European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

L-serie


2025/1534

23.7.2025

VERORDENING (EU) 2025/1534 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 18 juli 2025

betreffende tijdelijke afwijkingen van een aantal bepalingen van de Verordeningen (EU) 2017/2226 en (EU) 2016/399 met betrekking tot de geleidelijke ingebruikneming van het inreis-uitreissysteem

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 77, lid 2, punten b) en d), en artikel 87, lid 2, punt a),

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Artikel 66, lid 1, van Verordening (EU) 2017/2226 van het Europees Parlement en de Raad (2), waarbij het inreis-uitreissysteem (EES) werd ingesteld, bepaalt dat de Commissie de datum vaststelt waarop het EES in gebruik wordt genomen, mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan.

(2)

De Commissie heeft nog niet alle kennisgevingen op grond van artikel 66, lid 1, punt c), van Verordening (EU) 2017/2226 ontvangen, wat een van de voorwaarden is voor het vaststellen van de datum van ingebruikneming van het EES.

(3)

Verordening (EU) 2017/2226 staat enkel een volledige ingebruikneming toe, waarbij alle lidstaten het EES volledig moeten gaan gebruiken aan al hun grensdoorlaatposten tegelijk, voor alle onderdanen van derde landen die in het EES moeten worden geregistreerd. Een volledige ingebruikneming van alle EES-functies aan alle grensdoorlaatposten tegelijk vormt echter een risico voor de veerkracht van het EES als geheel en voor passagiersstromen aan de buitengrenzen.

(4)

Om het EES soepel van start te laten gaan, de tijdige invoering ervan in alle lidstaten te vergemakkelijken, de lidstaten de nodige flexibiliteit te bieden om het EES binnen een duidelijk omschreven termijn in gebruik te nemen en technische en operationele aanpassingen te vergemakkelijken wanneer zij het EES in gebruik nemen, moeten regels worden vastgesteld voor de geleidelijke ingebruikneming van het EES, waarbij de lidstaten ervoor moeten kunnen kiezen het EES gefaseerd in te voeren. Om ervoor te zorgen dat bij die aanpassingen rekening wordt gehouden met potentiële reizigersstromen en seizoenspieken, en tegelijkertijd in aanmerking nemend dat de geleidelijke ingebruikneming van het EES ook een impact kan hebben op de lidstaten in de vorm van een grotere werklast aan de grensdoorlaatposten, moet de geleidelijke ingebruikneming een beperkte duur hebben van ten hoogste 180 dagen.

(5)

Voor de geleidelijke ingebruikneming van het EES is het noodzakelijk tijdelijk af te wijken van sommige bepalingen van Verordening (EU) 2017/2226 en van Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad (3). Andere voorschriften van Verordening (EU) 2017/2226 waarop deze verordening geen betrekking heeft, zijn van toepassing zoals bepaald in die verordening. Meer bepaald gelden de voorschriften van Verordening (EU) 2017/2226 voor de gegevens die tijdens de geleidelijke ingebruikneming van het EES daarin worden geregistreerd en die gegevens worden bijgevolg als betrouwbaar en accuraat beschouwd. Bovendien doet deze verordening geen afbreuk aan de geldigheid van de kennisgevingen die de lidstaten al op grond van artikel 66, lid 1, punt c), van Verordening (EU) 2017/2226 hebben gedaan.

(6)

De lidstaten die niet van plan zijn om het EES vanaf het begin van de geleidelijke ingebruikneming van het EES volledig in gebruik te nemen, moeten aan een of meer grensdoorlaatposten of aan een of meer doorgangen van die grensdoorlaatposten, geleidelijk beginnen met het gebruik van het EES voor het registreren van de gegevens, bij inreis en uitreis, van onderdanen van derde landen die in het EES moeten worden geregistreerd. Indien mogelijk en van toepassing, moeten de lidstaten daarvoor een combinatie van grensdoorlaatposten voor lucht-, land- en zeegrenzen selecteren. Om te zorgen voor de gecontroleerde invoering van het EES en om eventuele lange wachttijden aan de grenzen beter te beheren en te voorkomen, moeten de lidstaten indien relevant en waar nodig geleidelijk alle functies van het EES invoeren en de gegevens van alle onderdanen van derde landen die moeten worden geregistreerd, geleidelijk in het EES registreren. Indien lidstaten ervoor kiezen het EES geleidelijk in gebruik te nemen, moet dat, om ervoor te zorgen dat het EES bij alle grensdoorlaatposten in de Unie ten volle wordt gebruikt, in fasen worden uitgevoerd en moeten per fase de minimumeisen worden vastgesteld waaraan de lidstaten moeten voldoen. De lidstaten zullen vanaf het begin van de ingebruikneming van het EES de uitvoering op nationaal niveau kunnen versnellen of het EES volledig in gebruik kunnen nemen. De geleidelijke verwerking van gegevens in het EES moet gebeuren met volledige eerbiediging van de rechten van de betrokkenen zoals vastgelegd in Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad (4) en mag direct noch indirect leiden tot enige vorm van discriminatie of profilering in de zin van die verordening. Indien nodig moet de Commissie, in overleg met de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming, verdere praktische richtsnoeren uitvaardigen voor de verwerking van persoonsgegevens in het EES tijdens de geleidelijke ingebruikneming.

(7)

Om de soepele invoering van het EES te vergemakkelijken, moet het Agentschap van de Europese Unie voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (eu-LISA), zoals opgericht bij Verordening (EU) 2018/1726 van het Europees Parlement en de Raad (5), een invoeringsplan op hoog niveau opstellen om de lidstaten en Europol richtsnoeren te bieden voor de uitvoering en planning van de invoering van het EES tijdens de periode van geleidelijke ingebruikneming (het “invoeringsplan op hoog niveau van eu-LISA”). eu-LISA moet dat plan indienen bij het Europees Parlement, de Raad, de Commissie, de lidstaten en Europol. In dat plan moeten de prestatie- en beschikbaarheidsdoelstellingen van het centrale systeem van het EES alsook de strategie met betrekking tot eventuele kleine, grote en belemmerende functionele defecten worden bevestigd, moet worden aangegeven wat de noodprocedures zijn en moet worden voorzien in richtsnoeren voor de werking van het centrale systeem van het EES voor de lidstaten en Europol. Dat plan moet worden goedgekeurd door de raad van bestuur van eu-LISA. Als lidstaten besluiten om met de ingebruikneming te starten of die te versnellen, moeten zij rekening houden met het invoeringsplan op hoog niveau van eu-LISA.

