|
Publicatieblad |
NL L-serie |
|
2026/71 |
13.1.2026 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2026/71 VAN DE COMMISSIE
van 12 januari 2026
tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op bariumcarbonaat van oorsprong uit de Volksrepubliek China en India
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (1) (“de basisverordening”), en met name artikel 9, lid 4,
Overwegende hetgeen volgt:
1. PROCEDURE
1.1. Opening van het onderzoek
|
(1) |
Op 20 december 2024 heeft de Europese Commissie (“de Commissie”) op grond van artikel 5 van de basisverordening een antidumpingonderzoek geopend met betrekking tot de invoer van bariumcarbonaat van oorsprong uit de Volksrepubliek China en India (“de betrokken landen”). Zij heeft daartoe een bericht van inleiding gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (2) (“het bericht van inleiding”). |
|
(2) |
De Commissie heeft het onderzoek geopend naar aanleiding van een klacht die op 5 november 2024 werd ingediend door Kandelium Group GmbH (“de klager” of “Kandelium”). De klacht is ingediend door de bedrijfstak van de Unie voor bariumcarbonaat in de zin van artikel 5, lid 4, van de basisverordening. Het bij de klacht gevoegde bewijsmateriaal over dumping en de aanmerkelijke schade als gevolg daarvan werd voldoende geacht om een onderzoek te openen. |
1.2. Registratie
|
(3) |
De Commissie heeft de invoer van het betrokken product bij Uitvoeringsverordening (EU) 2025/482 (3) (“de registratieverordening”) aan registratie onderworpen. |
1.3. Voorlopige maatregelen
|
(4) |
Overeenkomstig artikel 19 bis van de basisverordening heeft de Commissie de belanghebbenden op 14 juli 2025 een overzicht van de voorgestelde rechten verstrekt, alsook nadere gegevens over de berekening van de dumpingmarges en de marges die toereikend zijn om de schade voor de bedrijfstak van de Unie weg te nemen. De belanghebbenden werd verzocht om binnen drie werkdagen hun opmerkingen over de juistheid van de berekeningen kenbaar te maken. Er werden geen opmerkingen ontvangen. |
|
(5) |
Op 11 augustus 2025 stelde de Commissie bij Uitvoeringsverordening (EU) 2025/1724 van de Commissie (4) (“de voorlopige verordening”) een voorlopig antidumpingrecht in op bariumcarbonaat van oorsprong uit de Volksrepubliek China en India. |
1.4. Vervolg van de procedure
|
(6) |
Naar aanleiding van de mededeling van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan een voorlopig antidumpingrecht was ingesteld (“mededeling van de voorlopige bevindingen”), hebben twee producenten-exporteurs (Guizhou Redstar Developing Co., Ltd. (“Redstar”) en Hubei Jingshan Chutian Barium Salt Corp. Ltd (“Chutian”)), alsook de klager, binnen de in artikel 2, lid 1, van de voorlopige verordening vastgestelde termijn schriftelijke opmerkingen over de voorlopige bevindingen ingediend. |
|
(7) |
De partijen zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Er werd geen verzoek om een hoorzitting ingediend. |
|
(8) |
De Commissie is doorgegaan met het verzamelen en controleren van alle informatie die zij voor haar definitieve bevindingen nodig achtte. Bij het vaststellen van de definitieve bevindingen heeft de Commissie de opmerkingen van de belanghebbenden in overweging genomen en waar passend haar voorlopige conclusies herzien. |
|
(9) |
De Commissie heeft alle belanghebbenden ingelicht over de belangrijkste feiten en overwegingen op basis waarvan zij voornemens was een definitief antidumpingrecht in te stellen op bariumcarbonaat van oorsprong uit de Volksrepubliek China en India (“de mededeling van de definitieve bevindingen”). Alle belanghebbenden konden hierover binnen een bepaalde termijn na deze mededeling opmerkingen indienen. |
|
(10) |
De belanghebbenden zijn ook in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Er werd geen verzoek om een hoorzitting ingediend. |
1.5. Argumenten inzake de opening van het onderzoek
|
(11) |
Er werden geen argumenten betreffende de opening ontvangen. Bijgevolg werd de conclusie in overweging 6 van de voorlopige verordening bevestigd. |
1.6. Samenstelling van de steekproef
|
(12) |
Er werden geen opmerkingen over de steekproef ontvangen. Bijgevolg werden de conclusies in de overwegingen 7 tot en met 14 van de voorlopige verordening bevestigd. |
1.7. Antwoorden op de vragenlijst en controlebezoeken
|
(13) |
Er werden geen opmerkingen over de antwoorden op de vragenlijst en de controlebezoeken ontvangen. Bijgevolg werden de conclusies in de overwegingen 15 tot en met 18 van de voorlopige verordening bevestigd. |
1.8. Onderzoektijdvak en beoordelingsperiode
|
(14) |
Er werden geen opmerkingen over het onderzoektijdvak en de beoordelingsperiode ontvangen. Bijgevolg werden de conclusies in overweging 19 van de voorlopige verordening bevestigd. |
2. BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT
|
(15) |
Er werden geen opmerkingen over het betrokken product en het soortgelijke product ontvangen. Bijgevolg werden de conclusies in de overwegingen 20 tot en met 25 van de voorlopige verordening bevestigd. |
3. DUMPING
3.1. China
|
(16) |
Naar aanleiding van de mededeling van de voorlopige bevindingen hebben de twee in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs, alsook de klager, opmerkingen ingediend over de voorlopige bevindingen inzake dumping. |
3.1.1. Bestaan van verstoringen van betekenis en representatief land
|
(17) |
Aangezien er geen argumenten betreffende het bestaan van verstoringen van betekenis en het gekozen representatief land werden ingediend, werden de punten 3.1.2 en 3.1.3 van de voorlopige verordening bevestigd. |
3.1.2. Normale waarde
|
(18) |
De details van de berekening van de normale waarde zijn uiteengezet in de overwegingen 26 tot en met 130 van de voorlopige verordening. |
|
(19) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde Redstar aan dat er een grote discrepantie bestaat tussen de dumpingmarges van Chinese en Indiase producenten, ondanks vergelijkbare schademarges. Volgens Redstar wees dit erop dat de door berekening vastgestelde normale waarden die op Chinese producenten worden toegepast geen nauwkeurige afspiegeling van de marktomstandigheden vormen. |
|
(20) |
