiken. Aangezien er geen bewijsmateriaal is waaruit blijkt dat dezelfde verstoringen niet gelijkelijk gevolgen hebben voor de voor uitvoer bestemde producten, was de Commissie van mening dat die verstoringen gevolgen hebben gehad voor de uitvoerprijzen. |
|
(186) |
Voor een aantal productiefactoren vertegenwoordigden de werkelijk gemaakte kosten door de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs een verwaarloosbaar percentage van de totale grondstofkosten in het tijdvak van het nieuwe onderzoek. Aangezien de voor die factoren gebruikte waarde, ongeacht de gebruikte bron, geen merkbare invloed had op de berekeningen van de dumpingmarge, besloot de Commissie die kosten op te nemen bij de kosten van verbruiksgoederen, zoals toegelicht in de overwegingen 180 en 182. |
|
(187) |
Met betrekking tot invoerrechten heeft de Commissie de Market Access Map van het Internationaal Handelscentrum gebruikt om de toepasselijke invoerrechten per goederencode en land van herkomst vast te stellen (87). De invoerrechten werden opgeteld bij de cif-waarde die in de Braziliaanse invoerstatistieken is opgenomen, zoals beschikbaar in de GTA-databank. |
|
(188) |
De Commissie heeft de vervoerskosten van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs voor de levering van grondstoffen uitgedrukt als een percentage van de werkelijke kosten van dergelijke grondstoffen, en heeft vervolgens hetzelfde percentage toegepast op de niet-verstoorde kosten van dezelfde grondstoffen, teneinde de niet-verstoorde vervoerskosten te verkrijgen. De Commissie was van oordeel dat, in het kader van dit onderzoek, de ratio tussen de grondstoffen van de producent-exporteur en de gerapporteerde vervoerskosten redelijkerwijs kon worden gebruikt als indicatie voor de schatting van de niet-verstoorde vervoerskosten van grondstoffen bij levering aan de fabriek van de onderneming. |
Bijproducten
|
(189) |
Zoals vermeld in overweging 181, beschouwde de Commissie bepaalde bijproducten als verbruiksgoederen. |
|
(190) |
Voor de resterende bijproducten onderzocht de Commissie bij de in de steekproef opgenomen Chinese producenten-exporteurs de boekhoudkundige praktijken voor bijproducten. Op basis daarvan gebruikte de Commissie GTA-invoergegevens om een benchmark vast te stellen voor halffabricaten van n-butanol, omdat dit aan afnemers werd verkocht. Voor acetyleen-restgas, dat één in de steekproef opgenomen producenten-exporteur intern had gebruikt, bepaalde de Commissie de verhouding tussen de prijs in de VRC voor acetyleen-restgas in vergelijking met de prijs in de VRC voor het belangrijkste basisproduct, te weten aardgas, zoals door de producent-exporteur opgegeven. Deze verhouding werd toegepast op de prijs voor aardgas in Brazilië, zoals afgeleid van de in overweging 179 vermelde bron, om de benchmark voor dit bijproduct te berekenen. Voor methanol, waarvan de desbetreffende producent-exporteur een deel aan afnemers had verkocht en een deel intern had gebruikt, gebruikte de Commissie een waarde die was samengesteld uit GTA-invoergegevens en de waarde die resulteerde uit de beschreven methode voor acetyleen-restgas. |
Arbeid
|
(191) |
De Commissie heeft de door het IBGE gepubliceerde statistieken gebruikt voor de vaststelling van niet-verstoorde arbeidskosten (88). De Commissie baseerde zich op de uitvoerige informatie over lonen in ondernemingen met dertig werknemers of meer in de meest recente beschikbare statistieken voor 2023, voor economische activiteit 20.2 “Fabricação de produtos químicos orgânicos” volgens de NACE Rev.2-indeling. De statistieken van het IBGE geven informatie over de totale jaarlonen en aanverwante lasten, en over het aantal personen dat werkzaam was in de fabricage van organische chemicaliën in 2023. De waarde voor 2023 werd naar behoren voor de inflatie gecorrigeerd op basis van de binnenlandse consumentenprijsindex zoals door het IBGE zelf gepubliceerd (89), om deze waarde te corrigeren voor het onderzoektijdvak (2024). |
Elektriciteit
|
(192) |
De elektriciteitsprijs voor industriële gebruikers in Brazilië wordt door het Braziliaanse ministerie van Mijnbouw en Energie (90) gepubliceerd in zijn maandelijkse bulletin. De Commissie heeft gebruikgemaakt van de gegevens over de industriële elektriciteitsprijzen in de overeenkomstige verbruikscategorie, uitgedrukt in kWh, die het onderzoektijdvak bestreken. |
|
(193) |
De in het maandbulletin gepubliceerde tarieven omvatten de “Imposto sobre Circulação de Mercadorias e Serviços” (“ICMS”), een belasting op staatsniveau die wordt geheven op het verkeer van goederen en de levering van interstatelijke en intergemeentelijke vervoers- en communicatiediensten. Deze belasting kan door industriële gebruikers worden teruggevorderd en is bijgevolg in mindering gebracht op de vastgestelde benchmark. |
|
(194) |
Aangezien de toegepaste ICMS-tarieven per staat variëren van 17 % tot 18 % (91), heeft de Commissie voor de herberekening van de benchmark een gemiddelde aftrek van 17,5 % toegepast. |
|
(195) |
Volgens de Wanhua Group was de benchmark voor elektriciteit niet in de mededeling opgenomen. |
|
(196) |
De Commissie merkte op dat in de mededeling uitsluitend op invoergegevens gebaseerde benchmarks voor grondstoffen waren opgenomen. De Commissie heeft de benchmark voor elektriciteit in de voorafgaande mededeling opgenomen. |
Aardgas
|
(197) |
De aardgasprijs voor industriële gebruikers in Brazilië wordt gepubliceerd door het Braziliaanse ministerie van Mijnbouw en Energie (92). De Commissie heeft gebruikgemaakt van de verbruikscategorie in kubieke meters voor het onderzoektijdvak. De in de maandbulletins voor 2024 gepubliceerde tarieven omvatten dezelfde ICMS-belasting als hierboven werd beschreven voor elektriciteit, en de Commissie heeft voor deze belasting dan ook dezelfde aanpak gehanteerd. |
|
(198) |
Volgens de Wanhua Group ontbraken de benchmarkgegevens voor aardgas in bijlage II bij de mededeling, ondanks het gewicht van deze productiefactor in de totale fabricagekosten. |
|
(199) |
De Commissie merkte op dat zij, zoals aangegeven in bijlage I bij de mededeling, niet het voornemen had om invoergegevens voor aardgas als niet-verstoorde benchmark te gebruiken, en daarom was aardgas niet opgenomen in bijlage II. Zoals reeds aangegeven, heeft de Commissie zich daarentegen gebaseerd op de maandelijkse bulletins van het Braziliaanse ministerie van Mijnbouw en Energie voor gas. De Commissie heeft de benchmark voor aardgas in de voorafgaande mededeling opgenomen. |
Steenkool
|
(200) |
De Commissie heeft de steenkoolprijs in Brazilië gebruikt die door het Braziliaanse ministerie van Mijnbouw en Energie (93) in maandelijkse bulletins wordt gepubliceerd. |
Water
|
(201) |
De Commissie heeft gebruikgemaakt van het watertarief dat in rekening wordt gebracht door de SABESP (94), die verantwoordelijk is voor de watervoorziening, de riolering en de afvalwaterzuivering in de staat São Paulo. De informatie bevatte de tarieven voor industriële gebruikers in juli 2024 in een gebied dat wordt aangeduid met de afkorting OJ en de stad Paulínia omvat, waar de belangrijkste fabriek van Rhodia Brasil in Brazilië is gevestigd. |
Stoom
|
(202) |
De Commissie heeft opgemerkt dat, na verificatie, stoom als verbruiksgoed werd beschouwd, zoals aangegeven in overweging 180. Daarom heeft de Commissie geen benchmark voor stoom vastgesteld. |
|
(203) |
Volgens de Wanhua Group ontbraken de benchmarkgegevens voor stoom in bijlage II bij de mededeling. |
|
(204) |
De Commissie merkte op dat zij, zoals aangegeven in bijlage I bij de mededeling, niet het voornemen had om invoergegevens voor stoom als niet-verstoorde benchmark te gebruiken, en daarom was stoom niet opgenomen in bijlage II. |
Overhead-productiekosten, VAA-kosten, kosten en winst
|
(205) |
Volgens artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening geldt dat de “door berekening vastgestelde normale waarde […] een niet-verstoord en redelijk bedrag [omvat] voor administratiekosten, verkoopkosten en algemene kosten en voor winst”. Bovendien moet een waarde voor de overhead-productiekosten worden vastgesteld om de niet in de bovengenoemde productiefactoren opgenomen kosten te bestrijken. |
|
(206) |
De overhead-productiekosten van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs werden uitgedrukt als aandeel van de werkelijke productiekosten van de producenten-exporteurs. Dit percentage is toegepast op de niet-verstoorde productiekosten. |
|
(207) |
Om een niet-verstoord en redelijk bedrag voor VAA-kosten en winst vast te stellen, baseerde de Commissie zich op de financiële gegevens over 2024 voor Rhodia Brasil uit Data Mercantil (95). |
Berekening
|
(208) |
Op basis van het bovenstaande berekende de Commissie de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening in het stadium af fabriek. |
|
(209) |
Eerst heeft de Commissie de niet-verstoorde productiekosten vastgesteld. De Commissie heeft de niet-verstoorde kosten per eenheid toegepast op het werkelijke verbruik van de individuele productiefactoren van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteur. Dit verbruik werd in het kader van de controle geverifieerd. De Commissie vermenigvuldigde het gebruik van de factoren met de niet-verstoorde kosten per eenheid in het representatieve land, zoals beschreven in de overwegingen 177 tot en met 204. |
|
(210) |
Vervolgens telde de Commissie de overhead-productiekosten bij de niet-verstoorde kosten van de productie op, zoals toegelicht in de overwegingen 205 tot en met 207, om tot de niet-verstoorde productiekosten te komen. |
|
(211) |
Op de productiekosten die zijn vastgesteld op de wijze als omschreven in de vorige overweging, paste de Commissie de VAA-kosten en de winst van Rhodia Brasil toe. De VAA-kosten, uitgedrukt als percentage van de verkoopkostprijs en toegepast op de niet-verstoorde productiekosten, bedroegen 14,6 %. De winst, uitgedrukt als percentage van de verkoopkostprijs en toegepast op de niet-verstoorde productiekosten, bedroeg 8,0 %. |
|
(212) |
Op basis daarvan berekende de Commissie de normale waarde op basis van de prijs af fabriek, overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening. |
3.1.3. Uitvoerprijs
|
(213) |
Uitvoer naar de Unie door de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs vond rechtstreeks plaats, naar onafhankelijke afnemers, of naar een verbonden onderneming die als gebruiker optrad. |
|
(214) |
In de gevallen waarin de producenten-exporteurs het betrokken product rechtstreeks naar onafhankelijke afnemers in de Unie hadden uitgevoerd, was de uitvoerprijs overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening de voor het betrokken product met het oog op uitvoer naar de Unie werkelijk betaalde of te betalen prijs. |
|
(215) |
In de gevallen waarin de producenten-exporteurs het betrokken product naar de Unie hadden uitgevoerd naar een verbonden onderneming die niet alleen als importeur, maar ook als gebruiker optrad, moest de uitvoerprijs, aangezien het betrokken product niet werd doorverkocht in de staat waarin het was ingevoerd, op elke redelijke grondslag worden samengesteld overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening. Tijdens het onderzoek werd vastgesteld dat het betrokken product een zeer klein deel vertegenwoordigde van de productiekosten van het product dat uiteindelijk door de verbonden gebruiker werd verkocht aan de eerste onafhankelijke afnemer in de Unie. Bijgevolg kon de Commissie voor die verkopen geen betrouwbare uitvoerprijs vaststellen op basis van de verkopen van het eindproduct aan de eerste onafhankelijke koper. De Commissie berekende de uitvoerprijs op basis van het maandgemiddelde van de prijzen waarvoor dezelfde in de steekproef opgenomen producent-exporteur het betrokken product verkocht aan onafhankelijke afnemers in de Unie, vastgesteld overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening. Voor de maand waarin volgens de opgave van de betrokken in de steekproef opgenomen producent-exporteur geen verkopen aan onafhankelijke afnemers in de Unie hadden plaatsgevonden, stelde de Commissie de uitvoerprijs vast op basis van de gemiddelde prijs van de verkopen van de producent-exporteur aan onafhankelijke afnemers in de Unie gedurende het onderzoektijdvak. |
3.1.4. Vergelijking
|
(216) |
De Commissie moet overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening een billijke vergelijking tussen de normale waarde en de prijs bij uitvoer in hetzelfde handelsstadium maken en correcties toepassen om rekening te houden met verschillen die van invloed waren op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen. In het onderhavige geval koos de Commissie ervoor om de normale waarde en de uitvoerprijs van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs te vergelijken in het handelsstadium af fabriek. Zoals hieronder verder wordt toegelicht, werden de normale waarde en de uitvoerprijs waar nodig aangepast om i) deze terug te rekenen tot het stadium af fabriek, en ii) correcties toe te passen voor verschillen tussen factoren waarvan werd beweerd en aangetoond dat zij van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen. |
3.1.4.1.
|
(217) |
Zoals uiteengezet in overweging 212, werd de normale waarde in het handelsstadium af fabriek vastgesteld door gebruik te maken van de productiekosten, samen met de bedragen voor de VAA-kosten en de winst, die voor dat handelsstadium redelijk werden geacht. Daarom waren er geen correcties nodig om de normale waarde terug te rekenen tot het stadium af fabriek. |
3.1.4.2.
|
(218) |
Om de uitvoerprijs terug te rekenen tot het handelsstadium af fabriek, zijn er correcties toegepast voor vervoer, verzekering, laden en lossen en aanverwante kosten. |
|
(219) |
Bovendien zijn er correcties toegepast voor de volgende factoren die van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen: kredietkosten, bankkosten en, voor een van de twee in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs, commissies. |
|
(220) |
Eén in de steekproef opgenomen producent-exporteur voerde naar de Unie uit via een verbonden onderneming buiten de Unie. Tijdens het onderzoek werd vastgesteld dat de functies van de verbonden handelaar vergelijkbaar waren met die van een agent die op commissiebasis werkt. De verbonden handelaar maakte namelijk winst met zijn diensten en verhandelde een breed scala aan andere goederen dan het betrokken product. Derhalve heeft de Commissie krachtens artikel 2, lid 10, punt i), van de basisverordening een correctie toegepast voor de door de verbonden handelaar ontvangen handelsmarge. |
|
(221) |
Voor de correctie voor de berekende commissie werden de VAA-kosten afgetrokken die door de verbonden handelaar waren gemaakt en, gezien de relatie tussen beide ondernemingen en het feit dat geen enkele niet-verbonden importeur zijn medewerking aan dit onderzoek verleende, een fictieve winst van 6,89 % die redelijk werd geacht in een eerder onderzoek naar de invoer van een ander chemisch product, namelijk polyvinylalcohol (“PVA”) van oorsprong uit de VRC (96). De winst van 6,89 % werd ook in dit geval voorlopig redelijk geacht, aangezien deze werd gerealiseerd door niet-verbonden importeurs die zich bezighielden met de handel in chemische producten. |
3.1.5. Dumpingmarge
|
(222) |
Voor de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs heeft de Commissie de gewogen gemiddelde normale waarde van elke soort van het soortgelijke product vergeleken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs van de overeenkomstige soort van het betrokken product, zoals bepaald in artikel 2, leden 11 en 12, van de basisverordening. |
|
(223) |
Op grond hiervan zijn de voorlopige gewogen gemiddelde dumpingmarges, uitgedrukt in procenten van de cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring:
|
|
(224) |
Voor de meewerkende producenten-exporteurs die niet in de steekproef zijn opgenomen, heeft de Commissie de gewogen gemiddelde dumpingmarge berekend overeenkomstig artikel 9, lid 6, van de basisverordening. Die marge werd dus vastgesteld op basis van de dumpingmarges die waren vastgesteld voor de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs. |
|
(225) |
Dit leidt voor de meewerkende producenten-exporteurs die geen deel uitmaken van de steekproef tot een voorlopige dumpingmarge van 362,8 %. |
|
(226) |
Voor alle andere producenten-exporteurs in de VRC heeft de Commissie de dumpingmarge overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening vastgesteld aan de hand van de beschikbare gegevens. Daartoe heeft de Commissie de mate van medewerking van de producenten-exporteurs bepaald. De mate van medewerking komt overeen met de omvang van de uitvoer naar de Unie van de meewerkende producenten-exporteurs, uitgedrukt als percentage van de totale invoer — volgens de gegevens van Eurostat — uit het betrokken land in de Unie tijdens het onderzoektijdvak. |
|
(227) |
De mate van medewerking in de VRC is hoog, aangezien de uitvoer van de meewerkende producenten-exporteurs ongeveer 85 % vertegenwoordigde van de totale invoer uit de VRC tijdens het onderzoektijdvak. Op basis hiervan heeft de Commissie besloten de dumpingmarge voor niet-meewerkende producenten-exporteurs in de VRC gelijk te stellen aan de marge die geldt voor de in de steekproef opgenomen onderneming met de hoogste dumpingmarge in elk land. |
|
(228) |
De volgende tabel bevat de voorlopige dumpingmarges, uitgedrukt als percentage van de cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring:
|
3.2. Saudi-Arabië
|
(229) |
De enige producent-exporteur in Saudi-Arabië, International Diol Company (“IDC”), voerde uitsluitend uit naar de Unie via zijn in Saudi-Arabië gevestigde verbonden handelaar Sipchem Marketing Company (“SMC”). SMC voerde vervolgens uitsluitend uit naar de Unie via zijn volle dochteronderneming Sipchem Europe SA (“SESA”), die in Zwitserland is gevestigd. De drie ondernemingen maken deel uit van de groep Saudi International Petrochemical Company (“Sipchem”). |
3.2.1. Normale waarde
|
(230) |
IDC heeft in het onderzoektijdvak geen voor binnenlands verbruik bestemde BDO verkocht. Derhalve heeft de Commissie de normale waarde berekend overeenkomstig artikel 2, lid 3 en lid 6, punt c), van de basisverordening. |
|
(231) |
De normale waarde af fabriek werd door berekening vastgesteld door de gemiddelde productiekosten van het soortgelijke product van de meewerkende producent-exporteur in het onderzoektijdvak te vermeerderen met:
|
3.2.2. Uitvoerprijs
|
(232) |
Zoals toegelicht in overweging 229, voerde IDC uitsluitend via SMC, zijn in Saudi-Arabië gevestigde verbonden handelaar, naar de Unie uit. SMC voerde vervolgens uitsluitend uit naar de Unie via zijn volle dochteronderneming SESA die in Zwitserland is gevestigd. SESA trad voor deze verkoop op als importeur voor de markt van de Unie, waarbij het de relevante kosten droeg en winst maakte. |
|
(233) |
In het licht hiervan werd de uitvoerprijs vastgesteld overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening, d.w.z. aan de hand van de prijs waartegen het ingevoerde product door SESA voor het eerst werd doorverkocht aan onafhankelijke afnemers in de Unie. In dit geval werden correcties toegepast voor alle tussen invoer en wederverkoop gemaakte kosten, met inbegrip van VAA-kosten, en voor de winst. De correctie werd toegepast op basis van de werkelijk gemaakte VAA-kosten van SESA en, om de in overweging 221 uiteengezette redenen, op basis van een fictieve winst van 6,89 %. |
|
(234) |
Sipchem voerde aan dat zijn verkoop aan een bepaalde BDO-producent en -handelaar in de Unie moest worden uitgesloten van de berekening van de uitvoerprijs, omdat de prijs van deze verkoop veel lager was dan de gemiddelde prijzen van Sipchem en het resultaat was van harde onderhandelingen. |
|
(235) |
De Commissie herinnerde eraan dat voor de vaststelling van de dumpingmarge alle uitvoer in aanmerking moet worden genomen. Het argument werd daarom afgewezen. |
3.2.3. Vergelijking
|
(236) |
De Commissie moet overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening een billijke vergelijking tussen de normale waarde en de prijs bij uitvoer in hetzelfde handelsstadium maken en correcties toepassen om rekening te houden met verschillen die van invloed waren op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen. In het onderhavige geval koos de Commissie ervoor om de normale waarde en de uitvoerprijs van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs te vergelijken in het handelsstadium af fabriek. Zoals hieronder verder wordt toegelicht, werden de normale waarde en de uitvoerprijs waar nodig aangepast om i) deze terug te rekenen tot het stadium af fabriek, en ii) correcties toe te passen voor verschillen tussen factoren waarvan werd beweerd en aangetoond dat zij van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen. |
3.2.3.1.