(8)

Om de soepele invoering van het EES te vergemakkelijken, moet elke lidstaat in overleg met de Commissie en eu-LISA een nationaal invoeringsplan opstellen en dat plan aan de Commissie overmaken. Voor elke fase van de geleidelijke ingebruikneming van het EES moeten de nationale invoeringsplannen informatie bevatten over de vastgestelde drempels en vereisten, en met name: i) de verwachte datum waarop het EES in gebruik zal worden genomen aan grensdoorlaatposten, ii) het verwachte aantal grensoverschrijdingen dat in het EES moet worden geregistreerd, uitgedrukt als percentage van het totale aantal onderdanen van derde landen dat in het EES moet worden geregistreerd, en iii) indien van toepassing, de biometrische functies die naar verwachting aan grensdoorlaatposten moeten worden gebruikt. eu-LISA moet beoordelen of de nationale invoeringsplannen in technisch opzicht in overeenstemming zijn met het invoeringsplan op hoog niveau van eu-LISA en moet bevestigen dat ze geen technische tekortkomingen bevatten die de ingebruikneming van het EES verder zouden kunnen vertragen. De Commissie moet de algemene samenhang van alle nationale invoeringsplannen beoordelen en tevens beoordelen of elk nationaal invoeringsplan overeenstemt met de drempels en vereisten van deze verordening. De lidstaten worden aangemoedigd om bij het opstellen van hun nationale invoeringsplannen op passende wijze samen te werken met de beheerders van de infrastructuur waar zich grensdoorlaatposten bevinden. Wanneer een lidstaat voornemens is het EES in gebruik te nemen of de biometrische functies van het EES te gebruiken bij een specifieke grensdoorlaatpost, moet die lidstaat de infrastructuurbeheerders van die grensdoorlaatpost daarvan in kennis stellen. Voor het toezicht op de geleidelijke ingebruikneming van het EES moeten de lidstaten aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en eu-LISA maandelijks verslag uitbrengen over de uitvoering van hun nationale invoeringsplannen. Dergelijke maandelijkse verslagen moeten waar nodig afwijkingen en corrigerende maatregelen bevatten indien die nodig zijn om te voldoen aan de drempels en vereisten van deze verordening. De Commissie moet de indiening van beknopte nationale invoeringsplannen en maandelijkse verslagen door de lidstaten vergemakkelijken.

(9)

Aangezien de gegevens die tijdens de geleidelijke ingebruikneming van het EES in het EES worden geregistreerd, mogelijk onvolledig zijn, moeten de reisdocumenten van onderdanen van derde landen tijdens die periode bij inreis en uitreis systematisch worden afgestempeld. De nationale autoriteiten moeten rekening houden met de mogelijke onvolledigheid van inreis-uitreisnotities of notities van weigering van toegang. Indien er geen relevante EES-gegevens beschikbaar zijn, moeten de nationale autoriteiten voorrang geven aan stempels. Indien een stempel ontbreekt, moeten de nationale autoriteiten voorrang geven aan de in het EES geregistreerde gegevens. In geval van discrepantie tussen het persoonlijk dossier met biometrische gegevens en de stempel, moeten de nationale autoriteiten voorrang geven aan de EES-gegevens. In geval van discrepantie tussen het persoonlijk dossier zonder biometrische gegevens en de stempel of in de in artikel 16, lid 4, van Verordening (EU) 2017/2226 bedoelde gevallen, moeten de nationale autoriteiten per geval beslissen of de stempel dan wel de EES-gegevens voorrang krijgen.

(10)

Aangezien de gegevens die tijdens de geleidelijke ingebruikneming van het EES in het EES worden geregistreerd mogelijk onvolledig zijn, mogen de nationale autoriteiten geen waarde hechten aan de resultaten van de automatische calculator van de maximale resterende duur van het toegestane verblijf van onderdanen van derde landen die in het EES zijn geregistreerd. De nationale autoriteiten mogen bij de uitvoering van hun taken evenmin rekening houden met het geautomatiseerde mechanisme dat na het verstrijken van het toegestane verblijf automatisch vaststelt of signaleert waar uitreisgegevens ontbreken en bij welke notities de maximale duur van het toegestane verblijf is overschreden, noch met de gegenereerde lijsten van personen die zijn aangemerkt als verblijfsduuroverschrijders.

(11)

Om de lidstaten de nodige tijd te geven om zich aan te passen aan de ingebruikneming van het EES, mag het gebruik van biometrische functies aan grensdoorlaatposten gedurende de eerste zestig dagen na de start van de geleidelijke ingebruikneming van het EES niet verplicht zijn. De lidstaten worden echter aangemoedigd om die functies tijdens die periode te gebruiken om een soepele operationele overgang te ondersteunen en de tijdige opsporing en oplossing van problemen met de uitvoering mogelijk te maken. Uiterlijk op de negentigste dag vanaf de eerste dag van de geleidelijke ingebruikneming van het EES moeten de lidstaten bij ten minste de helft van hun grensdoorlaatposten het EES met biometrische functies gebruiken. Het verstrekken van biometrische gegevens mag geen toegangsvoorwaarde zijn voor onderdanen van derde landen die in het EES moeten worden geregistreerd aan grensdoorlaatposten waar het EES zonder biometrische functies wordt gebruikt.

(12)

Om mogelijk te maken dat het EES met biometrische functies geleidelijk wordt ingevoerd bij grensdoorlaatposten, mag de biometrische verificatie van onderdanen van derde landen die in het EES moeten worden geregistreerd, alleen worden uitgevoerd bij de grensdoorlaatposten waar het EES met biometrische functies wordt gebruikt.

(13)

Om te zorgen voor samenhang bij de werking van de interoperabiliteit tussen het bij Beschikking 2004/512/EG van de Raad (6) ingestelde Visuminformatiesysteem (VIS) en het EES, mag het VIS alleen rechtstreeks worden geraadpleegd bij de grensdoorlaatposten waar het EES niet wordt gebruikt. Bij grensdoorlaatposten waar het EES wordt gebruikt, moeten de grensautoriteiten gebruikmaken van de interoperabiliteit tussen het EES en het VIS.

(14)

Onderdanen van derde landen van wie gegevens in het EES moeten worden opgeslagen, moeten over hun rechten en plichten met betrekking tot de verwerking van hun gegevens worden geïnformeerd aan de hand van een template als bedoeld in artikel 50, lid 5, van Verordening (EU) 2017/2226. In de informatie die moet worden verstrekt aan die onderdanen van derde landen, moet worden gewezen op de geleidelijke ingebruikneming van het EES. Die onderdanen van derde landen moeten in de template worden geïnformeerd over hun verplichting om biometrische gegevens te verstrekken aan grensdoorlaatposten wanneer die verplichting een toegangsvoorwaarde is, over de gevolgen van het niet verstrekken van biometrische gegevens, over het feit dat de resterende duur van het toegestane verblijf niet automatisch door hen kan worden geverifieerd, en over de mogelijkheid om gebruik te maken van de calculator voor korte verblijven op de website van de Commissie.

(15)

Om rekening te houden met de geleidelijke ingebruikneming van het EES, moet de Commissie de informatie op de EES-website regelmatig evalueren en indien nodig aanpassen.

(16)

De Commissie moet, in samenwerking met de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming, haar voorlichtingsmateriaal dat in het kader van artikel 51 van Verordening (EU) 2017/2226 is ontwikkeld, aanpassen om de voorlichtingscampagne bij de geleidelijke ingebruikneming van het EES te kunnen uitvoeren.

(17)

Tijdens de geleidelijke ingebruikneming van het EES is het voor onderdanen van derde landen niet mogelijk om via de in artikel 13, lid 1, van Verordening (EU) 2017/2226 bedoelde webdienst de exacte duur van hun toegestane verblijf elektronisch te controleren.

(18)

Deze verordening doet geen afbreuk aan de verplichtingen van luchtvaartmaatschappijen, zeevervoerders en vervoerders die internationaal vervoer van groepen per autobus verrichten zoals bepaald in artikel 26, lid 1, van de Overeenkomst ter uitvoering van het tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen (7) (de “Schengenuitvoeringsovereenkomst”) en in Richtlijn 2001/51/EG van de Raad (8). In dat verband moeten vervoerders de in de reisdocumenten aangebrachte stempels controleren. Om te zorgen voor doeltreffende communicatie met vervoerders over de gedifferentieerde toepassing van het EES bij de grensdoorlaatposten, wat uiteindelijk reizigers ten goede komt, is het van cruciaal belang dat de lidstaten transparant zijn over de invoering van het EES bij hun grensdoorlaatposten.

