European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

L-serie


2025/2549

22.12.2025

UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2025/2549 VAN DE COMMISSIE

van 10 december 2025

tot wijziging en rectificatie van Uitvoeringsverordening (EU) 2025/486 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) 2023/956 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de voorwaarden en procedures in verband met de status van toegelaten CBAM-aangever

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2023/956 van het Europees Parlement en de Raad van 10 mei 2023 tot instelling van een mechanisme voor koolstofgrenscorrectie (1), en met name artikel 5, lid 8, en artikel 17, lid 10,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EU) 2023/956 is gewijzigd bij Verordening (EU) 2025/2083 van het Europees Parlement en de Raad (2), waarbij het mechanisme voor koolstofgrenscorrectie is vereenvoudigd en versterkt door de procedures voor het aanvragen en verlenen van de status van toegelaten CBAM-aangever en de voorwaarden voor die procedures te herzien.

(2)

Uitvoeringsverordening (EU) 2025/486 van de Commissie (3) stelt uitvoeringsbepalingen vast voor Verordening (EU) 2023/956 wat betreft de voorwaarden en procedures in verband met de status van toegelaten CBAM-aangever. Uitvoeringsverordening (EU) 2025/486 moet worden gewijzigd om rekening te houden met de bij Verordening (EU) 2025/2083 ingevoerde wijzigingen.

(3)

Bij Verordening (EU) 2025/2083 is de in Verordening (EU) 2023/956 vastgestelde raadplegingsprocedure voor het verlenen en het intrekken van de status van toegelaten CBAM-aangever facultatief geworden en is de voor die raadplegingsprocedure vastgestelde termijn omgezet van werkdagen in kalenderdagen. Daarom moeten de bepalingen van Uitvoeringverordening (EU) 2025/486 over een dergelijke procedure aansluiten bij die mogelijkheid en termijn.

(4)

Verder is bij Verordening (EU) 2025/2083 de in Verordening (EU) 2023/956 vastgestelde termijn voor de indiening van CBAM-aangiften verlengd om CBAM-aangevers meer tijd te geven om aan hun verplichtingen te voldoen. Daarom moet de periode voor de CBAM-aangiften in geval van intrekking dienovereenkomstig worden aangepast.

(5)

Om de administratieve lasten te verminderen, moet de bevoegde autoriteit die een aanvraag voor de status van toegelaten CBAM-aangever beoordeelt, digitaal relevante informatie en gegevens van andere nationale bevoegde autoriteiten kunnen opvragen, op voorwaarde dat het nationale recht dit toestaat of op voorwaarde dat de aanvrager toestemming voor de gegevensverwerking heeft gegeven.

(6)

Overeenkomstig Verordening (EU) 2025/2083 moet de aankoop van CBAM-certificaten vanaf 2027 plaatsvinden. Daarom moet een alternatieve maatregel worden vastgesteld voor de gevolgen van een intrekking en de inlevering van CBAM-certificaten voor het kalenderjaar 2026.

(7)

Bovendien moet een foutieve verwijzing in artikel 22, lid 3, van Uitvoeringsverordening (EU) 2025/486 naar artikel 25 in plaats van artikel 26 van die verordening worden gecorrigeerd.

(8)

Uitvoeringsverordening (EU) 2025/486 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd en gerectificeerd.

(9)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het CBAM-comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen van Uitvoeringsverordening (EU) 2025/486

Uitvoeringsverordening (EU) 2025/486 wordt als volgt gewijzigd:

1)

in artikel 2 wordt lid 3 vervangen door:

“3.   De aanvrager motiveert een verzoek tot aanpassing van de in artikel 5, lid 5, punten d) tot en met g bis), van Verordening (EU) 2023/956 bedoelde informatie in het verzoek tot aanpassing.”

;

2)

aan artikel 4 worden de volgende leden 6 en 7 toegevoegd:

“6.   Indien een aanvraag uiterlijk op 31 maart 2026 de status heeft als geregistreerd in het CBAM-register overeenkomstig artikel 17, lid 7 bis, van Verordening (EU) 2023/956, mag de aanvrager voorlopig goederen blijven invoeren tot de datum waarop een besluit over de aanvraag overeenkomstig artikel 7 van kracht wordt.

