European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

L-serie


2025/2206

5.11.2025

RICHTLIJN (EU) 2025/2206 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 22 oktober 2025

tot wijziging van Richtlijn (EU) 2025/2205 wat betreft bepaalde rijontzeggingen

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 91, lid 1, punt c),

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De verbetering van de verkeersveiligheid is een primaire doelstelling van het verkeersbeleid van de Unie. In haar EU-beleidskader voor verkeersveiligheid 2021-2030 heeft de Commissie opnieuw de ambitieuze doelstelling onderschreven om tegen 2050 het aantal doden en zwaargewonden op de wegen van de Unie tot bijna nul terug te dringen (“Vision Zero”) en om op middellange termijn (tegen 2030) het aantal doden en zwaargewonden te halveren.

(2)

Met het oog op de verbetering van de verkeersveiligheid hebben de ministers van Vervoer van de lidstaten in de Verklaring van Valletta over verkeersveiligheid van 29 maart 2017 ertoe opgeroepen het rechtskader van de Unie inzake verkeersveiligheid te versterken en bijzondere aandacht te besteden aan de noodzaak van samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van rijontzeggingen voor niet-ingezeten bestuurders.

(3)

Als gevolg van het vrije verkeer van personen en de toename van het internationale wegverkeer worden rijontzeggingen vaak opgelegd door een andere lidstaat dan die waar de bestuurder zijn gewone verblijfplaats heeft of die welke het rijbewijs heeft afgegeven.

(4)

Momenteel kan een andere lidstaat dan de lidstaat waar de bestuurder zijn gewone verblijfplaats heeft of dan de lidstaat die het rijbewijs heeft afgegeven (de “lidstaat van afgifte”), overeenkomstig zijn nationale recht, maatregelen nemen tegen onrechtmatig gedrag op zijn grondgebied door de houder van een in een andere lidstaat verkregen rijbewijs. Die maatregelen resulteren in weigeringen om de geldigheid van door andere lidstaten afgegeven rijbewijzen te erkennen en bijgevolg in een beperking van de rijbevoegdheid van de betrokken persoon. De werkingssfeer van die maatregelen is echter beperkt tot het grondgebied van de lidstaat waar het onrechtmatig gedrag heeft plaatsgevonden en de gevolgen ervan zijn beperkt tot de weigering om de geldigheid van dat rijbewijs op dat grondgebied te erkennen. Als de lidstaat van afgifte geen actie onderneemt, blijft dit rijbewijs dan ook geldig in alle andere lidstaten. Een dergelijk scenario verhindert dat een hoger niveau van verkeersveiligheid in de Unie wordt bereikt. Bestuurders aan wie een rijontzegging is opgelegd in een andere lidstaat dan de lidstaat van afgifte, mogen niet aan de gevolgen van een dergelijke maatregel ontsnappen wanneer zij zich bevinden in een andere lidstaat dan de lidstaat waar de overtreding werd begaan (de “lidstaat van de overtreding”).

(5)

Om een hoog niveau van bescherming van alle weggebruikers in de Unie te waarborgen, moet worden voorzien in specifieke regels voor de tenuitvoerlegging van rijontzeggingen die zijn opgelegd door een andere lidstaat dan die welke het rijbewijs van de onder de rijontzegging vallende persoon heeft afgegeven, indien die rijontzeggingen het gevolg zijn van binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn vallende rijontzeggingsovertredingen.

(6)

De uitvoering van deze richtlijn mag echter geen harmonisatie vereisen van nationaalrechtelijke bepalingen betreffende de definitie van verkeersovertredingen, de juridische aard ervan en de mogelijke maatregelen als gevolg van die overtredingen. Meer bepaald moet de uitvoering van rijontzeggingen in de lidstaat van afgifte worden nagestreefd ongeacht of de lidstaat van de overtreding de nationale maatregelen als administratief dan wel strafrechtelijk aanmerkt. Overeenkomstig het beginsel van procedurele autonomie moeten de lidstaten, in overeenstemming met hun nationale recht, hun interne procedures vaststellen om deze richtlijn zo snel en efficiënt mogelijk uit te voeren.

(7)

Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan de regels inzake politiële en justitiële samenwerking in strafzaken en inzake de wederzijdse erkenning van daarmee verband houdende rechterlijke beslissingen. Zij mag evenmin afbreuk doen aan de mogelijkheid voor de rechterlijke autoriteiten van de lidstaten om beslissingen die zij hebben genomen, met name beslissingen van strafrechtelijke aard, ten uitvoer te leggen. De toepassing van deze richtlijn mag met name geen afbreuk doen aan de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de Kaderbesluiten 2005/214/JBZ (3) en 2008/947/JBZ (4) van de Raad, of de rechten van verdachten en beklaagden als bedoeld in de Richtlijnen 2010/64/EU (5), 2012/13/EU (6), 2013/48/EU (7), (EU) 2016/343 (8), (EU) 2016/800 (9) en (EU) 2016/1919 (10) van het Europees Parlement en de Raad.

(8)

Het doel van deze richtlijn is de Unie in staat te stellen de verkeersveiligheid in de hele Unie te verbeteren. Zoals het Hof van Justitie in zaak C-43/12 (11) heeft geoordeeld, maken maatregelen ter verbetering van de verkeersveiligheid deel uit van het vervoersbeleid en kunnen zij worden vastgesteld op basis van artikel 91, lid 1, punt c), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), voor zover het gaat om “maatregelen die de veiligheid van het vervoer kunnen verbeteren” in de zin van die bepaling.

(9)

Rijontzeggingen wegens rijontzeggingsovertredingen kunnen bestaan in de intrekking, schorsing of beperking van de rijbevoegdheid, van het rijbewijs of van de erkenning van de geldigheid van dat rijbewijs. Die rijontzeggingen moeten in de Unie derhalve worden uitgevoerd door toepassing van die intrekkingen, beperkingen of schorsingen door de lidstaat die het rijbewijs heeft afgegeven.

(10)

Het begaan van een overtreding is echter niet de enige omstandigheid die kan leiden tot een intrekking, schorsing of beperking van de rijbevoegdheid, van een rijbewijs of van de erkenning van de geldigheid van een rijbewijs. Ook andere omstandigheden, zoals het niet voldoen aan de minimumnormen van bijlage III bij Richtlijn (EU) 2025/2205 van het Europees Parlement en de Raad (12), kunnen leiden tot een dergelijke intrekking, schorsing of beperking. Aangezien Richtlijn (EU) 2025/2205 die minimumnormen reguleert, moet uit de definities met betrekking tot die termen duidelijk blijken dat zij gelden voor alle gevallen die resulteren in een dergelijke intrekking, schorsing of beperking en niet alleen voor die welke het gevolg zijn van het begaan van een overtreding.