(19)

Artikel 22 van Verordening (EU) 2017/2226 en artikel 12 bis van Verordening (EU) 2016/399 voorzien in een overgangsperiode en overgangsmaatregelen met betrekking tot de ingebruikneming van het EES. Voor een geleidelijke ingebruikneming van het EES is het noodzakelijk af te wijken van die artikelen om ervoor te zorgen dat de overgangsperiode en de overgangsmaatregelen pas van toepassing zijn na afloop van de periode van geleidelijke ingebruikneming van het EES. Die afwijking moet ophouden van toepassing te zijn 5 jaar en 180 dagen vanaf de door de Commissie overeenkomstig artikel 66, lid 1, van Verordening (EU) 2017/2226 vastgestelde datum waarop het EES in gebruik wordt genomen.

(20)

Om ervoor te zorgen dat nationale autoriteiten en agentschappen van de Unie bij de uitvoering van hun taken geen beslissingen nemen die uitsluitend zijn gebaseerd op in het EES geregistreerde gegevens, moeten zij er rekening mee houden dat in het EES geregistreerde persoonlijke dossiers onvolledige gegevensreeksen kunnen bevatten. Die afwijking moet ophouden van toepassing te zijn vijf jaar en 180 dagen vanaf de door de Commissie overeenkomstig artikel 66, lid 1, van Verordening (EU) 2017/2226 vastgestelde datum waarop het EES in gebruik wordt genomen, om rekening te houden met de bewaringstermijn van vijf jaar voor gegevensreeksen waarbij de uitreisnotitie ontbreekt, zoals vastgesteld in artikel 34, lid 3, van die verordening. Inreis- en uitreisnotities die tijdens de geleidelijke ingebruikneming van het EES zijn gecreëerd, mogen niet worden gebruikt voor geautomatiseerde rapportage, noch voor geautomatiseerde processen, met inbegrip van geautomatiseerde raadpleging via het Europees reisinformatie- en -autorisatiesysteem (Etias), zoals vastgesteld bij Verordening (EU) 2018/1240 van het Europees Parlement en de Raad (9).

(21)

Bij het waarborgen van de naleving van de bepalingen van Verordening (EU) 2017/2226 inzake de wijziging van gegevens en de vervroegde verwijdering van gegevens, moeten de lidstaten de onvolledige gegevens aanvullen voor zover dat mogelijk is door de beperkte beschikbaarheid van de gegevensreeksen die tijdens de geleidelijke ingebruikneming van het EES in het EES zijn geregistreerd.

(22)

Het bij Verordening (EU) 2019/1896 van het Europees Parlement en de Raad (10) opgerichte Europees Grens- en kustwachtagentschap mag tijdens de geleidelijke ingebruikneming van het EES de in het EES geregistreerde gegevens niet raadplegen voor het uitvoeren van risicoanalyses en kwetsbaarheidsbeoordelingen omdat de gegevens onvolledig zijn, wat tot misleidende risicoanalyses en kwetsbaarheidsbeoordelingen zou kunnen leiden.

(23)

Ten behoeve van een doeltreffend beheer van de buitengrenzen tijdens de geleidelijke ingebruikneming van het EES moeten de volgende regels van toepassing zijn. Bij de grensdoorlaatposten waar het EES niet wordt gebruikt, moeten grenscontroles worden uitgevoerd overeenkomstig Verordening (EU) 2016/399, zoals van toepassing op de dag vóór de door de Commissie overeenkomstig artikel 66, lid 1, van Verordening (EU) 2017/2226 vastgestelde datum waarop het EES in gebruik wordt genomen. Bij de grensdoorlaatposten waar het EES wordt gebruikt, moeten grenscontroles worden uitgevoerd overeenkomstig de Verordeningen (EU) 2017/2226 en (EU) 2016/399 en de in deze verordening voorziene specifieke afwijkingen van die verordeningen met betrekking tot de verificatie bij de grensdoorlaatposten waar het EES zonder biometrische functies wordt gebruikt, die tot doel hebben de geleidelijke ingebruikneming van het EES mogelijk te maken. De uitvoering van die grenscontroles mag geen afbreuk doen aan de verificaties van visumhouders aan de hand van vingerafdrukken overeenkomstig Verordening (EG) nr. 767/2008 van het Europees Parlement en de Raad (11).

(24)

Om in elke lidstaat de doeltreffende aanpassing van de technische en organisatorische regelingen mogelijk te maken tijdens de geleidelijke ingebruikneming van het EES en om in te kunnen spelen op gevallen van een defect aan het centrale systeem van het EES, de nationale systemen of de communicatie-infrastructuur dat het gebruik van het EES aanzienlijk verstoort, of om het hoofd te bieden aan uitzonderlijke omstandigheden die tot een zodanige verkeersdrukte leiden dat de wachttijd aan een grensdoorlaatpost buitensporig lang wordt, moet elke lidstaat, ongeacht of die het EES volledig of geleidelijk in gebruik neemt, het gebruik van het EES aan bepaalde grensdoorlaatposten geheel of gedeeltelijk kunnen opschorten tijdens de geleidelijke ingebruikneming van het EES. De lidstaten mogen van die mogelijkheid alleen gebruikmaken wanneer een dergelijke opschorting strikt noodzakelijk is en gedurende een zo kort mogelijke periode. In geval van gedeeltelijke opschorting moet de registratie van biometrische gegevens in het EES worden opgeschort. In geval van volledige opschorting mogen er geen gegevens in het EES worden geregistreerd. Een dergelijke opschorting mag geen afbreuk doen aan de verplichtingen met betrekking tot het tijdschema voor de geleidelijke ingebruikneming van het EES, maar kan tijdelijk de registratiedrempels beïnvloeden.

(25)

Om de aanvullende risico’s in verband met de invoering van het EES met biometrische functies te beperken, moeten alle lidstaten de mogelijkheid hebben om na het einde van de geleidelijke ingebruikneming van het EES, in uitzonderlijke omstandigheden die leiden tot een zodanige verkeersdrukte dat aan een grensdoorlaatpost een buitensporig lange wachttijd ontstaat, de registratie van biometrische gegevens in het EES op te schorten. Een dergelijke opschorting moet mogelijk zijn gedurende een beperkte periode van negentig dagen na het einde van de geleidelijke ingebruikneming van het EES. Die termijn moet automatisch met zestig dagen worden verlengd indien minder dan 80 % van de individuele dossiers die tijdens de geleidelijke ingebruikneming van het EES in het EES zijn geregistreerd, biometrische gegevens bevatten.

(26)

eu-LISA moet verslagen over de statistieken over het gebruik van het EES uitbrengen om de prestaties van het EES te kunnen evalueren, de naleving van het eu-LISA-invoeringsplan op hoog niveau en de nationale invoeringsplannen door de lidstaten te kunnen beoordelen, verbeterpunten in kaart te kunnen brengen, toezicht te kunnen houden op de naleving van de vereisten van deze verordening inzake de geleidelijke ingebruikneming van het EES, en de besluitvorming over de verdere ontwikkeling en optimalisering van het EES te kunnen ondersteunen. Daarnaast moet eu-LISA overeenkomstig artikel 63, lid 4, van Verordening (EU) 2017/2226 statistieken publiceren over het gebruik van het EES tijdens de geleidelijke ingebruikneming. Voorts moet eu-LISA geregeld verslag blijven uitbrengen aan de raad van bestuur van eu-LISA. De programmabestuursraad van eu-LISA moet toezien op de geleidelijke ingebruikneming.

