European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

L-serie


2025/2454

2.12.2025

VERORDENING (EU) 2025/2454 VAN DE RAAD

van 1 december 2025

tot vaststelling van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden in de Oostzee voor 2026 en tot wijziging van Verordening (EU) 2025/202 wat betreft bepaalde vangstmogelijkheden in andere wateren

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 3,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het is aan de Raad om maatregelen aan te nemen voor de vaststelling en verdeling van de vangstmogelijkheden, inclusief bepaalde functioneel daarmee verbonden voorwaarden. Op grond van artikel 16, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad (1) moeten de vangstmogelijkheden worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 2, lid 2, van die verordening genoemde doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB). Op grond van artikel 16, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 moeten de vangstmogelijkheden aan de lidstaten worden toegewezen op een manier die de relatieve stabiliteit van de visserijactiviteiten van iedere lidstaat voor elk visbestand of elke visserij waarborgt.

(2)

De totale toegestane vangsten (total allowable catches — TAC’s) moeten derhalve overeenkomstig artikel 3 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 worden vastgesteld op basis van de beste beschikbare wetenschappelijke adviezen, met inachtneming van zowel de biologische en sociaal-economische aspecten als de verplichting tot billijke behandeling van de visserijsectoren en ook rekening houdend met de standpunten die kenbaar zijn gemaakt tijdens de raadpleging van de belanghebbenden.

(3)

Verordening (EU) 2016/1139 van het Europees Parlement en de Raad (2) bevat een meerjarenplan voor de kabeljauw- (Gadus morhua), haring- (Clupea harengus) en sprotbestanden (Sprattus sprattus) in de Oostzee en voor de visserijen op deze bestanden. Overeenkomstig artikel 3, lid 1, van die verordening is het plan gericht op de verwezenlijking van de doelstellingen van het GVB. Het plan beoogt ook ervoor te zorgen dat de mariene biologische rijkdommen zodanig worden geëxploiteerd dat de populaties van de gevangen soorten worden hersteld tot en worden behouden op een niveau dat hoger is dan datgene wat de maximale duurzame opbrengst (MDO) kan opleveren. Ook heeft het plan tot doel eraan bij te dragen dat de visserij- en aquacultuuractiviteiten op lange termijn ecologisch duurzaam zijn en stroken met de doelstellingen om op economisch, sociaal en werkgelegenheidsgebied voordelen te realiseren en het draagt bij aan de beschikbaarheid van voedsel. Deze doelstellingen, zoals nader omschreven in artikel 2, lid 5, punten c) en f), van Verordening (EU) nr. 1380/2013, zijn onder meer het scheppen van voorwaarden om de visserijsector en verwerkende industrie en visserijgerelateerde activiteiten aan land levensvatbaar en concurrerend te maken. Voorts zijn ze erop gericht een redelijke levensstandaard te waarborgen voor degenen die van visserijactiviteiten afhankelijk zijn, met bijzondere aandacht voor de kustvisserij en de sociaal-economische aspecten.

(4)

Op 28 mei 2025 heeft de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES) zijn jaarlijks advies voor de bestanden in de Oostzee voor 2026 gepubliceerd. Voor kabeljauw in het oostelijke deel van de Oostzee heeft de ICES simpelweg zijn eerder advies voor 2025 opnieuw uitgebracht. Volgens de ICES vertonen de meeste visserijen in de Oostzee ten minste enige mate van vermenging tussen bestanden. Die vermenging betreft zowel bestanden die onder een TAC vallen, als bestanden die niet onder een TAC vallen. De belangrijkste mate van vermenging vindt plaats onder pelagische en demersale soorten.

(5)

Voor 2026 adviseert de ICES nulvangsten van haring in het westelijke deel van de Oostzee, kabeljauw in het westelijke deel van de Oostzee en Atlantische zalm (Salmo salar) in de ICES-deelsectoren 22 tot en met 31 (“zalm in het hoofdbekken”). Kabeljauw is bijvangst in alle visserijen, westelijke haring in de gerichte sprotvisserij en zalm in het hoofdbekken wordt bijgevangen in verschillende visserijen. Al met al zou, bij vaststelling van de TAC’s voor die bestanden op de door de ICES aanbevolen niveaus, de aanlandingsverplichting voor alle vangsten van die bestanden, inclusief hun bijvangsten in gemengde visserijen, resulteren in het verschijnsel van “choke species” (knelsoorten of verstikkingssoorten). “Choke species” zijn soorten waarvoor geen quota beschikbaar zijn, wat ertoe kan leiden dat een of meer vissersvaartuigen de visserij moeten staken, ook al hebben zij nog quota voor andere soorten. Verstikking zou met name vaartuigen treffen die op platvis en pelagische soorten vissen: zij zouden mogelijk gedwongen zijn om hun visserijverrichtingen in 2026 stop te zetten, zodat die visserijen voortijdig worden gesloten. Op basis van gegevens van de Waarnemingspost voor de Europese markt voor visserij- en aquacultuurproducten wordt de waarde bij eerste verkoop van schol (Pleuronectes platessa), sprot en haring die binnen de grenzen van de TAC’s mogen worden gevangen en naar verwachting in het betrokken visserijgebied worden gevangen, geraamd op respectievelijk 25 300 000 EUR, 55 700 000 EUR en 43 400 000 EUR. Tal van visserijen, en met name kleinschalige kustvisserijen, op soorten die niet onder een TAC vallen, zouden dan eveneens in 2026 moeten worden stopgezet. Om een evenwicht te vinden tussen de instandhouding van de visserijen — vanwege de mogelijk ernstige sociaal-economische gevolgen als dat niet zou gebeuren — en de noodzaak om een goede biologische toestand van die bestanden te bereiken, en rekening houdend met de moeilijkheid om alle bestanden in een gemengde visserij op MDO-niveau te bevissen, moeten de TAC’s uitsluitend worden gehandhaafd voor onvermijdelijke bijvangsten van haring in het westelijke deel van de Oostzee, van kabeljauw in het oostelijke en het westelijke deel van de Oostzee en van zalm in het hoofdbekken.