(11)

Aangezien rijden onder invloed van drank, namelijk rijden onder invloed van alcohol, als gedefinieerd in het recht van de lidstaat van de overtreding, rijden onder invloed van drugs, en rijden met een te hoge snelheid, namelijk sneller rijden dan de maximumsnelheid die in de lidstaat van de overtreding geldt voor de weg of het voertuigtype in kwestie, de belangrijkste oorzaken zijn van verkeersongevallen en verkeersdoden in de Unie, moet de grootst mogelijke zorgvuldigheid worden toegepast op gevallen die verband houden met die overtredingen, die derhalve voor de toepassing van deze richtlijn moeten worden beschouwd als rijontzeggingsovertredingen. Bovendien moeten ook verkeersovertredingen die de dood of ernstig lichamelijk letsel van een slachtoffer tot gevolg hebben, gezien de ernst ervan, worden beschouwd als onder deze richtlijn vallende rijontzeggingsovertredingen. Het opleggen van een rijontzegging moet de exacte identificatie van de bestuurder die de rijontzeggingsovertreding heeft begaan, vereisen en mag niet worden opgelegd op basis van een objectieve aansprakelijkheid, zoals de houder zijn van het voertuig.

(12)

Rijontzeggingen hoeven overeenkomstig deze richtlijn alleen te worden meegedeeld aan de lidstaat van afgifte indien zij zijn opgelegd vanwege een in deze richtlijn gedefinieerde rijontzeggingsovertreding.

(13)

Rijontzeggingen die door een lidstaat worden opgelegd aan personen die houder zijn van een door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs, moeten op het volledige grondgebied van de Unie effecten sorteren die vergelijkbaar zijn met rijontzeggingen die worden opgelegd aan personen die houder zijn van een rijbewijs dat door de lidstaat die de rijontzegging oplegt, is afgegeven. In het licht van het beginsel van procedurele autonomie moeten de lidstaten vrij kunnen beslissen hoe zij die doelstelling het best kunnen verwezenlijken in overeenstemming met hun nationale recht.

(14)

De lidstaat van de overtreding moet de lidstaat van afgifte onverwijld kennisgeven van elke binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn vallende rijontzegging die wordt opgelegd voor een duur van minstens drie maanden en waarvoor de resterende schorsings- of beperkingsperiode op grond van die rijontzegging op het tijdstip van de kennisgeving meer dan één maand bedraagt, teneinde de nodige procedures op gang te brengen om de uitvoering van de rijontzegging in de lidstaat van afgifte te waarborgen. Een dergelijke kennisgeving moet in elektronische vorm worden verzonden door middel van een standaardcertificaat voor de kennisgeving van een rijontzegging (het “standaardrijontzeggingscertificaat”), teneinde een naadloze, betrouwbare en doeltreffende uitwisseling van informatie tussen de lidstaten te waarborgen.

(15)

Het standaardrijontzeggingscertificaat moet een minimumreeks gegevens bevatten die de correcte uitvoering van deze richtlijn mogelijk maken, en moet met name informatie bevatten over de autoriteit van de lidstaat van de overtreding die de rijontzegging heeft opgelegd, de begane rijontzeggingsovertreding, de daaruit voortvloeiende rijontzegging en de onder de rijontzegging vallende persoon. Daartoe moet de Commissie uit hoofde van deze richtlijn een gedelegeerde handeling vaststellen om de codes in deel E van bijlage I bij Richtlijn (EU) 2025/2205 te actualiseren teneinde ervoor te zorgen dat die codes ruim voor de uiterste datum voor omzetting van deze richtlijn beschikbaar zijn. Het gebruik van het standaardrijontzeggingscertificaat zal een doeltreffende uitwisseling van informatie waarborgen zonder dat de lidstaten verplicht worden een onevenredige of buitensporige hoeveelheid informatie te delen.

(16)

Het standaardrijontzeggingscertificaat moet ook worden vertaald in een officiële taal van de instellingen van de Unie die een officiële taal is van de lidstaat van afgifte of in een andere officiële taal van de instellingen van de Unie die door de lidstaat van afgifte is aanvaard, zodat het snel kan worden verwerkt door de geadresseerde.

(17)

Het opleggen van rijontzeggingen als reactie op onrechtmatig gedrag draagt bij tot het waarborgen van een hoog niveau van verkeersveiligheid in de Unie. Op basis van het beginsel van wederzijdse erkenning van in de lidstaten afgegeven rijbewijzen moet het mogelijk zijn dat maatregelen betreffende de intrekking, schorsing of beperking van een door de lidstaat van afgifte afgegeven rijbewijs automatisch door alle andere lidstaten worden gehandhaafd, aangezien de onder de rijontzegging vallende persoon geen geldig document kan overleggen om zijn of haar rijbevoegdheid te staven. Daarom moet de lidstaat van afgifte, na kennisgeving van de opgelegde rijontzegging, en tenzij een vrijstellingsgrond van toepassing is of wordt ingeroepen, passende maatregelen nemen om de rijontzegging ten uitvoer te leggen.

(18)

De maatregel die door de lidstaat van afgifte wordt genomen, moet variëren naargelang de specifieke aard van de rijontzegging. Aangezien intrekkingen, schorsingen of beperkingen noodzakelijkerwijs verschillende gevolgen hebben, moeten daarvoor verschillende procedures worden toegepast overeenkomstig de bevoegdheden van de betrokken lidstaten. Wat intrekking betreft, moet de onder de rijontzegging vallende persoon zijn of haar rijbewijs kunnen terugkrijgen of een nieuw rijbewijs kunnen aanvragen overeenkomstig Richtlijn (EU) 2025/2205. Als de lidstaat van afgifte niet voorziet in de mogelijkheid om een rijbewijs in te trekken, moet de lidstaat van afgifte het rijbewijs schorsen, de rijgeschiktheid of rijvaardigheid van de houder van dat rijbewijs beoordelen en daarna alle op basis van die beoordeling passend geachte maatregelen nemen. In geval van een schorsing of beperking moet ervoor worden gezorgd dat alleen de duur van die maatregelen ten uitvoer worden gelegd, zelfs wanneer de rijontzegging in aanvullende voorwaarden voorziet, omdat het hoofddoel van die schorsing of beperking is om de onder de rijontzegging vallende persoon tijdelijk of gedeeltelijk te beletten te rijden en niet om te bepalen hoe die persoon zijn of haar rijbewijs moet terugkrijgen. Een en ander doet geen afbreuk aan het recht om te beoordelen of een onder de rijontzegging vallende persoon een risico vormt voor de verkeersveiligheid en om op basis van die beoordeling passende maatregelen te nemen.

(19)

De lidstaat van afgifte moet ernaar streven ervoor te zorgen dat, binnen de bestaande wettelijke grenzen van het nationale recht, de genomen maatregelen met betrekking tot rijontzeggingen zo veel mogelijk zijn afgestemd op de door de lidstaat van de overtreding opgelegde maatregelen.

