European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

L-serie


2025/1597

8.10.2025

RESOLUTIE (EU) 2025/1597 VAN HET EUROPEES PARLEMENT

van 7 mei 2025

met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2023, afdeling II — Europese Raad en Raad

HET EUROPEES PARLEMENT,

—

gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2023, afdeling II — Europese Raad en Raad,

—

gezien artikel 102 van en bijlage V bij zijn Reglement,

—

gezien het advies van de Commissie constitutionele zaken,

—

gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A10-0052/2025),

A.

overwegende dat de kwijtingsautoriteit in het kader van de kwijtingsprocedure wenst te benadrukken dat het bijzonder belangrijk is de democratische legitimiteit van de instellingen van de Unie verder te versterken door de transparantie en de verantwoordingsplicht te verbeteren en door het concept van resultaatgericht begroten en een goed personeelsbeheer toe te passen;

B.

overwegende dat overeenkomstig artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) het Europees Parlement als enige verantwoordelijk is voor het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Unie, en overwegende dat de begroting van de Europese Raad en de Raad deel uitmaakt van de begroting van de Unie;

C.

overwegende dat de Europese Raad overeenkomstig artikel 15, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) geen wetgevingstaken mag uitvoeren;

D.

overwegende dat overeenkomstig artikel 317 VWEU de Commissie de begroting van de Unie uitvoert onder haar eigen verantwoordelijkheid en volgens het beginsel van goed financieel beheer, en overwegende dat overeenkomstig het toepasselijke kader de Commissie de overige instellingen van de Unie de bevoegdheden toekent die nodig zijn voor de uitvoering van hun afdelingen van de begroting;

E.

overwegende dat overeenkomstig artikel 235, lid 4, en artikel 240, lid 2, VWEU de Europese Raad en de Raad (hierna de “Raad”) worden bijgestaan door het secretariaat-generaal van de Raad (hierna het “secretariaat”), en overwegende dat de secretaris-generaal van de Raad geheel verantwoordelijk is voor het goede beheer van de op afdeling II van de begroting van de Unie opgevoerde kredieten;

F.

overwegende dat het Parlement in de loop van meer dan twintig jaar de gevestigde en gerespecteerde praktijk heeft gehanteerd om kwijting te verlenen aan alle instellingen, organen en instanties van de Unie, en overwegende dat de Commissie het ermee eens is dat het aan alle instellingen, organen en instanties van de Unie verlenen van kwijting voor hun administratieve uitgaven wordt voortgezet;

G.

overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 59, lid 1, van het Financieel Reglement de overige instellingen van de Unie de bevoegdheden toekent die nodig zijn voor de uitvoering van hun afdelingen van de begroting;

H.

overwegende dat sinds de kwijting voor de begroting 2009 het gebrek aan medewerking van de Raad tijdens de kwijtingsprocedure het Parlement heeft genoodzaakt om het verlenen van kwijting aan de secretaris-generaal van de Raad te weigeren;

I.

overwegende dat de Europese Raad en de Raad, als instellingen van de Unie en ontvangers van middelen uit de algemene begroting van de Unie, transparant moeten zijn, een democratische verantwoordingsplicht moeten hebben tegenover de burgers van de Unie en onderworpen moeten zijn aan een democratische controle op de uitgave van overheidsmiddelen;

J.

overwegende dat in artikel 15, lid 3, VWEU is bepaald dat de EU-instellingen in hun reglement van orde moeten waarborgen dat hun procedures transparant zijn, maar dat de Europese Ombudsman in verscheidene onderzoeken en besluiten kritiek heeft geuit op het gebrek aan transparantie bij de Raad, wat erop wijst dat de Raad het kritieke verband tussen democratie en transparante besluitvorming niet volledig heeft begrepen;

K.

overwegende dat in de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie het recht van belastingbetalers en van het publiek wordt bevestigd om op de hoogte te worden gehouden van het gebruik van overheidsinkomsten, en dat het Gerecht in zijn arrest van 25 januari 2023 in zaak T-163/21 (1), De Capitani/Raad, met betrekking tot transparantie binnen het wetgevingsproces van de Unie heeft verklaard dat de documenten die de Raad in zijn werkgroepen opstelt, niet van technische maar van wetgevende aard zijn en bijgevolg onderworpen zijn aan verzoeken om toegang tot documenten;

1.

merkt op dat de begroting van de Raad onder rubriek 7, “Europees openbaar bestuur”, van het MFK valt, die in 2023 in totaal 12,3 miljard EUR bedroeg (goed voor 6,4 % van de totale begroting van de Unie); merkt op dat de begroting van de Raad van ongeveer 0,6 miljard EUR goed is voor ongeveer 5,2 % van de totale administratieve uitgaven van de Unie;

2.

is ingenomen met het feit dat de Europese Rekenkamer (de “Rekenkamer”) in haar jaarverslag betreffende het begrotingsjaar 2023 een steekproef van 70 verrichtingen onder “Administratie” heeft onderzocht, 10 meer dan in 2022; merkt voorts op dat de administratieve uitgaven volgens de Rekenkamer uitgaven omvatten voor personele middelen, met inbegrip van pensioenen, die in 2023 goed waren voor zo’n 70 % van het totaal, en uitgaven voor gebouwen, uitrusting, energieverbruik, communicatie en informatietechnologie, en dat uit de werkzaamheden van de Rekenkamer door de jaren heen blijkt dat deze uitgaven over het algemeen een laag risico vormen;

3.

merkt op dat 21 van de 70 verrichtingen (30 %) fouten vertoonden, maar dat de Rekenkamer op basis van de vijf door haar gekwantificeerde fouten schat dat het foutenpercentage onder de materialiteitsdrempel ligt;

