|
Publicatieblad |
NL L-serie |
|
2025/2219 |
4.11.2025 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2025/2219 VAN DE COMMISSIE
van 3 november 2025
tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op triplex- en multiplexhout van zachthout van oorsprong uit de Federale Republiek Brazilië
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (1) (“de basisverordening”), en met name artikel 7,
Na raadpleging van de lidstaten,
Overwegende hetgeen volgt:
1. PROCEDURE
1.1. Opening van het onderzoek
|
(1) |
Op 6 maart 2025 heeft de Europese Commissie (“de Commissie”) op grond van artikel 5 van de basisverordening een antidumpingonderzoek geopend met betrekking tot de invoer van triplex- en multiplexhout van zachthout van oorsprong uit de Federale Republiek Brazilië (“het betrokken land” of “de VRC”). Zij heeft daartoe een bericht van opening gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (2) (“het bericht van opening”). |
|
(2) |
Het onderzoek is door de Commissie geopend naar aanleiding van een klacht die op 20 januari 2025 werd ingediend door het Softwood Plywood Consortium (“de klager”). De klacht is ingediend namens de bedrijfstak van de Unie voor triplex- en multiplexhout van zachthout in de zin van artikel 5, lid 4, van de basisverordening. Het bij de klacht gevoegde bewijsmateriaal over dumping en de aanmerkelijke schade als gevolg daarvan werd voldoende geacht om een onderzoek te openen. |
1.2. Registratie
|
(3) |
De Commissie heeft de invoer van het betrokken product bij Uitvoeringsverordening (EU) 2025/922 (3) (“de registratieverordening”) aan registratie onderworpen. |
1.3. Belanghebbenden
|
(4) |
In het bericht van inleiding heeft de Commissie belanghebbenden uitgenodigd contact met haar op te nemen om aan het onderzoek mee te werken. Daarnaast heeft de Commissie specifiek de klager, de haar bekende producenten in de Unie, de haar bekende producenten-exporteurs en de Braziliaanse autoriteiten, de haar bekende importeurs, leveranciers en gebruikers, handelaren, alsmede de haar bekende betrokken verenigingen op de hoogte gebracht van de opening van het onderzoek en hen verzocht daaraan mee te werken. |
|
(5) |
De belanghebbenden zijn in de gelegenheid gesteld hun opmerkingen over de opening van het onderzoek kenbaar te maken en een aanvraag in te dienen voor een hoorzitting met de Commissie en/of de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures. |
1.4. Opmerkingen over de opening van het onderzoek
|
(6) |
Na de opening van het onderzoek hebben de klager, de Braziliaanse vereniging voor mechanisch verwerkt hout (“ABIMCI”), de Plywood Trade Interest Alliance (“PTIA”) — dit is een ad-hoc-groepering van niet-verbonden importeurs in de EU — en de niet-verbonden importeurs Bo Andrén AB, Keflico en Schüttler Holzmakler/Agentur e.K. opmerkingen ingediend over het bewijsmateriaal in de klacht inzake dumping, schade, oorzakelijk verband en het belang van de Unie. In antwoord hierop hebben drie producenten in de Unie en de klager opmerkingen ingediend. Hieronder wordt nader ingegaan op de opmerkingen. |
|
(7) |
ABIMCI heeft aanvullende opmerkingen ingediend ter weerlegging van de opmerkingen van de klager, overeenkomstig punt 8 van het bericht van inleiding. Volgens punt 8 moeten alle opmerkingen over informatie die door belanghebbenden vóór het verstrijken van de termijn voor de instelling van voorlopige maatregelen is ingediend, tenzij anders aangegeven, uiterlijk op de 75e dag na de datum van bekendmaking van het bericht van inleiding worden ingediend. De opmerkingen ter weerlegging van ABIMCI werden op 14 juli 2025 ingediend. |
|
(8) |
Aangezien deze opmerkingen buiten de in het bericht van inleiding vastgestelde termijnen werden ingediend, konden zij in dit stadium van het onderzoek niet in aanmerking worden genomen. |
Opmerkingen over de klacht en de procedure
|
(9) |
ABIMCI uitte haar bezorgdheid over de vertrouwelijkheid van de informatie in de klacht, en met name voerde ABIMCI aan dat er geen betekenisvolle niet-vertrouwelijke samenvattingen waren van de gegevens die werden gebruikt voor de berekening van de normale waarde op basis waarvan wordt beweerd dat er sprake was van dumping en van de methode en bronnen die werden gebruikt in het “verslag over de normale waarde”. ABIMCI voerde aan dat de belanghebbenden door dit gebrek aan transparantie geen redelijk inzicht hebben in de wezenlijk inhoud van de vertrouwelijke informatie, die essentieel was om hun rechten te verdedigen en zinvolle opmerkingen te maken over de gestelde dumping en schade. |
|
(10) |
PTIA betoogde dat de schadegegevens in de klacht buitensporig waren bewerkt. Zij waren van mening dat dit het vermogen van belanghebbenden om beweringen van aanmerkelijke schade te begrijpen en er zinvol op te reageren, belemmerde. |
|
(11) |
Artikel 19 van de basisverordening voorziet in de bescherming van vertrouwelijke informatie wanneer de bekendmaking ervan een concurrent aanmerkelijke concurrentievoordelen zou geven of degene die de informatie heeft verstrekt of van wie hij deze informatie heeft verkregen, ernstig zou benadelen. |
|
(12) |
De Commissie merkte op dat bepaalde informatie (zoals de studie in opdracht van de klager met het oog op het verzamelen van informatie over de binnenlandse prijzen van triplex- en multiplexhout van zachthout in Brazilië) vertrouwelijk van aard was en niet vatbaar voor een niet-vertrouwelijke samenvatting. Bovendien waren de verschillende in de klacht genoemde rapporten aan auteursrecht onderworpen. |
|
(13) |
Naar het oordeel van de Commissie bevatte de voor belanghebbenden toegankelijke versie van de klacht voldoende essentieel bewijsmateriaal en niet-vertrouwelijke samenvattingen van gegevens om belanghebbenden in staat te stellen hun recht van verdediging tijdens de hele procedure uit te oefenen en voldeed zij aan de voorschriften van artikel 19, lid 2, van de basisverordening. De Commissie was ook van oordeel dat de verstrekking van gegevens met een rangorde in combinatie met indexen voldoende was om belanghebbenden in staat te stellen hun recht van verweer gedurende de gehele procedure uit te oefenen en dat aan de vereisten van artikel 19, lid 2, van de basisverordening was voldaan. De Commissie heeft deze argumenten derhalve afgewezen. |
|
(14) |
Bo Andrén AB voerde aan dat de in de klacht gebruikte waarden als binnenlandse marktprijzen van Brazilië onjuist waren, aangezien de op de Braziliaanse markt verkochte producten grotendeels verschillende productkenmerken zouden hebben en door deze verschillen een rechtstreekse prijsvergelijking tussen binnenlandse Braziliaanse panelen en het exportproduct ongeldig zou zijn. Voorts voerde Bo Andrén AB aan dat de gegevens van de Internationale Organisatie voor tropisch hout (ITTO) die in de klacht als referentie werden gebruikt voor de berekening van de normale waarde, niet representatief zouden zijn, aangezien de ITTO zich voornamelijk op producten van tropisch hardhout richt, en niet op triplex- en multiplexhout van zachthout. Dit zou de dumpingmarges kunstmatig verhogen. Bo Andrén AB heeft de Commissie verzocht die gegevens opnieuw te beoordelen en alternatieve gegevensbronnen of methoden op te nemen die de Braziliaanse markt triplex- en multiplexhout van zachthout nauwkeurig weergeven. |
|
(15) |
In dit verband heeft de Commissie benadrukt dat een verzoek voldoende bewijs moet bevatten. Met name verschilt volgens vaste rechtspraak de hoeveelheid en de kwaliteit van het bewijsmateriaal dat nodig is om te voldoen aan de criteria van toereikendheid van het bewijsmateriaal om een onderzoek te openen, van die welke noodzakelijk zijn voor de voorlopige of definitieve vaststelling van het bestaan van dumping en schade (4). Tegen deze achtergrond was de Commissie van oordeel dat het verzoek voldoende bewijsmateriaal voor dumping bevatte. Het verslag over binnenlandse prijzen in bijlage 8 bij de klacht bevatte een beschrijvend deel van de gebruikte methode en de gegevensbronnen, alsook voldoende prijsgegevens om als bewijsmateriaal te dienen. |
Opmerkingen over dumping
|
(16) |
ABIMCI betwistte de beweringen van de klager dat er sprake was van dumping en voerde aan dat deze niet rechtsgeldig zijn op grond van artikel 5.2 van de antidumpingovereenkomst van de WTO. ABIMCI verklaarde dat de argumenten van de klager gebaseerd waren op niet-geverifieerde en onvolledige gegevens en dat de klager had gespeculeerd op prijsstabiliteit met behulp van parica-multiplex (een niet-vergelijkbaar hardhoutproduct), hetgeen een methodologisch onjuiste aanpak is. |
|
(17) |
ABIMCI verklaarde ook dat de in de klacht gebruikte binnenlandse prijzen hoger waren dan de werkelijke prijzen van triplex- en multiplexhout van dennenhout (pinus elliottii) in Brazilië, die aanzienlijk lager waren. Ten slotte ondersteunde het beëindigde antidumpingonderzoek van Argentinië naar de invoer van bepaalde soorten fenolmultiplex- en multiplexpanelen uit Brazilië (5) het standpunt van ABIMCI dat er geen sprake was van dumping. ABIMCI concludeerde dat de beweringen door deze tekortkomingen ongefundeerd en juridisch ontoereikend waren. |
|
(18) |
De Commissie was niettemin van oordeel dat de klacht voldoende bewijsmateriaal bevatte dat erop wees dat er sprake was van dumping, overeenkomstig de in overweging 15 beschreven relevante rechtsnorm. De dumpingberekeningen in de niet-vertrouwelijke versie van de klacht bevatten een gedetailleerde toelichting op alle verschillende elementen die waren gebruikt om tot de dumpingberekening te komen, met inbegrip van alle bronnen die voor deze berekeningen waren gebruikt, zodat belanghebbenden een zinvol inzicht hebben in de belangrijkste elementen van de bewering dat er sprake is van dumping. |
|
(19) |
Het onderzoek in Argentinië had betrekking op een andere markt dan de EU en was daarom irrelevant voor beschuldigingen om het huidige onderzoek te openen. |
|
(20) |
De opmerkingen over de beweringen in de klacht over invoer met dumping werd derhalve afgewezen. |
Opmerkingen inzake schade
|
(21) |
ABIMCI betwistte de in de klacht aangevoerde schade. De vereniging voerde aan dat de bewering dat er sprake is van schade als gevolg van de toegenomen Braziliaanse invoer tegen lage prijzen niet werd gesteund door een objectief onderzoek. Zij betoogde ook aan dat de gerapporteerde micro- en macro-economische indicatoren gebaseerd waren op ramingen en speculatieve gegevens. |
|
(22) |
ABIMCI benadrukte dat een daadwerkelijk objectief onderzoek een onpartijdige beoordeling had moeten omvatten, waarbij tegenstrijdige bewijzen moeten worden geverifieerd, en had moeten voldoen aan de beginselen van goede trouw en fundamentele billijkheid. |
|
(23) |
Bovendien stelde ABIMCI dat het volume van de Braziliaanse invoer was gedaald, en dat deze invoer deze dezelfde trend volgde als het verbruik in de Unie. Zij bracht ook naar voren dat de Braziliaanse invoerprijzen tijdens de beoordelingsperiode zijn gestegen. |
|
(24) |
Ook PTIA betwistte de in de klacht aangevoerde schade. De groepering voerde aan dat de toename van de Braziliaanse invoer werd overschat en dat de stijging voornamelijk was toe te schrijven aan een terugkeer naar de normaliteit na een verstoring van de markt in verband met COVID-19. Zij betoogde dat de gemelde toename van het volume tussen 2021 en het eind van het OT slechts een terugkeer naar historische niveaus vóór de pandemie inhield. |
|
(25) |
Bovendien voerde PTIA aan dat de invoer uit Brazilië tussen 2022 en het eind van het OT met 11 % daalde, en betwistte zij de beweringen in de klacht dat er tijdens de beoordelingsperiode sprake was van een aanzienlijke instroom. Voorts stelde de groepering dat eventuele waargenomen negatieve trends ten onrechte als schade werden weergegeven, aangezien deze slechts de gevolgen zijn van een stabilisatie van de markten bij het herstel na COVID-19. |
|
(26) |
Tot slot betoogde zij dat de gegevens over de invoerprijzen en -volumes ontoereikend en onduidelijk waren, en dat de schadeanalyse niet overtuigend was omdat niet-representatieve perioden en speculatieve gegevens werden gebruikt. |
|
(27) |
De Commissie was van oordeel dat de klacht voldoende bewijsmateriaal bevatte voor een voorlopige vaststelling van aanmerkelijke schade die noodzakelijk is voor de opening van een onderzoek. In punt 6 van de klacht werden zowel macro-economische als micro-economische indicatoren geanalyseerd. De Commissie wijst erop dat voor de vaststelling van aanmerkelijke schade, die noodzakelijk is voor de opening van een onderzoek, onder meer de in de basisverordening beschreven relevante factoren moeten worden beoordeeld. |
|
(28) |
In artikel 5 van de basisverordening wordt niet specifiek vereist dat alle in artikel 3, lid 5, genoemde schadefactoren een verslechtering te zien geven om te kunnen spreken van voldoende gestaafde aanmerkelijke schade met het oog op de opening van een onderzoek. Artikel 5, lid 2, van de basisverordening bepaalt dat de klacht gegevens moet bevatten omtrent veranderingen in de omvang van de beweerde invoer met dumping, de weerslag van deze invoer op de prijzen van het soortgelijke product op de markt van de Unie en de weerslag van de invoer op de bedrijfstak van de Unie, zoals blijkt uit relevante (maar niet noodzakelijk alle) factoren. De klacht bevatte deze gegevens, die wezen op het bestaan van schade. |
|
(29) |
De Commissie was dan ook van oordeel dat de klacht voldoende bewijs van schade bevatte en verwierp de argumenten van ABIMCI en PTIA. |