(27)

De voorbereidende werkzaamheden in verband met het eu-LISA-invoeringsplan op hoog niveau en de nationale invoeringsplannen moeten op de datum van inwerkingtreding van deze verordening in gang worden gezet. Bij het eu-LISA-invoeringsplan op hoog niveau en de nationale invoeringsplannen moet rekening worden gehouden met de door de Commissie overeenkomstig artikel 66, lid 1, van Verordening (EU) 2017/2226 vastgestelde datum waarop het EES in gebruik wordt genomen. Aan alle in dat artikel genoemde voorwaarden moet tijdig worden voldaan, zodat de Commissie het besluit tot vaststelling van de datum waarop het EES in gebruik moet worden genomen, vóór de aanvang van die voorbereidende werkzaamheden kan vaststellen, rekening houdend met de routekaart voor interoperabiliteit die de Raad op 5 maart 2025 heeft goedgekeurd. Meer bepaald moeten alle kennisgevingen op grond van artikel 66, lid 1, punt c), van die verordening tijdig door de Commissie worden ontvangen. De geleidelijke ingebruikneming van het EES moet van start gaan en de in deze verordening vastgestelde afwijkingen moeten van toepassing zijn vanaf de door de Commissie overeenkomstig artikel 66, lid 1, van Verordening (EU) 2017/2226 vastgestelde datum waarop het EES in gebruik wordt genomen. Aangezien deze verordening voorziet in tijdelijke afwijkingen, moet zij 180 dagen na die datum ophouden van toepassing te zijn. De bepalingen die voorzien in afwijkingen van de toepassing van de bij Verordening (EU) 2017/2226 vastgelegde overgangsperiode en overgangsmaatregelen, van de toegang tot EES-gegevens en van de verificatie door de vervoerders van in de reisdocumenten aangebrachte stempels, alsook de bepalingen inzake de opschorting van het EES, moeten echter gedurende een beperkte periode na het einde van de geleidelijke ingebruikneming van het EES van toepassing blijven.

(28)

Daar de doelstelling van deze verordening, namelijk het vaststellen van regels inzake de geleidelijke ingebruikneming van het EES en inzake afwijkingen van de Verordeningen (EU) 2017/2226 en (EU) 2016/399, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen van het optreden beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen treffen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.

(29)

Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het VEU en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van deze verordening; deze is bijgevolg niet bindend voor, noch van toepassing op Denemarken. Aangezien deze verordening voortbouwt op het Schengenacquis, beslist Denemarken overeenkomstig artikel 4 van het bovengenoemde protocol binnen een termijn van zes maanden nadat de Raad heeft beslist over deze verordening of het deze in zijn interne recht zal omzetten.

(30)

Deze verordening vormt een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis waaraan Ierland niet deelneemt, overeenkomstig Besluit 2002/192/EG van de Raad (12). Ierland neemt derhalve niet deel aan de vaststelling van deze verordening en deze is niet bindend voor, noch van toepassing op Ierland.

(31)

Wat IJsland en Noorwegen betreft, vormt deze verordening een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis in de zin van de Overeenkomst tussen de Raad van de Europese Unie en de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen inzake de wijze waarop IJsland en Noorwegen worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (13) die vallen onder het gebied bedoeld in artikel 1, punt A, van Besluit 1999/437/EG van de Raad (14).

(32)

Wat Zwitserland betreft, vormt deze verordening een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis in de zin van de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (15) die vallen onder het gebied bedoeld in artikel 1, punt A, van Besluit 1999/437/EG, in samenhang met artikel 3 van Besluit 2008/146/EG van de Raad (16).

(33)

Wat Liechtenstein betreft, vormt deze verordening een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis in de zin van het Protocol tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein betreffende de toetreding van het Vorstendom Liechtenstein tot de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (17) die vallen onder het gebied bedoeld in artikel 1, punt A, van Besluit 1999/437/EG, in samenhang met artikel 3 van Besluit 2011/350/EU van de Raad (18).

(34)

Wat Cyprus betreft, zijn de bepalingen van deze verordening inzake het VIS bepalingen die op het Schengenacquis voortbouwen of anderszins daaraan zijn gerelateerd in de zin van artikel 3, lid 2, van de Toetredingsakte van 2003. Voor de werking van het EES is vereist dat passieve toegang tot het VIS wordt verleend. Aangezien het EES uitsluitend mag worden gebruikt door de lidstaten die bij de ingebruikneming van het EES voldoen aan de voorwaarden met betrekking tot het VIS, zal Cyprus het EES niet vanaf het begin van de ingebruikneming gaan gebruiken. Cyprus moet op het EES worden aangesloten zodra aan de voorwaarden van de in Verordening (EU) 2017/2226 bedoelde procedure wordt voldaan.

(35)

Overeenkomstig artikel 42, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad (19) is de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming geraadpleegd, en op 10 maart 2025 heeft hij een advies uitgebracht.

(36)

Deze verordening bevat strenge regels voor de toegang tot het EES en de nodige waarborgen voor die toegang tijdens de geleidelijke ingebruikneming van het EES en gedurende een bepaalde periode na het einde van de geleidelijke ingebruikneming van het EES. Ook handhaaft deze verordening het recht van toegang, rectificatie, aanvulling, uitwissing en verhaal van de betrokken personen, in het bijzonder het recht op een voorziening in rechte, en het toezicht op de verwerkingsactiviteiten met betrekking tot EES-gegevens door onafhankelijke overheidsinstanties. Deze verordening strookt derhalve met de grondrechten en de in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie erkende beginselen, met name het recht op menselijke waardigheid, het verbod van slavernij en dwangarbeid, het recht op vrijheid en veiligheid, de eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven, de bescherming van persoonsgegevens, het recht op non-discriminatie, de rechten van het kind, de rechten van ouderen, de integratie van personen met een handicap en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht.

(37)

Deze verordening laat de verplichtingen die voortvloeien uit het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 28 juli 1951, als gewijzigd bij het protocol van New York van 31 januari 1967, onverlet,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

Deze verordening voorziet in regels voor de geleidelijke ingebruikneming van het uit hoofde van Verordening (EU) 2017/2226 ingestelde inreis-uitreissysteem (EES) aan de grenzen van de lidstaten waar het EES wordt gebruikt overeenkomstig artikel 4 van die verordening, alsook in tijdelijke afwijkingen van sommige bepalingen van de Verordeningen (EU) 2017/2226 en (EU) 2016/399.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities van artikel 3, lid 1, van Verordening (EU) 2017/2226.

Daarnaast wordt verstaan onder:

1)

“geleidelijke ingebruikneming van het EES”: de periode van 180 dagen vanaf de door de Commissie overeenkomstig artikel 66, lid 1, van Verordening (EU) 2017/2226 vastgestelde datum waarop het EES in gebruik wordt genomen;

2)

“nationale autoriteiten”: de in artikel 9 van Verordening (EU) 2017/2226 bedoelde autoriteiten;

3)

“geraamd aantal grensoverschrijdingen”: de raming van een lidstaat van het aantal grensoverschrijdingen door onderdanen van derde landen als bedoeld in artikel 2, leden 1 en 2, van Verordening (EU) 2017/2226 in de desbetreffende lidstaat op basis van het jaarlijkse gemiddelde van het totale aantal grensoverschrijdingen aan de in artikel 4 van Verordening (EU) 2017/2226 genoemde grenzen van onderdanen van derde landen die die lidstaat inreizen voor een kort verblijf, berekend over de twee kalenderjaren voorafgaand aan de overeenkomstig artikel 66, lid 1, van Verordening (EU) 2017/2226 vastgestelde datum waarop het EES in gebruik wordt genomen.