4.

merkt op dat de Rekenkamer in haar jaarverslag betreffende het begrotingsjaar 2023 een opmerking heeft gemaakt over de duur van een door de Raad gegunde kaderovereenkomst met betrekking tot het onderhoud van gebouwen; merkt op dat de Rekenkamer in de vier onderzochte betalingen met betrekking tot de Raad geen kwantificeerbare fouten heeft vastgesteld;

Stand van zaken van de kwijtingsprocedure

5.

betreurt ten zeerste dat het Parlement sinds 2009 en opnieuw voor het begrotingsjaar 2022 kwijting aan de Raad moest weigeren omdat de Raad blijft weigeren met het Parlement samen te werken aan de kwijtingsprocedure, waardoor het Parlement geen gefundeerd besluit kan nemen op basis van een ernstige en grondige controle van de uitvoering van de begroting van de Raad;

6.

merkt op dat de betrokken diensten van het Parlement op 20 september 2024, namens de rapporteur voor de kwijtingsprocedure, een vragenlijst aan het secretariaat van de Raad hebben toegezonden met 90 vragen die voor het Parlement belangrijk zijn om een grondige controle van de uitvoering van de begroting van de Raad en van het beheer van de Raad mogelijk te maken; merkt verder op dat soortgelijke vragenlijsten zijn toegezonden aan alle andere instellingen, die het Parlement gedetailleerde antwoorden op alle vragen hebben gegeven;

7.

betreurt dat het secretariaat het Parlement op 23 september 2024 opnieuw heeft meegedeeld dat het de vragenlijst van het Parlement niet zou beantwoorden en dat de Raad niet zou deelnemen aan de hoorzitting van 12 november 2024 in het kader van de kwijtingsprocedure waaraan alle andere uitgenodigde instellingen wel hebben deelgenomen;

8.

wijst andermaal op het prerogatief van het Parlement om kwijting te verlenen overeenkomstig artikel 319 VWEU en de toepasselijke bepalingen in het Financieel Reglement en het Reglement van het Parlement, in overeenstemming met de tot nu toe gehanteerde interpretatie en praktijk, namelijk de bevoegdheid om kwijting te verlenen teneinde transparantie te bieden en de democratische verantwoordingsplicht ten aanzien van de Europese belastingbetaler te waarborgen;

9.

benadrukt dat in artikel 59, lid 1, van het Financieel Reglement is bepaald dat de Commissie de overige instellingen van de Unie de bevoegdheden toekent die nodig zijn voor de uitvoering van hun afdelingen van de begroting, en vindt het bijgevolg onbegrijpelijk dat de Raad het passend acht dat de Commissie kwijting wordt verleend voor de uitvoering van de begroting van de Raad;

10.

wijst op de gevestigde en erkende praktijk die het Parlement gedurende meer dan twintig jaar heeft gehanteerd om kwijting te verlenen aan alle instellingen, organen en instanties van de Unie, waaronder aan de Europese Raad en aan de Raad; wijst erop dat de Commissie heeft verklaard dat zij niet in staat is toezicht te houden op de uitvoering van de begroting van de andere instellingen van de Unie; beklemtoont dat de Commissie meermaals te kennen heeft gegeven dat de praktijk waarbij aan elke instelling van de Unie kwijting wordt verleend voor hun administratieve uitgaven en de uitvoering van de EU-begroting, onveranderd rechtstreeks door het Parlement moet worden voortgezet om de naleving van het beginsel van goed financieel beheer te waarborgen;

11.

benadrukt dat de huidige situatie inhoudt dat het Parlement alleen de verslagen van de Rekenkamer en de Europese Ombudsman en de openbaar beschikbare informatie op de website van de Raad kan controleren vanwege het gebrek aan medewerking van de Raad met het Parlement; onderstreept dat het voor Parlement als gevolg van dit gebrek aan medewerking niet mogelijk is om zijn toezichthoudende rol doeltreffend te vervullen en een gefundeerd besluit te nemen over het verlenen van kwijting;

12.

betreurt het dat de Raad al meer dan tien jaar geen enkele politieke wil toont om in het kader van de jaarlijkse kwijtingsprocedure samen te werken met het Parlement; beklemtoont dat deze houding een blijvend negatief effect heeft op beide instellingen en op het vertrouwen van burgers in de Unie als transparante organisatie, en het beheer van en de democratische controle op de begroting van de Unie in diskrediet heeft gebracht; onderstreept dat voor de Raad dezelfde standaarden op het vlak van de verantwoordingsplicht moeten gelden als die waarvan de Raad verwacht dat andere instellingen van de Unie zich eraan houden;

13.

herhaalt dat de aanhoudende weigering van de Raad om mee te werken in het kader van de kwijtingsprocedure een onaanvaardbare schending is van de democratische verantwoordingsplicht; pleit voor juridische en procedurele wijzigingen om begrotingskredieten in te houden voor instellingen van de Unie die niet aan de transparantieverplichtingen voldoen;

14.

herhaalt dat in de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie steun te vinden is voor het recht van de belastingbetalers en het publiek om op de hoogte te worden gehouden van het gebruik van overheidsinkomsten; eist daarom volledige eerbiediging van het prerogatief van het Parlement en zijn rol als hoeder van het beginsel van democratische verantwoordingsplicht; verzoekt de Raad om naar behoren follow-up te geven aan de door het Parlement aangenomen aanbevelingen in het kader van de kwijtingsprocedure en staat erop dat ten volle toepassing wordt gegeven aan artikel 14, lid 1, VEU;

15.

