|
Publicatieblad |
NL L-serie |
|
2025/1189 |
16.6.2025 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2025/1189 VAN DE COMMISSIE
van 13 juni 2025
tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op schroeven zonder kop van oorsprong uit de Volksrepubliek China
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (1) (“de basisverordening”), en met name artikel 7,
Na raadpleging van de lidstaten,
Overwegende hetgeen volgt:
1. PROCEDURE
1.1. Opening van het onderzoek
|
(1) |
Op 17 oktober 2024 heeft de Europese Commissie (“de Commissie”) op grond van artikel 5 van de basisverordening een antidumpingonderzoek geopend met betrekking tot de invoer van schroeven zonder kop (“schroeven”) van oorsprong uit de Volksrepubliek China (“de VRC” of “het betrokken land”). Zij heeft daartoe een bericht van inleiding gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (2) (“het bericht van inleiding”). |
|
(2) |
Het onderzoek is door de Commissie geopend naar aanleiding van een op 2 september 2024 door het Europees Instituut voor industriële bevestigingsmiddelen (“de klager”) ingediende klacht. De klacht is ingediend namens de bedrijfstak van de Unie voor schroeven zonder kop in de zin van artikel 5, lid 4, van de basisverordening. Het bij de klacht gevoegde bewijsmateriaal over dumping en de aanmerkelijke schade als gevolg daarvan werd voldoende geacht om een onderzoek te openen. |
1.2. Registratie
|
(3) |
De Commissie heeft de invoer van het betrokken product bij Uitvoeringsverordening (EU) 2025/141 (“de registratieverordening”) (3) aan registratie onderworpen. |
1.3. Belanghebbenden
|
(4) |
In het bericht van inleiding heeft de Commissie belanghebbenden uitgenodigd contact met haar op te nemen om aan het onderzoek mee te werken. Daarnaast heeft de Commissie specifiek de klager, andere haar bekende producenten in de Unie, de haar bekende producenten-exporteurs en de Chinese autoriteiten, de haar bekende importeurs, leveranciers en gebruikers, handelaren, alsmede de haar bekende betrokken verenigingen op de hoogte gebracht van de opening van het onderzoek en hen verzocht daaraan mee te werken. |
|
(5) |
De belanghebbenden zijn in de gelegenheid gesteld hun opmerkingen over de opening van het onderzoek kenbaar te maken en een aanvraag in te dienen voor een hoorzitting met de Commissie en/of de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures. |
1.4. Opmerkingen over de opening van het onderzoek
|
(6) |
Naast de in punt 2.4 uiteengezette opmerkingen over de productomschrijving werden geen andere opmerkingen ingediend over de opening van het onderzoek. |
1.5. Samenstelling van de steekproef
|
(7) |
In het bericht van inleiding deelde de Commissie mee dat zij mogelijk een steekproef van de belanghebbenden zou samenstellen in overeenstemming met artikel 17 van de basisverordening. |
Steekproef van producenten in de Unie
|
(8) |
In het bericht van inleiding kondigde de Commissie aan dat zij een voorlopige steekproef van producenten in de Unie had samengesteld. De Commissie heeft de steekproef samengesteld op basis van het grootste productie- en verkoopvolume van de verschillende productsoorten die tussen 1 juli 2023 en 30 juni 2024 binnen het toepassingsgebied van het soortgelijke product in de Unie vielen, rekening houdend met de geografische spreiding. Deze steekproef bestond uit drie producenten in de Unie. De in de steekproef opgenomen producenten in de Unie vertegenwoordigden ongeveer 14 % van het productie- en verkoopvolume van de bedrijfstak van de Unie. De Commissie heeft de belanghebbenden uitgenodigd om opmerkingen over de voorlopige steekproef in te dienen. Er werden geen opmerkingen ontvangen. De steekproef is representatief voor de bedrijfstak van de Unie. |
Steekproef van niet-verbonden importeurs
|
(9) |
Om te kunnen beslissen of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, deze te kunnen samenstellen, heeft de Commissie niet-verbonden importeurs verzocht de in het bericht van inleiding gevraagde informatie te verstrekken. |
|
(10) |
Acht niet-verbonden importeurs hebben de gevraagde informatie verstrekt en hebben ermee ingestemd om in de steekproef te worden opgenomen. Overeenkomstig artikel 17, lid 1, van de basisverordening heeft de Commissie een steekproef van drie niet-verbonden importeurs samengesteld op basis van het grootste verkoopvolume van het betrokken product in de Unie. Overeenkomstig artikel 17, lid 2, van de basisverordening zijn alle de Commissie bekende betrokken importeurs geraadpleegd over de samenstelling van de steekproef. Er werden geen opmerkingen ontvangen. |
Steekproef van producenten-exporteurs
|
(11) |
Om te beslissen of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, deze samen te stellen, heeft de Commissie alle producenten-exporteurs in de Volksrepubliek China verzocht de in het bericht van inleiding gevraagde informatie te verstrekken. Bovendien heeft de Commissie de vertegenwoordiging van de Volksrepubliek China bij de Europese Unie gevraagd eventuele andere producenten-exporteurs die in deelname aan het onderzoek geïnteresseerd konden zijn, op te sporen en/of contact met hen op te nemen. |
|
(12) |
Honderdzevenentwintig producenten-exporteurs in China hebben de gevraagde informatie verstrekt en ermee ingestemd om in de steekproef te worden opgenomen. Overeenkomstig artikel 17, lid 1, van de basisverordening heeft de Commissie een steekproef van drie producenten-exporteurs geselecteerd, samengesteld op basis van het grootste representatieve volume van uitvoer naar de Unie dat binnen de beschikbare tijd redelijkerwijs kon worden onderzocht. Overeenkomstig artikel 17, lid 2, van de basisverordening zijn alle bekende betrokken producenten-exporteurs en de autoriteiten van de Volksrepubliek China over de samenstelling van de steekproef geraadpleegd. |
|
(13) |
Na een opmerking van een niet in de steekproef opgenomen producent-exporteur, die aanvoerde dat een van de ondernemingen die voor de steekproef was geselecteerd, een handelsonderneming was in plaats van een producent-exporteur, heeft de Commissie bij de in de steekproef opgenomen onderneming gecontroleerd of die informatie correct was. Nadat zij had bevestigd dat de onderneming inderdaad een handelaar was, heeft de Commissie beslist om de steekproef te herzien en deze onderneming te vervangen door een andere producent-exporteur. |
|
(14) |
De nieuwe geselecteerde producent-exporteur heeft de Commissie in kennis gesteld van zijn beslissing om niet mee te werken aan het onderzoek en het antwoord op de vragenlijst niet in te dienen. Bijgevolg heeft de Commissie deze producent-exporteur op de hoogte gebracht dat zij het niet-indienen van een antwoord op de vragenlijst beschouwde als niet-medewerking overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening. |
|
(15) |
Daardoor heeft de Commissie de steekproef een tweede keer herzien en een derde producent-exporteur geselecteerd voor de definitieve steekproef om de in overweging 14 genoemde niet-medewerkende producent te vervangen. |
|
(16) |
Voor beide herzieningen van de steekproef heeft de Commissie hetzelfde criterium toegepast als voor de selectie van de oorspronkelijke steekproef, d.w.z. het grootste representatieve volume van de uitvoer naar de Unie tijdens het onderzoektijdvak dat binnen de beschikbare tijd redelijkerwijs kan worden onderzocht. |
1.6. Individueel onderzoek
|
(17) |
Geen enkele producent-exporteur in de VRC heeft op grond van artikel 17, lid 3, van de basisverordening om een individueel onderzoek verzocht. |
1.7. Verzoek om anonimiteit
|
(18) |
De meeste producenten in de Unie die ofwel door de klager werden vertegenwoordigd ofwel de klager steunden, hebben verzocht anoniem te worden behandeld om mogelijke vergeldingsmaatregelen van afnemers in de Unie die ook schroeven zonder kop bij Chinese leveranciers hadden aangekocht, te voorkomen. Tot deze afnemers behoorden enkele grote ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht in vergelijking met de producenten van schroeven zonder kop in de Unie, die meestal kmo’s zijn. Gezien de asymmetrie tussen de producenten en gebruikers van schroeven zonder kop in de Unie, concludeerde de Commissie dat het door de producenten in de Unie, vertegenwoordigd door het EIFI, en ondersteuners van de klacht aangevoerde risico van vergeldingsmaatregelen inderdaad bestond. Op grond hiervan heeft de Commissie de namen van deze ondernemingen vertrouwelijk behandeld. |
1.8. Antwoorden op de vragenlijst en controlebezoeken
|
(19) |
De Commissie heeft de overheid van de Volksrepubliek China (“de Chinese overheid”) een vragenlijst toegezonden betreffende het bestaan van verstoringen van betekenis in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt b), van de basisverordening in de VRC. |
|
(20) |
De Commissie heeft vragenlijsten toegezonden aan de producenten in de Unie, importeurs en producenten-exporteurs. Die vragenlijsten werden op de dag van de opening van het onderzoek ook online (4) beschikbaar gesteld. |
|
(21) |
De Commissie heeft alle gegevens die zij voor de voorlopige vaststelling van dumping, de schade als gevolg daarvan en het belang van de Unie nodig achtte, verzameld en gecontroleerd. Krachtens artikel 16 van de basisverordening zijn controlebezoeken verricht bij de volgende ondernemingen:
|
1.9. Onderzoektijdvak en beoordelingsperiode
|
(22) |
Het onderzoek naar de dumping en de schade had betrekking op de periode van 1 juli 2023 tot en met 30 juni 2024 (“het onderzoektijdvak”). Het onderzoek van de ontwikkelingen die relevant zijn voor de schadebeoordeling had betrekking op de periode van 1 januari 2021 tot het einde van het onderzoektijdvak (“de beoordelingsperiode”). |
2. ONDERZOCHT PRODUCT, BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT
2.1. Onderzocht product
|
(23) |
Het onderzochte product betreft schroeven en bouten, al dan niet met bijbehorende moeren en sluitringen, zonder kop, van ijzer of van ander staal dan roestvrij staal, ongeacht de treksterkte, met uitzondering van kraagschroeven en andere houtschroeven, oogschroeven en schroefhaken, zelftappende schroeven, en schroeven en bouten voor het bevestigen van materiaal voor de bouw van spoorbanen (“het onderzochte product”). |
|
(24) |
Alle schroeven zonder kop, namelijk draadstangen, ankerbouten en U-bouten, worden gebruikt om twee of meer elementen mechanisch met elkaar te verbinden. Zij worden gebruikt door een verscheidenheid aan verwerkende industrieën en in een brede waaier aan eindtoepassingen, zoals de automobielsector, hernieuwbare energie, elektrische huishoudapparaten, landbouw, de werktuigbouwsector in het algemeen en de bouwsector. |
2.2. Betrokken product
|
(25) |
Het betrokken product is het onderzochte product, momenteel ingedeeld onder de GN-codes 7318 15 42 en 7318 15 48 , van oorsprong uit de Volksrepubliek China. |
2.3. Soortgelijk product
|
(26) |
Uit het onderzoek is gebleken dat de volgende producten dezelfde fysische, chemische en technische basiseigenschappen hebben en voor dezelfde basisdoeleinden worden gebruikt:
|
|
(27) |
De Commissie heeft in dit stadium geconcludeerd dat die producten derhalve soortgelijke producten zijn in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening. |
2.4. Argumenten betreffende de productomschrijving
2.4.1. Ankerboutkooien
|
(28) |
Fabrikanten van verankeringsbouten en ankerboutkooien uit de Europese windenergiesector hebben verzocht om ankerboutkooien op te nemen in de productomschrijving van het onderzoek. |
|
(29) |
De Commissie merkte echter op dat deze producten niet onder de productomschrijving vielen zoals uiteengezet in overweging 23, noch in de klacht met betrekking tot deze zaak, en bijgevolg werd geen bewijsmateriaal over dumping en aanmerkelijke schade om een onderzoek te rechtvaardigen, ingediend door de bedrijfstak van de Unie. Het argument werd derhalve afgewezen. |
|
(30) |
Een importeur, GebuVolco, voerde aan dat stokbouten moesten worden uitgesloten van de productomschrijving van het onderzoek. Hij argumenteerde dat:
|
|
(31) |
De Commissie was van mening dat stokbouten vergelijkbare fysieke en technische kenmerken hebben als andere schroeven. De klager bevestigde dat de bedrijfstak van de Unie over de capaciteit beschikte om stokbouten te produceren. De Commissie stelde vast dat ten minste één producenten in de Unie aangaf stokbouten te produceren (5). Voorts onderbouwde de importeur zijn argument niet met betrekking tot de reden waarom de bedrijfstak van de Unie niet in staat was stokbouten van toereikende kwaliteit te produceren. Dit argument werd dan ook afgewezen. |
3. DUMPING
3.1. Procedure voor de vaststelling van de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening
|
(32) |
Aangezien er bij de opening van het onderzoek voldoende bewijsmateriaal beschikbaar was dat wees op het bestaan van verstoringen van betekenis in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt b), van de basisverordening met betrekking tot China, achtte de Commissie het passend om met betrekking tot de producenten-exporteurs uit dit land het onderzoek te openen uit hoofde van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening. |
|
(33) |
Om de benodigde gegevens voor de mogelijke toepassing van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening te verzamelen, heeft de Commissie bijgevolg in het bericht van opening alle producenten-exporteurs in China verzocht informatie over de basisproducten voor de productie van schroeven te verstrekken. De desbetreffende informatie werd door 38 producenten-exporteurs verstrekt. |
|
(34) |
Om de informatie te verkrijgen die zij voor haar onderzoek met betrekking tot de vermeende verstoringen van betekenis nodig achtte, heeft de Commissie de Chinese overheid een vragenlijst toegezonden. Bovendien heeft de Commissie in punt 5.2 van het bericht van inleiding alle belanghebbenden uitgenodigd om binnen 37 dagen na de datum van bekendmaking van dat bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie hun standpunt kenbaar te maken, informatie in te dienen en ondersteunend bewijsmateriaal te verstrekken ten aanzien van de toepassing van artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening. |
|
(35) |
De Chinese overheid reageerde niet binnen de daarvoor gestelde termijn op de vragenlijst, en diende evenmin opmerkingen in over de toepassing van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening. Vervolgens heeft de Commissie de Chinese overheid ervan in kennis gesteld dat zij overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening de beschikbare gegevens zou gebruiken om het bestaan van verstoringen van betekenis in China vast te stellen. |
|
(36) |
In het bericht van inleiding heeft de Commissie ook vermeld dat zij, gezien het beschikbare bewijsmateriaal, op grond van artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening mogelijk een passend representatief land moest kiezen teneinde de normale waarde vast te stellen aan de hand van niet-verstoorde prijzen of benchmarks. |
|
(37) |
Op 5 maart 2025 heeft de Commissie de belanghebbenden door middel van een mededeling (“de eerste mededeling”) op de hoogte gebracht van de relevante bronnen die zij voornemens was te gebruiken om de normale waarde vast te stellen. In die mededeling heeft de Commissie een lijst verstrekt van alle productiefactoren zoals grondstoffen, arbeid en energie die bij de productie van schroeven een rol spelen. Daarnaast heeft de Commissie, op basis van de criteria voor de keuze van niet-verstoorde prijzen of benchmarks, Maleisië, Thailand en Turkije als mogelijke representatieve landen aangemerkt. |
|
(38) |
De Commissie heeft opmerkingen over de eerste mededeling ontvangen van Chinafar Group, Junyue, Brother Group en de Europese vereniging van distributeurs van bevestigingsmiddelen (EFDA — European Fasteners Distributor Association). De klager heeft opmerkingen verstrekt over de door de belanghebbenden ingediende informatie. |
|
(39) |
Op 4 april 2025 heeft de Commissie de opmerkingen van belanghebbenden over de eerste mededeling behandeld in een tweede mededeling (“de tweede mededeling”) en de belanghebbenden geïnformeerd over de relevante bronnen die zij voornemens was te gebruiken om de normale waarde vast te stellen, met Thailand als representatief land. Tevens heeft zij de belanghebbenden meegedeeld dat zij de verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten (“VAA-kosten”) en de winst zou vaststellen op basis van de onmiddellijk beschikbare financiële gegevens van drie Thaise producenten van bevestigingsmiddelen uit de Orbis-databank. |
|
(40) |
De Commissie heeft opmerkingen over de tweede mededeling ontvangen van Chinafar Group, Junyue en EFDA. De klager heeft opmerkingen verstrekt over de door de belanghebbenden ingediende informatie. Alle opmerkingen worden behandeld in de punten 3.2.2 en 3.2.3. |
|
(41) |
Nadat zij het bestaan van verstoringen van betekenis in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt b), van de basisverordening had vastgesteld, zoals uiteengezet in punt 3.2.1, en de ontvangen opmerkingen en informatie had geanalyseerd, concludeerde de Commissie dat Thailand een geschikt representatief land was waarvan de niet-verstoorde prijzen en kosten zouden worden gebruikt voor de vaststelling van de normale waarde. De onderliggende redenen voor die keuze worden beschreven in punt 3.2.2. |
3.2. Normale waarde
|
(42) |
Artikel 2, lid 1, van de basisverordening bepaalt het volgende: “De normale waarde is normaal gebaseerd op de prijzen die door onafhankelijke afnemers in het land van uitvoer in het kader van normale handelstransacties worden betaald of dienen te worden betaald”. |
|
(43) |
Artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening bepaalt evenwel: “Wanneer […] wordt vastgesteld dat het wegens het bestaan van verstoringen van betekenis in de zin van punt b) in het land van uitvoer niet passend is gebruik te maken van de binnenlandse prijzen en kosten in dat land, wordt de normale waarde uitsluitend berekend aan de hand van productie- en verkoopkosten waarin niet-verstoorde prijzen of benchmarks tot uitdrukking komen”, en deze normale waarde “omvat een niet-verstoord en redelijk bedrag voor administratiekosten, verkoopkosten en algemene kosten en voor winst” (voor “administratiekosten, verkoopkosten en algemene kosten” wordt hierna de afkorting “VAA-kosten” gebruikt). |
|
(44) |
Zoals hieronder nader wordt toegelicht, heeft de Commissie in dit onderzoek geconcludeerd dat het op basis van het beschikbare bewijsmateriaal juist was artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening toe te passen. |
3.2.1. Bestaan van verstoringen van betekenis
|
(45) |
In recente onderzoeken betreffende de ijzer- en staalsector in de VRC (6) heeft de Commissie vastgesteld dat er sprake was van verstoringen van betekenis in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt b), van de basisverordening. |
|
(46) |
In die onderzoeken heeft de Commissie vastgesteld dat er in de VRC sprake is van aanzienlijk overheidsingrijpen, wat leidt tot een verstoring van de doeltreffende toewijzing van middelen volgens marktbeginselen (7). De Commissie heeft met name geconcludeerd dat er in de staalsector — de sector die verantwoordelijk is voor de belangrijkste grondstof voor de vervaardiging van het onderzochte product — niet alleen sprake blijft van een aanzienlijke mate van eigendom van de Chinese overheid in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt b), eerste streepje, van de basisverordening (8), maar dat de Chinese overheid ook in de gelegenheid is zich te mengen in prijzen en kosten via overheidsaanwezigheid in bedrijven in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt b), tweede streepje, van de basisverordening (9). De Commissie stelde verder vast dat de aanwezigheid van de staat op de financiële markten en het ingrijpen door de staat op die markten, alsmede bij de verstrekking van grondstoffen en inputs, een extra verstorend effect hebben op de markt. Inderdaad leidt het planningssysteem van de VRC er over de gehele linie toe dat er middelen worden geconcentreerd in sectoren die door de Chinese overheid als strategisch of anderszins politiek belangrijk zijn aangemerkt, in plaats van dat de toewijzing overeenkomstig marktwerking plaatsvindt (10). Bovendien heeft de Commissie geconcludeerd dat de Chinese faillissements- en eigendomswetgeving niet naar behoren functioneert in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt b), vierde streepje, van de basisverordening, en dus verstoringen veroorzaakt, met name wanneer in de VRC insolvente ondernemingen op de been worden gehouden en grondgebruiksrechten worden toegewezen (11). In dezelfde geest heeft de Commissie vastgesteld dat er sprake was van verstoringen van loonkosten in de staalsector in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt b), vijfde streepje, van de basisverordening (12), alsmede van verstoringen op de financiële markten in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt b), zesde streepje, van de basisverordening, met name wat de toegang tot kapitaal voor ondernemingen in de VRC betreft (13). |
|
(47) |
Net als in de voorafgaande onderzoeken met betrekking tot de staalsector in de VRC is de Commissie in het huidige onderzoek nagegaan of het wegens de aanwezigheid van verstoringen van betekenis in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt b), van de basisverordening al dan niet passend was om gebruik te maken van de binnenlandse prijzen en kosten in de VRC. Daartoe heeft de Commissie gebruikgemaakt van het beschikbare bewijsmateriaal in het dossier, met inbegrip van het bewijsmateriaal in de klacht, alsmede in het werkdocument van de diensten van de Commissie over verstoringen van betekenis in de economie van de VRC met het oog op handelsbeschermingsonderzoeken (14) (“het rapport”), dat op openbaar beschikbare bronnen is gebaseerd. Bij deze analyse is niet alleen gekeken naar het aanzienlijke overheidsingrijpen in de economie van de VRC in het algemeen, maar ook naar de specifieke marktsituatie in de betrokken sector, met inbegrip van het onderzochte product. De Commissie heeft deze bewijselementen verder aangevuld met haar eigen onderzoek naar de verschillende criteria die relevant zijn om het bestaan van verstoringen van betekenis in de VRC aan te tonen, zoals die ook in het kader van haar eerdere onderzoeken in dit verband zijn vastgesteld. |