(20)

Wanneer een lidstaat van de overtreding een rijontzegging oplegt aan een persoon die zijn of haar gewone verblijfplaats in die lidstaat heeft, maar in het bezit is van een door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs, heeft de lidstaat van de overtreding het recht om het rijbewijs om te wisselen met het oog op de toepassing van die rijontzegging. Wanneer een lidstaat van de overtreding het rijbewijs intrekt van een persoon die zijn of haar gewone verblijfplaats in een andere lidstaat heeft dan de lidstaat van afgifte, moet de verantwoordelijkheid voor de afgifte van een nieuw rijbewijs berusten bij de lidstaat van gewone verblijfplaats, rekening houdend met de informatie die de lidstaat van afgifte heeft opgenomen in artikel 15, lid 1, van Richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad (13) bedoelde EU-rijbewijzennetwerk.

(21)

De lidstaat van de overtreding moet, overeenkomstig zijn nationale recht en voor zover de gevolgen beperkt blijven tot zijn grondgebied, rijontzeggingen en alle daarmee samenhangende aanvullende voorwaarden kunnen blijven toepassen tot de onder de rijontzegging vallende persoon aan die voorwaarden voldoet. Daarnaast moet de lidstaat van de overtreding eisen betreffende het verstrijken van een vaste termijn kunnen opleggen, zoals een termijn waarin het de onder de rijontzegging vallende bestuurder verboden is het bestaande rijbewijs terug te krijgen of een nieuw rijbewijs aan te vragen (“verbodstermijn”), en die eisen mogen voor de toepassing van deze richtlijn niet als aanvullende voorwaarden worden beschouwd. Zolang die termijn loopt, moet de lidstaat van de overtreding kunnen beslissen de geldigheid van het in de lidstaat van afgifte teruggekregen of nieuw verkregen rijbewijs niet te erkennen. Na het verstrijken van die verbodstermijn moet de lidstaat van de overtreding de geldigheid van een door de lidstaat van afgifte afgegeven rijbewijs echter erkennen, ook al is dat tijdens die verbodstermijn afgegeven.

(22)

Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan de bepalingen van Richtlijn (EU) 2025/2205 op grond waarvan een rijbewijs als ongeldig verklaard, ingetrokken, geschorst of beperkt moet worden beschouwd zolang de onder de rijontzegging vallende persoon niet aan alle door de lidstaat van afgifte opgelegde voorwaarden voldoet waaraan die persoon moet voldoen om het rijbewijs terug te kunnen krijgen of een nieuw rijbewijs te kunnen aanvragen. Indien een rijbewijs ten onrechte is afgegeven aan een aanvrager die nog niet aan die voorwaarden voldoet, moeten de lidstaten de erkenning daarvan kunnen weigeren, ook na het verstrijken van een verbodstermijn.

(23)

Indien de lidstaat van afgifte maatregelen heeft genomen om de rijontzegging uit te voeren en vervolgens opnieuw heeft beoordeeld of de onder de rijontzegging vallende persoon in aanmerking komt om zijn of haar rijbewijs terug te krijgen, moet die beoordeling in de hele Unie worden erkend en bijgevolg ook in de lidstaat van de overtreding, mits de door de lidstaat van de overtreding als onderdeel van de rijontzegging opgelegde vaste termijn is verstreken.

(24)

De toepassing van maatregelen door de lidstaat van afgifte moet tot doel hebben ervoor te zorgen dat een rijontzegging wordt uitgevoerd en mag geen nieuwe beoordeling vereisen van de feiten die tot de rijontzegging hebben geleid.

(25)

Om te waarborgen dat de uitvoering van een rijontzegging niet indruist tegen het evenredigheidsbeginsel, de grondrechten of de uitzonderingen waarin het recht van de lidstaat van afgifte voorziet, moeten bepaalde gronden worden vastgesteld die de lidstaat van afgifte vrijstellen van de verplichting om maatregelen te nemen. Met betrekking tot de niet-verplichte vrijstellingsgronden moeten de lidstaten kunnen beslissen dat deze systematisch door de bevoegde autoriteit moeten worden beoordeeld dan wel alleen als er een gegronde reden is om aan te nemen dat dergelijke gronden van toepassing zijn. Een onder een rijontzegging vallende persoon moet steeds de mogelijkheid hebben om een rechtsmiddel aan te wenden tegen de beoordeling en de toepassing van de vrijstellingsgronden door de lidstaat van afgifte, overeenkomstig het recht van die lidstaat.

(26)

Bovendien ondersteunt de digitalisering van de verkeersregels realtimeverkeersinformatiediensten, hetgeen rechtmatig gedrag in de hand werkt en bestuurders in de gelegenheid stelt de nationale verkeersregels na te leven, ook in het buitenland. Richtlijn 2010/40/EU van het Europees Parlement en de Raad (14) schrijft voor dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat er uiterlijk op 31 december 2028, onder bepaalde voorwaarden, via nationale toegangspunten statische en dynamische gegevens wat betreft de voor het uitgebreide trans-Europese wegennet, andere snelwegen en gedeelten van hoofdwegen, en voor steden in het centrum van stedelijke knooppunten geldende snelheidsbeperkingen beschikbaar en toegankelijk zijn. In Richtlijn 2010/40/EU worden de lidstaten er ook toe aangemoedigd gegevens over snelheidsbeperkingen voor andere gedeelten van hun wegennet toegankelijk te maken. De richtlijn bevat een herzieningsclausule op basis waarvan de Commissie onder meer de vooruitgang moet herzien die is geboekt met betrekking tot de beschikbaarheid en toegankelijkheid van gegevens en, in voorkomend geval, uiterlijk op 31 december 2028 een voorstel moet indienen voor de aanpassing van de geografische dekking van bepaalde gegevenstypen die van cruciaal belang worden geacht.

(27)

In het belang van de verkeersveiligheid en om de onder een rijontzegging vallende persoon en de lidstaat van de overtreding rechtszekerheid te bieden, moet de lidstaat van afgifte de rijontzegging of een vrijstellingsgrond zonder onnodige vertraging uitvoeren respectievelijk toepassen, en in ieder geval uiterlijk binnen de eventuele in het nationale recht vastgelegde termijnen waarbinnen een rijontzegging kan worden opgelegd. De lidstaat van afgifte moet de lidstaat van de overtreding in kennis stellen van eventuele vertragingen.

(28)

Een goede uitvoering van deze richtlijn vereist nauwe, snelle en doeltreffende communicatie tussen de betrokken bevoegde nationale autoriteiten. Alle communicatie tussen de lidstaat van de overtreding en de lidstaat van afgifte teneinde een rijontzegging uit te voeren, moet via het in artikel 15, lid 1, van Richtlijn 2006/126/EG bedoelde EU-rijbewijzennetwerk verlopen, en de Commissie moet ervoor zorgen dat dat netwerk over de nodige middelen beschikt om die taak uit te voeren. Bovendien moeten zowel de lidstaat van afgifte als de lidstaat van de overtreding in specifieke welomschreven gevallen onverwijld belangrijke informatie uitwisselen met betrekking tot de toepassing van deze richtlijn. De bevoegde nationale autoriteiten van de betrokken lidstaten moeten daarom met elkaar overleggen telkens wanneer dat nodig is voor de uitvoering van deze richtlijn, ook met betrekking tot: de vaststelling van maatregelen tot uitvoering van rijontzeggingen; besluiten over vrijstellingsgronden; de beëindiging van rijontzeggingen; en elke omstandigheid die van invloed is op de oorspronkelijk opgelegde rijontzeggingen, zoals de herziening door de nationale autoriteiten van de oorspronkelijk door de lidstaat van de overtreding opgelegde rijontzegging of het voldoen aan de aanvullende voorwaarden door de onder de rijontzegging vallende persoon in de lidstaat van de overtreding.

