|
Publicatieblad |
NL L-serie |
|
2026/70 |
9.1.2026 |
BESLUIT (EU) 2026/70 VAN DE RAAD
van 17 november 2025
betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de ministerraad van de energiegemeenschap met betrekking tot wijzigingen van het Verdrag tot oprichting van de energiegemeenschap om rekening te houden met de ontwikkeling van de milieuwetgeving van de Unie
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 192, lid 1, in samenhang met artikel 218, lid 9,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Het Verdrag tot oprichting van de energiegemeenschap (het “Verdrag”) is op 29 mei 2006 door de Unie gesloten bij Besluit 2006/500/EG van de Raad (1) en is op 1 juli 2006 in werking getreden. |
|
(2) |
Op grond van artikel 12 van het Verdrag voert elke verdragsluitende partij het acquis communautaire op milieugebied uit volgens het daartoe in bijlage II bij het Verdrag opgenomen tijdschema. |
|
(3) |
Artikel 16 van het Verdrag bevat de lijst van de handelingen van de Unie die het acquis communautaire op milieugebied behelzen (de “handelingen van de Unie”) die onder de toepassing van het Verdrag vallen. |
|
(4) |
Op grond van artikel 24 van het Verdrag, moet de energiegemeenschap voorzien in maatregelen om het in titel II van het Verdrag beschreven acquis communautaire op milieugebied aan te passen. Op grond van artikel 25 van het Verdrag kan de energiegemeenschap maatregelen treffen om in overeenstemming met de ontwikkeling van het recht van de Unie wijzigingen van het in titel II van het Verdrag beschreven acquis communautaire ten uitvoer te leggen. |
|
(5) |
Op grond van artikel 79 van het Verdrag moeten de ministerraad van de energiegemeenschap (de “ministerraad”), de permanente groep op hoog niveau of de commissie voor regelgeving op een voorstel van de Europese Commissie maatregelen uit hoofde van titel II, treffen. Op grond van de artikelen 80 en 81 van het Verdrag worden die maatregelen getroffen door de ministerraad, de permanente groep op hoog niveau of de commissie voor regelgeving bij meerderheid van de uitgebrachte stemmen en waarbij elke verdragsluitende partij één stem heeft. |
|
(6) |
Met betrekking tot de uitbreiding van de lijst van handelingen van de Unie die onder het Verdrag vallen, moeten besluiten tot wijziging van de bepalingen van de titels I tot en met VII, op grond van artikel 100 van het Verdrag, met eenparigheid van stemmen van de leden van de ministerraad worden genomen. |
|
(7) |
Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad (2), Richtlijn 92/43/EEG van de Raad (3), Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad (4), Richtlijn 2006/118/EG van het Europees Parlement en de Raad (5), Richtlijn 2008/105/EG van het Europees Parlement en de Raad (6) en Richtlijn 2009/90/EG van de Commissie (7) zijn nog niet opgenomen in artikel 16 van het Verdrag. Derhalve zijn de verdragsluitende partijen nog niet verplicht tot uitvoering van die richtlijnen. Daarom moet de lijst van handelingen van de Unie worden bijgewerkt en uitgebreid door die richtlijnen toe te voegen. |
|
(8) |
Om te zorgen voor een rechtvaardige energietransitie die nevenvoordelen voor de biodiversiteit garandeert en een verslechtering van de staat van instandhouding van in het wild levende vogelsoorten voorkomt, moet het in titel II van het Verdrag beschreven bestaande acquis communautaire worden aangepast door de verwijzing naar artikel 4, lid 2, van Richtlijn 79/409/EEG van de Raad (8) te vervangen door een verwijzing naar Richtlijn 2009/147/EG in de lijst van handelingen van de Unie. |
|
(9) |
Daarnaast voorziet Richtlijn 92/43/EEG in een gestructureerde aanpak voor de beoordeling en beperking van de milieueffecten van energieprojecten die binnen het toepassingsgebied van het Verdrag tot oprichting van de energiegemeenschap vallen, en vormt samen met Richtlijn 2009/147/EG het belangrijkste rechtsinstrument in het Unierecht voor de uitvoering van de internationale verplichtingen van de Unie die voortvloeien uit het Verdrag van Bern inzake het behoud van wilde dieren en planten en hun natuurlijk leefmilieu in Europa. Daarom moet het in titel II van het Verdrag beschreven acquis communautaire worden uitgebreid door Richtlijn 92/43/EEG toe te voegen aan de lijst van handelingen van de Unie. |
|
(10) |
Aangezien moet worden voorzien in uitgebreide beoordelingen van de potentiële effecten op waterecosystemen van de energieprojecten die binnen het toepassingsgebied van het Verdrag vallen, moeten de verdragsluitende partijen erop toezien dat alle activiteiten op het gebied van energie van het netwerk zodanig worden ontworpen en geëxploiteerd dat wordt voldaan aan Richtlijn 2000/60/EG, en met name aan artikel 4 daarvan. Op grond van die bepaling voeren de lidstaten de nodige maatregelen uit om achteruitgang van de toestand van oppervlaktewaterlichamen te voorkomen en maatregelen te treffen om een goede oppervlaktewatertoestand te bereiken, onder voorbehoud van bepaalde beperkingen in de tijd en andere uitzonderingen. Daarom moet het in titel II van het Verdrag beschreven acquis communautaire worden uitgebreid door Richtlijn 2000/60/EG, alsook Richtlijn 2006/118/EG, Richtlijn 2008/105/EG en Richtlijn 2009/90/EG toe te voegen aan de lijst van handelingen van de Unie. |
|
(11) |
Het is noodzakelijk dat de Commissie de nodige voorstellen aan de ministerraad voorlegt. |
|
(12) |
Het is passend het standpunt te bepalen dat namens de Unie moet worden ingenomen in de ministerraad tijdens zijn bijeenkomst op 18 december 2025 met betrekking tot wijzigingen van het Verdrag. |
|
(13) |
Indien de ministerraad de besluiten niet kan vaststellen tijdens zijn bijeenkomst van 18 december 2025, moet het mogelijk zijn die besluiten vast te stellen per briefwisseling na de 23e zitting van de ministerraad, overeenkomstig het reglement van orde van de energiegemeenschap, zonder dat hiervoor een nieuw besluit van de Raad nodig is, of tijdens de volgende bijeenkomst van de ministerraad in 2026, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
De Commissie dient bij de ministerraad van de energiegemeenschap (de “ministerraad”) het voorstel in de bijlagen I, II en III bij dit besluit (het “voorstel”) in met het oog op de wijziging van het Verdrag tot oprichting van de energiegemeenschap (het “Verdrag”) teneinde het toepassingsgebied van het Verdrag bij te werken en uit te breiden, rekening houdend met de ontwikkeling van de milieuwetgeving van de Unie.
Artikel 2
Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de ministerraad van de energiegemeenschap tijdens zijn bijeenkomst op 18 december 2025, of, indien het niet tijdens die bijeenkomst, per briefwisseling of tijdens de volgende bijeenkomst van de ministerraad in 2026 wordt vastgesteld, houdt in dat de aanneming van het voorstel wordt gesteund.
Artikel 3
Kleine wijzigingen van het voorstel kunnen worden overeengekomen door de vertegenwoordigers van de Unie in de ministerraad zonder dat daartoe een besluit van de Raad vereist is.
Artikel 4
Dit besluit treedt in werking op de datum van de vaststelling ervan.
Gedaan te Brussel, 17 november 2025.
Voor de Raad
De voorzitter
J. JENSEN
(1) Besluit 2006/500/EG van de Raad van 29 mei 2006 betreffende de sluiting van het Verdrag tot oprichting van de energiegemeenschap door de Europese Gemeenschap (PB L 198 van 20.7.2006, blz. 15, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2006/500/oj).
(2) Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2009/147/oj).
(3) Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/1992/43/oj).
(4) Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2000/60/oj).
(5) Richtlijn 2006/118/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging en achteruitgang van de toestand (PB L 372 van 27.12.2006, blz. 19, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2006/118/oj).
(6) Richtlijn 2008/105/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake milieukwaliteitsnormen op het gebied van het waterbeleid tot wijziging en vervolgens intrekking van de Richtlijnen 82/176/EEG, 83/513/EEG, 84/156/EEG, 84/491/EEG en 86/280/EEG van de Raad, en tot wijziging van Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 348 van 24.12.2008, blz. 84, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2008/105/oj).
(7) Richtlijn 2009/90/EG van de Commissie van 31 juli 2009 tot vaststelling van technische specificaties voor de chemische analyse en monitoring van de watertoestand krachtens Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 201 van 1.8.2009, blz. 36, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2009/90/oj).