Ten eerste heeft de Commissie, zoals uiteengezet in de overwegingen 82 tot en met 84 van de voorlopige verordening, in het kader van dit onderzoek feitelijke bewijzen gevonden voor het bestaan van verstoringen van betekenis in de sector bariumcarbonaat in de VRC. De Commissie concludeerde derhalve dat het voor de vaststelling van de normale waarde voor producenten-exporteurs uit de VRC niet passend is om de binnenlandse prijzen en kosten in de VRC te gebruiken. Daarom heeft de Commissie de normale waarde van de Chinese producenten-exporteurs overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening berekend aan de hand van productie- en verkoopkosten waarin niet-verstoorde prijzen of benchmarks tot uitdrukking komen. Voor India werd daarentegen niet aangevoerd of vastgesteld dat er sprake was van verstoringen van betekenis. Daarom werd de normale waarde voor de Indiase producent-exporteur vastgesteld overeenkomstig artikel 2, leden 2 tot en met 6, van de basisverordening. Ten tweede heeft Redstar geen bewijsmateriaal overgelegd waaruit blijkt dat in dit geval niet zou zijn voldaan aan de voorwaarden om artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening te gebruiken om de normale waarde vast te stellen voor Chinese producenten-exporteurs. Het argument van Redstar in dit verband werd in de voorlopige verordening afgewezen en werd noch na de mededeling van de voorlopige bevindingen, noch in antwoord op de mededeling van de definitieve bevindingen, verder onderbouwd. Het verschil in de dumpingmarges alleen maakt de op de Chinese producenten toegepaste methode niet ongeldig. Het argument van Redstar moest derhalve worden afgewezen. |
3.1.2.1. Bronnen die zijn gebruikt om kosten en benchmarks vast te stellen
|
(21) |
Naar aanleiding van de mededeling van de voorlopige bevindingen herhaalde een van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs, Chutian, zijn in overweging 110 van de voorlopige verordening uiteengezette stelling dat de prijzen die als benchmarkwaarden voor barieterts worden gebruikt, niet op de Turkse invoerprijzen maar op de Indiase uitvoerprijzen moeten worden gebaseerd. Zoals uiteengezet in overweging 111 van de voorlopige verordening verschilt de productmix van Indiaas barieterts niet wezenlijk van het in Turkije ingevoerde barieterts, waardoor het argument dat de Indiase prijzen en de soorten barieterts meer representatief zijn voor het barieterts dat door de Chinese producenten wordt gebruikt dan het in Turkije ingevoerde erts, niet relevant is. Bovendien heeft Chutian geen substantieel bewijs geleverd om zijn stellingen te onderbouwen en zijn de Turkse invoerprijzen van barieterts in elk geval in overeenstemming met de Indiase prijzen. Het argument van Chutian werd derhalve afgewezen. |
|
(22) |
Bovendien zou de Commissie er volgens Chutian voor moeten zorgen dat de prijzen van barieterts de waarde van ruw barieterts weerspiegelen en niet de waarde van barietpoeder. Chutian merkte voorts op dat de kwaliteit van in de aardolie-industrie gebruikt bariet hoger is dan die van in de chemische industrie gebruikt bariet, en dat de barietprijs die wordt gebruikt voor de vaststelling van de productiefactoren, gebaseerd moet zijn op het bariumsulfaatgehalte. Ten eerste, in tegenstelling tot wat Chutian stelt, heeft de Commissie voor het vaststellen van de benchmarkwaarde voor barieterts uitsluitend de vervangingskosten van ruw barieterts gebruikt, oftewel de door de in de steekproef opgenomen Chinese producenten-exporteurs gebruikte grondstof, en heeft zij bariet in poedervorm buiten beschouwing gelaten. Daarnaast is het argument van Chutian met betrekking tot het verband tussen de kwaliteit van het barieterts/het bariumsulfaatgehalte en de prijs van het erts, niet onderbouwd. Chutian heeft voorts niet aangetoond op welke kwaliteit en welk bariumsulfaatgehalte de in de GTA-statistieken opgenomen prijzen van barieterts betrekking hebben. De argumenten van Chutian werden derhalve afgewezen. |
|
(23) |
Daarnaast voerde Chutian aan dat de Turkse invoer van barieterts (meer dan 102 kt) een aanzienlijk minder representatieve basis vormde voor de benchmark voor de productiefactoren dan de Indiase uitvoer van barieterts (meer dan 1 500 kt). De Commissie merkte op dat louter het feit dat de Indiase uitvoer grotere hoeveelheden betrof dan de invoer in Turkije, er niet tot leidt dat de Turkse statistieken minder representatief zouden zijn, met name gezien de absolute hoeveelheden van de Turkse invoer. Er werd geen ander bewijsmateriaal verstrekt waaruit blijkt dat de invoerprijzen in Turkije niet representatief zouden zijn. Dit geldt des te meer in een situatie waarin Turkije als passend representatief land in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening was aangewezen, onder meer op basis van het feit dat het niveau van economische ontwikkeling vergelijkbaar is met dat van de VRC. |
|
(24) |
In zijn antwoord op de mededeling van de voorlopige bevindingen heeft Chutian de Commissie voorts verzocht om onregelmatige invoer uit te sluiten van de benchmarkberekening voor barieterts, aangezien deze een verstorend effect zou hebben. Meer in het bijzonder verzocht Chutian de invoer van ruw barieterts uit Marokko, dat een hogere prijs heeft dan ingevoerd vermalen bariet, uit te sluiten. Chutian stelde voorts dat een andere in de GTA opgenomen invoertransactie met een zeer geringe hoeveelheid en een aanzienlijk hogere eenheidsprijs als onregelmatig moest worden aangemerkt en eveneens moest worden uitgesloten. |
|
(25) |
Ten eerste zijn de invoerprijzen van barieterts in Turkije eenvoudig in de GTA te raadplegen met een mate van granulariteit die de Commissie in staat stelde de statistieken voor barieterts in ruwe, onbewerkte vorm, zoals gebruikt door de Chinese producenten-exporteurs, te isoleren en te onderscheiden. De Commissie heeft zich er tevens van vergewist dat er voldoende representatieve en niet-verstoorde hoeveelheden van deze invoer waren om er zeker van te zijn dat de effecten van eventuele abnormale prijzen aan de onder- en bovenkant van de bandbreedte in het uiteindelijke gemiddelde automatisch waren beperkt. Er is derhalve geen geldige reden om de invoer van ruw barieterts uit Marokko uit te sluiten. In dezelfde trant maken het benchmarken van prijzen ten opzichte van andere vormen van de betreffende grondstof (ruwe vorm tegenover poedervorm) en eventueel daaruit voortvloeiende verschillen de gehanteerde benchmark niet ongeschikt. Wat de invoer van een geringe hoeveelheid met een duidelijk hogere eenheidsprijs betreft, zou een eventuele uitsluiting van deze transactie bovendien geen gevolgen hebben voor de uiteindelijke benchmark voor de productiefactoren, en werd dit aspect derhalve irrelevant geacht. |
|
(26) |
Na de mededeling van de voorlopige bevindingen, en in zijn antwoord op de mededeling van de definitieve bevindingen, voerde een andere in de steekproef opgenomen exporteur, Redstar, onder verwijzing naar artikel 2, lid 10, van de basisverordening aan dat de brongegevens betreffende de niet-verstoorde waarden voor barieterts (en CO2) niet overeenkwamen met de situatie van Redstar. Meer in het bijzonder voerde Redstar aan dat het gebruik door de Commissie van invoergegevens op cif-basis de niet-verstoorde waarden op kunstmatige wijze heeft opgedreven, aangezien Redstar barieterts uit een nabijgelegen mijn won. Volgens Redstar waarborgen het buiten beschouwing laten van de kosten van zeevracht, verzekeringen en invoerrechten en het uitvoeren van een vergelijking op basis van de fob-prijs derhalve een billijkere vergelijking overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening. |
|
(27) |