|
(237) |
Zoals uiteengezet in overweging 231, werd de normale waarde in het handelsstadium af fabriek vastgesteld door gebruik te maken van de productiekosten, samen met de bedragen voor de VAA-kosten en de winst, die voor dat handelsstadium redelijk werden geacht. Daarom waren er geen correcties nodig om de normale waarde terug te rekenen tot het stadium af fabriek. |
|
(238) |
De Commissie heeft geen redenen kunnen vaststellen om de normale waarde te corrigeren, noch werden dergelijke correcties door de enige meewerkende producent-exporteur gevraagd. |
3.2.3.2.
|
(239) |
Om de uitvoerprijs terug te rekenen tot het handelsstadium af fabriek, zijn er correcties toegepast voor douanerechten, andere invoerheffingen, vrachtkosten, verzekeringskosten, verwerkingskosten, verladingskosten en aanverwante kosten. |
|
(240) |
Bovendien zijn er correcties toegepast voor de volgende factoren die van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen: kredietkosten en commissies. |
|
(241) |
Aangezien alle verkoop in de Unie plaatsvond via een verbonden handelaar in Saudi-Arabië (SMC) en die onderneming functies uitoefende die vergelijkbaar waren met die van een op commissiebasis werkende agent en zij daarvoor commissie ontving, werd op grond van artikel 2, lid 10, punt i), van de basisverordening een correctie toegepast op de uitvoerprijs. De correctie werd toegepast op basis van de werkelijke VAA-kosten van SMC en, gezien de banden tussen de ondernemingen, een fictieve winst van 6,89 %, zoals uiteengezet in overweging 221. |
|
(242) |
In haar antwoord op de vragenlijst had de onderneming aangevoerd dat IDC, SMC en SESA één enkele economische eenheid vormen en dat een dergelijke correctie daarom niet gerechtvaardigd zou zijn. Ter staving van haar argument stelde de onderneming dat SMC/SESA door IDC, dat geen eigen verkoopfuncties kent, zijn belast met taken die normaal gesproken onder de verantwoordelijkheden vallen van een gecentraliseerde interne verkoopafdeling (SMC) en een exportafdeling (SESA). De Commissie stelde echter vast dat er een zeer gedetailleerd contract tussen IDC en SMC bestaat, waarin de door IDC betaalde commissies zijn vastgelegd en waarin ook een arbitragebeding is opgenomen, waaruit een beperkte economische solidariteit tussen de twee ondernemingen blijkt. In het licht hiervan wees de Commissie het argument af en achtte zij de correctie op de uitvoerprijs op grond van artikel 2, lid 10, punt i), van de basisverordening gerechtvaardigd. |
3.2.4. Dumpingmarges
|
(243) |
Overeenkomstig artikel 2, leden 11 en 12, van de basisverordening heeft de Commissie voor de meewerkende producent-exporteur de gewogen gemiddelde normale waarde van het soortgelijke product vergeleken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs van de overeenkomstige soort van het betrokken product. |
|
(244) |
Aangezien er slechts één producent-exporteur was, die goed was voor de totale uitvoer uit Saudi-Arabië naar de Unie tijdens het onderzoektijdvak, was het niet nodig een gewogen gemiddelde dumpingmarge te berekenen die normaal zou worden toegepast voor meewerkende ondernemingen die niet in de steekproef waren opgenomen. |
|
(245) |
Voor alle overige invoer van oorsprong uit Saudi-Arabië heeft de Commissie de dumpingmarge overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening vastgesteld aan de hand van de beschikbare gegevens. De Commissie achtte het op basis hiervan passend om de dumpingmarge vast te stellen op het niveau van de dumpingmarge van de meewerkende producent. |
|
(246) |
Op grond hiervan zijn de voorlopige gewogen gemiddelde dumpingmarges, uitgedrukt in procenten van de cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring:
|
3.3. VERENIGDE STATEN
3.3.1. Normale waarde
|
(247) |
Eerst onderzocht de Commissie of de totale binnenlandse verkoop van de meewerkende producent-exporteur representatief was in de zin van artikel 2, lid 2, van de basisverordening. De binnenlandse verkoop is representatief als het totale volume van de binnenlandse verkoop van het soortgelijke product aan onafhankelijke afnemers op de binnenlandse markt per producent-exporteur tijdens het onderzoektijdvak ten minste 5 % bedroeg van het totale naar de Unie uitgevoerde volume van het betrokken product. Op basis hiervan was de totale verkoop van het soortgelijke product door de meewerkende producent-exporteur op de binnenlandse markt representatief. |
|
(248) |
Vervolgens is de Commissie voor de producent-exporteur met een representatieve binnenlandse verkoop nagegaan welke productsoorten die op de binnenlandse markt werden verkocht, identiek waren aan of vergelijkbaar waren met de naar de Unie uitgevoerde productsoorten. |
|
(249) |
Daarna heeft de Commissie onderzocht of de binnenlandse verkoop door de meewerkende producent-exporteur op de binnenlandse markt voor elke productsoort die identiek is aan of vergelijkbaar is met een productsoort die naar de Unie wordt uitgevoerd, representatief was in de zin van artikel 2, lid 2, van de basisverordening. De binnenlandse verkoop van een productsoort is representatief als de totale binnenlandse verkoop van die productsoort aan onafhankelijke afnemers in het onderzoektijdvak ten minste 5 % bedraagt van het totale naar de Unie uitgevoerde volume van de identieke of vergelijkbare productsoort. De Commissie stelde vast dat de binnenlandse verkoop van elke productsoort representatief was voor de producent-exporteur. |
|
(250) |
Verder heeft de Commissie overeenkomstig artikel 2, lid 4, van de basisverordening voor elke productsoort het aandeel van de winstgevende verkoop aan onafhankelijke afnemers op de binnenlandse markt in het onderzoektijdvak bepaald om uit te maken of zij de werkelijke binnenlandse verkoop kon gebruiken voor de berekening van de normale waarde. |
|
(251) |
De normale waarde wordt gebaseerd op de werkelijke binnenlandse prijs per productsoort, ongeacht of die verkoop winstgevend is, indien:
|
|
(252) |
In dit geval is de normale waarde het gewogen gemiddelde van de prijzen van alle binnenlandse verkopen van die productsoort in het onderzoektijdvak. |
|
(253) |
De normale waarde is gelijk aan de werkelijke binnenlandse prijs per productsoort van uitsluitend de winstgevende binnenlandse verkopen van de productsoorten tijdens het onderzoektijdvak indien:
|
|
(254) |
Uit de analyse van de binnenlandse verkoop bleek dat [8 %-12 %] van alle binnenlandse verkoop winstgevend was en dat de gewogen gemiddelde verkoopprijs lager was dan de productiekosten. De normale waarde werd bijgevolg berekend als gewogen gemiddelde van de prijzen van uitsluitend de winstgevende verkoop. |
3.3.2. Uitvoerprijs
|
(255) |
De meewerkende producent-exporteur voerde naar de Unie uit via een verbonden onderneming die optrad als importeur. |
|
(256) |
Voor de producenten-exporteurs die het betrokken product via een als importeur optredende verbonden onderneming naar de Unie hadden uitgevoerd, werd de uitvoerprijs overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening vastgesteld op basis van de prijs waartegen het ingevoerde product voor het eerst aan onafhankelijke afnemers in de Unie was doorverkocht. In dit geval werden correcties toegepast voor alle tussen invoer en wederverkoop gemaakte kosten, met inbegrip van VAA-kosten, en voor de winst. |
|
(257) |
De Commissie heeft zich gebaseerd op de door de verbonden importeur gerapporteerde werkelijke VAA-kosten. Wat de winst betreft, heeft de Commissie de fictieve winst van 6,89 % gebruikt op grond van dezelfde redenen als uiteengezet in overweging 221, namelijk de banden tussen ondernemingen en het gebrek aan medewerking van niet-verbonden importeurs in het kader van dit onderzoek. |
3.3.3. Vergelijking
|
(258) |
De Commissie moet overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening een billijke vergelijking tussen de normale waarde en de prijs bij uitvoer in hetzelfde handelsstadium maken en correcties toepassen om rekening te houden met verschillen die van invloed waren op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen. In het onderhavige geval koos de Commissie ervoor om de normale waarde en de uitvoerprijs van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs te vergelijken in het handelsstadium af fabriek. Zoals hieronder verder wordt toegelicht, werden de normale waarde en de uitvoerprijs waar nodig aangepast om i) deze terug te rekenen tot het stadium af fabriek, en ii) correcties toe te passen voor verschillen tussen factoren waarvan werd beweerd en aangetoond dat zij van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen. |
3.3.3.1.
|
(259) |
Om de normale waarde terug te rekenen tot het handelsstadium af fabriek, werden correcties aangebracht voor kosten van vervoer, lading, overlading, aanverwante en verzekeringskosten, alsook voor kosten voor technische bijstand en dienstverlening. |
|
(260) |
Bovendien zijn er correcties toegepast voor de volgende factoren die van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen: commissies, kredietkosten en bankkosten. |
3.3.3.2.
|
(261) |
Om de uitvoerprijs terug te rekenen tot het handelsstadium af fabriek, zijn er correcties toegepast voor douanerechten, vervoer, verzekering, laden en lossen en aanverwante kosten. |
|
(262) |
Bovendien zijn er correcties toegepast voor de volgende factoren die van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen: kredietkosten. |
3.3.4. Dumpingmarges
|
(263) |
Op basis hiervan bedroeg de dumpingmarge voor Lyondell Chemical Company, uitgedrukt in procenten van de cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring, 135,7 %. |
|
(264) |
De mate van medewerking in de VS is laag, aangezien de invoer van de meewerkende producent-exporteur goed was voor ongeveer 17 % van de totale uitvoer naar de Unie tijdens het OT. |
|
(265) |
De Commissie heeft eraan herinnerd dat zij in punt 10 van het bericht van inleiding (99) de belanghebbenden ervan in kennis had gesteld dat indien zij geen of slechts gedeeltelijk medewerking verlenen, de bevindingen overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening op de beschikbare gegevens zouden worden gebaseerd, hetgeen voor deze partijen tot minder gunstige resultaten kon leiden. Aangezien de belanghebbenden in het bericht van inleiding en, zoals vermeld in overweging 45, in de procedure duidelijk waren gewaarschuwd voor de gevolgen van niet-medewerking, en aangezien de mate van medewerking in dit geval bijzonder laag was, achtte de Commissie het passend het residuele antidumpingrecht vast te stellen op basis van een representatief gedeelte van de verkoop door de Lyondell Chemical Group, die op zich goed was voor meer dan 47 % van de verkoop van de onderneming en 8 % van de totale omvang van de uitvoer naar de Unie van alle in de steekproef opgenomen ondernemingen tijdens het onderzoektijdvak. Deze verkoop werd beschouwd als een redelijke en representatieve maatstaf van het dumpinggedrag van de niet-meewerkende exporteurs. |
|
(266) |
De residuele dumpingmarge voor de VS werd op basis hiervan vastgesteld op 142,5 %. |
|
(267) |
De tabel hieronder bevat de voorlopige dumpingmarges voor de VS, uitgedrukt in een percentage van de cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring:
|
4. SCHADE
4.1. Omschrijving van de bedrijfstak van de Unie en de productie in de Unie
|
(268) |
Het soortgelijke product werd in het onderzoektijdvak vervaardigd door vier producenten in de Unie. Zij vormen de bedrijfstak van de Unie in de zin van artikel 4, lid 1, van de basisverordening. |
|
(269) |
De totale productie in de Unie tijdens het onderzoektijdvak werd vastgesteld op ongeveer 189 700 ton. De Commissie heeft dat cijfer vastgesteld aan de hand van de antwoorden op de vragenlijst van de drie in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, namelijk BASF SE (“BASF”), INEOS Solvents Marl GmbH (“INEOS”) en Lyondell Chemie Nederland BV (“LCN”), en het antwoord van Novamont S.p.A (“Novamont”) op de macrovragenlijst. De drie in de steekproef opgenomen producenten produceerden BDO op basis van fossiele brandstoffen, terwijl Novamont biogebaseerd BDO produceerde. Zoals aangegeven in overweging 34, vertegenwoordigden de drie in de steekproef opgenomen producenten in de Unie meer dan 70 % van de totale productie en verkoop van het soortgelijke product in de Unie. |
4.2. Bepaling van de relevante markt van de Unie
|
(270) |
Om vast te stellen of de bedrijfstak van de Unie schade heeft geleden en om het verbruik en de verschillende economische indicatoren betreffende de situatie van de bedrijfstak van de Unie vast te stellen, heeft de Commissie onderzocht of en in welke mate in de analyse rekening moest worden gehouden met het verdere gebruik van de productie van het soortgelijke product door de bedrijfstak van de Unie. |
|
(271) |
BDO wordt gebruikt als tussenmateriaal voor de productie van een breed scala aan chemische downstreamproducten, waaronder PBT, PBAT, TPU, THF en GBL. De Commissie heeft vastgesteld dat een aanzienlijk deel van de productie van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie voor intern gebruik is bestemd. Het bedrijfsmodel van de producenten in de Unie en hun mate van verticale integratie verschillen. Niettemin kan de bedrijfstak van de Unie over het algemeen worden gekenmerkt als een bedrijfstak met een hoge mate van verticale integratie, aangezien de producenten in de Unie tegelijkertijd producenten, importeurs, verkopers en gebruikers van het onderzochte product en van andere chemische producten bleken te zijn. |
|
(272) |
BDO werd vaak tegen betaling binnen dezelfde onderneming overgedragen voor verdere downstreamverwerking. Producenten in de Unie konden BDO betrekken via andere niet-verbonden producenten in de Unie, via invoer of via eigen interne productie die vervolgens verder werd verwerkt tot een brede waaier aan downstreamproducten en/of werd doorverkocht, en onder de marktomstandigheden waarvan in 2023 en in het onderzoektijdvak sprake was, gebruikten producenten in de Unie meerdere methoden om BDO te betrekken. Bovendien stond het verbonden partijen vrij om BDO aan te kopen van verbonden of niet-verbonden leveranciers, binnen of buiten de Unie. Bovendien werd BDO vaak geproduceerd in chemische complexen die downstreamproducten en andere chemische producten omvatten. |
|
(273) |
Gezien het feit dat het interne gebruik in de marktomstandigheden waarvan in 2023 en het onderzoektijdvak sprake was, kon zijn betrokken van verbonden partijen of niet-verbonden leveranciers, binnen of buiten de Unie, en dat de verkoop van verbonden partijen werd vastgesteld tegen internationale marktprijzen, werd geoordeeld dat de interne verkoop deel uitmaakt van de vrije markt. Deze bevinding onderschrijft het standpunt dat in dit geval het totale verbruik moet worden gehanteerd om het marktaandeel te berekenen. Voor de volledigheid heeft de Commissie in haar analyse echter ook andere ontwikkelingen van het marktaandeel laten zien. Aangezien de producenten in de Unie BDO voor de downstreamproductie zowel via hun eigen productie als via de vrije markt betrekken, afhankelijk van de prijzen en kosten van het betrokken product, was de Commissie van oordeel dat het totale verbruik (vrije markt plus intern gebruik) de beste indicator is voor de schadeanalyse. |
4.3. Verbruik in de Unie
|
(274) |
De bedrijfstak van de Unie is verticaal geïntegreerd en het onderzochte product wordt beschouwd als grondstof voor de productie van diverse downstreamproducten met toegevoegde waarde. Het interne verbruik en het verbruik op de vrije markt werden afzonderlijk geanalyseerd. |
|
(275) |
De Commissie heeft het totale verbruik in de Unie vastgesteld op basis van de som van de vrije markt en de markten voor intern gebruik. |
|
(276) |
De Commissie heeft de markt voor intern gebruik vastgesteld op basis van het interne gebruik van de bedrijfstak van de Unie, en het gebruik op de vrije markt op basis van de productie die de bedrijfstak van de Unie aan derden heeft verkocht plus de invoer in de Unie uit alle derde landen. |
|
(277) |
Het aldus vastgestelde verbruik in de Unie heeft zich als volgt ontwikkeld: Tabel 2 Verbruik in de Unie (ton)
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(278) |
Het verbruik in ton op de markt voor intern gebruik daalde van 2021 tot 2023, met een aanzienlijke daling van 31 % in 2022 en een daling van 49 % in 2023 in vergelijking met het verbruik in 2021. Het verbruik op de markt voor intern gebruik steeg in het OT ten opzichte van 2023, maar bleef nog steeds onder het niveau van 2021, met een daling van 38 % in de beoordelingsperiode. Hierdoor daalde het verbruik op de markt voor intern gebruik van 264 489 ton in 2021 naar 163 036 ton in het OT. |
|
(279) |
Het verbruik op de vrije markt daalde in 2022 en 2023 licht, met 13 % in 2022 en 6 % in 2023 ten opzichte van 2021. Over het geheel genomen nam het verbruik op de vrije markt tijdens de beoordelingsperiode echter aanzienlijk toe, met een stijging van 15 % in het OT ten opzichte van 2021. Dit resulteerde in een stijging van 159 456 ton in 2021 tot 184 036 ton in het OT. |
|
(280) |
Over de gehele linie is het totale verbruik in de Unie in de beoordelingsperiode afgenomen. Eerst nam het verbruik met 24 % af in 2022 en vervolgens met 33 % in 2023 in vergelijking met het totale verbruik in de Unie in 2021. Ondanks een stijging van het totale verbruik in de Unie in het OT ten opzichte van 2023 was het totale verbruik in de Unie in het OT nog steeds 18 % lager dan in 2021. De reden hiervoor is dat een toename van het verbruik op de vrije markt in het OT niet voldoende was om de daling van het verbruik op de markt voor intern gebruik in de Unie te compenseren, waardoor het totale verbruik van het betrokken product in de Unie daalde van 423 944 ton in 2021 naar 347 072 ton in het OT. |
|
(281) |
Het totale verbruik in de Unie lag in 2021 hoog als gevolg van de grote vraag in de talrijke downstreambedrijfstakken in de waardeketen van BDO, grotendeels naar aanleiding van COVID-19-kwesties. Het verbruik schommelde tussen 2022 en het onderzoektijdvak en steeg in die periode feitelijk met 8 %. De bedrijfstak van de Unie lichtte toe dat met het oog op de afzienbare lange termijn de vraag naar BDO wereldwijd en in de Unie stabiel is. |
|
(282) |
Uit tabel 2 blijkt een contrast tussen de ontwikkelingen op de markt voor intern gebruik, die in de beoordelingsperiode een daling van 38 % optekende, en de vrije markt, die een toename van 15 % liet zien. Gezien de vaststelling in overweging 273 werd het aanzienlijke totale verbruik in de Unie in 2023 en het onderzoektijdvak minder door de productie in de Unie en meer door invoer met dumping gedekt. Deze ontwikkelingen worden verder geanalyseerd in de punten “schade” en “oorzakelijk verband”. |
4.4. Invoer uit de betrokken landen
4.4.1. Cumulatieve beoordeling van de gevolgen van de invoer uit de betrokken landen
|
(283) |
De Commissie heeft onderzocht of de invoer van BDO uit de betrokken landen cumulatief moest worden beoordeeld overeenkomstig artikel 3, lid 4, van de basisverordening. |
|
(284) |
Zoals in punt 3 is vastgesteld, lag de dumpingmarge die ten aanzien van de invoer uit de VRC, Saudi-Arabië en de VS werd bepaald, boven de de-minimisdrempel van artikel 9, lid 3, van de basisverordening. De invoer uit elk van de betrokken landen was niet te verwaarlozen in de zin van artikel 5, lid 7, van de basisverordening. Overeenkomstig tabel 3 bedroeg hun marktaandeel (van de totale markt van de Unie) in het onderzoektijdvak respectievelijk ongeveer 7 %, 11 % en 7 %. |
|
(285) |
Wat de concurrentievoorwaarden betreft, voerde LCN aan dat voor de invoer van BDO uit de VS niet dezelfde concurrentievoorwaarden gelden als voor de invoer uit Saudi-Arabië en de VRC. LCN wees erop dat de invoer uit de VS uitsluitend bestond uit ondernemingsinterne leveringen binnen de groepen Lyondell Basell en BASF. Voorts verklaarde het dat leveringen van LCN uit de VS weliswaar op de markt van de Unie werden verhandeld, maar dat de invoer van BASF bedoeld was om door de onderneming te worden gebruikt voor de productie van downstreamproducten. |
|
(286) |