Artikel 3

Invoeringsplannen en rapportage

1.   Uiterlijk op 25 augustus 2025 verstrekt het Agentschap van de Europese Unie voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (eu-LISA) het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de lidstaten, alsook Europol, een invoeringsplan op hoog niveau voor de geleidelijke ingebruikneming van het EES (het “eu-LISA-invoeringsplan op hoog niveau”), waarin rekening wordt gehouden met de in artikel 4, leden 2 tot en met 5, vastgestelde drempels en vereisten. Dat plan ondersteunt de doeltreffende en continue werking van het centrale systeem van het EES door de prestatie- en beschikbaarheidsdoelstellingen van het centrale systeem van het EES alsook de strategie met betrekking tot eventuele kleine, grote en belemmerende functionele defecten te bevestigen, geeft aan wat de noodprocedures zijn en bevat richtsnoeren voor de lidstaten en Europol inzake de werking van het centrale systeem van het EES.

Het eu-LISA-invoeringsplan op hoog niveau wordt goedgekeurd door de raad van bestuur van eu-LISA.

2.   Uiterlijk op 24 september 2025 stelt elke lidstaat, in overleg met de Commissie en eu-LISA, een nationaal invoeringsplan op voor de geleidelijke ingebruikneming van het EES (het “nationale invoeringsplan”), waarbij rekening wordt gehouden met het eu-LISA-invoeringsplan op hoog niveau, en maakt dat plan over aan de Commissie. Indien een lidstaat het EES niet volledig in gebruik neemt vanaf het begin van de geleidelijke ingebruikneming van het EES, wordt in het nationale invoeringsplan gespecificeerd hoe aan de drempels en vereisten van artikel 4 moet worden voldaan.

eu-LISA beoordeelt of de nationale invoeringsplannen in technisch opzicht in overeenstemming zijn met het eu-LISA-invoeringsplan op hoog niveau, en bevestigt dat ze geen technische tekortkomingen bevatten die de ingebruikneming van het EES verder zouden kunnen vertragen. De Commissie beoordeelt de algemene samenhang van alle nationale invoeringsplannen en beoordeelt tevens of elk nationaal invoeringsplan overeenstemt met de drempels en vereisten van artikel 4.

Wanneer een lidstaat voornemens is het EES in gebruik te nemen of de biometrische functies van het EES te gebruiken bij een specifieke grensdoorlaatpost, stelt die lidstaat de infrastructuurbeheerders van die grensdoorlaatpost daarvan in kennis.

3.   Vanaf de dertigste dag vanaf de eerste dag van de geleidelijke ingebruikneming van het EES brengen de lidstaten maandelijks verslag uit aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en eu-LISA om de uitvoering van hun nationale invoeringsplannen te bevestigen dan wel om afwijkingen en corrigerende maatregelen vast te stellen indien die nodig zijn om te voldoen aan de drempels en vereisten van artikel 4.

4.   De Commissie vergemakkelijkt de indiening van beknopte nationale invoeringsplannen en maandelijkse verslagen door de lidstaten.

5.   Op verzoek van de Commissie verstrekt eu-LISA de Commissie de statistieken die de Commissie nodig heeft voor het toezicht op de uitvoering van het eu-LISA-invoeringsplan op hoog niveau en de nationale invoeringsplannen, overeenkomstig artikel 63, lid 6, van Verordening (EU) 2017/2226.

6.   Indien nodig vaardigt de Commissie, in overleg met de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming, verdere praktische richtsnoeren uit voor de verwerking van persoonsgegevens in het EES tijdens de geleidelijke ingebruikneming van het EES.

Artikel 4

Geleidelijke ingebruikneming van het EES

1.   In afwijking van artikel 66, lid 6, van Verordening (EU) 2017/2226 gebruiken de lidstaten het EES tijdens de geleidelijke ingebruikneming van het EES overeenkomstig de leden 2 tot en met 6 van dit artikel.

2.   Vanaf de eerste dag van de geleidelijke ingebruikneming van het EES gebruikt elke lidstaat het EES bij inreizen en uitreizen aan een of meer grensdoorlaatposten met, indien mogelijk en van toepassing, een combinatie van grensdoorlaatposten aan lucht-, land- en zeegrenzen, voor het registreren en opslaan van gegevens over onderdanen van derde landen als bedoeld in artikel 2, leden 1 en 2, van Verordening (EU) 2017/2226. Uiterlijk op de dertigste dag vanaf de eerste dag van de geleidelijke ingebruikneming van het EES registreert elke lidstaat in het EES ten minste 10 % van het voor het eigen land geraamde aantal grensoverschrijdingen.

Gedurende de eerste zestig dagen na het begin van de geleidelijke ingebruikneming van het EES kunnen de lidstaten het EES zonder biometrische functies gebruiken en kunnen de nationale autoriteiten persoonlijke dossiers zonder biometrische gegevens aanmaken of bijwerken.

3.   Uiterlijk op de negentigste dag vanaf de eerste dag van het begin van de geleidelijke ingebruikneming van het EES gebruiken de lidstaten het EES met biometrische functies bij ten minste de helft van hun grensdoorlaatposten. Elke lidstaat registreert in het EES ten minste 35 % van het voor het eigen land geraamde aantal grensoverschrijdingen. De in het EES geregistreerde persoonlijke dossiers van de in artikel 2, leden 1 en 2, van Verordening (EU) 2017/2226 bedoelde onderdanen van derde landen bevatten biometrische gegevens.

4.   Uiterlijk op de 150e dag vanaf de eerste dag van het begin van de geleidelijke ingebruikneming van het EES gebruikt elke lidstaat het EES met biometrische functies aan al zijn grensdoorlaatposten en registreert hij ten minste 50 % van het voor het eigen land geraamde aantal grensoverschrijdingen in het EES.

5.   Uiterlijk op de 170e dag vanaf de eerste dag van het begin van de geleidelijke ingebruikneming van het EES gebruikt elke lidstaat het EES met biometrische functies aan al zijn grensdoorlaatposten en registreert hij alle in artikel 2, leden 1 en 2, van Verordening (EU) 2017/2226 bedoelde onderdanen van derde landen in het EES.

6.   Weigeringen van toegang waartoe is besloten aan een grensdoorlaatpost waar het EES wordt gebruikt, worden in het EES geregistreerd overeenkomstig artikel 18 van Verordening (EU) 2017/2226.

Voor de toepassing van dit lid worden, indien het EES met biometrische functies wordt gebruikt, weigeringen van toegang geregistreerd met biometrische gegevens en worden, indien het EES zonder biometrische functies wordt gebruikt, weigeringen van toegang geregistreerd zonder biometrische gegevens.

7.   Vanaf de eerste dag van de geleidelijke ingebruikneming van het EES maakt Europol gebruik van het EES zoals vastgesteld in Verordening (EU) 2017/2226.

Artikel 5

Andere afwijkingen van de Verordeningen (EU) 2017/2226 en (EU) 2016/399

1.   Naast de regels van artikel 4 zijn de regels van dit artikel van toepassing tijdens de geleidelijke ingebruikneming van het EES, ongeacht de wijze waarop de lidstaten ervoor kiezen het EES in gebruik te nemen.

2.   De grensautoriteiten stempelen systematisch de reisdocumenten van onderdanen van derde landen af als bedoeld in artikel 2, leden 1 en 2, van Verordening (EU) 2017/2226 bij inreis en uitreis.

De in artikel 42 bis, lid 1, tweede alinea, en artikel 42 bis, leden 2, 5 en 6, van Verordening (EU) 2016/399 bedoelde verplichtingen tot afstempeling zijn van overeenkomstige toepassing in de lidstaten die het EES gebruiken.