|
(30) |
ABIMCI en PTIA betwistten ook het gebruik van het jaar 2021 als referentiepunt (referentiejaar), met als argument dat de bedrijfstakken zich dit jaar en ook in 2022 herstellen van COVID-19 en derhalve niet representatief zijn voor de schadeanalyse. |
|
(31) |
De Commissie heeft vastgesteld dat de voor de beoordeling van de schade in aanmerking genomen periode in overeenstemming is met de vaste praktijk van de Commissie, die erin bestaat de aanmerkelijke schade te onderzoeken over een periode van drie kalenderjaren plus het onderzoektijdvak. De Commissie heeft de argumenten van de ABIMCI en de Braziliaanse overheid derhalve afgewezen. |
1.5. Samenstelling van de steekproef
|
(32) |
In het bericht van opening deelde de Commissie mee dat zij mogelijk een steekproef van de belanghebbenden zou samenstellen in overeenstemming met artikel 17 van de basisverordening. |
Steekproef van producenten in de Unie
|
(33) |
In het bericht van opening kondigde de Commissie aan dat zij een voorlopige steekproef van producenten in de Unie had samengesteld. De Commissie heeft de steekproef samengesteld op basis van het grootste productie- en verkoopvolume dat redelijkerwijs binnen de beschikbare tijd kon worden onderzocht en dat een goede geografische spreiding waarborgde. Deze steekproef bestond uit drie producenten in de Unie. De in de steekproef opgenomen producenten in de Unie vertegenwoordigden meer dan 55 % van het geschatte totale productie- en verkoopvolume van het soortgelijke product in de Unie. De Commissie heeft de belanghebbenden uitgenodigd om opmerkingen over de voorlopige steekproef in te dienen. Er werden geen opmerkingen ontvangen. De steekproef is representatief voor de bedrijfstak van de Unie. |
Steekproef van niet-verbonden importeurs
|
(34) |
Om te kunnen beslissen of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, deze te kunnen samenstellen, heeft de Commissie niet-verbonden importeurs verzocht de in het bericht van opening gevraagde informatie te verstrekken. |
|
(35) |
Veertien niet-verbonden importeurs leverden de gevraagde informatie en stemden ermee in om in de steekproef te worden opgenomen. Overeenkomstig artikel 17, lid 1, van de basisverordening heeft de Commissie een steekproef van twee niet-verbonden importeurs samengesteld op basis van het volume van de invoer van het onderzochte product uit Brazilië in de Unie tijdens het onderzoektijdvak. De steekproef vertegenwoordigde ongeveer 10 % van de geschatte totale hoeveelheid van het onderzochte product die uit Brazilië in de Unie wordt ingevoerd. Overeenkomstig artikel 17, lid 2, van de basisverordening zijn alle de Commissie bekende betrokken importeurs geraadpleegd over de samenstelling van de steekproef. Er werden geen opmerkingen ontvangen. |
Steekproef van producenten-exporteurs
|
(36) |
Om te kunnen beslissen of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, deze te samen te stellen, heeft de Commissie alle producenten-exporteurs in Brazilië verzocht de in het bericht van opening gevraagde informatie te verstrekken. Bovendien heeft de Commissie de vertegenwoordiging van de Federale Republiek Brazilië gevraagd eventuele andere producenten-exporteurs die in deelname aan het onderzoek geïnteresseerd konden zijn, op te sporen en/of contact met hen op te nemen. |
|
(37) |
Negenenvijftig producenten-exporteurs uit het betrokken land hebben de verlangde informatie verstrekt en hebben ermee ingestemd in de steekproef te worden opgenomen. Overeenkomstig artikel 17, lid 1, van de basisverordening heeft de Commissie een steekproef van twee producenten-exporteurs geselecteerd, samengesteld op basis van het grootste representatieve volume van uitvoer naar de Unie dat binnen de beschikbare tijd redelijkerwijs kon worden onderzocht, namelijk Nereu Rodrigues en Indústria de Compensados Sudati Ltda (“Nereu”) en Indústria de Compensados Sudati Ltda (“Sudati”). |
|
(38) |
Overeenkomstig artikel 17, lid 2, van de basisverordening zijn alle bekende betrokken producenten-exporteurs en de autoriteiten van het betrokken land geraadpleegd over de samenstelling van de steekproef. |
|
(39) |
Indústria de Compensados Guararapes Ltda, een producent-exporteur die niet in de voorlopige steekproef was opgenomen (“Guararapes”) heeft verzocht om in de steekproef te worden opgenomen. Guararapes voerde aan dat de voorlopige steekproef slechts een beperkte representativiteit heeft, aangezien deze slechts 30 % van de Braziliaanse uitvoer van triplex- en multiplexhout van zachthout naar de Unie met slechts twee exporteurs omvatte. Deze onderneming voerde ook aan dat er een discrepantie in de representativiteit was, aangezien de bedrijfstak van de Unie goed was voor 50 % van de productie van de Unie. |
|
(40) |
Tevens wees de in de steekproef opgenomen exporteur Sudati op verbonden ondernemingen die ook het betrokken product produceerden en uitvoerden, namelijk Guararapes en Conply Indústria de Compensados Ltda. Deze exporterende ondernemingen werden dan ook in de definitieve steekproef opgenomen. |
|
(41) |
De definitieve steekproef van producenten-exporteurs bestond derhalve uit één groep ondernemingen met familiebetrekkingen verbonden waren (Sudati, Guararapes en Conly, te noemen als de “SCG-groep”) en één niet-verbonden producent-exporteur (Nereu). |
|
(42) |
In antwoord op de opmerking van Guararapes merkt de Commissie op dat de vertegenwoordiging van de bedrijfstak van de Unie in de productie van de Unie irrelevant is voor de samenstelling van de steekproef van producenten-exporteurs. |
1.6. Individueel onderzoek
|
(43) |
Guararapes heeft op grond van artikel 17, lid 3, van de basisverordening een verzoek om een individueel onderzoek ingediend, waarbij zij aanvoerde dat familiebanden met Sudati en Conly haar juridische en operationele onafhankelijkheid niet in gevaar brengen. De onderneming behoudt volledige juridische en operationele autonomie ten opzichte van de twee Braziliaanse exporteurs en moet daarom in het kader van dit onderzoek als een afzonderlijke economische entiteit worden behandeld. |
|
(44) |
De Commissie merkt op dat producenten-exporteurs overeenkomstig artikel 127, punt h), van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie (6) worden geacht verbonden entiteiten te zijn indien zij tot dezelfde familie behoren. Het verzoek van Guararapes om een individueel onderzoek op grond van artikel 17, lid 3, van de basisverordening werd derhalve afgewezen. |
1.7. Antwoorden op de vragenlijst en controlebezoeken
|
(45) |
De Commissie heeft vragenlijsten gestuurd naar de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs in Brazilië, de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, de importeurs en de gebruikers. Die vragenlijsten werden op de dag van de opening van het onderzoek ook online (7) beschikbaar gesteld. |
|
(46) |
De Commissie heeft alle gegevens die zij voor de voorlopige vaststelling van dumping, de schade als gevolg daarvan en het belang van de Unie nodig achtte, verzameld en gecontroleerd. Krachtens artikel 16 van de basisverordening zijn controlebezoeken verricht bij de volgende ondernemingen:
|
1.8. Onderzoektijdvak en beoordelingsperiode
|
(47) |
Het onderzoek naar de dumping en schade had betrekking op de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024 (“het onderzoektijdvak” of “OT”). Het onderzoek van de ontwikkelingen die relevant zijn voor de schadebeoordeling had betrekking op de periode van 1 januari 2021 tot het einde van het onderzoektijdvak (“de beoordelingsperiode”). |
2. ONDERZOCHT PRODUCT, BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT
2.1. Onderzocht product
|
(48) |
Het onderzoek heeft betrekking op triplex- en multiplexhout dat uitsluitend bestaat uit houten platen (andere dan bamboe), elke laag met een dikte van niet meer dan 6 mm, met beide buitenlagen van naaldhout, al dan niet voorzien van een deklaag of aan het oppervlak bedekt (“triplex- en multiplexhout van zachthout” of “zachthouten triplex/multiplex”), momenteel ingedeeld onder GN-code 4412 39 00 (“het onderzochte product”). |
|
(49) |
Triplex- en multiplexhout van zachthout wordt gebruikt in een breed scala aan toepassingen, zoals in de bouw, voor meubelen, wandpanelen, als ondervloer (zoals bij parket), alsmede in de verpakkingsindustrie en voor dakbedekking. |
2.2. Betrokken product
|
(50) |
Het betrokken product is triplex- en multiplexhout van zachthout van oorsprong uit Brazilië, momenteel ingedeeld onder GN-code ex 4412 39 00 (“het betrokken product”). |
2.3. Soortgelijk product
|
(51) |
Uit het onderzoek is gebleken dat de volgende producten dezelfde fysische, chemische en technische basiseigenschappen hebben en voor dezelfde basisdoeleinden worden gebruikt:
|
|
(52) |
De Commissie heeft in dit stadium geconcludeerd dat die producten derhalve soortgelijke producten zijn in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening. |
2.4. Argumenten betreffende de productomschrijving
|
(53) |
PTIA uitte bezorgdheid over de vergelijkbaarheid en indeling van de betrokken producten. De groepering voerde aan dat er een kritisch onderscheid bestaat tussen triplex- en multiplexhout van zachthout voor structurele toepassingen en voor niet-structurele toepassingen, waar in de huidige productomschrijving onvoldoende rekening mee wordt gehouden. PTIA opperde dat deze verschillen aanzienlijke gevolgen hebben voor de prijsstelling en de markttoepassing, en dus van invloed zijn op de analyse van dumping en schade. |
|
(54) |
PTIA benadrukte dat het opnemen van het onderscheid structurele toepassingen/niet-structurele toepassingen in de PCN-structuur noodzakelijk is om een eerlijke vergelijking en nauwkeurige vaststelling van dumpingmarges te waarborgen. Zij voerden aan dat deze verschillen in het onderzoek moeten worden erkend om te voorkomen dat producten die niet relevant zijn voor de vermeende dumping of schade ten onrechte worden opgenomen. |
|
(55) |
Bovendien was de PTIA van mening dat triplex en -multiplex van sparrenhout en dennenhout niet als soortgelijke producten mogen worden beschouwd, aangezien zij van verschillende houtsoorten worden vervaardigd en uiteenlopende toepassingen en markten hebben. Dit verschil is voldoende significant om een herbeoordeling van het toepassingsgebied te rechtvaardigen en mogelijkerwijs bepaalde producten uit te sluiten die niet rechtstreeks concurreren met in de EU geproduceerd triplex- en multiplexhout van zachthout. |
|
(56) |
ABIMCI benadrukte de aanzienlijke verschillen in vergelijkbaarheid, onderlinge uitwisselbaarheid en substitueerbaarheid tussen verschillende soorten triplex- en multiplexhout, zoals dennenhout versus sparrenhout en gecoate versus ongecoate productvariëteiten. ABIMCI betoogde dat deze producten verschillende marktsegmenten bedienen en unieke technische en fysieke kenmerken hebben, hetgeen tot gedifferentieerde voorkeuren van de consument leidt. Zij wees op het belang van een gesegmenteerde analyse waarin rekening wordt gehouden met factoren zoals het onderscheid tussen zachthouten triplex/multiplex voor structurele toepassingen en voor niet-structurele toepassingen, en tussen premium- en lagere segmenten. Volgens ABIMCI moest een gesegmenteerde analyse van de schade worden verricht. |
|
(57) |
In zijn reactie hierop verwees de klager naar het in de klacht verstrekte bewijsmateriaal, waaruit bleek dat sparren- en dennenhout deel uitmaken van de grotere familie van naaldhout. In vergelijking met andere houtsoorten — met name loofhout en andere soorten hardhout — hebben sparren- en dennenhout beide een lichte of bleke kleur, zijn zij gemakkelijker te zagen en hebben zij een eenvoudigere poreuze structuur en een hoog harsgehalte. Bovendien zijn er geen relevante verschillen tussen zachthouten triplex/multiplex van sparren- en dennenhout qua productieproces, verkoopproces en distributiekanalen in de Unie, die allemaal identiek zijn. |
|
(58) |
De Commissie stelde vast dat er zelfs binnen één houtsoort verschillende kwaliteiten zijn, aangezien het een natuurlijk materiaal is. Dit komt tot uiting in het productcontrolenummer (PCN). De Commissie stelde echter vast dat dennen- als sparrensoorten vaak door elkaar worden gebruikt. Het feit dat beide soorten behoren tot de bredere categorie naaldhout, die bekend staat om de lichtere kleur, de relatief gemakkelijke werkbaarheid en een eenvoudige poreuze structuur, leidt ertoe dat de fysieke eigenschappen, productiemethoden en markttoepassingen vergelijkbaar zijn. Belangrijk is dat het harsgehalte in sparren- en dennenhout relatief hoog is, wat gevolgen heeft voor de duurzaamheid en bruikbaarheid ervan in vergelijkbare producttoepassingen. |
|
(59) |
De consumenten maken in de eerste plaats onderscheid tussen triplex- en multiplexhout van zachthout en triplex- en multiplexhout van hardhout. |
|
(60) |
Bovendien blijkt — in strijd met de bewering dat de producenten in de Unie voornamelijk gecoate zachthouten triplex/multiplex produceren terwijl de Braziliaanse producten voornamelijk ongecoat zijn — uit de uitgebreide analyse van de Commissie dat de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie voornamelijk ongecoate zachthouten triplex/multiplexproducten vervaardigen. |
|
(61) |
De Commissie merkte ook op dat de klacht specifieke voorbeelden bevatte van een industriële gebruiker in de EU die zachthouten triplex/multiplex van zowel sparren- als dennenhout aankoopt voor hetzelfde eindgebruik, en van producenten in de Unie die beide soorten naaldhout aankopen, deze vaak door elkaar gebruiken en zowel dennen- als sparrenfineer toepassen bij de productie van zachthouten triplex en multiplex. |