|
(48) |
In de klacht worden voorbeelden van elementen genoemd die duiden op het bestaan van verstoringen als bedoeld in het eerste tot en met zesde streepje van artikel 2, lid 6 bis, punt b), van de basisverordening, en wordt aangevoerd dat de marktvoorwaarden, en met name de kosten en prijzen, in de Chinese staalindustrie niet worden bepaald door de marktkrachten van vraag en aanbod, maar worden verstoord door staatsinmenging in de economie. |
|
(49) |
In de klacht wordt verwezen naar eerdere antidumpingonderzoeken betreffende de staalindustrie, en met name het onderzoek naar de industrie voor bevestigingsmiddelen, waarbij de Commissie heeft vastgesteld dat de Chinese industrie sterk verstoord is en de prijzen en kosten in de VRC bijgevolg geen goede basis vormen voor de vaststelling van de normale waarde (15). |
|
(50) |
Onder verwijzingen naar de desbetreffende delen van het rapport werd er in de klacht met name op gewezen dat: |
|
(51) |
Het Chinese economische stelsel is gebaseerd op het concept van een socialistische markteconomie, met als kernbeginsel socialistische publieke eigendom van de productiemiddelen, namelijk eigendom van het gehele volk en collectieve eigendom van de werkende bevolking. De socialistische markteconomie wordt ontwikkeld onder leiding van de Chinese Communistische Partij (“CCP”). De structuren van de staat en van de CCP zijn op alle niveaus met elkaar vervlochten. De Chinese staat hanteert bovendien een interventionistisch economisch beleid om zijn doelen na te streven, die niet zozeer een afspiegeling zijn van de heersende economische omstandigheden op een vrije markt, maar veeleer samenvallen met de politieke agenda van de CCP. Met name de sector staal, waar de belangrijkste grondstof voor de vervaardiging van het onderzochte product vandaan komt, blijft in aanzienlijke mate eigendom van de Chinese overheid en zij is bijgevolg ook in de gelegenheid om via overheidsaanwezigheid zich te mengen in de prijzen en kosten. |
|
(52) |
De staalmarkt, met inbegrip van die voor het onderzochte product, wordt voor een groot deel bediend door ondernemingen die in handen zijn van de Chinese overheid, waarover die overheid zeggenschap heeft, waarop zij beleidstoezicht uitoefent of waarvoor zij beleidsadvies geeft. In de klacht werd aangegeven dat specifiek in de onderzochte sector zowel overheids- als particuliere ondernemingen zijn onderworpen aan beleidstoezicht en -advies. Bovendien werd melding gemaakt van het onderzoek van de Commissie naar bevestigingsmiddelen, waarbij werd vastgesteld dat “[h]oewel de bedrijfstak voor bevestigingsmiddelen zeer gefragmenteerd is en grotendeels uit kmo’s bestaat, […] het onderzoek verbanden aan het licht [bracht] tussen de partij en brancheorganisaties uit de bevestigingsmiddelensector, die de producenten van bevestigingsmiddelen verenigen en vertegenwoordigen” (16). |
|
(53) |
Discriminerend overheidsbeleid of discriminerende overheidsmaatregelen bevoordelen binnenlandse leveranciers of beïnvloeden de vrije marktwerking anderszins. Over de gehele linie leidt het planningssysteem in de VRC ertoe dat er middelen worden toegewezen aan sectoren die door de Chinese overheid als strategisch of politiek belangrijk zijn bestempeld, in plaats van dat de toewijzing plaatsvindt op grond van de marktkrachten. De productie van het onderzochte product wordt dan ook beschouwd als een strategische bedrijfstak voor de Chinese economie, en er zijn aanzienlijke stimuleringsmaatregelen en subsidies op van toepassing. In de klacht werd ook herhaald dat de staalindustrie profiteert van de voortdurende interventie door de Chinese overheid, die bij de wortels van de sector begint (namelijk de markt voor grondstoffen voor de staalproductie), wat leidt tot een sector die doortrokken is van oneerlijke en kunstmatige voordelen die hun oorsprong vinden in de verstoorde prijsvormingsmechanismen. |
|
(54) |
De faillissements-, vennootschaps- of eigendomswetgeving ontbreekt, wordt op discriminerende wijze toegepast of wordt ontoereikend gehandhaafd, waardoor verstoringen ontstaan wanneer in de VRC insolvente ondernemingen op de been worden gehouden en grondgebruiksrechten worden toegewezen. In de klacht werd in dit verband verwezen naar de conclusies van de Commissie in eerdere onderzoeken en werd aangevoerd dat deze conclusies ook voor de Chinese producenten van schroeven zonder kop gelden. |
|
(55) |
De loonkosten zijn verstoord. In de klacht werd verwezen naar de conclusies van de Commissie in eerdere onderzoeken en werd aangevoerd dat deze conclusies ook voor de Chinese producenten van schroeven zonder kop gelden. |
|
(56) |
De toegang tot financiering voor ondernemingen is onderhevig aan verstoringen van betekenis als gevolg van de voortdurende en alomtegenwoordige rol van de staat op de kapitaalmarkten. In de klacht werd betoogd dat in het eerdere onderzoek van de Commissie naar de sector voor bevestigingsmiddelen werd vastgesteld dat de Chinese producenten profiteerden van financiële stimuleringsprogramma’s en subsidies door de staat. Wat de staalsector betreft, werd in de klacht verwezen naar het rapport, waar specifiek werd gewezen op de invloed die het financiële systeem in de VRC had op de staalsector en op de staatssteunmaatregelen voor de staalsector. |
|
(57) |
Ten slotte was de klager van mening dat de kosten en prijzen in de VRC als gevolg van deze verstoringen door aanzienlijke overheidsinterventie niet betrouwbaar zijn om aan de hand daarvan de normale waarde vast te stellen. De normale waarde moet derhalve worden vastgesteld aan de hand van de niet-verstoorde productiekosten in een passend representatief land. |
|
(58) |
Door het onderzoek van de Commissie werd bevestigd dat de sector van het onderzochte product, die deel uitmaakt van de downstreamstaalsector, nog steeds in sterke mate in handen is van de Chinese overheid in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt b), eerste streepje, van de basisverordening. Zo staat Zhejiang Metals & Minerals Holdings Co., een producent en exporteur van het onderzochte product, onder zeggenschap van Zhejiang International Trade Group, een staatsonderneming (17). Bovendien is deze sector een subsector van de sector voor bevestigingsmiddelen en zijn de bevindingen met betrekking tot staatseigendom in het onderzoek naar bevestigingsmiddelen die hebben geleid tot de vaststelling van Uitvoeringsverordening (EU) 2022/191 (het “bevestigingsmiddelenonderzoek”), bijgevolg ook relevant voor schroeven zonder kop (18). In de bevestigingsmiddelenzaak werd specifiek verwezen naar de sector voor staal, de belangrijkste grondstof voor de productie van bevestigingsmiddelen, en bijgevolg ook voor schroeven zonder kop. In de Chinese staalsector is een aanzienlijk deel van de ondernemingen nog altijd in handen van de Chinese overheid. Veel van de grootste staalproducenten zijn in handen van de staat. Voorbeelden van staatsondernemingen die actief zijn in de staalsector zijn: Ansteel Group (19) en Baowu Steel Group (20), die beide staatsondernemingen zijn die vallen onder de centrale Commissie voor toezicht op en beheer van staatsactiva van de Staatsraad (“SASAC”), Baotou Steel Group, een staatsonderneming die in handen is van de Mongoolse overheid (21), evenals Shougang Group (22), een staatsonderneming die de volle eigendom van de Beijing State-Owned Asset Management Ltd. (23) is. |
|
(59) |
Bovendien bevestigen de meest recente Chinese beleidsdocumenten met betrekking tot de staalsector dat de Chinese overheid belang blijft hechten aan de sector en voornemens is in de sector in te grijpen om die vorm te geven in overeenstemming met het overheidsbeleid. Dit wordt geïllustreerd aan de hand van een richtinggevend advies van het Ministerie van Industrie en Informatietechnologie (“MIIT”) over de bevordering van een hoogwaardige ontwikkeling van de staalindustrie, waarin wordt opgeroepen tot een verdere consolidatie van de industriële basis en tot aanzienlijke verbeteringen bij de modernisering van de industriële keten (24), waaronder de levering van speciaal staal, dat als input wordt gebruikt voor de vervaardiging van het onderzochte product. In het bijzonder behelst dit richtinggevende advies de verplichting om “[f]usies en reorganisaties van ondernemingen te bevorderen, toonaangevende ondernemingen aan te moedigen om fusies en reorganisaties tot stand te brengen en een aantal supergrote groepen van staalondernemingen van wereldklasse op te bouwen, alsook – op basis van de dominante ondernemingen in de industrie – een of twee gespecialiseerde toonaangevende ondernemingen op het gebied van roestvrij staal en speciaal staal te promoten […]”. Verder behelst het expliciet de verplichting om “staalbedrijven te ondersteunen bij de modernisering van downstreamsectoren en de ontwikkelingsrichting van strategische opkomende industrieën, en zich te richten op de ontwikkeling van kleine partijen en meerdere variëteiten van belangrijke staalsoorten, zoals hoogwaardig speciaal staal, speciaal gelegeerd staal voor hoogwaardige apparatuur en staal voor belangrijke basisonderdelen” (25). |
|
(60) |
Een ander voorbeeld van het voornemen van de Chinese overheid om in te grijpen in de staalsector, is te vinden in het 14e vijfjarenplan voor de ontwikkeling van de grondstoffenindustrie (“het 14e vijfjarenplan”), op grond waarvan de sector zal “vasthouden aan de combinatie van marktleiderschap en stimulering door de overheid”, alsook “een groep leidende, ecologisch toonaangevende ondernemingen met een groot concurrentievermogen zal promoten” (26). |
|
(61) |
Daarnaast zijn in het werkplan van het MIIT van 2023 voor de stabiele groei van de staalindustrie (27) de volgende doelstellingen vastgelegd: “In 2023 […] moeten de investeringen in vaste activa in de gehele industrie een gestage groei handhaven, de economische voordelen aanzienlijk verbeterd zijn, de O&O-investeringen van de industrie uiteindelijk 1,5 % bedragen, en moet de groei van de toegevoegde waarde van de industrie ongeveer 3,5 % bedragen, in 2024 zullen het ontwikkelingsklimaat en de structuur van de bedrijfstak verder worden geoptimaliseerd, zal de verschuiving naar hoogwaardige, intelligente en groene producten worden voortgezet en zal de groei van de toegevoegde waarde van de bedrijfstak meer dan 4 % bedragen”. Dit plan voorziet ook in een door de overheid opgelegde bedrijfsconsolidatie van de staalsector: “[t]oonaangevende ondernemingen aanmoedigen om fusies en overnames tot stand te brengen, supergrote groepen van ijzer- en staalondernemingen van wereldklasse op te bouwen en de optimale indeling van de nationale ijzer- en staalproductiecapaciteit te bevorderen. Gespecialiseerde ondernemingen in een leidende positie in met name staalmarktsegmenten ondersteunen om hulpbronnen verder te integreren en een ecosysteem van de staalindustrie tot stand te brengen. IJzer- en staalondernemingen aanmoedigen om regio-overschrijdende fusies en reorganisaties uit te voeren. Overwegen om meer beleidssteun voor capaciteitsvervanging te verlenen aan ijzer- en staalondernemingen die ingrijpende fusies en reorganisaties hebben ondergaan.” |
|
(62) |
Op provincieniveau kunnen vergelijkbare voorbeelden worden waargenomen van het voornemen van de Chinese overheid om de ontwikkeling van de sector te controleren en aan te sturen, zoals in de provincie Hebei, waar de provinciale overheid in 2020 het driejarige actieplan voor clusterontwikkeling in de keten van de staalindustrie bekendmaakte. In dit plan wordt ertoe opgeroepen om “de groepsontwikkeling onder organisaties gestaag uit te voeren, de hervorming van de gemengde eigendomsstructuur van staatsondernemingen te versnellen, de nadruk te leggen op de bevordering van regio-overschrijdende fusies en reorganisaties van particuliere ijzer- en staalondernemingen en te streven naar een of twee grote groepen van wereldklasse en drie tot vijf grote groepen met binnenlandse invloed” (28). Bovendien zijn in het plan van Hebei voor de staalsector de volgende doelstellingen opgenomen: “Vasthouden aan structurele aanpassing en benadrukken van productdiversificatie. Onafgebroken bevorderen van de structurele aanpassing en optimalisering van de indeling van de ijzer- en staalsector, bevorderen van de consolidatie, reorganisatie, transformatie en modernisering van ondernemingen, en bevorderen van de ontwikkeling van de ijzer- en staalsector naar grootschalige ondernemingen, modernisering van technische apparatuur, diversificatie van productieprocessen en diversificatie van downstreamproducten” (29). |
|
(63) |
Het plan van Hebei vereist meer specifiek met betrekking tot de inputs die voor de productie van het onderzochte product worden gebruikt, dat “de ontwikkeling en toepassing van hoogwaardige en belangrijke nieuwe staalmaterialen worden versneld, het aandeel hoogwaardige en speciale staalsoorten wordt verhoogd, de kwaliteitsstabiliteit van grootschalige en veelzijdige voordelige producten wordt versterkt en een “piramidevormige” productstructuur tot stand wordt gebracht. Het aandeel van gewoon laaggelegeerd staal en gelegeerd staal zal eind 2020 zijn toegenomen tot 20 % en zal eind 2022 ongeveer 25 % bedragen, wat ondersteuning en garanties biedt voor de modernisering van downstreamsectoren” (30). |
|
(64) |
Ook in het uitvoeringsplan van Henan voor de transformatie en modernisering van de staalindustrie tijdens het 14e vijfjarenplan wordt bepaald dat “de nadruk moet liggen op nationale strategische behoeften, ondernemingen moeten worden begeleid bij het bevorderen van de optimalisatie en verbetering van de productstructuur, de ontwikkeling van hoogwaardig speciaal staal, hoogwaardig staal voor scheepsbouw, speciaal gelegeerd staal voor hoogwaardige apparatuur, kernstaal voor basisonderdelen en andere ‘speciale, fijne, hoogwaardige’ belangrijke variëteiten, en dat de toegevoegde waarde en de concurrentiepositie van staalproducten moeten worden verbeterd”. (31) |
|
(65) |
Soortgelijke doelstellingen voor industrieel beleid kunnen ook worden aangetroffen in de planningsdocumenten van andere provincies, zoals Jiangsu (32), Shandong (33), Shanxi (34) en Zhejiang (35). |
|
(66) |
Een ander voorbeeld van een doeltreffende sturing via de plannen door de Chinese overheid is in dit verband het bericht van het partijcomité van Ansteel Group Co., Ltd. over het zorgvuldig bestuderen, bekendmaken en uitvoering geven aan de geest van het 20e Nationale Congres van de partij (36). In het bericht wordt gesteld dat de Ansteel Group de richtplannen zorgvuldig zal uitvoeren en deze beter zal introduceren bij de partijleden, het kader en de werknemers van de gehele groep. |
|
(67) |
Wat betreft de mogelijkheid voor de Chinese overheid om zich via overheidsaanwezigheid in ondernemingen te mengen in de prijzen en kosten in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt b), tweede streepje, van de basisverordening, heeft het onderzoek bevestigd dat er ook in de onderzochte sector overlappingen zijn tussen managementfuncties en lidmaatschap van een CCP/partijfuncties. Zo treedt de voorzitter van Zhejiang International Trade Group, die zeggenschap heeft over Zhejiang Metals & Minerals Holdings Co., een producent en exporteur van schroeven zonder kop, ook op als secretaris van het partijcomité (37). Zoals werd vastgesteld in het bevestigingsmiddelenonderzoek, is de sector echter zeer gefragmenteerd en bestaat deze grotendeels uit kmo’s, waardoor het onmogelijk was voor de Commissie om over iedere producent uitvoerige informatie te vinden. Het bestaan van persoonlijke banden tussen producenten van het onderzochte product en de Chinese Communistische Partij (“CCP”) werd echter vastgesteld op het niveau van brancheorganisaties. De brancheorganisaties uit de bevestigingsmiddelensector benadrukken hun persoonlijke band met de CCP; zo vereisen de statuten van de Ningbo Fasteners Industry Association het volgende: “De voorzitter, de vicevoorzitter en de secretaris-generaal van deze vereniging moeten aan de volgende voorwaarden voldoen: 1) de lijn, de beginselen en het beleid van de partij volgen en van goede politieke kwaliteit zijn” (38). |
|
(68) |
Aangezien het bij het onderzochte product echter om een subsector van de staalsector gaat, is de beschikbare informatie met betrekking tot staalproducenten bovendien ook relevant voor het onderzochte product. |
|
(69) |
Zo vervullen de voorzitter van de raad van bestuur en de algemeen manager van Baoshan Iron and Steel Ltd., een staalproducent waarvan Baowu Steel Group de meerderheidsaandeelhouder is, tevens de functie van respectievelijk secretaris en adjunct-secretaris van het partijcomité van de onderneming (39). Evenzo bekleedt de voorzitter van de raad van bestuur van Wuhan Iron and Steel Group, die eveneens onder zeggenschap staat van Baowu Steel Group, ook de functie van secretaris van het partijcomité (40). Bovendien “organiseerde Wuhan Iron and Steel Group in 2022 de tiende gecentraliseerde studie- en discussiebijeenkomst van de Party Committee Theory Study Group om het gedachtegoed van de Central Economic Work Conference uit te dragen en te bestuderen en om de uitvoering van de besluiten en regelingen van het 20e Nationale Congres van de partij binnen Wuhan Iron and Steel Group te bevorderen in de geest van de Central Economic Work Conference. [De] bijeenkomst werd voorgezeten door de algemene vertegenwoordiger van het Chinese hoofdkantoor van Baowu Wuhan, de secretaris van het partijcomité en de bestuursvoorzitter van Wuhan Iron and Steel Group, die uiteenzetten hoe in de geest van de Central Economic Work Conference uitvoering moet worden gegeven aan de eisen van het centraal comité van de partij, het partijcomité in de provincie Hubei en het partijcomité van Baowu in China” (41). |
|
(70) |
Verder bekleedt de voorzitter van de raad van bestuur van de Baotou Steel Union, die behoort tot Baotou Steel Group, ook de functie van partijsecretaris van de onderneming. Evenzo bekleden de algemeen manager van de Baotou Steel Union evenals de voorzitter van de vakbond van de onderneming beiden de functie van adjunct-partijsecretaris (42). Ten slotte bekleedt de voorzitter van de raad van bestuur binnen Shougang Group de functie van secretaris van het partijcomité, terwijl de uitvoerend directeur fungeert als adjunct-secretaris van het partijcomité van de onderneming (43). |
|
(71) |
De brancheorganisatie waaronder het betrokken product valt, is de bevestigingsmiddelentak (44) van de China Machinery General Parts Industry Association (45) (“CMGPIA”). De CMGPIA stelt in artikel 3 van haar statuten dat de organisatie “in overeenstemming met de bepalingen van de statuten van de Communistische Partij van China, organisaties van de Communistische Partij van China [opricht] om partijactiviteiten uit te voeren en de nodige voorwaarden te scheppen voor de activiteiten van de partijorganisaties. De entiteit die belast is met registratie en beheer van deze organisatie is het Ministerie van Burgerzaken van de Volksrepubliek China en de entiteit die belast is met partijopbouw is het partijcomité van SASAC” en dat zij “gehoor geeft aan de zakelijke richtsnoeren van en het toezicht door de entiteiten die belast zijn met registratie en beheer, de entiteiten die belast zijn met partijopbouw, en de afdelingen die belast zijn met het beheer van de industrie” (46). |
|
(72) |
Verder wordt in de Chinese staalsector een beleid gehanteerd dat discrimineert ten gunste van binnenlandse producenten of dat de markt anderszins beïnvloedt in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt b), derde streepje, van de basisverordening, en is dit beleid in het algemeen van toepassing op het onderzochte product, aangezien de sector voor schroeven zonder kop een subsector van de staalsector is. Voorts, zoals vastgesteld in het bevestigingsmiddelenonderzoek, wordt de bedrijfstak voor bevestigingsmiddelen in de aankondiging van het Ministerie van Industrie en Informatietechnologie betreffende de publicatie van de Richtsnoeren inzake de bevordering en toepassing van de eerste belangrijke technische uitrusting (First (Set) Major Technical Equipment) (uitgave 2019) (47) en ook in de Richtsnoeren inzake de aanpassing van de industriële structuur (2019 NDRC) (48) als een bevorderde sector vermeld. |
|
(73) |
Naast bovengenoemde documenten op centraal niveau bestaat er op lokaal, provinciaal of gemeentelijk niveau een aantal richtsnoeren die de ontwikkeling van de bedrijfstak voor bevestigingsmiddelen sturen en ondersteunen. Zo is in de stimulerende beleidsmaatregelen van 2019 voor de bedrijfstak voor bevestigingsmiddelen in het district Haiyan het volgende bepaald: “Haiyan is de “geboorteplaats van de bevestigingsmiddelen” en de bedrijfstak voor bevestigingsmiddelen is ook een van de belangrijke traditionele bedrijfstakken in Haiyan. Om […] de innovatie en de ontwikkeling van de bedrijfstak voor bevestigingsmiddelen in ons district te stimuleren, heeft ons district onlangs het “driejarige speciale actiebeleid voor de digitalisering en de slimme transformatie van de bedrijfstak voor bevestigingsmiddelen in het district Haiyan” gepubliceerd. De bijbehorende specifieke fondsen zijn van toepassing op ondernemingen die digitale en slimme transformatie in de bedrijfstak voor bevestigingsmiddelen doorvoeren” (49). |
|
(74) |
De Chinese overheid beschouwt de staalsector consequent als een sleutelsector (50). Dit wordt bevestigd in de talrijke plannen, richtlijnen en andere documenten die zijn toegespitst op de sector en die op nationaal, regionaal en gemeentelijk niveau worden uitgegeven. In het kader van het 14e vijfjarenplan heeft de Chinese overheid de staalsector aangewezen voor transformatie en modernisering, alsmede voor optimalisering en structurele aanpassing (51). Evenzo wordt de sector in het 14e vijfjarenplan voor de ontwikkeling van de grondstoffenindustrie, dat ook van toepassing is op de staalindustrie, genoemd als het “fundament van de reële economie” en “een sleutelgebied dat het internationale concurrentievoordeel van China vormgeeft”, en worden een aantal doelstellingen en werkmethoden vastgesteld die de ontwikkeling van de sector in de periode 2021-2025 zouden stimuleren, zoals een technologische upgrade ter verbetering van de structuur van de sector (niet in de laatste plaats door verdere bedrijfsconcentraties) of een digitale transformatie (52). |