(8) Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 103 van 25.4.1979, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/1979/409/oj).
BIJLAGE I
BESLUIT Nr. 20XX/XX/MC-EnC
VAN DE MINISTERRAAD VAN DE ENERGIEGEMEENSCHAP
van xx.xx.202xx
tot wijziging van het Verdrag tot oprichting van de energiegemeenschap en tot uitvoering van een aantal bepalingen van Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand
DE MINISTERRAAD VAN DE ENERGIEGEMEENSCHAP
Gezien het Verdrag tot oprichting van de energiegemeenschap, en met name de artikelen 25, 79 en 81,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
In artikel 2 van het Verdrag tot oprichting van de energiegemeenschap (“het verdrag”) wordt de verbetering van de milieusituatie met betrekking tot netenergie en de daarmee verband houdende energie-efficiëntie in de landen die verdragsluitende partij zijn als een van de belangrijkste doelstellingen ervan genoemd. |
|
(2) |
Op grond van artikel 12 van het verdrag is elke verdragsluitende partij verplicht het acquis communautaire op milieugebied uit te voeren volgens het daartoe in bijlage II bij het verdrag opgenomen tijdschema. |
|
(3) |
Artikel 16 van het verdrag bevat een lijst van het acquis communautaire op milieugebied voor de toepassing van het verdrag. |
|
(4) |
Overeenkomstig artikel 24 onder titel II van het verdrag moet de energiegemeenschap maatregelen treffen om het acquis communautaire op milieugebied te actualiseren. |
|
(5) |
Artikel 79 van het verdrag bepaalt dat maatregelen uit hoofde van titel II door de ministerraad, de permanente groep op hoog niveau of de commissie voor regelgeving op een voorstel van de Europese Commissie worden getroffen. Overeenkomstig de artikelen 80 en 81 van het verdrag worden die maatregelen getroffen bij meerderheid van de uitgebrachte stemmen en waarbij elke verdragsluitende partij één stem heeft. |
|
(6) |
Artikel 4, lid 2, van Richtlijn 2009/147/EG inzake het behoud van de vogelstand is reeds opgenomen in artikel 16, punt iv), van het verdrag. |
|
(7) |
Er moet worden gezorgd voor een rechtvaardige energietransitie die nevenvoordelen voor de biodiversiteit garandeert, en een verslechtering van de staat van instandhouding van typen natuurlijke habitats en de habitats van soorten in gebieden van internationale betekenis of in nationale beschermde gebieden met typen natuurlijke habitats en soorten van communautair belang te voorkomen. |
|
(8) |
In het kader van het verdrag moeten plannen en projecten op het gebied van netenergie worden uitgewerkt om eventuele negatieve gevolgen voor de biodiversiteit te beperken of, waar nodig, zoveel mogelijk te beperken. |
|
(9) |
Artikel 2 van Richtlijn 2009/147/EG bepaalt dat er maatregelen moeten worden genomen om de populatie van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de lidstaten van de Unie in stand te houden. |
|
(10) |
Artikel 4, lid 4, tweede zin, van Richtlijn 2009/147/EG bepaalt dat ernaar moet worden gestreefd vervuiling en verslechtering van de leefgebieden (habitats) buiten de beschermingszones te voorkomen. Vogelsoorten zijn wijdverspreid en mobiel en daarom moet ervoor worden gezorgd dat er inspanningen worden geleverd om de gevolgen van netenergie buiten beschermde gebieden te beperken. |
|
(11) |
In de artikelen 5 en 9 van Richtlijn 2009/147/EG is een kader vastgesteld voor de bescherming van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de lidstaten van de Unie. De verbodsbepalingen van artikel 5 van die richtlijn moeten worden toegepast op activiteiten op het gebied van netenergie vanwege de gevolgen die zij kunnen hebben voor natuurlijk in het wild levende vogelsoorten. Het kan onder bepaalde omstandigheden nodig zijn van deze verbodsbepalingen af te wijken, mits aan de nodige criteria is voldaan. |
|
(12) |
Overeenkomstig Richtlijn 2009/147/EG beschermde gebieden zijn onderworpen aan de voorschriften van artikel 6, leden 2, 3 en 4, van Richtlijn 92/43/EEG inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna krachtens artikel 7 van die richtlijn. In artikel 6, leden 2, 3 en 4, is een kader vastgesteld voor gebiedsgebonden instandhouding en bescherming door middel van preventieve en procedurele vereisten om ertoe bij te dragen de natuurlijke habitats en de wilde dier- en plantensoorten van communautair belang in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen. |
|
(13) |
Plannen en projecten in de zin van artikel 6 van Richtlijn 92/43/EEG kunnen ook betrekking hebben op netenergie en kunnen aanzienlijke gevolgen hebben voor de natuurlijke kenmerken van gebieden van internationale betekenis en nationale beschermde gebieden met typen natuurlijke habitats en soorten van communautair belang. Er moeten compenserende maatregelen worden getroffen wanneer die plannen of projecten op het gebied van netenergie niettemin moeten worden uitgevoerd om dwingende redenen van groot openbaar belang. |
|
(14) |
Richtlijn 2009/147/EG en Richtlijn 92/43/EEG vormen samen de belangrijkste rechtsinstrumenten van de Unie voor de uitvoering van de internationale verplichtingen van de Unie die voortvloeien uit het Verdrag van Bern inzake het behoud van wilde dieren en planten en hun natuurlijk leefmilieu in Europa (“het Verdrag van Bern”). In elk van de landen die verdragsluitende partij zijn bij het Verdrag van Bern en in de waarnemende landen van dat verdrag moeten in het kader van het Emerald-netwerk gebieden van bijzonder belang vanuit het oogpunt van instandhouding worden opgezet als instrument om de algemene doelstellingen van het verdrag te verwezenlijken. Alle verdragsluitende partijen bij het verdrag zijn ook partij bij het Verdrag van Bern, met uitzondering van Kosovo (1). In elk verdragsluitend land dat partij is bij het Verdrag van Bern worden in het kader van het Emerald-netwerk gebieden en kandidaat-gebieden van bijzonder belang vanuit het oogpunt van instandhouding aangewezen. Het Emerald-netwerk wordt verder uitgebouwd, aangezien er nog hiaten zijn voordat het als volledig en toereikend kan worden beschouwd om de verwezenlijking van de doelstellingen van het verdrag te ondersteunen. |
|
(15) |
Door nationaal recht beschermde gebieden zijn gericht op de instandhouding op lange termijn van typen habitats en soorten met bijbehorende ecosysteemdiensten en culturele waarden. Deze gebieden zijn aanwezig in alle verdragsluitende landen die partij zijn bij het verdrag. |
|
(16) |
Ramsar-gebieden zijn wetlands (waterrijke gebieden) van internationale betekenis die zijn aangewezen in het kader van de Overeenkomst inzake watergebieden van internationale betekenis, in het bijzonder als verblijfplaats voor watervogels (“de Overeenkomst van Ramsar”), een intergouvernementele overeenkomst die tot doel heeft het verlies van wetlands wereldwijd een halt toe te roepen. Alle verdragsluitende partijen bij het verdrag zijn ook partij bij de Overeenkomst van Ramsar, en hebben specifieke Ramsar-gebieden, met uitzondering van Kosovo. |
|
(17) |
Het verdrag heeft betrekking op plannen en projecten die van belang zijn voor de uitvoering van Richtlijn 2009/147/EG, onder verwijzing naar de artikelen 6 en 7 van Richtlijn 92/43/EEG. De opneming van Richtlijn 2009/147/EG in het acquis communautaire op milieugebied zal er dan ook voor zorgen dat bij het ontwerpen en uitvoeren van plannen en projecten in verband met netenergie rekening wordt gehouden met de instandhouding van vogelsoorten en hun habitats. |
|
(18) |
Aangezien artikel 2, artikel 4, lid 4, tweede zin, artikel 5 en artikel 9 van Richtlijn 2009/147/EG en bijlage I bij die richtlijn nog niet zijn opgenomen in het acquis communautaire op milieugebied van de energiegemeenschap, is het noodzakelijk het bestaande acquis communautaire aan te passen door in de lijst van besluiten van de Unie in artikel 16 van het verdrag de bestaande verwijzing naar artikel 4, lid 2, van Richtlijn 79/409/EEG van de Raad (2) te vervangen door een verwijzing naar Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad (3). |
|
(19) |
Op grond van artikel 94 van het verdrag moeten de instellingen alle termen of andere begrippen in het verdrag, dat van het recht van de Unie is afgeleid, uitleggen in overeenstemming met de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie. |
|
(20) |
Richtsnoeren (4) beschrijven hoe de Commissie de bepalingen van artikel 6 van Richtlijn 92/43/EEG, met inbegrip van de toepassing ervan op Richtlijn 2009/147/EG, interpreteert en kunnen leidraden bieden voor de toepassing ervan, in het licht van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie ter zake en rekening houdend met de ervaring die is opgedaan met de uitvoering in de lidstaten van de Unie. |
|
(21) |
Het in artikel 16 van het verdrag vermelde acquis communautaire op milieugebied en het in bijlage II bij het verdrag bedoelde tijdschema voor de uitvoering moeten in overeenstemming worden gebracht met het recht van de Unie inzake natuurbehoud voor zover het betrekking heeft op netenergie. |
|
(22) |
De taakgroep voor milieu heeft het voorstel tijdens haar bijeenkomsten op xxx en xxx grondig geanalyseerd en aanbevolen het aan te nemen met een aantal aanpassingen die in dit besluit zijn vervat. De aanpassingen werden goedgekeurd door de Europese Commissie. |
|
(23) |
De permanente groep op hoog niveau heeft dit besluit tijdens haar bijeenkomsten op xxx en xxx uitgewerkt en voorgesteld het aan te nemen, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Het Verdrag tot oprichting van de energiegemeenschap wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
in artikel 16 wordt punt iv) vervangen door:
; |
|
2) |
in bijlage II wordt punt 4 vervangen door:
|
Artikel 2
1. Voor de toepassing van titel II van het Verdrag tot oprichting van de energiegemeenschap wordt artikel 2 van Richtlijn 2009/147/EG als volgt gelezen:
“De verdragsluitende partijen nemen op het gebied van netenergie de nodige maatregelen om de populatie van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het grondgebied van de verdragsluitende partijen waarop het Verdrag tot oprichting van de energiegemeenschap van toepassing is, op een niveau te houden of te brengen dat met name beantwoordt aan de ecologische, wetenschappelijke en culturele eisen, wetenschappelijke en culturele eisen, waarbij zij tevens rekening houden met economische en recreatieve eisen.”.
