|
Publicatieblad |
NL L-serie |
|
2025/1430 |
17.7.2025 |
BESLUIT (EU) 2025/1430 VAN DE RAAD
van 8 juli 2025
betreffende het namens de Europese Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt over een wijziging van bijlage IV (Energie) bij de EER-overeenkomst (RED II)
(Voor de EER relevante tekst)
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 194, lid 2, in samenhang met artikel 218, lid 9,
Gezien Verordening (EG) nr. 2894/94 van de Raad van 28 november 1994 houdende bepaalde wijzen van toepassing van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (1), en met name artikel 1, lid 3,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (2) (de “EER-overeenkomst”) is op 1 januari 1994 in werking getreden. |
|
(2) |
Op grond van artikel 98 van de EER-overeenkomst kan bijlage IV (Energie) bij die overeenkomst bij besluit van het Gemengd Comité van de EER worden gewijzigd. |
|
(3) |
Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/759 van de Commissie (3) en Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad (4) moeten in de EER-overeenkomst worden opgenomen. |
|
(4) |
Verscheidene bepalingen van Richtlijn (EU) 2018/2001 vereisen wezenlijke aanpassingen die de specifieke kenmerken van de EER-overeenkomst en van de EVA-staten weerspiegelen. |
|
(5) |
Aangezien het bindende streefcijfer van de Unie voor hernieuwbare energie niet van toepassing is op de EVA-staten, mag het in artikel 3, lid 1, van Richtlijn (EU) 2018/2001 vastgestelde streefcijfer van de Unie niet van toepassing zijn op de EVA-staten. Dat artikel is daarom dienovereenkomstig aangepast. De EVA-staten hebben echter op vrijwillige wijze hun nationale indicatieve streefcijfers voor hernieuwbare energie vastgesteld, zoals uiteengezet in de verklaring van de EVA-staten die aan het besluit van het Gemengd Comité van de EER is gehecht. Bijgevolg mogen de EVA-staten geen deel uitmaken van het Unieplatform voor de ontwikkeling van hernieuwbare energie, noch deelnemen aan statistische overdrachten met de lidstaten. Artikel 8 van Richtlijn (EU) 2018/2001 mag daarom niet van toepassing zijn op de EVA-staten. |
|
(6) |
Gezien de afgelegen geografische ligging van IJsland en de daarmee samenhangende uitdagingen bij de berekening van het bruto-eindverbruik van energie in verhouding tot de hoeveelheid energie die in de luchtvaart wordt verbruikt, moet voor IJsland dezelfde drempel gelden als voor Cyprus en Malta in artikel 7 van Richtlijn (EU) 2018/2001. |
|
(7) |
Wat de vergunningsprocedures van artikel 16 van Richtlijn (EU) 2018/2001 betreft, moet in het besluit van het Gemengd Comité rekening worden gehouden met de bijzondere verplichtingen van Noorwegen om de Sami-bevolking te raadplegen, zodat de termijnen voor de vergunningsprocedure als bedoeld in artikel 16, leden 4 tot en met 6, van Richtlijn (EU) 2018/2001 met maximaal één jaar kunnen worden verlengd. |
|
(8) |
De EVA-staten moeten het beleid van de Unie ten aanzien van de wederzijdse erkenning van garanties van oorsprong met derde landen als bedoeld in artikel 19, lid 11, van Richtlijn (EU) 2018/2001 volgen. Bijgevolg mogen zij door een derde land afgegeven garanties van oorsprong niet erkennen, tenzij de Unie een overeenkomst met dat derde land heeft gesloten en tenzij aan de criteria van dat artikel is voldaan. Artikel 19, lid 11, van Richtlijn (EU) 2018/2001 is daarom dienovereenkomstig aangepast. |
|
(9) |
Aangezien Noorwegen en IJsland een groot aandeel hernieuwbare elektriciteit hebben en Noorwegen die elektriciteit voornamelijk voor verwarmingsdoeleinden gebruikt, terwijl IJsland zijn vraag naar verwarming dekt uit hernieuwbare geothermische bronnen of hernieuwbare elektriciteit, is het passend de berekeningsmethoden met betrekking tot de mainstreaming van verwarming en koeling als bedoeld in artikel 23 van Richtlijn (EU) 2018/2001 aan te passen. |
|
(10) |
Bovendien is het voor Liechtenstein momenteel niet mogelijk om de artikelen 25 tot en met 31 van Richtlijn (EU) 2018/2001 betreffende hernieuwbare energie in de vervoerssector en duurzaamheidseisen voor hernieuwbare brandstoffen toe te passen, aangezien het brandstofbeleid wordt gereguleerd in de regionale unie van Liechtenstein met Zwitserland. Daarom moet aan Liechtenstein een tijdelijke afwijking worden toegestaan, rekening houdend met het feit dat het binnen die regionale unie een systeem toepast om biobrandstoffen te verhogen op basis van een CO2-compensatiemechanisme met een streefcijfer van 23 % dat sinds 2024 van toepassing is. De afwijking mag alleen van toepassing zijn totdat Richtlijn (EU) 2018/2001, zoals gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2023/2413 van het Europees Parlement en de Raad (5), in de EER-overeenkomst is opgenomen. |
|
(11) |
Bijlage IV (Energie) bij de EER-overeenkomst moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(12) |
Het standpunt van de Unie in het Gemengd Comité van de EER moet daarom worden gebaseerd op het aangehechte ontwerpbesluit, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Het namens de Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt over de voorgestelde wijziging van bijlage IV (Energie) bij de EER-overeenkomst wordt gebaseerd op het aan dit besluit gehechte ontwerpbesluit van het Gemengd Comité van de EER.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de datum van de vaststelling ervan.