7.   In plaats van de krachtens deze verordening voor de beoordeling van de aanvraag vereiste informatie van de aanvrager te verkrijgen, kan de bevoegde autoriteit gebruikmaken van digitale instrumenten om relevante informatie van andere nationale bevoegde autoriteiten in de lidstaat op te vragen indien de aanvrager daarmee instemt of op voorwaarde dat het nationale recht toestaat die informatie van andere nationale bevoegde autoriteiten op te vragen.”

;

3)

artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt vervangen door:

“1.   De bevoegde autoriteit kan, in elektronische vorm via het CBAM-register, de raadplegingsprocedure inleiden met de geraadpleegde partijen als bedoeld in artikel 17, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EU) 2023/956 (de “raadplegingsprocedure”). De raadplegingsprocedure wordt vóór het verstrijken van de in artikel 4, lid 1, vastgestelde termijn afgerond.”

;

b)

in lid 2 wordt het inleidende gedeelte vervangen door:

“2. Tijdens de raadplegingsprocedure kan de bevoegde autoriteit de raadpleging van deze partijen starten over de volgende punten:”;

4)

artikel 12 wordt vervangen door:

“Artikel 12

Raadplegingstermijn

1.   De bevoegde autoriteit stelt een termijn vast waarbinnen de geraadpleegde partijen hun opmerkingen overeenkomstig artikel 11, lid 3, moeten indienen. Die termijn mag niet meer dan vijftien kalenderdagen bedragen.

2.   De bevoegde autoriteit kan de overeenkomstig de lid 1 vastgestelde raadplegingstermijn verlengen in elk van de volgende gevallen:

a)

de aanvrager verzoekt om aanpassingen overeenkomstig artikel 2 die door de bevoegde autoriteit zijn aanvaard en die relevant zijn voor de raadpleging;

b)

de geraadpleegde partij vraagt meer tijd vanwege de aard van de uit te voeren onderzoeken;

c)

de in punt b) bedoelde verlenging mag niet meer dan vijftien kalenderdagen bedragen.

3.   Indien de geraadpleegde partijen niet antwoorden binnen de overeenkomstig de leden 1 en 2 vastgestelde raadplegingstermijnen, wordt aan de voorwaarden en criteria waarvoor de raadpleging heeft plaatsgevonden, geacht te zijn voldaan.”

;

5)

artikel 21 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de leden 2 en 3 worden vervangen door:

“2.   Indien de in lid 1 van dit artikel bedoelde intrekkingsdatum vóór of op 30 september van het jaar valt, bevat de CBAM-aangifte de in artikel 6, lid 2, punten a), b) en c), van Verordening (EU) 2023/956 bedoelde gegevens en, in voorkomend geval, de in artikel 6, lid 2, punt d), van die verordening bedoelde informatie met betrekking tot goederen die zijn ingevoerd vóór de intrekkingsdatum en die niet anderszins in een CBAM-aangifte zijn opgenomen.

3.   Indien de in lid 1 van dit artikel bedoelde intrekkingsdatum na 30 september van het jaar valt, bevat de CBAM-aangifte de in artikel 6, lid 2, punten a), b) en c), van Verordening (EU) 2023/956 bedoelde gegevens en, in voorkomend geval, de in artikel 6, lid 2, punt d), van die verordening bedoelde informatie met betrekking tot goederen die zijn ingevoerd tussen 1 januari van dat jaar en de intrekkingsdatum.”

;

b)

het volgende lid 10 wordt toegevoegd:

“10.   Indien een intrekking overeenkomstig artikel 24 van deze verordening binnen het kalenderjaar 2026 van kracht wordt, wordt het totale aantal CBAM-certificaten als bedoeld in lid 7 van dit artikel uiterlijk op 15 februari 2027 ingeleverd.”