2. Voor de toepassing van titel II van het Verdrag tot oprichting van de energiegemeenschap wordt artikel 4, lid 4, tweede zin, van Richtlijn 2009/147/EG als volgt gelezen:
“Ook buiten beschermingszones zetten de verdragsluitende partijen zich in om vervuiling en verslechtering van de leefgebieden van vogelsoorten te voorkomen, voor zover dat betrekking heeft op netenergie.”.
3. Voor de toepassing van titel II van het Verdrag tot oprichting van de energiegemeenschap wordt artikel 5 van Richtlijn 2009/147/EG als volgt gelezen:
“Onverminderd artikel 9 nemen de verdragsluitende partijen de nodige maatregelen voor de invoering van een algemene regeling voor de bescherming van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de verdragsluitende partijen waarop het Verdrag tot oprichting van de energiegemeenschap van toepassing is; deze maatregelen omvatten met name de volgende verbodsbepalingen:
|
a) |
een verbod om, ongeacht de gebruikte methode, opzettelijk de bedoelde vogels te doden of te vangen; |
|
b) |
een verbod om opzettelijk hun nesten en eieren te vernielen of te beschadigen of hun nesten weg te nemen; |
|
c) |
een verbod om in de natuur eieren van deze vogels te rapen en deze — zelfs leeg — in bezit te hebben; |
|
d) |
een verbod om deze vogels, met name gedurende de broedperiode, opzettelijk te storen, voor zover een dergelijke storing, gelet op de doelstellingen van deze richtlijn, van wezenlijke invloed is; |
|
e) |
een verbod om vogels te houden van soorten die niet mogen worden bejaagd of gevangen.”. |
4. Voor de toepassing van titel II van het Verdrag tot oprichting van de energiegemeenschap wordt artikel 9 van Richtlijn 2009/147/EG als volgt gelezen:
4.“1. De verdragsluitende partijen mogen, indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat, om onderstaande redenen afwijken van artikel 5:
|
a) |
|
|
b) |
voor doeleinden in verband met onderzoek en onderwijs, het uitzetten en herinvoeren van soorten en voor de met deze doeleinden samenhangende teelt; |
|
c) |
teneinde het vangen, het houden of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan. |
4.2. In de in lid 1 bedoelde afwijkende bepalingen moet worden vermeld:
|
a) |
voor welke soorten mag worden afgeweken; |
|
b) |
welke middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden zijn toegestaan; |
|
c) |
onder welke voorwaarden met betrekking tot het risico en onder welke omstandigheden van tijd en van plaats deze afwijkende maatregelen mogen worden genomen; |
|
d) |
welke autoriteit bevoegd is te verklaren dat aan die voorwaarden is voldaan, en te beslissen welke middelen, installaties of methoden mogen worden aangewend, binnen welke grenzen en door welke personen; |
|
e) |
welke controles zullen worden uitgevoerd. |
3. De verdragsluitende partijen zenden het secretariaat van de energiegemeenschap (“het secretariaat”) jaarlijks een verslag toe over de toepassing van de leden 1 en 2. Het secretariaat zorgt ervoor dat de verslagen openbaar worden gemaakt.
4. In het licht van de inlichtingen waarover zij beschikt en met name van die welke haar krachtens lid 3 worden verstrekt, ziet het secretariaat er voortdurend op toe dat de gevolgen van de in lid 1 bedoelde afwijkende maatregelen niet onverenigbaar zijn met deze richtlijn. Het neemt in dat verband de nodige initiatieven.”.
Artikel 3
1. De verdragsluitende partijen doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk [vijf jaar na de datum van vaststelling van dit besluit] aan artikel 2, artikel 4, lid 4, tweede zin, artikel 5 en artikel 9 van Richtlijn 2009/147/EG te voldoen, onverminderd de verbintenissen die voortvloeien uit het toetredingsproces van de Unie en andere internationale verplichtingen. Zij stellen het secretariaat van de energiegemeenschap (“het secretariaat”) daarvan onverwijld in kennis.
2. Wanneer de verdragsluitende partijen de in lid 1 bedoelde bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar dit besluit en naar Richtlijn 2009/147/EG verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking ervan. De regels voor de verwijzingen worden vastgesteld door de verdragsluitende partijen.
3. De verdragsluitende partijen delen het secretariaat de tekst mee van de belangrijkste bepalingen van intern recht die zij vaststellen op het gebied dat valt onder dit besluit en Richtlijn 2009/47/EG.
Artikel 4
Dit besluit treedt in werking na goedkeuring door de ministerraad.
Artikel 5
Dit besluit is gericht tot de verdragsluitende partijen van het Verdrag tot oprichting van de energiegemeenschap.
Gedaan te [xxx], op [DATUM].
Voor de ministerraad
(De voorzitter)
(1) Deze benaming laat de standpunten over de status van Kosovo onverlet en is in overeenstemming met Resolutie 1244 van de VN-Veiligheidsraad en het advies van het Internationaal Gerechtshof over de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo.
(2) Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 103 van 25.4.1979, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/1979/409/oj).
(3) Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2009/147/oj).
(4) Beheer van Natura 2000-gebieden — De bepalingen van artikel 6 van de habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG (C/2018/7621), en de mededeling van de Commissie over de beoordeling van plannen en projecten met betrekking tot Natura 2000-gebieden — Methodologische richtsnoeren inzake de bepalingen van artikel 6, leden 3 en 4, van de habitatrichtlijn (92/43/EEG) (C/2021/6913).