(6)

Voor kabeljauw in het oostelijke deel van de Oostzee heeft de ICES sinds 2019 nulvangsten geadviseerd. Omdat het bestand zich in dezelfde kritieke toestand bevindt, heeft de ICES voor 2026 zijn eerder advies voor 2025 opnieuw uitgebracht. In dat advies was de ICES overtuigd van de trends in de biomassa van het bestand en was hij ervan overtuigd dat de biomassa zich ruim onder het instandhoudingsreferentiepunt (Blim), waaronder er sprake van verminderde reproductiecapaciteit kan zijn, bevond. Overeenkomstig artikel 3, lid 1, van Verordening (EU) 2016/1139 en artikel 16, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 is het daarom passend om de gerichte visserij op te schorten, alsmede andere functioneel daarmee verbonden herstelmaatregelen te treffen. Overeenkomstig artikel 2, lid 1, en artikel 2, lid 5, punten c) en f), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 moeten de vangstmogelijkheden voor onvermijdelijke bijvangsten op een laag niveau worden vastgesteld om de mogelijk ernstige sociaal-economische gevolgen te voorkomen die zich zouden voordoen wanneer de vangstmogelijkheden op nul zouden worden vastgesteld.

(7)

Voor het kabeljauwbestand in het westelijke deel van de Oostzee adviseert de ICES, na gedurende meerdere jaren een laag vangstniveau te hebben aanbevolen, nulvangsten voor 2026. De biomassa van het bestand in 2025 ligt namelijk naar raming onder Blim en zal zich in 2027 niet boven Blim herstellen. Overeenkomstig artikel 3, lid 1, van Verordening (EU) 2016/1139 en artikel 16, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 is het daarom passend om de gerichte visserij op te schorten, alsmede andere functioneel daarmee verbonden herstelmaatregelen te treffen. Overeenkomstig artikel 2, lid 1, en artikel 2, lid 5, punten c) en f), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 moeten de vangstmogelijkheden voor onvermijdelijke bijvangsten op een laag niveau worden vastgesteld om de sociaal-economische gevolgen te voorkomen die zich zouden voordoen wanneer de vangstmogelijkheden op nul zouden worden vastgesteld.

(8)

Voor zalm in het hoofdbekken heeft de ICES zijn nulvangstadvies gehandhaafd, maar acht hij gerichte commerciële en recreatievisserij in de zomer voor de kust ten noorden van 59o 30′ NB (ICES-deelsectoren 29 noord, 30 en 31) voor 2026 mogelijk. De ICES heeft zijn vangstadvies ook verder verlaagd ten opzichte van 2025 vanwege extra onzekerheden omtrent de abundantie van zalm in het hoofdbekken in de belangrijkste rivier van zalm in het hoofdbekken. Overeenkomstig artikel 16, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 is het daarom passend het niveau van de vangstmogelijkheden, het visserijgebied en de visserijperiode vast te stellen in overeenstemming met het ICES-advies, en de functioneel daarmee verbonden herstelmaatregelen te handhaven.

(9)

Om de vangstmogelijkheden voor de kustvisserij op zalm in ICES-deelsector 32 volledig te kunnen benutten, moet voor zalm de beperkte gebiedsflexibiliteit tussen enerzijds de ICES-deelsectoren 22 tot en met 31 en anderzijds ICES-deelsector 32 worden toegestaan.

(10)

Om te vermijden dat zalm verkeerd wordt gerapporteerd als zeeforel in de zalmvisserij, is het passend de visserij op zeeforel buiten vier zeemijl gemeten vanaf de basislijnen te verbieden en de bijvangsten van zeeforel te beperken tot 3 % van de gecombineerde vangst van zeeforel en zalm.

(11)

Maatregelen inzake de recreatievisserij op kabeljauw en zalm in het hoofdbekken en maatregelen voor de instandhouding van de zeeforel- en zalmbestanden mogen geen afbreuk doen aan strengere nationale maatregelen die zijn vastgesteld overeenkomstig de artikelen 19 en 20 van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

(12)

Voor haring in de Botnische Golf geldt dat de biomassa volgens de ICES-ramingen is blijven afnemen en nu halverwege tussen Blim en het instandhoudingsreferentiepunt (MDO Btrigger) ligt — beneden dat punt moeten er passende herstelmaatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat het bestand snel terugkeert boven een niveau dat de MDO kan opleveren. De ICES wijst ook op onzekerheden bij de raming van de jonge leeftijdsgroepen en van de ratio tussen gewicht en leeftijd. Daarnaast blijft de ICES erop wijzen dat het onwaarschijnlijk is dat het aandeel oudere exemplaren in de populatie toeneemt indien de vangstmogelijkheden op de FMDO-puntwaarde worden vastgesteld. De ICES merkt verder op dat het bestand vermoedelijk kwetsbaar is voor verlies aan genetische diversiteit. Overeenkomstig Verordening (EU) 2016/1139 is het daarom passend de vangstmogelijkheden dienovereenkomstig vast te stellen en een paaisluitingsperiode van drie maanden vast te stellen als functioneel daarmee verbonden herstelmaatregel.

(13)

Voor haring in het westelijke deel van de Oostzee adviseert de ICES voor het achtste opeenvolgende jaar nulvangsten. Zoals het geval was in 2024, heeft de ICES ook de ramingen van de biomassa voor de voorgaande jaren neerwaarts bijgesteld en raamt hij deze voor 2025, ondanks de gestage stijging ervan sinds 2021, nog steeds op slechts 52 % van Blim. Voorts blijft de aanwas historisch laag en zal de biomassa in 2027 naar verwachting niet herstellen tot boven Blim. Overeenkomstig artikel 2, lid 1, en artikel 2, lid 5, punten c) en f), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 moeten de vangstmogelijkheden voor onvermijdelijke bijvangsten op een laag niveau worden vastgesteld om de sociaal-economische gevolgen te voorkomen die zich zouden voordoen wanneer de vangstmogelijkheden op nul zouden worden vastgesteld.