|
(75) |
Bovendien blijkt uit het bovenvermelde werkplan voor de stabiele groei van de staalindustrie (zie overweging 61) hoe de aandacht van de Chinese autoriteiten voor de sector past in de bredere context van de sturing die de Chinese overheid aan de Chinese economie geeft: “[s]teun verlenen aan staalondernemingen teneinde de behoeften inzake nieuwe infrastructuur, nieuwe verstedelijking, revitalisering van het platteland en opkomende industrieën op de voet te volgen, aansluiting vinden bij grote technische projecten in het kader van de 14e vijfjarenplan in verschillende regio’s, en alles in het werk stellen om de staalvoorziening te garanderen. Ontwikkelen en verdiepen van upstream- en downstream-samenwerkingsmechanismen tussen de staalsector en belangrijke staalverbruikende sectoren, zoals scheepsbouw, vervoer, bouw, energie, automobielindustrie, huishoudelijke apparaten, landbouwmachines en zware apparatuur, uitvoeren van activiteiten om de productie op de vraag af te stemmen, en actief uitbreiden van de toepassingsgebieden voor staal” (53). |
|
(76) |
Op lokaal niveau, zoals in de provincie Shandong, waar Shandong Juning Machinery Co. Ltd. is gevestigd, wordt in het 14e vijfjarenplan van Shandong voor de ontwikkeling van de ijzer- en staalindustrie het volgende vereiste geformuleerd (54): “Staal voor bouwmachines: Onze provincie ondersteunen om van een belangrijke provincie voor bouwmachines een sterke provincie voor bouwmachines te worden, de nadruk leggen op de ontwikkeling van groen en milieuvriendelijk, zeer zuiver, uitstekend, bij lage temperaturen slagvast staal voor bouwmachines, stabiele hardbaarheid en gemakkelijk te snijden staal voor bouwmachines, het onderzoek naar en de ontwikkeling van staal met hoge sterkte voor bouwmachines versnellen […], voldoen aan de ontwikkelingsbehoeften van moderne bouwmachines met een hoog vermogen en een laag eigen gewicht, en de iteratieve modernisering van de downstreamindustrieketen voor klanten en de volledige en gezonde ontwikkeling van het ecosysteem van de bouwmachine-industrie realiseren.” |
|
(77) |
Daarnaast werd in het bevestigingsmiddelenonderzoek vastgesteld dat de producenten van bevestigingsmiddelen ook overheidssubsidies ontvangen, waaruit duidelijk het belang van de staat bij deze sector blijkt. Tijdens het onderzoek naar bevestigingsmiddelen heeft de Commissie vastgesteld dat een aantal financiële stimuleringsprogramma’s ter beschikking zijn gesteld van de producenten van bevestigingsmiddelen, waaronder in 2019 de stimulerende beleidsmaatregelen van 2019 voor de bedrijfstak voor bevestigingsmiddelen in het district Haiyan: “Krachtig bevorderen van de digitale en slimme transformatie van ondernemingen die bevestigingsmiddelen produceren: voor de toepassing van digitale beheersystemen en software voor geïntegreerde besturingsapparatuur zullen afhankelijk van het jaar van uitvoering speciale financiële stimulansen worden toegekend, […], zullen ondernemingen die in 2019 digitale en slimme transformatie doorvoeren (of nieuwe aankopen doen) en hun apparatuur moderniseren een eenmalige subsidie krijgen van maximaal 20 % van de werkelijke investering in basisuitrusting en maximaal 2 miljoen RMB; als zij dit in 2020 doen, zal een eenmalige subsidie van maximaal 15 % van de werkelijke investering in basisuitrusting en maximaal 1,5 miljoen RMB worden toegekend; als zij dit in 2021 doen, zal een eenmalige subsidie van maximaal 12 % van de werkelijke investering in basisuitrusting en maximaal 1 miljoen RMB worden toegekend” (55). |
|
(78) |
Samengevat heeft de Chinese overheid maatregelen getroffen om marktdeelnemers ertoe te bewegen zich aan de doelstellingen van het overheidsbeleid te houden, namelijk om aangemoedigde bedrijfstakken te ondersteunen, waaronder de productie van staal als de belangrijkste grondstof voor de vervaardiging van het onderzochte product. Dergelijke maatregelen belemmeren de vrije marktwerking. |
|
(79) |
Uit dit onderzoek is niet gebleken dat de discriminerende toepassing of ontoereikende handhaving van de faillissements- en eigendomswetten overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt b), vierde streepje, van de basisverordening in de staalsector geen gevolgen zou hebben voor de fabrikanten van het onderzochte product. |
|
(80) |
Het onderzochte product wordt daarnaast ook beïnvloed door verstoringen van de loonkosten in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt b), vijfde streepje, van de basisverordening, zoals vermeld in overweging 46. Die verstoringen zijn zowel direct (bij het vervaardigen van het onderzochte product of de belangrijkste inputs ervan) als indirect (bij het krijgen van toegang tot inputs van ondernemingen die in de VRC aan hetzelfde arbeidsrechtstelsel onderworpen zijn) van invloed op de sector (56). |
|
(81) |
Bovendien is in het onderhavige onderzoek geen bewijsmateriaal overgelegd waaruit blijkt dat de sector van het onderzochte product niet wordt beïnvloed door overheidsingrijpen in het financiële stelsel in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt b), zesde streepje, van de basisverordening, zoals ook vermeld in overweging 46. Dit soort overheidsingrijpen wordt ook zeer goed geïllustreerd in het bovengenoemde werkplan voor de stabiele groei (zie overweging 61): “Financiële instellingen aanmoedigen om actief financiële diensten te verlenen aan staalondernemingen die fusies en reorganisaties, aanpassingen van de indeling, transformaties en moderniseringen tot stand brengen in overeenstemming met de beginselen van risicobeheersing en duurzaamheid van bedrijven.” Daarom leidt het aanzienlijke overheidsingrijpen in het financiële stelsel ertoe dat de marktomstandigheden op alle niveaus sterk worden beïnvloed. |
|
(82) |
Tot slot herinnerde de Commissie eraan dat voor de productie van het onderzochte product een aantal basisproducten nodig is. Wanneer de producenten van het onderzochte product deze inputs aankopen of daarvoor een contract sluiten, zijn de prijzen die zij betalen (en die als hun kosten worden geregistreerd), duidelijk blootgesteld aan dezelfde systemische verstoringen als hierboven genoemd. Zo zetten leveranciers van basisproducten bijvoorbeeld arbeidskrachten in die aan de verstoringen onderhevig zijn. Zij kunnen geld lenen dat onderhevig is aan de verstoringen in de financiële sector/kapitaaltoewijzing. Daarnaast zijn zij onderworpen aan het planningssysteem dat van toepassing is op alle overheidsniveaus en sectoren. |
|
(83) |
Dientengevolge zijn niet alleen de binnenlandse verkoopprijzen van het onderzochte product ongeschikt om te worden gebruikt in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening, maar geldt dat ook voor alle kosten voor inputs (waaronder grondstoffen, energie, grond, financiering, arbeid enz.), omdat de prijsvorming daarvan wordt beïnvloed door aanzienlijk overheidsingrijpen, zoals beschreven in de delen I en II van het rapport. Het overheidsingrijpen dat met betrekking tot de toewijzing van kapitaal, grond, arbeid, energie en grondstoffen is beschreven, vindt namelijk plaats in de gehele VRC. Dit betekent bijvoorbeeld dat een basisproduct dat zelf in de VRC is geproduceerd door de combinatie van een reeks productiefactoren, aan verstoringen van betekenis onderhevig is. Hetzelfde geldt voor de input voor de input enz. |
|
(84) |
Samengevat is uit het beschikbare bewijsmateriaal gebleken dat de prijzen en kosten van het onderzochte product, waaronder de kosten van grondstoffen, energie en arbeid, niet door vrije marktwerking tot stand zijn gekomen, omdat zij worden beïnvloed door aanzienlijk overheidsingrijpen in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt b), van de basisverordening, zoals blijkt uit de daadwerkelijke of mogelijke gevolgen van een of meer van de daarin genoemde relevante factoren. Op grond daarvan is de Commissie tot de conclusie gekomen dat het in dit geval niet passend is om voor de vaststelling van de normale waarde gebruik te maken van de binnenlandse prijzen en kosten. |
|
(85) |
De Chinese overheid heeft geen opmerkingen gemaakt of bewijsmateriaal verstrekt ter ondersteuning of weerlegging van het bestaande bewijsmateriaal in het dossier, waaronder het rapport en het door de klager verstrekte aanvullende bewijsmateriaal, over de aanwezigheid van verstoringen van betekenis en/of de geschiktheid van de toepassing van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening in het onderhavige geval. |
|
(86) |
De Commissie heeft opmerkingen van Chinafar Group ontvangen met betrekking tot het bestaan van verstoringen van betekenis in de VRC. De in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs voerden aan dat de vermeende verstoring van betekenis geen vooraf bepaalde conclusie mag worden en dat de met het onderzoek belaste autoriteiten in het verlengde van de rechtspraak van de WTO de door de producenten-exporteurs daadwerkelijk gemaakte kosten moeten gebruiken om de door berekening vastgestelde normale waarde te berekenen. Bovendien moet de Commissie, zelfs indien is vastgesteld dat er sprake is van verstoringen, elke Chinese exporteur afzonderlijk beoordelen, in het bijzonder indien een steekproef werd samengesteld. |
|
(87) |
De Commissie was van oordeel dat de bepalingen in artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening volledig in overeenstemming zijn met de WTO-verplichtingen van de Europese Unie. Zoals door de WTO-beroepsinstantie in de zaak DS473 (57) uitdrukkelijk is verduidelijkt, staat het WTO-recht het gebruik van gegevens van een derde land toe, naar behoren gecorrigeerd indien een dergelijke correctie noodzakelijk en onderbouwd is. Volgens artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening wordt de normale waarde alleen berekend aan de hand van niet-verstoorde kosten en prijzen uit een representatief land of aan de hand van een internationale benchmark wanneer verstoringen van betekenis worden vastgesteld die van invloed zijn op kosten en prijzen. In elk geval biedt artikel 2, lid 6 bis, tweede alinea, derde streepje, van de basisverordening nog steeds de mogelijkheid om alleen gebruik te maken van binnenlandse kosten voor zover is vastgesteld dat die niet verstoord zijn. |
|
(88) |
De Commissie merkte op dat zodra is vastgesteld dat het wegens het bestaan van verstoringen van betekenis in het land van uitvoer overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt b), van de basisverordening niet passend is gebruik te maken van de binnenlandse prijzen en kosten in dat land, de normale waarde voor elke producent-exporteur overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening wordt vastgesteld door berekening aan de hand van niet-verstoorde prijzen of benchmarks in een geschikt representatief land. Dezelfde bepaling van de basisverordening maakt het ook mogelijk binnenlandse kosten te gebruiken als is vastgesteld dat zij niet verstoord zijn. In dat verband hadden de producenten-exporteurs de mogelijkheid om bewijs aan te dragen blijkens hetwelk hun individuele VAA-kosten en/of andere kosten voor productiemiddelen daadwerkelijk niet verstoord waren. De Commissie heeft echter, zoals blijkt uit de overwegingen 46 tot en met 84, vastgesteld dat er sprake is van verstoringen in de staalindustrie en er geen positief bewijs was dat de productiefactoren van individuele producenten-exporteurs niet verstoord waren. Derhalve werden deze argumenten afgewezen. |
|
(89) |
Gezien het voorgaande heeft de Commissie de normale waarde uitsluitend berekend aan de hand van productie- en verkoopkosten waarin niet-verstoorde prijzen of benchmarks tot uitdrukking komen, dat wil zeggen in dit geval aan de hand van de overeenkomstige productie- en verkoopkosten in een passend representatief land in overeenstemming met artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening, zoals beschreven in het volgende punt. |
3.2.2. Representatief land
3.2.2.1.
|
(90) |
De keuze van het representatieve land overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening werd gebaseerd op de volgende criteria:
|
|
(91) |
Zoals toegelicht in de overwegingen 37 tot en met 39, heeft de Commissie in het dossier twee mededelingen aangaande de bronnen voor de vaststelling van de normale waarde bekendgemaakt: |
|
(92) |
In deze mededelingen werden de feiten en het bewijsmateriaal beschreven die aan de relevante criteria ten grondslag liggen en werd ingegaan op de opmerkingen die van de partijen over deze elementen en de relevante bronnen waren ontvangen. |
|
(93) |
In de tweede mededeling heeft de Commissie de belanghebbenden in kennis gesteld van haar voornemen om Thailand in het onderhavige geval als een geschikt representatief land aan te merken indien het bestaan van verstoringen van betekenis in de zin van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening zou worden bevestigd. |
3.2.3. Een niveau van economische ontwikkeling vergelijkbaar met dat van de VRC
|
(94) |
In de eerste mededeling heeft de Commissie Maleisië, Thailand en Turkije aangemerkt als landen die volgens de Wereldbank een vergelijkbaar niveau van economische ontwikkeling hebben als de VRC, d.w.z. dat zij door de Wereldbank op basis van het bruto nationaal inkomen elk als “hogermiddeninkomensland” zijn ingedeeld, waarvan bekend is dat het onderzochte product daar wordt geproduceerd. |
|
(95) |
Na de eerste en tweede mededeling voerde Chinafar Group aan dat Thailand als mogelijk representatief land moest worden afgewezen, aangezien zijn bruto nationaal inkomen (bni) per inwoner bijna de helft was van dat van de VRC en Thailand derhalve niet kan worden beschouwd als een land met een vergelijkbaar niveau van economische ontwikkeling als de VRC. De groep voerde verder aan dat de Commissie in haar eerste mededeling zelf had aangegeven dat zij voornemens was landen te kiezen met een bruto nationaal inkomen dat vergelijkbaar is met dat van de VRC zonder te verwijzen naar de categorie van hogermiddeninkomenslanden. |
|
(96) |
Krachtens artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening kan de Commissie de normale waarde berekenen aan de hand van een representatief land met een niveau van economische ontwikkeling dat vergelijkbaar is met dat van het land van uitvoer. De basisverordening bevat geen verdere vereisten om het land te kiezen dat wat niveau van economische ontwikkeling betreft, het dichtst aanleunt bij het land van uitvoer. In deze omstandigheden doet de Commissie dit door haar discretionaire bevoegdheid uit te oefenen en landen te kiezen die door de Wereldbank zijn ingedeeld in dezelfde inkomenscategorie. De desbetreffende categorie van de Wereldbank is die van de hogermiddeninkomenslanden, waaronder de VRC is ingedeeld. De Commissie heeft in de eerste mededeling duidelijk gespecificeerd dat zij daartoe de databank van de Wereldbank zou gebruiken, wat ook in overeenstemming is met haar praktijk. Dat een land mogelijk een bni of bbp per inwoner heeft dat meer in de buurt ligt van dat van de VRC dan een ander land, is geen doorslaggevende factor in de keuze van het geschikte representatieve land. Derhalve werd dit argument verworpen. |
3.2.4. Aanwezigheid van relevante onmiddellijk beschikbare gegevens in het representatieve land
|
(97) |
In de eerste mededeling heeft de Commissie informatie verstrekt over onmiddellijk beschikbare financiële gegevens voor ondernemingen die de ruimere categorie van bevestigingsmiddelen, waaronder het onderzochte product, produceren in Maleisië, Thailand en Turkije, en over de invoer in deze landen van de grondstoffen voor de vervaardiging van het onderzochte product. |
|
(98) |
In hun opmerkingen over de eerste mededeling stelden de drie in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs en EFDA Maleisië voor als meest representatieve land, terwijl de klager Turkije voorstelde. Er werd geen alternatief representatief land voorgesteld voor dit onderzoek. |
|
(99) |
Junyue en Chinafar Group voerden aan dat Turkije niet als representatief land kon worden beschouwd, aangezien zijn economie werd gekenmerkt door hoge inflatie, aanzienlijke devaluatie van de munteenheid en politieke inmenging, met name met betrekking tot de bepaling van het niveau van de loonkosten. |
|
(100) |
De Commissie merkte op dat inflatie en deflatie van de munteenheid niet als criteria werden gebruikt bij de beoordeling van de representativiteit van een land overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening en indien de Commissie Turkije zou selecteren als representatief land, zij de waarden waar nodig zou corrigeren voor inflatie en/of deflatie van de munteenheid teneinde de kosten voor het onderzoektijdvak weer te geven. De ondernemingen verstrekten ook geen onderbouwd bewijs over het bestaan van politieke inmenging in de loonkosten. De Commissie heeft dit argument derhalve afgewezen. |
|
(101) |
Junyue en Chinafar Group voerden aan dat Thailand noch Turkije een geschikt representatief land waren op basis van het ingevoerde volume uit de Russische Federatie (“Rusland”). |
|
(102) |
De Commissie had in de eerste mededeling reeds een analyse verstrekt van de trends van de invoer uit Rusland van 2019 tot het onderzoektijdvak, die geen belangrijke wijziging aan het licht bracht, noch wat het volume noch wat de gemiddelde prijs betreft van de invoer uit Rusland naar beide landen. Bijgevolg was er geen aanwijzing dat de Russische uitvoerpatronen waren gewijzigd als gevolg van de sancties die van kracht waren na de grootschalige invasie van Oekraïne in 2022, wat tot verstoring van de invoerprijzen had kunnen leiden in deze twee landen. Het argument werd derhalve afgewezen. |
|
(103) |
Na de eerste mededeling voerde Junyue ook aan dat de bedrijfstak voor bevestigingsmiddelen in Thailand, waaronder schroeven, sterk gespecialiseerd was in bevestigingsmiddelen voor de automobielindustrie, die niet representatief waren voor het onderzochte product, aangezien bevestigingsmiddelen die in de automobielsector worden gebruikt, doorgaans hoger geprijsd zijn omdat zij aan striktere productnormen moeten voldoen. Wegens deze specialisatie voerde Junyue aan dat Thaise producenten voor bepaalde productiefactoren gebruikmaakten van invoer van een speciale kwaliteit van oorsprong uit Japan, waardoor de benchmark niet-representatief was. |
|
(104) |
Op basis van GTA evalueerde de Commissie de Japanse uitvoerprijzen voor de belangrijkste grondstoffen (d.w.z. GS-codes 7213 91 , 7213 99 , 7228 30 , 7227 90 en 7214 99 ). Tijdens het onderzoektijdvak was Thailand de belangrijkste uitvoermarkt voor Japan, en vertegenwoordigde het 21 % van de totale uitvoer van deze grondstoffen. De andere vijf belangrijkste uitvoerbestemmingen, met uitzondering van de VRC, vertegenwoordigden samen ongeveer 53 % van de totale uitvoer van deze grondstoffen. De gemiddelde uitvoerprijs naar Thailand lag 10 % hoger vergeleken met deze andere belangrijkste markten (1,09 EUR/kg voor Thailand en 0,90 EUR/kg naar de andere vijf belangrijkste landen van uitvoer). |
|
(105) |
De Commissie concludeerde in de tweede mededeling dat, hoewel het mogelijk was dat Thaise producenten van bevestigingsmiddelen materialen van speciale kwaliteit invoerden uit Japan, dit Thailand niet uitsluit als representatief land. In feite vielen niet-standaardschroeven ook onder dit onderzoek en kunnen materialen van speciale kwaliteit worden gebruikt voor deze producten. Bijgevolg kon niet worden geconcludeerd dat de Japanse prijzen voor de uitvoer naar Thailand onredelijk hoog en niet-representatief waren. De Commissie verwierp in overweging 103 het argument dat Thailand moest worden uitgesloten als geschikt representatief land. |
|
(106) |
In de tweede mededeling maakte de Commissie een verdere analyse van de invoer van de drie belangrijkste productiefactoren, die goed waren voor ongeveer 65 % van de productiekosten (ingedeeld onder de GS-codes 7213 91 , 7213 99 en 7228 30 ) in de drie mogelijke representatieve landen. Voor al deze productiefactoren was de invoer naar Thailand (met uitzondering van de invoer uit de VRC en de in bijlage I bij Verordening (EU) 2015/755 van hetEuropees Parlement en de Raad genoemde landen (59)) het grootst wat de hoeveelheden betreft. |
|
(107) |
Voor de productiefactor onder de GS-code 7213 91 was de totale invoer uit niet-verstoorde bronnen aanzienlijk in alle drie de landen, waarbij Thailand de grootste ingevoerde hoeveelheden liet zien uit andere landen dan de VRC en de in bijlage I bij Verordening (EU) 2015/755 genoemde landen. |
|
(108) |
Wat de productiefactor betreft die onder GS-code 7213 99 valt, vertegenwoordigde de Thaise invoer veruit het grootste invoervolume, goed voor ongeveer 76 000 ton, wat vijf keer hoger lag dan de invoervolumes uit Maleisië en Turkije. De invoer uit de VRC en de in bijlage I bij Verordening (EU) 2015/755 genoemde landen in Maleisië vertegenwoordigde 33 % van de totale invoer in het land, en de gemiddelde invoerprijs uit andere bronnen naar Maleisië was vergelijkbaar met de prijs van de invoer uit de VRC en de in bijlage I bij Verordening (EU) 2015/755 genoemde landen. Tegelijkertijd was er vrijwel geen invoer naar Thailand en Turkije vanuit de VRC en de in bijlage I bij Verordening (EU) 2015/755 genoemde landen. Bijgevolg was de Commissie van mening dat de prijs van de invoer in Maleisië minder betrouwbaar dan die van de invoer in Thailand of Turkije. |
|
(109) |
Voor GS-code 7228 30 was het volume van de invoer in Thailand veruit het grootst van de drie landen. De invoer vanuit de VRC en de in bijlage I bij Verordening (EU) 2015/755 genoemde landen vertegenwoordigde een groot aandeel van de totale invoer van deze productiefactor in alle drie de landen. De gemiddelde prijs van de invoer uit andere bronnen in Turkije was vergelijkbaar met die uit de VRC en de in bijlage I bij Verordening (EU) 2015/755 genoemde landen, en was dus mogelijk beïnvloed door de Chinese invoerprijs, terwijl de gemiddelde prijs van de invoer vanuit andere bronnen en Thailand of Maleisië aanzienlijk hoger lag dan die van de invoer vanuit de VRC. Bijgevolg was de Commissie van mening dat de prijs van de invoer in Turkije minder betrouwbaar was dan die van de invoer in Thailand of Maleisië. |
|
(110) |