BIJLAGE II
BESLUIT Nr. 20XX/XX/MC-EnC
VAN DE MINISTERRAAD VAN DE ENERGIEGEMEENSCHAP
van xx.xx.202x
tot wijziging van het Verdrag tot oprichting van de energiegemeenschap en tot uitvoering van een aantal bepalingen van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna
DE MINISTERRAAD VAN DE ENERGIEGEMEENSCHAP
Gezien het Verdrag tot oprichting van de energiegemeenschap, en met name artikel 25, artikel 79 en artikel 100, punt i),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
In artikel 2 van het Verdrag tot oprichting van de energiegemeenschap (“het verdrag”) wordt de verbetering van de milieusituatie in verband met netenergie en de daarmee verband houdende energie-efficiëntie in de landen die verdragsluitende partij zijn als een van de belangrijkste doelstellingen ervan genoemd. |
|
(2) |
Op grond van artikel 12 van het verdrag is elke verdragsluitende partij verplicht het acquis communautaire op milieugebied uit te voeren volgens het daartoe in bijlage II bij dat verdrag opgenomen tijdschema. |
|
(3) |
Artikel 16 van het verdrag bevat een lijst van het acquis communautaire op milieugebied voor de toepassing van het verdrag. |
|
(4) |
Overeenkomstig artikel 25 in titel II van het verdrag kan de energiegemeenschap maatregelen treffen om wijzigingen van het in titel II beschreven acquis communautaire uit te voeren, in overeenstemming met de ontwikkeling van het recht van de Unie. |
|
(5) |
Artikel 79 van het verdrag bepaalt dat maatregelen uit hoofde van titel II door de ministerraad, de permanente groep op hoog niveau of de commissie voor regelgeving op een voorstel van de Europese Commissie worden getroffen. |
|
(6) |
Artikel 100, punt i), van het verdrag bepaalt dat de ministerraad met eenparigheid van stemmen kan besluiten tot wijziging van de bepalingen van de titels I tot en met VII van het verdrag. |
|
(7) |
Er moet worden gezorgd voor een rechtvaardige energietransitie die nevenvoordelen voor de biodiversiteit garandeert, en een verslechtering van de staat van instandhouding van typen natuurlijke habitats en de habitats van soorten in gebieden van internationale betekenis of in nationale beschermde gebieden met typen natuurlijke habitats en soorten van communautair belang te voorkomen. |
|
(8) |
In het kader van het verdrag moeten plannen en projecten op het gebied van netenergie worden uitgewerkt om eventuele negatieve gevolgen voor de biodiversiteit te beperken of, waar nodig, zoveel mogelijk te beperken. |
|
(9) |
In artikel 1 van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna zijn de belangrijkste begrippen gedefinieerd die van belang zijn voor de uitlegging en uitvoering van die richtlijn. |
|
(10) |
Artikel 2 van Richtlijn 92/43/EEG stelt dat de richtlijn tot doel heeft bij te dragen tot het waarborgen van de biologische diversiteit door het in stand houden van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna. |
|
(11) |
In artikel 6, leden 2, 3 en 4, van Richtlijn 92/43/EEG is een kader vastgesteld voor gebiedsgebonden instandhouding en bescherming door middel van preventieve en procedurele voorschriften om bij te dragen tot het behoud of herstel in een gunstige staat van instandhouding van de natuurlijke habitats en de habitats van wilde dier- en plantensoorten van communautair belang. |
|
(12) |
Plannen en projecten in de zin van artikel 6 van Richtlijn 92/43/EEG kunnen ook betrekking hebben op netenergie en kunnen aanzienlijke gevolgen hebben voor de natuurlijke kenmerken van gebieden van internationale betekenis en nationale beschermde gebieden met typen natuurlijke habitats en soorten van communautair belang. Er moeten compenserende maatregelen worden getroffen wanneer die plannen of projecten op het gebied van netenergie niettemin moeten worden uitgevoerd om dwingende redenen van groot openbaar belang. |
|
(13) |
Artikel 6, leden 2, 3 en 4, van Richtlijn 92/43/EEG is ook van toepassing op de speciale beschermingszones die zijn vastgesteld voor de vogelsoorten als vermeld in artikel 4, lid 2, en als opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 2009/147/EG inzake het behoud van de vogelstand uit hoofde van artikel 7 van Richtlijn 92/43/EEG. Daarom moeten de gebieden waarin die vogelsoorten worden beschermd op het grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen, ook worden onderworpen aan de vereisten van artikel 6, leden 2, 3 en 4, in het acquis communautaire op milieugebied. |
|
(14) |
De artikelen 12, 13 en 16 van Richtlijn 92/43/EEG voorzien in een kader voor de strikte bescherming van soorten van communautair belang in hun gehele natuurlijke verspreidingsgebied, zowel binnen als buiten beschermde gebieden. De verbodsbepalingen van de artikelen 12 en 13 van die richtlijn moeten worden toegepast op activiteiten op het gebied van netenergie vanwege de gevolgen die zij kunnen hebben soorten van communautair belang. Het kan onder bepaalde omstandigheden nodig zijn van deze verbodsbepalingen af te wijken, mits aan de nodige criteria is voldaan. |
|
(15) |
Richtlijn 92/43/EEG en Richtlijn 2009/147/EG vormen samen de belangrijkste rechtsinstrumenten van de Unie voor de uitvoering van de internationale verplichtingen van de Unie die voortvloeien uit het Verdrag van Bern inzake het behoud van wilde dieren en planten en hun natuurlijk leefmilieu in Europa (“het Verdrag van Bern”). In elk van de landen die verdragsluitende partij zijn bij het Verdrag van Bern en in de waarnemende landen van dat verdrag moeten in het kader van het Emerald-netwerk gebieden van bijzonder belang vanuit het oogpunt van instandhouding worden opgezet als instrument om de algemene doelstellingen van het verdrag te verwezenlijken. Alle verdragsluitende partijen bij het verdrag zijn ook partij bij het Verdrag van Bern, met uitzondering van Kosovo (1). In elk verdragsluitend land dat partij is bij het Verdrag van Bern worden in het kader van het Emerald-netwerk gebieden en kandidaat-gebieden van bijzonder belang vanuit het oogpunt van instandhouding aangewezen. Het Emerald-netwerk wordt verder uitgebouwd, aangezien er nog hiaten zijn voordat het als volledig en toereikend kan worden beschouwd om de verwezenlijking van de doelstellingen van het verdrag te ondersteunen. |
|
(16) |
Door nationaal recht beschermde gebieden zijn gericht op de instandhouding op lange termijn van typen habitats en soorten met bijbehorende ecosysteemdiensten en culturele waarden. Deze gebieden zijn aanwezig in alle verdragsluitende landen die partij zijn bij het verdrag. |
|
(17) |
Ramsar-gebieden zijn wetlands (waterrijke gebieden) van internationale betekenis die zijn aangewezen in het kader van de Overeenkomst inzake watergebieden van internationale betekenis, in het bijzonder als verblijfplaats voor watervogels (“de Overeenkomst van Ramsar”), een intergouvernementele overeenkomst die tot doel heeft het verlies van wetlands wereldwijd een halt toe te roepen. Alle verdragsluitende partijen bij het verdrag zijn ook partij bij de Overeenkomst van Ramsar, en hebben specifieke Ramsar-gebieden, met uitzondering van Kosovo. |
|
(18) |
Het verdrag heeft betrekking op plannen en projecten die van belang zijn voor de uitvoering van Richtlijn 92/43/EEG en de opneming daarvan in het acquis communautaire op milieugebied zou ervoor zorgen dat bij het ontwerpen en uitvoeren van plannen en projecten in verband met netenergie rekening wordt gehouden met natuurbehoud. |
|
(19) |
Aangezien artikel 1, artikel 2, artikel 6, leden 2, 3 en 4, artikel 12, artikel 13 en artikel 16 van Richtlijn 92/43/EEG en de bijlagen I, II en IV bij die richtlijn nog niet zijn opgenomen in het acquis communautaire op milieugebied van de energiegemeenschap, is het noodzakelijk het acquis communautaire uit te breiden door Richtlijn 92/43/EEG toe te voegen aan de lijst van handelingen van de Unie in artikel 16 van het Verdrag. |
|
(20) |
Op grond van artikel 94 van het verdrag moeten de instellingen alle termen of andere begrippen in het verdrag, dat van het recht van de Unie is afgeleid, uitleggen in overeenstemming met de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie. |
|
(21) |
De richtsnoeren beschrijven hoe de Commissie de bepalingen van Richtlijn 92/43/EEG interpreteert en kunnen leidraden bieden voor de toepassing ervan, in het licht van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie ter zake en rekening houdend met de ervaring die is opgedaan met de uitvoering in de lidstaten van de Unie (2). |
|
(22) |
Het in artikel 16 van het verdrag vermelde acquis communautaire op milieugebied en het in bijlage II bij het verdrag bedoelde tijdschema voor de uitvoering moeten in overeenstemming worden gebracht met het recht van de Unie inzake natuurbehoud voor zover het betrekking heeft op netenergie. |
|
(23) |
De taakgroep voor milieu heeft het voorstel tijdens haar bijeenkomsten op xxx en xxx grondig geanalyseerd en aanbevolen het aan te nemen met een aantal aanpassingen die in dit besluit zijn vervat. De aanpassingen werden goedgekeurd door de Europese Commissie. |
|
(24) |
De permanente groep op hoog niveau heeft dit besluit tijdens haar bijeenkomsten op xxx en xxx uitgewerkt en voorgesteld het aan te nemen, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Het Verdrag tot oprichting van de energiegemeenschap wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
in artikel 16 wordt het volgende punt [XX] toegevoegd:
; |
|
2) |
aan bijlage II wordt het volgende punt [XX] toegevoegd:
|
Artikel 2
1. Voor de toepassing van titel II van het Verdrag tot oprichting van de energiegemeenschap wordt artikel 1 van Richtlijn 92/43/EEG gelezen als in die richtlijn geschreven.