|
(62) |
Om alle bovengenoemde redenen heeft de Commissie vastgesteld dat alle zachthouten soorten — ongeacht of zij bestaan uit dennen- of uit sparrenhout en ongeacht of zij gecoat of ongecoat zijn, of voor structurele of niet-structurele toepassingen — als soortgelijke producten worden beschouwd, zij dezelfde fysische, technische en chemische basiseigenschappen hebben en op dezelfde markt concurreren. Zij vallen samen onder dezelfde productdefinitie in het kader van het huidige onderzoek, waardoor een coherente en alomvattende analyse wordt gewaarborgd die strookt met de bestaande regelgevingskaders en de werkwijze van de Commissie in het verleden. De Commissie heeft het verzoek om een gesegmenteerde analyse derhalve afgewezen. |
3. DUMPING
3.1. Normale waarde
|
(63) |
Eerst heeft de Commissie onderzocht of de totale binnenlandse verkoophoeveelheid van iedere in de steekproef opgenomen meewerkende producent-exporteur representatief was in de zin van artikel 2, lid 2, van de basisverordening. |
|
(64) |
De binnenlandse verkoop is representatief als de totale binnenlandse verkoophoeveelheid van het soortgelijke product aan onafhankelijke afnemers op de binnenlandse markt per producent-exporteur tijdens het onderzoektijdvak ten minste 5 % bedroeg van totale uitgevoerde hoeveelheid van het betrokken product naar de Unie. Op basis hiervan was de totale verkoop op de binnenlandse markt van het soortgelijke product door elke in de steekproef opgenomen producent-exporteur niet representatief. |
|
(65) |
Vervolgens is de Commissie voor de producenten-exporteurs met een representatieve binnenlandse verkoop nagegaan welke productsoorten die op de binnenlandse markt werden verkocht, identiek waren aan of vergelijkbaar waren met de naar de Unie uitgevoerde productsoorten. |
|
(66) |
Daarna heeft de Commissie onderzocht of de binnenlandse verkoop door iedere in de steekproef opgenomen producent-exporteur op zijn binnenlandse markt voor elke productsoort die identiek is aan of vergelijkbaar is met een productsoort die wordt uitgevoerd naar de Unie, representatief was in de zin van artikel 2, lid 2, van de basisverordening. |
|
(67) |
De binnenlandse verkoop van een productsoort is representatief als de totale binnenlandse verkoophoeveelheid van die productsoort aan onafhankelijke afnemers in het onderzoektijdvak ten minste 5 % bedraagt van de totale verkoophoeveelheid ten uitvoer van de identieke of vergelijkbare productsoort naar de Unie. |
|
(68) |
Van de vier onderzochte ondernemingen had er één helemaal geen binnenlandse verkoop. De andere drie ondernemingen hadden ofwel geen representatieve productsoorten, ofwel slechts enkele productsoorten die representatief waren. |
|
(69) |
De Commissie heeft vervolgens voor elke productsoort het aandeel van de winstgevende verkoop aan onafhankelijke afnemers op de binnenlandse markt in het onderzoektijdvak bepaald om uit te maken of zij de binnenlandse verkoop kon gebruiken voor de berekening van de normale waarde, overeenkomstig artikel 2, lid 4, van de basisverordening. |
|
(70) |
De normale waarde wordt gebaseerd op de werkelijke binnenlandse prijs per productsoort, ongeacht of die verkoop winstgevend is, indien:
|
|
(71) |
Indien aan beide criteria is voldaan, is de normale waarde het gewogen gemiddelde van de prijzen van alle binnenlandse verkopen van die productsoort in het onderzoektijdvak. |
|
(72) |
De normale waarde is gelijk aan de werkelijke binnenlandse prijs per productsoort van uitsluitend de winstgevende binnenlandse verkopen van de productsoorten tijdens het onderzoektijdvak indien:
|
|
(73) |
Uit de analyse van de drie exporteurs met binnenlandse verkoop bleek dat geen enkele productsoort voldeed aan de criteria voor verkoop in het kader van normale handelstransacties. |
|
(74) |
Voor productsoorten van het soortgelijke product waarvan in het kader van normale handelstransacties geen of onvoldoende hoeveelheden werden verkocht of voor productsoorten waarvan op de binnenlandse markt geen representatieve hoeveelheden werden verkocht, stelde de Commissie de normale waarde vast volgens de bepalingen van artikel 2, leden 3 en 6, van de basisverordening. |
|
(75) |
De normale waarde werd door berekening vastgesteld door de gemiddelde productiekosten van het soortgelijke product van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs in het onderzoektijdvak te vermeerderen met:
|
|
(76) |
Voor de productsoorten waarvan de op de binnenlandse markt verkochte hoeveelheden niet representatief waren, zijn de gemiddelde VAA-kosten en de gemiddelde winst op transacties in het kader van normale handelstransacties op de binnenlandse markt bijgeteld. |
|
(77) |
Voor productsoorten die in het geheel niet waren verkocht op de binnenlandse markt, zijn de gewogen gemiddelde VAA-kosten en de winst op alle transacties in het kader van normale handelstransacties op de binnenlandse markt bijgeteld. |
|
(78) |
Voor de in de steekproef opgenomen producent-exporteur zonder binnenlandse verkoop werden de VAA-kosten en de winst overeenkomstig artikel 2, lid 6, punt a), van de basisverordening gebaseerd op het gewogen gemiddelde van de bedragen die zijn vastgesteld voor de drie andere in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs die onderworpen zijn aan een onderzoek naar de productie en de verkoop van het soortgelijke product op de binnenlandse markt. |
3.2. Uitvoerprijs
|
(79) |
De uitvoer naar de Unie door de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs vond plaats hetzij rechtstreeks naar onafhankelijke afnemers hetzij via verbonden handelsondernemingen in Brazilië. |
|
(80) |
Overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening was de uitvoerprijs de voor het betrokken product met het oog op uitvoer naar de Unie werkelijk betaalde of te betalen prijs. |
3.3. Vergelijking
|
(81) |
De Commissie moet overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening een billijke vergelijking maken tussen de normale waarde en de prijs bij uitvoer in hetzelfde handelsstadium, en correcties toepassen om rekening te houden met verschillen die van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen. |
|
(82) |
In het onderhavige geval heeft de Commissie ervoor gekozen de normale waarde en de uitvoerprijs van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs te vergelijken in het handelsstadium af fabriek. Zoals hieronder verder wordt toegelicht, werden de normale waarde en de uitvoerprijs waar gecorrigeerd tot i) netto tot het niveau af fabriek; en ii) correcties toe te passen voor verschillen tussen factoren waarvan werd beweerd en aangetoond dat zij van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen. |
3.3.1. Correcties op de normale waarde
|
(83) |
De Commissie heeft geen redenen gevonden om correcties toe te passen op de normale waarde en evenmin werden dergelijke correcties door een van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs gevraagd, aangezien de normale waarde werd berekend aan de hand van de productiekosten plus VAA-kosten en winst. |
3.3.2. Correcties op de uitvoerprijs
|
(84) |
Om de uitvoerprijs terug te rekenen tot het handelsstadium af fabriek, zijn er correcties toegepast voor douanerechten, andere invoerheffingen, kosten voor vracht, verzekering, verwerking, verlading en aanverwante kosten. |
|
(85) |
Bovendien zijn er correcties toegepast voor de volgende factoren die van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen: kredietkosten, bankkosten en provisies. |
|
(86) |
Wat betreft de producent-exporteur Nereu, waar de verkoop plaatsvond via een verbonden handelsonderneming in Brazilië, stelde de Commissie vast dat de verbonden handelaar werkzaamheden verrichtte die vergelijkbaar waren met die van een op commissiebasis werkende agent. De handelaar opereerde parallel met de verkoopafdeling van Nereu en ontving een handelsmarge voor zijn werk. De handelaar verkocht ook andere producten dan het betrokken product. |
|
(87) |
Een correctie op basis van de relevante VAA-kosten en een winst was derhalve gerechtvaardigd op grond van artikel 2, lid 10, punt i), van de basisverordening voor verkoop via de verbonden Braziliaanse handelaar. Bovendien werden de VAA-kosten van de verbonden ondernemingen en de winst van 1 %, die werd verkregen van de medewerkende niet-verbonden importeur, afgetrokken. |
3.4. Dumpingmarges
|
(88) |
Voor de in de steekproef opgenomen meewerkende producenten-exporteurs heeft de Commissie de gewogen gemiddelde normale waarde van elke soort van het soortgelijke product vergeleken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs van de overeenkomstige soort van het betrokken product, zoals bepaald in artikel 2, leden 11 en 12, van de basisverordening. |
|
(89) |
Op basis hiervan zijn de voorlopige gewogen gemiddelde dumpingmarges, uitgedrukt in procenten van de cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring, en na de in de overwegingen 224 tot en met 227 beschreven wijzigingen, als volgt:
|
|
(90) |
Voor de meewerkende producenten-exporteurs die niet in de steekproef zijn opgenomen, heeft de Commissie de gewogen gemiddelde dumpingmarge berekend overeenkomstig artikel 9, lid 6, van de basisverordening. Aangezien de gemiddelde uitvoerprijs van de andere medewerkende, niet in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs, zoals vermeld in de antwoorden op de steekproef, lager was dan de uitvoerprijs van de in de steekproef opgenomen producent-exporteur met een dumpingmarge van nul, werd de dumpingmarge voor niet in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs vastgesteld op basis van de marges van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs, zonder rekening te houden met de marges van de producenten-exporteurs met nul- en de-minimis-dumpingmarges, alsook met marges die waren vastgesteld in de omstandigheden als bedoeld in artikel 18 van de basisverordening. |
|
(91) |
Dit leidt voor de meewerkende producenten-exporteurs die geen deel uitmaken van de steekproef tot een voorlopige dumpingmarge van 5,4 %. |
|
(92) |
Voor alle andere producenten-exporteurs in Brazilië heeft de Commissie de dumpingmarge overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening aan de hand van de beschikbare gegevens vastgesteld. Daartoe heeft de Commissie de mate van medewerking van de producenten-exporteurs bepaald. De mate van medewerking komt overeen met het volume van de uitvoer naar de Unie van de meewerkende producenten-exporteurs, uitgedrukt als percentage van de totale invoer — volgens de gegevens van Eurostat — uit het betrokken land naar de Unie tijdens het onderzoektijdvak. |
|
(93) |
De mate van medewerking is in dit geval hoog, aangezien de uitvoer van de meewerkende producenten-exporteurs goed was voor ongeveer 100 % van de totale invoer tijdens het onderzoektijdvak. Op basis hiervan heeft de Commissie besloten de dumpingmarge voor niet-meewerkende producenten-exporteurs vast te stellen op het niveau van de meewerkende individueel onderzochte onderneming met de hoogste dumpingmarge. |
|
(94) |
De volgende tabel bevat de voorlopige dumpingmarges, uitgedrukt als percentage van de cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring:
|
4. SCHADE
4.1. Omschrijving van de bedrijfstak van de Unie en de productie in de Unie
|
(95) |
Het soortgelijke product werd tijdens het onderzoektijdvak vervaardigd door 13 producenten in de Unie. Zij vormen de “bedrijfstak van de Unie” in de zin van artikel 4, lid 1, van de basisverordening. |
|
(96) |
De totale productie in de Unie tijdens het onderzoektijdvak werd vastgesteld op ongeveer 675 726 m3. De Commissie heeft dit cijfer vastgesteld op basis van alle beschikbare informatie over de bedrijfstak van de Unie, waaronder door de ESTA en de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie verstrekte gegevens. Zoals in overweging 33 is vermeld, vertegenwoordigden twee in de steekproef opgenomen producenten in de Unie 55 % van de totale productie van het soortgelijke product in de Unie. |
4.2. Verbruik in de Unie
|
(97) |
De Commissie heeft het verbruik in de Unie vastgesteld aan de hand van de totale verkoop door de bedrijfstak van de Unie in de Unie, plus de totale invoer in de Unie uit derde landen. De bron van de informatie was het antwoord op de macrovragenlijst door de klager en de officiële gegevens van Eurostat. |
|
(98) |
Het verbruik in de Unie heeft zich als volgt ontwikkeld: Tabel 1 Verbruik in de Unie
|
||||||||||||||||||||||
|
(99) |
Het verbruik in de Unie steeg in 2022 aanvankelijk met 7 %, gevolgd door een aanzienlijke daling in 2023 met 20 %. In het onderzoektijdvak herstelde het verbruik zich weliswaar van het lage niveau van 2023, maar keerde het niet terug naar het niveau van 2021. |
4.3. Invoer uit het betrokken land
4.3.1. Volume en marktaandeel van de invoer uit het betrokken land
|
(100) |
De Commissie heeft de omvang van de invoer vastgesteld op basis van gegevens van Eurostat. Het marktaandeel van de invoer is vastgesteld op basis van de omvang van de invoer en het totale verbruik in de Unie. |
|
(101) |