(14)

Het haringbestand in het centrale deel van de Oostzee lag volgens de ICES-ramingen in het grootste deel van de voorbije dertig jaar onder Blim. Volgens de ICES-ramingen ligt het bestand sinds 2024 dankzij de hogere ratio gewicht/leeftijd en de sterkere aanwas in 2022 boven Blim, maar ligt het nog ver onder MDO Btrigger. De ICES raamt dat de aanwas in 2024 en 2025 sterk zou kunnen zijn, maar benadrukt dat deze ramingen onzeker zijn. De aanwas in 2023 ligt onder het gemiddelde. Bovendien herinnert de ICES eraan dat de voortdurende onjuiste rapportage van soorten de onzekerheid van het advies vergroot. Overeenkomstig Verordening (EU) 2016/1139 is het daarom passend de vangstmogelijkheden dienovereenkomstig vast te stellen en een paaisluitingsperiode van drie maanden vast te stellen als functioneel daarmee verbonden herstelmaatregel.

(15)

Voor haring in de Golf van Riga en schol, ligt volgens de ICES-ramingen de biomassa boven MDO Btrigger en de visserijdruk onder FMDO. Overeenkomstig Verordening (EU) 2016/1139 moeten de vangstmogelijkheden daarom dienovereenkomstig worden vastgesteld.

(16)

Volgens de ICES-ramingen ligt de biomassa van sprot nog boven MDO Btrigger, maar blijft deze wel fors afnemen als gevolg van de bevestigde historisch lage aanwas van 2021 tot 2023. De biomassa in 2025 ligt naar raming op het laagste niveau sinds 1990 en dicht bij MDO Btrigger. De ICES raamt dat de aanwas in 2024 uitzonderlijk hoog zou hebben kunnen zijn, maar benadrukt dat de raming onzeker is en dat de waarschijnlijkheid dat de biomassa onder de instandhoudingsreferentiepunten ligt, mogelijk wordt onderschat. Daarnaast herinnert de ICES eraan dat de voortdurende onjuiste rapportage van soorten de onzekerheid van het advies vergroot. Overeenkomstig Verordening (EU) 2016/1139 is het daarom passend de vangstmogelijkheden dienovereenkomstig vast te stellen en de bestaande paaisluitingsperiode van drie maanden te handhaven.

(17)

De in deze verordening bepaalde vangstmogelijkheden moeten worden gemonitord en gecontroleerd overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad (3), en met name de artikelen 33 en 34 betreffende de registratie van de vangsten en de visserij-inspanning, respectievelijk de melding van gegevens over de uitputting van de vangstmogelijkheden aan de Commissie. Daarom moet worden gepreciseerd welke codes de lidstaten moeten gebruiken wanneer zij bij de Commissie gegevens over aanlandingen van onder deze verordening vallende bestanden indienen.

(18)

De artikelen 3 en 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 van de Raad (4) voorzien in jaarflexibiliteit voor quota voor bestanden waarvoor zowel voorzorgs-TAC’s als analytische TAC’s gelden. Uit hoofde van artikel 2 van die verordening moet de Raad bij de vaststelling van de TAC’s bepalen op welke bestanden de artikelen 3 en 4 niet van toepassing mogen zijn, met name op grond van de biologische situatie ervan. Daarnaast voorziet artikel 15, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 nog in een andere vorm van jaarflexibiliteit voor alle bestanden die onder de aanlandingsverplichting vallen. Om te voorkomen dat de verwezenlijking van de GVB-doelstellingen wordt ondermijnd door buitensporige flexibiliteit, mogen de jaarflexibiliteit voor quota uit hoofde van de artikelen 3 en 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 en de jaarflexibiliteit voor quota uit hoofde van artikel 15, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 niet cumulatief van toepassing zijn. De jaarflexibiliteit moet uit hoofde van artikel 15, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 waar nodig worden uitgesloten op basis van de biologische toestand van de bestanden.

(19)

De biomassa van kabeljauw in het oostelijke deel en het westelijke deel van de Oostzee en van haring in het westelijke deel van de Oostzee ligt onder Blim. Voor al deze bestanden moeten in 2026 alleen bijvangsten en wetenschappelijke visserij worden toegestaan. Om die reden en gezien de relatief geringe veerkracht van het ecosysteem van de Oostzee hebben de lidstaten met een quotumaandeel in de respectieve TAC’s toegezegd de jaarflexibiliteit waarin artikel 15, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 voorziet, in 2026 niet op die bestanden toe te passen, zodat de vangsten in 2026 niet groter zullen zijn dan de respectieve TAC’s. Voorts ligt de biomassa van vrijwel alle rivierbestanden van zalm in het hoofdbekken ten zuiden van 59o 30′ NB onder het grensreferentiepunt voor de productie van smolt (Rlim) en zijn in 2026 alleen bijvangsten en wetenschappelijke visserij toegestaan. Daarom hebben de betrokken lidstaten voor 2026 eenzelfde toezegging gedaan voor de jaarflexibiliteit voor zalmvangsten in het hoofdbekken.