2. Voor de toepassing van titel II van het Verdrag tot oprichting van de energiegemeenschap wordt artikel 2 van Richtlijn 92/43/EEG als volgt gelezen:
“1. Deze richtlijn heeft tot doel bij te dragen tot het waarborgen van de biologische diversiteit door het in stand houden van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna op het Europese grondgebied van de verdragsluitende partijen waarop het Verdrag tot oprichting van de energiegemeenschap van toepassing is.
2. De op grond van deze richtlijn genomen maatregelen beogen de natuurlijke habitats en de wilde dier- en plantensoorten van communautair belang in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen.
3. In de op grond van deze richtlijn genomen maatregelen wordt rekening gehouden met de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied, en met de regionale en lokale bijzonderheden.”.
3. Voor de toepassing van titel II van het Verdrag tot oprichting van de energiegemeenschap wordt artikel 6, leden 2, 3 en 4, van Richtlijn 92/43/EEG als volgt gelezen:
“2. De verdragsluitende partijen nemen passende maatregelen om te voorkomen dat in het Emerald-netwerk van gebieden van bijzonder belang vanuit het oogpunt van instandhouding, in kandidaat-gebieden van bijzonder belang vanuit het oogpunt van instandhouding, in Ramsar-gebieden, in nationale beschermde gebieden waar de typen natuurlijke habitats en soorten voorkomen die worden genoemd in de bijlagen I en II bij Richtlijn 92/43/EEG, en in nationale schermde gebieden waar de vogelsoorten voorkomen die worden genoemd in artikel 4, lid 2, van Richtlijn 2009/147/EG en die zijn opgenomen in bijlage I bij die richtlijn, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten verslechtert en er storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de gebieden zijn aangewezen, voor zover die verstoring, gelet op de doelstellingen van deze richtlijn, een significant effect zouden kunnen hebben.
3. Voor elk plan of project op het gebied van netenergie dat, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor de in lid 2 bedoelde gebieden, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Gezien de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied en onder voorbehoud van het bepaalde in lid 4, geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor dat plan of project op het gebied van netenergie nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten en nadat zij in voorkomend geval inspraakmogelijkheden hebben geboden.
4. Indien een plan of project op het gebied van netenergie, ondanks negatieve conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied, bij ontstentenis van alternatieve oplossingen, om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, toch moet worden gerealiseerd, neemt de verdragsluitende partij alle nodige compenserende maatregelen om te waarborgen dat de algehele samenhang van haar netwerk van beschermde gebieden als bedoeld in lid 2 bewaard blijft. De verdragsluitende partij stelt het secretariaat van de energiegemeenschap (“het secretariaat”) op de hoogte van de genomen compenserende maatregelen.
Wanneer het betrokken gebied een gebied met een prioritair type natuurlijke habitat en/of een prioritaire soort is, kunnen alleen argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijke gunstige effecten dan wel, na advies van het secretariaat, andere dwingende redenen van groot openbaar belang worden aangevoerd.”.
4. Voor de toepassing van titel II van het Verdrag tot oprichting van de energiegemeenschap wordt artikel 12 van Richtlijn 92/43/EEG als volgt gelezen:
4.“1. De verdragsluitende partijen treffen de nodige maatregelen voor de instelling van een systeem van strikte bescherming van de in bijlage IV, punt a), vermelde diersoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied, waarbij een verbod wordt ingesteld op:
|
a) |
het opzettelijk vangen of doden van in het wild levende specimens van die soorten; |
|
b) |
het opzettelijk verstoren van die soorten, vooral tijdens de perioden van voortplanting, afhankelijkheid van de jongen, overwintering en trek; |
|
c) |
het opzettelijk vernielen of rapen van eieren in de natuur; |
|
d) |
het beschadigen of vernielen van de voortplantings- of rustplaatsen. |
2. Met betrekking tot deze soorten verbieden de verdragsluitende partijen het in bezit hebben, vervoeren, verhandelen of ruilen en het te koop of in ruil aanbieden van aan de natuur onttrokken specimens, uitgezonderd die welke reeds legaal waren onttrokken vóór de toepassing van deze richtlijn.
3. De in lid 1, punten a) en b), en in lid 2 opgenomen verbodsbepalingen gelden ongeacht de levensfase waarin de in dit artikel bedoelde dieren zich bevinden.
4. De verdragsluitende partijen stellen een systeem in van toezicht op het bij toeval vangen en doden van de diersoorten, genoemd in bijlage IV, punt a). In het licht van de verkregen gegevens verrichten de verdragsluitende partijen de verdere onderzoekwerkzaamheden of treffen zij de instandhoudingsmaatregelen die nodig zijn om te verzekeren dat het bij toeval vangen en doden geen significante negatieve weerslag heeft op de betrokken soorten.”.
5. Voor de toepassing van titel II van het Verdrag tot oprichting van de energiegemeenschap wordt artikel 13 van Richtlijn 92/43/EEG als volgt gelezen:
5.“1. De verdragsluitende partijen treffen de nodige maatregelen voor de instelling van een systeem van strikte bescherming van de in bijlage IV, punt b), vermelde plantensoorten, waarbij een verbod wordt ingesteld op:
|
a) |
het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van specimens van de genoemde soorten in de natuur, in hun natuurlijke verspreidingsgebied; |
|
b) |
het in bezit hebben, vervoeren, verhandelen of ruilen en het te koop of in ruil aanbieden van aan de natuur onttrokken specimens van de genoemde soorten, uitgezonderd die welke reeds legaal waren onttrokken vóór de toepassing van deze richtlijn. |
2. De in lid 1, punt a) en b), opgenomen verbodsbepalingen gelden ongeacht de fase van de biologische cyclus waarin de in dit artikel bedoelde planten zich bevinden.”.
6. Voor de toepassing van titel II van het Verdrag tot oprichting van de energiegemeenschap wordt artikel 16 van Richtlijn 92/43/EEG als volgt gelezen:
6.“1. Wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en op voorwaarde dat de afwijking geen afbreuk doet aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan, mogen de verdragsluitende partijen afwijken van het bepaalde in de artikelen 12 en 13:
|
a) |
in het belang van de bescherming van de wilde flora en fauna en van de instandhouding van de natuurlijke habitats; |
|
b) |
ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden en wateren en andere vormen van eigendom; |
|
c) |
in het belang van de volksgezondheid en de openbare veiligheid of om andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; |
|
d) |
ten behoeve van onderzoek en onderwijs, repopulatie en herintroductie van deze soorten, alsmede voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; |
|
e) |
teneinde het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, door de bevoegde nationale instanties vastgesteld aantal van bepaalde specimens van de in bijlage IV genoemde soorten te vangen, te plukken of in bezit te hebben. |
2. De verdragsluitende partijen zenden het secretariaat om de twee jaar een verslag toe conform het door het Comité inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (het Comité habitats) opgestelde model over de op grond van lid 1 toegestane afwijkingen. Het secretariaat verleent binnen twaalf maanden na ontvangst van het verslag zijn advies over die afwijkingen en stelt de taakgroep voor milieu daarvan op de hoogte. Het secretariaat zorgt ervoor dat de verslagen openbaar worden gemaakt.
6.3. In de verslagen moet het volgende worden vermeld:
|
a) |
voor welke soorten en om welke reden de afwijking is toegestaan, met inbegrip van de aard van het risico, met in voorkomend geval een opgave van de alternatieve oplossingen die niet zijn gekozen en van de gebruikte wetenschappelijke gegevens; |
|
b) |
welke middelen, inrichtingen of methoden mogen worden gebruikt voor het vangen of doden en om welke redenen; |
|
c) |
waar en wanneer dergelijke afwijkingen worden toegestaan; |
|
d) |
welke autoriteit de bevoegdheid heeft om te verklaren en te controleren dat aan de desbetreffende voorwaarden is voldaan en om te beslissen welke middelen, inrichtingen of methoden mogen worden gebruikt, door welke diensten en binnen welke grenzen, en wie met de uitvoering belast zijn; |
|
e) |
welke controlemaatregelen er zijn genomen en welke resultaten er zijn verkregen.”. |
Artikel 3
1. De verdragsluitende partijen doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk [vijf jaar na de datum van vaststelling van dit besluit] aan artikel 1, artikel 2, artikel 6, leden 2, 3 en 4, artikel 12, artikel 13 en artikel 16 van, alsmede de bijlagen I, II en IV bij Richtlijn 92/43/EEG te voldoen, onverminderd de verbintenissen die voortvloeien uit het toetredingsproces van de Unie en andere internationale verplichtingen. Zij stellen het secretariaat van de energiegemeenschap (“het secretariaat”) daarvan onverwijld in kennis.