Junyue verstrekte de gecontroleerde jaarrekening voor het onderzoektijdvak voor de dochteronderneming van de Maleisische producent die door de Commissie was geselecteerd in de eerste mededeling, en die alleen bevestigingsmiddelen produceerde (Chin Well Fasteners Co. Sdn. Bhd. (“Chin Well Fasteners”)). Het identificeerde ook een bijkomende producent in Maleisië die standaardbevestigingsmiddelen produceert (Asia Bolts & Nuts Sdn. Bhd.) met onmiddellijk beschikbare financiële informatie voor 2023. Deze laatste werd afgewezen, want hij bleek een winst van 0,7 % te behalen, wat niet redelijk werd geacht. |
|
(111) |
Junyue en Chinafar voerden aan dat de financiële informatie van de Thaise en Turkse ondernemingen die door de Commissie in de eerste mededeling waren geïdentificeerd, niet representatief waren voor het onderzochte product en abnormaal hoge VVA- en winstmarges lieten zien. |
|
(112) |
Zij betoogden dat dit kon worden verklaard door het feit dat de producten die door deze ondernemingen werden vervaardigd, niet vergelijkbaar waren met het onderzochte product, aangezien het hoofdzakelijk om bevestigingsmiddelen met hoge sterkte en van hoge kwaliteit ging voor sterke niche- en zeer winstgevende markten, zoals de lucht- en ruimtevaart, de automobielsector en de energie-/petrochemische sectoren, en deze bijgevolg van een hogere kwaliteit waren dan het onderzochte product dat in de VRC was vervaardigd. |
|
(113) |
Zij voerden aan dat dit ook gold voor de Thaise onderneming Thai Meira, Co. Ltd., die was gespecialiseerd in niet-standaardbevestigingsmiddelen voor de automobielindustrie. Bovendien kon de Thaise onderneming S.J. Screws Co. Ltd. niet als representatief worden beschouwd, aangezien zij hoofdzakelijk producten vervaardigde die niet onder het onderzochte product vielen en die hogere productiekosten hadden, zoals tuigapparatuur, stalen platen en industrieproducten voor de visserij, of niet-standaardbevestigingsmiddelen voor de automobielsector. |
|
(114) |
De Commissie merkte op dat sommige van de in de steekproef opgenomen Chinese producenten bevestigingsmiddelen met hoge sterkte produceerden en specifieke sectoren bedienden, zoals offshore-olievelden en oliepijpleidingen. Het feit dat de ondernemingen uit de mogelijke representatieve landen zijn gespecialiseerd in bepaalde segmenten, zoals niet-standaardschroeven voor de automobielindustrie, die een onderdeel zijn van het onderzochte product, en/of dat zij slechts een deel van het onderzochte product produceren, is geen reden om deze ondernemingen uit te sluiten. Daarom werd dit argument afgewezen. |
|
(115) |
EFDA merkte op dat de Commissie een belangrijke Turkse producent, Norm Civata Sanayi Ve Ticaret Anonim Sirketi (“Norm Civata”), niet in de lijst van geselecteerde ondernemingen had opgenomen. |
|
(116) |
Uit de informatie in de Orbis-databank bleek dat Norm Civata een groothandelsonderneming is waarin verschillende filiaalondernemingen zijn samengebracht en dat de financiële informatie op geconsolideerd niveau was verstrekt. De financiële informatie van het filiaal dat actief is op het gebied van “metalen en metaalproducten”, niet beschikbaar was. Bijgevolg achtte de Commissie het niet passend om het jaarverslag van Norm Civata te gebruiken voor het doel van dit onderzoek. |
|
(117) |
EFDA had ook vragen bij de methode voor de berekening van de VAA-kosten en voerde aan dat de financiële winst- en verliesgegevens in mindering moesten worden gebracht op de operationele uitgaven. De Commissie wees dit argument af, aangezien het vaste praktijk is om financiële uitgaven op te nemen in de VAA-kosten teneinde de volledige productiekosten van het onderzochte product te weerspiegelen. |
|
(118) |
In het licht van bovenstaande overwegingen heeft de Commissie de belanghebbenden er met de tweede mededeling van op de hoogte gebracht dat zij voornemens was Thailand als geschikt representatief land en de financiële gegevens van drie ondernemingen (60) overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt a), eerste streepje, van de basisverordening te gebruiken om niet-verstoorde prijzen of benchmarks te verkrijgen voor de berekening van de normale waarde. |
|
(119) |
De belanghebbenden werd verzocht opmerkingen in te dienen over de geschiktheid van Thailand als representatief land en van de drie ondernemingen als producenten in het representatieve land. |
3.2.5. Opmerkingen van de belanghebbenden
|
(120) |
Na de tweede mededeling herhaalden Junyue, Chinafar Group en EFDA hun argument dat Maleisië, en niet Thailand, om een aantal redenen het meest geschikte representatieve land in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening was. |
|
(121) |
Ten eerste voerden zij aan dat ondernemingen in Maleisië voornamelijk standaardbevestigingsmiddelen produceerden en dat hun productmix derhalve vergelijkbaar was met die van Chinese producenten. |
|
(122) |
Ten tweede achtten Junyue en EFDA het niet gerechtvaardigd dat de Commissie zich alleen toespitste op de invoervolumes van één enkele productiefactor (GS 7213 99 ) om Maleisië af te wijzen als representatief land. Voor deze productiefactor vertegenwoordigde de invoer uit de VRC 33 % van de totale invoer, wat vergelijkbaar is met het percentage van de invoer van de twee andere productiefactoren (GS 7213 91 en GS 7228 30 ) in Thailand. |
|
(123) |
Ten derde voerde Junyue aan dat de gelijkenis tussen de gemiddelde prijs van de Chinese invoer en de gemiddelde invoerprijs uit andere landen er louter op wees dat de prijzen van ingevoerde materialen in hoofdzaak tegen marktvoorwaarden zijn vastgesteld. |
|
(124) |
Junyue voerde verder aan dat de invoergegevens van Thailand nog zorgwekkender waren wegens een groter totaal aandeel van Chinese invoer in Thailand (43 %) ten opzichte van Maleisië (29 %) en Turkije (15 %). |
|
(125) |
In tegenstelling tot het argument van Junyue spitste de Commissie zich niet toe op de invoer van één enkele productiefactor om Maleisië als representatief land af te wijzen. In feite maakte de Commissie een analyse van de invoer van de drie belangrijkste productiefactoren, die goed waren voor ongeveer 65 % van de productiekosten (GS 7213 91 , GS 7213 99 en GS 7228 30 ) in de drie mogelijke representatieve landen. |
|
(126) |
Voor al deze productiefactoren was de invoer naar Thailand (met uitzondering van de invoer uit de VRC en de in bijlage I bij Verordening (EU) 2015/755 genoemde landen) het grootst wat de hoeveelheden betreft. Voor GS-code 7213 91 was de totale invoer uit niet-verstoorde bronnen aanzienlijk in alle drie de landen, waarbij Thailand de grootste ingevoerde hoeveelheden liet zien uit andere landen dan de VRC en de in bijlage I bij Verordening (EU) 2015/755 genoemde landen. |
|
(127) |
Voor GS-code 7213 99 vertegenwoordigde de Thaise invoer veruit het grootste invoervolume, goed voor ongeveer 76 000 ton, wat vijf keer hoger lag dan de invoervolumes uit Maleisië en Turkije. Zoals aangegeven in overweging 108 vertegenwoordigde de Chinese invoer in Maleisië 33 % van de totale invoer in het land en waren de gemiddelde prijzen van de invoer uit andere landen dan de VRC vergelijkbaar met de Chinese prijzen, wat erop wees dat zij mogelijk minder betrouwbaar waren. |
|
(128) |
Voor GS-code 7228 30 , goed voor 11 % van de totale productiekosten, beschouwde de Commissie Thailand, gezien het invoervolume, als het meest representatieve land, zoals uiteengezet in overweging 109. |
|
(129) |
Op basis daarvan was de Commissie van mening dat Thailand over een reeks van onmiddellijk beschikbare gegevens voor niet-verstoorde invoerwaarden beschikte die van hogere kwaliteit waren, en besliste zij bijgevolg Thailand te beschouwen als geschikt representatief land en wees zij het argument van Junyue af. |
|
(130) |
Junyue en Chinafar Group herhaalden het argument dat de Thaise invoerprijzen hoog waren wegens de grote aanwezigheid van invoer van speciale kwaliteit van oorsprong uit Japan, die door de Thaise producenten wordt gebruikt voor speciale toepassingen, met name in de automobielsector. Junyue hield ook vol dat deze trend verband hield met het feit dat verschillende producenten met Japanse ondernemingen waren verbonden en grondstoffen van hoge kwaliteit betrokken bij hun moederondernemingen. |
|
(131) |
Junyue voerde voorts aan dat, indien de Commissie besloot om Thailand aan te houden als representatief land, de invoergegevens moesten worden gecorrigeerd door de Japanse invoer in mindering te brengen op de totale invoer, aangezien deze onredelijk hoog geprijsd is. |
|
(132) |
Met betrekking tot deze argumenten merkte de Commissie op dat noch Junyue noch Chinafar Group enige bewijzen overlegden van de schaal van de Japanse invoer in Thailand van grondstoffen die bestemd waren voor de productie van niet-standaardschroeven voor gespecialiseerde sectoren. Evenmin was er bewijs voorhanden dat de invoer plaatsvond via verbonden partijen. |
|
(133) |
De twee in de steekproef opgenomen producenten verstrekten evenmin bewijzen om aan te tonen dat materialen van hoge kwaliteit voor de productie van niet-standaardschroeven ook niet werden gebruikt in de VRC. In dit verband merkte de Commissie op dat de VRC ook aanzienlijke hoeveelheden grondstoffen uit Japan invoerde en de derde uitvoermarkt voor Japan was. |
|
(134) |
Voorts werd de normale waarde van het betrokken product berekend op basis van alle invoer in Thailand, en niet alleen op basis van de invoer uit Japan. De Thaise invoer van de vijf belangrijkste grondstoffen uit Japan vertegenwoordigde slechts ongeveer 17 % van de totale invoer van die materialen. Op basis van het bovenstaande werden de in de overwegingen 130 en 131 genoemde argumenten verworpen. |
|
(135) |
In hun opmerkingen over de tweede mededeling herhaalden Junyue en Chinafar Group hun standpunt dat de Maleisische ondernemingen die door de Commissie in de eerste mededeling waren geselecteerd, representatiever waren dan de Thaise ondernemingen, aangezien zij hoofdzakelijk op de productie van het onderzochte product waren toegespitst en de openbaar beschikbare financiële gegevens voor de onderneming Chin Well Fasteners overeenkwamen met het onderzoektijdvak. |
|
(136) |
Zij voerden daarentegen opnieuw aan dat twee van de drie door de Commissie geselecteerde producenten het onderzochte product niet produceerden. Zij beweerden dat Thai Meira hoofdzakelijk speciale bevestigingsmiddelen produceerde en dat S.J. Screwthai zich voornamelijk richtte op producten die niet overeenstemden met het betrokken product. |
|
(137) |
EFDA merkte ook op dat S.J. Screwthai op basis van de informatie in de Orbis-databank een groothandelsonderneming was en dat de Commissie de Turkse onderneming Norm Civata om dezelfde reden had afgewezen. |
|
(138) |
De Commissie evalueerde de beschikbare informatie voor de twee ondernemingen in Thailand en concludeerde op basis van hun website en de Orbis-databank dat i) S.J. Screws in de Orbis-databank was geïdentificeerd als een groot- en kleinhandelaar. De analyse van de website van de onderneming was niet afdoende om vast te stellen of de onderneming een echte producent of een groothandelaar was, en bijgevolg besloot de Commissie deze onderneming uit te sluiten van de analyse; ii) Thai Meira onder meer producten produceerde die binnen de productomschrijving van dit onderzoek vielen, namelijk schroeftapbouten. |
|
(139) |
Chinafar Group voerde ook aan dat Thai Meira een hoge winst liet zien die niet-representatief was, aangezien de groep was gespecialiseerd in niet-standaardbevestigingsmiddelen voor de automobielsector. De onderneming verstrekte echter geen bewijzen waaruit bleek dat de winstgevendheid van de verkoop aan de automobielsector hoger was dan die van de verkoop aan andere sectoren. Het argument werd derhalve afgewezen. |
|
(140) |
EFDA identificeerde verder vijf bijkomende ondernemingen in Thailand die de Commissie had kunnen gebruiken, en haalde hun financiële gegevens uit Orbis: Thai Union Fasteners, MDF Precision, Bangkok Fastenings, Suntorx Enterprise en Tycoons Worldwide Group. |
|
(141) |
De Commissie analyseerde de financiële gegevens van al deze ondernemingen en stelde vast dat Tycoons Worldwide Group in 2023 verlieslatend was en de winsten van de andere vier ondernemingen (berekend op basis van de kosten van verkochte goederen) varieerden van 0,35 % tot 1,31 %, wat niet als een redelijk winstniveau werd beschouwd. Bijgevolg nam de Commissie deze ondernemingen niet op in haar analyse. |
|
(142) |
Wat de opmerking van Junyue betreft dat de geselecteerde Maleisische ondernemingen, zoals Chin Well Fasteners en Tong Heer Fasteners Co. Sdn. Bhd. (“Tong Herr”), een betrouwbaardere en representatievere benchmark vertoonden, merkte de Commissie het volgende op: |
|
(143) |
Tong Herr, dat is gespecialiseerd in de vervaardiging van roestvrijstalen bevestigingsmiddelen, maakte deel uit van een grotere groep, waartoe ook een producent van precisiegietproducten behoorde. Hoewel de financiële gegevens van Tong Herr voor 2024 nog niet beschikbaar waren, bleek uit de informatie op groepsniveau (61) dat het bedrijfssegment van bevestigingsmiddelen in 2024 verlieslatend was, waardoor het geen geschikte onderneming was voor het vaststellen van een representatieve benchmark. |
|
(144) |
Wat Chin Well Fasteners betreft, is het weliswaar juist dat de financiële gegevens van deze onderneming precies overeenkomen met het onderzoektijdvak, maar was de Commissie het niet eens met de stelling van Junyue dat Chin Well Fasteners alleen een meer representatieve basis vormde voor het vaststellen van de VAA-kosten en winstmarges dan de geselecteerde Thaise ondernemingen. Volgens de informatie die beschikbaar is op de officiële website van de onderneming (62), produceerde Chin Well Fasteners uitsluitend schroeven met kop. Hoewel dit niet uitsluit dat de onderneming kan dienen als een mogelijke benadering voor berekeningen van de VAA-kosten en winst, zorgt het feit dat de Thaise ondernemingen producten produceren die binnen de productomschrijving vallen, ervoor dat zij in dit geval geschikter zijn. |
|
(145) |
Op basis van bovengenoemde analyse heeft de Commissie besloten Thailand als het geschikte representatieve land te gebruiken en de financiële gegevens van twee ondernemingen (63) te gebruiken voor het berekenen van de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening. |
3.2.6. Niveau van sociale en milieubescherming
|
(146) |
Na de eerste mededeling voerde de klager aan dat zowel Thailand als Turkije beter presteerden dan Maleisië wat hun totaalscore voor de duurzameontwikkelingsdoelstellingen betreft, en dat Turkije alle tien de fundamentele arbeidsverdragen van de IAO had geratificeerd. EFDA merkte daarentegen weer op dat uit het bewijsmateriaal bleek dat de staat van dienst van Thailand en Turkije op het gebied van de bescherming van milieu- en mensenrechten minder positief was dan die van Maleisië. |
|
(147) |
Na de tweede mededeling herhaalde Chinafar Group de bevindingen van EFDA dat de staat van dienst van Thailand op het gebied van de bescherming van milieu- en mensenrechten niet positief was in vergelijking met de staat van dienst van Maleisië. |
|
(148) |
Nadat was vastgesteld dat in dit geval alleen Thailand het geschikte representatieve land was, hoefde er op grond van alle voorgaande elementen geen beoordeling van het niveau van sociale en milieubescherming plaats te vinden overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt a), eerste streepje, laatste zin, van de basisverordening. |
3.2.6.1.
|
(149) |
Gezien bovenstaande analyse voldeed Thailand aan de in artikel 2, lid 6 bis, punt a), eerste streepje, van de basisverordening vermelde criteria om als passend representatief land te worden beschouwd. |
3.2.7. Bronnen voor de vaststelling van niet-verstoorde kosten
|
(150) |
In de eerste mededeling heeft de Commissie de productiefactoren vermeld, zoals grondstoffen, energie en arbeid, waarvan de producenten-exporteurs bij de productie van het onderzochte product gebruikmaken, en heeft zij de belanghebbenden verzocht om opmerkingen te maken en openbaar beschikbare informatie voor te stellen over niet-verstoorde waarden voor elk van de in die mededeling genoemde productiefactoren. |
|
(151) |
Vervolgens heeft de Commissie in de tweede mededeling verklaard dat zij, voor de berekening van de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening, gebruik zou maken van de GTA om de niet-verstoorde kosten van de meeste productiefactoren, met name de grondstoffen, vast te stellen. Daarnaast verklaarde de Commissie dat zij een beroep zou doen op de Bank of Thailand voor het vaststellen van de niet-verstoorde loonkosten (64), de Thaise Commissie voor Investeringen voor elektriciteit (65) en het Energy Policy and Planning Office van het Ministerie van Energie voor aardgas (66). |
|
(152) |
In de tweede mededeling heeft de Commissie de belanghebbenden ook meegedeeld dat deze verwaarloosbare producten, die minder dan 2 % van de totale productiekosten vertegenwoordigden, als gevolg van het verwaarloosbare gewicht van sommige productiemiddelen, namelijk stoom en water, in de totale productiekosten die door de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs zijn gerapporteerd, waren ingedeeld onder “verbruiksgoederen”. Bovendien heeft de Commissie meegedeeld dat zij het percentage van de verbruiksgoederen in het totaal van de grondstofkosten zal berekenen, en dat percentage zal toepassen op de herberekende grondstofkosten wanneer zij gebruikmaakt van de vastgestelde niet-verstoorde benchmarks in het geschikte representatieve land. |
3.2.7.1.
|
(153) |
Aan de hand van alle door de belanghebbenden verstrekte en tijdens de controlebezoeken verzamelde gegevens zijn voor de vaststelling van de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening de volgende productiefactoren en de bronnen daarvan in kaart gebracht: Tabel 1 Productiefactoren van het onderzochte product
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(154) |
De Commissie heeft een waarde voor de overhead-productiekosten opgenomen om de kosten te bestrijken die niet in de bovengenoemde productiefactoren zijn opgenomen. Deze werkwijze wordt uitvoerig toegelicht in de overwegingen 178 en 179. |
3.2.7.2.
|
(155) |
Met het oog op de vaststelling van de niet-verstoorde prijs van grondstoffen als geleverd aan de fabriekspoort van een producent in het representatieve land, heeft de Commissie als basis de gewogen gemiddelde invoerprijs voor het representatieve land gebruikt, zoals vermeld in de GTA, waarbij invoerrechten en vervoerskosten werden opgeteld. De invoerprijs in het representatieve land werd vastgesteld als een gewogen gemiddelde van de eenheidsprijzen van de invoer uit alle derde landen met uitzondering van de VRC en de in bijlage I bij Verordening (EU) 2015/755 (68) genoemde landen die geen lid zijn van de WTO. |
|
(156) |
De Commissie heeft besloten de invoer uit de VRC in het representatieve land uit te sluiten, aangezien zij tot de conclusie is gekomen dat het wegens de aanwezigheid van verstoringen van betekenis in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt b), van de basisverordening, niet passend is om de binnenlandse prijzen en kosten in de VRC te gebruiken. Aangezien er geen bewijsmateriaal is waaruit blijkt dat dezelfde verstoringen niet gelijkelijk gevolgen hebben voor producten die bestemd zijn voor uitvoer uit de VRC, was de Commissie van mening dat die verstoringen gevolgen hebben gehad voor de uitvoerprijzen. |
|
(157) |
Voor een aantal productiefactoren vertegenwoordigden de werkelijk gemaakte kosten door de meewerkende producenten-exporteurs een verwaarloosbaar percentage van de totale grondstofkosten in het onderzoektijdvak. Aangezien zij minder dan 2 % van de totale productiekosten vertegenwoordigden en de voor die factoren gebruikte waarde geen merkbare invloed had op de berekeningen van de dumpingmarge, ongeacht de gebruikte bron, besloot de Commissie die kosten op te nemen bij de kosten van verbruiksgoederen. |
|
(158) |
Teneinde overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt a), eerste streepje, van de basisverordening de niet-verstoorde prijs van grondstoffen vast te stellen, heeft de Commissie de desbetreffende invoerrechten van het representatieve land toegepast. |
|
(159) |
De Commissie heeft de vervoerskosten van de meewerkende producent-exporteur voor de levering van grondstoffen uitgedrukt als een percentage van de werkelijke kosten van dergelijke grondstoffen, en heeft vervolgens hetzelfde percentage toegepast op de niet-verstoorde kosten van dezelfde grondstoffen, teneinde de niet-verstoorde vervoerskosten te verkrijgen. De Commissie was van oordeel dat, in het kader van dit onderzoek, de ratio tussen de grondstoffen van de producent-exporteur en de gerapporteerde vervoerskosten redelijkerwijs kon worden gebruikt als indicatie voor de schatting van de niet-verstoorde vervoerskosten van grondstoffen bij levering aan de fabriek van de onderneming. |
|
(160) |
In de eerste mededeling heeft de Commissie een lijst met productiefactoren verstrekt. Naar aanleiding van de informatie die tijdens het controlebezoek in de bedrijfsruimten van de producenten-exporteurs werd verzameld, werd de lijst met productiefactoren herzien. Met name werd draad van ijzer of niet-gelegeerd staal (GS 7217 10 ) uitgesloten, omdat de Commissie had vastgesteld dat deze niet werd gebruikt bij de productie van het onderzochte product, terwijl het aanvankelijk onopzettelijk was vermeld in de antwoorden op de vragenlijst. |
|
(161) |
Naar aanleiding van de opmerkingen van de belanghebbenden over de eerste mededeling voerde de klager aan dat de aanzienlijke omvang van de ingevoerde belangrijkste productiemiddelen uit de VRC de marktprijzen in Maleisië naar verwachting zal verstoren; de klager voerde ook aan dat de elektriciteitsprijzen in Maleisië sterk waren gesubsidieerd, en verstrekte als bewijs een krantenartikel over de gevolgen voor binnenlandse gebruikers. |
|
(162) |
In haar opmerkingen op de tweede mededeling betoogde Chinafar Group dat het loutere feit dat er sprake was van subsidiëring, niet tot gevolg had dat de prijzen niet-representatief waren voor de toepassing van artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening. |
|
(163) |
Nadat was vastgesteld dat Thailand in dit stadium als geschikt representatief land wordt beschouwd in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening, werden deze argumenten verworpen. |
3.2.7.3.