(29)

De lidstaat van afgifte moet de persoon aan wie een rijontzegging is opgelegd door de lidstaat van de overtreding voor zover mogelijk uiterlijk 20 werkdagen na ontvangst van de kennisgeving in kennis stellen van de opgelegde rijontzegging volgens de procedures van zijn nationale recht.

(30)

Na uitvoering van de rijontzegging moet de lidstaat van afgifte de onder de rijontzegging vallende persoon, binnen de voor de kennisgeving of soortgelijke besluiten uit hoofde van zijn nationale recht bepaalde termijnen, in kennis stellen van de genomen maatregelen om die rijontzegging uit te voeren, met name met het oog op de uitoefening van grondrechten.

(31)

De lidstaten moeten ervoor zorgen dat met betrekking tot op grond van deze richtlijn genomen besluiten passende rechtsmiddelen voorhanden zijn en dat tijdig informatie over die rechtsmiddelen wordt verstrekt zodat ze doeltreffend kunnen worden uitgeoefend. Het mag echter niet mogelijk zijn een door de lidstaat van de overtreding opgelegde rijontzegging te betwisten middels een rechtsgeding in de lidstaat van afgifte.

(32)

De bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van hun persoonsgegevens is een grondrecht. Krachtens artikel 8, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 16, lid 1, VWEU hebben personen recht op bescherming van hun persoonsgegevens. De relevante wetgevingshandelingen van de Unie, namelijk Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad (15) en Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad (16), moet van toepassing zijn op de verwerking van persoonsgegevens in het kader van deze richtlijn, overeenkomstig het respectieve toepassingsgebied ervan.

(33)

Deze richtlijn stelt de rechtsgrondslag vast voor de uitwisseling van persoonsgegevens met het oog op de uitvoering van door een andere lidstaat dan de lidstaat van afgifte opgelegde rijontzeggingen. Die rechtsgrondslag strookt met Verordening (EU) 2016/679 en Richtlijn (EU) 2016/680. De met de lidstaat van afgifte uit te wisselen persoonsgegevens moeten beperkt blijven tot wat nodig is om te voldoen aan de verplichtingen van deze richtlijn.

(34)

Om de naadloze, betrouwbare en doeltreffende uitwisseling van informatie te waarborgen, moeten alle lidstaten voor de toepassing van deze richtlijn één of meer nationale contactpunten aanwijzen. De lidstaten moeten er voorts voor zorgen dat hun respectieve nationale contactpunten samenwerken met de autoriteiten die bevoegd zijn voor de handhaving van de onder deze richtlijn vallende rijontzeggingen, met name om ervoor te zorgen dat alle nodige informatie tijdig wordt gedeeld.

(35)

De lidstaten moeten één of meer nationale contactpunten en bevoegde autoriteiten kunnen belasten met de taken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de richtlijn, en moeten de regels kunnen vastleggen voor de samenwerking tussen die nationale entiteiten teneinde de efficiënte uitvoering van de richtlijn te faciliteren.

(36)

In het belang van een doeltreffende handhaving van rijontzeggingen moeten de lidstaten erop toezien dat de bevoegde autoriteiten de rijbevoegdheid controleren, met name indien er twijfel is of aan de betrokken bestuurder een rijontzegging is opgelegd, met name in gevallen waarin fysieke rijbewijzen niet worden ingeleverd.

(37)

De lidstaten moeten regelmatig statistieken over de toepassing van deze richtlijn verzamelen en toezenden aan de Commissie, voor het eerst vier jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn en vervolgens om de vijf jaar.

(38)

Nationale strafpuntenregelingen, waarbij houders van een rijbewijs punten verliezen indien zij bepaalde verkeersovertredingen begaan of punten krijgen indien zij er geen begaan, worden niet behandeld door deze richtlijn. De lidstaten hanteren verschillende benaderingen, zoals onmiddellijk strengere maatregelen opleggen of meer werk maken van gerichte handhavings- en preventiecampagnes. Wanneer de Commissie deze richtlijn herziet, moet zij beoordelen hoe de verkeersveiligheid kan worden verbeterd en de lidstaten kunnen worden geholpen om diverse uitdagingen aan te pakken, zonder daarbij voorrang te geven aan een specifieke benadering.

(39)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze richtlijn, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend om het model en de inhoud van het standaardrijontzeggingscertificaat vast te stellen. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (17).

(40)

Daar de doelstelling van deze richtlijn, namelijk om de verkeersveiligheid in de hele Unie te verbeteren door te voorzien in de kennisgeving en tenuitvoerlegging van een rijontzegging die is opgelegd naar aanleiding van een onder deze richtlijn vallende rijontzeggingsovertreding in een andere lidstaat dan de lidstaat van afgifte of de lidstaat van gewone verblijfplaats, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen van deze richtlijn beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.

(41)

Richtlijn (EU) 2025/2205 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(42)

Overeenkomstig artikel 42, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad (18) is de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming geraadpleegd, en op 14 juni 2023 heeft hij advies uitgebracht,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen van Richtlijn (EU) 2025/2205

Richtlijn (EU) 2025/2205 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Aan artikel 1, lid 1, wordt het volgende punt toegevoegd:

“e)

kennisgeving en tenuitvoerlegging van een rijontzegging die is opgelegd naar aanleiding van een rijontzeggingsovertreding in een andere lidstaat dan de lidstaat van afgifte of de lidstaat van gewone verblijfplaats.”.