verzoekt de Raad de onderhandelingen met het Parlement onverwijld te hervatten en zo spoedig mogelijk op het hoogste niveau actief met het Parlement samen te werken, met deelname van de secretarissen-generaal en de voorzitters van beide instellingen, om de impasse te doorbreken en de langdurige patstelling met betrekking tot de kwijtingsprocedure op te lossen, met inachtneming van de respectieve rollen van het Parlement en de Raad in de kwijtingsprocedure, waarbij tegelijk gezorgd wordt voor transparantie, geloofwaardigheid en behoorlijke democratische controle op de uitvoering van de begroting; verzoekt de juridische diensten van de Commissie en de Raad een advies te verstrekken inzake mogelijke op de Verdragen gebaseerde oplossingen om verantwoording door de Raad in de kwijtingsprocedure af te dwingen;

16.

benadrukt dat de huidige situatie weliswaar moet worden verholpen middels een betere interinstitutionele samenwerking in het kader van de Verdragen, maar dat met een herziening van de Verdragen de kwijtingsprocedure duidelijker en transparanter zou kunnen worden gemaakt door het Parlement de expliciete bevoegdheid te geven om alle instellingen, organen en instanties van de Unie afzonderlijk kwijting te verlenen; benadrukt echter dat in afwachting van een dergelijke herziening de huidige situatie moet worden verbeterd door middel van nauwere interinstitutionele samenwerking; dringt er in dit verband bij de Raad op aan actief met het Parlement samen te werken;

17.

merkt op dat het Parlement, ondanks het feit dat de Raad niet bereid is mee te werken aan de kwijtingsprocedure, in dit verslag niettemin de nadruk legt op een aantal politieke prioriteiten en enkele opmerkingen maakt over het begrotings- en financieel beheer van de Raad alsook andere opmerkingen die relevant zijn voor de kwijtingsprocedure;

18.

merkt op dat, gezien het gebrek aan medewerking van de Raad met het Parlement, de opmerkingen in de volgende delen in de eerste plaats berusten op openbaar beschikbare geaggregeerde informatie die slechts in beperkte mate gedetailleerd is;

Politieke prioriteiten

19.

betreurt dat de Raad in de voordracht- en benoemingsprocedures voor een groot aantal instellingen, organen en instanties van de Unie zijn prerogatief uitoefent zonder daarbij rekening te houden met de meningen van de betrokken partijen of met de aanbevelingen van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF);

20.

merkt op dat de Raad van oudsher de voordrachten van individuele lidstaten voor de meeste posten niet betwist;

21.

wijst erop dat de Raad, overeenkomstig artikel 286, lid 2, VWEU, de leden van de Rekenkamer benoemt op basis van de voorstellen van elke lidstaat en na raadpleging van het Parlement; wijst erop dat het Parlement op basis van deze voorwaarde advies uitbrengt inzake de kandidaten; betreurt dat de Raad de aanbevelingen van het Parlement, in zijn adviserende rol, met betrekking tot de benoeming van leden van de Rekenkamer herhaaldelijk heeft genegeerd; herinnert eraan dat het advies van het Parlement weliswaar voor de Raad niet-bindend is, maar dat kandidaten die een ongunstig advies hebben gekregen, hun kandidatuur hebben ingetrokken en zo het besluit van het Parlement hebben aanvaard, waardoor zij de rol van het Parlement erkennen als democratische toezichthoudende autoriteit in verband met de bescherming van de begroting van de Unie; verzoekt de Raad de rol van het Parlement te erkennen door mee te werken in het kader van de kwijtingsprocedure;

22.

wijst erop dat de rechters en advocaten-generaal van het Hof van Justitie van de Europese Unie in onderlinge overeenstemming worden benoemd door de regeringen van de lidstaten, na raadpleging van een comité dat advies moet uitbrengen over de geschiktheid van de kandidaten voor de uitoefening van de taken in kwestie;

23.

verzoekt de roulerende voorzitterschappen van de Raad niet langer gebruik te maken van commerciële sponsoring om een deel van hun uitgaven te dekken, aangezien dit tot belangenconflicten kan leiden, in overeenstemming met de conclusies van de workshop van de Commissie begrotingscontrole van het Parlement van 27 juni 2023; merkt op dat in het besluit van 9 september 2024 van de Europese Ombudsman over het strategisch initiatief inzake sponsoring van het voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie de Raad werd aangemoedigd de balans op te maken van de wijze waarop de niet-bindende regels die de Raad heeft vastgesteld voor het gebruik van sponsoring door zijn voorzitterschap (de richtsnoeren) zijn uitgevoerd en andere mogelijke maatregelen te onderzoeken die de risico’s in verband met het gebruik van sponsoring kunnen helpen beperken; verzoekt de Raad nogmaals om de voorzitterschappen van de Raad een begroting toe te kennen teneinde te zorgen voor adequate en uniforme normen inzake efficiëntie en doeltreffendheid van de werkzaamheden van de Raad in het algemeen;

24.

spreekt zijn diepe bezorgdheid uit over het misbruik door de Hongaarse regering van haar rol als EU-voorzitter om bilaterale verbintenissen na te streven die in strijd zijn met de kernwaarden van de Unie, zoals de ontmoetingen van premier Viktor Orbán met de Russische president Vladimir Poetin, ondanks de sancties van de Unie en het arrestatiebevel van het Internationaal Strafhof tegen laatstgenoemde wegens oorlogsmisdaden; neemt met bezorgdheid kennis van soortgelijke contacten met andere autoritaire leiders, waardoor de geloofwaardigheid van de EU werd ondermijnd; verzoekt de Raad dergelijke acties krachtig te veroordelen en alle nodige maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat de lidstaten die het voorzitterschap waarnemen, handelen in overeenstemming met de EU-beginselen en de integriteit en waarden van de Unie waarborgen;