Ten eerste is de verwijzing van Redstar naar artikel 2, lid 10, van de basisverordening misplaatst. Artikel 2, lid 10, verwijst naar de billijke vergelijking tussen de uitvoerprijzen en de normale waarde, niet naar de berekening van de normale waarde. Ten tweede merkte de Commissie op dat de in de handelsstatistieken beschikbare cif-invoerprijzen (gecorrigeerd voor invoerheffingen) rechtstreeks concurreren met de binnenlandse prijzen in het representatieve land en derhalve in dit geval als geschikte benchmark zijn gebruikt. Het argument van Redstar werd derhalve afgewezen. |
|
(28) |
In zijn antwoord op de mededeling van de voorlopige bevindingen herhaalde Chutian zijn verzoek om een aanpassing van de CO2-prijzen teneinde verstoringen als gevolg van CO2 van levensmiddelenkwaliteit en in cilinders vervoerde CO2 op te heffen. In dezelfde geest herhaalde Redstar in zijn antwoord op de mededeling van de voorlopige bevindingen dat het gebruik door de Commissie van prijzen van vloeibare CO2 in cilinders niet representatief was voor de prijzen die daadwerkelijk worden betaald door de Chinese producenten die gebruikmaken van vervoer per tank of vrachtwagen. Redstar heeft de Commissie bijgevolg verzocht de invoergegevens voor vloeibare CO2 in cilinders buiten beschouwing te laten en uitsluitend de prijs van de CO2 in tanks in overweging te nemen. |
|
(29) |
De argumenten van de producenten-exporteurs zijn in overweging 114 van de voorlopige verordening aan de orde gesteld en afgewezen. Bovendien hebben Chutian en Redstar niet aangetoond dat (en in welke mate) de voor CO2 vastgestelde benchmark verschillende kwaliteiten en vervoerswijzen (cilinders of vrachtwagens) omvatte, en in hoeverre de prijzen zouden verschillen. De argumenten van Chutian en Redstar werden als ongegrond beschouwd en werden derhalve afgewezen. |
|
(30) |
In antwoord op de mededeling van de voorlopige bevindingen herhaalde de klager (Kandelium) dat de vastgestelde vervangingskosten van bitumineuze steenkool en CO2 moeten worden gecorrigeerd om de door de producenten in Turkije gemaakte kosten te weerspiegelen. Onder verwijzing naar de overwegingen 104 en 115 van de voorlopige verordening werden de argumenten van Kandelium afgewezen. Er werd meer in het bijzonder op gewezen dat de Commissie, indien er voor een bepaalde input geen representatieve benchmark beschikbaar is in de nationale of invoerstatistieken van het representatieve land en er alternatieve benchmarks worden gebruikt, de prijs van die input zoals die door binnenlandse producenten in het representatieve land (in dit geval Turkije) wordt betaald, niet langer vaststelt. |
3.1.2.2. Bronnen die zijn gebruikt om de redelijke en niet-verstoorde bedragen voor VAA-kosten en winst vast te stellen
|
(31) |
In antwoord op de mededeling van de voorlopige bevindingen stelde Chutian dat de VAA-kosten van Sisecam die zijn gebruikt voor de berekening van de normale waarde, moeten worden gecorrigeerd teneinde de vervoerskosten, verzekeringskosten, commissies en verpakkingskosten uit te sluiten, aangezien deze reeds in de transactie-per-transactietabellen voor de verkoop in de Unie waren vermeld. Ten eerste geldt dat met name de vervoerskosten (die aanzienlijk hoger liggen dan de verzekeringskosten, verpakkingskosten of commissies) naar behoren van de VAA-kosten van Sisecam zijn uitgesloten overeenkomstig de tweede mededeling en de bijbehorende bijlagen Vib en Vic. Ten tweede merkte de Commissie op dat de verpakkingskosten in het onderhavige geval niet zijn beschouwd als op de uitvoerprijs in mindering gebrachte correcties, waarmee het argument van Chutian op dit punt ongegrond werd verklaard. Ten derde boden de openbaar beschikbare gegevens betreffende de VAA-kosten van Sisecam wat betreft de verzekeringskosten en commissies geen ruimte voor de vaststelling van het doel van deze kostenposten, noch van de mate waarin (voor zover van toepassing) deze betrekking zouden hebben op het chroomsulfaatsegment waar het in dit geval om gaat. Er werd bijgevolg geen correctie op de VAA-kosten toegepast wegens deze kostenposten. Samenvattend werden de door de Commissie vastgestelde VAA-kosten van Sisecam redelijk geacht overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening. Het argument van Chutian moest derhalve worden afgewezen. |
|
(32) |
Daarnaast verzocht Chutian de Commissie een aantal uitgaven van de VAA-kosten betreffende de productie van chroomsulfaat uit te sluiten aangezien deze geen juiste weergave vormen van de door de (Chinese) producenten van bariumcarbonaat gemaakte VAA-kosten. De Commissie bracht echter in herinnering dat artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening, niet tot doel heeft de VAA-kosten van de producenten-exporteurs van bariumcarbonaat (die verstoord worden geacht) te weerspiegelen. Het doel is juist redelijke en niet-verstoorde VAA-kosten vast te stellen. In dit geval zijn Sisecam en Alkim, Turkse producenten van chroomsulfaat (dat als geschikt representatief product in dezelfde algemene categorie als bariumcarbonaat wordt beschouwd), naar behoren vastgesteld als representatieve producenten en zijn hun VAA-gegevens dienovereenkomstig gebruikt als redelijke indicator voor de vaststelling van redelijke bedragen voor VAA-kosten en voor winst. Het argument van Chutian werd derhalve afgewezen. |
3.1.3. Uitvoerprijs
|
(33) |
De details van de berekening van de uitvoerprijs zijn uiteengezet in overweging 131 van de voorlopige verordening. Aangezien er geen opmerkingen over de uitvoerprijs werden ontvangen, werd de conclusie in overweging 131 bevestigd. |
3.1.4. Vergelijking
|
(34) |
Aangezien er geen argumenten betreffende de billijke vergelijking uit hoofde van artikel 2, lid 10, van de basisverordening, werden ontvangen, werden de overwegingen 132 tot en met 135 van de voorlopige verordening bevestigd. |
3.1.5. Dumpingmarges
|
(35) |
Aangezien er geen argumenten betreffende de berekening van de dumpingmarge werden ontvangen, werd overweging 142 van de voorlopige verordening bevestigd. |
|
(36) |
De definitieve dumpingmarges, uitgedrukt als een percentage van de cif-prijs (kosten, verzekering en vracht) grens Unie, vóór inklaring, zijn als volgt:
|
3.2. India
|
(37) |
De Commissie heeft naar aanleiding van de mededeling van de voorlopige bevindingen geen opmerkingen ontvangen over de berekeningen van de dumpingmarge met betrekking tot India. |
|
(38) |
De voorlopige bevindingen van de Commissie in de overwegingen 143 tot en met 159 van de voorlopige verordening werden derhalve bevestigd. |
|
(39) |
De definitieve dumpingmarges, uitgedrukt als een percentage van de cif-prijs (kosten, verzekering en vracht) grens Unie, vóór inklaring, zijn als volgt:
|
4. SCHADE
4.1. Omschrijving van de bedrijfstak van de Unie en de productie in de Unie
|
(40) |
Aangezien er geen opmerkingen over de definitie van de bedrijfstak van de Unie en de productie in de Unie werden ontvangen, werden de conclusies in de overwegingen 160 tot en met 162 van de voorlopige verordening bevestigd. |
4.2. Verbruik in de Unie
|
(41) |