De Commissie betwist de door LCN aangehaalde feiten met betrekking tot de invoer uit de VS niet, maar zij is het er niet mee eens dat voor de invoer uit de VS andere concurrentievoorwaarden gelden dan voor de invoer uit Saudi-Arabië en de VRC. In werkelijkheid werd de invoer uit alle drie de landen door producenten in de Unie gebruikt om downstreamproducten te produceren en/of op de vrije markt te verhandelen, en schommelde de frequentie tijdens de beoordelingsperiode. Hetzelfde gold voor de productie van de producenten in de Unie. Dit soortgelijke product werd ofwel intern gebruikt ofwel verkocht aan industriële gebruikers (tegen soortgelijke contractuele voorwaarden als die van de invoer) op de markt van de Unie. De invoer uit de betrokken landen concurreerde onderling en met de productie in de Unie, omdat daarbij soortgelijke contractuele prijsvoorwaarden werden gehanteerd met ICIS-indices (100) als benchmark. De gehele invoer bestond uit BDO met dezelfde basiskenmerken, wat betekent dat die onderling volledig uitwisselbaar was. Bovendien concurreerde de invoer vaak onderling om hetzelfde gebruik, namelijk om BDO te voorzien voor de interne vraag in de Unie en/of de vraag op de vrije markt, met inbegrip van de doorverkoop van ingevoerd BDO. |
|
(287) |
Sipchem, INEOS en Will & Co hebben opmerkingen gemaakt over de cumulatie van de invoer uit Saudi-Arabië. Sipchem voerde met betrekking tot de concurrentievoorwaarden aan dat voor de invoer van BDO uit Saudi-Arabië niet dezelfde concurrentievoorwaarden gelden als voor de invoer uit de VS en de VRC. Sipchem wees erop dat uit de verkoop van Sipchem aan INEOS duidelijk blijkt dat het marktgedrag van Sipchem verschilt van dat van Chinese exporteurs van BDO, die veel opportunistische verkopen op de spotmarkten verrichten, en van BDO-exporteurs in de VS, die voornamelijk aan verbonden entiteiten in de Unie verkopen voor downstreamgebruik om hun productie van BDO in de EU aan te vullen. Daarnaast voerde Will & Co aan dat de invoer uit Saudi-Arabië de door de VRC vastgestelde prijzen van BDO volgt en deze daarom niet mag worden gecumuleerd. INEOS was het niet eens met de opmerkingen van Sipchem en Will & Co en wees erop dat er tijdens de beoordelingsperiode voor de invoer uit Saudi-Arabië soortgelijke prijsregelingen bestonden als voor andere invoer en de verkoop van de bedrijfstak van de Unie in het algemeen. |
|
(288) |
Ook hier was de Commissie het er niet mee eens dat voor de invoer uit Saudi-Arabië andere concurrentievoorwaarden gelden dan voor de invoer uit de VS en de VRC, en dat er in de betrokken landen sprake was van verschillende productiemethoden, productiekosten en verkoopprijzen naar de Unie. De invoer uit alle drie de landen werd door producenten in de Unie intern gebruikt en/of op de vrije markt verhandeld, en de frequentie schommelde tijdens de beoordelingsperiode. Hetzelfde gold voor de productie van de producenten in de Unie. Dit soortgelijke product werd ofwel voor downstreamproducten gebruikt, ofwel verkocht aan industriële gebruikers (tegen soortgelijke voorwaarden als die van de invoer) op de markt van de Unie. De invoer uit de betrokken landen concurreerde onderling, omdat daarbij soortgelijke contractuele prijsvoorwaarden werden gehanteerd met ICIS-indices als benchmark. Bovendien hadden de ingevoerde producten dezelfde basiskenmerken, wat betekent dat zij onderling volledig uitwisselbaar waren. |
|
(289) |
De concurrentievoorwaarden voor de met dumping ingevoerde producten uit de betrokken landen en het soortgelijke product waren derhalve vergelijkbaar. Meer in het bijzonder concurreerde de ingevoerde BDO onderling en met de in de Unie geproduceerde BDO, omdat zij via dezelfde verkoopkanalen worden verkocht, voor dezelfde doeleinden worden gebruikt en uiteindelijk aan dezelfde afnemers worden verkocht. |
|
(290) |
Bijgevolg werd aan de criteria van artikel 3, lid 4, van de basisverordening voldaan en werd de invoer uit de drie betrokken drie landen cumulatief beoordeeld voor de schadevaststelling. |
4.4.2. Volume en marktaandeel van de invoer uit de betrokken landen
|
(291) |
De Commissie heeft de omvang van de invoer vastgesteld aan de hand van invoerstatistieken van de Unie. Het marktaandeel van de invoer werd vastgesteld op basis van invoerstatistieken van de Unie vergeleken met het totale verbruik in de Unie overeenkomstig tabel 2. |
|
(292) |
De invoer in de Unie uit de betrokken landen heeft zich als volgt ontwikkeld: Tabel 3 Invoerhoeveelheid en marktaandeel
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(293) |
De invoer uit de betrokken landen steeg in de beoordelingsperiode van ongeveer 48 800 ton in 2021 tot ongeveer 89 000 ton in het OT, hetgeen een stijging betekent van 82 %. Ten opzichte van 2023 daalde de invoer in het OT, maar deze daling wordt gedeeltelijk toegeschreven aan de crisis in de Rode Zee (101) die van invloed was op de mogelijkheid om BDO in de Unie in te voeren. Bovendien verklaarde LCN dat de invoer uit China in 2024 zou zijn gedaald als gevolg van het strategische besluit van BASF om in het vierde kwartaal van 2023 zijn joint venture in de VRC af te stoten, waardoor de totale invoer uit de VRC zou zijn gedaald. |
|
(294) |
Het marktaandeel van de betrokken landen maakte een vergelijkbare ontwikkeling door als de invoer en daalde in het OT ten opzichte van 2023 van 37 % tot 26 %. Tijdens de gehele beoordelingsperiode is het marktaandeel echter meer dan verdubbeld, van 12 % in 2021 tot 26 % in het OT, een stijging van 14 procentpunt. |
4.5. Prijzen van de invoer uit de betrokken landen, prijsonderbieding en prijsverlaging
|
(295) |
De Commissie heeft de prijzen van de invoer vastgesteld op basis van gegevens van Eurostat. Prijsonderbieding van de invoer werd vastgesteld op basis van informatie van de in de steekproef opgenomen meewerkende producenten uit de VRC, de meewerkende producenten-exporteurs uit Saudi-Arabië en de VS en de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie. |
|
(296) |
De gewogen gemiddelde prijs van de invoer in de Unie uit de betrokken landen heeft zich als volgt ontwikkeld: Tabel 4 Invoerprijzen (EUR/ton)
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(297) |
De gemiddelde prijs van de invoer in de Unie uit de betrokken landen steeg in 2022 eerst met 52 % tot ongeveer 3 700 EUR/ton en daalde vervolgens in 2023 aanzienlijk tot ongeveer 1 900 EUR/ton. Over het geheel genomen daalde de gemiddelde prijs in de beoordelingsperiode aanzienlijk, namelijk met 50 %, van ongeveer 2 400 EUR/ton in 2021 tot ongeveer 1 200 EUR/ton in het OT. |
|
(298) |
De prijsschommelingen werden voornamelijk beïnvloed door de ontwikkeling van de grondstofkosten en de energieprijzen, in combinatie met aanzienlijke investeringen in capaciteit, een toegenomen invoer in de Unie en de reservecapaciteit in de betrokken landen tijdens de beoordelingsperiode. Daarnaast was de invoer onderworpen aan contracten die gekoppeld waren aan ICIS-benchmarkprijzen. |
|
(299) |
De Commissie heeft de prijsonderbieding tijdens het onderzoektijdvak vastgesteld aan de hand van een vergelijking van:
|
|
(300) |
De prijzen werden vergeleken per productsoort voor transacties in hetzelfde handelsstadium, zo nodig na correctie, en met aftrek van kortingen en rabatten. Het resultaat van de vergelijking werd uitgedrukt als een percentage van de theoretische omzet van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie in het onderzoektijdvak. Daaruit bleek dat de gewogen gemiddelde prijsonderbiedingsmarge van de betrokken landen op de markt van de Unie 6,9 % bedroeg. Er was geen sprake van prijsonderbieding voor de in de steekproef opgenomen Chinese producenten-exporteurs. De Commissie verwijst echter naar andere prijseffecten (prijsverlaging) in punt 4.6.3.1 van deze verordening (zie bijvoorbeeld de overwegingen 331 tot en met 334). Voorts was duidelijk dat de prijzen van zowel de invoer als de bedrijfstak van de Unie een soortgelijke ontwikkeling vertoonden, aangezien in het onderzoek werd vastgesteld dat in contracten met industriële gebruikers ICIS-prijzen als benchmark werden gebruikt, zoals vastgesteld in overweging 331. |
|
(301) |
LCN stelde dat de invoer uit de VS de bedrijfstak van de Unie niet onderbood of schade berokkende, omdat die door zowel LCN als BASF werd ingevoerd en die invoer, wanneer die op de markt van de Unie werd verkocht (of intern werd gebruikt), tegen dezelfde prijzen (of kosten) zou worden verkocht (of verbruikt) als de productie in de Unie die op de markt van de Unie werd verkocht (of verbruikt). Zoals vastgesteld in punt 4.6.3.1 van deze verordening, werden de verkoopprijzen in de Unie echter sterk gedrukt en was deze prijsverlaging in feite een belangrijke oorzaak van de schade. Daarnaast onderbood de invoer uit de VS gemiddeld de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie. Daarom speelde de prijsonderbieding van de invoer uit de VS een belangrijke rol in het onderzoek naar de schade. |
|
(302) |
Sipchem en Will & Co voerden aan dat de invoer uit Saudi-Arabië de bedrijfstak van de Unie niet onderbood of schade berokkende, omdat die invoer de bedrijfstak van de Unie hielp zijn positie op de markt van de Unie te handhaven. Zoals vastgesteld in punt 4.6.3.1 van deze verordening, werden de verkoopprijzen in de Unie echter sterk gedrukt en was deze prijsverlaging in feite een belangrijke oorzaak van de schade. Daarnaast onderbood de invoer uit de VS gemiddeld de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie. Daarom speelde de prijsonderbieding van de invoer uit Saudi-Arabië een belangrijke rol in het onderzoek naar de schade. |
|
(303) |
Sipchem verstrekte ook gegevens over zijn uitvoer naar een niet-verbonden afnemer in de Unie in de periode na het onderzoektijdvak (2025). Sipchem stelde dat de omvang en de prijzen van deze uitvoer zijn standpunt staafden dat de verkoop in het onderzoektijdvak moest worden uitgesloten van de berekening van de uitvoerprijs voor de berekening van dumping en schade. Dat kwam omdat Sipchem op de markt van de Unie een prijsvolger was. Aangezien de invoer uit Saudi-Arabië voldoet aan de voorwaarden voor cumulatie, zou het echter niet passend of gerechtvaardigd zijn om de verkoop uit te sluiten van de berekening van de uitvoerprijs. Uit de onderstaande “conclusie over schade” volgt ook dat de invoer uit Saudi-Arabië een rol heeft gespeeld bij de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade. Bovendien mogen gegevens over de periode na het onderzoektijdvak niet in aanmerking worden genomen bij de analyse van dumping en schade. Het argument werd daarom afgewezen. |
4.6. Economische situatie van de bedrijfstak van de Unie
4.6.1. Algemene opmerkingen
|
(304) |
Overeenkomstig artikel 3, lid 5, van de basisverordening omvatte het onderzoek naar de gevolgen van de invoer met dumping voor de bedrijfstak van de Unie een beoordeling van alle economische indicatoren die tijdens de beoordelingsperiode van invloed waren op de situatie van de bedrijfstak van de Unie. |
|
(305) |
Zoals vermeld in overweging 33, werd voor de vaststelling van de mogelijke door de bedrijfstak van de Unie geleden schade gebruikgemaakt van een steekproef. |
|
(306) |
Voor de schadevaststelling maakte de Commissie onderscheid tussen macro-economische en micro-economische schade-indicatoren. De Commissie beoordeelde de macro-economische indicatoren op basis van gegevens uit de antwoorden van alle vier de producenten in de Unie op de vragenlijst. De Commissie beoordeelde de micro-economische indicatoren op basis van gegevens uit de antwoorden van de drie in de steekproef opgenomen producenten in de Unie op de vragenlijst. Beide gegevensreeksen bleken representatief te zijn voor de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie. |
|
(307) |
De macro-economische indicatoren zijn: productie, productiecapaciteit, bezettingsgraad, intern gebruik, verkoopvolume, marktaandeel, groei, werkgelegenheid, productiviteit en hoogte van de dumpingmarge. |
|
(308) |
De micro-economische indicatoren zijn: gemiddelde eenheidsprijzen, kosten per eenheid, loonkosten, voorraden, winstgevendheid, kasstroom, investeringen, rendement van investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken. |
4.6.2. Macro-economische indicatoren
4.6.2.1.
|
(309) |
De totale productie in de Unie, de productiecapaciteit en de bezettingsgraad in de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 5 Productie, productiecapaciteit, bezettingsgraad en aandeel van het interne gebruik
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(310) |
De productie in de Unie nam tijdens de beoordelingsperiode aanzienlijk af. In 2022 vond eerst een daling met 39 % ten opzichte van 2021 plaats, en vervolgens kwam er in 2023 een nieuwe daling met 68 % ten opzichte van de productiehoeveelheden van 2021. In vergelijking met 2023 herstelden de productiehoeveelheden zich in het OT, maar over het geheel genomen namen zij in de beoordelingsperiode af en lagen zij in het OT 45 % lager dan in 2021. Deze stijging van de productie in het OT ten opzichte van 2023 werd vooral opgetekend omdat de producenten in de Unie BDO moesten produceren voor intern gebruik en verkoop, ter compensatie van een tijdelijke beperking van de invoer van BDO in de Unie, zoals vermeld in overweging 293, en om bestaande verbintenissen jegens klanten en de reputatie in de Unie te handhaven. Bovendien konden de productieniveaus als gevolg van vaste en andere kosten in verband met de exploitatie van de faciliteiten door elke producent in de Unie slechts tot een bepaald minimumniveau worden verlaagd, zelfs als de producenten in de Unie het volume verder wilden verlagen wegens de lagere verkoopprijs en het lagere verkoopvolume. Deze daling van het verkoopvolume en de verkoopprijs was het gevolg van de concurrentie van de invoer met dumping. De prijzen van de invoer in de beoordelingsperiode lagen in 2023 en het OT aanzienlijk lager dan de productiekosten van de producenten in de Unie. |
|
(311) |
De productiecapaciteit bleef tijdens de beoordelingsperiode stabiel op ongeveer 470 000 ton. |
|
(312) |
De bezettingsgraad maakte daarom een ontwikkeling door die zeer vergelijkbaar was met die van het productievolume: eerst werd er in 2022 een daling tot 45 % opgetekend, en in 2023 alweer, tot 24 %, waarbij de bezettingsgraad in het OT toenam ten opzichte van 2023. De bezettingsgraad daalde in de beoordelingsperiode met 34 procentpunt, van 74 % in 2021 tot 40 % in het OT. |
|
(313) |
De daling van de productie was het gevolg van het feit dat de productiekosten in de Unie niet meer concurrerend waren in vergelijking met de zeer lage prijzen van de invoer met dumping. |
4.6.2.2.
|
(314) |
De verkoophoeveelheid en het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 6 Verkoophoeveelheid, intern gebruik en marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(315) |
Zoals in overweging 273 wordt uitgelegd, is uit het onderzoek gebleken dat op het moment dat de marktomstandigheden verslechterden het interne gebruik van de eigen productie werd vervangen door invoer, omdat de invoer een aanzienlijke prijsverlaging veroorzaakte en onder de productiekosten van de bedrijfstak van de Unie werd geprijsd. Gezien de marktomstandigheden die door de invoer met dumping werden gecreëerd, was het voor de producenten in de Unie daarom economisch niet haalbaar om op een zodanig niveau te blijven produceren, zelfs niet voor intern gebruik, zoals blijkt uit tabel 6. Aangezien het interne gebruik werd vervangen door invoer, heeft de Commissie in dit onderzoek het marktaandeel als percentage van de totale markt bekeken en eveneens als afzonderlijk percentage van de vrije markt en de markt voor intern gebruik. De Commissie analyseerde zowel de op de vrije markt verkochte productie als de verkochte productie plus het interne gebruik als percentage van de totale markt. Deze laatste indicator gaf de algemene marktpositie van de bedrijfstak van de Unie op de markt van de Unie in de beoordelingsperiode weer. |
|
(316) |
Voor de productiehoeveelheid van de bedrijfstak van de Unie die op de vrije markt werd verkocht, werd in 2022 een aanzienlijke daling opgetekend. In 2023 daalde deze opnieuw, tot 50 % van het niveau van 2021. Vervolgens herstelde deze zich in het OT tot op zekere hoogte, hoewel het niveau lager bleef dan in 2021. Het verkoopvolume van de bedrijfstak van de Unie in de Unie daalde met 9 % tijdens de beoordelingsperiode, van ongeveer 117 500 ton tot ongeveer 107 000 ton. |
|
(317) |
Voor de verkochte productiehoeveelheid van de bedrijfstak van de Unie plus het interne gebruik werd in 2022 ook een aanzienlijke daling opgetekend. In 2023 daalde deze opnieuw, tot 49 % van het niveau van 2021. Vervolgens herstelde deze zich in het OT tot op zekere hoogte, hoewel het niveau lager bleef dan in 2021. Het verkoopvolume van de bedrijfstak van de Unie plus het interne gebruik in de Unie daalde met 14 % tijdens de beoordelingsperiode, van ongeveer 382 000 ton tot 270 000 ton. |
|
(318) |
Het marktaandeel van de verkochte productie van de bedrijfstak van de Unie op de vrije markt van de Unie daalde in de beoordelingsperiode met 16 procentpunt. Eerst daalde het in 2022 met 25 procentpunt ten opzichte van 2021, en in 2023 met 35 procentpunt ten opzichte van 2021. Vervolgens steeg het met 19 procentpunt van 39 % in 2023 tot 58 % in het OT. Deze stijging was voornamelijk toe te schrijven aan een hogere productie en verkoop in het OT in vergelijking met 2023, zoals uiteengezet in overweging 310, in combinatie met een daling van het totale verbruik van BDO in de Unie. Het marktaandeel van het interne gebruik van de bedrijfstak van de Unie in het totale verbruik daalde in de beoordelingsperiode met 15 procentpunt. Eerst daalde het in 2022 met 5 procentpunt ten opzichte van 2021, en vervolgens in 2023 met 15 procentpunt ten opzichte van 2021, om tot het eind van het OT op dit niveau te blijven. |
|
(319) |
Vervolgens heeft de Commissie zowel de verkochte productie van de bedrijfstak van de Unie als het interne gebruik (cumulatief) als percentage van het totale verbruik in ogenschouw genomen en vastgesteld dat die algemene conclusie met betrekking tot het marktaandeel het duidelijkst onderbouwd was, aangezien deze beide economische activiteiten van de bedrijfstak van de Unie omvatte, namelijk de verkoop op de vrije markt door producenten en het interne gebruik van BDO. Volgens deze maatstaf daalde het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie ten opzichte van 2021 in 2022 met 12 procentpunt en in 2023 met 22 procentpunt. Het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie daalde op basis hiervan in de beoordelingsperiode met 12 procentpunt, namelijk van 90 % in 2021 tot 78 % in het OT. |
|
(320) |
In tijden van slinkende marktprijzen is de productie in de Unie in hoge mate vervangen door invoer die voornamelijk afkomstig was uit de betrokken landen. Daarom was de Commissie van oordeel dat het werkelijke effect van de toename van de invoer op de markt van de Unie alleen kon worden beoordeeld door de verkoop op de vrije markt samen met het interne gebruik te onderzoeken. |
4.6.2.3.
|
(321) |
Gelet op de algemene daling van het marktaandeel zoals in overweging 318 werd geschetst, heeft de bedrijfstak van de Unie in de beoordelingsperiode geen groei laten zien, maar was zijn positie op de markt van de Unie in het onderzoektijdvak in feite slechter dan in 2021. |
4.6.2.4.
|
(322) |
De werkgelegenheid en de productiviteit hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 7 Werkgelegenheid en productiviteit
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(323) |
Het aantal werknemers bleef tijdens de beoordelingsperiode stabiel, met in totaal een daling van 1 %. De producenten in de Unie behielden een minimaal aantal werknemers om de productievoorzieningen op een efficiënte en veilige manier te kunnen blijven exploiteren. Het aantal werknemers verschilde niet naargelang het productieniveau. |
|
(324) |
Een aanzienlijke daling van de productie in combinatie met een stabiel aantal werknemers betekende echter dat de productiviteit van de producenten in de Unie in de beoordelingsperiode aanzienlijk daalde, namelijk met 45 %, van 681 ton per werknemer in 2021 tot 376 ton per werknemer in het OT. |
4.6.2.5.
