|
Publicatieblad |
NL L-serie |
|
2025/2595 |
19.12.2025 |
RICHTSNOER (EU) 2025/2595 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK
van 10 december 2025
betreffende de toezichtsaanpak door nationale bevoegde autoriteiten van de dekking van niet-renderende blootstellingen die door minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten worden aangehouden (ECB/2025/40)
DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (1), en met name artikel 6, lid 1, en artikel 6, lid 5, punten a) en c),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De Europese Centrale Bank (ECB) is verantwoordelijk voor de doeltreffende en samenhangende werking van het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme (GTM). Zij ziet toe op de werking van het systeem en zorgt voor consistente toepassing van hoge toezichtstandaarden en consistentie van de toezichtresultaten in de deelnemende lidstaten. De ECB kan richtsnoeren uitvaardigen aan nationale bevoegde autoriteiten (NBA’s), op grond waarvan de NBA’s toezichttaken moeten uitvoeren en toezichtbesluiten moeten vaststellen. |
|
(2) |
De ECB zorgt voor consistente toepassing van prudentiële vereisten voor kredietinstellingen in de deelnemende lidstaten, overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1024/2013 en Verordening (EU) nr. 468/2014 van de Europese Centrale Bank (ECB/2014/17) (2). |
|
(3) |
Hoewel de NBA’s in de eerste plaats verantwoordelijk zijn voor het toetsen van de regelingen, processen, mechanismen en strategieën die worden toegepast door kredietinstellingen die als minder belangrijk zijn ingedeeld met het oog op een degelijk beheer en een solide dekking van hun risico’s — waaronder hun voorzieningenbeleid en de behandeling van activa wat eigenvermogensvereisten betreft — dient de ECB, in haar toezichthoudende rol binnen het GTM de consistente toepassing van hoge toezichtstandaarden bij de uitvoering van dergelijke toetsingen te bevorderen. In dit verband draagt een consistente toepassing van hoge toezichtstandaarden op de toetsing door de toezichthouder van het beheer en de dekking van niet-renderende blootstellingen (non-performing exposures — NPE’s) voor minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten in het gehele GTM bij tot de bredere doelstellingen om ervoor te zorgen dat: a) ten aanzien van alle kredietinstellingen in de deelnemende lidstaten een coherente en doeltreffende aanpak van het prudentieel toezicht wordt toegepast; b) het gemeenschappelijke rulebook voor financiële diensten consequent wordt toegepast op alle kredietinstellingen in de deelnemende lidstaten, en c) alle kredietinstellingen in de deelnemende lidstaten zijn onderworpen aan toezicht van de hoogste kwaliteit. |
|
(4) |
Het waarborgen van een adequaat beheer en adequate dekking van NPE’s is sinds de oprichting van het GTM een belangrijke prioriteit geweest. De ECB heeft met betrekking tot NPE’s een toezichtsaanpak gevolgd op basis van het door de wetgever van de Unie ontwikkelde kader, rekening houdend met de door de Europese Bankautoriteit vastgestelde interpretatierichtsnoeren. Als onderdeel van deze toezichtsaanpak heeft de ECB een mededeling uitgegeven over de verwachtingen van de toezichthouder voor de dekking van NPE’s die worden aangehouden door belangrijke onder toezicht staande entiteiten. Die verwachtingen hebben betrekking op NPE’s waarvan de blootstelling vóór 26 april 2019 is ontstaan en waarop derhalve niet het aftrekkingsvereiste uit hoofde van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad (3) van toepassing is. Voor minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten is de dekking van dergelijke NPE’s tot op heden niet onderworpen aan eenvormige toezichtspraktijken binnen het GTM. De dekking van NPE’s is afhankelijk van de aanpak die door de NBA’s zijn vastgesteld voor hun respectieve toezichtactiviteiten. |
|
(5) |