|
(164) |
De Commissie maakte gebruik van de meest recente beschikbare statistieken die door de Bank of Thailand waren gepubliceerd (69), om de benchmark voor loonkosten vast te stellen. De Bank of Thailand verstrekte per kwartaal informatie over de gemiddelde maandlonen in de be- en verwerkende sector in Thailand gedurende het onderzoektijdvak. Deze werden gecorrigeerd om rekening te houden met door de werkgever betaalde sociale lasten (70). |
|
(165) |
Er was geen informatie beschikbaar over gewerkte uren in de door de Bank of Thailand gepubliceerde statistieken, dus baseerde de Commissie zich op de informatie over het aantal per week gewerkte uren in Thailand zoals verstrekt door de databank met statistieken over de beroepsbevolking van de Internationale Arbeidsorganisatie (71). |
|
(166) |
Vervolgens heeft de Commissie de loonkosten per uur in Thailand berekend door de jaarlijkse loonkosten te delen door het jaarlijkse aantal gewerkte uren. |
|
(167) |
Na de tweede mededeling voerden zowel Junyue als Chinafar Group aan dat de Commissie de daadwerkelijk gewerkte uren van de producenten-exporteurs moet gebruiken om de benchmark voor de loonkosten te berekenen, en niet de gegevens van de IAO. |
|
(168) |
Volgens hen was dit gerechtvaardigd, aangezien volgens artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening gegevens met betrekking tot prijzen en kosten alleen niet mogen worden gebruikt in de landen van uitvoer, en niet-prijsgerelateerde informatie mag daarentegen niet automatisch worden afgewezen. |
|
(169) |
De Commissie merkte op dat zij de door de Chinese producenten-exporteurs daadwerkelijk gewerkte uren had gebruikt en dat zij deze in het kader van de berekening van de normale waarde had vermenigvuldigd met de overeenkomstige kosten in Thailand. Het doel van de methode was te herberekenen hoeveel deze gewerkte uren zouden kosten in het representatieve land. De loonkosten in Thailand zouden noodzakelijkerwijs de verhouding zijn tussen de totale loonkosten en het totale aantal arbeidsuren in Thailand. Het argument werd derhalve afgewezen. |
3.2.7.4.
|
(170) |
In de tweede mededeling kondigde de Commissie aan dat zij voornemens was om de opgave van de elektriciteitsprijzen voor ondernemingen en industrie- en staatsbedrijven zoals gepubliceerd door de Thaise Commissie voor Investeringen (72), zou gebruiken, door middel van het Time of use tariff (TOU tariff) - Large General Service, Voltage level below 22 Kv, om de benchmark voor elektriciteit te berekenen. |
|
(171) |
Deze energie is sinds 2018 ongewijzigd en wordt maandelijks geactualiseerd met behulp van het instrument “Ft surcharge”. De voor elke maand in rekening gebrachte elektriciteitstarieven worden daarom als volgt berekend:
|
|
(172) |
Na de tweede mededeling stelde de Commissie een benchmark voor elektriciteit vast voor iedere in de steekproef opgenomen producent-exporteur op basis van het respectieve piek- en dalverbruik. Het resulterende gebruik werd toegerekend aan de piek- en daltarieven. |
|
(173) |
Daarnaast besloot de Commissie om zowel het tarief voor de vraag als de vergoeding voor de dienst in de benchmark voor het elektriciteitstarief op te nemen, teneinde de kosten voor elektriciteit in het representatieve land volledig weer te geven. De vergoeding voor de dienst was uitgedrukt als een vast bedrag per maand, terwijl het tarief voor de vraag werd vastgesteld in kW op basis van de conservatieve berekening van de vraag naar elektriciteit. Deze werd vastgesteld door de totale verbruikte energie tijdens piekuren te delen door het aantal productie-uren. Het gewogen gemiddelde tarief werd voor zowel piek- als daluren vastgesteld als een relevante benchmark voor iedere in de steekproef opgenomen producent-exporteur. |
|
(174) |
In de tweede mededeling gaf de Commissie aan dat zij de belasting over de toegevoegde waarde (btw) in mindering zou brengen op de elektriciteitstarieven. Na verder onderzoek stelde de Commissie echter vast dat de elektriciteitsprijzen in Thailand exclusief btw werden opgegeven. |
3.2.7.5.
|
(175) |
Om de benchmark voor aardgas vast te stellen, maakte de Commissie gebruik van de door het Energy Policy and Planning Office van het Ministerie van Energie gepubliceerde prijzen (74), namelijk tabel 7.2-4, waarin het eindverbruik van energie per hoofd van de bevolking wordt weergegeven. De Commissie gebruikte het gemiddelde van de gegevens voor 2023 en 2024 in die tabel als benchmark. |
3.2.7.6.
|
(176) |
Om de benchmark voor bijproducten vast te stellen, maakte de Commissie gebruik van de verhouding tussen de waarde van de bijproducten en de waarde van de oorspronkelijke grondstof, zoals geregistreerd in het boekhoudsysteem van de producenten-exporteurs, en paste zij deze verhouding toe op de van de GTA verkregen benchmark. |
3.2.7.7.
|
(177) |
Volgens artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening geldt het volgende: “De door berekening vastgestelde normale waarde omvat een niet-verstoord en redelijk bedrag voor administratiekosten, verkoopkosten en algemene kosten en voor winst”. Bovendien moet een waarde voor de overhead-productiekosten worden vastgesteld om de niet in de bovengenoemde productiefactoren opgenomen kosten te bestrijken. |
|
(178) |
De algemene productiekosten van de meewerkende producenten-exporteurs werden uitgedrukt als aandeel van de werkelijke productiekosten van de producenten-exporteurs. Het percentage is toegepast op de niet-verstoorde productiekosten. |
|
(179) |
Ter vaststelling van een niet-verstoord en redelijk bedrag voor de VAA-kosten en winst bij het handelsstadium af fabriek baseerde de Commissie zich op de financiële gegevens voor 2023 voor de ondernemingen Sanwa Iron (Thailand) Company Ltd. en Thai Meira Co. Ltd., die zij uit Orbis haalde. |
3.2.8. Berekening
|
(180) |
Op basis van het bovenstaande heeft de Commissie de normale waarde per productsoort in het stadium af fabriek berekend overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening. |
|
(181) |
Eerst heeft de Commissie de niet-verstoorde productiekosten vastgesteld. De Commissie heeft de niet-verstoorde kosten per eenheid toegepast op het werkelijke verbruik van de individuele productiefactoren van de meewerkende producent-exporteur. Dit verbruik werd in het kader van de controle geverifieerd. De Commissie heeft de verbruiksfactoren vermenigvuldigd met de niet-verstoorde kosten per eenheid zoals die zijn vastgesteld in het representatieve land. |
|
(182) |
Toen de niet-verstoorde productiekosten waren vastgesteld, heeft de Commissie de overhead-productiekosten, de VAA-kosten en de winst erop toegepast, zoals vermeld in de overwegingen 178 en 179. |
|
(183) |
De VAA-kosten, uitgedrukt als percentage van de verkoopkostprijs en toegepast op de niet-verstoorde productiekosten, bedroegen 8 %. De winst, uitgedrukt als percentage van de verkoopkostprijs en toegepast op de niet-verstoorde productiekosten, bedroeg 21,2 %. |
|
(184) |
Op basis daarvan heeft de Commissie de normale waarde per productsoort af fabriek berekend overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening. |
3.3. Uitvoerprijs
|
(185) |
De in de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs voerden rechtstreeks naar onafhankelijke afnemers in de Unie uit. |
|
(186) |
Overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening was de uitvoerprijs de werkelijk betaalde of te betalen prijs van het betrokken product dat met het oog op uitvoer naar de Unie werd verkocht. |
3.4. Vergelijking
|
(187) |
Artikel 2, lid 10, van de basisverordening verplicht de Commissie om een billijke vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs te maken en om correcties toe te passen voor verschillen tussen factoren die van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen. De Commissie heeft de normale waarde en de uitvoerprijs van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs vergeleken op het niveau af fabriek. Zoals hieronder verder wordt toegelicht, werden de normale waarde en de uitvoerprijs waar nodig aangepast om: i) deze terug te rekenen tot het stadium af fabriek; en ii) correcties toe te passen voor verschillen tussen factoren waarvan werd beweerd en aangetoond dat zij van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen. |
3.4.1. Correcties op de normale waarde
|
(188) |
Zoals uiteengezet in overweging 180, werd de normale waarde vastgesteld in het stadium af fabriek en waren derhalve geen correcties nodig. |
|
(189) |
In zijn opmerkingen op de tweede mededeling voerde Junyue aan dat de methode die de Commissie had toegepast om het VAA-percentage vast te stellen, kan leiden tot een oneerlijke vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs, aangezien in de VAA-kosten die werden gebruikt om de normale waarde te berekenen, waarschijnlijk uitgaven waren opgenomen die vergelijkbaar waren met door Junyue gedane uitgaven, die door de Commissie in mindering zouden worden gebracht om de uitvoerprijs af fabriek te bepalen. |
|
(190) |
Junyue voerde aan dat de Commissie een gedetailleerde uitsplitsing van de VAA-kosten moest verstrekken om ervoor te zorgen dat er geen sprake was van overlapping met uitgaven die reeds van de uitvoerprijs waren afgetrokken. Indien een dergelijk overzicht niet beschikbaar was, mocht de Commissie geen correctie van de uitvoerprijs doorvoeren. |
|
(191) |
Junyue verwees naar het arrest van het Gerecht in zaak T-762/20 (75), Sinopec, waartegen beroep is ingesteld (76), waarin dit punt van correctie van de uitvoerprijs overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening bij een berekening van de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening werd beoordeeld. |
|
(192) |
Zoals uiteengezet in overweging 187, heeft de Commissie ervoor gekozen de uitvoerprijs te vergelijken met de normale waarde af fabriek. Zoals uiteengezet in overweging 180, werd de normale waarde in het handelsstadium af fabriek vastgesteld door gebruik te maken van de productiekosten, samen met de bedragen voor de VAA-kosten en de winst, die voor dat handelsstadium redelijk werden geacht. Daarom waren er geen correcties nodig om de normale waarde terug te rekenen tot het stadium af fabriek. |
|
(193) |
In zijn arrest in de zaak CCCME, dat later werd gewezen dan het arrest in de zaak Sinopec, bracht het Gerecht om te beginnen in herinnering dat wanneer een partij op grond van artikel 2, lid 10, van de basisverordening correcties vraagt om de normale waarde en de uitvoerprijs vergelijkbaar te maken met het oog op de bepaling van de dumpingmarge, die partij volgens vaste rechtspraak het bewijs moet leveren dat haar verzoek gerechtvaardigd is. Het bewijs dat de in artikel 2, lid 10, punten a) tot en met k), van de basisverordening genoemde specifieke correcties moeten worden toegepast, moet worden geleverd door de partijen die hier gebruik van willen maken. (77) Daaruit volgt dat het in dat geval, en ook in het kader van dit onderzoek, volgens die rechtspraak aan de belanghebbenden is om aan te tonen dat de verzochte correctie noodzakelijk is op basis van bewijs dat tijdens het onderzoek door hen is aangedragen (78). |
|
(194) |
Het Gerecht overwoog vervolgens dat de praktijk om correcties toe te passen, op grond van artikel 2, lid 10, van de basisverordening weliswaar noodzakelijk kan blijken om rekening te houden met verschillen tussen de uitvoerprijs en de normale waarde die van invloed zijn op de vergelijkbaarheid ervan, maar dat deze correcties niet kunnen worden toegepast op een door berekening vastgestelde waarde die dus niet de reële waarde is. Die waarde wordt over het algemeen niet beïnvloed door factoren die schadelijk kunnen zijn voor de vergelijkbaarheid ervan, aangezien zij kunstmatig is vastgesteld (79). Daarnaast omvatte, zowel in het geval van de CCCME als in de onderhavige zaak, de berekening van de normale waarde per productsoort in het stadium af fabriek een redelijk bedrag voor VAA-kosten en was er geen informatie voorhanden waaruit zou blijken dat de VAA-kosten van de twee betrokken Thaise ondernemingen vervoerskosten voor levering aan afnemers betroffen. Gezien de discretionaire bevoegdheid van de Commissie bij de toepassing van artikel 2, lid 10, van de basisverordening (80), strookte de benadering van de Commissie bijgevolg met de meest recente rechtspraak betreffende niet-onderbouwde beweringen dat de bedragen voor VAA-kosten die zijn gebruikt voor de berekening van de normale waarde op grond van artikel 2, lid 6 bis, punt a), en die door de Commissie redelijk worden geacht voor het handelsstadium af fabriek, vervoerskosten omvatten. Het argument werd derhalve afgewezen. |
3.4.2. Correcties op de uitvoerprijs
|
(195) |
Om de uitvoerprijs terug te rekenen tot het handelsstadium af fabriek, zijn er correcties toegepast voor: vervoer, verzekeringen, lading, overlading, lossing, evenals verpakking en kortingen. |
|
(196) |
Bovendien zijn er correcties toegepast voor de volgende factoren die van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen: kredietkosten en bankkosten. |
|
(197) |
Wat de correctie van de uitvoerprijs voor commissies betreft, heeft de Commissie vastgesteld dat de betrokken onderneming die bij de transacties was betrokken, functies uitvoerde die vergelijkbaar waren met die van een op commissiebasis werkende agent, waarbij een beroep werd gedaan op het personeel van de producent-exporteur. Dus werd de correctie voor een commissie berekend op basis van de VAA-kosten van de verbonden onderneming, het aandeel van VAA-kosten van de producent-exporteur met betrekking tot de functies van de verbonden onderneming, en een nominale winst. |
3.5. Dumpingmarges
|
(198) |
Voor de in de steekproef opgenomen meewerkende producenten-exporteurs heeft de Commissie de gewogen gemiddelde normale waarde van elke soort van het soortgelijke product vergeleken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs van de overeenkomstige soort van het betrokken product, zoals bepaald in artikel 2, leden 11 en 12, van de basisverordening. |
|
(199) |
Op grond hiervan zijn de voorlopige gewogen gemiddelde dumpingmarges, uitgedrukt in procenten van de cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring:
|
|
(200) |
Voor de meewerkende producenten-exporteurs die niet in de steekproef zijn opgenomen, heeft de Commissie de gewogen gemiddelde dumpingmarge berekend overeenkomstig artikel 9, lid 6, van de basisverordening. Die marge werd dus vastgesteld op basis van de dumpingmarges die waren vastgesteld voor de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs. |
|
(201) |
Dit leidt voor de meewerkende producenten-exporteurs die geen deel uitmaken van de steekproef tot een voorlopige dumpingmarge van 67,4 %. |
|
(202) |
Voor alle andere producenten-exporteurs in China heeft de Commissie de dumpingmarge overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening aan de hand van de beschikbare gegevens vastgesteld. Daartoe heeft de Commissie de mate van medewerking van de producenten-exporteurs bepaald. De mate van medewerking komt overeen met het volume van de uitvoer naar de Unie van de meewerkende producenten-exporteurs, uitgedrukt als percentage van de totale invoer – volgens de gegevens van Eurostat – uit het betrokken land naar de Unie tijdens het OT. |
|
(203) |
In dit geval is er een hoge mate van medewerking, aangezien de uitvoer van de medewerkende producenten-exporteurs 100 % van de totale invoer in het onderzoektijdvak uitmaakte. Op basis hiervan achtte de Commissie het passend de dumpingmarge voor niet-medewerkende producenten-exporteurs vast te stellen op het niveau van de medewerkende individueel onderzochte onderneming met de hoogste dumpingmarge. |
|
(204) |
De volgende tabel bevat de voorlopige dumpingmarges, uitgedrukt als percentage van de cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring:
|
4. SCHADE
4.1. Omschrijving van de bedrijfstak van de Unie en de productie in de Unie
|
(205) |
Het soortgelijke product werd in het onderzoektijdvak vervaardigd door 42 producenten in de Unie. Zij vormen de “bedrijfstak van de Unie” in de zin van artikel 4, lid 1, van de basisverordening. |
|
(206) |
De totale productie in de Unie tijdens het onderzoektijdvak werd vastgesteld op ongeveer 50 466 ton. De Commissie heeft dit cijfer vastgesteld op basis van door de klager en de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie verstrekte gegevens. Zoals aangegeven in overweging 8, vertegenwoordigden de drie in de steekproef opgenomen producenten in de Unie ongeveer 14 % van de geraamde totale productie en verkoop van het soortgelijke product in de Unie. |
4.2. Verbruik in de Unie
|
(207) |
De Commissie heeft het verbruik in de Unie vastgesteld door het verkoopvolume van de bedrijfstak van de Unie op de markt van de Unie en de invoer van het betrokken product toe te voegen, zoals gerapporteerd in Eurostat. De bron van de informatie was het antwoord op de macrovragenlijst door de klager en de officiële gegevens van Eurostat. |
|
(208) |
Het verbruik in de Unie heeft zich als volgt ontwikkeld: Tabel 2 Verbruik in de Unie (ton)
|
||||||||||||||||||||||
|
(209) |
Het verbruik in de Unie nam in 2022 licht toe (+ 3 % ten opzichte van 2021), nam vervolgens met 13 % af in 2023, waarbij het niveau tijdens het onderzoektijdvak 13 % onder dat van 2021 bleef. |
4.3. Invoer uit het betrokken land
4.3.1. Volume en marktaandeel van de invoer uit het betrokken land
|
(210) |
De Commissie heeft de omvang van de invoer vastgesteld op basis van gegevens van Eurostat. Het marktaandeel van de invoer is vastgesteld op basis van de omvang van de invoer en het totale verbruik in de Unie. |
|
(211) |
De invoer in de Unie uit het betrokken land heeft zich als volgt ontwikkeld: Tabel 3 Invoervolume (ton) en marktaandeel
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(212) |
Het invoervolume uit de VRC nam in totaal toe met 5 795 ton in absolute cijfers, wat overeenkomt met een stijging van 5 % tijdens de beoordelingsperiode. In 2022 steeg de invoer aanzienlijk met 13 % ten opzichte van het voorgaande jaar. In 2023 daalde de invoer met 4 % in vergelijking met 2021, aangezien de totale Europese vraag afnam. Deze daling was slechts tijdelijk van aard, want in het OT steeg de invoer met meer dan 10 000 ton ten opzichte van 2023, ondanks het feit dat de vraag in de Unie laag bleef tijdens het OT. |
|
(213) |
Overwegende dat het verbruik in de Unie met 13 % daalde tijdens de beoordelingsperiode, steeg het marktaandeel van de Chinese invoer in de Unie gestaag tussen 2021 en het OT. Het steeg van 51 % in 2021 tot 61 % in het OT en veroverde dus 10 procentpunt van het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie en andere derde landen. |
4.4. Prijzen van de invoer uit het betrokken land: prijsonderbieding en verhindering van prijsverhoging
|
(214) |
De Commissie heeft de prijzen van de invoer vastgesteld aan de hand van gegevens van Eurostat. De prijsonderbieding van de invoer werd vastgesteld op basis van de antwoorden op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs en de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie. |
|
(215) |
De gewogen gemiddelde prijs van de invoer in de Unie uit het betrokken land heeft zich als volgt ontwikkeld: Tabel 4 Invoerprijzen (EUR/ton)
|
||||||||||||||||||||||
|
(216) |
De Chinese invoerprijzen stegen aanvankelijk met 28 % in 2022 en daalden vervolgens met hetzelfde percentage in 2023 om verder te dalen met 7 % in het OT. In totaal daalden de Chinese invoerprijzen tijdens de beoordelingsperiode met 7 %, van 1 307 EUR per ton in 2021 tot 1 213 EUR per ton in het OT. |
|
(217) |
De Commissie heeft de prijsonderbieding tijdens het onderzoektijdvak vastgesteld aan de hand van een vergelijking van:
|
|
(218) |
De prijzen werden vergeleken per productsoort voor transacties in hetzelfde handelsstadium, zo nodig na correctie, en met aftrek van kortingen en rabatten. Het resultaat van de vergelijking werd uitgedrukt als een percentage van de theoretische omzet in het onderzoektijdvak van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie. Daaruit bleek een gewogen gemiddelde prijsonderbiedingsmarge tussen 59 % en 64 % van de invoer uit het betrokken land op de markt van de Unie voor het overgrote deel van het ingevoerde product (tussen 75 % en 90 %). |
|
(219) |
Naast prijsonderbieding was er ook sprake van aanzienlijke verhindering van een prijsverhoging in de zin van artikel 3, lid 3, van de basisverordening. Door de aanzienlijke prijsdruk als gevolg van de laaggeprijsde invoer met dumping van Chinese producenten-exporteurs was de bedrijfstak van de Unie niet in staat om de prijzen tijdens het hele onderzoektijdvak in overeenstemming met de ontwikkeling van de productiekosten te verhogen en om een redelijk winstniveau te bereiken, zoals weergegeven in tabel 8. De aanzienlijke verhindering van een prijsverhoging wordt bevestigd door het prijsbederf dat werd vastgesteld op basis van de gegevens die door de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs werden verstrekt. |
4.5. Economische situatie van de bedrijfstak van de Unie
4.5.1. Algemene opmerkingen
|
(220) |
Overeenkomstig artikel 3, lid 5, van de basisverordening omvatte het onderzoek naar de gevolgen van de invoer met dumping voor de bedrijfstak van de Unie een beoordeling van alle economische indicatoren die tijdens de beoordelingsperiode van invloed waren op de situatie van de bedrijfstak van de Unie. |
|
(221) |
Zoals vermeld in overweging 8, werd voor de vaststelling van de mogelijke door de bedrijfstak van de Unie geleden schade gebruikgemaakt van een steekproef. |
|
(222) |
Voor de schadevaststelling heeft de Commissie onderscheid gemaakt tussen macro-economische en micro-economische schade-indicatoren. De Commissie heeft de macro-economische indicatoren beoordeeld op basis van de gecontroleerde gegevens die in de antwoorden op de vragenlijst en de latere door de klager ingediende opmerkingen waren vervat. De Commissie heeft de micro-economische indicatoren beoordeeld op basis van de gecontroleerde gegevens die de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie in de antwoorden op de vragenlijst hadden verstrekt. Beide gegevensreeksen bleken representatief te zijn voor de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie. |
|
(223) |
De macro-economische indicatoren zijn: productie, productiecapaciteit, bezettingsgraad, verkoopvolume, marktaandeel, groei, werkgelegenheid, productiviteit, hoogte van de dumpingmarge en herstel van eerdere dumping. |
|
(224) |
De micro-economische indicatoren zijn: gemiddelde prijzen per eenheid, kosten per eenheid, loonkosten, voorraden, winstgevendheid, kasstroom, investeringen, rendement van investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken. |
4.5.2. Macro-economische indicatoren
4.5.2.1.
|
(225) |
De totale productie in de Unie, de productiecapaciteit en de bezettingsgraad in de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 5 Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(226) |
In de beoordelingsperiode is het productievolume met in totaal 27 % gestaag gedaald. |
|
(227) |
De productiecapaciteit bleef in het algemeen stabiel en nam tijdens het onderzoektijdvak slechts licht af met 1 %. |
|
(228) |
De bezettingsgraad, die reeds zeer laag was aan het begin van de beoordelingsperiode, nam verder af gedurende die periode, namelijk van 20 % in 2021 tot 15 % in het OT. Dit was het gevolg van de daling van de productievolumes met een gelijkwaardig niveau van de productiecapaciteit. |
4.5.2.2.