Financieel en begrotingsbeheer

25.

spreekt zijn teleurstelling uit over het feit dat de begroting van de Europese Raad en de Raad niet is opgesplitst in twee duidelijk gescheiden begrotingen, zoals het Parlement in eerdere kwijtingsresoluties heeft aanbevolen teneinde de transparantie en de verantwoordingsplicht te verbeteren, vooral met betrekking tot de Europese Raad aangezien het momenteel onmogelijk is betrouwbare informatie te verkrijgen over de kosten ervan; vestigt de aandacht op het belang van betrouwbare gegevens voor de uitvoering van objectieve controles; dringt erop aan dat gevolg wordt gegeven aan de aanbeveling van de kwijtingsautoriteit;

26.

merkt op dat voor 2023 de begroting van de Raad 647 908 757 EUR bedroeg, ofwel een stijging met 6 % ten opzichte van 2022, hetgeen hoger is dan de stijging van 2,3 % tussen 2021 en 2022; merkt op dat deze stijging voornamelijk verband houdt met de herziening van de parameters voor salarisaanpassing als gevolg van de inflatie;

27.

stelt vast dat het totale uitvoeringspercentage van de begroting van de Raad in 2023 97,0 % bedroeg; merkt op dat eind 2023 bijna 20 miljoen EUR aan kredieten was geannuleerd, waarvan de helft afkomstig was van het begrotingsonderdeel voor personeelsuitgaven;

28.

merkt op dat de Raad overeenkomstig artikel 29 van het Financieel Reglement in 2023 41 begrotingsoverschrijvingen heeft verricht voor een gecumuleerd bedrag van 6,5 miljoen EUR; merkt voorts op dat voor drie van deze overschrijvingen de begrotingsautoriteit overeenkomstig artikel 29, lid 2, in kennis moest worden gesteld met het oog op de versterking van verschillende begrotingsonderdelen, waaronder “Inrichtings- en installatiewerkzaamheden”, “Water, gas, elektriciteit en verwarming”, “Aanschaf van hardware en software” en “Huur, onderhoud en reparatie van dienstwagens”;

29.

verzoekt de Raad een jaarlijkse uitsplitsing te publiceren, in een gebruiksvriendelijk formaat dat toegankelijk is voor het publiek, van de reis- en representatiekosten van hoge ambtenaren, onder wie de voorzitter van de Europese Raad, de hoge vertegenwoordiger van de EU voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en het secretariaat-generaal;

30.

merkt op dat de van 2023 naar 2024 overgedragen kredieten in totaal 85,5 miljoen EUR bedroegen voor voornamelijk computersystemen, vertolkingskosten in 2023, waarvoor ten tijde van de afsluiting nog geen facturen met de diensten van de Europese Commissie waren overeengekomen, gebouwen, informatie en communicatie, audiovisuele en conferentie-uitrusting, andere personeelsuitgaven en vervoer;

31.

uit zijn bezorgdheid over de ontoereikende controlemechanismen voor het gebruik door de Raad van adviesdiensten en externe contractanten; pleit voor de volledige openbaarmaking van alle contracten met een waarde van meer dan 50 000 EUR, met vermelding van het toepassingsgebied, de te leveren prestaties en de entiteiten waaraan de contracten zijn gegund, om mogelijk misbruik van overheidsmiddelen te voorkomen;

32.

merkt op dat de gemiddelde termijn voor de betaling van facturen tussen 2022 en 2023 is gedaald van 18 naar 13 dagen, ruim onder de maximumtermijn van 30 dagen, waardoor achterstallige rente wordt vermeden;

33.

merkt op dat de uitgaven voor dienstreizen, die zowel de kosten van dienstreizen van het secretariaat als de kosten van dienstreizen van personeel in verband met de Europese Raad omvatten, tussen 2022 en 2023 met 25 % zijn gestegen, en dat de reiskosten van de delegaties van de voorzitterschappen en de nationale delegaties in dezelfde periode met 36,6 % zijn gestegen; verzoekt de Raad deze aanzienlijke stijging van de uitgaven voor dienstreizen onder de loep te nemen; spoort de Raad er, in het licht van het gebrek aan toegang tot gedetailleerde informatie, toe aan deze middelen te gebruiken in een geest van goed financieel beheer;

Intern beheer, prestaties en interne controle

34.

merkt op dat de Raad doelstellingen heeft vastgesteld voor de uitvoering van zijn begroting in 2023, namelijk het waarborgen van de lopende besluitvorming in de Europese Raad en de Raad; het zorgen voor voortdurende ondersteuning van de Europese Raad en de Raad door middel van een doeltreffend en efficiënt gebruik van financiële middelen, met name gezien de aanhoudende druk van de inflatie en de daaruit voortvloeiende prijsstijgingen als gevolg van de indexering van contracten, en het voortzetten van het proces van administratieve digitale modernisering met als doel de kwaliteit van de organisatie van het secretariaat en een passend gebruik van de middelen te verbeteren;

35.

merkt op dat het secretariaat, met het oog op een efficiënt gebruik van zijn begroting in 2023, zijn processen voor financieel beheer is blijven verbeteren, met name op basis van de aanbevelingen van een aantal interne taskforces; is met name ingenomen met de nieuwe instrumenten voor prestatiemeting, zoals de opname van elementen inzake personele middelen en vaardigheden in de geïntegreerde beheersplanning, de volledige digitalisering van de financiële workflows en de invoering van de elektronische handtekening;

36.

is ingenomen met het toegenomen gebruik van gegevens in de besluitvorming, met name op basis van het maandelijkse financiële dashboard met kernprestatie-indicatoren bij de diensten van het secretariaat en het dashboard van managers met belangrijke inzichten uit HR-gegevens om het dagelijks beheer en de dagelijkse besluitvorming op het gebied van personele middelen te vergemakkelijken;