(20)

Bij Verordening (EU) 2025/202 van de Raad (5) is de TAC voor kever (Trisopterus esmarkii) in ICES-sector 3a (Skagerrak-Kattegat), de wateren van het Verenigd Koninkrijk en van de Unie van ICES-deelgebied 4 en de wateren van het Verenigd Koninkrijk van ICES-sector 2a (Noordzee) vastgesteld. De Unie en het Verenigd Koninkrijk hebben op 20 oktober 2025 bilateraal overleg gepleegd over de TAC voor kever in die gebieden voor de periode van 1 november 2025 tot en met 31 oktober 2026. Dit overleg is gehouden uit hoofde van artikel 498, lid 2, van de Handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds (6). De Unie heeft aan dit overleg deelgenomen op basis van nadere bepalingen van het Uniestandpunt dat de Raad op 14 oktober 2025 heeft bekrachtigd, uit hoofde van artikel 2 van Besluit (EU) 2021/1875 van de Raad (7). De Unie en het Verenigd Koninkrijk zijn het eens geworden over een TAC op basis van het op 10 oktober 2025 gepubliceerde ICES-advies voor kever in ICES-deelgebied 4 en ICES-sector 3a voor die periode. Het resultaat van het overleg is vastgelegd in het schriftelijk verslag, dat op 24 oktober 2025 is ondertekend door de delegatiehoofden van de Unie en het Verenigd Koninkrijk. De TAC voor de periode van 1 november 2025 tot en met 31 oktober 2026 moet worden vastgesteld op het in dat schriftelijk verslag genoemde niveau.

(21)

Bij Verordening (EU) 2025/202 is de totale toegestane vangst (TAC) voor witte tonijn (Thunnus alalunga) in de Middellandse Zee voor 2025 vastgesteld. Op 29 september 2025 heeft Turkije ermee ingestemd om 50 kg van zijn quotum voor witte tonijn in de Middellandse Zee voor 2025 over te dragen aan de Unie, overeenkomstig de door de Internationale Commissie voor de instandhouding van Atlantische tonijnen regels voor overdrachten. Die overdracht moet in Unierecht worden omgezet.

(22)

Verordening (EU) 2025/202 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(23)

Om een onderbreking van de visserijactiviteiten te voorkomen en het levensonderhoud van de vissers veilig te stellen, moeten de bepalingen van deze verordening betreffende de Oostzee van toepassing zijn met ingang van 1 januari 2026. De bepalingen tot wijziging van Verordening (EU) 2025/202 met betrekking tot kever in het Skagerrak-Kattegat en in de Noordzee moeten met terugwerkende kracht van 1 november 2025 tot en met 31 oktober 2026 van toepassing zijn omdat dat het visseizoen voor kever is. De bepalingen tot wijziging van Verordening (EU) 2025/202 met betrekking tot mediterrane witte tonijn met terugwerkende kracht van toepassing zijn vanaf 1 januari 2025, om de verslagperiode voor de TAC, die van toepassing is sinds 1 januari 2025, te handhaven. Een dergelijke toepassing met terugwerkende kracht doet geen afbreuk aan de beginselen van rechtszekerheid en de bescherming van het gewettigd vertrouwen, aangezien de quota onder die TAC’s nog niet zijn opgebruikt, of zijn verhoogd. Gezien de urgentie moet deze verordening onmiddellijk na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie in werking treden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

Deze verordening stelt voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden in de Oostzee de vangstmogelijkheden voor 2026 vast.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.   Deze verordening is van toepassing op vissersvaartuigen van de Unie die actief zijn in de Oostzee.

2.   Deze verordening is ook van toepassing op de recreatievisserij in de Oostzee, indien in de toepasselijke bepalingen uitdrukkelijk naar deze visserij wordt verwezen.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities van artikel 4 van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

Daarnaast gelden de volgende definities:

1)

“deelsector”: een deelsector van de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES) in de Oostzee als gedefinieerd in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 218/2009 van het Europees Parlement en de Raad (8);

2)

“totale toegestane vangst” (TAC):

a)

in visserijen die onder de in artikel 15, leden 4 tot en met 7, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde vrijstelling van de aanlandingsverplichting vallen: de hoeveelheid vis die elk jaar van elk bestand mag worden aangeland;

b)

in de overige visserijen: de hoeveelheid vis die elk jaar van elk bestand mag worden gevangen;

3)

“quotum”: een gedeelte van de TAC dat is toegewezen aan de Unie, aan een lidstaat of aan een derde land;

4)

“recreatievisserij”: niet-commerciële visserijactiviteiten waarmee de biologische rijkdommen van de zee worden geëxploiteerd voor recreatieve, toeristische of sportieve doeleinden;

5)

“analytische beoordeling”: een kwantitatieve evaluatie van trends voor een bepaald bestand op basis van gegevens over de biologie en de exploitatie van dat bestand, ook gebaseerd op benaderende waarden, die blijkens wetenschappelijke toetsing van toereikende kwaliteit zijn om de basis te vormen voor wetenschappelijke adviezen;

6)

“analytische TAC”: een TAC waarvoor een analytische beoordeling beschikbaar is;

7)

“voorzorgs-TAC”: een TAC waarvoor geen analytische beoordeling beschikbaar is, maar waarvoor ofwel een beoordeling op basis van de voorzorgsbenadering beschikbaar is ofwel helemaal geen beoordeling beschikbaar is.

HOOFDSTUK II

VANGSTMOGELIJKHEDEN

Artikel 4

TAC’s, toewijzingen en functioneel verbonden maatregelen

De TAC’s, quota en, in voorkomend geval, de functioneel daarmee verbonden maatregelen zijn opgenomen in de bijlage.

Artikel 5

Bijzondere bepalingen inzake de toewijzing van vangstmogelijkheden

1.   De vangstmogelijkheden worden overeenkomstig deze verordening over de lidstaten verdeeld zonder afbreuk te doen aan:

a)

het ruilen van vangstmogelijkheden uit hoofde van artikel 16, lid 8, van Verordening (EU) nr. 1380/2013;

b)

kortingen en nieuwe toewijzingen uit hoofde van artikel 37 van Verordening (EG) nr. 1224/2009;

c)

extra aanlandingen die worden toegestaan uit hoofde van artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 of artikel 15, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1380/2013;

d)

hoeveelheden die worden ingehouden overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 of overgedragen uit hoofde van artikel 15, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1380/2013;

e)

verlagingen of verminderingen uit hoofde van de artikelen 105, 106 en 107 van Verordening (EG) nr. 1224/2009.

2.   Bestanden waarvoor voorzorgs-TAC’s of analytische TAC’s gelden in het kader van het meerjarenbeheer van de TAC’s en quota waarin Verordening (EG) nr. 847/96 voorziet, zijn vermeld in de bijlage bij deze verordening.