2)

Aan artikel 2 worden de volgende punten toegevoegd:

“15)

“rijontzegging”: de ongeldigverklaring, intrekking, schorsing of beperking van de rijbevoegdheid van een bestuurder van een gemotoriseerd voertuig, van zijn of haar rijbewijs of van de erkenning van de geldigheid van zijn of haar rijbewijs op grond van een uitvoerbaar geworden beslissing van een bevoegde autoriteit, ongeacht of de ongeldigverklaring, intrekking, schorsing of beperking als een administratieve dan wel strafrechtelijke maatregel kan worden aangemerkt en ongeacht of het een primaire, secundaire of aanvullende sanctie dan wel een veiligheidsmaatregel betreft;

16)

“ongeldigverklaring”: de ongeldigverklaring van de rijbevoegdheid, van het rijbewijs of van de erkenning van het rijbewijs, om administratieve redenen, zoals het niet hebben voldaan aan de criteria om een rijbewijs te verkrijgen of het rijbewijs op frauduleuze wijze hebben verkregen, overeenkomstig het nationale recht van de lidstaat die de rijbevoegdheid, het rijbewijs of de erkenning van het rijbewijs ongeldig verklaart;

17)

“intrekking”: de intrekking van de rijbevoegdheid, van het rijbewijs of van de erkenning van de geldigheid van het rijbewijs, wegens het begaan van een overtreding, overeenkomstig het nationale recht van de lidstaat van de overtreding of, indien de rijbevoegdheid, het rijbewijs of de erkenning van de geldigheid van het rijbewijs om een andere reden wordt ingetrokken, van de lidstaat die de rijbevoegdheid, het rijbewijs of de erkenning van de geldigheid van het rijbewijs intrekt;

18)

“schorsing”: de tijdelijke beperking van de rijbevoegdheid, van het rijbewijs of van de erkenning van de geldigheid van het rijbewijs, hetzij voor een vaste termijn, hetzij voor een combinatie van een vaste termijn en tot is voldaan aan aanvullende voorwaarden, wegens het begaan van een overtreding, overeenkomstig het nationale recht van de lidstaat van de overtreding of, indien de geldigheid van de rijbevoegdheid, het rijbewijs of de erkenning van de geldigheid van het rijbewijs om een andere reden tijdelijk wordt beperkt, van de lidstaat die de rijbevoegdheid, het rijbewijs of de erkenning van de geldigheid van het rijbewijs schorst;

19)

“beperking”: de gedeeltelijke beperking van de rijbevoegdheid, van het rijbewijs of van de erkenning van de geldigheid van het rijbewijs, hetzij voor een vaste termijn of tot is voldaan aan aanvullende voorwaarden, hetzij voor een combinatie van een vaste termijn en tot is voldaan aan aanvullende voorwaarden, wegens het begaan van een overtreding, overeenkomstig het nationale recht van de lidstaat van de overtreding of, indien de rijbevoegdheid, het rijbewijs of de erkenning van de geldigheid van het rijbewijs om een andere reden gedeeltelijk wordt beperkt, van de lidstaat die de rijbevoegdheid, het rijbewijs of de erkenning van de geldigheid van het rijbewijs beperkt;

20)

“aanvullende voorwaarden”: andere voorwaarden dan het verstrijken van een vaste termijn waaraan een onder een rijontzegging vallende persoon moet voldoen om de rijbevoegdheid of zijn of haar rijbewijs terug te krijgen of om de erkenning van de geldigheid van zijn of haar rijbewijs terug te krijgen, dan wel kan voldoen om dat te faciliteren;

21)

“lidstaat van de overtreding”: de lidstaat waar de overtreding is begaan;

22)

“lidstaat van afgifte”: de lidstaat die het rijbewijs heeft afgegeven;

23)

“rijontzeggingsovertreding”: een van de volgende verkeersveiligheidsgerelateerde verkeersovertredingen:

a)

rijden onder invloed van drank, zoals gedefinieerd in artikel 3, punt g), van Richtlijn (EU) 2015/413 van het Europees Parlement en de Raad (*1);

b)

rijden onder invloed van drugs, zoals gedefinieerd in artikel 3, punt h), van Richtlijn (EU) 2015/413;

c)

rijden met een te hoge snelheid, zoals gedefinieerd in artikel 3, punt d), van Richtlijn (EU) 2015/413;

d)

gedragingen die in strijd zijn met de verkeersregels en waarbij met een gemotoriseerd voertuig de dood of ernstig lichamelijk letsel van een andere persoon wordt veroorzaakt, zoals gedefinieerd in het nationale recht van de lidstaat van de overtreding.

(*1)  Richtlijn (EU) 2015/413 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2015 ter facilitering van de grensoverschrijdende uitwisseling van informatie en wederzijdse bijstand over verkeersveiligheidsgerelateerde verkeersovertredingen (PB L 68 van 13.3.2015, blz. 9, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2015/413/oj).”."

3)

De volgende artikelen worden ingevoegd:

“Artikel 15 bis

Verplichting tot kennisgeving van rijontzeggingen

1.   De lidstaat van de overtreding geeft, indien nodig, nadat is gecontroleerd dat de onder de rijontzegging vallende persoon zijn of haar gewone verblijfplaats niet op zijn grondgebied heeft en geen houder is van een door die lidstaat afgegeven rijbewijs, de lidstaat van afgifte zonder onnodige vertraging kennis van de rijontzegging, voor zover aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de rijontzegging behelst een intrekking, schorsing of beperking van de rijbevoegdheid, van het rijbewijs of van de erkenning van de geldigheid van het rijbewijs;

b)

de rijontzegging werd overeenkomstig het nationale recht van de lidstaat van de overtreding opgelegd wegens het begaan van een rijontzeggingsovertreding;

c)

tegen het rijontzeggingsbesluit is geen beroep meer mogelijk in de lidstaat van de overtreding;

d)

indien de rijontzegging voor een vaste termijn wordt opgelegd, bedraagt die termijn ten minste drie maanden;

e)

op het moment van kennisgeving bedraagt de resterende schorsings- of beperkingsperiode die krachtens de rijontzegging in acht moet worden genomen nog meer dan één maand; en

f)

de onder de rijontzegging vallende persoon is geïdentificeerd als de bestuurder die de rijontzeggingsovertreding heeft begaan.

2.   De in lid 1 bedoelde kennisgeving wordt gedaan volgens de procedure in de leden 3 en 4.

3.   Het standaardcertificaat voor de kennisgeving van een rijontzegging (het “standaardrijontzeggingscertificaat”) wordt door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van de overtreding ingevuld, ondertekend en toegezonden aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van afgifte overeenkomstig artikel 22, lid 3 bis. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van de overtreding zendt tevens het rijontzeggingsbesluiten, indien de bestuurder dat heeft afgegeven, het rijbewijs van de onder de rijontzegging vallende persoon toe aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van afgifte.

4.   Het standaardrijontzeggingscertificaat wordt in elektronische vorm verzonden. In dat certificaat is ten minste de volgende informatie op een gestructureerde wijze opgenomen:

a)

de naam, het postadres, het e-mailadres en het telefoonnummer van de bevoegde autoriteit die de rijontzegging heeft opgelegd in de lidstaat van de overtreding;

b)

het type rijontzeggingsovertreding;

c)

een beschrijving van de feiten die tot de rijontzegging hebben geleid;

d)

de toepasselijke wettelijke bepalingen in de lidstaat van de overtreding;

e)

in voorkomend geval, de methode die is gebruikt om de rijontzeggingsovertreding vast te stellen en de resultaten van de relevante metingen op het moment waarop die overtreding werd begaan;

f)

de volgende gegevens in verband met de onder de rijontzegging vallende persoon: naam; adres dat door de lidstaat van de overtreding wordt gebruikt voor de communicatie; nummer van het rijbewijs; indien nodig, het nationaal identificatienummer; en, indien beschikbaar, het nummer van de bestuurder;