37.

merkt op dat het secretariaat in 2023 4 429 vergaderingen organiseerde, een aantal dat relatief stabiel was ten opzichte van 2022; merkt voorts op dat het aantal fysieke vergaderingen met 11 % is gestegen ten opzichte van 2022, terwijl het aantal vergaderingen per videoconferentie of in hybride vorm aanzienlijk is gedaald, met meer dan 60 %;

38.

merkt op dat het secretariaat 17 openbare aanbestedingsprocedures, 12 nieuwe onderhandelingsprocedures en 21 interinstitutionele procedures (ongeacht de waarde) heeft opgestart waarbij de Raad niet het voortouw heeft genomen; merkt op dat eind 2023 41 contracten waren ondertekend, tegenover 42 in 2022, en dat er nog aan 47 onderdelen (ongeacht de categorie) werd gewerkt; merkt op dat in 2023 contracten zijn gegund voor een totaalbedrag van 124,1 miljoen EUR, wat overeenkomt met 19,15 % van de jaarlijkse begroting van de Raad; merkt op dat van het totale contractueel vastgelegde bedrag 0,5 % werd vastgelegd voor opdrachten van geringe en middelgrote waarde, 58 % voor specifieke contracten in het kader van kaderovereenkomsten waarbij de Raad de enige aanbestedende dienst is en 69,5 % voor specifieke contracten die in het kader van interinstitutionele kaderovereenkomsten worden gegund;

39.

merkt op dat de Raad zijn jaarverslag over de in 2023 uitgevoerde interne controles heeft toegezonden aan de kwijtingsautoriteit, overeenkomstig artikel 118 van het Financieel Reglement; merkt op dat eind 2023 81 % van de in de jaren 2020-2022 gedane aanbevelingen was uitgevoerd, 18 % nog openstond en voor 1 % het risico door het management was aanvaard of de aanbevelingen niet langer van toepassing waren; merkt op dat vier in het werkprogramma voor 2023 geplande interne controles in de loop van het jaar werden afgerond en dat er eind 2023 twee nog liepen; merkt op dat de interne auditor aanbevelingen met hoge prioriteit heeft gedaan in drie controles van het werkprogramma voor 2023 met betrekking tot vervoersdiensten, IOLAN-servers en kerndiensten en IOLAN-endpointsystemen;

Personele middelen, gelijkheid en welzijn van het personeel

40.

stelt vast dat het personeelsbestand van 3 116 personeelsleden eind 2023 bestond uit 79 % vast personeel, 12,8 % tijdelijk personeel, 7,2 % arbeidscontractanten en 1 % gedetacheerde nationale deskundigen; merkt op dat de verdeling van vast en tijdelijk personeel tussen functiecategorieën stabiel is gebleven met 1 474,25 administrateurs (AD), 1 159 assistenten (AST) en 230 secretariaatsassistenten (AST-SC) in 2023, tegenover 1 519, 1 284 en 190 in 2022; merkt op dat eind 2023 de bezettingsgraad van de personeelsformatie 97,4 % bedroeg;

41.

merkt op dat, gezien het gebrek aan medewerking van de Raad met het Parlement, de opmerkingen in dit deel in de eerste plaats berusten op geaggregeerde informatie die op de website van de Raad is gepubliceerd en die slechts in beperkte mate gedetailleerd is;

42.

neemt kennis van de andere initiatieven die het secretariaat heeft genomen om een meer diverse en inclusieve werkplek te worden; is ingenomen met het feit dat de Raad in 2023 de prijs voor goed bestuur in de categorie “Excellence in diversity and inclusion” (uitmuntendheid in diversiteit en inclusie) van de Europese Ombudsman heeft ontvangen voor zijn positieve actieprogramma voor stagiairs met een handicap. In het kader van dit programma werden in 2023 zes stagiairs met een handicap bij het secretariaat bij het secretariaat aangeworven;

43.

betreurt het gebrek aan openbaar beschikbare informatie over de geografische en genderspreiding van het personeel in het secretariaat; verzoekt de Raad het Parlement informatie te verstrekken over het genderevenwicht, de geografische spreiding en de handicaps van zijn personeelsleden en over het interne beleid ter zake; spoort de Raad ertoe aan een geografisch evenwicht onder zijn personeel te bevorderen door een bredere pool van kandidaten uit ondervertegenwoordigde lidstaten aan te bieden;

44.

is ingenomen met de inspanningen van het secretariaat in 2023 om gekwalificeerde en jongere arbeidskrachten aan te trekken en te behouden door middel van verschillende initiatieven, zoals de aanwerving van acht junior beleidsadministrateurs in het kader van het nieuwe programma Junior Policy Team, de herziening van de interne mobiliteitsregels en de deelname van 41 personeelsleden van het secretariaat aan interinstitutionele kijkstages; benadrukt dat stages gepaard moeten gaan met een vergoeding die voldoet aan de resolutie van het Europees Parlement van 14 juni 2023 betreffende hoogwaardige stages in de EU (2020/2005(INL)), die een oproep inhoudt om alle stages in Europa betaald te maken; betreurt het gebrek aan informatie over de uitvoering van het in 2023 opgestelde actieplan van de Raad inzake verbetering van zijn imago als werkgever;

45.