Aangezien er geen opmerkingen over het verbruik in de Unie werden ontvangen, werden de conclusies in de overwegingen 163 tot en met 165 van de voorlopige verordening bevestigd. |
4.3. Invoer uit de betrokken landen
|
(42) |
Naar aanleiding van de mededeling van de voorlopige bevindingen merkte Chutian op dat de invoer uit de VRC gedurende de beoordelingsperiode was afgenomen, dit in tegenstelling tot de invoer uit India die almaar bleef toenemen tegen prijzen die constant lager lagen dan de Chinese invoerprijzen. Chutian voerde aan dat dit bewijs is van wezenlijk uiteenlopende marktgedragingen en dat de invoer uit de VRC niet met de invoer uit India mag worden samengevoegd, en verzocht de Commissie de vermeende schade als gevolg van de Chinese uitvoer afzonderlijk van de door de Indiase uitvoer veroorzaakte schade te beoordelen. |
|
(43) |
De Commissie was het niet eens met deze opmerking. Hoewel het Indiase marktaandeel toenam van [10-25 %] in 2021 tot [20-25 %] in het onderzoektijdvak, slaagde de VRC er toch in zijn aanzienlijke marktaandeel van [40-55 %] te behouden. Daarnaast onderboden de uitvoerprijzen van beide landen in aanzienlijke mate de prijzen van de bedrijfstak van de Unie gedurende de beoordelingsperiode. Om deze redenen was de Commissie van oordeel dat het juist was de invoer uit India en de VRC voor de vaststelling van de schade voor de bedrijfstak van de Unie, cumulatief te beoordelen. |
|
(44) |
De Commissie bevestigde dat de voorwaarden voor de cumulatieve beoordeling van de invoer uit hoofde van artikel 3, lid 4, van de basisverordening, zijn beoordeeld, en dat in de overwegingen 166 tot en met 169 van de voorlopige verordening is vastgesteld dat hieraan was voldaan. De belanghebbenden, waaronder Chutian, hebben na de instelling van voorlopige maatregelen geen nieuwe argumenten aangevoerd die tot een wijziging van deze beoordeling zouden kunnen leiden of die van belang zouden zijn uit hoofde van artikel 3, lid 4, van de basisverordening. |
|
(45) |
Het argument werd derhalve afgewezen. |
4.4. Economische situatie van de bedrijfstak van de Unie
|
(46) |
Naar aanleiding van de mededeling van de voorlopige bevindingen voerde Chutian aan dat de negatieve kasstroom van de bedrijfstak van de Unie deels het gevolg was van de aanpassingen in de gecontroleerde rekeningen van de producent in de Unie als gevolg van herwaardering van de voorraden en herverdeling van de kosten na een wijziging in het verslagleggingssysteem. Chutian stelde voorts dat de Commissie niet heeft toegelicht of deze effecten van de schadebeoordeling waren uitgesloten. Chutian verzocht de Commissie bekend te maken of, en zo ja, hoe, deze aanpassingen waren uitgesloten, en indien dat niet het geval was deze alsnog uit te sluiten en de schade en het oorzakelijk verband dienovereenkomstig opnieuw te beoordelen. |
|
(47) |
In overweging 206 van de voorlopige verordening heeft de Commissie toegelicht dat de belangrijkste factor voor de ontwikkeling van de kasstroom gedurende de beoordelingsperiode de sterk afnemende winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie was. Dit was vooral het gevolg van het feit dat de bedrijfstak van de Unie niet in staat was de prijzen aan te passen in reactie op de aanzienlijke druk als gevolg van de invoer met dumping uit de VRC en India, als gevolg waarvan de bedrijfstak de stijgende kosten niet kon dekken. De Commissie bevestigde dat zij met betrekking tot de voor de beoordeling gebruikte cijfers, terdege rekening had gehouden met de gevolgen van de aanpassingen in de rekeningen van de producent in de Unie. Indien het effect van de wijziging in het verslagleggingssysteem op de kasstroom in de schade-indicator buiten beschouwing zou worden gelaten, zou de daling in de kasstroom gedurende de beoordelingsperiode nog groter zijn. Aangezien het hier om vertrouwelijke bedrijfsinformatie gaat, is het niet mogelijk de effecten van de aanpassingen in de rekeningen gedetailleerder bekend te maken. Het argument van Chutian werd derhalve afgewezen. |
|
(48) |
Chutian voerde voorts aan dat de investeringsgroei gedurende de beoordelingsperiode het gevolg was van een uitgestelde, eenmalige investering met betrekking tot gezondheids-, veiligheids- en milieumaatregelen (HSE). Chutian stelde dat deze investering was uitgesteld tot na de scheiding tussen Kandelium en Solvay en dat de bijbehorende kosten waren toegerekend aan de jaren waarin deze investering plaatsvond. Chutian stelde dat deze toerekening de schadebeoordeling zou kunnen verstoren, aangezien de effecten van uitgestelde investeringen moeten worden verdeeld over de periode waarin de investeringen gedaan hadden moeten zijn, niet alleen over de beoordelingsperiode. Chutian verzocht de Commissie de schadebeoordeling aan te passen door de HSE-investeringskosten over het passende tijdsbestek te verdelen. |
|
(49) |
De Commissie was van oordeel dat het toerekenen van de kosten van de investering aan de periode voorafgaand aan het moment waarop de investering daadwerkelijk plaatsvond, haaks zou staan op de internationale standaarden voor jaarrekeningen en speculatief van aard zou zijn, en de opmerking werd derhalve afgewezen. |
4.5. Conclusie over schade
|
(50) |
Alle door de belanghebbenden na de voorlopige verordening aangevoerde argumenten werden afgewezen. De Commissie heeft de conclusies over schade in de overwegingen 209 tot en met 212 van de voorlopige verordening derhalve bevestigd. |
5. OORZAKELIJK VERBAND
5.1. Gevolgen van de invoer met dumping
|
(51) |
Naar aanleiding van de mededeling van de voorlopige bevindingen voerden Redstar en Chutian aan dat de stijging van de productiekosten van de bedrijfstak van de Unie gedurende de beoordelingsperiode het gevolg was van uitzonderlijke omstandigheden, waaronder de stijging van de grondstoffenprijzen en de energiekosten, en dat deze niet aan de invoer met dumping uit de VRC moet worden toegerekend. Daarnaast betwistte Redstar het argument van de Commissie dat de invoer met dumping Kandelium had belemmerd bij het dekken van zijn kosten. Redstar herhaalde deze opmerkingen ook in zijn antwoord op de mededeling van de definitieve bevindingen. |
|
(52) |
Chutian stelde meer in het bijzonder dat de schade als gevolg van de stijging van de loonkosten niet kon worden toegerekend aan de invoer met dumping uit de VRC. Chutian herhaalde dat de loonkosten van Kandelium waren gestegen als gevolg van de afsplitsing van de Solvay Group in 2021. Vóór de afsplitsing nam Solvay inderdaad bepaalde horizontale kosten voor zijn rekening, waaronder administratiekosten. Chutian verzocht de Commissie bekend te maken of, en zo ja, hoe, de effecten van deze stijgingen van de loonkosten als gevolg van de reorganisatie van deze ondernemingen van de schade-indicatoren waren uitgesloten, en verzocht de Commissie die effecten uit te sluiten van de prijsonderbiedings- en prijsbederfmarges en haar beoordeling van het oorzakelijk verband dienovereenkomstig te herzien. |
|
(53) |