Gedaan te Brussel, 8 juli 2025.
Voor de Raad
De voorzitter
S. LOSE
(1) PB L 305 van 30.11.1994, blz. 6, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/1994/2894/oj.
(2) PB L 1 van 3.1.1994, blz. 3, ELI: http://data.europa.eu/eli/agree_internation/1994/1/oj.
(3) Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/759 van de Commissie van 14 december 2021 tot wijziging van bijlage VII bij Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad inzake een methode voor de berekening van de hoeveelheid hernieuwbare energie die wordt gebruikt voor koeling en stadskoeling (PB L 139 van 18.5.2022, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2022/759/oj).
(4) Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (herschikking) (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 82, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2018/2001/oj), gerectificeerd bij PB L 311 van 25.9.2020, blz. 11 en PB L 41 van 22.2.2022, blz. 37.
(5) Richtlijn (EU) 2023/2413 van het Europees Parlement en de Raad van 18 oktober 2023 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2018/2001, Verordening (EU) 2018/1999 en Richtlijn 98/70/EG wat de bevordering van energie uit hernieuwbare bronnen betreft, en tot intrekking van Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad (PB L, 2023/2413, 31.10.2023, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2023/2413/oj).
ONTWERP
BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER
Nr. …
van …
tot wijziging van bijlage IV (Energie) bij de EER-overeenkomst
HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER,
Gezien de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (“de EER-overeenkomst”), en met name artikel 98,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/759 van de Commissie van 14 december 2021 tot wijziging van bijlage VII bij Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad inzake een methode voor de berekening van de hoeveelheid hernieuwbare energie die wordt gebruikt voor koeling en stadskoeling (1), moet in de EER-overeenkomst worden opgenomen. |
|
(2) |
Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (2), gerectificeerd bij PB L 311 van 25.9.2020, blz. 11, en PB L 41 van 22.2.2022, blz. 37, moet in de EER-overeenkomst worden opgenomen. |
|
(3) |
De in de EER-overeenkomst opgenomen Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad (3) wordt bij Richtlijn (EU) 2018/2001 ingetrokken en moet daarom uit de EER-overeenkomst worden geschrapt. |
|
(4) |
De EVA-staten zijn niet opgenomen in het bindende algemene streefcijfer van de Unie voor het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto-eindverbruik van energie in de Unie in 2030. Artikel 3 van Richtlijn (EU) 2018/2001 moet van toepassing zijn op de EVA-staten, met uitzondering van de bepalingen in artikel 3, leden 1, 5 en 6, van die richtlijn. De EVA-staten moeten in plaats daarvan nationale indicatieve streefcijfers voor hernieuwbare energie voor 2030 vaststellen en mogen bijgevolg artikel 8 met betrekking tot het Unieplatform voor de ontwikkeling van hernieuwbare energie en statistische overdrachten niet toepassen. Dat sluit de mogelijkheid van toekomstige onderhandelingen tussen de EVA-staten en de Unie over samenwerking op het gebied van streefcijfers voor hernieuwbare energie na 2030 niet uit. |
|
(5) |
De EVA-staten kunnen steunregelingen toepassen overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn (EU) 2018/2001 om hun respectieve nationale indicatieve streefcijfers voor hernieuwbare energie te halen of te overschrijden. |
|
(6) |
Artikel 7, lid 5, van Richtlijn (EU) 2018/2001 voorziet in vrijstellingen voor Cyprus en Malta in de vorm van een lagere drempel voor de berekening van het bruto-eindverbruik van energie in verband met de hoeveelheid in de luchtvaart verbruikte energie. IJsland is een afgelegen eiland met lange afstanden tussen IJsland en de buurlanden. In het licht van deze specifieke geografische situatie moet voor IJsland dezelfde drempel gelden als voor Cyprus en Malta. |
|
(7) |
In gevallen waarin Noorwegen de plicht heeft de Sami-bevolking te raadplegen, moet ervoor worden gezorgd dat de termijnen voor de vergunningsprocedure als bedoeld in artikel 16, leden 4, 5 en 6, van Richtlijn (EU) 2018/2001 met maximaal één jaar kunnen worden verlengd. |