De Commissie trof in de gerapporteerde statistieken vertekende gegevens aan op het niveau van de bijzondere maatstaf (in dit geval m3). Om een correcte vergelijking mogelijk te maken, heeft de Commissie daarom besloten het gerapporteerde gewicht (ton), een betrouwbaardere en stabielere reeks gegevens, om te rekenen in m3. De omrekening was gebaseerd op de dichtheid van de platen, berekend op basis van het gewicht gedeeld door de bijzondere maatstaf. Voor Brazilië werd het opgegeven gewicht in ton omgerekend in m3 met gebruikmaking van de door de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs gerapporteerde gemiddelde dichtheid; voor de andere landen werd de gemiddelde sectorale standaarddichtheid gebruikt. |
|
(102) |
Zoals vermeld in overweging 89 werd slechts voor één van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs dumping vastgesteld. De Commissie heeft daarom in de verdere analyse onderscheid gemaakt tussen Braziliaanse invoer met en zonder dumping. Het effect van de invoer met dumping op de situatie van de bedrijfstak van de Unie wordt hieronder behandeld, terwijl het effect van de invoer zonder dumping in de overwegingen 156 en 158 wordt onderzocht naar het oorzakelijk verband. De invoer zonder dumping wordt gepresenteerd en geanalyseerd in tabel 11. |
|
(103) |
Het volume van de invoer zonder dumping van Nereu bedroeg [5-10 %] van de totale invoer uit Brazilië in het onderzoektijdvak. Om vast te stellen of de bevindingen met betrekking tot deze onderneming kunnen worden uitgebreid tot alle niet in de steekproef opgenomen invoer, heeft de Commissie de prijzen van Nereu vergeleken met de prijzen van de niet in de steekproef opgenomen meewerkende producenten-exporteurs. Op basis van de gegevens die in de steekproefformulieren en in het antwoord op de vragenlijst zijn verstrekt, lag de gemiddelde uitvoerprijs van Nereu [5-10 %] hoger dan de gemiddelde uitvoerprijs van de vijf niet in de steekproef opgenomen Braziliaanse exporteurs die op de steekproef hebben gereageerd. Derhalve was de Commissie van oordeel dat zij de bevindingen van de afwezigheid van dumping met betrekking tot Nereu niet kon uitbreiden tot de niet in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs. |
|
(104) |
De invoer met dumping in de Unie vanuit het betrokken land heeft zich als volgt ontwikkeld: Tabel 2 Hoeveelheid van de invoer met dumping en marktaandeel
|
|||||||||||||||||||||||||||
|
(105) |
De gegevens illustreren een opmerkelijke opwaartse trend van zowel de hoeveelheid van de invoer met dumping uit Brazilië als het overeenkomstige marktaandeel in de periode van 2021 tot het onderzoektijdvak. In 2021 bedroeg de invoer met dumping uit Brazilië [500 000-600 000] m3 met een marktaandeel van [30-35] %. In 2022 steeg de hoeveelheid van de invoer met dumping tot [650 000-800 000] m3; dit was een indrukwekkende stijging van 32 % ten opzichte van het voorgaande jaar; dit komt tot uiting in een groter marktaandeel van [35-40] %. Hoewel de hoeveelheid van de Braziliaanse invoer met dumping daalde met 14 % in 2023 — dit is een jaar waarin het verbruik in de Unie aanzienlijk daalde — bleef het Braziliaanse marktaandeel aanzienlijk toenemen tot [45-50] %. Tijdens het onderzoektijdvak bereikte de invoer met dumping zijn hoogtepunt, met een stijging van 30 % vanaf 2021, terwijl het marktaandeel licht daalde met twee procentpunten. |
4.4. Prijs van de invoer met dumping uit het betrokken land en prijsonderbieding
|
(106) |
De Commissie heeft de prijzen van de invoer met dumping vastgesteld aan de hand van gegevens van Eurostat. De prijsonderbieding van de invoer werd vastgesteld op basis van de antwoorden op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs en de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie. |
|
(107) |
De gewogen gemiddelde prijzen van de invoer met dumping in de Unie uit het betrokken land hebben zich als volgt ontwikkeld: Tabel 3 Invoerprijzen (EUR/m3)
|
||||||||||||||||||||||
|
(108) |
De gegevens over de prijzen van de invoer met dumping uit Brazilië weerspiegelen een fluctuerende trend in de periode van 2021 tot het onderzoektijdvak. In 2022 was er sprake van een aanzienlijke stijging, waarbij de prijzen stegen tot 443 EUR/m3, wat neerkomt op een stijging van 31 %. Dit werd echter gevolgd door een aanzienlijke daling in 2023, waarbij de prijzen daalden tot 311 EUR/m3, d.w.z. een daling met 39 % ten opzichte van het voorgaande jaar. Als gevolg van deze neerwaartse trend dalen de prijzen verder tot 302 EUR/m3 tijdens het onderzoektijdvak, wat neerkomt op een algemene daling van 11 % ten opzichte van het niveau van 2021. |
|
(109) |
De Commissie heeft de prijsonderbieding tijdens het onderzoektijdvak vastgesteld aan de hand van een vergelijking van:
|
|
(110) |
De prijzen werden vergeleken per productsoort voor transacties in hetzelfde handelsstadium, zo nodig na correctie, en met aftrek van kortingen en rabatten. Het resultaat van de vergelijking werd uitgedrukt als een percentage van de theoretische omzet in het onderzoektijdvak van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie. Daaruit bleek dat de gewogen gemiddelde prijsonderbiedingsmarge van de invoer uit het betrokken land op de markt van de Unie 31,8 % bedroeg. |
4.5. Economische situatie van de bedrijfstak van de Unie
4.5.1. Algemene opmerkingen
|
(111) |
Overeenkomstig artikel 3, lid 5, van de basisverordening omvatte het onderzoek naar de gevolgen van de invoer met dumping voor de bedrijfstak van de Unie een beoordeling van alle economische indicatoren die tijdens de beoordelingsperiode van invloed waren op de situatie van de bedrijfstak van de Unie. |
|
(112) |
Zoals vermeld in overweging 33, werd voor de vaststelling van de mogelijke door de bedrijfstak van de Unie geleden schade gebruikgemaakt van een steekproef. |
|
(113) |
Voor de schadevaststelling heeft de Commissie onderscheid gemaakt tussen macro-economische en micro-economische schade-indicatoren. De Commissie heeft de macro-economische indicatoren beoordeeld op basis van de gecontroleerde gegevens die in de antwoorden op de vragenlijst en de latere door de klager ingediende opmerkingen waren vervat. De Commissie heeft de micro-economische indicatoren beoordeeld op basis van de gegevens die de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie in de antwoorden op de vragenlijst hadden verstrekt. Beide gegevensreeksen bleken representatief te zijn voor de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie. |
|
(114) |
De macro-economische indicatoren zijn: productie, productiecapaciteit, bezettingsgraad, verkoopvolume, marktaandeel, groei, werkgelegenheid, productiviteit, hoogte van de dumpingmarge en herstel van eerdere dumping. |
|
(115) |
De micro-economische indicatoren zijn: gemiddelde prijzen per eenheid, kosten per eenheid, loonkosten, voorraden, winstgevendheid, kasstroom, investeringen, rendement van investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken. |
4.5.2. Macro-economische indicatoren
4.5.2.1. Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad
|
(116) |
De totale productie in de Unie, de productiecapaciteit en de bezettingsgraad in de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 4 Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(117) |
De productiehoeveelheden van de producenten in de Unie vertoonden in de beoordelingsperiode een dalende trend, met lichte schommelingen. In 2021 bedroeg de productiehoeveelheid 888 286 m3. In 2022 was de productie gedaald met 4 % tot 851 718 m3. De daling zette zich voort in 2023, toen de productie verder daalde met 28 % tot 607 714 m3 ten opzichte van het jaar daarvoor. Tijdens het onderzoektijdvak was er sprake van een licht herstel, waarbij de productie steeg tot 675 726 m3. In de gehele beoordelingsperiode was er sprake van een algemene daling met 24 %. |
|
(118) |
De productiecapaciteit bleef stabiel met een totale stijging van 1 % tijdens de beoordelingsperiode. |
|
(119) |
De bezettingsgraad weerspiegelde de ontwikkeling van de productiehoeveelheden. In 2022 daalde de bezettingsgraad marginaal met 4 % ten opzichte van 2021. De grootste daling deed zich voor in 2023, met een daling van het gebruik met 28 % ten opzichte van het voorgaande jaar. Tijdens het onderzoektijdvak was er sprake van een bescheiden herstel van het gebruik met 8 %. Over het geheel genomen bedroeg de vermindering van de bezettingsgraad in de beoordelingsperiode 24 %. |
4.5.2.2. Verkoophoeveelheid en marktaandeel
|
(120) |
De verkoophoeveelheid en het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 5 Verkoophoeveelheid en marktaandeel
|
|||||||||||||||||||||||||||
|
(121) |
De trends in de totale verkoophoeveelheid op de markt van de Unie in het onderzoektijdvak laten een algemene daling zien ten opzichte van 2021, met enkele schommelingen. In 2021 bedroeg de verkoophoeveelheid 756 724 m3. In 2022 was de verkoop gedaald tot 648 176 m3, waarmee de neerwaartse trend in 2023 werd voortgezet, toen de verkoop verder daalde tot 503 231 m3, wat neerkomt op een daling van 19 % ten opzichte van het voorgaande jaar. Tijdens het onderzoektijdvak was echter sprake van een bescheiden opleving: de verkoop steeg met 9 % tot 572 942 m3. |
|
(122) |
In termen van marktaandeel hadden de producenten in de Unie in 2021 een marktaandeel van 44 %. Dit aandeel daalde tot 35 % in 2022, wat een aanzienlijke daling van hun aanwezigheid op de markt weerspiegelt. Hoewel de totale markt krimpt als gevolg van de tendens in de bouwactiviteit, werd in 2023 een licht herstel van het marktaandeel waargenomen, met een stijging tot 37 %. Niettemin daalde het marktaandeel in het onderzoektijdvak opnieuw licht, met een afname tot 36 %. |
4.5.2.3. Groei
|
(123) |
Tegen de achtergrond van een dalend verbruik derfde de bedrijfstak van de Unie niet alleen verkoopvolumes in de Unie, maar ook marktaandeel, in tegenstelling tot de Braziliaanse invoer, die in absolute zin verkoopvolume en marktaandeel in de Unie won. Als zodanig kende de bedrijfstak van de Unie in de beoordelingsperiode geen groei. |
4.5.2.4. Werkgelegenheid en productiviteit
|
(124) |
De werkgelegenheid en de productiviteit hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 6 Werkgelegenheid en productiviteit
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(125) |
Tussen 2021 en het onderzoektijdvak was er bij de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie een opmerkelijke neerwaartse trend in de werkgelegenheid. Het aantal werknemers nam af van 1 866 in 2021 tot 1 582 tijdens het onderzoektijdvak, wat neerkomt op een daling van bijna 15 %. Deze trend wijst er duidelijk op dat de sector werd geconfronteerd met uitdagingen die een inkrimping van het personeelsbestand noodzakelijk maakte. |
|
(126) |
Naast de daling van de werkgelegenheid varieerde ook de productiviteit, gemeten in m3 per voltijdequivalent, in de periode van 2021 tot het onderzoektijdvak. In 2022 bleef de productiviteit relatief stabiel, met slechts een lichte daling met 1 %. Tegen 2023 was er echter sprake van een grotere daling van de productiviteit, namelijk met 18 %. Deze trend herstelde zich in het onderzoektijdvak enigszins, aangezien de productiviteit met 9 % steeg. In totaal daalde het verbruik van het betrokken product in de beoordelingsperiode met 10 %. |
4.5.2.5. Hoogte van de dumpingmarge en herstel van eerdere dumping
|
(127) |
Alle dumpingmarges lagen aanzienlijk boven de de-minimisdrempel. De gevolgen van de hoogte van de werkelijke dumpingmarges voor de bedrijfstak van de Unie waren niet verwaarloosbaar, gezien het volume en de prijzen van de invoer uit het betrokken land. |
|
(128) |
Dit is het eerste antidumpingonderzoek ten aanzien van het betrokken product. Daarom waren er geen gegevens beschikbaar om de gevolgen van mogelijke dumping in het verleden vast te stellen. |
4.5.3. Micro-economische indicatoren
4.5.3.1. Prijzen en factoren die de prijzen beïnvloeden
|
(129) |
De gewogen gemiddelde verkoopprijs per eenheid van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie voor verkoop aan niet-verbonden afnemers in de Unie heeft zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 7 Verkoopprijzen in de Unie
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(130) |
De gewogen gemiddelde prijzen per eenheid van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie voor verkopen aan niet-verbonden afnemers in de Unie lieten gedurende de beoordelingsperiode onbeduidende schommelingen zien. In 2021 bedroeg de gemiddelde verkoopprijs 449 EUR/m3. In 2022 was er sprake van een aanzienlijke prijsstijging met 39 % tot 622 EUR/m3. In 2023 daalde de gemiddelde verkoopprijs echter met 11 % ten opzichte van het voorgaande jaar tot 575 EUR/m3. Tijdens het onderzoektijdvak bleven de prijzen dalen tot 508 EUR/m3. |
|
(131) |
De productiekosten per eenheid voor de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie vertoonden in de loop van de periode ook veranderingen, die nauw overeenkwamen met de ontwikkeling van de verkoopprijzen. In 2021 bedroegen de kosten per eenheid 419 EUR/m3. In 2022 waren de kosten per eenheid gestegen met 22 % tot 511 EUR/m3. Ondanks de stijgende kosten kon de bedrijfstak van de Unie deze kosten over het algemeen compenseren door zijn verkoopprijzen te verhogen. In 2023 stegen de kosten per eenheid verder tot 571 EUR/m3, wat neerkomt op een stijging met 14 % ten opzichte van het voorgaande jaar. Tijdens het onderzoektijdvak daalden de kosten licht tot 556 EUR/m3. In 2023 en het onderzoektijdvak kon de bedrijfstak van de Unie de stijgende kosten niet langer dekken door de verkoopprijzen te verhogen, wat wijst op een verhindering van een prijsverhoging. De totale stijging tijdens de beoordelingsperiode bedroeg 33 %. |