2. Wanneer de verdragsluitende partijen de in de lid 1 bedoelde bepalingen aannemen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking naar dit besluit en Richtlijn 92/43/EEG richtlijn verwezen. De regels voor de verwijzingen worden vastgesteld door de verdragsluitende partijen.
3. De verdragsluitende partijen delen het secretariaat de tekst mee van de belangrijke bepalingen van intern recht die zij vaststellen op het gebied dat valt onder dit besluit en Richtlijn 92/43/EEG.
Artikel 4
In het geval van plannen of projecten op het gebied van netenergie die aanleiding geven tot een advies uit hoofde van artikel 6, lid 4, van Richtlijn 92/43/EEG, zendt de verdragsluitende partij op het grondgebied waarvan het plan of project zal worden uitgevoerd, onder verwijzing naar dit besluit, het secretariaat zo spoedig mogelijk het volgende toe:
|
a) |
een beschrijving van het plan of project; |
|
b) |
alle relevante informatie over de gevolgen ervan voor het (de) betrokken prioritaire habitattype(n) en/of prioritaire soorten, met inbegrip van de bevindingen en conclusies van de passende beoordeling. |
Artikel 5
Dit besluit treedt in werking na goedkeuring door de ministerraad.
Artikel 6
Dit besluit is gericht tot de verdragsluitende partijen van het Verdrag tot oprichting van de energiegemeenschap.
Gedaan te [xxx], op [DATUM].
Voor de ministerraad
(De voorzitter)
(1) Deze benaming laat de standpunten over de status van Kosovo onverlet en is in overeenstemming met Resolutie 1244 van de VN-Veiligheidsraad en het advies van het Internationaal Gerechtshof over de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo.
(2) Beheer van Natura 2000-gebieden — De bepalingen van artikel 6 van de habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG (C/2018/7621); mededeling van de Commissie — Richtsnoeren inzake de strikte bescherming van diersoorten van communautair belang uit hoofde van de habitatrichtlijn (C/2021/7201 final); de richtsnoeren van de Commissie over de bepalingen van artikel 6 van de habitatrichtlijn, en de mededeling van de Commissie over de beoordeling van plannen en projecten met betrekking tot Natura 2000-gebieden — Methodologische richtsnoeren inzake de bepalingen van artikel 6, leden 3 en 4, van de habitatrichtlijn (92/43/EEG) (C/2021/6913).
BIJLAGE III
BESLUIT Nr. 20XX/XX/MC-EnC
VAN DE MINISTERRAAD VAN DE ENERGIEGEMEENSCHAP
van xx.xx.202x
tot wijziging van het Verdrag tot oprichting van de energiegemeenschap en tot uitvoering van Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid, Richtlijn 2006/118/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging en achteruitgang van de toestand, Richtlijn 2008/105/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake milieukwaliteitsnormen op het gebied van het waterbeleid en Richtlijn 2009/90/EG van de Commissie van 31 juli 2009 tot vaststelling van technische specificaties voor de chemische analyse en monitoring van de watertoestand
DE MINISTERRAAD VAN DE ENERGIEGEMEENSCHAP
Gezien het Verdrag tot oprichting van de energiegemeenschap, en met name artikel 25, artikel 79 en artikel 100, punt i),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
In artikel 2 van het Verdrag tot oprichting van de energiegemeenschap (“het verdrag”) wordt de verbetering van de milieusituatie in verband met netenergie en de daarmee verband houdende energie-efficiëntie in de landen die verdragsluitende partij zijn als een van de belangrijkste doelstellingen ervan genoemd. |
|
(2) |
Op grond van artikel 12 van het verdrag is elke verdragsluitende partij verplicht het acquis communautaire op milieugebied uit te voeren volgens het daartoe in bijlage II bij het verdrag opgenomen tijdschema. |
|
(3) |
Artikel 16 van het verdrag bevat een lijst van het acquis communautaire op milieugebied voor de toepassing van het verdrag. |
|
(4) |
Overeenkomstig artikel 25 in titel II van het verdrag kan de energiegemeenschap maatregelen treffen om wijzigingen van het in titel II beschreven acquis communautaire uit te voeren, in overeenstemming met de ontwikkeling van het recht van de Unie. |
|
(5) |
Artikel 79 van het verdrag bepaalt dat maatregelen uit hoofde van titel II door de ministerraad, de permanente groep op hoog niveau of de commissie voor regelgeving op een voorstel van de Europese Commissie worden getroffen. |
|
(6) |
Artikel 100 van het verdrag bepaalt onder meer dat besluiten tot wijziging van de bepalingen van de titels I tot en met VII door de leden van het Verdrag tot oprichting van de energiegemeenschap met eenparigheid van stemmen moeten worden genomen. |
|
(7) |
De versnelling van binnenlandse projecten op het gebied van hernieuwbare energie in de energiegemeenschap is ingegeven door de noodzaak om de doelstellingen voor de vermindering van broeikasgasemissies en de opwekking van hernieuwbare energie voor 2030 van de verdragsluitende partijen, zoals vastgesteld in Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad (1), te halen. |
|
(8) |
Een groot aantal bestaande projecten en activiteiten in verband met — zowel hernieuwbare als niet-hernieuwbare — netenergie kan aanzienlijke negatieve effecten hebben op de status van aquatische ecosystemen. Bovendien kan in de context van het te verwachten gebruik van hernieuwbare energie, met inbegrip van waterkracht en waterstof, en de winning van kritieke grondstoffen voor energiegerelateerde doeleinden, in de landen die verdragsluitende partij zijn een verhoogd risico op schade aan dergelijke ecosystemen optreden. |
|
(9) |
Veel projecten en activiteiten op het gebied van netenergie zijn afhankelijk van de beschikbaarheid van water in de juiste kwantiteit en kwaliteit, zij het in verschillende mate. Waterschaarste heeft al gevolgen voor de energieproductie en de betrouwbaarheid van de energievoorziening; verdere beperkingen kunnen de fysieke, economische en ecologische levensvatbaarheid van toekomstige projecten en activiteiten schaden. |
|
(10) |
In het kader van de VN-Waterconferentie 2023 presenteerde de Unie haar visie om tegen 2050 een mondiale waterweerbare samenleving tot stand te brengen die waterzekerheid voor iedereen waarborgt. Op 4 juni 2025 heeft de Unie een Europese strategie voor waterweerbaarheid (2) vastgesteld om het traject voor de verwezenlijking van deze doelstelling uit te stippelen. |
|
(11) |
Er moet worden gezorgd voor een rechtvaardige energietransitie op basis van de bescherming en verbetering van watervoorraden en het voorkomen van achteruitgang van de toestand van aquatische ecosystemen. |
|
(12) |
De voorbereiding en goedkeuring van projecten in verband met netenergie en lopende activiteiten in het kader van het verdrag moeten deel uitmaken van de algemene inspanningen om watervoorraden te beschermen en te verbeteren, en dergelijke projecten moeten zodanig worden opgezet dat negatieve effecten op de toestand van waterlichamen worden voorkomen of, waar nodig, zoveel mogelijk worden beperkt. |
|
(13) |
Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad (3) heeft tot doel een kader vast te stellen voor de bescherming van landoppervlaktewater, overgangswater, kustwateren en grondwater, onder meer door i) aquatische ecosystemen te behoeden voor verdere achteruitgang en deze te beschermen en te verbeteren, en ii) duurzaam watergebruik te bevorderen, op basis van een bescherming van de beschikbare watervoorraden op lange termijn. |
|
(14) |
De verdragsluitende partijen moeten erop toezien dat alle activiteiten in verband met netenergie zodanig worden ontworpen en geëxploiteerd dat wordt voldaan aan Richtlijn 2000/60/EG, en met name aan artikel 4 van die richtlijn, waarin de belangrijkste doelstellingen van die richtlijn zijn vastgesteld, waarbij wordt bepaald dat de lidstaten de nodige maatregelen moeten uitvoeren om achteruitgang van de toestand van waterlichamen te voorkomen en maatregelen moeten uitvoeren om een goede watertoestand te bereiken, onverminderd een reeks in de tijd beperkte en andere uitzonderingen. In het huidige stadium van de ontwikkeling van het Unierecht houdt een goede toestand van grondwaterlichamen een goede kwantitatieve en een goede chemische toestand in, terwijl dit voor oppervlaktewaterlichamen een goede ecologische toestand of een goed ecologisch potentieel en een goede chemische toestand vereist. |
|
(15) |