De Commissie stelde vast dat de loonkosten van Kandelium waren beïnvloed door inflatie en de afsplitsing van de onderneming, zoals uiteengezet in overweging 200 van de voorlopige verordening. De Commissie was desalniettemin van oordeel dat de invoer met dumping uit de VRC gedurende de betrokken periode een aanzienlijk marktaandeel vormde (40-55 %) en dat de prijzen hiervan gedurende dezelfde periode met 4 % waren gedaald. Hierdoor was de bedrijfstak van de Unie, die reeds verliezen leed, niet in staat de gestegen kosten door te berekenen aan de eindafnemers. De invoer met dumping uit de VRC tegen dalende prijzen heeft daarmee tijdens de beoordelingsperiode rechtstreeks bijgedragen aan de uitholling van de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie. |
|
(54) |
Daarnaast was de Commissie van oordeel dat Kandelium na de afsplitsing van Solvay verder was gegaan als individuele onderneming met eigen horizontale en administratieve diensten. Aangezien deze kosten niet als uitzonderlijk werden beschouwd, heeft de Commissie de kosten niet uitgesloten van de berekeningen van de prijsonderbieding of de beoordeling van het oorzakelijk verband. |
|
(55) |
Tot slot staat vast dat de energiecrisis tot een sterke stijging van de energiekosten heeft geleid en vervolgens tot een sterke stijging van de productiekosten voor bariumcarbonaat in de Unie, zoals opgemerkt in overweging 196 van de voorlopige verordening. Ondanks de stijgende productiekosten en het feit dat de energieprijzen recordhoogte bereikten, waren de producenten in de Unie in de periode 2021-2022 echter in staat hun verkoopprijzen te verhogen om deze kosten op te vangen en tegelijkertijd hun verkoopvolumes op een stabiel niveau te houden doordat ook de prijzen van de Chinese en Indiase invoer in 2022 bijzonder hoog waren. De winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie daalde daarentegen scherp tot een onhoudbaar laag niveau in 2023 en gedurende het onderzoektijdvak, toen de stijgende trend van de energieprijzen was omgebogen. Gedurende deze periode moest de bedrijfstak van de Unie in een krimpende markt zijn verkoopprijzen verlagen wegens de prijsdruk als gevolg van de invoer met dumping uit de VRC en India, met verliezen in termen van verkoopvolume en marktaandeel tot gevolg. De Commissie heeft deze opmerking derhalve afgewezen. |
|
(56) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde Redstar aan dat de Commissie schade die in feite werd veroorzaakt door andere, niet met de invoer verband houdende factoren, ten onrechte aan de invoer met dumping heeft toegeschreven. Volgens Redstar was het onrealistisch te verwachten dat een uitzonderlijke kostenstijging die het gevolg was van de energiecrisis, inflatie en zakelijke herstructureringen, volledig aan de afnemers zou worden doorberekend. |
|
(57) |
Redstar merkte op dat de producent in de Unie er reeds in was geslaagd een groot deel van zijn eerdere kostenstijgingen aan zijn afnemers door te berekenen, aangezien de verkoopprijzen in de Unie in 2022 evenredig stegen. Maar toen de productiekosten tussen 2022 en het eind van het OT bleven stijgen met nog eens 45 %, was het volgens Redstar echter twijfelachtig of de bedrijfstak van de Unie deze extra kostenstijging aan de afnemers zou kunnen doorberekenen, aangezien de bedrijfstak zijn prijzen het jaar daarvoor al aanzienlijk had verhoogd. Tot slot voerde Redstar aan dat de energiecrisis, de inflatie en de zakelijke herstructurering factoren waren die specifiek waren voor de Unie en geen gevolgen hadden voor Chinese of Indiase exporteurs, waardoor het onredelijk was om van die exporteurs te verwachten dat zij hun prijzen op dezelfde wijze zouden verhogen als de bedrijfstak van de Unie. |
|
(58) |
In de overwegingen 227 tot en met 237 van de voorlopige verordening heeft de Commissie de redenen voor de stijging van de productiekosten van de bedrijfstak van de Unie geanalyseerd en kwam zij tot de conclusie dat de gestegen productiekosten inderdaad het gevolg waren van hogere grondstofkosten, hogere energieprijzen en bepaalde achterstallige investeringen, maar dat zij het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping en de aanmerkelijke schade niet hebben afgezwakt of verbroken. In plaats daarvan stelde de Commissie vast dat de invoer met dumping een aanzienlijke prijsdruk uitoefende die het de bedrijfstak belette ten minste een deel van zijn gestegen productiekosten door te berekenen aan de downstreambedrijfstak om winstgevend te blijven. Zoals uiteengezet in de overwegingen 229 en 230 van de voorlopige verordening, was de bedrijfstak van de Unie in 2022, toen de Chinese en Indiase prijzen tijdens de beoordelingsperiode op het hoogste niveau lagen, in staat zijn verkoopprijzen te verhogen om zijn stijgende productiekosten te absorberen, waaruit blijkt dat de downstreammarkt in 2022 hogere prijzen aankon. Tussen 2022 en het eind van het OT daalde de verkoopprijs van de Chinese en Indiase invoer echter met ongeveer 50 %. Tegelijkertijd moest de bedrijfstak van de Unie, ondanks een verdere stijging van zijn productiekosten, zijn verkoopprijzen in het OT zelfs verlagen tot een niveau dat ongeveer 16 % onder zijn productiekosten lag. Hieruit blijkt dat de bedrijfstak van de Unie gedwongen was zijn prijzen te verlagen als gevolg van de verhindering van prijsverhogingen door invoer met dumping. Redstar heeft geen nieuw bewijsmateriaal verstrekt dat de bovenstaande bevinding in twijfel zou trekken. |
|
(59) |
Om bovenstaande redenen verwerpt de Commissie de opmerkingen van Redstar en bevestigt zij haar conclusies inzake het oorzakelijk verband. |
5.2. Conclusie inzake het oorzakelijk verband
|
(60) |
Alle door de partijen na de voorlopige verordening aangevoerde argumenten zijn afgewezen. Op basis van de bevindingen in de voorlopige verordening heeft de Commissie bijgevolg geconcludeerd dat de invoer met dumping uit de VRC en India de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade heeft berokkend en dat de andere factoren, ongeacht of deze individueel dan wel collectief werden beschouwd, het causale verband tussen de invoer met dumping en de materiële schade niet hebben afgezwakt of verbroken. De conclusies over het oorzakelijk verband in de overwegingen 233 tot en met 237 van de voorlopige verordening werden bevestigd. |
6. NIVEAU VAN DE MAATREGELEN
6.1. Schademarge
|
(61) |
Na de mededeling van de voorlopige bevindingen merkte Chutian op dat de bedrijfstak van de Unie bariumcarbonaat via het duurdere calcinatieproces produceert, terwijl Chutian gebruikmaakt van een minder duur persproces. Chutian verzocht de Commissie bekend te maken op welke wijze rekening is gehouden met dit verschil in productieprocessen bij de berekeningen van de dumping- en schademarge. |
|
(62) |