3.   Tenzij anders vermeld in de bijlage bij deze verordening, is artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 van toepassing op bestanden waarvoor een voorzorgs-TAC is vastgesteld, en zijn artikel 3, leden 2 en 3, en artikel 4 van die verordening van toepassing op bestanden waarvoor een analytische TAC is vastgesteld.

4.   De artikelen 3 en 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 zijn niet van toepassing wanneer een lidstaat gebruikmaakt van de jaarflexibiliteit uit hoofde van artikel 15, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

Artikel 6

Voorwaarden voor het aanlanden van vangsten en bijvangsten

De bestanden van niet-doelsoorten binnen biologisch veilige grenzen als bedoeld in artikel 15, lid 8, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 waarop de afwijking van de verplichting om vangsten in mindering te brengen op de desbetreffende quota van toepassing is, zijn vermeld in de desbetreffende TAC-tabellen in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 7

Sluitingen ter bescherming van paaiende kabeljauw

1.   Het is verboden met welk vistuig dan ook te vissen in de deelsectoren 25 en 26 van 1 mei tot en met 31 augustus.

2.   Het in lid 1 neergelegde verbod geldt niet voor:

a)

visserijverrichtingen die uitsluitend ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek plaatsvinden, mits dat onderzoek wordt uitgevoerd met inachtneming van artikel 25 van Verordening (EU) 2019/1241 van het Europees Parlement en de Raad (9);

b)

vissersvaartuigen van de Unie van minder dan twaalf meter lengte over alles die vissen met kieuwnetten, warnetten of schakelnetten, met geankerde beugen, beuglijnen, vrije beuglijnen, handlijnen en peuren of soortgelijk passief vistuig in gebieden met een waterdiepte van minder dan 20 meter volgens de coördinaten op de officiële zeekaarten van de bevoegde nationale autoriteiten;

c)

vissersvaartuigen van de Unie die in deelsector 25 vissen op pelagische bestanden voor rechtstreekse menselijke consumptie, met vistuig met een maaswijdte van 45 mm of minder, in gebieden waar de waterdiepte minder dan 50 meter bedraagt volgens de coördinaten op de officiële zeekaart van de bevoegde nationale autoriteiten, en waarvan de aanlandingen zijn gesorteerd, onverminderd de in artikel 8, lid 1, punt a), en artikel 9, lid 1, bedoelde sluitingsperioden.

3.   Het is van 15 januari tot en met 31 maart verboden met welk vistuig dan ook te vissen in de deelsectoren 22 en 23, en van 15 mei tot en met 15 augustus in deelsector 24.

4.   Het in lid 3 neergelegde verbod geldt niet voor:

a)

visserijverrichtingen die uitsluitend ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek plaatsvinden, mits dat onderzoek wordt uitgevoerd met inachtneming van artikel 25 van Verordening (EU) 2019/1241;

b)

vissersvaartuigen van de Unie van minder dan twaalf meter lengte over alles die vissen met kieuwnetten, warnetten of schakelnetten, met geankerde beugen, beuglijnen, vrije beuglijnen, handlijnen en peuren of soortgelijk passief vistuig in gebieden met een waterdiepte van minder dan 20 meter volgens de coördinaten op de officiële zeekaarten van de bevoegde nationale autoriteiten;

c)

vissersvaartuigen van de Unie die in deelsector 24 vissen op pelagische bestanden voor rechtstreekse menselijke consumptie, met vistuig met een maaswijdte van 45 mm of minder, in gebieden waar de waterdiepte minder dan 40 meter bedraagt volgens de coördinaten op de officiële zeekaart van de bevoegde nationale autoriteiten, en waarvan de aanlandingen zijn gesorteerd;

d)

vissersvaartuigen van de Unie die met dreggen vissen op tweekleppige weekdieren in deelsector 22 in gebieden met een waterdiepte van minder dan 20 meter volgens de coördinaten op de officiële zeekaarten van de bevoegde nationale autoriteiten.

5.   Kapiteins van vissersvaartuigen van de Unie als bedoeld in lid 2, punt b) of c), en lid 4, punt b), c) of d), zorgen ervoor dat hun visserijactiviteiten te allen tijde door de bevoegde autoriteiten van de betreffende lidstaat kunnen worden gemonitord.

Artikel 8

Sluitingen ter bescherming van paaiende haring in de deelsectoren 25, 26, 27, 28.2, 29, 30, 31 en 32

1.   Het is verboden pelagische soorten te bevissen met pelagische trawls in kustgebieden tot vier zeemijl gemeten vanaf de basislijnen, wanneer de waterdiepte minder dan 20 meter bedraagt volgens de coördinaten op de officiële zeekaart van de bevoegde nationale autoriteit in de volgende perioden en met betrekking tot de volgende deelsectoren:

a)

van 16 maart tot en met 15 juni in de deelsectoren 25 en 26;

b)

van 1 april tot en met 30 juni in de deelsectoren 27 en 28.2;

c)

van 1 mei tot en met 31 juli in de deelsectoren 29 tot en met 32.

2.   Het in lid 1 neergelegde verbod is niet van toepassing op visserijactiviteiten die uitsluitend ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek worden verricht, mits dat onderzoek wordt uitgevoerd met inachtneming van de voorwaarden van artikel 25 van Verordening (EU) 2019/1241.

Artikel 9

Sluitingen ter bescherming van paaiende sprot in de deelsectoren 25, 26, 27, 28.2, 29 en 32

1.   Van 1 mei tot en met 31 juli is het voor vissersvaartuigen van de Unie verboden om met actief vistuig te vissen op pelagische bestanden in gebieden buiten twaalf zeemijl gemeten vanaf de basislijnen in de deelsectoren 25, 26, 27, 28.2 en 29 en ten westen van 24 00′ OL in deelsector 32.