3.   Bij het invoeren, wijzigen, verwijderen en raadplegen van de gegevens in het EES moeten de nationale autoriteiten die bevoegd zijn voor de doeleinden van de artikelen 23 tot en met 29, 31, 32, 34 en 35 van Verordening (EU) 2017/2226:

a)

voorrang geven aan stempels indien er geen relevante EES-gegevens zijn;

b)

voorrang geven aan EES-gegevens:

i)

indien er een discrepantie bestaat tussen het persoonlijke dossier dat biometrische gegevens bevat en de stempel, of

ii)

indien een stempel ontbreekt;

c)

per geval beslissen of de stempel dan wel de EES-gegevens voorrang krijgen:

i)

indien er een discrepantie bestaat tussen het persoonlijke dossier zonder biometrische gegevens en de overeenkomstig lid 2 van dit artikel aangebrachte stempel, of

ii)

in gevallen als bedoeld in artikel 16, lid 4, van Verordening (EU) 2017/2226.

De nationale autoriteiten en Europol nemen geen beslissingen met nadelige gevolgen voor personen louter op grond van het feit dat een vermeende binnenkomst of een vermeend vertrek niet in het EES is geregistreerd.

4.   Bij het ontbreken van een stempel in het reisdocument en van een persoonlijk dossier dat in het EES is aangemaakt voor een onderdaan van een derde land die zich op het grondgebied van een lidstaat bevindt, mogen de nationale autoriteiten ervan uitgaan dat de onderdaan van een derde land niet, of niet langer, voldoet aan de voorwaarden voor toegang tot of verblijf in de lidstaten.

Het in de eerste alinea bedoelde vermoeden geldt niet voor onderdanen van derde landen die op enigerlei wijze geloofwaardige bewijsmiddelen kunnen overleggen waaruit blijkt dat zij het recht van vrij verkeer uit hoofde van het Unierecht genieten of in het bezit zijn van een verblijfsvergunning of een visum voor verblijf van langere duur.

Het in de eerste alinea bedoelde vermoeden kan worden weerlegd wanneer de onderdanen van derde landen op enigerlei wijze geloofwaardige bewijsmiddelen kunnen overleggen, zoals vervoerbewijzen of bewijzen van hun aanwezigheid buiten het grondgebied van de lidstaten of van de vervaldatum van een vorige verblijfsvergunning of een vorig visum voor verblijf van langere duur, waaruit blijkt dat zij aan de voorwaarden inzake de duur van een kort verblijf hebben voldaan.

Indien het in de eerste alinea bedoelde vermoeden wordt weerlegd, voeren de nationale autoriteiten met behulp van het EES een of meer van de volgende taken uit, voor zover deze verordening dat toestaat:

a)

zij leggen zo nodig in het EES een persoonlijk dossier aan voor die onderdaan van een derde land;

b)

zij werken de meest recente inreis-uitreisnotitie voor die onderdaan van een derde land bij door de ontbrekende gegevens in te vullen;

c)

zij verwijderen een bestaand dossier voor die onderdaan van een derde land indien artikel 35 van Verordening (EU) 2017/2226 van toepassing is.

5.   De grensautoriteiten maken alleen gebruik van de interoperabiliteit tussen het EES en het VIS als bedoeld in artikel 8, lid 2, van Verordening (EU) 2017/2226 bij de grensdoorlaatposten waar het EES wordt gebruikt. De grensautoriteiten blijven rechtstreeks toegang hebben tot het VIS:

a)

bij de grensdoorlaatposten waar het EES niet wordt gebruikt;

b)

indien het EES is opgeschort op grond van artikel 7 van deze verordening.

6.   De nationale autoriteiten en Europol laten het volgende buiten beschouwing:

a)

de resultaten van de automatische calculator die informatie biedt over de maximale duur van het toegestane verblijf als bedoeld in artikel 11 van Verordening (EU) 2017/2226;

b)

de automatisch gegenereerde lijst van verblijfsduuroverschrijders en de gevolgen van een dergelijke overschrijding, met name als bedoeld in artikel 6, lid 1, punten c) en h), artikel 12, lid 3, artikel 16, lid 4, artikel 34, lid 3, artikel 50, lid 1, punten i) en k), en artikel 63, lid 1, punt e), van Verordening (EU) 2017/2226.

7.   Voor de toepassing van de artikelen 45 en 48 van Verordening (EU) 2017/2226 worden verwerkingen van EES-gegevens door lidstaten op grond van deze verordening niet beschouwd als onrechtmatig of als niet in overeenstemming met Verordening (EU) 2017/2226.

8.   De verificatie van de identiteit en van de eerdere registratie van onderdanen van derde landen op grond van artikel 23 van Verordening (EU) 2017/2226 wordt uitgevoerd bij de in artikel 2, leden 1 en 2, van die verordening bedoelde onderdanen van derde landen bij de grensdoorlaatposten waar het EES met biometrische functies wordt gebruikt, ook via zelfbedieningssystemen, indien beschikbaar.

9.   Naast de in artikel 50, lid 5, van Verordening (EU) 2017/2226 bedoelde specifieke informatie die door de lidstaten moet worden toegevoegd aan de template voor het verstrekken van informatie aan onderdanen van derde landen als bedoeld in artikel 2, leden 1 en 2, van die verordening, over de verwerking van hun persoonsgegevens in het EES, vullen de lidstaten die template op het moment dat hun persoonlijke dossier wordt aangemaakt aan met de volgende informatie:

“Houd er rekening mee dat het inreis-uitreissysteem geleidelijk wordt ingevoerd. Tijdens deze periode [die ingaat op …], worden uw persoonsgegevens, waaronder uw biometrische gegevens, mogelijk niet verzameld ten behoeve van het inreis-uitreissysteem aan de buitengrenzen van alle lidstaten. Indien het verzamelen van die informatie verplicht is en u ervoor kiest die niet te verstrekken, wordt u de toegang geweigerd. Tijdens de geleidelijke invoering worden uw gegevens niet automatisch toegevoegd aan een lijst van verblijfsduuroverschrijders. Bovendien kunt u niet via de EES-website of de apparatuur bij de grensdoorlaatposten nagaan hoelang u nog mag blijven. U kunt de duur van uw toegestane verblijf controleren met behulp van de calculator voor korte verblijven op de website van de Europese Commissie op https://home-affairs.ec.europa.eu/policies/schengen/border-crossing/short-stay-calculator_nl.

Nadat de geleidelijke invoering van het inreis-uitreissysteem is voltooid, worden uw persoonsgegevens verwerkt zoals verder in dit formulier is beschreven.”.

10.   De in artikel 50, lid 3, van Verordening (EU) 2017/2226 bedoelde informatie op de EES-website wordt door de Commissie aangepast om rekening te houden met de geleidelijke ingebruikneming van het EES.

11.   De specifieke omstandigheden bij de grensdoorlaatposten komen naar voren in de in artikel 51 van Verordening (EU) 2017/2226 bedoelde voorlichtingscampagne. Bij die voorlichtingscampagne wordt gewaarborgd dat de relevante informatie aan de betrokkenen wordt meegedeeld en wordt rekening gehouden met de in artikel 4 van deze verordening vastgestelde drempels en vereisten. Voorafgaand aan de geleidelijke ingebruikneming van het EES past de Commissie, in samenwerking met de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming, het materiaal voor die voorlichtingscampagne binnen een redelijke termijn aan. Voorts blijft de Commissie de lidstaten ondersteunen bij de voorbereiding van dat materiaal.

12.   De toepassing van artikel 11, lid 3, artikel 12, leden 1 en 2, artikel 13, leden 1 en 2, artikel 20 en artikel 21 van Verordening (EU) 2017/2226, en van artikel 8, lid 9, van Verordening (EU) 2016/399 wordt opgeschort.