merkt op dat het plan voor de preventie van psychosociale risico’s voor de periode 2020-2023 in 2023 is herzien en dat de resultaten daarvan in aanmerking zijn genomen bij het opstellen van een nieuw risicopreventieplan en bij het actualiseren van het plan voor de preventie van psychosociale risico’s als onderdeel van de initiatieven van de Raad ter bevordering van het welzijn van het personeel, zowel individueel als in teams of diensten; merkt op dat er verschillende vormen van ondersteuning en cursussen zijn aangeboden aan personeelsleden en managers van het secretariaat, zoals een speciale trainingssessie over psychologische veiligheid, richtsnoeren voor managers inzake geestelijke gezondheid en specifieke workshops over psychosociale risicopreventie die op verzoek worden georganiseerd en workshops over stressbeheer voor het Spaanse en het Belgische voorzitterschap van de Raad;

46.

merkt op dat het secretariaat het proefproject New Ways of Working (NWOW), dat in 2018 van start is gegaan, heeft voltooid en een evaluatie heeft uitgevoerd die waardevolle inzichten biedt, met name op het gebied van communicatie over veranderingen en betrokkenheid van gebruikers en het personeel bij veranderingsprocessen; merkt op dat de Raad de resultaten van het proefproject heeft gedeeld met andere organisaties die soortgelijke programma’s uitvoeren; verzoekt de Raad de geleerde lessen ook te delen met de kwijtingsautoriteit;

Ethisch kader en transparantie

47.

betreurt dat twee belangrijke onderdelen van het ethisch kader van de Raad, de code inzake ethiek en gedrag voor het personeel van het secretariaat en de gedragscode voor de voorzitter van de Europese Raad, zonder verdere richtsnoeren of publicatiedatum beschikbaar zijn op de website van de Raad; uit kritiek op het feit dat de gedragscode voor de voorzitter van de Europese Raad, ondanks meerdere verzoeken van het Parlement, niet op één lijn is gebracht met de codes van het Parlement en de Commissie, met name wat betreft activiteiten na de ambtsperiode; vraagt dat bovengenoemde tekortkomingen onmiddellijk worden verholpen;

48.

herhaalt dat ethisch gedrag bijdraagt tot goed financieel beheer en het vertrouwen van het publiek vergroot, en dat er, zoals in Speciaal verslag 13/2019 van de Rekenkamer wordt benadrukt, ruimte is voor verbetering van de ethische kaders van de instellingen van de Unie; herinnert met name aan de aanbeveling van de Rekenkamer betreffende de verbetering van het ethisch kader van de Raad; uit zijn bezorgdheid over het gebrek aan een gemeenschappelijk ethisch kader van de Unie voor de werkzaamheden van de vertegenwoordigers van de lidstaten in de Raad, zoals door de Rekenkamer is vastgesteld;

49.

merkt op dat in 2023 in het kader van de uitvoering van Besluit 23/2021 van de secretaris-generaal inzake psychologische en seksuele intimidatie op het werk verschillende maatregelen zijn genomen, zoals de publicatie op het intranet van het secretariaat van de gids ter voorkoming van intimidatie op de werkplek, bewustmakingsactiviteiten voor nieuwkomers met betrekking tot de nultolerantiebenadering van de Raad en de organisatie van verplichte opleidingen over intimidatie en ongepast gedrag voor nieuwe managers en personeelsleden met leidinggevende verantwoordelijkheden;

50.

merkt op dat het secretariaat een jaarverslag publiceert met informatie over de beroepsactiviteiten van voormalige hoge ambtenaren van het secretariaat na beëindiging van de dienst overeenkomstig artikel 16, derde en vierde alinea, van het statuut van de ambtenaren van de Europese Unie; merkt op dat uit het verslag over 2023 blijkt dat één voormalig hoge ambtenaar minder dan twaalf maanden na zijn vertrek heeft verklaard voornemens te zijn beroepsactiviteiten te verrichten en van het tot aanstelling bevoegde gezag toestemming heeft gekregen om één activiteit uit te oefenen onder een bepaalde voorwaarde die erop gericht was de periode genoemd in artikel 16, tweede alinea, van het Statuut in acht te nemen;

51.

verzoekt de Raad met klem strengere arbeidsbeperkingen na afloop van het mandaat van hoge ambtenaren vast te stellen, met inbegrip van een langere afkoelingsperiode en verplichte openbaarmaking van banden met de particuliere sector; verzoekt de Raad de deelname van de permanente vertegenwoordigingen van de lidstaten aan het transparantieregister van de EU verplicht te stellen;

52.

betreurt het feit dat de deelname door de permanente vertegenwoordigers van de lidstaten aan het verplichte transparantieregister, dat is ingesteld bij het Interinstitutioneel Akkoord van 20 mei 2021 tussen het Parlement, de Raad en de Commissie, volledig vrijwillig is, aangezien de toepassing van het conditionaliteitsbeginsel wordt overgelaten aan de permanente vertegenwoordiging van elke lidstaat; merkt op dat slechts acht lidstaten en de instellingen van de Unie zich houden aan de beste praktijk om in hun regelgevingskader een verplichte brede definitie van lobbyist toe te passen en dringt erop aan dat alle permanente vertegenwoordigingen vóór, tijdens en na het voorzitterschap van de Raad van hun lidstaat actief bijdragen aan het verplichte transparantieregister; dringt aan op strengere, geharmoniseerde ethische regels inzake belangenconflicten, draaideurconstructies en transparantie van lobbyactiviteiten; herinnert aan het standpunt van het Parlement dat vertegenwoordigers van de lidstaten die via de bedrijven die zij bezitten rechtstreeks begunstigden zijn van Uniesubsidies, niet zouden mogen kunnen deelnemen aan de besprekingen en stemmingen over beleid en begrotingskwesties in verband met die subsidies; betreurt dat de Raad het verplichte transparantieregister niet volledig gebruikt, noch voorstellen aanvaardt om deze situatie te verbeteren; herhaalt zijn oproep aan de Raad om zich niet in te laten met niet-geregistreerde lobbyisten;