|
(325) |
Alle dumpingmarges lagen aanzienlijk boven de de-minimisdrempel. De gevolgen van de hoogte van de werkelijke dumpingmarges voor de bedrijfstak van de Unie waren aanzienlijk, gezien de omvang en de prijzen van de invoer uit de betrokken landen. |
|
(326) |
Dit is het eerste antidumpingonderzoek ten aanzien van het betrokken product. Daarom waren er geen gegevens beschikbaar om de gevolgen van mogelijke dumping in het verleden vast te stellen. |
4.6.3. Micro-economische indicatoren
|
(327) |
De micro-economische indicatoren van de bedrijfstak van de Unie werden ontleend aan de gecontroleerde antwoorden op de vragenlijst van de drie in de steekproef opgenomen producenten in de Unie. Afhankelijk van de mate van verticale integratie waren de micro-economische indicatoren echter grotendeels afkomstig van slechts twee producenten. Aangezien de bekendmaking van de werkelijke cijfers de onthulling van gevoelige gegevens van de desbetreffende producenten van de bedrijfstak van de Unie zou betekenen, heeft de Commissie in dit deel van de schadebeoordeling ter bescherming van de vertrouwelijkheid orden van grootte en indices gebruikt. |
4.6.3.1.
|
(328) |
De gewogen gemiddelde verkoopprijzen per eenheid van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie voor verkoop aan niet-verbonden afnemers in de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 8 Verkoopprijzen en productiekosten in de Unie
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(329) |
Eerst stegen de verkoopprijzen van de producenten in de Unie op de vrije markt in 2022, met 36 % ten opzichte van 2021. De verkoopprijs daalde vervolgens in 2023 echter aanzienlijk, van 3 000-3 900 EUR per ton in 2022 naar 1 400-1 800 EUR per ton in 2023. Tijdens de beoordelingsperiode daalden de verkoopprijzen van de producenten in de Unie aanzienlijk, met 52 %. In 2022 konden de producenten in de Unie de hogere productiekosten doorberekenen, maar in 2023 en in het OT was dat niet mogelijk als gevolg van de toegenomen concurrentie in de Unie van veel meer invoer met dumping tegen steeds lagere prijzen. |
|
(330) |
De verkoopprijzen op de BDO-markt van de Unie worden gedomineerd door raamcontracten waarin overeengekomen hoeveelheden worden vastgesteld, en waarbij de prijzen doorgaans maandelijks werden geactualiseerd op basis van ICIS-gegevens. De maandelijkse ICIS-gegevens waren voor zowel de Chinese markt als de markt van de Unie beschikbaar. Tijdens de beoordelingsperiode werden de verkoopprijzen in de Unie beïnvloed door: i) de toenemende concurrentie van invoer met dumping, zowel in de vorm van grotere hoeveelheden als van lagere prijzen; ii) de voortdurende verlaging van de ICIS-prijzen van BDO. De ICIS-prijzen in de Unie werden op hun beurt beïnvloed door de prijzen van de invoer met dumping uit de betrokken landen. Met name in het geval van de VRC wordt in het land een aanzienlijke toename van nieuwe productiecapaciteit en reservecapaciteit voor BDO waargenomen, waarvoor de geïnstalleerde capaciteit volgens ramingen van de producenten in de Unie in het OT ten minste negen keer die van de Unie heeft bereikt en veruit de grootste geïnstalleerde capaciteit ter wereld is. Dankzij deze aanzienlijke geïnstalleerde capaciteit en reservecapaciteit kon de VRC een referentie vormen voor en invloed hebben op de mondiale prijzen van BDO, zoals die in de Unie, wat heeft geleid tot een sterk verband tussen de ICIS-prijzen van BDO in de VRC en de ICIS-prijs van BDO in Europa of de verkoopprijzen in de Unie. Bovendien werden de verkoopprijzen in de Unie ook direct beïnvloed door de ICIS-prijzen van BDO in de VRC, aangezien deze soms rechtstreeks werden gebruikt in de verkoopcontracten voor grote afnemers in de Unie. |
|
(331) |
Daarom waren de invoer met dumping en de ICIS-prijzen op de Chinese markt prijszetter op de markt van de Unie, en moesten de prijzen van zowel de bedrijfstak van de Unie als de invoer uit alle andere landen met deze prijs concurreren. |
|
(332) |
De kosten van de verkochte productie van de producenten in de Unie stegen in 2022 aanzienlijk, met 71 % ten opzichte van 2021, voornamelijk als gevolg van een stijging van de kosten van grondstoffen (bijvoorbeeld aardgas, nafta, waterstof of stoom) en de elektriciteitsprijzen. De productiekosten daalden vervolgens van [2 800-3 400] EUR per ton in 2022 tot [2 600-3 100] EUR per ton in 2023, maar bleven 58 % hoger dan in 2021. In het OT daalden de productiekosten aanzienlijk ten opzichte van 2023, tot [1 900-2 400] EUR per ton. Deze verandering vloeide voornamelijk voort uit een daling van de grondstofkosten en de elektriciteitsprijzen. Over het algemeen bekeken stegen de productiekosten in de beoordelingsperiode echter met 21 %, aangezien de producenten in de Unie niet alleen te maken hadden met de ontwikkeling van de grondstof- en energieprijzen, maar ook met hogere vaste kosten per eenheid als gevolg van de aanzienlijk lagere productieniveaus. |
|
(333) |
Daarom lagen de productiekosten van de producenten in de Unie hoger dan de verkoopprijs van de producenten in de Unie voor 2023 en het OT. De producenten in de Unie ondervonden een prijsverlaging naar aanleiding van de verlaging van de verkoopprijzen tot het niveau van de invoer met dumping, ten koste van de verkoop van het onderzochte product tegen prijzen die lager waren dan de productiekosten, met name in 2023 en het OT. |
|
(334) |
De Commissie heeft de verkoopprijzen en kosten van de bedrijfstak van de Unie (zoals weergegeven in tabel 8) geanalyseerd, samen met zijn winstgevendheid (tabel 11) en de invoerprijzen en hoeveelheden van de gecumuleerde invoer (tabellen 2 en 3). Het was duidelijk dat de prijzen op de markt van de Unie in 2023 en het onderzoektijdvak een zeer sterke neerwaartse druk ondervonden. In 2022 werden de hogere kosten van de bedrijfstak van de Unie (in vergelijking met 2021) doorberekend aan de afnemers, maar in 2023 en het OT was het als gevolg van de prijsdruk van de toenemende hoeveelheden invoer met dumping tegen lage en dalende prijzen niet langer mogelijk om de kosten terug te verdienen. |
4.6.3.2.
|
(335) |
De gemiddelde loonkosten van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 9 Gemiddelde loonkosten per werknemer
|
||||||||||||||||||||||
|
(336) |
De gemiddelde kosten per werknemer stegen tijdens de beoordelingsperiode licht, met 2 %, aangezien het aantal werknemers stabiel bleef om de productievoorzieningen operationeel te houden, en de lonen en andere personeelskosten stegen tijdens de beoordelingsperiode licht, van ongeveer 100 000 EUR tot 120 000 EUR. |
|
(337) |
De loonkosten bedroegen tijdens het OT ongeveer (7-15 %) van de totale productiekosten zoals vermeld in tabel 8. |
4.6.3.3.
|
(338) |
De voorraden van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 10 Voorraden
|
|||||||||||||||||||||||||||
|
(339) |
De eindvoorraad in ton steeg in de beoordelingsperiode met 50 %, van ongeveer 7 000-10 000 ton in 2021 tot 11 000-15 000 ton in het OT. Over het geheel genomen nam de eindvoorraad in de beoordelingsperiode in vergelijking met de productievolumes toe van 3 % in 2021 naar 6 % in 2023 en vervolgens naar 7 % in het OT. |
|
(340) |
Het is echter duur om de chemische stof BDO veilig op te slaan en de stof moet worden opgeslagen in speciale tanks die op temperatuur worden gehouden. Daarom was de bedrijfstak van de Unie meer geneigd om de productievolumes onder controle te houden dan de voorraden, die beperkt zijn in de Unie, te verhogen/verlagen. Om die reden was de Commissie niet van mening dat de toename van de eindvoorraden een belangrijke indicator voor schade was. |
4.6.3.4.
|
(341) |
De winstgevendheid, de kasstroom, de investeringen en het rendement van de investeringen van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 11 Winstgevendheid, kasstroom, investeringen en rendement van investeringen
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(342) |
De Commissie heeft de winstgevendheid van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie vastgesteld door de nettowinst vóór belastingen op de verkoop van het soortgelijke product aan niet-verbonden afnemers in de Unie uit te drukken als een percentage van de aldus gerealiseerde omzet. In 2021 en 2022 slaagden de producenten in de Unie erin winstgevend te zijn, aangezien de producenten in de Unie minder concurrentie ondervonden van de invoer met dumping en de hogere productiekosten aan hun afnemers konden doorberekenen. In 2023 lag de winstgevendheid echter op (–70 % tot –30 %) en daalde vervolgens naar (–90 % tot –50 %) tijdens het OT. Ondanks lagere productiekosten voor de producenten in de Unie dan in 2022 en een stabilisatie van de kosten voor elektriciteit en grondstoffen in de Unie in 2023 en het OT, bleven de verkoopprijzen in de Unie verder dalen als gevolg van de prijsdruk door de toenemende hoeveelheden invoer met dumping, met aanzienlijk lagere prijzen dan in 2022, wat leidde tot een prijsverlaging. Ter herinnering: de gemiddelde prijzen van de invoer met dumping uit de betrokken landen daalden in de beoordelingsperiode met 50 %, zoals weergegeven in tabel 4 en toegelicht in overweging 297. De verkoopprijzen van de producenten in de Unie werden daardoor gedrukt en de producenten in de Unie konden het onderzochte product alleen met een zeer negatieve winst verkopen, aangezien de verkoopprijs in de Unie in 2023 en het OT onder de productiekosten zakte. |
|
(343) |
De kasstroom volgde de lagere verkoop en de negatieve winstgevendheid van 2023 en het OT, hetgeen resulteerde in een kasstroom van ongeveer (–100 tot –50) miljard EUR in het OT ten opzichte van een positieve kasstroom van (100 tot 200) miljard EUR in 2021. |
|
(344) |
De investeringen waren tijdens de beoordelingsperiode aan schommelingen onderhevig. De bedrijfstak van de Unie lichtte toe dat de investeringen periodiek (om de vier tot vijf jaar) werden gepland met een vast bedrag per producent. Daarom varieerden de totale investeringen tijdens de beoordelingsperiode merkbaar per jaar, afhankelijk van het tijdstip van de herstructureringsinvesteringen. De investeringen in de beoordelingsperiode hadden voornamelijk betrekking op de minimaal benodigde investeringen om de bestaande productieniveaus in overeenstemming te houden met de geldende veiligheids- en milieunormen. De investeringen stegen in 2022 met 32 % en daalden vervolgens in 2023 aanzienlijk tot 50 % ten opzichte van 2021. In het OT lagen de investeringen met –7 % iets lager dan in 2011. |
|
(345) |
Het rendement van de investeringen van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie is de winst uitgedrukt als percentage van de nettoboekwaarde van de investeringen en volgde dezelfde ontwikkeling als de winstgevendheid, met een positief rendement van de investeringen in 2021 en 2022. Daarop volgden echter aanzienlijke verliezen in 2023 en in het OT. |
|
(346) |
Het vermogen van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie om kapitaal aan te trekken was in 2023 en het OT beperkt, omdat als gevolg van de aanzienlijke uitstroom van kasmiddelen wegens de zeer negatieve winstgevendheid er slechts een minimum aan kapitaaluitgaven werd geïnvesteerd om de minimale veilige omstandigheden te behouden om BDO te produceren en de voorzieningen draaiende te houden. Daarnaast hebben de producenten in de Unie hun herstructureringsplannen verlengd of overwogen om voorzieningen te sluiten vanwege de zeer negatieve winstgevendheid die eerder is toegelicht. |
4.7. Conclusie over schade
|
(347) |
Uit het onderzoek is gebleken dat de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade heeft geleden, aangezien alle prestatie-indicatoren met betrekking tot schade sterk negatieve ontwikkelingen vertoonden, met name in 2023 en het OT. Uit de eerdere jaren van de beoordelingsperiode (2021 en 2022) bleek wat de bedrijfstak van de Unie bij normalere concurrentievoorwaarden kan bereiken, zelfs in tijden met hoge kosten voor grondstoffen of energie. De producenten in de Unie moesten hun productie echter drastisch tot een minimumniveau verlagen, aangezien de productie in 2023 en de beoordelingsperiode niet meer concurrerend was als gevolg van de toenemende invoer met dumping uit de betrokken landen. In 2023 en het OT leidde de prijsverlaging tot ernstige schade, toen de bedrijfstak van de Unie het prijsniveau niet zodanig kon bepalen dat de productiekosten konden worden terugverdiend, noch dat er winst kon worden gemaakt. Het verlies van de producenten in de Unie bedroeg tussen 30 % en 70 % van de omzet in 2023 en tussen 50 % en 90 % in het onderzoektijdvak, zoals wordt weergegeven in tabel 11. |
|
(348) |
De producenten in de Unie hebben deze periode van groot verlies alleen overleefd omdat zij in 2021 en 2022 winst hadden gemaakt en omdat de ondernemingen deel uitmaken van grote groepen. De toenemende invoer met dumping en de steeds lagere prijzen ervoor verhinderden passende prijsstijgingen en hadden nadelige gevolgen voor de productie- en verkoophoeveelheden van BDO. Door deze situatie konden de producenten in de Unie hun vaste productiekosten niet verlagen, hetgeen gebeurd zou zijn bij normalere gebruiksniveaus, noch konden zij de prijzen tot een houdbaar niveau verhogen. In 2023 en het onderzoektijdvak stonden de prijzen en kosten van de producenten in de Unie namelijk zodanig los van elkaar en was het verlies van de producenten in de Unie zo hoog dat de situatie van de bedrijfstak voor BDO dermate ernstig werd dat zijn voortbestaan op korte termijn serieus werd bedreigd. In 2023 stegen de invoervolumes uit deze landen met 51 % en daalden de prijzen met 48 % ten opzichte van het niveau van 2022. In het onderzoektijdvak namen de invoervolumes met 15 % af, maar daalden de prijzen met nog eens 36 % ten opzichte van het niveau van 2023. Deze cijfers zijn opgenomen in de tabellen 2 en 3. |
|
(349) |
In de overwegingen 330 tot en met 333 wordt uitleg gegeven bij de duidelijke prijsverlaging als gevolg van de invoer met dumping in de Unie. Deze prijsverlaging en de verliezen in 2023 en het OT hebben ook geleid tot ernstige schade die blijkt uit andere prestatie-indicatoren zoals de kasstroom en het rendement van de investeringen (zoals weergegeven in tabel 11) en het vermogen om kapitaal aan te trekken. Ondanks het behoud van investeringen om aan de veiligheids- en milieueisen te voldoen, bevond de bedrijfstak van de Unie zich in het OT duidelijk in een veel slechtere situatie, waardoor zijn vermogen om kapitaal aan te trekken was afgenomen. De verslechtering van de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie in 2023 en het OT vond plaats ondanks een stijging met 8 % van het verbruik van BDO in de Unie vanaf 2022. |
|
(350) |
In tabel 6 wordt de ontwikkeling van het marktaandeel in dit onderzoek weergegeven. Een vergelijking van de verkoop door de bedrijfstak van de Unie op de vrije markt plus het interne gebruik met het totale verbruik geeft de beste indicatie van de positie van de bedrijfstak van de Unie op de totale markt. Volgens deze maatstaf daalde het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie tijdens de beoordelingsperiode. In het OT herstelde het marktaandeel zich echter gedeeltelijk omdat de bedrijfstak van de Unie de productie verhoogde als gevolg van een afgenomen invoer wegens de crisis in de Rode Zee. In de periode van 2022 tot aan het onderzoektijdvak beschermde de bedrijfstak van de Unie de bestaande verkoopcontracten en zijn reputatie en positie op de markt van de Unie. Deze stijging van de productie en de verkoop veroorzaakte echter ernstige verliezen als gevolg van de prijsverlaging, waardoor de bedrijfstak van de Unie, zoals hierboven uiteengezet, gedwongen werd met verlies te verkopen. |
|
(351) |
Alle producenten in de Unie verhoogden als gevolg van de aanzienlijke verlagingen van de productie in de beoordelingsperiode de invoer van BDO om aan belangrijke afnemers te kunnen blijven leveren en in hun interne behoeften te kunnen voorzien. De praktijk om productie te vervangen door invoer vond ook plaats in 2022, toen de kosten voor grondstoffen en energie omhoog schoten, zoals blijkt uit de productiekosten in tabel 8. De verkoopprijzen van BDO lagen in 2022 echter niet zo laag en in 2023 nam de invoer met dumping sterk toe. Daarom heeft zich vanaf 2023 aanmerkelijke schade voorgedaan, zoals blijkt uit de prestatie-indicatoren voor 2023 en het OT, die in hoge mate wezen op schade. |
|
(352) |
Hoewel de schade in dit onderzoek vrij duidelijk zichtbaar was aan de hand van prijs- en prestatie-indicatoren, ging de bedrijfstak van de Unie ook gebukt onder een aanzienlijke daling en schade met betrekking tot de volume-indicatoren. Het productievolume, de bezettingsgraad, de productiviteit, het interne gebruik en de verkoop op de markt van de Unie daalden tijdens de beoordelingsperiode namelijk aanzienlijk. |
|
(353) |
De indicatoren voor de werkgelegenheid, loonkosten en capaciteit bleven in de beoordelingsperiode stabiel, waaruit blijkt dat de bedrijfstak klaar is voor een opleving van de marktomstandigheden. De indicator inzake voorraden werd bij de schadebeoordeling niet als doorslaggevend beschouwd, zoals uiteengezet in overweging 344. |
|
(354) |
Op basis van het bovenstaande is de Commissie in dit stadium tot de conclusie gekomen dat de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade heeft geleden in de zin van artikel 3, lid 5, van de basisverordening. |
5. OORZAKELIJK VERBAND
|
(355) |
Overeenkomstig artikel 3, lid 6, van de basisverordening heeft de Commissie onderzocht of de bedrijfstak van de Unie door de invoer met dumping uit de betrokken landen aanmerkelijke schade heeft geleden. Overeenkomstig artikel 3, lid 7, van de basisverordening heeft de Commissie ook onderzocht of de bedrijfstak van de Unie in dezelfde periode door andere bekende factoren aanmerkelijke schade had kunnen lijden. De Commissie heeft zich ervan verzekerd dat eventuele schade die werd veroorzaakt door andere factoren dan de invoer met dumping uit de betrokken landen, niet aan de invoer met dumping werd toegeschreven. Deze factoren zijn: invoer uit derde landen, de uitvoerprestatie van de bedrijfstak van de Unie, de gevolgen van het verbruik, het interne gebruik, de invoer door de bedrijfstak van de Unie en de toegenomen kosten voor grondstoffen en energie. |
5.1. Gevolgen van de invoer met dumping
|
(356) |
Zoals te zien in tabel 3 nam het volume van de invoer met dumping uit de betrokken landen toe van ongeveer 49 000 ton in 2018 tot ongeveer 89 000 ton in het onderzoektijdvak, een toename met 82 %. Wat het marktaandeel (van de totale markt) betreft, steeg dit aandeel gedurende dezelfde periode van 12 % naar 26 %, een stijging van 123 %. Gelet op het feit dat in de conclusie over schade werd vastgesteld dat in 2023 en het onderzoektijdvak aanmerkelijke schade werd geleden, heeft de Commissie ook de ontwikkeling van de invoer in deze twee jaren geanalyseerd, waarbij de invoer uit de betrokken landen van 2022 tot het onderzoektijdvak met ongeveer 20 000 ton toenam, hetgeen een stijging van 29 % betekent. Wat het marktaandeel (van de totale markt) betreft, bedroeg de stijging van 2022 tot het onderzoektijdvak ongeveer 4 procentpunt of ongeveer 20 %. |
|
(357) |
Van 2021 tot het onderzoektijdvak daalde de verkoophoeveelheid door de bedrijfstak van de Unie op de vrije markt plus het interne gebruik met 29 %, zoals blijkt uit tabel 6. Het totale marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie lag lager in 2023 en het OT en daalde tot ongeveer 78 % en 68 % respectievelijk, in vergelijking met 90 % in het OT. |
|
(358) |
Zoals uiteengezet in de overwegingen 347 en 349 leidde de invoer uit de betrokken landen tot een prijsverlaging voor de bedrijfstak van de Unie, die in 2023 en het onderzoektijdvak werd versneld. In deze periode waren de producenten in de Unie niet langer in staat hun prijzen zodanig aan te passen dat zij hun kosten konden dekken en daaruit kwamen aanzienlijke verliezen in het OT voort. Deze ernstige en onhoudbare situatie trad zowel in 2023 als in het OT op. |
|
(359) |
In aanvulling daarop werd voor het onderzoektijdvak een analyse van de prijsonderbieding per productsoort uitgevoerd. Hieruit bleek dat er een sterke concurrentie bestond tussen de bedrijfstak van de Unie en de invoer uit de betrokken landen. |
|
(360) |
De verkoopprijzen in de Unie werden beïnvloed door de toegenomen concurrentie met de invoer met dumping, zowel wat de toegenomen volumes met dumping als de lagere prijzen betreft. Dit was mogelijk vanwege de aard van de BDO-markt, waar in het leeuwendeel van de verkoopcontracten ICIS-prijzen van BDO als benchmark werden gebruikt. De ICIS-prijzen in de VRC vormen een referentie voor de mondiale prijzen van BDO en hadden invloed op de mondiale prijzen van BDO, onder meer in de Unie, zoals uiteengezet in overweging 330. Daarnaast was de invoer op de markt van de VS sterk gedaald als gevolg van de hogere invoerrechten op grond van verschillende wijzigingen in de Amerikaanse wetgeving. De invoer in de Unie uit Saudi-Arabië nam toe vanwege de beperkte toegang tot de markt van de VS en vanwege de penetratie van de invoer uit de VRC op andere traditionele Saudi-Arabische uitvoermarkten (zoals Azië). |
|
(361) |
Tot slot werd, zoals hierboven toegelicht, de druk op de bedrijfstak van de Unie gedurende het onderzoektijdvak tijdelijk verlicht door leveringsproblemen voor de producenten-exporteurs. Dit stelde de bedrijfstak van de Unie in staat om de productie- en verkoophoeveelheden te verhogen, maar die verkoop was nog steeds zeer onrendabel als gevolg van de prijsdruk door de invoer. |
|
(362) |