|
(8) |
Noorwegen en IJsland hebben een groot aandeel hernieuwbare elektriciteit. Noorwegen gebruikt voornamelijk hernieuwbare elektriciteit voor verwarmingsdoeleinden, terwijl IJsland een groot deel van zijn vraag naar verwarming uit hernieuwbare geothermische bronnen dekt en hernieuwbare elektriciteit gebruikt wanneer er geen geothermische bronnen beschikbaar zijn. Daarom moeten de berekeningsmethoden voor de mainstreaming van verwarming en koeling in Richtlijn (EU) 2018/2001 wat betreft de EVA-staten worden aangepast. |
|
(9) |
Gezien de regionale unie van Liechtenstein met Zwitserland, waarin brandstoffen door de Zwitserse autoriteiten worden gereguleerd en door Zwitserse entiteiten worden geleverd, en aangezien dit de enige bron is voor de levering van transportbrandstoffen in Liechtenstein, is een tijdelijke vrijstelling van de artikelen 25 tot en met 31 van Richtlijn (EU) 2018/2001, die regels bevatten inzake hernieuwbare energie in de vervoerssector en duurzaamheidsregels voor hernieuwbare brandstoffen, passend. Liechtenstein volgt het Zwitserse systeem van toename van biobrandstoffen op basis van een CO2-compensatiemechanisme, dat qua ambitie vergelijkbaar is met de vervangings- en besparingseffecten van de streefcijfers voor biobrandstoffen. CO2-emissies van brandstoffen voor verbrandingsvoertuigen moeten worden gecompenseerd door binnenlandse maatregelen en maatregelen in het buitenland. Artikel 37 van de CO2-verordening van Liechtenstein (LR 814.065.1) en de artikelen 9 en 10 van de CO2-wet (LR 814.065) bepalen dat vanaf 2024 23 % van de CO2-uitstoot moet worden gecompenseerd. Die vrijstelling moet gelden voor Richtlijn (EU) 2018/2001 zoals van kracht vóór de wijziging bij Richtlijn (EU) 2023/2413 van het Europees Parlement en de Raad van 18 oktober 2023 (4). Die vrijstelling is strikt beperkt in de tijd en uitsluitend van toepassing totdat overeenstemming is bereikt over de opneming van Richtlijn (EU) 2018/2001, zoals gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2023/2413, in de EER-overeenkomst. Dergelijke overeenstemming wordt geacht te zijn bereikt zodra Richtlijn (EU) 2018/2001, als gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2023/2413, in de EER-overeenkomst is opgenomen. |
|
(10) |
Liechtenstein is vrijgesteld van Verordening (EG) nr. 1099/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende energiestatistieken (5), aangezien het niet in staat is oorspronkelijke gegevens over “primair energieverbruik” of “finaal energieverbruik” te verstrekken. Liechtenstein mag nationale statistische gegevens omvormen tot gegevens over primair energieverbruik en eindenergieverbruik indien dit vereist is uit hoofde van Richtlijn (EU) 2018/2001. |
|
(11) |
Bijlage IV bij de EER-overeenkomst moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
In bijlage IV bij de EER-overeenkomst wordt de tekst van punt 41 (Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad) vervangen door:
“ 32018 L 2001: Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (herschikking) (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 82), gerectificeerd bij PB L 311 van 25.9.2020, blz. 11, en PB L 41 van 22.2.2022, blz. 37, zoals gewijzigd bij:
|
— |
32022 R 0759: Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/759 van de Commissie van 14 december 2021 (PB L 139 van 18.5.2022, blz. 1). Besluiten inzake de erkenning van vrijwillige regelingen voor het aantonen van de naleving van de duurzaamheidscriteria uit hoofde van de Richtlijnen 98/70/EG en (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad, worden vermeld in hoofdstuk XVII van bijlage II. De bepalingen van de richtlijn worden voor de toepassing van deze overeenkomst met de volgende aanpassingen gelezen:
|
Artikel 2
De in het EER-supplement bij het Publicatieblad van de Europese Unie bekend te maken teksten in de IJslandse en de Noorse taal van Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/759 en Richtlijn (EU) 2018/2001, gerectificeerd bij PB L 311 van 25.9.2020, blz. 11, en PB L 41 van 22.2.2022, blz. 37, zijn authentiek.