Bij de berekeningen van de dumping- en schademarge door de Commissie zijn de verschillende productieprocessen meegenomen in de zin dat deze berekeningen gebaseerd waren op vergelijkingen van vergelijkbare productsoorten aan de hand van het in het kader van het onderzoek vastgestelde productcontrolenummer (PCN). Zo werd de poedervormige productsoort vergeleken met de poedervormige productsoort, de geperste korrelvormige productsoort met de geperste korrelvormige productsoort, en de gecalcineerde korrelvormige productsoort met de gecalcineerde korrelvormige productsoort. Er is in de berekeningen derhalve terdege rekening gehouden met alle verschillen in productsoorten en de daarmee samenhangende productiekosten (en bijgevolg ook de productieprocessen). De Commissie heeft ten tijde van de mededeling van de voorlopige bevindingen de dumping- en schademarges op basis van de productsoorten volledig aan de relevante belanghebbenden, waaronder Chutian, bekendgemaakt. |
|
(63) |
Na de mededeling van de voorlopige bevindingen merkte Redstar op dat de kosten voortvloeiend uit verbintenissen op het gebied van milieu en arbeid die bij de berekening van de schademarges in de richtprijs van [20-100] EUR/ton zijn opgenomen, overeenkomstig artikel 7, lid 2 quinquies, van de basisverordening reëel moeten zijn en tijdens de periode van de antidumpingmaatregelen te verwachten moeten zijn. Met andere woorden: de Commissie kan bij het doorvoeren van toekomstgerichte prijscorrecties niet louter uitgaan van speculaties of aannamen. |
|
(64) |
Daarnaast was Redstar van mening dat de Commissie de relevante informatie voor de berekening van de toekomstige kosten van [20-100] EUR/ton niet op afdoende wijze had bekendgemaakt. Het ging hierbij met name om de opbouw en het berekeningsproces die met die kosten gepaard gaan, alsook de vraag of de bandbreedte van [20-100] EUR/ton was vastgesteld op basis van verschillende PCN’s, en zo ja, welk deel van de kosten aan welk PCN wordt toegewezen en waarom er sprake is van zo’n enorm verschil. |
|
(65) |
De Commissie bevestigt dat deze kosten en de onderliggende aannamen (met name de prognoses betreffende energieverbruik, energieprijzen en de prijzen van emissierechten voor verontreinigende stoffen) naar behoren ter plaatse zijn gecontroleerd in de bedrijfstak van de Unie. De producent in de Unie heeft de prijs van emissierechten voor toekomstige jaren op lineaire wijze geraamd (uitgaande van een stijging van [10-20] EUR per jaar per certificaat). Aangezien er, zoals aangegeven in overweging 162 van de voorlopige verordening, echter sprake is van slechts één producent in de Unie, kan de Commissie geen gedetailleerdere informatie bekendmaken, aangezien het hier om vertrouwelijke bedrijfsinformatie gaat en de vertrouwelijkheid moet worden gewaarborgd in overeenstemming met artikel 19 van de basisverordening. |
|
(66) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde Redstar aan dat de methode die leidde tot de geraamde toekomstige kosten van [20-100] EUR/ton onduidelijk bleef. Redstar verzocht met name om verduidelijking van de tijdshorizon van de toekomstige nalevingskosten, de betekenis van de “lineaire” verhoging van [10-20] EUR per emissiecertificaat per jaar, en van de vraag of voor alle PCN’s een gewogen gemiddelde benadering werd gebruikt. Redstar voerde verder aan dat de Chinese producenten-exporteurs ook onderworpen waren aan vereisten van milieu- en arbeidsrecht en dat de vergelijking tussen een richtprijs voor de bedrijfstak van de Unie, gecorrigeerd voor toekomstige nalevingskosten, en een niet-gecorrigeerde uitvoerprijs op basis van werkelijke gegevens, daarom twijfels deed rijzen over de vraag of de vergelijking wel als “billijk” kon worden beschouwd. |
|
(67) |
Overeenkomstig artikel 7, lid 2 quinquies, van de basisverordening wordt rekening gehouden met toekomstige kosten voortvloeiend uit multilaterale milieuovereenkomsten en de bijbehorende protocollen waarbij de Unie partij is of uit verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), die de bedrijfstak van de Unie tijdens de periode van toepassing van de maatregel zal maken. In overeenstemming met de basisverordening en de vaste praktijk van de Commissie werd de bedrijfstak van de Unie verzocht zijn toekomstige nalevingskosten voor de jaren van toepassing van de maatregel te rapporteren in het antwoord op de vragenlijst, en zijn deze gegevens door de Commissie ter plaatse gecontroleerd. Op basis van de gecontroleerde gegevens heeft de Commissie de toekomstige nalevingskosten voor de jaren 2025 tot en met 2028, uitgedrukt in EUR per ton, berekend door uit te gaan van de geraamde nettokosten van de CO2-emissies voor het onderzochte product. De prijs van het emissiecertificaat is gebaseerd op onmiddellijk beschikbare marktgegevens. Dezelfde berekende kosten per ton werden vervolgens opgeteld bij de richtprijs voor alle PCN’s. |
|
(68) |
In overeenstemming met artikel 2, lid 8, van de basisverordening weerspiegelt de uitvoerprijs daarentegen de werkelijk betaalde of te betalen prijzen van het product dat vanuit het land van uitvoer met het oog op uitvoer naar de Unie wordt verkocht. Op grond van de basisverordening kan de uitvoerprijs niet worden gecorrigeerd om rekening te houden met toekomstige nalevingskosten. Op basis hiervan verwerpt de Commissie de stelling van Redstar dat de vergelijking die tot de berekening van de schademarge heeft geleid, zoals beschreven in overweging 245 van de voorlopige verordening, niet “billijk” zou zijn. |
|
(69) |
De Commissie heeft de schademarge in dit opzicht derhalve niet gecorrigeerd. |
|
(70) |
Aangezien er geen opmerkingen zijn ontvangen die de herziening van de schademarges rechtvaardigen, is de definitieve schademarge voor de meewerkende producenten-exporteurs en alle andere ondernemingen als volgt:
|
6.2. Onderzoek van de marge die toereikend is om de schade voor de bedrijfstak van de Unie voor de VRC weg te nemen
|
(71) |
Zoals toegelicht in de overwegingen 247 en 248 van de voorlopige verordening, heeft de klager aan de Commissie voldoende bewijsmateriaal verstrekt waaruit blijkt dat er in de VRC sprake is van verstoringen van de grondstoffenmarkt met betrekking tot het onderzochte product. Derhalve is overeenkomstig artikel 7, lid 2 bis, van de basisverordening onderzoek gedaan naar de vermeende verstoringen teneinde te beoordelen of in voorkomend geval een recht lager dan de dumpingmarge toereikend zou zijn om een einde te maken aan de schade. |
|
(72) |
Aangezien de marges die toereikend zijn om de schade weg te nemen echter hoger zijn dan de dumpingmarges, was de Commissie van oordeel dat het niet nodig was dieper in te gaan op dit aspect. |
6.3. Conclusie inzake het niveau van de maatregelen
|
(73) |
Na bovenstaande beoordeling moeten de definitieve antidumpingrechten overeenkomstig artikel 7, lid 2, van de basisverordening als volgt worden vastgesteld:
|
7. BELANG VAN DE UNIE
|