Daarom werd de bedrijfstak van de Unie ertoe gedwongen te proberen zijn positie op de vrije markt en de markt voor intern gebruik van de Unie te handhaven door de prijzen te verlagen tot onhoudbare niveaus en met zware verliezen. Het enige realistische alternatief hiervoor was de markt van de Unie te verlaten en over te laten aan de invoer met dumping. |
|
(363) |
Op basis van het bovenstaande is de Commissie tot de conclusie gekomen dat de invoer met dumping uit de betrokken landen aanmerkelijke schade aan de bedrijfstak van de Unie heeft toegebracht. |
5.2. Gevolgen van andere factoren
5.2.1. Invoer uit derde landen
|
(364) |
De hoeveelheid, de gemiddelde prijs en het marktaandeel van de invoer uit derde landen heeft zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld. Het marktaandeel is uitgedrukt als een percentage van de totale markt van de Unie. Tabel 12 Invoer uit derde landen
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(365) |
De invoervolumes uit Taiwan namen in 2022 met meer dan 400 % toe, maar namen vervolgens in 2023 en het onderzoektijdvak af. Qua omvang stegen zij van ongeveer 3 500 ton in 2021 naar 6 800 ton in het onderzoektijdvak. Het marktaandeel van deze invoer (als % van het totale verbruik) bedroeg in 2022 6,1 %, maar daalde in het onderzoektijdvak weer naar 2 %. De gemiddelde prijs van de invoer uit Taiwan schommelde op vergelijkbare wijze en lag op een vergelijkbaar niveau als die van de invoer uit de betrokken landen. Het marktaandeel ervan daalde tijdens het onderzoektijdvak naar 2 %. |
|
(366) |
De invoervolumes uit andere derde landen (in het onderzoektijdvak voornamelijk Zuid-Korea) daalden van ongeveer 2 000 ton in 2021 naar 1 700 ton in het onderzoektijdvak. Het marktaandeel van deze invoer (als % van het totale verbruik) bedroeg altijd minder dan 1 %. De gemiddelde prijs van de invoer uit derde landen schommelde op vergelijkbare wijze en lag op een vergelijkbaar niveau als die van de invoer uit de betrokken landen. |
|
(367) |
Rekening houdend met het feit dat de invoer uit Taiwan en andere derde landen een laag marktaandeel en iets hogere prijzen had dan de invoer uit de betrokken landen, concludeerde de Commissie dat deze invoer het oorzakelijk verband met betrekking tot de invoer uit de betrokken landen niet afzwakte. |
5.2.2. Uitvoerprestatie van de bedrijfstak van de Unie
|
(368) |
Het volume van de uitvoer van de producenten in de Unie heeft zich in de beoordelingsperiode zoals weergegeven in tabel 13 ontwikkeld. In tabel 13 wordt ook de gemiddelde prijs van de uitvoer naar niet-verbonden partijen van de in de steekproef opgenomen bedrijfstak van de Unie getoond. Tabel 13 Uitvoerprestaties van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(369) |
De uitvoer van de bedrijfstak van de Unie is in de beoordelingsperiode met 84 % gedaald. De uitvoer vertegenwoordigde in 2021 ongeveer 10 % van de verkoop van de bedrijfstak van de Unie (met inbegrip van intern gebruik), maar dit daalde in het onderzoektijdvak naar ongeveer 1 %. |
|
(370) |
Zoals weergegeven in tabel 8 schommelden de verkoopprijzen van deze uitvoer overeenkomstig de verkoop ervan op de markt van de Unie, d.w.z. als gevolg van de invloed van de invoer op die markten en de grondstofprijzen. Het is duidelijk dat de uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Unie in de analyseperiode zijn verslechterd. Aangezien de bedrijfstak van de Unie echter geen belangrijke leverancier van de uitvoermarkten was, werden de verslechterende uitvoerprestaties bij de algemene beoordeling van de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie niet als een belangrijke factor beschouwd. |
|
(371) |
De Commissie kwam derhalve tot de conclusie dat de uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Unie geen aanmerkelijke schade berokkenden aan de bedrijfstak van de Unie, noch het oorzakelijke verband met betrekking tot de invoer uit de betrokken landen afzwakten. |
5.2.3. Gestegen kosten voor grondstoffen en energie
|
(372) |
De in de steekproef opgenomen producenten in de Unie hadden verschillende productietechnologieën waarbij verschillende grondstoffen werden gebruikt. De kosten voor de belangrijkste grondstoffen en voor energie volgden echter een soortgelijke ontwikkeling en voor de drie in de steekproef opgenomen producenten waren de kosten voor grondstoffen en energie goed voor meer dan 50 % van hun totale productiekosten. |
|
(373) |
Zoals blijkt uit tabel 8 stegen de kosten in 2022 met 94 %, daalden zij vervolgens in 2023 (met 19 %) en daalden zij in het onderzoektijdvak opnieuw (met nog eens 29 %). Ondanks de daling van de kosten in 2023 en het onderzoektijdvak lagen de kosten in het onderzoektijdvak nog steeds 13 % hoger dan in 2021. |
|
(374) |
Gelet op de kosten voor grondstoffen en energie was het duidelijk dat de ontwikkeling van de kosten tijdens de beoordelingsperiode een belangrijke rol had gespeeld in de bedrijfstak voor BDO. Uit tabel 8 blijkt echter dat de bedrijfstak van de Unie, toen de kosten in 2022 het hoogst waren, niettemin in staat was deze gestegen kosten aan zijn afnemers door te berekenen. Vanaf 2023 kon de bedrijfstak echter, ondanks de lagere kosten voor grondstoffen en elektriciteit, zijn producten niet op een winstgevend niveau of boven de productiekosten verkopen. Dit was te wijten aan de prijsdruk als gevolg van de toenemende invoervolumes, waardoor de kosten en de prijzen in de Unie los van elkaar kwamen te staan. |
|
(375) |
Bovendien stegen de vaste kosten per eenheid fors als gevolg van de lagere productie in de Unie doordat de verkoop in de Unie lager lag naar aanleiding van de oneerlijke concurrentie van de invoer met dumping. Dit heeft ook bijgedragen tot hogere productiekosten per eenheid voor de bedrijfstak van de Unie en leidde bijvoorbeeld tot een verhoging van de kosten per eenheid voor energie, water of andere vaste kosten. Bovendien hadden de energiekosten doorgaans een aanzienlijke vaste component die door de producenten in de Unie over hoge productieniveaus moest worden gespreid en dit was niet mogelijk als gevolg van de lagere verkoop naar aanleiding van de prijsdruk van de invoer met dumping. |
|
(376) |
Celanese voerde aan dat er tussen 2020 en 2022 sprake was van een sterke stijging van de mondiale prijzen van BDO als gevolg van de nasleep van de COVID-19-crisis en van een tekort aan BDO in combinatie met een energiecrisis. Vanaf 2023 stabiliseerden de markten voor BDO echter en een prijsdaling is daarentegen eerder een teken van normalisering dan van schade. Celanese voerde daarom aan dat het veeleer de hoge energiekosten en inflatie zijn die uitdagingen inhouden voor de bedrijfstak van de Unie, en niet de invoer met dumping uit de betrokken landen. De Commissie betwistte dit standpunt echter, ten eerste omdat de energieprijzen voor BDO in de Unie tijdens de beoordelingsperiode weliswaar zijn gedaald, maar de prijs van de invoer met dumping nog sterker is gedaald en de bedrijfstak van de Unie niet in staat heeft gesteld te verkopen tegen prijzen die hoger lagen dan zijn productiekosten. Ten tweede lijkt er in de beoordelingsperiode geen wereldwijd tekort aan BDO te zijn geweest, maar lijkt er eerder sprake te zijn van een algemeen erkende aanzienlijke capaciteitsverhoging, met een omvang die een veelvoud van de wereldwijde vraag naar BDO in de beoordelingsperiode bedroeg, hetgeen leidde tot aanzienlijke overcapaciteit en de verlaging van de prijzen van BDO. Ten derde worden de productiekosten ook beïnvloed door de vaste productiekosten waarbij de Unie in de beoordelingsperiode gebukt ging onder een toenemende invoer met dumping uit de betrokken landen, waardoor de bedrijfstak de verkoop en dus de productievolumes niet kon verhogen, hetgeen heeft geleid tot verdere productiekosten per BDO-eenheid, ongeacht de grondstofkosten. Tot slot hebben de toegenomen volumes en de prijsdalingen van de invoer met dumping uit de betrokken landen de prijzen van BDO in 2023 en het OT zodanig gedrukt dat de productie van BDO in de Unie zelfs op korte termijn niet houdbaar is, ondanks de aanzienlijk lagere productiekosten voor elektriciteit, aardgas en andere grondstoffen in vergelijking met 2022. |
|
(377) |
Met betrekking tot de kosten merkten verschillende belanghebbenden ook op dat de bedrijfstak van de Unie vanwege zijn hoge kosten eenvoudigweg niet concurrerend genoeg was. Dit argument werd ook van de hand gewezen omdat de bedrijfstak in 2021 en 2022 winstgevend was. Bovendien waren de aangevoerde hoge kosten niet de oorzaak van de schade in 2023 en het onderzoektijdvak, aangezien die kosten in die periode daalden. |
|
(378) |
De Commissie heeft geconcludeerd dat de stijging van de kosten voor grondstoffen en energie de context vormde voor de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade. De onderliggende oorzaak van de schade was echter de stijging van de invoervolumes met dumping uit de betrokken landen, waardoor de prijzen van BDO werden gedrukt tot niveaus die het voor de bedrijfstak van de Unie onmogelijk maakten zijn kosten terug te verdienen en resulteerden in een stijging van de productiekosten per eenheid van de Unie door lagere verkoop- en productieniveaus. |
|
(379) |
Daarom heeft de Commissie geconcludeerd dat de stijging van de kosten voor grondstoffen en energie de bedrijfstak van de Unie geen schade heeft berokkend. |
5.2.4. Invoer door de producenten in de Unie
|
(380) |
Alle producenten in de Unie voerden aanzienlijke hoeveelheden BDO uit de betrokken landen in. Verschillende belanghebbenden merkten op dat dit een oorzaak was van de door de producenten in de Unie geleden schade. De Commissie heeft daarom beoordeeld waarom deze invoer plaatsvond aangezien alle producenten in de Unie over reservecapaciteit in de Unie beschikten en deze hoeveelheden dus zelf hadden kunnen produceren. |
|
(381) |
De producenten in de Unie merkten op dat, onder normale mededingingsvoorwaarden, de invoer uit de betrokken landen zou plaatsvinden om productieproblemen op de korte termijn met betrekking tot de geïnstalleerde capaciteit op te lossen. Het is niet kosteneffectief om grote hoeveelheden BDO op te slaan, omdat deze opslag moet gebeuren in grote tanks die op temperatuur moeten worden gehouden, wat betekent dat leveringen aan afnemers gewoonlijk kort na de productie plaatsvinden. Het productieniveau zou derhalve worden aangepast om te kunnen voorzien in de behoeften van industriële gebruikers en de interne behoefte. |
|
(382) |
In 2023 en het onderzoektijdvak nam de invoer door de bedrijfstak van de Unie echter toe omdat de prijzen van BDO op de markt van de Unie werden gedrukt door de invoer met dumping en de kosten van de bedrijfstak van de Unie, die weliswaar daalden ten opzichte van het niveau van 2022, boven het gedrukte prijsniveau in de Unie lagen. |
|
(383) |
De invoer vond ook plaats om eventuele productieproblemen of stilleggingen voor onderhoud tijdens de beoordelingsperiode op te vangen, om zo de contracten met afnemers te kunnen blijven naleven of downstreamproducten te kunnen blijven produceren naar aanleiding van de lage voorraadcapaciteit in de Unie. |
|
(384) |
Daarom was de invoer door de bedrijfstak van de Unie een verdedigingsmaatregel op korte termijn teneinde de positie en reputatie van de bedrijfstak op de markt van de Unie te behouden door betrouwbare leveringen te voorzien voor de industriële gebruikers en tegelijkertijd de productie voor intern gebruik voort te zetten. |
|
(385) |
Daarom heeft de Commissie geconcludeerd dat de invoer door de bedrijfstak van de Unie in 2023 en het onderzoektijdvak eerder een symptoom van de door de invoer met dumping veroorzaakte schade was dan een oorzaak van de schade op zich. |
5.2.5. Ontwikkelingen in het verbruik
|
(386) |
De Commissie heeft het effect van het verbruik in de Unie beoordeeld door het interne gebruik en de verkoop op de vrije markt te onderzoeken en de ontwikkelingen met betrekking tot het totale verbruik te beoordelen aan de hand van de gegevens in tabel 2. |
|
(387) |
Het interne gebruik is in de beoordelingsperiode afgenomen met 38 %. Deze daling vond grotendeels plaats in 2022, met ongeveer 81 000 ton of 31 %. Van 2022 tot het einde van het onderzoektijdvak daalde het interne gebruik met ongeveer 20 000 ton of 11 %. |
|
(388) |
Het verbruik op de vrije markt steeg in de beoordelingsperiode met ongeveer 25 000 ton of 15 %. Van 2022 tot en met het onderzoektijdvak steeg deze verkoop met ongeveer 25 000 ton of 33 %. |
|
(389) |
Cumulatief beoordeeld daalden het interne gebruik en de verkoop op de vrije markt in de beoordelingsperiode met ongeveer 77 000 ton of 18 %. Het totale verbruik steeg tussen 2022 en het onderzoektijdvak echter met ongeveer 25 000 ton of 8 %. |
|
(390) |
De cumulatieve daling van de verkoop in de Unie en het interne gebruik in de cruciale periode van 2022 tot het onderzoektijdvak vormt een probleem met betrekking tot de hoeveelheden voor de bedrijfstak van de Unie. De voornaamste schade in dit onderzoek is echter het gevolg van de prijsverlaging en het daaruit voortvloeiende zware verlies wat de opbrengst over de omzet en andere prestatie-indicatoren betreft. |
|
(391) |
Daarom heeft de Commissie geconcludeerd dat de ontwikkeling van het verbruik in de Unie de bedrijfstak van de Unie geen aanmerkelijke schade heeft berokkend. |
5.3. Conclusie inzake het oorzakelijke verband
|
(392) |
De producenten van BDO in de Unie verkochten in het onderzoektijdvak aan verschillende industriële gebruikers in veel sectoren die er gebruik van maken. Uit het onderzoek bleek dat de invoer met dumping tegen lage prijzen uit de betrokken landen, in aanzienlijke en steeds grotere hoeveelheden, de prijzen in de beoordelingsperiode drukte, met name in 2023 en het onderzoektijdvak. Deze ontwikkeling had tot gevolg dat de prijzen van BDO sterk werden losgekoppeld van de productiekosten en dat de verkoop en het productieniveau werden beïnvloed. Bijgevolg was de verkoop van de bedrijfstak van de Unie ernstig verliesgevend in 2023 en het onderzoektijdvak. Een dergelijk verlies is duidelijk onhoudbaar en bedreigt het voortbestaan van de bedrijfstak van de Unie, zelfs op korte termijn. |
|
(393) |
Andere onderzochte factoren waren de invoer uit andere bronnen, de uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Unie, de ontwikkeling van het verbruik, met inbegrip van het interne gebruik, de invoer door de bedrijfstak van de Unie en de gestegen kosten voor grondstoffen en energie. |
|
(394) |
De Commissie heeft de gevolgen van alle bekende factoren die invloed hebben op de situatie van de bedrijfstak van de Unie daarom afzonderlijk bekeken en deze losgekoppeld van het schadelijke effect van de invoer met dumping. Geen van de factoren, gezamenlijk of afzonderlijk, bleek een voldoende wezenlijke invloed te hebben op de situatie van de bedrijfstak van de Unie om afbreuk te doen aan de conclusie dat de invoer uit de betrokken landen aanmerkelijke schade veroorzaakte. |
|
(395) |
Op basis van het bovenstaande is de Commissie tot de conclusie gekomen dat de invoer met dumping uit de betrokken landen aanmerkelijke schade aan de bedrijfstak van de Unie heeft toegebracht. De schade bestaat voornamelijk uit prijsverlaging, ontoereikende winstgevendheid, een ontoereikend rendement van investeringen, een ontoereikende kasstroom en een ontoereikend vermogen om kapitaal aan te trekken. |
6. NIVEAU VAN DE MAATREGELEN
|
(396) |
Om het niveau van de maatregelen te bepalen, heeft de Commissie beoordeeld of een recht lager dan de dumpingmarge toereikend zou zijn om de door de invoer met dumping aan de bedrijfstak van de Unie berokkende schade op te heffen. |
6.1. Schademarge
|
(397) |
De schade zou worden opgeheven indien de bedrijfstak van de Unie een nagestreefde winst zou kunnen behalen door te verkopen tegen een richtprijs in de zin van artikel 7, leden 2 quater en 2 quinquies, van de basisverordening. |
|
(398) |
Overeenkomstig artikel 7, lid 2 quater, van de basisverordening hield de Commissie bij de bepaling van de nagestreefde winst rekening met de volgende factoren: de mate van winstgevendheid vóór de toename van de invoer vanuit de aan het onderzoek onderworpen landen, de mate van winstgevendheid die vereist is ter dekking van alle kosten en investeringen, onderzoek en ontwikkeling (O&O) en innovatie, alsmede de onder normale mededingingsvoorwaarden te verwachten mate van winstgevendheid. Die winstmarge mag niet lager zijn dan 6 %. |
|
(399) |
In eerste instantie heeft de Commissie een basiswinst vastgesteld die alle kosten onder normale mededingingsvoorwaarden dekt. Die werd vastgesteld aan de hand van de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie in 2022, het meest recente jaar vóór de sterke toename van de invoer met dumping in 2023. In 2021 werd een veel hoger winstgevendheidscijfer bereikt. Dit werd echter als een topjaar voor de bedrijfstak beschouwd vanwege het hoge verbruik in de Unie als gevolg van de COVID-19-pandemie. De winstmarge in 2022 werd vastgesteld op [10 %-25 %], zoals blijkt uit tabel 11. |
|
(400) |
Twee van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie verstrekten bewijsmateriaal waaruit bleek dat het niveau van de investeringen, onderzoek en ontwikkeling (O&O) en innovatie van die producenten tijdens de beoordelingsperiode onder normale mededingingsvoorwaarden hoger zou zijn geweest. De Commissie heeft deze informatie gecontroleerd aan de hand van investeringsplannen die in de beoordelingsperiode moesten worden uitgevoerd, maar die werden geannuleerd vanwege de gevolgen van de invoer met dumping uit de betrokken landen. De argumenten van de bedrijfstak van de Unie werden daarom gerechtvaardigd geacht. Om hier rekening mee te houden in de nagestreefde winst, heeft de Commissie het verschil berekend tussen de uitgaven voor investeringen, O&O en innovatie onder normale mededingingsvoorwaarden zoals verstrekt door de bedrijfstak van de Unie en gecontroleerd door de Commissie, enerzijds, en de daadwerkelijke desbetreffende uitgaven tijdens de beoordelingsperiode, anderzijds. Dat verschil, uitgedrukt als percentage van de omzet, bedroeg 0,30 %. |
|
(401) |
Dat percentage van 0,30 % werd opgeteld bij de in overweging 399 vermelde basiswinst van [10 % tot 25 %], wat een streefwinst van [10,30 % tot 25,30 %] opleverde. |
|
(402) |
Op grond hiervan bedraagt de geen schade veroorzakende prijs [2 000 tot 2 800] EUR per ton, het resultaat van de toepassing van bovengenoemde winstmarge van [10,30 % tot 25,30 %], op de productiekosten van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie in het onderzoektijdvak. |
|
(403) |
Overeenkomstig artikel 7, lid 2 quinquies, van de basisverordening beoordeelde de Commissie als laatste stap de toekomstige kosten voortvloeiend uit multilaterale milieuovereenkomsten en de bijbehorende protocollen waarbij de Unie partij is, en uit de in bijlage I bis vermelde Verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), die de bedrijfstak van de Unie tijdens de periode van toepassing van de maatregel uit hoofde van artikel 11, lid 2, van de basisverordening zal maken. De bedrijfstak van de Unie heeft bewijsmateriaal overgelegd waaruit blijkt dat zijn kosten in het kader van de EU-ETS-regeling en soortgelijke nationale programma’s tijdens de looptijd van de maatregelen zouden stijgen. Deze kosten zouden stijgen omdat de bedrijfstak van de Unie in het kader van ETS vanaf de periode 2026-2030 (gemiddeld) minder gratis emissierechten zou ontvangen dan in het onderzoektijdvak. Daarnaast bleek uit een extractie van ETS-futures van Bloomberg (beschikbaar gesteld in het dossier) dat de ETS-emissierechten in 2026-2030 naar verwachting zullen stijgen wat prijs per ton uitgestoten CO2 betreft. De Commissie heeft de argumenten aanvaard en de kosten van 25 EUR per ton opgeteld bij de in overweging 402 genoemde geen schade veroorzakende prijs. |
|
(404) |
Daarnaast voerden de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie aan dat indirecte CO2-kosten die voortvloeien uit toekomstige bijkomende kosten in verband met CO2 die wordt uitgestoten door aangekochte en verbruikte elektriciteit in aanmerking moeten worden genomen als toekomstige kosten overeenkomstig artikel 7, lid 2 quinquies, van de basisverordening. Dit argument werd voorlopig van de hand gewezen, aangezien de aangevoerde kosten niet rechtstreeks door de betrokken producent in de Unie waren gemaakt en niet waren onderbouwd. |
|
(405) |
Op basis hiervan berekende de Commissie een geen schadeveroorzakende prijs van [2 000 tot 2 800] EUR per ton voor het soortgelijke product van de bedrijfstak van de Unie door de bovengenoemde streefwinstmarge toe te passen op de productiekosten van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie tijdens het onderzoektijdvak, en vervolgens per productsoort de correcties op grond van artikel 7, lid 2 quinquies, van de basisverordening toe te passen. |
|
(406) |
De Commissie heeft vervolgens het niveau van de schademarge bepaald door de gewogen gemiddelde invoerprijs van de in de steekproef opgenomen meewerkende producenten-exporteurs in de betrokken landen, zoals vastgesteld voor de berekeningen van de prijsonderbieding, te vergelijken met de gewogen gemiddelde, geen schade veroorzakende prijs van het soortgelijke product dat in het onderzoektijdvak door de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie op de markt van de Unie werd verkocht. Als uit deze vergelijking een verschil naar voren kwam, werd dit uitgedrukt als percentage van de gewogen gemiddelde cif-waarde bij invoer. |
|
(407) |
De schademarge voor “andere meewerkende ondernemingen” en voor “alle overige invoer van oorsprong uit elk van de betrokken landen” wordt op dezelfde manier vastgesteld als de dumpingmarge voor deze ondernemingen en invoer.