Om de potentiële effecten van bestaande en nieuwe energiegerelateerde projecten op de toestand van waterlichamen te beoordelen, moet op basis van regelmatige monitoring kennis worden genomen van de huidige toestand van die waterlichamen. Aangezien het proces van monitoring en indeling van waterlichamen een doorlopend proces is en veel waterlichamen reeds negatieve gevolgen ondervinden van energiegerelateerde projecten en het niet mogelijk is om a priori alle waterlichamen aan te wijzen die zullen worden beïnvloed door nieuwe energiegerelateerde projecten, moeten de verdragsluitende partijen de monitoring en indeling van alle waterlichamen op hun grondgebied uitvoeren. |
|
(16) |
Beoordeling van de watertoestand houdt in dat een permanent en gestructureerd monitoringsysteem voor waterlichamen wordt opgezet, waarbij de monitoringlocaties en kwaliteitselementen die moeten worden gemonitord, worden gekozen op basis van een voorlopige beoordeling van alle belastende en beïnvloedende factoren. De beoordeling van de toestand van waterlichamen die negatieve gevolgen kunnen ondervinden van energiegerelateerde projecten, heeft heel wat voeten in de aarde en zou onvolledig zijn indien deze beperkt blijft tot de belastende en beïnvloedende factoren die uit die projecten voortvloeien. Daarom moeten de verdragsluitende partijen de belastende en beïnvloedende factoren beoordelen van alle activiteiten die van invloed kunnen zijn op de toestand van waterlichamen. |
|
(17) |
Om te voorkomen dat zowel bestaande als nieuwe energiegerelateerde projecten de toestand van waterlichamen verslechteren of hun potentieel om een goede watertoestand te bereiken aantasten, overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 2000/60/EG, of, indien onvermijdbaar en naar behoren gerechtvaardigd, de negatieve gevolgen ervan tot een minimum beperken, moeten de verdragsluitende partijen alle maatregelen vaststellen die nodig zijn om een goede toestand te bereiken en de meest kosteneffectieve combinatie van maatregelen kiezen om de doelstellingen van die richtlijn te bereiken, met inbegrip van maatregelen met betrekking tot activiteiten die geen verband houden met netenergie, maar die van invloed zijn op de toestand van waterlichamen die de gevolgen ondervinden van nieuwe of bestaande projecten in verband met netenergie. |
|
(18) |
Aangezien een goede toestand van waterlichamen afhankelijk is van een combinatie van maatregelen met betrekking tot alle activiteiten die van invloed zijn op die waterlichamen, en aangezien al deze maatregelen met elkaar in wisselwerking staan in het kader van de doelstelling om een goede toestand te bereiken, moeten de verdragsluitende partijen maatregelen vaststellen met betrekking tot alle activiteiten, met inbegrip van activiteiten die geen verband houden met energie, zodat besluiten kunnen worden genomen op basis van de meest kosteneffectieve combinatie van maatregelen om een goede toestand te bereiken, die van invloed zijn op de diverse activiteiten binnen hetzelfde stroomgebied. |
|
(19) |
De verdragsluitende partijen moeten daarom analyses uitvoeren van de kenmerken van een stroomgebied en de effecten van menselijke activiteiten, alsmede een economische analyse van het watergebruik, overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2000/60/EG. De ontwikkeling van de watertoestand moet systematisch en op vergelijkbare wijze worden gemonitord in de gehele energiegemeenschap, overeenkomstig artikel 8 van Richtlijn 2000/60/EG. Deze informatie is nodig om de verdragsluitende partijen een deugdelijke basis te geven voor de opstelling van maatregelenprogramma’s overeenkomstig artikel 11 van Richtlijn 2000/60/EG, waarmee het doel van die richtlijn kan worden bereikt. Met het oog op een consistente en doeltreffende uitvoering van Richtlijn 2000/60/EG moeten de verdragsluitende partijen overeenkomstig de artikelen 13, 14 en 15 van die richtlijn stroomgebiedsbeheersplannen opstellen en hierover om de zes jaar verslag uitbrengen aan het secretariaat. In die plannen moeten, op basis van de vastgestelde toestand van elk afzonderlijk waterlichaam, de maatregelen worden beschreven die tijdens het zesjarige stroomgebiedsbeheersplan zullen worden uitgevoerd om een goede toestand te bereiken en achteruitgang te voorkomen. |
|
(20) |
Gezien het mogelijke effect van activiteiten in verband met netenergie op de chemische toestand van waterlichamen, moeten de bepalingen inzake de goede chemische toestand van grondwater en oppervlaktewater worden toegepast, die zijn vastgesteld in Richtlijn 2006/118/EG van het Europees Parlement en de Raad (4) respectievelijk Richtlijn 2008/105/EG van het Europees Parlement en de Raad (5). In Richtlijn 2006/118/EG zijn criteria vastgesteld voor de beoordeling van de goede chemische toestand van het grondwater, alsook criteria voor het vaststellen van significante en aanhoudende stijgende trends en de omkering daarvan, en voor het bepalen van de beginpunten voor omkeringen in trends. In Richtlijn 2008/105/EG zijn milieukwaliteitsnormen vastgelegd voor prioritaire stoffen en bepaalde andere verontreinigende stoffen, waaraan moet worden voldaan om een goede chemische toestand van het oppervlaktewater te bereiken. |
|
(21) |
Richtlijn 2009/90/EG van de Commissie (6) tot vaststelling van technische specificaties voor de chemische analyse en monitoring van de watertoestand vormt een aanvulling op de bovengenoemde richtlijnen. |
|
(22) |
Het verdrag heeft betrekking op projecten die van belang zijn voor de uitvoering van Richtlijn 2000/60/EG, waarvan de opneming in het acquis communautaire op milieugebied ervoor zou zorgen dat bij het ontwerpen en uitvoeren van projecten in verband met netenergie rekening wordt gehouden met de bescherming, verbetering en voorkoming van de achteruitgang van aquatische ecosystemen. |
|
(23) |
Aangezien Richtlijn 2000/60/EG, Richtlijn 2006/118/EG, Richtlijn 2008/105/EG en Richtlijn 2009/90/EG van de Commissie nog niet zijn opgenomen in het acquis communautaire op milieugebied van de energiegemeenschap, is het noodzakelijk het acquis communautaire uit te breiden door Richtlijn 2000/60/EG samen met Richtlijn 2006/118/EG van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijn 2008/105/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2009/90/EG van de Commissie toe te voegen aan de lijst van handelingen van de Unie in artikel 16 van het Verdrag. |
|
(24) |
Het kader voor regionale samenwerking dat door de energiegemeenschap is ingesteld en de hulp die door de instellingen en organen daarvan kan worden geboden, kunnen van doorslaggevend belang zijn voor de voorbereiding van de geslaagde uitvoering Richtlijn 2000/60/EG. |
|
(25) |
Op grond van artikel 94 van het verdrag moeten de instellingen alle termen of andere begrippen in het verdrag, dat van het recht van de Unie is afgeleid, uitleggen in overeenstemming met de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie. |
|
(26) |
De taakgroep voor milieu heeft het voorstel tijdens haar bijeenkomsten op xxx en xxx grondig geanalyseerd en aanbevolen het aan te nemen met een aantal aanpassingen die in dit besluit zijn vervat. De aanpassingen werden goedgekeurd door de Europese Commissie. |
|
(27) |
De permanente groep op hoog niveau heeft dit besluit tijdens haar bijeenkomsten op xxx en xxx uitgewerkt en voorgesteld het aan te nemen, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Het Verdrag tot oprichting van de energiegemeenschap wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
aan artikel 16 worden de volgende punten [XX)], [XX)], [XX)] en [XX)] toegevoegd:
; |
|
2) |
aan bijlage II worden de volgende punten [XX], [XX], [XX] en [XX] toegevoegd:
|
Artikel 2
1. Voor de toepassing van het Verdrag tot oprichting van de energiegemeenschap worden de volgende verwijzingen in de in artikel 1, lid 1, genoemde richtlijnen als volgt gelezen:
|
a) |
“lidstaat” en “lidstaten” als respectievelijk “verdragsluitende partij” en “verdragsluitende partijen”; |
|
b) |
“Gemeenschap”, “Europese Unie” en “Unie” als “energiegemeenschap”; |
|
c) |
“communautaire wetgeving” als “nationale wetgeving, met inbegrip van wetgeving tot omzetting van het acquis communautaire dat onder het Verdrag tot oprichting van de energiegemeenschap valt”; |
|
d) |
“Commissie” als “secretariaat van de energiegemeenschap”. |
2. Voor de toepassing van het Verdrag tot oprichting van de energiegemeenschap worden verwijzingen in de in artikel 1, lid 1, genoemde richtlijnen naar andere onderdelen van de wetgeving van de Unie en de bepalingen daarvan begrepen als verwijzingen naar nationale wetgeving over hetzelfde onderwerp als die welke onder die specifieke wetgeving van de Unie valt, met inbegrip van wetgeving tot omzetting van het desbetreffende acquis communautaire dat onder het Verdrag tot oprichting van de energiegemeenschap valt.