|
(229) |
De verkoophoeveelheid en het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 6 Verkoophoeveelheid en marktaandeel
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(230) |
Het verkoopvolume van de bedrijfstak van de Unie daalde in de beoordelingsperiode met 28 % aanzienlijk sneller dan het verbruik, dat in dezelfde periode met 13 % afnam (d.w.z. meer dan het dubbele ervan). Tegelijkertijd daalde het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie van 31 % in 2021 tot 25 % in het onderzoektijdvak, wat neerkomt op een daling van 6 procentpunt. |
4.5.2.3.
|
(231) |
Tegen de achtergrond van een dalend verbruik verloor de bedrijfstak van de Unie niet alleen verkoopvolumes in de Unie, maar ook marktaandeel, in tegenstelling tot de Chinese invoer, dat absoluut verkoopvolume en marktaandeel in de Unie won. |
4.5.2.4.
|
(232) |
De werkgelegenheid en de productiviteit hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 7 Werkgelegenheid en productiviteit
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(233) |
De werkgelegenheid in de bedrijfstak van de Unie heeft zich tussen 2021 en 2022 hersteld tot het niveau van vóór de COVID-19-pandemie, maar nam tijdens de beoordelingsperiode in het algemeen af wegens de daling van de productie en de verkoop. Tijdens het OT werd een daling vastgesteld van 6 % ten opzichte van het begin van de beoordelingsperiode, zonder rekening te houden met eventuele indirecte werkgelegenheid. |
|
(234) |
De productiviteit per werknemer daalde ook aanzienlijk in een trend die vergelijkbaar was met de daling van de productie. De negatieve ontwikkeling begon in 2022. In 2023 en tijdens het onderzoektijdvak verslechterde de situatie nog aanzienlijk. De totale daling bedroeg 23 % ten opzichte van 2021. |
4.5.2.5.
|
(235) |
Alle dumpingmarges lagen aanzienlijk boven de de-minimisdrempel. De gevolgen van de hoogte van de werkelijke dumpingmarges voor de bedrijfstak van de Unie waren aanzienlijk, gezien het volume en de prijzen van de invoer uit het betrokken land. |
|
(236) |
Dit is het eerste antidumpingonderzoek ten aanzien van het betrokken product. Daarom waren er geen gegevens beschikbaar om de gevolgen van mogelijke dumping in het verleden vast te stellen. |
4.5.3. Micro-economische indicatoren
4.5.3.1.
|
(237) |
De gewogen gemiddelde verkoopprijs per eenheid van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie voor verkoop aan niet-verbonden afnemers in de Unie heeft zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 8 Verkoopprijzen in de Unie
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(238) |
De productiekosten per eenheid in de Unie zijn sinds 2021 aanzienlijk gestegen. Zij stegen met 32 % tussen 2021 en 2022, namen verder toe in 2023 en daalden licht tijdens het OT. De totale stijging bedroeg 46 % ten opzichte van 2021. Deze volgde op de sterke stijging van de loonkosten (81) en de grondstoffenprijzen (82), en was het gevolg van het uitbreken van de Russische oorlog tegen Oekraïne, die een sterke stijging van de inflatie in de Unie, verstoringen van de toeleveringsketens, en aanzienlijk hogere kosten voor grondstoffen tot gevolg had. |
|
(239) |
De gemiddelde verkoopprijs per eenheid vertoonde een vergelijkbare trend. Tegen 2022-2023 was de verkoopprijs met 41 % gestegen. Tijdens het OT daalde de eenheidsprijs echter ten opzichte van 2023, hoewel deze in het algemeen nog steeds 34 % hoger lag dan in 2021. |
|
(240) |
Het feit dat de gemiddelde verkoopprijs per eenheid in totaal met 34 % steeg terwijl de productiekosten per eenheid met 46 % stegen tijdens dezelfde periode, wijst erop dat de bedrijfstak van de Unie niet in staat was de stijgende productiekosten volledig te absorberen. Met andere woorden, door de stijgende volumes van de Chinese invoer met dumping op de markt van de Unie konden de producenten in de Unie hun prijzen niet optrekken naar een houdbaar niveau dat de hogere productiekosten kon dekken. Deze situatie had ernstige gevolgen voor de financiële prestaties van de bedrijfstak van de Unie. |
4.5.3.2.
|
(241) |
De gemiddelde loonkosten van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 9 Gemiddelde loonkosten per werknemer
|
||||||||||||||||||||||
|
(242) |
De gemiddelde loonkosten per werknemer stegen in de beoordelingsperiode met + 9 %. |
4.5.3.3.
|
(243) |
De voorraden van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 10 Voorraden
|
|||||||||||||||||||||||||||
|
(244) |
Het niveau van de eindvoorraden steeg met 16 % in 2022 ten opzichte van het voorgaande jaar, na de daling van de verkoop. Tegen 2023 en gedurende het gehele onderzoektijdvak leverden de producenten in de Unie zichtbare inspanningen om hun voorraadniveaus aan te passen naar aanleiding van de dalende verkoop en productie. In 2023 keerden de voorraadniveaus terug naar de uitgangswaarden en werden er tijdens het onderzoektijdvak verdere dalingen vastgesteld. De eindvoorraden zijn in de beoordelingsperiode in totaal met 25 % gedaald. |
4.5.3.4.
|
(245) |
De winstgevendheid, de kasstroom, de investeringen en het rendement van de investeringen van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 11 Winstgevendheid, kasstroom, investeringen en rendement van investeringen
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(246) |
De Commissie heeft de winstgevendheid van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie vastgesteld door de nettowinst vóór belastingen op de verkoop van het soortgelijke product aan niet-verbonden afnemers in de Unie uit te drukken als een percentage van de aldus gerealiseerde omzet. De winstgevendheid was positief aan het begin van de beoordelingsperiode in 2021 (83) en 2022. Gedurende de beoordelingsperiode daalde de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie aanzienlijk, van ongeveer 1 % in de periode 2021-2022 tot - 5 % in 2023 en verder tot - 10 % in het OT. Het feit dat de bedrijfstak van de Unie in het OT met 10 % verlies presteerde, kan worden verklaard door de toegenomen concurrentie van Chinese uitvoer tegen dumpingprijzen, waardoor de bedrijfstak van de Unie was gedwongen om zijn prijzen in een periode van stijgende productiekosten te doen dalen tot een verlieslatend niveau, zoals uiteengezet in punt 4.5.3.1. |
|
(247) |
De nettokasstroom is het vermogen van de producenten in de Unie om hun activiteiten zelf te financieren. De onhoudbare winstniveaus van de bedrijfstak van de Unie uitten zich, zoals hierboven uiteengezet, ook in een negatieve kasstroom gedurende bijna de gehele periode, wat nog verder verslechterde tijdens het OT en – 2 miljoen EUR overschreed, wat neerkwam op ongeveer 15 % van de verkoopwaarde tijdens het OT. |
|
(248) |
Hoewel de onderhouds- en vervangingsinvesteringen stegen in de periode 2021-2023, daalden zij drastisch tijdens het OT, net als de andere belangrijkste schade-indicatoren. In het algemeen namen de investeringen tussen het begin en het einde van de beoordelingsperiode met een derde af. |
|
(249) |
Het rendement van investeringen is de winst uitgedrukt als percentage van de nettoboekwaarde van de investeringen. Het rendement van investeringen van de bedrijfstak van de Unie daalde van 6 % in 2021 tot - 27 % in het OT. |
|
(250) |
Gezien de drastische daling van de winstgevendheid, de nettokasstroom en het rendement van investeringen, werd het vermogen om kapitaal aan te trekken van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, ernstig aangetast. |
4.5.3.5.
|
(251) |
Alle voornaamste schade-indicatoren vertoonden tijdens de beoordelingsperiode een negatieve trend. Het productievolume van de bedrijfstak van de Unie daalde met 27 % en zijn verkoopvolume met 28 %. De bedrijfstak van de Unie verloor ook marktaandeel, dat daalde van 31 % in 2021 tot 25 % in het OT. Daarentegen nam het marktaandeel van de Chinese invoer naar de Unie tijdens dezelfde periode met 10 procentpunt toe; het bedroeg 51 % in 2021 en steeg tot 61 % in het OT. Dit werd bereikt ondanks de daling van het verbruik in de Unie met 13 % tijdens de beoordelingsperiode. |
|
(252) |
De winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie nam gedurende de beoordelingsperiode af, van 1 % in de periode 2021-2022 tot - 5 % in 2023, en daalde verder tot - 10 % in het OT, wat duidelijk niet houdbaar is. Een vergelijkbare dalende trend werd vastgesteld voor de productiviteit van de bedrijfstak van de Unie (daling met 23 %), zijn werkgelegenheid (daling met 6 %), investeringen (daling met 31 %), rendement van investeringen en kasstroom, die gedurende de beoordelingsperiode allemaal afnamen. |
|
(253) |
De bedrijfstak van de Unie was niet in staat het verlies van de verkoopvolumes op de markt van de Unie te compenseren door een stijging van de uitvoer, aangezien de uitvoer slechts ongeveer 8 % van de totale productie van de bedrijfstak uitmaakte en geleidelijk afnam, zoals uiteengezet in punt 5.4. |
|
(254) |
Op basis van het bovenstaande is de Commissie in dit stadium tot de conclusie gekomen dat de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade heeft geleden in de zin van artikel 3, lid 5, van de basisverordening. |
5. OORZAKELIJK VERBAND
|
(255) |
Overeenkomstig artikel 3, lid 6, van de basisverordening heeft de Commissie onderzocht of de bedrijfstak van de Unie door de invoer met dumping uit het betrokken land aanmerkelijke schade heeft geleden. Overeenkomstig artikel 3, lid 7, van de basisverordening heeft de Commissie ook onderzocht of de bedrijfstak van de Unie in dezelfde periode door andere bekende factoren schade kon hebben geleden. De Commissie heeft zich ervan verzekerd dat eventuele schade die werd veroorzaakt door andere factoren dan de invoer met dumping uit het betrokken land, niet aan de invoer met dumping werd toegeschreven. Die factoren zijn: de invoer uit andere landen dan de VRC, de uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Unie, de daling van het verbruik en de stijgende kosten. |
5.1. Gevolgen van de invoer met dumping
|
(256) |
De Commissie heeft onderzocht of er een oorzakelijk verband was tussen de invoer met dumping en de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade. Tijdens de beoordelingsperiode nam de invoer van het soortgelijke product met dumping uit de VRC met 5 % toe, ondanks het dalende verbruik in de Unie. |
|
(257) |
Door de daling van de prijzen van de Chinese invoer met 7 % tijdens de beoordelingsperiode in combinatie met de aanzienlijke stijging van de productiekosten voor de bedrijfstak van de Unie met 46 % in dezelfde periode, kon de Chinese invoer naar de Unie zijn marktaandeel met 21 % doen toenemen. Dit ging ten koste van de bedrijfstak van de Unie, die een aanzienlijk verlies van 28 % in verkoopvolume leed met een daling van zijn marktaandeel met 18 %. Tegelijkertijd was de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie aanzienlijk gedaald tot een onhoudbaar niveau (deze presteerde in het OT met 10 % verlies). |
|
(258) |
Door het feit dat er sprake was van een aanzienlijke kloof tussen de gemiddelde prijs van het ingevoerde product met dumping uit de VRC en de gemiddelde prijs van het soortgelijke product van de bedrijfstak van de Unie (1 213 EUR/ton tegenover 1 833 EUR/ton), was de bedrijfstak van de Unie niet in staat zijn prijzen op te trekken om de hogere productiekosten door te berekenen en dus zijn winstgevendheid in stand te houden. |
5.2. Gevolgen van andere factoren
|
(259) |
De Commissie onderzocht of andere schadefactoren dan de invoer met dumping uit de VRC van invloed waren op de toestand van de bedrijfstak van de Unie, maar zij vond geen andere factoren die een aanzienlijke invloed konden hebben gehad op de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade. |
5.3. Invoer uit derde landen
|
(260) |
De invoer uit andere derde landen heeft zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 12 Invoer uit derde landen
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(261) |
De invoer uit andere derde landen was hoofdzakelijk van oorsprong uit het Verenigd Koninkrijk, Taiwan en Turkije. De totale omvang van de invoer uit alle derde landen met uitzondering van de VRC is tussen 2021 en het eind van het onderzoektijdvak met 38 % gedaald, gaande van 39 374 tot ongeveer 24 410 ton. |
|
(262) |
Het marktaandeel van alle derde landen met uitzondering van de VRC is gedaald van 19 % in 2021 tot 13 % in het OT. |
|
(263) |
In het algemeen stegen de gemiddelde invoerprijzen van andere derde landen tijdens de beoordelingsperiode met 59 % en lagen deze gemiddeld aanzienlijk hoger dan de prijzen van de invoer uit de VRC, die tijdens de beoordelingsperiode met 7 % daalde. In het OT bedroeg de gemiddelde invoerprijs van andere derde landen met uitzondering van de VRC 4 368 EUR/ton, terwijl de gemiddelde invoerprijs uit de VRC 1 213 EUR/ton bedroeg. |
|
(264) |
Gelet op het voorgaande, concludeerde de Commissie dat de invoer uit andere derde landen niet de oorzaak was van de aanmerkelijke schade die de bedrijfstak van de Unie heeft geleden. |
5.4. Uitvoerprestatie van de bedrijfstak van de Unie
|
(265) |
De uitvoer van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie heeft zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 13 Uitvoerprestaties van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(266) |
Tijdens de beoordelingsperiode nam de uitvoer van de bedrijfstak van de Unie in totaal af met 20 %. Deze trend is vergelijkbaar met de negatieve trend van de verkoop in de Unie door de producenten in de Unie, die zelfs nog sterker daalde dan hun uitvoer, d.w.z. met 28 % tijdens de beoordelingsperiode. Deze trend is ook vergelijkbaar met de negatieve trend van het verminderde marktaandeel in de Unie van de producenten in de Unie, dat tijdens de beoordelingsperiode met 18 % daalde. |
|
(267) |
De gemiddelde uitvoerprijzen van de producenten in de Unie zijn in de beoordelingsperiode ook met 6 % gedaald. Er moet worden opgemerkt dat de uitvoer 9 % van de totale verkoop van de bedrijfstak van de Unie vertegenwoordigt. Bijgevolg werd vastgesteld dat het effect van de lagere verkoop op de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade beperkt was en, hoewel dit mogelijk in kleine mate heeft bijgedragen tot de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade, dit gezien de betrokken volumes het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping uit de VRC en de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade niet kon afzwakken. |
5.5. Afname van het verbruik
|
(268) |
Tijdens de beoordelingsperiode is de markt van de Unie met 13 % ingekrompen. De daling was het gevolg van verschillende onderling met elkaar verbonden factoren: de Europese economie maakte in 2023 een tragere groei door dan in het voorgaande jaar (het bbp in de Unie steeg met 0,4 % in 2023 ten opzichte van 3,5 % in 2022), waarbij het zichtbare verbruik van staal met 6,3 % afnam (84). Deze neergang trof verschillende sectoren, waaronder de bouwsector en de be- en verwerkende sector, die grote verbruikers zijn van industriële producten zoals schroeven. De hoge energieprijzen en de onzekerheid op de energiemarkt droegen ook bij tot de verminderde industriële productie en zorgden voor een lagere vraag in alle sectoren (85). Onder normale mededingingsvoorwaarden zouden de verkoopvolumes van alle marktdeelnemers in een dergelijke krimpende markt echter min of meer gelijkmatig zijn gedaald. In dit geval won de VRC gedurende de beoordelingsperiode echter een bijkomende 10 procentpunt aan marktaandeel op de markt van de Unie, ten koste van de bedrijfstak van de Unie en andere landen van invoer (die eveneens 5,4 procentpunt aan marktaandeel verloren). Daarom werd de economische inkrimping van de markt van de Unie in dit geval niet geacht aanmerkelijke schade voor de bedrijfstak van de Unie te veroorzaken. |
5.6. Stijging van de productiekosten
|
(269) |
Zoals uiteengezet in overweging 238, stegen de productiekosten per eenheid in de Unie aanzienlijk (met 46 %) gedurende de beoordelingsperiode. Niettemin konden de producenten in de Unie in 2022 hun verkoopprijzen doen stijgen als reactie op de stijgende productiekosten, waardoor zij deze stijgingen gedeeltelijk konden compenseren en een zekere mate van winstgevendheid konden verwezenlijken. Ondanks een lichte daling van de productiekosten, daalde de winstgevendheid van de producenten in de Unie echter scherp en bereikte deze een zeer negatief niveau. Deze achteruitgang wees duidelijk op de aanmerkelijke schade waarvan de bedrijfstak van de Unie te lijden had. De aanwezigheid van invoer met dumping mag niet verhinderen dat de producenten in de Unie hun prijzen kunnen aanpassen om hierin de hogere productiekosten op te nemen. Onder omstandigheden waarbij het toenemende volume van de invoer met dumping zorgde voor een verhindering van een prijsverhoging voor de producenten in de Unie, terwijl de productiekosten zeer hoog bleven, kan de daaruit voortvloeiende ineenstorting van de winstgevendheid niet worden toegeschreven aan interne inefficiënties of wanbeheer op de markt. Dit is namelijk een rechtstreeks gevolg van de schadelijke effecten van de invoer met dumping. |
5.7. Conclusie inzake het oorzakelijk verband
|
(270) |
Uit de schadeanalyse is gebleken dat de Chinese invoer tijdens de beoordelingsperiode een verhoging van de prijs op de Uniemarkt heeft verhinderd. De aanzienlijke stijging van de invoer met dumping uit de VRC en de verhindering van een prijsverhoging die, zoals uiteengezet in overweging 219, tijdens de tweede helft van het OT hiervan het gevolg was, waren van invloed op het vermogen van de bedrijfstak van de Unie om de hogere productiekosten door te rekenen aan de gebruikers. Dit vond op hetzelfde moment plaats als de achteruitgang van de financiële prestatie-indicatoren van de bedrijfstak van de Unie, zoals een daling van de winstgevendheid, wat tot verliezen leidde in het OT 2023. De winst van 10 procentpunt aan marktaandeel van de Chinese invoer ging ten koste van de bedrijfstak van de Unie, die verkoopvolume en marktaandeel verloor (met 6 procentpunt), wat vooral merkbaar was in de tweede helft van de beoordelingsperiode. Bijgevolg concludeerden wij dat de aanmerkelijke schade werd veroorzaakt door de invoer met dumping uit de VRC. |
|
(271) |
De Commissie heeft onderscheid gemaakt tussen en afzonderlijk gekeken naar de gevolgen van alle bekende factoren voor de situatie van de bedrijfstak van de Unie en de schadelijke effecten van de invoer met dumping. Hoewel de uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Unie mogelijk in kleine mate hebben bijgedragen tot de aanmerkelijke schade die door de bedrijfstak van de Unie werd geleden, kon dit het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping en de vastgestelde aanmerkelijke schade niet afzwakken. |
|
(272) |
Wat de gevolgen van de invoer uit andere derde landen betreft, concludeerde de Commissie dat die invoer de bedrijfstak van de Unie geen schade had berokkend. Net als de bedrijfstak van de Unie verloor de invoer van andere derde landen dan de VRC eveneens marktaandeel tijdens de beoordelingsperiode en namen de cumulatieve invoervolumes aanzienlijk af (met 38 %). Bovendien zijn de gemiddelde invoerprijzen uit andere derde landen tijdens de beoordelingsperiode met 59 % toegenomen. Bijgevolg heeft de invoer uit andere derde landen het oorzakelijk verband tussen de invoer uit de VRC en de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade niet afgezwakt. |
|
(273) |
Wat de effecten van de uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Unie betreft, moet worden opgemerkt dat hoewel de trend negatief was met een daling van de verkoop, de uitvoer slechts een klein deel van de totale verkoop in de Unie betreft. Dit betekent dat het effect op de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade beperkt bleek te zijn. |
|
(274) |
Wat de daling van het verbruik en de stijging van de productiekosten betreft, is het onbetwistbaar dat de bedrijfstak van de Unie tijdens de beoordelingsperiode met uitdagingen werd geconfronteerd. Zonder de prijsdruk van de invoer met dumping zou de bedrijfstak de prijzen hebben kunnen aanpassen om hierin de hogere kosten op te nemen, en beter hebben kunnen reageren op de veranderende marktomstandigheden. Zoals eerder opgemerkt, mag de invoer met dumping niet verhinderen dat de producenten in de Unie stijgende kosten doorrekenen. Bijgevolg werd vastgesteld dat, ondanks het effect van de stijgende kosten en de dalende vraag, de daling van het verbruik en de stijging van de productiekosten geen aanmerkelijke schade hadden veroorzaakt aan de bedrijfstak van de Unie. |
|
(275) |
Op basis van het voorgaande heeft de Commissie in dit stadium geconcludeerd dat de invoer met dumping uit het betrokken land de bedrijfstak van de Unie materiële schade heeft berokkend en dat de andere factor (de uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Unie) geen afbreuk deed aan het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping en de materiële schade. De schade betreft vermindering van het marktaandeel, alsook van de productie, productiecapaciteit, productiviteit, winstgevendheid, eindvoorraden, kasstroom en het rendement van investeringen. Daarnaast ervoer de bedrijfstak van de Unie, zoals uiteengezet in overweging 219, als gevolg van invoer uit de VRC verhindering van een prijsverhoging. |
6. NIVEAU VAN DE MAATREGELEN
|
(276) |
Om het niveau van de maatregelen te bepalen, heeft de Commissie beoordeeld of een recht lager dan de dumpingmarge toereikend zou zijn om de door de invoer met dumping aan de bedrijfstak van de Unie berokkende schade op te heffen. |
6.1. Schademarge
|
(277) |
De schade zou worden opgeheven indien de bedrijfstak van de Unie een nagestreefde winst zou kunnen behalen door te verkopen tegen een richtprijs in de zin van artikel 7, leden 2 quater en 2 quinquies, van de basisverordening. |
|
(278) |
Overeenkomstig artikel 7, lid 2 quater, van de basisverordening hield de Commissie bij de bepaling van de nagestreefde winst rekening met de volgende factoren: de mate van winstgevendheid vóór de toename van de invoer vanuit het onderzochte land, de mate van winstgevendheid die vereist is ter dekking van alle kosten en investeringen, onderzoek en ontwikkeling (O&O) en innovatie, alsmede de onder normale mededingingsvoorwaarden te verwachten mate van winstgevendheid. Die winstmarge mag niet lager zijn dan 6 %. |
|
(279) |
De Commissie kon geen basiswinst vaststellen die alle kosten onder normale mededingingsvoorwaarden dekte vóór de stijging van de invoer uit de VRC, aangezien de Chinese invoer goed was voor meer dan 50 % van het marktaandeel tijdens de gehele beoordelingsperiode, terwijl de marktaandelen vóór het begin van de beoordelingsperiode niet konden worden berekend omdat er onvoldoende gegevens voorhanden waren. Daarom heeft de Commissie de streefwinst om de geen schade veroorzakende prijs te bepalen, vastgesteld op 6 %, overeenkomstig artikel 7, lid 2 quater, van de basisverordening. |
|
(280) |
Er zijn geen opmerkingen ontvangen waarin werd gesteld dat het niveau van investeringen, O&O en innovatie van de bedrijfstak van de Unie tijdens de beoordelingsperiode onder normale mededingingsvoorwaarden hoger zou zijn geweest. |
|
(281) |
Evenzo zijn geen argumenten aangevoerd over de toekomstige kosten die voortvloeien uit multilaterale milieuovereenkomsten en de bijbehorende protocollen waarbij de Unie partij is, en die de bedrijfstak van de Unie tijdens de periode van toepassing van de maatregel uit hoofde van artikel 11, lid 2, zal maken overeenkomstig artikel 7, lid 2 quinquies, van de basisverordening. |
|
(282) |
Op basis hiervan berekende de Commissie een geen schade veroorzakende prijs voor het soortgelijke product van de bedrijfstak van de Unie door de bovengenoemde streefwinstmarge van 6 % toe te passen op de productiekosten van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie tijdens het onderzoektijdvak, en vervolgens per productsoort de correcties op grond van artikel 7, lid 2 quinquies, toe te passen. |
|
(283) |
De Commissie heeft vervolgens het niveau van de schademarge bepaald door de gewogen gemiddelde invoerprijs van de in de steekproef opgenomen meewerkende producenten-exporteurs in het betrokken land, zoals vastgesteld voor de berekeningen van de prijsonderbieding, te vergelijken met de gewogen gemiddelde, geen schade veroorzakende prijs van het soortgelijke product dat in het onderzoektijdvak door de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie op de markt van de Unie werd verkocht. Als uit deze vergelijking een verschil naar voren kwam, werd dit uitgedrukt als percentage van de gewogen gemiddelde cif-waarde bij invoer. |
|
(284) |
De schademarge voor “andere meewerkende ondernemingen” en voor “alle overige invoer van oorsprong uit het betrokken land” wordt op dezelfde manier vastgesteld als de dumpingmarge voor deze ondernemingen en invoer.