Artikel 3
Dit besluit treedt in werking op , op voorwaarde dat alle in artikel 103, lid 1, van de EER-overeenkomst bedoelde kennisgevingen hebben plaatsgevonden (*1).
Artikel 4
Dit besluit wordt bekendgemaakt in het EER-gedeelte van en in het EER-supplement bij het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te …, …
Voor het Gemengd Comité van de EER
De voorzitter
De secretarissen
van het Gemengd Comité van de EER
(1) PB L 139 van 18.5.2022, blz. 1.
(2) PB L 328 van 21.12.2018, blz. 82.
(3) PB L 140 van 5.6.2009, blz. 16.
(4) PB L, 2023/2413 van 31.10.2023, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2023/2413/oj.
(5) PB L 304 van 14.11.2008, blz. 1.
(*1) [Geen grondwettelijke vereisten aangegeven.] [Grondwettelijke vereisten aangegeven.]
Verklaring van de EVA-staten bij Besluit nr. …
waarbij Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad in de EER-overeenkomst wordt opgenomen
[ter goedkeuring met het besluit en voor publicatie in het PB]
De opneming van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad in de EER-overeenkomst breidt het gemeenschappelijk regelgevingskader voor de bevordering van energie uit hernieuwbare bronnen uit tot de EVA-staten. De EVA-staten zijn niet opgenomen in het EU-kerndoel voor hernieuwbare energie. De EVA-staten hebben echter respectievelijk de volgende indicatieve nationale streefcijfers voor hernieuwbare energie vastgesteld:
|
— |
IJsland heeft een nationaal indicatief streefcijfer voor hernieuwbare energie vastgesteld, uitgedrukt als een aandeel hernieuwbare energie in het bruto-eindverbruik van energie van 80 % in 2030. Het IJslandse nationale streefcijfer voor hernieuwbare energie is gebaseerd op de analyse en prognose van het IJslandse milieu- en energieagentschap (UOS) voor 2030. De sectoren voor elektriciteit en verwarming in IJsland zijn gebaseerd op 100 % hernieuwbare energiebronnen van waterkracht en geothermische energie. Het IJslandse indicatieve streefcijfer voor hernieuwbare energie voor 2030 is zestien procentpunten hoger dan het nationale streefcijfer voor het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto-eindverbruik van energie in 2020. |
|
— |
Op 6 november 2020 heeft het parlement van Liechtenstein (Landtag) zijn energiestrategie voor 2030 aangenomen, met een nationaal streefcijfer van 30 % voor het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen. Deze doelstelling wordt als volgt nagestreefd: Ongeveer 17 % is afkomstig van binnenlandse hernieuwbare energiebronnen (voornamelijk fotovoltaïsche energie en, waar mogelijk, windenergie en, op kleinere schaal, biomassa) en ongeveer 13 % is afkomstig van ingevoerde hernieuwbare energiebronnen (e-brandstoffen, hernieuwbare waterstof). Er wordt jaarlijks verslag uitgebracht over de verwezenlijking van de doelstellingen (als onderdeel van een monitoringverslag ter attentie van het parlement van Liechtenstein). |
|
— |
Noorwegen heeft een nationaal indicatief streefcijfer voor hernieuwbare energie vastgesteld, uitgedrukt als een aandeel hernieuwbare energie in het bruto-eindverbruik van energie van 77,5 % in 2030. Het Noorse nationale streefcijfer voor hernieuwbare energie is gebaseerd op de analyse en prognoses van het Noorse Energieagentschap (NVE) voor 2030 en op interne beoordelingen door het Noorse ministerie van Energie. Het beginpunt van Noorwegen is zeer hoog, aangezien Noorwegen in een vroeg stadium een voortrekkersrol heeft gespeeld op het gebied van hernieuwbare energie. Tegelijkertijd betekent dit dat reeds gebruik wordt gemaakt van de meest kostenefficiënte en gemakkelijk beschikbare maatregelen. Het Noorse indicatieve streefcijfer voor hernieuwbare energie voor 2030 is tien procentpunten hoger dan het nationale streefcijfer voor het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto-eindverbruik van energie van 67,5 % in 2020. |
ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2025/1430/oj
ISSN 1977-0758 (electronic edition)