2.   Het in lid 1 neergelegde verbod geldt niet voor:

a)

visserijverrichtingen die uitsluitend ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek plaatsvinden, mits dat onderzoek wordt uitgevoerd met inachtneming van artikel 25 van Verordening (EU) 2019/1241;

b)

vissersvaartuigen van de Unie met een lengte van minder dan twaalf meter over alles die vissen met kieuwnetten, warnetten of schakelnetten, met geankerde beugen, beuglijnen, vrije beuglijnen, handlijnen en peuren of soortgelijk passief vistuig.

Artikel 10

Maatregelen betreffende de recreatievisserij op kabeljauw in de deelsectoren 22 tot en met 32

1.   Recreatievisserij op kabeljauw is verboden in de deelsectoren 22 tot en met 32. Elk incidenteel gevangen kabeljauwexemplaar wordt onmiddellijk weer in zee vrijgelaten.

2.   Onverminderd lid 1 mogen incidentele bijvangsten van kabeljauw in de recreatievisserij op andere soorten in de deelsectoren 27 tot en met 32 aan boord worden gehouden.

Artikel 11

Maatregelen betreffende de recreatievisserij op zalm in de deelsectoren 22 tot en met 31

1.   Recreatievisserij op zalm is verboden in de deelsectoren 22 tot en met 31. Elk incidenteel gevangen zalmexemplaar wordt onmiddellijk weer in zee vrijgelaten.

2.   In afwijking van lid 1 is de recreatievisserij op zalm toegestaan onder de volgende cumulatieve voorwaarden:

a)

per recreatievisser mag per dag geen andere zalm dan één zalmexemplaar met ingeknipte vetvin worden gevangen en aan boord worden gehouden;

b)

na het vangen en aan boord houden van de eerste zalm met ingeknipte vetvin stopt de recreatievisser de visserij op zalm voor de rest van de dag;

c)

alle exemplaren van alle vissoorten aan boord moeten in gehele staat worden aangeland.

3.   Eveneens in afwijking van lid 1 is de recreatievisserij op zalm ten noorden van 59o 30′ NB van 1 mei tot en met 31 augustus toegestaan in gebieden binnen vier zeemijl gemeten vanaf de basislijnen.

4.   Dit artikel geldt onverminderd strengere nationale maatregelen die zijn vastgesteld overeenkomstig de artikelen 19 en 20 van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

Artikel 12

Maatregelen voor de instandhouding van de zeeforel- en zalmbestanden in de deelsectoren 22 tot en met 32

1.   In de deelsectoren 22 tot en met 32 mogen vissersvaartuigen van de Unie niet vissen op zeeforel buiten vier zeemijl gemeten vanaf de basislijnen. Bij het vissen op zalm buiten vier zeemijl gemeten vanaf de basislijnen in deelsector 32 mogen bijvangsten van zeeforel op elk moment aan boord of bij aanlanding na elke visreis niet meer bedragen dan 3 % van de totale zalm- en zeeforelvangst.

2.   Het is verboden om in de deelsectoren 22 tot en met 31 met beuglijnen op zeeforel of zalm te vissen buiten vier zeemijl gemeten vanaf de basislijnen.

3.   Dit artikel geldt onverminderd strengere nationale maatregelen die zijn vastgesteld overeenkomstig de artikelen 19 en 20 van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

Artikel 13

Gegevensverstrekking

Lidstaten die uit hoofde van de artikelen 33 en 34 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 gegevens aan de Commissie toezenden over hoeveelheden van bestanden die gevangen of aangeland zijn, moeten daarvoor de bestandscodes van de bijlage bij deze verordening gebruiken.

HOOFDSTUK III

SLOTBEPALINGEN

Artikel 14

Wijziging van Verordening (EU) 2025/202

Verordening (EU) 2025/202 wordt als volgt gewijzigd:

1)

in deel B van bijlage IA wordt tabel 122 vervangen door:

“Tabel 122

Soort:

Kever en geassocieerde bijvangsten

Gebied:

3a; wateren van het Verenigd Koninkrijk en van de Unie van 4; wateren van het Verenigd Koninkrijk van 2a

Trisopterus esmarkii

(NOP/2A3A4.)

Jaar

2025

 

2026

 

Analytische TAC

Artikel 3, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing

Denemarken

299,722

 (10)  (11)  (12)

299,722

 (13)  (11)  (12)

Duitsland

0,057

 (10)  (11)  (12)

0,057

 (13)  (11)  (12)

Nederland

0,221

 (10)  (11)  (12)

0,221

 (13)  (11)  (12)

Unie

300

 (10)  (11)  (12)

300

 (13)  (11)  (12)

Verenigd Koninkrijk

100

 (10)  (11)

100

 (13)  (11)

TAC

400

 (10)

400

 (13)

2)

in bijlage ID wordt tabel 9 vervangen door:

“Tabel 9

Soort:

Mediterrane witte tonijn

Gebied:

Middellandse Zee

Thunnus alalunga

(ALB/MED)

Griekenland

385,31

 

Analytische TAC

Artikel 3, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing

Spanje

99,47

 

Frankrijk

14,45

 

Kroatië

6,74

 

Italië

1 128,26

 

Cyprus

416,07

 

Malta

39,68

 

Unie

2 089,98

 (17)

TAC

2 500,00

 (14)  (15)  (16)

Artikel 15

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing van 1 januari tot en met 31 december 2026.

In afwijking van de tweede alinea geldt het volgende:

a)

artikel 14, punt 1), is van toepassing van 1 november 2025 tot en met 31 oktober 2026;

b)

artikel 14, punt 2, is van toepassing met ingang van 1 januari 2025.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 1 december 2025.

Voor de Raad

De voorzitter

K. DYBVAD BEK


(1)  Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2013/1380/oj).

(2)  Verordening (EU) 2016/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de kabeljauw-, haring- en sprotbestanden in de Oostzee en de visserijen die deze bestanden exploiteren, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2187/2005 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1098/2007 van de Raad (PB L 191 van 15.7.2016, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2016/1139/oj).