|
6.2. Conclusie inzake het niveau van de maatregelen
|
(408) |
Na bovenstaande beoordeling moeten de voorlopige antidumpingrechten overeenkomstig artikel 7, lid 2, van de basisverordening als volgt worden vastgesteld:
|
7. BELANG VAN DE UNIE
7.1. Belang van de bedrijfstak van de Unie
|
(409) |
Er zijn in de bedrijfstak van de Unie vier ondernemingen die BDO produceren en die rechtstreeks ongeveer vijfhonderd werknemers in dienst hebben. De producenten zijn in Duitsland, Nederland en Italië gevestigd. Alle vier de producenten in de Unie hebben volledig aan het onderzoek meegewerkt door antwoorden op de vragenlijst in te dienen. |
|
(410) |
BDO is een chemisch tussenproduct met verschillende chemische downstreamproducten, waaronder PBT, PBAT, TPU, THF en GBL, die daarna uiteindelijk worden gebruikt in een breed scala aan toepassingen, onder meer voor de automobielsector, defensie, textiel, kunststoffen, elektronica, bouw, batterijen en cosmetica (“de BDO-waardeketen”) op de markt van de Unie. Ongeveer 47 % van het BDO werd intern gebruikt door de bedrijfstak van de Unie en 53 % werd in het OT op de vrije markt verkocht. Derhalve is de bedrijfstak van de Unie ook zelf een zeer grote gebruiker van BDO. Of BDO nu intern wordt gebruikt of op de markt wordt verkocht, de belangrijkste downstreamproducten zijn vaak zelf chemische tussenproducten die ofwel op de markt van de Unie kunnen worden verkocht, ofwel intern kunnen worden gebruikt. |
|
(411) |
De producenten in de Unie steunden de opening van het onderzoek en uit hun opmerkingen sinds de inleiding bleek dat zij in het algemeen achter de instelling van antidumpingmaatregelen stonden. LCN steunt echter geen maatregelen tegen de VS, waar het als groep produceert, terwijl Novamont Italië bezorgdheid heeft geuit over de gevolgen van de rechten voor zijn downstreamproducten, aangezien het veel importeert uit de VRC. Over het algemeen hebben de producenten in de Unie gepleit voor de instelling van rechten op de belangrijkste downstreamproducten, naast de rechten op BDO, aangezien zij vrezen dat hun concurrentievermogen ten opzichte van Chinese concurrenten in de BDO-waardeketen zal afnemen zodra BDO aan rechten wordt onderworpen. Daarnaast voerde BASF aan, zoals in punt 2.4 (“Argumenten betreffende de productomschrijving”) van deze verordening wordt besproken, dat biogebaseerd BDO moet worden uitgesloten van de definitie van het onderzochte product. |
|
(412) |
Gezien de bevinding dat de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade heeft geleden, zoals beschreven in punt 4.2 (“Conclusie over schade”) van deze verordening, zou het instellen van maatregelen de bedrijfstak van de Unie in staat stellen zijn winstgevendheid te verbeteren tot een duurzaam niveau, de investeringen te verhogen en aldus opnieuw een concurrerende positie op zijn kernmarkt in te nemen. De bedrijfstak van de Unie zou ook in staat zijn verloren marktaandeel terug te winnen door de productie- en verkoopvolumes op de markt van de Unie te verhogen. |
|
(413) |
Als geen maatregelen worden genomen, zal dat waarschijnlijk verdere negatieve en aanzienlijke gevolgen hebben voor de bedrijfstak van de Unie. De ernstige situatie, die hierboven in het punt “conclusie over schade” is beschreven, bedreigt het voortbestaan van de gehele bedrijfstak van de Unie, aangezien het aanzienlijke en toenemende verlies dat in de beoordelingsperiode is geleden en dat in het OT is versterkt, op korte termijn niet houdbaar is en een bedreiging vormt voor het vermogen om BDO voor zowel intern gebruik als voor gebruik op de vrije markt in de Unie te blijven produceren. Hoewel de prijzen van grondstoffen en energie in 2024 zijn gedaald, werd de bedrijfstak van de Unie geconfronteerd met verdere dalingen van de verkoopprijzen van BDO en met een toename van de invoer met dumping tegen steeds lagere prijzen, waardoor het niet mogelijk was de prijzen te verhogen en de lagere productiekosten te dekken. Zonder maatregelen zal een dergelijke prijsverlaging zich blijven voortdoen, onder meer als gevolg van de toenemende en reeds aanzienlijke reservecapaciteit in de betrokken landen, hetgeen zal leiden tot verdere verslechteringen qua volumes en financiën voor de bedrijfstak van de Unie en zijn toekomst en werkgelegenheid op korte termijn in gevaar zal brengen. De bedrijfstak van de Unie heeft een geïntegreerde keten voor BDO tot stand gebracht, met inbegrip van bijvoorbeeld PBAT en biocompounding, die in stand wordt gehouden door middel van investeringen die in de loop der jaren in verschillende delen van de waardeketen werden gedaan. De productiecapaciteit en de toeleveringsketen van BDO volstaan om aan de vraag naar BDO in de Unie te voldoen. De bedrijfstak van de Unie werd al gedwongen om een deel van zijn eigen productie te vervangen door goedkope invoer uit de betrokken landen. Dit werd gedaan om de status en reputatie op de markt van de Unie te behouden door ervoor te zorgen dat de bedrijfstak BDO kon blijven leveren aan de waardeketen van BDO voor intern gebruik en aan gebruikers in de Unie, en aan andere belangrijke producenten die gebruikmaken van BDO in de Unie. Het betrekken van goedkope invoer uit de betrokken landen is echter geen duurzame ontwikkeling voor de bedrijfstak van de Unie, die een grote BDO-capaciteit en een lange geschiedenis van productie van BDO op de markt van de Unie heeft, terwijl er wordt geïnvesteerd om de efficiëntie van zijn productievoorzieningen, de verticaal geïntegreerde productie van chemische stoffen en de naleving van veiligheids- en milieunormen in stand te houden. Eenvoudig gezegd: de in het OT vastgestelde situatie is onhoudbaar, aangezien van de bedrijfstak van de Unie niet kan worden verwacht dat hij zichzelf blijft verdedigen door zijn eigen productie te vervangen door invoer met dumping, of door ingevoerd BDO in de Unie te verkopen om de banden met de belangrijkste afnemers van BDO in stand te houden, terwijl er tegelijkertijd een aanzienlijk verlies wordt geleden. Zonder maatregelen zou de bedrijfstak van de Unie gedwongen zijn om zijn productievoorzieningen voor BDO te sluiten en uitsluitend afhankelijk te zijn van invoer. |
|
(414) |
De instelling van rechten zou de bedrijfstak van de Unie in staat stellen BDO voor intern gebruik te betrekken via zijn eigen productie of via de toegenomen productie in de Unie, wat zou leiden tot de bescherming van bestaande en recente investeringen in verticaal geïntegreerde productie-infrastructuur, deskundigheid en banen en het brede ecosysteem in de Unie dat verband houdt met BDO, met inbegrip van de productie van PBT, PBAT, TPU, THF en GBL, waarvoor de producenten van BDO in de Unie ook de belangrijkste producenten in de Unie, en met betrekking tot sommige chemische producten de enige leverancier in de Unie zijn. Met behulp van de maatregelen zou het mogelijk zijn BDO voor intern gebruik binnen de bedrijfstak van de Unie aan te kopen, gezien het beperkte vermogen in de Unie om BDO op te slaan of een voorraad aan te houden van een aanzienlijke hoeveelheid BDO die ook maanden van tevoren moet worden aangekocht, gewoonlijk op basis van verkoopcontracten in plaats van aankopen op de spotmarkt. Maatregelen zouden derhalve leiden tot een stabieler, veerkrachtiger en veiliger aanbod in de Unie door producenten in de Unie, waardoor de in overweging 293 vermelde risico’s met betrekking tot de voorziening en de logistiek worden beperkt. Die risico’s waren in 2024 reeds van invloed op het aanbod van BDO in de Unie en zij zouden het vermogen van de bedrijfstak van de Unie om producten voor intern gebruik in de BDO-waardeketen te behouden of zelfs te produceren, in gevaar hebben gebracht indien het soortgelijke product in de Unie minder of niet werd geproduceerd. |
|
(415) |
Voorts hebben Novamont, BASF, INEOS en verschillende gebruikers van BDO opmerkingen ingediend over de noodzaak om niet alleen voor het betrokken product, maar ook voor aanvullende producten in de BDO-waardeketen bescherming te voorzien en rechten in te stellen, teneinde de bestaande aanzienlijke investeringen van verticale productievoorzieningen en het interne gebruik in de Unie en het algemene ecosysteem voor chemische stoffen binnen de Unie te beschermen. De bescherming van de bedrijfstak van de Unie zou ervoor zorgen dat de efficiënte werking van de geïntegreerde chemische productievoorzieningen kan worden gehandhaafd, waardoor vaste kosten voor bijvoorbeeld afval, elektriciteit, vervoer, water of stoom kunnen worden gedeeld met de productie en de voorzieningen voor andere chemische stoffen, met inbegrip van het downstreamgebruik van BDO, hetgeen van cruciaal belang is om de algemene efficiëntie van de productiekosten van chemische stoffen in de bedrijfstak van de Unie in stand te houden. |
|
(416) |
Bovendien zouden maatregelen de gebruikers voor intern gebruik in staat stellen om BDO in de Unie te blijven betrekken. De producenten in de Unie voerden aan dat de productie van BDO in de Unie tot minder CO2-uitstoot leidt en geen extra CO2-uitstoot door de scheepvaart, het spoor en het vervoer teweeg zou brengen. |
|
(417) |
De instelling van maatregelen voor BDO uit de betrokken landen is derhalve duidelijk in het belang van de bedrijfstak van de Unie. |
7.2. Belang van niet-verbonden importeurs en handelaren
|
(418) |
De meeste invoer van BDO in de beoordelingsperiode vond rechtstreeks plaats aan industriële gebruikers of aan verbonden ondernemingen in de Unie zoals BASF, LCN en BorsodChem. Sommige aankopen van BDO door industriële gebruikers werden gedaan door niet-verbonden importeurs of handelaren. Geen van de niet-verbonden importeurs/handelaren verleende echter medewerking. |
|
(419) |
Verschillende gebruikers die ook importeur van BDO zijn, ook degenen die invoeren uit de betrokken landen, hebben opmerkingen ingediend. Aangezien hun belangrijkste economische activiteit er echter in bestond BDO te gebruiken voor productie, worden hun opmerkingen hieronder onder “belang van de gebruikers” behandeld. |
|
(420) |
Will & Co, een distributeur van grondstoffen, met inbegrip van BDO van Sipchem, heeft opmerkingen ingediend, maar heeft geen minimumgegevens verstrekt, evenmin die welke aan importeurs werden gevraagd, om de gevolgen van de instelling van maatregelen voor zijn activiteiten te kunnen vaststellen. Will & Co voerde aan dat er tijdens de beoordelingsperiode sprake was van een overaanbod van BDO uit de VRC en dat de Chinese en Taiwanese producenten agressieve prijzen boden, waaronder prijzen die onder de productiekosten lagen. Bovendien werd aangevoerd dat 2021-2022 een periode was waarin uit deze landen een lagere invoer in de Unie plaatsvond en waarin de marktprijzen voor BDO in de Unie op een houdbaar niveau lagen. Vanaf 2023 leidden de toegenomen concurrentie van Chinese producenten en hun zeer agressieve prijzen echter tot een ineenstorting van de prijzen van BDO in de Unie tot onhoudbare niveaus, voornamelijk als gevolg van de bouw van nieuwe productievoorzieningen en de verhoging van de reservecapaciteit in de VRC, die reeds groter is dan de totale wereldwijde vraag naar BDO, en met name in de laatste twee jaar waarin alleen in de VRC al productiecapaciteit is toegevoegd die een veelvoud bedraagt van de totale wereldwijde vraag naar BDO. Will & Co voerde ook aan dat het voor de stabiliteit van de markt van groot belang is dat Sipchem aan de Unie blijft leveren en dat de invoer uit Saudi-Arabië niet mag worden gecumuleerd. Dit laatste punt werd reeds behandeld onder punt 4.3 (“Invoer uit de betrokken landen”). |
|
(421) |
Daarnaast heeft Helm AG opmerkingen ingediend over de uitsluiting van biogebaseerd BDO, die zijn behandeld in punt 2.4 (“Argumenten betreffende de productomschrijving”). |
|
(422) |
De Commissie beschikte niet over informatie om het effect van de instelling van maatregelen op de activiteiten van de niet-verbonden importeurs/handelaren nauwkeurig vast te stellen. Het gebrek aan medewerking lijkt erop te wijzen dat importeurs niet van mening zijn dat de instelling van antidumpingmaatregelen grote gevolgen zou hebben voor hun activiteiten. De importeurs waren waarschijnlijk algemene importeurs van chemische producten en geen importeurs die zich uitsluitend op BDO richten. Hoewel daarnaast in een eerste fase een daling kan worden opgemerkt van de invoer en wederverkoop van goederen ten aanzien waarvan maatregelen gelden, zou een dergelijk negatief effect op de omzet uiteindelijk kunnen worden gecompenseerd door een hogere wederverkoop van uit andere bronnen aangekochte producten, bijvoorbeeld uit Zuid-Korea of Taiwan. |
|
(423) |
De Commissie heeft dan ook geconcludeerd dat de gevolgen van maatregelen voor de importeurs/handelaren niet onevenredig zouden zijn. |
7.3. Belang van de gebruikers
|
(424) |
Of BDO nu intern wordt gebruikt of op de markt wordt verkocht, de belangrijkste gebruikers van BDO in de Unie zijn rechtstreekse producenten van downstreamproducten zoals polybutyleentereftalaat (PBT), polybutyraatadipaattereftalaat (PBAT), polyurethaan (PU), verzadigd polyester (SAT), tetrahydrofuraan (THF), n-methylpyrrolidon (NMP), thermoplastisch copolyester (TPC) en gamma-butyrolacton (GBL). Dit zijn op hun beurt weer tussenproducten die ofwel op de markt van de Unie kunnen worden verkocht, ofwel intern kunnen worden gebruikt. De sectoren die uiteindelijk gebruik maken van BDO zijn talrijk en gevarieerd en omvatten de sectoren landbouw, auto’s, chemische producten, cosmetica, farmaceutica, kunststoffen en textiel. |
|
(425) |
Negen industriële gebruikers in de Unie en drie in de steekproef opgenomen geïntegreerde producenten in de Unie die intern gebruik maakten van BDO, hebben volledig aan het onderzoek meegewerkt door antwoorden op de vragenlijst in te dienen en hun standpunt over het belang van de Unie kenbaar te maken. Deze industriële gebruikers vertegenwoordigden ongeveer 25 % van het totale verbruik van BDO in de Unie in het OT, terwijl de gebruikers van BDO die ook producenten van BDO zijn, goed zijn voor 100 % van de hoeveelheid BDO die in het OT intern in de Unie werd gebruikt. In totaal vertegenwoordigden de meewerkende industriële gebruikers samen met de producenten in de Unie die intern BDO gebruikten in het OT ongeveer 65 % van het totale verbruik van BDO in de Unie. Deze gebruikers betrokken BDO via hun eigen productie, producenten in de Unie en/of invoer. De meeste invoer door gebruikers was afkomstig uit de betrokken landen. |
|
(426) |
Deze twaalf gebruikers zijn:
|
|
(427) |
Verschillende gebruikers hebben in het kader van hun ingediende informatie opmerkingen over het belang van de Unie gemaakt. Elachem SpA en Envalior BV & Envalior GmbH waren tegen de instelling van maatregelen, hoofdzakelijk omdat de maatregelen ten aanzien van BDO geen andere van BDO afgeleide chemische producten zouden omvatten, en met name in het kader van het volgende downstreamgebruik van BDO, hetgeen gevolgen zou hebben voor de kosten voor de grondstoffen van deze downstreamproducten en vervolgens het concurrentievermogen ervan ten opzichte van de invoer zou verlagen. De reden hiervoor is een mogelijke stijging van de kosten voor BDO in de Unie na de instelling van maatregelen. Performance Solutions Luxembourg Sarl erkende het belang van een veerkrachtige en concurrerende bedrijfstak van de Unie voor BDO, maar verzocht de Commissie met klem rekening te houden met de volledige waardeketen van BDO in de Unie, aangezien rechten de productiekosten in de downstreambedrijfstak van de EU drastisch zouden verhogen en tegelijkertijd de concurrentie die wordt ondervonden door de invoer, zouden vergroten. Dit komt omdat producenten uit het betrokken land één stap omlaag zouden gaan in de BDO-waardeketen en in plaats daarvan die invoer in de Unie zouden dumpen indien die niet aan maatregelen onderworpen is. Bovendien voerden zij aan dat de kosten niet aan de afnemers kunnen worden doorberekend vanwege de mondiale en concurrerende aard van deze downstreammarkten voor BDO, waardoor de financiële levensvatbaarheid van de producenten in de Unie in gevaar komt, en dat er in de Unie onvoldoende capaciteit is om aan de vraag naar BDO te voldoen. Daarnaast voerden zij aan dat de verkoop van de producenten in de Unie tegen een onhoudbaar hoog prijsniveau plaatsvindt en dat er sprake is van een ontoereikend aanbod van BDO uit andere landen dan de beoordeelde landen. COIM en BorsodChem waren tegen alle maatregelen. Deze argumenten en de standpunten van de gebruikers worden hierna onderzocht in het kader van de analyse van het belang van de gebruikers. |
Analyse van de industriële gebruikers
|
(428) |
Afgaande op de door de negen meewerkende industriële gebruikers in de Unie verstrekte gegevens kochten zij tijdens het OT ongeveer twee derde van hun BDO aan bij de bedrijfstak van de Unie en verwierven zij ongeveer één derde via invoer, voornamelijk uit de betrokken landen. |
|
(429) |
Het belang van BDO voor industriële gebruikers liep sterk uiteen en was afhankelijk van de productsoort en de toepassing ervan in het OT. Voor bepaalde downstreamproducten was bijvoorbeeld minder BDO nodig dan voor andere: er werd meer BDO gebruikt voor rechtstreekse downstreamproducten zoals die welke gewoonlijk als hoogwaardige chemische stoffen worden gecategoriseerd, terwijl minder BDO werd gebruikt in de “gespecialiseerde” chemische segmenten. In het algemeen liep het belang van producten die van BDO waren afgeleid in vergelijking met de totale omzet van de ene gebruiker tot de andere sterk uiteen. Voor een klein aantal niet-gediversifieerde industriële gebruikers was een van BDO afgeleid product daarom het enige product of vertegenwoordigde het meer dan 70 % van de totale verkoop. Voor de typische industriële gebruikers, die gewoonlijk over een assortiment van hoogwaardige en gespecialiseerde producten beschikten, varieerde het gebruik van producten die van BDO zijn afgeleid echter van ongeveer 0,1 % tot 25 % van de totale verkoop van de onderneming. De verkoop van producten waarin BDO is verwerkt, vertegenwoordigde gemiddeld 57 % van de totale omzet van de meewerkende industriële gebruikers in de Unie. |