4.5.3.2. Loonkosten
|
(132) |
De gemiddelde loonkosten van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 8 Gemiddelde loonkosten per werknemer
|
||||||||||||||||||||||
|
(133) |
De gemiddelde loonkosten per werknemer voor de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie lieten in de beoordelingsperiode een constante opwaartse trend zien. In 2021 bedroegen de gemiddelde loonkosten per werknemer 41 757 EUR. In 2022 stegen deze kosten tot 44 521 EUR; dit was een stijging van 7 % ten opzichte van het voorgaande jaar. Het opwaartse traject zette zich voort in 2023, waarbij de kosten stegen tot 45 724 EUR. In het onderzoektijdvak stegen de loonkosten verder tot 49 079 EUR, wat neerkomt op een totale stijging van 18 % ten opzichte van 2021. |
4.5.3.3. Voorraden
|
(134) |
De voorraden van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 9 Voorraden
|
|||||||||||||||||||||||||||
|
(135) |
De trends in de eindvoorraden laten een aanzienlijke stijging zien, gevolgd door een geleidelijke daling in de beoordelingsperiode. In 2021 bedroeg de eindvoorraad 45 684 m3. In 2022 was het voorraadniveau drastisch gestegen tot 84 878 m3, d.w.z. een stijging van 86 %. In 2023 daalden de voorraden tot 68 699 m3, als gevolg van een geleidelijke daling ten opzichte van het voorgaande jaar, maar nog steeds aanzienlijk boven het niveau van 2021. Tijdens het onderzoektijdvak bleven de voorraden dalen, aangezien de bedrijfstak van de Unie de verkoop in het onderzoektijdvak kon verhogen tot 62 180 m3; dit wijst op een totale stijging met 36 % tijdens de beoordelingsperiode. |
4.5.3.4. Winstgevendheid, kasstroom, investeringen, rendement van investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken
|
(136) |
De winstgevendheid, de kasstroom, de investeringen en het rendement van de investeringen van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 10 Winstgevendheid, kasstroom, investeringen en rendement van investeringen
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(137) |
De Commissie heeft de winstgevendheid van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie vastgesteld door de nettowinst vóór belastingen op de verkoop van het soortgelijke product aan niet-verbonden afnemers in de Unie uit te drukken als een percentage van de aldus gerealiseerde omzet. De winstgevendheid van de verkoop van producenten in de Unie aan niet-verbonden afnemers in de Unie liet tijdens de beoordelingsperiode schommelingen zien. Te beginnen met 15 % van de omzet in 2021, steeg de winstgevendheid sterk tot 25 % in 2022, wat wijst op een robuuste prestatie in dat jaar. Deze piek bleef echter niet aanhouden, aangezien de winstgevendheid drastisch daalde tot 9 % in 2023 en verder daalde tot slechts 2 % tijdens het onderzoektijdvak, wat wijst op problemen bij het handhaven van winstmarges. |
|
(138) |
De nettokasstroom is het vermogen van de producenten in de Unie om hun activiteiten zelf te financieren. De kasstroomtrend vertoonde in de beoordelingsperiode een daling na een aanvankelijke stijging in 2022. In 2021 bedroeg de kasstroom 46 114 328 EUR. Dit cijfer verbeterde tot 56 315 204 EUR in 2022, een stijging van 22 %. In 2023 daalde de kasstroom drastisch met 44 % tot 35 911 903 EUR. De trend bleef tijdens het onderzoektijdvak dalen, waarbij de kasstroom daalde tot 19 351 190 EUR. De totale afname van de kasstroom tijdens de beoordelingsperiode bedroeg 58 %, wat wijst op een verslechtering van de financiële liquiditeit. |
|
(139) |
De investeringsniveaus vertoonden gedurende de gehele periode een aanzienlijke variatie. In 2021 bedroegen de investeringen 5 432 018 EUR. In 2022 daalden ze scherp tot 3 301 570 EUR, wat neerkomt op een daling met 39 %. In 2023 zijn de investeringen daarentegen aanzienlijk gestegen tot 9 092 561 EUR; dit is een stijging met 106 % ten opzichte van het jaar daarvoor. Tijdens het onderzoektijdvak daalden de investeringen echter tot 4 787 861 EUR, een totale daling met 12 % tijdens de beoordelingsperiode en een voorzichtigere investeringsaanpak. |
|
(140) |
Het rendement van investeringen is de winst uitgedrukt als percentage van de nettoboekwaarde van de investeringen. Dit kwam na een dalende trend in vervolg op een aanvankelijke stijging. Het begon met 54 % in 2021, een stijging tot 111 % in 2022, wat wijst op een uitzonderlijke efficiëntie bij het genereren van rendement in dat jaar. In 2023 daalde het rendement van investeringen echter aanzienlijk tot 37 %. Tijdens het onderzoektijdvak daalde het rendement verder tot 13 %, met een index van 24, wat wijst op een afnemend rendement op de gedane investeringen, en op de uitdagingen waarmee de producenten in de Unie in die periode werden geconfronteerd. |
|
(141) |
Gezien de significante daling van de winstgevendheid, de nettokasstroom en het rendement van investeringen, werd het vermogen om kapitaal aan te trekken van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, ernstig aangetast. |
4.6. Conclusie over schade
|
(142) |
Alle voornaamste schade-indicatoren vertoonden tijdens de beoordelingsperiode een negatieve trend. Het productievolume van de bedrijfstak van de Unie daalde met 24 % en het verkoopvolume eveneens met 24 %. De bedrijfstak van de Unie derfde ook marktaandeel, dat daalde van 44 % in 2021 tot 36 % in het onderzoektijdvak. Daarentegen nam hoeveelheid van de Braziliaanse invoer met dumping in de Unie tijdens dezelfde periode met 30 % toe; het marktaandeel van deze invoer steeg van [30-35] % in 2021 tot [45-50] % in het onderzoektijdvak. Dit werd bereikt ondanks de daling van het verbruik in de Unie met 7 % tijdens de beoordelingsperiode. |
|
(143) |
De winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie daalde in de beoordelingsperiode aanzienlijk, van ongeveer 15 % in 2021 tot 2 % in het OT, wat wijst op een niet-duurzame trend waaruit blijkt dat er sprake is van verhindering van prijsverhogingen. Een vergelijkbare dalende trend werd vastgesteld voor de productiviteit van de bedrijfstak van de Unie (daling met 10 %), zijn werkgelegenheid (daling met 15 %), investeringen (daling met 12 %), rendement van investeringen en kasstroom, die gedurende de beoordelingsperiode allemaal afnamen. |
|
(144) |
De bedrijfstak van de Unie kon de gederfde verkoopvolumes op de markt van de Unie niet compenseren door de uitvoer te verhogen, aangezien de uitvoer slechts zo’n 15 % van de totale productie van de bedrijfstak uitmaakte en geleidelijk afnam, zoals uiteengezet in punt 5.4. |
|
(145) |
Op basis van het bovenstaande is de Commissie in dit stadium tot de conclusie gekomen dat de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade heeft geleden in de zin van artikel 3, lid 5, van de basisverordening. |
5. OORZAKELIJK VERBAND
|
(146) |
Overeenkomstig artikel 3, lid 6, van de basisverordening heeft de Commissie onderzocht of de bedrijfstak van de Unie door de invoer met dumping uit het betrokken land aanmerkelijke schade heeft geleden. Overeenkomstig artikel 3, lid 7, van de basisverordening heeft de Commissie ook onderzocht of de bedrijfstak van de Unie in dezelfde periode door andere bekende factoren schade kon hebben geleden. De Commissie heeft zich ervan verzekerd dat eventuele schade die werd veroorzaakt door andere factoren dan de invoer met dumping uit het betrokken land, niet aan de invoer met dumping werd toegeschreven. Die factoren zijn: de invoer zonder dumping uit Brazilië, de invoer uit andere landen dan Brazilië, de uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Unie, de daling van het verbruik en de stijgende kosten. |
|
(147) |
PTIA en ABIMCI voerden aan dat uit de analyse in de klacht geen duidelijk oorzakelijk verband tussen de Braziliaanse invoer en de gestelde schade is gebleken. |
|
(148) |
ABIMCI betoogde met name dat de Braziliaanse invoer in absolute hoeveelheden niet is toegenomen. Zij benadrukte dat de bewering van de klager over relatieve stijgingen gebaseerd is op een onjuiste premisse van een daling van het verbruik tijdens het onderzoektijdvak, waardoor deze bewering onbetrouwbaar is. Bovendien voerde ABIMCI aan dat de producenten in de Unie geen schade hadden kunnen lijden als gevolg van de Braziliaanse invoer van triplex- en multiplexhout van zachthout, aangezien de ingevoerde producten van zachthout uit Brazilië niet concurreren in dezelfde marktsegmenten met de zachthouten triplex/multiplexproducten van de Unie. ABIMCI was ook van mening dat de dalingen van de omvang en de prijzen van de invoer uit Brazilië simpelweg moeten worden geïnterpreteerd als een terugkeer naar het niveau van vóór de pandemie. Zij voerden aan dat de bedrijfstak van de Unie nooit heeft beweerd schade te hebben geleden vóór 2022, en dat de prijzen van de invoer uit Brazilië na de pandemie hoger waren dan vóór de pandemie. Ten slotte noemde ABIMCI verschillende andere mogelijke oorzakelijke factoren voor schade die de bedrijfstak van de Unie heeft geleden. Het gaat onder meer om stijgende kosten als gevolg van hogere rente, vrachtkosten en wisselkoersen, alsook de gevolgen van de Russische oorlog tegen Oekraïne, kosten voor naleving van de regelgeving en concurrentie van andere houtproducten. |
|
(149) |
PTIA voerde aan dat het volume van de invoer uit andere derde landen aanzienlijk meer toenam dan het volume van de invoer uit Brazilië. Zij betoogde dat deze invoer uit derde landen in aanmerking moet worden genomen bij de analyse van het oorzakelijk verband, aangezien deze invoer ook druk uitoefent op de marktprijzen en de prestaties van de bedrijfstak van de Unie beïnvloedt. PTIA bracht ook naar voren dat het gebruik van atypische perioden zoals het herstel na de pandemie in 2021 voor de vaststelling van de schade het ontstaan van schade op onjuiste wijze verhoogt. |
|
(150) |
Hieronder wordt nader ingegaan op deze argumenten. |
5.1. Gevolgen van de invoer met dumping
|
(151) |
De Commissie heeft onderzocht of er een oorzakelijk verband was tussen de invoer met dumping en de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade. Tijdens de beoordelingsperiode steeg de invoer met dumping uit Brazilië met 30 %, hoewel het verbruik in de Unie met 7 % daalde. Deze bevinding weerlegt de bewering van ABIMCI dat de Braziliaanse invoer niet toenam in absolute hoeveelheden. |
|
(152) |
Bovendien kon de Braziliaanse invoer dankzij de prijsdaling met 11 % van de Braziliaanse invoer, in combinatie met een stijging van de productiekosten met 33 % voor de bedrijfstak van de Unie, nog eens 13 % van het marktaandeel veroveren. Deze verschuiving ging ten koste van de bedrijfstak van de Unie, die te maken kreeg met een aanzienlijke daling van het verkoopvolume met 24 % en een daling van het marktaandeel met 8 procentpunten. Bijgevolg daalde de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie tot een onhoudbaar niveau, met slechts een winst van 2 % tijdens het onderzoektijdvak. |
|
(153) |
Door het feit dat er sprake was van een aanzienlijke kloof tussen de gemiddelde prijs van het ingevoerde product met dumping uit Brazilië en de gemiddelde prijs van het soortgelijke product van de bedrijfstak van de Unie (302 EUR/ton tegenover 508 EUR/ton), was de bedrijfstak van de Unie niet in staat zijn prijzen op te trekken om de hogere productiekosten door te berekenen en dus zijn winstgevendheid in stand te houden. |
|
(154) |
Daarom werd voorlopig geconcludeerd dat de invoer met dumping uit de VRC van triplex- en multiplexhout van zachthout aanmerkelijke schade aan de bedrijfstak van de Unie heeft toegebracht qua prijs en volume. |
5.2. Gevolgen van andere factoren
|
(155) |
De Commissie heeft onderzocht of andere schadefactoren dan de invoer met dumping uit Brazilië gevolgen hebben gehad voor de situatie van de bedrijfstak van de Unie. |
5.2.1. Invoer zonder dumping uit Brazilië
|
(156) |
Het volume van de invoer zonder dumping uit Brazilië heeft zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 11 Invoer zonder dumping uit Brazilië
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(157) |
Het invoervolume en de prijzen van de Braziliaanse invoer zonder dumping werden gebaseerd op de gecontroleerde antwoorden op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen producent-exporteur waarvoor geen dumping werd vastgesteld. |
|
(158) |
De hoeveelheid Braziliaanse invoer zonder dumping nam in de beoordelingsperiode gestaag toe tot [45 000-55 000] m3 in het onderzoektijdvak. Het marktaandeel van invoer zonder dumping uit Brazilië steeg van [0-2] % in 2021 tot [1-3] % in het onderzoektijdvak. De invoer en het marktaandeel van de invoer zonder dumping bleven tijdens de beoordelingsperiode echter ruim onder het volume van de invoer met dumping uit Brazilië. De Commissie was dan ook van oordeel dat zij geen afbreuk deden aan het oorzakelijke verband tussen de invoer met dumping uit Brazilië en de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade. |
5.2.2. Invoer uit derde landen
|
(159) |
De invoer uit andere derde landen heeft zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 12 Invoer uit derde landen
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(160) |
De invoer uit andere derde landen was voornamelijk afkomstig uit twee landen, namelijk Chili en China. Deze twee landen hadden in het onderzoektijdvak samen een marktaandeel van 12 %, terwijl de invoer uit alle overige derde landen in dezelfde periode goed was voor 3 %. |
|
(161) |