|
6.2. Conclusie inzake het niveau van de maatregelen
|
(285) |
Na bovenstaande beoordeling moeten de voorlopige antidumpingrechten overeenkomstig artikel 7, lid 2, van de basisverordening als volgt worden vastgesteld:
|
7. BELANG VAN DE UNIE
|
(286) |
Gezien de beslissing van de Commissie om artikel 7, lid 2, van de basisverordening toe te passen, heeft zij onderzocht of zij duidelijk kon concluderen dat het niet in het belang van de Unie was om in dit geval maatregelen te nemen, ondanks de vaststelling van schadeveroorzakende dumping, overeenkomstig artikel 21 van de basisverordening. Het belang van de Unie is vastgesteld op basis van een afweging van alle betrokken belangen, waaronder die van de bedrijfstak van de Unie, importeurs, groot- en kleinhandelaren en gebruikers. |
7.1. Belang van de bedrijfstak van de Unie
|
(287) |
Volgens de informatie die de Commissie ter beschikking had, waren er tijdens de beoordelingsperiode 42 bekende producenten van schroeven zonder kop in de Unie. De klacht werd ingediend door het Europees Instituut voor industriële bevestigingsmiddelen (“EIFI”) namens acht producenten in de Unie, allemaal kmo’s, en werd ondersteund door nog eens zeven producenten in de Unie. |
|
(288) |
Door de instelling van maatregelen zullen de marktomstandigheden voor de producenten in de Unie verbeteren, waardoor zij hun concurrentiepositie op de markt kunnen versterken, verloren verkoopvolumes en marktaandeel kunnen terugwinnen, de bezettingsgraad kunnen verhogen en hun prijzen tot een houdbaar niveau kunnen optrekken. Dit zal hen dan weer helpen om hun winstgevendheid te verbeteren tot een niveau dat kan worden verwacht onder normale concurrentievoorwaarden. |
|
(289) |
Het niet instellen van maatregelen zou aanzienlijke negatieve gevolgen met zich meebrengen voor de bedrijfstak van de Unie, aangezien deze laatste economische schade zou blijven ondervinden door de aanhoudende prijsdruk van de Chinese invoer met dumping. De verliezen van marktaandeel zouden elkaar sneller opvolgen en leiden tot een verdere daling van de verkoop en productie. Bijgevolg zal de bezettingsgraad, die zich tijdens het onderzoektijdvak reeds op een onhoudbaar niveau van 15 % bevond, blijven dalen, waardoor de activiteiten niet langer rendabel zouden zijn. De reeds verlieslatende situatie zou verder achteruitgaan, met ernstige gevolgen voor de investeringen en de werkgelegenheid in de Unie. Derhalve is de Commissie tot de conclusie gekomen dat de instelling van voorlopige maatregelen in het belang van de bedrijfstak van de Unie is. |
7.2. Belang van niet-verbonden importeurs
|
(290) |
Er hebben zich na de opening van het onderzoek 26 importeurs kenbaar gemaakt. Drie van hen werden geselecteerd voor de steekproef, en van hen dienden er twee een antwoord in op de vragenlijst. De medewerkende importeurs die reageerden op de vragenlijst, voerden meer dan 90 % van hun totale invoer van schroeven zonder kop in uit de VRC. Onder de in de steekproef opgenomen medewerkende importeurs vertegenwoordigde de Chinese invoer meer dan 80 % van hun totale invoer van het betrokken product. Er werd vastgesteld dat de in de steekproef opgenomen importeurs winstgevend waren, en de omzet die zij uit het betrokken product genereerden, vertegenwoordigde slechts 0,5 % tot 2,5 % van hun totale omzet. |
|
(291) |
Gezien het beperkte aandeel van het product in hun totale bedrijfsactiviteiten, is het onwaarschijnlijk dat de instelling van antidumpingmaatregelen een wezenlijk effect heeft op de financiële stabiliteit van de importeurs. Voorts kunnen importeurs eventuele stijgingen van de kosten beperken door hun inkoopstrategieën te diversifiëren, onder meer door op zoek te gaan naar alternatieve leveranciers in de Unie of andere derde landen. De gegevens wezen erop dat eventuele gevolgen voor importeurs minimaal zouden zijn. |
7.3. Belang van de gebruikers
|
(292) |
Vanwege het gebrek aan medewerking van gebruikers kon de Commissie het daadwerkelijke effect van de antidumpingrechten voor gebruikers niet vaststellen. Rekening houdend met het bestaan van alternatieve leveranciers in andere derde landen, samen met de grote productiecapaciteit van de bedrijfstak van de Unie, was de Commissie echter van mening dat de gebruikers bij verschillende bronnen schroeven van passende kwaliteit en in toereikende hoeveelheid konden blijven afnemen. De Commissie was bijgevolg van mening dat indien het antidumpingrecht wordt ingesteld, het effect ervan op gebruikers beperkt was. |
7.4. Conclusie betreffende het belang van de Unie
|
(293) |
Op basis van het bovenstaande is de Commissie tot de conclusie gekomen dat er geen dwingende redenen zijn om te besluiten dat het niet in het belang van de Unie zou zijn om in dit stadium van het onderzoek maatregelen in te stellen op de invoer van schroeven van oorsprong uit de Volksrepubliek China. |
8. VOORLOPIGE ANTIDUMPINGMAATREGELEN
|
(294) |
Op basis van de conclusies van de Commissie inzake dumping, schade, het oorzakelijk verband, de hoogte van de maatregelen en het belang van de Unie moeten voorlopige maatregelen worden ingesteld om te voorkomen dat de bedrijfstak van de Unie nog meer schade lijdt door de invoer met dumping. |
|
(295) |
Er moeten voorlopige antidumpingmaatregelen worden ingesteld op de invoer van het product van oorsprong uit de betrokken landen, en daarbij moet de regel van het laagste recht uit artikel 7, lid 2, van de basisverordening worden gevolgd. De Commissie heeft de schademarges en de dumpingmarges in overweging 284 vergeleken. Het bedrag van de rechten werd vastgesteld op het niveau van de dumpingmarge voor alle producenten-exporteurs, die de laagste van de dumping- en de schademarge bleek te zijn. |
|
(296) |
Op basis van het voorgaande moeten de voorlopige antidumpingrechten, uitgedrukt in cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring, als volgt worden vastgesteld:
|
|
(297) |
De bij deze verordening voor bepaalde ondernemingen vastgestelde individuele antidumpingrechten zijn vastgesteld op basis van de bevindingen van dit onderzoek. Daarin wordt derhalve de situatie weerspiegeld die bij het onderzoek voor die ondernemingen werd geconstateerd. Deze rechten zijn uitsluitend van toepassing op het betrokken product van oorsprong uit de VRC en geproduceerd door de genoemde juridische entiteiten. Op de invoer van het betrokken product dat is geproduceerd door andere ondernemingen die in het dispositief van deze verordening niet uitdrukkelijk worden genoemd, met inbegrip van entiteiten die met de specifiek genoemde ondernemingen zijn verbonden, is het recht van toepassing dat voor “alle overige invoer van oorsprong uit het betrokken land” geldt. Die invoer mag niet worden onderworpen aan de individuele antidumpingrechten. |
|
(298) |
Om het risico op ontwijking als gevolg van het verschil in rechten zo veel mogelijk te beperken, zijn speciale maatregelen nodig om de toepassing van de individuele antidumpingrechten te garanderen. De heffing van individuele antidumpingrechten is enkel van toepassing wanneer aan de douaneautoriteiten van de lidstaten een geldige handelsfactuur wordt overgelegd. Deze factuur moet voldoen aan de in artikel 1, lid 3, van deze verordening vastgestelde vereisten. Totdat een dergelijke factuur wordt overgelegd, moet de invoer worden onderworpen aan het antidumpingrecht dat van toepassing is op “alle overige invoer van oorsprong uit het betrokken land”. |
|
(299) |
Hoewel de douaneautoriteiten van de lidstaten over deze factuur moeten beschikken om ten aanzien van de invoer de individuele antidumpingrechten te kunnen toepassen, is overlegging van die factuur niet de enige factor waarmee de douaneautoriteiten rekening moeten houden. Zelfs als aan hen een factuur wordt overgelegd die voldoet aan alle vereisten van artikel 1, lid 3, van deze verordening, moeten de douaneautoriteiten van de lidstaten namelijk hun gebruikelijke controles uitvoeren en kunnen zij, net als in alle andere gevallen, aanvullende documenten (vervoersdocumenten enz.) verlangen om de juistheid van de gegevens in de aangifte te controleren en te waarborgen dat het lagere recht vervolgens terecht wordt toegepast, in overeenstemming met de douanewetgeving. |
|
(300) |
Indien de uitvoer door een van de ondernemingen waarvoor een lager individueel recht geldt, na de instelling van de maatregelen in kwestie aanzienlijk toeneemt, kan dit op zich worden beschouwd als een verandering in de structuur van het handelsverkeer als gevolg van de instelling van maatregelen in de zin van artikel 13, lid 1, van de basisverordening. In dergelijke omstandigheden kan, mits aan de voorwaarden is voldaan, een onderzoek naar ontwijking van de maatregelen worden geopend. Hierbij kan onder meer worden onderzocht of het nodig is het individuele recht (of de individuele rechten) in te trekken en een voor het gehele land geldend recht in te stellen. |
9. REGISTRATIE
|
(301) |
Zoals vermeld in overweging 3, heeft de Commissie de invoer van het betrokken product aan registratie onderworpen. De registratie vond plaats om het mogelijk te maken met terugwerkende kracht rechten te innen overeenkomstig artikel 10, lid 4, van de basisverordening. |
|
(302) |
In het licht van de voorlopige bevindingen moet de registratie van de invoer worden beëindigd. |
|
(303) |
In dit stadium van de procedure is geen besluit genomen over een mogelijke toepassing met terugwerkende kracht van antidumpingmaatregelen. |
10. INFORMATIE OVER VOORLOPIGE MAATREGELEN
|
(304) |
Overeenkomstig artikel 19 bis van de basisverordening heeft de Commissie de belanghebbenden op de hoogte gebracht van de beoogde instelling van voorlopige rechten. Deze informatie is ook openbaar gemaakt op de website van DG Handel. Belanghebbenden hebben drie werkdagen de tijd gekregen om opmerkingen in te dienen over de juistheid van de berekeningen die specifiek aan hen zijn meegedeeld. |
|
(305) |
Er zijn geen opmerkingen over de juistheid van de berekeningen ontvangen. |
11. SLOTBEPALINGEN
|
(306) |
Met het oog op een behoorlijk bestuur nodigt de Commissie de belanghebbenden uit schriftelijk te reageren en/of binnen een vaste termijn een hoorzitting met de Commissie en/of de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures aan te vragen. |
|
(307) |
De bevindingen betreffende de instelling van voorlopige rechten zijn voorlopig en kunnen in het definitieve stadium van het onderzoek worden gewijzigd, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Er wordt een voorlopig antidumpingrecht ingesteld op schroeven en bouten, al dan niet met bijbehorende moeren en sluitringen, zonder kop, van ijzer of van ander staal dan roestvrij staal, ongeacht de treksterkte, met uitzondering van kraagschroeven en andere houtschroeven, oogschroeven en schroefhaken, zelftappende schroeven, en schroeven en bouten voor het bevestigen van materiaal voor de bouw van spoorbanen, die momenteel onder de GN-codes 7318 15 42 en 7318 15 48 vallen, en van oorsprong zijn uit de Volksrepubliek China.
2. Het voorlopige antidumpingrecht dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, van de in lid 1 genoemde en door de hieronder vermelde ondernemingen vervaardigde producten is als volgt:
|
Onderneming |
Voorlopig antidumpingrecht (%) |
Aanvullende Taric-code |
||||||
|
Zhejiang Junyue Standard Part Co., Ltd. |
62,3 |
89ML |
||||||
|
Brother Group:
|
63,9 |
89MM |
||||||
|
Chinafar Group:
|
80,7 |
89MN |
||||||
|
Andere meewerkende ondernemingen opgenomen in de bijlage |
67,4 |
Zie bijlage |
||||||
|
Alle overige invoer van oorsprong uit het betrokken land |
80,7 |
8999 |
3. De individuele rechten die zijn vastgesteld voor de in lid 2 vermelde ondernemingen zijn uitsluitend van toepassing indien aan de douaneautoriteiten van de lidstaten een geldige handelsfactuur wordt overgelegd die een verklaring bevat die is gedateerd en ondertekend door een met naam en functie geïdentificeerde medewerker van de entiteit die deze factuur heeft opgesteld, en die als volgt luidt: “Ondergetekende verklaart dat de (volume in de door ons gebruikte eenheid) (betrokken product) die naar de Europese Unie wordt uitgevoerd en waarop deze factuur betrekking heeft, is vervaardigd door (naam en adres van de onderneming) (aanvullende Taric-code) in het betrokken land. Ondergetekende verklaart dat de in deze factuur verstrekte informatie juist en volledig is.” Totdat een dergelijke factuur wordt overgelegd, geldt het recht dat van toepassing is op alle overige invoer van oorsprong uit het betrokken land.
4. Bij het in het vrije verkeer brengen in de Unie van het in lid 1 genoemde product wordt een zekerheid gesteld die gelijk is aan het bedrag van het voorlopige recht.
5. Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.
Artikel 2
1. Belanghebbenden moeten hun schriftelijke opmerkingen inzake deze verordening binnen 15 kalenderdagen na de datum van inwerkingtreding van deze verordening bij de Commissie indienen.
2. Belanghebbenden die om een hoorzitting bij de Commissie willen verzoeken, moeten dit binnen vijf kalenderdagen na de datum van inwerkingtreding van deze verordening doen.
3. Belanghebbenden die willen worden gehoord door de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures, kunnen binnen vijf kalenderdagen na de datum van inwerkingtreding van deze verordening hiertoe een verzoek indienen. De raadadviseur-auditeur kan buiten deze termijn ingediende verzoeken beoordelen en kan in voorkomend geval besluiten die verzoeken te aanvaarden.
Artikel 3
1. De douaneautoriteiten wordt opgedragen de bij artikel 1, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) 2025/141 ingestelde registratie van de invoer te beëindigen.
2. Gegevens die zijn verzameld met betrekking tot producten die ten hoogste 90 dagen vóór de datum van inwerkingtreding van deze verordening voor invoer ten verbruik in de EU zijn aangegeven, worden bewaard tot eventuele definitieve maatregelen in werking treden of tot deze procedure is beëindigd.
Artikel 4
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 13 juni 2025.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 176 van 30.6.2016, blz. 21, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2016/1036/oj.
(2) PB C, C/2024/6209, 17.10.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/6209/oj.
(3) PB L, 2025/141, 30.1.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/141/oj.
(4) https://tron.trade.ec.europa.eu/investigations/case-view?caseId=2754.
(5) Bv. O.M.CI. Citterio srl is gespecialiseerd in schroeven met dubbele spoed, die doorgaans “stokbouten” worden genoemd (https://www.omcicitterio.it/eng/home.php).
(6) Uitvoeringsverordening (EU) 2024/1666 van de Commissie van 6 juni 2024 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op stalen kabels van oorsprong uit de Volksrepubliek China, zoals uitgebreid tot stalen kabels verzonden vanuit Marokko en de Republiek Korea, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit deze landen, naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad (PB L, 2024/1666, 7.6.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2024/1666/oj); Uitvoeringsverordening (EU) 2023/1444 van de Commissie van 11 juli 2023 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op platbulbstaal van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Turkije (PB L 177, 12.7.2023, blz. 63, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2023/1444/oj); Uitvoeringsverordening (EU) 2023/100 van de Commissie van 11 januari 2023 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op navulbare vaten van roestvrij staal van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L 10, 12.1.2023, blz. 36, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2023/1444/oj); Uitvoeringsverordening (EU) 2022/2068 van de Commissie van 26 oktober 2022 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde koudgewalste platte staalproducten van oorsprong uit de Volksrepubliek China en de Russische Federatie naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 277, 27.10.2022, blz. 149, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2022/2068/oj); Uitvoeringsverordening (EU) 2022/191 van de Commissie van 16 februari 2022 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde soorten ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L 36, 17.2.2022, p. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2022/191/oj).
(7) Zie Uitvoeringsverordening (EU) 2024/1666, overweging 76; Uitvoeringsverordening (EU) 2023/1444, overweging 66; Uitvoeringsverordening (EU) 2023/100 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op navulbare vaten van roestvrij staal van oorsprong uit de Volksrepubliek China, overweging 58; Uitvoeringsverordening (EU) 2022/2068, overweging 80; Uitvoeringsverordening (EU) 2022/191, overweging 208.
(8) Zie Uitvoeringsverordening (EU) 2024/1666, overweging 60; Uitvoeringsverordening (EU) 2023/1444, overweging 45; Uitvoeringsverordening (EU) 2023/100, overweging 38; Uitvoeringsverordening (EU) 2022/2068, overweging 64; Uitvoeringsverordening (EU) 2022/191, overweging 192.
(9) Zie Uitvoeringsverordening (EU) 2024/1666, overwegingen 66, 67 en 68; Uitvoeringsverordening (EU) 2023/1444, overweging 58; Uitvoeringsverordening (EU) 2023/100, overweging 40; Uitvoeringsverordening (EU) 2022/2068, overweging 66; Uitvoeringsverordening (EU) 2022/191, overwegingen 193 en 194. Het recht van overheidsinstanties om belangrijk leidinggevend personeel in staatsondernemingen te benoemen en te ontslaan, zoals voorzien in de Chinese wetgeving, kan worden beschouwd als afspiegeling van de corresponderende eigendomsrechten, maar daarnaast vormen de cellen van de Chinese Communistische Partij (“CCP”) in ondernemingen — niet alleen in staatsondernemingen, maar ook in particuliere ondernemingen — een ander kanaal door middel waarvan de staat zich in de besluitvorming van bedrijven kan mengen. Volgens het vennootschapsrecht van de VRC moet in elke onderneming een CCP-organisatie worden opgezet (met ten minste drie CCP-leden zoals bepaald in de statuten van de CCP) en moet de onderneming de nodige voorwaarden scheppen voor de activiteiten van de partijorganisatie. Deze eis lijkt in het verleden niet altijd te zijn gevolgd of strikt te zijn gehandhaafd. De CCP heeft haar aanspraken op zeggenschap bij zakelijke beslissingen in staatsondernemingen echter in elk geval sinds 2016 nadrukkelijker als politiek beginsel doen gelden. Ook zijn er berichten dat de CCP druk uitoefent op particuliere ondernemingen om “vaderlandslievendheid” voorop te stellen en zich naar de partijlijn te voegen. In 2017 werd bericht dat in 70 % van de circa 1,86 miljoen ondernemingen in particuliere eigendom partijcellen aanwezig waren en dat er toenemende druk was om de CCP-organisaties het laatste woord te laten hebben bij de zakelijke besluitvorming in de betrokken ondernemingen. Deze voorschriften zijn van algemene toepassing in de gehele Chinese economie, in alle sectoren, ook op producenten van het onderzochte product en de leveranciers van de inputs ervan.
(10) Zie Uitvoeringsverordening (EU) 2024/1666, overwegingen 61 tot en met 65; Uitvoeringsverordening (EU) 2023/1444, overweging 59; Uitvoeringsverordening (EU) 2023/100, overweging 43; Uitvoeringsverordening (EU) 2022/2068, overweging 68; Uitvoeringsverordening (EU) 2022/191, overwegingen 195 en 201.
(11) Zie Uitvoeringsverordening (EU) 2023/1444, overweging 62; Uitvoeringsverordening (EU) 2023/100, overweging 52; Uitvoeringsverordening (EU) 2022/2068, overweging 74; Uitvoeringsverordening (EU) 2022/191, overweging 202.
(12) Zie Uitvoeringsverordening (EU) 2024/1666, overweging 72; Uitvoeringsverordening (EU) 2023/1444, overweging 45; Uitvoeringsverordening (EU) 2023/100, overweging 33; Uitvoeringsverordening (EU) 2022/2068, overweging 75; Uitvoeringsverordening (EU) 2022/191, overweging 203.