|
(430) |
In sommige gevallen werd BDO gebruikt voor de productie van downstreamproducten, die vervolgens door de gebruikers in het OT gedeeltelijk werden uitgevoerd naar derde landen. Deze verkoop zou niet worden beïnvloed door de rechten op BDO, mits aan de voorwaarden van de regelingen voor actieve veredeling is voldaan. |
|
(431) |
Ook de kosten van BDO als grondstof ten aanzien van de totale kosten van de downstreamproducten varieerden in het OT. Op basis van door de industriële gebruikers en de producenten/gebruikers voor intern gebruik verstrekte gegevens werd geraamd dat BDO goed was voor een aanzienlijk percentage van de productiekosten van THF, PBT, PBAT en NMP (dit laatste is een derivaat van GBL). De totale kosten van BDO zouden dan echter aanzienlijk kunnen dalen, afhankelijk van de mate van specialisatie van het product, bijvoorbeeld als voor derivaten meer O&O-input nodig is of als BDO voor de productie ervan wordt gecombineerd met andere grondstoffen. Deze producten waren gewoonlijk in de hoogwaardige specialiteitssegmenten te vinden. De kosten van BDO als grondstof bedroegen voor de meewerkende gebruikers gemiddeld 14 % van de totale kosten van het product, maar liggen voor bepaalde derivaten veel hoger. |
|
(432) |
De winstmarges van de industriële gebruikers (voor producten waarin BDO is verwerkt) varieerden, indien verstrekt, van ongeveer 40 % tot –11 %, met een gemiddelde winstgevendheid van 10 % in het OT. De winstgevendheid van sommige downstreamproducten was negatief, maar het merendeel was winstgevend. De meest winstgevende producten werden gewoonlijk aangetroffen in het specialiteitssegment, waarvoor de prijsgevoeligheid minder belangrijk was en de marges hoog konden zijn, aangezien de verkoop geen basisproducten betrof en aan minder concurrentie onderhevig was, ook al waren de verkochte hoeveelheden doorgaans beperkter. De door de meewerkende industriële gebruikers verstrekte gegevens over de winstgevendheid hadden echter niet altijd betrekking op producten die BDO bevatten en de winstgevendheid van twee gebruikers werd tijdens de controle ter plaatse niet onderbouwd. Daarom hebben de meewerkende gebruikers in de voorlopige fase van het onderzoek hun winstgevendheid van de producten die BDO bevatten, niet onderbouwd. De winstgevendheid van de gebruikers zal daarom in de definitieve fase van het onderzoek verder worden onderzocht. |
|
(433) |
Wat de gevolgen van de maatregelen voor de meewerkende gebruikers betreft, was de Commissie van oordeel dat hun winst gevolgen zou ondervinden van de instelling van maatregelen ten aanzien van BDO, tenzij de stijging van de aankoopkosten van BDO aan de afnemers kon worden doorberekend. Dit kwam door het belang van BDO voor de productiekosten van de derivaten, met name voor sommige rechtstreekse derivaten die ook weer basisproducten zijn. Bepaalde factoren zouden naar verwachting echter de gevolgen van de maatregelen voor downstreamproducten beperken. Ten eerste produceerden de industriële gebruikers, zoals eerder toegelicht, ook producten die geen BDO bevatten, aangezien de BDO-downstreamproducten gemiddeld slechts ongeveer 57 % van hun totale verkoop uitmaakten, maar het leeuwendeel van de gebruikers had ingezet op diversifiëring, waardoor het gebruik van producten die zijn afgeleid van BDO varieerde van ongeveer 0,1 % tot 25 % van de totale verkoop van de onderneming. Ten tweede haalden industriële gebruikers meer dan de helft van hun BDO uit de Unie, en minder dan de helft uit de betrokken landen en uit derde landen zoals Zuid-Korea of Taiwan. Hoewel de prijzen van BDO op de markt van de Unie als gevolg van de maatregelen waarschijnlijk zouden stijgen, zouden zij van toeleveringsbron kunnen veranderen om de gevolgen van de maatregelen tot een minimum te beperken, bijvoorbeeld Zuid-Korea of Taiwan. Daarnaast zullen de prijzen in de Unie naar verwachting niet sterk stijgen, aangezien de voorzieningen door de aanzienlijke bijkomende toename van het productievolume als gevolg van de maatregelen efficiënter kunnen worden geëxploiteerd en de productiekosten per eenheid van BDO kunnen worden verlaagd. Bovendien vindt de verkoop van BDO in de Unie doorgaans plaats op basis van langlopende contracten waarin ook wordt verwezen naar ICIS-prijzen, waaronder in sommige gevallen ICIS-prijzen in de VRC. Daarom volgen de prijzen in de BDO-verkoopcontracten in de Unie de mondiale prijzen van BDO, en door een ernstige prijsafwijking zou de invoer die niet afkomstig is uit de betrokken landen in de Unie concurrerender kunnen worden en zou de verkoop ervan aan gebruikers kunnen toenemen. Ten derde vertegenwoordigde BDO als grondstof slechts ongeveer 14 % van de totale productiekosten voor de downstreamproducten, varieerde het vervolgens per productsoort en bleek het doorgaans veel minder belangrijk te zijn voor bepaalde producten in het “gespecialiseerde” segment en zelfs in het “hoogwaardige” segment, waarvoor de kosten voor BDO een veel lager percentage van de totale productiekosten uitmaken. Ten vierde waren sommige industriële gebruikers in het onderzoektijdvak winstgevend bij de productie van BDO-downstreamproducten en zouden zij in staat zijn om ofwel de kostenstijgingen op te vangen ofwel aan hun afnemers door te berekenen, met name voor producten die niet prijsgevoelig waren (of als basisproducten worden behandeld) of hoge marges kenden en waarvoor BDO een beperkt percentage van de totale kosten vormde, waarvan gewoonlijk sprake is in het “gespecialiseerde” segment. Ten vijfde bedraagt de totale capaciteit van de bedrijfstak van de Unie voor de productie van BDO ongeveer 470 200 ton en bedroeg het totale gebruik in het OT ongeveer 347 000 ton, waardoor de bedrijfstak van de Unie ruimschoots aan de gehele vraag in de Unie kan voldoen en gebruikers BDO kunnen betrekken binnen de Unie en niet aan maatregelen onderworpen zijn. Ten slotte voerden sommige gebruikers soms de meeste producten die BDO bevatten uit naar derde landen, wat betekent dat zij de gevolgen van antidumpingrechten zouden kunnen vermijden met behulp van de regelingen met de douaneautoriteiten van de Unie inzake actieve veredeling. Wegens deze beperkende maatregelen werd verwacht dat de gevolgen van maatregelen voor de gebruikers niet onevenredig zouden zijn. |
|
(434) |
Gezien het aanzienlijke verlies van de bedrijfstak van de Unie voor BDO en de prijsverlaging op de markt kan redelijkerwijs worden aangenomen dat de BDO-prijzen na de instelling van maatregelen zullen stijgen. Het effect dat maatregelen mogelijk kunnen hebben op bepaalde gebruikers moet evenwel worden afgewogen tegen het risico van stopzetting van de activiteit van de bedrijfstak van de Unie aangezien de huidige situatie niet houdbaar is. Indien geen maatregelen worden ingesteld, zal dit leiden tot een stopzetting van de productie in de Unie en een veel minder betrouwbaar, veerkrachtig en stabiel aanbod van BDO, en vervolgens onvermijdelijk tot prijsstijgingen van BDO met meer onzekerheid bij het betrekken van downstreamproductie van BDO op de markt van de Unie, die dan enkel afhankelijk zal zijn van aanvoer om de Unie binnen te komen, in combinatie met een zeer beperkte mogelijkheid om BDO veilig en voordelig op te slaan in de Unie. De stopzetting van de bedrijfstak van de Unie zou vervolgens de levensvatbaarheid van de productie van BDO-downstreamproducten in de Unie belemmeren, aangezien zij tijdig, voordelig, met een aanhoudend veerkrachtig aanbod en een gediversifieerde voorziening (ook uit de Unie) BDO moeten betrekken om op continu niveau te kunnen produceren en te kunnen voldoen aan een productievolume met minimale efficiëntie voor de downstreamproducten, waardoor vervolgens weer tijdig aan de behoeften van de afnemers kan worden voldaan. |
|
(435) |
Bovendien stelde de Commissie vast dat de productiecapaciteit van de bedrijfstak van de Unie voldoende was om nagenoeg het volledige verbruik op de markt van de EU af te dekken. Tijdens het OT beschikte de bedrijfstak van de Unie over ongeveer 40 % reservecapaciteit en indien de voorwaarden voor eerlijke concurrentie worden hersteld, zouden de producenten in de Unie hun productie kunnen verhogen en de productiekosten kunnen verlagen door de vaste kosten over grotere hoeveelheden te spreiden om aan de vraag in de Unie te voldoen. Bovendien zouden industriële gebruikers, zoals eerder vermeld, voor hun voorzieningsbronnen kunnen overstappen naar Zuid-Korea en Taiwan. |
|
(436) |
De Commissie concludeerde derhalve dat de instelling van antidumpingmaatregelen niet tot bevoorradingstekorten voor BDO op de markt van de Unie zou leiden. |
|
(437) |
Wat ten slotte het totale aantal gebruikers van het betrokken product betreft, namelijk de industriële gebruikers plus het interne gebruik van BDO door de bedrijfstak van de Unie, was ten opzichte van het totale gebruik van BDO in de Unie 62 % van de gebruikers die aan dit onderzoek hebben meegewerkt voorstander van de instelling van rechten. De gebruikers van de bedrijfstak van de Unie waren voorstander van de maatregelen, zoals nader toegelicht in het punt over het belang van de bedrijfstak van de Unie. |
7.4. Conclusie inzake belang van de Unie
|
(438) |
Op basis van het bovenstaande is de Commissie tot de conclusie gekomen dat er geen dwingende redenen zijn om te besluiten dat het niet in het belang van de Unie zou zijn om in dit stadium van het onderzoek maatregelen in te stellen op de invoer van het betrokken product van oorsprong uit de betrokken landen. |
8. VOORLOPIGE ANTIDUMPINGMAATREGELEN
|
(439) |
Op basis van de conclusies van de Commissie inzake dumping, schade, het oorzakelijk verband, de hoogte van de maatregelen en het belang van de Unie moeten voorlopige maatregelen worden ingesteld om te voorkomen dat de bedrijfstak van de Unie nog meer schade lijdt door de invoer met dumping. |
|
(440) |
Er moeten voorlopige antidumpingmaatregelen worden ingesteld op de invoer van het product van oorsprong uit de betrokken landen, en daarbij moet de regel van het laagste recht uit artikel 7, lid 2, van de basisverordening worden gevolgd. De Commissie heeft de schademarges en de dumpingmarges zoals vermeld in overweging 407 vergeleken. Het bedrag van de rechten werd vastgesteld op het niveau van de dumpingmarge, of van de schademarge indien deze lager is. |
|
(441) |
Op basis van het voorgaande moeten de voorlopige antidumpingrechten, uitgedrukt in cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring, worden vastgesteld als volgt:
|
|
(442) |
De bij deze verordening voor bepaalde ondernemingen vastgestelde individuele antidumpingrechten zijn vastgesteld op basis van de bevindingen van dit onderzoek. Daarin wordt derhalve de situatie weerspiegeld die bij het onderzoek voor die ondernemingen werd geconstateerd. Deze rechten zijn uitsluitend van toepassing op het betrokken product van oorsprong uit de betrokken landen en geproduceerd door de genoemde rchtspersonen. Op de invoer van het betrokken product dat is geproduceerd door andere ondernemingen die in het dispositief van deze verordening niet uitdrukkelijk worden genoemd, met inbegrip van entiteiten die met de specifiek genoemde ondernemingen zijn verbonden, is het recht van toepassing dat voor “alle overige invoer van oorsprong uit het betrokken land” geldt. Die invoer mag niet worden onderworpen aan de individuele antidumpingrechten. |
|
(443) |
Om het risico op ontwijking als gevolg van het verschil in rechten zo veel mogelijk te beperken, zijn speciale maatregelen nodig om de toepassing van de individuele antidumpingrechten te garanderen. De heffing van individuele antidumpingrechten is enkel van toepassing wanneer aan de douaneautoriteiten van de lidstaten een geldige handelsfactuur wordt overgelegd. Die factuur moet voldoen aan de in artikel 1, lid 3, van deze verordening vastgestelde vereisten. Tot een dergelijke factuur wordt overgelegd, moet de invoer worden onderworpen aan het antidumpingrecht dat van toepassing is op “alle overige invoer van oorsprong uit het betrokken land”. |
|
(444) |
Hoewel de douaneautoriteiten van de lidstaten over deze factuur moeten beschikken om ten aanzien van de invoer de individuele antidumpingrechten te kunnen toepassen, is overlegging van die factuur niet de enige factor waarmee de douaneautoriteiten rekening moeten houden. Zelfs als aan hen een factuur wordt overgelegd die voldoet aan alle voorschriften van artikel 1, lid 3, van deze verordening, moeten de douaneautoriteiten van de lidstaten namelijk hun gebruikelijke controles uitvoeren en kunnen zij, net als in alle andere gevallen, aanvullende documenten (vervoersdocumenten enz.) verlangen om de juistheid van de gegevens in de aangifte te controleren en te waarborgen dat het lagere recht vervolgens terecht wordt toegepast, in overeenstemming met de douanewetgeving. |
|
(445) |
Als de uitvoer van een van de ondernemingen die een lager individueel recht genieten na de instelling van de maatregelen in kwestie aanzienlijk in omvang zou toenemen (afhankelijk van het geval kan een percentage worden gegeven, hoewel dit niet raadzaam is), kan dit op zich worden beschouwd als een verandering in de structuur van het handelsverkeer als gevolg van de instelling van maatregelen in de zin van artikel 13, lid 1, van de basisverordening. In dergelijke omstandigheden kan, mits aan de voorwaarden is voldaan, een onderzoek naar ontwijking van de maatregelen worden geopend. Hierbij kan onder meer worden onderzocht of het nodig is een individueel recht of individuele rechten in te trekken en in plaats daarvan het voor het gehele land geldende recht in te stellen. |
9. REGISTRATIE
|
(446) |
Zoals vermeld in overweging 3, heeft de Commissie de invoer van het betrokken product aan registratie onderworpen. De registratie vond plaats om het mogelijk te maken met terugwerkende kracht rechten te innen overeenkomstig artikel 10, lid 4, van de basisverordening. |
|
(447) |
In dit stadium van de procedure kan geen besluit worden genomen over een mogelijke toepassing met terugwerkende kracht van antidumpingmaatregelen. |
10. INFORMATIE OVER VOORLOPIGE MAATREGELEN
|
(448) |
Overeenkomstig artikel 19 bis van de basisverordening heeft de Commissie de belanghebbenden op de hoogte gebracht van de beoogde instelling van voorlopige rechten. Deze informatie is ook openbaar gemaakt op de website van DG Handel. Belanghebbenden hebben drie werkdagen de tijd gekregen om opmerkingen in te dienen over de juistheid van de berekeningen die specifiek aan hen zijn meegedeeld. |
|
(449) |
Lyondell Chemical Company heeft opmerkingen over de berekeningen ingediend. In het licht van die opmerkingen heeft de Commissie haar dumping- en schadeberekeningen voor Lyondell Chemical Company herzien. De overige van belanghebbenden ontvangen opmerkingen hadden geen betrekking op de juistheid van de berekeningen zelf, maar op de door de Commissie gebruikte methode, en vielen dus buiten het toepassingsgebied van de voorafgaande kennisgeving. |
11. SLOTBEPALINGEN
|
(450) |
Met het oog op een behoorlijk bestuur zal de Commissie de belanghebbenden uitnodigen schriftelijk te reageren en/of binnen een vaste termijn een hoorzitting met de Commissie en/of de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures aan te vragen. |
|
(451) |
De bevindingen betreffende de instelling van voorlopige rechten zijn voorlopig en kunnen in het definitieve stadium van het onderzoek worden gewijzigd, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Er wordt een voorlopig antidumpingrecht ingesteld op 1,4-butaandiol, gewoonlijk vallend onder CAS-nummer 110-63-4 van de Chemical Abstracts Service en in de Europese inventaris van bestaande chemische handelsstoffen (EINECS) gewoonlijk ingedeeld onder EG-nummer 203-786-5, momenteel ingedeeld onder de GN-codes 2905 39 26 en 2905 39 28 , van oorsprong uit de Volksrepubliek China, het Koninkrijk Saudi-Arabië en de Verenigde Staten van Amerika.
2. Het voorlopige antidumpingrecht dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, van de in lid 1 genoemde en door de hieronder vermelde ondernemingen vervaardigde producten is als volgt:
|
Land van oorsprong |
Onderneming |
Voorlopig antidumpingrecht (%) |
Aanvullende Taric-code |
|
Volksrepubliek China |
Xinjiang Markor Chemical Industry Co., Ltd |
105,6 |
88AL |
|
Wanhua Chemical (Sichuan) Co., Ltd |
113,7 |
88AM |
|
|
Andere meewerkende ondernemingen opgenomen in de bijlage |
107,5 |
|
|
|
Alle overige invoer van oorsprong uit de Volksrepubliek China |
113,7 |
8999 |
|
|
Koninkrijk Saudi-Arabië |
International Diol Company |
52,4 |
88AN |
|
Alle overige invoer van oorsprong uit het Koninkrijk Saudi-Arabië |
52,4 |
8999 |
|
|
Verenigde Staten van Amerika |
Lyondell Chemical Company |
135,7 |
88AO |
|
Alle overige invoer van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika |
142,5 |
8999 |
3. De individuele rechten die zijn vastgesteld voor de in lid 2 vermelde ondernemingen zijn uitsluitend van toepassing indien aan de douaneautoriteiten van de lidstaten een geldige handelsfactuur wordt overgelegd die een verklaring bevat die is gedateerd en ondertekend door een met naam en functie geïdentificeerde medewerker van de entiteit die deze factuur heeft opgesteld, en die als volgt luidt: “Ondergetekende verklaart dat de (hoeveelheid in kilogram) (betrokken product) die naar de Europese Unie wordt uitgevoerd en waarop deze factuur betrekking heeft, is vervaardigd door (naam en adres van de onderneming) (aanvullende Taric-code) in (betrokken land). Ondergetekende verklaart dat de in deze factuur verstrekte informatie juist en volledig is.”. Totdat een dergelijke factuur wordt overgelegd, wordt het recht toegepast dat voor alle overige invoer van oorsprong uit het toepasselijke betrokken land geldt.