Tijdens de beoordelingsperiode vertoonde de invoer vanuit Chili in de Unie een variabel volume. In 2022 steeg de invoer met 39 % ten opzichte van 2021 en steeg het Chileense marktaandeel tot 10 %, ten opzichte van 8 % in 2021. In 2023 daalde de invoer echter met 47 % en daalde het marktaandeel tot 9 %. Tijdens het onderzoektijdvak nam de invoer weer toe, terwijl het marktaandeel gelijk bleef. In totaal steeg de totale invoer uit Chili tijdens de beoordelingsperiode met 14 % en het marktaandeel met 1 %. De gemiddelde prijs van de invoer steeg met 3 %, namelijk van 493 EUR/m3 in 2021 tot 509 EUR/m3 in het onderzoektijdvak. |
|
(162) |
De invoer uit China volgde een vergelijkbare trend. De ingevoerde hoeveelheden zijn in 2022 gestegen met 56 % ten opzichte van het voorgaande jaar. In 2023 daalde het volume aanzienlijk onder het niveau van 2021, terwijl het in het onderzoektijdvak opnieuw steeg tot boven het niveau van 2021. In totaal is de uit China ingevoerde hoeveelheid tijdens de beoordelingsperiode gestegen met 15 %. Het marktaandeel van China bedroeg in 2021 3 %, steeg tot 4 % in 2022 en bedroeg 3 % in zowel 2023 als het onderzoektijdvak. De gemiddelde prijs van de Chinese invoer daalde in de loop van de tijd van 443 EUR/m3 in 2021 tot 413 EUR/m3 in het onderzoektijdvak. |
|
(163) |
Het totale volume van de invoer uit alle andere derde landen, met uitzondering van Brazilië, is tijdens de beoordelingsperiode aanzienlijk gedaald, namelijk met 79 %. Het marktaandeel daalde ook aanzienlijk, namelijk van 13 % tot 3 % in dezelfde periode. De gemiddelde prijs nam in de beoordelingsperiode af met 17 %. |
|
(164) |
Hoewel de uit Chili en China ingevoerde hoeveelheden en hun marktaandeel tijdens de beoordelingsperiode zijn toegenomen, wijst het feit dat de invoer uit andere derde landen aanzienlijk is gedaald erop dat de cumulatieve invoer uit alle andere derde landen, met uitzondering van Brazilië, daadwerkelijk is gedaald. Deze trend staat in schril contrast met de Braziliaanse invoerhoeveelheden, die in dezelfde periode met 32 % zijn gestegen, met een marktaandeel dat steeg met 14 procentpunten. Tijdens de gehele beoordelingsperiode waren de invoerprijzen uit Chili en China aanzienlijk hoger dan die van de invoer met dumping uit Brazilië; in het onderzoektijdvak waren de prijzen bij invoer uit Chili 71 % hoger en uit China 39 % hoger. |
|
(165) |
Daarom heeft de Commissie geconcludeerd dat de invoer uit andere derde landen niet de oorzaak van de hierboven beschreven schade was. |
5.2.3. Uitvoerprestatie van de bedrijfstak van de Unie
|
(166) |
De uitvoer van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie heeft zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 13 Uitvoerprestaties van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(167) |
In de beoordelingsperiode vertoonde de uitvoer van de bedrijfstak van de Unie een aanzienlijke daling met 36 %. Deze trend sluit aan bij de negatieve trend op andere gebieden die bij de bedrijfstak van de Unie is waargenomen. De gemiddelde uitvoerprijs van de producenten in de Unie steeg in dezelfde periode met 20 %. Deze stijging van de uitvoerprijzen wijst erop dat, hoewel de omvang van de uitvoer afnam, de waarde van de uitvoer is toegenomen, wat een deel van de gevolgen van het verminderde volume kan compenseren. |
|
(168) |
De uitvoer van de bedrijfstak van de Unie maakt echter slechts een beperkt deel uit van de totale verkoop van de bedrijfstak van de Unie, wat betekent dat de daling van de uitvoer weliswaar enigszins heeft bijgedragen tot de uitdagingen waarmee de bedrijfstak werd geconfronteerd, maar dat het onwaarschijnlijk was dat deze een significant effect zou hebben op de bredere trends die van invloed zijn op de bedrijfstak. Daarom heeft de Commissie geconcludeerd dat het algemene effect van de verminderde uitvoer op de schade van de bedrijfstak van de Unie het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping uit Brazilië en de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade niet kon afzwakken. |
5.2.4. Afname van het verbruik in de Unie
|
(169) |
Tijdens de beoordelingsperiode is het verbruik in de Unie afgenomen met 7 %. De daling was het gevolg van verschillende onderling met elkaar verbonden factoren: de economie van de Unie maakte in 2023 een tragere groei door dan het jaar daarvoor (het bbp van de Unie groeide met 0,4 % in 2023 tegenover 3,5 % in 2022). Deze neergang trof verschillende sectoren, waaronder de bouwnijverheid en de be- en verwerkende industrie, die grote verbruikers zijn van triplex- en multiplexhout van zachthout. De hoge energieprijzen en de onzekerheid op de energiemarkt droegen ook bij tot de verminderde industriële productie en zorgden voor een lagere vraag in alle sectoren. |
|
(170) |
De Commissie heeft daarom onderzocht of deze daling van het verbruik afbreuk kon doen aan het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping en de door de bedrijfstak van de Unie geleden aanmerkelijke schade. Zoals blijkt uit tabel 2 is de Braziliaanse uitvoer ondanks de daling van het verbruik in de beoordelingsperiode echter gestaag gestegen en in totaal met 30 %. Deze stijging vertaalde zich in een toename van het marktaandeel van [30-35] % tot [45-50] %, wat overeenkomt met 13 procentpunten. Zoals uiteengezet in overweging 110 onderboden de prijzen bij invoer uit Brazilië tegelijkertijd de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie op de markt van de Unie met gemiddeld 31,8 %. Zoals blijkt uit tabel 5, daalde de verkoop van de bedrijfstak van de Unie met 24 % en daalde het marktaandeel met 8 procentpunten tijdens de beoordelingsperiode. Op grond hiervan concludeerde de Commissie dat de daling van het verbruik de door de bedrijfstak van de Unie geleden aanmerkelijke schade niet heeft veroorzaakt. |
5.2.5. Stijging van de productiekosten
Toegenomen kosten van grondstoffen
|
(171) |
ABIMCI merkte op dat de vermeende schade voor de bedrijfstak van de Unie te wijten is aan “een ongekende stijging van de grondstofprijzen” en niet mag worden toegeschreven aan de invoer uit Brazilië. |
|
(172) |
De Commissie heeft geconstateerd dat de grondstofkosten in de beoordelingsperiode inderdaad over het geheel genomen zijn gestegen. |
|
(173) |
De Commissie heeft vastgesteld dat de bedrijfstak van de Unie onder normale marktomstandigheden zijn verkoopprijzen had kunnen verhogen om rekening te houden met de stijging van de grondstofkosten en deze kosten door te berekenen aan zijn afnemers. Hoewel de producenten in de Unie hun prijzen wel hebben verhoogd, konden zij dit niet voldoende doen om de stijgingen van de productiekosten te dekken als gevolg van de aanzienlijke instroom van Braziliaanse invoer tegen onredelijk lage prijzen. |
|
(174) |
De Commissie verwierp daarom het argument en concludeerde voorlopig dat de gestegen grondstofkosten geen afbreuk deden aan het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping uit Brazilië en de aanmerkelijke schade van de producenten in de Unie. |
Hogere energiekosten
|
(175) |
ABIMCI voerde aan dat de stijgende energiekosten als gevolg van de Russische oorlog tegen Oekraïne aanzienlijk hebben bijgedragen tot de schade die de bedrijfstak van de Unie heeft geleden. Zij beweerde dat deze hoge energiekosten in de eerste plaats verantwoordelijk waren voor de schade die de bedrijfstak van de Unie heeft geleden, en niet de concurrentie van Braziliaanse invoer. |
|
(176) |
De Commissie stelde vast dat de stijgende energiekosten inderdaad gevolgen hadden voor de stijgende productiekosten van de producenten in de Unie. Deze gevolgen waren echter niet doorslaggevend. De producenten in de Unie wekten met biomassa (spaanders, schors, zaagsel, afgekeurd fineer) een deel van hun eigen energie op. Voorts had een deel van de producenten in de Unie hun externe elektriciteitskosten voor het onderzoektijdvak afgedekt. Daardoor veroorzaakte de stijging van de energiekosten slechts een geringe stijging van de kosten in de beoordelingsperiode. Als gevolg daarvan was de bedrijfstak van de Unie relatief goed beschermd tegen de energiecrisis. Bovendien maakten de energiekosten minder dan 11 % van de productiekosten uit. Ten slotte zou de bedrijfstak van de Unie bij eerlijke concurrentie in staat zijn geweest deze gematigde stijging van de productiekosten aan zijn afnemers door te berekenen, hetgeen de bedrijfstak niet had kunnen doen als gevolg van de verhindering van prijsverhogingen door de Braziliaanse invoer. |
|
(177) |
De Commissie verwierp daarom het argument en concludeerde voorlopig dat de gestegen grondstofkosten geen afbreuk deden aan het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping uit Brazilië en de aanmerkelijke schade van de producenten in de Unie. |
Hogere vrachtkosten
|
(178) |
ABIMCI voerde aan dat de producenten in de Unie negatieve gevolgen ondervinden van de stijgende vrachtkosten, wat bijdroeg tot hun financiële moeilijkheden. De Commissie heeft echter vastgesteld dat de bedrijfstak van de Unie zijn grondstoffen lokaal verkrijgt en dat de vervoerskosten voor hun eindproducten laag blijven dankzij de nabijheid van zijn primaire afnemers binnen de Unie en het VK. Daarom kan een eventuele stijging van de vrachtprijzen niet worden aangemerkt als een factor die bijdraagt tot de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade. Bijgevolg heeft de Commissie deze argumenten afgewezen. |
Ongunstige schommelingen in de wisselkoersen
|
(179) |
ABIMCI voerde aan dat schommelingen in de wisselkoersen het concurrentievermogen en de winstgevendheid van de producenten in de Unie aanzienlijk hebben geschaad. Zij voerden aan dat ongunstige wisselkoersschommelingen de relatieve kosten van in de EU geproduceerde goederen ten opzichte van de invoer hebben doen toenemen, wat rechtstreeks van invloed is op het financiële welzijn van de bedrijfstak van de Unie. ABIMCI wees op gevallen waarin de waardevermindering van de euro ten opzichte van de belangrijkste valuta’s tot gevolg had dat ingevoerde goederen, waaronder die uit Brazilië, goedkoper waren dan in eigen land geproduceerde alternatieven. |
|
(180) |
Alle in de steekproef opgenomen producenten in de Unie betrekken hun houtstammen lokaal. De Commissie heeft geen belangrijke invloed van wisselkoerswijzigingen op deze of andere belangrijke kostenfactoren vastgesteld. De Commissie heeft dit argument dan ook afgewezen. |
5.2.6. Hogere verkoopkosten
|
(181) |
ABIMCI voerde aan dat de vereiste certificeringen voor de verkoop van triplex- en multiplexhout van zachthout in de EU duurder zijn dan in Brazilië als gevolg van de lagere vraag en de zwaarwegende bureaucratie. |
|
(182) |
ABIMCI heeft deze bewering niet onderbouwd. De Commissie heeft dit argument dan ook afgewezen. |
5.2.7. Betere verkoopvoorwaarden
|
(183) |
ABIMCI voerde aan dat de beslissingen van de afnemers om Braziliaans triplex- en multiplexhout van zachthout te kopen bovendien worden ingegeven door een betere klantenservice en snellere leveringen dan die van de producenten in de Unie. Voorts zouden de producenten in de Unie in 2022 hebben geprofiteerd van een groeiende vraag en hun prijzen exponentieel hebben verhoogd. |
|
(184) |
ABIMCI heeft het argument voor een betere klantenservice en snellere leveringen niet onderbouwd. Voorts is er geen bewijs dat afnemers de voorkeur zouden geven aan Braziliaans triplex- en multiplexhout van zachthout vanwege de hoge prijzen die de producenten in de Unie in 2022 in rekening brachten. Het argument werd dan ook afgewezen. |
5.3. Conclusie inzake het oorzakelijk verband
|
(185) |
Uit de schadeanalyse is gebleken dat de invoer met dumping uit Brazilië tijdens de beoordelingsperiode met 30 % is gestegen, ondanks een daling van het verbruik in de Unie. Bovendien daalde de prijs van de Braziliaanse invoer met dumping met 11 %, terwijl de productiekosten in de Unie met 33 % stegen, waardoor de Braziliaanse invoer met dumping een extra marktaandeel van 13 % verwierf ten koste van de bedrijfstak van de Unie, waar het verkoopvolume met 20 % daalde en het marktaandeel met 7 % daalde. Hierdoor daalde de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie scherp, waarbij de winst tijdens het onderzoek daalde tot een onhoudbare 2 %. Door het aanzienlijke prijsverschil tussen de Braziliaanse invoer met dumping en de producten in de Unie (302 EUR/m3 tegenover 508 EUR/m3) kon de bedrijfstak van de Unie zijn prijzen niet verhogen om de gestegen productiekosten te compenseren en de winstgevendheid te handhaven. |
|
(186) |
De Commissie heeft onderscheid gemaakt tussen en afzonderlijk gekeken naar de gevolgen van alle bekende factoren voor de situatie van de bedrijfstak van de Unie en de schadelijke effecten van de invoer met dumping. |
|
(187) |
Hoewel de uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Unie mogelijk in kleine mate hebben bijgedragen tot de aanmerkelijke schade die door de bedrijfstak van de Unie werd geleden, kon dit het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping en de vastgestelde aanmerkelijke schade niet afzwakken. |
|
(188) |
Wat de gevolgen van de invoer uit andere derde landen en de invoer zonder dumping uit Brazilië betreft, concludeerde de Commissie dat die invoer het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping uit Brazilië en de schade van de bedrijfstak van de Unie niet afzwakte. |
|
(189) |