53.

betreurt dat de Raad het verplichte transparantieregister niet volledig benut buiten zijn huidige beperkingen en elke aanbeveling voor verbeteringen verwerpt; herhaalt zijn oproep aan de Raad om te weigeren niet-geregistreerde lobbyisten te ontmoeten;

54.

verzoekt de Raad met klem alle hoge ambtenaren, met inbegrip van permanente vertegenwoordigers en delegatiehoofden, opdracht te geven hun bijeenkomsten met belangengroepen en lobbyisten openbaar te maken in een gestandaardiseerd transparantieregister, wat vergelijkbaar is met de verplichtingen die aan de leden van het Europees Parlement en de Europese Commissie worden opgelegd;

55.

betreurt ten zeerste dat de Raad de toegang tot wetgevingsdocumenten systematisch blijft weigeren of vertragen en dat het besluitvormingsproces in de Raad nog steeds verre van volledig transparant is, wat het publieke toezicht op de besluitvorming van de instelling in de weg staat, een negatieve weerslag heeft op het vertrouwen van burgers in de Unie als een transparante organisatie en schadelijk is voor de reputatie van de Unie als geheel; herinnert aan en steunt de aanbevelingen van de Europese Ombudsman met betrekking tot de transparantie van het wetgevingsproces in de Raad, die zijn gedaan in het kader van strategisch onderzoek OI/2/2017/TE; dringt er bij de Raad op aan alle nodige maatregelen te nemen om de aanbevelingen van de Europese Ombudsman en de desbetreffende uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie onverwijld op te volgen; wijst erop dat het Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn arrest in zaak T-163/21, De Capitani/Raad, heeft benadrukt dat de Raad meer wetgevingstransparantie aan de dag moet leggen om de toegang tot wetgevingsdocumenten te waarborgen, wat strookt met de plicht van de Raad tot publieke toetsing en de verantwoordingsplicht van de medewetgevers als grondslag van elke democratische legitimiteit;

56.

is bezorgd over het feit dat de Europese Ombudsman de Raad in 2023 opnieuw heeft verzocht wetgevingsdocumenten beschikbaar te stellen op een moment dat het publiek in staat zou stellen effectief deel te nemen aan de besprekingen; merkt op dat de Europese Ombudsman de Raad ook heeft verzocht zich te blijven inspannen om het publiek zo veel mogelijk op adequate wijze te informeren over de beperkende maatregelen tegen Rusland; is ingenomen met het strategische onderzoek dat de Europese Ombudsman in 2023 heeft ingesteld naar de wijze waarop de instellingen verzoeken om toegang van het publiek tot wetgevingsdocumenten behandelen, met name op basis van zes recente klachten bij de Europese Ombudsman over de toegang van het publiek tot wetgevingsdocumenten van de Unie die door de Raad worden behandeld;

57.

merkt op dat het team voor toegang tot documenten heeft gemeld dat het in 2023 een ongewoon hoog aantal verzoeken om toegang van het publiek tot documenten heeft ontvangen en beantwoord, namelijk 3 732 initiële verzoeken om toegang tot documenten en 40 confirmatieve verzoeken, waarvoor een analyse van 13 912 documenten nodig was; merkt op dat van de initiële verzoeken om toegang volledige toegang werd verleend tot 10 908 documenten (78,4 %) en gedeeltelijke toegang tot 1 600 documenten (11,5 %), terwijl de toegang tot 1 404 documenten (10,1 %) werd geweigerd; merkt op dat voor de confirmatieve verzoeken volledige toegang werd verleend tot 53 documenten en gedeeltelijke toegang tot 45 documenten, terwijl de toegang tot 48 documenten werd geweigerd; merkt op dat initiële verzoeken gemiddeld in 16 werkdagen en confirmatieve verzoeken in 32 werkdagen werden behandeld;

58.

is ingenomen met het feit dat volgens de openbaar beschikbare jaarverslagen in 2023 geen gevallen van fraude of onregelmatigheden onder de aandacht van de bevoegde gedelegeerde ordonnateurs zijn gebracht, en dat dergelijke gevallen evenmin onder de bevoegdheid van de instantie (artikel 143 van het Financieel Reglement) of OLAF vielen;

Digitalisering

59.

merkt op dat het secretariaat in 2023 zijn doelstelling van digitale transformatie is blijven nastreven, in overeenstemming met zijn prioriteiten van de digitale strategie voor 2022-2025; merkt op dat van de 113 digitaliseringsprojecten in het jaarlijkse werkplan, met name op het gebied van gedeelde diensten, beleid, wetgeving en IT, 37 % aan het eind van het jaar was voltooid, terwijl 8 % werd geannuleerd of samengevoegd en 38 % nog liep; merkt op dat er meer gediversifieerde opleidingen zijn georganiseerd, waaronder specifieke cursussen voor de elektronische ondertekening van contracten en ter bevordering van FIORI, de nieuwe gebruikerservaring van SAP;

60.

verzoekt de Raad met klem de invoering van veilige digitale stemsystemen en systemen voor het delen van documenten te versnellen om de efficiëntie en verantwoording te bevorderen en onnodige, op papier gebaseerde processen te beperken;

61.

is ingenomen met het feit dat in 2023, net als in 2022, 97 % van de facturen elektronisch werd ingediend; erkent dat, aangezien in 2023 elke maand tussen de 30 % en 40 % van de kooporders en contracten elektronisch werd ondertekend, aanzienlijke vooruitgang is geboekt in de richting van de volledige digitalisering van de financiële workflow, van het opstarten van aanbestedingsprocedures tot het elektronisch betalen van facturen;