Zoals blijkt uit de ervaring die de ECB heeft opgedaan in het kader van de toezichtsaanpak voor belangrijke onder toezicht staande entiteiten, bevordert een toereikende en tijdige dekking van NPE’s een proactief beheer van die blootstellingen, een verlaging van bestaande NPE’s, en voorzieningenniveaus die in verhouding staan tot de risico’s verbonden aan hun ouderdomstelling (vintage) en de ontwikkeling van de inbare bedragen. |
|
(6) |
Omwille daarvan moet de toezichtsaanpak van de NBA’s voor de dekking van NPE’s die door minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten worden aangehouden betrekking hebben op de toetsing van het voorzieningenbeleid en de behandeling van activa wat de eigenvermogensvereisten van die onder toezicht staande entiteiten betreft. |
|
(7) |
Een dergelijke toezichtsaanpak voor de dekking van NPE’s wordt beschouwd als een doeltreffend instrument om twee belangrijke risico’s te beperken. Het eerste risico is het aanhouden van NPE’s met een hoge ouderdomstelling (ook bekend als “oude” NPE’s) en een beperkte dekking door voorzieningen, die blijvende bronnen van potentiële verdere verliezen vormen en de capaciteit van banken om nieuwe leningen te verstrekken beperken. Het tweede risico is de mogelijkheid van inconsistenties in de prudentiële behandeling van NPE’s waarop het aftrekkingsvereiste uit hoofde van Verordening (EU) nr. 575/2013 van toepassing is en de NPE’s waarvoor dit niet het geval is, wanneer die inconsistenties niet door specifieke omstandigheden worden gerechtvaardigd. |
|
(8) |
Deze twee belangrijke risico’s zijn wezenlijke risico’s. De geaggregeerde ratio’s van NPE’s voor zowel belangrijke als minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten hebben sinds de oprichting van het GTM over het algemeen een aanhoudende neerwaartse trend vertoond. Deze trend was meer uitgesproken voor belangrijke onder toezicht staande entiteiten en eindigde in 2024. Teneinde de weerbaarheid van minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten tegen potentiële ongunstige ontwikkelingen in het macro-economische klimaat en de daarmee samenhangende verslechtering van de kredietkwaliteit te versterken, wordt in het licht van mogelijk opnieuw stijgende NPE-ratio’s geoordeeld dat, gezien de algemene toereikende kapitaalniveaus en de ruime tijd de minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten hebben gehad om op eigen initiatief vooruitgang te boeken met de vermindering van oude NPE’s, een geharmoniseerde toezichtsaanpak van de NBA’s voor de dekking van NPE’s die door minder belangrijke instellingen worden aangehouden als evenredig beschouwd met de toezichtdoelstelling om de twee belangrijkste risico’s in verband met die NPE’s aan te pakken. Dit is ingegeven door de bevredigende algemene kapitaalniveaus en de lange periode waarin minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten recentelijk op eigen initiatief vooruitgang te boeken met de reductie en dekking van oude NPE’s. |
|
(9) |
Teneinde de dekking door minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten van niet-renderende blootstellingen binnen het toepassingsgebied van dit richtsnoer te beoordelen, moeten de NBA’s gedetailleerde gegevens over de dekking van dergelijke blootstellingen verkrijgen. Dergelijke gegevens zijn momenteel niet opgenomen in de gegevens die instellingen krachtens Uitvoeringsverordening (EU) 2021/451 van de Commissie (4) moeten rapporteren, en de NBA’s moeten daarom van minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten verlangen dat zij deze voor elke relevante rapportagereferentiedatum rapporteren, |
HEEFT HET VOLGENDE RICHTSNOER VASTGESTELD:
Artikel 1
Onderwerp en toepassingsgebied
Dit richtsnoer legt de door de NBA’s te hanteren toezichtsaanpak vast voor de toetsing van het voorzieningenbeleid en de behandeling van activa wat eigenvermogensvereisten van minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten betreft die gevestigd zijn in dezelfde lidstaat als de betrokken NBA.