(3)  Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een controleregeling van de Unie die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2009/1224/oj).

(4)  Verordening (EG) nr. 847/96 van de Raad van 6 mei 1996 tot invoering van aanvullende voorwaarden voor het meerjarenbeheer van de TAC’s en quota (PB L 115 van 9.5.1996, blz. 3, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/1996/847/oj).

(5)  Verordening (EU) 2025/202 van de Raad van 30 januari 2025 tot vaststelling, voor 2025 en 2026, van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden die in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn, en tot wijziging van Verordening (EU) 2024/257 wat betreft vangstmogelijkheden voor 2025 (PB L, 2025/202, 31.1.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2025/202/oj).

(6)   PB L 149 van 30.4.2021, blz. 10, ELI: http://data.europa.eu/eli/agree_internation/2021/689(1)/oj.

(7)  Besluit (EU) 2021/1875 van de Raad van 22 oktober 2021 betreffende het namens de Unie in het jaarlijks overleg met het Verenigd Koninkrijk in te nemen standpunt om tot een overeenkomst te komen over de totale toegestane vangsten (PB L 378 van 26.10.2021, blz. 6, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2021/1875/oj).

(8)  Verordening (EG) nr. 218/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 inzake de verstrekking van statistieken van de nominale vangsten van lidstaten die in het noordoostelijke gedeelte van de Atlantische Oceaan vissen (PB L 87 van 31.3.2009, blz. 70, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2009/218/oj).

(9)  Verordening (EU) 2019/1241 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende de instandhouding van visbestanden en de bescherming van mariene ecosystemen door middel van technische maatregelen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1967/2006 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en de Verordeningen (EU) nr. 1380/2013, (EU) 2016/1139, (EU) 2018/973, (EU) 2019/472 en (EU) 2019/1022 van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 894/97, (EG) nr. 850/98, (EG) nr. 2549/2000, (EG) nr. 254/2002, (EG) nr. 812/2004 en (EG) nr. 2187/2005 van de Raad (PB L 198 van 25.7.2019, blz. 105, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2019/1241/oj).

(10)  Mag slechts worden gevangen van 1 november 2024 tot en met 31 oktober 2025.

(11)  Uitsluitend voor bijvangsten. Gerichte visserij op kever is niet toegestaan voor dit quotum.

(12)  De bijvangstquota mogen worden gevangen in 3a, de wateren van het Verenigd Koninkrijk en van de Unie van 4; alleen de wateren van het Verenigd Koninkrijk van 2a.

(13)  Mag slechts worden gevangen van 1 november 2025 tot en met 31 oktober 2026.”

(14)  Ter bescherming van jonge zwaardvis geldt van 1 oktober tot en met 30 november 2025 ook een sluitingsperiode voor beugschepen die op mediterrane witte tonijn vissen. Daarnaast mag mediterrane witte tonijn, hetzij als doelsoort, hetzij als bijvangst, gedurende de volgende perioden niet worden gevangen, aan boord gehouden, overgeladen of aangeland:

Griekenland, Kroatië, Italië en Cyprus: van 1 oktober tot en met 30 november 2025 en van 1 tot en met 31 maart 2025;

Spanje, Frankrijk en Malta: van 1 januari tot en met 31 maart 2025.

(15)  Elke lidstaat moet het aantal vissersvaartuigen dat op mediterrane witte tonijn mag vissen, beperken tot het aantal vissersvaartuigen dat in 2017 op deze soort mocht vissen. De lidstaten kunnen op deze capaciteitslimiet een tolerantie van 10 % toepassen.

(16)  Bijzondere voorwaarde: bijvangsten van witte tonijn moeten op dit quotum in mindering worden gebracht, maar moeten afzonderlijk worden gerapporteerd (ALB/MED-BC). Dode vangsten witte tonijn die afkomstig zijn van de sportvisserij of de recreatievisserij, moeten op dit quotum in mindering worden gebracht, maar moeten afzonderlijk worden gerapporteerd (ALB/MED-SR).

(17)  Na overdracht van 50 kg uit Turkije.”


BIJLAGE

TAC’S, TOEWIJZINGEN EN FUNCTIONEEL VERBONDEN MAATREGELEN

De onderstaande tabellen bevatten de TAC’s en quota per bestand (in ton levend gewicht, tenzij anders vermeld) en de functioneel daarmee verbonden maatregelen.

De visbestanden worden vermeld in alfabetische volgorde op de wetenschappelijke naam van de vissoort.

Voor de toepassing van deze verordening geldt de volgende vergelijkende tabel van wetenschappelijke en gewone namen zijn van toepassing:

Wetenschappelijke naam

Drielettercode

Gewone naam

Clupea harengus

HER

Haring

Gadus morhua

COD

Kabeljauw

Pleuronectes platessa

PLE

Schol

Salmo salar

SAL

Atlantische zalm

Sprattus sprattus

SPR

Sprot

Tabel 1

Soort:

Haring

Gebied:

Deelsectoren 30-31

Clupea harengus

(HER/30/31.)

Finland

32 063

 (1)

Analytische TAC

Zweden

7 045

 (1)

Unie

39 108

 (1)

TAC

39 108

 (1)

Tabel 2

Soort:

Haring

Gebied:

Deelsectoren 22-24

Clupea harengus

(HER/3BC+24)

Denemarken

110

 (2)

Analytische TAC

Artikel 3, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Duitsland

435

 (2)

Finland

0

 (2)

Polen

103

 (2)

Zweden

140

 (2)

Unie

788

 (2)

TAC

788

 (2)

Tabel 3

Soort:

Haring

Gebied:

Wateren van de Unie van de deelsectoren 25-27, 28.2, 29 en 32

Clupea harengus

(HER/3D-R30)

Denemarken

2 122

 

Analytische TAC

Duitsland

563

 

Estland

10 837

 

Finland

21 154

 

Letland

2 674

 

Litouwen

2 816

 

Polen

24 033

 

Zweden

32 264

 

Unie

96 463

 

TAC

Niet relevant

 

Tabel 4

Soort:

Haring

Gebied:

Deelsector 28.1

Clupea harengus

(HER/03D.RG)

Estland

15 870

 

Analytische TAC

Artikel 6 van deze verordening is van toepassing.