Wat de daling van het verbruik en de stijging van de productiekosten betreft, werd de bedrijfstak van de Unie in de beoordelingsperiode geconfronteerd met problemen. Zonder de prijsdruk van de invoer met dumping had de bedrijfstak zijn prijzen kunnen aanpassen om rekening te houden met hogere kosten en doeltreffender te reageren op veranderende marktomstandigheden. Zoals eerder vermeld, mag invoer met dumping de producenten in de Unie niet beletten kostenstijgingen over te hevelen naar hun prijzen. Hoewel de bedrijfstak werd geconfronteerd met de uitdagingen van stijgende kosten en een verminderde vraag, werd bijgevolg vastgesteld dat deze factoren het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping uit Brazilië en de schade van de bedrijfstak van de Unie niet afzwakken. |
|
(190) |
Op basis van het voorgaande heeft de Commissie in dit stadium geconcludeerd dat de invoer met dumping uit het betrokken land de bedrijfstak van de Unie materiële schade heeft berokkend en dat de andere factoren (zoals de uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Unie) geen afbreuk deden aan het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping en de materiële schade. De schade betreft vermindering van het marktaandeel, alsook van de productie, productiecapaciteit, productiviteit, winstgevendheid, eindvoorraden, kasstroom en het rendement van investeringen. |
6. NIVEAU VAN DE MAATREGELEN
|
(191) |
Om het niveau van de maatregelen te bepalen, heeft de Commissie beoordeeld of een recht lager dan de dumpingmarge toereikend zou zijn om de door de invoer met dumping aan de bedrijfstak van de Unie berokkende schade op te heffen. |
6.1. Schademarge
|
(192) |
De schade zou worden opgeheven indien de bedrijfstak van de Unie een nagestreefde winst zou kunnen behalen door te verkopen tegen een richtprijs in de zin van artikel 7, leden 2 quater en 2 quinquies, van de basisverordening. |
|
(193) |
Overeenkomstig artikel 7, lid 2 quater, van de basisverordening hield de Commissie bij de bepaling van de nagestreefde winst rekening met de volgende factoren: de mate van winstgevendheid vóór de toename van de invoer vanuit het onderzochte land, de mate van winstgevendheid die vereist is ter dekking van alle kosten en investeringen, onderzoek en ontwikkeling (O & O) en innovatie, alsmede de onder normale mededingingsvoorwaarden te verwachten mate van winstgevendheid. Die winstmarge mag niet lager zijn dan 6 %. |
|
(194) |
In eerste instantie heeft de Commissie een basiswinst vastgesteld die alle kosten onder normale mededingingsvoorwaarden dekt. Het was niet mogelijk een winstmarge vast te stellen op basis van een van de jaren onmiddellijk voorafgaand aan de toename van het aandeel van de invoer met dumping uit Brazilië. De jaren 2021 en 2022 bleken sterk beïnvloed te zijn geweest door het economisch herstel na COVID-19 en leken zij niet geschikt om op basis daarvan de streefwinst vast te stellen. De Commissie achtte het daarom passender om gebruik te maken van de winstgevendheid van 9 % die in 2017 werd bereikt. |
|
(195) |
De bedrijfstak van de Unie verstrekte bewijsmateriaal waaruit bleek dat zijn niveau van investeringen, onderzoek en ontwikkeling (O & O) en innovatie tijdens de beoordelingsperiode onder normale mededingingsvoorwaarden hoger zou zijn geweest. De Commissie verifieerde deze informatie op basis van investeringsplannen en geweigerde en uitgestelde projecten, waaruit bleek dat deze investeringen daadwerkelijk gepland waren. Om hier rekening mee te houden in de nagestreefde winst, heeft de Commissie het verschil berekend tussen de uitgaven voor investeringen, O & O en innovatie onder normale mededingingsvoorwaarden zoals verstrekt door de bedrijfstak van de Unie en gecontroleerd door de Commissie, enerzijds, en de daadwerkelijke desbetreffende uitgaven tijdens de beoordelingsperiode, anderzijds. |
|
(196) |
Dat verschil, uitgedrukt als percentage van de omzet, bedroeg 0,03 % en werd opgeteld bij de in overweging 194 vermelde basiswinst van 9 %, wat een nagestreefde winst van 9,03 % opleverde. |
|
(197) |
Overeenkomstig artikel 7, lid 2 quinquies, van de basisverordening beoordeelde de Commissie als laatste stap de toekomstige kosten voortvloeiend uit multilaterale milieuovereenkomsten en de bijbehorende protocollen waarbij de Unie partij is, en uit de in bijlage I bis vermelde Verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), die de bedrijfstak van de Unie tijdens de periode van toepassing van de maatregel uit hoofde van artikel 11, lid 2, zal maken. Op basis van het beschikbare bewijsmateriaal heeft de Commissie voor elke producent in de Unie extra kosten van [0-5] EUR/m3 vastgesteld in vergelijking met de werkelijke kosten voor de naleving van dergelijke overeenkomsten tijdens het onderzoektijdvak. Deze aanvullende kosten werden toegevoegd aan de geen schade veroorzakende prijs. |
|
(198) |
Op basis hiervan berekende de Commissie een geen schadeveroorzakende prijs van 565 EUR/m3 voor het soortgelijke product van de bedrijfstak van de Unie door de bovengenoemde streefwinstmarge (zie overweging 193) toe te passen op de productiekosten van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie tijdens het onderzoektijdvak, en vervolgens per productsoort de correcties op grond van artikel 7, lid 2 quinquies, toe te passen. |
|
(199) |
De Commissie heeft vervolgens het niveau van de schademarge bepaald door de gewogen gemiddelde invoerprijs van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs in Brazilië, zoals vastgesteld voor de berekeningen van de prijsonderbieding, te vergelijken met de gewogen gemiddelde, geen schade veroorzakende prijs van het soortgelijke product dat in het onderzoektijdvak door de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie op de markt van de Unie werd verkocht. Als uit deze vergelijking een verschil naar voren kwam, werd dit uitgedrukt als percentage van de gewogen gemiddelde cif-waarde bij invoer. |
|
(200) |
De schademarge voor “andere meewerkende ondernemingen” en voor “alle overige invoer van oorsprong uit het betrokken land” wordt op dezelfde manier vastgesteld als de dumpingmarge voor deze ondernemingen (zie de overwegingen 90 tot en met 93).
|
6.2. Conclusie inzake het niveau van de maatregelen
|
(201) |
Na bovenstaande beoordeling moeten de voorlopige antidumpingrechten overeenkomstig artikel 7, lid 2, van de basisverordening als volgt worden vastgesteld:
|
7. BELANG VAN DE UNIE
|
(202) |
Gezien de beslissing van de Commissie om artikel 7, lid 2, van de basisverordening toe te passen, heeft zij onderzocht of zij duidelijk kon concluderen dat het niet in het belang van de Unie was om in dit geval maatregelen te nemen, ondanks de vaststelling van schadeveroorzakende dumping, overeenkomstig artikel 21 van de basisverordening. Het belang van de Unie werd vastgesteld op basis van een afweging van alle betrokken belangen, met inbegrip van die van de bedrijfstak van de Unie, importeurs en gebruikers. |
7.1. Belang van de bedrijfstak van de Unie
|
(203) |
De klacht werd ingediend door het Softwood Plywood Consortium, bestaande uit vier producenten in de Unie die goed zijn voor meer dan 60 % van de totale productie van triplex- en multiplexhout van zachthout in de Unie. |
|
(204) |
De instelling van maatregelen zou de marktvoorwaarden voor producenten in de Unie verbeteren. Dit zou hen in staat stellen hun concurrentiepositie te versterken, het gederfde verkoopvolume en marktaandeel terug te winnen, hun bezettingsgraad te verhogen en hun prijzen aan te passen tot een levensvatbaar niveau. Dit zou hun winstgevendheid dus verhogen in de mate die onder eerlijke concurrentie te verwachten is. |
|
(205) |
Zonder dergelijke maatregelen zou de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade blijven lijden als gevolg van aanhoudende verhindering van prijsverhogingen als gevolg van de instroom van invoer tegen te lage prijzen uit Brazilië. Dit zou leiden tot versnelde dalingen van het marktaandeel, de verkoop en de productie, waardoor de bezettingsgraad verder zou dalen en de activiteiten van producenten in de Unie onhaalbaar zouden worden gemaakt. De huidige tekortsituatie zou verslechteren, wat ernstige gevolgen zou hebben voor toekomstige investeringen en werkgelegenheid in de Unie. Daarom heeft de Commissie vastgesteld dat de instelling van voorlopige maatregelen in overeenstemming is met het belang van de bedrijfstak van de Unie. |
7.2. Belang van niet-verbonden importeurs
|
(206) |
De niet-verbonden importeur Schüttler Holzmakler/Agentur e.K. voerde aan dat de capaciteit van de producenten in de Unie niet toereikend zou zijn om aan de vraag te voldoen. |
|
(207) |
De Commissie herhaalde dat de instelling van antidumpingrechten op Braziliaanse invoer niet tot doel heeft deze invoer uit te schakelen, maar de eerlijke concurrentie op de markt van de Unie te herstellen. Bovendien heeft de Commissie geen bewijs gevonden dat de maatregelen zouden leiden tot minder concurrentie op de markt van de Unie, met name omdat het onderzoek bevestigde dat er verschillende leveranciers van triplex- en multiplexhout van zachthout in de Unie zijn, waaronder de producenten in de Unie, Braziliaanse producenten en invoer uit andere derde landen zoals Chili en China. |
|
(208) |
Het is waarschijnlijk dat importeurs de extra kosten van de rechten aan hun klanten kunnen doorberekenen. De wederverkoop van Braziliaans triplex- en multiplexhout van zachthout maakt slechts een klein deel uit van de activiteiten van de importeurs en draagt slechts een klein deel bij aan hun winstgevendheid. De Commissie heeft daarom geconcludeerd dat de instelling van rechten op het vastgestelde niveau geen grote gevolgen voor de winstgevendheid van de importeurs mag hebben. Hoewel de rechten niet in het belang van de niet-verbonden importeurs lijken te zijn, heeft de Commissie geconcludeerd dat dit geen dwingend argument is tegen de instelling van rechten, rekening houdend met de beperkte gevolgen van de rechten voor de niet-verbonden importeurs. |
7.3. Belang van gebruikers, consumenten en leveranciers
|
(209) |
PTIA voerde aan dat de instelling van hoge rechten op invoer uit Brazilië zou leiden tot hogere kosten voor gebruikers en eindverbruikers in de EU. PTIA betoogde dat EU-gebruikers, met name in sectoren die afhankelijk zijn van triplex- en multiplexhout van zachthout, moeite zouden hebben om deze kosten op te vangen of door te berekenen aan klanten, die zich zouden kunnen wenden tot goedkopere alternatieven die in derde landen worden verwerkt. Dit zou uiteindelijk de toegevoegde waarde van in de Unie geproduceerde goederen verminderen en ernstige gevolgen hebben voor de belangen van gebruikers en economische sectoren die van deze invoer afhankelijk zijn. |
|
(210) |
Bovendien benadrukte de PTIA dat de bedrijfstak van de Unie niet volledig zou kunnen voldoen aan de vraag naar triplex- en multiplexhout van zachthout, aangezien invoer van oudsher een cruciale rol heeft gespeeld bij het waarborgen van het aanbod, met name in de lagere marktsegmenten. |
|
(211) |
Eén gebruiker, Euroline, een meubelfabrikant in de Unie, heeft zich gemeld en merkte op dat mogelijke antidumpingrechten op Braziliaanse invoer tot aanzienlijke prijsstijgingen zouden leiden, wat het concurrentievermogen van ondernemingen in de Unie zou schaden. Hij merkte ook op dat er geen goede alternatieven zijn voor zachthouten producten omdat triplex- en multiplexproducten van hardhout duurder zijn en dat andere materialen, zoals MDF/HDF en gelamineerde spaanplaat, niet de geschikte fysische eigenschappen hebben voor hun producten. Zij wezen ook op negatieve gevolgen voor de toeleveringsketen en de werkgelegenheid in de Unie. |
|
(212) |
De Commissie heeft geen bewijsmateriaal gevonden waaruit blijkt dat de producenten in de Unie niet in staat zouden zijn aan de vraag op de markt van de Unie te voldoen in het onwaarschijnlijke scenario waarin de invoer uit Brazilië van het betrokken product na de instelling van antidumpingrechten zou worden stopgezet. Bovendien zijn de potentiële antidumpingrechten relatief bescheiden en zullen zij waarschijnlijk niet leiden tot aanzienlijke prijsstijgingen, verstoorde toeleveringsketens of risico’s voor de werkgelegenheid in de Unie. De Commissie heeft naast de aanzienlijke productiecapaciteit van de bedrijfstak van de Unie ook rekening gehouden met de beschikbaarheid van alternatieve leveranciers in andere derde landen. Zij was van oordeel dat gebruikers triplex- en multiplexhout van zachthout van toereikende kwaliteit en hoeveelheid zouden kunnen blijven betrekken bij meerdere leveranciers in de Unie, in andere derde landen, waaronder Chili en China, en ook bij een leverancier in Brazilië tegen prijzen zonder dumping. Daarom heeft de Commissie geconcludeerd dat, indien antidumpingmaatregelen ten uitvoer worden gelegd, de gevolgen ervan voor de gebruikers beperkt zouden zijn. |
7.4. Conclusie betreffende het belang van de Unie
|
(213) |
Op basis van het bovenstaande is de Commissie tot de conclusie gekomen dat er geen dwingende redenen zijn om vast te stellen dat het niet in het belang van de Unie zou zijn om in dit stadium van het onderzoek maatregelen in te stellen op de invoer van triplex- en multiplexhout van zachthout van oorsprong uit Brazilië. |
8. VOORLOPIGE ANTIDUMPINGMAATREGELEN
|
(214) |
Op basis van de conclusies van de Commissie inzake dumping, schade, het oorzakelijk verband, de hoogte van de maatregelen en het belang van de Unie moeten voorlopige maatregelen worden ingesteld om te voorkomen dat de bedrijfstak van de Unie nog meer schade lijdt door de invoer met dumping. |
|