Artikel 2
Definities
Voor de toepassing van dit richtsnoer gelden de definities van artikel 4 van Verordening (EU) nr. 575/2013, artikel 2 van Verordening (EU) 2017/2402 van het Europees Parlement en de Raad (5), artikel 2 van Verordening (EU) nr. 1024/2013 en artikel 2 van Verordening (EU) nr. 468/2014 (ECB/2014/17). Daarnaast gelden de volgende definities:
|
1) |
“rapportagereferentiedatum”: 31 december van een bepaald kalenderjaar; |
|
2) |
“niet-renderende blootstelling binnen het toepassingsgebied van dit richtsnoer”: een blootstelling die voldoet aan de voorwaarden voor een afwijking van artikel 36, lid 1, punt m), van Verordening (EU) nr. 575/2013 zoals bepaald in artikel 469 bis van die verordening; |
|
3) |
“technische garantie”: met betrekking tot blootstellingen, een garantie van het vermogen van de schuldenaar om contractuele niet-economische verplichtingen, zoals de levering van goederen of de uitvoering van werken aan een derde, na te komen, en die niet het karakter van een kredietvervanging heeft. |
Artikel 3
Instellingen binnen het toepassingsgebied
1. De NBA’s passen de in dit richtsnoer neergelegde toezichtsaanpak toe op alle minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten op het hoogste consolidatieniveau in de deelnemende lidstaten.
2. In afwijking van lid 1 kan een NBA besluiten de in dit richtsnoer neergelegde toezichtsaanpak voor een bepaalde rapportagereferentiedatum niet toe te passen op een minder belangrijke onder toezicht staande entiteit, indien deze minder belangrijke onder toezicht staande entiteit op het hoogste consolidatieniveau aan ten minste een van de volgende voorwaarden voldoet:
|
a) |
de totale brutoboekwaarde van niet-renderende leningen en voorschotten van de minder belangrijke onder toezicht staande entiteit vertegenwoordigt minder dan 5 % van de totale brutoboekwaarde van leningen en voorschotten van de minder belangrijke onder toezicht staande entiteit. Bij de berekening van de enige ratio die ten opzichte van de drempel van 5 % moet worden beoordeeld worden leningen en voorschotten die zijn geclassificeerd als aangehouden voor verkoop, tegoeden bij centrale banken en overige direct opvraagbare deposito’s uitgesloten van zowel de noemer als de teller; |
|
b) |
het totale bedrag aan niet-renderende blootstelling binnen het toepassingsgebied van dit richtsnoer van minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten in de zin van artikel 2, punt 2), vertegenwoordigt een onbeduidend deel van het totale bedrag aan niet-renderende blootstellingen van de minder belangrijke onder toezicht staande entiteit; |
|
c) |
de minder belangrijke onder toezicht staande entiteit is betrokken bij een lopende ordelijke liquidatieprocedure; |
|
d) |
de minder belangrijke onder toezicht staande entiteit is betrokken bij een lopende fusie met een andere onder toezicht staande entiteit of wordt momenteel overgenomen door een andere onder toezicht staande entiteit; |
|
e) |
de minder belangrijke onder toezicht staande entiteit is een “gespecialiseerde herstructureerder van schulden” in de zin van artikel 36, lid 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013; |
|
f) |
de minder belangrijke onder toezicht staande entiteit verkeert in specifieke en feitelijke omstandigheden die, naar inzicht van de betrokken NBA, de toepassing van dit richtsnoer ongepast maken, rekening houdend met de doelstellingen en beginselen van Verordening (EU) nr. 1024/2013 en met name de noodzaak om de consistente toepassing van hoge toezichtsnormen te waarborgen. |
3. Na de beoordeling van lid 2, punten a) tot en met f), informeren de NBA’s dienovereenkomstig de minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten die in hun respectieve lidstaten zijn gevestigd, waarop het kader van dit richtsnoer en de bijbehorende rapportagevereisten als bedoeld in artikel 7 op een bepaalde rapportagereferentiedatum van toepassing zijn.