(74) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen herhaalde de Spaanse nationale vereniging van fabrikanten van vernissen, glazuren en keramische kleuren (ANFFECC, Asociation Nacional de Fabricantes de Firtas, Esmaltes y Colores cerámicos) verschillende argumenten die zij reeds tijdens de voorlopige fase van het onderzoek had ingediend met betrekking tot het belang van de Unie, zonder echter nieuw bewijsmateriaal ter ondersteuning van deze argumenten te verstrekken. Deze argumenten zijn samengevat en behandeld in de overwegingen 273 tot en met 280 van de voorlopige verordening. Om deze redenen, en omdat deze opmerkingen werden ontvangen na de door de Commissie overeenkomstig artikel 20, lid 5, van de basisverordening vastgestelde termijn voor het indienen van opmerkingen over de mededeling van de definitieve bevindingen en ANFFECC niet om een verlenging van die termijn heeft verzocht, heeft de Commissie de opmerkingen in kwestie afgewezen. |
|
(75) |
De bevindingen in de overwegingen 250 tot en met 282 van de voorlopige verordening werden bevestigd. |
8. DEFINITIEVE ANTIDUMPINGMAATREGELEN
8.1. Definitieve maatregelen
|
(76) |
In het licht van de conclusies inzake dumping, schade, het oorzakelijk verband, de hoogte van de maatregelen en het belang van de Unie, en overeenkomstig artikel 9, lid 4, van de basisverordening, moeten definitieve antidumpingmaatregelen worden ingesteld om te voorkomen dat de bedrijfstak van de Unie nog meer schade lijdt door de invoer met dumping van het betrokken product. |
|
(77) |
Gezien het voorgaande moeten de definitieve antidumpingrechten, uitgedrukt in cif-prijs grens Unie, vóór inklaring, als volgt worden vastgesteld:
|
|
(78) |
De bij deze verordening voor bepaalde ondernemingen vastgestelde individuele antidumpingrechten zijn vastgesteld op basis van de bevindingen van dit onderzoek. Daarin wordt derhalve de situatie weerspiegeld die bij het onderzoek voor die ondernemingen werd geconstateerd. Deze rechten zijn derhalve uitsluitend van toepassing op het onderzochte product van oorsprong uit het betrokken land en geproduceerd door de genoemde juridische entiteiten. De invoer van het betrokken product dat is vervaardigd door andere ondernemingen die in het dispositief van deze verordening niet uitdrukkelijk worden genoemd, met inbegrip van entiteiten die aan de specifiek genoemde ondernemingen verbonden zijn, komt niet in aanmerking voor deze rechten, en op deze invoer moet het recht van toepassing zijn dat voor “alle overige invoer van oorsprong uit de betrokken landen” geldt. |
|
(79) |
Een onderneming die haar naam later wijzigt, kan verzoeken om de verdere toepassing van deze individuele antidumpingrechten. Dit verzoek moet worden ingediend bij de Commissie (5). Het moet alle relevante informatie bevatten waaruit blijkt dat de wijziging geen invloed heeft op het recht van de onderneming om in aanmerking te komen voor het recht dat op haar van toepassing is. Als de naamswijziging van de onderneming niet van invloed is op haar recht om in aanmerking te komen voor het recht dat op haar van toepassing is, zal een verordening over de naamswijziging worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie. |
|
(80) |
Om het risico van ontwijking als gevolg van het verschil in rechten zo veel mogelijk te beperken, zijn speciale maatregelen nodig om de correcte toepassing van de individuele antidumpingrechten te garanderen. De heffing van individuele antidumpingrechten is enkel van toepassing wanneer aan de douaneautoriteiten van de lidstaten een geldige handelsfactuur wordt overgelegd. Deze factuur moet voldoen aan de in artikel 1, lid 3, van deze verordening vastgestelde vereisten. Tot een dergelijke factuur wordt overgelegd, moet de invoer worden onderworpen aan het antidumpingrecht dat van toepassing is op “alle overige invoer van oorsprong uit de betrokken landen”. |
|
(81) |
Hoewel de douaneautoriteiten van de lidstaten over deze factuur moeten beschikken om ten aanzien van de invoer de individuele antidumpingrechten te kunnen toepassen, is overlegging van die factuur niet de enige factor waarmee de douaneautoriteiten rekening moeten houden. Zelfs als aan hen een factuur wordt overgelegd die voldoet aan alle vereisten van artikel 1, lid 3, van deze verordening, moeten de douaneautoriteiten van de lidstaten namelijk hun gebruikelijke controles uitvoeren en kunnen zij, net als in alle andere gevallen, aanvullende documenten (vervoersdocumenten enz.) verlangen om de juistheid van de gegevens in de aangifte te controleren en te waarborgen dat het lagere recht vervolgens terecht wordt toegepast, in overeenstemming met de douanewetgeving. |
|
(82) |
Indien de uitvoer door een van de ondernemingen waarvoor een lager individueel recht geldt aanzienlijk toeneemt, met name na de instelling van de maatregelen in kwestie, kan dit op zich worden beschouwd als een verandering in de structuur van het handelsverkeer als gevolg van de instelling van maatregelen in de zin van artikel 13, lid 1, van de basisverordening. In dergelijke omstandigheden kan een onderzoek naar ontwijking worden geopend, mits aan de voorwaarden daarvoor is voldaan. Hierbij kan onder meer worden onderzocht of het nodig is individuele rechten in te trekken en een voor het gehele land geldend recht in te stellen. |
|
(83) |
Om een goede toepassing van het antidumpingrecht te garanderen, moet het antidumpingrecht dat is vastgesteld voor alle overige invoer van oorsprong uit de betrokken landen niet alleen gelden voor de niet-meewerkende producenten-exporteurs in dit onderzoek, maar ook voor de producenten die in het onderzoektijdvak geen producten naar de Unie hebben uitgevoerd. |
|
(84) |
Producenten-exporteurs in de VRC die het betrokken product tijdens het onderzoektijdvak niet naar de Unie hebben uitgevoerd, moeten de Commissie kunnen verzoeken om toepassing van het antidumpingrecht voor niet in de steekproef opgenomen meewerkende ondernemingen. De Commissie moet een dergelijk verzoek inwilligen mits aan drie voorwaarden wordt voldaan. De nieuwe producent-exporteur zou moeten aantonen dat: i) hij het betrokken product tijdens het onderzoektijdvak niet naar de Unie heeft uitgevoerd; ii) hij niet verbonden is met een producent-exporteur die dat wel heeft gedaan; en iii) hij het betrokken product daarna heeft uitgevoerd of een onherroepelijke contractuele verplichting is aangegaan om dit in aanzienlijke hoeveelheden te doen. |
8.2. Definitieve inning van het voorlopige recht
|
(85) |
Gezien de hoogte van de vastgestelde dumpingmarges en de ernst van de schade die de bedrijfstak van de Unie heeft geleden, moeten de bedragen die uit hoofde van de bij de voorlopige verordening ingestelde voorlopige antidumpingrechten als zekerheid zijn gesteld, definitief worden geïnd tot het bij de onderhavige verordening vastgestelde niveau. |
8.3. Inning met terugwerkende kracht
|
(86) |
Zoals vermeld in punt 1.2, heeft de Commissie de invoer van het onderzochte product aan registratie onderworpen. |
|
(87) |
In het definitieve stadium van het onderzoek zijn de in het kader van de registratie verzamelde gegevens beoordeeld. De Commissie heeft onderzocht of aan de criteria van artikel 10, lid 4, van de basisverordening voor de inning van definitieve rechten met terugwerkende kracht is voldaan. |