(13) Zie Uitvoeringsverordening (EU) 2024/1666, overweging 73; Uitvoeringsverordening (EU) 2023/1444, overweging 64; Uitvoeringsverordening (EU) 2023/100, overweging 54; Uitvoeringsverordening (EU) 2022/2068, overweging 76; Uitvoeringsverordening (EU) 2022/191, overweging 204.
(14) Werkdocument van de diensten van de Commissie SWD(2024) 91 van 10 april 2024, beschikbaar op: https://ec.europa.eu/transparency/documents-register/detail?ref=SWD(2024)91&lang=en.
(15) Uitvoeringsverordening (EU) 2022/191.
(16) Uitvoeringsverordening (EU) 2022/191, overweging 194.
(17) Zie: https://cn.linkedin.com/company/zhejiang-minmetals-huijin-imp.-&-exp.-co.-ltd (geraadpleegd op 20 maart 2025), evenals het auditverslag en de jaarrekening 2021-2023 van Zhejiang International Trade Group, blz. 1 van de opmerkingen bij de jaarrekening https://www.shclearing.cn/xxpl/cwbg/nb/202410/t20241031_1501107.html (geraadpleegd op 20 maart 2025).
(18) Uitvoeringsverordening (EU) 2022/191, overweging 192.
(19) Zie: http://wap.sasac.gov.cn/n2588045/n27271785/n27271792/c14159097/content.html (geraadpleegd op 17 maart 2025).
(20) Zie: http://wap.sasac.gov.cn/n2588045/n27271785/n27271792/c14159097/content.html (geraadpleegd op 17 maart 2025).
(21) Zie: https://www.baoganggf.com/gsjj (geraadpleegd op 17 maart 2025).
(22) Zie: https://www.shougang.com.cn/en/ehtml/CompanyProfile.html (geraadpleegd op 17 maart 2025).
(23) Zie: https://www.shougang.com.cn/sgweb/html/index.html (geraadpleegd op 17 maart 2025).
(24) Zie: https://www.gov.cn/zhengce/zhengceku/2022-02/08/content_5672513.htm (geraadpleegd op 17 maart 2025).
(25) Ibid.
(26) Zie afdeling IV, onderafdeling 3, van het 14e vijfjarenplan voor de ontwikkeling van de grondstoffenindustrie.
(27) Zie: https://www.miit.gov.cn/zwgk/zcwj/wjfb/tz/art/2023/art_2a4233d696984ab59610e7498e333920.html (geraadpleegd op 17 maart 2025).
(28) Zie het driejarige actieplan voor clusterontwikkeling in de keten van de staalindustrie, hoofdstuk II, afdeling 3.8, van de provincie Hebei; te raadplegen via: https://huanbao.bjx.com.cn/news/20200717/1089773.shtml (geraadpleegd op 17 maart 2025).
(29) Ibid., hoofdstuk I, afdeling 2.
(30) Ibid., hoofdstuk I, afdeling 3.2.
(31) Zie het uitvoeringsplan van Henan voor de transformatie en modernisering van de staalindustrie tijdens het 14e vijfjarenplan, hoofdstuk II, afdeling 3; te raadplegen via: https://huanbao.bjx.com.cn/news/20211210/1192881.shtml (geraadpleegd op 17 maart 2025).
(32) Werkplan voor de transformatie, modernisering en optimalisering van de indeling van de staalsector 2019-2025 van de provincie Jiangsu; te raadplegen via: http://www.jiangsu.gov.cn/art/2019/5/5/art_46144_8322422.html (geraadpleegd op 17 maart 2025).
(33) 14e vijfjarenplan voor de ontwikkeling van de staalindustrie van de provincie Shandong; te raadplegen via: https://m.mysteel.com/21/1119/11/DFD9D26D73D90F7D_abc.html (geraadpleegd op 17 maart 2025).
(34) Actieplan voor de transformatie en modernisering van de staalindustrie 2020 van de provincie Shanxi; te raadplegen via: https://m.mysteel.com/20/0715/11/7BF7729C99CEB3EA_abc.html (geraadpleegd op 17 maart 2025).
(35) Actieplan ter bevordering van een hoogwaardige ontwikkeling van de staalindustrie van de provincie Zhejiang: “Fusies en reorganisaties van ondernemingen bevorderen, het concentratieproces versnellen, het aantal staalsmeltende ondernemingen terugbrengen tot ongeveer tien ondernemingen”; te raadplegen via: https://www.jiaxing.gov.cn/art/2022/4/20/art_1228922756_59529426.html (geraadpleegd op 17 maart 2025).
(36) Zie: http://www.ansteel.cn/dangdejianshe/dangjiandongtai/2023-03-17/12429.html (geraadpleegd op 17 maart 2025).
(37) Zie: https://www.zibchina.com/news/newsinfo.html?id=695278 (geraadpleegd op 20 maart 2025).
(38) http://www.fastener-cn.net/reception/association/constitution.js (geraadpleegd op 17 maart 2025).
(39) Zie het jaarverslag over 2023 van Baoshan Iron and Steel Ltd., blz. 41 https://static.sse.com.cn/disclosure/listedinfo/announcement/c/new/2024-04-27/600019_20240427_B5D4.pdf (geraadpleegd op 7 februari 2025).
(40) Zie: https://www.wuganggroup.cn/people/3143 (geraadpleegd op 17 maart 2025).
(41) Zie: https://mp.weixin.qq.com/s?__biz=MjM5Njg2NjIwMQ==&mid=2654952836&idx=1&sn=505b807e2826f1e3e6f08ba15b727722&chksm=bd294c728a5ec5641240246649545fda2b2065c015f861fa599249b2165962ca848a25a1faa2&token=1369557425&lang=zh_CN#rd (geraadpleegd op 17 maart 2025).
(42) Zie: https://www.baoganggf.com/ggry (geraadpleegd op 17 maart 2025).
(43) Zie: https://www.shougang.com.cn/sgweb/html/gsld.html (geraadpleegd op 17 maart 2025).
(44) Zie: https://www.afastener.com/association/detail-18.html (geraadpleegd op 13 mei 2025).
(45) Zie: https://www.afastener.com/association/detail-17.html (geraadpleegd op 13 mei 2025).
(46) Zie: http://www.cncma.org/article/472 (geraadpleegd op 17 maart 2025).
(47) Zie https//www.miit.gov.cn/cms_files/filemanager/oldfile/miit/n5084605/c7592204/part/752209.pdf, blz. 55 met vermelding van de stevigheid van bevestigingsmiddelen.
(48) Zie http://www.gov.cn/xinwen/2019-11/06/5449193/files/26c9d25f713f4ed5b8dc51ae40ef37af.pdf, blz. 29.
(49) http://www.haiyan.gov.cn/art/2019/12/6/art_1512856_40973400.html.
(50) Rapport, deel III, hoofdstuk 14, blz. 346 e.v.
(51) Zie het 14e vijfjarenplan van de Volksrepubliek China voor nationale economische en sociale ontwikkeling en langetermijndoelstellingen voor 2035, deel III, artikel VIII, beschikbaar op: https://cset.georgetown.edu/publication/china-14th-five-year-plan/ (geraadpleegd op 17 maart 2025).
(52) Zie met name de afdelingen I en II van het 14e vijfjarenplan voor de ontwikkeling van de grondstoffenindustrie.
(53) Zie: https://www.miit.gov.cn/zwgk/zcwj/wjfb/tz/art/2023/art_2a4233d696984ab59610e7498e333920.html (geraadpleegd op 17 maart 2025).
(54) Zie: op: http://gxt.shandong.gov.cn/module/download/downfile.jsp?classid=0&filename=1f79d908601e479f83707e67b133e347.pdf (geraadpleegd op 17 maart 2025).
(55) http://www.haiyan.gov.cn/art/2019/12/6/art_1512856_40973400.html.
(56) Zie Uitvoeringsverordening (EU) 2023/1444, overweging 63; Uitvoeringsverordening (EU) 2023/100, overweging 33.
(57) DS473: European Union — Anti-Dumping Measures on biodiesel from Argentina (Europese Unie — Antidumpingmaatregelen ten aanzien van biodiesel uit Argentinië).
(58) World Bank Open Data – Upper Middle Income (https://data.worldbank.org/income-level/upper-middle-income).
(59) Verordening (EU) 2015/755 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende de gemeenschappelijke regeling voor de invoer uit bepaalde derde landen (PB L 123 van 19.5.2015, blz. 33, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2015/755/oj), zoals gewijzigd bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/749 (PB L 113 van 29.4.2017, blz. 11, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2017/749/oj).
(60) Sanwa Iron (Thailand) Company Ltd., Thai Meira Co. Ltd., S.J. Screw Thai Company Ltd.
(61) https://tong.com.my/wp-content/uploads/2025/BURSA/TH-B-250225-1-2.pdf (laatst geraadpleegd op 24 april 2025).
(62) https://www.chinwell.com.my/screws/ (laatst geraadpleegd op 24 april 2025).
(63) Sanwa Iron (Thailand) Company Ltd., Thai Meira Co. Ltd.
(64) https://app.bot.or.th/BTWS_STAT/statistics/BOTWEBSTAT.aspx?reportID=636&language=ENG (laatst geraadpleegd op 3 april 2025).
(65) BOI : De Commissie voor Investeringen van Thailand (laatst geraadpleegd op 3 april 2025).
(66) https://www.eppo.go.th/index.php/en/en-energystatistics/energy-economy-static (laatst geraadpleegd op 3 april 2025).
(67) Ondernemingsspecifiek en vastgesteld op basis van het respectieve piek- en dalverbruik, het tarief voor de vraag en de vergoeding voor de dienst zoals uiteengezet in de overwegingen 161 en 162.
(68) Volgens artikel 2, lid 7, van de basisverordening kunnen de binnenlandse prijzen in die landen niet worden gebruikt voor de vaststelling van de normale waarde.
(69) https://app.bot.or.th/BTWS_STAT/statistics/BOTWEBSTAT.aspx?reportID=636&language=ENG (laatst geraadpleegd op 3 april 2025).
(70) https://www.papayaglobal.com/countrypedia/country/thailand/ (laatst geraadpleegd op 3 april 2025).
(71) IAO, Labor Force Statistics database, “Mean weekly hours actually worked per employed person by sex and economic activity -- Annual”, Thailand, https://rshiny.ilo.org/dataexplorer35/?lang=en&segment=indicator&id=HOW_TEMP_SEX_ECO_NB_A&ref_area=THA (laatst geraadpleegd op 3 april 2025).
(72) ○ BOI : De Commissie voor Investeringen van Thailand (laatst geraadpleegd op 3 april 2025).
(73) https://www.mea.or.th/en/our-services/tariff-calculation/latestft (laatst geraadpleegd op 3 april 2025).
(74) Ministerie van Energie — Energy Policy and Planning Office (tabel 7.2.4) https://www.eppo.go.th/index.php/en/en-energystatistics/energy-economy-static (laatst geraadpleegd op 3 april 2025).
(75) Sinopec Chongqing SVW Chemical e.a./Commissie.
(76) Zaak C-319/24 P, Commissie/Sinopec Chongqing SVW Chemical e.a., aanhangig.
(77) Arrest van 2 oktober 2024, CCCME e.a./Commissie, T-263/22, ECLI:EU:T:2024:663, punt 183.
(78) Arrest van 2 oktober 2024, CCCME e.a./Commissie, T-263/22, ECLI:EU:T:2024:663, punt 185.
(79) Arrest van 2 oktober 2024, CCCME e.a./Commissie, T-263/22, ECLI:EU:T:2024:663, punt 188.
(80) Arrest van 2 oktober 2024, CCCME e.a./Commissie, T-263/22, ECLI:EU:T:2024:663, punt 184.
(81) De loonkosten zijn goed voor gemiddeld 16 % van de productiekosten gedurende de beoordelingsperiode.
(82) De kosten voor grondstoffen zijn goed voor gemiddeld 48 % van de productiekosten gedurende de beoordelingsperiode.
(83) Zolang de verkoopprijs per ton hoger lag dan de variabele kosten per ton, en hierbij de vaste kosten gedekt waren, leverde elke bijkomende verkoop enige winst op (een positieve dekkingsbijdrage). Aangezien de producenten in de Unie dat jaar een groot volume verkochten, hielp dit hen enige winst te maken, hoewel de gemiddelde productiekosten per ton hoger lagen.
(84) https://www.eurofer.eu/press-releases/persisting-downside-factors-deepen-downturn-in-2023-and-curb-steel-demand-rebound-in-2024.
(85) https://orgalim.eu/wp-content/uploads/orgalim-economics-and-statistics-report-autumn-2024-2.pdf.
BIJLAGE
Niet in de steekproef opgenomen meewerkende Chinese producenten-exporteurs
|
Naam |
Aanvullende Taric-code |
|
ANHUI GOODLINK FASTENER CO., Ltd. |
89MO |
|
CELO Suzhou Precision Fasteners Co., Ltd. |
89MP |
|
CHANGZHOU MIKI HARDWARE TECHNOLOGY CO., Ltd. |
89MQ |
|
Cixi Jinmao Fastener Co., Ltd. |
89MR |
|
CIXI NONGER HARDWARE CO., Ltd. |
89MS |
|
Eagle Metalware Co., Ltd. |
89MT |
|
EC International (Nantong) Co., Ltd. |
89MU |
|
Everbest Hardware Products Co., Ltd. |
89MV |
|
EVERGREEN (ZHEJIANG) INTELLIGENT MANUFACTURING CO., Ltd. |
89MW |
|
FASTWELL METAL PRODUCTS CO., Ltd. |
89MX |
|
Finework (Hunan) New Energy Technology Co., Ltd. |
89MY |
|
HAI YAN MACHINERY CO., Ltd. |
89MZ |
|
HAINING XINLIAN HARDWARE MACHINERY CO., Ltd. |
89NA |
|
Haining Xinxing Fasteners Co., Ltd. |
89NB |
|
Haining Zhongheng Metal Products Co., Ltd. |
89NC |
|
HAIYAN LONGCHENG STANDARD PARTS CO., Ltd. |
89ND |
|
HAIYAN BOLT CO., Ltd. |
89NE |
|
Haiyan C&F Fittings Co., Ltd. |
89NF |
|
Haiyan Jiamei Hardware Manufacturing and Tech. Co., Ltd. |
89NG |
|
HAIYAN JINNIU FASTENERS CO., Ltd. |
89NH |
|
HAIYAN LONGSHENG HARDWARE CO., Ltd. |
89NI |
|
Haiyan Wancheng Fasteners Co., Ltd. |
89NJ |
|
Haiyan Wandefu Precision Hardware Co., Ltd. |
89NK |
|
Haiyan Xingang Standard Parts Co., Ltd. |
89NL |
|
HAIYAN XINYUAN FASTENER CO., Ltd. |
89NM |
|
Haiyan Xinyuan Technology Co., Ltd. |
89NN |
|
Haiyan Xinyue Electrical Appliances Co., Ltd. |
89NO |
|
HAIYAN YINGJIE FASTENER CO., Ltd. |
89NP |
|
HAIYAN YONGJIE TECHNOLOGY CO., Ltd. |
89NQ |
|
Haiyan Yuanzhong Hardware Co., Ltd. |
89NR |
|
Handan Changfa Fastener Manufacturing Co., Ltd. |
89NS |
|
Handan City Daoning Fastener Manufacturing Co., Ltd. |
89NT |
|
HANDAN CITY JINGGONG CONSTRUCTION ANCHORING MANUFACTURE CO., Ltd. |
89NU |
|
Handan Haosheng Fastener Co., Ltd. |
89NV |
|
HANDAN HUAMING FASTENER CO., Ltd. |
89NW |
|
HANDAN MINGXIN METAL PRODUCTS CO., Ltd. |
89NX |
|
HANDAN TONGHE FASTENER MANUFACTURE CO., Ltd. |
89NY |
|
Handan Xiaojun Fastener Manufacturing Co., Ltd. |
89NZ |
|
Handan Xingbang Fastener Co., Ltd. |
89OA |
|
Handan Yaofeng Fastener Manufacturing Co., Ltd. |
89OB |
|
Handan Yongnian Hongji Machinery Parts Co., Ltd. |
89OC |
|
Handan Zhonglong Fastener Manufacturing Co., Ltd. |
89OD |
|
Hebei Chengyi Engineering Materials Co., Ltd. |
89OE |
|
HEBEI FUAO FASTENER MANUFACTURING CO., Ltd. |
89OF |
|
Hebei Goodfix Industrial Co., Ltd. |
89OG |
|
Hebei Gude Fastener Manufacturing Co., Ltd. |
89OH |
|
HEBEI YUETONG FASTENERS MANUFACTURING CO., Ltd. |
89OI |
|
Jiangsu Hengyue Hardware Co., Ltd. |
89OJ |
|
JIANGSU LIRUNYOU MACHINERY TECHNOLOGY CO., Ltd. |
89OK |
|
Jiashan Donghe Fastener Co., Ltd. |
89OL |
|
JIASHAN SANXIN FASTENER Co., Ltd. |
89OM |
|
Jiashan Tianyang Fastener Co., Ltd |
89ON |
|
JIASHAN WEIJIE HARDWARE CO., Ltd. |
89OO |
|
Jiaxing Aerotec Precision Co., Ltd. |
89OP |
|
JIAXING BROTHER UNITED FASTENER CO., Ltd. |
89OQ |
|
JIAXING CHUANGLI HARDWARE CO., Ltd. |
89OR |
|
JIAXING EXCELLENT FASTENER CO., Ltd. |
89OS |
|
JIAXING GOOD METAL TECHNOLOGY CO., Ltd. |
89OT |
|
JIAXING HONGJIAN TECHNOLOGY CO., Ltd. |
89OU |
|
JIAXING JIAWEI MACHINERY TECHNOLOGY COMPANY, Ltd. |
89OV |
|
JIAXING JINYU FASTENER FACTORY, Ltd. |
89OW |
|
Jiaxing Jiuli Precision Manufacturing Co., Ltd. |
89OX |
|
Jiaxing Julong Hardware Technology Co., Ltd. |
89OY |
|
JIAXING KINFAST HARDWARE CO., Ltd. |
89OZ |
|
JIAXING LONGFIX FASTENERS CO., Ltd. |
89PA |
|
JIAXING PAIYOU METAL PRODUCT CO., Ltd. |
89PB |
|
JIAXING RISEN HARDWARE CO., Ltd. |
89PC |
|
JIAXING SUNFAST METAL CO., Ltd. |
89PD |
|
JIAXING YIDA NEW MATERIAL TECHNOLOGY CO., Ltd. |
89PE |
|
Jinan Star Fastener Co., Ltd. |
89PF |
|
JOYSTART AUTOMOTIVE PARTS CO., Ltd. |
89PG |
|
Langxi Longwei Metal Technology Co., Ltd. |
89PH |
|
Lianyungang Jinyu Hardware Co., Ltd. |
89PI |
|
LIANYUNGANG PINGXIN FASTENER COMPANY LIMITED |
89PJ |
|
Lianyungang Xincheng hardware Co., Ltd. |
89PK |
|
LYG Dragonscrew Co., Ltd. |
89PL |
|
MIANXUAN FASTENERS CO., Ltd. |
89PM |
|
NEDSCHROEF FASTENERS (KUNSHAN) CO., Ltd. |
89PN |
|
Ningbo Da Zhi Machine Technology CO., Ltd. |
89PO |
|
Ningbo Dongxin High-Strength Nut Co., Ltd. |
89PP |
|
NINGBO EXACT FASTENERS CO., Ltd. |
89PQ |
|
Ningbo Jinding Fastening Piece CO., Ltd. |
89PR |
|
NINGBO LEMNA PRODUCT TECHNOLOGY CO., Ltd. |
89PS |
|
Ningbo Sardis Hardware Products Co., Ltd. |
89PT |
|
NINGBO XINGSHENG OIL PIPE FITTINGS MANUFACTURE CO, Ltd. |
89PU |
|
NINGBO YINZHOU HAIYUN METAL PRODUCTS CO., Ltd. |
89PV |
|
Ningbo Zhenghai Yongding Fastener Co., Ltd. |
89PW |
|
NINGBO ZHENHAI DINGLI FASTENER SCREW CO., Ltd. |
89PX |
|
Ningbo Zhongjiang High Strength Bolts Co., Ltd. |
89PY |
|
OK TECH CO., Ltd. |
89PZ |
|
PINGHU DRAGON FASTENER CO., Ltd. |
89QA |
|
PINGHU ZHAPU NUT FACTORY, Ltd. |
89QB |
|
QIFENG PRECISION INDUSTRY SCI-TECH CORP. |
89QC |
|
Qingdao Super Star Tools Co., Ltd. |
89QD |
|
QINGDAO VANKU INDUSTRY GROUP |
89QE |
|
QINGDAO XINHUA HARDWARE PRODUCTS CO., Ltd. |
89QF |
|
SHANGHAI FIRM METAL CO., Ltd. |
89QG |
|
Shanghai Kingpluse Industry Co., Ltd. |
89QH |
|
SHANGHAI MOREGOOD HARDWARE CO., Ltd. |
89QI |
|
Shanghai Moutain Industries Co., Ltd. |
89QJ |
|
SHANGHAI ROMAX HARDWARE CO., Ltd. |
89QK |
|
SHANGRAO CITY YIWEN FASTENER CO., LIMITED |
89QL |
|
Suzhou YNK Fastener Co., Ltd. |
89QM |
|
T&Y Hardware Industry Co., Ltd. |
89QN |
|
TAISHAN DONYI HARDWARE CO., Ltd. |
89QO |
|
TANDL INDUSTRY CO., Ltd. |
89QP |
|
Xingtai Mindu Industrial Co. Ltd. |
89QQ |
|
Yongnian Country Tianbang Fasteners Co., Ltd. |
89QR |
|
Yuyao Alfirste Hardware Co., Ltd. |
89QS |
|
Zhejiang Cooper Turner Beck Green Energy Co., Ltd. |
89QT |
|
ZHEJIANG DONGHE FASTENER CO., Ltd. |
89QU |
|
Zhejiang Donghe Machinery Technology Corporation Limited |
89QV |
|
ZHEJIANG EXCELLENT INDUSTRIES CO., Ltd. |
89QW |
|
Zhejiang Haixun Precision Technology Co., Ltd. |
89QX |
|
ZHEJIANG HYSTRON AUTO PARTS CO., Ltd. |
89QY |
|
ZHEJIANG NEW SHENGDA FASTENER CO., Ltd. |
89QZ |
|
ZHESHANG DEVELOPMENT HUASENER(ZHEJIANG) HARDWARE TECHNOLOGY CO., Ltd. |
89RA |
ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/1189/oj
ISSN 1977-0758 (electronic edition)