4. De NBA’s stellen de ECB regelmatig in kennis van de toepassing van de krachtens lid 2 toegepaste vrijstellingen, met inbegrip van de onderliggende beoordelingen van de betrokken NBA’s.
Artikel 4
Blootstellingen binnen het toepassingsgebied
1. De NBA’s passen de in dit richtsnoer neergelegde toezichtsaanpak toe op niet-renderende blootstellingen binnen het toepassingsgebied van dit richtsnoer.
2. Onderliggende blootstellingen van traditionele of synthetische securitisaties blijven buiten het toepassingsgebied van dit richtsnoer indien met betrekking tot die blootstellingen aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:
|
a) |
de minder belangrijke onder toezicht staande entiteit heeft een significant deel van het risico overgedragen overeenkomstig artikel 244, lid 1, punt a), of artikel 245, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013; |
|
b) |
de minder belangrijke onder toezicht staande entiteit volgt de benadering van volledige aftrek overeenkomstig artikel 244, lid 1, punt b), of artikel 245, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013. |
3. Op verzoek van een minder belangrijke onder toezicht staande entiteit kunnen de NBA’s besluiten artikel 5 niet toe te passen op afzonderlijke blootstellingen of portefeuilles van blootstellingen op basis van specifieke omstandigheden die worden aangetoond door gedetailleerd en robuust bewijsmateriaal dat door de minder belangrijke onder toezicht staande entiteit wordt ingediend. De NBA’s beoordelen en beslissen op basis van dat bewijsmateriaal over het verzoek van de minder belangrijke onder toezicht staande entiteit.
4. Voor de toepassing van lid 3 omvatten specifieke omstandigheden een van de volgende situaties:
|
a) |
lopende periodieke aflossingen op de hoofdsom en de rente vanuit de kasstromen van de formele schuldenaar zullen leiden uiteindelijk tot volledige aflossing; |
|
b) |
de dekking van NPE’s zou, in combinatie met de Pijler 1-kapitaalvereisten voor kredietrisico, zou ertoe leiden dat de blootstelling voor meer dan 100 % wordt gedekt; |
|
c) |
de blootstelling heeft betrekking op technische garanties. |
Artikel 5
Beoordeling van dekking van NPE’s
1. De NBA’s beoordelen de dekking van niet-renderende blootstellingen binnen het toepassingsgebied van dit richtsnoer door minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten op basis van overeenkomstig artikel 47 quater, lid 1, punt a), gelezen in samenhang met artikel 47 quater, leden 2, 3 en 4 van Verordening (EU) nr. 575/2013 bepaalde bedrag.
2. Bij het bepalen van de dekkingsbedragen van minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten die moeten worden beoordeeld aan de hand van het in lid 1 gespecificeerde bedrag, houden de NBA’s rekening met de in artikel 47 quater, lid 1, punt b), i) tot en met vi), van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde elementen.
Artikel 6
Gebruik in het toezichtsproces
1. De NBA’s gebruiken de resultaten van hun beoordelingen van de dekking van niet-renderende blootstellingen binnen het toepassingsgebied van dit richtsnoer door minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten als onderdeel van het in artikel 97 van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad (6) bedoelde proces van toetsing en evaluatie door de toezichthouder.
2. Indien een NBA, na terdege rekening te hebben gehouden met de door een minder belangrijke onder toezicht staande entiteit aangedragen specifieke omstandigheden, van oordeel is dat de dekking van niet-renderende blootstellingen binnen het toepassingsgebied van dit richtsnoer ontoereikend is, overweegt zij een toezichtmaatregel vast te stellen krachtens de nationale wetgeving tot omzetting van artikel 104 van Richtlijn 2013/36/EU of gelijkwaardige toezichtbevoegdheden waarin de nationale wetgeving voorziet.