|
(88) |
Uit het onderzoek van de Commissie is gebleken dat er naast de invoer die in het onderzoektijdvak schade heeft veroorzaakt, geen sprake was van een aanzienlijke toename van invoer in de zin van artikel 10, lid 4, punt d), van de basisverordening. Voor dit onderzoek heeft de Commissie de maandelijkse gemiddelde volumes en prijzen gedurende het onderzoektijdvak vergeleken met het maandelijkse gemiddelde in de periode tussen het eind van het onderzoektijdvak en de maand voorafgaand aan de registratie. Uit deze vergelijking bleek een daling van de volumes met 9 % en een stijging van de prijzen met 11 %. De Commissie heeft ook de maandelijkse gemiddelde volumes en prijzen gedurende het onderzoektijdvak vergeleken met het maandelijkse gemiddelde in de periode tussen het eind van het onderzoektijdvak en de maand waarin voorlopige maatregelen waren ingesteld. Uit deze vergelijking bleek een stijging van de volumes met 9 % en een daling van de prijzen met 7 %. Tegelijkertijd was er geen bewijsmateriaal in het dossier waaruit een seizoensgebonden karakter van het verbruik van het betrokken product blijkt. |
|
(89) |
Bijgevolg heeft de Commissie geconcludeerd dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor inning met terugwerkende kracht. |
9. SLOTBEPALING
|
(90) |
Indien een bedrag moet worden terugbetaald naar aanleiding van een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, geldt ingevolge artikel 109 van Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad (6) als rentevoet de rente die de Europese Centrale Bank voor haar basisherfinancieringstransacties hanteert, zoals bekendgemaakt in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie op de eerste kalenderdag van elke maand. |
|
(91) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) 2016/1036 ingestelde comité, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op bariumcarbonaat met een strontiumgehalte van meer dan 0,07 gewichtspercent en een zwavelgehalte van meer dan 0,0015 gewichtspercent, in de vorm van poeder of van geperste, dan wel gebrande korrels, momenteel ingedeeld onder GN-code ex 2836 60 00 (Taric-code 2836 60 00 10), en van oorsprong uit de Volksrepubliek China en India.
2. Het definitieve antidumpingrecht dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, van de in lid 1 genoemde en door de hieronder vermelde ondernemingen vervaardigde producten is als volgt:
|
Land van oorsprong |
Onderneming |
Definitief antidumpingrecht |
Aanvullende Taric-code |
|
Volksrepubliek China |
Guizhou Redstar Developing CO., LTD. |
83,9 % |
89SE |
|
Volksrepubliek China |
Hubei Jingshan Chutian Barium Salts Co., Ltd. |
72,6 % |
89SF |
|
Volksrepubliek China |
Andere meewerkende ondernemingen opgenomen in de bijlage |
78,2 % |
Zie bijlage |
|
Volksrepubliek China |
Alle overige invoer van oorsprong uit het betrokken land |
83,9 % |
8999 |
|
India |
Vishnu Barium Private Limited |
4,6 % |
89SH |
|
India |
Alle overige invoer van oorsprong uit het betrokken land |
4,6 % |
8999 |
3. De individuele rechten die zijn vastgesteld voor de in lid 2 vermelde ondernemingen zijn uitsluitend van toepassing indien aan de douaneautoriteiten van de lidstaten een geldige handelsfactuur wordt overgelegd die een verklaring bevat die is gedateerd en ondertekend door een met naam en functie geïdentificeerde medewerker van de entiteit die deze factuur heeft opgesteld, en die als volgt luidt: “Ondergetekende verklaart dat de (volume in de door ons gebruikte eenheid) (betrokken product) die naar de Europese Unie wordt uitgevoerd en waarop deze factuur betrekking heeft, is vervaardigd door (naam en adres van de onderneming) (aanvullende Taric-code) in het betrokken land. Ondergetekende verklaart dat de in deze factuur verstrekte informatie juist en volledig is.” Totdat een dergelijke factuur wordt overgelegd, geldt het recht dat van toepassing is op alle overige invoer van oorsprong uit het betrokken land.
4. Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.
Artikel 2
De bedragen die uit hoofde van het voorlopige antidumpingrecht als zekerheid zijn gesteld op grond van Uitvoeringsverordening (EU) 2025/1724 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op bariumcarbonaat van oorsprong uit de Volksrepubliek China en India, worden definitief geïnd. De bedragen die als zekerheid zijn gesteld en die het bedrag van het definitieve antidumpingrecht overschrijden, worden vrijgegeven.
Artikel 3
Artikel 1, lid 2, kan worden gewijzigd om nieuwe producenten-exporteurs uit de Volksrepubliek China toe te voegen en hen te onderwerpen aan het passende gewogen gemiddelde antidumpingrecht voor niet in de steekproef opgenomen meewerkende ondernemingen. Een nieuwe producent-exporteur moet met bewijs aantonen dat:
|
a) |
hij de in artikel 1, lid 1, beschreven goederen tijdens het onderzoektijdvak (1 oktober 2023 tot en met 30 september 2024) niet heeft uitgevoerd; |
|
b) |
hij niet verbonden is met een exporteur of producent op wie de bij deze verordening ingestelde maatregelen van toepassing zijn, en die aan het oorspronkelijke onderzoek hadden kunnen meewerken, en |
|
c) |
hij het betrokken product na het verstrijken van het onderzoektijdvak daadwerkelijk naar de Unie heeft uitgevoerd dan wel een onherroepelijke contractuele verplichting is aangegaan om een aanzienlijke hoeveelheid naar de Unie uit te voeren. |
Artikel 4
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 12 januari 2026.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 176 van 30.6.2016, blz. 21, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2016/1036/oj.
(2) PB C, C/2024/7461, 20.12.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/7461/oj.
(3) Uitvoeringsverordening (EU) 2025/482 van de Commissie van 14 maart 2025 tot onderwerping van de invoer van bariumcarbonaat van oorsprong uit de Volksrepubliek China en India aan registratie (PB L, 2025/482, 17.3.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/482/oj).
(4) Uitvoeringsverordening (EU) 2025/1724 van de Commissie van 8 augustus 2025 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op bariumcarbonaat van oorsprong uit de Volksrepubliek China en India (PB L, 2025/1724, 11.8.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/1724/oj).
(5) Email: TRADE-TDI-NAME-CHANGE-REQUESTS@ec.europa.eu; Europese Commissie, directoraat-generaal Handel, directoraat G, Wetstraat 170, 1040 Brussel, België.
(6) Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2024 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (PB L, 2024/2509, 26.9.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/2509/oj).
BIJLAGE
Niet in de steekproef opgenomen meewerkende producenten-exporteurs in de Volksrepubliek China:
|
Land |
Naam |
Aanvullende Taric-code |
|
Volksrepubliek China |
Guizhou Hongtai Barium Industry Co., Ltd |
89SG |
ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2026/71/oj
ISSN 1977-0758 (electronic edition)