(215) |
Er moeten voorlopige antidumpingmaatregelen worden ingesteld op triplex- en multiplexhout van zachthout van oorsprong uit Brazilië, en daarbij moet de regel van het laagste recht uit artikel 7, lid 2, van de basisverordening worden gevolgd. De Commissie heeft de schademarges en de dumpingmarges in overweging 201 vergeleken. Het bedrag van de rechten werd vastgesteld op het niveau van de dumpingmarge, of van de schademarge indien deze lager is. |
|
(216) |
Op basis van het voorgaande moeten de voorlopige antidumpingrechten, uitgedrukt in cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring, als volgt worden vastgesteld:
|
|
(217) |
Het bij deze verordening voor bepaalde ondernemingen vastgestelde individuele antidumpingrecht is gebaseerd op de bevindingen van dit onderzoek. Daarin wordt derhalve de situatie weerspiegeld die bij het onderzoek voor die onderneming werd geconstateerd. Dit recht is uitsluitend van toepassing op het betrokken product van oorsprong uit het betrokken land en vervaardigd door de genoemde juridische entiteit. Op de invoer van het betrokken product dat is geproduceerd door andere ondernemingen die in het dispositief van deze verordening niet uitdrukkelijk worden genoemd, met inbegrip van entiteiten die aan de specifiek genoemde ondernemingen zijn verbonden, is het recht van toepassing dat geldt voor “alle overige invoer van oorsprong uit het betrokken land”. Die invoer mag niet worden onderworpen aan de individuele antidumpingrechten. |
|
(218) |
Om het risico op ontwijking als gevolg van het verschil in rechten zo veel mogelijk te beperken, zijn speciale maatregelen nodig om de toepassing van de individuele antidumpingrechten te garanderen. De heffing van individuele antidumpingrechten is enkel van toepassing wanneer aan de douaneautoriteiten van de lidstaten een geldige handelsfactuur wordt overlegd. Deze factuur moet voldoen aan de in artikel 1, lid 4, van deze verordening vastgestelde vereisten. Tot een dergelijke factuur wordt overgelegd, moet de invoer worden onderworpen aan het antidumpingrecht dat van toepassing is op “alle overige invoer van oorsprong uit het betrokken land”. |
|
(219) |
Hoewel de douaneautoriteiten van de lidstaten over deze factuur moeten beschikken om ten aanzien van de invoer de individuele antidumpingrechten te kunnen toepassen, is overlegging van die factuur niet de enige factor waarmee de douaneautoriteiten rekening moeten houden. Zelfs als aan hen een factuur wordt overgelegd die voldoet aan alle vereisten van artikel 1, lid 4, van deze verordening, moeten de douaneautoriteiten van de lidstaten namelijk hun gebruikelijke controles uitvoeren en kunnen zij, net als in alle andere gevallen, aanvullende documenten (vervoersdocumenten enz.) verlangen om de juistheid van de gegevens in de aangifte te controleren en te waarborgen dat het lagere recht vervolgens terecht wordt toegepast, in overeenstemming met de douanewetgeving. |
|
(220) |
Indien de uitvoer door een van de ondernemingen waarvoor een lager individueel recht geldt, na de instelling van de maatregelen in kwestie aanzienlijk toeneemt, kan dit op zich worden beschouwd als een verandering in de structuur van het handelsverkeer als gevolg van de instelling van maatregelen in de zin van artikel 13, lid 1, van de basisverordening. In dergelijke omstandigheden kan, mits aan de voorwaarden is voldaan, een onderzoek naar ontwijking van de maatregelen worden geopend. Hierbij kan onder meer worden onderzocht of het nodig is een individueel recht of individuele rechten in te trekken en in plaats daarvan het voor het gehele land geldende recht in te stellen. |
9. REGISTRATIE
|
(221) |
Zoals vermeld in overweging 3, heeft de Commissie de invoer van het betrokken product aan registratie onderworpen. De registratie vond plaats om het mogelijk te maken met terugwerkende kracht rechten te innen overeenkomstig artikel 10, lid 4, van de basisverordening. |
|
(222) |
In het licht van de voorlopige bevindingen moet de registratie van de invoer worden beëindigd. |
|
(223) |
In dit stadium van de procedure is geen besluit genomen/kan geen besluit worden genomen over een mogelijke toepassing met terugwerkende kracht van antidumpingmaatregelen. |
10. INFORMATIE OVER VOORLOPIGE MAATREGELEN
|
(224) |
Overeenkomstig artikel 19 bis van de basisverordening heeft de Commissie de belanghebbenden op de hoogte gebracht van de beoogde instelling van voorlopige rechten. Deze informatie is ook openbaar gemaakt op de website van DG Handel. Belanghebbenden hebben drie werkdagen de tijd gekregen om opmerkingen in te dienen over de juistheid van de berekeningen die specifiek aan hen zijn meegedeeld. |
|
(225) |
De Braziliaanse producent-exporteur Guararapes antwoordde op de hem toegezonden informatie en merkte op dat de berekeningen een schrijffout bevatten, namelijk dat de Commissie het vervoer over zee en de verzekering had opgenomen bij hun verkoop aan niet-verbonden afnemers in de Unie voor hun verkoop vrij aan boord. |
|
(226) |
De Commissie heeft het argument aanvaard dat de administratieve fout moet worden gecorrigeerd en het bedrag dat overeenkomt met de zeevervoer- en -verzekering op de verkoop vrij aan boord van Guararapes aan niet-verbonden afnemers in de Unie moet worden verwijderd van de correcties die in mindering zijn gebracht op de uitvoerprijs. Als gevolg daarvan heeft de Commissie de dumpingmarges voor Guararapes, de SCG-groep, de medewerkende producenten-exporteurs buiten de steekproef en de niet-medewerkende producenten-exporteurs gecorrigeerd. |
|
(227) |
Er zijn geen andere opmerkingen over de toegezonden informatie ontvangen. |
11. SLOTBEPALINGEN
|
(228) |
Met het oog op een behoorlijk bestuur nodigt de Commissie de belanghebbenden uit schriftelijk te reageren en/of binnen een vaste termijn een hoorzitting met de Commissie en/of de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures aan te vragen. |
|
(229) |
De bevindingen betreffende de instelling van voorlopige rechten zijn voorlopig en kunnen in het definitieve stadium van het onderzoek worden gewijzigd, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Er wordt een voorlopig antidumpingrecht ingesteld op triplex- en multiplexhout dat uitsluitend bestaat uit houten platen (andere dan bamboe), waarbij elke laag een dikte heeft van niet meer dan 6 mm, met beide buitenste lagen van naaldhout, al dan niet voorzien van een deklaag of aan het oppervlak bedekt (“triplex- en multiplexhout van zachthout”), momenteel ingedeeld onder de GN-code 4412 39 00 en van oorsprong uit Brazilië.
2. Het voorlopige antidumpingrecht dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, van de in lid 1 genoemde en door de hieronder vermelde ondernemingen vervaardigde producten is als volgt:
|
Land van oorsprong |
Onderneming |
Voorlopig antidumpingrecht (%) |
Aanvullende Taric-code |
|
Brazilië |
Indústria de Compensados Sudati Ltda Conply Indústria de Compensados Ltda Indústria de Compensados Guararapes Ltda |
5,4 |
89XQ |
|
|
Andere meewerkende ondernemingen opgenomen in de bijlage |
5,4 |
Zie bijlage |
|
|
Alle overige invoer van oorsprong uit het betrokken land |
5,4 |
8999 |
3. Antidumpingrechten zijn niet van toepassing op de Braziliaanse producent-exporteur Nereu Rodrigues Cia Ltda (aanvullende Taric-code 89XR).
4. De individuele rechten die zijn vastgesteld voor de in lid 2 vermelde ondernemingen zijn uitsluitend van toepassing indien aan de douaneautoriteiten van de lidstaten een geldige handelsfactuur wordt overgelegd die een verklaring bevat die is gedateerd en ondertekend door een met naam en functie geïdentificeerde medewerker van de entiteit die deze factuur heeft opgesteld, en die als volgt luidt: “Ondergetekende verklaart dat de (hoeveelheid in de eenheid die wij gebruiken) (betrokken product) die naar de Europese Unie wordt uitgevoerd en waarop deze factuur betrekking heeft, is vervaardigd door (naam en adres van de onderneming) (aanvullende Taric-code) in het betrokken land. Ondergetekende verklaart dat de in deze factuur verstrekte informatie juist en volledig is.” Totdat een dergelijke factuur wordt overgelegd, geldt het recht dat van toepassing is op alle overige invoer van oorsprong uit het betrokken land.
5. Bij het in het vrije verkeer brengen in de Unie van het in lid 1 genoemde product wordt een zekerheid gesteld die gelijk is aan het bedrag van het voorlopige recht.
6. Wanneer een aangifte voor het vrije verkeer wordt aangeboden voor het in lid 1 bedoelde product, ongeacht de oorsprong ervan, wordt in het desbetreffende vak van die aangifte het volume in m3 van de ingevoerde producten vermeld.
De lidstaten stellen de Commissie maandelijks in kennis van het aantal m3 dat wordt ingevoerd onder GN-code 4412 39 00 .
7. Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.
Artikel 2
1. Belanghebbenden moeten hun schriftelijke opmerkingen inzake deze verordening binnen 15 kalenderdagen na de datum van inwerkingtreding van deze verordening bij de Commissie indienen.
2. Belanghebbenden die om een hoorzitting bij de Commissie willen verzoeken, moeten dit binnen vijf kalenderdagen na de datum van inwerkingtreding van deze verordening doen.
3. Belanghebbenden die willen worden gehoord door de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures, kunnen binnen vijf kalenderdagen na de datum van inwerkingtreding van deze verordening hiertoe een verzoek indienen. De raadadviseur-auditeur kan buiten deze termijn ingediende verzoeken beoordelen en kan in voorkomend geval besluiten die verzoeken te aanvaarden.
Artikel 3
1. De douaneautoriteiten wordt opgedragen de bij artikel 1 van Uitvoeringsverordening (EU) 2025/922 ingestelde registratie van de invoer te beëindigen.
2. Gegevens die zijn verzameld met betrekking tot producten die ten hoogste 90 dagen vóór de datum van inwerkingtreding van deze verordening voor invoer ten gebruike in de EU zijn aangegeven, worden bewaard tot eventuele definitieve maatregelen in werking treden of tot deze procedure is beëindigd.
Artikel 4
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 3 november 2025.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 176 van 30.6.2016, blz. 21.
(2) PB C, C/2025/1490 van 6.3.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/1490/oj.
(3) Uitvoeringsverordening (EU) 2025/922 van de Commissie van 20 mei 2025 tot onderwerping van de invoer van triplex- en multiplexhout van zachthout van oorsprong uit Brazilië aan registratie (PB L, 2025/922, 21.5.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/922/oj).
(4) Arrest van het Gerecht van 11 juli 2017, Viraj Profiles Ltd/Raad, T-67/14, ECLI:EU:T:2017:481, punt 98.
(5) https://globaltradealert.org/intervention/16770.
(6) Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 343 van 29.12.2015, blz. 558, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2015/2447/oj).
(7) https://tron.trade.ec.europa.eu/investigations/case-view?caseId=2779.
BIJLAGE
Niet in de steekproef opgenomen medewerkende producenten-exporteurs in Brazilië
|
Naam |
Aanvullende Taric-code |
|
Agil Madeiras Eireli |
89XS |
|
Agrosepac Serrados Ltda |
89XT |
|
Argenta Bonotto & Cia Ltda |
89XU |
|
Brasnile Industrial Ltda |
89XV |
|
Celplac Industria e Comercio Ldta |
89XW |
|
Comércio De Madeiras Brandes Ltda |
89XX |
|
Compensa Industry And Trade Plywood Ltda |
89XY |
|
Compensados Drabecki Ltda |
89XZ |
|
Compensados e Laminados Lavrasul S/A |
89YA |
|
Compensados Fiveply Ltda |
89YB |
|
Compensados Fuck Ltda |
89YC |
|
Compensados Laselva Ltda |
89YD |
|
Compensados Nm Ltda |
89YE |
|
Compensados Novo Milênio Ltda |
89YF |
|
Compensados Relvaplac Ltda |
89YG |
|
Compensados Scharan Ltda |
89YH |
|
Dalgallo Compensados e Portas Ltda |
89YI |
|
Dallo Madeiras Ltda |
89YJ |
|
Fabricio Antonio Moreira Neto Eireli |
89YK |
|
Faganello Industria e Comércio De Compensados Ltda |
89YL |
|
Formato Compensados Ltda |
89YM |
|
Fv De Araujo |
89YN |
|
G13 Madeiras Ltda |
89YO |
|
Guaraetá Compensados Ltda |
89YP |
|
Industrial Arbhores Compensados Eireli |
89YQ |
|
Industrial Madeireira S.A |
89YR |
|
Itamarati Plywood Industry Ltda |
89YS |
|
J8 Compensados Ltda |
89YT |
|
Laminadora Centenário Ltda |
89YU |
|
Lfr Carli & Cia Ltda |
89YV |
|
M7 Industria e Comercio e Compensados e Laminados Ltda |
89YW |
|
Madebil Madereira Bituruna Ltda |
89YX |
|
Madeiras Eulide |
89YZ |
|
Madeireira Belo Horizonte Ltda |
89ZA |
|
Madeireira Ek Ltda |
89ZB |
|
Madeireira Rio Claro Ltda |
89ZC |
|
Madeireira Rochembach Ltda |
89ZD |
|
Marini Industria de Compensados Ltda |
89ZE |
|
Mgs Industria de Compensados Ltda |
89ZF |
|
Multi Ply Wood do Brasil SA. |
89ZG |
|
Newply Madeiras Eireli |
89ZH |
|
Nobre Painéis Ltda |
89ZI |
|
Palmasola S/A Madeiras e Agricultura |
89ZJ |
|
Pinustan Industria e Comercio de Madeiras Ltda |
89ZK |
|
Placa Comercio de Madeiras e Compensados Ltda |
89ZL |
|
Miraluz Industria e Comércio de Madeiras Ltda |
89ZM |
|
Randa Portas, Molduras e Compensados Ltda |
89ZN |
|
Repinho Reflorestadora Madeiras e Compensados Ltda |
89ZO |
|
Rionile Madeiras Ltda |
89ZP |
|
Rodochapas Administradora de Bens Ltda |
89ZQ |
|
Senbra Industria e Comercio de Madeiras |
89ZR |
|
Somapar Sociedade Madereira Paranaense Ltda |
89ZS |
|
Tableros Indústria e Comércio de Painéis Ltda |
89ZT |
|
Top Pisos Industria de Artefatos de Madeiras Ltda |
89ZU |
|
VW Indústria e Comércio de Madeiras |
89ZV |
ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/2219/oj
ISSN 1977-0758 (electronic edition)