62.

merkt op dat de Raad in 2023 stappen heeft ondernomen om de digitale toegankelijkheid te verbeteren, met name door de publicatie van een gids voor digitale toegankelijkheid;

Cyberbeveiliging en gegevensbescherming

63.

merkt op dat de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS) in 2023 overeenkomstig artikel 57, lid 1, punt g), van Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad (2) een advies inzake toezicht heeft uitgebracht in verband met de noodzaak om een gegevensbeschermingseffectbeoordeling uit te voeren met betrekking tot het project van het secretariaat omtrent het gebruik van gecentraliseerde diensten voor personeelsanalyse en -rapportage en de oprichting van een datapakhuis; merkt op dat de EDPS in 2023 geen onderzoek of klacht met betrekking tot de Raad heeft gemeld;

64.

uit zijn bezorgdheid over het gebrek aan solide waarborgen tegen observatie en gegevensverzameling door derden; dringt aan op strengere beveiligingsmaatregelen, met inbegrip van verplichte gegevensversleuteling en regelmatige beveiligingscontroles van alle digitale communicatiesystemen die door de Raad worden gebruikt;

65.

merkt op dat het secretariaat in 2023 verschillende nieuwe opleidingen op het gebied van informatiebeveiliging, contraspionage en cyberbeveiliging heeft opgezet om het bewustzijn en de paraatheid van zijn personeel op het gebied van cyberbeveiliging te verbeteren; merkt voorts op dat tijdens de maand van de cyberbeveiliging in oktober 2023 bewustmakingsevenementen over cyberbeveiliging en informatiebeveiliging zijn georganiseerd;

Gebouwen

66.

merkt op dat begrotingsonderdeel 2 0 1 1 voor “Water, gas, elektriciteit en verwarming” met 33 % is verhoogd door middel van een begrotingsoverschrijving in 2023; merkt op dat het secretariaat zijn energieverbruik bleef verminderen door middel van methoden zoals het verlagen van de verwarming van gebouwen en het vervangen van de ketels in het Justus Lipsiusgebouw;

67.

merkt op dat in 2023 belangrijke bouwprojecten zijn uitgevoerd, zoals de renovatie van sommige vergaderzalen in de gebouwen LEX en Justus Lipsius, de voortdurende renovatie van kantoorgangen in het Justus Lipsiusgebouw, de verbetering van de faciliteiten en infrastructuur voor fietsen in de gebouwen van de Raad en de modernisering van de receptiebalies van Justus Lipsius;

68.

betreurt dat de Raad nog steeds geen vereenvoudigde accreditatieprocedure heeft ingevoerd om de toegang van het personeel van de andere instellingen van de Unie tot de gebouwen van de Raad te vergemakkelijken; verzoekt de Raad deze maatregel uit te voeren;

Milieu en duurzaamheid

69.

merkt op dat, na een externe controle in 2023, het milieubeheer- en milieuauditsysteem is gehandhaafd en dat certificaten betreffende de energieprestatie van gebouwen zijn vernieuwd;

70.

merkt op dat, als onderdeel van de voortdurende prioritaire inspanningen voor duurzame mobiliteit, de faciliteiten en infrastructuur voor fietsen in de gebouwen van het secretariaat werden verbeterd en aangepast, en faciliteiten voor videoconferenties op afstand werden gerenoveerd of geïnstalleerd; merkt voorts op dat er opleidings- en bewustmakingsacties zijn georganiseerd om personeel en managers ondersteuning te bieden in het kader van de groene transformatie;

Interinstitutionele samenwerking

71.

benadrukt dat artikel 319 VWEU moet worden herzien om uitdrukkelijk te bepalen dat het Parlement, naast het verlenen van kwijting aan de Commissie, ook kwijting verleent aan de andere instellingen, organen en instanties van de Unie voor de uitvoering van hun afdelingen van de begroting of van hun begroting; verzoekt de Raad het interinstitutionele conflict te overwinnen en de besprekingen met het Europees Parlement te hervatten om tot een gemeenschappelijk akkoord te komen met het oog op de soepele hervatting van de kwijtingsprocedure;

Communicatie

72.

merkt op dat in 2023 de totale begroting voor communicatie die in de loop van het jaar werd uitgevoerd, rekening houdend met overschrijvingen, 11 871 300 EUR bedroeg, d.w.z. 3,54 % hoger dan de begroting 2022;

73.

merkt op dat het secretariaat communicatiediensten verleent aan de voorzitter van de Europese Raad, wiens aanwezigheid op het internet in 2022 fundamenteel is toegenomen, de voorzitter van de Eurogroep, het roulerende voorzitterschap, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de EU voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de lidstaten en het secretariaat; merkt op dat in 2023 de samenwerking tussen het digitale team van het secretariaat en de voorzitterschappen aanzienlijk is toegenomen, met name dat nauwe redactionele coördinatie heeft geleid tot meer synergieën op het gebied van het overnemen van inhoud en een betere complementariteit, waardoor de algehele impact van de communicatie werd gemaximaliseerd;

74.

merkt op dat volgens een online-enquête in het laatste kwartaal van 2023 67 % van de gebruikers tevreden was over hun algemene ervaring met de website van de Raad, die in 2023 meer dan 23 miljoen keer werd bezocht — een stijging van 1 % ten opzichte van 2022 — en 57 900 abonnees had ten opzichte van 51 600 in 2022.

(1)  Arrest van het Gerecht van 25 januari 2023, De Capitani/Raad, T-163/21, ECLI:EU:T:2023:15.

(2)  Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/1725/oj).


ELI: http://data.europa.eu/eli/res/2025/1597/oj

ISSN 1977-0758 (electronic edition)