4. Bij het in de Unie in het vrije verkeer brengen van het in lid 1 genoemde product wordt een zekerheid gesteld die gelijk is aan het bedrag van het voorlopige recht.
5. Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.
Artikel 2
1. Belanghebbenden moeten hun schriftelijke opmerkingen inzake deze verordening binnen 15 kalenderdagen na de datum van inwerkingtreding van deze verordening bij de Commissie indienen.
2. Belanghebbenden die om een hoorzitting bij de Commissie willen verzoeken, moeten dit binnen vijf kalenderdagen na de datum van inwerkingtreding van deze verordening doen.
3. Belanghebbenden die willen worden gehoord door de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures, kunnen binnen vijf kalenderdagen na de datum van inwerkingtreding van deze verordening een verzoek hiertoe indienen. De raadadviseur-auditeur kan buiten deze termijn ingediende verzoeken beoordelen en kan in voorkomend geval besluiten die verzoeken te aanvaarden.
Artikel 3
1. De douaneautoriteiten wordt opgedragen de bij artikel 1 van Uitvoeringsverordening (EU) 2025/1718 ingestelde registratie van de invoer te beëindigen.
2. Gegevens die zijn verzameld met betrekking tot producten die ten hoogste negentig dagen vóór de datum van inwerkingtreding van deze verordening voor invoer ten verbruik in de EU zijn aangegeven, moeten worden bewaard tot eventuele definitieve maatregelen in werking treden of tot deze procedure is beëindigd.
Artikel 4
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 4 februari 2026.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 176 van 30.6.2016, blz. 21, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2016/1036/oj.
(2) Bericht van inleiding van een antidumpingprocedure betreffende de invoer van 1,4-butaandiol van oorsprong uit de Volksrepubliek China, Saudi-Arabië en de Verenigde Staten van Amerika (PB C, C/2025/3135, 6.6.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/3135/oj).
(3) Uitvoeringsverordening (EU) 2025/1718 van de Commissie van 5 augustus 2025 tot onderwerping van de invoer van 1,4-butaandiol van oorsprong uit de Volksrepubliek China, Saudi-Arabië en de Verenigde Staten van Amerika aan registratie (PB L, 2025/1718, 6.8.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/1718/oj).
(4) Presentatie van LYB tijdens de hoorzitting van 17 juli 2025.
(5) https://tron.trade.ec.europa.eu/investigations/case-view?caseId=2800.
(6) Uitvoeringsverordening (EU) 2024/1959 van de Commissie van 17 juli 2024 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op erytritol van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L, 2024/1959, 19.7.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2024/1959/oj); Uitvoeringsverordening (EU) 2023/2180 van de Commissie van 16 oktober 2023 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2021/607 van de Commissie tot instelling van een definitief antidumpingrecht op citroenzuur van oorsprong uit de Volksrepubliek China, zoals uitgebreid tot uit Maleisië verzonden citroenzuur, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Maleisië, naar aanleiding van een nieuw onderzoek ten behoeve van een nieuwe exporteur op grond van artikel 11, lid 4, van Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad (PB L, 2023/2180, 17.10.2023, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2023/2180/oj); Uitvoeringsverordening (EU) 2023/752 van de Commissie van 12 april 2023 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op natriumgluconaat van oorsprong uit de Volksrepubliek China naar aanleiding van een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 100 van 13.4.2023, blz. 16, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2023/752/oj); Uitvoeringsverordening (EU) 2021/441 van de Commissie van 11 maart 2021 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op sulfanilzuur van oorsprong uit de Volksrepubliek China naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 85 van 12.3.2021, blz. 154, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2021/441/oj).
(7) Uitvoeringsverordening (EU) 2024/1959, overwegingen 161 en 162; Uitvoeringsverordening (EU) 2023/2180, overwegingen 89 en 90; Uitvoeringsverordening (EU) 2023/752, overweging 70.
(8) Uitvoeringsverordening (EU) 2024/1959, overwegingen 103 tot en met 113; Uitvoeringsverordening (EU) 2023/2180, overwegingen 46 tot en met 50; Uitvoeringsverordening (EU) 2023/752, overweging 49.
(9) Uitvoeringsverordening (EU) 2024/1959, overwegingen 114 tot en met 122; Uitvoeringsverordening (EU) 2023/2180, overwegingen 51 tot en met 55; Uitvoeringsverordening (EU) 2023/752, overwegingen 50 tot en met 54. Het recht van overheidsinstanties om belangrijk leidinggevend personeel in staatsondernemingen te benoemen en te ontslaan, zoals bepaald in de Chinese wetgeving, kan worden beschouwd als afspiegeling van de corresponderende eigendomsrechten, maar daarnaast vormen de cellen van de Chinese Communistische Partij (“de CCP”) in ondernemingen, niet alleen in staatsondernemingen maar ook in particuliere ondernemingen, een ander kanaal door middel waarvan de staat zich in de besluitvorming van ondernemingen kan mengen. Volgens het vennootschapsrecht van de VRC moet in elke onderneming een CCP-organisatie in het leven worden geroepen (met ten minste drie CCP-leden zoals bepaald in de statuten van de CCP) en de onderneming moet de nodige voorwaarden scheppen voor de activiteiten van de partijorganisatie. Deze eis lijkt in het verleden niet altijd te zijn gevolgd of strikt te zijn gehandhaafd. De CCP heeft haar aanspraken op zeggenschap bij zakelijke beslissingen in staatsondernemingen echter in elk geval sinds 2016 nadrukkelijker als politiek beginsel doen gelden. Ook zijn er berichten dat de CCP druk uitoefent op particuliere ondernemingen om “vaderlandslievendheid” voorop te stellen en zich naar de partijlijn te voegen. In 2017 werd bericht dat in 70 % van de circa 1,86 miljoen ondernemingen in particuliere eigendom partijcellen aanwezig waren, en dat er toenemende druk was om de CCP-organisaties het laatste woord te laten hebben bij de zakelijke besluitvorming in de betrokken ondernemingen. Deze voorschriften zijn van algemene toepassing in de Chinese economie, in alle sectoren, ook op producenten van het onderzochte product en de leveranciers van de inputs daarvoor.
(10) Uitvoeringsverordening (EU) 2024/1959, overwegingen 123 tot en met 133; Uitvoeringsverordening (EU) 2023/2180, overwegingen 65; Uitvoeringsverordening (EU) 2023/752, overwegingen 55 tot en met 63.
(11) Uitvoeringsverordening (EU) 2024/1959, overwegingen 134 tot en met 138; Uitvoeringsverordening (EU) 2023/2180, overwegingen 66 tot en met 69; Uitvoeringsverordening (EU) 2023/752, overweging 64.
(12) Uitvoeringsverordening (EU) 2024/1959, overwegingen 139 tot en met 142; Uitvoeringsverordening (EU) 2023/2180, overwegingen 71 en 72; Uitvoeringsverordening (EU) 2023/752, overweging 65.
(13) Uitvoeringsverordening (EU) 2024/1959, overwegingen 143 tot en met 152; Uitvoeringsverordening (EU) 2023/2180, overwegingen 72 tot en met 81; Uitvoeringsverordening (EU) 2023/752, overweging 66.
(14) Werkdocument van de diensten van de Commissie, “Significant Distortions in the Economy of the People’s Republic of China for the purposes of Trade Defence Investigations”, 10 april 2024, SWD(2024) 91 final, beschikbaar op https://ec.europa.eu/transparency/documents-register/detail?ref=SWD(2024)91&lang=en, met inbegrip van de eerdere versie van het document: Werkdocument van de diensten van de Commissie, “Significant Distortions in the Economy of the People’s Republic of China for the purposes of Trade Defence Investigations”, 20 december 2017, SWD(2017) 483 final/2, beschikbaar op https://ec.europa.eu/transparency/documents-register/detail?ref=SWD(2017)483&lang=en.
(15) Zie bladzijde 18 van de klacht (openbare versie).
(16) Zie bladzijden 19 tot en met 23 van de klacht (openbare versie).
(17) Zie bladzijden 20 tot en met 22 van de klacht (openbare versie).
(18) Zie bladzijde 23 van de klacht (openbare versie).
(19) Zie bladzijden 22 en 23 van de klacht (openbare versie).
(20) Zie bladzijde 24 van de klacht (openbare versie).
(21) Zie bladzijden 26 en 27 van de klacht (openbare versie).
(22) Zie bladzijden 24 tot en met 26 van de klacht (openbare versie).
(23) Zie https://en.yuanlichem.com.cn/ (geraadpleegd op 4 november 2025).
(24) Zie het jaarverslag van Shandong Yuanli, blz. 69, beschikbaar op https://static.sse.com.cn/disclosure/listedinfo/announcement/c/new/2025-04-25/603217_20250425_I1XA.pdf (geraadpleegd op 4 november 2025).
(25) Zie http://www.dongyuantech.com/page101?article_id=74 (geraadpleegd op 4 november 2025).
(26) Zie http://www.dongyuantech.com/ (geraadpleegd op 5 november 2025).
(27) Zie http://www.wuhai.gov.cn/wuhai/whyw75/qyjj/1932832/index.html (geraadpleegd op 5 november 2025).
(28) Zie https://www.whchem.com/column/84/ (geraadpleegd op 4 november 2025).
(29) Zie het jaarverslag 2024 van de Wanhua Chemical Group Co., Ltd, blz. 5, beschikbaar op https://static.sse.com.cn/disclosure/listedinfo/announcement/c/new/2025-04-15/600309_20250415_5QB0.pdf (geraadpleegd op 4 november 2025).
(30) Zie http://www.markor.com.cn/ (geraadpleegd op 4 november 2025).
(31) Zie https://finance.sina.com.cn/roll/2024-11-14/doc-incvzfqs1332548.shtml (geraadpleegd op 4 november 2025).
(32) Zie https://www.lanshantunhe.com/ (geraadpleegd op 4 november 2025).
(33) Zie http://www.sinopecgroup.com/group/en/000/000/041/41558.shtml (geraadpleegd op 4 november 2025).
(34) Zie het jaarverslag 2024 van de Xinjiang Zhongtai Group Ltd, blz. 13 en 106, beschikbaar op https://www.shclearing.com.cn/xxpl/cwbg/nb/202504/t20250425_1577647.html (geraadpleegd op 4 november 2025).
(35) Zie https://www.lanshantunhe.com/ en https://www.xj-inv.com/jianjie/ (geraadpleegd op 4 november 2025).
(36) Zie http://wap.sasac.gov.cn/n2588045/n27271785/n27271792/c14159097/content.html (geraadpleegd op 4 november 2025).
(37) Zie http://lyxs.sinopec.com/lyxs/pro_presentation/profile/ (geraadpleegd op 4 november 2025).
(38) Zie artikel 33 van de statuten van de CCP en artikel 19 van de Chinese vennootschapswet. Zie ook het rapport, hoofdstuk 3, blz. 47 tot en met 50.
(39) Zie https://finance.sina.com.cn/jjxw/2025-11-03/doc-infwckpi5523797.shtml?froms=ggmp (geraadpleegd op 5 november 2025).
(40) Zie http://www.cpcif.org.cn/list/40288043661dc14701661de581c4001c en http://www.cpcif.org.cn/detail/e7d79e3b-8a8d-441e-b862-9836210774a3 (geraadpleegd op 4 november 2025).
(41) Zie de statuten van de CPCIF, artikel 3, beschikbaar op: http://www.cpcif.org.cn/detail/40288043661e27fb01661e386a3f0001?e=1 (geraadpleegd op 5 november 2025).
(42) Ibidem.
(43) Zie de statuten van de CPCIF, artikel 36, beschikbaar op: http://www.cpcif.org.cn/detail/40288043661e27fb01661e386a3f0001?e=1 (geraadpleegd op 5 november 2025).
(44) Zie http://www.cpcif.org.cn/list/40288043661dc14701661ddbe0980010 (geraadpleegd op 20 oktober 2025).
(45) Zie de statuten van de CCFA, artikel 3, beschikbaar op: https://www.ccfa.com.cn/3/202109/2260.html (geraadpleegd op 5 november 2025).
(46) Ibidem.
(47) Zie de statuten van de CCFA, artikel 36, beschikbaar op: https://www.ccfa.com.cn/3/202109/2260.html (geraadpleegd op 5 november 2025).
(48) Zie https://www.ccfa.com.cn/11/202404/4264.html (geraadpleegd op 5 november 2025).
(49) Zie punt III.8.3 van het 14e vijfjarenplan voor economische en sociale ontwikkeling en de vooruitzichten voor 2035, beschikbaar op https://www.gov.cn/xinwen/2021-03/13/content_5592681.htm (geraadpleegd op 5 november 2025).
(50) Zie https://www.gov.cn/zhengce/zhengceku/2022-04/08/content_5683972.htm#msdynttrid=WRmyf07ph0z74SHmXoOLKjRWl09BdZ4lGdYp9fiI9xU (geraadpleegd op 5 november 2025).
(51) Ibidem, punt I.3.
(52) Ibidem, punt III.4.
(53) Zie https://www.ndrc.gov.cn/xxgk/zcfb/tz/202307/t20230727_1358715.html (geraadpleegd op 5 november 2025).
(54) Ibidem, afdeling II.
(55) Zie https://www.gov.cn/zhengce/zhengceku/202509/content_7042418.htm (geraadpleegd op 5 november 2025).
(56) Ibidem, punt III.2.
(57) Ibidem, punt III.4.
(58) Zie punt II.2.4, beschikbaar op: https://huanbao.bjx.com.cn/news/20211201/1191133.shtml (geraadpleegd op 5 november 2025).
(59) Ibidem, afdeling III.
(60) Zie https://www.gov.cn/zhengce/zhengceku/202411/content_6990315.htm (geraadpleegd op 5 november 2025).
(61) Zie http://wfrb.wfnews.com.cn/content/20210624/Articel05006TB.htm (geraadpleegd op 5 november 2025).
(62) Zie http://www.dongyuantech.com/page111?article_id=80 (geraadpleegd op 5 november 2025).
(63) Zie het jaarverslag 2024 van Wanhua Chemical Group Co. Ltd, blz. 37, beschikbaar op: https://static.sse.com.cn/disclosure/listedinfo/announcement/c/new/2025-04-15/600309_20250415_CQ5Z.pdf (geraadpleegd op 5 november 2025).
(64) Zie http://www.sinopecgroup.com/group/gsglc/index.shtml (geraadpleegd op 5 november 2025).
(65) Zie http://www.sinopecgroup.com/group/000/000/041/41878.shtml (geraadpleegd op 5 november 2025).
(66) Rapport, deel III, hoofdstuk 16.
(67) Ibidem, punt 16.3.
(68) Zie punt IV.1.3, beschikbaar op: https://www.gov.cn/zhengce/zhengceku/2021-12/29/content_5665166.htm (geraadpleegd op 5 november 2025).
(69) Zie http://gxt.shandong.gov.cn/art/2021/9/13/art_310618_10320587.html (geraadpleegd op 5 november 2025).
(70) Ibidem.
(71) Zie https://www.sohu.com/a/606540835_121106854 (geraadpleegd op 5 november 2025).
(72) Uitvoeringsverordening (EU) 2024/1959, overwegingen 153 tot en met 157, en Uitvoeringsverordening (EU) 2023/2180, overwegingen 82 tot en met 84; Uitvoeringsverordening (EU) 2023/752, overweging 67.
(73) Zie punt VIII.16, beschikbaar op: https://www.gov.cn/zhengce/zhengceku/2022-04/08/content_5683972.htm#msdynttrid=WRmyf07ph0z74SHmXoOLKjRWl09BdZ4lGdYp9fiI9xU (geraadpleegd op 20 oktober 2025).
(74) Open gegevens van de Wereldbank — hoger midden-inkomen, https://data.worldbank.org/income-level/upper-middle-income.
(75) Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1976 van de Commissie van 12 november 2021 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op mono-ethyleenglycol van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika en het Koninkrijk Saudi-Arabië (PB L 402 van 15.11.2021, blz. 17, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2021/1976/oj, overweging 222).
(76) https://datamercantil.com.br/wp-content/uploads/2025/08/05-08-2025-Data-Mercantil-certificado.pdf.
(77) https://businessanalytiq.com/procurementanalytics/index/grey-hydrogen-price-index/.
(78) https://connect.ihsmarkit.com/gta/home/.
(79) https://businessanalytiq.com/procurementanalytics/index/grey-hydrogen-price-index/.
(80) https://www.ibge.gov.br/estatisticas/economicas/industria/9042-pesquisa-industrial-anual.html?=&t=destaques.
(81) https://www.gov.br/mme/pt-br/assuntos/secretarias/sntep/publicacoes/boletins-mensais-de-energia/boletins %20anos %20anteriores/2024/english.
(82) https://www.gov.br/mme/pt-br/assuntos/secretarias/sntep/publicacoes/boletins-mensais-de-energia/boletins %20anos %20anteriores/2024/english.
(83) https://www.gov.br/mme/pt-br/assuntos/secretarias/sntep/publicacoes/boletins-mensais-de-energia/boletins %20anos %20anteriores/2024/english.
(84) https://www.sabesp.com.br/assets/pdf/servicos/para-voce/comunicado-sabesp-2-24.pdf.
(85) Zie de toelichting bij de methode in overweging 190.
(86) Verordening (EU) 2015/755 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende de gemeenschappelijke regeling voor de invoer uit bepaalde derde landen (PB L 123 van 19.5.2015, blz. 33, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2015/755/oj). Volgens artikel 2, lid 7, van de basisverordening kunnen de binnenlandse prijzen in die landen niet worden gebruikt voor de vaststelling van de normale waarde.
(88) https://www.ibge.gov.br/estatisticas/economicas/industria/9042-pesquisa-industrial-anual.html?=&t=destaques.
(89) https://www.ibge.gov.br/en/statistics/economic/prices-and-costs/17136-national-consumer-pricce-index.html?edicao=36055&t=downloads.
(90) https://www.gov.br/mme/pt-br/assuntos/secretarias/sntep/publicacoes/boletins-mensais-de-energia/boletins %20anos %20anteriores/2024/english.
(91) https://mrsadvogados-com.translate.goog/lei-complementar-no-194-2022-icms-gas-natural-energia-eletrica-comunicacoes-e-transporte-coletivo-servicos-essenciais-e-indispensaveis/?_x_tr_sl=auto&_x_tr_tl=en&_x_tr_hl=en.
(92) https://www.gov.br/mme/pt-br/assuntos/secretarias/sntep/publicacoes/boletins-mensais-de-energia/boletins %20anos %20anteriores/2024/english.
(93) https://www.gov.br/mme/pt-br/assuntos/secretarias/sntep/publicacoes/boletins-mensais-de-energia/boletins %20anos %20anteriores/2024/english.
(94) https://www.sabesp.com.br/assets/pdf/servicos/para-voce/comunicado-sabesp-2-24.pdf.
(95) https://datamercantil.com.br/wp-content/uploads/2025/08/05-08-2025-Data-Mercantil-certificado.pdf.
(96) Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1336 van de Commissie van 25 september 2020 tot instelling van definitieve antidumpingrechten op bepaalde soorten polyvinylalcohol van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L 315 van 29.9.2020, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2020/1336/oj), overweging 352.
(97) Chemische basisproducten, kunstmeststoffen en stikstofverbindingen, kunststoffen en synthetische rubber in primaire vormen.
(98) https://orbis-r1.bvdinfo.com/.
(99) Zie overweging 1.
(100) ICIS (Independent Commodity Intelligence Services) verstrekt tegen betaling gespecialiseerde informatie voor de markten voor chemische stoffen, energie, gas, koolstof en steenkool.
(101) The Deepening Red Sea Shipping Crisis: Impacts and Outlook, document van de Wereldbank, geraadpleegd op 16 oktober 2025.
BIJLAGE
Andere niet in de steekproef opgenomen meewerkende producenten-exporteurs
|
Land |
Naam |
Aanvullende Taric-code |
|
Volksrepubliek China |
Shandong Yuanli Science and Technology Co., Ltd |
88AP |
|
Inner Mongolia Dongjing Biological Green Technology Co., Ltd |
88AQ |
|
|
Henan Kaixiang Fine Chemical Co., Ltd |
88AR |
|
|
Xinjiang Blue Ridge Tunhe Energy Co., Ltd |
88AS |
ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2026/270/oj
ISSN 1977-0758 (electronic edition)