13.   In afwijking van artikel 22 van Verordening (EU) 2017/2226 en artikel 12 bis van Verordening (EU) 2016/399 zijn de in die artikelen vastgelegde overgangsperiode en overgangsmaatregelen van toepassing vanaf de eerste dag na het einde van de geleidelijke ingebruikneming van het EES.

14.   Bij de grensdoorlaatposten waar het EES niet wordt gebruikt, worden grenscontroles uitgevoerd overeenkomstig Verordening (EU) 2016/399, zoals van toepassing op de dag vóór de door de Commissie overeenkomstig artikel 66, lid 1, van Verordening (EU) 2017/2226 vastgestelde datum waarop het EES in gebruik wordt genomen.

Bij de grensdoorlaatposten waar het EES wordt gebruikt, worden grenscontroles uitgevoerd overeenkomstig de Verordeningen (EU) 2017/2226 en (EU) 2016/399.

In afwijking van de tweede alinea van dit lid zijn bij de grensdoorlaatposten waar het EES zonder biometrische functies wordt gebruikt, artikel 6, lid 1, punt f), i), van Verordening (EU) 2016/399 en, uitsluitend voor de doeleinden van het EES, de bepalingen inzake de verificatie van onderdanen van derde landen op basis van biometrische gegevens, zoals bedoeld in artikel 6, lid 1, punt f), ii), en artikel 8, lid 3, punten a) en g), van die verordening, niet van toepassing.

Voor de toepassing van deze verordening wordt de toepassing van artikel 9, lid 3, en artikel 12 van Verordening (EU) 2016/399 opgeschort.

15.   In afwijking van artikel 37 van Verordening (EU) 2017/2226 zet de programmabestuursraad van eu-LISA zijn activiteiten voort tot het einde van de geleidelijke ingebruikneming van het EES. De programmabestuursraad van eu-LISA ziet met name toe op de geleidelijke ingebruikneming van het EES, met inbegrip van de stabiliteit van het centrale systeem van het EES, en beveelt indien passend aanvullende maatregelen aan.

Artikel 6

Toegang tot de EES-gegevens

1.   Met de mogelijke onvolledigheid van de gegevens die in het EES zijn geregistreerd tijdens de geleidelijke ingebruikneming van het EES, als gevolg van het variabele gebruik van het EES in elke lidstaat tijdens die periode, wordt als volgt rekening gehouden:

a)

door de nationale autoriteiten en Europol, wanneer zij bij de uitvoering van hun taken de inreis- en uitreisnotities raadplegen die in het EES zijn geregistreerd;

b)

door de nationale autoriteiten, bij het doorgeven van de EES-gegevens overeenkomstig de artikelen 41 en 42 van Verordening (EU) 2017/2226;

c)

door de centrale Etias-eenheid, bij een verificatie als bedoeld in artikel 25 bis, lid 2, van Verordening (EU) 2017/2226;

d)

door de bevoegde autoriteiten, de Commissie en de bevoegde agentschappen van de Unie, ten behoeve van verslagen en statistieken overeenkomstig artikel 63 van Verordening (EU) 2017/2226.

2.   Vervoerders controleren de in de reisdocumenten aangebrachte stempels om te voldoen aan hun verplichtingen uit hoofde van artikel 26, lid 1, van de Schengenuitvoeringsovereenkomst en uit hoofde van Richtlijn 2001/51/EG voor de duur van de geleidelijke ingebruikneming van het EES. In afwijking van artikel 13, lid 3, van Verordening (EU) 2017/2226 kunnen vervoerders gebruikmaken van de in dat artikel bedoelde webdienst vanaf de negentigste dag vanaf de eerste dag van de geleidelijke ingebruikneming van het EES.

Gedurende een periode van 180 dagen na het einde van de geleidelijke ingebruikneming van het EES blijven vervoerders, naast het gebruik van de webdienst op grond van artikel 13, lid 3, van Verordening (EU) 2017/2226, de in reisdocumenten aangebrachte stempels controleren om te voldoen aan hun verplichtingen uit hoofde van artikel 26, lid 1, van de Schengenuitvoeringsovereenkomst en uit hoofde van Richtlijn 2001/51/EG.

3.   Bij het nakomen van de verplichtingen als bedoeld in de artikelen 35 en 52 van Verordening (EU) 2017/2226 met betrekking tot de aanvulling van in het EES opgeslagen persoonsgegevens vullen de lidstaten de relevante persoonsgegevens alleen voor zover mogelijk aan, gezien de beperkte beschikbaarheid van de gegevensreeksen die tijdens de geleidelijke ingebruikneming van het EES zijn verzameld. Indien toepasselijk wordt in het in artikel 52, lid 4, van die verordening bedoelde administratieve besluit verwezen naar de drempels en vereisten van artikel 4, leden 2 tot en met 4, van deze verordening voor de registratie van onvolledige dossiers.

4.   In afwijking van artikel 63, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EU) 2017/2226 hebben de naar behoren gemachtigde personeelsleden van het Europees Grens- en kustwachtagentschap tijdens de geleidelijke ingebruikneming van het EES geen toegang om de in het EES geregistreerde gegevens voor het uitvoeren van risicoanalyses of kwetsbaarheidsbeoordelingen te kunnen raadplegen.

Artikel 7

Opschorting van het EES

1.   Tijdens de geleidelijke ingebruikneming van het EES kunnen de lidstaten het gebruik van het EES aan bepaalde grensdoorlaatposten geheel of gedeeltelijk opschorten in het geval van een defect aan het centrale systeem van het EES, de nationale systemen of de communicatie-infrastructuur dat het gebruik van het EES aanzienlijk verstoort, of in uitzonderlijke omstandigheden die tot een zodanige verkeersdrukte leiden dat de wachttijd bij een grensdoorlaatpost buitensporig lang wordt.

In het geval van een gedeeltelijke opschorting verzamelen de lidstaten de in de artikelen 16 tot en met 20 van Verordening (EU) 2017/2226 bedoelde gegevens, met uitzondering van biometrische gegevens.

In het geval van een volledige opschorting schorten de lidstaten het gebruik van het EES volledig op en verzamelen zij geen van de in de artikelen 16 tot en met 20 van die verordening bedoelde gegevens.

In beide gevallen stellen de lidstaten de Commissie en eu-LISA onverwijld en in elk geval uiterlijk zes uur na het begin van de opschorting van het gebruik van het EES in kennis van de reden voor de gedeeltelijke of volledige opschorting van het EES en de verwachte of feitelijke duur van die opschorting. Indien dat gezien de plaatselijke omstandigheden van de grensdoorlaatposten relevant is, stellen de lidstaten de infrastructuurbeheerders van de grensdoorlaatposten en de vervoerders in kennis van die opschorting.

Zodra er een einde komt aan de situatie die tot de opschorting heeft geleid, stellen de lidstaten de Commissie en eu-LISA daarvan onverwijld in kennis. In gevallen waarin de lidstaten de infrastructuurbeheerder van de grensdoorlaatposten en vervoerders in kennis hebben gesteld van de opschorting, stellen de lidstaten hen ervan in kennis dat de situatie die tot de opschorting leidde, is beëindigd.

2.   In het geval van een storing van het centrale systeem van het EES brengt eu-LISA de Commissie en de lidstaten onverwijld op de hoogte van de reden voor die storing en van de verwachte duur ervan. Ook brengt eu-LISA de Commissie en de lidstaten onverwijld op de hoogte wanneer de storing is verholpen. Alle lidstaten bevestigen onverwijld aan de Commissie en eu-LISA dat zij het gebruik van het EES hervatten.