Letland

18 497

 

Unie

34 367

 

TAC

34 367

 

Tabel 5

Soort:

Kabeljauw

Gebied:

Wateren van de Unie van de deelsectoren 25-32

Gadus morhua

(COD/3DX32.)

Denemarken

99

 (3)

Voorzorgs-TAC

Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Duitsland

39

 (3)

Estland

10

 (3)

Finland

8

 (3)

Letland

37

 (3)

Litouwen

24

 (3)

Polen

113

 (3)

Zweden

100

 (3)

Unie

430

 (3)

TAC

Niet relevant

 

Tabel 6

Soort:

Kabeljauw

Gebied:

Deelsectoren 22-24

Gadus morhua

(COD/3BC+24)

Denemarken

116

 (4)

Voorzorgs-TAC

Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Duitsland

57

 (4)

Estland

3

 (4)

Finland

2

 (4)

Letland

10

 (4)

Litouwen

6

 (4)

Polen

31

 (4)

Zweden

41

 (4)

Unie

266

 (4)

TAC

266

 (4)

Tabel 7

Soort:

Schol

Gebied:

Wateren van de Unie van de deelsectoren 22-32

Pleuronectes platessa

(PLE/3BCD-C)

Denemarken

7 861

 

Analytische TAC

Artikel 6 van deze verordening is van toepassing.

Duitsland

873

 

Polen

1 646

 

Zweden

593

 

Unie

10 973

 

TAC

10 973

 

Tabel 8

Soort:

Atlantische zalm

Gebied:

Wateren van de Unie van de deelsectoren 22-31

Salmo salar

(SAL/3BCD-F)

Denemarken

5 292

 (5)  (6)

Analytische TAC

Artikel 3, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Duitsland

589

 (5)  (6)

Estland

538

 (5)  (6)  (7)

Finland

6 599

 (5)  (6)

Letland

3 366

 (5)  (6)

Litouwen

396

 (5)  (6)

Polen

1 605

 (5)  (6)

Zweden

7 152

 (5)  (6)

Unie

25 537

 (5)  (6)

TAC

Niet relevant

 

Tabel 9

Soort:

Atlantische zalm

Gebied:

Wateren van de Unie van deelsector 32

Salmo salar

(SAL/3D32.)

Estland

1 049

 (8)

Voorzorgs-TAC

Finland

9 183

 (8)

Unie

10 232

 (8)

TAC

Niet relevant

 

Tabel 10

Soort:

Sprot

Gebied:

Wateren van de Unie van de deelsectoren 22-32

Sprattus sprattus

(SPR/3BCD-C)

Denemarken

19 923

 

Analytische TAC

Artikel 6 van deze verordening is van toepassing.

Duitsland

12 622

 

Estland

23 135

 

Finland

10 429

 

Letland

27 942

 

Litouwen

10 108

 

Polen

59 300

 

Zweden

38 516

 

Unie

201 975

 

TAC

Niet relevant

 


(1)  Dit quotum mag slechts worden gevangen van 1 januari tot en met 31 oktober 2026.

(2)  Uitsluitend voor bijvangsten. In het kader van dit quotum is gerichte visserij niet toegestaan.

In afwijking van de eerste alinea mag in het kader van visserijactiviteiten die uitsluitend ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek worden verricht, gericht op haring worden gevist, mits dat onderzoek wordt uitgevoerd met volledige inachtneming van artikel 25 van Verordening (EU) 2019/1241.

In afwijking van de eerste alinea is de visserij op dit quotum toegestaan voor vissersvaartuigen van de Unie met een lengte van minder dan twaalf meter over alles die vissen met kieuwnetten, warnetten, handlijnen, kommen of peuren. Kapiteins van die vissersvaartuigen zorgen ervoor dat hun visserijactiviteit te allen tijde door de bevoegde autoriteiten van de betreffende lidstaat kan worden gemonitord.

(3)  Uitsluitend voor bijvangsten. In het kader van dit quotum is gerichte visserij niet toegestaan.

In afwijking van de eerste alinea mag in het kader van visserijactiviteiten die uitsluitend ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek worden verricht, gericht op kabeljauw worden gevist, mits dat onderzoek wordt uitgevoerd met volledige inachtneming van de voorwaarden van artikel 25 van Verordening (EU) 2019/1241.

(4)  Uitsluitend voor bijvangsten. In het kader van dit quotum is gerichte visserij niet toegestaan.

In afwijking van de eerste alinea mag in het kader van visserijactiviteiten die uitsluitend ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek worden verricht, gericht op kabeljauw worden gevist, mits dat onderzoek wordt uitgevoerd met volledige inachtneming van de voorwaarden van artikel 25 van Verordening (EU) 2019/1241.

(5)  Aantal exemplaren.

(6)  Uitsluitend voor bijvangsten. In het kader van dit quotum is gerichte visserij niet toegestaan.

In afwijking van de eerste alinea mag in het kader van visserijactiviteiten die uitsluitend ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek worden verricht, gericht op zalm worden gevist, mits dat onderzoek wordt uitgevoerd met volledige inachtneming van de voorwaarden van artikel 25 van Verordening (EU) 2019/1241.

In afwijking van de eerste alinea is de visserij op dit quotum voor vissersvaartuigen van de Unie benoorden 59o 30′ NB toegestaan in gebieden binnen vier zeemijl gemeten vanaf de basislijnen van 1 mei tot en met 31 augustus.

(7)  Bijzondere voorwaarde: van dit quotum mogen niet meer dan 450 exemplaren worden gevist in wateren van de Unie van deelsector 32 (SAL/*3D32).

(8)  Aantal exemplaren.


ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2025/2454/oj

ISSN 1977-0758 (electronic edition)