3. De in de artikelen 3 tot en met 6 bedoelde aanpassingen zijn van toepassing naast de in lid 1 bedoelde aanpassingen.
Artikel 3
Voor de toepassing van titel II van het Verdrag tot oprichting van de energiegemeenschap worden de bepalingen van Richtlijn 2000/60/EG als volgt aangepast:
|
1) |
in artikel 3 worden de leden 7 en 8 als volgt gelezen: “7. De verdragsluitende partijen wijzen de bevoegde autoriteit uiterlijk [vijf jaar na de datum van vaststelling van dit besluit] aan. 8. De verdragsluitende partijen verschaffen het secretariaat van de energiegemeenschap (“het secretariaat”) uiterlijk [vijf jaar na de datum van vaststelling van dit besluit] een lijst van hun bevoegde autoriteiten en de bevoegde autoriteiten van alle internationale organisaties waaraan zij deelnemen. Voor elke bevoegde autoriteit wordt de in bijlage I aangegeven informatie verstrekt.” |
|
2) |
de in artikel 9, lid 1, vastgestelde termijn “tegen het jaar 2010” wordt gelezen als “uiterlijk [twaalf jaar na de datum van vaststelling van dit besluit]”; |
|
3) |
de termijnen die ingaan “[x] jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn” worden gelezen als “[x + 2] jaar na de datum van vaststelling van Besluit 202X/XX/MC-EnC”; |
|
4) |
met het oog op de vaststelling van de relevante ecoregio’s worden de in de punten 1.2.3 en 1.2.4 van bijlage II opgenomen en op kaart B in bijlage XI vermelde ecoregio’s aangevuld met “Zwarte Zee”; |
|
5) |
punt 1.4.1, vii), viii) en ix), van bijlage V wordt als volgt gelezen:
; |
|
6) |
artikel 8, lid 3, de artikelen 16 tot en met 22, en de artikelen 24, 25 en 26 zijn niet van toepassing. |
Artikel 4
Voor de toepassing van titel II van het Verdrag tot oprichting van de energiegemeenschap worden de bepalingen van Richtlijn 2006/118/EG als volgt aangepast:
|
1) |
de in artikel 2, punt 6, bedoelde referentiejaren zijn de twee jaren na de vaststelling van de overeenkomstig artikel 8 van Richtlijn 2000/60/EG uitgevoerde programma’s voor de monitoring van de watertoestand; |
|
2) |
de in artikel 3, lid 5, vastgestelde termijn “uiterlijk op 22 december 2008” wordt gelezen als “uiterlijk [tien jaar na de datum van vaststelling van dit besluit]”; |
|
3) |
bijlage IV, deel A, punt 2, a), ii), wordt als volgt gelezen: “stijgende trends tijdig kunnen worden vastgesteld, zodat maatregelen kunnen worden getroffen om voor het milieu significante nadelige veranderingen in de kwaliteit van het grondwater te voorkomen, of ten minste zoveel mogelijk te mitigeren; deze vaststelling wordt voor het eerst uiterlijk [elf jaar na de datum van vaststelling van dit besluit] uitgevoerd, en vervolgens ten minste om de zes jaar;” ; |
|
4) |
artikel 3, lid 7, en de artikelen 7 tot en met 14 zijn niet van toepassing. |
Artikel 5
Voor de toepassing van titel II van het Verdrag tot oprichting van de energiegemeenschap worden de bepalingen van Richtlijn 2008/105/EG als volgt aangepast:
|
1) |
artikel 5 wordt als volgt gelezen: “1. Op basis van de overeenkomstig de artikelen 5 en 8 van Richtlijn 2000/60/EG verzamelde informatie, alsmede andere beschikbare gegevens, stellen de verdragsluitende partijen voor elk stroomgebiedsdistrict of het op hun grondgebied gelegen deel daarvan een inventaris op, met inbegrip van kaarten indien deze beschikbaar zijn, van de emissies, lozingen en verliezen van alle in de deel A van bijlage I vermelde prioritaire stoffen en verontreinigende stoffen, waar passend, met inbegrip van hun concentraties in sedimenten en biota. 2. De referentieperiode voor de schatting van de waarden van verontreinigende stoffen die in de in lid 1 bedoelde inventarissen worden opgenomen, is één jaar tussen 2034 en 2036. 3. De verdragsluitende partijen stellen het secretariaat overeenkomstig de rapporteringsverplichtingen uit hoofde van artikel 15, lid 1, van Richtlijn 2000/60/EG, in kennis van de overeenkomstig lid 1 van dit artikel opgestelde inventarissen met inbegrip van de desbetreffende referentieperioden. 4. De verdragsluitende partijen actualiseren hun inventarissen als onderdeel van de toetsing van de in artikel 5, lid 2, van Richtlijn 2000/60/EG bedoelde analyses. De referentieperiode voor de vaststelling van de waarden in de bijgestelde inventarissen is het jaar vóór de afronding van die analyse. De verdragsluitende partijen publiceren de geactualiseerde inventarissen in hun geactualiseerde stroomgebiedsbeheersplannen zoals bepaald in artikel 13, lid 7, van Richtlijn 2000/60/EG.” |
|
2) |
artikel 3), lid 1, punt a), artikel 3, lid 7, artikel 3, lid 8, punten a) en b), alsmede de artikelen 7 tot en met 15 zijn niet van toepassing. |
Artikel 6
Voor de toepassing van titel II van het Verdrag tot oprichting van de energiegemeenschap zijn de artikelen 7, 8 en 9 van Richtlijn 2009/90/EG niet van toepassing.
Artikel 7
1. De verdragsluitende partijen doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk [vijf jaar na de datum van vaststelling van dit besluit] aan de Richtlijnen 2000/60/EG, 2008/105/EG, 2006/118/EG en 2009/90/EG te voldoen, onverminderd de verbintenissen die voortvloeien uit het toetredingsproces van de Unie en andere internationale verplichtingen. Zij stellen het secretariaat daarvan onverwijld in kennis.
2. Wanneer de verdragsluitende partijen de in de lid 1 bedoelde bepalingen aannemen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking naar dit besluit en de relevante met elke maatregel omgezette richtlijn verwezen. De regels voor de verwijzingen worden vastgesteld door de verdragsluitende partijen.
3. De verdragsluitende partijen delen het secretariaat de tekst mee van de belangrijkste bepalingen van intern recht die zij vaststellen op het gebied dat valt onder dit besluit en de in lid 1 genoemde richtlijnen.
Artikel 8
Dit besluit treedt in werking op de datum van de vaststelling ervan door de ministerraad.
Artikel 9
Dit besluit is gericht tot de verdragsluitende partijen van het Verdrag tot oprichting van de energiegemeenschap.
Gedaan te [xxx], op [DATUM].
Voor de ministerraad
(De voorzitter)
(1) Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 663/2009 en (EG) nr. 715/2009 van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 94/22/EG, 98/70/EG, 2009/31/EG, 2009/73/EG, 2010/31/EU, 2012/27/EU en 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 2009/119/EG en (EU) 2015/652 van de Raad, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/1999/oj).
(2) COM(2025) 280 final — Europese strategie voor waterweerbaarheid.
(3) Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2000/60/oj).
(4) Richtlijn 2006/118/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging en achteruitgang van de toestand (PB L 372 van 27.12.2006, blz. 19, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2006/118/2014-07-11).
(5) Richtlijn 2008/105/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake milieukwaliteitsnormen op het gebied van het waterbeleid tot wijziging en vervolgens intrekking van de Richtlijnen 82/176/EEG, 83/513/EEG, 84/156/EEG, 84/491/EEG en 86/280/EEG van de Raad, en tot wijziging van Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 348 van 24.12.2008, blz. 84, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2008/105/2013-09-13).
(6) Richtlijn 2009/90/EG van de Commissie van 31 juli 2009 tot vaststelling van technische specificaties voor de chemische analyse en monitoring van de watertoestand krachtens Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 201 van 1.8.2009, blz. 36, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2009/90/oj).
ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2026/70/oj
ISSN 1977-0758 (electronic edition)