3.   Gedurende een periode van negentig dagen na het einde van de geleidelijke ingebruikneming van het EES kunnen de lidstaten het gebruik van het EES als bedoeld in lid 1, tweede alinea, aan een bepaalde grensdoorlaatpost gedeeltelijk opschorten voor maximaal zes uur in uitzonderlijke omstandigheden die leiden tot een zodanige verkeersdrukte dat de wachttijd aan een grensdoorlaatpost buitensporig lang wordt. Tijdens een dergelijke gedeeltelijke opschorting worden de lidstaten ontheven van hun verplichting zoals vastgesteld in artikel 21, lid 1, van Verordening (EU) 2017/2226 met betrekking tot de registratie van biometrische gegevens. De lidstaten stellen de Commissie en eu-LISA onverwijld, en in elk geval uiterlijk zes uur na het begin van de gedeeltelijke opschorting, in kennis van de reden voor de opschorting en van de verwachte of feitelijke duur ervan.

4.   Indien minder dan 80 % van de tijdens de geleidelijke ingebruikneming van het EES in het EES geregistreerde persoonlijke dossiers biometrische gegevens bevat, wordt de in lid 3 bedoelde termijn van negentig dagen automatisch met zestig dagen verlengd.

5.   Op de tiende dag na het einde van de geleidelijke ingebruikneming van het EES verstrekt eu-LISA de Commissie statistieken aan de hand waarvan de Commissie kan nagaan of het in lid 4 bedoelde percentage is bereikt. Op de dertigste dag na het einde van de geleidelijke ingebruikneming van het EES stelt de Commissie de lidstaten in kennis van het resultaat van die verificatie.

Artikel 8

Inwerkingtreding en toepassing

1.   Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van de door de Commissie overeenkomstig artikel 66, lid 1, van Verordening (EU) 2017/2226 vastgestelde datum waarop het EES in gebruik wordt genomen.

Artikel 3 is echter van toepassing met ingang van 26 juli 2025.

2.   Deze verordening houdt op van toepassing te zijn 180 dagen vanaf de door de Commissie overeenkomstig artikel 66, lid 1, van Verordening (EU) 2017/2226 vastgestelde datum waarop het EES in gebruik wordt genomen. Niettemin geldt het volgende:

a)

artikel 5, lid 13, en artikel 6, leden 1, 3 en 4, houden op van toepassing te zijn vijf jaar en 180 dagen vanaf de door de Commissie overeenkomstig artikel 66, lid 1, van Verordening (EU) 2017/2226 vastgestelde datum waarop het EES in gebruik wordt genomen;

b)

artikel 6, lid 2, tweede alinea, houdt op van toepassing te zijn 360 dagen vanaf de door de Commissie overeenkomstig artikel 66, lid 1, van Verordening (EU) 2017/2226 vastgestelde datum waarop het EES in gebruik wordt genomen;

c)

Artikel 7, leden 3 en 4, houdt op van toepassing te zijn 330 dagen vanaf de door de Commissie overeenkomstig artikel 66, lid 1, van Verordening (EU) 2017/2226 vastgestelde datum waarop het EES in gebruik wordt genomen;

d)

Artikel 7, lid 5, houdt op van toepassing te zijn 210 dagen vanaf de door de Commissie overeenkomstig artikel 66, lid 1, van Verordening (EU) 2017/2226 vastgestelde datum waarop het EES in gebruik wordt genomen.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te Brussel, 18 juli 2025.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

R. METSOLA

Voor de Raad

De voorzitter

M. BJERRE


(1)  Standpunt van het Europees Parlement van 8 juli 2025 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 18 juli 2025.

(2)  Verordening (EU) 2017/2226 van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2017 tot instelling van een inreis-uitreissysteem (EES) voor de registratie van inreis- en uitreisgegevens en van gegevens over weigering van toegang ten aanzien van onderdanen van derde landen die de buitengrenzen overschrijden en tot vaststelling van de voorwaarden voor toegang tot het EES voor rechtshandhavingsdoeleinden en tot wijziging van de overeenkomst ter uitvoering van het te Schengen gesloten akkoord en Verordeningen (EG) nr. 767/2008 en (EU) nr. 1077/2011 (PB L 327 van 9.12.2017, blz. 20, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2017/2226/oj).

(3)  Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) (PB L 77 van 23.3.2016, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2016/399/oj).

(4)  Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2016/679/oj).

(5)  Verordening (EU) 2018/1726 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (eu-LISA), tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1987/2006 en Besluit 2007/533/JBZ van de Raad en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1077/2011 (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 99, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/1726/oj).

(6)  Beschikking 2004/512/EG van de Raad van 8 juni 2004 betreffende het opzetten van het Visuminformatiesysteem (VIS) (PB L 213 van 15.6.2004, blz. 5, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2004/512/oj).

(7)   PB L 239 van 22.9.2000, blz. 19, ELI: http://data.europa.eu/eli/convention/2000/922/oj.

(8)  Richtlijn 2001/51/EG van de Raad van 28 juni 2001 tot aanvulling van het bepaalde in artikel 26 van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen van 14 juni 1985 (PB L 187 van 10.7.2001, blz. 45, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2001/51/oj).

(9)  Verordening (EU) 2018/1240 van het Europees Parlement en de Raad van 12 september 2018 tot oprichting van een Europees reisinformatie- en -autorisatiesysteem (Etias) en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1077/2011, (EU) nr. 515/2014, (EU) 2016/399, (EU) 2016/1624 en (EU) 2017/2226 (PB L 236 van 19.9.2018, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/1240/oj).

(10)  Verordening (EU) 2019/1896 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2019 betreffende de Europese grens- en kustwacht en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1052/2013 en Verordening (EU) 2016/1624 (PB L 295 van 14.11.2019, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2019/1896/oj).

(11)  Verordening (EG) nr. 767/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 betreffende het Visuminformatiesysteem (VIS) en de uitwisseling tussen de lidstaten van gegevens op het gebied van visa voor kort verblijf (VIS-verordening) (PB L 218 van 13.8.2008, blz. 60, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2008/767/oj).

(12)  Besluit 2002/192/EG van de Raad van 28 februari 2002 betreffende het verzoek van Ierland deel te mogen nemen aan bepalingen van het Schengenacquis (PB L 64 van 7.3.2002, blz. 20, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2002/192/oj).

(13)   PB L 176 van 10.7.1999, blz. 36, ELI: http://data.europa.eu/eli/agree_internation/1999/439(1)/oj.

(14)  Besluit 1999/437/EG van de Raad van 17 mei 1999 inzake bepaalde toepassingsbepalingen van de door de Raad van de Europese Unie, de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen gesloten overeenkomst inzake de wijze waarop deze twee staten worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (PB L 176 van 10.7.1999, blz. 31, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/1999/437/oj).

(15)   PB L 53 van 27.2.2008, blz. 52.

(16)  Besluit 2008/146/EG van de Raad van 28 januari 2008 betreffende de sluiting namens de Europese Gemeenschap van de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (PB L 53 van 27.2.2008, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2008/146/oj).

(17)   PB L 160 van 18.6.2011, blz. 21.

(18)  Besluit 2011/350/EU van de Raad van 7 maart 2011 betreffende de sluiting namens de Europese Unie van het Protocol tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein betreffende de toetreding van het Vorstendom Liechtenstein tot de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis betreffende de afschaffing van controles aan de binnengrenzen en het verkeer van personen (PB L 160 van 18.6.2011, blz. 19, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2011/350/oj).

(19)  Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/1725/oj).


ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2025/1534/oj

ISSN 1977-0758 (electronic edition)