g)

de precieze reikwijdte, inhoud en duur van de rijontzegging, met inbegrip van, indien van toepassing, de datum waarop de rijontzeggingsprocedure is begonnen, de datum waarop de schorsing of beperking afloopt, de in deel E van bijlage I genoemde codes en eventuele door de lidstaat van de overtreding opgelegde aanvullende voorwaarden;

h)

de termijn in dagen dat de rijontzegging reeds loopt in de lidstaat van de overtreding, indien van toepassing;

i)

indien van toepassing, de eventuele in de lidstaat van de overtreding geldende verbodstermijn om het bestaande rijbewijs terug te krijgen of een nieuw rijbewijs aan te vragen; en

j)

melding of de onder de rijontzegging vallende persoon in kennis is gesteld van de rijontzegging door de lidstaat van de overtreding, of de onder de rijontzegging vallende persoon in de lidstaat van de overtreding beroep heeft ingesteld tegen het rijontzeggingsbesluit en of de onder de rijontzegging vallende persoon in de beroepsprocedure werd vertegenwoordigd.

5.   Ten minste zes maanden voor de datum van omzetting legt de Commissie in een uitvoeringshandeling het volgende vast:

a)

het model en de inhoud van het standaardrijontzeggingscertificaat; en

b)

het model voor de uit hoofde van de artikelen 15 septies en 15 octies te verstrekken informatie.

De in de eerste alinea van dit lid bedoelde uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 26, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 15 ter

Specificaties betreffende de taal van het standaardrijontzeggingscertificaat

1.   Het standaardrijontzeggingscertificaat wordt toegezonden in een officiële taal van de instellingen van de Unie die ook een officiële taal van de lidstaat van afgifte is, of in een andere officiële taal van de instellingen van de Unie die de lidstaat van afgifte overeenkomstig lid 2 heeft aanvaard.

2.   Elke lidstaat kan te allen tijde in een bij de Commissie ingediende verklaring meedelen dat hij standaardrijontzeggingscertificaten aanvaardt in één of meer officiële talen van de instellingen van de Unie die geen officiële taal van de lidstaat van afgifte zijn. De betrokken lidstaat kan een dergelijke verklaring te allen tijde wijzigen of intrekken. De Commissie stelt die informatie ter beschikking van alle lidstaten, onder meer in het EU-rijbewijzennetwerk, teneinde kennisgeving door de lidstaten te vergemakkelijken.

3.   De lidstaat van de overtreding is niet verplicht het rijontzeggingsbesluit te vertalen.

Artikel 15 quater

Verplichting voor de lidstaat van afgifte om een door de lidstaat van de overtreding opgelegde rijontzegging uit te voeren

1.   De lidstaat van afgifte zorgt ervoor dat zijn bevoegde autoriteiten de bevoegdheid hebben om een intrekking, schorsing of beperking van het rijbewijs op grond van een hun overeenkomstig artikel 15 bis ter kennis gebrachte rijontzegging uit te voeren.

2.   Onverminderd de in artikel 15 sexies vervatte vrijstellingsgronden zorgt de lidstaat van afgifte ervoor dat zijn bevoegde autoriteiten, wanneer zij overeenkomstig artikel 15 bis een standaardrijontzeggingscertificaat ontvangen, het rijbewijs overeenkomstig de procedure van artikel 15 quinquies intrekken, schorsen of beperken.

Artikel 15 quinquies

Uitvoering van een aan de lidstaat van afgifte ter kennis gebrachte rijontzegging

1.   Indien de rijontzegging bestaat in een intrekking in de lidstaat van de overtreding, moet de lidstaat van afgifte:

a)

maatregelen nemen die leiden tot:

i)

de intrekking van het rijbewijs van de onder de rijontzegging vallende persoon; of

ii)

de schorsing van het rijbewijs gedurende de termijn die in het nationale recht van de lidstaat van afgifte is vastgesteld voor dat type rijontzeggingsovertreding, een beoordeling van de rijgeschiktheid of rijvaardigheid van de bestuurder en elke actie die op basis van die beoordeling passend wordt geacht, indien het nationale recht van de lidstaat van afgifte niet in de intrekking voorziet;

b)

rekening houden, voor zover verenigbaar met zijn nationale recht, met de aanvullende voorwaarden die de onder de rijontzegging vallende persoon moet vervullen en die reeds zijn vervuld in de lidstaat van de overtreding; en

c)

de op grond van punt a) van deze alinea genomen maatregelen registreren in zijn nationale rijbewijzenregister ten behoeve van de openbaarmaking van die informatie overeenkomstig artikel 22, lid 3 bis.

In geval van intrekking kan de onder de rijontzegging vallende persoon zijn of haar rijbewijs terugkrijgen of een nieuw rijbewijs aanvragen overeenkomstig de artikelen 10, 16 en 20.

2.   Indien de rijontzegging bestaat in een schorsing of beperking, moet de lidstaat van afgifte:

a)

het rijbewijs van de onder de rijontzegging vallende persoon, naargelang het geval, schorsen of beperken tot de datum waarop de door de lidstaat van de overtreding opgelegde en ter kennis gebrachte schorsing of beperking afloopt of voor een periode die overeenkomt met de door de lidstaat van afgifte toegepaste termijn voor dat type rijontzeggingsovertreding als die termijn korter is dan de door de lidstaat van de overtreding opgelegde termijn;

b)

de genomen maatregel registreren in zijn nationale rijbewijzenregister en die informatie delen overeenkomstig artikel 22, lid 3 bis;

c)

alleen rekening houden met de vaste termijn indien een door de lidstaat van de overtreding opgelegde en ter kennis gebrachte schorsing of beperking afhankelijk is van zowel het verstrijken van een vaste termijn als van de vervulling van aanvullende voorwaarden; en

d)

rekening houden met eventuele door de lidstaat van de overtreding opgelegde en ter kennis gebrachte beperkingen, voor zover de aard van die beperkingen verenigbaar is met het recht van de lidstaat van afgifte.

3.   Onverminderd de in artikel 15 sexies, lid 1, punt a), genoemde vrijstellingsgrond is de lidstaat van afgifte bij de vaststelling van maatregelen uit hoofde van dit artikel gebonden aan en moet hij vertrouwen op de door de lidstaat van de overtreding overeenkomstig artikel 15 bis meegedeelde informatie en feiten.

4.   De lidstaat van afgifte neemt de in dit artikel bedoelde maatregelen of stelt een besluit vast dat op grond van artikel 15 sexies een vrijstellingsgrond van toepassing is, zonder onnodige vertraging en hoe dan ook binnen de eventuele in het nationale recht vastgelegde termijnen voor het opleggen van rijontzeggingen.