Artikel 7
Rapportageverplichtingen
1. Voor de uitvoering van de in artikel 5 beschreven beoordeling verlangen de NBA’s dat minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten voor elke rapportagereferentiedatum gedetailleerde gegevens rapporteren over de dekking van hun niet-renderende blootstellingen binnen het toepassingsgebied van dit richtsnoer.
2. De te gebruiken templates voor de in lid 1 genoemde rapportage worden door de ECB in samenwerking met de NBA’s opgesteld.
3. De NBA’s delen de door minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten verstrekte gegevens als bedoeld in lid 1 met de ECB voor gebruik in het kader van haar oversightmandaat.
Artikel 8
Overgangsregelingen
1. De NBA’s beoordelen de dekking van NPE’s overeenkomstig artikel 5 van dit richtsnoer vanaf de rapportagereferentiedatum van 31 december 2028.
2. In afwijking hiervan geldt voor de eerste drie rapportagereferentiedatums na de kennisgeving van dit richtsnoer aan de NBA’s het volgende:
|
a) |
om de dekking van NPE’s krachtens artikel 5, lid 1 voor de rapportagereferentiedatum 31 december 2025 te beoordelen:
|
|
b) |
om de dekking van de dekking van NPE’s krachtens artikel 5, lid 1 voor de rapportagereferentiedatum 31 december 2026 te beoordelen:
|
|
c) |
om de dekking van de dekking van NPE’s krachtens artikel 5, lid 1 voor de rapportagereferentiedatum 31 december 2027 te beoordelen:
|
3. In afwijking van artikel 6 van dit richtsnoer kan een NBA voor de eerste rapportagereferentiedatum na de kennisgeving van dit richtsnoer aan de NBA’s besluiten geen gebruik te maken van de resultaten van de beoordeling van de dekking van niet-renderende blootstellingen door minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten als onderdeel van het proces van toetsing en evaluatie door de toezichthouder.
Artikel 9
Inwerkingtreding
Dit richtsnoer wordt van kracht op de dag van kennisgeving ervan aan de NBA’s van de deelnemende lidstaten.
Artikel 10
Geadresseerden
Dit richtsnoer is gericht tot de NBA’s van de deelnemende lidstaten en de ECB.
Gedaan te Frankfurt am Main, 10 december 2025.
Voor de Raad van gouverneurs van de ECB
De president van de ECB
Christine LAGARDE
(1) PB L 287 van 29.10.2013, blz. 63, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2013/1024/oj.
(2) Verordening (EU) nr. 468/2014 van de Europese Centrale Bank van 16 april 2014 tot vaststelling van een kader voor samenwerking binnen het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme tussen de Europese Centrale Bank en nationale bevoegde autoriteiten en met nationale aangewezen autoriteiten (GTM-kaderverordening) (ECB/2014/17) (PB L 141 van 14.5.2014, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2014/468/oj).
(3) Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2013/575/oj).
(4) Uitvoeringsverordening (EU) 2021/451 van de Commissie van 17 december 2020 tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen voor de toepassing van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de rapportage aan de toezichthoudende autoriteit door instellingen en tot intrekking van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014 (PB L 97 van 19.3.2021, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2021/451/oj).
(5) Verordening (EU) 2017/2402 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 tot vaststelling van een algemeen kader voor securitisatie en tot instelling van een specifiek kader voor eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde securitisatie, en tot wijziging van de Richtlijnen 2009/65/EG, 2009/138/EG en 2011/61/EU en de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 648/2012 (PB L 347 van 28.12.2017, blz. 35, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2017/2402/oj).
(6) Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2013/36/oj).
ELI: http://data.europa.eu/eli/guideline/2025/2595/oj
ISSN 1977-0758 (electronic edition)