;

6)

artikel 23 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de leden 2 en 3 worden vervangen door:

“2.   Indien het besluit tot intrekking vóór of op 30 september van het jaar ter kennis is gebracht, bevat de CBAM-aangifte de in artikel 6, lid 2, punten a), b) en c), van Verordening (EU) 2023/956 bedoelde gegevens en, in voorkomend geval, de in artikel 6, lid 2, punt d), van die verordening bedoelde informatie met betrekking tot goederen die zijn ingevoerd vóór de datum van kennisgeving van het besluit tot intrekking en die niet anderszins onder een CBAM-aangifte vallen.

3.   Indien het besluit tot intrekking na 30 september van het jaar ter kennis gebracht, bevat de CBAM-aangifte de in artikel 6, lid 2, punten a), b) en c), van Verordening (EU) 2023/956 bedoelde gegevens en, in voorkomend geval, de in artikel 6, lid 2, punt d), van die verordening bedoelde informatie met betrekking tot goederen die zijn ingevoerd tussen 1 januari van dat jaar en de datum van kennisgeving van het besluit tot intrekking.”

;

b)

het volgende lid 8 wordt toegevoegd:

“8.   Indien een intrekking overeenkomstig artikel 24 van deze verordening binnen het kalenderjaar 2026 van kracht wordt, wordt het totale aantal CBAM-certificaten als bedoeld in lid 7 van dit artikel uiterlijk op 15 februari 2027 ingeleverd.”

;

7)

artikel 26 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt vervangen door:

“1.   De bevoegde autoriteit kan de raadplegingsprocedure met de geraadpleegde partijen in elektronische vorm via het CBAM-register inleiden en geeft aan dat zij voornemens is de status van toegelaten CBAM-aangever in te trekken. Wanneer de bevoegde autoriteit een raadplegingsprocedure inleidt, verlangt zij met het oog op haar besluit aanvullende informatie over de criteria van artikel 17, lid 2, van Verordening (EU) 2023/956.”

;

b)

lid 4 wordt vervangen door:

“4.   De bevoegde autoriteit stelt een termijn voor de raadplegingsprocedure vast, die niet meer mag bedragen dan vijftien kalenderdagen, te rekenen vanaf de datum waarop zij de voorwaarden en criteria heeft meegedeeld die de geraadpleegde partijen moeten onderzoeken.”

;

8)

in artikel 27, lid 2, worden de punten b) en c) vervangen door:

“b)

de termijn, die ten hoogste vijftien kalenderdagen bedraagt, waarbinnen de toegelaten CBAM-aangever opmerkingen kan indienen;

c)

in voorkomend geval, de termijn, die ten hoogste vijf werkdagen bedraagt, waarbinnen de toegelaten CBAM-aangever die het voorwerp uitmaakt van de in artikel 25 bedoelde onmiddellijke intrekking, opmerkingen kan indienen.”.

Artikel 2

Rectificatie van Uitvoeringsverordening (EU) 2025/486

In artikel 22, lid 3, wordt de eerste zin vervangen door:

“De bevoegde autoriteit kan de toegelaten CBAM-aangever verzoeken om aanvullende informatie te verstrekken en opmerkingen te maken over de informatie waarop zij voornemens is haar besluit tot intrekking van de toelating te baseren, voordat zij een dergelijk besluit neemt of een raadplegingsprocedure overeenkomstig artikel 26 inleidt.”.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 10 december 2025.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 130 van 16.5.2023, blz. 52, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/956/oj.

(2)  Verordening (EU) 2025/2083 van het Europees Parlement en de Raad van 8 oktober 2025 tot wijziging van Verordening (EU) 2023/956 wat betreft de vereenvoudiging en versterking van het mechanisme voor koolstofgrenscorrectie (PB L, 2025/2083, 17.10.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2025/2083/oj).

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) 2025/486 van de Commissie van 17 maart 2025 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) 2023/956 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de voorwaarden en procedures in verband met de status van toegelaten CBAM-aangever (PB L, 2025/486, 18.3.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/486/oj).


ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/2549/oj

ISSN 1977-0758 (electronic edition)