5.   Niets in deze richtlijn belet de lidstaat van de overtreding om:

a)

de geldigheid van een teruggekregen of nieuw verkregen rijbewijs niet te erkennen, gedurende de in de lidstaat van de overtreding geldende verbodstermijn om het bestaande rijbewijs terug te krijgen of een nieuw rijbewijs aan te vragen; en

b)

op zijn grondgebied de rijontzegging voor de volledige duur ervan te handhaven, in overeenstemming met zijn nationale recht en op voorwaarde dat aan de volgende voorwaarden is voldaan:

i)

wanneer de rijontzegging met aanvullende voorwaarden ter kennis is gebracht van de lidstaat van afgifte overeenkomstig artikel 15 bis, kan de lidstaat van de overtreding die ontzegging op zijn grondgebied blijven toepassen totdat de onder de rijontzegging vallende persoon aan die voorwaarden voldoet; in dat geval vermeldt de lidstaat van de overtreding door middel van het EU-rijbewijzennetwerk de datum waarop de onder de rijontzegging vallende persoon de aanvullende voorwaarden heeft vervuld;

ii)

wanneer de lidstaat van afgifte heeft geoordeeld dat de onder de rijontzegging vallende persoon voldoet aan de in de lidstaat van afgifte geldende voorwaarden voor het terugkrijgen van zijn of haar rijbewijs of om een nieuw rijbewijs te kunnen aanvragen, gaat de lidstaat van de overtreding ervan uit dat voldaan is aan de aanvullende voorwaarden die aan een overeenkomstig artikel 15 bis meegedeelde rijontzegging zijn gekoppeld; in dat geval vermeldt de lidstaat van afgifte door middel van het EU-rijbewijzennetwerk de datum waarop de onder de rijontzegging vallende persoon geacht wordt aan de toepasselijke voorwaarden te hebben voldaan.

6.   Deze richtlijn belet de lidstaat van afgifte geenszins om de rijgeschiktheid of rijvaardigheid van de houder van het rijbewijs te beoordelen en na die beoordeling passend geachte maatregelen te nemen overeenkomstig zijn nationale recht, rekening houdend met de door de lidstaat van de overtreding genomen maatregelen, indien er gronden zijn om aan te nemen dat de rijgeschiktheid of rijvaardigheid van de houder van het rijbewijs een bedreiging vormt voor de verkeersveiligheid.

Artikel 15 sexies

Vrijstellingsgronden

1.   De lidstaat van afgifte neemt de in artikel 15 quinquies, leden 1 en 2, bedoelde maatregelen niet wanneer:

a)

het standaardrijontzeggingscertificaat onvolledig of kennelijk onjuist is en de ontbrekende of de juiste informatie, naargelang het geval, niet overeenkomstig lid 3 van dit artikel is verstrekt;

b)

op basis van de door de lidstaat van de overtreding overeenkomstig artikel 15 septies, lid 2, punt b), verstrekte informatie wordt vastgesteld dat de rijontzegging in de lidstaat van de overtreding reeds zou zijn verstreken op de datum waarop de in artikel 15 quinquies, lid 1 of 2, bedoelde maatregelen door de lidstaat van afgifte zouden worden genomen.

2.   De lidstaat van afgifte kan overeenkomstig zijn nationale recht ook de volgende vrijstellingsgronden toepassen:

a)

de rijontzegging is opgelegd vanwege een rijontzeggingsovertreding die, op basis van de overeenkomstig artikel 15 bis verstrekte informatie, op grond van het nationale recht van de lidstaat van afgifte niet zou worden bestraft met een rijontzegging;

b)

de rijontzegging werd uitsluitend opgelegd wegens rijden met een te hoge snelheid en de toepasselijke snelheidsbeperking in de lidstaat van de overtreding werd met minder dan 50 km per uur overschreden;

c)

de rijontzegging is verjaard overeenkomstig het recht van de lidstaat van afgifte;

d)

het recht van de lidstaat van afgifte voorziet in een immuniteit of voorrecht, op grond waarvan de rijontzegging niet kan worden uitgevoerd;

e)

er zijn zwaarwegende gronden om aan te nemen dat de grondrechten of juridische grondbeginselen zoals verankerd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie waarschijnlijk zullen worden geschonden; of

f)

het rijbewijs waarop de kennisgeving betrekking heeft, is reeds onderworpen aan in artikel 15 quinquies, lid 1 of 2 bedoelde maatregelen, die op basis van een andere eerdere kennisgeving zijn genomen en die een langere looptijd hebben.

3.   De lidstaat van afgifte mag om alle nodige informatie verzoeken teneinde te onderzoeken of een van de in de lid 1 of 2 bedoelde vrijstellingsgronden van toepassing is. De lidstaat van de overtreding verstrekt de gevraagde informatie onverwijld en kan alle aanvullende informatie of opmerkingen verstrekken die hij relevant acht.

De uit hoofde van dit lid verstrekte informatie omvat geen andere persoonsgegevens dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor de toepassing van de leden 1 en 2 en wordt uitsluitend gebruikt voor de toepassing van die leden.

Artikel 15 septies

Tussen de lidstaten uit te wisselen informatie bij de uitvoering van een door een andere lidstaat dan de lidstaat van afgifte opgelegde rijontzegging

1.   De bevoegde autoriteit van de lidstaat van afgifte stelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van de overtreding op een gestructureerde en in elektronische vorm overeenkomstig artikel 22, lid 3 bis, onverwijld in kennis van de uit hoofde van artikel 15 quinquies genomen maatregelen of van het besluit dat een vrijstellingsgrond van toepassing is op grond van artikel 15 sexies, met vermelding van de motivering voor dat besluit.

2.   Indien van toepassing stelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van de overtreding de bevoegde autoriteit van de lidstaat van afgifte onverwijld in kennis van:

a)

elke omstandigheid die van invloed is op de opgelegde rijontzegging;

b)

het einde van de rijontzegging in de lidstaat van de overtreding.

Artikel 15 octies

Informatie die moet worden verstrekt aan de onder de rijontzegging vallende persoon door een andere lidstaat dan de lidstaat van afgifte, en beschikbare rechtsmiddelen

1.   De lidstaat van afgifte stelt de onder de rijontzegging vallende persoon in kennis van een uit hoofde van artikel 15 bis ontvangen kennisgeving, voor zover mogelijk uiterlijk 20 werkdagen na ontvangst ervan, overeenkomstig de procedures waarin zijn nationale recht voorziet.

2.   Aan de onder een rijontzegging vallende persoon moet ten minste de volgende informatie worden meegedeeld:

a)

de naam, het postadres, het e-mailadres en het telefoonnummer van de voor de handhaving van de rijontzegging bevoegde autoriteiten van zowel de lidstaat van afgifte als de lidstaat van de overtreding; en

b)

de rechtsmiddelen die beschikbaar zijn krachtens het recht van de lidstaat van afgifte, alsook het recht om te worden gehoord.

3.   De lidstaat van afgifte stelt de onder de rijontzegging vallende persoon binnen de termijnen die in zijn nationale recht voor de kennisgeving van soortgelijke besluiten zijn vastgesteld en overeenkomstig de procedures waarin zijn nationale recht voorziet, in kennis van ten minste:

a)

de vaststelling van maatregelen op grond van artikel 15 quinquies, leden 1 en 2;

b)

de bijzonderheden van die maatregelen;

c)

de rechtsmiddelen die krachtens zijn nationale recht beschikbaar zijn om die maatregelen te betwisten; en

d)

de procedure die moet worden gevolgd om het bestaande rijbewijs terug te krijgen of een nieuw rijbewijs aan te vragen.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat passende rechtsmiddelen beschikbaar zijn tegen op grond van de artikelen 15 bis tot en met 15 octies genomen besluiten of maatregelen, met name tegen het niet toepassen van een vrijstellingsgrond. De lidstaten nemen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat informatie over die rechtsmiddelen tijdig wordt verstrekt, zodat die rechtsmiddelen doeltreffend kunnen worden uitgeoefend.

5.   Een krachtens artikel 15 bis gemelde rijontzegging kan slechts worden betwist in het kader van een rechtsgeding dat is ingesteld in de lidstaat van de overtreding.

6.   De lidstaat van de overtreding en de lidstaat van afgifte stellen elkaar in kennis van de rechtsmiddelen die worden ingesteld tegen op grond van de artikelen 15 bis tot en met 15 octies genomen besluiten of maatregelen. Op verzoek van de lidstaat van afgifte verstrekt de lidstaat van de overtreding hem alle nodige informatie voor de toepassing van lid 3 van dit artikel.”.

4)

In artikel 22 wordt het volgende lid ingevoegd:

“3 bis.   Alle kennisgevingen tussen de lidstaten op grond van de artikelen 15 bis tot en met 15 octies worden gedaan via het EU-rijbewijzennetwerk. Daartoe verlenen de lidstaten de voor de toepassing van de artikelen 15 bis tot en met 15 octies aangewezen nationale contactpunten toegang tot het EU-rijbewijzennetwerk.

De lidstaten zorgen ervoor dat hun respectieve nationale contactpunten samenwerken met de autoriteiten die bevoegd zijn voor de handhaving van rijontzeggingen die zijn opgelegd vanwege rijontzeggingsovertredingen, met name om ervoor te zorgen dat alle relevante informatie tijdig wordt gedeeld.”.

5)

In artikel 23 wordt het volgende lid ingevoegd:

“2 bis.   Uiterlijk op 26 november 2029 en vervolgens om de vijf jaar, stelt de lidstaat de Commissie als onderdeel van de uit hoofde van lid 2 van dit artikel verstrekte informatie en op basis van voor elk kalenderjaar verzamelde gegevens in kennis van:

a)

het aantal uit hoofde van artikel 15 bis, lid 1, ontvangen kennisgevingen, uitgesplitst naar lidstaat van de overtreding;

b)

het aantal keren dat uit hoofde van artikel 15 sexies een vrijstellingsgrond werd ingeroepen, met inbegrip van de toegepaste vrijstellingsgronden, uitgesplitst naar aanmeldende lidstaat; en

c)

alle nuttige informatie over de goede werking en doeltreffendheid van deze richtlijn uit hoofde van de artikelen 15 bis tot en met 15 octies, onder meer met betrekking tot rechtsmiddelen.”.

6)

Aan artikel 24, lid 1, wordt het volgende punt toegevoegd:

“c)

de mogelijkheid om de toepassing van de artikelen 15 bis tot en met 15 octies verder uit te breiden tot rijontzeggingen die zijn opgelegd op grond van andere verkeersovertredingen dan rijontzeggingsovertredingen, om het EU-rijbewijzennetwerk waar nodig verder te verbeteren om de administratieve lasten te verminderen en de kennisgevingsprocedures te optimaliseren, en om de uitvoering van rijontzeggingen die zijn opgelegd in een andere lidstaat dan de lidstaat van afgifte of gewone verblijfplaats verder te vergemakkelijken.”.

Artikel 2

Omzetting

1.   De lidstaten dienen vóór 26 november 2028 de bepalingen vast te stellen en bekend te maken die nodig zijn om aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onmiddellijk in kennis.

Zij passen die bepalingen toe met ingang van 26 november 2029.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor de verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   Na de inwerkingtreding van deze richtlijn dragen de lidstaten er zorg voor dat ieder ontwerp van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die zij overwegen in te voeren op het gebied waarop deze richtlijn van toepassing is, tijdig ter kennis van de Commissie wordt gebracht, teneinde de Commissie de gelegenheid te bieden opmerkingen te maken.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 22 oktober 2025.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

R. METSOLA

Voor de Raad

De voorzitter

M. BJERRE


(1)   PB C 293 van 18.8.2023, blz. 133.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 6 februari 2024 en standpunt van de Raad in eerste lezing van 29 september 2025 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad). Standpunt van het Europees Parlement van 21 oktober 2025 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(3)  Kaderbesluit 2005/214/JBZ van de Raad van 24 februari 2005 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen tot confiscatie (PB L 76 van 22.3.2005, blz. 16, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_framw/2005/214/oj).

(4)  Kaderbesluit 2008/947/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning op vonnissen en proeftijdbeslissingen met het oog op het toezicht op proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen (PB L 337 van 16.12.2008, blz. 102, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_framw/2008/947/oj).

(5)  Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures (PB L 280 van 26.10.2010, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2010/64/oj).

(6)  Richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures (PB L 142 van 1.6.2012, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2012/13/oj).

(7)  Richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming (PB L 294 van 6.11.2013, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2013/48/oj).

(8)  Richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn (PB L 65 van 11.3.2016, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2016/343/oj).

(9)  Richtlijn (EU) 2016/800 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende procedurele waarborgen voor kinderen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure (PB L 132 van 21.5.2016, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2016/800/oj).

(10)  Richtlijn (EU) 2016/1919 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 betreffende rechtsbijstand voor verdachten en beklaagden in strafprocedures en voor gezochte personen in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel (PB L 297 van 4.11.2016, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2016/1919/oj).

(11)  Arrest van het Hof (Grote kamer) van 6 mei 2014, Commissie/Parlement en Raad, C-43/12, ECLI:EU:C:2014:298, punt 43.

(12)  Richtlijn (EU) 2025/2205 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2025 betreffende het rijbewijs, tot wijziging van Verordening (EU) 2018/1724 van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn (EU) 2022/2561 van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van Richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EU) nr. 383/2012 van de Commissie (PB L, 2025/2205, 5.11.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2025/2205/oj).

(13)  Richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs (PB L 403 van 30 december 2006, blz. 18, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2006/126/oj).

(14)  Richtlijn 2010/40/EU van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2010 betreffende het kader voor het invoeren van intelligente vervoerssystemen op het gebied van wegvervoer en voor interfaces met andere vervoerswijzen (PB L 207 van 6.8.2010, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2010/40/oj).

(15)  Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2016/679/oj).

(16)  Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 89, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2016/680/oj).

(17)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2011/182/oj).

(18)  Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/1725/oj).


ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2025/2206/oj

ISSN 1977-0758 (electronic edition)